diff options
Diffstat (limited to 'old/63728-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/63728-8.txt | 19086 |
1 files changed, 0 insertions, 19086 deletions
diff --git a/old/63728-8.txt b/old/63728-8.txt deleted file mode 100644 index 7932ea0..0000000 --- a/old/63728-8.txt +++ /dev/null @@ -1,19086 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of De spoorzoeker, by Gustave Aimard - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: De spoorzoeker - Schetsen en Tooneelen uit de Amerikaansche wildernis - -Author: Gustave Aimard - -Translator: L. C. Cnopius - -Release Date: November 12, 2020 [EBook #63728] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SPOORZOEKER *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - - - - - - - - - - DE SPOORZOEKER. - - SCHETSEN EN TOONEELEN UIT DE AMERIKAANSCHE WILDERNIS. - - - Naar de zesde Fransche uitgave. - - VAN - - GUSTAVE AIMARD. - - DOOR - - L. C. CNOPIUS. - - - Derde druk. - - - LEIDEN, - Firma VAN DEN HEUVELL & VAN SANTEN. - GENT, W. ROGGHÉ. BATAVIA, G. KOLFF & Cie. - - 1867. - - - - - - - - -DE SPOORZOEKER. - -I. - -DE VERRASSING. - - -Verplaatsen wij ons, tegen het einde van Mei 1855, in eene der minst -bezochte streken der onmetelijke prairiën van het Verre-Westen, -op korten afstand van de Rio-Colorado-del-Norte, aan welke rivier -de Indiaansche stammen, in hunne beeldrijke taal, den naam hebben -gegeven van: Gouden golvenstroom zonder einde. - -Het was diep in den nacht. De maan, die reeds twee derden van hare baan -had afgelegd, vertoonde haar bleek gelaat tusschen de takken der hooge -cederboomen, terwijl het onzeker schijnsel van hare sidderende stralen, -naauwelijks licht genoeg verspreidde, om de afwisselende voorwerpen -op het rotsachtig en somber terrein te onderscheiden. Geen windje -beroerde de lucht, geen enkele ster fonkelde aan den hemel. Doodsche -stilte beheerschte de wildernis, eene stilte slechts nu en dan, bij -lange tusschenpoozen, afgebroken door het korte gekef en gejank der -op buit loerende coyoten (wolven) of het spotachtig gehuil van panter -en jaguar aan het naaste rivierwed. - -Gedurende de uren der duisternis, maakt de onbegrensde Amerikaansche -savane, waar geenerlei gedruisch van menschen de majesteit van -den nacht verstoort, onder het immer wakend oog der Godheid, een -onweerstaanbaren indruk ook op het hart van den sterksten mensch, -en bezielt hem ondanks zich zelven met godvruchtigen eerbied. - -Eensklaps kraakte er in de struiken een dof geritsel, en werden -de digte takken van een floripondio-boschje voorzigtig uit één -geschoven. Uit de gemaakte opening kwam een nieuwsgierig menschenhoofd -te voorschijn, met schitterende oogen, als van een wild dier, die in -alle rigtingen onrustig rondkeken. Na zich eenige sekonden onbewegelijk -stil te hebben gehouden, verliet deze zelfde man het boschje waar hij -tot hiertoe verborgen had gezeten, en sprong hij op eens naar buiten. - -Ofschoon de kleur van zijn door de zon verbrand gezigt bijna het -sombere rood van gebakken steen geleek, maakten zijn jagerskostuum -en vooral zijne lange blonde haren en sterk sprekende vrije -gelaatstrekken, hem terstond kenbaar als een dier stoutmoedige -canadesche woudloopers, wier ras met iederen dag zeldzamer wordt en -weldra geheel dreigt te zullen uitsterven. - -Hij deed eenige stappen voorwaarts met gevelde buks en de hand aan -den trekker, en bespiedde zorgvuldig de tallooze hem omringende -kreupelboschjes en rotsholten. Nadat hij zich, zoo het scheen, door -de allerwege heerschende stilte en eenzaamheid, had gerust gesteld, -bleef hij staan, zette zijn buks met de kolf op den grond, boog zich -voorover, en bootste op eene bedriegelijke wijze het gefluit na van -den centzontle, of amerikaanschen nachtegaal. - -Naauwelijks had de laatste toon van dit melodisch vogelgezang de lucht -doen trillen, of uit dezelfde struiken, die den eersten jager hadden -doorgelaten, kwam een tweede personaadje te voorschijn. - -De laatstgenoemde was een Indiaan; hij voegde zich terstond bij den -Canadees, en na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, vroeg hij -met eene stem, die meer gerustheid wilde veinzen dan hij misschien -werkelijk bezat: - ---Wel, hoe is 't? - ---Alles is stil, antwoordde de jager, de Cihuatl kan gerust komen. - -De Indiaan schudde het hoofd. - ---Sedert het opkomen der maan is Machsi-Karehde van de Wilde-Roos -gescheiden, en hij weet niet, waar zij zich op dit oogenblik bevindt. - -Een welwillende lach plooide zich om de lippen van den jager. - ---De Wilde-Roos bemint mijn broeder, zeide hij zachtzinnig, het -kleine vogeltje, dat in het diepst van haar hart zingt, zal haar wel -op het spoor van het opperhoofd hebben geleid. Is Machsi-Karehde het -fluitje vergeten, waarmede hij haar plagt te roepen op zijne verliefde -wachtplaats, in het stam-dorp? - ---Het opperhoofd is niets vergeten. - ---Laat hij haar dan roepen. - -De Indiaan had geene tweede vermaning noodig, en het geroep van den -Walkon deed de stilte weêrgalmen. - -Op hetzelfde oogenblik hoorde men eenig geritsel tusschen de takken, -eene jonge vrouw sprong, als eene verschrikte ree, hijgend te -voorschijn en vloog den krijgshaftigen Indiaan om den hals, die de -armen reeds uitstrekte om haar te ontvangen. De omhelzing duurde niet -langer dan een bliksemflits; het opperhoofd schaamde zich blijkbaar, -dat hij zich in het bijzijn van een blanke, ofschoon die blanke zijn -vriend was, tot zulk een vertoon van teederheid had laten vervoeren, -en hij stiet de jonge vrouw koelzinnig van zich af, onder het uiten van -eenige woorden, die geen het minste spoor van ontroering of hartstogt -te kennen gaven. - ---Mijne zuster zal zeker moede zijn, en op dit oogenblik heeft zij -geen gevaar te vreezen; zij kan dus gaan slapen, de krijgslieden -zullen haar bewaken. - ---De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen, antwoordde zij met -eene schroomvallige stem, haar hart is kloek, zij gehoorzaamt den -Machsi-Karehde (Vliegende-Arend), daar zij weet, dat zij onder de -bescherming van zulk een magtig opperhoofd veilig is. - -De Indiaan wierp haar een blik van onuitsprekelijke teederheid -toe, maar hernam bijna oogenblikkelijk dien schijn van norsche -ongevoeligheid, die de Roodhuiden nimmer afleggen. - ---Terwijl mijne zuster slaapt, zullen de krijgslieden raad houden, -zeide hij. - -De jonge vrouw antwoordde niet, zij maakte voor de beide mannen eene -eerbiedige buiging, en verwijderde zich, om zich eenige stappen verder -op het gras neder te vlijen, waar zij de oogen sloot en insliep, -of althans deed alsof zij sliep. - -De Canadees bepaalde zich alleen bij een enkelen glimlach, toen hij -zag, wat er op zijn gegeven raad aan den krijgsman gevolgd was; en bij -het hooren der weinige woorden tusschen de Roodhuiden gewisseld, gaf -hij zijn genoegen met een hoofdknik te kennen. Het opperhoofd stond in -diepe gepeinzen verzonken en wierp een onbeschrijfelijken blik op de -jeugdige slapende vrouw; eindelijk streek hij zich eenige malen met -de hand over het voorhoofd, als zocht hij de wolken te verdrijven, -die zijn brein benevelden terwijl hij zich tot den jager wendde. - ---Mijn broeder met het blanke gezigt heeft rust noodig, zeide hij, -het opperhoofd zal waken. - ---De wolven keffen niet langer, de maan is achter de heuvels verdwenen, -en een graauwe lichtstreep verheft zich aan den horizont, antwoordde -de Canadees, weldra zal het dag worden, de slaap is mijne oogleden -ontvloden, het past den mannen zich te beraden. - -De Indiaan maakte eene buiging, maar antwoordde niet; hij legde zijn -buks op den grond en verzamelde eenige armvollen dorre takken, die -hij nevens de slapende vrouw opeenstapelde. - -De Canadees sloeg vuur; weldra was de houtstapel in brand gestoken, -en kleurde de vlam het geboomte met een rooden gloed; alstoen hurkten -de beide mannen naast elkander op den grond neder, stopten hunne -rietpijpen met manachee, of gewijden tabak, en begonnen stilzwijgend -te rooken, met die deftigheid en ernst, die de Indianen onder alle -omstandigheden aan deze symbolische pligtpleging verbinden. - -Wij zullen van dit oogenblik rust, dat het toeval ons aanbiedt, -gebruik maken, ten einde den lezer het portret te geven van deze drie -personaadjen, die geroepen zijn om in ons verhaal zulk eene gewigtige -rol te spelen. - -De Canadees was een man van omtrent vijf en veertig jaren, zes -engelsche voeten lang, rank, mager en droog van gestel; bijna geheel -uit spieren, pezen en zenuwen bestaande, was hij volmaakt geschikt -voor zijn ruw beroep als woudlooper, waartoe noodwendig buitengewone -kracht en stoutmoedigheid worden vereischt. - -Als de meesten zijner landgenooten, droeg de Canadees in zijn gelaat -den stempel van het normandische ras in al zijne zuiverheid; zijn breed -voorhoofd, zijne grijze maar levendige oogen, zijn min of meer gewelfde -neus, zijn groote met eene dubbele rij prachtige tanden gewapende -mond, en de digte blonde met enkele graauwe haren vermengde lokken, -die welig en krachtvol onder zijn muts van otter-bont uitkwamen en -met groote krullen over zijne schouders vielen, dit alles gaf aan -den jager een open, eerlijk en trouwhartig voorkomen, dat terstond -beviel en reeds bij de eerste ontmoeting belangstelling en vertrouwen -inboezemde. Deze ontzagwekkende reus heette eigenlijk Bonnaire, maar -was in de prairiën alleen bekend onder den bijnaam van Loer-Vogel, -een titel dien hij ten volle regtvaardigde door de scherpte van zijn -blik en de juistheid, waarmede hij de nesten en holen van allerlei -wild, inzonderheid herten en dassen wist te ontdekken. - -Hij was geboren in den omtrek van Mont-Real; maar reeds in zijne -vroege jeugd naar de bosschen van Opper-Canada medegenomen, had hij in -het leven der wildernis zooveel aantrekkelijks gevonden, dat hij de -beschaafde wereld voor altijd vaarwel gezegd en sedert bijna dertig -jaren in de onmetelijke vlakten van Noord-Amerika had rondgezworven, -slechts nu en dan steden of dorpen bezoekende, wanneer hij er wezen -moest, hetzij om de vellen der dieren, die hij geschoten had, te -verkoopen, of om zich van eenen nieuwen voorraad kruid en kogels -te voorzien. - -Zijn makker, de Vliegende-Arend, was een der meest vermaarde -opperhoofden van de zoogenaamde Witte-Bisons, een der magtigste en -krijgshaftigste volksstammen der Comanchen. - -Deze woeste en ontembare natie geeft zich, uit overmaat van trots, -den hoogdravenden naam van Koningin der Prairiën, een titel, welken -geene andere dan zij, zich zou durven toeëigenen. - -De Vliegende-Arend, hoewel nog zeer jong, daar hij naauwelijks -vijf en twintig jaren telde, had zich reeds in vele gevallen door -staaltjes van zulken ongehoorden moed en vermetelheid onderscheiden, -dat alleen zijn naam een onweerstaanbaren schrik verspreidde onder -de tallooze Indiaansche horden, die de woestijn onophoudelijk in alle -rigtingen doorkruisen. - -Groot van gestalte, welgemaakt, en in allen deele wel geëvenredigd, -bezat hij fijne gelaatstrekken, met een paar oogen zoo zwart als -de nacht, en welke bij een of andere sterke gemoedsbeweging, eene -zonderlinge vastheid van uitdrukking aannamen, die onwillekeurig -eerbied afdwong; zijne gebaren waren edel, zijn gang en houding -gracieus, en vol van die majesteit, welke den Indianen is aangeboren. - -Het opperhoofd was gekleed in zijn gewonen oorlogsdosch. Dit kostuum -is merkwaardig genoeg om door ons eenigzins uitvoerig beschreven -te worden. - -Het hoofd van den Vliegenden-Arend was gedekt met den -mach-akoub-hachka, eene muts welke slechts door krijgslieden van -rang gedragen wordt, die vele vijanden hebben gedood; zij bestaat -uit wit hermelijnen stroken, van achteren in een breeden lap rood -laken zamengevat, die tot aan de kuiten afhangt; van boven was er -eene pluim van regtstandige witte en zwarte adelaarsvederen op vast -gehecht, die digt om het hoofd begon en hooger in een gesloten krans -zamenliep. Boven het regter oor zat in zijne haren een roodgeverwd -houten mes, omtrent zoo lang als een mans hand: dit mes was het -zinnebeeld van den dolk, waarmede hij het opperhoofd Dacotah had -afgemaakt; bovendien droeg hij acht kleine blaauwgekleurde en aan -de punt met vergulde spijkers voorziene houten spaantjes of stokjes, -om het aantal kogels aan te duiden door welke hij gewond was; boven -zijn linker oor droeg hij een grooten bos geele aan het uiteinde met -rood bestreken uilenvederen, als een teeken van zijn verbond met de -Menin-Ochaté, of de bende der Honden; zijn aangezigt was voor de helft -roodgeverwd, en zijn ligchaam bruinrood met strepen, waar de verw -door een natten vinger was weggewischt. Zijne armen, van den schouder -afgerekend, waren almede met zeven en twintig geele ringen of banden -geteekend, om het getal zijner groote wapenfeiten aan te duiden, en op -zijne borst prijkte in blaauwe verw de figuur van een menschenhand, -die te kennen gaf dat hij menigmaal krijgsgevangenen had gemaakt. Om -zijn hals droeg hij een prachtige mato-un-knappininde of collier -van graauwe beerenklaauwen, van drie duimen lengte en aan de punten -witgemaakt. Zijne schouders waren bedekt met den grooten mih-ihee of -bisonsmantel, die tot op den grond afhing en met verschillende kleuren -beschilderd was. Om zijn middel sloot zich met een naauwen band de -woupanpihunchi of broek, bestaande uit twee afzonderlijke deelen, -een voor elk been, en strekkende tot aan den enkel, waar zij aan -de buitenzijde met egels- of stekelvarkens-pennen van verschillende -kleuren, was bestikt, die in eenen digten bos zamengevat eindigden -en langs den grond sleepten; zijn nokké, een breede strook van wit -en zwart gestreept laken, was om zijne heupen gewikkeld, en hing zoo -wel van voren als van achteren in lange plooijen af; zijne hampes, -of schoenen van bisonsleder, waren slechts weinig versierd, maar -op de vreeg met wolvenstaarten vastgemaakt, die hem langs den grond -nasleepten, en het aantal der door hem overwonnen vijanden te kennen -gaven; aan zijn ichparakehn of gordel, hingen aan de eene zijde een -leêren kruidflesch, een kogelzak en scalpeermes, aan de andere een -koker van pantervel, met lange van stalen punten voorziene pijlen -gevuld, benevens zijn tomahawk (strijdbijl). Zijn erupha, of geweer, -lag naast hem op den grond, maar onder zijn bereik voor dadelijk -gebruik zoo het noodig mogt zijn. - -Deze zonderling uitgedoschte krijgsman had iets sombers en -indrukwekkends, dat reeds op het eerste gezigt schrik inboezemde. - -Wat de Wilde-Roos betreft, bepalen wij ons voor het oogenblik te -zeggen, dat zij hoogstens vijftien jaren telde, zeer schoon was -voor eene Indiaansche en in hare elegante eenvoudigheid de strenge -kleederdragt had aangenomen, die bij de vrouwen van haar stam in -zwang was. - -Eindigen wij hiermede deze, misschien te uitvoerige maar tot -kennismaking met de personen, die op ons tooneel verschijnen zullen, -hoogst noodige beschrijving, en vervolgen wij ons verhaal. - -Sedert geruimen tijd hadden de twee vrienden reeds zitten rooken, -zonder een woord zamen te wisselen; eindelijk schudde de Canadees -de kop van zijn pijp tegen den duim zijner linkerhand uit, en rigtte -het woord tot zijn makker. - ---Is mijn broeder voldaan? vroeg hij. - ---Ooah! antwoordde de Indiaan met een toestemmenden hoofdknik, mijn -broeder heeft een vriend. - ---Goed, hervatte de jager, maar wat zal het opperhoofd nu doen? - ---De Vliegende-Arend zal zich met de Wilde-Roos bij de zijnen voegen -en dan terugkomen, om het spoor der Apachen op te zoeken. - ---Waartoe zou dat dienen? - ---De Vliegende-Arend wil zich wreken. - ---Met uw verlof, opperhoofd, niet dat ik u wil afraden om uwe plannen -door te zetten tegen vijanden, die ook de mijne zijn, maar ik geloof -dat gij deze zaak niet uit het regte oogpunt beschouwt. - ---Wat wil mijn blanke wapenbroeder daarmede zeggen? - ---Ik wil daarmede zeggen dat wij ver van de hutten der Comanchen -verwijderd zijn, en eer wij die kunnen bereiken, zullen wij zonder -twijfel nog menig verschil met onze vijanden te vereffenen hebben, -wier opperhoofd misschien een beetje al te voorbarig meent, dat hij -ons reeds van den hals heeft geschoven. - -De Indiaan haalde hooghartig de schouders op. - ---De Apachen zijn oude wijven, zwetsers en lafaards, zeide hij, -de Vliegende-Arend veracht hen. - ---'t Is mogelijk, hernam de jager, hoofdschuddend; naar mijn gevoelen -zouden wij echter wijzer gedaan hebben, onzen weg te vervolgen, -totdat de zon opkomt, om hen zoover mogelijk achter ons te krijgen, -in plaats van ons hier zoo onvoorzigtig op te houden; wij zijn hier -nog tamelijk digt bij het vijandelijke kamp. - ---Het vuurwater (brandewijn) heeft die honden van Apachen de ooren -gestopt en de oogen gesloten, zij liggen thans zoo lang als ze zijn -te slapen. - ---Hm! dat zou ik niet denken, integendeel houd ik mij overtuigd dat -zij klaar wakker zijn en ons zoeken. - -Op hetzelfde oogenblik, als had het toeval de vrees van den -voorzigtigen jager willen regtvaardigen, hoorde men meer dan een -tiental geweerschoten kort in de nabijheid lossen; een vreeselijke -oorlogskreet, dien de Canadees en de Comanch terstond met een kreet -van uitdaging beantwoordden, klonk uit het digtst van het woud, -en een dertigtal Indianen van den Apachen-stam, rukten huilende op -den brandstapel af, waar onze drie avonturiers zich bevonden hadden; -maar deze waren eensklaps als met een tooverslag verdwenen. - -De Apachen bleven staan en schuimbekten van woede, niet wetende -welke rigting zij zouden kiezen, om hunne sluwe vijanden terug te -vinden. Plotseling vielen er drie geweerschoten uit het digtst van -het bosch, even zoovele Apachen tuimelden, in het hart getroffen, -op den grond. - -De Apachen deden op nieuw een woest gehuil hooren, en rukten voorwaarts -in de rigting, waar de schoten gevallen waren. Op het oogenblik toen -zij den rand van het bosch bereikten, trad er een man uit te voorschijn -in zijne hand een bisonshuid zwaaijende, ten teeken van vrede. - -Die man was de Canadees Loer-Vogel. - -De Apachen bleven min of meer schoorvoetend staan, en hadden blijkbaar -niet veel goeds in 't zin. De Canadees scheen dit echter niet op te -merken en stapte bedaard naar hen toe, met den vasten en langzamen -tred, dien hij gewoon was. Zoodra de Indianen hem herkenden, drilden -zij toornig hunne wapenen en dreigden op hem in te loopen, want zij -hadden reden genoeg, den jager een kwaad hart toe te dragen. Hun -opperhoofd hield hen echter terug. - ---Laat mijne kinderen geduld oefenen, zeide hij met een somberen -glimlach, zij zullen niets verliezen met een poosje te wachten. - - - - - - - -II. - -DE GAST. - - -Denzelfden dag waarmede ons verhaal begint, op ongeveer drie mijlen -van de plek, waar de in ons vorig hoofdstuk vermelde gebeurtenissen -plaats grepen, had in eene uitgebreide kampplaats, aan den ingang -van een onmetelijk woud, welks laatste afhellingen aan den oever der -Rio-Colorado doorliepen, eene talrijke karavaan met het ondergaan -der zon halt gemaakt, om er den nacht door te brengen. - -Die karavaan kwam uit het zuid-oosten, namelijk uit Mexico, en scheen -reeds langen tijd op marsch te zijn geweest, althans voor zooveel -zich liet opmaken uit den versleten toestand, waarin zich de kleeding -der reizigers bevond, alsmede de zadels en tuigen hunner paarden en -muilezels. Voor het overige waren de arme lastdieren tot een staat van -vermagering en zwakheid vervallen, die afdoende getuigenis gaf van de -zware vermoeijenissen, welke zij hadden moeten verduren. De karavaan -was zamengesteld uit omtrent dertig à vijf en dertig personen, allen -gekleed in het eigenaardig en schilderachtig kostuum dier half-bloed -jagers en gambucinos, die hetzij alleen, of in kleine benden van drie -of vier op zijn hoogst, de wildernissen van het Verre-Westen afloopen, -en het diepst van zijne minst bekende schuilhoeken doorsnuffelen, -om er te jagen, strikken te zetten, of de menigvuldige goudaderen op -te sporen, welke het in zijnen schoot verbergt. - -De avonturiers maakten halt, stegen af, koppelden hunne paarden -aan piketten en hielden zich onverwijld, met al de vaardigheid en -voortvarendheid, die de dagelijksche gewoonte hun geleerd had, bezig, -om hun kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. Over een vrij -uitgestrekte ruimte werd het prairiegras uitgerukt; de pakken der -muildieren werden in een grooten cirkel er om heen gestapeld, tot een -soort van bolwerk, om zich des noods tegen een onverhoedschen aanval -der zwervende Indianen te kunnen verweeren; vervolgens werden in den -vorm van een Sint-Andries-kruis de kampvuren aangelegd en ontstoken. - -Nadat dit werk was afgeloopen, werd door sommige avonturiers een groote -tent opgerigt, boven eene digt gesloten en door twee muildieren--een -vóór- en een achter--gedragen palankijn. Zoodra de tent klaar was, -werd de palankijn van de muilezels afgeladen, en vielen de gordijnen -der tent er zoo digt omheen, dat zij geheel en al onzigtbaar werd. - -Die palankijn was een raadsel voor de gansche karavaan; niemand wist -wat zij bevatte, ofschoon de algemeene nieuwsgierigheid ter zake -van dit onverklaarbaar geheim, vooral in zulke eenzame en woeste -streken, gedurig wakker bleef en niet zelden hoog gespannen stond; -iedereen hield echter zijne gissingen en vermoedens zorgvuldig voor -zich zelven, inzonderheid sinds dien noodlottigen dag, toen bij het -doortrekken van een moeijelijken bergpas, een der jagers,--gebruik -makende van de toevallige afwezigheid van den chef der quadrilla, -die de palankijn nimmer verliet en haar bewaakte als een woekeraar -zijn schat, de gewaagde gelegenheid waarnam, om even het gordijn op -te heffen en naar binnen te kijken; maar naauwelijks had deze man den -tijd gehad om een verholen blik door de gemaakte opening te werpen, -of de onverwachts terugkeerende chef had hem met een enkelen slag -zijner machete het hoofd gekliefd en levenloos ter aarde doen storten. - -Daarop had de kapitein zich met een zegevierenden en onverbiddelijken -blik tot de verschrikte omstanders gewend en gezegd: - ---Is er ook nog iemand onder u, die lust heeft om te ontdekken wat -ik voor allen verkies geheim te houden? - -Deze woorden werden op zulk een toon van verpletterende ironie -en woeste boosaardigheid uitgesproken, dat zelfs de stoutsten der -rooverbende, meerendeels lieden zonder eer of trouw en gewoon om de -grootste gevaren al spottend te trotseren, verschrikt terugdeinsden en -het bloed in hunne aderen voelden verstijven. Deze eerste vermaning -was genoeg geweest, en niemand had na dien tijd gewaagd, het geheim -van hun kapitein uit te vorschen. - -De laatste beschikkingen voor het kampement waren naauwelijks -afgeloopen, of een gedruisch van paardenhoeven deed zich hooren, -en twee ruiters kwamen in vliegenden galop aanrijden. - ---Daar is de kapitein! zeiden de avonturiers tegen elkander. - -De nieuwaankomenden stegen af, gaven aan een paar toeschietende -bedienden de teugels hunner paarden over en rigtten zich met haastige -stappen naar de tent. Aldaar gekomen zijnde, bleef de eerste staan -en zeide tegen zijn medgezel: - ---Caballero, ik heet u welkom in ons midden; al zijn wij zelven arm, -zullen wij het weinige dat wij hebben volgaarne met u deelen. - ---Ik zeg u dank, antwoordde de tweede met eene ligte buiging, maar ik -zal van uwe beleefde gastvrijheid geen gebruik maken; morgen met het -krieken van den dag zal ik, zoo ik hoop, genoeg rust hebben genoten -om mijne reis voort te zetten. - ---Handel naar uw eigen goedvinden; maar schik u in allen geval bij -het vuur, dat voor mij is gereed gemaakt, terwijl ik mij eenige -oogenblikken in deze tent begeef; zoo aanstonds kom ik terug en zal -ik de eer hebben u gezelschap te houden. - -De vreemdeling boog, en trad naar het vuur, dat op korten afstand van -de tent brandde, terwijl de kapitein naar binnen ging en het gordijn -achter zich vallen liet, dat hem voor de oogen van zijn gast verborg. - -Laatstgenoemde was een man met scherp geteekende trekken, en zijne -korte forsch gespierde ledematen gaven buitengemeene kracht te kennen; -ettelijke rimpels op zijn krachtvol gelaat schenen aan te duiden, -dat hij den middelbaren leeftijd reeds voorbij was, ofschoon zijn -stevig gebouwd ligchaam nog geen enkel spoor van verval vertoonde, -en geen enkel grijs haar zijn langen digten haarbos verzilverde, -die zoo zwart was als een ravenwiek. Deze man droeg het kostuum der -rijke mexicaansche hacendero's, of landedelen, namelijk de manga, -de bontgestreepte zarapé, een fluweelen calzoneras, aan de knieën -open, en een paar botas vaqueras, of koeherders laarzen; aan den bol -van zijn vigonia-wollen met goud galon omboorden hoed, was een rijke -met kostbare diamanten versierde toquilla, of kap, vastgehecht; eene -machete zonder schede hing aan zijn regter heup, in een eenvoudigen -ijzeren ring; de loopen van twee zesschots revolvers blonken in zijn -buikriem, en naast hem op het gras lag zijn amerikaansche prachtig -met zilver gedamasceerde buks. - -Nadat de kapitein hem alleen had gelaten, nam de onbekende plaats bij -het vuur en maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk; hij spreidde -namelijk zijn mantel en zijne wapenen derwijze uit, dat ze hem des -noods tot nachtleger konden dienen, en wierp toen een gluipenden blik -in 't rond, welks uitdrukking den avonturiers zonder twijfel veel -te denken zou hebben gegeven, zoo zij dien hadden kunnen opmerken; -maar zij waren thans te druk bezig met zich in het kamp te legeren -en hun souper te bereiden; en zij verlieten zich te zeer op de goede -trouw der prairiën, om veel acht te slaan op den vreemdeling, die -zich aan hun gastvrij vuur kwam nederzetten, of zich een oogenblik -te bekommeren over hetgeen hij deed. - -Na eenige minuten te hebben rondgestaard en nagedacht, stond de -onbekende op en trad naar eene der verzamelde groepen waar de jagers -in levendig gesprek schenen en gesticuleerden met al de drift der -rassen van het Zuiden. - ---Wacht! riep een van hen, toen hij den vreemdeling zag aankomen, -deze heer zal ons wel met een enkel woord kunnen overeenbrengen. - -Op deze wijze aangesproken, wendde hij zich oogenblikkelijk tot -zijn zegsman. - ---Waar hebt gij het over, caballeros? vroeg hij. - ---O, lieve hemel, het is een dood onnoozele zaak, antwoordde de -avonturier; uw paard, senor, is een schoon en edel dier, dat moet -ik bekennen, maar het wil niet vreten met de onzen; het stampvoet -en steigert en laat zijne tanden zien aan de kameraden, die wij het -gegeven hebben. - ---Nu, dat laat zich waarlijk ligt begrijpen, merkte een tweede -spottenderwijs aan, dat paard is een "costeno," (kustpaard) hij zal -te grootsch zijn om met zulke arme "tierras adentro" (binnenlanders) -te grazen als de onze. - -Op deze zotte aanmerking berstten allen los in een daverend gelach. - -De onbekende glimlachte schalks. - ---Misschien is de reden die gij aangeeft de ware, sprak hij -zachtzinnig, maar misschien bestaat er nog een andere voor; in allen -geval is er een gemakkelijk middeltje om het verschil op te lossen, -dat ik gaarne wil aanwenden. - ---Ha! zei de tweede avonturier, en wat is dat? - ---Ik zal het u dadelijk toonen, hernam de onbekende even bedaard als -te voren. Zich thans tot het paard wendende, dat door twee mannen -naauwelijks te houden was, riep hij: Laat hem los! - ---Maar als we dat doen, weet niemand wat er van komen kan. - ---Laat hem los, ik sta u borg voor de gevolgen. Lelio! riep hij nu, -kom hier! - -Op het hooren van dezen naam stak het paard fier den edelen kop op, -rigtte den schranderen blik naar dengene die hem riep, ontrukte zich -met een snelle en onweerstaanbare beweging aan de beide mannen, die -hem poogden te weerhouden, deed hen onder het schaterend gelach hunner -kameraden in het gras buitelen, sprong regelregt naar zijn meester -en streek hem met den kop langs de borst, onder vrolijk gehinnik. - ---Gij ziet het, hervatte de onbekende, terwijl hij het edele dier -met de hand streelde, dat ging al zeer gemakkelijk. - ---Hm! antwoordde op gebelgden toon de eerste avonturier, terwijl -hij zich oprigtte en den schouder wreef; dat is een demonio, wien ik -niet gaarne mijne huid zou toevertrouwen, hoe oud en gerimpeld zij -ook zijn mag. - ---Laat hem maar stilletjes begaan, ik zal wel voor hem zorgen, zei -de vreemdeling. - ---Zoo waar ik Domingo heet, ik heb er het mijne al van, riep de andere; -'t is een edel dier, maar hij heeft den duivel in 't lijf! - -De onbekende trok de schouders op maar antwoordde niet en keerde naar -het vuur terug, gevolgd door zijn paard, dat stapvoets achter hem -liep, zonder den minsten lust te betoonen om zich van nieuws aan de -wonderlijke kuren schuldig te maken, die de verbazing der avonturiers -zoozeer hadden gaande gemaakt, ofschoon meest allen volleerde meesters -waren in de edele paardenkunst. Onze viervoet was een volbloed van -arabisch ras, die zijn tegenwoordigen bezitter waarschijnlijk een -aanzienlijke som had gekost, en wiens schoone vormen wel vreemd moesten -voorkomen aan lieden, die geen andere dan mexicaansche paarden gezien -hadden. Zijn meester voorzag hem van het noodige voeder, koppelde -hem in zijn nabijheid vast, en hernam zijne vorige plaats bij het vuur. - -Op hetzelfde oogenblik verscheen de kapitein aan den ingang der tent. - ---Ik vraag u verschooning, zeide hij met die bevallige hoffelijkheid, -die den Spaansch-Amerikanen schijnt aangeboren te zijn, ik vraag u -verschooning, senor caballero, dat ik u zoo lang liet wachten, maar -gebiedende pligt vorderde mijne tegenwoordigheid elders; thans ben -ik geheel tot uwe dienst. - -De onbekende boog en antwoordde schier even beleefd: - ---Integendeel, ik ben het, die mij verontschuldigen moet, dat ik zoo -zonder complimenten van uwe gastvrijheid gebruik maak. - ---Geen woord meer hierover, bid ik u, of gij moest mij met noodelooze -pligtplegingen willen bezwaren. Met deze woorden zette de kapitein -zich naast zijn gast. - ---Wij zullen wat eten, vervolgde hij; het doet mij leed dat ik u -niets beters kan aanbieden; maar die te velde trekt moet zich weten te -behelpen; ik ben hier op mager rantsoen gezet, gelijk gij zien zult, -een stuk tasajo (zoutevleesch) en wat roode boontjes met pepersaus. - ---Dat laat zich wel gebruiken, en ik zou er zeker de noodige eer aan -bewijzen, als ik den minsten eetlust had; maar in deze oogenblikken -zou het mij ondoenlijk zijn, om een brok aan den mond te brengen, -wat het ook wezen mogt. - ---Zoo! sprak de kapitein, terwijl hij den onbekende een wantrouwenden -blik toewierp. - -Maar op het bedaard en open gelaat van zijn gast vertoonde zich zulk -een ongekunstelde glimlach, dat hij zich schaamde over zijn voorbarigen -argwaan, en zijn donkere blik terstond de vorige helderheid hernam. - ---Het spijt mij wel: maar dan zal ik u verlof verzoeken om alleen -te mogen eten, want om u de waarheid te zeggen, caballero, moet ik -u bekennen, dat ik letterlijk raas van den honger. - ---Het zou mij zeer leed doen, als ik u het minste oponthoud -veroorzaakte. - ---Domingo! riep de kapitein, breng mijn diner! - -De knecht--dezelfde, welken het paard van den vreemdeling zoo onzacht -had omvergeworpen, liet zich geen oogenblik wachten, al trekbeende -hij nog, en bragt in een houten schotel het diner van zijn chef; -eenige geroosterde maïskoeken, die hij in de hand droeg, voltooiden -den bijna kloosterlijken maaltijd. - -Domingo was een Indiaansche mesties, van ongunstig voorkomen, met -hoekige trekken en een norsch gezigt; hij scheen omtrent vijftig -jaar oud, in zoo ver het mogelijk is, den ouderdom van een Indiaan -uit zijn voorkomen op te maken. Sedert zijn ongeval met het paard, -droeg Domingo den onbekende een innigen wrok toe. - ---Con su permiso, met uw verlof, zei de kapitein terwijl hij een der -maïskoeken doorbrak. - ---Ik zal intusschen een cigaar rooken, om u gezelschap te houden, -antwoordde de vreemdeling met zijn onverstoorbaren glimlach. - -De kapitein maakte eene beleefde buiging en viel aan zijn sober maal, -met al de graagte van iemand, die lang had moeten vasten. Wij zullen -ons deze gelegenheid ten nutte maken, om den lezer zijn portret -te geven. - -Don Miguel Ortega, onder welken naam hij bij zijne gezellen bekend -was, was een elegant en fraai jongman, van hoogstens zes en twintig -jaar. Zijn door de zon gebronsd gelaat was fijn besneden en zijne -levendige oogen schitterden helder en fier onder zijn open voorhoofd, -terwijl zijn verhevene gestalte, vast gespierde leden, en breede -hooggewelfde borst een zeldzame kracht aanduidden. Inderdaad zou -het moeijelijk, zoo niet onmogelijk zijn geweest, om in de gansche -uitgestrektheid der voormalige spaansche koloniën een verleidelijker -cavalier te vinden, wien het schilderachtige amerikaansche kostuum -beter stond en meer tot den hombre de a caballo maakte, terwijl hij -tevens in dezelfde mate al de uitwendige bekoorlijkheden in zich -vereenigde, die de vrouwen zoo gaarne zien en waar zelfs het gemeen -mede dweept. Ondanks dit alles hadden, voor een bevoegder opmerker, -de oogen van don Miguel te veel diepte, en fronsten zijne wenkbraauwen -te huichelachtig en bedriegelijk, om niet te vermoeden dat er achter -al die verleidelijke uitwendige gaven een bedorven ziel en slechte -hoedanigheden zich verscholen. - -Een jagers-maaltijd, die door goeden eetlust gekruid wordt, duurt -zelden lang; en ook de zijne was spoedig afgeloopen. - ---Zie zoo, zei de kapitein, zijne vingers aan een bosje gras -afwrijvende; nu een sigaartje, om de spijsvertering te bevorderen, -en dan zal ik de eer hebben u goeden avond te wenschen; gij zult toch -zeker geen plan hebben om ons te verlaten eer de dag aankomt? - ---Dat zou ik u niet kunnen zeggen, antwoordde de onbekende; dat zal -min of meer afhangen van het weer, dat wij van nacht krijgen; ik heb -haast genoeg, en gij weet caballero, wat onze buren, de Gringos zeggen: -tijd is geld. - ---Gij kent uwe eigene zaken beter dan ik, caballero; handel volkomen -naar goedvinden, alleen sta mij toe, eer ik mij verwijder, dat ik u -goeden nacht wensch en voorspoed op uwe ondernemingen! - ---Ik zeg u dank, caballero. - ---Nu een enkel woord, of liever ééne vraag nog eer wij scheiden. - ---Spreek. - ---Wel te verstaan, als gij die vraag te onbescheiden mogt vinden, -zijt gij volkomen vrij om haar onbeantwoord te laten. - ---Dat zou mij zeer verwonderen van een caballero, die zoo wellevend -is; verklaar u dus als ik u verzoeken mag. - ---Ik heet don Miguel Ortega. - ---En ik don Stefano Cohecho. - -De kapitein maakte eene eerbiedige buiging. - ---Vergun mij nu op mijne beurt dat ik u eene vraag doe, hervatte -de vreemdeling. - ---Als ik u verzoeken mag! - ---Waarom hebt gij mijn naam willen weten? - ---Omdat het in de prairiën altijd goed is, zijne vrienden van zijne -vijanden te kunnen onderscheiden. - ---Dat is zoo, welnu? - ---Welnu, thans ben ik overtuigd, dat ik u niet onder de laatsten -zal tellen. - ---Quien sabe? Wie weet? lachte don Stefano; er bestaan zulke wonderbare -kansen. - -Na eenige woorden op gelijke vriendschappelijke manier te hebben -gewisseld, drukten de beide mannen elkander de hand, don Miguel begaf -zich naar de tent, en don Stefano, na zijne voeten bij het vuur te -hebben uitgestrekt, sliep in, althans sloot de oogen. - -Een uur later heerschte in het kamp de diepste stilte. De vuren -verspreidden slechts een flaauwen glans, en de schildwachten, op -hunne geweren rustende, gaven zich zelfs aan die vage dommeling over, -die wel geen slapen is, maar toch geen waken meer heeten mag. - -Plotseling liet zich tweemaal achtereen het sombere gekras hooren -van een uil, die waarschijnlijk in een der naastbij staande boomen -verscholen zat. - -Don Stefano opende de oogen. Zonder van plaats te veranderen of zich -te verroeren, verzekerde hij zich met een opmerkzamen blik, dat alles -rondom hem in rust was; na zich vervolgens overtuigd te hebben, -dat zijn machete en zijne revolvers nog op dezelfde plaats lagen, -greep hij zijn buks, en bootste op zijne beurt het geschrei van den -uil na. Een gelijkluidend geschreeuw gaf oogenblikkelijk antwoord. - -De vreemdeling, zonder zich op te rigten, plooide zijne zarapé in eene -menschelijke gedaante, fluisterde zijn paard eenige zoete woordjes toe, -om het gerust te stellen en geduld te leeren oefenen, en zich thans -op den grond uitstrekkende, kroop hij op handen en voeten stilletjes -naar een der uitgangen van het kamp; toen hield hij even stil, om -zoo scherp mogelijk rond te zien. - -Alles bleef even kalm als te voren. Tot aan den voet der borstwering -genaderd, die door de pakken der muilezels gevormd was, rigtte hij -zich op, sprong met de vaardigheid van een boschkat over het bolwerk, -en verdween in de prairie. - -Op hetzelfde oogenblik stond in het kamp een man op, sprong mede over -de borstwering en ijlde hem na. - -Die man was Domingo. - - - - - - - -III. - -DE NACHTELIJKE ZAMENSPRAAK. - - -Don Stefano Cohecho scheen met de woestijn zeer goed bekend; zoodra -hij zich dus in de prairie bevond, en naar hij meende tegen alle -lastige nasporing beveiligd was, stak hij moedig het hoofd op; -zijn gang werd rustiger en stouter, zijn oog glom met een somberen -gloed, en hij trad met snellen stap naar een boschje van palmboomen, -wier schrale waaijerkruinen bij dag tegen de brandende zonnestralen -slechts een onvoldoende bescherming verleenden. - -Inmiddels verzuimde hij de noodige voorzorgen niet; van tijd tot tijd -bleef hij plotseling staan en luisterde naar het minste geritsel, of -bespiedde met scherpen blik de donkere diepten der wildernis; en dan -weder, na zich verzekerd te hebben, dat alles rondom hem in rust was, -vervolgde hij eenige sekonden later zijn togt, met denzelfden vasten -tred, dien hij had aangenomen, toen hij het kamp verliet. - -Domingo, om ons van eene Indiaansche spreekwijze te bedienen, trad -letterlijk op zijne voetsporen, bespiedde en beluisterde al zijne -bewegingen met de behendigheid, die den mestiezen bijzonder eigen -is, wel zorg dragende, dat de man, welken hij vervolgde, hem niet -kon betrappen. - -De mesties was een van die karakters, welke men in de grensdistricten -maar al te veel aantreft, en die evenzeer begaafd met groote talenten -als met grove gebreken, gelijkelijk in staat zijn om zoowel goede als -slechte zaken te helpen uitvoeren, maar die zich meestal door hunne -boosaardige neigingen laten besturen. - -In deze oogenblikken volgde hij den vreemdeling zonder regt te weten -waarom, en zonder voor zich zelven te hebben uitgemaakt of hij voor of -tegen hem zou te werk gaan; dit te beslissen hing af van den loop der -omstandigheden, al naar mate hij berekenen kon, hetzij van verraad -of van pligtbetrachting het meeste voordeel te zullen trekken; ook -vermeed hij zorgvuldig om zijne tegenwoordigheid te laten blijken, daar -hij wel begreep, dat het geheim op welks ontdekking hij uit was, hem -groote voordeelen zou kunnen aanbrengen, maar alleen en inzonderheid, -wanneer hij het goed wist te gebruiken; steeds weifelend en onzeker, -trok hij zich echter niet terug, maar ging derwijze te werk, dat -hij de ontdekking van het kostelijk geheim geen oogenblik in de -waagschaal stelde. - -Meer dan een uur lang volgden de beide mannen dezelfde rigting, zonder -dat don Stefano een oogenblik vermoedde, dat hij werd nagespoord, -en dat een der geslepenste schurken uit de prairie hem digt op de -hielen zat. - -Na tallooze wegen en omwegen door het hooge gras te hebben gemaakt, -kwam don Stefano eindelijk aan den oever der Rio-Colorado, die op dit -punt breed en kalm als een meer daarheen vloeide, over eene zandige -bedding, omzoomd door digte boschaadjen van katoenboomen en hooge -populieren, wier wortels tot den rand van het water reikten. Aldaar -aangekomen, bleef de onbekende een oogenblik staan luisteren, bragt -de hand aan den mond en bootste volmaakt het keffen van den coyote -(wolf) na; bijna onmiddelijk verhief zich het zelfde geluid uit het -lage oeverbosch, en vertoonde zich op korten afstand eene ligte, -van boomschors vervaardigde kaan, die door twee mannen werd geroeid. - ---Ha! zei don Stefano met een bedwongen stem, ik wanhoopte reeds u -te ontmoeten. - ---Hebt gij dan ons signaal niet gehoord? antwoordde een der roeijers -in de kaan. - ---Zonder dat zou ik immers niet gekomen zijn? Maar mij dunkt dat gij -wel een beetje vóór mij hier hadt kunnen wezen. - ---Dat konden we onmogelijk. - -De kleine praauw zat nu in het oeverzand; de twee mannen sprongen -luchtig aan wal, en bevonden zich reeds het volgende oogenblik bij don -Stefano. Beiden waren gekleed en gewapend als de jagers in de prairiën. - ---Hm! hervatte don Stefano, de weg is verduiveld lang van het kamp -tot hier, ik vrees dat men mijne afwezigheid zal ontdekken. - ---Dat is een gevaar, waar gij niet buiten kunt, antwoordde de vorige -spreker, een man van hooge gestalte, gunstig voorkomen en strenge -gelaatstrekken, terwijl zijne haren, wit als sneeuw, in lange krullen -over zijne schouders golfden. - ---Enfin, nu gij er eenmaal zijt, zullen wij nader afspreken en -vooral kort zijn, want de tijd is kostbaar. Wat hebt gij sedert onze -scheiding gedaan? - ---Niet veel bijzonders; wij zijn u in de verte gevolgd, dat is alles, -om u te kunnen helpen in geval van nood. - ---Dank u; geen nieuws? - ---Geen het minste; wie zou het ons gebragt hebben? - ---Dat is waar; en uw vriend Loer-Vogel, hebt gij dien ook gezien? - ---Neen. - ---Cuerpo de Christo! dat valt ons tegen, want zoo mijn voorgevoel -mij niet misleidt, zullen wij weldra onze messen moeten gebruiken. - ---Men zal er zich van weten te bedienen. - ---Dat weet ik, Vrij-Kogel, [1] ik ken uw moed sedert lang; maar gij, -uw kameraad Ruperto, en ik, wij zijn niet meer dan drie personen, -dat is alles. - ---Geen nood! - ---Hoe zoo, geen nood? nu wij tegen dertig of veertig geoefende jagers -zullen te strijden hebben? waarlijk Vrij-Kogel, gij maakt mij dol met -zulke beschouwingen, gij zoudt mij geheel van de wijze helpen. Gij -ziet nergens bezwaar in en twijfelt aan niets; denk toch dat wij thans -niet met slecht gewapende Indianen te doen hebben, maar met blanken, -bandieten en roovers, zooals gij weet, die zich laten doodschieten -zonder een duim breed te wijken, en voor wie wij onvermijdelijk zullen -moeten onderdoen. - ---Dat is waar, daar heb ik niet aan gedacht, zij zijn met hen zoo -velen. - ---Als wij sneuvelen, wat moet er dan van haar worden? - ---Goed, goed, hernam de jager bedenkelijk het hoofd schuddend, ik -herhaal u, dat ik er niet over had nagedacht. - ---Gij ziet dus, dat wij ons zonder uitstel met Loer-Vogel moeten -verstaan, en met de mannen over welke hij te beschikken heeft. - ---Ja, alles goed en wel, maar noem mij eens een bepaald punt in de -woestijn, waar wij zulk een man als Loer-Vogel moeten zoeken. Wie -weet waar hij zich op dit oogenblik bevindt? Hij kan even goed geen -geweerschot ver zijn als vijf honderd mijlen van ons af. - ---Het is om gek van te worden. - ---Wel ingezien, zitten wij in een moeijelijk parket. Maar weet gij in -allen geval zeker, dat gij u niet bedriegt, en dat gij op het regte -spoor zijt? - ---Zeker ben ik tot nog toe van niets, ofschoon alles mij doet -gelooven dat ik mij niet bedrieg; doch verlaat u vooreerst op mij, -ik zal spoedig weten, waar ik mij aan te houden heb. - ---Overigens zijn wij nog op hetzelfde spoor, dat wij sedert Monterey -gevolgd hebben; er bestaat eenige kans, dat wij op den regten weg zijn. - ---Waartoe zullen wij besluiten? - ---Drommels, als ik weet wat ik zeggen zal. - ---Gij zijt moedbenemend, inderdaad. Kunt gij mij dan geen middel aan -de hand geven? - ---Vooreerst moet ik er de noodige zekerheid van hebben, en ten tweede -hebt gij zelf immers gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn om zulk -een slag te durven slaan. - ---Gij hebt gelijk, ik keer naar het kamp terug; den volgenden nacht -zien wij elkander weêr, en dan zou ik wel zeer ongelukkig zijn als ik -niet had uitgevorscht, wat wij beiden zoo vurig verlangen te weten. Ga -er intusschen op uit, zoek en doorzoek de prairie in alle rigtingen, -help mij en zoo hot immer mogelijk is, breng mij dan eenig berigt -van Loer-Vogel. - ---Uwe aanbeveling is overbodig, ik zal niet werkeloos blijven. - -Don Stefano greep de hand van den ouden jager en drukte die met warmte: - ---Vrij-Kogel, sprak hij met eene ontroerde stem, ik zal u niets -zeggen van onze oude vriendschap of van de goede diensten, die ik -meermalen het geluk had u te bewijzen, ik wil u slechts herhalen, -wat ik weet dat voor u genoeg is, namelijk dat van het welslagen -onzer onderneming mijn levensgeluk afhangt. - ---Goed, goed, vertrouw op mij, don José, ik ben te oud om in de -vriendschap te wankelen; ik weet niet wie in deze zaak ongelijk heeft, -en ik wensch dat het regt aan uwe zijde is; maar daarmede bemoei -ik mij niet; wat er ook gebeure, ik zal toonen, dat ik uw goede en -trouwe kameraad ben. - ---Ik zeg u dank, mijn oude vriend, tot den volgenden nacht! - -Met deze weinige woorden, maakte don Stefano, of hij die zich dus -liet noemen, zich gereed om heen te gaan, maar een onverwachte wenk -van Vrij-Kogel hield hem terug. - ---Wat is er? vroeg de vreemdeling. - -De jager hield den wijsvinger van zijne regterhand voor zijn mond, -ten teeken dat hij zwijgen moest; zich toen tot Ruperto wendende, -die er al dien tijd onverschillig en stil bij had gestaan, fluisterde -hij met eene bijna onhoorbare stem: Grijp den coyote! - -Zonder te antwoorden sprong Ruperto, zoo vlug als een jaguar, de -struiken in en verdween in het katoenboomenboschje, dat op korten -afstand lag. Eenige oogenblikken later hoorden de beide mannen, -die in gebogen houding maar zonder een woord te spreken stonden te -luisteren, een krakend geruisch van ritselende bladeren en brekende -takken, onmiddellijk gevolgd door het ploffen van een zwaar ligchaam -dat op den grond viel; verder hoorden zij niets meer. - -Maar bijna oogenblikkelijk galmde hun den kreet van een nachtuil in -de ooren. - ---Dat is Ruperto die ons roept, zeide Vrij-Kogel, alles is in orde. - ---Wat is er dan gebeurd? vroeg don Stefano ongerust. - ---Niets van belang, hernam de jager, hem een wenk gevende dat hij -volgen zou. 't Was slechts een spion, die u achter de broek zat; -dat is al. - ---Een spion! - ---Por Dios! gij zult het zien. - ---O wee! dat ziet er gek uit. - ---Minder gek dan gij denkt, mits wij hem in handen kunnen krijgen. - ---Ja, maar dan zullen wij hem immers moeten dooden? - ---Wie weet? dat hangt waarschijnlijk af van het verhoor, dat wij hem -zullen laten ondergaan; in allen geval zie ik er niet veel kwaad in -om zulk ongedierte uit te roeijen. Zoo sprekende, waren Vrij-Kogel -en zijn medgezel het boschje reeds binnengedrongen. - -Op den grond lag Domingo, aan handen en voeten gebonden met de reata -(paardenkoppel) van Ruperto, en te vergeefs worstelende om de koorden -te verbreken, die hem in het vleesch drongen. Ruperto stond met de -beide handen kruiselings op de tromp van zijn buks geleund, die met de -kolf op den grond rustte, lagchend en meesmuilend te luisteren, maar -zonder een woord terug te zeggen, naar den stroom van scheldwoorden -en vloeken, die de mesties in zijne woede uitbraakte. - ---Dios me ampare! (God beware mij) riep deze, terwijl hij zich -kronkelde als een adder. Verdugo del demonio! (duivelsche kerel) -is dat eene behandeling voor een fatsoenlijk mensch! Ben ik een -Roodhuid, om mij dus te zien knevelen als een rol tabak, en mij de -leden te laten binden als een kalf, dat naar den slagter moet? Als -ik u ooit onder mijne handen krijg, vervloekte hond, zal ik je die -streek betaald zetten, die ge mij gespeeld hebt, reken daar op! - ---In plaats van te dreigen, mijn goede man, zei Vrij-Kogel -tusschenbeide komende, moest gij dunkt mij liever ronduit bekennen, -dat gij in onze magt zijt en u daarnaar gedragen. - -De bandiet wendde oogenblikkelijk het hoofd om, het eenige lid dat -hij nog vrij had, en keek den jager aan: - ---Het staat u heel mooi om mij "goede man" te noemen en mij raad te -geven, oude vanger van muskus-rotten! riep hij brutaal; zijt gij een -blank mensch of een Indiaan, dat gij op deze wijze een jager behandelt? - ---Als gij, in plaats van hier te komen afluisteren wat u niet aangaat, -waarde senor Domingo, zoo is uw naam immers als ik mij niet bedrieg, -liever stilletjes in uw kamp waart blijven slapen, dan zou dit kleine -ongeval, waarover gij u zoo beklaagt, u nooit overkomen zijn, zei -don Stefano spotachtig. - ---Ik moet de juistheid van uwe redenering toegeven, hervatte de -bandiet koddig; maar wat duivel! kon ik het helpen? Het is altijd -mijn zwak geweest om te willen uitvinden, wat anderen voor mij zochten -te verbergen. - -Don Stefano keek hem met argwanenden blik in de oogen. - ---En hebt gij dat zwak reeds lang gehad, mijn goede vriend? vroeg hij. - ---Van mijn eerste jeugd af, antwoordde Domingo onbeschroomd. - ---Nu, dan zult gij al vrij wat geheime zaken hebben leeren kennen? - ---O, ontzaggelijk veel, waarde heer. - -Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel, en riep: Zeg eens vriend, -maak zijne banden een weinig los, zijn gezelschap kan ons misschien -tot voordeel strekken, ik zou gaarne eenige oogenblikken hooren wat -hij te vertellen heeft. - -De jager bragt stilzwijgend de bekomen order ten uitvoer. De bandiet -slaakte een zucht van tevredenheid, toen hij zich minder beklemd -voelde, en ging op het gras overeind zitten. - ---Cuerpo de Christo! riep hij op vrolijken toon, thans is mijne -positie ten minste om uit te houden, zoo kan ik nog praten. - ---Niet waar? - ---Te weerga ja! ik ben geheel tot uwe dienst, mijnheer, voor alles -wat gij verlangt. - ---Dan zal ik van uwe beleefdheid gebruik maken. - ---Ga vrij uw gang, mijnheer, en maak er gebruik van; ik kan niet -anders dan winnen door met u te praten. - ---Zoudt gij dat denken? - ---Ik ben er van overtuigd. - ---Daar kondt gij misschien wel gelijk in hebben; zeg mij eens, hebt -gij behalve die edele nieuwsgierigheid, die gij zoo ronduit hebt -durven bekennen, ook nog andere kleine gebreken? - -De bandiet deed alsof hij drie minuten lang eerlijk in zijn geweten -rondzocht, en antwoordde toen zoo bedaard mogelijk: Op mijn woord -van eer, senor, ik zie niets. - ---Zijt gij daar zeker van? - ---Hm! het kan gebeuren, maar toch, ik geloof van neen. - ---Ha, gij ziet dat gij er niet geheel zeker van zijt. - ---Eigentlijk gezegd, neen! riep Domingo met geveinsde openhartigheid; -zoo als gij weet, senor, de menschelijke natuur is zoo onvolmaakt. - -Don Stefano knikte toestemmend.--Als ik u een beetje op weg hielp, -zeide hij, misschien zou .... - ---zouden wij dan wel iets vinden, niet waar, mijnheer? viel Domingo -hem met drift in de reden. Welnu, help mij dan een beetje op weg, -ik verlang niets liever dan dat. - ---Zoo, bijvoorbeeld .... maar let wel, ik bevestig niets, ik -veronderstel het alleen, meer niet. - ---Caraï! dat weet ik wel; ga uw gang, mijnheer, geneer u niet. - ---Zoo vraag ik u, zoudt gij niet een zeker zwak hebben voor geld? - ---Voor goud vooral. - ---Dat wou ik juist zeggen. - ---Goud is ook zoo verleidelijk, mijnheer. - ---Ik reken het u volstrekt niet aan als een misdaad, vriend, ik bepaal -mij alleen, om er kennis van te nemen; buitendien is het zulk een -algemeene trek .... - ---Niet waar? - ---Dat gij er natuurlijk mede behebt moet zijn. - ---Zeer goed, mijnheer, ik beken dat gij het geraden hebt. - ---Ziet gij nu, dat ik het wel wist? - ---O! goud, eerlijk gewonnen. - ---Dat spreekt van zelf; gesteld nu eens, dat men u, bijvoorbeeld -duizend piasters bood, om het geheim te ontdekken van de palankijn -van don Miguel Ortega? - ---Te weerga! riep de bandiet, terwijl hij den vreemdeling scherp in -de oogen keek, die hem van zijn kant even oplettend gadesloeg. - ---En als er dan iemand was, vervolgde don Stefano, die u bovendien, -als onderpand van den koop, een ring ten geschenke gaf, zoo als -deze bijvoorbeeld? - -Bij deze woorden liet hij den mesties een prachtigen diamant in de -oogen schitteren. - ---Dan nam ik het aan, te duivel, ja! riep Domingo op een toon van -onmiskenbare begeerigheid, al zou ik mijne hoop op het paradijs er -voor in de waagschaal stellen, om achter dat geheim te komen. - -Don Stefano wendde zich tot Vrij-Kogel.--Maak den man los, zeide hij -koeltjes, wij verstaan elkander. - -Zoodra de mesties zich vrij gevoelde, sprong hij op van vreugde. - ---De ring! riep hij. - ---Zie daar! zei don Stefano, terwijl hij hem dien overhandigde; -is onze koop nu gesloten? - -Domingo kruiste den duim van zijn regterhand over dien van zijn linker, -rigtte fier zijn hoofd op, en sprak met een vaste, nadrukkelijke -stem:--Bij het heilige kruis des Verlossers, zweer ik, dat ik alles -wat in mijn vermogen is zal aanwenden, om het geheim te ontdekken -dat don Miguel Ortega zoo zorgvuldig zoekt te verbergen; ook zweer -ik, dat ik den caballero, met wien ik op dit oogenblik onderhandel, -nimmer zal verraden; door dezen eed, dien ik ten aanhoore van de -drie caballeros, hier tegenwoordig, uitspreek, verbind ik mij, om, -zoo ik hem ooit mogt breken, zonder mij te beklagen iedere straf, -al ware het den dood zelf, te ondergaan, die deze drie caballeros -zullen goedvinden mij op te leggen. - -De eed thans door Domingo uitgesproken, was de zwaarste, die door -een Spaansch-Amerikaan kon worden afgelegd; er bestaat geen voorbeeld -dat zij dien ooit verbroken hebben. Don Stefano boog dus, ten volle -overtuigd, dat de bandiet zijn woord zou gestand doen. - -Op dit oogenblik knalden er plotseling verscheidene geweerschoten, -gevolgd door een vreeselijken oorlogskreet kort in de nabijheid. - -Vrij-Kogel ontstelde er van.--Don José, zeide hij tegen den -vreemdeling, hem de hand op den schouder leggende. God helpe ons! keer -naar het kamp terug; en den volgenden nacht zal ik u waarschijnlijk -meer nieuws kunnen vertellen. - ---Maar dat schieten dan? - ---Maak u niet ongerust, ga terug naar het kamp, zeg ik u, en laat -mij handelen. - ---Nu, als gij het zoo wilt, zal ik gaan. - ---Tot morgen? - ---Ja, tot morgen. - ---En ik nu? riep Domingo, caramba! kameraden, als gij met messen gaat -spelen, zoudt gij mij dan niet meê kunnen laten doen? - -De oude jager keek hem oplettend aan. - ---Wel! zeide hij, zich een oogenblik bedacht hebbende, uw idée is -zoo kwaad niet, kom dan maar meê, als gij het verlangt. - ---Dat komt juist goed, nu heb ik dadelijk een voorwendsel gevonden -voor mijne afwezigheid. - -Don Stefano begon te lagchen; nadat hij Vrij-Kogel nog eens aan hunne -zamenkomst voor den volgenden nacht had herinnerd, verliet hij het -boschje, en rigtte zijne schreden naar het kamp. - -De beide jagers en de mesties bleven alleen. - - - - - - - -IV. - -INDIANEN EN JAGERS. - - -Op de plaats waar zich de drie jagers bevonden, vormde de Rio-Colorado, -gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer breeden stroom, welks zilveren -wateren zachtkens voortkabbelden door eene schoone schilderachtige -streek. Nu eens, zoowel aan den linker- als regteroever, verhief -zich het terrein eensklaps tot bijna loodregte rotssteilten, en -bergen van ontzagwekkende schoonheid; dan weder daalde de grond -langzaam af in lagchende weiden, getooid met het weligste groen, -of in bevallig golvende valleijen, bedekt met geboomte van allerlei -soort. Het was in een dezer valleijen, dat de kleine praauw van -Vrij-Kogel aan wal was gezet en van alle zijden als door een digt -gordijn van opgaand bosch ingesloten, zouden de jagers zelfs midden -op den dag, aan den bespiedenden blik hebben kunnen ontsnappen van -iederen nieuwsgierige, die hen had willen verrassen; thans echter, -in dit vérgevorderde uur van den nacht, onder het bleek en sidderend -licht der maan, die hare stralen naauwelijks als door een sluijer -van digt gebladerte heenboorde, waren zij geheel verborgen, en konden -zij zich volkomen veilig rekenen. Door de sterkte zijner strategische -stelling gerustgesteld, begon Vrij-Kogel, terstond nadat don Stefano -hem verlaten had, zijne oorlogzuchtige plannen te ontwikkelen, met -het heldere doorzigt van iemand, die zich sedert vele jaren in de -ervaringen der woestijn had geoefend. - ---Kameraad, zeide hij tot den mesties, zijt gij bekend met de prairie? - ---Zeker niet zoo goed als gij, oude strikkenzetter, antwoordde Domingo -zedig; maar toch genoeg om u van dienst te zijn in de onderneming, -die gij wagen wilt. - ---Die manier van antwoorden bevalt mij, zij bewijst dat gij uw -werk goed verlangt te doen; luister dus met aandacht: de kleur van -mijne haren, en de rimpels op mijn aangezigt geven u reden genoeg -om te denken, dat ik zekere ondervinding moet bezitten, daar ik mijn -gansche leven in de wouden heb doorgebragt; er is om zoo te zeggen geen -grashalm die ik niet ken, geen geluid, waarvan ik geen rekenschap kan -geven, geen spoor dat ik niet zou kunnen ontdekken. Eenige minuten -geleden vielen er niet ver van ons af verscheidene geweerschoten en -weergalmde de oorlogskreet der Indianen; onder die geweerschoten, -ben ik zeker de buks te hebben gehoord van een man, voor wien ik de -warmste vriendschap koester, die man is op dit oogenblik in gevaar, -hij vecht met de Apachen, die hem gewis overrompeld en in zijn slaap -hebben aangevallen. Het aantal der schoten doet mij onderstellen -dat mijn vriend niet meer dan twee makkers bij zich heeft; als wij -hem dus niet te hulp komen is hij verloren, want zijne vijanden zijn -talrijk; de poging, die ik wagen wil, is bijna hopeloos; wij hebben -alle kansen tegen ons; denk er dus over na eer gij mij antwoordt. Zijt -gij nu nog bereid om met mij en Ruperto mede te gaan, in één woord, -om uw scalp en uw leven in ons gezelschap te wagen? - ---Bah! zei de bandiet onbekommerd, een mensch sterft maar eens; -misschien krijg ik nooit weder zulk eene schoone gelegenheid, om -een eerlijken dood te sterven. Gij kunt over mij beschikken, oude -klemmenzetter, ik ben de uwe met lijf en ziel. - ---Goed, dat antwoord heb ik wel verwacht. Het was evenwel mijn pligt, -om u op het gevaar opmerkzaam te maken, dat gij er bij loopt; thans -zullen wij er niet verder over spreken, maar handelen, want de tijd -dringt, en iedere minuut, die wij verliezen, is eene eeuw voor hem, -dien wij willen redden. Trek mijne moksens [2] aan, houd uwe oogen en -ooren open, wees vooral voorzigtig, en doe niets buiten mijne orders; -laat ons gaan! - -Na zorgvuldig het slot van zijn buks te hebben nagezien, eene voorzorg, -die door de anderen werd gevolgd, bleef Vrij-Kogel eenige sekonden -staan om zich niet te vergissen; toen stapte hij, met de instinctmatige -vastheid, die bij de jagers schier tot een tweede gezigt wordt, snel -maar zoo stil mogelijk voort, in de rigting van den vermoedelijken -strijd, en gaf de twee anderen een wenk om hem te volgen. - -Het is schier onmogelijk, zelfs in de verte zich een denkbeeld -te maken van hetgeen een marsen in de prairiën beteekent, bij -nacht en te voet, te midden van digte bosschaadjen, verward in -elkander gegroeide boomen, en reusachtige lianen, die zich allerwege -ineenslingeren en in iedere rigting de wonderlijkste figuren vormen, -welke een eeuwenheugend warbosch kan opleveren. Op marsch in zulk -een bosch, op een bodem zamengesteld uit den afval, die door vele -jaarhonderden is opgehoopt, nu eens heuvels vormende van verscheidene -voeten hoogte, dan weder plotseling doorsneden met diepe onzigtbare -kuilen en moerasgronden,--is het niet alleen reeds moeijelijk, zich -in zulk eene verwarde en ondoordringbare wildernis een spoor te banen -en den regten weg te vinden, als men onbekommerd voorttrekt en niet -vreest overrompeld te worden; maar deze taak wordt schier onmogelijk, -wanneer men verpligt is om er in roerlooze stilte door te worstelen -en geen tak kan doen zwiepen, geen blad doen ritselen, zonder gevaar -van den vijand wakker te maken, dien men tracht te overrompelen. - -Alleen veeljarig oponthoud in zulk eene wildernis kan den mensch -de noodige bekwaamheid geven, om dit moeijelijke werk tot stand te -brengen, en deze bekwaamheid bezat Vrij-Kogel in de hoogste mate; -hij kende de vele hindernissen die zich bij iederen stap voor hem -opdeden, hindernissen, waarvan onder zulke omstandigheden een enkele -reeds genoeg zoude zijn geweest, om den stoutmoedigste aan den goeden -uitslag te doen wanhopen. De twee andere jagers hadden alleen het -spoor te volgen, dat door hunnen gids even behendig als moeijelijk -werd gebaand. Gelukkigerwijs werden de avonturiers slechts door een -kleinen afstand gescheiden van hen, wien zij hulp gingen toebrengen; -zonder dat zou bijna de geheele nacht noodig zijn geweest om hij -hen te komen. Zoo Vrij-Kogel zulks gewild had, had hij den rand van -het bosch kunnen omtrekken en zich dan alleen door het hooge gras -behoeven heen te worstelen, een weg, die oneindig gemakkelijker en -minder vermoeijend zou zijn geweest: maar met de juistheid van zijn -door gewoonte geoefenden blik, begreep hij dat de rigting, die hij -gekozen had, de eenige was, die hem in staat zou stellen om tot het -tooneel van den strijd door te dringen, zonder door de Indianen te -worden opgemerkt, die, in weerwil van al hunne geslepenheid, er niet in -'t minst op verdacht waren, dat iemand het zou hebben durven wagen, -hen langs zulk een weg te naderen. - -Na een togt van ongeveer twintig minuten, hield Vrij-Kogel stand. De -drie jagers waren op het bedoelde terrein. Terwijl zij de struiken -zachtjes uiteenschoven, wat zagen zij? - -Naauwelijks tien passen voor hen uit was eene boomvrije opening; op -deze ledige plek waren drie vuren aangelegd, rondom welke een aantal -krijgslieden der Apachen deftig zaten te rooken, terwijl hunne paarden, -aan piketten gekoppeld, het jeugdig loof der boomen afknabbelden. Zijn -vriend Loer-Vogel stond rustig onder de opperhoofden, op zijn buks -leunende, en nu en dan eenige woorden met hen wisselend. Vrij-Kogel -begreep niets van hetgeen hij zag. Al deze lieden schenen op den -vriendschappelijksten voet met den jager, die van zijn kant noch door -gebaar noch in zijn voorkomen eenige de minste bekommering verried! - -Om onze lezers de zonderlinge stelling, waarin al deze mannen tegenover -elkander waren geplaatst, goed te doen verstaan, moeten wij eenige -stappen in ons verhaal terugtreden. Bij den plotselingen aanval der -Indianen hebben wij gezegd, dat Loer-Vogel stout op hen afwas gegaan, -een bisonsmantel zwaaijend, ten teeken van vrede. De Indianen waren -hierop blijven staan, met de hoffelijke bescheidenheid, die zij in -al hunne nationale gebruiken in acht nemen, ten einde de opheldering -van den jager aan te hooren. Twee der opperhoofden waren hem zelfs te -gemoet getreden, om hem beleefd te verzoeken zich nader te verklaren. - ---Wat verlangt mijn broeder met het blanke gezigt? vroeg een der -opperhoofden, hem groetende. - ---Kent mijn roode broeder mij dan niet, en is het noodig, dat ik hem -mijn naam noem, om hem te doen weten tot wien hij spreekt? antwoordde -Loer-Vogel op gebelgden toon. - ---Het is onnoodig; ik weet dat mijn broeder een groot krijgsman der -blanken is; mijne ooren zijn geopend, ik wacht de verklaring af, -die hij mij geven zal. - -Loer-Vogel trok minachtend de schouders op. - ---Zijn de Apachen dan laffe coyoten en plunderaars geworden, zeide -hij, dat zij zich aan benden verzamelen, om in de prairie op roof -uit te gaan? Waarom hebben zij mij aangevallen? - ---Mijn broeder weet het wel. - ---Neen; dan zou ik het u niet vragen. De Antilope-Apachen hadden -eens een groot krijgsman tot opperhoofd, de Roode-Wolf genaamd; dat -opperhoofd was mijn vriend, met wien ik een verbond had gesloten; -maar de Roode-Wolf is zonder twijfel dood, en zijn scalp versiert -waarschijnlijk de hut van een Comanch, daar de jonge lieden van zijn -stam in weerwil van het tusschen ons bezworen vredeverbond, mij zijn -komen aanvallen gedurende mijn slaap. - -Het opperhoofd rigtte zich op in zijn volle lengte en fronste de -wenkbraauwen. - ---Het bleeke gezigt heeft, als alle zijne landgenooten, een -adderentong, zeide hij barsch, een dikke huid bedekt zijn hart, en de -woorden, die zijne borst uitblaast, zijn even trouweloos; de Roode-Wolf -is niet dood, en zijn scalp versiert geenszins de hut van een Comanch; -hij is nog altoos de eerste sachem der Antilope-Apachen, dat weet de -jager zeer goed, dewijl hij op dit oogenblik tot hem spreekt. - ---Ik acht mij gelukkig, dat mijn broeder zijn naam heeft genoemd want -aan zijne manier van handelen zou ik hem niet hebben herkend. - ---Ja; er is onder ons een verrader, hervatte het opperhoofd norsch; -maar die verrader is een blanke, en geen Indiaan! - ---Dat mijn broeder zich nader verklare, ik begrijp hem niet, er is -een mist voor mijne oogen, mijn geest is beneveld: de woorden van -het opperhoofd zullen die wolk ongetwijfeld doen verdwijnen. - ---Dat wensch ik! Moge de jager mij met eene eerlijke tong en zonder -omwegen antwoorden, want zijne stem is eene muziek, die mij langen -tijd zoet in de ooren klonk en mijn hart verheugde; ik zal mij gelukkig -rekenen, als zijne verklaring mij den vriend teruggeeft dien ik meende -verloren te hebben. - ---Dat mijn broeder mij ondervrage! ik zal zijne vragen beantwoorden. - -Op een gegeven teeken, hadden de Apachen weldra verscheidene vuren -ontstoken en een kamp aangelegd. Ondanks al zijne slimheid, had zich -in het hart van den Apachen-chef een heimelijke argwaan gevestigd; -hij wilde echter den blanken jager, dien hij zeer vreesde, zooveel -mogelijk toonen, dat hij vrijelijk handelde en volstrekt geen kwaad -in 't zin had. De Apachen, toen zij de goede verstandhouding zagen, -die tusschen hunnen sachem en den jager scheen te heerschen, hadden -zich gehaast om de bekomen orders uit te voeren. Elk spoor van strijd -of vijandschap was in een oogenblik verdwenen, en het kleine grasveld -had al het aanzien van een kampement van vreedzame jagers, die door -een vriend werden bezocht. - -Loer-Vogel moest in zijn geest lagchen over het welgelukken van -zijne krijgslist, en over de behendige manier, waarop hij met weinige -woorden aan de omstandigheden eene geheel andere rigting had weten te -geven. Intusschen was hij niet volkomen gerust over de ophelderingen, -die het opperhoofd hem vragen zou; hij gevoelde zich als in een -wespennest, waaruit hij, althans zonder een of ander gelukkig toeval, -geen kans zag zich te redden. - -De Roode-Wolf had den jager verzocht naast hem bij het vuur te komen -zitten, een verzoek waaraan deze zich echter wel wachtte van te -voldoen, daar hij nog niet wist welken keer de zaken konden nemen, -en hij zijne eenige hoop op behoud niet wilde verzwakken in geval de -verklaring onstuimig afliep. - ---Is de blanke jager gereed om te antwoorden? vroeg de Roode-Wolf. - ---Ik wacht op alles, wat mijn broeder mij zal gelieven te vragen! - ---Goed! dat mijn broeder dan de ooren opene, voor hetgeen een -opperhoofd spreekt. - ---Ik luister! - ---De Roode-Wolf is een beroemd opperhoofd; zijn naam is gevreesd bij -de Comanchen, die voor hem vlugten als schroomvallige vrouwen. Op -zekeren dag aan de spits zijner jonge helden uitgetrokken, drong de -Roode-Wolf in een altepetl (dorp) der Comanchen; de Bison-Comanchen -waren dien dag op de jagt in de prairiën, hunne krijgslieden en -jongelingen waren afwezig; de Roode-Wolf verbrandde de hutten en -voerde de vrouwen gevankelijk weg; is dit de waarheid? - ---Het is de waarheid! antwoordde de jager zich buigende. - ---Onder die vrouwen bevond zich er een, voor welke het opperhoofd der -Apachen zijn hart voelde kloppen; deze vrouw was de Cihuatl van den -sachem der Bison-Comanchen. De Roode-Wolf voerde haar met zich naar -zijn stam, en behandelde haar niet als eene gevangene, maar als eene -welbeminde zuster. Wat deed de blanke jager? - -Hier hield het opperhoofd op en vestigde een doordringenden blik -op Loer-Vogel; deze echter wendde zijne oogen niet af, en zeide: -Ik wacht tot mijn broeder mij beschuldige, opdat ik moge weten wat -hij mij ten laste legt. - -De Roode-Wolf vervolgde min of meer met ontroering in zijne stem: - ---De blanke jager, de vriendschap van het opperhoofd misbruikende, -drong door in zijn altepetl, onder voorwendsel van zijn rooden -broeder te bezoeken. Daar hij bij allen gekend en geliefd was, liep -hij vrijelijk in het dorp rond, doorsnuffelde alles, en toen hij -de Wilde-Roos ontdekte, schaakte hij haar in een duisteren nacht en -voerde haar weg als een lafhartige verrader! - -Bij dit verwijt greep de jager zijn buks met krampachtige hand; -maar bijna oogenblikkelijk zijne koelbloedigheid hernemende, zeide hij: - ---Het opperhoofd is een groot krijgsman, hij spreekt goed, de woorden -vloeijen van zijne lippen in bekoorlijken overvloed; ongelukkig echter -laat hij zich door zijn hartstogt wegslepen en verhaalt hij de dingen -niet zoo als zij werkelijk zijn gebeurd. - ---Ooah! riep het opperhoofd, is de Roode-Wolf dan een leugenaar? dan -moet zijne bedriegelijke tong den honden worden toegeworpen. - ---Ik heb de woorden van het opperhoofd met geduld aangehoord; thans -is de beurt aan hem om de mijnen te hooren. - ---Goed! dat mijn broeder spreke. - -Op dit oogenblik hoorde men een zacht geblaas, als een bange zucht. De -Indianen sloegen er geen acht op, maar de jager ontroerde er van, zijn -helder en open oog schoot als een bliksemflits, en een zegevierende -glimlach plooide zich om zijne lippen. - ---Ik zal kort zijn, zoo begon hij; ik ben werkelijk in het dorp van -mijn broeder gekomen, maar vrijmoedig en op een eerlijke wijs, om hem -uit naam van Machsi-Karehde, den grooten sachem der Bison-Comanchen, -de vrouw terug te vragen die de Roode-Wolf hem ontvoerd had; voor die -vrouw bood ik een rijken losprijs, bestaande in vier erupahs (geweren), -zes huiden van wijfjes bisons, en twee halsketens van graauwe -beeren-klaauwen; ik deed zulks met oogmerk om een oorlog tusschen -de Bison-Comanchen en Antilope-Apachen te verhoeden; mijn broeder -de Roode-Wolf, in plaats van mijn vriendelijk aanbod aan te nemen, -wees het verachtelijk van de hand; ik heb hem meteen gewaarschuwd, -dat de Vliegende-Arend, het zij goedschiks of met geweld, de vrouw -zou terug halen, die men verraderlijk uit zijn dorp had ontvoerd -terwijl hij afwezig was; daarop ben ik weder vertrokken. Welk verwijt -kan mijn broeder mij deswegens toevoegen? In welken zin of in welk -opzigt heb ik mij jegens hem misdragen? De Vliegende-Arend heeft -zijne vrouw teruggehaald: daar heeft hij wel aan gedaan, want hij -was in zijn goed regt; de Roode-Wolf kan hier niets op aanmerken, -daar hij in gelijke omstandigheden hetzelfde zou gedaan hebben. Ik -heb gezegd! Dat mijn broeder nu antwoorde, als zijn hart getuigt dat -ik kwalijk gehandeld heb. - ---Goed! antwoordde het opperhoofd; mijn broeder is met de Wilde-Roos -hier geweest, eenige minuten geleden; hij zegge mij waar zij zich -verschuilt, dan zal de Roode-Wolf haar zelf terugnemen, en dan zullen -er tusschen den Roode-Wolf en zijn vriend geen wolken meer zijn. - ---Het opperhoofd moet deze vrouw vergeten, die hem niet bemint en -die zijne vrouw niet zijn kan; dit is des te meer raadzaam, daar de -Vliegende-Arend haar nimmer aan hem zal willen afstaan. - ---De Roode-Wolf heeft krijgslieden om zijne woorden te handhaven, -zeide de Indiaan trotsch; de Vliegende-Arend is slechts alleen, -hoe zal hij zich tegen den wil van den sachem kunnen verzetten? - -Loer-Vogel glimlachte. - ---De Vliegende-Arend heeft talrijke vrienden, zeide hij; hij is op -dit oogenblik in het kamp der bleekgezigten gevlugt, welks wachtvuren -de Roode-Wolf hier in de verte kan zien schitteren; laat mijn broeder -maar even luisteren, ik meen reeds voetstappen in het bosch te hooren. - -De Indiaan stond verschrikt op. Op het zelfde oogenblik traden er -drie mannen de kampplaats binnen; die drie mannen waren Vrij-Kogel, -Ruperto en Domingo. - -Zoodra zij hen gezien hadden, sprongen de Apachen, die hen zeer -goed kenden, onstuimig op, slaakten een kreet van verbazing, om niet -te zeggen van angst en ontsteltenis, en grepen terstond naar hunne -wapenen. De drie jagers vervolgden echter bedaard hun weg en naderden -ongestoord, zonder blijkbaar op deze bijna vijandelijke vertooning -acht te geven. - -Wij moeten hier met weinige woorden de verschijning der jagers -toelichten, en de verandering opgeven die hunne tusschenkomst -waarschijnlijk in den staat van zaken zou te weeg brengen. - - - - - - - -V. - -WEDERZIJDSCHE OPHELDERINGEN. - - -Vrij-Kogel en zijne twee kameraden hadden, dank zij de gunstige -plaats waar zij stonden, niet alleen alles wat er in het kamp der -Apachen omging, kunnen zien, maar tevens zonder een woord er van te -missen alles gehoord wat er tusschen Loer-Vogel en den Rooden-Wolf -gesproken was. - -Sedert vele jaren reeds waren de twee Canadesche jagers naauw aan -elkander verbonden: menige stoutmoedige onderneming die de woudloopers -gewoon zijn tegen de Indianen te wagen, hadden zij zamen beraamd -of uitgevoerd; zij hadden voor elkander geene geheimen; alles was -onder hen gemeenschappelijk, hunne vijandschappen zoo wel als hunne -vriendschappen. - -Vrij-Kogel was dus volmaakt goed op de hoogte van het onderwerp dat -door den Rooden-Wolf ter sprake werd gebragt, en zoo zekere redenen, -die wij later zullen vermelden, het hem niet hadden belet, zou hij -waarschijnlijk zijn vriend in het ontvoeren der Wilde-Roos uit de -magt van den Apachen-chef hebben bijgestaan. Maar hoe goed hij ook met -deze zaak bekend was, bleef er toch altijd een punt duister voor hem, -namelijk, de vreedzame tegenwoordigheid van Loer-Vogel in het kamp der -Indianen, na den strijd van welke hij de kreten en de geweerschoten had -gehoord en die hier in vriendschappelijk gesprek scheen te eindigen. - -Door welken vreemden zamenloop van omstandigheden kwam het, dat -Loer-Vogel, de man die de listen der Indianen het best kende en -wiens roem van behendigheid en moed algemeen onder de jagers en -strikkenzetters van het Westen verspreid was, zich in zulk eene -gevaarlijke positie bevond, te midden van dertig à veertig Apachen, -de geslependste, verraderlijkste en wildste Indianen-stam van allen -die in de woestijn rondzwierven? Dit was een raadsel, dat de eerlijke -jager niet kon oplossen en hem geheel in verwarring bragt. - -Op gevaar af van hetgeen er zou kunnen volgen, besloot hij om zijn -vriend van zijne tegenwoordigheid te verwittigen, door een signaal -dat tusschen hen sedert lang was afgesproken, om hem te waarschuwen, -dat er in geval van nood, een vriend voor hem waakte. Dit was het -zuchtend gefluit geweest, dat, gelijk wij straks gezien hebben, -den benarden jager van vreugde had doen sidderen. Maar het signaal -had nog iets anders ten gevolge, dat Vrij-Kogel wel verre was van te -verwachten; de takken namelijk, van den boom waartegen hij geleund -stond, werden schier onmerkbaar uiteengeschoven, en een man die -er met beide armen aanhing, viel op eens, geen twee passen van hem -verwijderd op den grond, maar zoo zacht en stil, dat de schok niet -het minste gedruisch maakte. - -Op het eerste oogenblik reeds had Vrij-Kogel den man, die als uit -de lucht scheen te vallen, herkend; en hij had het enkel aan zijne -volkomene zelfbeheersching te danken, dat hij de verwondering, welke -deze onverwachte verschijning hem baarde, niet met een schreeuw te -kennen gaf. De jager zette zijn buks met de kolf op den grond, en -zei tegen den Indiaan, terwijl hij hem met een glimlach groette: - ---Nu! hoofdman, dat noem ik een zonderling idee, om zoo laat in den -nacht op de boomen te wandelen. - ---De Vliegende-Arend bespiedt de Apachen, antwoordde de Indiaan -fluisterend; had mijn broeder niet gedacht mij te zien? - ---In de prairie moet men op alles bedacht zijn, hoofdman; ik wil u -wel zeggen dat weinig ontmoetingen mij zoo aangenaam zijn als de uwe, -vooral in deze oogenblikken. - ---Is mijn broeder ook op het spoor der Antilope-Apachen? - ---Ik zweer u op mijn woord, hoofdman, dat ik naauwelijks een uur -geleden niet wist dat ik zoo digt bij hen was; als ik u niet had -hooren schieten, lag ik waarschijnlijk op dit oogenblik gerust te -slapen in mijn kampement. - ---Ja, mijn broeder heeft zeker de buks van een vriend hooren fluiten -en is daarom hier gekomen. - ---Juist geraden, hoofdman. Maar verklaar u intusschen nader, en zeg -mij wat er van is, want ik weet waarlijk van niets. - ---Heeft mijn blanke broeder dan den Rooden-Wolf niet gehoord? - ---Woord voor woord, hoofdman; is er anders niets? - ---Niets; de Vliegende-Arend heeft zijne vrouw weggevoerd, de Apachen -hebben hem als lafhartige coyotes vervolgd, en dezen nacht hem -overrompeld bij zijn vuur. - ---Voortreffelijk! is de Wilde-Roos in veiligheid? - ---De Wilde-Roos is eene dochter der Comanchen; zij kent geene vrees. - ---Dat weet ik, het is een goed schepsel; doch daarover zullen wij -thans niet spreken; wat denkt gij te doen? - ---Het gunstig oogenblik afwachten, mijn aanvalskreet aanheffen en -deze honden overrompelen. - ---Hm! Uw plan is een weinig voorbarig; met uw verlof zal ik er iets -aan veranderen. - ---De wijsheid spreekt uit den mond van den blanken jager; de -Vliegende-Arend is nog jong; hij zal hem gehoorzamen. - ---Goed, en des te meer, daar ik alleen in uw eigen belang zal te -werk gaan; maar vergun mij thans te luisteren, het gesprek daar ginds -schijnt mij toe eene voor ons zeer belangrijke wending te nemen. - -De Indiaan maakte eene buiging, en Vrij-Kogel verplaatste zich een -weinig, om beter te kunnen hooren wat er gesproken werd. - -Na verloop van een paar minuten hield de jager het waarschijnlijk -voor raadzaam om tusschenbeide te komen, daar hij zich weder tot den -Vliegenden-Arend wendde, en hem iets in het oor fluisterde, even als -zij gedurende hun vorige zamenspraak steeds gedaan hadden. - ---Laat mijn broeder mij vergunnen deze zaak alleen af te doen, -zeide hij; zijne tegenwoordigheid zou thans meer schade dan voordeel -aanbrengen; wij kunnen niet zoo vermetel zijn om ons met zulk een -groot aantal vijanden te meten, de voorzigtigheid vordert dat wij -liever list te baat nemen. - ---De Apachen zijn honden, mompelde de Comanch bitter. - ---Dat ben ik met u eens; maar voor het tegenwoordige moeten wij doen -als of wij beter over hen denken. Geloof mij, wij zullen spoedig -gelegenheid hebben om ons te wreken; buitendien blijft het voordeel -aan ons, daar wij hen misleiden. - -De Vliegende-Arend liet het hoofd hangen. - ---Belooft het opperhoofd mij, dat hij zich niet zal verroeren, voor -dat ik hem een sein geef? hervatte de jager met nadruk. - ---De Vliegende-Arend is een Sachem, hij heeft reeds gezegd dat hij -het Grijze-Hoofd zal gehoorzamen. - ---Goed, let nu maar wèl op, gij zult niet lang behoeven te wachten. - -Nadat hij hem deze woorden, op den gemengden toon van half bittere, -half zoetsappige scherts, die hem eigen was, had ingefluisterd, baande -de oude jager zich stoutmoedig een weg door de struiken en stapte met -vasten tred het kampement binnen, gevolgd door zijne twee kameraden. - -Wij hebben reeds gezegd welk eene opschudding hunne onverwachte komst -onder de Apachen te weeg bragt. - -De Vliegende-Arend nam zijne schuilplaats boven in den boom weder -in, dien hij slechts verlaten had om eenige woorden met den jager -te wisselen en hem de hoogst noodige raad en teregtwijzing te -geven. Vrij-Kogel stond nu reeds bij Loer-Vogel. - ---Vriend, zeide hij in 't Spaansch, welke taal de meeste Indianen -verstaan, uw bevel is ten uitvoer gebragt, de Vliegende-Arend en -zijne vrouw zijn thans in het kamp der Gambucinos. - ---Goed, antwoordde Loer-Vogel, die met een half woord voldoende begreep -wat er van was; wie zijn die twee mannen die gij daar bij u hebt? - ---Twee jagers, die het opperhoofd der Gachupines mij heeft medegegeven, -ondanks mijne verzekering dat gij u te midden uwer vrienden bevondt; -hij zelf komt terstond hier met een dertigtal ruiters. - ---Keer tot hem terug en zeg hem dat hij zich om mij niet verder -behoeft te bekommeren, en de moeite kan sparen... of neen, ik zal -liever zelf bij hem gaan, om alle misverstand te voorkomen. - -Deze woorden, op ongedwongen toon en zonder drift uitgesproken, door -een man dien de aanwezige Indianen menigmaal op den waren prijs hadden -leeren schatten, maakten op al de aanwezigen een onbeschrijfelijken -indruk. - -Wij hebben in onze vroegere verhalen reeds meer dan eens gezegd, -dat de Roodhuiden aan de dolzinnigste vermetelheid steeds de grootste -voorzigtigheid paren en nooit eene onderneming zullen wagen, zonder -vooraf al de kansen op welslagen die zij aanbiedt te hebben berekend; -en zoodra deze kansen verdwijnen om voor een vermoedelijk nadeelige -uitkomst plaats te maken, zullen zij zich niet schamen er van af te -zien, om de eenvoudige reden, dat bij hen de eer, zoo als wij die -in Europa begrijpen, slechts eene ondergeschikte plaats inneemt, -en eerst in aanmerking komt, als de goede uitslag verzekerd is. - -De Roode-Wolf was ongetwijfeld een dapper man; in menig gevecht had -hij hiervan afdoende proeven gegeven; intusschen aarzelde hij niet om -voor het algemeen belang te wijken en zijne innigste wenschen op te -offeren, en hierin gaf hij, naar ons gevoelen, een sprekend bewijs -van dien aangeboren maatschappelijken zin en vaderlandsliefde, die -de grootste kracht der Indianen uitmaakt. Hoe geslepen hij ook wezen -mogt, liet hij zich thans geheel om den tuin leiden door Vrij-Kogel, -wiens onverwachte tusschenkomst en onweerstaanbaar overwigt voldoende -zouden zijn geweest om zelfs de inzigten van een schranderder man van -'t spoor te helpen, dan den onbeschaafden Indiaan, met wien hij hier -te doen had. De Roode-Wolf koos dadelijk en onvoorwaardelijk partij. - ---Mijn broeder, het Grijze-Hoofd, is welkom aan mijn haard, mijn hart -verheugt zich hem als vriend te mogen ontvangen; zijne medgezellen -kunnen nevens hem plaats nemen rondom het vuur van den raad, waar de -rietpijp van het opperhoofd hun onverwijld zal worden aangeboden. - ---De Roode-Wolf is een groot opperhoofd, antwoordde Vrij-Kogel; -ik reken mij gelukkig door de gevoelens van welwillendheid die hij -mij betoont, en ik zou zijn aanbod met het meeste genoegen aannemen, -zoo dringende redenen mij niet verpligtten om zoo spoedig mogelijk -naar mijne blanke broeders terug te keeren, die mij reeds wachten op -korten afstand van het kamp der Antilope-Apachen. - ---Ik hoop niet dat er eene wolk is opgekomen tusschen het Grijze-Hoofd -en zijn broeder den Rooden-Wolf, hervatte de arglistige Indiaan; -twee krijgslieden moeten elkander wederkeerig hoogachten. - ---Zoo denk ik er ook over, hoofdman, en daarom ben ik vrij en vrank -in uw kamp verschenen, terwijl ik mij gemakkelijk door een talrijk -geleide van krijgslieden had kunnen doen vergezellen. - -Vrij-Kogel wist zeer goed dat de Apachen de Spaansche taal verstonden, -en dat dus niets van hetgeen door hem aan Loer-Vogel gezegd was -hun ontgaan kon; maar het was zijn belang en dat van zijn vriend, -om te veinzen dat zij er niets van begrepen, en om de arglistige -uitnoodigingen van hun opperhoofd voor goede munt te laten gelden. - ---Zijn die blanke vrienden van u zoo digt in onze nabijheid -gelegerd? hervatte de Roode-Wolf. - ---Ja, antwoordde Vrij-Kogel, niet verder dan vier of vijf boogschoten -op zijn best genomen, in westelijke rigting. - ---Ooah! dat spijt mij, zeide de Indiaan, ik zou mijne broeders anders -gaarne tot aan hun kamp hebben verzeld. - ---En wat zou u beletten om toch met ons mede te gaan? vroeg de oude -jager even rond als politiek; vreest gij misschien slecht ontvangen -te zullen worden? - ---Ooah! wie zou den Rooden-Wolf durven ontvangen zonder hem de -verschuldigde achting te bewijzen? hernam de Apach hoogmoedig. - ---Niemand, voorzeker. - -De Roode-Wolf wendde zich ongemerkt naar een opperhoofd van minderen -rang en fluisterde hem eenige woorden in 't oor; deze stond op -en verliet het kamp. De jagers zagen deze manoeuvre niet zonder -ongerustheid en wisselden een blik die zooveel te kennen gaf als: -Laten wij op onze hoede zijn! Ongedwongen deden zij thans eenige -stappen achterwaarts en sloten zich digter aan elkander, om bij het -minste teeken van onraad gereed te zijn; zij kenden de trouweloosheid -der lieden met welke zij te doen hadden, en waren van hun kant op -alles verdacht. De Indiaan dien het opperhoofd had weggezonden, -kwam spoedig terug; hij was naauwelijks tien minuten weg geweest. - ---Wel? vroeg hem de Roode-Wolf. - ---Nilijti--het is waar--antwoordde de Indiaan laconisch. - -Het gelaat van den Sachem betrok merkbaar. Hij hield zich thans -vast overtuigd dat Vrij-Kogel hem niet bedrogen had; want de man, -door hem buiten het kamp gezonden, was belast geweest om zich te -vergewissen of er werkelijk op korten afstand wachtvuren der blanken -in 't gezigt waren; het antwoord van zijn veldontdekker bewees, dat -het hoogst ongeraden zou zijn den schelm te spelen, en dat hij moest -volhouden met de beste gezindheden te veinzen, om op een geschikten -voet van zijne lastige gasten af te komen, die hij anders op eene -gansch andere manier zou hebben behandeld. - -Op zijn bevel werden nu de paarden ontkoppeld en stegen zijne ruiters -in den zadel. - ---De dag is nabij, zeide hij; de maan is in den grooten berg -weggezonken; ik ga met mijne jongelieden op marsch; moge de Wakondah -mijne blanke broeders beschermen! - ---Ik dank u, hoofdman, antwoordde Loer-Vogel; maar gaat gij dan niet -met ons mede? - ---Wij moeten den anderen kant uit, antwoordde de Sachem droogjes, -terwijl hij zijn paard den teugel vierde en wegreed. - ---Dat laat zich begrijpen, verwenschte hond, bromde Vrij-Kogel tusschen -de tanden. - -De gansche bende vertrok met den meesten spoed en verdween in de -duisternis; weldra werd het gedruisch van hun draf minder hoorbaar, en -smolt in de verte zamen met die duizend geheimzinnige geluiden zonder -blijkbare oorzaak, die de statige stilte der woestijn onophoudelijk -verstoren. - -De jagers waren alleen gebleven. Even als de wigchelaars van het oude -Rome, die elkander niet zonder lagchen konden aanzien, weerhielden -zij zich naauwelijks om in een bespottelijk geschater los te barsten -over het haastig vertrek der Apachen, die zij zoo fijn hadden beet -genomen. Op een sein van Loer-Vogel, voegden de Vliegende-Arend en -de Wilde-Roos zich bij hunne vrienden, die reeds weder onbekommerd -bij het vuur zaten, daar zij hunne vijanden zoo behendig van hadden -weten te verdrijven. - ---Hm! meesmuilde Vrij-Kogel terwijl hij zijn pijp stopte, over die -grap zal ik lang moeten lagchen, zij is bijna zoo fijn als die ik de -Pawnies speelde, in 1827, in Opper-Arkansas; ik was toen nog jong, -en had naauwelijks eenige jaren in de prairiën rondgezworven, en ik -was nog niet zoo goed als thans, met al de streken en grollen der -Indianen bekend; maar ik herinner mij wel... - ---Maar zeg mij toch door welk toeval ik u hier ontmoet heb, -Vrij-Kogel? vroeg zijn vriend, hem met drift in de rede vallende. - -Loer-Vogel wist maar al te goed, wanneer Vrij-Kogel iets begon te -vertellen, dat er niet veel kans bestond om hem in zijn verhaal te -stuiten; de eerzame jager had in den loop van zijn lang en avontuurlijk -leven, zoo vele buitengewone zaken gezien en gedaan, dat hem bijna -niets overkomen kon, of hij herinnerde zich terstond een of ander geval -uit zijn vroegere loopbaan, dat hem aanleiding gaf tot eindelooze -verhalen; zijne vrienden, bekend met dit zwak, ontzagen zich nooit -om hem stout in de rede te vallen en zoodoende aan zijne wijdloopige -vertelzucht te ontsnappen; evenwel moeten wij tot eer van Vrij-Kogel -zeggen, dat hij deze stoornis niet kwalijk nam; met dien verstande -echter, dat hij geen tien minuten daarna den draad van zijn verhaal -weder opvatte of een ander begon, zoodat zijne vrienden hem op nieuw -moesten storen, maar zonder hem ooit boos te kunnen maken. - -Op de plotselinge vraag van Loer-Vogel antwoordde hij: - ---Wij zullen gaan zien; en ik zal het u vertellen. Daarop zich tot -Domingo wendende, zeide hij: Ik zeg u dank voor de hulp die gij ons -bewezen hebt; ga naar uw kamp terug en denk om uwe belofte, maar -verzuim vooral niet om van hetgeen gij gezien hebt verslag te geven -aan, gij weet wel wie. - ---Dat is afgesproken, oude klemmenzetter. Wees maar gerust. Vaarwel! - ---Goed fortuin! - -Domingo wierp zijn buks over den schouder, stak zijn pijp aan, en -keerde met haastigen tred naar het kamp terug, dat trouwens niet -veraf lag en waar hij een uur later binnen kwam. - ---Zie zoo, zei Loer-Vogel, nu geloof ik dat u niets meer belet op -mijne vraag te antwoorden. - ---Ja toch, vriend, een ding nog. - ---En dat is? - ---Zoo als gij ziet, is de nacht voorbij: hij is voor ons allen ruw -genoeg geweest, zoodat ik meen dat twee of drie uurtjes slaap wel -niet onmisbaar, maar toch hoog noodig zullen zijn; daarbij, wij hebben -volstrekt geen haast. - ---Zeg mij maar een woord, en ik laat u slapen zoolang gij wilt. - ---En wat zal dat woord zijn? - ---Hoe kwaamt gij hier toch zoo prompt op het terrein om ons te helpen? - ---Te duivel! dat is juist wat ik gevreesd had; uwe vraag verpligt -mij om in bijzonderheden te treden die veel te omslagtig zijn om u -op dit oogenblik te kunnen voldoen. - ---Ik moet u zeggen, vriend, hoe hartelijk ik ook verlangen zou om -eenige dagen bij u te vertoeven, ben ik genoodzaakt om u reeds met -zonsopgang te verlaten. - ---Komaan, dat is immers onmogelijk? - ---Met uw verlof, ja; ik moet! - ---Maar wat dringt u dan zoo? - ---Ik heb mij verbonden als gids bij een karavaan, die ik morgen om -twee uren in den namiddag zal ontmoeten aan het veer del Rubio; die -ontmoeting is reeds voor meer dan twee maanden afgesproken. En gij -weet, voor ons jagers, is iedere afspraak heilig, gij zult mij dus -niet willen verleiden om mijn woord te breken. - ---Bij al de bisonshuiden die ieder jaar in de prairie gedood worden -niet! Naar welke streek van het Verre-Westen moet gij die menschen -den weg wijzen? - ---Dat zal ik morgen hooren. - ---En met welk soort van lieden hebt gij te doen? Zijn het Spanjaarden -of Gringos? - ---Weet ik het?.. Mexicanen denk ik; hun kapitein noemde zich, als -ik het wel onthouden heb, don Miguel Ortega, of zoo iets; enfin, -dat zal zich wel vinden. - ---He! riep Vrij-Kogel uit, terwijl hij opsprong van verrassing; -hoe zegt gij ook weer? - ---Don Miguel Ortega, herhaalde de spoorzoeker; ik durf er intusschen -niet op zweren, het kan zijn dat ik mij vergis, maar ik denk het niet. - ---Dat's vreemd! mompelde de oude jager half in zich zelven. - ---Ik zie er niets vreemds in! die naam komt mij zelfs zeer gewoon voor. - ---Voor u, dat kan zijn; en hebt gij met hem accoord gemaakt? - ---Op den besten voet. - ---Als spoorzoeker. - ---Ja, duizendmaal ja! antwoordde Loer-Vogel met drift. - ---Nu, stel u gerust, vriend, en blijf bedaard, wij denken nog langer -zamen te leven. - ---Zoudt gij onder zijne bende willen gaan? - ---God bewaar mij! - ---Dan begrijp ik er niets meer van. - -Vrij-Kogel scheen eenige oogenblikken ernstig na te denken; zich toen -weder tot zijn vriend wendende, zeide hij: - ---Hoor eens, Loer-Vogel, zoo waar als gij een oud vriend van mij zijt, -zou ik u niet gaarne uit luchthartigheid van het regte spoor zien -dwalen; ik heb u zekere onmisbare teregtwijzingen mede te deelen, om u -in staat te stellen de door u aangenomen taak behoorlijk te volbrengen; -ik zie wel dat wij dezen nacht niet slapen zullen, luister derhalve -met aandacht toe; wat gij hooren zult is meer dan de moeite waard. - -Loer-Vogel was ten hoogste verbaasd over den plegtigen toon dien de -oude jager aannam, en zag hem ongerust aan: - ---Spreek, zeide hij. - -Vrij-Kogel dacht een oogenblik na en scheen zijne herinneringen in orde -te schikken; daarop nam hij het woord en begon eene lange geschiedenis -die door de aanwezigen met klimmende aandacht en belangstelling werd -aangehoord; nog nooit in hun leven hadden zij zulke buitengewone en -vreemdsoortige gebeurtenissen gehoord of gezien. - -De zon was reeds ver boven de kimmen gerezen, toen de oude jager -nog sprak. - - - - - - - -VI. - -EENE DUISTERE GESCHIEDENIS. - - -Wij geven hier, ontdaan van alle min of meer juiste aanmerkingen, -waarmede de wijdloopige spreker haar geliefde op te sieren, de -buitengewone geschiedenis die de Canadees aan zijne toehoorders -vertelde, en die zoo innig met ons verhaal zamenhangt, dat wij ons -genoodzaakt zien haar tot in de kleinste bijzonderheden mede te deelen. - -Slechts weinige steden hebben zulk een bekoorlijk aanzien als Mexico; -deze aloude hoofdstad van het rijk der Azteken strekt zich, als eene -mollige Creoolsche matrone op haar divan, weelderig en traag uit op -een zacht golvenden bodem, half omsluijerd door een digt gordijn -van statige cipressen, die de kanalen en wegen in haren omtrek -omzoomen. Op gelijkmatigen afstand tusschen twee oceanen gebouwd, -2280 meters boven hun waterspiegel, d. i. ongeveer op dezelfde hoogte -als het bekende hospitaal der monniken op den St. Bernard, geniet -deze stad eene gematigde en verkwikkelijke temperatuur, onder een -helderen hemel, tusschen twee prachtige bergen, de Popocatepetl--een -rookende vulkaan--en de Iztaczehuatl, of de "Witte Vrouw," welks -grijze met eeuwige sneeuw bedekte kruin zich in de wolken verliest. De -vreemdeling, wanneer hij met zonsondergang Mexico nadert, langs den -oostelijken straatweg,--een der vier groote wegen langs welke men -den alouden zetel der Azteken bereikt, die zich eenzaam en statig -verheft te midden van het meer Tezcuco, aan welks wateren zij gebouwd -is--ondervindt bij den aanblik dezer stad een wonderbaren indruk van -welken hij zich geen rekenschap kan geven. De Moorsche bouwtrant der -paleizen, de schitterende met lichte kleuren beschilderde muren, -de dommen en koepels der tallooze kerken en kloosters, die hoog -boven de azotea's (platte huisdaken) uitsteken, en de gansche stad, -om zoo te zeggen, met hunne groote geele, blaauwe of roode parasols -overdekken, besprenkeld met het goud der dalende westerzon en gekust -door de laauwe, met geuren bezwangerde avondkoelte, die van de bergen -aanwaait en met het digte loof der bosschen speelt: alles vereenigt -zich om aan Mexico het aanzien te geven eener geheel oostersche stad, -die onze starende blikken aantrekt en tegelijk verbaast. Het eerste -Mexico, in der tijd door Fernando Cortez verbrand, werd door dezen -veroveraar op hare oude grondslagen herbouwd: al hare straten snijden -zich regthoekig, en loopen uit op de Plaza Major, in vijf hoofdaderen, -namelijk de calle de Tacuba, de Monterilla, de Santo Domingo, de -Moneda en de San-Francisco. - -De Spaansche steden der Nieuwe Wereld zijn alle volgens eenerlei -grondplan gebouwd, en hebben dit met elkander gemeen, dat het -hoofdplein op dezelfde wijs is aangelegd. Zoo heeft de Plaza Major -ook te Mexico aan een van hare zijden de kathedraal, en de Sagrario -(de heilige kapel); daar tegenover ligt het paleis van den president -der republiek, dat de vier ministeriën, de kazernen, de gevangenis -enz. bevat; aan de derde zijde heeft men de Ayuntamiento (stadhuis); -eindelijk aan de vierde zijde bevinden zich twee bazars of groote -verkoophuizen--de Parian en de Portal de las Flores. - -Op den 10 Julij 1834, omstreeks tien ure des avonds, nadat eene -brandende zonnehitte de inwoners dien geheelen dag genoodzaakt had -zich in hunne huizen op te sluiten, verhief zich een frissche togt -van de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen begaf zich -op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea's, -om er het verkwikkende luchtbad van den amerikaanschen nacht te -genieten, dat als door het heldere blaauw des hemels heen, van de -sterren op aarde schijnt af te dalen. Ook de straten en pleinen waren -met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend gehommel, -een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen -als mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen, -zwarten en blanken; gescheurde kleeren en lompen, mengden zich op de -zonderlingste wijs met zijden, fluweelen en gouden stoffen, onder het -geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach; kortom, als -een betooverde stad uit de duizend en een Arabische Nachtvertellingen, -scheen Mexico op het gebengel der klok van het oracion eensklaps -als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vrolijk straalden er de -aangezigten van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine -avondlucht met volle teugen konden inademen. Op dit oogenblik kwam er -uit de calle San-Francisco een onderofficier--gemakkelijk te herkennen -aan den druivenstok [3] dien hij als kenteeken van zijn rang in de -hand had--en mengde zich onder de woelige schaar op de Plaza Major, met -dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde schalkerij, -dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De -hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzigt, fieren -blik en een paar fijn gewaste, koket opgestreken knevels. Na twee -of drie keeren het plein te zijn rond geweest, knipoogend tegen de -jonge meisjes, en met de ellebogen stootend tegen de mannen, naderde -hij, altoos in de zelfde onverschillige houding, een winkeltje, dat -tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een -gezigt als een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een -smerige lamp, bezig was een stapeltje papier, pennen, enveloppen, -ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften weg te bergen, in de -lade van zijne met duizend inktvlakken bezoedelde tafel; werkelijk -was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals -het bordje boven de deur van zijn pothuis aanduidde, waarop met witte -letters op een zwarten grond gelezen werd: "Juan Bautisto Leporella, -Evangelista." De onderofficier loerde eerst eenige oogenblikken door -het glazen raampje, dat met allerlei soort van geschreven stukken -pronkte; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien had, -gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur. - -De soldaat hoorde daar binnen een stoel verschuiven, den sleutel in -het slot steken, eindelijk ging de deur met een scheur open, en kwam -het hoofd van den rekestschrijver vreesachtig te voorschijn. - ---Ha! zijt gij het, don Annibal. Dios me ampare! ik had u nog niet zoo -spoedig verwacht, zei de oude, op dien zoetsappigen slependen toon, -daar zekere lieden zich van bedienen, wanneer zij iemand voor zich -zien dien zij niet aandurven. - ---Cuerpo de Christo! houdt u maar zoo onnoozel niet, oude coyote, -antwoordde de sergeant barsch; wie anders als ik zou mijne voeten -nog zoo laat in uw vervloekt kot durven zetten? - -De evangelista meesmuilde hoofdschuddend en schoof zijn in zilver -gevatten bril met ronde glazen, hoog op zijn voorhoofd. - ---Ho! ho! riep hij met een geheimzinnig lachje, er komen brave lieden -genoeg in mijn ministerie, mooije "chérubin d'amour." - ---'t Is mogelijk, hervatte de soldaat, hem zonder pligtpleging -terugduwend en het winkeltje binnentredend, ik beklaag ze allen die -onder de greep van zulk een ouden roofvogel komen als gij; maar dat -is eigenlijk de reden niet waarom ik thans hier kom. - ---Misschien zou het voor u en voor mij beter zijn, als uwe bezoeken -een ander doel hadden dan hetgeen u hier heen trekt? opperde de -oude beschroomd. - ---Houd op met uwe predicatie, maak de deur digt, sluit uwe blinden, -zoodat niemand daarbuiten ons ziet, en laten wij zamen praten; wij -hebben geen tijd te verliezen. - -De oude antwoordde niet; hij begon dadelijk, met meer vlugheid dan -men van hem zou verwacht hebben, de blinden te sluiten, die zijn -pothuis des nachts tegen de rateros (dieven) moesten beschermen; -daarop nam hij plaats bij zijn gast, na vooraf zorgvuldig de deur -van binnen te hebben gegrendeld. - -Deze twee mannen, zoo in het licht van een walmende candil (keukenlamp) -gezien, maakten met elkander een zonderling contrast: de een jong, -schoon, sterk en stoutmoedig, de ander oud en gebrekkig, geveinsd -en gluiperig, wisselden zij ter sluik blikken van onverklaarbare -beteekenis. Onder het masker van vriendschap verschool zich -waarschijnlijk een diep gewortelde haat, en terwijl zij met zachte -stemmen oor aan oor zaten te praten, geleken zij twee duivels van -verschillende soort die op den val van een engel uitwaren. - -De soldaat was de eerste die het woord weder opvatte; hij sprak zoo -zacht, als ware hij beducht dat de wanden van het gesloten pothuis -hem zouden beluisteren. - ---Hoor eens, Tio Leporello, fluisterde hij, het wordt tijd dat wij -ter zake komen en elkander verstaan, de klok der Sagrario heeft reeds -half elf geslagen, spreek dus, wat hebt gij voor nieuws? - ---Hm! hernam de andere, niet veel bijzonders. - -De sergeant wierp hem een argwanenden blik toe, en scheen zich te -bezinnen. - ---'t Is waar ook, zeide hij een oogenblik later, ik dacht er niet -meer om; waar staat mijn hoofd toch? - -Hij grabbelde in den borstzak van zijn uniformrok, en haalde een wel -voorziene beurs te voorschijn; door de groen zijden mazen zag men een -aantal goudstukken blinken van verscheidene oncen zwaarte; vervolgens -een lang knipmes, dat hij opende en naast zich op de tafel legde. De -oude ontroerde op het gezigt van het scherpe lemmer, welks blaauwe -staal dreigend glinsterde in de schemering; thans opende de soldaat -zijne beurs en stortte een vrolijk ruischende kaskade van goudstukken -voor zich uit op de tafel. De evangelista vergat oogenblikkelijk -het mes, om zich met niets anders bezig te houden dan met het goud, -welks liefelijke klank hem aantrok als een onweerstaanbare magneet. - -De soldaat was onder dit alles te werk gegaan met de koelbloedigheid -van iemand, die zich bewust is, allesafdoende middelen in handen -te hebben. - ---Thans raad ik u om even in uw geheugen te grabbelen, oude duivel, -hervatte hij, of mijn navaja zal u leeren wat het zegt, als gij met -mij te doen hebt en uwe zaken vergeet. - -De evangelista glimlachte vergenoegd, terwijl hij een begeerigen blik -op de verleidelijke goudstukken wierp. - ---Ik weet te goed wat ik u schuldig ben, don Annibal, antwoordde -hij, om u niet te willen believen met al de middelen daar ik over te -beschikken heb. - ---Femel toch niet langer met uwe schijnheilige beleefdheid, oude aap, -en kom ter zake. Neem dit al vast, om u aan te moedigen opregt te zijn. - -Hier stelde hij hem eenige oncen goud ter hand, die de evangelista -zoo gezwind deed verdwijnen, dat de soldaat onmogelijk had kunnen -zeggen waar ze gebleven waren. - ---Gij zijt edelmoedig, don Annibal, dat zal u geluk geven. - ---Ter zake, ter zake. - ---Ik ben er reeds. - ---Spreek op dan; ik luister. - -De sergeant plaatste de ellebogen op de tafel, in de houding van -iemand die zich gereed maakt om een belangrijk verhaal aan te hooren, -terwijl de evangelista hoestte, spuwde, en met zekere hem eigen -geworden omzigtigheid, nog eerst een onrustigen blik in het rond sloeg. - -Het woelig gedruisch op de Plaza Major was langzamerhand weggestorven, -de menigte had zich in alle rigtingen verstrooid en was in de huizen -teruggekeerd; zoowel buiten als binnen heerschte de diepste stilte. Op -dit oogenblik bomde het uurwerk der kathedraal-kerk langzaam en -statig elf slagen; de beide mannen sidderden onwillekeurig bij het -sombere gegalm der kerkklok; de serenos (nachtwachts) zongen het uur -met hunne slepende dronkemans-stemmen; dit was alles. - ---Wilt gij spreken, ja of neen? riep de soldaat plotseling barsch en -op dreigenden toon. - -De evangelista viel bijna van zijn stoel, alsof hij uit een droom werd -gewekt, en streek zich eenige keeren met de hand over het voorhoofd. - ---Ik begin al, zeide hij met eene bevende stem. - ---Dat zou gelukkig wezen, bromde de andere. - ---Gij moet dan weten, begon hij.... maar, vervolgde hij, op eens -weder afbrekende, moet ik u alles tot in de kleinste bijzonderheden -vertellen? - ---Duivelsch! riep de soldaat, kwaad wordende, maak toch dat wij -er doorkomen; ge weet wel dat ik de volledigste narigten hebben -moet. Canarios! speel met mij niet als de kat met de muis, oude vrek, -wees gewaarschuwd, het zou gevaarlijk spel zijn voor u. - -De evangelista boog, als begreep hij waar het heen moest, en begon -op nieuw: - ---Dezen morgen dan, zat ik naauwelijks in mijn kantoor, nadat ik mijne -papieren geschikt en mijne pennen vermaakt had, of er werd zacht aan -de deur geklopt; ik stond op om open te doen; het was eene jonge en -schoone vrouw, in zoo verre namelijk als ik er over kon oordeelen, -want zij had zich zoo digt in haar zwarten mantel gewikkeld, dat zij -niet kenbaar was. - ---Het was dus niet dezelfde vrouw die u reeds eene maand lang dagelijks -bezocht? viel de sergeant hem in de rede. - ---Ja wel, maar zoo als gij reeds zult hebben opgemerkt, komt zij bij -elk bezoek in eene andere kleeding, zonder twijfel om zich daardoor -onkenbaar te maken; in weerwil echter van deze voorzorgen, heb ik haar -telkens bij den eersten blik uit hare donkere oogen dadelijk herkend, -daar ik te zeer aan de listen der vrouwen gewoon ben om er mij door -te laten misleiden. - ---Zeer goed; ga voort. - ---Zij bleef een poosje zwijgend voor mij staan, en speelde verlegen -met haar waaijer; ik bood haar beleefdelijk een stoel aan en hield mij -alsof ik haar niet herkende, terwijl ik haar vroeg, waarmede ik haar -van dienst kon zijn.--"O!" antwoordde zij mij op vrijpostigen toon, -"wat ik van u verlang is zeer eenvoudig."--"Spreek slechts, senorita," -zeide ik, "zoo het iets is dat mijn ministerie aangaat, wees dan -verzekerd dat ik het mij ten pligt zal rekenen u te gehoorzamen."--"Als -het dat niet was zou ik niet bij u gekomen zijn," was haar antwoord; -"maar zijt gij wel iemand daar men op vertrouwen kan?" En terwijl zij -dit zeide, keek zij mij met hare groote zwarte oogen, doordringend -en uitvorschend aan. Ik hield mij goed en antwoordde haar met den -meesten ernst en met de hand op het hart:--"Senorita, een evangelista -is zoo goed als een biechtvader, al uwe geheimen blijven in mijn hart -begraven." Hierop haalde zij een geschrift uit den zak van hare saya -(overkleed), keerde het verscheidene malen tusschen hare vingers -om, maar eensklaps begon zij te lagchen, en riep:--"Wat ben ik toch -dwaas, dat ik een geheim zoek te maken van niets; voor het overige -zijt gij op dit oogenblik niets meer dan een machine, daar gij zelf -niet begrijpen zult wat gij schrijft." Ik boog op goed geluk af, -en hield mij weder gereed op een van die duivelsche kunstgrepen, -die zij mij sedert eene maand lang dagelijks heeft laten afschrijven. - ---Houd toch op met uwe beschouwingen! viel de sergeant hem in de rede. - ---Zij overhandigde mij het document, vervolgde de evangelista; en, -zooals tusschen u en mij is afgesproken, nam ik een vel copiëerpapier -en legde er het schoone blad op, dat ik beschrijven zou; zooals gij -weet, is het copiëerpapier van achteren zwart gemaakt, zoo dat de -woorden die ik op mijn gewone papier schreef, door middel van het zwart -gemaakte, letterlijk werden overgedrukt op een derde vel wit papier, -dat er onder lag, zonder dat de arme nina (kind) er iets van bemerkte -en zij niet beter wist of alles ging zuiver toe. Behalve dat was de -brief niet lang, en bestond slechts uit een paar regels; maar ik mag -verdoemd zijn, vervolgde de oude gaauwdief, terwijl hij een kruis -sloeg, als ik een syllabe begreep van het duivelsche tooverschrift -dat zij mij copiëren liet; ik geloof zeker dat het Arabisch was. - ---Wat verder? - ---Verder heb ik het papier in den vorm van een brief toegemaakt, -en er een adres op geschreven. - ---Ah! riep de soldaat met levendige belangstelling, dat is voor -het eerst. - ---Ja, maar met die wetenschap zult gij niet veel verder komen. - ---Waarom niet? laat zien, hoe was dat adres? - ---Z. p. V. 2 Calle S. P. Z. - ---Hm! riep de soldaat peinzend, dat is zeker alles behalve duidelijk; -maar vervolgens? - ---Vervolgens is zij vertrokken, nadat zij mij een ons goud had gegeven. - ---Zij is wel genereus. - ---Povre nina! (het arme kind) riep de evangelista, terwijl hij met -zijne kromme vingers zich de drooge oogen afwischte. - ---Houd toch op met uwe kwezelarij, daar geloof ik toch niets van; -is dat alles wat zij u gezegd heeft? - ---Nagenoeg, zei de oude aarzelend. - -De sergeant keek den evangelista strak aan. - ---Er is dus nog iets? vroeg hij, hem eenige goudstukken toewerpende, -die Tio Leporello dadelijk deed verdwijnen. - ---Bijna niets. - ---Spreek op, Leporello, hoe weinig het wezen mag; gij zult zelf wel -weten dat de hoofdzaak van een brief gewoonlijk in een post scriptum -staat. - ---Toen zij mijn bureau verliet, wenkte de Senorita een providencia [4] -die juist voorbij reed; het rijtuig hield stil, en ofschoon het jonge -meisje zeer zacht sprak, hoorde ik haar tegen den koetsier zeggen: -Naar het Bernardijnen klooster! - -De sergeant huiverde onmerkbaar. - ---Hm! riep hij op een toon van meesterlijk gespeelde onverschilligheid, -dat adres beteekent niet veel; maar geef mij intusschen het -overgedrukte blad. - -De evangelista grabbelde in zijne lade en haalde er een blad wit -papier uit te voorschijn, daar eenige woorden in bijna onleesbare -krabbels op stonden. - -Zoodra de sergeant het blad in handen had en met de oogen doorliep, -scheen de inhoud hem groot belang in te boezemen, want hij verbleekte -zigtbaar en eene zenuwachtige rilling liep hem door de leden; maar -hij herstelde zich bijna oogenblikkelijk. - ---'t Is goed, zeide hij, het blad in kleine stukjes scheurende;--zie -daar, dat is voor u, vervolgde hij en wierp den ouden briefschrijver -nog een hand vol goudstukken toe. - ---Dank je, caballero! riep Tio Leporello en wierp zich met drift op -het kostbare metaal, terwijl hij tevens naar het mes greep. - -Een spotachtige glimlach plooide zich om de lippen van den soldaat; -hij rukte den oude het mes uit de hand en van het oogenblik gebruik -makende waarop Leporello bukte om het goud op te rapen, stak hij hem -het mes bijna tot aan het heft tusschen de beide schouders. De stoot -was zoo behendig gemikt en met zulk een vaste hand toegebragt, dat -de oude woekeraar als een logge klomp voorover viel, zonder een klagt -of zucht te slaken. Don Annibal zag hem een oogenblik koelbloedig en -onverschillig aan; toen door de bewegingloosheid van zijn slagtoffer -gerustgesteld, meende hij dat hij dood was. - ---Komaan, bromde hij, dat is zoo veel te beter, nu zal hij ten minste -niet klappen. - -Na deze philosofische lijkrede wischte de moordenaar bedaard het -mes af, raapte zijn goud bijeen, blies de lamp uit, opende de deur, -sloot die weder achter zich digt en verwijderde zich met rustigen, -ofschoon min of meer versnelden tred, als iemand die te lang is -uitgebleven en zich haasten moet om thuis te komen. - -De Plaza Major was eenzaam en stil. - - - - - - - -VII. - -EENE DUISTERE HISTORIE (vervolg). - - -Het oude Mexico was met grachten doorsneden, even als Venetië, of -om naauwkeuriger te spreken als vele steden in Holland, want er liep -langs de meeste grachten doorgaans een straat tusschen het water en -de huizen. Thans, nu alle grachten gedempt, en op een enkele wijk der -stad na, in geplaveide straten zijn veranderd, begrijpt men naauwelijks -hoe Cervantes in een zijner romans Mexico met Venetië heeft kunnen -vergelijken; evenwel, ofschoon de grachten voor het oog verdwenen -zijn, bestaan zij nog altoos onder den grond; en in zekere lagere -gedeelten der stad, waar men hen in afvoerkanalen of liever in open -riolen heeft herschapen, ontwaart men ze dadelijk door den vuilen -stank dien zij uitwasemen of liever door de massa fecale stoffen, -die zich in hare stilstaande en rottende wateren verzamelt. - -De sergeant, na zijne rekening met den ongelukkigen evangelista zoo -knaphandig te hebben vereffend, was het plein in de volle breedte -overgegaan en toen de calle de la Monterilla ingeslagen. - -Hij stapte bedaard voort in denzelfden pas dien hij bij het verlaten -van het winkeltje had aangenomen. Eindelijk na een marsch van ongeveer -twintig minuten, door een aantal eenzame straten en donkere steegjes, -wier ellendig en armoedig aanzien al dreigend en dreigender werd, -hield hij stand voor een huis van meer dan verdacht voorkomen, boven -welks deur, achter een retablo des animas benditas (schilderij der -gelukkige zielen) eene walmende lamp brandde; de vensters van het -huis waren verlicht, en op het platte dak huilden en knorden eenige -wachthonden naargeestig tegen de maan. De sergeant sloeg tweemaal op -de deur met den druivenstok, dien hij in de hand had. - -Het duurde tamelijk lang eer hij gehoor kreeg; het schreeuwen en -zingen daar binnen hield plotseling op; eindelijk hoorde hij iemand -naderen met zwaren stap. De deur werd half geopend, want als overal -in Mexico, was zij van binnen met een ketting gesloten en eene grove -stem vroeg op dronkenmans toon: - ---Quien es?--Wie is daar? - ---Gente de paz--Goed volk, antwoordde de sergeant. - ---Hm! het is laat genoeg om te loopen lanterfanten en als een dief -binnen te komen! riep de andere, die zich scheen te bedenken. - ---Ik verlang niet om binnen te komen. - ---Wat duivel verlangt gij dan? - ---Pan y sal! por los caballeros errantes (brood en zout voor de dolende -ridders) hernam de soldaat op een gebiedenden toon, terwijl hij zich -derwijze plaatste, dat de maan hem vlak in het aangezigt scheen. - -De portier deinsde terug met een uitroep van verbazing: - ---Valgame dios! Senor don Torribio, riep hij op een toon van diepen -eerbied, wie zou u onder die ellendige plunje hebben herkend! Kom -binnen, kom binnen, men wacht u met ongeduld. - -Met deze woorden haastte de man zich, even onderdanig als hij eenige -oogenblikken te voren barsch was geweest, om de ketting af te ligten -en de deur geheel te openen. - ---'t Is niet noodig, Pepito, hernam de soldaat, ik zeg u nog eens -dat ik niet binnen kom! Met hun hoevelen zijn ze? - ---Met hun twintigen, Senor. - ---Gewapend? - ---Ten volle. - ---Laat hen dan oogenblikkelijk afkomen; ik zal ze hier wachten, -mijn zoon, de tijd is kort. - ---En gij dan, Senor? - ---Breng mij een hoed, een mantel, mijn degen en mijne pistolen maar -gaauw wat, haast u. - -Pepito wachtte niet tot het hem voor de tweede maal gezegd werd; -hij liet de deur open en liep op een drafje naar binnen. - -Eenige minuten later stormden een twintigtal bandieten tot aan -de tanden gewapend den trap af en de straat op, suizebollend en -tegen elkander tuimelend. Toen zij den sergeant in 't oog kregen, -groetten zij hem eerbiedig en op zijn wenk bleven zij zwijgend en -onbewegelijk staan. - -Pepito bragt de voorwerpen, gevraagd door den man die zich bij den -evangelista don Annibal noemde, maar hier don Torribio heette en die -nog wie weet hoeveel andere namen had, doch dien wij vooreerst zijn -laatsten naam zullen laten behouden. - ---Zijn de paarden gereed? vroeg don Torribio, terwijl hij zijn -uniform met den mantel bedekte, een langen degen aangespte, en een -paar pistolen met dubbelen loop in zijn gordel stak. - ---Ja, Senor, antwoordde Pepito, met den hoed in de hand. - ---Goed, mijn zoon; breng ze waar ik u gezegd heb; maar terwijl het -thans nacht en dus verboden is om te paard op straat te verschijnen, -zult gij weldoen van op de celadores (ijveraars) en serenos -(nachtwakers) te letten. - -De bandieten barstten los in een schaterend gelach, op deze zonderlinge -aanbeveling. - ---Ziedaar, zei don Torribio terwijl hij den hoed met breeden rand -opzette, dien Pepito hem gebragt had, dat is klaar: thans kunnen wij -vertrekken; luistert nu aandachtig, caballeros. - -De leperos en andere gaauwdieven uit welke de bende bestond, zich -gevleid voelende dat zij als caballeros werden toegesproken, traden -digter bij don Torribio om hem des te beter te kunnen verstaan. - -Deze vervolgde: - ---Wanneer twintig mannen zich in een enkelen troep in de straten -vertoonden, zouden zij zeker de aandacht en achterdocht der -politie-agenten wakker maken; het is derhalve voor het welslagen -der onderneming waartoe ik u te zamen riep, hoogst noodig dat wij -voorzigtiger te werk gaan en vooral de meeste geheimhouding gebruiken; -gij zult u dus verspreiden en ieder afzonderlijk u naar de muren -van het Bernardijnen-klooster begeven; daar aankomende zult gij u -zoo veel mogelijk verbergen, een onverschillige houding aannemen, -en u niet verroeren buiten mijne orders. Vooral houdt u stil en maakt -geen leven of twist: hebt gij mij begrepen? - ---Ja, Senor, antwoordden de bandieten eenstemmig. - ---Zeer goed; vertrekt dan en zorgt dat gij binnen een kwartier bij -het klooster zijt. - -De bandieten verstrooiden zich in alle rigtingen, met de snelheid -van een troep roofvogels die op buit uitvliegen; twee minuten later -waren allen, links of regts, aan de hoeken der naast bijliggende -straten verdwenen. - -Pepito was alleen overgebleven. - ---En ik nu, Senor, vroeg hij eerbiedig aan don Torribio, zoudt gij -niet goed vinden dat ik u vergezel? Ik zou mij zeer vervelen als ik -hier alleen achterbleef. - ---Ik zou niets beter verlangen dan u mede te nemen, Pepito, maar wie -zal onze paarden gereed maken, als gij met mij gaat? - ---Dat 's waar, daar dacht ik niet aan. - ---Maar maakt u daarom niet ongerust, mannetje; als ik in mijne -onderneming mag slagen, daar ik niet aan twijfel, zult gij spoedig -bij mij komen. - -Door deze belofte gerust gesteld, groette Pepito eerbiedig den -geheimzinnigen man, die zijn chef scheen te zijn, en ging weder in -huis, terwijl hij de deur zorgvuldig achter zich sloot. - -Don Torribio, thans alleen gebleven, stond eenige oogenblikken in -diepe gedachten; eindelijk hief hij het hoofd op, trok zich den hoed -in de oogen, wikkelde zich digt in zijn mantel en verwijderde zich -met snelle schreden, zacht in zich zelven prevelende: - ---Zou ik slagen? - -Deze vraag kon niemand, zoo min als hij zelf, beantwoorden. - -Het Bernardijnen-klooster ligt in een der schoonste wijken van Mexico, -niet ver van de Paseo de Bucarelli, de wandeldreef der beau monde. Het -is een uitgestrekt gebouw, geheel van gehouwen steen opgetrokken; -het dagteekent van de herbouwing der stad na de verovering door de -Spanjaarden, en is door Fernando Cortez zelf gegrondvest. Het geheel -maakt een statige en indrukwekkende vertooning, als alle Spaansche -kloosters. Op zich zelf is het, om zoo te zeggen, eene kleine stad in -de groote, daar het alles bezit wat noodig is om het leven gemakkelijk -en aangenaam te maken: eene kerk, een ziekenzaal, een waschhuis, -een groote spijskamer en keuken, een uitgestreken moestuin, boomgaard -en wel aangelegde warande met prachtig geboomte bezet, tot geschikte -wandeling voor de nonnen; bovendien ruime kloostergewelven, met groote -schilderijen van goede meesters behangen en tooneelen voorstellende -uit het leven der heilige Maagd en van sint Bernard, den patroon van -het klooster; deze gewelven met open galerijen omgeven, in welke de -cellen der kloosterzusters uitkomen, omsluiten ruime binnenplaatsen, -met zand bestrooid en met fonteinen en waterbekkens versierd, wier -springende stralen onder liefelijk geklater de lucht verfrisschen en -zelfs op het heetst van den dag koel houden. De cellen zijn bekoorlijke -optrekjes, waar niets aan ontbreekt wat tot levensgemak dienen kan: -een kleine slaapsteê, twee stoelen met Spaansch leder bekleed, een -bidbankje, een kleine toilettafel, in welks lade zich een spiegel -bevindt; eenige heilige schilderijen hangen op de geschiktste plaats -aan den wand. In een hoek van het kamertje ziet men, tusschen een -guitare en een tuchtroede, eene beeldtenis der Heilige maagd van hout -of albast, met een krans van witte rozen op het hoofd en een altoos -brandende lamp voor zich. Zie daar het ameublement, dat op geringe -uitzonderingen na, in al de cellen der nonnen voorhanden is. - -Het Bernardijnen-klooster bevatte, op het tijdstip van ons -verhaal, honderd vijftig nonnen en ongeveer zestig novicen. In dit -land van verdraagzaamheid, zijn de nonnen zelden in de kloosters -opgesloten; de zusters mogen in de stad uitgaan, en bezoeken geven of -ontvangen; de regel orde is uiterst zacht, en behalve de dagelijksche -godsdienstpligten, die zij met de grootste stiptheid moeten naleven, -hebben de nonnen, wanneer zij eenmaal in hare cellen zijn teruggekeerd, -schier algeheele vrijheid om te doen wat haar behaagt, zonder dat -iemand er acht op geeft of er zich mede schijnt te bemoeijen. - -Wij hebben thans de kloostercellen beschreven, die allen volmaakt op -elkander gelijken; alleen die der abdis verdient nog eene afzonderlijke -beschrijving. Men zou inderdaad bezwaarlijk een boudoir vinden, waar -zoo veel wereldsche weelde en gemak, en tevens vroomzinnige luister -verzameld zijn als in het dagelijksch verblijf der kloostervoogdes. Het -was eene spatieuze vierkante zaal; aan de eene zijde waren twee -boogvensters met in lood gezette ruiten, op welks glazen heilige -voorstellingen van de schitterendste kleuren en met meesterhand -waren afgemaald. De muren waren met het rijkst gekleurd en gestempeld -goud-leerbehangsel gedekt; kostbare schilderijen, de hoofdtrekken uit -het leven van den heiligen Bernardus voorstellende, versierden hier en -daar de wanden, zonder overlading en met dien fijnen smaak, dien men -zelden ergers anders dan bij kerkelijke personen aantreft. Tusschen -de twee vensters hing eene prachtige Madonna naar Rafaël, achter -een eenvoudig maar keurig bewerkt outaar. Eene zilveren lamp met -welriekende olie gevuld, hing aan de zoldering voor het outaar, -dag en nacht te branden: deze gansche heilige toestel kon door -eene gordijn van zwaar damast naar welgevallen worden afgesloten en -onzigtbaar gemaakt. - -De meubels bestonden uit een groot Chineesch kamerschut, achter hetwelk -zich de slaapstede der abdis verschool, een eenvoudig ledikant van -gesneden eikenhout en met een wit gazen behangsel, om de moskieten -af te weren. Eene vierkante tafel, mede van eikenhout, waarop -eenige boeken en een schrijflessenaar, waar in het midden der kamer -geplaatst; in een hoek van het vertrek stond eene groote boekenkast, -geheel opgevuld met werken van godsdienstigen aard, wier prachtige, -rijk vergulde banden men door de glazen deuren zag blinken; verder -stonden eenige stoelen en tabouretten met gedraaide of gebeeldhouwde -pooten hier en daar tegen den wand. - -Eindelijk zag men er een zilveren met olijvenpitten gevuld reukvat, -tegenover een prachtige mahoniehouten kast, welker lof- en lijstwerk, -wat snijkunst betrof, als een meesterstuk in den stijl der renaissance -kon worden beschouwd. - -Overdag verspreidde het zonlicht, door de beschilderde glasruiten -getemperd, over al deze voorwerpen een zacht geheimvollen schemerglans, -die den bezoeker met zeker gevoel van eerbied en ingetogenheid bezielde -en aan het ruime vertrek een gestreng, bijna somber aanzien gaf. - -Op het oogenblik dat wij den lezer in deze cel binnenleiden--namelijk -weinige minuten voor het tooneel dat wij zoo straks beschreven -hebben--zat de abdis in een grooten arm stoel met regtstandige -leuning, boven welken de kroon der kloostervoogdij prijkte, en -welks goud-lederen zitting met een dubbele franje van zijde en goud -geboord was. - -De abdis was eene kleine, zwaarlijvige, poezelige vrouw van omtrent -zestig jaar; hare gelaatstrekken zouden onbeduidend hebben geschenen, -zonder dien helderen doordringenden blik, die als een stroom gloeijende -lava uit hare grijze oogen schoot, zoo vaak zij door een hevige drift -bewogen werd. Zij had een opengeslagen boek in de handen en scheen -in diepe aandacht verzonken. - -De deur van hare cel werd zachtjens geopend; een jong meisje, -in de kleeding der nieuwelingen, naderde schroomvallig en scheen -den ingelegden vloer naauwelijks met haar ligten bedeesden voet te -durven aanraken. - -Dit jonge meisje bleef, op eenigen afstand van den stoel, waarop de -abdis zat, verlegen staan en wachtte zwijgend tot deze het oog op -haar zou gelieven te rigten. - ---Ah! zijt gij daar, mijn kind, zeide de kloostervoogdes eindelijk, -toen zij de tegenwoordigheid der proefnon opmerkte; kom nader. - -De nieuweling trad nog een paar stappen vooruit. - ---Waarom zijt gij heden morgen uitgegaan, zonder mij eerst verlof -te vragen? - -Op het hooren van deze vraag, ofschoon zij die zeer natuurlijk -verwachten moest, geraakte het jonge meisje in verwarring, werd -doodsbleek en stotterde eenige onverstaanbare woorden. - -De abdis hervatte op strengen toon: - ---Pas op, meisje; al zijt gij slechts novice en al zult gij den -nonnensluijer eerst over twee maanden aannemen, onthoud wel dat gij, -even als de andere nonnen, van mij alleen afhangt, en van niemand -anders. - -Deze woorden werden uitgesproken op een toon en met een nadruk die -het jonge meisje deden sidderen. - ---Heilige moeder! prevelde zij zacht. - ---Gij waart de vertrouwde vriendin, ja bijna de zuster van het dwaze -kind, dat zich voor onzen oppermagtigen wil heeft moeten buigen als -een rietstaf, en dat dezen morgen gestorven is. - ---Gelooft gij dan stellig dat zij dood is, moeder? snikte de -nieuwelinge bedeesd en met eene haperende stem. - ---Wie twijfelt daaraan? vroeg de abdis driftig, terwijl zij half -van haar stoel opsprong en het arme meisje fixeerde als met den blik -eener slang. - ---Niemand! mevrouw, niemand! gilde het meisje, van schrik -terugdeinzende. - ---Hebt gij niet even goed als de andere kloosterlingen hare uitvaart -bijgewoond? vervolgde de abdis met vreesselijken nadruk. Hebt gij de -gebeden dan niet gehoord die over hare kist werden uitgesproken? - ---Dat heb ik, moeder! - ---Hebt gij haar lijk niet in den grafkelder van het convent zien -nederdalen, en den steen boven haar graf zien verzegelen, dien alleen -de engel des gerigts er zal afligten op den dag des oordeels? Zeg, hebt -gij deze treurige en ontzagwekkende plegtigheid niet bijgewoond? Zoudt -gij dan nu nog durven beweren dat dit alles slechts bedrog is en dat -zij nog leeft, dat arm ellendig schepsel, dat door God en zijnen toorn -plotseling geslagen werd, om haar ten voorbeeld te stellen voor allen -die de Satan tot muiterij aanspoort? - ---Vergeving! heilige moeder, vergeving, ik heb alles gezien wat gij -zegt, ik heb de begrafenis van dona Laura bijgewoond; helaas! ik kan -er niet aan twijfelen, zij is voorzeker dood. - -Onder het uiten der laatste woorden kon het meisje zich niet langer -bedwingen en liet hare tranen den vrijen loop. - -De abdis zag haar uitvorschend aan. - ---Het is goed, zeide zij, verwijder u; maar ik zeg u nog eens, pas -op! Ik weet dat er ook in u een geest van verzet heerscht, die uw -hart tot opstand drijft, en ik zal u in 't oog houden. - -Het jonge meisje groette de kloostervoogdes met eene deemoedige -buiging, en trad terug om haar bevel te gehoorzamen en heen te gaan. - -Op eens hoorde men een vreesselijk rumoer; angstkreten doormengd -met bedreigingen klonken op de gangen, en driftig loopende voeten, -als van een onstuimige troep volk, schenen snel te naderen. - ---Wat beteekent dat? riep de abdis verschrikt; wat is dat voor rumoer? - -Zij vloog ontsteld op en trad met weifelenden tred naar de deur van -hare cel, waartegen op dit oogenblik herhaalde malen geklopt werd. - ---O lieve God! prevelde de novice, met een weenenden blik naar het -Madonnabeeld, dat haar minzaam scheen toe te lagchen; zouden zij ons -eindelijk komen verlossen? - -Eer wij hier verder gaan is het noodig dat wij naar don Torribio -terugkeeren, dien wij straks verlaten hebben, terwijl hij met zijne -kameraden in de rigting van het klooster optrok. - -Volgens hunne gemaakte afspraak, had don Torribio zich met zijn -gansche troep bij de muren van het klooster vereenigd. Om in hunne -onderneming niet gestoord te worden, hadden de bandieten al gaande -weg, naar mate zij het klooster naderden, al de nachtwachts die zij -op de straat ontmoetten overrompeld, gebonden, proppen in den mond -gestopt en naar het klooster medegenomen. Dank zij deze welberekende -manoeuvre, hadden zij ongehinderd het bedoelde punt bereikt. Niet -minder dan twaalf serenos waren op deze wijs opgevangen en gekneveld. - -Toen zij eenmaal bij het klooster waren, had don Torribio order -gegeven om de medegesleepte serenos op den grond te leggen, en aan -den voet van den muur op elkander te stapelen. - -Toen een fluweelen halfmasker uit zijn zak halende, bedekte hij er zijn -gezigt mede; de zelfde voorzorg om zich onkenbaar te maken, werd ook -door zijne medgezellen gebruikt; daarop begaven zij zich naar eene -kleine ellendige hut, op korten afstand, en drongen de zwakke deur -met hunne schouders open. De bewoner der hut, op deze wijs onzacht -uit zijn slaap gewekt, kwam onthutst en half gekleed te voorschijn, -om te zien wie op zulk eene ongewone manier op zijne deur klopte; -de arme drommel stoof met een kreet van schrik terug, toen hij zulk -een schaar van gemaskerden voor zijne deur verzameld zag. - -Don Torribio had haast en opende het mondgesprek onverwijld regt op -den man af. - ---Buenas noches! goeden avond! Tio Salado, riep hij, ik ben blijde -dat ik u zoo wel zie. - -De andere antwoordde, maar zonder eigentlijk te weten wat hij zeide: - ---Ik zeg u dank, caballero, gij zijt te goed. - ---Maak een beetje voort, neem uw mantel en kom met ons mede. - ---Ik? riep Salado, blijkbaar ontstellende. - ---Ja, gij. - ---Maar waarin kan ik u van dienst zijn? - ---Dat zal ik u zeggen: ik weet dat gij met het Bernardijnen-klooster -op een witten voet staat, vooreerst als pulquero (drankverkooper) en -ten tweede als hombre de bien y religioso (fatsoenlijk en vroom man.) - ---O, ho! tot zekere hoogte, ja, antwoordde de pulquero ontwijkend. - ---Geen gemaakte nederigheid, als 't u b'lieft! ik weet dat gij in -het klooster genoeg vertrouwd zijt om u ieder oogenblik de deur te -zien openen; en om die reden alleen verzoek ik u ons te vergezellen. - ---Jesu Maria! zoudt gij waarlijk, caballero... riep de arme pulquero -verschrikt. - ---Geen tegenspraak, verzoek ik u, haast u maar liever, of per Nuestra -Senora del Carmen, ik steek uw huis in brand! - -Salado slaakte een hoorbaren zucht, wierp een wanhopigen blik op de -zwarte maskers en begon tegen wil en dank te gehoorzamen. - -Het huis van den pulquero [5] lag slechts weinige schreden van het -klooster af; deze ruimte was spoedig doorloopen, en don Torribio wendde -zich tot zijn gevangene, die meer dood dan levend voor hem stond: - ---Kom, vriendje, zeide hij op gebiedenden toon, hier zijn wij; maak -nu maar handig dat de deur van het convent ons geopend wordt. - ---In 's hemels naam! riep de pulquero, een laatste poging aanwendende -om zich te verzetten; hoe moet ik het aanleggen? Gij weet wel dat ik -geen middel weet om.... - ---Luister, vervolgde don Torribio gebiedend; gij begrijpt wel dat -ik geen tijd heb om met u te redeneren: zorg dus dat wij in het -klooster komen en deze beurs, die vijftig oncen goud bevat, is voor -u; of weiger het, vervolgde hij, bedaard een pistool uit zijn gordel -halende, en ik jaag u terstond een kogel door den kop. - -Het koude zweet gudste den pulquero langs de slapen, de bandieten -van zijn land waren hem te goed bekend om met hunne woorden te spotten. - ---Wel! vroeg de ander een oogenblik later, terwijl hij het pistool -overhaalde, hebt gij u bedacht? - ---Caspita! caballero, doe dat toch niet, als ik u bidden mag, ik zal -beproeven wat ik kan. - ---Om u des te beter doen slagen, neem dit, zei don Torribio, hem de -beurs overreikende. - -De pulquero nam haar aan met al de gretigheid van een armen gierigaard, -en een glans van genoegen straalde uit zijn oog; thans stapte hij -langzaam naar de poort van het convent, blijkbaar met zich zelf in -beraad hoe hij het aan zou leggen om de aanzienlijke som die hij -ontvangen had, zoo eerlijk mogelijk te verdienen, maar zonder het -minste gevaar te loopen: een vraagstuk welks oplossing, wij moeten -het bekennen, zich niet zoo gemakkelijk laat vinden. - - - - - - - -VIII. - -EENE DUISTERE GESCHIEDENIS. (Slot) - - -De pulquero scheen eindelijk tot een besluit te zijn gekomen. Op eens -schoot hem eene heldere gedachte door het brein, en met een glimlach op -de lippen greep hij den klopper die voor de deur van het klooster hing. - -Doch eer hij dien kon laten vallen, hield don Torribio zijn arm tegen. - ---Wat is het? vroeg Salado. - ---Het is reeds lang over elven, alles in het klooster slaapt of ten -minste behoort te slapen; misschien zou het beter zijn om een ander -middel te gebruiken. - ---Gij vergist u, caballero, antwoordde de pulquero, de portierster -waakt altijd. - ---Weet gij dat zeker? - ---Caramba! riep Salado, die eenmaal zijn plan reeds gemaakt had en -bang was dat hij het geld zou moeten terug geven, zoo don Torribio -misschien van besluit veranderde--het Bernardijnen-klooster te Mexico -is nacht en dag open voor degenen die er medicijnen komen halen voor -zieken. Laat mij dus begaan. - ---Volg dan uw plan, antwoordde de chef der onderneming, zijn arm -loslatende. - -Salado liet zich het bevel om voort te gaan geen tweemaal herhalen: -hij maakte dus spoed en de klopper viel met een fermen slag op zijn -koperen knop. - -Don Torribio en de zijnen stonden intusschen zoo digt mogelijk bezijden -de poort tegen den muur gedrongen, om zich niet te laten zien. - -Eenige oogenblikken later werd de schuif in de deur opgehaald en -verscheen het gerimpeld gezigt der portierster voor de opening. - ---Wie zijt gij, broeder? vroeg zij met een bevend en slaperig -schapenstemmetje, wat drijft u nog zoo laat naar het klooster der -Bernardijnen? - ---Ave Maria purissima (Ave Maria allerzuiverste) zei Salado op een -toon zoo kwezelachtig mogelijk. - ---Sin peccado concebida (Zonder zonden ontvangen). Zijt gij ziek, -broeder? - -Ik ben een arme zondaar, gij kent mij wel, zuster; mijn hart is -bitter verslagen. - ---Wie zijt gij dan, broeder? ik meen waarlijk dat ik u herken, maar -de nacht is zoo donker dat ik uw gezigt niet kan zien. - ---Ik hoop dat gij het nooit zien zult! dacht de pulquero; maar hij -vervolgde hardop: Ik ben Senor Templado die in de calle Plateros woont. - ---Ah! nu ken ik u wel, broeder. - ---Ik geloof dat het thans gelukken zal, mompelde Salado tegen don -Torribio. - ---Wat wilt gij, broeder? zeg het mij in Jezus naam! haast u een beetje, -riep de oude, een kruis slaande, dat Salado haar oogenblikkelijk -nadeed; het is zoo koud van nacht en ik moet nog zooveel paternosters -bidden, daar gij mij juist in zijt komen storen. - ---Valga me Deos! zuster, mijne vrouw en twee kinderen zijn krank; -de pater gardiaan der Franciscanen heeft mij aanbevolen om u drie -flesschen wonderwater te vragen. - -In 't voorbijgaan moeten wij hier aanmerken, dat ieder klooster in -Mexico zeker geheim geneesmiddel of wonderwater bezit, dat de kracht -heeft om alle kwalen te genezen en waarvan de opbrengst ten voordeele -der stichting komt. Wat de genezende wonderkracht van dit water betreft -zouden wij niets durven zeggen, daar wij het nooit op ons zelven -hebben toegepast, maar dat zulk een algemeen werkend geneesmiddel -duur verkocht wordt en aan het klooster groote inkomsten verschaft, -laat zich ligt begrijpen. - ---Santa Maria, drie flesschen? riep de oude, terwijl hare oogen -glinsterden van genoegen bij de buitengewone aanvraag van den -pulquero,--drie flesschen! herhaalde zij. - ---Ja, zuster. Ik vraag u tevens verlof om een oogenblik te rusten, -daar ik zoover heb moeten loopen; en bovendien de angst over mijne -zieke vrouw en kinderen heeft mij zoo ter neêrgeslagen, dat ik -naauwelijks op mijne beenen staan kan. - ---Arme ziel, riep de portierster medelijdend. - ---O, gij zult er mij wezentlijk eene dienst mede bewijzen, zuster. - ---Senor Templado, zie even rond, bid ik u, om u te overtuigen dat er -niemand in de straat is; wij leven in zulk een slechten tijd dat men -nooit te voorzigtig kan zijn. - ---Er is niemand, zuster, antwoordde de pulquero, terwijl hij de -bandieten een wenk gaf om zich gereed te houden. - ---Dan zal ik u de deur openen. - ---De hemel zal u loonen, zuster. - ---Amen! zei de oude non. - -Thans hoorde men den sleutel in het slot omdraaijen, de grendels -afschuiven, en de deur werd geopend. - ---Kom gaauw binnen, broeder, riep zij. - -Maar Salado had zich intusschen voorzigtig terug getrokken, om aan -don Torribio zijne plaats in te ruimen. - -Deze wierp zich terstond op de oude portierster; eer zij tijd had om -zich te herstellen, greep hij haar bij de keel en kneep die met de -beide handen als in een schroef. - ---Als gij een woord spreekt, oude tooverheks, riep hij haar in 't oor, -draai ik u den hals om. - -Verbijsterd door dezen onverhoedschen aanval, van iemand wiens gezigt -met een zwart masker bedekt was, schrikte de oude vrouw zoo geweldig, -dat zij op den grond viel en geheel buiten kennis liggen bleef. - ---Die duivelsche teef! riep don Torribio, verstoord over de onverwachte -gevolgen van zijn woest bedrijf, wie zal ons nu den weg wijzen? - -In 't eerst beproefde hij de portierster weder tot zich zelve te -brengen; doch weldra ziende dat dit niet gelukken zou, gaf hij twee -der zijnen een wenk om haar stevig te binden en een prop in den -mond te steken; vervolgens, na deze twee individus aan de deur op -schildwacht te hebben geplaatst, maakte hij zich van den sleutelbos -meester dien de oude non bij zich droeg en drong het klooster in, -gevolgd door al zijne kameraden, om het eigenlijke verblijf der nonnen -op te sporen. Het ging alles behalve gemakkelijk om in dit eindelooze -doolhof van gangen en cellen den weg naar de kamer der abdis te vinden, -daar het don Torribio vooreerst slechts te doen was om deze te spreken. - -Dit scheen voor de bandieten inderdaad een onoverkomelijk bezwaar, want -ofschoon zij zich door list van het gebouw hadden meester gemaakt, -waren zij met de inwendige gelegenheid volstrekt onbekend. Op het -oogenblik echter dat zij de hoop begonnen te verliezen, gebeurde er -iets, dat als natuurlijk gevolg hunner onwelkome tegenwoordigheid, -hun plan deed gelukken. - -De bandieten hadden zich namelijk als een losgebroken stroom over -de binnenplaatsen en in de gaanderijen verspreid, zonder zich in het -minst om de gevolgen van hun woesten inval te bekommeren, terwijl zij -schreeuwden en raasden als bezetenen; geen schuilhoek hoe verborgen -of heilig ook, lieten zij onbezocht; de eenige regel dien zij hierin -eerbiedigden was dat zij te werk gingen op onmiddelijk bevel van -hun chef. - -De kloosterzusters, steeds gewoon aan de diepste stilte en rust, werden -natuurlijk door het helsche misbaar dat de bandieten maakten onzacht -uit haar slaap gewekt, en dachten eenige oogenblikken niet anders of -er had eene aardbeving plaats; op het eerste gerucht verlieten zij -hare legersteden en cellen, en namen in der ijl en half gekleed, -als een troep verschrikte duiven, schreeuwend en gillend de vlugt -naar de kamer der kloostervoogdes. - -De kloostervoogdes, niet minder verontrust dan hare onderhoorigen -en even onbekend met de oorzaak van het nachtelijk alarm, opende -terstond hare deur, verzamelde de verschrikte nonnen rondom zich en -zich thans aan het hoofd der troep stellende, trok zij onverschrokken -naar de binnenplaats waar het ergste rumoer gehoord werd en trad het -gevaar moedig tegen, in al de majesteit van hare voogdij en leunende -op haar staf als abdis. Naauwelijks echter ontwaarde zij de bende der -gemaskerde bandieten, die als duivels, huilend en schreeuwend en met -allerlei soort van wapenen zwaaijend rondliepen, of de moed ontzonk -haar. Maar eer zij nog een kreet geuit of een woord gesproken had, -snelde don Torribio naar haar toe en riep: - ---Stel u gerust, mevrouw, en maak geen misbaar; wij zijn hier niet -om u kwaad te doen; integendeel, wij komen om het kwaad te herstellen -dat gij zelve bedreven hebt. - -Stom van verbazing en schrik, bij het gezigt van zoo vele gewapende -en gemaskerde mannen, stond daar de talrijke vrouwenschaar als aan -den grond geworteld. - ---Wat wilt gij van mij? vroeg de abdis met eene bevende stem. - ---Dat zult gij aanstonds vernemen, antwoordde de chef, en zich -thans tot een zijner onderhoorigen wendende, zeide hij: Breng mij de -gezwavelde lonten. - -De bandiet bragt hem zwijgend wat hij verlangde. - ---Hoor mij thans met aandacht, Senora, vervolgde hij. Gisteren is een -der nieuwelingen uit uw convent, die eenige dagen geleden geweigerd -had den sluijer aan te nemen, hier plotseling gestorven. - -De abdis wierp een gebiedenden blik om zich heen, en wendde zich toen -tot den spreker. - ---Ik weet niet wat gij daarmede zeggen wilt, antwoordde zij -onverschrokken. - ---Zeer goed, dat antwoord is juist zoo als ik het van u verwachtte. Ik -vervolg dus: die nieuweling, naauwelijks zestien jaar oud, heette -dona Laura de Azevedo Real del Monte; zij behoorde tot een der -aanzienlijkste geslachten in Mexico; heden morgen heeft hare uitvaart -plaats gehad, met al de gebruikelijke plegtigheden en in de kapel van -dit klooster; vervolgens is haar lijk, onder groote praalvertooning, -in de voor de lijken der nonnen bestemde grafkelders nedergelaten. - -Hier hield hij op en rigtte van onder zijn masker een doorborenden -blik op de abdis. - ---Ik herhaal nog eens dat ik niet weet wat gij zeggen wilt, antwoordde -zij koelzinnig. - ---Zoo! zeer goed; hoor dan ook dit nog, Senora, en doe er uw voordeel -mede, want ik zweer u, gij hebt met mannen te doen die u geen genade -zullen bewijzen, en die zich noch door uwe tranen, noch door uwe -angstkreten zullen laten bewegen, zoo gij hen noodzaakt tot uitersten -over te gaan. - ---Gij kunt doen wat gij goedvindt, hernam de kloostervoogdes altoos -even onverstoorbaar; ik ben in uwe handen, ik weet dat ik voor het -oogenblik van niemand eenige hulp te wachten heb, de hemel zal mij -derhalve kracht verleenen om den marteldood te ondergaan. - ---Mevrouw, hervatte don Torribio meesmuilend, wat gij daar zegt is -godslastering, het is eene doodzonde die gij willens en wetens begaat; -maar dat gaat mij niet aan, dat is uwe zaak; de mijne daarentegen is -deze: gij zult mij oogenblikkelijk den ingang der grafkelders aanwijzen -en de plaats waar dona Laura de Azevedo rust; ik heb gezworen dat -ik haar lijk van hier zou vervoeren tot iederen prijs. Ik zal mijn -eed houden, wat er ook gebeure. Zoo gij bewilligt in mijn verzoek, -dan zullen mijne gezellen en ik ons vergenoegen met het lijk der arme -overledene, en ons verwijderen, zonder een speld aan te raken van de -onmetelijke rijkdommen die dit klooster bevat. - ---En zoo ik weiger? vroeg zij hooghartig. - ---Zoo gij weigert, hernam hij, met bijzonderen nadruk op ieder woord, -als om het haar des te beter te doen verstaan; zoo gij weigert dan zal -het klooster geplunderd, al deze witte duifjes zullen aan den duivel -worden opgeofferd en gij,--gij, vervolgde hij met een grijns die allen -deed huiveren, gij zult aan eene foltering onderworpen worden, die u, -ik twijfel er niet aan, de tong wel losser zal maken. - -De abdis glimlachte met minachting. - ---Begin maar met mij, zeide zij. - ---Dat ben ik voornemens, was het antwoord. Kom, vervolgde hij met -eene ruwe stem tegen zijne gezellen, terstond de handen aan 't werk. - -Twee mannen traden vooruit om de abdis aan te grijpen; deze toonde -geen de minste neiging om weerstand te bieden, zij bleef onbewegelijk -en schijnbaar onverschillig staan, ofschoon eene onwillekeurige -naauwelijks merkbare zamentrekking der wenkbraauwen hare innerlijke -ontroering bewees. - ---Hebt gij uw laatste woord gezegd, Senora? vroeg don Torribio. - ---Doet uw werk, beulen, antwoordde zij met verachting, beproeft of -gij den wil van eene oude vrouw kunt beheerschen. - ---Dat zullen wij zien. Welaan, begint! klonk zijn bevel. - -De twee bandieten maakten zich gereed om hun kommandant te gehoorzamen. - ---Houdt op, in 's hemels naam! riep thans een jong meisje, terwijl zij -zich onverschrokken voor de abdis stelde en de bandieten terugstiet. - -Dit meisje was niemand anders dan de nieuweling, met welke de abdis -gesproken had, op het oogenblik toen het klooster overrompeld werd. - -Er volgde eene tweede plegtige aarzeling. - ---Zwijg, ik beveel het u, riep de abdis; laat mij mijn lot -ondergaan. God ziet ons. - ---Het is juist omdat God ons ziet, dat ik spreken wil, antwoordde -het meisje met nadruk; Hij is het die deze mij onbekende mannen -herwaarts heeft gezonden, om eene groote misdaad te beletten. Volgt -mij, caballeros, gij hebt geen oogenblik te verliezen, ik zal u de -grafkelders wijzen. - ---Ongelukkige! riep de abdis, terwijl zij zich met geweld aan de -handen der bandieten poogde te ontrukken, ongelukkige, op u zal zich -al mijn toorn vereenigen. - ---Dat weet ik, antwoordde de nieuweling treurig, maar geene reden -van zelfbehoud zal mij beletten om een heiligen pligt te vervullen. - ---Stopt die oude feeks een prop in den mond, en maakt er een -einde aan! riep de kommandant. Zijn bevel werd onmiddellijk -uitgevoerd. Ondanks den wanhopigen weerstand der abdis, was zij binnen -weinige minuten tot zwijgen gebragt. - ---Een van u blijft haar bewaken, vervolgde don Torribio, en bij de -minste verdachte beweging jaagt gij haar een kogel door het hoofd. - -Nu van toon veranderende, wendde hij zich tot de nieuweling.--Ik -zeg u duizendmaal dank, Senorita, zeide hij met eene bewogen stem, -voleindig wat gij zoo wel begonnen zijt, en geleid ons naar die -afschuwelijke grafkelders. - ---Komt, caballeros! antwoordde zij, zich aan hun hoofd stellende. - -De bandieten, op eens zoo gedwee als lammeren geworden, volgden haar -stilzwijgend en met alle teekenen van den diepsten eerbied. - -Op nadrukkelijk bevel van don Torribio, hadden de overige nonnen, -tamelijk gerust over den afloop der omstandigheden, zich reeds -verspreid en waren zij naar hare cellen teruggekeerd. - -Terwijl de bandieten de gangen doortrokken, naderde don Torribio -het jonge meisje en fluisterde haar een paar woorden in, die haar -deden sidderen. - ---Vrees niet, voegde hij er bij, ik heb alleen willen bewijzen dat -ik alles wist, Senorita; ik wil niet anders voor u zijn dan uw goede -vriend, die u eerbiedigt en zich aan u getrouw zal toonen. - -Het jonge meisje zuchtte, zonder te antwoorden. - ---Wat zal er voortaan van u worden in dit klooster, vervolgde hij; -alleen en zonder beschermer ten prooi aan den haat van deze furie, -die niets op de wereld ontziet of heilig acht, zult gij immers weldra -de plaats moeten innemen van haar die wij thans gaan verlossen; -zou het dus niet beter zijn haar te volgen? - ---Helaas, arme Laura! zuchtte zij naauwelijks hoorbaar. - ---Zoudt gij, die tot hiertoe zoo veel voor haar gedaan hebt, haar in -dit oogenblik willen verlaten, nu zij meer dan ooit misschien uwe -hulp en troost zal noodig hebben? Zijt gij niet hare pleegzuster, -hare trouwste vriendin? Wat verhindert u? Wie zou het u beletten? Gij -zijt wees van uwe eerste kindsheid af, al uwe liefde heeft zich op -Laura zamengetrokken, antwoord mij, dona Luisa, ik bezweer het u. - -Het jonge meisje ontroerde van verbazing, bijna van vrees. - ---Kent gij mij dus? riep zij. - ---Ik heb u immers gezegd dat ik alles wist? Kom, mijn kind, al was -het niet om u zelve, doe het dan om harentwil; ga met mij mede en -dwing mij niet om u hier achter te laten, in handen van vijanden die -u met gruwzame straffen bedreigen. - ---Gij wilt het zoo, stamelde zij treurig. - ---Uwe vriendin smeekt het u, uit mijn mond. - ---Welnu, het zij dan zoo, het offer worde voltooid; ik zal u volgen, -ofschoon ik niet weet of ik er wel of kwalijk aan doe; maar al ken ik -u niet en al verbergt uw masker u voor mijn oog, ik wil uwe woorden -gelooven; het schijnt mij toe dat gij een edel hart bezit, de Hemel -verhoede dat ik hierin dwaal. - ---Alleen God die goed en barmhartig is kan u dit besluit ingeven, -mijn arm kind. - -Dona Luisa liet het hoofd op de borst hangen, zij slaakte een zucht, -en dreigde in tranen uit te barsten. - -De bende was de bewoonde cellen reeds voorbij en doorliep op dit -oogenblik de holle gangen en kluizen, die zoo het scheen sedert jaren -ledig hadden gestaan. - ---Waar voert gij ons heen, mijn kind? vroeg don Torribio; ik dacht -dat de grafkelders in dit klooster, even als in alle anderen, zich -onder den vloer der kerk bevonden. - -Het jonge meisje glimlachte droevig. - ---Ik geleid u ook niet naar de grafkelders, antwoordde zij met eene -bevende stem. - ---Waarheen dan? - ---Naar het in pace! - -Don Torribio smoorde eene bittere verwensching. - ---O! mompelde hij. - ---De doodkist die heden morgen voor aller oog in den grafkelder -nederdaalde, vervolgde dona Luisa, bevatte werkelijk het lijk der -arme Laura; daar volgens het oude kloostergebruik, de dooden niet -anders dan in volle nonnenkleeding en met het aangezigt onbedekt mogen -begraven worden, kon men hier onmogelijk anders aanleggen; maar zoodra -was de plegtigheid niet afgeloopen en waren al de nonnen naar hare -cellen teruggekeerd, of de kerkdeuren werden voor de toeschouwers -gesloten en de abdis gaf bevel om den steen der grafkelder, die nog -niet verzegeld was, weder af te nemen, en het lijk naar het in pace in -het afgelegenst gedeelte van het klooster over te brengen. Maar--hier -zijn wij er reeds, riep zij stilstaande, terwijl zij met de hand eene -groote zerk aanwees, die plat op den vloer lag, midden in de ruime -zaal waar zij thans binnen traden. - -Het tooneel had iets treurigs en huiveringwekkends: die holle, -geheel ledige zaal, die gemaskerde mannen, in groepen verzameld -rondom dat jeugdige, geheel in 't wit gekleede meisje, en alleen -verlicht door het roode schijnsel der walmende toortsen, dit alles -had eene treffende overeenkomst met de geheimzinnige veemgerigten -der middeleeuwen, wanneer de vrijmannen zich vergaderden om keizers -en koningen te vonnissen. - ---Neem die zerk weg, riep don Torribio met eene doffe stem. - -Na eenige krachtige pogingen was de steen afgetild, en nu opende -zich een donker keldergewelf, waar een laauwe walm uit opsteeg. Don -Torribio nam een toorts en bukte om in de opening te zien. - ---Hoe is dat? vroeg hij een oogenblik later, die kelder is geheel -ledig. - ---Ja, antwoordde dona Luisa eenvoudig, die gij zoekt ligt nog lager. - ---Lager! wat bedoelt gij met lager? riep hij, terwijl hij zijne -ontroering naauwelijks meester bleef. - ---Deze kelder is niet diep genoeg, men zou die te gemakkelijk -ontdekken, of het geschreeuw der martelaars daar buiten kunnen hooren -weergalmen: er zijn drie kelders van de zelfde grootte als deze, en -boven elkander gebouwd. Wanneer de abdis, om een of andere reden, een -der zusters wil doen verdwijnen en haar voor altijd van de levenden -afzonderen, wordt zulk eene non in den ondersten kelder gesloten, -dien men de hel noemt! Daar smoort ieder gerucht, iedere zucht blijft -onbeantwoord, iedere klagt is te vergeefs. O! de inquisitie wist -hare zaken wel te overleggen, en daarbij is zij nog te kort geleden -in Mexico opgeheven om al hare werktuigen in de kloosters te doen -verdwijnen; zoek dus lager, caballero, zoek dieper. - -Bij deze woorden voelde don Torribio het koude zweet op zijn voorhoofd -parelen, hij dacht dat hij aan de nachtmerrie ten prooi was. Terwijl -hij met de uiterste inspanning zijne woede bedwong, klom hij langs een -touwladder, die aan een der wanden van het onderaardsch gewelf hing, -in den kelder af, door eenige zijner gezellen gevolgd. - -Hier vonden zij een tweeden steen, volkomen gelijk aan den vorigen. De -steen werd opgeheven, en don Torribio stak zijn toorts in de holle -spelonk. - ---Zij is ledig! riep hij verschrikt. - ---Nog lager, zeg ik u! Zoek lager, herhaalde de zwakke stem van dona -Luisa die aan den rand van den bovenkelder stond. - ---Wat had dit beminnelijke schepsel toch misdreven, dat zij dus -verdiende gemarteld te worden? brulde don Torribio bijna uitzinnig -van smart. - ---Gouddorst en haat zijn twee helsche raadgevers, antwoordde het -jonge meisje; maar haast u, haast u toch! iedere minuut langer is -eene eeuw voor haar die u wacht. - -Don Torribio, door eene ontembare woede beheerscht, ging terstond aan -'t werk om den derden steen af te ligten. Na weinige oogenblikken -zag hij zijn arbeid bekroond. - -Naauwelijks was de steen opgeheven, of zonder op de stiklucht acht -te geven die uit het open graf opsteeg en zijne toorts bijna deed -uitgaan, bukte hij voorover in de diepte. - ---Ik zie haar! ik zie haar! brulde hij met eene stem die in het holle -gewelf meer geleek naar die van een tijger, dan van een mensch. - -En zonder op antwoord te wachten, of zelfs vooraf de hoogte te meten, -sprong hij in den kelder. - -Eenige minuten later klom hij naar boven en verscheen hij weder in -de zaal, met het levenlooze ligchaam van dona Laura in zijne armen. - ---Terug, mijne vrienden! keeren wij terug! riep hij zijne medgezellen -toe; blijven wij geen sekonde langer dan noodig is, in dit verblijf -van wilde dieren met menschelijke aangezigten. - -Op zijn gebiedenden wenk werd ook dona Luisa door een der bandieten -opgenomen, en allen verwijderden zich op een draf in de rigting van -het klooster. Weldra bereikten zij de plaats waar de abdis lag. - -Zoodra deze hen gewaar werd, deed zij eene geweldige maar vruchtelooze -poging om hare banden los te rukken, en kronkelde zich als eene -geboeide slang, terwijl zij de mannen die hare snoode plannen hadden -vernietigd, een blik van magtelooze woede en haat toewierp. - ---Armzalige! riep don Torribio, die haar digt voorbij ging en -verachtelijk met den voet schopte, wees vervloekt doemwaardige, -uw straf begint, daar uw slagtoffer u ontsnapt. - -Door een dier pogingen, die alleen de haat wanneer hij zijn hoogste -toppunt bereikt, mogelijk maakt, gelukte het de abdis haar mondprop -een weinig te verschuiven. - ---Misschien! krijschte zij met een gil, die don Torribio als een -doodkreet in de ooren klonk. - -Door deze laatste inspanning uitgeput, zonk zij in flaauwte. - -Vijf minuten daarna, was er in het klooster niemand behalve de gewone -bewoners overgebleven. - - - - - - - -IX. - -VRIJ-KOGEL EN LOER-VOGEL. - - -Op deze hoogte van zijn verhaal gekomen, hield Vrij-Kogel op, en begon -hij met een nadenkend gezigt zijn Indiaansche tabakspijp te stoppen. - -Er volgde een ruime poos stilte. - -Zijne toehoorders, nog geheel onder den indruk dezer ongewone -geschiedenis gebogen, veroorloofden zich geen enkele aanmerking. - -Loer-Vogel hief eindelijk het hoofd op. - ---Dat is wel eene zeer levendige en toch zeer treurige historie; -maar neem mij niet kwalijk, oude en dierbare kameraad, als ik zoo -vrij ben u aan te merken dat zij in geen het minste verband schijnt -te staan met hetgeen er rondom ons omgaat, noch met de gebeurtenissen -in welke wij waarschijnlijk geroepen zijn te deelen, of daar wij ten -minste belangstellende aanschouwers van zullen zijn. - ---Alles wel ingezien, beweerde Ruperto, wat hebben wij woudloopers -met de gebeurtenissen te maken die er in Mexico, of in eenige andere -stad in het binnenland voorvallen? Wij zijn hier in de wildernis -om te jagen, strikken te zetten, of tegen de Roodhuiden te vechten, -alle andere zaken gaan ons volstrekt niet aan. - -Vrij-Kogel schudde bedenkelijk het hoofd en legde, met een air van -gewigt, werktuigelijk zijne pijp naast zich neêr. - ---Gij bedriegt u, mijne vrienden, hervatte hij; meent gij dan dat ik -over uw tijd zou hebben beschikt om u zulk een lang verhaal te doen -aanhooren, zoo het voor ons allen inderdaad geen hoogst gewigtige -beteekenis had? - ---Verklaar u dan nader, vriend, zei Loer-Vogel, want, wat mij betreft, -moet ik u zeggen dat ik weinig of niets begrijp van al wat gij ons -verteld hebt. - -De oude Canadees stak het hoofd op, en scheen gedurende eenige -oogenblikken de hoogte der zon waar te nemen om het uur te berekenen. - ---Het is omtrent half zeven voor den middag, zeide hij: gij hebt dus -nog meer tijd dan noodig is om het veer del Rubio te bereiken, waar -de karavaan u wacht die gij den weg moet wijzen; hoor mij dus nog een -poosje, want ik heb nog niet volkomen gedaan; wat ik u verteld heb -bevat wel het geheimzinnige gedeelte der geschiedenis, maar zoo gij -lust hebt, zal ik u thans melden wat tot nadere toelichting kan dienen. - -Spreek op, antwoordde Loer-Vogel op den toon van iemand die zijn eigen -wil prijs geeft, om goedwillig naar eene vertelling te luisteren die -hij te voren weet dat hem weinig belang kan inboezemen. - -Zonder veel op de trage nieuwsgierigheid van zijn vriend te letten, -of zich om zijne gedwongen inschikkelijkheid te bekommeren, nam -Vrij-Kogel den draad van zijn verhaal weder op, in dezer voege: - ---Het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn, dat don Torribio de zaken -behandeld had met eene voorzigtigheid en beleid die wel in staat -schenen om allen argwaan te verwijderen en zijn avontuur met een -ondoordringbaren sluijer te bedekken: ongelukkigerwijs echter was de -evangelista Leporello niet werkelijk door hem gedood; hij kon niet -alleen nog spreken, maar zelfs een duplicaat toonen van de brieven, -die hij alle dagen aan den jongman had ter hand gesteld,--brieven daar -deze hem zoo duur voor betaalde en die de oude rekestschrijver, met de -aangeboren voorzigtigheid van een Mexicaan, zoo zorgvuldig bewaard -had, om er des noods een wapen van te maken tegen don Torribio, -of zelfs, wat nog waarschijnlijker was, om zich te kunnen wreken, -wanneer hij het slagtoffer mogt worden van een of ander verraad. Dit -laatste was thans werkelijk gebeurd: de evangelista, den volgenden -morgen door een vroegkomenden client bijna zieltogend in zijn pothuis -gevonden, had nog de kracht om eene geregelde verklaring aan den -Juez de lettras (crimineele regter) af te leggen en hem de papieren -te overhandigen, eer hij stierf. Deze manslag, in verband met de -opligting der nachtwachts en den inval in het Bernardijnen-klooster -door een talrijken troep gemaskerden, wees de politie een gereed -spoor aan, dat zij met den meesten ijver begon te volgen, des te -meer daar de jonge dochter wier lijk zoo stoutmoedig werd weggeroofd, -veelvermogende ouders had, die, om zekere hun alleen bekende redenen, -dezen roof niet ongestraft wilden laten en er goud met volle handen -voor overhadden om den misdadiger te vinden. Weldra wist men dat -de bandieten, het klooster verlatende, paarden hadden genomen, die -hun door bestelde personen werden toegevoerd, en toen met gevierden -teugel waren weggereden in de rigting der presidios. Tevens gelukte -het, een der personen te ontdekken, die de paarden geleverd hadden; -dat individu, met name Pepito, nog meer aangelokt door het goud -dat men hem aanbood dan verschrikt door de bedreigingen der straf, -verklaarde, dat hij ten behoeve van don Torribio Carvajal, vijf en -twintig remonte paarden had verkocht, af te leveren des morgens ten -twee ure, onder de muren van het Bernardijnen-klooster; daar deze -paarden hem vooruit waren betaald, had Pepito zich niet veel bekommerd -over de zonderlinge plaats die men aanwees of het nog zonderlinger uur -der aflevering. Don Torribio en zijne kameraden waren gezien, dragende -twee vrouwen in hunne armen, waarvan de eene naar het scheen in onmagt -lag, en hadden zich oogenblikkelijk in vollen galop verwijderd. Het -spoor der schakers was nagegaan tot aan de presidio de Tubac, waar -don Torribio zijne bende eenige dagen had laten uitrusten; aldaar -had hij een gesloten palankijn aangekocht, een groote veldtent en -de noodige levensmiddelen voor eene langdurige reis in de woestijn; -en op zekeren nacht was hij plotseling verdwenen met zijn geheelen -troep, die intusschen uit de presidio door een aantal lieden van -dubbelzinnig karakter versterkt en vandaar vertrokken was zonder dat -iemand wist te zeggen waarheen. Deze narigten waren zeker onbestemd -genoeg, maar toch in zoo verre voldoende, dat zij de ouders van het -vermiste meisje aanleiding gaven om hunne nasporingen voort te zetten. - ---Ik geloof nu dat ik begin te begrijpen waar gij heen wilt, vriend, -viel Loer-Vogel hem in de rede; maar ga voort met uw verhaal; als -gij gedaan hebt zal ik u eenige opmerkingen maken, waarvan gij, -zoo ik vertrouw, de juistheid zult moeten erkennen. - ---Ik verlang niets liever, mijn goede kameraad, antwoordde Vrij-Kogel, -en hij vervolgde: Zeker iemand, die mij twintig jaar geleden een -gewigtige dienst had bewezen en dien ik sinds al dien tijd niet weder -ontmoette, zoodat ik hem zelfs niet zou hebben herkend, als hij mij -zijn naam niet genoemd en mij eenige bijzonderheden had aangegeven -die ik onmogelijk vergeten kon, kwam mij bij die gelegenheid opzoeken; -Ruperto en ik bevonden ons juist aan het presidio de Tubac om eenige -tijger- en pantervellen te verkoopen. De man dien ik bedoel deelde -mij alles mede wat ik u thans verteld heb; hij voegde er nog bij dat -hij een zeer naaste bloedverwant van het meisje was, en herinnerde -mij toen de dienst die hij mij eenmaal bewezen had; kortom, hij wist -mij zoodanig te bepraten, dat ik mij verbond om hem te helpen zich aan -zijne vijanden te wreken. Twee dagen later gingen wij zamen op weg om -de bandieten op te sporen; voor iemand die zoo bedreven is als ik, -om het spoor der Indianen te vinden, was het opsporen der bandieten -slechts kinderspel, en weldra bragt ik hem tot in de nabijheid der -Spaansche karavaan onder kommando van don Miguel Ortega. - ---Maar die andere heette immers don Torribio Carvajal? - ---Kon hij dan zijn naam niet veranderd hebben? - ---Waartoe zou dat dienen in de woestijn? - ---Uit voorzorg, in geval dat men hem wilde vervolgen. - ---De ouders schijnen dan wel belang te hebben gehad bij die vervolging? - ---Don José verzekerde mij dat hij de oom van het meisje was, en dat -hij haar altijd zoo lief had gehad als een vader. - ---Maar zij was immers dood, ten minste ik meen dat gij mij dit gezegd -hebt, als ik mij niet vergis. - -Vrij-Kogel krabde zich achter het oor. - ---Dat is juist wat de zaak zoo duister maakt, zeide hij; het schijnt -dat zij alles behalve dood is, integendeel.... - ---Ei ei! riep Loer-Vogel, is zij niet dood! En die oom weet hij -dit, en is het dan met zijne toestemming geweest dat men het arme -schepsel levend heeft begraven! Maar als dat zoo is, dan steekt er -een verfoeijelijk geheim achter. - ---Dat is waarachtig waar ook! stotterde de Canadees met eene onvaste -stem. Nu gij het zegt, moet ik bekennen dat gij gelijk hebt, en -dat ik er bang voor begin te worden! Intusschen heeft die man mij -eenmaal een groote dienst bewezen, ik heb geen de minste reden om -hem te verdenken, en.... - -Loer-Vogel stond op en plaatste zich vlak voor den jager. - ---Vrij-Kogel, zeide hij op strengen toon, wij zijn zamen landgenooten, -wij beminnen elkander als twee broeders; sedert vele jaren is de -prairie ons gezamentlijk nachtleger en deelen wij elkanders geluk en -ongeluk; honderdmaal hebben wij elkanders leven gered, hetzij in den -strijd met het wild gedierte, hetzij in den oorlog met de Indianen; -zeg ik de waarheid, of niet? - ---'t Is de waarheid, Loer-Vogel, 't is de waarheid, en hij die anders -sprak zou moeten liegen! antwoordde de jager getroffen. - ---Mijn vriend en broeder, eene groote misdaad is hier begaan of staat -op het punt van begaan te worden; laten wij op onze hoede zijn, laten -wij waken, zorgvuldig waken; wie weet of de Voorzienigheid ons niet -als middelen heeft uitverkoren om de schuldigen te ontmaskeren en de -onschuldigen te doen zegevieren. Die don José, zegt gij, heeft verlangd -dat ik mij met u zou vereenigen, ik neem het aan; gij, Ruperto en ik, -wij gaan zamen naar het veer del Rubio, en wees verzekerd, vriend, -nu ik weet wie de schuldige is, zal ik hem ook weten te vinden. - ---Ik heb het liever zoo dan anders, antwoordde de jager ongedwongen. Ik -wil u wel zeggen dat de zonderlinge positie waarin ik mij bevond -mij zwaar op het hart woog. Ik ben maar een arme jager die van zulke -schandelijke streken uit de steden niets begrijp. - ---Gij zijt een eerlijk man, Vrij-Kogel, uw hart en verstand zitten op -de regte plaats; maar intusschen verloopt onze tijd en ik geloof, nu -wij het over de zaken eens zijn geworden en elkander verstaan hebben, -dat wij wel zouden doen van dadelijk op weg te gaan. - ---Ik zal vertrekken zoodra gij wilt. - ---Een oogenblik nog! zoudt gij Ruperto een tijd lang kunnen missen? - ---Opperbest. - ---Waar is het u om te doen? vroeg Ruperto. - ---Gij kunt mij eene dienst bewijzen. - ---Spreek op, Loer-Vogel, ik ben bereid. - ---Niemand weet wat er gebeuren kan: misschien hebben wij over een -paar dagen bondgenooten noodig op welke wij vast kunnen staat maken; -die bondgenooten zou het hier aanwezige opperhoofd, zoo wij er hem -om vragen, ons ligt kunnen verschaffen; vergezel hem dus naar zijn -dorp, en zoodra gij er hem gebragt hebt, verlaat hem dan om ons spoor -te volgen, zonder daarom echter dadelijk bij ons te komen, zoo gij -maar zorgt dat wij, wanneer het noodig mogt zijn, weten waar wij u -vinden kunnen. - ---Ik heb u begrepen, zei de jager laconiek terwijl hij opstond; -stel u gerust. - -Loer-Vogel wendde zich nu tot den Vliegenden-Arend en legde hem uit -wat hij van hem verlangde. - ---Mijn broeder heeft de Wilde-Roos gered, antwoordde het opperhoofd -met edele waardigheid; de Vliegende-Arend is een Sachem in zijn stam; -tweehonderd krijgslieden zullen op den eersten wenk van mijn vader -het oorlogspad volgen; de Comanchen zijn mannen, de woorden die hun -mond uitblaast komen voort uit hun hart. - ---Ik zeg u dank, hoofdman, hernam Loer-Vogel, met warmte de hand -drukkende die de Roodhuid hem toestak, dat de Wacondah u behoede -terwijl gij op weg zijt! - -Na in der haast een stuk op kolen gebraden wild genuttigd en een teug -pulque gedronken te hebben, van welke laatste alleen de Roodhuid zich -onthield, daar hij tot den stam der Comanchen behoorde, die geen -sterken drank drinken, namen de vier mannen afscheid van elkander: -Ruperto en de Vliegende-Arend gingen met de Wilde-Roos in westelijke -rigting de prairiën in, terwijl Loer-Vogel en Vrij-Kogel, een weinig -links afgaande, integendeel oostwaarts trokken, om het veer del Rubio -te bereiken, waar de eerstgenoemde gewacht werd. - ---Hm! ik geloof dat wij eene moeijelijke en ruwe taak op ons genomen -hebben, merkte Vrij-Kogel aan, terwijl hij zijn geweer onder den -linker arm nam en wegging met dien veerkrachtigen stap die den echten -woudlooper kenschetst. - ---Wie weet, goede vriend, antwoordde Loer-Vogel op min of meer -bezorgden toon. In allen geval zullen wij een gewigtige waarheid -gaan ontdekken. - ---Zoo denk ik er ook over, zeide de ander. - ---Een ding is er dat ik vooral zou willen weten. - ---En dat is? - ---Wat er toch in die digt gesloten palankijn van don Miguel schuilt. - ---Pardi! eene vrouw, zonder twijfel. - ---Wie heeft u dat gezegd? - ---Niemand, maar ik vermoed het. - ---Laten wij niets vooruitloopen, vriend; met den tijd zal alles -zich ophelderen. - ---God geve het! - ---God ziet en weet alles, vriend. Geloof dus maar, als het Hem -behaagd heeft in onze harten de vermoedens te verwekken, die ons op -dit oogenblik verontrusten, dan is het, zoo als ik u daar even reeds -gezegd heb, omdat Hij ons tot werktuigen zijner geregtigheid wil maken. - ---Zijn wil geschiede! antwoordde Vrij-Kogel, eerbiedig zijn muts -afnemende; ik ben bereid tot alles wat God van mij eischt. - -Na deze ernstige gedachtenwisseling, namen de jagers, die tot hiertoe -naast elkander waren voortgestapt, de Indiaansche linie te baat, -en liepen de een achter den ander, om de moeijelijkheden van den weg -beter te vermijden. - -Toen zij het bosch door waren en aan het hooge prairie-gras kwamen, -bleven zij een oogenblik staan om naar de zon te kijken. - ---Het is reeds laat, zei Loer-Vogel. - ---Ja, zei de andere, het is bij twaalven; volg mij dus, wij moeten -den verloren tijd weder zien in te halen. - ---Hoe zoo? - ---In plaats van te loopen, zouden wij kunnen rijden, wat dunkt u? - ---Ja, als wij maar paarden hadden. - ---Die denk ik u juist te bezorgen. - ---Hebt gij dan paarden? - ---Ik heb gisteren avond mijn paard en dat van Ruperto hier ergens -in den omtrek gelaten, om de plaats te bereiken waar don José mij -besproken had, eene plaats daar ik niet anders komen kon dan met -eene praauw. - ---Ei, ei! die brave beestjes komen ons juist van pas; voor mijn part, -ik wil u wel zeggen dat ik doodaf ben; ik heb zoolang in de prairie -gemarcheerd dat mijne beenen mij naauwelijks willen dragen. - ---Kom dezen weg; wij zullen ze spoedig vinden. - -Werkelijk hadden de jagers geen drie honderd schreden in de door -Vrij-Kogel aangewezen rigting gedaan, of zij zagen de twee paarden -rustig grazen en peul-vruchten of jonge struiken knabbelen. De edele -dieren, toen zij het bekende fluitje hoorden, staken de fijne en -schrandere koppen op en galoppeerden de jagers vrolijk hinnekend te -gemoet. Volgens de gewoonte in de prairiën, waren zij niet gezadeld; -alleen hing de bossal (hoofdstel) hun over den hals. De jagers bragten -het tuig in orde, stegen in den zadel en stelden zich in beweging. - ---Nu wij ieder een flink paard tusschen de beenen hebben, zijn wij -zeker in tijds te zullen aankomen, zei Loer-Vogel; wij behoeven -ons zelfs niet te haasten, maar kunnen op ons gemak zamen praten: -zeg eens, Vrij-Kogel, hebt gij don Miguel Ortega ooit gezien? - ---Nooit, moet ik u zeggen. - ---Dus kent gij hem niet. - ---Als ik mij op don José beroepen mag, is hij een schurk; wat -mij zelven betreft, daar ik nooit iets met hem te doen heb gehad, -zou ik moeijelijk een eigen meening het zij goed of kwaad van hem -kunnen geven. - ---Dat is bij mij anders, ik ken hem. - ---Ei! - ---Ja, door en door. - ---Sinds lang reeds? - ---Reeds lang genoeg; ik geloof ten minste dat ik in staat ben hem -te beoordeelen. - ---Zoo; en wat denkt gij wel van hem? - ---Veel goeds, maar ook veel kwaads. - ---Te duivel! - ---Waarom verwondert u dit? zijn niet alle menschen zoo wat in -hetzelfde geval? - ---Min of meer, dat stem ik u toe. - ---Welnu, hij is niet veel beter of slechter dan de meeste anderen; -toen ik dus dezen nacht begreep dat gij mij over hem wildet spreken, -heb ik u een uitwijkend antwoord gegeven en gezegd dat ik hem te -weinig kende, daar ik uwe vrijheid van handelen liefst niet wilde -belemmeren; maar het is zeer wel mogelijk dat uwe meening te zijnen -opzigte weldra geheel zal veranderen, en gij u misschien beklagen -zult over de hulp die gij tot hiertoe aan dien don José, zoo als gij -hem noemt, verleend hebt. - ---Mag ik ronduit tot u spreken, Loer-Vogel, nu niemand ons hoort dan -God alleen? - ---Spreek vrij, mijn vriend, het zal mij niet ongevallig zijn uw -gevoelen gansch en al te kennen. - ---Hier is het: ik houd mij overtuigd dat gij van die geschiedenis -die gij mij dezen nacht verteld hebt, veel meer weet dan gij voorgeeft. - ---Het kan wel zijn dat gij gelijk hebt, maar waarom denkt gij dat? - ---Om meer dan eene reden, en vooreerst om deze:.... - ---Laat hooren. - ---Gij schijnt mij veel te verstandig toe, en hebt te veel ondervinding -in wereldsche zaken opgedaan, om in goeden ernst de verdediging op u te -nemen van iemand, dien gij, volgens de beginsels welke wij hier in de -prairiën aankleven, veeleer moest beschouwen--zoo niet als een vijand, -dan toch als een van die lieden waarmede men zich niet gaarne verbindt, -en met welke het vaak zeer onaangenaam is in betrekking te staan. - -Loer-Vogel begon te lagchen. - ---Er is iets waars in hetgeen gij zegt, Vrij-Kogel, zeide hij. - ---Niet waar? - ---Ik zal er met u geen doekjes om winden, maar ik zeg u, er bestaan -goede redenen waarom ik de verdediging van dien man op mij heb genomen; -over die redenen kan ik mij echter thans niet uitlaten; zij zijn een -geheim dat mij alleen in bewaring is gegeven; ik hoop nogtans dat -gij spoedig alles weten zult, tot zoolang verzoek ik u in mijne oude -vriendschap te berusten en mij naar eigen goedvinden te laten handelen. - ---Het zij zoo als gij zegt; intusschen begin ik nu meer licht in de -zaak te krijgen, en wat er ook gebeuren mag, gij kunt op mij rekenen. - ---Ik wist wel, vriend, dat wij het zamen eens zouden worden; maar -houd u thans stil en laat niets blijken, wij zijn waar wij wezen -moeten.--Te duivel! de Mexicanen hebben zich niet laten wachten, -ik zie dat hun kamp reeds aan den oever der rivier is opgeslagen. - -Werkelijk vertoonde zich op korten afstand een jagerskamp, dat aan de -eene zijde tegen de rivier en aan de andere tegen het bosch steunende, -in geregelde orde was aangelegd, als een verschanste redoute, met balen -en gekruiste boomstammen versterkt en front biedende aan de prairie. - -De beide Canadezen lieten zich door een der schildwachten aanmelden, -en kregen zonder moeite verlof om binnen te komen. - -Don Miguel Ortega was afwezig, de Gambucinos wachtten hem met ieder -oogenblik. - -De jagers stegen af, kluisterden hunne paarden en zetten zich rustig -neer bij het kampvuur. - -Don Stefano Cohecho was, zoo als hij den vorigen dag gezegd had, -des morgens vroeg reeds vertrokken. - - - - - - - -X. - -NIEUWE PERSONAADJEN. - - -Tot goed verstand van de volgende feiten, zullen wij, van ons regt -als verhalers gebruik makende, ruim veertien dagen in ons verhaal -terugtreden, om den lezer op een tooneel te verplaatsen dat met de -gewigtigste gebeurtenissen dezer historie in naauw verband staat, -al speelt het eenige honderde mijlen ver van de plek waar het toeval -onze hoofdpersonen verzameld had. - -De Cordilleras Andes, een eindelooze bergketen, die onder verschillende -benamingen, het Amerikaansche vasteland in zijne geheele lengte -van het zuiden tot het noorden doorloopt, heeft vele uitgestrekte -llanos of zoogenaamd tafelland, waar steden en dorpen zijn en eene -talrijke bevolking leeft, op hoogten waar in Europa alle plantengroei -verdwijnt. Als men de Presidio de Tubac--een vooruitgeschoven post -der beschaving aan de uiterste grenzen der woestijn--voorbij is en -dan het tierra caliente, of warme land, ongeveer honderd mijlen -in zuidelijke rigting is binnengetrokken, komt men eensklaps en -zonder merkbaren overgang, aan een der grootste wouden der wereld, -als hebbende niet minder dan drie honderd twintig mijlen lengte en -ruim tachtig mijlen breedte. - -Wie is in staat zich van zulk een onmetelijk natuurwoud eene voldoende -voorstelling te maken! De bedrevenste pen is onvermogend om de tallooze -wonderen te beschrijven die dit ondoordringbaar planten-weefsel, dit -warbosch van boomen en gewassen in zich bevat; de stoutste schildering -schiet te kort om er den indruk van weer te geven, zoo wonderbaar -fantastisch en toch zoo majestueus en ontzagwekkend als het zich voor -de verbaasde oogen des reizigers vertoont. De grilligste verbeelding -deinst terug voor de verkwistende weelderigheid dezer ongerepte -natuurbosschen, die gestadig als uit hun eigen vernietiging herboren -zich steeds met verjongde kracht en nieuwen rijkdom ontwikkelen; -reusachtige lianen, van boom tot boom en van tak tot tak slingerend, -dringen zich hier en daar diep in de aarde, om er in voort te -kruipen of op nieuw wortel te schieten, en een eind verder zich -weder hemelwaarts te verheffen; zoo elkander kruisend in tallooze -kronkelingen, vlechten zij zich zamen tot een ontoegankelijken -doolhof, om een schier onoverkomelijken slagboom te vormen, als -ware de natuur jaloersch op haar eigen arbeid en als wilde zij hare -geheimen verbergen voor den ongewijden blik of de schendende hand des -stervelings, wiens vermetele voet, trouwens, onder het somber gewelf -dezer wouden slechts zelden, en nimmer ongestraft gehoord werd. Boomen -van allerlei leeftijd en soort, als door de hand des toevals gezaaid, -schieten hier op zonder orde of regelmaat, maar zoo digt als halmen -op een korenveld. De jongeren, die slechts ettelijke jaren tellen, -rank en spichtig, zoeken te vergeefs een uitweg door het digt gesloten -gewelf der ouderen, wier trotsche kruinen de kracht der stormen en -der eeuwen hebben verduurd, en die hunne magtige armen ver in het -rond uitbreiden. Onder het schaduwrijk gebladerte murmelen heldere -en koele bronnen, die, tusschen de spleten der rotsen ontsprongen, -na tallooze wendingen zich verliezen in een of ander onbekend meer -of rivier zonder naam, wier bruischende stroom of kalme waterspiegel -nog nimmer, sinds de ure der schepping, iets anders terugkaatste dan -de wolken des hemels of het eenzame bladerdak dat zich geheimzinnig -over hen uitbreidt. - -Daar vermengen zich, in schilderachtige ordeloosheid en in de volle -pracht hunner schoone en grootsche vormen, al de voortbrengselen -der tropische plantenwereld: de acajou-boom, de palissander, de -ebbenhoutboom, de knoestige mahonie, de zwarte-eik, de kurkboom, de -ahorn, de zilverbladige mimosa, de tamarinde, de tulpenboom en catalpa, -spreiden hier in alle rigtingen hunne takken, bekleed, met bloemen, -vruchten en bladeren, en vormen een dom van het levendigst groen, -of een digt verwulf, waar geen zonnestraal in doordringt en waaronder -zelfs op den middag eene plegtige schemering heerscht. Uit het diepst -dezer nooit betreden wouden galmen van tijd tot tijd onbeschrijfelijke -geluiden: woest gebrul, gemaauw van boschkatten, gehuil van wolven, -geloei van panters en leeuwen; snaterende spotkreten, afgewisseld door -scherp krassend gefluit; vrolijke gezangen vol melodie, harmonische -klaagtoonen, of stemmen van toorn, woede en verschrikking van de -duizend wilde dieren die er in huisvesten. - -Heeft men lang genoeg als man tegen man, met dit woeste nimmer -ontgonnen natuurwoud gestreden, en met de bijl in de eene en de -brandfakkel in de andere hand, zich te midden dezer chaos duim voor -duim en voet voor voet eene opening gemaakt, dan heeft men eindelijk -een pad gevonden dat zich moeijelijk laat beschrijven, maar nog -moeijelijker bewandelen: nu eens kruipende als een reptiel over -den duizendjarigen afval van blad, dood hout, rottende boomstammen -of vogeldrek, sedert eeuwen opeengehoopt, dan eens springend of -klauterend, van tak tot tak en van boom tot boom, alsof men in -de lucht wandelde. Maar wee hem, die een oogenblik verzuimt om te -letten op alles wat hem omringt, of het oor sluit voor het onzigtbaar -gevaar! want behalve de hindernissen door het plantenrijk in den weg -gelegd, heeft men den vergiftigen beet te vreezen der slang die men -in haar schuilhoek verstoort, of den onverbiddelijken aanval van het -wild gedierte dat men verontrust. Bovendien moet men zorgvuldig letten -op den kronkelloop van iedere rivier of beek, of verraderlijk moeras, -dat zich onkenbaar onder den onveiligen bodem verschuilt; overdag, -zoo de gelegenheid ook dit nog gedoogt, moet men zich rigten naar -den stand der zon, en bij nacht naar de maan of naar het kompas; -want als men ooit in zulk een bosch verdwaald raakte, kwam men er -onmogelijk weder uit: geen doolhof van Dedalus zonder een leiddraad -van Ariadne ware zoo gevaarlijk als dit. - -Is men ten laatste geslaagd om al deze moeijelijkheden en gevaren, en -duizende anderen die wij niet konden beschrijven, door te worstelen, -dan komt men aan eene ruime vlakte, aan alle zijden door wouden -omsloten en in welks midden zich eene Indiaansche stad verheft. - -Met andere woorden, men bevindt zich voor een dier geheimzinnige -verblijven, in welke tot hiertoe nog nimmer de voet van een Europeaan -was binnengedrongen, wier juiste ligging men zelfs niet wist te bepalen -en waar, volgens de verzekering der Indianen, sedert de verovering -van Mexico het laatste overschot van de beschaving der Azteken zich -heeft teruggetrokken. - -De fabelachtige verhalen die door sommige reizigers over de -onberekenbare in deze steden begraven schatten werden uitgestrooid, -hebben de begeerte van tallooze gelukzoekers gaande gemaakt, en vele -hunner hebben op verschillende tijden beproefd om het verloren pad naar -deze koninginnen der prairiën en der Mexicaansche wildernissen terug -te vinden. Andere avonturiers, alleen gedreven door de onweerstaanbare -nieuwsgierigheid die de zwerfzieke verbeelding van sommige menschen -ontvlamt, hebben, inzonderheid sedert de laatste vijftig jaren, zich -aan het opsporen dezer Indiaansche steden gewaagd, maar zonder dat -een dier ondernemingen met goed gevolg werd bekroond. Enkelen zijn -geheel ter neergeslagen en ontmoedigd van hunne vermetele reis naar -het onbekende teruggekeerd; maar een groot aantal hebben hunne lijken -op den bodem van steile rotskloven of in de quebradas (verbrokkelde -gronden) aan de roofvogels ten prooi gelaten; nog anderen eindelijk, -welligt de ongelukkigste van allen, zijn verdwenen zonder eenig -spoor achter te laten, of zonder dat men ooit weder iets van hen -heeft gehoord.-- - -Door een zamenloop van omstandigheden, te lang om hier te vermelden, -doch die wij eenmaal hopen openbaar te maken, zijn wij ondanks eigen -wil en keus verpligt geweest, in een dezer ontoegankelijke steden -verblijf te houden; maar minder rampspoedig dan onze voorgangers, -wier verbleekt gebeente wij als sombere gedenkteekenen hier en daar -verstrooid hebben gevonden, is het ons gelukt, duizende gevaren door -te worstelen en ons leven, vaak op eene wonderbare wijs, te redden. - -De beschrijving van het door ons bedoelde oord, die wij hier laten -volgen, is dus met de meeste naauwgezetheid opgemaakt en kan door -niemand worden gelogenstraft, daar wij spreken nadat wij gezien hebben. - -Quiepa-Tani, de eerste stad die zich voordoet zoodra men het -onmetelijk oer-woud, daar wij straks eene vlugtige schets van gaven, -is doorgeworsteld, strekt zich uit in een langwerpig vierkant -van het oosten naar het westen. Eene vrij breede rivier, waarover -hier en daar, van boomstammen en lianen, bruggen zijn geslagen van -verwonderlijke ligtheid en zwier, doorstroomt de stad in hare geheele -lengte. Aan iederen hoek van het vierkant verheft zich eene verbazend -groote rotsmassa, die aan de zijde welke over de vlakte uitziet, -loodregt is afgehouwen en tot eene schier onneembare sterkte dient; -deze vier citadellen zijn bovendien onderling verbonden door een -doorloopenden muur, van veertig voet hoogte en op de kruin van twintig -voet dikte. Aan de binnen- of stadszijde vormt deze muur een talus -of helling, die aan haar basis zestig voet breedte heeft. De muur -is gebouwd van inlandsche uit zandachtige met stroo vermengde klei -gebakken briksteenen, die men adobas noemt: elke steen is omtrent een -meter lang. Eene diepe en breede gracht verdubbelt bijna de hoogte -van den muur. - -Door twee poorten komt men de stad binnen. Deze poorten hebben aan -weerszijde een ronden toren met zoogenaamde peperbus-spitsen, die -aan de oude stedepoorten van het middeleeuwsch Europa doen denken; -wat deze gelijkenis nog meer versterkt, is een kleine van planken -zamengestelde, bijzonder smalle brug, die bij het minste onraad kan -worden opgehaald of weggenomen, en die het eenige middel uitmaakt om -door de poort naar buiten te komen. - -De huizen zijn laag en loopen uit op terrassen, die met elkander in -verband staan; zij zijn allen van riet, met cement bekleed en zeer ligt -gebouwd, wegens de aardbevingen welke in deze streek niet zeldzaam -voorkomen; maar zij zijn ruim, zeer luchtig en van vele vensters -voorzien. Allen hebben slechts ééne verdieping en de voorgevels zijn -met een schitterend wit vernis bestreken. - -Deze vreemdsoortige stad, eensklaps te midden van het hooge prairiegras -zich verheffende, heeft in de verte gezien een allerzonderlingst en -uitlokkend voorkomen. - -Op zekeren stillen avond in de maand October, traden vijf personen, -wier gelaatstrekken en kleeding zich in de schaduw van het geboomte -moeijelijk lieten onderscheiden, het boven door ons beschreven bosch -uit, en hielden eenige oogenblikken stil aan den uitersten rand, -onzeker waarheen zij zich verder wenden zouden. Intusschen begonnen -zij het terrein op te nemen: regt voor hen uit lag een kleine -heuvel, die nog door het geboomte werd ingesloten, en welks kruin, -hoe weinig verheven ook, den horizont regtlijnig afsneed en hun het -uitzigt belette. - -Na eene korte woordenwisseling, bleven twee van de vijf personen op -de plek achter, terwijl de andere drie zich plat op den buik legden -om op handen en voeten den heuvel te beklouteren, die vrij steil en -met zeer hoog gras bekleed was, dat door hen wel in golvende beweging -werd gebragt, maar hunne ligchamen geheel verborg. - -Toen zij na een vermoeijende beklimming den top des heuvels bereikten, -verloor hun blik zich in de onafzienbare ruimte en deinsden zij terug -van verrassing en bewondering. - -De kruin van den berg daar zij zich thans bevonden was bijna loodregt, -en ook de hellingen zoowel aan de regter- als linkerzijde waren -bijzonder steil. Voor hen uit, bijna honderd voeten beneden hen, -strekte zich een heerlijke vlakte, en te midden dier vlakte, namelijk -op duizend meters afstand, verhief zich statig en indrukwekkend de -geheimzinnige stad Quiepa-Tani [6], met haar sterke torens en dikke -muren. De aanblik dezer groote stad, te midden der eenzame wildernis, -wekte in het gemoed der drie mannen een indruk daar zij zich geen -rekenschap van konden geven en die hen gedurende eenige minuten in -stomme verbazing deed wegzinken. - -Eindelijk rigtte een van hen zich op de knieën en ellebogen, en wendde -zich tot zijne kameraden: - ---Welnu! zijn mijne broeders over mij voldaan? vroeg hij met eene -krakende keelstem, die hem, ofschoon hij Spaansch sprak, terstond als -een Indiaan deed kennen; heeft Addick (het Hert) zijn woord gehouden? - ---Addick is een der eerste krijgslieden van zijn stam, zijn tong is -regt, en zijn bloed stroomt helder in zijne aderen, antwoordde een -der beide mannen die hij had toegesproken. - -De Indiaan meesmuilde in stilte, maar antwoordde niet. Zijn glimlach -zou zijne twee togtgenooten ruime stof tot denken hebben gegeven, -zoo het niet te donker ware geweest om hem te zien. - ---Mij dunkt dat het thans te laat is om deze stad binnen te treden, -merkte een der mannen aan, die tot hiertoe nog niet gesproken had. - ---Morgen, zoodra de zon opkomt, zal Addick de beide Leliën naar -Quiepa-Tani geleiden, antwoordde de Indiaan; het is van avond reeds -te donker. - ---De krijgsman heeft gelijk, hervatte de tweede spreker, wij moeten -onzen togt tot morgen uitstellen. - ---Welaan! keeren wij dan naar ons gezelschap terug; zij zullen wel -ongerust zijn dat wij zoo lang wegblijven. - -Terstond van woorden tot daden overgaande, keerde de spreker zich -om, plaatste zich met den rug tegen de steilte en liet zich langs -hetzelfde spoor, dat hij bij de opklimming in het hooge gras had -achtergelaten, van den heuvel afglijden. Zijn voorbeeld werd door -zijne kameraden gevolgd en zoo kwamen zij alle drie weldra weder aan -den ingang van het bosch, waar zij de twee anderen dachten te vinden, -die straks beneden waren gebleven. Deze hadden zich echter reeds in -het bosch teruggetrokken, zoodat de geheele plek thans eenzaam en -verlaten scheen. - -De stilte die bij dag onder het digte gewelf van takken en bladeren -heerscht, had plaats gemaakt voor de sombere toonen van een woest -avondconcert. Het scherpe geschreeuw der nachtvogels, die thans wakker -werden en zich gereed maakten om de loeries, de colibrietjes of de -laat naar hunne nesten terugkeerende kardinaalvogels te overvallen, -vermengde zich met het gebrul der congouars [7], het valsch gehuil -der jaguars [8] en panters, en het schokkend geblaf der coyotes -[9] wier echo's akelig weergalmden onder de holle rotsgewelven en -spelonken waar deze gevaarlijke gasten zich verscholen hielden. - -Denzelfden weg teruggaande dien zij zich hadden uitgehouwen, kwamen -de drie mannen weldra aan een groot vuur van dorre takken, dat te -midden van eene opene plek in het bosch was aangelegd. - -Twee vrouwen, of liever twee jonge meisjes, hadden zich er bij -neergevlijd en zaten in treurig peinzende houding. Deze twee meisjes -telden te zamen naauwelijks dertig jaren, zij waren bijzonder schoon, -en hare regelmatige kreoolsche vormen en gelaatstrekken herinnerden -aan de bevallige hoofden en gestalten die het meesterlijk penseel van -Rafaël in zijne Madonna's heeft uitgedrukt. Op dit oogenblik nogtans -schenen zij vermoeid en op hare bleeke aangezigten lag een zweem van -diepe droefgeestigheid. Bij het gedruisch der naderende voetstappen, -sloegen zij de oogen op en nu kwam er een glans van genoegen, als -een vrolijke zonnestraal op haar gelaat. - -De Indiaan wierp eenige versche rijzen op het vuur, dat reeds begon te -verflaauwen, terwijl een der jagers zich bezig hield met de paarden, -die op korten afstand vastgekoppeld stonden, van erwten en gras -te voorzien. - ---Wel, don Miguel, vroeg een der meisjes, zich tot den anderen jager -wendende, die naast haar bij het vuur was komen zitten, zijn wij -haast aan het doel onzer reis? - ---Gij zijt er reeds, Senorita; morgen, onder geleide van onzen vriend -Addick, gaat gij naar de stad; daar zult gij een ontoegankelijk -verblijf vinden, waar niemand u zal kunnen vervolgen. - ---Ach! riep zij met een verstrooiden blik op het ernstig en -onverschillig gelaat van den Indiaan, zullen wij dan morgen scheiden? - ---Het moet, Senorita; de zorg voor uwe veiligheid vordert het. - ---Wie zou mij in deze onbekende streek durven zoeken? - ---De haat durft alles te wagen! Ik bid u, Senorita, vertrouw op -mijne ondervinding; mijne gehechtheid aan u is onbegrensd, gij hebt, -zoo jong als gij zijt, reeds genoeg geleden. Het is wel noodig dat -een gelukkige zonnestraal uw gelaat verheldert en de sombere wolken -verdrijft die verdriet en nadenken er sinds lang op verspreid hebben. - ---Helaas! zeide zij, het hoofd buigende om de tranen te verbergen -die haar langs de wangen liepen. - ---Mijne zuster, mijne lieve vriendin, mijne Laura! riep het andere -meisje, haar teeder omhelzende, houd moed tot het einde: ik blijf -immers bij u? O! vrees voor niets, vervolgde zij op vleijenden toon: -ik neem de helft uwer bekommering op mij, dan zal de last u minder -zwaar vallen. - ---Arme Luisa, mompelde Laura haar wederkeerig kussende, om mijnentwil -zijt gij ongelukkig, hoe zal ik ooit uwe trouw kunnen vergelden? - ---Door mij te beminnen gelijk ik u bemin, mijne lieve engel, en door -weder moed te scheppen. - ---Over een maand, zoo ik hoop, hervatte don Miguel, zal ik uwe -vervolgers buiten de mogelijkheid hebben gebragt om u verder te -schaden; ik speel met hen eene vreesselijke partij, waarin ik mijn -hoofd waag; maar daar geef ik niets om, als ik u slechts redden -mag. Laat mij dus vertrekken met de verzekering, dat gij, zoo lang -als ik afwezig ben, niet pogen zult om de schuilplaats te verlaten -die ik voor u heb opgespoord, en dat gij mijne terugkomst geduldig -zult afwachten. - ---Helaas! caballero, zoo als gij weet is mijn leven als door een -wonderwerk gered; mijne ouders, mijne vrienden, kortom allen die ik -lief had hebben mij verlaten, behalve Luisa, mijne pleegzuster, die -hare liefde voor mij nooit verloochend heeft, en gij, dien ik niet -kende, dien ik nooit gezien had en die mij op eens als een engel des -gerigts uit mijn graf zijt komen redden. Sedert dien vreesselijken -nacht, toen gij mij in het leven hebt teruggebragt, hebben uwe teedere -en verstandige zorgen mij omringd, en waart gij in plaats van mijne -verraderlijke vrienden, voor mij bijna meer dan een vader. - ---Senorita! riep de jongman, door deze woorden evenzeer onthutst -als gelukkig. - ---Ik zeg u dit alleen, don Miguel, vervolgde zij met blijkbare -ontroering, om u te bewijzen dat ik niet ondankbaar ben. Ik weet -niet wat de goede God in zijne wijsheid over mij beschikken zal, -maar wees verzekerd dat mijn laatste gebed en mijne laatste gedachten -voor u zullen zijn. Gij verlangt dat ik op u wachten zal, ik zal -u gehoorzamen; geloof mij vrij, vervolgde zij met een pijnlijken -glimlach, ik beschouw mijn leven slechts, als een wanhopige speler -zijn laatsten inzet, met zekere nieuwsgierigheid of er ook iets van -komen mogt; maar ik begrijp zeer wel dat gij geheel vrij moet zijn -in uwe handeling bij het moeijelijk waagstuk dat gij onderneemt; -vertrek dus zonder vrees, ik stel vertrouwen in u. - ---Ik zeg u dank, Senorita, die belofte verdubbelt mijne krachten. O! nu -ben ik zeker dat ik slagen zal. - -Intusschen was er door den anderen jager en den Indiaan, voor de -dames een soort van rustbed van takken en bladeren gereed gemaakt, -waarop zij zich konden nedervlijen. Zij verwijderden zich dus, om de -welkome rust te genieten. - -Ook de jongman, hoezeer door zorgen en onrust geslingerd, strekte -zich, na nog een poos in diepe gedachten te hebben gezeten, bij het -vuur uit, terwijl zijne twee kameraden beurtelings zouden waken; -en hij zonk weldra in een diepen slaap. In de wildernis verliest de -natuur nimmer hare regten; de grootste smarten en bekommeringen zelfs -zijn er niet in staat om de stoffelijke behoeften van het menschelijk -gestel te verdringen of tot zwijgen te brengen. - -Naauwelijks begonnen de eerste stralen der zon den gezigteinder -met bleeke opaaltinten te kleuren, of de jagers stonden op. De -toebereidsels voor hun vertrek waren weldra gemaakt, het oogenblik -der scheiding kwam, het vaarwel was somber en stil. De twee jagers -hadden de jonge meisjes tot aan den rand van het bosch verzeld, -om des te langer bij haar te blijven. - -Dona Luisa, toen het pad zoo smal werd dat er moeijelijk twee naast -elkander konden gaan, maakte van dit gunstig oogenblik gebruik om -den jager, die don Miguel zou vergezellen, te naderen: - ---Zou ik u eene dienst mogen verzoeken? vroeg zij snel met eene -zachte stem. - ---Spreek, zeide de jager op denzelfden toon. - ---Die Indiaan boezemt mij niet veel vertrouwen in. - ---Ten onregte, Senorita, ik ken hem. - -Zij schudde met weerzin het hoofd. - ---'t Is mogelijk, zeide zij, maar wilt gij mij een dienst bewijzen? Zoo -niet, dan zal ik het aan don Miguel vragen, ofschoon ik liever had -dat hij er niets van wist. - ---Spreek vrij, zeg ik u. - ---Geef mij een mes en uwe pistolen. - -De jager keek haar verwonderd aan. - ---Goed, ik begrijp u, zeide hij een oogenblik later, gij zijt een -moedig meisje, ziedaar wat gij mij vraagt. - -Zonder dat een der anderen er iets van opmerkte, gaf hij haar de -voorwerpen die zij van hem verlangde en voegde er twee kleine zakjes -bij, een met kruid en een met kogels gevuld. - ---Men kan nooit weten wat er gebeurt, fluisterde hij. - ---Ik dank u, zeide zij met de ondubbelzinnigste blijken van vreugde. - -Hiermede was alles gezegd; terstond verborg zij de ontvangene wapenen -onder hare kleederen, met zoo veel behendigheid en ernst dat de jager -er om glimlagchen moest. - -Vijf minuten later kwamen zij aan den rand van het bosch. - ---Addick, zei de jager kortaf, onthoud dat ik u voor deze twee dames -verantwoordelijk stel! - ---Addick heeft gezworen! was het eenige dat de Indiaan antwoordde. - -Zij namen thans afscheid; het zou onraadzaam zijn geweest om langer -op eene plaats te blijven waar men ieder oogenblik door de Indianen -kon worden ontdekt. - -De jonge meisjes en de krijgsman gingen op weg naar de stad. - ---Laten wij dien heuvel nog eens beklimmen, zei don Miguel, om hen -voor het laatst te zien. - ---Dat wilde ik u juist voorslaan, antwoordde de jager naïef. - -Met dezelfde voorzorg en omzigtigheid beklouterden zij weder de plek -die zij den vorigen avond gedurende eenige minuten hadden ingenomen. - -In de stralen der morgenzon, die luistervol uit de kimmen opsteeg, -had het landschap een inderdaad betooverend aanzien bekomen. De natuur -was om zoo te zeggen met nieuw leven bezield, en in plaats van den -somberen aanblik der stille eenzaamheid van het vroegere tooneel, -hadden zij thans een schouwspel voor zich van de rijkste afwisseling. - -Uit de poorten der stad, die reeds geopend waren, kwamen eenige troepen -Indianen, zoo te paard als te voet, te voorschijn en verspreiden -zich in alle rigtingen onder vrolijk gelach en gejuich. Talrijke -praauwen verschenen op de rivier, de velden bevolkten zich met kudden -schapen en paarden, die door de Indianen met lange stokken gewapend, -uit den omtrek naar de stad werden gedreven. Wonderlijk gekleede -vrouwen droegen groote, met vleesch, ooft of groenten gevulde korven, -op het hoofd en stapten met kloeken tred naar de markt, onder druk -vrolijk gekout en met dat afgebroken kort schelklinkend gelach, dat -der Indiaansche bevolking eigen is en zich nergens beter bij laat -vergelijken dan bij het rammelen van keisteentjes in een koperen -schotel. - -Onze twee jonge meisjes en hun gids mengden zich weldra onder den -bonten hoop, in welken zij spoedig verdwenen waren. - -Don Miguel slaakte een bitteren zucht. - ---Laat ons vertrekken, mompelde hij met eene doffe stem. - -Zij keerden dus naar het bosch terug en eenige minuten later waren -zij weder op weg. - -Nadat zij het bosch in de breedte waren doorgetrokken, zeide don -Miguel: Hier zullen wij scheiden, ik moet naar Tubac terug. - ---En ik, antwoordde de jager, ik ga een kleine dienst bewijzen aan -een Indiaansch hoofdman van mijne kennis. - ---Gij denkt steeds aan anderen en nooit aan u zelve, brave vriend -Loer-Vogel, riep don Miguel; moet gij dan altijd bezig zijn om anderen -te dienen? - ---Elk heeft zijne roeping in deze wereld, don Miguel, het schijnt -wel dat dit de mijne is. - ---Ja, ja, zoo is het, antwoordde de jongman met eene gedrukte -stem.--Vaarwel, vervolgde hij een oogenblik later, denk om onze -volgende bijeenkomst. - ---Wees daar gerust op; over veertien dagen kom ik aan het veer del -Rubio bij u; dat is afgesproken. - ---Vergeef mij mijn stilzwijgen gedurende de laatste dagen die wij -zamen doorbragten, zei don Miguel, het geheim behoort niet aan mij -alleen, ik had er geen vrijheid toe om het ruchtbaar te maken, zelfs -niet aan zulk een beproefd vriend als gij zijt. - ---Bewaar uw geheim, vriend, ik ben in 't minst niet nieuwsgierig om -het te weten; intusschen blijft het bij onze oude afspraak, dat wij -elkander niet kennen, niet waar? - ---Ja, dat is van het meeste belang. - ---Welaan dan, adieu. - ---Adieu. - -Na elkander de hand te hebben gedrukt namen de twee ruiters afscheid -en verwijderden zich in tegenovergestelde rigting en in vollen galop. - - - - - - - -XI. - -HET VEER DEL RUBIO. - - -Het was een donkere nacht, geen ster blonk aan den hemel; de wind -blies met kracht door de digte takken van het eeuwenheugend woud, -en liet dat treurig en eentoonig geraas hooren, dat den naderenden -storm aankondigt; de wolken hingen laag en hunne bijzonder zwarte -kleur bewees duidelijk genoeg, dat zij sterk met electriciteit -waren bezwangerd; zij dreven snel door het luchtruim en bedekten -onophoudelijk de flaauwe halve maan, wier koude stralen nu en dan de -duisternis schenen te tergen; de dampkring was drukkend, en allerlei -naamlooze geluiden, die als het rommelen van den donder in de verte -weergalmden, verhieven zich uit het diepst der onbekende moerassen en -kreupelbosschen in de prairie; het wild gedierte huilde naargeestig -op de toonen van het ontstemde natuurorgel, terwijl de nachtvogels, -door het ongewone gebulder uit den slaap gewekt, hunne raauwe en -wanluidende kreten aanhieven. - -In het kamp der Gambucinos was alles rustig; de schildwachten waakten, -op hunne buksen geleund, of nedergehurkt bij het smeulende vuur, dat -weldra geheel zou uitgaan. Te midden van het kamp zaten twee mannen -hunne Indiaansche pijp te rooken en zacht zamen te keuvelen. - -Deze twee mannen waren Vrij-Kogel en Loer-Vogel. Eindelijk klopte -Vrij-Kogel zijn pijp uit, stak haar in zijn gordel, smoorde een -onwillekeurig geeuwen, en stond op, vadzig de armen en beenen -uitstrekkende om er den bloedsomloop te herstellen. - ---Wat gaat gij doen? vroeg Loer-Vogel terwijl hij zich in achtelooze -houding half naar hem toewendde. - ---Een weinig slapen, antwoordde de jager. - ---Slapen? - ---Waarom niet? het is reeds diep in den nacht, wij zijn zeker de -eenigen die nog waken; het is meer dan waarschijnlijk dat wij don -Miguel niet zien zullen eer de zon opkomt; het is dus beter, voor -het oogenblik althans, dat wij een poosje gaan slapen, zoo gij er -ten minste niets tegen hebt. - -Loer-Vogel hield zich den voorvinger voor den mond, om zijn vriend -te beduiden dat hij op zijne hoede moest zijn. - ---Het is reeds diep in den nacht, zeide hij met eene gesmoorde stem, -er broeit een geducht onweder. Waar of don Miguel toch blijft? Zijn -lange afwezigheid maakt mij ik weet niet hoe ongerust: hij is de man -niet om zijne kameraden anders dan om gewigtige redenen in 't onzekere -te laten, het zou wel kunnen zijn.... - -Hier zweeg de jager met een bedenkelijk hoofdschudden. - ---Ga voort, zei Vrij-Kogel, zeg ronduit wat gij denkt. - ---Welnu, ik vrees maar al te zeer dat hem een ongeluk overkomen is. - ---O, ho! zoudt gij dat denken? Die don Miguel is toch, ten minste -naar hetgeen ik van hem gehoord heb, een hombre de a caballa, een -man van beproefden moed en buitengewone kracht. - ---Dat alles kan wel waar zijn, antwoordde Loer-Vogel nog even bezorgd. - ---Wel, denkt gij dan dat iemand die zoo goed gewapend is en het leven -der prairie zoo door en door kent, niet in staat zou zijn om zich te -redden, welk gevaar hem ook bedreigen mogt? - ---Ja, wanneer hij met een eerlijken vijand te doen had, die hem stout -onder de oogen zag en een strijd op gelijke kans met hem aanging. - ---Welk ander gevaar zou hij kunnen loopen? - ---Vrij-Kogel! Vrij-Kogel! riep de jager neêrslagtig, gij hebt u te -lang in de kantoren der pelterij-handelaars van de Missouri opgehouden. - ---Daar wilt gij mede zeggen?.... vroeg de Canadees min of meer -gepikeerd. - ---Nu, goede vriend, maak u toch niet boos om hetgeen ik zeg; ik zie -maar al te duidelijk dat gij de gebruiken der woestijn grootendeels -vergeten zijt. - ---Hm! dat is geen onverschillige zaak voor een jager, hervatte -Vrij-Kogel; en waarin dan, als ik u vragen mag, ben ik die vergeten? - ---Pardi! daarin, dat gij niet meer schijnt te weten, vriend, dat op -het terrein waar wij ons bevinden, ieder wapen voor geoorloofd wordt -gehouden, als het er op aankomt om zich van een vijand te ontslaan. - ---Nu, dat weet ik even goed als gij, vriend, even goed als ik weet -dat er geen geduchter wapens zijn dan die zich in de duisternis -verschuilen. - ---Sluipmoord namelijk. - -De Canadees huiverde onwillekeurig. - ---Vreest gij inderdaad voor sluipmoord? vroeg hij. - ---Waar zou ik anders voor vreezen? - ---'t Is waar, prevelde de jager, terwijl hij het hoofd liet hangen; -maar een oogenblik later vervolgde hij: Wat kunnen wij voor hem doen? - ---Dat is juist wat mij in verlegenheid brengt; ik kan echter onmogelijk -langer hier blijven; het mag gaan zoo het wil, ik moet zien wat er -van is. - ---Maar hoe zult gij dat zien? - ---Ik weet het niet, God zal het mij ingeven. - ---Gij hebt toch zeker het een of andere plan? - ---Ja, dat wel. - ---Wat dan? - ---Gij zult het hooren; ik reken er zelfs op, dat gij het mij zult -helpen uitvoeren. - -Vrij-Kogel drukte hem met warmte de hand. - ---Gij kunt op mij rekenen; verklaar uw plan. - ---Het is eenvoudig genoeg: wij zullen dadelijk het kamp verlaten, -en het terrein aan den rivierkant in alle rigtingen afloopen. - ---Goed; maar ik moet u doen opmerken dat het onweder niet lang zal -uitblijven; het regent reeds met groote droppels. - ---Een reden te meer om ons te haasten. - ---Gij hebt gelijk. - ---Vergezelt gij mij dan? - ---Mijn hemel! twijfelt gij daar nog aan? - ---Ik ben een domkop; vergeef mij, broeder, ik zeg u dank voor uwe -goedheid. - ---Waarom dat? integendeel, ik ben u dank schuldig. - ---Hoe zoo? - ---Wel! gij geeft mij gelegenheid om een schoone wandeling te maken. - -Loer-Vogel antwoordde niet; de komische toon van den Canadees strookte -te weinig met de sombere gemoedsstemming waarin hij zich op dit -oogenblik bevond. - -Zij zadelden terstond hunne paarden, en na hunne wapens te hebben -nagezien, met al de naauwkeurigheid van mannen die er zich weldra van -meenden te bedienen, stegen zij te paard en reden stapvoets naar den -uitgang van het kamp. - -De twee schildwachten die bij den slagboom op post stonden en streng -wacht hielden, stelden zich onmiddelijk voor de beide ruiters. - -Deze waren in 't minst niet voornemens om stil weg te sluipen, daar -zij geen reden hadden om hun togt geheim te houden. - ---Gaat gij vertrekken? vroeg een der schildwachten. - ---Neen; wij gaan slechts op verkenning uit in den omtrek. - ---Op dit uur? - ---Waarom niet? - ---Drommels! mij dunkt dat het in zulk weêr beter is om te slapen dan -de prairie af te loopen. - ---In uw oog schijnt het verkeerd, kameraad, hernam Loer-Vogel op -een toon van gezag, maar onthoud dit: ik ben aan niemand rekenschap -van mijne daden schuldig; als ik op dit uur, bij zulk een dreigend -onweder uitga, is het wel waarschijnlijk dat ik er mijne goede -redenen voor heb; die redenen kan en behoef ik u niet te zeggen; -wilt gij mij dus doorlaten, ja of neen? maar weet dan vooraf dat ik -u verantwoordelijk stel voor de vertraging die gij in het volvoeren -mijner plannen veroorzaakt. - -De ferme toon dien de jager aansloeg, scheen de twee schildwachten te -treffen; zij raadpleegden zamen eenige minuten in stilte; eindelijk -schenen zij het eens te zijn geworden en wendde de laatste woordvoerder -zich weder tot de beide ruiters, die bedaard den uitslag van hunne -overweging stonden af te wachten. - ---Passeert, zeide hij; het staat u vrij om te gaan waar gij goedvindt; -ik heb mijn pligt gedaan met u te ondervragen, God geef dat gij den -uwen doet met op deze wijs uit te gaan. - ---Gij zult het spoedig genoeg weten. Nog een woord. - ---Ik luister. - ---Onze afwezigheid, zoo God wil, zal van korten duur zijn; zoo niet, -dan komen wij toch stellig tegen zonsopgang terug; intusschen heb -ik u een ding aan te bevelen: wanneer gij driemaal, bij regelmatige -tusschenpoozen, een jaguar hoort huilen, stijg dan te paard en kom -in der ijl op ons af, en niet alleen gij, maar een tiental van uwe -kameraden; want als gij dat sein hoort, is uw kapitein in groot -gevaar. Hebt gij mij goed begrepen? - ---Zeer goed. - ---En zult gij doen, wat ik u aanbeveel? - ---Ik zal het doen, omdat ik weet dat gij de gids zijt dien wij -verwachten, en omdat ik van uw kant geen verraad kan veronderstellen. - ---Goed, tot wederziens! - ---Goed geluk! - -De jagers reden den slagboom door, die onmiddelijk achter hen -gesloten werd. - -Naauwelijks kwamen zij in de prairie, of het onweder, dat sedert -zonsondergang gedreigd had, barstte met ontzettend geweld los. - -Een schitterende bliksemstraal schoot door het luchtruim, bijna -onmiddelijk gevolgd door een klaterenden donderslag; de boomen bogen -zich onder het geweld van den wind en den regen, die met stroomen -begon te vallen. - -Onder dezen strijd der woedende elementen hadden de avonturiers -veel moeite om verder te komen; hunne paarden, door het flikkeren -des bliksems en het geloei van den storm verschrikt, stampvoetten -en steigerden bij iederen tred. De duisternis nam dermate toe -dat de twee ruiters, ofschoon naast elkander rijdende, elkander -naauwelijks konden onderscheiden. De boomen, door het geblaas van den -stormwind geslingerd, zwiepten, kraakten en huilden als geteisterde -Titans, en stemden in ontzettende harmonie zamen met het brullen der -verschrikte roofdieren, het ratelen der donderslagen en het bulderen -der hooggezwollen rivier, wier schuimende golven klotsten en braken -tegen den zandigen oever. - -Vrij-Kogel en Loer-Vogel, onder de ontzettingen der woestijn grijs -geworden, schudden moedig het hoofd bij iederen rukwind die hun als -een vurige sirocco tegenwoei, en vervolgden ongestoord hun togt. Met -strakken blik de duisternis doorborend en met gespitste ooren de -sombere geluiden beluisterend, die de naderende echoos elkander -vertienvoudigd toekaatsten, bereikten zij, zonder een woord gewisseld -te hebben, het veer del Rubio. Daar, als bezielde hen ééne gedachte, -bleven beiden plotseling staan. - -De Rubio, een verloren en onbekende bijstroom van de groote Rio -Colorado, in welke hij zich na een moeijelijken loop van naauwelijks -twintig mijlen uitstort, is op gewone tijden slechts een smalle -watersprank, die de Indiaansche praauwen met moeite bevaren maar de -paarden des te gemakkelijker doorwaden, daar het water hun naauwelijks -tot aan den buik komt. Op dit oogenblik nogtans was de stille beek op -eens in een kokenden vloed veranderd, die met bulderend geruisch in -zijne bedding voortgestuwd, op zijne onstuimige wateren ontwortelde -boomstammen en zelfs veenblokken en rotsklompen medesleepte. - -Om in deze oogenblikken de Rubio te willen oversteken zou het werk -van een krankzinnige geweest zijn; wie het had durven wagen zou in -weinige minuten door den bruisenden stroom zijn weggesleept, welks -drabbige geele watermassa van minuut tot minuut breeder werd. - -De jagers stonden eene poos onbewegelijk onder den stortregen die hen -overstelpte, en staarden met peinzende blikken naar het aanwassende -water, terwijl zij ter naauwernood hunne paarden inhielden, die -gedurig begonnen te steigeren, met dof en angstig gebriesch. - -De menschelijke geest alleen scheen ongedeerd te midden van het woeden -der elementen. Twee bronzen standbeelden gelijk, stonden daar die -twee mannen, roerloos en onverschrokken, als bespeurden zij niets van -den vreeselijken storm die rondom hen huilde, en even kalm van ziel, -als zaten zij in een of ander ontoegankelijken schuilhoek, bij een -vrolijk-knappend en koesterend takkenvuur. - -Zij hadden slechts ééne gedachte, namelijk hulp toe te brengen, -aan iemand dien zij vreesden dat op dit oogenblik in dreigend gevaar -verkeerde. - -Eensklaps sidderden zij, hieven beiden tegelijk het hoofd op, -en vestigden hunne vlammende blikken strak voor zich uit; maar de -duisternis was te dik, zij konden onmogelijk iets onderscheiden. - -Onder de duizend geluiden der natuur, had een enkele kreet beider -oor getroffen. - -Die kreet was een laatste noodgeschrei, een scherpe, doordringende, -langdurige angstkreet, zoo als de sterke mensch, door het nog -sterker noodlot overwonnen uitstoot, wanneer hij gedwongen wordt te -erkennen dat hij onmagtig is, dat alles hem ontzinkt en dat hij geen -andere toevlugt heeft dan God alleen. De beide mannen bogen driftig -voorwaarts, hielden de handen aan den mond in den vorm van een roeper -en slaakten op hunne beurt een doorborenden en langdurigen kreet. - -Omtrent een minuut later klonk er een tweede noodkreet door het -luchtruim, nog doordringender en wanhopiger dan de eerste. - ---O! hoort gij dat? riep Loer-Vogel terwijl hij zich hoog in de -stijgbeugels oprigtte en de vuisten krampachtig zamenkneep, daar is -een mensch in doodsgevaar. - ---Wie het ook wezen mag, wij moeten hem redden! antwoordde Vrij-Kogel. - -Zij hadden elkander begrepen. - -Maar hoe zouden zij dien man kunnen redden? Waar was hij? Welk gevaar -bedreigde hem? Wie was in staat al deze vragen, die zich onwillekeurig -aan hun verstand opdrongen, te beantwoorden? - -Voor hen uit lag het onmogelijke. - -Op gevaar af van door den stroom te worden medegesleept, dwongen de -jagers hunne paarden om in de rivier af te dalen, en schier tot op -den hals hunner edele maar angstige dieren gebogen, raadpleegden zij -den stand der wateren. - -Maar wij hebben reeds gezegd dat de duisternis te dik was om iets te -kunnen onderscheiden. - ---'t Is of de hel ons tegen houdt! riep Loer-Vogel wanhopig. Mijn -God! zullen wij dien man moeten laten omkomen zonder hem te hulp -te snellen? - -Op dit oogenblik schoot er een schitterende bliksemschicht door -het zwerk. - -Bij dit kortstondige licht zagen de jagers een ruiter hopeloos met -den stroom worstelen. - ---Moed! moed! houd moed! riepen zij. - ---Help! antwoordde de onbekende met eene gesmoorde stem. - -Er viel hier niet te weifelen, iedere sekonde was zoo goed -als een eeuw. De onbekende ruiter kampte tegen de overmoedige -golven die hem wegsleepten. Oogenblikkelijk hadden de jagers hun -besluit genomen. Zij gaven elkander stilzwijgend de hand en drukten -gelijktijdig hunne paarden de sporen diep in de flanken; de paarden -steigerden met onwillig gebriesch; maar gedwongen om den ijzeren wil -en de onverbiddelijke hand van den mensch te gehoorzamen, sprongen -zij snuivend en sidderend in de rivier. - -Plotseling vielen er twee geweerschoten, een kogel floot tusschen de -beide jagers door, en een smartelijke noodkreet verhief zich uit het -midden der golven. - -De man die zij ter hulp kwamen was getroffen. - -Het onweder was nog altijd klimmende, de bliksemflitsen volgden -elkander met ongemeene snelheid. De jagers zagen duidelijk dat de -onbekende zich aan de teugels van zijn paard vastklemde en zich door -hetzelve in het water liet voortsleepen. - -Tevens bespeurden zij aan den anderen oever een man voorovergebogen, -met de buks aan den schouder, en gereed om op nieuw vuur te geven. - ---Ieder zijn werk! riep Loer-Vogel lakoniek. - ---Goed! was het niet minder korte antwoord van Vrij-Kogel. - -De Canadees nam den lasso die aan zijn zadelknop hing, vierde hem in de -hand, liet hem over zijn hoofd zwaaijen en wachtte den eerstvolgenden -bliksemslag af om hem uit te werpen. - -Hij behoefde niet lang te wachten, en hoe snel het licht ook voorbij -ging, Vrij-Kogel wist zijn oogenblik waar te nemen: het werptouw -snorde door de lucht en de loopende knoop slingerde zich om den hals -van het zwemmende paard, dat zoo moedig met den stroom kampte. - ---Courage! juichte Vrij-Kogel, hier heen, Loer-Vogel, hierzoo! - -Thans zijn eigen paard met kracht omwendende, deed hij het op de -achterbeenen volte maken, juist op het oogenblik toen het grond -dreigde te verliezen en dreef het met vaste hand naar den oever terug. - ---Hier ben ik! antwoordde Loer-Vogel, die de eerste gelegenheid -afwachtte om vuur te geven. Heb even geduld! ik kom. - -Een nieuwe bliksemvlam flikkerde. - -Gelijktijdig drukte hij af, het schot viel, en van den anderen oever -klonk den jagers een kreet van woede en smart in de ooren. - ---Ik heb hem geraakt! riep Loer-Vogel; morgen zal ik weten wie de -kerel is, en hiermede zijn buks achter den rug werpende, wendde hij -zijn paard naar Vrij-Kogel. - -Zoodra het paard van den onbekende dat door den Canadees gelasseerd -was zich voelde ondersteunen en naar den oever slepen, verdubbelde -het met instinctmatige schranderheid de pogingen die men aanwendde -om het te redden. - -De beide jagers hadden zich, om zoo te zeggen, voor den lasso -gespannen. Door de vereenigde krachten hunner paarden met die van -het gelasseerde paard, gelukte het hun den stroom te breken, en na -eene moedige worsteling van eenige minuten bereikten zij eindelijk -den oever. Naauwelijks waren zij behouden aan wal, of de Canadezen -stegen af en ijlden naar het paard van den onbekende. - -Zoodra het moedige dier voelde dat het vasten grond onder de -voeten had, bleef het staan, als scheen het te begrijpen, dat het -door verder voort te gaan, gevaar liep zijn meester--die ofschoon -geheel bewusteloos, nog altijd de teugels in de gesloten vuist -vastklemde,--tegen de rotsklompen te verpletteren. De jagers sneden -thans de teugels los, namen den man dien zij zoo wonderbaar gered -hadden in hunne armen en droegen hem eenige passen van den rivierkant -onder een boom, waar zij hem zacht nederlegden. Beiden bleven met -gespannen aandacht bij dan gewonden drenkeling gebukt, den eersten -lichtstraal afwachten, die hun gelegenheid zou geven om het lijk -te herkennen. - ---O! riep Loer-Vogel op eens opstaande met een kreet van smart en -verschrikking, het is don Miguel Ortega! - - - - - - - -XII. - -DON STEFANO COHECHO. - - -Zoo als wij aan het slot van ons IIIde hoofdstuk gezien hebben, -was don Stefano, nadat hij Vrij-Kogel verlaten had, naar het kamp -der Gambucinos teruggekeerd zonder door iemand te worden opgemerkt. - -Eenmaal binnen de verschansing zijnde, had de Mexicaan niets meer -te vreezen; hij ging dus weder naar het vuur, in welks nabijheid hij -zijn paard had vastgemaakt, het edele dier stak den kop op en spitste -de ooren toen het zijn meester zag naderen, hij streelde het met de -hand, vlijde zich toen bedaard op den grond neder, wikkelde zich in -zijn deken en sliep in, met de gerustheid van iemand die overtuigd -was dat alle dingen in volkomen orde waren. - -Er verliepen verscheidene uren, zonder dat de in het kamp heerschende -stilte door het minste gedruisch gestoord werd. - -Op eens ontwaakte don Stefano, hij sloeg de oogen op, een behoedzame -hand was zacht op zijn schouder gelegd. - -De Mexicaan staarde den man aan die zijn slaap gestoord had; in het -schemerlicht der reeds verbleekende sterren herkende hij Domingo. Don -Stefano stond op en volgde zwijgend den Gambucino, die hem tot de -verschansing leidde, waarschijnlijk met oogmerk om te kunnen praten -zonder door onbescheiden ooren gehoord te worden. - ---Welnu, wat hebt gij mij te vertellen? vroeg don Stefano, toen de -mesties hem een wenk gaf dat hij vrij spreken kon. - -Domingo, op bekomen order van Vrij-Kogel, deelde hem thans beknoptelijk -alles mede wat er in de prairie was voorgevallen. Toen don Stefano -vernam dat het den Canadees eindelijk gelukt was Loer-Vogel te vinden, -popelde hij van vreugde en luisterde hij met klimmende belangstelling -naar het verslag van den mesties. Nadat deze geëindigd had, of ten -minste eenige oogenblikken zweeg, vroeg hij hem: - ---Is dat alles? - ---Alles, antwoordde Domingo. - -Don Stefano haalde zijne beurs voor den dag en nam er eenige -goudstukken uit, die hij den Gambucino ter hand stelde; deze ontving -ze met blijkbare gretigheid. - ---Heeft Vrij-Kogel u niet gelast om mij nog iets te zeggen? vroeg -de Mexicaan. - -Domingo bedacht zich een oogenblik. - ---Ja, wacht! dat zou ik bijna vergeten, zeide hij, de jager heeft -mij gelast u te zeggen, Senor, dat gij het kamp niet moest verlaten. - ---Weet gij ook de rede van die waarschuwing? - ---O, ja, hij heeft plan om zich heden avond weder bij de karavaan te -voegen, aan het veer del Rubio. - -Op dit berigt fronste de Mexicaan de wenkbraauwen. - ---Weet gij dat zeker? vroeg hij. - ---Hij heeft mij zoo gezegd. - -Er volgden eenige sekonden stilte. - ---Goed, zeide don Stefano een oogenblik later; heeft de jager u niets -anders gezegd? - ---Niets. - ---Zoo! bromde de Mexicaan, enfin, dat maakt weinig uit; thans den -Gambucino met kracht de hand op den schouder leggende, keek hij hem -strak in de oogen. - ---Nu dan, vervolgde hij met nadruk op ieder woord, onthoud dit: Gij -kent mij niet, maar wat er ook gebeure, laat u geen woord ontsnappen -over hetgeen er tusschen ons in de prairie is voorgevallen. - ---Gij kunt er op rekenen, Senor. - ---Ik reken er op, hoor! herhaalde de Mexicaan met eene stem die -Domingo, hoe dapper hij ook wezen mogt, inwendig deed sidderen; denk -aan den eed dien gij mij gezworen en de verpligting die gij jegens -mij hebt op u genomen. - ---Ik zal er aan denken. - ---Zoo gij uw woord houdt en mij getrouw blijft, zal ik zorgen dat -gij voor uw gansche leven gedekt zijt; zoo niet, wees dan op uwe hoede! - -De Gambucino haalde minachtend de schouders op en antwoordde min of -meer gebelgd: - ---Gij behoeft mij niet te dreigen, Senor, wat gezegd is is gezegd, -en wat ik beloofd heb, heb ik beloofd. - ---Dat zullen wij zien. - ---Als gij mij niets anders meer hebt aan te bevelen, geloof ik dat -wij wel zullen doen met van elkander te gaan. Het begint reeds dag -te worden, mijne kameraden zullen spoedig ontwaken, en ik twijfel of -het u erg bevallen zou dat zij ons hier zamen vonden. - ---Gij hebt gelijk. - -Met dit woord gingen zij van elkander; don Stefano keerde naar zijne -plaats bij het vuur terug; Domingo strekte zich uit op de eerste -plaats te beste, en weldra waren beiden in slaap, of veinsden althans -te slapen. - -Met den eersten zonnestraal hief don Miguel het gordijn van zijne -tent op en trad naar buiten, regt op zijn gast af, die, zoo als men -in Frankrijk zegt, sliep met gesloten vuisten. - -Don Miguel maakte er eene gewetenszaak van om zulk een vreedzamen -slaap te storen; hij hurkte dus bij het vuur neder, verzamelde de -verstrooide kolen, deed ze van nieuws opvlammen, rolde een fijne -maïs-cigarette en begon bedaard te rooken, tot zijn gast zou ontwaken. - -Inmiddels kwam het geheele kamp in beweging, de Gambucinos begaven zich -elk aan zijne morgentaak, sommigen leidden de paarden naar de rivier om -ze een bad te geven, anderen rakelden de vuren op om het ontbijt gereed -te maken, kortom, ieder was op zijne manier bezig ten algemeenen nutte. - -Eindelijk vond don Stefano, op wiens gezigt reeds eenige minuten een -lastige zonnestraal gespeeld had, het oogenblik geschikt om wakker -te worden, hij keerde zich om, rekte zich uit, opende de oogen en -geeuwde herhaalde malen. - ---Caramba! riep hij, zich oprigtende, het is reeds dag naar ik zie; -wat gaat zulk een nacht toch spoedig om; het is of ik nog geen uur -geleden ben gaan slapen. - ---Ik zie met genoegen dat gij zoo goed geslapen hebt, caballero, -zei don Miguel beleefd. - ---Ha zoo! zijt gij daar, mijn waarde gastheer, riep don Stefano met -meesterlijk geveinsde verwondering; dat belooft mij een gelukkigen dag, -daar het eerste wat ik te zien krijg terwijl ik mijne oogen opsla, -het aangezigt is van een vriend. - ---Ik neem dat vleijende kompliment van u aan als eene beleefde scherts. - ---Te drommel neen! ik verzeker u, wat ik u zeg is de zuivere -uitdrukking van hetgeen ik denk, antwoordde de Mexicaan gemaakt -goedhartig; het zou geheel onmogelijk zijn om de eer der woestijn -beter op te houden of de heilige regten der gastvrijheid beter te -begrijpen dan gij gedaan hebt. - ---Ik zeg u dank voor den goeden dunk dien gij voor mij aan den dag -legt. Ik hoop dus ook dat gij ons niet zoo spoedig verlaat, maar ten -minste eenige dagen bij ons blijft. - ---Dat zou ik gaarne willen, don Miguel; de hemel weet hoe gelukkig ik -mij zou rekenen om uw aangenaam bijzijn nog eenigen tijd te genieten; -ongelukkigerwijs is dit echter geheel onmogelijk. - ---Kan dat waar zijn? - ---Helaas, ja! een dringende pligt gebiedt mij om van daag nog te -vertrekken en, gij moogt gelooven dat mij dit razend spijt, maar -tegen de noodzakelijkheid kan men niet op. - ---Welke reden is magtig genoeg om u te dwingen mij zoo plotseling te -verlaten? vroeg don Miguel statig. - ---Mijn hemel! een zeer alledaagsche, om niet te zeggen een gemeene -reden, die u waarschijnlijk zal doen meesmuilen. Gij moet weten ik -ben koopman te Santa-Fé; er zijn eenige dagen geleden te Monterey -verscheidene handelshuizen failliet geraakt, daar ik loopende zaken -mede heb, en die mij noodzaken cito van huis te gaan, om door mijne -persoonlijke tegenwoordigheid nog te redden wat mogelijk is, uit de -schipbreuk die mij bedreigt; ik ben zonder iemand te raadplegen of -naar den weg te vragen op reis gegaan, en zoodoende kwam ik hier. - ---Maar, opperde don Miguel, gij zijt hier nog ver van Monterey. - ---Duivelsch! dat weet ik wel en dat maakt mij bijna wanhopig; ik -ben vreesselijk bang dat ik te laat kom, te meer daar mij gezegd is, -dat de lieden met welke ik te doen heb schurken zijn; de sommen die -zij van mij in handen hebben zijn zeer aanzienlijk, en bedragen, -als ik het u zeggen moet, meer dan de helft van mijn vermogen. - ---Caspita! als het er zoo mede gelegen is, begrijp ik zeer goed dat -gij haast hebt om verder te komen. - ---Niet waar? - ---Ik heb nooit kunnen denken dat gij zulke ernstige redenen hadt om -uwe reis te bespoedigen. - ---Gij ziet dus, gij moogt mij beklagen, don Miguel. - -Het gesprek tusschen deze twee personaadjes werd met -bewonderenswaardige gemakkelijkheid en meesterlijk gespeelde -goedwilligheid gevoerd, zoo wel van de eene als van de andere zijde; -en toch waren geen van beiden in staat den andere om den tuin te -leiden. Don Stefano, zoo als het dikwijls gaat, had het al te mooi -willen maken en was zoodoende de perken der waarschijnlijkheid te -buiten gegaan, door zijn zegsman te zeer van zijne opregtheid te willen -overtuigen. Deze geveinsde opregtheid had het wantrouwen van don Miguel -in tweederlei opzigt wakker gemaakt: vooreerst, omdat don Stefano, -van Santa-Fé naar Monterey reizende, niet alleen op den verkeerden -weg was, maar zelfs beide deze steden volkomen den rug toekeerde, -eene dwaling die zijne volslagen onbekendheid met de plaatselijke -ligging van het land hem deed begaan, zonder dat hij het zelf wist of -vermoedde; de tweede reden was even afdoende: geen handelsman namelijk, -hoe gewigtig overigens de aanleiding tot zulk eene reis wezen mogt, -zou het gewaagd hebben om geheel alleen de woestijn door te trekken, -uit vrees voor de Indiaansche bravos, de bandieten en struikroovers, -de wilde dieren en duizend andere gevaren, die hem bedreigden en aan -welke allen hij onmogelijk zou kunnen ontsnappen. - -Intusschen hield don Miguel zich alsof hij alles voor goeden munt -aannam wat zijn gast hem verzekerde, en antwoordde hij op een toon -van het volste vertrouwen: - ---Hoe veel genoegen het mij ook zou zijn uw aangenaam gezelschap -nog eenigen tijd te genieten, wil ik u niet terughouden, caballero; -ik begrijp zeer goed dat gij dringende reden hebt om u te haasten. - -Don Stefano boog met een onmerkbaren glimlach van triomf. - ---Ten slotte, vervolgde don Miguel, wensch ik dat het u gelukken -zal uw fortuin uit de klaauwen van die schurken te redden; maar in -allen geval, caballero, hoop ik dat wij niet scheiden zullen eer -wij zamen ontbeten hebben. Ik wil u wel bekennen, dat uwe weigering, -om gisteren avond aan mijn sober souper deel te nemen, mij pijnlijk -heeft aangedaan.... - ---O! viel don Stefano hem in de rede, geloof mij, caballero.... - ---Gij hebt u voldoende verontschuldigd, caballero, zoo erg was het -niet, riep don Miguel; maar, vervolgde hij met nadruk, wij Gambucinos -en woudloopers zijn wonderlijke menschen, wij verbeelden ons altoos, -hetzij te regt of te onregte, dat een gast die weigert om met ons te -eten, onze vijand is, of het ten minste worden zal. - -Don Stefano onthutste min of meer bij dezen onverwachten aanval. - ---Kunt gij dat veronderstellen, caballero? riep hij uitwijkend. - ---Niet ik slechts veronderstel het, maar wij allen; zoo als ik u zeg, -de lieden van onze soort zijn een wonderlijk volkje; het zijn onze -vooroordeelen, domme, ingewortelde wanbegrippen, of hoe gij het noemen -wilt, meesmuilde hij met een glimlach, zoo scherp als de punt van een -ponjaard; maar het is nu eenmaal zoo en wij kunnen onzen aard niet -veranderen. Ik houd het er dus voor, dat wij zamen zullen ontbijten; -eerst dan wil ik u goede reis wenschen en nemen wij afscheid. - -Don Stefano zette een wanhopig gezigt. - ---Tot mijn ongeluk, maar ik kan niet, riep hij schouderophalend. - ---Hoe dat? - ---Mijn hemel! ik weet niet hoe ik u zal uitleggen wat er eigenlijk -van is; 't is zoo bespottelijk, dat ik u waarlijk niet durf.... - ---Spreek ronduit, caballero; al ben ik slechts een ruw avonturier, -misschien zal ik u wel begrijpen. - ---Het zou u inderdaad ergeren. - ---In 't minste niet; gij zijt immers mijn gast? Een gast wordt ons -door den hemel toegezonden, en is een geheiligde zaak. - -Don Stefano aarzelde. - ---Kom! riep don Miguel, ik zal het ontbijt maar op laten zetten; -misschien dat dan uw tong wel losser wordt. - ---Daar ben ik eigenlijk het meest bevreesd voor, riep de Mexicaan -met levendige drift en op zekeren toon van spijt; en daarom kan ik, -in weerwil van mijn verlangen om u genoegen te geven, uwe vriendelijke -uitnoodiging niet aannemen. - -De jongman fronste de wenkbraauwen. - ---Zoo! antwoordde hij, met een argwanenden blik op den spreker; -en waarom niet? - ---Dat is het juist wat ik u niet durf bekennen. - ---Durf! durf vrij, caballero; heb ik u niet gezegd dat gij het regt -hebt om alles te bekennen? - ---Lieve hemel! als gij er mij dan toe dwingt, sprak hij op een toon die -hoe langer hoe benaauwder klonk, verbeeld u eens, dat ik aan Nuestra -de los Angelos eene gelofte heb gedaan, om zoo lang ik op reis ben, -niet te eten voordat de zon onder is. - ---Ah zoo! riep don Miguel, blijkbaar slechts half overtuigd; maar -gisteren avond dan, toen ik u vroeg om met mij te souperen, was de -zon dunkt mij reeds lang genoeg onder. - ---Wacht even, ik heb nog niet uitgesproken. - ---Ik luister. - ---En zelfs dan, hervatte de Mexicaan, heb ik beloofd om niets anders -te eten dan eenige gerooste maïskorrels, die ik in mijn mantelzak -heb medegenomen, nadat ik ze vóór mijne afreis door een priester -te Santa-Fé heb laten zegenen; ik begrijp wel dat u dit alles zeer -belagchelijk moet toeschijnen, maar wij zijn zamen landgenooten, -hetzelfde Spaansche bloed stroomt in onze aderen, en dus zult gij, -in plaats van mij te bespotten, mij veeleer beklagen. - ---Caspita! met hart en ziel, des te meer daar gij u aan een zeer -harde penitentie hebt onderworpen. Ik zal ook niet trachten om u van -uw bijgeloof af te brengen, want ik heb het mijne zoo goed als ieder -ander; ik geloof dus dat wij wijs zullen doen als wij dit onderwerp -verder laten rusten. - ---Gij neemt het mij dan ten minste niet kwalijk? - ---Ik! waarom zou ik het u kwalijk nemen? - ---Dus zijn wij altoos goede vrienden? - ---Beter dan ooit, lachte don Miguel. - -De toon echter waarop deze woorden werden uitgesproken, was slechts -ten halve geschikt om den Mexicaan gerust te stellen; hij wierp den -spreker een zijdelingschen blik toe en stond op. - ---Gaat gij reeds heen? vroeg hem de jongman. - ---Als gij het mij vergunt, ga ik terstond op weg. - ---Ga uw gang, ga uw gang, caballero. - -Don Stefano, zonder verder te antwoorden, begon onmiddelijk zijn -paard te zadelen. - ---Gij hebt daar een nobel dier, merkte don Miguel aan. - ---Ja, het is een Arabier van het zuiverste bloed. - ---Het is voor de eerste maal dat ik een paard van dat kostbare ras -te zien krijg. - ---Beschouw het op uw gemak, caballero. - ---Ik zeg u dank; maar ik vrees dat ik u te lang zou ophouden eer ik -er mij aan verzadigd had. Hola! zadel terstond mijn paard, riep hij, -zich tot Domingo wendende. - -Deze bragt hem weldra een krachtvollen mustang van de schoonste -soort. De jongman wipte met een enkelen sprong in den zadel, ook don -Stefano steeg te paard. - ---Gaat gij een wandelrid in den omtrek maken? vroeg deze. - ---Als gij het mij vergunt, zal ik de eer hebben u een eind ver te -begeleiden,--ten minste, vervolgde hij, met een spotachtigen lach zoo -gij geen gelofte gedaan hebt die het u verbiedt; in dat geval zou ik -er van afzien. - ---Schertst gij? riep don Stefano op een toon van verwijt; gij zijt -toch niet boos op mij? - ---O hemel! neen, dat zweer ik u. - ---Welaan, dan vertrekken wij zoodra gij maar wilt. - ---Ik ben tot uwe orders. - -Zij vierden hunne paarden den teugel en reden het kamp uit. - -Naauwelijks echter hadden zij twintig passen gemaakt, of don Miguel -hield zijn paard in en bleef staan. - ---Verlaat gij mij reeds? vroeg don Stefano. - ---Ik ga geen stap verder, antwoordde de jongman, en nu fier het hoofd -opstekende, vervolgde hij met een barsch gezigt en op hooghartigen -toon: Hoor eens, caballero, hier zijt gij niet langer mijn gast, -wij zijn buiten mijn kamp en in de woestijn; ik kan u dus kort en -bondig mijne gedachten zeggen en, voto a brios, ik zal het doen ook. - -De Mexicaan keek hem verbaasd aan. - ---Ik begrijp u niet, zeide hij. - ---Dat is wel mogelijk; ik hoop zelf dat het zoo is, maar ik geloof het -niet. Zoolang gij mijn gast waart, hield ik mij alsof ik geloof sloeg -aan de leugens die gij mij op den mouw speldet; maar thans zijt gij -voor mij niets meer dan ieder ander vreemdeling, ik wil u dus rondweg -mijn gevoelen zeggen: welken naam ik op uw aschgraauw gelaat moet -toepassen weet ik niet, maar ik ben overtuigd dat gij mijn vijand, -of althans een spion van mijne vijanden zijt. - ---Caballero deze taal.... riep don Stefano. - ---Val mij niet in de rede, vervolgde de jongman met kracht; het kan -mij weinig schelen wie gij zijt, het is mij genoeg dat ik u ontmaskerd -heb; ik zeg er u dank voor dat gij in mijn kamp zijt gekomen; als -gij mij thans ooit weder ontmoet, zal ik u ten minste herkennen; -maar dit moogt gij gelooven en het is een raad dien ik zoo vrij ben -u te geven: schud eer gij mij verlaat het stof van uwe schoenen, en -kom mij nooit weder onder de oogen, het zou tot uw ongeluk kunnen zijn! - ---Bedreigingen! riep de Mexicaan bleek van toorn. - ---Neem mijne woorden zoo als gij verkiest, maar onthoud ze in het -belang van uwe eigene veiligheid; al ben ik maar een avonturier, -geef ik u op dit oogenblik eene les van trouw en opregtheid, die -gij wel zult doen u ten nutte te maken; ik zou mij zeer gemakkelijk -de bewijzen van uw verraad kunnen verschaffen, zoo ik dat verkoos, -want ik heb twintig trouwe kameraden onder mijn bevel, die op een -wenk van mij, u duivelsch leelijk zouden tracteren, en--vervolgde -hij met een sarkastischen grijns,--door uwe kleederen en uw knapzak -te onderzoeken, zonder twijfel onder uwe "gezegende maïskorrels," -de reden wel zouden vinden van uw gehouden gedrag sedert gij bij mij -zijt; maar gij zijt mijn gast geweest, en deze titel is uw vrijbrief; -ga dus in vrede, en loop mij nooit weder in den weg. - -Onder het uitspreken dezer woorden hief hij zijn arm op en gaf met -zijn chicote! (karawats) het paard van don Stefano zulk een hevigen -slag op het kruis, dat de Arabier, weinig aan zulk eene behandeling -gewoon, als een pijl van den boog voor uitschoot, in weerwil der -krachtige pogingen van zijn berijder om hem tegen te houden. - -Don Miguel oogde hem een poosje na en keerde toen naar zijn kamp -terug, hartelijk lagchend over de koddige wijs waarop hij het gesprek -beëindigd had. - ---Komaan, kinderen, zeide hij tegen de Gambucinos, dadelijk op -marsch! voor zonsondergang moeten wij aan het veer del Rubio zijn, -waar de gids ons wacht. - -Een half uur daarna was de geheele karavaan reeds op weg. - - - - - - - -XIII. - -DE HINDERLAAG. - - -Geen meldenswaardig voorval verstoorde dien dag hunne reis. De -karavaan trok door eene afwisselende landstreek, met ondiepe rivieren -doorsneden, met hoog geboomte en digte katoenbosschen beplant, en met -duizende vogelen van alle soorten en kleuren en stemmen bevolkt; aan -den uitersten horizont, vertoonde zich als eene geelachtige streep, -boven welke eene dikke wolk van dampen hing, de aanwezigheid van de -Rio Colorado grande del Norte. - -Gelijk don Miguel vooraf gezegd had, bereikte men het veer del Rubio -eenige minuten voor zonsondergang. - -Wij willen hier met een paar woorden beschrijven op welke wijs eene -karavaan zich in de wildernis legert; deze beschrijving is onmisbaar -om den lezer te doen begrijpen, hoe het komt dat men zoo gemakkelijk -een legerkamp in en uit kan sluipen zonder gezien te worden. - -De karavaan bestond, behalve het personeel en een troep pakezels, uit -een stoet van vijftien met allerlei koopwaren beladen wagens. Zoodra -de plaats voor het kampement gekozen was, werden de wagens in een -vierkant opgesteld, met een afstand van vijf en dertig voet tusschen -de wagens onderling; in deze tusschenruimten werden door zes of acht -mannen vuren ontstoken, rondom welke zij zich legerden, om er hunne -spijzen te bereiden, te eten, te praten en te slapen. De paarden en -muilezels stonden in het midden van het vierkant, niet ver van de -geheimzinnige tent die het centrum van het kamp uitmaakte. - -Men had de helft der paarden het regter voorbeen aan het linker -achterbeen gekluisterd, met een touw van twee à drie voet lengte. Wij -moeten hierbij opmerken, dat een op deze wijs gebonden paard zich -in het eerst zeer belemmerd gevoelt, maar spoedig genoeg aan zijn -toestand gewent, om ten minste langzaam te kunnen voortkomen. - -Overigens is dit een voorzigtigheidsmaatregel, welke dienen moet -om te beletten dat de dieren te ver weg loopen of door de Indianen -worden opgevangen. Men bindt gewoonlijk twee paarden aan elkander, -het eene op bovengenoemde wijs gekluisterd, en het andere slechts met -een lang touw aan zijn kameraad gekoppeld, welke laatste in geval van -onraad om zijn makker heenspringt en galoppeert, die hem zoodoende -als het ware tot spil of centraalpunt dient. - -De buitenrand der ruimte tusschen de wagens werd met schanskorven, -op elkander gestapelde boomstammen en met de pakken der muildieren -opgevuld. - -Zulk een legerkamp van woudloopers in de prairie levert inderdaad -een merkwaardig en zonderling schouwspel. Rondom de vuren ziet -men de avonturiers schilderachtig gegroepeerd, staande, zittende -of in liggende houding, sommigen bezig met koken, anderen met het -verstellen van kleederen, paardentuigen of wagens; nog anderen met het -poetsen hunner wapenen; nu en dan verheft zich midden uit de groep een -schaterend gelach, om te bewijzen dat de kwinkslagen lustig rond gaan -en dat men met vrolijke vertellingen de geleden vermoeijenis van den -dag weet te verdrijven of zich op die van den volgenden voorbereidt. - -Ter voltooijing der bonte schilderij, ziet men van afstand tot afstand -bij de verschansing schildwachten rustig op post staan, met het geweer -in den arm of met den elleboog op den tromp hunner wapenen geleund. - -Zoo als wij reeds gezegd hebben, bevond zich in het midden de tent -van den chef, bewaakt door een opzigter, die tevens het oog over de -paarden liet gaan. - -Uit de bovenstaande beschrijving zal men gereedelijk kunnen opmaken, -dat er tusschen de wielen der opgestelde wagens hier en daar openingen -overblijven, en er dus voor een vlug mensch gelegenheid genoeg is -om weg te sluipen en zoo doende buiten de verschansing te geraken, -zoo wel, als er weder binnen te dringen, zonder door de oppassers -of door zijne overige kameraden te worden opgemerkt, wier blikken -gewoonlijk meer op de vlakte naar buiten zijn gerigt, daar zij geen -reden hebben om te bespieden wat er in het kamp zelf omgaat. - -Zoodra alles in orde was en ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had -gemaakt, liet don Miguel een versch paard zadelen, dat hij onmiddelijk -besteeg, en van waar hij de rondom hem verzamelde kameraden aldus -aansprak: - ---Senores! begon hij, eene dringende zaak noopt mij om mij voor eenige -uren te verwijderen, houdt gedurende mijne afwezigheid zorgvuldig de -wacht, en vooral laat niemand in het kamp doordringen; wij bevinden -ons in eene streek waar de meeste waakzaamheid noodig is om ons te -hoeden voor verraad of overrompeling, die ons onophoudelijk en van -alle kanten bedreigt, en zich onder allerlei gedaanten vermomt om den -nalatigen te verschalken. De gids dien wij met ongeduld te gemoet zien, -zal hier binnen weinige oogenblikken aankomen; die gids is bij velen -uwer persoonlijk en aan allen bij goeder geruchte bekend; misschien -komt hij alleen, misschien brengt hij nog een ander met zich. Deze man, -in wien wij het volste vertrouwen kunnen stellen, moet gedurende mijne -afwezigheid volkomen vrij zijn om te handelen, en kunnen komen en gaan, -zonder dat iemand uwer er zich tegen verzetten mag. - ---Hebt gij mij verstaan? vroeg hij, volgt dan in alles stipt mijne -bevelen; overigens verhaal ik u dat ik spoedig terug zal zijn. - -Na zijne kameraden eenen laatsten afscheidsgroet te hebben toegeworpen, -reed don Miguel het kamp uit in de rigting van het veer del Rubio, -waar hij spoedig aankwam en dat hij op dit oogenblik zeer gemakkelijk -en bijna droogvoets kon oversteken. - -Wat het opperhoofd der avonturiers zijne kameraden zoo nadrukkelijk ten -opzigte van Loer-Vogel had aanbevolen, kon inderdaad als eene ingeving -des hemels worden beschouwd, want zoo hij hun niet dringend had gelast -om den jager in al zijne bewegingen en handelingen vrij te laten, -zouden de schildwachten hen waarschijnlijk hebben belet het kamp te -verlaten, en zoodoende don Miguel van de schier wonderbare hulp zijn -verstoken gebleven, die hem voor een gewissen ondergang bewaarde. - -Naar het veer te zijn overgegaan, vierde don Miguel zijn paard den -vollen teugel, en dreef hij het regt voor zich uit. Deze geweldige -rid duurde bijna twee uren, eerst door het hooge prairiegras, toen -door struiken, struweelen en kreupelbosch, dat allengs digter en -digter werd en eindelijk in een volslagen woud veranderde. - -Na een tamelijk diepe vallei of bergpas te zijn doorgereden, welks -steile kanten met ontoegankelijk warbosch waren bedekt, kwam de jongman -aan een soort van kruisweg, waar verscheidene door de wilde dieren -gevormde loopsporen zamenliepen, en waar een Indiaan in zijn bonten -oorlogsdos, voor een vuurtje van bison-mest en bladrijzen, deftig zijn -calumet zat te rooken, terwijl zijn gekluisterd paard op korten afstand -aan de takken der jonge boomen stond te knabbelen. Zoodra don Miguel -hem in 't oog kreeg, klemde hij de teugels van zijn draver met vaster -hand, ten einde den Roodhuid met meer gerustheid te kunnen naderen. - ---Goeden avond, hoofdman, riep hij, met een luchtigen sprong van zijn -paard stijgend, terwijl hij den krijgsman vriendschappelijk de hand -drukte die deze hem toestak. - ---Ooah! riep de hoofdman, ik had mijn bleeken broeder niet meer -verwacht. - ---Waarom niet? Ben ik dan niet gewoon mijn woord te houden? - ---Misschien zou het bleekgezigt beter gedaan hebben met in zijn kamp -te blijven; Addick is een krijgsman, hij heeft een spoor ontdekt. - ---Goed! aan sporen ontbreekt het immers niet in de prairie? - ---Ooah! maar dit is breed en zonder voorzorg getrokken; het is -blijkbaar een spoor van blanken. - ---Bah! wat kan mij dat schelen, riep de jongman onverschillig; -denkt gij dan dat mijne troep de eenige is die op dit oogenblik de -wildernis doortrekt? - -De Roodhuid schudde het hoofd. - ---Een Indiaansch krijgsman vergist zich niet op het oorlogspad. Dat -spoor is van mijns broeders vijand. - ---Waarom zoudt gij dat denken? - -De Indiaan scheen niet genegen zich nader te verklaren; hij liet het -hoofd op de borst zakken en antwoordde een poosje later: - ---Mijn broeder zal het zien. - ---Ik ben sterk, goed gewapend, en geef weinig om hen die mij zouden -willen aanranden. - ---Een man is minder dan tien, zei de Indiaan met pedanten nadruk. - ---Wie weet! hernam de jongman luchthartig; maar dat is op dit oogenblik -de vraag niet, vervolgde hij, ik kom om het nieuws te hooren dat het -opperhoofd mij heeft toegezegd. - ---De belofte van Addick is heilig. - ---Dat weet ik, hoofdman, en daarom heb ik niet geaarzeld hier te komen; -maar de tijd verloopt, ik heb een langen weg te maken eer ik weder -in het kamp ben, er broeit een onweder, en ik wil u wel bekennen dat -ik mij daaraan niet gaarne zou blootgesteld zien op mijn terugtogt; -wees dus kort en gezwind. - -Het opperhoofd boog toestemmend en wenkte den jongman om nevens hem -plaats te nemen. - ---Goed; begin nu maar terstond, hoofdman, ik ben geheel oor, riep -don Miguel zich op den grond neêrvleijende, maar vertel mij eerst, -hoe het komt dat ik u heden pas vind? - -Dat komt, herhaalde de Indiaan flegmatiek, omdat, zooals mijn -broeder wel weet, de Queche-Pitao (Gods stad) hier ver van daan -ligt; een krijgsman is slechts een mensch, en Addick heeft schier -het onmogelijke gedaan om zijn bleeken broeder nog heden te ontmoeten. - ---Het zij zoo, hoofdman, en ik dank er u voor. Komen wij nu ter zake; -hoe is het met u gegaan sedert onze scheiding? - ---Quiepa-Tani heeft hare poorten voor de twee blanke jonge maagden -geopend; zij zijn in veiligheid, in de Queche, ver buiten het bereik -harer vijanden. - ---En hebben zij u niet gelast om mij iets te zeggen? - -De Indiaan aarzelde een poosje. - ---Neen, zeide hij eindelijk, zij zijn gelukkig en zij wachten. - -Don Miguel zuchtte. - ---Dat is vreemd, prevelde hij. - -Het opperhoofd wierp ter sluik een onrustigen blik in het rond. - ---Wat zal mijn broeder doen? vroeg hij. - ---Ik zal ze spoedig gaan bezoeken. - ---Mijn broeder zou verkeerd doen, niemand weet thans waar zij zijn; -waarom zou hij haar schuilhoek openbaar maken? - ---Ik zal, zoo ik hoop, weldra in staat zijn om vrij te handelen, -zonder voor onbescheiden blikken te vreezen. - -Een sombere gloed tintelde in het oog van den Roodhuid. - ---Alleen de Wacondah beschikt over den dag van morgen, zeide hij. - ---Wat wil de hoofdman daarmede zeggen? - ---Niets anders dan hetgeen ik zeg. - ---Goed. Gaat mijn broeder met mij naar het kamp terug? - ---Addick gaat weder naar Quiepa-Tani, om te waken over haar die zijn -broeder hem heeft toevertrouwd. - ---Zal ik u spoedig wederzien? - ---Misschien, antwoordde de Indiaan uitwijkend; maar, liet hij er -dadelijk op volgen, heeft mijn broeder niet gezegd dat hij plan had -om zich naar de Queche te begeven? - ---Dat heb ik. - ---Wanneer komt mijn broeder daar? - ---In de eerste dagen der volgende maand, op zijn allerlangst. Waartoe -die vraag? - ---Mijn broeder is een bleekgezigt; zoo Addick zelf hem niet in de -Queche brengt, zal de blanke hoofdman er niet kunnen komen. - ---Gij hebt gelijk, ik wacht u dus tegen dien tijd op de plek waar -wij elkander het laatst ontmoet hebben. - ---Addick zal er zijn. - ---Goed, ik reken op u; thans moet ik u verlaten, de nacht daalt snel, -de wind steekt met kracht op, ik moet weg. - ---Vaarwel, antwoordde de Indiaan zonder het minste blijk dat hij hem -wilde tegenhouden. - ---Adieu! riep don Miguel. - -Met dit woord sprong hij in den zadel, gaf zijn paard de sporen en -reed weg. - -Addick staarde hem peinzend na; zoodra hij hem achter een boschje -had zien verdwijnen, boog hij zich een weinig voorover en bootste -tweemaal het fluisterend geblaas na van den cobra capella. - -Op dit signaal, werden op korten afstand van het vuur, de takken -van het kreupelbosch omzigtig uiteengeschoven en trad er een man -te voorschijn. - -Na vooraf een bespiedenden blik in 't rond te hebben geworpen, -naderde hij den Roodhuid en bleef voor hem staan. - -Die man was don Stefano Cohecho. - ---Wel? vroeg hij. - ---Heeft mijn vader alles verstaan? vroeg Addick op twijfelachtigen -toon. - ---Alles. - ---Dus behoef ik mijn vader niets te zeggen? - ---Niets. - ---Het onweder nadert, wat verlangt mijn vader? - ---Wat tusschen ons is afgesproken. Zijn de krijgslieden van den -hoofdman gereed? - ---Ja. - ---Waar zijn ze? - ---Op de aangewezen plaats. - ---Goed, laat ons vertrekken. - ---Ja, vertrekken wij. - -De beide mannen, die elkander sedert lang reeds kenden, hadden niet -veel woorden noodig om zich te doen verstaan. - ---Komt! riep don Stefano met luider stem. - -Op dit geroep kwamen er tien Mexicaansche ruiters te voorschijn. - ---Ziedaar hulptroepen, ingeval uwe krijgslieden te kort schoten, -zeide hij, zich naar het opperhoofd wendende. - -Deze hield zich alsof het hem maar half beviel, hij haalde verachtelijk -de schouders op en antwoordde meesmuilend: - ---Waartoe twintig krijgslieden tegen een eenig man? - ---Hij is een man die er honderd waard is! hernam don Stefano, op een -toon van verzekerdheid die den Roodhuid ruime stof tot nadenken gaf. - -Thans reden zij weg.-- - -Inmiddels reed ook don Miguel steeds voort in gestrekten draf. Hij -was echter wel verre van te vermoeden dat er in deze oogenblikken een -aanslag tegen hem gesmeed werd, en haastte zich geenszins uit vrees -voor menschen maar voor den storm, die met iedere minuut heviger -werd, terwijl de regen, die met groote droppels begon te vallen, -hem aanspoorde om zoo spoedig mogelijk een veilige schuilplaats te -zoeken. Onder het voortrijden dacht hij onwillekeurig na over het -korte gesprek dat hij met den Roodhuid had gevoerd, en terwijl hij de -tusschen hen gewisselde woorden bedaard overwoog, bekroop hem zekere -onbestemde vrees en ongerustheid waarvan hij zich geen rekenschap wist -te geven; het was hem als of er achter de bestudeerde terughouding -van den Indiaan een duister verraad schuilde: hij herinnerde zich -thans dat deze nu en dan geweifeld en dubbelzinnig gesproken had! Hij -beefde bij de gedachte, dat de meisjes een ongeluk kon overkomen zijn, -of dat haar eenig gevaar bedreigde; en zijne ongerustheid klom, naar -mate hij minder grond meende te hebben om zich op de trouw van den -Indiaan te verlaten. - -Op eens blonk er een lichtvlam door de duisternis, zijn paard maakte -een zijdelingschen sprong en twee of drie kogels floten digt langs -hem heen. - -Oogenblikkelijk zette hij zich vaster in den zadel. Hij bevond zich -juist midden in den hollen weg dien hij eenige uren te voren was -doorgereden; van alle kanten ingesloten, zag hij in de schaduw rondom -hem menschelijke gestalten zich bewegen, maar het was reeds te donker -om hen bepaald te kunnen onderscheiden. Op dit oogenblik vielen er -op nieuw schoten, een kogel nam zijn hoed weg, en verscheidene pijlen -snorden digt langs hem heen. - -De jongman hief stoutmoedig het hoofd op. - ---Ha! verraders! riep hij met een sterke stem. - -Terwijl hij zijn draver met de knieën aanzette, stoof hij met -duizelende vaart voorwaarts, diep over den hals van zijn paard gebogen, -met de teugels tusschen de tanden en in iedere hand een revolver. - -Een vreesselijke oorlogskreet liet zich hooren, vermengd met woeste -verwenschingen in het Spaansch. - -Als een wervelwind vloog don Miguel door de hem omringde massa, -en schoot hij zijne revolvers op den digten drom zijner onbekende -vijanden af. Kreten van woede en smart weergalmden, geweerschoten -en sissende pijlen vervolgden zijn toomeloos rennend paard, dat den -grond niet meer scheen te raken. - -Achter hem klonk de woedende galop van verscheidene ruiters die hem -snel als de wind najaagden. - ---Verraad! verraad! schreeuwde hij uit al zijne magt terwijl hij -zijn zwaard trok, zijn paard deed zwenken en als een tijger met -onbeteugelde vaart op de vijanden inreed, die hem aan alle zijden -dreigden te omsingelen. - -Op eens, in het heetst van den strijd, en op het laatste oogenblik, -toen hij gevoelde dat zijne krachten hem begonnen te ontzinken en -hij den ongelijken kamp weldra zou moeten opgeven, knalden er drie -schoten van de andere zijde, en werden de lieden die hem aanvielen -in de flank aangegrepen, en op hunne beurt genoodzaakt zich tegen -onzigtbare vijanden te verdedigen, - ---Wij komen! riep eene doordringende stem in de verte, hou stand! hou -stand! - -Don Miguel beantwoordde dit geroep met een daverenden aanvalskreet en -stortte zich met vernieuwde kracht op den vijand in. Hij was thans -niet langer alleen; wie het ook wezen mogt, die hem te hulp schoot, -hij gevoelde dat hij ondersteund werd en hield zich voor gered. - -Ondanks het onzekere terrein en de heerschende duisternis, troffen -zijne slagen doel en werd de digt opeengedrongen massa der aanvallers, -thans van twee zijden bestookt, genoodzaakt zich in twee partijen te -scheiden; drie onbekende ruiters stormden door de hierdoor ontstane -opening, en schaarden zich aan de zijde van don Miguel. - ---Ha! riep deze met een spotachtigen lach, nu is de strijd ten minste -gelijk. Vooruit! mijne kameraden, vooruit! - -Met dezen uitroep wierp hij zich van nieuws op den vijand, onmiddelijk -gevolgd door zijne drie dappere helpers. - -Wie waren deze mannen? van waar kwamen zij? hij wist het niet en -dacht er niet aan om het te vragen; trouwens was er geen tijd voor -zulke verklaringen: overwinnen of sterven was de leus. - ---Doodt, doodt hem! brulde een der vijandelijke ruiters, die bij -herhaling op hem inreed met opgeheven sabel en met al de woede van -ingekankerden haat. - ---O! zijt gij het, don Stefano Cohecho? riep don Miguel, ik dacht -wel dat wij elkander ontmoeten zouden, uwe stem heeft u verraden. - ---Dood en verderf! was het antwoord. - -De beiden mannen stormden thans als ontembare duivels tegen elkander, -hunne paarden kregen een vreesselijken schok en de ruiter, dien de -jongman voor don Stefano hield, tuimelde in 't zand. - ---Victorie! juichte don Miguel, terwijl hij onmiddelijk doorsloeg en -alles neêrsabelde wat onder zijn bereik kwam. - -Zijne altijd nog onbekende vrienden, volgden hem spoorslags en -weerden zich niet minder dapper. Tegen hun vereenigden aanval konden -de vijanden niet lang stand houden, zij weken weldra terug en kozen -in alle rigtingen het hazenpad. - -De bergpas was weder vrij. - -Thans meende don Miguel niets meer te duchten te hebben; hij gaf dus -zijn paard de sporen, en reed in gestrekten draf den hollen weg uit -naar den rivierkant. - -Zoodra hij zich buiten gevaar bevond, haalde hij ruimer adem en -keek om zich heen. Zijne onbekende verdedigers waren als door een -tooverslag verdwenen. - -Op hetzelfde oogenblik viel er een schot, en voelde hij aan den linker -arm iets dat naar een zweepslag geleek. - ---Wat moet dit beteekenen? prevelde hij onwillekeurig. Een geweerkogel -had hem getroffen. Deze wond bragt hem tot het besef van zijn -tegenwoordigen toestand. - -Zijne vijanden hadden zich weder vereenigd en zaten hem op nieuw -achter de hielen. Voor zich uit hoorde hij de troebele golven der hoog -gezwollen Rubio bulderen; de wraak van Goden en menschen scheen zamen -te spannen om hem te overstelpen! bij deze sombere gedachte beving -hem een onwederstaanbare vrees, hij achtte zich verloren en slaakte -den eersten noodkreet, dien wij reeds gezien hebben dat door de twee -jagers gehoord werd. - -Intusschen begonnen zijne vervolgers snel op hem te winnen; zonder -aarzelen of nadenken stortte hij zich in de bruischende Rubio; een -twintigtal kogels deden het water rondom hem opspatten; onverschrokken -keerde hij zich op zijn paard om en schoot voor het laatst zijne -revolvers af onder het uiten van den tweeden noodkreet, die door de -jagers beantwoord werd met: - ---Courage! - -Maar de menschelijke natuur heeft hare bepaalde grenzen, deze laatste -poging had het overschot zijner krachten uitgeput, wanhopig en met -krampachtige hand omklemde bij de teugels van zijn paard, maar wankelde -en stortte bewusteloos in de rivier, onder den wegstervenden uitroep: - ---Laura! Laura! - -Twee geweerkogels kruisten zich boven zijn hoofd, de eene afgeschoten -door den man die aan den achter hem gelegen oever op hem mikte; -de andere door Loer-Vogel. Zijn onbekende vervolger brulde als een -aangeschoten wild dier, waggelde als een dronken man en verdween in -de duisternis. - -Wie was deze man? Was hij dood, of alleen gewond? - - - - - - - -XIV. - -DE REIZIGERS. - - -De geschiedenis die wij ons voorgenomen hebben te beschrijven, is -zoo vol afwisseling en wordt derwijze beheerscht door hetgeen men -in het menschelijk leven den onverbiddelijken gang der toevallige -omstandigheden noemt, dat wij tot ons leedwezen ons andermaal gedwongen -zien eenige stappen in ons verhaal terug te treden, en den lezer naar -een tooneel te voeren dat niet ver van het veer del Rubio plaats had, -op denzelfden dag als de in ons vorige hoofdstuk vermelde feiten. - -Ongeveer een uur na de tarde,--dat is het oogenblik wanneer de zon, -in het toppunt geklommen, hare stralen loodregt nederschiet en het -op de prairiën zoo brandend heet maakt, dat alles wat leeft en ademt -in het diepste der bosschen een schuilplaats zoekt--trokken drie -ruiters het veer del Rubio over en reden moedig het pad op dat don -Miguel eenige uren later volgen zou. - -Deze ruiters waren blanken, en wat meer is Mexicanen. Het bleek reeds -terstond aan hunne kleeding en houding dat zij niet tot de klasse -der avonturiers behoorden, die onder de verschillende benamingen -van jagers, strikkenzetters, woudloopers, gambucinos of bandieten in -de prairiën van het Westen zich ophouden en haar in alle rigtingen -doorkruisen. - -Het kostuum der ruiters was dat der rijke hacienderos of Mexicaansche -landlieden, namelijk: de breedgerande vilthoed met goud galon en -prachtig met diamanten versierde torquilla (kap), de manga (mouwvest), -de fluweelen calzoneras (broek) aan de knieën open, de botas vaqueros -(jagtlaarzen), en eene komplete wapenrusting, zonder welke niemand zich -in de woestijn waagt, bestaande in een geweer, een koppel revolvers, -een navaja (dolk) en een machete (korte sabel). Hunne paarden, ofschoon -door de brandende hitte min of meer afgemat, staken thans, door den -overtogt over het veer een weinig verfrischt, moedig de hoofden op -en huppelden zoo luchtig op de fijne beenen, dat zij ondanks hunne -vermoeijenis weder in staat waren om des noods een verren rid te maken. - -Een van de drie cavaliers scheen de meester, of althans in rang boven -de andere verheven te zijn. - -Het was een man van ongeveer vijftig jaar, met scherp geteekende -gelaatstrekken, maar die het stempel droegen van zeldzame -voortvarendheid en groote veerkracht; zijne hooge gestalte was -welgevormd en forsch gebouwd, en zijn vaste regtstandige zit in den -zadel kenmerkte den ouden soldaat. - -Zijne beide gezellen behoorden tot de klasse der Indios mansos, -een bastaardras waarin het Indiaansche bloed zoodanig met het -Spaansche vermengd is, dat men hun geen bijzonder volkskarakter meer -kan toekennen. Intusschen bleek het duidelijk genoeg aan hunne rijke -kleeding en de gemeenzame wijs waarop zij naast hun meester voortreden, -dat zij zijn volle vertrouwen genoten en door hunne sedert lang -beproefde diensten, veeleer zijne vrienden waren, dan zijne knechten -in den gewonen zin des woords. Zooveel zich uit de gelaatstrekken -van den Indiaanschen mesties laat opmaken, bij welke de sporen des -ouderdoms niet gemakkelijk te ontdekken zijn, hadden deze twee mannen -den gemiddelden leeftijd, namelijk veertig à vijftig jaren bereikt. - -De drie ruiters reden kort achter elkander, en zagen er ernstig en -bezorgd uit; van tijd tot tijd wierpen zij sombere blikken in het -rond, of smoorden een zucht, en vervolgden hun weg met gebogen hoofd, -als lieden die de overtuiging neerdrukt dat zij een taak boven hunne -krachten ondernomen hebben, maar ondanks zich zelven, eersthalve en -vooral ook uit pligtbesef, tot iederen prijs worden voortgedreven. - -De tegenwoordigheid dezer vreemdelingen aan het veer del Rubio, was -een dier buitengewone verschijnselen, daar niemand verklaring van -zou kunnen geven, en die zeker de jagers of Indianen in deze streek, -zoo zij hen bemerkt hadden, wel zeer zou hebben verwonderd. - -Op het terrein waar zij zich thans bevonden, was weinig wild, -zij kwamen er dus niet om te jagen. Ook lag het zoo ver buiten de -uiterste grenzen der beschaafde wereld, en zoo geheel in de laatste -schuilhoeken der woeste Indianen verloren, dat zij geene kooplieden -of gewone reizigers konden zijn. - -Welke reden had hen dan genoopt om zich zoo diep en in zoo geringen -getale in de wildernis te begeven, waar zij in ieder menschelijk -wezen dat hun ontmoette een onverzoenlijken vijand moesten verwachten? - -Waar gingen zij heen of wat zochten zij? - -Op deze tweeledige vraag had niemand kunnen antwoorden, dan zij zelven. - -Intusschen waren zij het veer overgetrokken, en voor hen uit lag eene -onvruchtbare zandige streek, uitloopende op de bergengte of holleweg -dien wij vroeger reeds hebben leeren kennen. - -Op deze dorre vlakte groende geen enkele grasspriet; de brandende -zonnestralen vielen er loodregt op het gloeijende kiezelzand, dat de -hitte zoo mogelijk nog ondragelijker en bijna verstikkend maakte. De -oudste der drie ruiters wendde zich om naar zijne kameraden: - ---Houdt moed, muchachos! (jongens) zeide hij met eene zachte stem -en een droefgeestigen glimlach, terwijl hij hun op eenige mijlen -afstands de eerste boomgroepen aanwees van een uitgestrekt woud, -welks welige plantengroei hun eene verkwikkende schaduw beloofde; -goeden moed, weldra zullen wij uitrusten. - ---Laat uwe edelheid zich over ons niet bekommeren, antwoordde een -der criados (knechts); wat gij zonder klagen verdraagt, Senor, kunnen -wij ook verdragen. - ---De hitte is afmattend! ik gevoel dat ik zoo wel als gij eenige uren -rust noodig heb. - ---Als het wezen moest, zouden wij het nog lang genoeg kunnen volhouden, -hervatte de bediende, maar onze paarden kunnen naauwelijks meer voort, -de arme dieren zijn bek af. - ---Ja, menschen en beesten hebben rust noodig. Hoe sterk onze wil ook -wezen mag, het menschelijk gestel heeft zijne grenzen waarvoor het -zwichten moet; schep moed! binnen het uur zijn wij er. - ---Kom, kom, Senor, denk niet langer om ons. - -De eerste reiziger antwoordde niet, en zwijgend vervolgden zij -hun togt. - -Intusschen bereikten zij weldra de ons bekende bergengte, die zij -doortrokken, en nu bevonden zij zich te midden van een aantal -boomgroepen, die allengs digter werden en hen reeds tegen de -brandende zon begonnen te dekken. Eer zij echter het punt bereikten -dat de eerste reiziger hun als rustplaats had aangewezen, bleef deze -eensklaps staan en wendde zich naar hen om. - ---Kijk eens! riep hij, dunkt u ook niet dat ginds in de struiken een -kolom rook opgaat, daar regt voor ons uit, een weinig links aan den -rand van het bosch? - -De bedienden zagen uit. - ---Inderdaad! riep de oudste der twee, er valt niet aan te twijfelen, -ofschoon men van hier af zou kunnen denken dat het een nevel was; -de rook is echter te blaauw en gaat te steil opwaarts; het is dus -zeker dat er een vuur brandt. - ---Sedert de tien dagen die wij in deze onmetelijke woestijn zwermen, -hebben wij geen sterveling gezien; dit vuur moet ons dan zeer welkom -zijn, daar het ons de aanwezigheid van menschen aanduidt, mits het -slechts vrienden zijn; gaan wij hun terstond te gemoet, misschien -zullen wij van hen eenige onschatbare narigten bekomen, aangaande -het doel onzer reize. - ---Met uw verlof, Senor, hervatte de criado met drift, toen wij -de presidio verlieten, hebt gij goedgevonden u door mij te laten -geleiden, vergun mij dus u een raad te geven die u, naar ik meen, -in de tegenwoordige omstandigheden zeer nuttig zal zijn. - ---Spreek, mijn brave Bermudez, ik verlaat mij ten volle op uwe -ondervinding en goede trouw; uw goede raad zal mij zeer welkom zijn. - ---Ik zeg u wel dank, Senor, antwoordde de man die zoo even Bermudez -werd genoemd; ik heb u jaren lang als vaquero (koeherder) gediend, -en in dit vak ben ik zoo dikwijls met Indianen zoowel als jagers in -aanraking gekomen, dat ik omtrent het leven in de wildernis vrij wat -kennis heb opgedaan, die ik mij vaak ten nutte maakte, al ben ik ook -nooit zoo diep in de prairiën doorgedrongen als thans. Als ik u dus -raden mag, moeten wij ons in deze streek vooral wachten om menschen -te ontmoeten, en ze niet dan met omzigtigheid naderen, des te meer, -daar wij niet weten wie wij hier vinden zullen, en of het onze vrienden -of vijanden zijn. - ---Dat is waar, uwe aanmerking is zeer gepast, maar ongelukkig komt -zij een beetje te laat. - ---Waarom? - ---Omdat, zoowel als wij den rook van hun vuur hebben opgemerkt, -die lieden daar ginds waarschijnlijk ons reeds gezien en al onze -bewegingen zullen hebben gade geslagen, zooveel te meer, daar wij -ons in geenen deele hebben zoeken te verbergen. - ---Dat is zeker, don Mariano, helaas ja! antwoordde Bermudez het -hoofd schuddend. Maar zoo gij het goed vindt, Senor, wat ik u ter -vermijding van alle onaangenaam misverstand durf voorstellen, blijf -gij dan hier met Juanito wachten, terwijl ik alleen vooruitrijd om -daar ginder bij het vuur den staat van zaken op te nemen. - -Don Mariano aarzelde met antwoorden, hij stond in beraad of hij zijn -ouden bediende wel op deze wijs in gevaar zou brengen. - ---Beslis, Senor, riep Bermudez met drift; ik weet zeer wel hoe men -de Roodhuiden moet toespreken: zij zullen mij waarschijnlijk met een -vlugt pijlen of met een paar kogels begroeten, als ik aankom; maar -over het geheel zijn zij slechte scherpschutters; ik ben bijna zeker -dat zij mij niet zullen raken, en daarna zal ik gemakkelijk met hen -in gesprek komen. Gij ziet dus dat ik zulk een groot gevaar niet loop. - ---Bermudez heeft gelijk, Senor, drong thans Juanito nader aan--een -bescheiden en verstandig man die zelden sprak dan bij groote of -dringende gelegenheden; gij moet hem laten begaan; wat hij voorstelt -is zeker het beste dat wij doen kunnen. - ---Neen! hervatte don Mariano, ik zal er nooit in bewilligen. God is -de heer van leven en dood. Hij alleen mag er naar welgevallen over -beschikken; zoo mijn armen Bermudez een ongeluk trof, zou ik het mij -altoos verwijten; wij zullen zamen voortrijden, dan kunnen wij ons -ten minste verdedigen, als wij met vijanden te doen krijgen. - -Bermudez en Juanito waren juist gereed om hun meester te beantwoorden -en waarschijnlijk zou de redetwist nog lang hebben geduurd, maar -op dit oogenblik weergalmde de hoefslag van een paard, het lange -prairiegras stoof uit elkander, en op ongeveer tien passen afstand -van het driemanschap verscheen een ruiter. Het was een blanke, in -het gewone kostuum der jagers in de prairie. - ---Hola! caballeros! riep hij, vriendschappelijk met de hand wuivend -terwijl hij zijn paard inhield; komt zonder vrees vooruit, gij zijt -welkom; ik heb uwe besluiteloosheid opgemerkt en kwam herwaarts om -u gerust te stellen. - -De drie mannen wisselden een blik van verrassing. - ---Komt, en aarzelt niet, riep de jager; wij zijn vrienden, zeg ik u, -gij hebt niets van ons te vreezen. - ---Ik zeg u dank voor uwe hartelijke uitnoodiging, antwoordde don -Mariano eindelijk, en ik neem die volgaarne aan. - -Thans was alle wantrouwen tusschen hen uitgewischt, de vier ruiters -reden gezamenlijk naar het vuur, dat zij binnen weinige minuten -bereikten. - -Bij het vuur zaten nog twee personen, een Indiaan en zijne vrouw. - -De reizigers stegen af, ontdeden de paarden van hun zadel en tuig, -en na de vermoeide dieren van voeder te hebben voorzien, zetten zij -zich met innige voldaanheid bij hunne nieuwe vrienden neder, die met -al de hartelijkheid der woestijn hen lieten deelen in de eenvoudige -gemakken en soberen voorraad van hun kampement. - -De lezer zal deze drie nieuwe personaadjes ongetwijfeld reeds hebben -herkend, als Ruperto, de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, die wij -verlieten op weg naar het Indiaansche dorp, waarheen Ruperto, op last -van Vrij-Kogel, den Roodhuid zou vergezellen. - -Don Mariano en zijne togtgenooten waren niet alleen vermoeid, maar -hadden grooten honger; de jager en de Indianen lieten hun dus in alle -stilte en ruimschoots hunnen eetlust voldoen; zoodra zij hen echter -hunne papieren sigaren zagen opsteken, volgden zij hun voorbeeld -en nam het gesprek een aanvang. Het begon, zooals men zegt, op de -gewone krukken: over het weer, de hitte, den overvloed van het wild, -maar werd weldra vertrouwelijk, ja zelfs bijzonder ernstig. - ---Daar onze maaltijd thans geëindigd is, hoofdman, zeide Ruperto, -moest gij ons vuur maar uitdooven, wij behoeven onze tegenwoordigheid -niet kenbaar te maken aan de vagebonden die zonder twijfel op dit -oogenblik in de prairie rondzwerven. - -Op een wenk van den Vliegenden-Arend doofde de Wilde-Roos het vuur. - ---Het is inderdaad den rook van uw vuur die u aan ons heeft ontdekt, -antwoordde don Mariano. - ---O ja! hervatte Ruperto lagchend, omdat wij het zoo wilden, anders -zouden wij ons vuur wel zoo hebben aangelegd dat gij er niets van -hadt kunnen zien. - ---Gij wildet dus door ons gezien worden? - ---Ja; het was een gewaagde zaak. - ---Dat begrijp ik niet. - ---Wat ik bedoel, schijnt u een raadsel, maar ik zal u zeggen wat -er van is. Kijk, vervolgde de jager, zijn arm in de rigting der -bergengte uitstrekkend, ziet gij den ruiter die daar ginds in vollen -draf nadert? binnen vijf minuten zal hij digt bij ons zijn; en dank -zij de door mij genomen voorzorg, zal hij ons voorbijgaan zonder ons -op te merken. - ---Zijt gij dan bang voor dien ruiter? - ---Dat niet; integendeel, wij zijn juist hier om hem te hulp te komen. - ---Gij kent hem dus? - ---Volstrekt niet. - ---Gij wordt hoe langer hoe raadselachtiger, caballero. - ---Heb maar geduld, lachte de jager; ik heb u immers gezegd dat gij -het raadsel spoedig weten zoudt? - ---Ja, en ik moet u bekennen, gij maakt mijne nieuwsgierigheid derwijze -gaande, dat ik de ontknooping met ongeduld te gemoet zie. - -Intusschen was de ruiter, dien Ruperto don Mariano had aangewezen, -tot op korten afstand genaderd, en weldra reed hij slechts weinig -passen van het kamp, spoorslags voorbij. - -Zoodra hij aan de andere zijde in het bosch verdwenen was, nam Ruperto -weder het woord op: - ---Een paar uur geleden, hebben wij, het opperhoofd en ik, niet ver van -de plaats waar wij ons op dit oogenblik bevinden, toevalligerwijs een -gesprek afgeluisterd, waarvan deze ruiter het onderwerp uitmaakte, en -dat niets minder behelsde dan om hem een strik te spannen en in eene -verfoeijelijke hinderlaag te doen vallen; welke reden de twee mannen, -die wij buiten hun weten beluisterden, tot dezen moorddadigen aanslag -bewoog, weet ik niet: evenmin weet ik wie deze ruiter is en dat gaat -mij ook niet aan; maar ik heb een ingewortelden haat tegen alles wat, -hetzij veel of weinig, naar verraderij riekt; de hoofdman hier denkt -er eveneens over; wij hebben dus onmiddelijk besloten om den ruiter -te redden, zoo ons dat mogelijk is. Dat hij hier langs moest wisten -wij, daar hij een bijeenkomst zou hebben met een der twee individus, -wier gesprek het toeval, of laat ik liever zeggen, de Voorzienigheid -ons zoo zonderling deed beluisteren. Al waren wij overtuigd dat twee -mannen, hoe dapper zij ook wezen mogen, weinig tegen een twintigtal -bandieten zouden kunnen uitrigten, gaven wij echter den moed niet op, -maar besloten wij om, zelfs wanneer de hemel ons geen medehelpers -toezond, met ons beiden alleen den strijd te wagen, des te meer daar -de lieden wier plan wij hadden afgeluisterd, bloeddorstige schurken -schenen te zijn. Intusschen had ik op raad van het opperhoofd een vuur -aangelegd, om andere reizigers die toevallig hier langs mogten komen, -door den opstijgenden rook tot baken te dienen en hen zoodoende naar -ons kampement te lokken: gij ziet, caballero dat deze voorzorg onze -hoop niet heeft te leur gesteld, daar gij gekomen zijt. - ---En ik reken mij gelukkig, dat het zoo is, antwoordde don Mariano -met geestdrift; ik sluit mij van ganscher harte aan bij uw plan, -dat mij in allen opzigte toeschijnt uit een eerlijk en goed hart te -zijn voortgesproten. - ---Maak mij maar niet beter dan ik ben, caballero, hervatte de jager; -ik ben niets meer dan een arme duivel van een woudlooper, diep onkundig -van alles wat in de steden omgaat, alleenlijk ben ik gewoon in iedere -omstandigheid steeds de inspraak van mijn hart te volgen. - ---Gij hebt gelijk, want die is doorgaans regtvaardig en goed; gij -kunt over mij naar welgevallen beschikken, ik ben gereed tot alles -wat gij gepast zult oordeelen. - ---Ik zeg u dank; thans zijn wij sterk genoeg, verzeker ik u, om de -bandieten hoe talrijk zij ook wezen mogen zwaar spel te geven. Maar -wij hebben nog tijd, rust dus uit, en slaap eenige uren; zoodra het -geschikte oogenblik daar is, zullen wij nader afspreken over hetgeen -ons te doen staat. - -Don Mariano was te vermoeid om zich deze uitnoodiging tweemaal te laten -zeggen; eenige minuten daarna lagen hij en zijne beide kameraden in -een diepen en verkwikkenden slaap. - -Eerst tegen zonsondergang werden zij door Ruperto gewekt. - ---Het is tijd, zeide hij. - -Zij stonden op. Een paar uren rust had hunne krachten geheel -hersteld. De noodige schikkingen waren eenvoudig en spoedig beraamd. - -Wat er het gevolg van was, hebben wij reeds gezien: Addick en don -Stefano, zelven verrast, terwijl zij don Miguel meenden te overvallen, -en niet wetende met hoevele vijanden zij te doen hadden, waren, -even als hunne medgezellen, na een hardnekkig gevecht ijlings gevlugt. - -Don Mariano en Ruperto, voldaan dat zij don Miguel gered hadden, -waren naar hun kamp teruggekeerd, zoodra zij begrepen dat de afloop -geen twijfel meer overliet. - -Weinige minuten later naar de boorden der Rubio teruggeroepen, -door de geweerschoten op het laatste oogenblik tusschen don Miguel -en zijne vervolgers gewisseld, hadden zij in de verte een man zien -vallen, en waren zij toegesneld om hem, hetzij hulp toe te brengen, of -gevangen te nemen. Die man lag zoo het scheen levenloos. Don Mariano -en Ruperto namen hem op en droegen hem naar hun kampement, of liever -naar eene kleine opene plek in het bosch, waar het de Wilde-Roos -met veel moeite gelukte een vuur aan te leggen. Naauwelijks echter -werd in het schijnsel der vlam het gelaat van den gewonde herkend, -of de beide mannen slaakten een kreet van ontsteltenis. - ---Don Stefano Cohecho! riep Ruperto uit. - ---Mijn broeder! riep don Mariano, op een toon van schrik met droefheid -vermengd. - -Dit was aan deze zijde van het veer del Rubio voorgevallen. Zien wij -wat er intusschen aan de overzijde plaats had. - - - - - - - -XV. - -DE HERLEVING. - - -Tegen het eerste aanbreken van den morgenstond was het vreesselijk -onweder, dat den vorigen avond begon en bijna den ganschen nacht -aanhield, allengs tot bedaren gekomen; de wind had den hemel schoon -geveegd en de sombere wolken verstrooid, die thans hier en daar als -zwarte plekken op het blaauwe azuur aan den gezigteinder schenen te -rusten; de zon steeg majestueus uit de kimmen, zich badende als in een -zee van licht; het geboomte door den gevallen regen verfrischt, prijkte -weder met dat heldergroene kleed, dat den vorigen dag door hitte -verwelkt, of door het stuifzand der woestijn ontkleurd en bezoedeld -was; de vogels, bij ontelbare duizenden onder het verkwikkende digte -lommerdak der bosschen verscholen, hieven met vollen gorgel het -veelstemmig concert aan, dat zij iederen schoonen morgen ter eere -des Allerhoogsten zingen,--die grootsche hartverheffende hymne--dat -harmonisch lofgezang, welks toon volle maar kunstelooze melodiën -den mensch, in dezen oceaan van gewassen verloren, nog sluimerend -of half ontwaakt, zoo zoetelijk doet droomen, en hem onbewust laat -omdoolen in het tooverland eener hoop, die althans in deze wereld -hare verwezenlijking niet vindt. - -Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was don Miguel Ortega, dank zij de -beproefde moed en tegenwoordigheid van geest der beide woudloopers, -van een onvermijdelijken dood gered, en door hen onder een boom -nedergelegd. - -De jongman lag geheel buiten kennis en de eerste zorg der jagers was -om zijne wonden te onderzoeken. Hij had er twee, een aan den linkerarm -en een aan het hoofd. Geen van beiden was gevaarlijk. De wond in den -arm bloedde sterk; een kogel had het vleesch verscheurd, maar zonder -ernstig letsel te veroorzaken; wat de wond aan het hoofd betreft, -die blijkbaar door een snijdend wapen was toegebragt, het haar had -er zich reeds op vastgeplakt, en de bloeding doen ophouden. - -De flaauwte van don Miguel was deels het gevolg van zijn geleden -bloedverlies, deels van de vreesselijke overspanning en onmetelijke -krachtsverspilling in den langdurigen en hardnekkigen strijd, dien -hij had moeten doorstaan tegen de talrijke vijanden die hem zoo woest -en verraderlijk aanvielen. - -Wegens hunne zwervende levenswijs en de tallooze gevaren aan welke -zij gedurig bloot staan, zijn de woudloopers uit den aard der zaak -verpligt zich eenige practische kennis van de geneeskunde en vooral -van de heelkunde eigen te maken. Als leerlingen uit de school der -Roodhuiden, speelt de leer der heelkrachtige kruiden in hun stelsel -van geneeskunde eene groote rol. Vrij-Kogel en Loer-Vogel stonden -bekend als meesters in het behandelen van zoogenaamde uitwendige -gebreken op de Indiaansche wijs. - -Nadat zij dus eerst de wonden van don Miguel zorgvuldig gewasschen -en het haar van zijn hoofd gedeeltelijk hadden afgesneden, namen zij -oregano-bladeren en maakten met brandewijn en water een soort van pap -gereed, die zij door middel van abanijo-bladeren en aloë-vezels op -de gewonde plaats vasthechtten. Daarna gelukte het hun met de punt -van een mes de digtgeklemde kaken des lijders in zoo ver te openen, -dat zij hem eenige druppels in den mond konden laten vloeijen. - -Na verloop van een paar minuten sloeg don Miguel flaauwtjes de oogen -op, en kleurde een vlugtig rood zijne verbleekte wangen. - -De beide jagers stonden op hunne buksen geleund, geduldig te wachten en -hielden den lijder naauwlettend in 't oog, om bij de minste verandering -zijner gelaatstrekken, den waarschijnlijken uitslag gade te slaan -der middelen die zij tot zijn herstel hadden aangewend. - -Wanneer iemand uit eene diepe bezwijming ontwaakt, krijgt hij niet -dadelijk het volle bewustzijn der hem omringende zaken, noch de -herinnering der vroeger plaats gehad hebbende omstandigheden terug. Het -plotseling verbroken evenwigt zijner geschokte zielsvermogens herstelt -zich niet dan langzamerhand, naarmate zijne zinnelijke waarneming -juister en zijn geheugen helderder worden. Don Miguel wierp eerst een -kouden, wezenloozen blik in het rond en sloot bijna onmiddelijk de -oogen weder, als had deze eerste poging om ze te openen hem vermoeid. - ---Het zal geen twee uren duren of hij heeft zijne krachten terug, -en over drie dagen zal men niet veel ongemak meer aan hem bespeuren, -zei Vrij-Kogel met blijkbare ingenomenheid; bij God! dat is een van -die degelijke, ijzeren mannen, die ik zoo gaarne zie. - ---Ja, en dapper is hij ook, dat durf ik zeggen! Maar toch, als wij hier -niet geweest waren, zou hij er waarschijnlijk slecht af zijn gekomen. - ---Het had hem den dood gekost, daar is niet aan te twijfelen en dat -zou inderdaad jammer zijn geweest. - ---Zeer jammer! enfin, hij mag van geluk spreken dat hij er zoo goed -is afgekomen. Maar zeg, wat zullen wij nu doen? Het spreekt van -zelf dat wij hier niet kunnen blijven; en aan den anderen kant, hij -is buiten staat om een voet te verzetten; wij dienen hem naar zijn -kamp terug te brengen; zijn volk zal zich reeds ongerust maken over -zijne afwezigheid, en als die nog langer aanhield, wie weet wat er -dan zou gebeuren? - ---Dat is zeer waar. Maar dat ziet er gek genoeg uit: hem op zijn -paard te leggen of in 't zadel te zetten, daaraan is niet te denken; -wij zullen er dus iets anders op moeten verzinnen. - ---Mijn hemel! daar zie ik volstrekt geen bezwaar in; de verdooving -waarin hij thans verkeert kan op zijn minst nog twee uren aanhouden, en -gedurende dien tijd zal hij naauwelijks besef genoeg hebben om eenige -woorden te spreken, of zich nevelachtig te herinneren wat er met hem -gebeurd is; het is dus onnoodig dat wij beiden bij hem blijven, een van -ons zal voldoende zijn, ik, bijvoorbeeld; gij hebt inmiddels den tijd -om naar het kamp terug te rijden en aan de Gambucino's te vertellen -wat hier heeft plaats gehad; hun te zeggen in welken toestand hun -kapitein zich bevindt en hunne hulp in te roepen om hem zoo spoedig -mogelijk naar het kamp te vervoeren. - ---Gij hebt waarachtig gelijk, Vrij-Kogel, uw plan is uitmuntend, ik -zal het onmiddelijk gaan uitvoeren; ik denk slechts twee uren op zijn -langst weg te blijven; houd intusschen goed de wacht, men kan nooit -weten welke lieden hier in den omtrek rondzwerven en waarschijnlijk -al onze gangen bespieden. - ---Stel u daar maar gerust op, Loer-Vogel, ik ben geen man die zich ligt -laat overrompelen, ik heb niet te vergeefs veertig jaar ondervinding -in de woestijn opgedaan. Wat meer is, ik herinner mij juist een -avontuur als dit, en onder bijna gelijkluidende omstandigheden als de -tegenwoordige. Het is al wat jaren geleden, in het jaar 1824 namelijk, -ik was toen nog jong en ik.... - -Loer-Vogel, die het zwak van zijn ouden vriend maar al te goed kende, -dacht met schrik dat hij weder een van die eindelooze verhalen zou -moeten aanhooren, en haastte zich om hem terstond in de rede te vallen, -door te zeggen: - ---Te weêrga, ja! Vrij-Kogel, ik ken u van ouds, en ik weet wel dat -gij de man niet zijt om u te laten foppen, ik ga derhalve gerust heen. - ---Zoo als gij wilt, hervatte Vrij-Kogel, maar als gij mij liet -uitspreken.... - ---'t Is onnoodig, 't is onnoodig, vriend; voor iemand van uw allooi en -ondervinding is iedere opheldering overtollig, antwoordde Loer-Vogel -kortaf, terwijl hij zich met drift in den zadel wierp en met gevierden -teugel wegreed. - -Vrij-Kogel bleef verbaasd staan en volgde hem eene poos met de oogen. - ---Wel, wel! riep hij nadenkend, de Hemel hoort het mij zeggen, -maar die man is een der voortreffelijkste menschen, die er bestaan; -ik heb hem zoo lief alsof hij mijn eigen broeder was, het spijt mij -alleen dat ik hem niet aan zijn verstand kan brengen, hoe nuttig en -noodig het is om alle gewigtige zaken die ons gebeuren, vast in ons -geheugen te prenten, ten einde men zich wete te redden wanneer men -onverwachts in een of andere moeijelijkheid komt, die het woestijnleven -zoo veelvuldig oplevert; enfin, laat hem gaan, op Gods genade. - -Hierop hernam hij zijne vorige plaats en lette van nieuws op den -gewonde, met die verstandige zorg die bij hem tot dusver onverpoosd -betoond had. - -Er verliep bijna een uur, en don Miguel had zich nog niet bewogen, -sedert het oogenblik dat zijne flaauwte van lieverlede afgenomen -en in een zwaren, onrustigen slaap was overgegaan, waaruit hij niet -spoedig scheen te zullen ontwaken. Vrij-Kogel had zich naast hem op -het vochtige gras nedergevlijd; hij zat met het geweer tusschen de -knieën, bedaard zijn pijp te rooken, en met al het geduld dat den -jagers bijzonder eigen is, het oogenblik af te wachten, waarop een -of ander verschijnsel hem bewijzen zou dat de gewonde eindelijk dien -staat van gevoelloosheid te boven was, van welke de jager, zoo zij -te lang aanhield, zich weinig goeds voorspelde. - -De oude Canadees begon vurig naar het einde te verlangen en al zou -het ook op een hevige koorts moeten uitloopen, had hij wel gewenscht -dat het gestel van den jongman door een of ander plotselingen schrik -getroffen en als met geweld in het werkelijke leven ware teruggeworpen; -hij hoopte hiertoe op de komst der Gambucinos en staarde menigmaal -ongeduldig in de woestijn uit, om te zien of hij ze niet reeds in de -verte bespeuren kon. Maar hoe hij ook luisterde of keek, hij zag of -hoorde niets. Alles rondom hem was eenzaam en stil. - ---Helaas! prevelde hij met een onvoldanen blik op don Miguel, -die daar aan zijne voeten nog altijd onbewegelijk lag uitgestrekt, -de schok dien hij geleden heeft is voor hem te hevig geweest, en er -schijnt thans niets te zullen gebeuren om dezen levenloozen klomp te -galvaniseren en tot bewustzijn terug te roepen. - -Nadat hij dezen uitroep misschien twintigmaal met klimmende -teleurstelling herhaald had, hoorde hij eensklaps, op eenigen afstand -een vrij sterk geritsel in de struiken en een gekraak van dorre takken -en bladeren. - ---Ha! wat kan dat zijn? riep hij, schielijk het hoofd opstekend en -in de rigting uitkijkende vanwaar het gedruisch zich hooren liet, -om er de oorzaak van te ontdekken. Terstond fonkelde zijn oog van -blijdschap en barstte hij los in een hartelijk gelach. - ---Weergaasch! riep hij, dat is een kolfje naar mijne hand, dat -buitenkansje zendt mij de hemel om mij uit de verlegenheid te helpen, -en ik heet onzen vriend hartelijk welkom. - -Geen twintig schreden van hem af, op een der hoofdtakken van een -ontzaggelijken tulpenboom, zat een prachtige jaguar, die hem met -vlammende oogen aankeek, terwijl hij zich van tijd tot tijd met de -pooten achter de ooren streek en al de grimassen maakte die aan het -kattengeslacht eigen zijn. Door het onweder van den vorigen avond -verjaagd, had hij waarschijnlijk zijn hol niet in tijds kunnen bereiken -en werd hij thans op zijne vlugt derwaarts, door de ontmoeting der -twee mannen op eene onaangename wijs gestoord. - -De jaguar of Amerikaansche tijger, wel verre van den mensch te -zoeken of uit eigen beweging aan te vallen, zal hem liever zorgvuldig -ontwijken en niet dan in den uitersten nood een strijd met hem wagen; -maar dan ook is hij des te gevaarlijker en volgt er gewoonlijk een -strijd op leven en dood, van welke de mensch niet zelden het slagtoffer -wordt, zoo hij ten minste geen geoefend jager en met de listen dezer -gevaarlijke roofdieren ten volle bekend is. - -Op hetzelfde oogenblik dat de tijger den jager in het oog kreeg, had -ook deze hem gezien; het gevecht was derhalve onvermijdelijk. De beide -vijanden bleven elkander eenige minuten lang opnemen, en wisselden -blikken als vuurpijlen. - ---Komaan! beslis dan, luijaard, mompelde Vrij-Kogel. - -De jaguar antwoordde met een dof gegrom, scherpte eenige sekonden -zijne nagels aan den boomtak waar hij op zat; zich toen terugbuigend en -bijna als een bal ineenrollende, mat hij den vollen afstand en hield -zich gereed om met een enkelen sprong op den jager af te komen. Deze -verroerde zich niet, maar stond met de buks aan den schouder, een -weinig voorover met de beenen wijd aan elkander en vast op den grond -geplant, en volgde met welberekenden blik al de bewegingen van zijn -kampioen; op het oogenblik toen deze vooruitschoot, gaf de jager vuur. - -Het schot knalde, de tijger buitelde in de lucht om, en viel met een -woest gehuil voor de voeten des jagers neder. - -De Canadees bukte even om zijn vijand van naderbij te bezien, maar -de tijger was dood; de kogel was door het regteroog ingegaan en had -hem de hersens doorboord. - -Intusschen was don Miguel door het gebrul van den jaguar en het -losbranden der buks uit zijne vadzigheid gewekt. Hij opende de -oogen, en zich eensklaps op den regter elleboog verheffende, staarde -hij met verwilderden blik in het rond; zijn gelaat was zonderbaar -zamengetrokken, hij scheen even zeer verbaasd als verschrikt en een -hooger rood kleurde zijne wangen. - ---Help, help! schreeuwde hij onwillekeurig met eene hol klinkende stem. - ---Hier ben ik al! riep Vrij-Kogel, terwijl hij reeds naar hem toesnelde -en hem dwong om weder te gaan liggen. - -Don Miguel staarde hem verwonderd aan. - ---Wie zijt gij? vroeg hij een poos daarna: wat wilt gij? Ik ken u niet! - ---Daar hebt gij gelijk in, antwoordde de jager bedaard, terwijl hij -hem toesprak als een kind; maar gij zult mij spoedig kennen, stel u -gerust, en laat het u voor het oogenblik genoeg zijn te vernemen dat -ik een vriend van u ben. - ---Een vriend! herhaalde de gewonde, die met veel moeite zijne verwarde -en benevelde zinnen poogde bijeen te zamelen; welke vriend zijt gij? - ---Mijn hemel! riep de jager, ik geloof toch niet dat gij ze met -dozijnen kunt tellen; ik ben sedert eenige uren uw vriend, ik heb uw -leven gered toen gij op het punt waart van het te verliezen. - ---Maar dat alles zegt mij nog niets. Hoe kom ik hier? en hoe komt -gij hier? - ---Gij doet mij zoo vele vragen te gelijk, dat ik u onmogelijk kan -antwoorden. Gij zijt gewond en uw toestand is van dien aard dat gij -niet moogt spreken, wilt gij ook drinken? - ---Ja! antwoordde don Miguel werktuigelijk. - -Vrij-Kogel gaf hem zijne kalebas-flesch. - ---Maar heb ik daarstraks soms gedroomd? vroeg hij een poosje later. - ---Wie weet? - ---Dat schieten, dat huilen, dat ik gehoord heb?.... - ---Heeft niets te beduiden; het was maar een tijger, dien ik eenige -passen van hier heb doodgeschoten. - -Er volgden eenige minuten stilte; don Miguel begon dieper door te -denken, er kwam licht op in zijn beneveld verstand, zijn geheugen -scheen te ontwaken, de jager bespiedde met naauwlettende zorg -deze sporen van terugkeerende denkkracht op het gelaat van den -jongman. Eindelijk schitterde er een straal van levendig bewustzijn -uit het oog des lijders, en vestigde hij een koortsachtigen blik op -den ouden jager. - ---Hoe lang is het wel geleden dat gij mij gered hebt? vroeg hij. - ---Naauwelijks drie uren. - ---Dus is er sedert de gebeurtenissen die mij hier heen geleid hebben -niet meer verloopen dan.... - ---Dan een halve nacht, verzekerde hem de jager. - ---Ja, ja, hervatte de jongman met eene diepe stem, nu begrijp ik het, -een vreesselijke nacht. O! ik dacht dat ik had moeten sterven. - ---Gij zijt slechts als door een wonder gered. - ---Ik zeg u dank. - ---Ik was niet alleen. - ---Wie heeft mij dan nog meer geholpen? Vertel mij zijn naam, opdat -ik dien voor altijd in mijn geheugen mag bewaren. - ---Loer-Vogel. - ---Loer-Vogel! riep de gewonde blijkbaar getroffen, alweêr hij! O, -dien naam had ik reeds moeten veronderstellen, want die man houdt -veel van mij. - ---Dat doet hij. - ---En gij, hoe heet gij? - ---Vrij-Kogel. - -De jongman ontroerde en strekte de hand uit. - ---Uwe hand riep hij; gij hadt reden daar even te zeggen dat gij mijn -vriend waart, want gij zijt het reeds sedert lang; Loer-Vogel heeft -mij dikwijls van u gesproken. - ---Wij zijn sedert meer dan dertig jaar aan elkander verbonden. - ---Dat weet ik; maar waar is hij toch, dat ik hem niet zie? - ---Hij is omtrent twee uren geleden naar het kamp der uwen gegaan om -hulp te halen. - ---Hij denkt aan alles. - ---Wat mij betreft, ik ben hier gebleven om u op te passen en te waken -zoo lang hij weg was; maar hij zal spoedig terugkeeren. - ---Denkt gij dat ik lang gedwongen zal zijn om mij stil te houden. - ---Neen, uwe wonden zijn niet ernstig. Wat u thans het meest neerdrukt, -is de zedelijke schok die uw gestel geleden heeft en vooral het bloed -dat gij verloren hebt bij uw togt over de Rubio. - ---Deze rivier dus?.... - ---Is de Rubio. - ---Ben ik dan nog altoos op dezelfde plaats waar de strijd eindigde? - ---Ja. - ---Hoe lang denkt gij wel dat ik in mijn tegenwoordigen toestand -blijven zal? - ---Vier of vijf dagen. - -Thans kwam er weder een poosje stilte in dit moeijelijk en afgebroken -gesprek. - ---Gij hebt mij gezegd, dat hetgeen mij het meest nederdrukt, de -zedelijke schok is die mijne vermogens getroffen heeft, niet waar, -hebt gij niet? begon don Miguel op nieuw. - ---Ja, dat heb ik gezegd. - ---Denkt gij niet dat ik door een krachtigen en onverzettelijken wil -een gunstige verandering in dezen toestand zou kunnen brengen? - ---Dat zou ik wel denken. - ---Geef mij uwe hand. - ---Ziedaar. - ---Goed, ondersteun mij een weinig. - ---Wat wilt gij doen? - ---Opstaan. - ---Goddank! ik heb het wel gezegd dat gij een man waart. Komaan dan, -ik geef u verlof, beproef het. - -Na eenige vruchtelooze pogingen gelukte het don Miguel eindelijk zich -op de beenen te houden. - ---Eindelijk! riep hij op een toon van triomf. - -Maar bij den eersten stap dien hij deed, verloor hij het evenwigt en -viel op den grond. - -Vrij-Kogel kwam hem te hulp. - ---Laat mij begaan, riep don Miguel, laat mij begaan, ik wil mij alleen -zien op te heffen. - -Hij slaagde werkelijk. Ditmaal nam hij zijne maatregelen beter dan -de eerste keer, en het gelukte hem om eenige stappen te doen. - -Vrij-Kogel staarde hem met bewondering aan. - ---O, het is de wil die de stof beheerschen moet, hervatte don -Miguel, terwijl hij stond te hijgen met zaamgetrokken wenkbraauwen -en opgezwollen voorhoofdaderen; ik zal er wel komen. - ---Gij zult u zelven dooden. - ---Neen, want ik moet leven; laat mij eens drinken. - -Vrij-Kogel overhandigde hem voor de tweede maal zijn kalebasflesch, -die de jongman gretig aan zijne lippen zette. - ---Thans, riep hij met eene zenuwachtige stem, terwijl hij de flesch -aan Vrij-Kogel terug gaf, dadelijk te paard. - ---Hoe zegt gij? te paard! herhaalde deze met verbazing. - ---Ja, ik wil vertrekken. - ---Maar dat is immers eene dwaasheid. - ---Laat mij begaan, zeg ik u, ik zal mij wel goed houden; doch daar -de wond aan mijn linkerarm mij belet om alleen op te stijgen, verzoek -ik u mij een handje te helpen. - ---Verlangt gij het? - ---Ik gebied het u. - ---Welaan dan, op Gods genade! - ---Die zal ons beschermen, houdt u daarvan verzekerd. - -Vrij-Kogel hielp den jongman voorzigtig in den zadel. - -Tegen alle verwachting van den jager, hield hij zich regtop en ferm. - ---Neem gij nu de huid van uw jaguar en laat ons vertrekken. - ---Waar moeten wij heen? - ---Naar het kamp; Loer-Vogel zal zich wel verwonderen als hij mij ziet, -daar hij mij reeds voor half dood hield. - -Vrij-Kogel gehoorzaamde werktuigelijk en volgde den jongman zonder -een woord te spreken; hij gaf het op om dit zonderlinge karakter te -willen verklaren. - - - - - - - -XVI. - -PLAATSELIJK ONDERZOEK. - - -Ondanks de onverzettelijke wilskracht waarmede don Miguel zijne smarten -poogde te beheerschen, veroorzaakte de beweging van zijn paard hem -vreesselijke pijnen, die zijn aangezigt krampachtig zamentrokken en -het koude zweet op zijn voorhoofd deden parelen. Hij werd bleek als -een lijk, van tijd tot tijd benevelden zijne oogen, het was of alles -rondom hem draaide, hij wankelde soms in den zadel en moest zich aan -de manen van zijn paard vastklemmen om er niet af te vallen. - ---Weerbarstig stof! bromde hij met een doffe stem, zou ik u dan niet -kunnen overwinnen. - -Daarop verdubbelde hij zijne inspanning om zich niet verlegen te -toonen, glimlachte nu en dan tegen Vrij-Kogel en sprak hem soms -luchthartig toe. - -Voor de eerste maal in zijn leven zag de oude jager zich tot zwijgen -gebragt; hij zocht in de herinneringen van zijn avontuurlijk leven -naar eene omstandigheid gelijk aan die waarin hij zich op dit -oogenblik bevond; maar tot zijn groot verdriet moest hij bekennen, -dat hij nog nooit iets van dien aard gezien had; deze teleurstelling -maakte hem tegen wil en dank zoo mistroostig, dat hij met een norsch -en ontevreden gezigt naast den jongman voort reed. - -Intusschen kwamen zij toch verder; maar op eens hoorden zij in dezelfde -rigting die zij volgden en op eenigen afstand voor hen uit een heftig -gedruisch van paardenhoeven. - ---Daar is Loer-Vogel! riep don Miguel. - ---Hoogstwaarschijnlijk, zei Vrij-Kogel. - ---Hij zal wel zeer verwonderd zijn, dat ik de hulp die hij mij brengt -reeds halfweg te gemoet kom. - ---Dat zal hij zeker. - ---Laten wij wat harder doorrijden. - -Vrij-Kogel keek hem aan: - ---Gij hebt zeker een eed gedaan om u een hersenontsteking op den hals -te halen, niet waar? zeide hij kortaf. - ---Hoe dat? vroeg de jongman verwonderd. - ---Maar mijn God! dat is immers ligt te begrijpen, hervatte de jager -op knorrigen toon; een uur lang begaat gij nu reeds dwaasheid op -dwaasheid; bedrieg toch u-zelven niet, wat gij voor kracht aanziet is -niets meer dan koorts; die alleen houdt u gaande, pas dus op en vermoei -u niet langer in een onmogelijken strijd, daar gij, ik voorzeg het u, -nooit als overwinnaar uitkomt. Ik heb u stil laten begaan omdat ik er -tot hiertoe geen dadelijk gevaar in zag, maar geloof mij, schei er nu -meê uit, gij hebt reeds genoeg gedaan om de juiste maat van uwe kracht -te kennen, en voor u zelven te bewijzen wat gij in geval van nood zoudt -kunnen doen; dat is voldoende, laten wij thans stil houden en wachten. - ---Ik zeg u dank, antwoordde don Miguel hem hartelijk de hand drukkende, -ik zie dat gij een waar vriend zijt, uwe scherpe woorden bewijzen mij -dit; ja, ik ben een dwaas, maar wat zal ik anders doen, ik bevind -mij in een moeijelijken toestand, ieder uur dat ik verlies kan mij -of anderen op de grootste gevaren te staan komen; ik vrees dat ik -bezwijken zal alvorens de taak te hebben volbragt die het ongeluk -mij heeft opgelegd. - ---Gij zult nog veel vroeger bezwijken zoo gij niet verstandig handelt; -vier of vijf dagen gaan spoedig genoeg voorbij, en bovendien, wat -gij niet kunt doen, zullen uwe vrienden voor u doen. - ---'t Is waar, gij doet mij over mijzelven blozen, ik ben niet slechts -een dwaas maar een ondankbare. - ---Laten wij er thans niet verder over spreken; het gedruisch komt -reeds nader, waarschijnlijk zijn het uwe kameraden, evenwel zouden -het ook vijanden kunnen zijn, in de wildernis moet men zich op alles -gewapend houden; gaan wij dus in dit kreupelbosch, wij zullen er -geheel onzigtbaar zijn voor de blikken van wie het ook wezen mogt; -zoo het Loer-Vogel is, komen wij te voorschijn, zoo niet dan houden -wij ons schuil. - -Don Miguel kon dezen raad niet anders dan ten volle goedkeuren; -hij begreep maar al te wel, dat hij bij mogelijken strijd, in zijn -tegenwoordigen toestand voor zijn vriend slechts een zeer geringe -steun zou kunnen zijn. - -De beide mannen verdwenen in de struiken die zich achter hen sloten, -en wachtten daar met het pistool in de hand de ruiters af, die zij -van minuut tot minuut nader hoorden komen. - -Vrij-Kogel had zich niet bedrogen: werkelijk was het Loer-Vogel, -die met een vijftiental Gambucinos terugkeerde. Zoodra zij op weinige -passen genaderd waren, kwamen de beide mannen te voorschijn. - -Loer-Vogel kon naauwelijks zijne oogen gelooven; hij begreep niet hoe -dezelfde man, die nog geen drie uren geleden bewusteloos en zonder -teeken van leven, als een lijk op den grond lag uitgestrekt, thans -kracht genoeg bezat om hem te gemoet te komen en zich zoo regt en -ferm in den zadel te houden. - -Don Miguel had eenige oogenblikken genot van zijn triomf, in de -bewondering die hij den Gambucinos afdwong, lieden welke geen andere -meerderheid kennen dat die der stoffelijke kracht; daarop wendde hij -zich met een glimlach tot Loer-Vogel. - ---De hulp die gij mij brengt is mij daarom niet minder welkom, -goede vriend, zeide hij met eene zachte stem; die hulp is mij in -deze oogenblikken, zoo al niet onmisbaar, dan toch hoogst noodig, -want de wil alleen houdt mij te paard in mijn toestand. - ---Gij moet zoo spoedig mogelijk naar het kamp terug; om alle verdere -onheilen voor te komen, zullen wij er u op een draagbaar laten heen -brengen. - ---Een draagbaar! riep don Miguel. - ---Gij moet; ik verzeker u, het is voor u van het meeste belang dat -gij zoo spoedig mogelijk het bevel over uwe bende weder op u neemt, -verspil dus uwe krachten niet in nuttelooze bravades. - -Don Miguel boog zonder te antwoorden, hij begreep dat hij tegen het -beweerde van den jager niet veel konde inbrengen; nadat hij dus met -behulp der beide Canadezen van zijn paard was gestegen, gaf hij aan -zijne onderhebbenden bevel om terstond een draagbaar zamen te stellen. - -Loer-Vogel stak zijn arm onder dien van don Miguel, wenkte Vrij-Kogel -om hen te volgen en verwijderde zich een eind ver van den troep, -waar hij den jongman op het gras deed nederzitten. - ---Daar gij thans in staat zijt mij te antwoorden, zullen wij van het -oogenblik gebruik maken om een weinig te praten, terwijl de baar wordt -gereed gemaakt, zeide hij; gij zult mij zeker veel te vertellen hebben. - -De jongman zuchtte. - ---Ondervraag mij slechts, antwoordde hij. - ---Ja, zoo zal het ook beter gaan; op welke wijs en door wie zijt -gij aangevallen? - ---Dat zou ik u niet kunnen zeggen; het is bijster vreemd in zijn werk -gegaan, zoo verward zelfs dat het mij met den besten wil van de wereld -onmogelijk is om er het eerste woord voor te vinden. - ---Dat maakt niets uit, zeg ons maar wat er met u gebeurd is; misschien -zullen wij, die beter dan gij met de prairiën gewoon zijn, wel een -draad vinden om u in dit schijnbaar verwarde doolhof den weg te wijzen. - -Don Miguel vertelde nu zonder zich langer te laten bidden, tot in de -kleinste bijzonderheden hoe zich de zaak had toegedragen. - -Bij den naam van Addick, fronste Loer-Vogel de wenkbraauwen. - -Toen hij van don Stefano sprak, wisselden de jagers een blik van -verstandhouding; maar toen de jongman tot de zonderlinge ontknooping -genaderd was van het gevecht, waarin hij, op het punt van het onderspit -te delven, eensklaps door drie onbekenden werd bijgesprongen, die -terstond daarna als met een tooverslag weder verdwenen waren, gaven -de jagers teekenen van de grootste verbazing. - ---Zie daar wat ik weet, vervolgde don Miguel, van de verfoeijelijke -hinderlaag waarin ik vervallen was en waarvan ik zeker het slagtoffer -zou geworden zijn, zoo gij niet nog in tijds waart toegeschoten om mij -te redden. Thans weet gij alles zoo goed als ik, wat denkt gij er van? - ---Hum! riep de jager, dat ziet er al zeer buitengewoon uit, inderdaad, -er schuilt achter deze historie eene donkere zamenspanning, die met -veel beleid en met duivelsche list en kwaadaardigheid schijnt te zijn -aangelegd; het is waarlijk om bang van te worden. Ik koester zekere -vermoedens, die ik vooraf tot klaarheid moet brengen; ik kan u dus -niet dadelijk mijne meening zeggen. Inzonderheid moet ik sommige -zaken zien op te sporen; laat dat maar gerust aan mij over. Slechts -eene vraag nog: Die mannen, die u te hulp kwamen, hebt gij die ook -gezien? Hebt gij niet met hen gesproken? - ---Gij vergeet, antwoordde don Miguel glimlagchend, dat zij midden in -den strijd opdaagden, alsof zij door den storm, die op dat oogenblik -hevig woedde, werden aangevoerd. Het zou een ongeschikt oogenblik -zijn geweest om een gesprek te beginnen. - ---Dat is waar, ik doe een dwaze vraag, zei de jager; maar, vervolgde -hij, met de kolf van zijn geweer op den grond stampende, het ga zoo het -wil, ik moet er het mijne van hebben; ik verzeker u, dat ik spoedig -zal weten wie uwe vijanden zijn, welke voorzorgen zij ook nemen om -zich te verbergen. - ---O, ja, het is ook stellig mijn plan om hen na te zetten, zoodra -mijne krachten een weinig hersteld zullen zijn. - ---Gij, caballero, antwoordde Loer-Vogel droog, gij gaat stilletjes -naar uw kamp om u te laten genezen. Zoodra gij daar zijt, zult gij -er u opsluiten als in eene vesting, en geen voet verzetten eer gij -mij hebt wedergezien. - ---Hoe zoo, wedergezien? herhaalde don Miguel; denkt gij mij dan -te verlaten? - ---Voor het oogenblik ja, zullen Vrij-Kogel en ik u verlaten; als wij -bij u bleven, zouden wij u van geen nut zijn, terwijl wij u buitenaf -groote diensten kunnen bewijzen. - ---Wat wilt gij gaan doen? - ---Als wij terug zijn zult gij alles weten. - ---Ik kan bezwaarlijk in zulk eene onzekerheid blijven en behalve dat -begrijp ik u niet. - ---Het is toch duidelijk genoeg. Ik wil, met medehulp van Vrij-Kogel, -dien don Stefano het masker afligten, een masker daar mijns bedunkens -een zeer leelijk gezigt achter schuilt; ik moet weten wie de man is -en waarom hij zich tegen u zoo verbitterd toont. - ---Ik zeg u dank, Loer-Vogel; nu ben ik gerust. Ga heen en doe wat gij -goedvindt, ik ben overtuigd dat alles wat menschelijkerwijs mogelijk -is, door u zal gedaan worden; alleen moet gij mij één ding beloven -eer gij vertrekt. - ---Wat? - ---Beloof mij, dat gij al de berigten die gij door uwe nasporingen -zult opdoen, terstond aan mij zult mededeelen, zonder in het minst -iets te ondernemen tegen den man, aan wien ik mij liefst in eigen -persoon en op eene voorbeeldige wijs verlang te wreken; hebt gij mij -verstaan, Loer-Vogel? - ---Dat laat ik geheel aan u over; ik zal mij wel wachten in uwe zaken -of belangen te treden, ieder heeft zijne taak in deze wereld; die man -is uw vijand en geenszins de mijne: zoodra het mij gelukt is hem aan -u over te leveren, of ten minste u tegenover elkander op gelijken -voet te stellen, zult gij doen wat u goeddunkt, en heb ik met hem -niets meer te maken. - ---Goed; goed! bromde don Miguel, als ik vroeger of later dien duivel -in mijne handen heb, gelijk hij mij eens in de zijne gehad heeft, -zal ik hem niet laten ontsnappen, dat zweer ik u. - ---Dat is derhalve afgesproken en wij kunnen vertrekken? - ---Zoodra gij wilt. - -Vrij-Kogel had het gehouden gesprek tusschen deze twee mannen tot -dusver kalm en zoo het scheen onverschillig aangehoord, maar op dit -woord kwam hij een stap voorwaarts, en Loer-Vogel de hand op den arm -leggende, zeide hij: - ---Wacht even. - ---Hoezoo, nog langer? vroeg de jager. - ---Een enkel woord slechts, maar een woord dat ik in de tegenwoordige -omstandigheden van het hoogste gewigt beschouw. - ---Spreek dan onverwijld. - ---Gij wilt gaan ontdekken wie die don Stefano is, gelijk hij zich -gelieft te noemen, en daar heb ik in zoover niets tegen; maar ééne -zaak is er, die mij nog dringender toeschijnt, en die vooraf door -ons ontdekt moet worden. - ---Welke? - -Vrij-Kogel wendde het hoofd beurtelings regts en links, stak het -bovenlijf een weinig vooruit, liet daarbij zijne stem zoo diep dalen, -dat zelfs zij tot wie hij onmiddelijk sprak, moeite hadden hem te -verstaan, en begon op strengen toon: - ---Het leven in de woestijn is geheel ongelijk aan dat in de -steden. Daar ginds kennen alle menschen elkander min of meer, hetzij -bij naam, hetzij door persoonlijke betrekking; men is er dikwijls -door wederkeerige of regtstreeksche belangen zamenverbonden; kortom, -er bestaat tusschen de inwoners der steden een gemeenschappelijke -band, en zij vormen om zoo te zeggen eene groote familie. In de -woestijn is dit zoo niet, daar heerschen eigenbelang en zelfzucht, -de ikheid is er de hoogste wet; ieder denkt alleen om zich zelven, -handelt voor zich zelven, in een woord bemint alleen zich zelven. - ---In 's hemels naam! maak het toch kort, viel Loer-Vogel hem met -ongeduld in de rede; waar drommel wilt gij anders heen? - ---Heb geduld! vervolgde de onverstoorbare Canadees, geduld slechts, -gij zult het spoedig weten. Om dus op het zoo even gezegde terug te -komen: in de woestijn, zoo men niet lange jaren met iemand geleefd, en -zamen alle gevaren en genoegens gedeeld, en alle lasten of ongelukken -gemeenschappelijk gedragen heeft, leeft ieder individu voor zich -zelven, alleen, zonder vrienden, en ziet men in anderen niets dan -onverschilligen of vijanden. Bij de overrompeling daar don Miguel dezen -nacht bijna het slagtoffer van werd, heeft hij tweederlei soort van -lieden kunnen opmerken. Die twee soorten van lieden, zijn vooreerst -verbitterde vijanden, en ten tweede zelfopofferende vrienden. Geloof -toch niet, vervolgde de jager met klimmenden nadruk, dat ik mij in de -beteekenis van hetgeen ik u heb willen zeggen bedrieg; daarin zoudt -gij u al te zeer vergissen. Of komt het u niet even vreemd voor als -mij, thans, nu gij koelzinnig en bedaard over de zaak nadenkt,--komt -het u niet vreemd voor, zeg ik, dat er zoo op eens, zonder dat men -begrijpen kan waarom, of hoe, menschen, als het ware uit den grond zijn -opgerezen, om u krachtdadig bij te staan; en dat die menschen, toen -het gevaar bijna geweken was, even plotseling weder verdwenen zijn, -zonder een spoor van zich achter te laten en zonder het incognito te -verbreken dat hen omhulde; vindt gij dat niet zeer vreemd? vraag ik u. - ---Inderdaad, mompelde Loer-Vogel, daar had ik nog niet zoo diep over -nagedacht? het gedrag van die lieden komt mij hoogst onbegrijpelijk -voor. - ---Nu, dat is juist wat ik tot klaarheid moet brengen, riep Vrij-Kogel -met drift; de prairie is niet digt genoeg bevolkt, dat er op ieder -gegeven punt, onder een vreesselijk onweder, menschen zouden worden -gevonden gereed om u te helpen, louter uit pleizier om u van dienst -te zijn; om zoo te handelen moeten deze lieden geheime redenen hebben -gehad, die het voor ons dringend noodzakelijk is op te sporen. Wie -verzekert ons bijv. dat zij geen deel uitmaakten van de bende die u -aanviel, en dat het geen nieuwe streek was om u des te gemakkelijker -meester te worden, eene krijgslist welke alleen door onze onverwachte -tegenwoordigheid mislukt is? Ik herhaal het u, wij moeten vooral en -onverwijld deze lieden gaan opzoeken, om te weten wie zij zijn en wat -zij willen, in een woord, om ons te verzekeren of het onze vrienden -dan wel onze vijanden zijn. - ---Het is dunkt mij wel een beetje laat om thans nog zulk een onderzoek -aan te vangen, beweerde don Miguel. - -De beide jagers glimlachten, en wisselden en veelbeteekenenden blik. - ---Voor u ja, die den sleutel der woestijn niet bezit, is het zeker -laat, antwoordde Vrij-Kogel, maar voor ons is dit een geheel ander -geval. - ---Ja, voorzeker, stemde Loer-Vogel hem toe; als wij maar het minste -spoor van hun togt kunnen ontdekken, hetzij een voetstap in het zand -of een gebroken tak in de struiken, die ons hunne rigting aanwijst, -hebben wij genoeg om hen te achterhalen en zullen wij u spoedig -weten te zeggen wie de onbekende lieden zijn, wier gedrag, zoo als -Vrij-Kogel te regt heeft aangemerkt, veel te vreemd en edelmoedig -schijnt om er op te vertrouwen. - ---O, dat ik u niet volgen kan! riep don Miguel verdrietig. - ---Maak eerst dat gij hersteld zijt, en ik ben zeker dat uwe rol weldra -begint; want eer wij drie dagen verder zijn, zullen wij u de vereischte -inlichting brengen, zonder welke gij toch niets zoudt kunnen doen. - ---Gij belooft mij dus dat gij binnen drie dagen terugkomt? - ---Ja, binnen drie dagen zijn wij van onze onderneming terug; maak staat -op onze belofte en draag zorg voor u zelven, zoo dat gij onmiddelijk -met ons kunt te veld trekken.... - ---Ik zal gereed zijn. - ---Welaan, tot wederziens dan; de zon staat reeds hoog, wij hebben -geen minuut te verliezen. - ---Tot weerziens en goed fortuin. - -De jagers drukten don Miguel met warmte de hand, stegen te paard en -verwijderden zich snel in de rigting van het veer del Rubio. - -De kapitein der Gambucinos, op een draagbaar gelegd en zorgvuldig door -zijne kameraden vervoerd, hervatte langzaam den togt naar zijn kamp, -waar hij even voor het ondergaan der zon aankwam. - - - - - - - -XVII. - -DON MARIANO. - - -Thans zullen wij naar don Stefano Cohecho terugkeeren, dien wij in -bewusteloozen toestand bij Ruperto en don Mariano hebben achtergelaten. - -De dubbele uitroep van den jager en den Mexicaanschen reiziger, -toen zij den man herkenden, dien zij aan den oever der rivier hadden -opgenomen, bragt de aanwezigen tot stomme verwondering. - -Bermudez kreeg het eerst zijne koelzinnigheid terug en nam, zijn -meester naderende, het woord op. - ---Kom meê, Senor, zeide hij, blijf toch niet hier, het zal welligt -beter zijn dat uw broeder u niet ziet wanneer hij de oogen weder opent. - -Don Mariano hield zijne blikken strak op den gekwetste gevestigd. - ---Hoe is het mogelijk dat ik hem hier wedervind? riep hij als in -zich zelven; wat doet hij in deze woeste streken? Hij heeft mij dus -voorgelogen, toen hij mij schreef dat hij voor gewigtige zaken naar -de Vereenigde Staten moest en naar Orleans zou vertrekken! - ---Uw broeder Senor don Estevan, antwoordde Bermudez op somberen toon, -is een man van duistere wegen, wiens gedachten onmogelijk te kennen -en wiens daden moeijelijk te verklaren zijn. Gij ziet reeds, deze -jager geeft hem een naam die hem niet toekomt; met welk doel zoekt hij -zich aldus te verbergen? Geloof mij, don Mariano, daaronder schuilt -een geheim, dat wij, zoo God wil, zullen zien op te helderen; maar -laten wij voorzigtig zijn en aan don Estevan onze tegenwoordigheid -niet verraden: het is altoos vroeg genoeg dit te doen, als wij zeker -zijn of wij ons bedrogen hebben, ja dan neen. - ---Dat is waar, uw raad keur ik goed, ik zal dien volgen; maar laat ik -mij, eer ik heenga, van zijn toestand overtuigen; het is mijn broeder, -en hoe zwaar hij mij ook mag hebben verongelijkt, zou ik hem niet -gaarne onverpleegd laten sterven! - ---Misschien was dat wel het beste, mompelde Bermudez. - -Don Mariano wierp hem een ontevreden blik toe, en boog zich over -den gewonde. - -Deze lag nog altoos buiten kennis. De Wilde-Roos besteedde aan hem -onvermoeid die teedere en gepaste zorg waarvan alleen de vrouwen -van alle kleuren en natiën het geheim bezitten, maar zij poogde te -vergeefs hem in het leven terug te roepen. - ---Geloof mij, Senor, hervatte Bermudez dringend, gij doet beter u -te verwijderen. - -Don Mariano wierp een laatsten blik op zijn broeder en scheen eenige -sekonden besluiteloos; daarop als met geweld zich omkeerende, zeide -hij tegen Bermudez: - ---Gaan wij! - -Een glans van genoegen deed het gelaat van den ouden knecht ophelderen. - ---Die man is u aanbevolen, riep don Mariano nog bij het heengaan -tegen Ruperto; draag voor hem al de zorg die zijn toestand en de -menschelijkheid vereischen. - -De jager boog zonder te antwoorden. De Mexicaansche landedelman -stapte naar zijn paard, dat met de twee anderen van zijn gevolg op -korten afstand aan een jongen ebbenhoutboom was vastgebonden. Hij -verwijderde zich niet dan met weerzin, het was alsof eene stem in -zijn binnenste hem toeriep om te blijven. - -Op het oogenblik toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd -hem eene hand op den schouder gelegd; hij wendde zich om. - -Er stond een man voor hem; die man was de Vliegende-Arend. - -Het opperhoofd had aan de blanken onder zijn kommando de zorg -toevertrouwd om den gewonde over te brengen. Met het aan zijn ras -eigen instinct, was hij naar de plaats der hinderlaag teruggekeerd -en naauwkeurig aan 't zoeken gegaan, op iedere plek waar de kans van -het gevecht de strijders had heen gevoerd. Zijn oogmerk hiermede was -om eenig spoor of teeken te ontdekken, dat op de eene of andere wijs -zou kunnen dienen om de belanghebbenden aangaande den strik dien men -don Miguel gespannen had voor te lichten. Het toeval had zijn wensch -bekroond en hem een bewijs in handen geleverd van onberekenbare waarde -dat don Stefano zeker met zijn beste bloed had willen betalen om het -terug te koopen en te vernietigen; ongelukkig slechts was dit bewijs, -hoe belangrijk ook, voor den Indiaan als een gesloten boek en van geen -de minste kracht, omdat hij er den inhoud niet van kon ontcijferen. - -De Vliegende-Arend dacht terstond aan don Mariano, die waarschijnlijk -het gewigt van zijn geheimzinnige vondst gereedelijk zou kunnen -verklaren; na het dus verscheidene malen omgekeerd en bekeken te -hebben, stak hij het gevonden voorwerp zorgvuldig in zijne borst en -keerde met al den ijver die zijn geslacht kenmerkt, en met snellen -tred naar het kamp terug, waar hij zeker was den Mexicaan te zullen -aantreffen. - ---Gaat mijn vader vertrekken? vroeg de Roodhuid. - ---Ja, zei don Mariano, maar het doet mij genoegen dat ik u nog eens -zien mag voor mijn vertrek, hoofdman, om u te kunnen dank zeggen voor -uwe gulle gastvrijheid. - -De Indiaan boog, en vervolgde met de vraag: - ---Mijn vader kan zeker de boeken der bleekgezigten ontcijferen, -niet waar? de blanken bezitten veel kennis en mijn vader is zeker -een opperhoofd bij zijn volk. - -Don Mariano keek den Comanch verwonderd aan. - ---Wat wilt gij daarmede zeggen? vroeg hij. - ---Onze Indiaansche vaders hebben ons geleerd om de voornaamste -gebeurtenissen, die van de vroegste tijden af in onze stammen zijn -voorgevallen, op daartoe opzettelijk bereide dierenvellen aan te -teekenen; maar de bleekgezigten weten alles; zij kennen het groote -geneesmiddel en ook zij hebben colliers, (boeken). - ---Ja, wij hebben boeken, in welke wij met vastbepaalde teekens, de -geschiedenis der volken en zelfs de gedachten der menschen opschrijven. - ---Goed, zeide de Indiaan blijkbaar verheugd, mijn vader zal dan die -teekens wel kennen, want zijn hoofd is grijs. - ---Zeker ken ik die, die kennis is zeer eenvoudig; maar hebt gij er -eenig belang bij dat ik ze ken? - -De Vliegende-Arend schudde het hoofd. - ---Neen, zeide hij, ik niet, maar anderen misschien wel. - ---Ik begrijp u niet, hoofdman; wees zoo goed u duidelijker te -verklaren, want ik moet hier van daan voordat die man daar, weder -bijkomt. - -De Indiaan wierp een blik naar den gewonde. - ---Hij zal in het eerste uur de oogen niet openen, zeide hij, de -Vliegende-Arend kan dus vrij met zijn vader praten. - -Onwillekeurig gevoelde don Mariano zijne belangstelling opgewekt om -te weten wat de Indiaan hem te zeggen had; hij besloot dus nog te -blijven, en gaf hem een wenk dat hij spreken kon. - ---Dat mijn vader dan hoore, hervatte de hoofdman op ernstigen toon: -de Vliegende-Arend is geen oude vrouw, hij is een beroemd opperhoofd, -de woorden die zijne borst uitblaast zijn hem door de Wacondah -ingegeven; de Vliegende-Arend houdt van de blanken, omdat zij goed -voor hem zijn, en hem in vele omstandigheden groote diensten hebben -bewezen. Na den afloop van het gevecht, heeft hij dezen morgen het -slagveld bezocht, digt bij de plaats waar de man dien mijn vader -hier heen heeft gebragt gevallen was; en de Vliegende-Arend heeft -er een zak met geneesmiddelen gevonden, die verscheidene colliers -bevatte; hij heeft die aan alle kanten bekeken, maar hij heeft ze -niet kunnen begrijpen, omdat de Wacondah de oogen van zijn verstand -met dien digten sluijer bedekt, die de Roodhuiden belet even helder -te zien als de blanken; intusschen dacht de Vliegende-Arend dat deze -geheimzinnige zak, ofschoon voor hem onbruikbaar, misschien voor mijn -vader en zijne vrienden van eenig gewigt kon zijn; daarom verborg hij -dien zorgvuldig in zijne borst en kwam hij in der ijl herwaarts om -hem aan mijn vader te brengen. Ziedaar is hij, vervolgde de Sachem, -terwijl hij uit zijn boezem eene portefeuille te voorschijn bragt en -aan don Mariano overhandigde; dat mijn vader dien aanneme. - -Ofschoon de Indiaan in dit alles zeer natuurlijk te werk ging, -en de portefeuille, of wat zij bevatte, voor don Mariano welligt -weinig te beteekenen had, was het toch niet zonder zekere heimelijke -angstvalligheid dat de landedelman haar aannam. - -De Indiaan stond met de armen op de borst gekruist en wachtte met -blijkbare zelfvoldoening de gevolgen van zijn bewezen dienst af. - -Don Mariano beschouwde de portefeuille met verstrooiden blik. Zij -was eenvoudig van zwart segrijn leder, zonder verguldsel of andere -sieraden, en zoo als reeds dadelijk bleek, meer een voorwerp van -dagelijksch gebruik dan van weelde: zij bevatte een aantal brieven en -papieren en was met een klein zilver knipje gesloten. Het onderzoek, -dat, zoo als wij reeds gezegd hebben, met een bedenkelijk gezigt -begonnen was, nam op eens een belangwekkenden keer, toen don Mariano -aan de eene zijde van den omslag, in half uitgesleten gouden letters, -de volgende woorden las: - -"Don Estevan de Real del Monte." - -Bij het zien van dit opschrift, dat hem op eens den naam van den -eigenaar deed kennen, ontstelde hij zigtbaar; hij schoot een donkeren -blik naar zijn broeder, die nog bewusteloos lag, en onwillekeurig -trok hij de handen krampachtig zamen. Door deze geweldige drukking -ging de knip waarmede de portefeuille gesloten was los, zij sprong -open en verscheidene papieren vielen op den grond. - -Bermudez bukte terstond om ze op te rapen en aan zijn meester terug -te geven. Deze scheen ze werktuigelijk weder in de portefeuille te -willen bergen, maar zijn bediende hield hem terug. - ---Nu de hemel u de middelen in handen geeft om achter de waarheid te -komen, zeide hij, moet gij de gelegenheid niet verzuimen, het zou u -later kunnen berouwen. - ---Het staat mij niet vrij mijns broeders geheimen te schenden, bromde -don Mariano met blijkbaren weerzin. - ---Neen, antwoordde Bermudez droogjes, maar wel om te weten hoe hij -de uwen in handen heeft gekregen; denk aan de oorzaak van onze reis. - ---Maar als ik mij eens bedroog.... als hij eens niet schuldig was? - ---Zoo veel te beter! dan hebt gij er ten minste een afdoend bewijs van. - ---Gij wilt mij dwingen tot iets dat mij niet vrij staat, ik heb het -regt niet om zoo te handelen. - ---Welnu, Senor, dan zal ik, die maar een arme knecht ben, wiens daden -niets beteekenen, mij in uw belang dat regt aanmatigen. - -En met een behendigen greep had de criado zich reeds van de -portefeuille meester gemaakt. - ---Ongelukkige! wat doet gij? riep don Mariano, houd op! zeg ik u. Wat -wilt gij? - ---Haar redden, misschien, die gij lief hebt, daar gij het toch zelf -niet durft te doen. - ---Dat mijn vader zijn knecht late begaan, riep thans de Roodhuid -tusschenbeide komende, 't is de Wacondah die hem bezielt! - -Don Mariano had den moed niet om er zich langer tegen te verzetten, te -minder, daar een onverklaarbaar gevoel in zijn binnenste hem zeide dat -hij verkeerd deed en dat Bermudez gelijk had met dus te handelen. De -mesties was intusschen reeds met de meeste koelzinnigheid bezig de -papieren in te zien, zonder zich te bekommeren of hij zoodoende tegen -de etiquette zondigde. - ---O! riep hij op eens uit, had ik het niet gedacht en heb ik u niet -gezegd dat de Voorzienigheid zelve u de bewijzen in handen gaf, daar -gij zoo lang te vergeefs naar zocht. Lees! lees zelf en, zoo gij kunt, -twijfel dan aan het getuigenis van uwe eigene oogen, en weiger nog -langer aan de trouwelooze schurkerij van uw broeder te gelooven! - -Don Mariano nam thans met koortsachtige drift de stukken in handen en -liep die met haastige blikken door. Na er twee of drie van gelezen -te hebben, hield hij op, sloeg de oogen ten hemel en liet toen het -hoofd op de handen zinken, met eene uitdrukking van de diepste smart: - ---O! riep hij wanhopig, broeder! broeder! - ---Schep moed, antwoordde Bermudez om hem te doen bedaren. - ---Moed zal ik hebben! riep hij, het uur der geregtigheid is -aangebroken. - -Er scheen bij hem op eens eene schielijke verandering plaats te -grijpen. De zelfde man, die weinige oogenblikken te voren nog zoo -schroomvallig was, en wiens aarzeling hem geheel ongeschikt tot -handelen scheen te maken, keerde om als een blad; 't was alsof hij -grooter werd, zijne trekken namen een ontzettende strengheid aan en -zijne oogen fonkelden van gramschap. - ---Weg met die kinderachtige vrees! riep hij, niet langer geaarzeld. Er -moet gehandeld worden. - -Zich nu tot den Vliegenden-Arend wendende, vroeg hij: - ---Is die man zwaar gewond? - -De Indiaan trad naar don Stefano om zijne wonden te onderzoeken. - -Zoolang hij hiermede bezig was, sprak niemand een woord, allen begrepen -dat don Mariano eindelijk tot een krachtig besluit was gekomen, en -dat hij het zou ten uitvoer leggen, zonder aarzeling of vrees voor -hetgeen er later op volgen mogt. - -De Vliegende-Arend keerde na verloop van een paar minuten terug. - ---Wel! hoe bevindt gij hem? vroeg don Mariano. - ---Die man is eigenlijk niet gewond, antwoordde de Indiaan, hij -heeft slechts eene ernstige kneuzing aan het hoofd ontvangen, en is -daardoor in een soort van verdooving geraakt, die zeker nog wel een -uur zal aanhouden. - ---Zeer goed; maar als hij bijkomt, hoe denkt gij dan dat zijn toestand -wezen zal? - ---Hij kan zich misschien zeer zwak gevoelen, maar dat zal langzamerhand -overgaan, zoodat hij morgen zeker even welvarend zal zijn als voor -dat hij dien slag ontving. - -Een bittere glimlach bewoog de lippen van don Mariano. - ---Vraag dien jager, uw vriend daar, of hij eens hier wil komen, -ik heb u beiden iets te zeggen en een dienst te verzoeken. - -Het opperhoofd gehoorzaamde. - ---Hier ben ik, geheel tot uwe orders, Senor, zei Ruperto. - ---Wij zullen zamen raad beleggen, begon don Mariano; zoo heet het -immers in de woestijn, als men ernstige zaken te bespreken heeft? - -De jager en de Indiaan bogen toestemmend. - ---Hoort mij aandachtig, vervolgde de Mexicaan met eene vaste en -nadrukkelijke stem: die man daar ginds, is mijn broeder, en die man -moet sterven; ik wil hem niet dooden, maar hem voor de vierschaar -brengen; gij allen die hier tegenwoordig zijt zult zijne regters -wezen, en ik zal hem aanklagen. Zijt gij genegen mij te helpen eene -daad te vervullen, niet van wraak, maar van strenge geregtigheid? Ik -herhaal het u, ik zal hem aanklagen en beschuldigen voor u allen, -met de bewijzen die ik in handen heb; uw oordeel en geweten zullen -worden voorgelicht; die man zal zich mogen verdedigen, het zal hem -vrijstaan ten uwen aanhoore zich te verklaren, opdat gij des te -vrijer, naar mate zijne schuld of onschuld blijkt, hem zult kunnen -veroordeelen of vrijspreken. Gij hebt mij begrepen, denkt er over na, -ik wacht uw antwoord af. - -Er volgde een diepe stilte. - -Na verloop van eenige minuten vatte Ruperto het woord op. - ---In de woestijn, zeide hij, waar de wereldsche geregtigheid niet -doordringt, moet de Goddelijke wet regeren; als wij het regt hebben -de wilde en schadelijke dieren te dooden, waarom zouden wij dan ook -niet het regt hebben om een booswicht te straffen? Ik aanvaard dus den -last dien gij mij opdraagt, omdat ik in mijn hart de overtuiging bezit, -dat ik door zoo te handelen mijn pligt volbreng en eene dienst bewijs -aan de gansche maatschappij, van wier regten ik als wreker optreed. - ---Goed, hernam don Mariano, ik zeg u dank. En gij, hoofdman? - ---Ik neem uw verzoek aan, zei de Comanch kortaf; de schurken -moeten gestraft worden, onverschillig tot welk ras zij behooren. De -Vliegende-Arend is een opperhoofd, hij heeft het regt om bij het -vuur van den raad in de rei der eerste Sachems zitting te nemen en -te veroordeelen of vrij te spreken. - ---En gij nu, hervatte don Mariano, zich tot zijne bedienden wendende, -wat antwoordt gij? - -Bermudez trad een stap vooruit en boog eerbiedig voor don Mariano. - ---Senor, zeide hij, wij kennen dien man: als kind heeft hij op onze -knieën gesprongen en gespeeld, later was hij onze meester; onze -harten zouden zich in zijne tegenwoordigheid niet vrij gevoelen; wij -kunnen hem niet vonnissen, wij mogen hem niet veroordeelen, wij zijn -alleen geschikt om het vonnis, hoe het ook wezen mag, dat over hem -wordt uitgesproken, uit te voeren, zoo wij daartoe bevel ontvangen; -vroeger zijne slaven en door de goedheid onzes meesters vrij geworden, -zijn wij toch nimmer zijns gelijken. - ---Ik heb van u geen andere gevoelens verwacht; ik dank u voor uwe -vrijmoedigheid, mijne kinderen. Het is zoo, gij moogt in deze regtszaak -niet opkomen; maar de Hemel zal ons, zoo ik hoop, twee mannen zenden, -trouw van hart en vast van wil, om zonder schroom of gemoedsbezwaar -uwe plaats te vervangen en als regters op te treden. - ---De Hemel heeft u gehoord, caballero, riep op eens eene ruwe stem; -hier zijn wij, gij kunt over ons beschikken. - -Op hetzelfde oogenblik werden de takken van het kreupelbosch in -hunne nabijheid met kracht uiteengeschoven en kwamen twee mannen -te voorschijn. - -Zij traden een paar stappen voorwaarts, zetten hunne geweren met de -kolf op den grond, en wachtten op antwoord. - ---Wie zijt gij? vroeg don Mariano. - ---Jagers. - ---Uw naam? - ---Loer-Vogel. - ---En de uwe? - ---Vrij-Kogel. Sinds meer dan een half uur zaten wij reeds achter deze -struiken verscholen; we hebben alles gehoord wat hier gesproken werd; -gij behoeft dus voor ons op uwe verklaring in deze zaak niet terug -te komen; maar er is nog iemand die de regtspleging van dezen man -moet bijwonen. - ---Nog iemand! wie dan? - ---De man die door hem zoo verraderlijk werd aangevallen, dien gij in -den nood hebt bijgestaan, en dien wij van een gewissen dood hebben -gered. - ---Maar wie zegt ons, waar die man thans te vinden is? - ---Wij, zeide Loer-Vogel, wij die hem een uur geleden verlieten om u -op te sporen. - ---Nu, als dat zoo is, hebt gij gelijk; dan moet die man er ook bij -tegenwoordig zijn. - ---Ongelukkigerwijs is hij zwaar gewond; maar zoo hij niet in staat -mogt zijn om hier te komen, zullen wij hem dragen; want ik weet niet -hoe, maar ik geloof dat zijne tegenwoordigheid niet slechts noodig -is voor ons, maar tevens ter opheldering van sommige zaken, die wij -verpligt zijn aan het licht te brengen. - ---Wat bedoelt gij daarmede? - ---Heb geduld, caballero, gij zult ons weldra beter begrijpen; het -kamp van dien man ligt niet ver af, hij kan nog hier zijn eer de -zon ondergaat. - ---Maar wie zal hem waarschuwen? - ---Ik, antwoordde Vrij-Kogel. - ---Ik zeg u dank voor uw loffelijk aanbod. - ---Wij hebben welligt nog meer belang bij de toelichting dezer -ingewikkelde zaak dan gij, caballero, verklaarde Loer-Vogel. - -Op een wenk van zijn vriend, steeg Vrij-Kogel te paard en vertrok -met gevierden teugel terwijl don Mariano hem even belangstellend als -onthutst naoogde. - ---Gij spreekt tot mij in raadsels, zeide hij tegen den Canadees, -die nog altoos rustig op zijn buks geleund stond. - -Loer-Vogel schudde het hoofd. - ---Het is eene treurige historie, die zich in al hare hatelijkheid voor -u zal ontwikkelen, en van welke gij het eerste woord nog niet weet, -ondanks al de bewijzen die gij meent in handen te hebben, caballero. - -Don Mariano slaakte een zucht, twee groote tranen brandden hem op de -wangen, zoo diep was zijne smart. - ---Schep moed, mi amo, zeide Bermudez, God is eindelijk voor u. - -De haciendero drukte zijn trouwen huisbediende de hand en wendde het -hoofd af om zijne aandoeningen te verbergen. - - - - - - - -XVIII. - -WAT DE REGTSPLEGING VOORAFGING. - - -Don Stefano verkeerde nog altoos in denzelfden bewusteloozen toestand, -die nu reeds verscheidene uren had aangehouden. Na het vertrek van -Vrij-Kogel, keerden Loer-Vogel, de Indiaan en Ruperto naar den lijder -terug, en zetten zich weder in zijne nabijheid, om op het eerste -oogenblik van zijne ontwaking te letten. - -Don Mariano, die thans zijn vorigen schroom en naauwgezetheid -geheel had ter zijde gezet, verlangde zeer om de geheime plannen -en kuiperijen zijns broeders in al hare kronkelgangen zoo spoedig -mogelijk te leeren kennen, ten einde de beschuldiging die hij in de -zoo onverwachts gespannen vierschaar tegen hem dacht uit te brengen, -op des te beter gronden te kunnen bouwen; hij trok zich dus met zijne -twee bedienden in een digt kreupelbosch terug, waar hij onopgemerkt -de portefeuille zou kunnen inzien. Hij opende haar met koortsachtig -ongeduld en begon met gespannen aandacht de brieven te doorlezen, -wier inhoud hem met een gevoel van woede en afgrijzen vervulde, -dat hooger klom met iederen nieuwen brief dien hij in handen kreeg. - -Het tweede doel dat hij met deze verwijdering beoogde, was om zijn -broeder niets van zijne tegenwoordigheid te laten bemerken voor dat de -regtspleging begonnen was. Eerst dan, wanneer don Stefano voor zijne -regters stond, dacht hij onverwachts op te treden, om zoodoende diens -bekende geslepenheid en tegenwoordigheid van geest te verschalken, -door hem zijne koelbloedigheid te doen verliezen. Ziedaar de redenen -waarom hij zich naar eene plaats terugtrok, waar de scherpste blik -hem niet kon bespieden en waar hij plotseling uit te voorschijn zou -komen, zoodra het gepaste oogenblik daar zoude zijn. - -Er verliep nog meer dan een uur zonder dat don Stefano zich bewoog -of de minste teekenen van leven gaf, ondanks de aanhoudende zorg -van de Wilde-Roos, en hare herhaalde pogingen om hem te doen -ontwaken. Gedurende al dien tijd zaten de drie mannen stilzwijgend -op korten afstand bij hem nedergehurkt, en verloren zij hem geen -oogenblik uit het oog; zij begrepen ten volle het gewigt der taak -die hun was toevertrouwd en verlangden, met dat eerlijk instinct -dat alle edele en opregte zielen eigen is, niets anders, dan dat -de man dien zij straks zouden moeten vonnissen, spoedig genoeg tot -het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens zou terugkeeren, -om zijn leven met kracht te kunnen verdedigen. - -Op het oogenblik toen de schaduw van het geboomte zich over de vlakte -begon te verlengen, en de ten ondergang neigende zon zich alleen -tusschen de benedenste takken als een gloeijende vuurschijf vertoonde, -stak de koele avondwind op en streek met verkwikkend geblaas over het -bleek gelaat van den gewonde, die door deze weldadige verfrissching -na de overstelpende hitte des dags als nieuw leven scheen in te -ademen, en voor de eerstemaal daarvan bewijs gaf in het slaken van -een diepen zucht. - ---Nu zal hij aanstonds de oogen openen, fluisterde Loer-Vogel. - -De Vliegende-Arend wenkte hem met den vinger voor den mond, dat hij -zich stil zou houden. - -Hoe zacht echter de jager ook gesproken mogt hebben, don Stefano -had het gehoord, misschien zonder er den zin van te verstaan, maar -toch duidelijk genoeg om hem terstond tot het volle besef van zijn -toestand te brengen en op zelfbehoud bedacht te maken. - -Don Stefano was geen gewoon mensch; als een echte zoon van het -verbasterde Mexicaansche ras, was sluwheid een der meest kenmerkende -trekken van zijn karakter: hij was uitgeleerd in de kunst van veinzen, -en, gewoon om van personen en zaken steeds het ergste te denken, scheen -het wantrouwen hem als aangeboren. De woorden van Loer-Vogel hadden hem -gewaarschuwd om op zijne hoede te zijn. Zonder zich te verroeren of -de oogen te openen, ten einde zijn terugkeer tot het werkelijk leven -niet te verraden, poogde hij zich zoo veel mogelijk te herinneren -welke omstandigheden zijn tegenwoordig ongeluk waren voorafgegaan, -om zoodoende van stap tot stap te kunnen berekenen in welken toestand -hij zich op dit oogenblik bevond, en zoo ten naastenbij te kunnen -gissen in welke handen het toeval of het ongeluk hem hadden gebragt. - -De taak die don Stefano ondernam was niet gemakkelijk, daar de drang -der omstandigheden hem noodzaakte zijn krachtigste hulpmiddel, namelijk -zijne oogen, ongebruikt te laten, waardoor hij anders de personen die -hem omringden dadelijk zou hebben herkend, of althans had kunnen zien -of het zijne vrienden dan wel zijne vijanden waren. Hij luisterde -daarom des te scherper toe, om zoo mogelijk een woord of gezegde -op te vangen dat zijne vermoedens op het spoor kon helpen en hem -grond geven om eene stellige berekening op te bouwen; maar hoe slim -hij het ook had overlegd, hij bleef in de volslagenste onzekerheid, -daar de jagers, door den Indiaan gewaarschuwd, en op hunne beurt de -arglistigheid van don Stefano vreezende, zich wel wachtten een woord -te uiten of zelfs het minste gedruisch te maken. - -Hun langdurig stilzwijgen vermeerderde niet weinig zijne ongerustheid, -en bragt hem eindelijk zoodanig in 't naauw, dat hij besloot om het -koste wat het wilde, er een einde aan te maken. Zijn voornemen dadelijk -ten uitvoer brengende, deed hij eene poging om zich op te heffen, -opende onverwachts de oogen, en wierp te gelijk een bespiedenden blik -om zich heen. - ---Hoe gevoelt gij u thans? vroeg Loer-Vogel zich tot hem buigende. - ---Zeer zwak, antwoordde don Stefano met eene klagende stem, ik gevoel -eene loomheid in al mijne leden, en ik heb een geweldige suizing in -de ooren. - ---Voelt gij? zei de jager. O, maar dat is niet gevaarlijk, dat is -altijd zoo, als men een val heeft gedaan. - ---Heb ik dan een val gedaan? hervatte de gewonde, die, daar hij Ruperto -gezien en herkend had, zich meer op zijn gemak begon te gevoelen. - ---Te duivel! dat zou ik denken, riep Loer-Vogel, wij hebben u op de -zandbank gevonden bij het veer del Rubio. - ---Ah zoo, hebt gij mij daar gevonden? - ---Ja, eenige uren geleden. - ---Ik zeg u dank voor de mij verleende hulp, zonder welke ik -waarschijnlijk den dood zou hebben gevonden. - ---Dat is zeer wel mogelijk; maar haast u niet te zeer om ons te -bedanken. - ---Waarom? vroeg don Stefano, terstond de ooren spitsend bij deze -dubbelzinnige verklaring, die veel had van eene vermomde bedreiging. - ---Weet ik het? antwoordde Loer-Vogel goedmoedig, niemand kan immers -vooruit zeggen wat er gebeuren zal. - -Don Stefano, wiens krachten snel wederkeerden en die reeds zijne -helderheid van geest terug had bekomen, stond thans plotseling op, -en wierp den Canadees een blik toe alsof hij zijne geheimste gedachten -wilde doorgronden. - ---Ik ben toch uw gevangene niet, hoop ik? zeide hij. - ---Hm! riep de jager, zonder verder te antwoorden. - -Dit korte tusschenwerpsel gaf den gewonde veel te denken, en -verontrustte hem meer dan de langste verklaring. - ---Laten wij vrij spreken, zeide hij na verloop van eenige minuten. - ---Met al mijn hart, zei de Canadees. - ---Onder u drieën is er maar een dien ik ken, vervolgde don Stefano, -naar Ruperto wijzende, die hem met een toestemmenden wenk beantwoordde; -en ik weet niet dat ik dien man ooit beleedigd heb, integendeel.... - ---Dat is waar, zeide Ruperto. - ---Wat u betreft, ik heb u nooit gezien, gij kunt dus tegen mij -onmogelijk eenige wrok of vijandschap koesteren. - ---Inderdaad is dit de eerste maal dat de Voorzienigheid ons tegenover -elkander plaatst, zei Ruperto. - ---Overigens zie ik hier alleen den Indiaanschen krijgsman, die mij -even als gij, geheel onbekend is. - ---Dat alles is juist. - ---Om welke reden zou ik dan uw krijgsgevangene zijn? Ik kan toch niet -denken dat gij roofvogels zijt, van die soort die men bandieten noemt -en die hier in de prairie als het ware in 't wild opgroeijen. - ---Wij zijn geene bandieten, maar regtschapen en eerlijke jagers. - ---Des te meer reden waarom ik op nieuw de vraag tot u rigt: ben ik -uw gevangene, ja of neen? - ---De vraag is niet zoo eenvoudig als gij onderstelt; want ofschoon -wij, voor ons, u geen enkel persoonlijk verwijt hebben toe te voegen, -moet gij zelf het beste weten of gij sedert uwe komst in de prairiën -niemand buiten ons beleedigd of kwalijk bejegend hebt? - ---Ik? - ---Wie anders als gij? Hebt gij niet in den afgeloopen nacht nog gepoogd -een man te vermoorden, door hem in een hinderlaag af te wachten en -onverhoeds op het lijf te vallen? - ---Ja, maar die man is mijn vijand. - ---Goed! doch gesteld nu voor een oogenblik dat wij vrienden zijn van -dien man? - ---Maar dat is zoo niet, dat kan zoo niet zijn. - ---Waarom niet? wat geeft u grond om dit te veronderstellen? - -Don Stefano haalde verachtelijk de schouders op. - ---Gij ziet mij dan wel voor zeer onnoozel aan, dat gij u verbeeldt -mij met zulk een uitvlugt te kunnen afschepen. - ---Het is intusschen geen uitvlugt, zoo als gij het gelieft te noemen. - ---Een mooije zaak! als ik dien man in handen was gevallen, zou hij mij -naar zijn kamp hebben laten overbrengen, om zich aan mij te wreken, -ten overstaan der bandieten die hij onder zijne bevelen heeft, en -voor welke mijn straf voorzeker al te aangenaam zou geweest zijn om -hun dit verrukkend schouwspel te onthouden. - -De oude spoorzoeker, die tot dusver met een half geslepen, half -spotachtig gezigt het woord had gevoerd, veranderde op eens van toon -en werd even ernstig en gestreng als hij te voren jolig was. - ---Luister, zeide hij, en doe uw voordeel met hetgeen gij hooren zult: -gij kunt ons door uwe geveinsde zwakte in 't minst niet verschalken; -wij weten zeer goed dat uwe krachten ten naastenbij zijn wedergekeerd; -de raad dien ik u geef is opregt en heeft ten doel om u in uw eigen -belang te waarschuwen: gij zijt wel is waar geenszins onze gevangene, -maar gij zijt evenmin vrij. - ---Ik begrijp u niet regt, antwoordde don Stefano, wiens gelaat ofschoon -aanvankelijk opgehelderd, bij de laatste woorden merkelijk donkerder -was geworden. - ---Geen der hier aanwezige mannen, vervolgde Loer-Vogel, heeft eenig -persoonlijk verwijt tegen u; wij weten niet wie ge zijt, ik althans -wist niet dat gij bestondt voor dezen dag; maar er is iemand, die -tegen u,--niet enkel gevoelens van haat meent te koesteren, dat ware -eene zaak die misschien tusschen u en hem alleen kon worden afgedaan, -maar iemand die gronden van aanklagt tegen u meent te bezitten, -voldoende om u onmiddelijk in regten te betrekken. - ---Onmiddelijk in regten te betrekken! herhaalde don Stefano geheel -uit het veld geslagen; maar voor welke regtbank wil die man mij dan -doen verschijnen? wij zijn hier immers in de woestijn? - ---Ja, dat zijn wij, en dat schijnt gij geheel te vergeten; in de -woestijn is de wet der steden onvermogend den schuldige te bereiken; er -bestaat dus hier eene verschrikkelijke, oppermagtige en onverbiddelijke -wetgeving, op welke in het belang van allen, ieder die zich beleedigd -gevoelt regt heeft zich te beroepen, wanneer de omstandigheden zulks -gebiedend vorderen. - ---En welke is die wet? vroeg don Stefano terwijl zijn gelaat zoo -bleek werd als een lijk. - ---De Lynch-wet. - ---De Lynch-wet! - ---Ja; in naam van deze wet hebben wij, die zoo als gij wel zegt, -u niet kennen, ons vereenigd om u te oordeelen. - ---Mij oordeelen! maar dat is onmogelijk. Welke misdaad heb ik -begaan? wie is de man die mij beschuldigt? - ---Deze vragen kan ik u niet beantwoorden; welke misdaad men u te -last legt, weet ik niet; den naam van uw aanklager weet ik evenmin; -maar dit verzeker ik u, dat geenerlei haat noch vooroordeel tegen u -ons bezielt en dat wij geheel onpartijdig zullen zijn; maak dus uwe -verdediging gereed, gedurende de korte tijdruimte die u overschiet, -en als gij, wanneer het oogenblik daar is, uwe onschuld kunt bewijzen -door uw beschuldiger te ontmaskeren, dan wensch ik van harte dat het -u gelukken mag. - -Don Stefano liet het hoofd tusschen de beide handen zinken en gaf -onmiskenbare blijken van radeloosheid. - ---Maar hoe wilt gij dat ik mijne verdediging zal voorbereiden, daar -ik niet weet welke feiten men mij te laste legt? Geef mij licht in -deze duistere zaak, hoe weinig het ook wezen mag, zoodat ik er mij -naar kan rigten en weet waaraan ik mij te houden heb. - ---Door te zeggen wat ik u gezegd heb, caballero, voldeed ik aan de -inspraak van mijn geweten, dat mij beval u te waarschuwen voor het -gevaar dat u bedreigt; u meer te zeggen kan ik onmogelijk, daar ik -van alles even onkundig ben als gij zelf zegt te zijn. - ---O, dat is om razend te worden! riep don Stefano. - -Op een wenk van Loer-Vogel stonden Ruperto en de Vliegende-Arend op; -ook de Wilde-Roos kreeg een wenk om hun voorbeeld te volgen; alle -vier verwijderden zich, en Stefano bleef alleen achter. - -De Mexicaan wierp zich ter aarde met de razende woede van iemand die -op eens onoverkomelijke zwarigheden had zien oprijzen, en nu in eene -hopelooze stelling opgesloten genoodzaakt was zich over te geven. Aan -den hevigsten angst ten prooi en niet wetende hoe hij den storm moest -bezweren die reeds boven zijn hoofd loeide, zocht hij te vergeefs -naar middelen om aan de handen die hem aan alle zijden vasthielden -te ontsnappen. Zijn anders altijd zoo vindingrijke geest verschafte -hem geen enkele uitvlugt of list, die hij met goed gevolg zou kunnen -aanwenden en volhouden, in dezen veegen strijd met eene onbekende -vijandige magt; vruchteloos putte hij zijn vernuft uit, hij vond niets. - -Eensklaps stond hij weder op, en met de snelheid der gedachte sloeg -hij de hand op de borst. - ---Ach! riep hij in vertwijfeling uit, terwijl hij zijn arm op eens -magteloos langs zijn lijf liet zinken, waar is mijn portefeuille? - -Hij zocht haastig om zich heen, maar vond niets. - ---Als zij die in hun bezit hebben ben ik verloren, vervolgde hij; -wat moet ik beginnen? wat zal er van mij worden? - -Een dof gedruisch van paardengetrappel klonk op dit oogenblik in de -verte en scheen allengs nader te komen. - -Weldra werd het geluid sterker en kon men gemakkelijk den aanmarsch -van eene talrijke troep ruiters onderscheiden. Eindelijk, na verloop -van een kwartieruurs, trok er een dertigtal woudloopers onder geleide -van Vrij-Kogel het kamp binnen. - ---Vrij-Kogel onder die bandieten? mompelde don Stefano, wat kan -dit beteekenen? - -Zijne onzekerheid duurde niet lang; de nieuw aankomenden droegen -in hun midden een man op een baar,--die man werd door don Stefano -onmiddelijk herkend. - ---Don Miguel Ortega?--O! o! vervolgde hij een oogenblik later met -een bitteren grimlach, nu ken ik mijn aanklager.--Geen nood, geen -nood, riep hij in zich zelven, mijne zaak staat nog zoo hopeloos -niet als ik gevreesd had; het blijkt thans dat deze mannen van niets -weten en dat mijne onschatbare papieren, ten minste niet in hunne -handen zijn geraakt. Ik denk dat die verschrikkelijke Lynch-wet voor -ditmaal ongelijk zal krijgen en dat ik aan het tegenwoordig gevaar -nog ontsnappen zal, even als aan zoo vele anderen. - -Don Miguel werd voorbij gedragen zonder don Stefano te zien, of -wat waarschijnlijker is, hij hield zich alsof hij hem niet zag. Don -Stefano intusschen, daar hij er te veel belang bij had om geen de -minste bijzonderheid van hetgeen er rondom hem gebeurde onopgemerkt te -laten, volgde met oplettenden blik, ofschoon tevens met onverschillige -houding, iedere beweging der jagers. Na de draagkoets te hebben -nedergezet, aan de andere zijde van het kleine kamp dan die waar -don Stefano zich bevond, formeerden de Gambucinos, zonder van hunne -paarden te stijgen, een kring rondom het kamp en bleven onbewegelijk -staan, met de karabijn op de dij, door welke manoeuvre iedere poging -tot vlugten hem onmogelijk werd. - -Nadat er een vuur van dorre takken was ontstoken, trad don Miguel uit -zijne draagkoets. De bisonsschedels, vijf in getal, en bestemd om tot -zetels te dienen, werden er in een halven kring omheen gelegd. Op deze -schedels namen vijf mannen onmiddelijk plaats. Deze vijf mannen zaten -in de volgende orde: don Miguel Ortega, die den post van president -bekleedde, in het midden; Loer-Vogel en de Vliegende-Arend aan zijne -regter- en Vrij-Kogel met Ruperto aan zijne linkerhand. - -Deze vierschaar in de open lucht, te midden van het natuurlijke -woud en omgeven door een troep ruiters, in hunne bonte kostumen en -onbewegelijk als bronzen standbeelden, maakte een even indrukwekkende -als zonderlinge vertooning. De vijf mannen, met hunne strenge gezigten, -gefronste wenkbraauwen, kalme en onbewegelijke houding, geleken -volmaakt naar een dier heilige veemgerigten, die in de middeleeuwen -aan de oevers van den Rijn de onmagtige regtspleging der wettige -regtbanken moesten vervangen, om de onbeteugelde misdrijven tegen te -gaan, en die hunne vonnissen mede onder den blooten hemel uitspraken -onder het gebulder der winden en het geheimzinnig gemurmel der snel -afvlietende wateren. - -Ondanks zijne moedsbetooning, voer don Stefano een huivering van -schrik door de leden, toen hij zijne blikken over het kamp liet -weiden en al de toebereidselen zag voor dit onverbiddelijk gerigt, -te midden der eenzame wildernis. - ---Hm! prevelde hij in stilte, ik geloof dat ik er minder gemakkelijk af -zal komen en dat ik mij te veel heb gehaast met victorie te kraaijen. - -Op dit oogenblik stegen op een gegeven teeken van don Miguel, twee -jagers van hunne paarden en traden naar don Stefano; deze stond van -zijne legerstede op; de beide jagers namen hem onder de armen en -voerden hem voor het geregtshof. - -Hij herstelde zich terstond, kruiste de armen over de borst, en wierp -de vijf mannen die daar als regters zaten een sardonischen blik toe. - ---Ha! caballero, zeide hij op spotachtigen toon tot don Miguel, -gij zijt dus mijn beschuldiger? - -De kapitein haalde even de schouders op. - ---Neen, was zijn antwoord, ik ben uw beschuldiger niet, maar uw regter. - - - - - - - -XIX. - -HET GEREGTELIJK VERHOOR. - - -Na deze woorden volgde er een oogenblik van verwachting, ja bijna -van aarzeling. Eene doodsche stilte scheen zich over het woud uit -te breiden. - -Don Stefano was de eerste die den indruk van schrik te boven kwam, -welke zich onwillekeurig van hem had meester gemaakt. - ---Welnu, zeide hij met een blik van minachting en eene heldere -doordringende stem, zoo gij mijn aanklager niet zijt, waar is hij -dan? verbergt hij zich misschien, nu het beslissende uur gekomen -is? zou hij terugdeinzen voor de verantwoordelijkheid die hij op zich -heeft genomen? Laat hem verschijnen, ik wacht hem af. - -Don Miguel schudde het hoofd. - ---Als hij verschijnt, zult gij misschien vinden dat hij te vroeg komt, -antwoordde hij. - ---Wat wilt gij toch met mij? - ---Dat zult gij zien. - -Don Miguel was somber en bleek; een droevige glimlach zweefde op zijne -verwelkte lippen; het was duidelijk aan hem te zien dat hij zich zeer -moest inspannen om zijne zwakheid te boven te komen, en zich vast op -zijn zetel te houden. - -Na eenige minuten van beraad, hief hij het hoofd op. - ---Hoe is uw naam? begon hij. - ---Don Stefano Cohecho, antwoordde de beschuldigde zonder aarzelen. - ---De regters wisselden een blik. - ---Waar zijt gij geboren? - ---Te Mazatlan in 1808. - ---Welk is uw beroep? - ---Koopman te Santa-Fé. - ---Met welk doel kwaamt gij in de woestijn? - ---Dat heb ik u vroeger zelf reeds gezegd. - ---Herhaal het hier, hernam don Miguel onverstoord. - ---Ik moet u onder 't oog brengen dat deze beuzelachtige en voor u -nuttelooze vragen mij vermoeijen. - ---Ik vraag u om welke reden gij in de woestijn zijt gekomen? - ---Het failliet van verscheidene mijner correspondenten heeft mij -verpligt op reis te gaan, om te zien of ik nog iets van mijn verloren -eigendom zou kunnen redden; ik ben dus alleen in de woestijn om de -plaats te bereiken waar ik heen ga, ik weet geen anderen weg. - ---Waar gaat gij heen? - ---Naar Monterey; gij ziet met hoe veel gedweeheid en gemakkelijkheid -ik al uwe vragen beantwoord, zeide hij op dien toon van gemeenzame -scherts dien hij sedert zijn verhoor had aangenomen. - ---Ja, hernam don Miguel langzaam en met nadruk op ieder woord, gij -geeft bewijzen van groote gedweeheid en gemakkelijkheid, ik zou om -uwentwil wenschen dat gij even opregt waart. - ---Wat meent gij met deze woorden? vroeg don Stefano op hoogen toon. - ---Ik meen daarmede, dat gij elke vraag van mij met een leugen -beantwoord hebt, zeide de president kort en droog. - -Don Stefano fronste de wenkbraauwen en uit zijn oog straalde een -vlammende blik. - ---Caballero! riep hij, zulk eene beleediging.... - ---Het is geene beleediging, vervolgde de president altoos even bedaard, -het is de waarheid en gij weet het even goed als ik. - ---Ik zou gaarne willen weten wat dit alles beteekenen moet? meesmuilde -de Mexicaan. - -Don Miguel keek hem strak in 't gezigt. - -Onwillekeurig sloeg don Stefano de oogen neêr. - ---Ik zal u voldoen, zei de president. - ---Ik luister. - ---Op mijne eerste vraag, hebt gij geantwoord dat uw naam is don -Stefano Cohecho. - ---Welnu? - ---Dat is valsch; gij heet don Estevan de Real del Monte. - -Een onmerkbare huivering liep den beschuldigde door de leden. - -Don Miguel vervolgde: - ---Op mijn tweede vraag hebt gij geantwoord, dat gij geboren waart -te Mazatlan in het jaar 1808; dat is valsch, gij zijt geboren te -Guanajuato in 1805. - -Hier zweeg de president eenige oogenblikken, om den beschuldigde tijd -te geven zijn antwoord gereed te maken; don Estevan--gelijk wij hem -voortaan noemen zullen--achtte het echter niet geraden te antwoorden, -maar bleef koel en norsch zwijgen. - -Don Miguel glimlachte minachtend en vervolgde: - ---Op mijne derde vraag hebt gij geantwoord, dat gij koopman en te -Santa-Fé gevestigd waart; dat is evenzeer onwaar: gij zijt nooit -koopman geweest; gij zijt senateur en woont te Mexico. Eindelijk -hebt gij mij gezegd, dat gij de woestijn slechts doortrekt om u naar -Monterey te begeven, waar uwe handelsbelangen u heenriepen; wat dit -laatste betreft, behoef ik de valschheid uwer verklaring niet aan te -wijzen, daar zij voldoende uit den zamenhang uwer vorige antwoorden -blijkt, hierop verwacht ik thans uwe repliek, zoo gij nog iets te -antwoorden hebt, waaraan ik grootelijks twijfel. - -Don Estevan had intusschen den tijd gehad om zich van den geleden schok -te herstellen; ook meende hij zeer goed te begrijpen waar deze geduchte -aanval van daan kwam en door welke middelen men zulke juiste berigten -tegen hem had in handen gekregen; hij verbeet zich de lippen en -antwoordde op uitdagenden toon, met een schamper en spotachtig gezigt: - -Gij schijnt te veronderstellen, caballero, dat ik u niet kan -antwoorden. Niets is intusschen gemakkelijker, zoo als ik u por -Dios! dadelijk zal bewijzen. Omdat gij, terwijl ik in zwijm lag, -mijne portefeuille, ik wil niet zeggen mij ontstolen, zoo onbeleefd -zal ik niet wezen, maar behendig hebt weten te ontfutselen, en daarin -eenige bijzonderheden hebt gevonden, die gij mij thans voor de voeten -werpt, denkt gij misschien dat ik geheel uit het veld ben geslagen, -daar gij nu al mijne zaken weet. Het lijkt er wat na! Gij zijt gek, -voor den duivel! al wat gij van mij vertelt is louter beuzelarij, -die niets om het lijf heeft. Ja, ik beken, mijn naam is don Estevan, -ik ben geboren te Guanajuato in het jaar 1805, en ik ben senateur; maar -wat bewijst dat! Voorwaar! schoone bewijzen om eene beschuldiging op te -gronden tegen een caballero! Cuerpo de Christo! ben ik dan de eenige -in de woestijn die een anderen naam draagt dan den zijnen? Met welk -regt denkt gij toch, gij allen, die hier alleen onder uw aangenomen -bijnaam bekend zijt, met welk regt, zeg ik, denkt gij mij te beletten -uw voorbeeld te volgen? 't Is inderdaad allerbespottelijkst, en zoo -gij mij geen degelijker beschuldigingen voor de voeten kunt werpen, -laat mij dan maar stil vertrekken en mijne eigen zaken doen. - ---Wij hebben andere, antwoordde don Miguel met ijzingwekkende kalmte. - ---Ik ken ze, caballero; gij beschuldigt mij, niet waar? dat ik u, -don Miguel, die u soms don Torribio en ook wel don José noemt, -gij beschuldigt mij, zeg ik, dat ik u in een hinderlaag heb gelokt, -waaruit gij slechts als door een wonder gered zijt; maar dat is eene -zaak tusschen u en mij, over welke God alleen uitspraak kan doen. - ---Laat Gods heiligen naam er maar buiten, die komt bij deze zaak -slecht te pas; ik heb u reeds gezegd, dat ik geenszins uw aanklager -maar uw regter ben. - ---Opperbest; geef mij mijn brieftasch terug en laat het daarmede uit -wezen, want geloof mij, ik zie in de geheele zaak voor u geen het -minste voordeel, of gij moest besloten hebben mij te vermoorden, dat -zeer ligt het geval kon zijn. Als dat zoo is, ga dan gerust uw gang, -ik heb in 't minst geen plan om tegen de dertig of veertig bandieten -te vechten die ik hier rondom mij zie. Dood mij dus, zoo gij het -goedvindt, maar maak een einde aan de zaak. - -Don Estevan sprak deze woorden op een toon van de uiterste minachting, -die echter door zijne regters, daar zij reeds vooraf wisten waaraan -zij zich te houden hadden, niet scheen te worden opgemerkt. - ---Wij hebben u uw brieftasch niet ontstolen, antwoordde don Miguel; -niemand van ons heeft die gezien, veel min geopend; wij zijn geene -bandieten en evenmin willen wij u vermoorden, maar wij zijn hier -bijeengeroepen om u te vonnissen of vrij te spreken, volgens den regel -der Lynch-wet, en wij zullen dien pligt volbrengen zoo onpartijdig -als wij kunnen. - ---Welnu, maar als dat zoo is, laat dan hij die mij beschuldigt voor -den dag komen, en ik zal hem vernietigen. Waarom houdt hij zich -schuil? Het regt kan niet anders dan in tegenwoordigheid van al de -partijen uitgesproken worden. Dat derhalve de man verschijne, die -voorwendt mij wegens misdaden te vervolgen daar ik niets van weet; -laat hij komen, en ik zal hem bewijzen dat hij een vuige lasteraar is. - -Naauwelijks had don Estevan deze woorden gesproken, of de takken van -het naastbijzijnd kreupelhout bogen zich uiteen, en er kwam een man -uit te voorschijn, die den Mexicaan met haastige stappen naderde, -en hem onverschrokken de hand op den schouder legde: - ---Bewijs mij, don Estevan, dat ik niets meer dan een vuige lasteraar -ben, zeide hij met eene diepe zware stem, terwijl hij hem tevens met -een blik van onverbiddelijken haat in de oogen keek. - ---O! riep don Estevan, mijn broeder! en bij dien uitroep waggelde hij -als een beschonkene, deed eenige stappen achteruit, met wijdgeopende -oogen en starenden blik, terwijl een doodelijk bleek zijn gelaat -overtoog. - -Don Mariano hield hem met een fermen greep vast, om te beletten dat -hij op den grond tuimelde, en toen met zijn gezigt bijna rakelings -het zijne naderende, zeide hij: - ---Ik ben uw aanklager, Estevan! zeg mij, wat hebt gij met mijne -dochter gedaan? - -Don Estevan antwoordde niet, zijn broeder zag hem een poos aan, met een -blik dien wij niet wagen zullen te beschrijven; daarop stiet hij hem -met een gebaar van de uiterste verachting van zich af. De ellendeling -wankelde, strekte onwillekeurig de armen uit om zich aan hem vast te -houden, maar zijne krachten schoten te kort: hij viel op de knieën -en verborg zijn gelaat in de beide handen, met eene mengeling van -woede en wanhoop die zich onmogelijk laat afschilderen. - -Al de aanwezigen waren kalm en bedaard gebleven, niemand had zich -verroerd of een woord gesproken, maar een heimelijke schrik had hen -overmeesterd en zij wisselden blikken, waarin de beschuldigde, als -hij ze had kunnen zien, reeds het vonnis zou hebben gelezen dat zij -hem in hun hart hadden toegedacht. - -Don Mariano wenkte zijne twee bedienden om hem te volgen, en met den -een aan zijn regter en den anderen aan zijne linkerhand plaatste hij -zich midden in het kamp, tegenover de geimproviseerde vierschaar, -waar hij met eene krachtige, heldere en nadrukkelijke stem het woord -nam, op de volgende wijs: - ---Hoort mij, caballeros, en wanneer ik u alles zal gezegd hebben, -wat ik u te zeggen had, over den man, die daar vernederd en verslagen -voor u ligt, reeds eer ik nog een woord gesproken heb, zult gij hem -zonder haat of zonder wrok oordeelen, volgens de uitspraak van uw -geweten. Die man is mijn broeder; in zijne jeugd, om eene reden die -ik hier niet nader zal verklaren, heeft mijn vader hem reeds willen -verbannen; ik trad ten zijnen gunste tusschenbeide, verwierf hem, -zoo al niet volkomen begenadiging, dan toch de vrijheid om onder het -ouderlijke dak te mogen blijven. Dagen en jaren verliepen er; het kind -werd man; mijn vader, toen hij stierf, liet mij al zijne bezittingen -na, met uitsluiting van zijn anderen zoon, dien hij op zijn doodbed -vervloekte; ik verscheurde het testament, riep dezen man tot mij en -gaf hem, den armen bedelaar, zijn deel aan de erfenis terug, waarvan, -naar mijn gevoelen, mijn vader het regt niet had hem te berooven. - -Hier wendde don Mariano zich tot zijne bedienden. Beiden strekten -gelijktijdig den regterarm uit, legden de linkerhand op de borst en -beantwoordden de stomme vraag huns meesters met luider stem. - ---Wij getuigen dat al het gezegde volkomen waarheid behelst. - ---Die man had dus alles, zijn fortuin, zijn stand, zijne toekomst, -alles aan mij te danken; want door mijn invloed alleen was het hem -gelukt raadslid te worden. Zie nu eens hoe hij mijne weldaden vergolden -en in welk eene mate hij zich erkentelijk heeft getoond. Hij had mij -leeren vergeten wat ik als zijne jeugdige afdwalingen beschouwde, -en wist mij te overtuigen dat hij geheel tot betere gedachten was -gekomen; zijn gedrag scheen onberispelijk: in verscheidene gevallen -had hij zelfs eene strengheid van beginselen aan den dag gelegd, dat -ik in hem bewonderen moest; intusschen had hij mij volkomen weten te -bedriegen, want hetgeen ik ter goeder trouw voor deugdzaam aanzag, -was niet anders dan de grootste geveinsdheid, waarmede hij mij den -blinddoek geheel over de oogen trok. Gehuwd en vader van twee kinderen, -voedde hij ze op met eene gestrengheid, die mij het ontwijfelbaar -bewijs scheen van zijne verbetering, en menigmaal zeide hij mij met -blijkbaren ernst: "Ik wil dat mijne kinderen anders zullen worden -dan ik geweest ben." Kortom, hij had mij misleid en ik werd er het -slagtoffer van. Ten gevolge van een dier ontelbare omwentelingen, -die ons schoone land verdeelen en ondermijnen, werd ik, ik weet niet -door welke geheime intrigues, bij de nieuwe regering verdacht gemaakt -en zag ik mij gedwongen op zekeren dag de vlugt te nemen, om mijn -bedreigde leven te redden; ik wist niet aan wien ik mijne vrouw en -dochter zou toevertrouwen, die ondanks haar vurig verlangen mij niet -konden volgen; nu bood mijn broeder zich aan om voor haar te zorgen; -een geheim voorgevoel,--eene stem des hemels, die ik niet had moeten -veronachtzamen, fluisterde mij in, dien man niet te vertrouwen maar -zijn voorstel af te wijzen. De tijd drong, ik moest vertrekken; de -soldaten, afgezonden om mij in hechtenis te nemen, klopten reeds aan -de deur van mijn hotel; ik gaf het dierbaarste wat ik in de wereld -bezat, over aan mijn broeder, den ellendeling dien gij daar ziet, en ik -vlugtte. Reeds twee jaren was ik afwezig en gedurende dien tijd schreef -ik mijn broeder brief op brief, zonder ooit antwoord te ontvangen; -ik was aan de grootste ongerustheid ten prooi; eindelijk nam ik het -wanhopig besluit om mij in stilte naar Mexico te begeven, op gevaar -af van terstond gevat en doodgeschoten te worden, toen ik, dank zij de -hulp van eenige veelvermogende vrienden, die sterk voor mij ijverden, -van de lijst der verbannenen werd geschrapt en vrijheid kreeg om naar -mijn vaderland terug te keeren. Geen twee uren na het ontvangen van -dit berigt, ging ik op weg; vier dagen later kwam ik te Vera-Cruz aan; -ik gunde mij naauwelijks den tijd om rust te nemen, ik steeg te paard, -en in een enkelen rid, zonder uit den zadel te komen, behalve om van -paard te verwisselen, legde ik de negentig mijlen af die Vera-Cruz -van de hoofdstad scheiden. Ik reed regelregt naar mijns broeders -huis. Hij was afwezig, maar had er een brief achtergelaten, waarin -hij mij schreef, dat hij wegens dringende zaken naar Nieuw-Orleans -had moeten vertrekken, ofschoon hij hoopte na verloop van eene maand -terug te zijn, terwijl hij mij tevens verzocht op hem te wachten; maar -geen enkel woord aangaande mijne vrouw of dochter; geen enkel woord -van mijne zaken; niets van zoovele dierbare belangen als ik aan zijne -zorg had toevertrouwd. Mijne ongerustheid ging in schrik over: ik had -het voorgevoel van een vreesselijk ongeluk; half gek van angst ging -ik mijns broeders huis uit, ik besteeg het paard weder, dat dampend, -met zweet en stof bedekt, en grootelijks afgereden, nog voor de deur -stond, zonder dat iemand er zich mede bemoeid of er aan gedacht had om -het te verzorgen: en ik reed in der ijl naar mijn eigen woning. Daar -waren alle deuren en vensters gesloten, dat huis, dat ik zoo vrolijk -en vol leven dacht te vinden, was eenzaam en stil als het graf. Ik -vertoefde er slechts een oogenblik, en aarzelde zelfs om aan de deur -te kloppen; eindelijk waagde ik het, de werkelijkheid, hoe vreesselijk -zij ook wezen mogt, verkiezende boven eene onzekerheid die ik niet -langer verdragen kon, en die mij inderdaad gek zou hebben gemaakt. - -Op dit punt van zijn verhaal komende, hield don Mariano op; zijne -stem was gebroken door zijne inwendige ontroering, die hij onmogelijk -langer kon dwingen. - -Er volgde een poosje stilte. - -Don Estevan was niet van houding veranderd sedert het oogenblik dat -zijn broeder met zijn verhaal aanving; hij scheen in diepe droefheid -gedompeld en door wroeging ter neer geslagen. - -Eenige oogenblikken daarna nam Bermudez, toen hij zag dat zijn meester -buiten staat was om voort te gaan, het woord voor hem op. - ---Ik was het die hem de deur opende, vervolgde de bediende; God -is mijn getuige, dat ik mijn meester lief heb en dat ik voor hem, -zonder bedenking, met lust mijn leven zou opofferen. Helaas! mij -was de taak beschoren, hem de grootste smart te veroorzaken die een -mensch met mogelijkheid lijden kan; ik was genoodzaakt de vragen -te beantwoorden waarmede hij mij overstelpte; ik moest hem berigt -geven dat zijne vrouw en dochter eenige weken te voren, beiden in het -klooster der Bernardijnen overleden waren. De slag was verschrikkelijk, -don Mariano stortte neer als door den bliksem getroffen.--Op zekeren -avond, toen mijn meester, volgens gewoonte na zijn terugkeer, alleen -in zijne slaapkamer zat, met het hoofd tusschen de beide handen, in -diepe treurigheid verzonken en met de oogen vol tranen, de portretten -beschouwende van haar die hem zoo dierbaar waren en die hij nimmer -weder zoude zien, meldde zich iemand, in een wijden mantel gewikkeld -en met den sombrero diep in de oogen gedrukt, bij ons aan, om Senor -de Real del Monte te spreken; op mijne aanmerking, dat zijn edelheid -niemand bij zich liet komen, hield deze man onverzettelijk vol, -verklarende: dat hij mijn meester een brief van hoogst gewigtigen -inhoud overhandigen moest. Ik weet niet hoe, maar de toon waarop -die man sprak, kwam mij zoo opregt voor, dat ik op eigen gezag, de -stellige orders die ik had om niemand binnen te laten, verbrak en -hem bij don Mariano inleidde. - -Hier verpoosde Bermudez een oogenblik; don Mariano hief het hoofd op -en legde zijn ouden knecht de hand op den arm. - ---Bermudez, zeide hij, laat mij het overige vervolgen; wat ik er heb -bij te voegen zal kort zijn. - -Zich thans tot de regters wendende, die steeds koel en bedaard zaten -te luisteren, hervatte hij: - ---Toen deze man voor mij verscheen, zeide hij mij zonder verdere -inleiding: Senor, gij beweent twee personen die u hoogst dierbaar -waren, maar wier lot u geheel onbekend is. - ---Zij zijn dood, antwoordde ik. - ---Misschien! riep hij. Wat zoudt gij geven aan iemand die u, ik wil -niet zeggen goede tijding bragt, maar toch eenige hoop gaf? - -Zonder te antwoorden, stond ik op, ging naar eene kast waar ik mijn -geld en mijne juweelen in verborgen had: - ---Houd uw hoed op! riep ik; en in een oogenblik was zijn hoed met -goud en diamanten gevuld, die de onbekende terstond bij zich stak, -en toen tegen mij het woord rigtende zeide hij: - ---Mijn naam is Pepito; ik doe zoo wat in alle vakken; zeker iemand, -wiens naam hier weinig afdoet, heeft mij dit stukje papier gegeven, -met bevel om het u ter hand te stellen, zoodra gij te Mexico terug -zoudt zijn. Eerst dezen morgen ben ik van uwe terugkomst onderrigt, -en nu haast ik mij dit bevel ten uitvoer te brengen. - -Ik rukte hem het papier uit de hand en las het, terwijl Pepito eer -hij heenging mij met dankbetuigingen overlaadde, daar ik niet eens -naar luisterde. Het briefje was van den volgenden inhoud: - -Hier wenkte don Miguel met de hand, en viel hij don Mariano in de -rede, door het woord van hem over te nemen, en met eene bevende stem -te vervolgen: - ---"Een vriend van de familie de Real del Monte verwittigt don Mariano -dat hij op eene eerlooze wijs bedrogen is, door den man in wien hij -al zijn vertrouwen stelde, en die alles aan hem te danken had. Die -man heeft dona Serafina de Real del Monte met vergif om het leven -gebragt; terwijl de dochter van don Mariano levend begraven is -in een der grafkelders van het Bernardijnen-klooster. Zoo de heer -de Real del Monte dit helsche gruwelstuk wenscht te onderzoeken, -en misschien een der twee personen hoopt weder te zien, die de man -welke hem bedroog voor altijd denkt uit den weg te hebben geruimd, -laat Senor don Mariano dan den inhoud van dit briefje zoo veel mogelijk -geheim houden en voortdurend de diepste onkunde veinzen, maar tevens -in stilte zich gereed maken voor eene verre reis, waarvan niemand iets -mag vermoeden. Op den 5den November aanstaande, tegen zonsondergang, -zal aan de Teokali de Quinametzin een man aankomen. Die man zal don -Mariano aanspreken en twee namen noemen: die van zijne vrouw, en die -van zijne dochter; daarop zal hij hem alles vertellen wat hij nog niet -weet, en welligt hem een weinig van het geluk terug geven dat hij thans -verloren heeft." Hiermede eindigde het briefje, dat niet geteekend was. - -Don Miguel hield op. - ---Het is volkomen waar, riep don Mariano ten uiterste verbaasd. Maar -hoe hebt gij al deze bijzonderheden zoo juist kunnen weten? zijt gij -het misschien die.... - ---Zoodra de regte tijd daar is, zal ik uwe vraag beantwoorden, zei -don Miguel op beslissenden toon. Vervolg gij het overige. - ---Wat zal ik er meer bijvoegen? hervatte don Mariano; op den bepaalden -tijd vertrok ik naar het zonderling mij aangewezen oord, en voedde -in mijn hart ik weet niet wat al dwaze verwachtingen. Helaas! de -mensch is als geschapen om zich vast te klemmen aan alles wat -hem van zijn ongeluk schijnt te kunnen afhelpen. Eerst heden -heeft de goede God mij naar zijn genadig welbehagen den man doen -ontmoeten, dien ik tot hiertoe mijn broeder noemde; hem te zien -wekte bij mij evenzeer verbazing als blijdschap. Hoe kwam hij hier, -daar hij mij geschreven had dat hij naar Nieuw-Orleans vertrokken -was? Een onbestemd voorgevoel, dat ik tot dusver steeds had pogen te -onderdrukken, beklemde mij het hart door de onweerstaanbare vrees dat, -hoe ongeloofelijk het ook schijnen mogt, mijn broeder de booswicht was -aan wien ik al mijne ongelukken te wijten had. Intusschen bleef ik nog -altijd in twijfel, ik dobberde tusschen afschuw en broederliefde, tot -deze brieftasch, die door den onverlaat verloren en door het Indiaansch -opperhoofd de Vliegenden-Arend gevonden werd, op eens den blinddoek -welke tot dusver mijne oogen bedekte, wegrukte en mij met tastbare -bewijzen de verfoeijelijke kunstgrepen en de gruwzame misdaden leerde -kennen, door dezen ellendeling, dezen eerloozen broedermoorder begaan, -met het onwaardige doel om mij van mijne goederen te berooven en er -zijne kinderen mede te beschenken. Ziedaar de portefeuille, doorloop -de stukken en brieven die zij bevat, en beslis, een iegelijk van u, -tusschen mij en mijn onwaardigen broeder. - -Dit zeggende gaf hij de brieftasch aan don Miguel over, die haar -echter zacht van de hand wees. - ---Deze bewijzen! don Mariano, zijn voor ons overbodig, zeide hij, -wij hebben er nog sterkere in handen. - ---Wat wilt gij zeggen? riep don Mariano. - ---Gij zult mij spoedig begrijpen, antwoordde don Miguel, terwijl -hij opstond. - -Op dit oogenblik gleed don Estevan eene huivering door al zijne -leden. Zonder regt te weten waarom, raadde hij bij wijze van -voorgevoel, dat de beschuldiging door zijn broeder tegen hem -ingebragt, nog niets was bij de schrikkelijke feiten die don Miguel -zich gereed maakte aan het licht te brengen. Hij rigtte onwillekeurig -het hoofd op, boog het lijf voorover, als werd hij door de dreigende -aankondiging zijns tegenstanders geketend, en wachtte met hijgende -borst en gesperde neusgaten, ten prooi aan steeds klimmenden angst, -het oogenblik af waarop don Miguel van nieuws het woord zou opvatten. - - - - - - - -XX. - -HET VONNIS. - - -De zon was verdwenen aan den gezigteinder, de schaduw had het licht -vervangen, de duisternis, als van den hemel gevallen of uit de aarde -opgerezen, had het bosch met een ondoordringbaar doodkleed bedekt. De -Gambucinos verzamelden ocote-takken, die aan den brandenden houtstapel -werden ontstoken, en weldra was de boomledige ruimte waar alles wat -wij boven verhaalden voorviel, tooverachtig verlicht door de vlammende -houtfakkels, wier roode schijnsel het omliggende geboomte en de mannen -die onder de breede takken te paard, of op hunne bisonsschedels rondom -het vuur zaten, kleurde met een laaijen purpergloed en aan het gansche -tooneel een allervreemdst en somber aanzien gaf. - -Don Miguel, na eerst een blik in het rond te hebben geworpen, om de -aandacht te wekken, vatte eindelijk het woord op: - ---Daar deze portefeuille in uwe handen is gevallen, begon hij, heb ik u -niets meer te zeggen, don Mariano. Het was inderdaad uw broeder die de -verschrikkelijke misdaden heeft begaan van welke gij hem beschuldigt; -maar gelukkig heeft hij zijn doel slechts ten halve kunnen bereiken; -uwe vrouw is dood, don Mariano, maar uwe dochter leeft nog; zij is in -veiligheid en ik ben de man die gelukkig genoeg was haar te ontrukken -aan hare beulen en haar op te ligten uit het afschuwelijk in pace -waar men haar levend in begraven had; uwe dochter zult gij wederzien, -don Mariano, ik zal u haar teruggeven, even rein en ongedeerd als ik -haar uit den grafkelder heb opgenomen. - -Don Mariano was wel standvastig in de smart, maar had geen kracht voor -de vreugde; de schok der ontroering die hem beving was zoo hevig, -dat hij buiten kennis ter aarde stortte, en als een laatste poging -alleen de handen kon opsteken, om den hemel te danken voor zoo veel -heil na zoo veel leed. Zijne bedienden, door verscheidene Gambucinos -bijgestaan, schoten naar hem toe, om hem te ondersteunen en al de -zorg aan hem te besteden die zijn toestand vereischte. - -Don Miguel liet aan de opschudding door den val van don Mariano te -weeg gebragt, tijd tot bedaren; toen, na met de hand stilte te hebben -bevolen, hervatte hij: - ---Thans is het pleit tusschen ons, don Estevan! Woedend van spijt, dat -gij een uwer slagtoffers u zaagt ontsnappen, hebt gij niet geschroomd -om mij herwaarts te volgen, wetende dat ik de man was die haar gered -had; daarom hebt gij mij in eene hinderlaag gelokt, op hoop van mij -te doen sneven; maar het uur is gekomen om onze rekening te vereffenen. - -Zoodra don Estevan begreep dat hij niet langer tegenover zijn broeder -stond, hernam hij al zijn trots en onbeschaamde vrijpostigheid; -hij stelde zich koelbloedig partij en staarde den jongman aan met -een spottenden blik. - ---O, ho! riep hij schamper, heer ridder zonder blaam, gij zoudt mij -wel gaarne willen vermoorden, is het zoo niet? om mij tot zwijgen -te brengen. Of meent gij welligt dat ik het gelag zal betalen, -voor de schoone gevoelens en deugden die gij zoo vriendelijk zijt -van uit te stallen? Ja, gij hebt mijne nicht gered, dat beken ik, -en ik zou er u voor dankzeggen wanneer ik u niet even goed kende als -uwe zoetsappige snorkerij. - -Bij deze zonderlinge woorden maakten de toehoorders een gebaar -van verrassing, dat de aandacht van don Estevan niet ontging; wel -voldaan over den indruk dien hij meende gewekt te hebben, vatte -hij nieuwen moed. De onverlaat had zijn toestand met een oogopslag -begrepen, en ziende dat hij zich niet geheel zou kunnen zuiveren, -besloot hij stoutweg over dit bezwaar heen te stappen, hetgeen hij -des te gemakkelijker meende te kunnen doen, daar de eenige die hem -kon logenstraffen voor het oogenblik buiten staat was hem te hooren, -en hem dus niet tot zwijgen kon brengen, door de feiten in hun ware -licht te stellen. Hij vervolgde derhalve met een onbeschaamd gezigt: - ---Mijn God! riep hij met zekeren gemaakten deemoed, wie onzer is -onfeilbaar, wie is er die ten minste niet eens in zijn leven een -misslag begaat? Het zij verre van mij dat ik het hatelijk bedrijf -zou willen vergoelijken daar men mij van beschuldigt. Ja, ik heb -de bezworen trouw eenmaal geschonden; ik heb mijn broeder misleid, -den man aan wien ik alles te danken heb. Gij ziet, caballeros, -dat ik mij zelven niet te hoog stel en dat ik mij geenszins poog -te verontschuldigen, maar tusschen dezen misslag en het begaan van -een wandaad gaapt een afgrond, en Gode zij dank kan het plegen -van moord mij niet worden te last gelegd; ik laat mitsdien de -verantwoordelijkheid voor dit ontzettend bedrijf voor rekening van -hem dien het aangaat. - ---Maar voor wiens rekening dan? vroeg don Miguel, minder verbaasd -dan verschrikt door de verregaande arglistigheid van dezen man. - ---Wel! mijn hemel! hervatte don Estevan met onverstoorbare brutaliteit, -ik laat het ter verantwoording van de voortvarende lieden die -altijd veel meer begrijpen dan zij wel moesten, en die hetzij uit -begeerlijkheid of om welke andere reden ook, steeds verder gaan dan -men verlangt; voorwaar, ik beken dat ik mij van mijns broeders fortuin -heb willen meester maken, maar nooit anders dan door geoorloofde en -wettige middelen. - -De Gambucinos, ofschoon allen roovers van beroep en met buitengewoon -elastieke gewetens begaafd, zoodat zij natuurlijk niet veel bezwaar -zouden gevonden hebben om min of meer berispelijke handelingen -te verschoonen, stonden echter verbaasd bij het hooren van zulk -eene regts-theorie en vroegen elkander ter sluik, met de naïeve -ligtgeloovigheid die aan zulke halfwilde lieden eigen is, of iemand -die zoo durfde redeneren, inderdaad niet tot hunne soort behoorde; -op zijn best of dat misschien de duivel in zijn persoon verscheen om -hen te bedriegen? - ---Begrijpt mij wel, caballeros, hervatte don Estevan, wiens stem van -lieverlede krachtiger werd; de abdis van het Bernardijnen-klooster is -eene bloedverwant van mij, en die vrouw draagt mij eene onbegrensde -liefde toe; toen ik haar dus van mijne aardsche vooruitzigten sprak, -vermaande zij mij om in mijne plannen te volharden, mij verklarende -dat er een onfeilbaar middel bestond om er den goeden uitslag -van te verzekeren; ik geloofde des te gereeder aan hare woorden, -daar dit middel allergemakkelijkst was in de uitvoering, en enkel -bestond in mijne nicht te verpligten den sluijer aan te nemen en non -te worden; verder dan dit ging mijne bedoeling niet, dat zweer ik -u. Het arme lieve kind was mij veel te dierbaar om naar haar dood te -verlangen! Alles ging geheel naar mijne wenschen, zonder dat ik mij -met iets had te bemoeijen; mijne schoonzuster stierf; haar dood kwam -mij geheel natuurlijk voor, na de tallooze rampen die zij te verduren -had gehad; men beschuldigt mij haar vergeven te hebben, dat is valsch; -misschien is zij vergeven, ik zal het tegendeel niet beweren; maar -in dat geval zou men mijne tante voor dit misdrijf moeten aanklagen, -wier doel blijkbaar geweest is om mij het fortuin te verzekeren, dat -ik zoozeer begeerde. Ik heb terstond aan mijn broeder geschreven om hem -den dood zijner vrouw aan te kondigen, die ook mij zeer getroffen had; -hij heeft mijn brief echter nooit ontvangen; dit is intusschen niet te -verwonderen, daar zijne ongedurigheid hem van plaats tot plaats dreef -en hij soms geen dag in dezelfde stad vertoefde. Ik ging mijne nicht -in het klooster menigmaal bezoeken; zij scheen bepaald geneigd om den -sluijer aan te nemen; de abdis, van hare zijde, herhaalde mij telkens -dat ik mij over niets behoefde te verontrusten; ik liet dus de zaken -loopen zoo als ze wilden, zonder er mij mede te bemoeijen. Op den dag -toen mijne nicht hare gelofte zou doen begaf ik mij naar het klooster; -toen gebeurde er iets dat buitengewoon en zeer ergerlijk was; op het -oogenblik dat het meisje hare gelofte zou afleggen, bedacht zij zich -en weigerde den geestelijken staat te omhelzen; ik vertrok, natuurlijk -teleurgesteld. Den avond van dien dag kwam er eene non aan mijn hotel, -om mij te zeggen, dat mijne nicht, ten gevolge van eene hevige scène -die er tusschen haar en de abdis was voorgevallen, plotseling eene -hersenontsteking had gekregen en daaraan reeds overleden was. Deze -tijding schokte mij geweldig; ik bleef den geheelen nacht in mijne -kamer op en neder stappen, mijn broeder beklagende over het nieuw en -onherstelbaar verlies dat hem getroffen had; terwijl ik hier over -nadacht, rees er een donker vermoeden in mij op; de dood van het -jonge meisje kwam mij zeer buitengewoon voor; ik vreesde eene of -andere misdaad. - -Om mijne vermoedens toe te lichten, ging ik met het eerste morgendagen -naar het klooster; daar wachtte mij een nieuwe ongehoorde geschiedenis; -de gansche zusterschap was in rep en roer, de schrik en verslagenheid -lag op aller aangezigt; gedurende dien nacht namelijk, was er eene -troep gewapende mannen in het klooster binnengedrongen, die mijne -nicht uit haar graf hadden opgeligt en medegenomen, en tegelijk een -der jonge nieuwelingen weggevoerd. Hierdoor ten volle overtuigd dat -ik mij niet vergist en dat er eene misdaad moest hebben plaats gehad, -sloot ik mij met de abdis op in hare cel, en met kracht van gebeden -en bedreigingen, gelukte het mij haar de waarheid af te persen; mijn -afgrijzen kende geene grenzen, toen ik vernam dat mijne nicht werkelijk -levendig was begraven geworden. Nu schoot mij niet anders over dan, -een enkele pligt, namelijk om haar zoo mogelijk op te sporen en na -te jagen, en haar in de armen van haar vader terug te voeren; ik zag -tegen deze moeijelijke taak niet op, twee dagen daarna was ik reeds -op reis. Ziedaar de waarheid en de geheele waarheid: mijn gedrag is, -ik beken het, in zooverre berispelijk, ja strafschuldig geweest; -maar dit zweer ik, het was geenszins misdadig. - -De omstanders hadden deze gewaagde verdediging met ijzingwekkende -stilte aangehoord, en toen don Estevan eindelijk zweeg, volgde er -geen het minste bewijs van goedkeuring dat hem kon doen hopen zijne -toehoorders van zijne onschuld te hebben overtuigd. - -Don Miguel was terstond met zijn antwoord gereed. - ---Gesteld eens, zeide hij, dat uwe verklaring waarheid was, hetgeen -ik niet toegeef, daar er te veel bewijs voor het tegendeel bestaat, -waarom hebt gij mij dan willen vermoorden, mij, die het meisje heb -gered, wier ongeluk gij zegt te beklagen, en die gij in de armen van -haar vader wildet terugvoeren? - ---Begrijpt gij dat nog niet? riep don Estevan met geveinsde -verwondering, moet ik u dan alles zeggen? - ---Ja, alles, hernam de jongman kortaf. - ---Welnu dan! ja, ik heb u willen vermoorden, omdat men mij aan het -presidio de Tubac verzekerde dat gij mijne nicht hadt opgeligt, met -oogmerk om haar te onteeren; ik heb mij derhalve willen wreken over -den hoon, dien ik dacht dat gij haar hadt aangedaan. - -Bij deze woorden werd don Miguel bleek van verontwaardiging. - ---Eerlooze schurk! riep hij met eene donderende stem, durft gij mij -zulk een schandelijken laster in 't aangezigt zeggen? - -De toehoorders hadden over de schampere verklaring van don Estevan -wraak geroepen, en ondanks zijne vermetele stoutmoedigheid gevoelde -hij zich overvleugeld en was hij gedwongen het hoofd te buigen voor -de algemeene afkeuring. - -Thans stond Loer-Vogel op, en rigtte het woord tot allen. - ---Caballeros, begon hij, gij hebt de beschuldiging gehoord tegen dezen -man door zijn eigen broeder ingebragt. Gij hebt de houding gezien die -de aangeklaagde onder deze beschuldiging heeft aangenomen, gij hebt -daarbij ook zijne verdediging gehoord; wij hebben hem de vrijheid -gelaten om alles te zeggen, zonder hem in de rede te vallen of hem -vrees aan te jagen; thans is het uur gekomen om er uw oordeel over -uit te spreken; het is altoos eene hoogst ernstige zaak om over het -leven of den dood van een mensch te beslissen: en wie zou niet wenschen -dat deze man de laatste boosdoener mogt zijn? maar de Lynch-wet, gij -weet dit zoo goed als ik, kent geen middelweg; zij verwijst ter dood -of spreekt vrij. Ofschoon wij gekozen zijn om dezen man te vonnissen, -willen wij de verantwoordelijkheid voor dit bedrijf niet alleen op ons -nemen; denkt dus ernstig na over de vragen die ik u ga voorstellen, -en bovenal, herinnert u dat van uwe uitspraak het leven of het sterven -van dezen ongelukkige zal afhangen. Spreek dus, caballeros, op uwe -ziel en op uw geweten: is deze man schuldig? - -Er volgde eene pauze van de diepste stilte; aller aangezigt stond -ernstig, aller hart klopte hevig. - -Don Estevan stond met gefronste wenkbraauwen en verbleekt voorhoofd, -maar met de armen op de borst gekruist, in ferme houding, want hij -was dapper, en wachtte met een angst dien hij alleen door de kracht -van zijn wil wist te beteugelen en voor aller oog te verbergen, -zijn lot af. - -Loer-Vogel, na eenige minuten gezwegen te hebben, vatte het woord -weder op en sprak op een langzamen plegtigen toon: - ---Caballeros, is deze man schuldig? - ---Ja, riepen al de aanwezigen als uit eenen mond. - -Inmiddels begon don Mariano, dank zij de zorg zijner bedienden, -weder bij te komen en de gewone teekenen van leven te geven die den -terugkeer van het bewustzijn voorafgaan. - -Vrij-Kogel fluisterde zijn vriend Loer-Vogel in 't oor: - ---Is het wel voegzaam dat wij don Mariano de veroordeeling van zijn -broeder laten bijwonen? - ---Voorzeker niet, antwoordde de oude jager met drift, des te minder -daar hij, nu de eerste vlaag van gramschap over is, waarschijnlijk -ten gunste van zijn broeder zou tusschenbeide komen; maar hoe zullen -wij hem het best verwijderen? - ---Dat neem ik op mij, ik zal hem naar het jagerskamp vervoeren. - ---Haast u dan. - -Vrij-Kogel stond op en trad naar Bermudez, met wien hij fluisterend -eenige woorden wisselde; daarop namen de twee bedienden hun meester -op en droegen hem naar het kreupelbosch, gevolgd door den jager en de -Wilde-Roos, die Vrij-Kogel een wenk had gegeven om mede te gaan. Door -den opgewonden staat waarin de Gambucinos verkeerden ter zake van -het vonnis, werd dit vertrek door niemand opgemerkt en zelfs het -getrappel der paarden toen zij wegreden niet gehoord. - -Don Estevan was de eenige die alles gezien had en er de reden van -begreep. - ---Ik ben verloren! mompelde hij. - -Loer-Vogel wenkte met de hand en de stilte herstelde zich als door -een tooverslag. - ---Welke straf heeft de schuldige verdiend? - ---De dood! riepen allen, als een echo uit het graf. - -Zich thans tot den veroordeelde wendende, hervatte de jager: - ---Don Estevan de Real del Monte, met misdadige voornemens in de -woestijn gekomen, zijt gij gevallen onder de slagen der Lynch-wet; -de Lynchwet is hier de wet van God: oog om oog, tand om tand, erkent -zij geen andere straf dan die der wedervergelding. Het is de eerste -wet door de oude wereld aan de menschheid overgeleverd. Gij hebt een -onschuldig jong meisje veroordeeld om levend begraven te worden en -van honger om te komen. Gij zult dus ook levend worden begraven om -van honger te sterven; maar omdat gij den dood lang zoudt kunnen -inroepen, eer hij u verhoorde, zullen wij u de middelen in handen -geven om uw lijden te eindigen, wanneer het u aan moed ontbreekt -om het langer te verduren. Wij zijn barmhartiger jegens u dan gij -jegens uw ongelukkige slagtoffers geweest zijt, want gij zult slechts -begraven worden tot onder de okselen, uw linkerarm zal vrij blijven -en een pistool zal onder uw bereik worden gelegd, zoo dat gij u een -kogel door het hoofd kunt jagen wanneer uw lijden onverdragelijk -wordt. Ik heb gezegd. Antwoordt mij: Is dit vonnis regtvaardig? met -deze woorden eindigde hij, zich tot de omstanders rigtende. - ---Ja! bromde al de aanwezigen, met eene doffe eenparige stem: oog om -oog, tand om tand. - -Don Estevan had de woorden van den ouden jager met ontzetting -aangehoord; de verschrikkelijke straf waartoe hij veroordeeld werd deed -hem verstommen: want hoezeer hij niets minder dan den dood verwacht -had, kwam deze manier van sterven hem zoo afgrijselijk voor, dat hij -er in het eerste oogenblik niet aan gelooven kon; zoodra hij echter -zag dat op een wenk van Loer-Vogel de Gambucinos zich gereed maakten -om een kuil te graven, rezen zijne haren te berge van schrik en kwam -het koude zweet hem op het voorhoofd, terwijl hij, de handen vouwend, -met eene gesmoorde stem uitriep: - ---O! niet zulk eene barbaarsche straf, als ik u bidden mag! doodt -mij liever op eens. - ---Gij zijt gevonnist, en gij moet uwe straf ondergaan zooals zij is -uitgesproken, antwoordde de oude jager droogjes. - ---O! geef mij het pistool dat gij mij beloofd hebt, opdat ik mij op -eens voor het hoofd schiete, dan zijt gij gewroken. - ---Wij wreken ons niet; wij voor ons zelven hebben niets met u te maken; -dat pistool zal u eerst gegeven worden als wij vertrekken. - ---O! gij zijt onverbiddelijk, riep hij, zich op den grond werpende, -waar hij in magtelooze woede rondkroop. - ---Wij zijn regtvaardig, was al wat Loer-Vogel hem antwoordde. - -Don Estevan, in een aanval van woeste vertwijfeling vloog eensklaps -op, sprong als een tijger ter zijde en liep in dolle vaart met gebukt -hoofd naar een boom, met oogmerk om zich de hersenen tegen den stam -te verbrijzelen; maar de Gambucinos kwamen hem nog in tijds voor en -beletten hem dit wanhopig besluit uit te voeren. Zij maakten zich van -hem meester en ondanks zijn hardnekkigen weerstand en woest geschreeuw, -knevelden zij hem zoo onverbiddelijk vast, dat hij niet meer in staat -was een lid te bewegen. - -Nu ging zijne woede in radeloosheid over. - -O! riep hij, als mijn broeder maar hier ware, zou hij mij nog redden! O -mijn God!.. O Mariano! help mij, help mij! - -Loer-Vogel trad naar hem toe. - ---De kuil is gereed, men zal er u zoo dadelijk in nederlaten, zeide -hij; hebt gij nog iets te zeggen of te bestellen? - ---Blijft het dan nog bij die gruwzame straf? vroeg hij verwilderd. - ---Wel zeker. - ---Maar dan zijt gij wilde beesten. - ---Wij zijn uwe regters. - ---O, laat mij leven, al was het maar voor één dag. - ---Gij zijt gevonnist. - ---Dan vervloek ik u! gij duivels in menschelijke gedaante. Gij zijt -moordenaars! Welk regt hebt gij om mij te dooden? - ---Het zelfde regt dat ieder mensch heeft om een schadelijk dier af te -maken. Voor de laatste maal vraag ik u, hebt gij nog iets te belasten? - -Door dezen vruchteloozen kamp afgemat, zweeg Estevan eenige -oogenblikken, daarna vloeiden er twee tranen uit zijne koortsachtig -brandende oogen, en prevelde hij met eene zwakke stem, op roerenden -toon: - ---Ach! mijne zoontjes, mijne arme lievelingen, wat zal er van u worden -als ik er niet meer ben? - ---Laten wij er een eind aan maken, hervatte de jager. - -Don Estevan vestigde op hem een verwilderden blik. - ---Ik heb twee zonen, zeide hij bijna wezenloos, als iemand die in -zijn droom spreekt; zij hebben niemand dan mij, en ik helaas zal -sterven! Hoor mij, zoo gij nog niet geheel een wild dier zijt, en -zweer mij dat gij doen zult wat ik u vraag! - -De Canadees werd onwillekeurig bewogen door deze roerende uitdrukking. - ---Ik zweer het u, zeide hij. - -De veroordeelde scheen zijne gedachten te verzamelen. - ---Geef mij papier en een potlood, riep hij met een gebroken stem. - -Loer-Vogel haalde de brieftasch te voorschijn, die hij nog bij zich -had, scheurde er een blad uit en gaf het hem met een potlood. - -Don Estevan zag met een bitteren grimlach naar zijne portefeuille, -hij nam het papier en schreef zoo veel hij kon in der haast een paar -regels, vouwde het blad digt en gaf het den jager terug. - -Er kwam thans op het gelaat van den veroordeelde eene merkbare -verandering, zijne trekken werden kalmer, en zijne blikken zacht -en smeekend. - ---Ziedaar, zeide hij, ik reken op uw woord, neem dezen brief, hij is -aan mijn broeder gerigt; aan hem beveel ik mijne kinderen, het is om -zijnentwil dat ik sterven zal. Wat nood! zoo zij maar gelukkig zijn, -zal ik althans mijn wensch vervuld zien, dit is al wat ik verlang. Mijn -broeder is goed, hij zal de ongelukkige weezen niet verlaten die ik -hem naliet. Ik bid u, stel hem dit papier ter hand. - ---Binnen een uur zal het in zijne handen zijn, dat zweer ik u. - ---Ik zeg u dank; doe thans met mij wat gij wilt, er is weinig aan -gelegen; ik heb het lot mijner kinderen verzekerd, dat is al wat -ik wenschte. - -De kuil was gedolven. Twee Gambucinos pakten don Estevan aan en tilden -er hem in, zonder dat hij de minste poging deed om een nutteloozen -weêrstand te bieden; toen hij regt op in den kuil stond, kwam de -rand hem tot onder de okselen; zijn regterarm werd stijf langs zijn -ligchaam vastgebonden en de linker vrijgelaten; daarop begon men den -kuil te vullen en hoogde men den grond op rondom den levend begravene, -die reeds niet veel meer scheen dan een lijk. - -Nadat de kuil gevuld was, nam een der Gambucinos een sjerp en naderde -den veroordeelde. - ---Wat wilt gij gaan doen? vroeg deze met schrik, ofschoon hij wel -half raden kon wat er gebeuren zou. - ---U een doek in den mond stoppen, antwoordde de bandiet barsch. - ---O! riep don Estevan. - -Hij liet zich den mond stoppen, zonder bijna te weten wat men met -hem deed; hij was geheel verbrijzeld. - -Loer-Vogel legde nu een geladen pistool onder de krampachtig -zaamgetrokken linkerhand van den gestraften booswicht, en ontblootte -zich het hoofd. - ---Don Estevan! zeide hij met eene diepe, ernstige en plegtige stem, de -menschen hebben u veroordeeld: bid God, dat hij zich over u ontferme; -gij hebt thans geen andere hoop meer dan op Hem! - -De jagers en Gambucinos stegen weder te paard, zij bluschten hunne -fakkels, en verdwenen weldra als zwarte schimmen in de schaduw van -het geboomte. - -De veroordeelde bleef alleen in de duisternis, die zijne wroeging -met akelige spooken vervulde. - -Met uitgestrekten hals, de oogen wijd open gespalkt en de ooren op -het minste geluid gespitst, staarde hij uit, en luisterde. - -Zoolang hij in de verte het getrappel der paarden kon hooren, die -zich langzaam verwijderden, bleef er eene dwaze hoop op redding in -zijne ziel leven, hij wachtte, hij hoopte. - -Wat wachtte hij? wat hoopte hij? Hij zelf wist het niet, hij had het -u niet kunnen zeggen, maar zoo is de mensch. - -Langzaamerhand waren alle geluiden verdoofd en eindelijk bevond don -Estevan zich alleen, te midden van eene onbekende woestijn, zonder -dat hij de minste hulp, van wie ook te wachten had. Toen slaakte hij -een diepen zucht, sloot de hand om de kolf van zijn pistool, zette -zich den kouden tromp op het voorhoofd, stamelde voor het laatst den -naam zijner kinderen, en drukte af. . . . . . . . . . . . . . . . . -. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - -Intusschen hadden de Gambucinos zich verwijderd onder geheel andere -gewaarwordingen dan zij gekomen waren; zij werden gebogen door dat -onbeschrijfelijke gevoel van onvoldaanheid dat de mensch ondanks -zich zelven ondervindt en hem het hart beklemt, wanneer hij een daad -heeft begaan, waarvan hij wel is waar de noodzakelijkheid, ja zelfs -de strikte billijkheid erkent, maar die hij niet helder inziet of -zij wel tot den kring zijner bevoegdheid behoort, en waarbij hij zich -vragen moet of hij wel het regt had om er de voorhand in te nemen. - -Geen hunner sprak, allen lieten min of meer het hoofd hangen; somber -en nadenkend reden zij naast elkander voort, niet wagend met hun -nevenman gedachten te wisselen, en onwillekeurig luisterend naar de -geheimzinnige geluiden en stemmen der eenzame wildernis. - -Naauwelijks hadden zij nog den uitersten rand van het bosch -bereikt--waar zij de wateren van de Rubio als een zilveren lint in -het flaauwe maanlicht zagen glinsteren, en juist waren zij gereed om -het veer over te gaan, toen er plotseling achter hen in de verte een -pistoolschot viel, dat met een doffen knal terugkaatste tegen den -hollen oever aan de overzijde. - -Onwillekeurig sidderden zij, die mannen anders zoo dapper en -onversaagd, en werktuigelijk bleven zij staan onder den indruk der -hevigste ontroering, ja bijna van schrik. - -Er volgde eene pauze van doodelijke stilte. - -Loer-Vogel begreep dat hij de noodlottige betoovering moest breken -die de Gambucinos bezwaarde als een gevoel van berouw; en niet zonder -eenige moeite de beklemming onderdrukkende die zijn eigen keel gesloten -hield, sprak hij op ernstigen toon: - ---Mijne broeders, de geregtigheid der woestijn is voldaan, de -rampzalige die door ons veroordeeld werd heeft eindelijk zich zelven -geregt. - -Er is in de menschelijke stem eene wonderbare en onbegrijpelijke magt; -de weinige woorden door den spoorzoeker uitgesproken waren voldoende -om aan al deze mannen hunne vorige veerkracht terug te geven. - ---Dat God hem genadig zij! antwoordde don Miguel. - ---Amen! mompelden de Gambucinos en maakten in alle vroomheid een kruis. - -Van dit oogenblik af was de looden vracht die hunne zielen bezwaarde -opgeheven: de schuldige was dood, de onverbiddelijke logika der feiten -gaf ook hier weder den doorslag aan de regtspraak der Lynch-wet, -en bragt de stemmen der wroeging en der weifeling tot zwijgen die -tot hiertoe hun gemoed verontrustten. - -Nu don Stefano gevallen was, bestond er voor haar die hij zoo -onverbiddelijk vervolgd had, geen gevaar meer; dit alleen reeds, -was in de oogen van deze ijzerharde mannen, voldoende reden om alle -deernis met den schuldige in hunne harten uit te dooven. - -Eene plotselinge omkeering had in hunne muitzuchtige gemoederen plaats -gegrepen; voor een oogenblik ter nedergeslagen, verhieven zij zich -sterker en onverzoenlijker dan ooit. Op een wenk van den Canadees, -hervatte de bende haar togt, en weldra was zij verdwenen tusschen de -zandheuvels aan den oever van het veer del Rubio. - -De woestijn had eene poos weergalmd van het dof getrappel der -paardenhoeven op de keijen aan den overkant, maar eenige minuten -later keerde zij tot hare vorige kalmte en majestueuse stilte terug. - - - - - - - -XXI. - -VRIJ-KOGEL. - - -De Canadees, zooals wij gezien hebben, had met behulp der beide knechts -van don Mariano, hun nog half bewusteloozen meester opgenomen, te -paard geholpen en naar het kamp der Gambucinos vervoerd, om hem het -gruwzame gezigt van zijns broeders teregtstelling te besparen. - -De beweging en de koele nachtlucht hadden medegewerkt om hem spoedig -in het leven terug te roepen. Toen hij de oogen weder opende en een -bespiedenden blik in het rond sloeg, was zijn eerste woord. Waar is -mijn broeder? - -Niemand antwoordde, en de jagers die hem wegvoerden vervolgden zelfs -hun weg met verdubbelde snelheid. - ---Houdt op! riep don Mariano, zich met geweld oprigtende en den teugel -van zijn paard uit de hand des jagers rukkende die hem geleidde: -ik zeg, dat gij op zult ophouden! - ---Zijt gij dan in staat om zelf uw paard te mennen? vroeg Vrij-Kogel. - ---Ja, antwoordde hij. - ---Dan zullen wij uw paard u teruggeven, maar onder een beding. - ---Welk? - ---Dat gij u verbindt om ons te volgen. - ---Ben ik dan uw gevangene? - ---Wel neen! verre van daar. - ---Waarom zoekt gij dan mijn wil aan banden te leggen? - ---Dat geschiedt alleen in uw eigen belang. - ---Hoe kom ik dan hier? - ---Kunt gij dat niet vermoeden? - ---Ik wacht van u de verklaring. - ---Wij hebben niet gewild dat gij, na uw broeder te hebben aangeklaagd, -zijne teregtstelling zoudt bijwonen. - -Door dit antwoord overstelpt, boog don Mariano treurig het hoofd. - ---Is hij dood? vroeg hij met eene diepe, half gesmoorde stem en min -of meer huiverend. - ---Nog niet, antwoordde Vrij-Kogel. - -De jager sprak op zulk een somberen toon en zijn gelaat stond zoo -treurig, dat de Mexicaan ontstelde van schrik. - -O! gij hebt hem gedood! prevelde hij. - ---Neen, hernam Vrij-Kogel koel, hij zal door eigen hand sterven; -hij moet zich zelven dooden. - ---O! dat is verschrikkelijk! In 's hemels naam! zeg mij alles: ik -verlang de geheele waarheid te kennen, hoe vreesselijk zij ook wezen -mag, liever dan die akelige onzekerheid. - ---Waarom zou ik u dat tooneel omstandig beschrijven? gij zult het -maar al te spoedig in al zijne bijzonderheden vernemen. - ---Het zij dan zoo, hernam don Mariano beslissend, terwijl hij zijn -paard omwendde, ik weet reeds wat mij te doen staat. - -Vrij-Kogel wierp hem een onbeschrijfelijken blik toe, en hem bedaard -terughoudende, met de hand op de teugels, zeide hij: - ---Pas op! senor, dat gij u niet door den eersten onbedachtzamen indruk -laat vervoeren, gij zoudt u welligt morgen beklagen over hetgeen gij -dezen nacht doen wilt. - ---Maar ik kan mijn broeder toch niet laten sterven, riep hij, dan -ware ik een broedermoorder. - ---Geenszins, want hij is regtvaardig veroordeeld; gij zijt alleen het -werktuig geweest, waarvan de goddelijke geregtigheid zich bediende -om een schuldige te straffen. - ---O, maar met zulke spitsvondige redeneringen zult gij mij niet -overtuigen, vriend; heb ik in een oogenblik van toorn en dolzinnige -woede, de banden vergeten die mij aan den ongelukkige verbonden, -thans begrijp ik maar al te zeer de gruwzaamheid van mijn bedrijf, -en zal ik herstellen wat ik misdeed. - -Vrij-Kogel hield hem met kracht bij den arm terug, en fluisterde hem -met een strengen blik in 't oor: - ---Stil toch! gij zult hem verliezen door hem te willen redden; het -is uwe taak niet om dit te beproeven, laat die zorg aan anderen over. - -Don Mariano keek den jager strak in de oogen, om er zoo mogelijk het -besluit uit te lezen dat deze scheen genomen te hebben, en toen zijn -paard den teugel vierende, vervolgde hij zijn togt met een nadenkend -gezigt. Een kwartieruur later kwamen zij aan het veer del Rubio. - -Zij hielden stil aan den oever der rivier, die op dit oogenblik geheel -in hare enge bedding besloten, kalm en rustig voortkabbelde. - ---Keer gij thans naar uw kamp terug, caballero, zei Vrij-Kogel, het -is onnoodig dat ik u verder begeleid. Wat mij betreft, ik ga weder -naar de Gambucinos terug, vervolgde hij met een veel beteekenenden -blik op don Mariano; zet uw togt zachtjes voort, gij zult uw kamp -slechts weinig minuten eerder bereiken dan wij. - ---Gij staat er dus op om terug te gaan? vroeg don Mariano. - ---Ja, antwoordde Vrij-Kogel; adieu! tot flusjes. - ---Tot flusjes dan, hervatte de caballero hem de hand gevende. - -Don Mariano liet zijn paard de rivier in stappen en werd door zijne -bedienden stilzwijgend gevolgd. - -Vrij-Kogel, die aan den oever was blijven staan, oogde hem na tot zij -de overzijde van het veer hadden bereikt; hij zag hen aan wal stappen, -don Mariano keerde zich om, en wierp hem met de regterhand nog een -groet toe, daarop trokken de drie ruiters het hooge prairiegras -in. Zoodra zij onzigtbaar waren geworden, liet Vrij-Kogel zijn -paard zwenken en keerde hij spoorslags naar het digt belommerde -bosch terug. De jager scheen groote ontwerpen in 't hoofd te hebben; -naauwelijks had hij zeker punt bereikt, of hij hield stand en wierp -een verdachten en bespiedenden blik rondom zich. De diepste stilte -en volslagenste eenzaamheid heerschten in 't rond. - ---Het moet gebeuren! prevelde de Canadees; door anders te handelen -zou ik eene laagheid begaan, ja, wat misschien nog erger is. eene -lafheid. Welaan dan, God moge tusschen ons rigten! - -Na nogmaals den ganschen omtrek met zorg bespied, en zich verzekerd -te hebben dat alles eenzaam en rustig was, steeg hij van zijn paard, -nam het de teugels af om het vrij te laten grazen, deed het een -kluister aan, om te beletten dat het te ver wegliep en het des te -gemakkelijker te kunnen terugvinden zoodra hij het weder noodig -zou hebben; daarop wierp hij zijn buks over den schouder, stapte -voorzigtig het kreupelbosch in en herhaalde nogmaals bij zich zelven -de vorige woorden: - ---Het moet zoo zijn! - -Vrij-Kogel beraamde zonder twijfel een dier moeijelijke plannen, -wier uitvoering al de vermogens van den mensch in het spel roept -en gespannen houdt, want zijn stap was langzaam en afgemeten; zijn -welberekend oog poogde gedurig de duisternis te doorboren, met het -hoofd voorwaarts gestrekt luisterde hij scherpzinnig naar de duizend -naamlooze geluiden die de woestijn bezielen; hij bleef nu en dan -staan wanneer een ongewoon gedruisch of geritsel in de struiken zijn -gehoor trof en hem de tegenwoordigheid van een of ander onzigtbaar -wezen aankondigde. - -Plotseling hield hij stil, stond eenige sekonden onbewegelijk, -en toen zich zoo klein mogelijk makende, verdween hij geheel en al -te midden van een ondoordringbaar warbosch van bladeren, takken en -slingerplanten, waar niemand hem kon zien of vermoeden. Naauwlijks -had hij zich op deze wijs verscholen, of het dof getrappel van -paardenhoeven klonk in de verte onder de digte bladgewelven van het -woud. Van lieverlede kwam het gedruisch naderbij, het getrappel werd -volkomen duidelijk, en eindelijk verscheen er een troep ruiters, -die in gesloten kolonne voortreden. - -Deze ruiters waren de Gambucinos en jagers, die wij straks na den -afloop van het strafgerigt naar het kamp zagen terugkeeren. - -Hij hoorde Loer-Vogel zacht spreken tegen don Miguel, die op de -schouders van twee Mexicanen op een baar gedragen werd, daar hij nog -te zwak was om te paard te stijgen. De kleine troep naderde langzaam, -om den gewonde te ontzien, dien zij in hun midden hadden, en trok -weder naar het veer del Rubio. - -Vrij-Kogel liet zijne kameraden ongemoeid voorbijtrekken zonder -de minste beweging te maken die zijne tegenwoordigheid had kunnen -verraden; blijkbaar was het hem te doen om hen van zijn terugkeer -volkomen onkundig te laten, daar de verantwoording van zijn -tegenwoordig bedrijf geheel voor zijne rekening kwam, en het beginsel -waaruit hij te werk ging, een diep geheim moest blijven tusschen zijn -geweten en God. - -Een ding verwonderde hem, namelijk dat hij den Vliegenden-Arend en de -Wilde-Roos te vergeefs onder de Gambucinos zocht. Deze twee Roodhuiden -hadden zich dus van de troep afgezonderd! Hunne afwezigheid scheen -Vrij-Kogel zeer te verontrusten en hem in zijne vrije beweging te -zullen storen. Intusschen duurde het slechts weinige oogenblikken of -zijn gelaat verhelderde weder, en hij haalde de schouders op met de -onverschilligheid van iemand die eenmaal zijn besluit had genomen en -het zou uitvoeren, zonder zich door onvermijdelijken tegenspoed te -laten afschrikken. - -Toen de Gambucinos verdwenen waren, kwam de jager uit zijn schuilhoek -te voorschijn; hij beluisterde nog een poos het gedruisch hunner -stappen, dat van oogenblik tot oogenblik zwakker werd en eindelijk -geheel in de verte wegstierf. - -Nu rigtte hij zich moedig op. - ---Goed, mompelde hij met een tevreden gezigt, thans kan ik weder -naar welgevallen handelen, zonder vrees voor stoornis, ten minste -zoo de Vliegende-Arend en zijne vrouw niet in den omtrek zijn blijven -rondzwerven. Bah! dat zullen wij spoedig zien; waarschijnlijk is het -wel niet, daar het opperhoofd te veel haast had om zich weder bij -zijn stam te voegen, en geen lust zal hebben om hier zijn tijd te -verspillen; gaan wij dus voort. - -Hierop wierp hij zijn geweer over schouder en ging met luchtigen -tred op weg, zonder nogtans de voorzorgen te verzuimen die in de -wildernis steeds noodig waren; want bij nacht weten de woudloopers, -zoowel menschen als beesten, dat zij gedurig door duizend onzigtbare -vijanden omgeven zijn. - -Zoodoende bereikte Vrij-Kogel de boomledige ruimte waar de belangrijke -tooneelen, aan het slot van ons vorig hoofdstuk verhaald, hadden -plaats gehad, en te midden waarvan thans niets meer over was dan een -ongelukkige, levend begraven, onder den last zijner misdaden zoo wel -als onder het moordende zand, en van allen verlaten zonder andere -hoop op redding of genade, dan alleen Gods barmhartigheid. - -De jager staakte zijn togt, strekte zich op den grond uit en keek rond. - -Eene stilte als die van het graf beheerschte het verlaten kamp; -don Estevan, met de oogen door schrik vergroot en gezwollen, met de -borst beklemd door de aarde die rondom zijn ligchaam was opgehoopt -en hem telkens logger en zwaarder scheen te drukken, voelde de lucht -allengs aan zijne longen ontbreken; zijne hoofdslapen klopten alsof -zij zouden bersten, het bloed kookte in zijne gezwollen aderen, -en groote droppels koud zweet parelden tot onder zijne haren; weldra -trok zich als een bloedige sluijer over zijne oogen, hij gevoelde dat -hij ging sterven. In dit veege oogenblik, terwijl alles hem begaf, -rukte de ellendeling zich met eene geweldige poging den doek uit den -mond, slaakte een raauwen verscheurenden kreet; twee groote tranen -welden uit zijne brandige oogen en biggelden hem langs de wangen; -zijne hand, zoo als wij reeds gezien hebben, klemde zich krampachtig -om de kolf van het pistool, dat men onder zijn bereik gelaten had om -zijn lijden te kunnen eindigen, hij bragt de tromp aan zijn voorhoofd -en mompelde op een toon van onbeschrijfelijke wanhoop: - ---Mijn God! mijn God! vergeef mij! - -Hij bragt den vinger aan den trekker en drukte af. - -Maar te gelijk werd zijn arm door een onzigtbare hand weggerukt, -de kogel ging in de lucht verloren, en hij hoorde eene strenge maar -zachte stem antwoorden: - ---God heeft u verhoord, Hij vergeeft u. - -De ellendeling wendde het verbijsterde hoofd om, en staarde den man -die dus tot hem sprak verschrikt aan, maar te zwak om de vreesselijke -ontroering te wederstaan die hem beving, gaf hij een half gesmoorden -gil, en viel in onmagt. - -De man die op het laatste oogenblik don Estevan van een gewissen dood -redde, was, zoo als de lezer zonder twijfel reeds zal geraden hebben, -niemand anders dan Vrij-Kogel. - ---Waarachtig! riep deze hoofdschuddend, het werd hoog tijd dat ik -tusschenbeide kwam. - -Zonder een oogenblik te verliezen, was de eerzame jager er nu op -bedacht om den levend begravene uit zijn graf te redden. Dit was -werkelijk het doel zijner komst, maar voorzeker geen gemakkelijke taak, -vooral door het gemis van de noodige hulpmiddelen en gereedschappen. - -De Gambucinos hadden hun werk met zoo veel zorg gedaan, en de kuil -was zoo handig rondom den veroordeelde gevuld, dat de aarde hem aan -alle zijden digt omsloot. - -Vrij-Kogel zag zich genoodzaakt om den grond met zijn jagtmes weg te -spitten en moest daarbij met de meeste voorzigtigheid te werk gaan, -om den man niet te kwetsen. Van tijd tot tijd hield hij even op, -om het zweet dat van zijn aangezigt gudste af te wisschen, en naar -den Mexicaan te zien, die bleek als een lijk nog altoos in zwijn lag; -na eenige sekonden van stille beschouwing, schudde hij een paar keeren -bedenkelijk het hoofd en hervatte met nieuwen ijver zijne taak. - -Het was eene vreemde vertooning, deze twee mannen, in de eenzame -woestijn en in het bleeke maanlicht! Voorzeker, wanneer iemand op dit -oogenblik met nieuwsgierigen blik het kleine grasveld, te midden van -een onmetelijk natuurbosch, vol wilde beesten, die van tijd tot tijd -hun heesch gebrul in de duisternis lieten hooren, als leverden zij -protest in tegen de inbreuk op hun grondgebied,--wanneer iemand dit -vreemdsoortig tooneel had kunnen gadeslaan, zou hij voorzeker aan -eene of andere hekserij of duivels-begoocheling gedacht hebben en -in der ijl verschrikt zijn weggeloopen. Intusschen ging Vrij-Kogel -onvermoeid voort met graven, en naar mate hij dieper in den grond -delfde werden de moeijelijkheden grooter. - -Een oogenblik zelfs hield hij met zijn arbeid op, en wanhoopte hij -den ongelukkige te zullen kunnen redden; maar deze voorbijgaande vlaag -van moedeloosheid duurde slechts een paar sekonden, en beschaamd over -zijne zwakheid, hervatte de Canadees zijne taak met die koortsachtige -onverzettelijkheid, die bij den vastberaden man gewoonlijk op elke -voorbijgaande aarzeling volgt en zijne wilskracht verdubbelt. - -Na ongehoorde moeijelijkheden, en na misschien twintig maal afgebroken -en twintig maal hervat te zijn, was het werk eindelijk voltooid. De -jager slaakte een kreet van triomf toen hij er mede klaar was: -en uit den kuil springende, vatte hij don Estevan onder de armen, -trok hem met kracht naar zich toe, hief hem uit de groeve en legde -hem op den rand neder. - -Zijn eerste zorg was nu om met zijn mes het touw door te snijden, -dat den ongelukkige met honderd strikken en knoopen om het lijf -gewikkeld zat; vervolgens maakte hij zijne kleederen los, om zijne -longen de noodige ruimte te geven tot het inademen der buitenlucht; -daarna vulde hij eene halve kalebas, die bij manier van drinkschaal -aan zijne zijde hing, met water, en goot het uit op het gezigt van -den bewusteloozen don Estevan. - -De flaauwte waarin deze lag, was een gevolg van zijne heftige -gemoedsbeweging, daar hij een redder zag opdagen juist op een oogenblik -toen hij niet anders dacht dan onherroepelijk te zullen sterven. De -plotselinge overplassing met het kille water, bragt eene heilzame -reactie te weeg; de lijder slaakte een zucht en opende de oogen. - -Het eerste wat deze ondeugende mensch deed toen hij weder tot -bewustzijn kwam, was den hemel een uitdagenden blik toe te werpen en -tegelijk de hand minzaam naar Vrij-Kogel uit te steken. - ---Ik dank u, zeide hij. - -De jager deinsde terug zonder de hand die hem geboden werd aan -te nemen. - ---Gij hebt mij niet te danken, zeide hij. - ---Wien dan? - ---God! - -Don Estevan trok de bleeke lippen verachtelijk zamen; maar spoedig -begrijpende dat hij zijn redder moest bedriegen, zoo hij niet dadelijk -zijne bescherming wilde derven, die hij voor het tegenwoordige -nog te veel noodig had, vervolgde hij op een toon van geveinsde -zachtmoedigheid: - ---'t Is waar, God eerst, en dan u. - ---Mij! riep Vrij-Kogel, ik heb niets meer dan mijn pligt gedaan en -een oude schuld vereffend, thans hebben wij afgerekend. Tien jaren -geleden hebt gij mij een gewigtige dienst bewezen, van daag heb ik -u het leven gered, dat is een leening tegenover eene terugbetaling; -ik onthef u dus van alle erkentelijkheid, daar ook gij van uwen kant -mij voor ontslagen moet rekenen; van dit uur af aan kennen wij elkander -niet meer en onze wegen loopen uit een. - ---Zult gij mij dan hier aan mijn lot overlaten? vroeg hij op een toon -van angstige gejaagdheid die hij niet overmeesteren kon. - ---Wat kan ik meer voor u doen? - ---Alles! - ---Ik begrijp u niet. - ---Gij hadt mij liever in dien kuil, daar gij mij eerst in hebt -geholpen, moeten laten sterven, dan mij te redden om mij in de woestijn -van honger te laten omkomen, of aan de wilde beesten prijs te geven, -of aan de roof- en moordzucht der Indianen. Gij weet zeer goed, -Vrij-Kogel, in de Prairiën is een man zonder wapens een kind des -doods; gij hebt mij derhalve niet gered, maar mijn doodstrijd des te -langer en moeijelijker gemaakt, daar zelfs het wapen dat de anderen -mij gelaten hadden, om mijne jammeren te eindigen zoodra mij de moed -des levens ontzonk, mij thans niet meer dienen kan. - ---Gij hebt gelijk, prevelde Vrij-Kogel. - -De oude jager liet het hoofd op de borst zakken en dacht eenige -oogenblikken ernstig na. - -Don Estevan bespiedde met angstigen blik de verschillende -gewaarwordingen die zich op het eerlijk en sterkgeteekend gelaat van -den Canadees afwisselden. - -Deze sprak eindelijk. - ---Ik moet u gelijk geven dat gij mij om wapenen vraagt; zoo gij daarvan -beroofd blijft, zijt gij binnen weinige uren in een even noodlottigen -toestand als die waar ik u uit geholpen heb. - ---Gevoelt gij het nu? - ---Por Dios! daar valt niet aan te twijfelen. - ---Kom, wees dan nu zoo edelmoedig en verschaf mij de middelen om mij -te verdedigen. - -De jager schudde het hoofd. - ---Dat heb ik niet voorzien! zeide hij. - ---Daar wilt gij dus mede zeggen, dat, zoo gij het hadt voorzien, -gij mij zoudt hebben laten sterven? - ---Misschien! - -Dit woord viel als een mokerslag op het hart van don Estevan; hij -schoot den jager een vreesselijken blik toe. - ---Wat gij mij daar zegt is onbehoorlijk, riep hij. - ---Wat moest ik u dan antwoorden? hernam de Canadees; in mijne oogen -waart gij naar verdienste gevonnist. Ik had dus de geregtigheid haar -vrijen loop moeten laten; maar ik deed dit niet, en misschien heb -ik daarin misgetast. Thans, nu ik de vraag koelzinnig overweeg--en -erkennen moet dat gij mij te regt om wapenen verzoekt, daar gij die -noodig hebt, vooreerst tot zelfverdediging en ten tweede om in uw -onderhoud te voorzien, thans zie ik er tegen op om u die te geven. - -Don Estevan zat digt bij den jager; zoo het scheen speelde hij -achteloos met het afgeschoten pistool en hield hij zich als luisterde -hij aandachtig naar hetgeen Vrij-Kogel sprak. - ---Maar waarom? vroeg hij. - ---Wel, om een zeer eenvoudige reden: ik ken u sedert lang, zoo als -u niet onbekend is, don Estevan; ik weet dat gij de man niet zijt om -eene beleediging te vergeten; ik ben overtuigd, als ik u uwe wapens -teruggeef, dat gij op wraak bedacht zult zijn; dat is juist wat ik -vermijden moet. - ---En daarvoor, riep de Mexicaan met een schamperen lach, weet gij -geen ander middel dan mij van honger te laten sterven. O, ho! wat -zonderlinge menschlievendheid! Neen, kameraad, gij hebt al een zeer -wonderlijke manier van zaken te regelen, voor iemand die op den naam -van eerlijk en loyaal gesteld is. - ---Gij begrijpt mij niet; ik weiger wel is waar om u wapens te geven; -maar ik zal daarom toch de dienst die ik u bewees niet half gedaan -laten. - ---Zoo! en wat wilt gij dan doen om dat doel te bereiken? Ik ben wel -zeer nieuwsgierig om dit te zien, meesmuilde don Estevan. - ---Ik zal u tot aan de grenzen der Prairiën uitgeleide doen en gedurende -de reis tegen alle gevaar beschermen, u verdedigen en voor uw onderhoud -zorgen; dat alles is dunkt mij zeer eenvoudig. - ---Zeer eenvoudig, inderdaad. En als ik dan daar ginder ben, koop ik -wapenen, en dan kom ik terug om mij te wreken. - ---Neen, dat niet. - ---Waarom niet? - ---Omdat gij mij oogenblikkelijk, op uw riddereer, zweren zult, dat -gij alle gevoel van haat tegen uwe vijanden aflegt en nooit weder in -de Prairiën terugkomt. - ---En als ik dat niet verkies te zweren? - ---Dan zie ik van u af en laat u aan uw lot over; en daar dit geheel -door uw eigen schuld is, beschouw ik mijne rekening met u als volkomen -vereffend. - ---O, ho! Maar gesteld eens dat ik de harde voorwaarden die gij mij -oplegt aanneem; dan dien ik toch eerst te weten hoe wij te zamen de -reis maken zullen; de weg is lang van hier tot de bezittingen der -blanken, en ik ben niet in staat om zoo ver te voet te gaan. - ---Dat is waar; maar maak u daar niet ongerust over, ik heb mijn paard -niet ver van hier in een boschje bij de Rubio gelaten, dat moogt gij -berijden, zoolang tot ik u een ander heb weten te verschaffen. - ---En gij dan? - ---Ik zal u te voet volgen; wij jagers zijn even goede voetgangers -als ruiters; komaan, beslis nu maar. - ---Mijn God! ik zal wel moeten doen wat gij zegt, of ik wil of niet. - ---Ja, ik geloof dat het voor u het beste en het zekerste is. Gij zijt -derhalve bereid om den eed te zweren dien ik van u vorder? - ---Ik zie geen ander middel om mij uit de verlegenheid te helpen. Maar -kijk eens! vervolgde hij op eens, wat gebeurt daar ginds in de -struiken? - -Vrij-Kogel wendde zich terstond om, in de rigting die de Mexicaan -aanduidde. - -Deze nam oogenblikkelijk zijne kans waar, en het pistool, daar hij tot -hiertoe schijnbaar achteloos mede had zitten spelen, bij den tromp -vattende, hief hij het schielijk op en gaf er den jager een slag -mede op de hersenpan. De slag was zoo hevig en met zooveel juistheid -toegebragt, dat Vrij-Kogel de armen slap uitstrekte, de oogen sloot -en met een zwaren kreun op den grond tuimelde. - -Don Estevan beschouwde hem een poos met een uitdrukking van haat -en verachting. - ---Idioot! mompelde hij, hem met den voet schoppende, gij hadt mij uwe -zotte voorwaarden moeten opleggen eer gij mij gered hebt, nu is het -te laat; zelfbehoud gaat voor. Ik ben vrij, cuerpo de Christo! en ik -zal mij wreken. - -Na het uitspreken dezer woorden, sloeg hij een uitdagenden blik ten -hemel, bukte over den jager, ontnam hem zonder schaamte of aarzeling -al zijne wapenen, en liet hem liggen, zonder zelfs te onderzoeken of -hij dood dan alleen gewond was. - ---Gij zijt het, vervloekte hond! riep hij, die nu van honger moet -sterven, of door de wilde beesten zult worden verscheurd; wat mij -betreft, ik vrees thans niets meer, daar ik de middelen in handen -heb om mijne wraak te volvoeren. - -Hiermede verliet de booswicht met gezwinde stappen het grasveld, -om het paard van Vrij-Kogel op te sporen, dat hij op eenigen afstand -van de rivier hoopte te vinden, en onverwijld dacht te bestijgen. - - - - - - - -XXII. - -HET KAMP. - - -Even voor het opgaan der zon bereikten de Gambucinos hun -kamp. Gedurende hunne afwezigheid waren de weinige mannen, die zij tot -bewaking der bolwerken hadden achtergelaten, niet verontrust geworden. - -Don Mariano wachtte met levendig ongeduld op de terugkomst der -Mexicanen, en zoodra hij hen zag naderen, reed hij hun te gemoet. - -Loer-Vogel zag er droefgeestig uit, en de wijze waarop hij den -caballero ontving, hoe welgemeend ook, was tamelijk droog. - -De jager, ofschoon overtuigd dat hij met don Estevan te veroordeelen -zijn pligt had gedaan, was slecht te moede en ging gebukt onder den -last der verantwoordelijkheid die hij in deze zaak had op zich genomen. - -Het is toch geheel iets anders, bij wijze van zelfverdediging, in een -eerlijk gevecht en onder de hitte van den strijd zijn man te dooden, -dan om in koelen bloede iemand te veroordeelen en af te maken, tegen -wien men geen reden heeft van persoonlijken haat of wrok. - -De oude Canadees was daarbij heimelijk bevreesd voor de verwijten -van don Mariano; hij kende het menschelijke hart te goed, om niet -te weten dat de caballero het bedrijf waartoe hij de Gambucinos -had aangespoord, zoodra hij het koelzinnig ging beredeneren, diep -verfoeijen, en diegenen zou vervloeken die hem al te gereed hadden -ten dienste gestaan. - -Hoe groot ook de misdaad was door don Estevan tegen don Mariano -gepleegd, en hoe afschuwelijk zijn gedrag ook geweest moge zijn, -het stond zijn broeder niet vrij om de wet der Prairie op hem toe te -passen, en vooral niet om zijn dood te eischen voor eene vierschaar van -hardvochtige mannen, bij welke, ten gevolge van hunne ruwe levenswijs, -alle gevoel van barmhartigheid was uitgedoofd. - -Thans, nu er verscheidene uren sedert de veroordeeling van don Estevan -waren verloopen, was bij Loer-Vogel het nadenken ontwaakt en begon hij -dit bedrijf uit een geheel ander oogpunt te beschouwen; hij vroeg zich -onwillekeurig af, of hij werkelijk wel regt had om in deze zaak zoo te -handelen, en of hetgeen hij straks nog voor een daad van strenge maar -strikte regtvaardigheid hield, niet veeleer een maatschappelijke moord -en een vermomde wraakoefening was geweest? Tevens verwachtte hij niet -anders dan dat don Mariano, zoodra deze hem zag, hem bittere verwijten -zou doen en van den dood zijns broeders rekenschap zou vorderen. - -De jager maakte zich intusschen gereed om de vragen, die don Mariano -hem zou kunnen doen, behoorlijk te beantwoorden; zoodra hij dus -den caballero van verre ontwaarde, werd zijn door sombere gedachten -zoozeer beneveld gelaat nog somberder. Maar hoe dit ook wezen mag, -Loer-Vogel bedroog zich: er kwam over de lippen van don Mariano geen -woord van verwijt, ja geen enkele toespeling op het gehouden gerigt, -niet de minste zweem zelfs van ontevredenheid, die den jager kon doen -vreezen dat de caballero voornemens was hem op dit teedere punt in -'t verhoor te nemen of aan te vallen. - -De Canadees haalde ruimer adem; slechts nu en dan, gedurende de -weinige oogenblikken toen zij naast elkander het kamp binnentrokken, -bespiedde hij van ter zijde het gelaat van don Mariano; de caballero -was bleek en somber, maar zijne trekken stonden kalm en onbewegelijk. - -De jager schudde het hoofd. - ---Hij is zeker met nieuwe plannen bezig, prevelde hij in zich zelven. - -Zoodra zij de kom van het kamp binnengetrokken en de barrikaden achter -de Gambucinos gesloten waren, liet don Miguel schildwachten bij de -verschansingen plaatsen; zich toen tot Loer-Vogel en don Mariano -wendende, zeide hij: - ---De zon zal over een uur opkomen; doe mij de eer, caballeros, van -mijne gastvrijheid gebruik te maken en mij in mijne tent te volgen. - -De beide mannen maakten eene buiging. - -Don Miguel, nog altoos op de baar zittende, wenkte thans zijne dragers -om hem tot voor zijne tent te brengen; daar gekomen, stond hij op, -geholpen door Loer-Vogel, en trad leunende op den arm des jagers de -tent binnen, gevolgd door don Mariano. - -Het gordijn werd achter hen nedergelaten. - -De Gambucinos door den nachtmarsch afgemat, haastten zich hunne paarden -te ontzadelen en hen van voeder te voorzien; vervolgens, na eenige -versche takkebosschen op de vuren geworpen te hebben, om ze weder te -doen opvlammen, wikkelden zij zich in hunne fressadas en zarapes en -strekten zich op den grond uit, waar zij weldra insliepen. Geen tien -minuten na hunne terugkomst, lag de gansche troep in een diepen slaap -gedompeld. Slechts drie mannen waakten nog: die drie mannen waren -don Miguel, Loer-Vogel en don Mariano, verzameld onder dezelfde tent, -waar zij een belangrijk gesprek hielden, dat wij onzen lezers terstond -zullen mededeelen. - -Het inwendige der tent waar don Miguel zijne gasten had binnengeleid, -was op het eenvoudigst gemeubeld: in den eenen hoek stond de digt -gesloten palankijn; in den tegenovergestelden hoek lagen eenige -stapels dierenvellen die de slaapplaatsen aanwezen; vier of vijf -bisonsschedels dienden tot stoelen; men zou moeijelijk iets kunnen -uitdenken dat eenvoudiger en tevens gemakkelijker was. - -Don Miguel wierp zich op zijn bed, na vooraf zijne gasten met een -vriendelijken wenk te hebben uitgenoodigd om op de bisonsschedels -plaats te nemen. Loer-Vogel en don Mariano schoven hunne zetels nader -bij den gastheer, en zetten zich in stilte neder. - -Don Miguel nam toen het woord. - ---Caballeros, zeide hij, de daadzaken die dezen nacht hebben plaats -gehad, daadzaken op welke ik niet zal terugkomen, vereischen eenige -nadere toelichting, vooral in het vooruitzigt op de waarschijnlijke -verwikkeling der gebeurtenissen die er later op volgen zullen, en aan -welke wij, zoo ik hoop, geroepen zijn om binnen kort deel te nemen. Wat -ik thans te zeggen heb gaat inzonderheid u aan, don Mariano, en het -is dus vooral tot u dat ik het woord rigt. Wat Loer-Vogel betreft, -hij weet nagenoeg waaraan hij zich in deze te houden heeft, en zoo -ik hem verzoek om het gesprek dat ik met u voeren zal bij te wonen, -is het vooreerst uit hoofde der oude vriendschap die tusschen hem en -mij bestaat, en ten tweede omdat zijn raad ons altijd van groot nut -kan zijn voor de nadere besluiten, die wij in deze zaak nemen zullen. - -Don Mariano keek den Mexicaan aan met een blik die duidelijk bewees -dat hij volstrekt niet begreep waar de spreker met deze lange inleiding -heen wilde. - ---Herinnert gij u niet, senor don Mariano, sprak de Canadees, wat -ik u op weg naar het kamp gezegd heb, namelijk dat het belangrijkste -gedeelte van deze historie u nog geheel onbekend was? - ---Dat herinner ik mij inderdaad, antwoordde don Mariano, maar om u -de waarheid te zeggen, heb ik toen aan uwe verklaring niet zooveel -gewigt gehecht als zij schijnt te verdienen. - ---Welnu, hervatte de Canadees, als ik mij niet bedrieg, zal don Miguel -u met weinige woorden op de hoogte stellen van het gruwelijk komplot -dat hier gesmeed werd. Maar, vervolgde hij bij manier van invallende -gedachte, een ding spijt mij, er ontbreekt hier iemand dien ik er -gaarne bij had gezien; het zou van belang zijn geweest dat ook hij -de geheele waarheid vernomen had. Sedert onze terugkomst in het kamp -heb ik hem echter nog niet ontmoet. - ---Van wien spreekt gij? - ---Van Vrij-Kogel, dien ik gelast had u herwaarts te vergezellen. - ---Hij heeft mij werkelijk verzeld, maar aan den ingang van het kamp, -waarschijnlijk daar hij begreep dat ik hem toen niet verder noodig had, -heeft hij mij verlaten. - ---Heeft hij u niet gezegd met welk oogmerk? vroeg de jager met een -blik op den caballero. - -Don Mariano ontroerde geweldig bij deze vraag, doch daar hij de -oplossing liefst aan Vrij-Kogel zelf overliet en ongaarne zou hebben -bekend dat hij zijn broeder had willen redden, antwoordde hij eenigzins -verlegen en met zekere kwalijk verborgen aarzeling: - ---Neen, hij heeft mij niets gezegd; ik dacht dat hij zich weder bij u -zou hebben gevoegd, en zijne afwezigheid verwondert mij evenzeer als u. - -Loer-Vogel fronste min of meer de wenkbraauwen. - ---Dat is vreemd! riep hij; met dat al, hij zal waarschijnlijk zoo -lang niet wegblijven, en dan zullen wij hooren wat hij gedaan heeft. - ---Goed, zei don Mariano, die het gesprek over dit onderwerp niet -gaarne langer wilde voortzetten. Welaan, don Miguel, vervolgde hij, -thans ben ik tot uwe orders; spreek op, ik luister met aandacht. - ---Geef mij mijn waren naam, don Mariano, antwoordde de jongman; -die naam zal u misschien eenig vertrouwen op mij inboezemen: ik ben -noch don Torribio Carvajal, noch don Miguel Ortega, ik heet don Leo -de Torres. - ---Leo de Torres! riep don Mariano, verbaasd oprijzende, de zoon van -mijn dierbaarsten vriend! - ---Die ben ik, hernam de jongman kortaf. - ---Maar dat kan immers niet! riep don Mariano. Basilio de Torres werd, -twintig jaren geleden, met zijne gansche familie vermoord door de -Apache-Indianen, op de rookende puinhoopen zijner hacienda, die zij -met storm hadden veroverd. - ---Ik ben de zoon van don Basilio de Torres, hernam de avonturier. Zie -mij eens goed aan, don Mariano: is er geen trek in mijn gezigt die -uw geheugen kan te hulp komen? - -De caballero trad nader, legde hem de beide handen op de schouders, -en beschouwde hem eenige oogenblikken met de meeste opmerkzaamheid. - ---Het is zoo, riep hij, overstelpt van aandoening terwijl er een traan -in zijn oog blonk, de gelijkenis is buitengewoon; ja, ja, ik zie het, -nu herken ik u. - ---O, hervatte de jongman met een glimlach, ik heb de schriftelijke -bewijzen in handen om mijne gelijkenis te bekrachtigen. Maar dat -doet nu niets meer ter zake, komen wij dus terug op hetgeen ik u te -zeggen had. - ---Hoe is het toch mogelijk, viel don Mariano hem in de rede, dat ik -na die verschrikkelijke gebeurtenis, die u tot wees maakte, nooit -meer van u heb gehoord, ik, de beste vriend, ja bijna de broeder uws -vaders! Ik zou mij zoo gelukkig hebben gerekend voor u te mogen zorgen. - -Don Leo--want wij zullen hem voortaan bij zijn waren naam -noemen--fronste de wenkbraauwen, zijn voorhoofd betrok zigtbaar en -hij antwoordde met eene sombere, bevende stem: - ---Ik zeg u dank, don Mariano, voor de vriendschappelijke gevoelens -die gij mij betuigt; geloof mij, ik ben die niet onwaardig; maar ik -verzoek u thans het geheim van mijn langdurig stilzwijgen in mijn -hart te mogen bewaren; eens, zoo ik hoop, zal het mij vergund zijn -te spreken, en dan zult gij alles vernemen. - -Don Mariano drukte hem de hand. - ---Doe zoo als gij goedvindt, zeide hij met eene diep bewogen stem; -maar onthoud daarbij eene zaak, namelijk dat gij in mij den vader -hebt wedergevonden dien gij verloren hadt. - -De jongman wendde het hoofd af om de tranen te verbergen die hij -in zijne oogen voelde opwellen. Er volgde eene vrij lange pauze; -daarbuiten in de woestijn kon men de wolven hooren keffen, dit was -het eenige geluid dat nu en dan de plegtige stilte verstoorde. - -Het inwendige der tent werd niet anders verlicht dan door eene in den -grond gestoken fakkel van ocote-hout, wier flikkerende vlam op het -aangezigt der drie mannen allerlei schaduwen en lichten deed spelen -en aan het geheel eene zonderlinge, spookachtige gedaante gaf. - ---De hemel begint te graauwen, hervatte don Leo, in het oosten -vertoonen zich heldere witte streepen; de nachtuilen onder het loof -verborgen, begroeten den terugkeerenden dag; de zon zal spoedig -verschijnen; het zij mij dus vergund u met weinige woorden mede te -deelen wat gij nog niet weet, want als ik mijne voorgevoelens gelooven -mag, zullen wij weldra met kracht moeten handelen, om het kwaad te -herstellen dat don Estevan bedreven heeft. - -De beide anderen bogen toestemmend, en don Leo ging voort: - ---Om zekere redenen, die ik hier niet nader behoef te verklaren, was -ik voor eenige maanden naar Mexico teruggekeerd; diezelfde redenen -verpligtten mij tot een vrij zonderlinge levenswijs; ik verkeerde -met lieden van de gevaarlijkste soort, en mengde mij, naarmate de -gelegenheid zich aanbood, in de meest of minst dubbelzinnige kringen, -al naar gij mijne woorden nemen wilt. Gelooft intusschen niet dat ik -mij daarom aan misdadige aanslagen schuldig maakte, dan zoudt gij u -zeer vergissen: ik deed alleen wat een groot aantal onzer medeburgers -doet, namelijk zekeren smokkelhandel drijven, die misschien door de -commiezen en bewindsmannen met leede oogen wordt aangezien, maar die -met dat al op zich zelf weinig berispelijks heeft en voor den staat -geen gevaar kan. - -Loer-Vogel en don Mariano wisselden een veelbeteekenenden blik; -zij begrepen, of meenden ten minste dat zij begrepen hadden, wat -hij bedoelde. - -Don Leo de Torres hield zich alsof hij dien blik niet opmerkte, -en vervolgde: - ---Een der plaatsen waar ik mij dagelijks vertoonde was de Plaza Major: -daar kwam ik dikwijls bij zekeren evangelista, met name Leporello, -een oud man van ongeveer vijftig jaar, maar een driedubbele schurk, -woekeraar, koppelaar en huichelaar tegelijk, die onder den schijn van -een eerwaardig uiterlijk, de laagste ploertenziel en het verdorvenste -hart verborg; deze aartsschelm was, door zijn beroep als schrijver, -en door de duizend geheime betrekkingen die hij onderhield, grondig -bekend met de geheimen van een groot aantal familiën, en stond in -verband met al de schandalen en wanbedrijven die dagelijks in de -hoofdstad plaats hebben. Op zekeren dag, toen ik mij bij hem in zijn -pothuis bevond, kwam er een jong meisje binnen; dat jonge meisje was -beeldschoon en scheen eerlijk te zijn; zij beefde als een riet toen zij -het hol van den onverlaat binnentrad; deze begroette haar terstond met -zijn innemendsten glimlach en vroeg haar op den zoetsappigsten toon, -wat er van hare dienst was. Zij wierp een bedeesden blik in het rond en -merkte mij op. Ik weet niet waarom, maar ik kreeg terstond de lucht van -een mystère; met het hoofd op de tafel en het aangezigt op de beide -armen geleund, hield ik mij alsof ik sliep.--"Die man?" vroeg zij, -op mij wijzende.--"O!" antwoordde de evangelista, "hij heeft te veel -pulque gedronken; 't is een arm onderofficier zonder beteekenis: -bovendien slaapt hij." Zij aarzelde een oogenblik; toen op eens -haar besluit nemende, haalde zij uit haar boezem een papier te -voorschijn.--"Schrijf dat af," zeide zij tegen den evangelista, "ik -zal er u twee oncen goud voor geven." De oude fielt nam het papier -aan en zag het in.--"Maar dat is geen Spaansch!" riep hij.--"Het -is Fransch," antwoordde zij; "maar wat geeft gij daarom?"--"Ik in -het minst niet," was zijn antwoord; hij nam zijn papier en pennen, -en copiëerde het stuk zonder verder iets aan te merken. Toen hij er -mede klaar was, vergeleek het meisje de beide stukken, scheen er over -voldaan te zijn, verscheurde het origineel en vouwde het afschrift -in den vorm van een brief, dicteerde den evangelista een kort adres, -dat hij er op schreef, nam toen den brief, stak dien in hare keurs, -en ging heen, na vooraf den beloofden prijs betaald te hebben, dien -de schrijver met gretigheid aannam, daar hij in weinig minuten meer -verdiend had dan hij anders in een maand winnen kon. Zoodra het jonge -meisje vertrokken was hief ik het hoofd op, maar de evangelista wenkte -mij om dadelijk mijn vorige houding te hernemen, daar hij het slot -van zijne deur weder had hooren afdraaijen. Ik gehoorzaamde en niet -tot mijn leedwezen, want bijna onmiddellijk trad er een man binnen, -die, zooals duidelijk bleek, niet bekend wilde zijn, want hij had zich -digt in een wijden mantel gewikkeld, en de rand van zijn sombrero was -diep over zijne oogen neergeslagen. Terwijl hij binnen kwam gaf hij -reeds een bewijs van ontevredenheid.--"Wie is die man?" vroeg hij op -mij wijzende.--"Een arme beschonken vent, die zijn roes uitslaapt," -was het antwoord.--"Er is zoo even een meisje weggegaan."--"Dat kan -wel zijn," mompelde Leporello, terstond op zijne hoede bij deze -vraag.--"Geen dubbelzinnige praatjes, schobbejak," antwoordde de -onbekende trotsch, "ik ken u wel, en zal u betalen," vervolgde hij, een -zware geldbeurs op tafel werpende, "antwoord dus, zeg ik u!" De oude -vrek beefde van genoegen en al zijne bezwaren waren op eens verdwenen, -toen hij het goud door de mazen zag glinsteren.--"Een jong meisje -is hier zoo even de deur uitgegaan, zeg ik nog eens."--"Ja."--"Wat -heeft zij van u verlangd?"--"Dat ik een Franschen brief voor haar -zou overschrijven."--"Goed, laat mij dien brief zien."--"Zij heeft -hem toegevouwen, er een adres op gezet en hem medegenomen."--"Dat -alles weet ik."--"Wat wilt gij dan meer?"--"Wat meer?" herhaalde de -onbekende grinnikend, "houd u maar niet zoo onnoozel, gij hebt zeker -een copie van dien brief gehouden, die copie verlang ik te zien." Ik -kan niet zeggen waarom, maar de stem van dien man had iets bijzonders, -dat mij onwillekeurig trof; en daar hij bijna met den rug naar mij -toe gekeerd stond, had ik gelegenheid om den evangelista een teeken -te geven, dat hij gelukkig begreep.--"Ik heb er niet aan gedacht," -antwoordde hij, en trok bij deze woorden zulk een kwezelachtig -onnoozel gezigt dat de onbekende er werkelijk door misleid werd; het -was blijkbaar eene teleurstelling voor hem.--"Enfin," hervatte hij, -"zij zal wel terug komen immers?"--"Dat weet ik niet."--"Dan weet ik -het wel; en zoo dikwijls als zij komt, zult gij mij een copie bewaren -van ieder stuk dat zij u te schrijven geeft. Maar hoe is het met het -antwoord op hare brieven, moet dat ook hier komen?"--"Dat zou ik u -niet kunnen zeggen." De onbekende haalde de schouders op en zei met -nadruk: "Gij zult die niet bestellen voor dat gij ze mij hebt laten -zien. Adieu, tot morgen! en als gij uw belang wèl begrijpt, wees dan -niet zoo onhandig als van daag." De evangelista grijnsde van genoegen -en de onbekende keerde zich om, om heen te gaan; maar bij het maken -van deze beweging bleef de slip van zijn mantel aan de tafel haken, -zoodat de plooijen losgingen en ik een oogenblik gelegenheid kreeg -om zijn aangezigt te zien; ik had al mijne zelfbeheersching noodig om -niet te schreeuwen, daar ik hem oogenblikkelijk herkende; die man was -don Estevan, uw broeder. Met een gesmoorden vloek trok hij den mantel -weder over zijn gezigt en stapte mompelend de deur uit. Naauwelijks -was hij weg of ik sprong op, schoof de grendels op de deur, plaatste -mij voor Tio Leporello en zei met eene barsche stem: "Nu hebt gij met -mij te doen!" Hij sprong verschrikt achteruit; er lag op mijn gelaat -zulk eene vreesselijke uitdrukking, dat hij tot aan den muur van zijn -pothuis terug stoof en krampachtig de goudbeurs omklemde, die hij zeker -meende dat ik hem wilde ontrooven.--"Ik ben een arm oud man," riep -hij.--"Waar is de copie die gij aan dien man geweigerd hebt?" vroeg -ik even kort en bits als te voren. Hij grabbelde terstond in zijn -lessenaar, nam de copie en gaf ze mij zonder een woord te zeggen; -ik las haar bevend van aandoening, ik begreep alles.--"Ziedaar," -zeide ik, hem een once goud in de hand duwend, "van iederen brief -dien gij voor het jonge meisje schrijft, zult gij mij de copie ter -hand stellen; ik veroorloof u om er ook dien man inzage van te geven; -maar onthoud dit vooral: geen antwoord, door dat individu aan dat -meisje geschreven, mag aan haar worden ter hand gesteld, voordat ik -het gelezen heb; ik ben niet zoo rijk als die vreemdeling, maar ik zal -u toch goed betalen. Gij kent mij. Ik heb u dus niets meer te zeggen, -dan: zoo gij mij verraadt, zal ik u behandelen als een hond." Met deze -bedreiging ging ik heen. Terwijl de Evangelista de deur achter mij -sloot, hoorde ik hem mompelen: "Santa Maria! in welk een wespennest -heb ik mij gewaagd!"--Zie hier verder den sleutel van dit mystère: het -jonge meisje dat ik bij Leporello ontmoette heette dona Luisa en was -novice in het Bernardijnen-klooster, waar zich uwe dochter bevond. Dona -Laura niemand wetende aan wie zij zich beter zou toevertrouwen, -had haar belast om aan don Francisco de Paulo Serrano.... - ---Mijn schoonbroeder en haar doopvader! riep don Mariano. - ---Dezelfde, vervolgde don Leo. Uwe dochter, zeg ik, had dona Luisa -gelast om aan senor Serrano, door middel van brieven, de misdadige -plannen te openbaren die haar oom tegen haar smeedde, en hem als den -besten vriend van haar vader, te smeeken haar te hulp te komen en in -zijne bescherming te nemen. - ---Mijn arme dochter! zuchtte don Mariano. - ---Don Estevan, hervatte don Leo, was, ik weet niet op welke wijs, -met het voornemen uwer dochter bekend geworden. Om hare maatregelen -beter te leeren kennen en op het regte tijdstip te kunnen verijdelen -hield hij zich alsof hij van niets wist, liet hare brieven door de -novice naar den evangelista brengen, las daar al de copiën en schreef -er zelf de antwoorden op, om de eenvoudige reden dat don Francisco -de Serrano geen brieven van uwe dochter ontving, daar don Estevan -diens kamerdienaar had omgekocht, die ze hem allen onopengebroken -ter hand stelde, in plaats van ze aan zijn meester te geven. Deze -slim overlegde schurkerij zou zeker zijn gelukt, zoo het toeval, -of liever de Voorzienigheid mij niet in tijds in het pothuis van Tio -Leporello had gevoerd. - ---O! murmelde don Mariano, die man was een monster. - ---Neen, hernam don Leo, dat niet, ten minste niet uit eigen beweging; -de omstandigheden schijnen hem gedrongen te hebben om veel verder te -gaan dan hij misschien zelf gewild had; niets ten minste bewijst dat -hij den dood van uwe dochter wenschte. - ---Wat kan hij anders gewenscht hebben? - ---Uwe bezitting. Door Laura te dwingen den sluijer aan te nemen kon hij -dit doel bereiken. Ongelukkigerwijs, zoo als het meestal gaat, wanneer -men zich eenmaal op het doornige pad begeeft, dat noodwendig op grooter -zonde uitloopt, heeft hij bij al zijne koele berekening op welslagen, -niet kunnen voorzien dat ik in de uitvoering zijner plannen zou in -den weg treden,--eene tusschenkomst die hem moest doen stil staan -of dwingen eene misdaad te plegen om zijn einddoel te bereiken. Dona -Laura, ten volle overtuigd dat de bescherming van don Francisco haar -niet zou ontbreken, volgde naauwkeurig de raadgevingen die ik haar van -tijd tot tijd deed toekomen, in de brieven die ik haar schreef namens -den vriend tot welken zij zich had gewend; wat mij betreft, ik hield -mij gereed om te handelen zoodra het oogenblik daar zoude zijn. Op -dit punt zal ik in geen nadere verklaringen komen. Om kort te gaan, -dona Laura weigerde, in de kerk zelve, den eed der kloostertucht af -te leggen; de daardoor gegeven ergernis was allergeweldigst; de abdis -was woedend en besloot er een eind aan te maken. Het ongelukkige -meisje, door middel van een slaapdrank van alle bewustzijn beroofd, -werd levend in een der diepste grafkelders van het klooster bijgezet, -waar zij van honger moest omkomen. - ---O! riepen de beide mannen huiverend van afgrijzen. - ---Ik herhaal u, vervolgde don Leo, dat ik don Estevan aan deze -barbaarschheid niet schuldig acht; waarschijnlijk was hij er slechts -zijdelings medepligtig aan. De abdis alleen was de schuldige. Don -Estevan nam de gedane zaken zoodanig als zij waren, en deed er zijn -voordeel mede, meer niet; wij willen dit liefst gelooven tot eer der -menschheid, want anders ware hij een monster geweest. Reeds op den -dag zelf van het gebeurde onderrigt zijnde, verzamelde ik eene bende -landloopers en bandieten waarmede ik den volgenden nacht door list -in het klooster wist te dringen, en het gelukte mij gewapenderhand -uwe dochter op te ligten. - ---Gij! riep don Mariano met een gebaar van gemengde vreugd en -verbazing. Mijn God! dus is zij gered en in veiligheid. - ---Ja, zei don Miguel, in eene plaats waar ik zelf, geholpen door -Loer-Vogel, haar verborgen heb. - ---Daar zou don Estevan haar niet ligt gevonden hebben, meesmuilde de -jager met een schalkschen lach. - -Don Mariano werd door de hevigste aandoeningen geslingerd, en was -zich zelve niet langer meester. - ---Waar is zij? riep hij, ik wil haar zien; zeg mij waar ik haar vinden -kan, mijn arm dierbaar kind! - ---Gij begrijpt wel, hernam de jongman, dat ik haar niet bij mij kon -houden, ik wist dat de spionnen van don Estevan en uw broeder zelf al -mijne gangen bespiedden en mij ten bloede toe vervolgden. Na dus dona -Laura in veiligheid te hebben gebragt, beijverde ik mij om de spionnen -van 't spoor te helpen. Ik zal u zeggen hoe mij dit gelukt is. Ziet -gij die palankijn, vervolgde hij er met den vinger naar wijzende, -daar werd dona Laura in vervoerd, tot aan het presidio de Tubac, maar -verder niet. Gedurende de eerste dagen mijner reis maakte ik er geen -geheim van en liet haar met opzet eens of tweemaal zien, meer was er -niet noodig om het gerucht te verbreiden dat ik haar altoos bij mij -had. Dank zij de voorzorg die ik later gebruikt heb, om de palankijn -zoo digt mogelijk gesloten te houden en door niemand te laten naderen, -wist ik uwe vijanden te verlokken mij in de prairie te vervolgen, -om hen aldaar te straffen; mijne berekeningen zijn beter uitgekomen -dan die van don Estevan en onder Gods zegen met een gelukkig gevolg -bekroond; thans, nu de misdadiger gestraft is, en dona Laura niets -meer te vreezen heeft, ben ik bereid u hare schuilplaats te doen -kennen en er u heen te leiden. - ---O, genadige hemel! gij zijt regtvaardig en goed, riep don Mariano, -schier uitgelaten van blijdschap. God zij gedankt! ik zal mijn kind -wederzien? zij is gered. - ---Neen! zij is verloren, als gij u niet haast! klonk op eens eene -holle stem als uit het graf. - -De drie mannen keerden zich verschrikt om. - -Daar stond Vrij-Kogel! met een bleek en bebloed gezigt, verscheurde -en met bloed bevlekte kleederen, regt op en onbeweeglijk, onder het -opgeheven gordijn aan den ingang der tent. - - - - - - - -XXIII. - -DE VLIEGENDE-AREND. - - -Ten gevolge hunner levenswijs en de opvoeding die zij ontvangen, -zijn de Indianen zeer wantrouwend van aard; steeds verpligt om op -hunne hoede te zijn tegen alles wat hen omringt en gewoon om zelfs -de blijkbaar eerlijkste bedoelingen te verdenken, als verschool zich -overal list en verraad, bezitten zij eene groote mate van doorzigt om -de plannen te raden der lieden waarmede het toeval hen in aanraking -brengt, en zich voor de strikken te wachten die hunne vijanden hun -spannen. - -Machsi-Karehde, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was een -bedreven krijgsman, daarbij even wijs in den raad als in den strijd, -en ofschoon nog zeer jong, had hij zich reeds een grooten naam gemaakt -bij zijn stam. - -Zoodra Loer-Vogel de Lynch-wet op don Estevan toegepast en het -doodvonnis over hem had uitgesproken, was er onder de jagers, zooals -het in dergelijke gevallen meestal gaat, eene soort van verwarring -ontstaan; zij begonnen druk en driftig te redeneren, en het kordon om -het kamp werd voor eenige oogenblikken gebroken. Van deze gelegenheid -maakte de Vliegende-Arend in stilte gebruik; terwijl niemand op hem -lette gaf hij de Wilde-Roos een wenk, dien de jonge vrouw dadelijk -begreep, en beiden slopen door het kreupelbosch weg, zonder dat hunne -verwijdering werd opgemerkt. - -Na ongeveer twintig minuten door het bosch te zijn voortgegaan, -oordeelde het opperhoofd zich ver genoeg verwijderd; hij bleef dus -staan en wendde zich naar zijne vrouw, die hem kort op de hielen -was gevolgd. - ---Wij zullen de bleekgezigten hun werk alleen laten afdoen, zeide hij; -de Vliegende-Arend is een krijgsman der Comanchen, hij behoeft niet -langer ten gevalle der blanken tusschenbeide te komen. - ---Keert het opperhoofd dan naar zijn dorp terug? vroeg de Wilde-Roos -schroomvallig. - -De Indiaan glimlachte loos. - ---Alles is nog niet geëindigd, antwoordde hij, de Vliegende-Arend -zal zijne vrienden in 't oog houden. - -De jonge vrouw neigde het hoofd, en daar zij zag dat de Indiaan was -gaan zitten, maakte zij zich gereed om een kampvuur aan te leggen. - -Het opperhoofd hield haar terug. - ---De Vliegende-Arend wil niet ontdekt zijn, zeide hij; laat mijne -zuster zich naast mij nederzetten en wachten; een onzer vrienden is -thans in lijfsgevaar. - -Op dit oogenblik liet zich, niet ver van de plaats waar de twee -Roodhuiden gezeten waren, een hevig gedruisch van krakende takken in -het kreupelbosch hooren. - -De Indiaan spitste aandachtig de ooren en zat eenige minuten -onbeweeglijk in voorovergebogen houding. - ---De Vliegende-Arend zal even heengaan, zeide hij opstaande. - ---De Wilde-Roos zal op hem wachten, antwoordde de jonge vrouw met -een vriendelijken blik. - -Het opperhoofd liet bij zijne gezellin de wapens achter, die hem in -de uitvoering van zijn oogenblikkelijk opgevat plan hadden kunnen -belemmeren, en hield alleen de lasso bij zich, die hij met de meeste -zorg om zijne regterhand kronkelde, en zich toen ter sluik naar de -plek begaf waar het gedruisch van sekonde tot sekonde sterker werd. - -Naauwelijks had hij twintig stappen in deze rigting gedaan, zich met -moeite door het hooge gras en de verwarde lianen een weg banende, -of hij zag ongeveer tien ellen van zich af, een heerlijk zwart paard -staan, dat met achterover liggende ooren, uitgeregten hals, de vier -pooten ver van elkander, de bloedige neusgaten wijd open gesperd en -den muil met schuim bedekt, schichtig en snuivend, zoodat het bosch er -van daverde, hem met de groote schrandere oogen woest en schuw aankeek. - ---Ooah! mompelde het opperhoofd terwijl hij plotseling bleef staan -en het prachtige dier als een kenner bewonderde. - -Thans trad hij omzigtig eenige passen nader, om het vreesachtige dier, -dat al zijne bewegingen met schuwen blik gade sloeg, niet nog meer -te verschrikken, en zoodra het achteruit sprong om te ontsnappen, -slingerde hij het met zooveel behendigheid de lasso over den kop, -dat de loopende strik tot aan de schouders over den hals viel; de -onthutste viervoet beproefde nu drie of vier minuten lang om aan den -strik te ontworstelen en de dierbare vrijheid terug te bekomen, die hem -zoo plotseling ontfutseld was; maar weldra ziende dat zijne pogingen -nutteloos waren, onderwierp hij zich gedwee aan zijn nieuwen meester -en liet den Indiaan ongehinderd nader komen, zonder den nutteloozen -strijd een oogenblik te verlengen. - -Met reden zeggen wij dat hij zich aan zijn nieuwen meester onderwierp, -want het was geen paard uit de wildernis, maar de prachtige Arabier -van don Estevan, dien hij verloren had toen hij in het gevecht aan -de Rubio gewond werd. De tuigen van het paard waren gedeeltelijk -beschadigd en verscheurd door het kreupelhout, maar toch nog in staat -om dienst te doen. - -De hoofdman, niet weinig in zijn schik met de goede vondst die het -toeval hem beschikte, steeg terstond in den zadel en reed stapvoets -naar de Wilde-Roos terug, die gehoorzaam en onderdanig als eene echt -Indiaansche vrouw, zich sedert zijn vertrek nog niet had verroerd. - ---Ha! de Vliegende-Arend keert thans naar zijn dorp terug, gezeten -op een ros dat zulk een groot opperhoofd waardig is! riep zij even -fier als naïef, zoodra zij hem zag. - -De Indiaan glimlachte. - ---Ja, antwoordde hij, al de Sachems zijn trotsch op hem. - -En met de ongekunstelde blijdschap die zoo wel met de oorspronkelijke -ruwheid dezer ijzerharde menschen strookt, begon hij terstond eenige -der moeijelijkste passen, voltes en courbettes uit te voeren, zoo -verheugd als een kind over de bewondering der Wilde-Roos, die hij -hartstogtelijk lief had en die met innig welgevallen, ofschoon niet -zonder heimelijke vrees zag hoe gemakkelijk en stout hij het prachtige -dier behandelde. Eindelijk steeg de hoofdman af en ging naast zijne -vrouw zitten, zonder daarom den teugel van zijn paard los te laten. - -Zoo zaten zij eene geruime poos bij elkander zonder een woord te -wisselen, de Vliegende-Arend scheen diep in gedachten verzonken, zijne -oogen zwierven hier en daar in de duisternis, alsof hij ergens in de -verte eenig voorwerp had willen onderkennen; gretig luisterde hij naar -de duizend geluiden der eenzame wildernis en speelde werktuigelijk -met zijn scalpeermes. - ---Daar zijn ze! klonk op eens zijn uitroep, terwijl hij opstond alsof -hij door een ontspannen springveer werd opgeheven. - -De Wilde-Roos keek hem verwonderd aan, - ---Hoort mijne zuster niets? vroeg hij haar. - ---Ja, zeide zij het volgende oogenblik, ik hoor duidelijk paarden in -het bosch. - ---Dat zijn de bleekgezigten, die naar hun kamp terugkeeren. - ---Zullen wij hen daar volgen? - ---De Vliegende-Arend verlaat nooit zonder reden het spoor door zijne -mocksens gebaand; en de Wilde-Roos zal den krijgsman vergezellen. - ---Zou mijn vader hier aan twijfelen? - ---Neen, want de Wilde-Roos is eene waardige dochter der Comanchen; -zij zal medegaan, zonder murmureren. Er is op het oogenblik een -bleekgezigt in gevaar, een vriend van Machsi-Karehde. - ---Het opperhoofd zal hem wel redden, riep zij. - -De Roodhuid glimlachte. - ---Ja, zeide hij; of zoo ik te laat mogt komen, zal ik hem ten minste -wreken, en dan zal zijne ziel opspringen van vreugd in de Prairiën -der gelukzaligen als hij van zijn volk verneemt dat zijn vriend hem -niet vergat. - ---Ik ben bereid het opperhoofd te volgen. - ---Laten wij dan vertrekken, want het is tijd. - -De Indiaan was met een sprong in den zadel en de Wilde-Roos hield -zich gereed om hem te voet te volgen. - -De Indiaansche vrouwen bestijgen nimmer het oorlogspaard van hare -mannen of broeders. Tengevolge der strenge wetten bij deze volken in -zwang, zijn de vrouwen, als onder een ijzeren juk, gebogen onder de -diepste vernedering en gedwongen tot den zwaarsten en moeijelijksten -arbeid, dien zij zonder morren verdragen, wel overtuigd dat het -zoo wezen moet en dus niets haar zou kunnen onttrekken aan de -onverbiddelijke dwinglandij die van hare geboorte tot haren dood op -haar drukt. De Vliegende-Arend, terwijl hij de vrouw die hij liefhad -noodzaakte hem te voet te volgen, door een natuurwoud en langs -een ongebaanden weg, des te moeijelijker nog door de nachtelijke -duisternis, hield zich volkomen overtuigd dat hij hierin geheel naar -behooren te werk ging; de Wilde-Roos, op hare beurt, wist niet beter -of dit was iets dat van zelve sprak, en veroorloofde zich niet de -minste aanmerking. - -Zij gingen dus op weg en de rivier den rug toekeerende trokken zij -in de rigting van het ons reeds bekende open graskamp. - -Met welk doel keerde nu het opperhoofd terug naar dezelfde plek, die -hij pas een uur te voren verlaten had om de Gambucinos te ontwijken? - -Dit zullen wij spoedig zien. - -Op ongeveer honderd ellen van het open kamp hoorden zij het knallen -van een vuurwapen. De Vliegende-Arend bleef staan. - ---Ooah! mompelde hij, wat is dat? zou ik mij vergist hebben? - -Onmiddelijk afstijgende, gaf hij zijn paard aan de Wilde-Roos ter -bewaring en gebood haar om hem in de verte te volgen. Hij sloop zoo -snel hij kon door de struiken naar het graskamp, ongerust over het -gevallen pistoolschot, dat hij niet wist waaraan toe te schrijven, -daar de gedachte dat het door Estevan kon gelost zijn, volstrekt -niet bij hem opkwam. Het opperhoofd hield zich overtuigd, dat iemand -van zulk een karakter nooit zijn eigen zaak zou laten varen, hoe -hopeloos zij ook staan mogt. Ofschoon hij zich hierin vergiste, -was zijne veronderstelling toch niet zoo geheel bezijden de waarheid. - -Door bovenstaande denkbeelden bezield en vreezende dat er eenig ongeluk -kon gebeurd zijn, haastte de Vliegende-Arend zich om zoo spoedig -mogelijk het kleine kamp te bereiken, ten einde de onzekerheid op -te helderen, en niet zonder bekommering dat hij zijn vermoeden zou -bewaarheid zien. - -Aan den rand van het grasperk gekomen bleef hij staan, boog de takken -voorzigtig uiteen, en keek rond. De duisternis was nog te groot om -iets duidelijk genoeg te onderscheiden; er heerschte in dit gedeelte, -van het bosch eene doodelijke stilte. Maar op eens werden de struiken -met kracht bewogen en nu schoot er een man, of liever een duivel uit te -voorschijn, hem strijkelings voorbij, met een sprong als een jakhals, -en verloor zich weldra achter hem in de duisternis. - -Een donker voorgevoel beklemde het hart van den Roodhuid, hij dacht -er een oogenblik over na of hij den onbekende zou achtervolgen; -maar liet dit denkbeeld terstond weder varen. - ---Neen, zeide hij, wij zullen eerst zien wat hier gebeurd is; dien -man ben ik zeker dat ik altijd zal wedervinden, zoodra ik maar wil. - -Hij stapte het grasveld op. De vuren die er een uur te voren gebrand -hadden, waren uitgedoofd en verspreidden geen het minste licht meer; -alles was stilte en duisternis. - -Het opperhoofd trad snel voorwaarts en bereikte weldra de plek waar -de kuil gedolven was. Zij was ledig en don Estevan nergens te zien; -op den rand der glooijing, door de uitgeworpen aarde gevormd, lag -een mensch onbeweeglijk uitgestrekt. - -De Vliegende-Arend bukte om hem van nabij te bezien. Hij had hem -dadelijk herkend. - ---Heb ik het niet gedacht! riep hij in zich zelven, terwijl hij zich -met een grijns oprigtte, de bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, -de ondankbaarheid is eene ondeugd der blanken, de wraakzucht is een -deugd der rooden. - -Hij stond eenige sekonden in beraad met de oogen strak op den gewonde -gerigt. - ---Zou ik hem helpen? vroeg hij zich eindelijk af. Waartoe zou -het dienen? het is immers beter dat die blanke coyotes zich -onderling verscheuren; de roode krijgslieden mogen om hunne woede -lagchen. Die man daar, vervolgde hij, was nogtans een der beste -onder de plunderzieke bleekgezigten, die ons tot in onze laatste -toevlugtsoorden terugdringen! Bah! maar wat gaat hij mij aan? onze -twee rassen zijn elkanders vijanden; laat de wilde beesten hem verder -afmaken, ieder zijn deel van den buit! - -Na deze alleenspraak wilde hij zich verwijderen. Eensklaps echter -voelde hij eene hand op zijn schouder, en eene schroomvallige stem -fluisterde hem zacht in het oor. - ---Die bleeke man was de vriend van den grijskop die den -Vliegenden-Arend eenmaal heeft gered; vergeet de Sachem dit? - -Het opperhoofd ontroerde bij deze vraag, die zoo geheel met zijne -innigste gedachten overeenkwam; want al had hij zich zelven pogen -diets te maken dat er reden bestond om den gewonde aan zijn lot -over te laten, gevoelde de Indiaan zeer goed dat zulk een bedrijf -onverantwoordelijk was en dat de eer hem gebood den man te helpen -die aan zijne voeten lag uitgestrekt. - ---Kent de Wilde-Roos den jager? vroeg de Sachem uitwijkend. - ---De Wilde-Roos heeft hem twee dagen geleden voor het eerst gezien, -toen hij den vriend van Machsi-Karehde zoo moedig te hulp kwam. - ---Ooah! bromde de Indiaan, mijne zuster spreekt waarheid, die krijgsman -is dapper, zijn hart is groot, hij is de vriend der Roodhuiden, de -Vliegende-Arend is beroemd wegens zijne grootmoedigheid, hij zal dus -het bleekgezigt niet aan de wolven ten prooi laten. - ---Machsi-Karehde is de grootste krijgsman van zijn stam, zijn hoofd -is met wijsheid vervuld, en wat hij doet is goed. - -De Vliegende-Arend glimlachte welgevallig om dit compliment van zijne -jonge vrouw. - ---Laten wij de wonden, van dien man onderzoeken, zeide hij. - -De Wilde-Roos ontstak een ocote-fakkel om te kunnen zien; -de twee Indianen knielden bij den gewonde neer, die nog altoos -onbeweeglijk lag, en begonnen in het schijnsel der harsfakkel hem -met naauwlettendheid te onderzoeken. - -Vrij-Kogel was slechts ligt gewond door den slag die hem met het -pistool werd toegebragt; wel is waar had die slag eene geweldige -bloeding veroorzaakt en eene ligte hersenschudding gevolgd door -bedwelming, maar de wond ging niet veel dieper dan de huid aan het -bovenste gedeelte van het voorhoofd tusschen de wenkbraauwen. Blijkbaar -had don Estevan den jager op dezelfde manier willen treffen als de -matadores te Mexico de stieren kuisten, die er hunne eer in stellen -om dit zoo behendig mogelijk te doen, ten einde de bewondering der -toeschouwers op het amphitheater te verwerven. Zijn slag, ofschoon -met vaste en vaardige hand, was echter met te veel overhaasting en -dus niet juist genoeg toegebragt om doodelijk te zijn; evenwel, zoo de -Vliegende-Arend hem niet in tijds ware te hulp gekomen, zou de jager -waarschijnlijk voor het einde van den nacht door de wilde beesten -zijn verslonden, die in dezen omtrek vrij talrijk op buit rondzwierven. - -Alle Indianen, wanneer zij op reis gaan, dragen aan een band over -den schouder een perkamenten zak met zich, in den vorm van een -weitasch, die zij hun medicijn-zak noemen; deze zak bevat een aantal -geneeskrachtige kruiden, waarmede de Roodhuiden gewoon zijn hunne op -de jagt of in den krijg bekomen kwetsuren te genezen, alsmede eenige -heelkundige instrumenten, en eenige poeders tegen de koorts. - -Na de wond van Vrij-Kogel naauwkeurig te hebben bezigtigd, schudde -de Indiaan tevreden het hoofd, en maakte hij zich onmiddelijk -gereed om het eerste verband te leggen. Met een van obsidiaansteen -[10] vervaardigd werktuig, zoo scherp als een scheermes, begon hij, -geholpen door de Wilde-Roos, rondom de wond het haar weg te scheren; -vervolgens grabbelde hij in zijn medicijnen-zak en haalde er een -handvol oregano bladeren uit, die hij zorgvuldig fijn wreef en met -Spaanschen brandewijn, zoogenaamde refino vermengde. Wij kunnen hier -in 't voorbijgaan aanmerken dat in de geneesmiddelen der Indianen -de brandewijn eene voorname rol speelt. Bij dit mengsel deed hij -een weinig water en zout, en bereidde alles tot een vrij dikke pap, -die hij, na de wond eerst met refino en water te hebben gewasschen, -er als een verzachtende pleister oplegde, en met behulp van een -abanijo blad vasthechtte. - -Dit eenvoudige middel werkte bijna oogenblikkelijk; na verloop van -tien minuten slaakte de jager een zucht, opende de oogen, en rigtte -zich op, naar alle zijden rondziende, als iemand die plotseling uit -een diepen slaap wakker wordt en nog niet volkomen in staat is om de -hem omringende voorwerpen te onderscheiden. - -Intusschen had Vrij-Kogel een te krachtig gestel om lang in dezen -staat van halfbewustzijn te blijven; weldra kwam er weder orde in -zijne denkbeelden, hij herinnerde zich wat er gebeurd was en welken -verraderlijken slag hem door den man dien hij gered had was toegebragt. - ---Ik dank u, brave Roodhuid, zeide hij met eene nog zwakke stem, -terwijl hij het opperhoofd zijne hand toestak. - -De Indiaan drukte die hartelijk. - ---Mijn broeder gevoelt zich nu beter? zeide hij op vragenden toon. - ---Ik gevoel mij zoo wel alsof er niets met mij gebeurd was, antwoordde -Vrij-Kogel. - ---Ooah! dan zal mijn broeder zich op zijn vijand kunnen wreken. - ---Laat dat maar aan mij over! de schurk zal mij niet ontsnappen, -zoo waar als ik Vrij-Kogel heet, antwoordde de jager met nadruk. - ---Goed! mijn broeder zal zijn vijand dooden, en zijn haarschedel aan -de deur van zijn wigwam ophangen. - ---Neen, hoofdman, zulk een wraak moge voor een Roodhuid geschikt zijn, -maar zij voegt niet aan een man van mijn ras en kleur. - ---Wat denkt mijn broeder dan te doen? - -De jager glimlachte, zweeg eenige oogenblikken, en hervatte toen het -gesprek, zonder de vraag van den Indiaan te beantwoorden. - ---Sedert hoe lang bevind ik mij hier? vroeg hij. - ---Omtrent een uur. - ---Niet langer? - ---Neen. - ---God dank! dan kan mijn moordenaar nog niet ver weg zijn. - ---O! een kwaad geweten is een scherpe prikkel, merkte de Roodhuid -verstandig aan. - ---Dat is waar. - ---Wat wil mijn broeder doen? - ---Dat weet ik nog niet; mijne positie is bijzonder ingewikkeld, -antwoordde Vrij-Kogel nadenkend; door de inspraak van mijn hart en -de herinnering van een lang geleden bewezen dienst gedreven, heb ik -eene daad gedaan die op velerlei wijs kan worden uitgelegd; ik zie -thans dat ik verkeerd heb gehandeld. Intusschen, Roodhuid, wil ik u -zeggen dat ik mij weinig over de verwijten mijner vrienden bekommer; -ofschoon het hard is voor iemand van mijn leeftijd en ondervinding, -zich te hooren verwijten dat hij zoo onnoozel heeft gedaan als een -kind, en zich aangesteld als een gek. - ---Gij dient ten minste toch te besluiten. - ---Dat weet ik zeer goed, maar dat is juist wat mij het moeijelijkste -valt, te meer nog, omdat don Miguel en don Mariano zoo spoedig -mogelijk van het gebeurde onderrigt moeten worden, of de gevolgen -mijner dwaasheid zijn niet te berekenen. - ---Hoor eens, zeide de hoofdman, ik begrijp zeer goed dat gij tegen -eene onvermijdelijke bekentenis opziet; het is zeker ondragelijk -hard, als een grijsaard het hoofd moet buigen voor verwijtingen, -hoe welverdiend zij ook mogen zijn. - ---Maar wat dan? - ---Als gij er in toestemt, wil ik voor u doen wat u te veel moeite zou -kosten. Terwijl gij de Wilde-Roos gezelschap houdt, zal ik naar uwe -vrienden de bleekgezigten gaan en hun zeggen wat er is voorgevallen; -ik zal hen tegen hunnen vijand waarschuwen en gij zult niets van hun -ongenoegen te duchten hebben. - -Bij dit voorstel van den Indiaan, werd het aangezigt van den ouden -jager rood van verontwaardiging. - ---Neen! riep hij forsch, ik zal mijn misslag niet vergrooten door eene -lafheid, ik moet de gevolgen van mijne dwaze handeling ondergaan; -ik zeg u dank, hoofdman, voor uw goed gemeend voorstel, maar ik kan -het niet aannemen. - ---Mijn broeder is er meester van. - ---Laat ons haast maken, riep de jager, wij hebben reeds te veel -tijd verloren; God weet welke gevolgen mijn misslag heeft en welke -onheilen er misschien uit zullen voortvloeijen. Als ik ze niet meer -kan verhoeden, is het ten minste mijn pligt om er de kracht van te -verminderen. Kom meê, hoofdman, volg mij, wij moeten onmiddelijk naar -het kamp. - -Onder het uitspreken dezer woorden stond de jager met koortsachtige -drift op. - ---Ik heb geene wapens, riep hij, de ellendeling heeft ze mij ontroofd. - ---Laat mijn broeder zich daarover niet ongerust maken, antwoordde de -Indiaan, in het kamp zal hij wapens genoeg vinden. - ---Dat is waar; maar waar is mijn paard, dat ik eenige schreden van -hier heb laten staan? Ik moet het dadelijk zoeken. - -De Indiaan hield hem terug. - ---Het zou u niets baten, zeide hij. - ---Waarom niet? - ---Die man heeft er zich meester van gemaakt. - -De jager sloeg zich moedeloos op het voorhoofd. - ---Wat nu? mompelde hij. - ---Mijn broeder neme mijn paard. - ---En wat gij dan, hoofdman? - ---Ik heb er nog een. - ---Ah! riep Vrij-Kogel. - -Op een wenk van den Vliegenden-Arend bragt de Wilde-Roos het andere -paard. - -De beide mannen wierpen zich in den zadel; het opperhoofd liet voor -ditmaal, om zoo veel spoed mogelijk te maken, zijne vrouw achter hem -opzitten en nu reden de twee ruiters, met het hoofd over den hals -hunner paarden gebogen en met gevierden teugel in vliegenden galop -naar het kamp der Gambucinos, waar zij binnen een uur, zonder nieuwe -ongelukken aankwamen. - - - - - - - -XXIV. - -QUIEPA TANI. - - -Thans moeten wij naar twee der voornaamste personen uit onze historie -terugkeeren, die wij maar al te lang hebben verwaarloosd. Hiertoe -is noodig dat wij eenige stappen achterwaarts doen en ons verhaal -weder opvatten van het oogenblik af toen Addick en de beide meisjes, -die door don Miguel aan zijne zorg waren toevertrouwd, op weg gingen -naar de stad Quiepa-Tani. - -Een gevoel van nooit gekende weelde doortintelde de borst van den -Indiaan, zoodra hij zich met de beide meisjes in het dal bevond, -ver verwijderd van de bespiedende blikken van don Miguel en den nog -veel scherper blik van Loer-Vogel. Zijn oog glinsterde van genot, -terwijl hij het beurtelings nu eens naar dona Laura en dan weder naar -dona Luisa liet weiden, zonder te kunnen beslissen wie van deze twee -in zijne schatting de voorkeur verdiende. Beiden vond hij zoo schoon, -dat hij zich niet verzadigen kon van ze aan te zien, met die schier -uitzinnige bewondering, waarmede de Indianen gewoon zijn Spaansche -vrouwen te begroeten, die zij oneindig schooner vinden dan die van -hun eigen stam. - -Doch terwijl wij onze lezers deze bijzonderheid doen opmerken, moeten -wij er bijvoegen dat de Spanjaarden van hun kant even gretig de gunst -der Indiaansche schoonheden zoeken, door welker bekoorlijkheden zij -onweerstaanbaar worden aangetrokken. Is dit welligt een gevolg van -de wijze beschikking der Voorzienigheid, die daardoor de volkomen -zamensmelting der twee menschenrassen mogelijk wil maken? Wie weet -dit? maar wat men niet kan in twijfel trekken, is, dat er slechts -weinige Spanjaarden in Zuid-Amerika worden gevonden die ten minste -niet eenige druppels Indiaansch bloed in hunne aderen hebben. - -Het jonge Indianen opperhoofd, in het bezit zijner twee -gevangenen--want als zoodanig beschouwde hij ze van het oogenblik af -dat zij onder zijne hoede waren geplaatst,--had eerst gedacht om ze -naar zijn eigen stam te voeren, om dan later te beslissen op welke -der twee hij zijne keus zou vestigen. Verschillende redenen deden -hem echter dit plan terstond weder opgeven. Vooreerst was de afstand -tusschen hem en zijn stamdorp zoo groot, dat hij het waarschijnlijk -met de twee zwakke en teergevoelige vrouwen niet zou kunnen bereiken, -daar zij zeker tegen de tallooze vermoeijenissen van zulk eene lange -reis door de wildernis niet bestand zouden zijn; in de tweede plaats -lag de stad Quiepa-Tani slechts een paar mijlen ver van hem af, -terwijl hij bovendien in zijne vrije beweging werd belemmerd door de -stadwaarts gaande menigte, die gedurig aangroeide, en tevens door de -zwarte schimmen der twee jagers, die dreigend boven den heuvel achter -hem uitstaken, als tot waarschuwing, dat hij bij de minste verdachte -beweging met een paar geduchte vijanden zou te doen krijgen. - -Aldus van den nood eene deugd makende, verborg hij de duistere -plannen die in hem woelden zoo diep mogelijk in zijn boezem, -en besloot hij, ten minste oogenschijnlijk, zijne taak stipt te -volvoeren, en regtstreeks naar de stad te trekken. Eén ding behield -hij zich echter voor, namelijk om de twee jonge dames aan de zorg -van zijn zoogbroeder Chicuhcoatl [11] den Amantzin van Quiepa-Tani -toe te vertrouwen, die in zijne hoedanigheid als opperpriester van -den tempel der Zon, bij magte was om ze voor aller oog te verbergen, -tot de bestaande bezwaren zouden zijn uit den weg geruimd, en Addick -gelegenheid kreeg om naar goedvinden te handelen of zijne schoone -gevangenen weder onder zijn eigen opzigt te nemen. - -De ongelukkige jonge meisjes, door den drang der omstandigheden -van hare twee laatste vrienden gescheiden, verkeerden in een staat -van diepe neerslagtigheid, die haar het vermogen benam om veel op -het aarzelen en draaijen van haar ontrouwen gids te letten. Zonder -bescherming aan dezen wildeman overgelaten, die zoo het hem beviel haar -op allerlei wijze kon mishandelen al was ook zijn trouw haar verzekerd, -wisten zij maar al te goed dat zij geen menschelijke hulp te wachten -hadden. Zij moesten dus haar lot volkomen in Gods hand stellen, en -met christelijke gelatenheid zich overgeven aan de zware beproevingen -die zij gedurende haar verblijf onder de heidensche Indianen, zouden -te verduren hebben. - -Onder deze verschillende indrukken trokken onze drie reizigers, te -midden der steeds digter en digter wordende menigte, stadwaarts en -bereikten zij eindelijk den rand der buitengracht, niet zonder bespied -te worden door de nieuwsgierige blikken der Indianen, die natuurlijk -spoedig hadden opgemerkt dat de beide meisjes Spaanschen waren. - -Addick, na zijne gezellinnen een waarschuwenden wenk te hebben -gegeven om op hare hoede te zijn, nam daarbij eene houding aan zoo -onverschillig hem maar eenigzins mogelijk was, ofschoon zijn hart -klopte van angst, toen hij zich aan de stadspoort zou vertoonen om -te worden binnengelaten. - -Schijnbaar bedaard stapte hij de brug over en stond weldra voor -de poort. - -Oogenblikkelijk werd er een lans tegen de vreemdelingen geveld, -die hun den doortogt versperde. - -Een man, aan zijn rijk kostuum gemakkelijk als een der aanzienlijkste -stadsbeambten te herkennen, stond op van de butacca--zitbank--waar -hij in achtelooze houding zijn calumet had zitten rooken, en trad met -afgemeten stappen naar hen toe. Op korten afstand bleef hij staan, -terwijl hij Addick en zijn gezelschap van het hoofd tot de voeten -met de grootste aandacht bekeek. - -De Indiaan schrikte in 't eerst over deze blijkbaar vijandige -ontvangst, maar herstelde zich terstond weder. Er blonk een straal -van welgevallen uit het woeste oog van den stadsbeambte, hij wendde -zich naar den schildwacht en fluisterde hem met eene onhoorbare stem -eenige woorden in 't oor. - -De roode soldaat hief terstond eerbiedig zijn lans op, trad een stap -achteruit en liet de vreemdelingen door. - -Zij gingen de poort binnen. - -Addick rigtte zich met snelle schreden naar den tempel der Zon, zich -in stilte geluk wenschende dat hij zoo gemakkelijk aan het gevaar -ontkomen was, dat hem eenige minuten boven het hoofd had gezweefd. - -De jonge meisjes volgden hem met de gelatenheid der wanhoop, die zoo -ligt voor gedweeheid of onderwerping wordt aangezien, maar inderdaad -niets anders is dan de erkende onmogelijkheid om zich aan een gevreesd -en onvermijdelijk lot te onttrekken. - -Terwijl onze personaadjes de straten der stad door trekken om de -plaats hunner bestemming te bereiken, zullen wij met weinige woorden -Quiepa-Tani trachten te beschrijven, dat onzen lezers nog slechts -uitwendig bekend is. - -De naauwe, maar lijnregte en elkander regthoekig snijdende straten, -loopen alle uit op een, juist in het midden der stad gelegen, -uitgestrekt plein, dat den naam van Conaciuhtzin, of Zonne-plein, -draagt. - -Bij den aanleg der stad en van dit plein, uit welks middelpunt de -hoofdstraten letterlijk uitstralen, hebben de Indianen waarschijnlijk -de zon op het oog gehad en zich bij haar welbehagelijk trachten te -maken, want men zou zich moeijelijk een treffender en reusachtiger -afbeelding van dat hemellicht kunnen voorstellen, dan deze mysterieuse -en zinnebeeldige evenredigheid. - -Vier prachtige Expan, of paleizen, verheffen zich in de rigting der -vier hoofdstreken van het kompas; aan de westzijde staat de groote -tempel Amantzin-expan, omgeven door een ontelbare menigte met goud -en zilver ingelegde kolommen. - -De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, -den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit -een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn -verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt -in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in -staat om onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet -te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des -tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen -van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische -figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, -bedekken de wanden. In het midden des tempels staat een teocali of -altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten -en rustende op de groote ayalt, of heilige schildpad. Door eene -kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen -morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool -schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen -is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een -vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekende menhirs der -Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier -kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins -uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te -laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van -menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver -verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des -tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; -tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone -gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood -veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine, -met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze -gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte -gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid -hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het -gewijde vuur van Moctecuzoma [12] onophoudelijk blijft branden. De -trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen -met versche bladeren en bloemen bestrooid. - -Aan de zuidzijde van het plein verrijst de tanamitec of het paleis -van den vorst. - -Dit paleis, welks naam letterlijk eene "door muren omgeven ruimte" -aanduidt, is niets anders dan eene aaneenschakeling van audiëntie- -en vergaderzalen, en ruime binnenplaatsen, waar de krijgslieden die -met het bewaken der stad zijn belast, worden gedrild en geoefend. Een -afzonderlijke reeks huizen, ontoegankelijk voor vreemde bezoekers, -strekt tot verblijf voor het opperhoofd en zijn gezin. Een ander -soortgelijk gebouw dient tot tuighuis en bevat allerlei wapenen, -als pijlen, bogen, werpspiessen, lansen en schilden, van Indiaansch -maaksel en sedert de vroegste tijden in gebruik, alsmede Europeesch -oorlogstuig, als: sabels, degens, zwaarden en geweren en andere -vuurwapenen, van welke de inboorlingen, na er de geduchte uitwerksels -van te hebben leeren kennen, zich thans even goed weten te bedienen -als wij, zoo niet beter. - -Eene der merkwaardigste bijzonderheden die dit tuighuis bevat is -zonder twijfel een klein stuk geschut, dat eenmaal aan Fernando Cortez -toebehoorde, maar door de Indianen, toen hij het bij zijn overhaasten -aftogt uit Mexico in den bekenden noche triste (jammernacht) op -den grooten weg moest achterlaten, werd buit gemaakt. Dit kanon -is thans voor de Indianen nog altoos een voorwerp van vereering en -vrees,--wel een bewijs van den schrikkelijken indruk dien het tijdperk -der verovering op de gemoederen des volks heeft achtergelaten, daar -hij na verloop van zoo vele jaren en veelvuldige lotwisseling niet -kon worden uitgewischt. - -Op het zelfde plein verheft zich de vermaarde ciuatl-expan, of het -paleis der vestalinnen. Daar leven en sterven, ver van het oog der -mannen, de maagden aan de dienst der Zon gewijd. Geen manspersoon, -uitgezonderd de opperpriester, vermag dit gebouw binnen te dringen, -terwijl eene gruwzame straf den vermetele bedreigt die deze wet zou -durven overtreden. Het leven der Indiaansche zonnemaagden gelijkt -in menig opzigt naar dat der nonnen in de Europesche kloosters. Even -als deze zijn zij in cellen opgesloten en moeten zij de gelofte van -eeuwige kuischheid afleggen, waardoor zij zich verbinden nimmer een -man toe te spreken, dan haar vader of haar broeder; en dit zelfs staat -haar niet vrij, dan geheel gesluijerd, achter een traliehek en in de -tegenwoordigheid van een derde persoon. - -Ook bij openbare plegtigheden en godsdienstige feesten in den tempel, -verschijnen zij niet anders dan volkomen gesluijerd. Wanneer het van -eene zonnemaagd bewezen is dat een man haar aangezigt heeft gezien, -moet zij onmiddelijk ter dood worden gebragt. - -In het kloostergebouw zelve, houden zij zich met vrouwelijken arbeid -bezig, en vervullen tevens met ijver hare godsdienstpligten. De -geloften zijn vrijwillig. Geen jong meisje kan onder de zonnemaagden -worden opgenomen, tenzij de opperpriester zekerheid hebbe dat niemand -haar tot deze keus heeft gedwongen en dat zij bereid is hare roeping -volstandig te volgen. - -Eindelijk noemen wij het vierde paleis, aan de oostzijde, het -prachtigste en tevens het somberste van allen. - -Dit gebouw heet Iztlacat-expan, of het paleis der profeten: het dient -tot woonplaats voor den Amanani en de Chalchiuk--priesters.--Men kan -zich moeijelijk een geheimzinniger, treuriger en terugstootender gebouw -voorstellen dan dit verblijf, welks vensters allen met gevlochten -riet zijn gedekt, zoo digt en ondoorzigtbaar dat het naauwelijks -het daglicht doorlaat. Binnen deze muren heerscht eene eeuwigdurende -stilte en somberheid; slechts nu en dan, in het holst van den nacht, -wanneer alles in de stad in diepe rust is, hoort men vervaarlijke -geluiden en wonderbare stemmen uit den Iztlacat-expan opgaan, die de -verschrikte Indianen in hun slaap storen. - -Terwijl de gelofte der kuischheid aan de vestaalsche nonnen is -opgelegd, is dit niet het geval met den opperpriester en zijne -onderhoorigen. Intusschen moeten wij hier aanmerken dat ook deze -zelden trouwen en, ten minste oogenschijnlijk, zich van allen omgang -met de sekse onthouden. - -Het noviciaat der priesters duurt tien jaar, en eerst na verloop -van dezen tijd en na het doorstaan van tallooze proeven, bekomen -zij den titel van Chalchiuh. Tot zoolang kunnen zij nog van besluit -veranderen en eene andere loopbaan kiezen; dit gebeurt echter uiterst -zelden. Het is maar al te waar dat zij, van deze hun door de wet -toegestane vrijheid gebruik makende, groot gevaar loopen om door hunne -voormalige ambtsbroeders vermoord te worden, uit vrees dat zij iets -van hunne heilige geheimen aan het volk zouden verraden. Overigens -worden de priesters door de Indianen zeer geëerbiedigd en weten -zij zich doorgaans bij het volk bemind te maken; in een woord, na -het wereldlijk opperhoofd is de Amanani of opperpriester de meest -geëerbiedigde man van zijn stam. - -Ofschoon bij deze volken de godsdienst zulk een magtige hefboom is, -moet men zeggen dat er tusschen de wereldlijke en geestelijke magt -nooit botsing ontstaat: ieder van deze weet wat zij te doen heeft en -houdt zich binnen de haar voorgeschreven perken, zonder ooit op de -regten der andere inbreuk te willen maken. Dank zij deze verstandige -staatsregeling, werken de priesters en de opperhoofden eenstemmig en -met verdubbelde kracht. - -De Europeaan, gewoon aan het gewoel en gedruisch en geschreeuw der -steden in de Oude Wereld, waar de straten gedurig door allerlei -soorten van rijtuigen worden versperd, en waar bij iederen voetstap -duizende belangen, zaken en bezigheden tegen elkander botsen, zich -verdringen en dooreenwoelen, zou zich grootelijks verwonderen wanneer -hij eensklaps in een Indiaansche stad wierd overgeplaatst. Daar heeft -men geen kunstmatige middelen van gemeenschap, geen luidruchtige -handelsbeweging; daar ziet men geen buurten vol prachtige winkels -die hunne waren uitstallen, om de nieuwsgierigheid en kooplust der -voorbijgangers aan te lokken of de dieven gelegenheid te geven tot -het naasten der oogverblindende voorwerpen van Europesche weelde en -gemak. Daar ziet men zelfs geen rijtuigen, koetsen, wagens of karren; -de stilte wordt er slechts nu en dan gestoord door een eenzamen -voetganger, die zich haast om zijne woning te bereiken, of voortstapt -met al de deftigheid van een magistraatspersoon of geleerde. - -De huizen, allen potdigt gesloten, zijn voor de oogen en ooren -daarbuiten ontoegankelijk. Het leven der Indianen trekt zich geheel -zamen in het familieleven; voor alles wat vreemd is ongenaakbaar, -blijven de zeden aartsvaderlijk, en wordt de openbare straat er nooit, -zoo als zij dit maar al te veel bij ons, beschaafde volken, is, het -schandtooneel van twist, strijd, dronkenschap, of nog afschuwelijker -zedeloosheid. - -De kooplieden verzamelen zich in uitgestrekte bazars, waar zij des -voormiddags hunne waren te koop veilen, namelijk vruchten, groenten, -en stukken vleesch of gevogelte; want iedere andere tak van negotie is -bij de Indianen onbekend, daar elk gezin zijn eigen kleederen spint, -weeft, en vervaardigt, even als alle overige voorwerpen--meubels, -huisraad of levensbehoeften. Zoodra de zon haar loop half heeft -volbragt, worden de bazars gesloten en verlaten de Indiaansche -kooplieden, die allen op het land wonen, de stad, om er niet voor -den volgenden morgen met versche eetwaren terug te komen. Iedereen -voorziet zich van het noodige voor den geheelen dag. - -Bij de Indianen werken de mannen nooit; alleen de vrouwen zijn -belast met het doen van aankoop, de zorg voor het huishouden, en het -toebereiden of vervaardigen van alles wat tot levensonderhoud dienen -kan. De mannen daarentegen, te trotsch om zich met huisselijken arbeid -in te laten, gaan op de jagt of ten oorlog. - -De betaling van hetgeen men koopt of verkoopt geschiedt niet, als in -Europa, met klinkende specie--die over het algemeen, onder de Indianen -weinig bekend is en slechts aan de grenzen of kusten, in den handel -met de blanken gebruikt wordt--maar door middel van ruiling. Dit -eenvoudig, maar gebrekkig, en bij onze Europesche beschaving geheel -onbruikbaar geworden handelsmiddel, is bij al de Indianen stammen in -het binnenland bijna uitsluitend in zwang. De kooper geeft het een of -ander voorwerp dat hij missen kan, in ruil voor hetgeen hij verlangt -of noodig heeft. Ziedaar alles. - -Terwijl wij dus onze lezers den toestand van Quiepa-Tani hebben leeren -kennen, zullen wij dit hoofdstuk eindigen met te zeggen, dat Addick -en zijne twee gezellinnen, na lang genoeg de stille straten der stad -te hebben doorkruist, eindelijk het paleis Iztlacat-expan bereikten. - -De Indiaansche hoofdman vond, op zijn verzoek, in den Amanani een -gewillig en voorkomend bondgenoot, die hem plegtig beloofde de hem -in bewaring gegeven gevangenen met de meeste zorg te zullen bewaken. - -Wij moeten hier bijvoegen, dat Addick niet verzuimde den opperpriester -te verzekeren dat de hem toevertrouwde jonge meisjes, dochters waren -van een der vermogendste heeren uit Mexico, en dat hij om dezen -edelman in het belang der Indianen te verpligten, besloten had een -van de twee tot vrouw te nemen. Evenwel, daar de meisjes hem beiden -even goed bevielen, was hij op dit oogenblik nog niet in staat om -zijne keus te bepalen, en meende hij de beslissing nog een tijdlang -te moeten verschuiven. - -Eindelijk liet hij, om zich de gunst van zijn nieuwen bondgenoot te -verzekeren, wiens gierigheid hem sinds lang bekend was, er op volgen, -dat hij de voogdij die deze thans op zich nam met een kostbaar geschenk -zou beloonen. - -Hiermede wegens het lot der jonge meisjes voorshands gerust gesteld, -en na in het eerste gedeelte van zijn plan volkomen te zijn geslaagd, -begon Addick te overleggen hoe hij ook het tweede gedeelte zou doen -gelukken. Hij nam dus al ras afscheid van dona Luisa en dona Laura, -die hij zoo plegtig bezworen had te zullen beschermen, maar thans -schandelijk dacht te verraden; hij steeg te paard, en reed haastig -de stad uit, in de rigting van het veer del Rubio, waar hij wist don -Miguel te zullen vinden. - - - - - - - -XXV. - -EEN DRIETAL SCHURKEN. - - -Wij laten Addick, met zijne ondeugende plannen, in vollen galop zich -verwijderen van Quiepa-Tani, en zullen ons intusschen een weinig -nader bezig houden met de twee beklagenswaardige jonge meisjes, -die hij voor zijn vertrek, aan den zorg van den Amanani had opgedragen. - -Deze liet haar terstond in de Ciuatl-expan, het verblijf der -zonnemaagden opsluiten. - -Ofschoon gevangenen, werden zij, ingevolge de bevelen van Addick, -met de meeste onderscheiding behandeld; ook zouden zij de verveling -van hare onregtmatige gevangenschap geduldig hebben gedragen, zoo -een heimelijke angst over het lot dat haar welligt in de toekomst -verbeidde, en de herinnering aan de vreesselijke omstandigheden -onder welke zij herwaarts gebragt en zoo plotseling van haar laatsten -beschermer waren gescheiden, zich niet van haar hadden meester gemaakt. - -Het was onder deze omstandigheden, dat het verschil van karakter -tusschen de beide vriendinnen duidelijk aan 't licht kwam. - -Dona Laura, gewoon aan de huldebetooningen der mooije cavaliers die -haars vaders huis bezochten, en verwend door de genietingen van het -mollig en weelderig leven der rijke familiën in Mexico, leed veel -onder de treurige herinnering van hetgeen zij hier missen moest en dat -weleer hare kindsheid had gestreeld. De martelingen in het klooster -voorbijziende, dacht zij alleen aan de vreugd van het ouderlijke huis, -en niet in staat om haar grievend hartzeer te wederstaan, verviel -zij weldra in eene doffe moedeloosheid, die zij zelfs niet poogde -te bestrijden. - -Dona Luisa daarentegen, die in haar tegenwoordigen toestand weinig -verschil bespeurde met dien van haar noviciaat, kon zich beter in -haar lot schikken, en onderging het met moed en geduld; al betreurde -zij ook het verlies van hare vrijheid, de liefde voor hare vriendin -en het werkdadig deel dat zij aan hare redding genomen had, vervulden -hare ziel en sterkten haar in den strijd tegen het ongeluk. - -Buiten haar weten welligt, was er onlangs in het hart van het jonge -meisje nog een ander gevoel binnengeslopen, een gevoel dat zij niet -poogde te verklaren en van welks kracht zij zich geen duidelijke -rekenschap kon geven, maar dat haar moed verdubbelde en op eene -redding deed hopen, zoo al niet zeker, dan toch zeer mogelijk, door -tusschenkomst van denzelfden man die reeds zooveel voor haar en hare -vriendin had gewaagd, en die haar niet verlaten zou in de nieuwe -gevaren welke haar bedreigden ten gevolge der verfoeijelijke ontrouw -van haar geleider. - -Toen de beide vriendinnen elkander over de waarschijnlijkheid harer -bevrijding onderhielden, durfde Laura den naam van don Miguel niet -uitspreken, en met eene bedeesdheid waarvan zich de reden ligt laat -vermoeden, veinsde zij geheel op haar vaders invloed te steunen. Luisa -daarentegen kwam er rond voor uit, dat de moed en ijver bereids door -don Miguel aan den dag gelegd, voor haar een genoegzame waarborg was, -en dat de man die haar reeds eenmaal had gered, haar gewis ook nu -weder zou te hulp komen. - -Laura, om goede redenen, door hare vriendin nooit ingelicht omtrent -de groote verpligting die zij aan den jongman had, begreep dus niet -welk verband er kon bestaan tusschen hem en haar toekomstig lot, en -vroeg aan Luisa meermalen om nadere opheldering. Deze echter zweeg -op dit punt of ontweek telkens hare vraag. - ---Inderdaad, lieve vriendin, zeide Laura, gij spreekt gedurig van -don Miguel, en zonder twijfel zijn wij aan hem, wegens de dienst die -hij ons bewezen heeft, grootelijks verpligt; maar nu is zijne rol -bijkans afgeloopen, en mijn vader, wanneer hij door hem van onzen -tegenwoordigen toestand kennis bekomt, zal ons spoedig komen verlossen. - ---Querida de mi corazon--mijn allerliefste hartje, antwoordde dona -Luisa, haar mooi hoofdje schuddend, wie weet waar uw vader zich -op dit oogenblik bevindt; ik voor mij hoop steeds op don Miguel, -omdat hij ons zoo geheel uit eigen beweging en zonder eenige hoop -op belooning heeft gered; hij is veel te getrouw en te edelmoedig om -eene onderneming te laten varen die zoo wel door hem begonnen is. - -Dit laatste gezegde werd met zooveel kracht en overtuiging geuit, dat -Laura verwonderd de oogen opsloeg en hare vriendin zoo doordringend -aankeek, dat deze onwillekeurig een blos kreeg en de oogen neersloeg. - -Laura sprak niet, maar vroeg zich zelve in stilte: wat toch de reden -kon zijn waarom Luisa zoo hartstogtelijk partij koos voor iemand die -niet werd aangevallen en aan wien hare vriendin bijna geen verpligting -had, ja dien zij naauwelijks kende? - -Van dezen dag af, als bij stilzwijgend akkoord, spraken zij niet -meer over don Miguel en werd zelfs zijn naam tusschen haar niet -weder genoemd. - -Het is wel een zonderling maar toch onbetwistbaar verschijnsel, dat -de geestelijken of priesters, in alle landen en tot welke godsdienst -zij ook behooren, steeds begeerig zijn om proselieten te maken, en -dit soms te dringender en onbescheidener naarmate hun geloof minder -aannemelijk is en minder aanspraak heeft op zedelijke overtuiging. De -Amanani van Quiepa-Tani althans had dezen trek met de meesten zijner -broederen gemeen, en liet geene gelegenheid voorbijgaan om de twee -Spaansche meisjes tot de dienst der Zon over te halen. Met groote -verstandsgaven bedeeld en voor zich zelven hoogelijk ingenomen met -de godsdienst die hij beleed, bovendien een bittere vijand van al wat -Spaansch was, vatte hij reeds zoodra Addick hem de zorg voor de jonge -meisjes toevertrouwde, het voornemen op om haar tot priesteressen -der Zon te maken. Dergelijke bekeeringen zijn in Amerika niet zonder -voorbeeld, en het ongerijmde of liever monsterachtige dat daarin voor -ons gevoel gelegen is, schijnt in dit land iets geheel natuurlijks. - -De Amanani stelde dus zijne batterijen in deze rigting. De jonge -meisjes spraken geen Indiaansch; hij, van zijn kant, kende geen -woord Spaansch; maar dit groote bewaar wist de opperpriester spoedig -uit den weg te ruimen. Er was namelijk onder zijne handlangers -zekere krijgsman, Atoyac geheeten, dezelfde die bij de stadspoort -op schildwacht stond toen Addick er aankwam. Deze man was met eene -Indiaansche manza--beschaafde vrouw--gehuwd, die niet ver van Monterey -hare opvoeding had genoten en de Spaansche taal vlot genoeg sprak om -zich te doen verstaan. Het was eene vrouw van ongeveer dertig jaren, -ofschoon men op het eerste gezigt zou gedacht hebben dat zij ten minste -vijftig was. In deze gewesten, waar het menschelijk ligchaam zoo snel -ontwikkelt, trouwen de meisjes gewoonlijk reeds op haar twaalfde -of dertiende jaar. Vervolgens aanhoudend tot den zwaarsten arbeid -gedwongen, die in andere landen gewoonlijk den mannen ten deel valt, -begint hare frischheid spoedig te verwelken en komen zij met haar -vijfentwintigste jaar reeds tot een vervroegden staat van verval, die -geen tien jaren later de meeste vrouwen tot leelijke schepsels maakt, -ofschoon zij in hare jeugd eene schoonheid en bevalligheid bezaten -die vele Europeaansche dames haar met regt hadden kunnen benijden. - -De vrouw van Atoyac heette Huitlotl, of de Duif; het was een eenvoudig, -zachtzinnig schepsel, die zelve veel geleden had en dus onwillekeurig -geneigd was om medelijden te gevoelen met de smarten van anderen. Zij -moest het middel zijn om Laura en Luisa te verleiden, en in weerwil -van de bestaande wet, die nadrukkelijk verbood om vreemdelingen in -het paleis der Zonnemaagden toe te laten, nam de Amanani op zich om -de zachtzinnige Duif met de beide meisjes in aanraking te brengen. - -Men moet zelf gevangene zijn geweest, onder menschen wier taal men -niet verstaat, om zich een juist denkbeeld te maken van het genoegen -dat de arme gevangenen ondervonden, toen haar iemand kwam bezoeken -met wie zij konden spreken en die voor het eerst de verveling hielp -verdrijven aan welke zij in hare eenzaamheid ten prooi waren. De -Indiaansche werd ontvangen als een vriendin, en hare tegenwoordigheid -was voor de meisjes eene aangename afleiding. - -Bij haar tweede bezoek echter begonnen de Spaansche meisjes reeds -te begrijpen met welk hatelijk oogmerk deze bijeenkomsten plaats -hadden, en van toen af volgde er op de korte vreugde van den eersten -dag eene ware tirannij. De verschijning van Huitlotl werd voor haar -een voortdurende straf. Als Spaanschen, sterk aan de godsdienst harer -vaderen gehecht, konden zij de bedoelingen van den opperpriester niet -dan met afgrijzen beantwoorden. Intusschen was de Indiaansche vrouw -veel te eenvoudig en uit zich zelve onbekwaam om de bedriegelijke -rol die men haar had opgedragen lang vol te houden, of voor hare -nieuwe vriendinnen te verbergen welk lot zij ondanks de zoetsappige -woorden en innemende manieren van den Amanani te wachten hadden, en -welke vreesselijke folteringen zij zouden moeten doorstaan wanneer -zij weigerden zich aan de Zonnedienst te verbinden. Het vooruitzigt -was dus alles behalve geruststellend. - -De jonge meisjes wisten maar al te wel dat de Indianen in staat -waren om hunne gruwzame bedreigingen zonder genade uit te voeren; -hoe standvastig zij zich dus voornamen om aan het voorvaderlijk -geloof getrouw te blijven, werden de arme kinderen door schrikbarende -angsten verscheurd. - -Intusschen verliep de tijd; de opperpriester begon ongeduldig te worden -over den tragen gang van het bekeeringswerk. De zwakke hoop die dona -Laura en dona Luisa tot hiertoe had staande gehouden, om zich aan -het offer dat men van haar eischte te onttrekken, begon meer en meer -te verdwijnen. Deze pijnlijke toestand werd nog verzwaard door de -ontstentenis van alle berigten van buiten, en de moedeloosheid der -jonge dames eindigde weldra in eene kwijnende ziekte, die zoo hand -over hand toenam, dat de Amanani voorzigtigheidshalve besloot om het -plan zijner proselietenmakerij voor eenigen tijd op te schorten. - -Wij zullen hier de arme gevangenen een poos aan zich zelven overlaten, -gelukkig als zij zijn door het schijnbaar ongeluk dat haar in het -verlies van hare gezondheid overkwam, en dat haar voor een tijd lang -ten minste tegen de hatelijke aanslagen beschermde waaraan zij ten -doel stonden; terwijl wij den draad weder opvatten der gewigtige -gebeurtenissen, in welke de overige personen uit ons verhaal hunne -rol spelen. - -Zoodra don Estevan zich weder in vrijheid zag en het paard van -Vrij-Kogel vermeesterd had, gaf hij het de sporen en begon hij met -lossen teugel een onstuimigen rid door het bosch, om zich zoo spoedig -mogelijk van de plaats te verwijderen waar slechts weinige oogenblikken -te voren hem een onvermijdelijken dood had gedreigd. - -Ten prooi aan eene dwaze vrees, die met iedere minuut toenam, rende hij -in gestrekten draf, zonder doel of gedachte en zonder bepaalde rigting, -maar steeds regt voor zich uit vlugtende, als werd hij vervolgd door -het spook van den akeligen dood, die hem gedurende een uur, maar -voor zijn gevoel langer dan eene eeuw, op de schouders had gedrukt, -en de ontvleeschte arm reeds dreigend hield uitgestrekt om hem aan te -grijpen en in den afgrond te slingeren tot het toeval hem als door -een wonder, in het uiterste oogenblik van wanhoop en stervensnood -een verlosser beschikte. - -Don Estevan, naarmate het in zijn brein weder helder begon te -worden en er meer kalmte kwam in zijne geschokte denkbeelden, werd -van lieverlede weder dezelfde man die hij te voren geweest was, -namelijk een onverbeterlijke schurk, die met alle regt en billijkheid -veroordeeld volgens de Lynchwet, zijne welverdiende straf had -ondergaan. In plaats toch van in zijne onverhoopte redding de hand -eener genadige Voorzienigheid te erkennen, die het behaagde op deze -wijs den weg des berouws voor hem open te stellen, zag hij er niets -anders in dan eene materieele toevalligheid, en voedde hij geen andere -gedachte, dan zich zoo spoedig mogelijk te wreken aan de mannen die -hem vernederd en hem den voet op den nek hadden gezet. - -Hoe vele uren hij aldus in de duisternis voortholde, met allerlei -wraakplannen in het hoofd en met het oog spottend en uittartend ten -hemel gerigt, is moeijelijk te bepalen. De geheele nacht verliep in -dezen onbeteugelden rid, tot de opgaande zon hem verraste, op verren -afstand van de plaats waar hij zijn vonnis had ondergaan. - -Eindelijk hield hij een poos stil, om zijne denkbeelden in orde te -schikken en een bespiedenden blik in het rond te werpen. - -In de streek waar hij zich thans bevond, waren de boomen vrij dun -gezaaid en kon men tusschen de hooge stammen door, op korten afstand, -eene geheel van bosch ontbloote vlakte onderscheiden, die in de verte -door hooge bergen werd begrensd, welker kruinen aan den uitersten -horizont met den hemel zamensmolten; eene vrij breede rivier stroomde -statig tusschen twee kale en rotsachtige oevers. - -Don Estevan slaakte een zucht van verligting, in de zeer -waarschijnlijke veronderstelling, dat, zoo hij door iemand ware -nagezet, de snelheid van zijn rid en de menigte door hem gemaakte -omwegen, zijn spoor geheel zouden hebben uitgewischt. Hij reed nu -stapvoets naar den uitersten rand van het bosch, waar hij voornemens -was een paar uren af te stijgen, om zijn hijgend en dampend paard -te verpoozen en zelf ook eenige hoognoodige rust te nemen, na al de -doorgestane angsten en vermoeijenissen. - -Toen hij de laatste boomen van het woud had bereikt bleef hij voor -de tweede maal staan, om zich opnieuw met een bespiedenden blik -te verzekeren dat er niemand in den omtrek was, en hiervan door de -roerlooze stilte rondom hem overtuigd, steeg hij af, ontzadelde zijn -paard, deed het een kluister aan, zoodat het zijn voeder kon zoeken -zonder ver weg te loopen, en zich toen op den grond uitstrekkende, -begon hij na te denken. - -Zijn toestand was ver van aangenaam: zoo geheel alleen, bijna zonder -wapenen, in een onbekende streek, genoodzaakt om de lieden van zijne -kleur te ontvlugten, en verpligt om alleen op zich zelve te rekenen, -tegenover de duizend gevaren die hem omringden, en alles wat er -gebeuren kon! - -Voorzeker zou wel een vastberadener en door de natuur met een harder -gestel begaafd man dan don Estevan, onder zulke omstandigheden -verlegen gestaan en zoo niet aan wanhoop dan toch aan moedeloosheid -zich hebben overgegeven. Uitgeput door de felle zielsangsten en -ongehoorde vermoeijenissen die hij gedurende den afgeloopen nacht -had moeten doorstaan, verzonk hij tegen wil en dank in zulk een staat -van stompzinnigheid en onmagt, dat hij geheel ongevoelig werd voor de -buitenwereld; de hem omringende voorwerpen verdwenen van lieverlede -uit zijne oogen, zoodat hij, om zoo te zeggen, niet meer bestond dan in -de gedachte--die altoos brandende baken, door Gods oneindige goedheid -in het hoofd van den mensch ontstoken, om hem in de dikste duisternis -voor te lichten, en het arme schepsel zelfs in den uitersten nood -het gevoel zijner kracht en den wil tot den strijd te doen behouden. - -Sedert geruimen tijd zat de Mexicaan reeds met den elleboog op de -knieën en het hoofd op de hand geleund, starende zonder te zien en -luisterende zonder te hooren, toen hij op eens een schok kreeg en -verschrikt opstond. - -Eene hand was hem zacht op den schouder gelegd. - -Hoe ligt de aanraking mogt geweest zijn, zij was genoeg om den Mexicaan -op te wekken en tot het besef van zijn tegenwoordigen toestand terug -te brengen. - -Hij keek op. - -Er stonden twee Indianen bij hem. - -Die Indianen waren Addick en de Roode-Wolf. - -Een vreugdestraal blonk uit het oog van don Estevan, daar hij gevoelde -dat deze twee mannen voor hem niet anders dan bondgenooten konden -zijn. Hij had naar hen verlangd, zonder te hopen hen ooit hier te -ontmoeten. - -Kan men in de woestijn wel met eenige zekerheid zeggen te zullen -ontmoeten die men zoekt? Addick staarde hem aan met een spotachtigen -blik. - ---Ooah! riep hij, mijn bleeke broeder slaapt met de oogen open; -hij is zeer vermoeid naar het schijnt. - ---Ja, zei don Estevan. - -Er volgde een poosje stilte. - ---Ik had niet gehoopt mijn broeder zoo spoedig te vinden, en vooral -niet in zulke aangename omstandigheden, hervatte de Indiaan. - ---Zoo! zei don Estevan laconisch. - ---Ja, met behulp van mijn broeder de Roode-Wolf en zijne krijgslieden, -ging ik op marsch, om zoo mogelijk het bleekgezigt hulp toe te brengen. - -De Mexicaan beschouwde hem met een argwanend oog. - ---Ik zeg u dank, zeide hij eindelijk op een toon van bittere ironie, -ik heb niemands hulp noodig. - ---Des te beter; en het verwondert mij geenszins: mijn broeder is een -groot krijgsman onder zijn volk; maar het is toch mogelijk dat de -hulp die hij tot hier toe niet noodig had, hem later zou kunnen dienen. - ---Hoor eens, zei don Estevan, geloof mij, wij moeten geen strijd -van fijne gezegden beginnen; laten wij liever ronduit met elkander -spreken; gij kent mijne omstandigheden beter dan ik u die ooit -had willen vertellen; hoe gij ze te weten zijt gekomen, kan mij -weinig schelen; maar zooals ik wel denk, hebt gij mij een voorstel -te doen--een voorstel dat gij zonder twijfel naar de omstandigheden -waarin ik mij bevind, berekenen kunt dat ik zal aannemen; doet dat -voorstel derhalve duidelijk en beknopt, als een man betaamt, en komen -wij ter zake, in plaats van onzen kostbaren tijd in zotte praatjes -of nuttelooze gesprekken te verkwisten. - -Addick meesmuilde grinnekend. - ---Mijn broeder spreekt goed, zeide hij op vleijenden toon, zijne -wijsheid is groot; ik zal vrank en vrij met hem te werk gaan; hij -heeft mij op deze oogenblikken noodig en ik wil hem van dienst zijn. - ---Voto a brios!--ferm gezegd!--dat noem ik spreken als een man: zoo -bevalt het mij; ga voort, hoofdman, en als het slot van uwe rede -zoo goed is als het begin, twijfel ik niet of wij zullen het wel -eens worden. - ---Ooah! daar ben ik van overtuigd; maar eer wij ons zamen aan het -raadvuur nederzetten, heeft mijn broeder behoefte om zijne krachten -een weinig te herstellen, daar zij door lang vasten en vermoeijenissen -zijn uitgeput. - ---De krijgslieden van den Rooden-Wolf zijn onder het geboomte in -onze nabijheid gelegerd; dat mijn broeder mij volge; eerst wanneer -hij eenige spijs heeft gebruikt, zullen wij onze zaken afhandelen. - ---Goed! ga mij voor, ik volg u, zei don Estevan. - -De drie mannen verwijderden zich in de rigting van het kamp der -Roodhuiden, dat werkelijk geen honderd passen ver op een geschikte -plaats was opgeslagen. - -De Indianen eerbiedigen, meer dan eenig ander volk, uitgezonderd -de Arabieren, de wetten der gastvrijheid, deze deugd der zwervende -nomaden, onbekend in de steden, waar zij tot oneer der beschaafde -volken, door karige zelfzucht en schandelijk wantrouwen is vervangen. - -Don Estevan werd door de Indianen naar hun beste vermogen -onthaald. Nadat hij zooveel gegeten en gedronken had als zijne -behoeften vereischten, nam Addick het woord weder op: - ---Wil mijn bleeke broeder mij nu aanhooren? vroeg hij; zijn zijne -ooren geopend? - ---Mijne ooren zijn geopend, hoofdman, ik zal u aanhooren met al de -aandacht die ik bezit. - ---Verlangt mijn broeder zich aan zijne vijanden te wreken? - ---Ja, riep don Estevan met drift. - ---Maar zijne vijanden zijn sterk, zij zijn talrijk; reeds is mijn -broeder bezweken in den strijd dien hij tegen hen heeft durven wagen; -een man, wanneer hij alleen is, is zwakker dan een kind. - ---Dat is waar, prevelde de Mexicaan. - ---Als mijn broeder aan den Rooden-Wolf en aan Addick wil toestaan -wat zij van hem vorderen, zullen de roode opperhoofden hem in zijne -wraakneming ondersteunen, en verbinden zij zich om hem te doen slagen. - -Een koortsachtig rood overvloog het gelaat van don Estevan, en eene -krampachtige rilling deed zijne leden sidderen. - ---Voto a brios! bromde hij met eene sombere stem, welke voorwaarde -gij mij ook zult opleggen, ik neem die aan, als gij mij zult dienen -zoo als gij zegt. - ---Dat mijn broeder zich niet te ligtvaardig verbinde, meesmuilde de -Indiaan; onze voorwaarde is hem nog onbekend, misschien zou hij zich -later beklagen. - ---Ik herhaal u, antwoordde don Estevan ferm, dat ik uwe voorwaarde -onderschrijf, wat zij ook wezen mag; laat mij haar dus oogenblikkelijk -kennen. - -De omzigtige Indiaan aarzelde, of veinsde althans te aarzelen, meer -dan drie minuten lang, die voor den Mexicaan eene eeuw schenen; -eindelijk hervatte hij op een toon van geruststelling: - ---Ik weet waar de twee jonge meisjes zich bevinden, die mijn broeder -te vergeefs zoekt. - -Bij deze verklaring vloog don Estevan op, alsof hij door eene -vergiftige slang gebeten werd. - ---Weet gij dat? riep hij, hem met kracht bij den arm grijpende en -strak aanziende. - ---Ik weet het, antwoordde Addick altoos bedaard. - ---Dat is onmogelijk. - -De Indiaan glimlachte met minachting. - ---Onder mijn opzigt en onder mijn geleide, zeide hij, zijn zij naar -de plaats gebragt waar zij zich thans bevinden. - ---En kunt gij mij daar ook brengen? - ---Dat kan ik. - ---Op het oogenblik? - ---Ja, mits gij mijne voorwaarden aanneemt. - ---Dat is waar, noem mij die dan. - ---Wat verkiest mijn broeder: die jonge meisjes, of de wraak? - ---De wraak! - ---Goed, dan blijven de jonge meisjes waar zij zijn; Addick en de -Roode-Wolf zijn ongehuwd, hunne calli's zijn ledig, zij hebben elk -eene vrouw noodig; de krijgslieden gaan op de jagt; de ciuatl maken -hunne spijzen gereed en zorgen voor de kleine kinderen. Heeft mijn -broeder mij begrepen? - -Deze woorden werden op zulk een zonderlingen toon van gewisheid -uitgesproken, dat de Mexicaan onwillekeurig sidderde; hij herstelde -zich echter terstond en vroeg: - ---Als ik uw voorstel aanneem, wat doet gij dan? - ---De Roode-Wolf heeft tweehonderd krijgslieden onder zijn bevel, -daar kan mijn broeder over beschikken om hem zijne wraak te helpen -uitvoeren. - -Don Estevan liet het hoofd op de beide handen zinken en zat -verscheidene minuten onbewegelijk; diezelfde man die eens tot den -dood zijner nicht besluiten kon, deinsde terug voor het onteerend -en verfoeijelijk voorstel dat hem gedaan werd; zulk eene voorwaarde -scheen hem erger dan de dood. - -De twee Indianen zaten te wachten, als stomme en schijnbaar -onverschillige getuigen van den heftigen strijd, gestreden in het -binnenste van den man, die voor hunne blikken sidderde en dien -zij zochten te verleiden; zij bespiedden de hagchelijke worsteling -tusschen zijne goede en booze neigingen, en berekenden in koelen -bloede de kans van het welslagen hunner snoode bedoelingen, terwijl -zij hunne hoop bouwden op de overwinning die het kwaad in zijn hart -behalen zou. De strijd duurde echter niet lang; don Estevan hief het -hoofd op en sprak met eene bedaarde stem en met een gelaat dat geen -de minste ontroering verried: - ---Welaan! het zij zoo, het lot is geworpen; ik neem uwe voorwaarde -aan en zal mijn woord houden; maar houdt gij eerst het uwe. - ---Dat zullen wij, antwoordden de Indianen. - ---Eer de zon achtmaal zal ondergaan, voegde Addick er bij, zullen de -vijanden mijns broeders in zijne magt zijn, en zal hij naar welgevallen -over hen kunnen beschikken. - ---Zeg mij intusschen wat ik doen moet, hervatte don Estevan. - ---Hoor ons ontwerp, zei Addick. - -En nu begonnen de drie mannen zamen het plan te overwegen dat zij -volgen zouden om het best hun doel te bereiken. Daar dit plan zich -echter weldra van zelf voor onze oogen zal ontwikkelen, zullen wij het -driemanschap rustig laten beraadslagen, om ons met andere personaadjes -bezig te houden, op welke wij volgens den loop van ons verhaal thans -moeten terugkomen. - - - - - - - -XXVI. - -EENE JAGT IN DE PRAIRIËN. - - -De personen in de tent van don Miguel vereenigd, konden hunne -verbazing, ja hun schrik niet verbergen bij de onverwachte verschijning -van Vrij-Kogel, die daar bleek, bloedend en met gescheurde kleederen -voor hen stond. - -De jager was aan den ingang der tent blijven staan en liet zijne -verwilderde blikken wankelmoedig rondweiden, terwijl zijn gelaat -allengs eene uitdrukking van diepe treurigheid en moedeloosheid aannam. - -Loer-Vogel en de anderen, ofschoon aan het wisselvallige leven der -woestijn gewoon en bezield met een moed die, in menige ruwe proef -gehard, zich niet ligt verwonderde of van vervaren wist, ontroerden -echter geweldig, en vermoedden een of ander groot ongeluk. - -Vrij-Kogel stond altoos even stom en onbewegelijk. - -Don Miguel was de eerste die zijne tegenwoordigheid van geest terug -kreeg en magt genoeg over zich zelven bekwam om den bloedenden man -te ondervragen. - ---Wat schort u, Vrij-Kogel? vroeg hij met eene stem die hij te -vergeefs ferm poogde te houden, welk noodlottig berigt schijnt gij -ons te komen brengen? - -De Canadees streek zich eenige keeren met de hand over het klamme -gelaat, en na nogmaals een onzekeren en verlegen blik in 't rond -te hebben geworpen, gelukte het hem eindelijk met eene doffe en -onduidelijke stem te antwoorden: - ---Ik heb u een verschrikkelijk nieuws aan te kondigen! - -Het hart van den Mexicaan kromp onwillekeurig ineen; hij overmande -echter zijne ontroering en antwoordde op kalmen toon en met een zucht -van onderwerping. - ---Laat het wezen wat het wil, wij moeten het welkom heeten, want wij -kunnen niets anders verwachten; spreek dus, vriend, wij hooren u aan. - -Vrij-Kogel aarzelde op nieuw, een koortsachtig rood vloog over zijn -gelaat, maar hij deed eene uiterste poging en sprak: - ---Ik heb u verraden! lafhartig verraden! - ---Gij! riepen al de aanwezigen, even ongeloovig als verbaasd de -schouders ophalend. - ---Ja, ik! - -Deze twee woorden werden uitgesproken op beslissenden toon, als -door iemand wiens partij reeds bepaaldelijk gekozen is, en die zich -ridderlijk verantwoordelijk stelt voor eene daad die hij inwendig -afkeurt. - -De aanwezigen zagen elkander twijfelmoedig aan. - ---Hm! mompelde Loer-Vogel somber het hoofd schuddend, ik zie wel daar -steekt iets onbegrijpelijks achter. Maar laat aan mij de zorg over om -het op te helderen, vervolgde hij tegen don Miguel, die zich gereed -maakte om den jager met nieuwe vragen te bestormen; ik weet het best -hoe ik hem aan 't spreken kan krijgen. - -De Mexicaan bewilligde met een stilzwijgenden wenk in dit verzoek en -liet zich op zijn leger van pantervellen terugzinken, ofschoon altijd -met een scherp uitvorschenden blik op den Canadees. - -Loer-Vogel stond op van den bisonsschedel waar hij tot hiertoe -op gezeten had, trad naar Vrij-Kogel en legde hem de hand op den -schouder. De Canadees sidderde bij deze vriendschappelijke aanraking, -hief het hoofd op en wierp een treurigen blik op den ouden jager. - ---Mijn hemel, Vrij-Kogel! riep deze met een bemoedigenden -lach, ik geloof waarachtig dat wij daar even onze ooren hebben -hooren tuiten. Zeg mij toch eens, mijn oude kameraad, wat is er -gebeurd? Waarom stelt gij u zoo verschrikt aan, alsof de hemel -ons op het hoofd zou vallen? Wat beduidt dat voorgewende verraad, -daar gij u zelven van beschuldigt en dat ik bij voorraad voor mijne -verantwoording neem, daar ik het geluk heb u sedert veertig jaren te -kennen; ik zeg u, het is eene schreeuwende onmogelijkheid. - ---Geef u maar niet zoo sterk bloot om mijnentwil, mijn broeder, -antwoordde Vrij-Kogel met eene holle stem, ik heb de wet der Prairiën -geschonden, ik heb verraad gepleegd, zeg ik u. - ---Maar in 's hemels naam, verklaar u dan! Gij zult toch ten onzen -nadeele geen verbond hebben gesloten met die honden van Apachen, -onze doodvijanden! zulk eene onderstelling zou al te belagchelijk zijn. - ---Ik deed erger dan dat. - ---O, o! maar wat deedt gij dan? - ---Ik heb.... begon Vrij-Kogel aarzelend. - ---Wat hebt gij? - -Hier kwam don Mariano op eens tusschenbeide. - ---Stilte! zeide hij met eene ferme stem; ik vermoed wat gij gedaan -hebt, en ik zeg er u dank voor; het is aan mij om u voor onze vrienden -te regtvaardigen, laat mij begaan. - -Aller blikken vestigden zich thans nieuwsgierig op den caballero. - ---Caballeros, hervatte hij, deze waardige man beschuldigt zich bij u -van verraad, terwijl hij mij een onberekenbare dienst heeft bewezen, -in een woord, hij heeft mijn broeder gered. - ---Kan dat mogelijk zijn? riep don Miguel driftig uit. - -Vrij-Kogel boog bevestigend het hoofd. - ---O! riep de Mexicaan, rampzalige! wat hebt gij gedaan? - ---Niet alzoo, don Leo. Ik heb geen broedermoorder willen -zijn! antwoordde don Mariano edelmoedig. - -Dit gezegde klonk onder deze mannen met leeuwenharten als een -donderslag; zij bogen onwillekeurig het hoofd, en sidderden tegen -wil en dank. - ---Verwijt den edelen en trouwhartigen jager niet, dat hij dien -ellendeling gespaard heeft, hervatte don Mariano. Is de rampzalige -niet reeds genoeg gestraft? Zal de harde les die hij ontving hem niet -tot voldoende waarschuwing strekken? Genoodzaakt om zich overwonnen -te erkennen, en gebukt onder schande en zelfverwijt, zwerft hij -thans onder het alziend oog van den almagtigen God, die, wanneer -zijn uur eenmaal daar is, hem wel voor zijne wandaden zal weten te -straffen! Voortaan hebben wij van don Estevan niets meer te duchten; -nooit zal hij zich weder op onzen weg durven vertoonen. - ---Houd op! riep Vrij-Kogel, hem met heftigheid in de rede vallende; -kon het zoo zijn als gij zegt, dan zou ik mij niet zoo bitter verwijten -dat ik uw bevel heb gehoorzaamd. Neen, neen, don Mariano, ik had u -dit moeten weigeren. Dood aan het ondier! Weet gij wat die man gedaan -heeft? Naauwelijks zag hij zich, door mijn toedoen, in vrijheid, of -hij vergat oogenblikkelijk dat ik zijn redder was geweest, en poogde -mij op eene verraderlijke wijs het leven te ontrukken, dat ik hem had -terug gegeven. Zie deze gapende wond op mijn hoofd, vervolgde hij, -met een duw het verband wegrukkende dat om zijn hoofd was gelegd, -dat is het bewijs der dankbaarheid dat hij mij heeft achtergelaten -eer hij wegging. - -Al de aanwezigen deden een uitroep van afgrijzen. - -Vrij-Kogel, wiens beklemming intusschen geweken was, verhaalde thans -tot in de kleinste bijzonderheden alles wat er had plaats gehad. - -De jagers luisterden met de grootste aandacht en toen hij zijn verslag -had gedaan bleef alles nog een poos stil. - ---Wat zullen wij doen? begon eindelijk don Miguel treurig; nu kunnen -wij weder van voren af aan beginnen; een ding is vooreerst zeker, -het ontbreekt in de Prairie niet aan slecht volk waarmede die man -zich verbinden kan. - -Don Mariano, door het gehoorde geheel overstelpt, bleef somber en -sprakeloos en nam geen deel aan de beraadslaging, daar hij voor -zich zelve moest bekennen een misslag begaan te hebben, maar geen -moeds genoeg had om er openlijk voor uit te komen en zoodoende -de verantwoordelijkheid op zich te nemen van het vonnis door de -woudloopers over zijn broeder uitgesproken. - ---Wij moeten er een einde aan maken, zeide Loer-Vogel, want de -oogenblikken zijn kostbaar; wie weet wat de schurk doet, terwijl wij -hier staan te overleggen. Laten wij het kamp ten spoedigste opbreken -en ons naar Quiepa-Tani begeven, de jonge meisjes moeten onverwijld -gered worden; wat ons betreft, wij zullen de misdadige kuiperijen van -den onverlaat wel weten te leur te stellen, wanneer zij regtstreeks -tegen ons gewend worden. - ---Ja! riep don Miguel, op weg! onverwijld op weg! geve God dat wij -nog tijdig genoeg aankomen! - -En hiermede zijne zwakheid en zijne wonden vergetende, stond hij -driftig en vastberaden op. Vrij-Kogel hield hem terug; de oude jager, -van den last der verantwoording ontheven, die zoo zwaar op zijn -geweten drukte, had al zijne stoutmoedigheid en vrijheid van denken -terug gekregen. - ---Met uw verlof, zeide hij, wij hebben met een sterke partij te doen, -laten wij daarom niet ligtvaardig te werk gaan en wel toezien dat -wij ons niet laten bedriegen; ik stel u dus het volgende voor: - ---Spreek! riep don Leo. - ---Naar al hetgeen mij van deze ongelukkige historie bekend is, hebt -gij, don Miguel, geholpen door mijn vriend Loer-Vogel, de beide -meisjes verborgen op eene plaats waar gij ze buiten het bereik van -uw vijand acht. - ---Ja, antwoordde don Leo, ten minste zoo zij niet verraden worden. - ---Op de mogelijkheid van verraad moet men in de woestijn altoos -rekenen, hervatte de oude jager stoutweg, gij hebt er in mij het bewijs -van, verdubbelen wij dus onze voorzorg; don Miguel en zijn troep -moeten, onder mijn geleide, dadelijk op weg gaan om don Stefano te -vervolgen; geloof mij, het gewigtigste punt voor ons is, dat wij ons -van den aartsschelm persoonlijk verzekeren, en bij God! om dit doel -te bereiken zweer ik u dat ik alles doen zal wat menschelijkerwijs -gedaan kan worden; ik voor mij, heb thans eene verschrikkelijke -rekening met hem te vereffenen, voegde hij er bij, op een toon van -moeijelijk verkropten haat, dien niemand kon misverstaan. - ---Maar de meisjes dan? riep don Leo. - ---Geduld, don Miguel; als gij zooveel kracht bezat als goeden wil, -zou ik u de eer hebben voorbehouden om haar in het toevlugtsoord te -gaan opsporen dat gij zoo schrander voor haar hebt uitgekozen; maar -deze taak zou voor u te zwaar zijn: laat dus aan Loer-Vogel de zorg -over om die te volbrengen, wees verzekerd dat hij er zich behoorlijk -van zal kwijten. - -Don Leo de Torres stond eene poos in somber gepeins -verzonken. Loer-Vogel greep hem bij de hand, en die met warmte -drukkende, zeide hij: - ---De raad van Vrij-Kogel is zeer goed; in de tegenwoordige -omstandigheden is het de eenige dien wij volgen kunnen; wij moeten -tegenover onze vijanden fijn tegen fijn spelen om hunne listen te -verschalken. Laat dat maar aan mij over; ik draag niet te vergeefs -den naam van spoorzoeker; ik zweer u op mijn woord en mijn leven, -dat ik u de jonge meisjes terug zal brengen. - -Don Leo zuchtte. - ---Doe dan maar zoo als gij het begrijpt, zeide hij op treurigen toon, -daar mijne zwakheid mij tot werkeloosheid doemt. - ---Goed! don Leo, riep don Mariano, ik zie thans dat uwe bedoelingen -loyaal zijn, ik zeg u dank voor uwe zelfverloochening. Wat u aangaat, -brave vriend, vervolgde hij, zich tot Loer-Vogel wendende; al ben ik -oud en weinig aan het woestijnleven gewoon, wil ik u nogtans verzellen. - ---Uw verlangen is billijk, Senor, ik heb het regt niet om er mij tegen -te verzetten, daar het hier de redding van uw eigene dochter geldt; -de vermoeienissen en gevaren die gij met deze onderneming trotseert, -zullen uw geluk vergrooten, wanneer het mij gelukken mag uwe dochter -in uwe armen terug te voeren. - ---Thans, Loer-Vogel, zei de oude jager, moet gij, daar gij weet welke -rigting gij nemen zult, ons de plaats aanwijzen waar wij elkander -kunnen wedervinden, nadat ieder van ons de taak zal hebben volvoerd -die hem is opgedragen. - ---Dat is waar ook, antwoordde de Canadees, dat is van zeer veel -belang, het zou zelfs raadzaam zijn dat een gedeelte der karavaan -van don Miguel zich afzonderde en nu reeds naar het door u te bepalen -punt vertrok, om er een kamp te vestigen, waar, in geval van nood of -onvoorziene ongelukken, iedere afdeeling de noodige hulp of versterking -kon vinden. - ---Zeer goed gezien, zeide don Miguel; wijs mij de plaats slechts -waar gij wilt kamperen, Loer-Vogel, en onmiddelijk rukken vijftien -mijner onverschrokkenste mannen uit, om zich te bevinden waar hunne -tegenwoordigheid het meeste noodig zal zijn. - ---Wij voeren een geregelden oorlog, verliezen wij dit niet uit het oog; -laten wij dus geen enkele voorzorg verzuimen. Zoo gij het goedvindt, -don Miguel, moet Ruperto, die een geoefende bisonsjager is, het -kommando over uw detachement op zich nemen, en oogenblikkelijk op -marsch gaan naar Amaxtlan [13]. - ---O, die plaats is mij zeer goed bekend, viel Ruperto hem in de rede; -daar heb ik zoo dikwijls op bevers en otters gejaagd. - ---Dat komt dus juist van pas, hervatte Loer-Vogel; verder heb ik -u dit nog te zeggen: wat er ook gebeure, heden over eene maand -moeten wij allen ons in het kampement bevinden, tenzij een of ander -ernstig beletsel ons verhindere, en in dat geval moet het ontbrekende -detachement eene estafette naar Ruperto afzenden, om van de reden -der afwezigheid kennis te geven. Zijn wij thans afgesproken? - ---Ja, antwoordden al de aanwezigen. - ---Maar, liet don Miguel er op volgen, gij vertrekt immers niet met -don Mariano alleen, denk ik? - ---Neen, ik neem Domingo mede, dien ik om zekere mij bekende redenen -liefst op den duur bij mij heb. Ook de twee bedienden van don Mariano -zullen mij volgen, dat zijn dappere en getrouwe mannen, meer volk -heb ik niet noodig. - ---Dat is te weinig, riep don Miguel. - -De oude jager meesmuilde, met een lach die zich moeijelijk laat -beschrijven. - ---Hoe minder hoe beter, voor de gevaarlijke onderneming die wij -beginnen, zeide hij: onze kleine troep zal ongemerkt kunnen doorgaan, -waar een talrijker troep het niet zou kunnen; laat dat slechts aan -mij over. - ---Ik heb er nog maar een paar woorden bij te voegen. - ---Spreek. - ---Ik hoop dat gij slagen moogt. - -De Canadees glimlachte op nieuw, maar ditmaal met een medelijdenden -blik. - ---Ik zal slagen! antwoordde hij, terwijl hij met kracht de hand drukte -die zijn vriend hem toestak. - -De beide mannen hadden elkander begrepen. - -Don Leo ging nu de tent uit. - -Weldra kwam het gansche kamp in beweging. De Gambucinos gingen -druk aan 't werk om de verschansingen te slechten en af te breken, -de wagens te laden, de paarden te zadelen en wat meer te doen was; -kortom, ieder maakte zich gereed op een overhaast vertrek. - ---Heb ik u niet hooren zeggen, vroeg Loer-Vogel aan zijn ouden -kameraad, dat gij door den Vliegenden-Arend zijt bijgeholpen? - ---Ja, zei Vrij-Kogel. - ---Heeft het opperhoofd zich dan reeds van u gescheiden? - ---Geenszins; hij is mij naar het kamp gevolgd, en zijne vrouw ook. - ---God zij geloofd! die zal mij in mijne onderneming kunnen bijstaan; -hij is een dapper en beproefd krijgsman; zijne hulp is, zoo ik meen, -voor het gelukken van mijn plan hoogst noodig. Waar is hij? - ---Hier digt bij, gaan wij zamen naar hem toe, ik heb hem ook nog iets -te zeggen. - -De beide jagers verlieten de groote tent; weldra zagen zij den -Vliegenden-Arend voor zijn vuur zitten, bedaard zijne calumet rookende; -de Wilde-Roos zat stil naast hem, gereed om op zijne minste wenken -te letten. - -Toen het opperhoofd de jagers zag aankomen, legden hij zijn pijp neer -en groette hen beleefd. - -Vrij-Kogel wist dat de Comanch reeds verscheidene proeven genomen -had, om het spoor te ontdekken dat don Estevan bij zijne vlugt had -nagelaten; van den uitslag dezer proeven dacht hij zich te bedienen -om zijn vijand verder op te sporen en na te zetten. - -Het opperhoofd gaf hem onverwijld de noodige inlichtingen, en stelde -hem het papier ter hand waarop hij zijn onderzoek had geteekend; de -jager stak het zorgvuldig in zijn borstzak en prevelde met blijkbare -zelfvoldoening: - ---Ha ha! met deze teregtwijzingen zal ik het eerste gedeelte van zijn -spoor wel vinden, en met Gods hulp weldra het overige. - -Intusschen had Loer-Vogel zich naast den Vliegenden-Arend nedergezet. - ---Blijft mijn roode broeder nog altijd bij zijn voornemen om naar -zijn stam terug te keeren? vroeg hij. - ---De Sachem is reeds sedert lang aanwezig, antwoordde de Indiaan; -zijne kinderen verlangen zeer om hem weder te zien. - ---Goed! zei de jager, dat behoort ook zoo: de Vliegende-Arend is een -beroemd opperhoofd, zijne kinderen hebben hem noodig. - ---De Comanchen zijn te verstandig om mij noodig te hebben, de -afwezigheid van een enkel krijgsman meer of min maakt voor hen niet -veel uit. - ---Mijn broeder is wel nederig, maar zijn hart verlangt toch naar het -dorp zijner vaderen. - ---Zoo doen immers alle menschen? - ---Dat is waar, de liefde tot zijn land is den mensch aangeboren. - ---Gaan de bleekgezigten hun kamp opbreken? - ---Ja. - ---Trekken zij naar den kant van het groote zoutmeer naar hunne steenen -dorpen terug? - ---Neen, zij gaan op een groote bisonsjagt uit, in de prairiën, aan -de overzijde van de "groote rivier met de gouden golven." - ---Ooah! riep het opperhoofd met zekere teleurstelling; dan zullen er -vrij wat manen verloopen eer ik mijn broeder wederzie. - ---Hoedat, hoofdman? - ---Gaat de groote jager dan niet mede met zijne broeders? - ---Neen, zei Loer-Vogel kortaf. - ---Ooah! mijn broeder schertst; wat zullen de bleekgezigten doen -wanneer hij hen niet vergezelt? - ---Ik ga naar den kant der zon. - -De Indiaan ontstelde en keek den spreker aan met een doordringenden -blik. - ---Naar den kant der zon! prevelde hij in zich zelven. - ---Ja, hernam Loer-Vogel, naar de altoos groene prairiën in het land -van Acatlan [14] aan de boorden van de schoone rivier Atonatiuh [15]. - -Een koude rilling liep den Indiaan over het lijf, maar Loer-Vogel hield -zich alsof hij er niets van bemerkte, ofschoon hij de verschillende -gemoedsbewegingen van den Sachem naauwkeurig gadesloeg, wat moeite -deze ook aanwendde om zijn gelaat in een strakken plooi te zetten. - ---Mijn broeder doet verkeerd, riep hij een oogenblik later. - ---Waarom? - ---Mijn broeder weet zeker niet dat het land waarvan hij spreekt heilig -is; noch nooit heeft de voet van een blanke het ongestraft betreden. - ---Dat weet ik, antwoordde de jager onverstoord. - ---Weet mijn broeder het, en blijft hij dan toch bij zijn plan om er -heen te gaan! - ---Ja. - -Nu volgden er tusschen de twee mannen eenige minuten van diep -stilzwijgen; de Indiaan blies met snelle teugen den rook uit zijn -calumet. Hij scheen zijne ongerustheid niet meester te kunnen -worden. Eindelijk nam hij het woord weder op: - ---Ieder onzer heeft zijne lotsbestemming, zeide hij op dien ernstigen -toon die aan de Indianen bijzonder eigen is, mijn broeder stelt zonder -twijfel groot belang in deze reis? - ---Uitermate; ofschoon ten volle bekend met het gevaar dat mij in -die streek wacht, ga ik er heen voor zaken van het grootste gewigt, -en gedreven door een wil die sterker is dan de mijne. - ---Goed! ik verlang niet om in de geheimen mijns broeders door te -dringen: het hart van een mensch komt hem zelven toe, hij alleen kan -er in lezen; de Vliegende-Arend is een magtige Sachem, hij zelf moet -ook dien weg uit, en zal zijn blanken broeder beschermen, mits zijne -bedoelingen edel en goed zijn. - ---Dat zijn ze. - ---Ooah! Mijn broeder heeft het woord van een opperhoofd. Ik heb gezegd. - -Na deze woorden gesproken te hebben, nam de Indiaan zijn calumet -weder op en rookte stil voort. Loer-Vogel was te goed met de zeden der -Indianen bekend om hem langer lastig te vallen; hij stond vrolijk op, -wel voldaan dat het hem gelukt was zich de medewerking van zulk een -magtigen bondgenoot te verzekeren, en haastte zich met het noodige -voor zijn vertrek gereed te maken. - -Op hunne beurt, waren de Gambucinos gedurende het bovengemeld gesprek -niet werkeloos gebleven; don Miguel, of don Leo, zoo als de lezer -hem noemen wil, had zijn volk zoo sterk aangezet, dat alles reeds -klaar stond: de wagens bespannen en beladen, de ruiters in den zadel, -met de karabijn op den regter dij, slechts wachtend op het eerste -signaal tot den marsch. - -Don Miguel koos onder zijne bende een vijftiental oude, in den krijg -geoefende, en met al de listen der Indianen bekende Gambucinos uit, -op welke hij meende het meest te kunnen rekenen; hij voegde hun eenige -woorden toe om hem zijne voornemens te doen kennen, en stelde hen -onder kommando van Ruperto, met uitdrukkelijken last hem in alles te -gehoorzamen, zoo goed alsof hij zelf hun aanvoerder was; dit zwoeren -hem de Gambucinos met een luid hoerah. - -Na het volbrengen van dezen pligt, riep hij Domingo tot zich. De -mesties naderde zijn chef met dien tragen sluipenden tred, die hem -bijzonder eigen was, en wachtte eerbiedig op de bevelen die hij -ontvangen zou. - -Toen Domingo wist wat men van hem verlangde, gevoelde hij zich alles -behalve gevleid door de vertrouwelijke zending waarmede zijn meester -hem belastte, des te minder daar het hem weinig beviel onder het -onmiddelijk toezigt van Loer-Vogel te staan, wiens doordringenden -blik hij nooit zonder lastige zenuwtrekkingen verdragen kon, en wiens -gestrenge waakzaamheid bijzonder geschikt was om zijne sluipgangen te -belemmeren; daar hij echter geen kans zag om de stellige bevelen van -don Miguel openlijk te trotseren, zette de waardige Gambucino tegenover -zijn onverbiddelijk noodlot een moedig hart, zich in stilte belovende -wel op zijne hoede te zijn en zijne omzigtigheid te verdubbelen. - -Nadat don Miguel zich van zijne taak als chef op eene verstandige wijs -gekweten had, steeg hij te paard, hetgeen echter niet zonder moeite -ging, uit hoofde der voortdurende zwakheid, ten gevolge zijner nog -niet volkomen geheelde wonden. - -Hij stelde zich aan het hoofd van zijn troep aan de regterhand van -Vrij-Kogel, wuifde don Mariano en Loer-Vogel een laatst vaarwel toe, -en gaf het sein tot den afmarsch. - -De beide afdeelingen gingen gelijktijdig op weg: die onder kommando -van Ruperto links in de rigting der bergen en die onder Vrij-Kogel, -vooreerst langs den oever der Rubio. - -In het kamp bleef niemand achter, dan Loer-Vogel, don Mariano, -de Vliegende-Arend en de Wilde-Roos, behalve de twee bedienden en -de Gambucino Domingo, die met nijdige blikken zijne vertrekkende -kameraden nastaarde, terwijl deze zich meer en meer verwijderden en -weldra geheel verdwenen. - -Dit laatste troepje bestond derhalve uit zes mannen en eene vrouw, -in alles zeven personen. - -De oude jager had zijne geheime redenen waarom hij niet verkoos op -weg te gaan voor dat de zon onder was en het geheel donker zou zijn. - -Naauwelijks was de dagtoorts aan den benevelden horizont verdwenen, -of de nacht daalde snel en het landschap werd bijna oogenblikkelijk -in diepe duisternis gedompeld. - -Wij hebben reeds meermalen doen opmerken, dat op de lagere breedten -tusschen de keerkringen, de schemering niet bestaat, of ten minste -zoo gering en kort van duur is, dat de nacht om zoo te zeggen zonder -overgang op den dag volgt. - -Loer-Vogel had sedert het vertrek der beide eerste detachementen -geen woord gesproken en geen voet verzet; zijne kameraden hadden, -zonder twijfel om gelijksoortige redenen als de zijne, dit gedrag -van hun kommandant stilzwijgend gevolgd; maar zoodra was de nacht -niet gedaald, of de jager scheen te ontwaken. - ---Op marsch! riep hij met eene krachtige stem. - -Allen stonden op. - -De oude jager wierp een bespiedenden blik in het rond. - ---Laat uwe paarden maar hier, zeide hij, wij hebben die niet noodig: -het is geen reis die wij thans beginnen, maar een menschenjagt; -wij moeten vrij zijn in al onze bewegingen, en het spoor dat wij -volgen is moeijelijk. Juanito, gij moet bij de paarden blijven, -tot gij nadere bevelen van ons ontvangen zult. - -De knecht was blijkbaar ontevreden. - ---Ik zou liever mede zijn gegaan en mijn meester niet verlaten hebben, -zeide hij. - ---Dat begrijp ik, maar ik heb een moedig en cordaat man noodig om op -deze dieren te passen, en wist daarvoor niemand beter te vinden dan -u; overigens hoop ik dat gij niet lang alleen zult blijven; daar wij -intusschen niet weten welken weg wij volgen of welke hindernissen wij -ontmoeten zullen, moet gij u eene hut bouwen. Gij kunt op de jagt gaan -en alles doen wat gij goedvindt, maar onthoud, dat gij hier niet van -daan moogt zonder mijn order. - ---Accoord, compadre, antwoordde Juanito, gij kunt gerust vertrekken; -al zou uwe reis ook zes maanden duren, kunt gij zeker zijn dat gij -mij hier bij uwe terugkomst vinden zult. - ---Goed, zei Loer-Vogel, ik maak staat op u. - -Thans floot hij, en oogenblikkelijk kwam zijn mustang naar hem toe, -legde zijn schranderen kop op den schouder van zijn meester die hem met -de hand streelde en zachte woordjes gaf. Het was een edel dier, vrij -groot van stuk, met een klein hoofd, maar vurig schitterende oogen; -zijn breede borst en fijne, maar sterk gespierde beenen kenmerkten -hem als eenen onvermoeiden draver. Loer-Vogel nam de reata, of lasso -die aan den zadelknop hing en wikkelde zich dien om het lijf, en met -een zacht klopje op het kruis van den mustang, zag hij hem met zeker -verdriet van zich wegstappen. - -De togtgenooten van Loer-Vogel hadden, behalve hunne wapenen, den -noodigen voorraad levensmiddelen bij zich, bestaande in pemmican of -gedroogd en fijn gestampt bisonvleesch--en gerooste maïskorrels. - ---Gaan wij op marsch! riep de Canadees terwijl hij zijn buks -schouderde. - ---Op marsch! herhaalden de anderen. - ---Goede reis en welslagen! riep Juanito met een gesmoorden zucht, -die duidelijk genoeg te kennen gaf hoe leed het hem was dat hij niet -met hen mogt medegaan. - ---Dankje! antwoordden de avonturiers. - -Zoodra zij het kamp verlaten hadden, namen zij de zoogenaamde -Indiaansche linie te baat, dat is, zij marcheerden achter elkander, -zoodat de tweede man juist in de voetstappen trad van den eersten, de -derde in die van den tweeden, en zoo vervolgens tot aan den zesden of -laatsten, met dien verstande, dat deze zooveel mogelijk de voetsporen -uitwischte door hem en de vorigen op den weg achtergelaten. - -Juanito volgde hen eenige minuten met leede oogen tot zij den heuvel -af waren waarop het kamp gelegen was, en vlijde zich toen druiloorig -bij het vuur neder. - ---Hm! bromde hij, ik zal het hier wel eenzaam en eentoonig hebben; -enfin, wat zal ik er tegen doen, het kan niet anders! - -Met deze philosofische aanmerking stak de deftige Mexicaan zijne -cigarette op en begon vreedzaam te rooken, naar de blaauwe kringetjes -turende, die in het schijnsel van zijn vuur zigtbaar waren en door -het zagte avondkoeltje in alle rigtingen werden voortgedreven. Hij -genoot den geur van zijn zuivere Havana tabak, met de stelselmatige -kalmte van een echt Indiaanschen Sagamore (Sachem). - - - - - - - -XXVII. - -EENE JAGT IN DE PRAIRIËN. (Vervolg). - - -In de Nieuwe wereld reizende, namelijk als men op Indiaansch -grondgebied komt en niet gaarne door de Roodhuiden wil zijn opgespoord, -moet men wel zorg dragen zijn togt in eene tegengestelde rigting te -beginnen, b. v. wanneer men naar het westen gaat moet men doen als of -men naar het oosten trok, met andere woorden, de zelfde manoeuvre in -acht nemen als een schip, dat door tegenwind overvallen, verpligt is -te laveeren, en telkens een halven gang naar den anderen oever moet -maken, om langzamerhand en ongemerkt het punt te bereiken waar men -eigenlijk wezen wil. - -Loer-Vogel was te goed met de sluwheid en de listen der Indianen -bekend, om niet op deze wijs te werk te gaan. Ofschoon de -tegenwoordigheid van den Vliegenden-Arend eenigermate een waarborg -was voor de veiligheid van den behoedzamen Canadees, wist hij echter -weinig met welke Indiaansche horde hij welligt in aanraking zou komen, -en besloot hij het zoo aan te leggen, dat hij door geen hunner kon -worden ontdekt of met list overrompeld. - -Fenimore Cooper, de onsterfelijke beschrijver der Indianen in -Noord-Amerika, heeft ons in zijne voortreffelijke werken met de -listen der Tuscaroras, Moëganen en Hurons bekend gemaakt, wanneer deze -schrandere wilden de nasporingen hunner vijanden zoeken te ontgaan; -maar bij al onze bewondering voor de behendigheid van den jongen Uncas, -die heerlijke type van het volk der Delawaren--wier laatste held hij -echter niet geweest is, daar deze stam, ofschoon in geringen getale, -nog heden bestaat--moeten wij zeggen, dat de Indianen op het gebied -der Vereenigde Staten, slechts kinderen zijn in vergelijking van -de Comanchen, de Apachen, de Pawnees, en andere volken in de groote -Prairiën ten westen van Mexico, die overigens in ieder opzigt hunne -meesters mogen genoemd worden. De reden hiervan is hoogst eenvoudig -en laat zich ligt begrijpen. - -De stammen van het Noorden hebben nimmer een geregelden of magtigen -staat uitgemaakt, elk derzelven hield zich afzonderlijk en bestuurde -zich, om zoo te zeggen, naar de luimen zijner beperkte behoeften; -de familie-hoofden of individus uit welke zij bestaan vereenigen -zich zelden met hunne naburen en leiden sedert onheugelijke tijden -een rusteloos nomadenleven. Ook hebben zij nooit anders bezeten -dan de, wel is waar, zeer ontwikkelde natuurlijke eigenschappen van -menschen, die gestadig in de wouden en wildernissen leven, namelijk -eene verbazende vlugheid in 't loopen, een allerfijnst gehoor en een -scherpte van gezigt die aan het wonderdadige grenst, eigenschappen in -een woord, die men ook bij de Arabieren vindt en, over 't algemeen, -bij zwervende volken in iederen hoek der aarde. - -Wat hunne slimheid en behendigheid betreft, zij hebben die van de -wilde dieren geleerd, en behoefden deze slechts na te volgen. - -De Indianen in Mexico bezitten, behalve de boven aangeduide -hoedanigheden, nog overblijfsels eener vroegere, vrij ver gevorderde -beschaving, die sedert de verovering door de Spanjaarden zich wel in -ontoegankelijke schuilhoeken heeft teruggetrokken, maar met dat al -werkelijk bestaat. - -De afzonderlijke stammen beschouwen zich onderling als een geheel: -het volk. - -Dit Amerikaansche volk, voortdurend in strijd aan de eene zijde met -de Spanjaarden en aan de andere met de wilde stammen van het Noorden, -heeft zich gedrongen gezien om zijne krachten te verdubbelen, ten einde -deze twee geduchte vijanden het hoofd te bieden; hunne nakomelingen, -hebben van lieverlede afgelegd wat in hunne zeden schadelijk was, en -daarentegen die hunner onderdrukkers aangenomen, om hen als het ware -met hunne eigen wapenen te bestrijden; deze taktiek hebben zij zoo ver -weten te drijven, dat zij niet alleen voor het vreemde juk, ja voor -een geheelen ondergang zijn bewaard gebleven, maar tevens volleerde -meesters zijn geworden in het uitvinden van de fijnste sluipmiddelen -en krijgslisten; hunne ideeën hebben zich allengs uitgebreid, hun -verstand is ontwikkeld en zij overtreffen, als men het zoo noemen kan, -hunne vijanden in diplomatische behendigheid. Dit alles is zoo waar, -dat het de meer beschaafde indringers uit Europa niet alleen nimmer -gelukt is hen ten onder te brengen, maar zelfs niet om zich van hunne -periodieke invallen te ontslaan, welke invallen de Comanchen, in hunne -verbloemde taal, de Mexicaansche maan noemen, en gedurende welke zij -straffeloos alles verwoesten wat zij op hun doortogt ontmoeten. - -Kan men werkelijk als wilden beschouwen, menschen, die voorheen -door den schrik der hun onbekende vuurwapenen en bij het zien -van paarden,--een dierensoort welker bestaan hun niet eens bekend -was,--gedwongen werden zich in het ontoegankelijke gebergte terug -te trekken, maar des ondanks, hun terrein voet voor voet bleven -verdedigen en in sommige streken zelfs geslaagd zijn om hun oude -grondgebied te heroveren? - -Wij weten, beter misschien dan iemand, dat er in Amerika wilden bestaan -in den volsten zin van dit woord; maar wat dezen betreft, men heeft -ze goedkoop genoeg en met iederen dag verdwijnen zij meer en meer -van den natuurlijken bodem, daar zij noch verstand, noch veerkracht -genoeg bezitten om zich te verdedigen of te handhaven. Deze wilden -waren, eer zij aan de Spanjaarden en Engelschen onderworpen werden, -reeds lang te voren cijnsbaar aan de Mexicanen, de Peruanen en de -Auracaniers van Chili, en dat wel ten gevolge van hun lagen trap van -ontwikkeling, die hen bijna met het dier gelijk maakt. - -Men moet deze zwervende horden of Amerikaansche Iloten die slechts -eene uitzondering op den regel zijn, niet verwarren met de groote, -ongetemde natiën welker zeden wij hier trachten te beschrijven--zeden -die met den dag veranderen en verbeteren; want in weerwil hunner -pogingen om zich aan haar invloed te onttrekken--wint de Europesche -beschaving--die zij uit erfelijken haat tegen de eerste veroveraars -en tegen het blanke ras in 't algemeen, meer dan om eenige andere -reden verachten--onder de Roodhuiden gedurig veld, en omringt en -overvleugelt hen van alle kanten, om zoo te zeggen tegen wil en dank. - -Als dit zoo voortgaat, zullen er welligt geen honderd jaren meer -verloopen eer deze half beschaafde vrije Indianen,--die in hun vuist -lagchen over den verwarden toestand en onderlinge oorlogen der hun -omringende kleine republieken, of van den wankelenden colossus der -Vereenigde Staten die hun bedreigt,--hun natuurlijken rang in de wereld -hernemen, en alsdan het hoofd hoog opsteken. Zulk eene uitkomst ware -niet meer dan billijk, want het zijn heldhaftige menschen, rijk aan -natuurlijke gaven, bekwaam, welgezind, ondernemend en tot allerlei -groote dingen in staat. - -Te Mexico zelve, sedert het oogenblik dat dit land voor zelfstandigheid -rijp geworden, zich als Spaansche kolonie onafhankelijk verklaarde van -het moederland, behoorden de uitstekendste mannen, die hetzij in de -kunsten, in de diplomatie, of in den oorlog hebben uitgeblonken, tot -het zuivere Indiaansche ras. Tot bewijs van deze bewering, behoeven -wij slechts een enkel feit van de hoogste beteekenis aan te voeren: -de beste historie van Zuid-Amerika die tot hiertoe in de Spaansche -taal het licht zag, werd geschreven door een Inca: Garcilasso de -Vega! Is dit bewijs niet afdoende? en wordt het niet meer dan tijd -om de ongerijmde theoriën den bodem in te slaan, welke trachten vol -te houden, dat het roode menschenras, als een verbasterd of mislukt -natuurproduct, ongeschikt is voor ontwikkeling of verbetering, en -onherroepelijk gedoemd zou zijn om van het aardrijk te verdwijnen! - -Na deze lange uitweiding, te lang misschien voor het ongeduld -van sommige lezers, maar tot regt verstand der volgende feiten -onontbeerlijk, hervatten wij thans den draad van ons verhaal, waar -wij dien hadden afgebroken. - -Na een vermoeijenden marsch van drie uren door het hooge prairiegras, -bereikten onze avonturiers de eerste grenspalen die zij wenschten -te overschrijden. - -Tegen middernacht, nadat Loer-Vogel zijne kameraden twee uren rust -had vergund, werd de togt hervat. - -Met het opgaan der zon kwamen zij aan een soort van carno, of keel, -gevormd door twee loodregte rotswanden, en waren zij verpligt om vier -uren lang door het bed van een half uitgedroogden stroom te trekken, -of liever te waden, waar echter hunne stappen gelukkig geen zigtbaar -spoor konden nalaten. - -Gedurende verscheidene dagen ging de togt door steile en eenzame -gebergten, onder de grootste bezwaren en vermoeijenissen, maar -overigens zonder eenig meldenswaardig voorval op te leveren. Eindelijk -bevonden zij zich op nieuw in de zoogenaamde tierras calientes; alles -was hier weder groen en een weldadige warmte deed haar koesterenden -invloed met kracht gevoelen; ook onze avonturiers die in de hooge -streken der Serrania veel van de koude hadden moeten verduren, -ondervonden een onbeschrijfelijk genot bij het inademen der zachte -en balsemieke lucht, onder dien helder blaauwen hemel en prachtigen -zonneschijn, in plaats van het dof grijze luchtgewelf en den bekrompen -met ijzel en motregen bezwangerden horizont, tusschen de bergspitsen -en rotskloven, die zij thans achter den rug hadden. - -Aan het einde van den vierden dag, nadat zij de bergen door waren, -slaakte Loer-Vogel een kreet van verrassing en zelfvoldoening, toen -hij in de blaauwe verte der prairie de eerste voorposten zag van een -onmetelijk woud, dat hij zoo reikhalzend had gezocht en aanvankelijk -het doel van zijn togt was geweest. - ---Schep moed! mijne vrienden, riep hij, wij krijgen nu spoedig de -verfrisschende schaduw die ons hier ontbreekt. - -Zonder te antwoorden, versnelden zijne kameraden hun pas, als mannen -die de hun voorgespiegelde belofte op prijs stelden. - -De nacht was reeds volkomen gedaald toen zij, niet het bosch, maar -den oever eener vrij breede rivier bereikten, wier nabijheid zij door -het hoogstaand prairiegras niet hadden bemerkt, voor dat zij op eenige -passen afstands het zacht stroomende water op den bergachtigen oever -hoorden kabbelen. De Canadees besloot echter tot den volgenden morgen -te wachten om naar eene waadbare plaats te zoeken. - -Men kampeerde dus; maar uit voorzorg werd er geen vuur ontstoken, -en onze avonturiers, na een sober maal te hebben genoten, wikkelden -zich in hunne zarapé's en sliepen weldra in. - -Loer-Vogel was de eenige die bleef waken. - -Intusschen zakte de maan naar den horizont, de sterren begonnen te -verbleeken en zich in de diepte des hemels te verliezen; den jager, -overstelpt door afmatting, vielen de oogen toe en hij zou voor een -korte poos zijn ingeslapen, toen hij op eens door een vreemdsoortig -geluid werd wakker geschrikt; hij sprong op als door een elektrieken -schok getroffen en spitste de ooren. Eene zachte trilling doorliep -het riet aan de boorden der rivier, welker kalme wateren zich als een -zilver lint door de vlakte kronkelden. Geen briesje bewoog de lucht. - -De jager trad naar den Vliegenden-Arend en legde hem de hand op den -schouder; deze opende de oogen en zag hem aan. - ---De Indianen! fluisterde de Canadees hem in 't oor. - -Thans op handen en knieën naar de rivier kruipende, begaf hij zich -te water. - -Schuw zag hij in alle rigtingen rond. - -De maan verspreidde nog licht genoeg om het landschap tot op verren -afstand te herkennen. - -Hoe naauwlettend echter de jager rondkeek en de omstreken opnam, -hij zag niets. Alles was kalm. Hij wachtte een geruime poos, met -strakken blik en scherp luisterend oor. - -Er verliep een half uur, zonder dat het geluid waardoor hij was -opgewekt zich vernieuwde. Wat hij ook luisteren mogt, geen het minste -gerucht stoorde de stilte van den nacht. - -Met dat al was Loer-Vogel overtuigd dat hij zich niet bedrogen -kon hebben. In de wildernis hebben alle geluiden eene natuurlijke -oorzaak; dit weten de jagers, en daarbij hebben zij ieder geluid -leeren onderscheiden, zonder zich ooit te vergissen. - -Gedurende al dien tijd stond de Canadees tot aan de heupen in 't water; -in Amerika, al zijn de dagen er snik heet, is de nacht daarentegen -buitengemeen koel; Loer-Vogel voelde dus eene huiveringwekkende koude -door al zijne leden. Eindelijk zijn onderzoek moede wordende, en half -in de meening dat hij zich bedrogen had, besloot hij zijn koud bad -te verlaten, en weder aan land te gaan; maar, op het oogenblik dat -hij zijn voornemen wilde uitvoeren, voelde hij langs zijne borst een -hard voorwerp schuiven. - -Hij sloeg de oogen naar omlaag en stak onwillekeurig de handen uit; -wat had hij aangeraakt? het was de kant van een kleine praauw, die -geruchtloos door de biezen gleed en ze zacht van een scheidde. - -Deze praauw, even als alle Indiaansche canos aan dezen oever, was -van berkenschors vervaardigd, dat door middel van heet water van den -boomstam wordt losgemaakt. - -Loer-Vogel nam terstond het geheimzinnige vaartuig in oogenschouw, -dat zonder behulp van menschenhanden zich scheen voort te bewegen of -liever in een regte lijn zich langs den stroom liet afdrijven. Een -ding echter verwonderde den Canadees, namelijk dat het bootje zonder de -minste schommeling voortgleed. Blijkbaar werd het door een onzigtbaar -wezen voortgestuwd, waarschijnlijk door een Indiaan;--ja, hij kon -hieraan niet langer twijfelen. Maar waar zat dan deze man? Was hij -alleen? Geen van deze vragen liet zich beantwoorden. - -De Canadees was erg in de engte gedreven; hij dorst geen lid -te verroeren uit vrees van zijne tegenwoordigheid te verraden: -intusschen gleed de praauw altoos voort. Om er tot iederen prijs een -eind aan te maken, trok Loer-Vogel zachtjes zijn mes uit de schede, -en met ingehouden adem hurkte hij neder in de rivier, derwijze dat -zijn gezigt maar eventjes boven water uitstak. - -Wat hij hoopte, gebeurde; een sekonde later zag hij in de schaduw, -als twee vurige kolen, de oogen van den Indiaan schitteren, die achter -de praauw zwom en haar met de armen voortstuwde. - -De Roodhuid hield zijn hoofd gelijk met de waterpeil, en keek met -bespiedende blikken om zich heen. - -De Canadees herkende een Apache. Plotseling vestigden de oogen van -den wilde zich op den jager; deze oordeelde het raadzaam om zich van -hem te ontslaan; met de buigzaamheid van een slang en de vlugheid van -een jaguar greep hij zijn vijand bij de keel en zonder hem den tijd -te laten een alarmkreet te uiten, stiet hij hem het mes in de borst. - -Het gelaat van den Apache werd zwart; zijne oogen spalkten zich wijd -open, hij sloeg een oogenblik het water met armen en beenen; maar -weldra verstijfden zijne leden, eene laatste stuiptrekking deed zijn -ligchaam krimpen, en hij dreef weg op den stroom, een ligtgekleurd -bloedig spoor achterlatende. - -De arme Indiaan was dood. - -Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stapte de jager in de praauw -en zich aan het riet vasthoudende, keek hij uit naar den kant waar hij -zijne kameraden had achtergelaten. Deze, door den Vliegenden-Arend -gewekt, waren reeds omzigtig genaderd, de buks medebrengende die de -jager op den oever had laten liggen. - -Zoodra zij bij elkander waren, bragten zij de praauw buiten de biezen -die haar den doortogt belemmerden, en nadat allen zich op bevel van -Loer-Vogel ingescheept en het vaartuig in open water hadden gebragt, -strekten zij zich plat op den bodem uit. - -Onder deze voorzorg dreven zij reeds een geruime poos zachtjes de -rivier af, zoo zij meenden, onopgemerkt door de onzigtbare vijanden -die zich waarschijnlijk hier of daar aan den oever verscholen hielden, -toen er plotseling een verschrikkelijke alarmkreet opging en de lucht -als een donderslag deed daveren. - -Het lijk van den door Loer-Vogel gedooden Apache was gedurende -eenige minuten door den stroom medegesleept, maar toen op een hoop -biezen een drijfhout gestuit, juist tegenover een Indianen-kamp, -dat de avonturiers een paar uren geleden, zonder het te zien waren -voorbij getrokken. - -Zoodra hadden de Roodhuiden het lijk huns broeders niet opgemerkt, -of zij hieven het zoo even gemeld vervaarlijk doodgeschrei aan, -verzamelden zich aan den oever, en nu stonden zij daar, elkander met -den vinger de praauw aanwijzende. - -Loer-Vogel ziende dat hij ontdekt was, greep oogenblikkelijk de -pagaaijen, en door den Vliegenden-Arend en Domingo geholpen, was hij -binnen eenige sekonden buiten hun bereik. - -De teleurgestelde Apachen, woedend over deze behendige vlugt, en niet -wetende wat zij er vooreerst tegen zouden doen, zwaaiden met de armen, -staken de vuisten op en overlaadden hunne onbekende vijanden met al de -scheldwoorden die het Indiaansche woordenboek hun aan de hand deed, -als hazen, eenden, honden, uilen en meer andere dergelijke namen van -dieren die zij haten of verachten. - -De jager en zijne kameraden stoorden zich weinig aan deze magtelooze -beschimping en pagaaiden met kracht door, om hun togt te vervolgen -en tevens in hunne stramme leden den bloedsomloop te herstellen na -hun diepen slaap in de kille nachtlucht. - -Inmiddels veranderden de Indianen van taktiek: verscheidene pijlen met -weerhaken werden naar de praauw afgeschoten, zelfs vielen er eenige -geweerschoten; maar de afstand was te groot en het water alleen werd -door de kogels getroffen. - -Zoo ging de nacht voorbij. - -De avonturiers roeiden met verdubbelden ijver voort, daar zij reeds -gezien hadden dat de rivier, na menige kronkeling, ongevoelig het -woud naderde, dat zij zoo gaarne wenschten te bereiken. Intusschen -meenden zij niets meer van hunne vijanden te vreezen te hebben, -en lieten zij de pagaaijen eenige oogenblikken rusten om zich te -verpoozen en een weinig voedsel te nuttigen. - -Terwijl zij bezig waren met hun ontbijt, kwam de zon op, en nu ontrolde -zich een prachtige landstreek voor hunne verbaasde blikken. - ---O! riep op eens de Vliegende-Arend, op een toon van schrik die -weinig goeds voorspelde. - ---Wat is er? vroeg Loer-Vogel, die terstond begreep dat het opperhoofd -iets buitengewoons moest gezien hebben. - ---Kijk! riep de Comanch met nadruk, terwijl hij den arm uitstrekte -in de streek die zij dien nacht waren doorgekomen. - ---Sakkerloot! riep de Canadees, twee praauwen, achter ons! O, o! daar -zal wat aan te tornen vallen. - ---Cuerpo de Christo! riep op zijne beurt Domingo, met een sprong die -het ligte vaartuig bijna deed omkantelen. - ---Wat nog meer? - ---Ziet eens! - ---Alle duivels! hervatte de jager, wij worden ingesloten. Werkelijk -kwamen er twee praauwen achter hen den stroom af, terwijl twee anderen, -van twee tegenovergelegen oeverpunten, hun te gemoet kwamen, blijkbaar -met het dubbele doel om hun den voortgang zoowel als den terugtogt -af te snijden. - ---Ach, lieve hemel! daar komen de Roodhuiden om ons een koud bad te -geven, prevelde Domingo. Wat denkt gij er van, oude jager? - --- Nu goed, laat hen maar komen, riep Loer-Vogel vrolijk, wij zullen -hen betalen voor hunne moeite. Geeft acht, kameraden, en verdubbelen -wij onze inspanning. - -Op zijn wenk, grepen de mannen terstond de pagaaijen weder op en -gaven aan de praauw zulk eene vaart, dat zij over het water scheen -te vliegen. - -De toestand der blanken werd inderdaad bedenkelijk. - -Loer-Vogel stond op zijn buks geleund in de praauw overeind en -berekende koelbloedig de kansen voor en tegen deze onvermijdelijke -ontmoeting; zijne ergste vrees betrof niet de booten die achter hen -kwamen, daar deze nog op te verren afstand waren om hen in tijds te -kunnen inhalen, maar al zijne aandacht vestigde zich op de twee die -hun van voren te gemoet kwamen en tusschen welke hij noodzakelijk -zou moeten doorroeijen. Met iederen pagaaislag verminderde de afstand -die de blanken van de Roodhuiden scheidde. - -De vijandelijke praauwen, zooveel men in de verte kon opmaken, schenen -al te sterk bemand en hadden zwaar werk om tegen stroom op vooruit -te komen. Loer-Vogel had alles met een onfeilbaren blik gezien; hij -nam een van die koene besluiten voor welke hij algemeen beroemd was -en die in deze kritieke oogenblikken alleen in staat schenen om hem -en de zijnen te redden. - - - - - - - -XXVIII. - -BLANK-HUIDEN EN ROOD-HUIDEN. - - -De Canadees, zoo als wij gezegd hebben, had bepaald partij gekozen. In -plaats van eene poging te doen om tusschen de beide praauwen te -ontsnappen, waardoor hij groot gevaar zou hebben geloopen van in -den grond te worden geboord, nam hij zijn koers een weinig links en -stevende regelregt aan op de praauw die het digtst bij de zijne was. - -De Indianen verschalkt door deze manoeuvre, van welke zij niet -aanstonds de uitwerking voorzagen, ontvingen haar met luide -triumfkreten. De avonturiers hielden zich echter doodstil, maar -verdubbelden hunne pogingen en roeiden met kracht door. - -Een vergenoegde lach plooide zich om de lippen van den Canadees. - -Naarmate zijne praauw die der Apachen naderde, had hij gezien, dat -de rivier aan de linker zijde een sterke bogt maakte en deze bogt -gevormd werd door een klein eiland, dat zeer digt bij den oever lag, -maar toch ver genoeg om een bootje door te laten; hij bediende zich nu -van dezen doortogt en vermeed zoodoende een langen omweg, hetgeen hem -op eens een goed eind op de vijanden die hen vervolgden deed winnen. - -De hoofdzaak was hier om het eiland te bereiken voordat de eerste -vijandelijke praauw er aankwam. - -De Roodhuiden echter begonnen weldra, zoo niet gansch en al, dan -toch gedeeltelijk te bemerken wat hun onverschrokken tegenstander -voornemens was; ook zij veranderden dus van plan en wijzigden hunne -rigting. In plaats van de blanken regelregt te gemoet te snellen, -zooals zij tot hiertoe gepoogd hadden, namen zij hun koers links en -pagaaiden met kracht op het eiland aan. - -Loer-Vogel begreep thans dat hij, het koste wat het wilde, hunne -vaart moest zien te stuiten. - -Tot dusver, was noch van de eene noch van de andere zijde een pijl -geschoten, of een geweerschot gewisseld. De Apachen rekenden zoo -stellig hunne vijanden te zullen meester worden, dat zij het als -onnoodig beschouwden om tot dit uiterste over te gaan. - -De blanken daarentegen, die de noodzakelijkheid gevoelden om hun kruid -te sparen, daar zij te midden van een vijandelijk land onmogelijk -nieuwen voorraad konden bekomen, bepaalden zich voorzigtigheidshalve -om het voorbeeld der Indianen te volgen, hoe belust zij ook mogten -zijn om met hen slaags te raken. - -Intusschen was de vijandelijke praauw geen vijftig ellen meer van -het eiland verwijderd; de jager, na nog een laatsten blik in het rond -te hebben geworpen, neigde zich tot zijne kameraden en sprak hun met -eene zachte stem eenige woorden toe. - -Oogenblikkelijk lieten deze de pagaaijen rusten en hunne geweren -grijpende, knielden zij in de praauw neder, en legden hun wapens op -den rand der boot, na vooraf nog een tweeden kogel in den loop te -hebben laten glijden. - -De Canadees had het zelfde gedaan. - ---Zijn wij gereed? vroeg hij een oogenblik later. - ---Ja! riepen de avonturiers. - ---Schieten dan, en laag aanleggen: vuur! - -De vijf buksen brandden los in een enkelen knal. - -Wij hebben reeds aangemerkt, dat de beide praauwen elkander reeds -digt genaderd waren. - -Nu naar de pagaaijen! en vlug! riep de jager, dadelijk zelf het -voorbeeld gevende, zoo als hij altijd deed. - -Acht armen hernamen de dubbele riemen, de ligte boot vloog over het -water. Alleen de jager laadde zijn buks weder en lag op de eene knie -gereed om te schieten. - -De uitwerking der eerste losbranding openbaarde zich weldra; de vijf -geweerschoten, allen op het zelfde punt gerigt, hadden in de zijde -der Indiaansche boot een vrij groote bres gemaakt, juist gelijk met -de waterlijn, zoodat zij niet langer vlot kon blijven. - -Kreten van schrik en smart gingen op onder de Apachen, die de een na -den ander over boord sprongen en naar alle kanten wegzwommen. Wat hunne -praauw betreft, aan zich zelve overgelaten, begon zij oogenblikkelijk -af te drijven, liep langzamerhand vol en verzonk eindelijk in den -stroom. - -De avonturiers zich thans van hunne vijanden ontslagen rekenende, -vertraagden voor een oogenblik hunne pogingen. - -Eensklaps hief de Vliegende-Arend zijn pagaai op, terwijl Loer-Vogel -zijn geweer bij den tromp vatte. Twee Apachen, ware athleten in kracht -en met woeste blikken, waren onverhoeds genaderd en poogden zich aan -de boot vast te klemmen om haar te doen kantelen. Weldra vielen zij met -verbrijzelden schedel in het water terug en dreven af op den stroom. - -Eenige minuten later bereikten de jagers den doortogt. - -Intusschen waren een aantal Indianen naar het eiland gezwommen, en -begonnen zij, zoodra zij aan land kwamen de blanken aan den kant van -het water te bestoken; bij gebrek aan andere middelen wierpen zij hen -met steenen, daar zij hunne nat geworden buksen niet konden gebruiken, -en hunne pijlkokers en bogen bij hunne plotselinge indompeling in de -rivier waren verloren gegaan. - -Hoe ruw en gebrekkig deze door de Apachen gebruikte -verdedigingsmiddelen ook wezen mogten, was Loer-Vogel echter verpligt -zijne kameraden dringend aan te bevelen om met verdubbelde kracht -voort te roeijen, ten einde zoo spoedig mogelijk buiten het bereik -der zware steenworpen te komen, die hageldigt van uit de hooge -biezen en van achter ieder welgelegen aanvalspunt, rondom de boot -neer regenden; terwijl de Roodhuiden volgens hunne gewoonte wel zorg -droegen onzigtbaar te blijven, uit vrees voor de kogels der blanken. - -De toestand der laatstgenoemden werd echter onhoudbaar, er moest -een einde aan worden gemaakt, en de jager, die scherp op de eerste -gelegenheid loerde, om zijne vijanden eene geduchte les te geven, -meende die weldra gevonden te hebben: eenige ellen van hem af, -op den oever zag hij op zeker punt, in een floripondio-boschje, -eene verdachte beweging; terstond legde hij zijn geweer aan, mikte -op goed geluk en schoot. - -Een vervaarlijke kreet verhief zich uit de digte struiken der -floripondios, bamboezen, lianen en waterplanten, en een reusachtige -Apache, woest als een gekwetste tijger, sprong te voorschijn om zich -achter een ander boschje, dat een eind verder op het eiland gelegen -was, in veiligheid te stellen; Loer-Vogel, die met allen spoed zijn -buks weder geladen had, legde die voor de tweedemaal aan om den -vlugteling op nieuw te treffen, maar hief haar terstond weder op. - -De Apache viel reeds op het zand en wrong zich in zijn laatsten -doodstuip. - -Op hetzelfde oogenblik schoten er uit de omliggende boschjes een -tiental Indianen te voorschijn, en snelden naar het lijk huns broeders, -namen het in hunne armen, en verdwenen er mede als een troep spoken. - -Nu volgde er een stilstand, en weldra waren de woeste kreten en -gevaarlijke steenworpen, die eenige minuten te voren de lucht deden -weergalmen en de blanken met ondergang dreigden, vervangen door de -diepste kalmte en rust. - ---De arme duivels! murmelde Loer-Vogel, terwijl hij zijn buks op den -bodem der praauw nederlegde en een der pagaaijen greep, het spijt -mij wel dat dit hier heeft moeten gebeuren, maar ik geloof dat zij er -thans genoeg van hebben nu zij de kracht van mijn buks hebben leeren -kennen, en ik denk dat zij ons voortaan met vrede zullen laten. - -De oude jager had zich niet misrekend: werkelijk lieten de Roodhuiden -niets meer van zich zien of hooren. Wat wij hier beschreven hebben, -moet onze lezers niet te zeer verwonderen: ieder land heeft zijne -eigene begrippen van eer en pligt. De Indiaan gaat van het beginsel -uit, dat hij zich niet nutteloos aan gevaren moet bloot stellen. Voor -hen kan het succes alleen hunne daden regtvaardigen; zoodra zij dus -zien dat zij de sterksten niet zijn, deinzen zij zonder schaamte -terug en laten met de meeste bereidwilligheid de plannen varen, -die zij eenmaal opgevat en misschien weken vooraf hebben voorbereid. - -De jagers kwamen eindelijk het eiland ongemoeid voorbij. De tweede -vijandelijke praauw was thans reeds ver achter hen; wat de beide -anderen betreft, die zij het eerste gezien hadden, deze geleken -naauwelijks meer dan onmerkbare stippen aan den horizont. Toen de -Roodhuiden der tweede praauw dus zagen dat de blanken een afstand op -hen hadden gewonnen dien zij onmogelijk weder konden inhalen, en dat -deze stellig aan hunne vervolging zouden ontsnappen, schoten zij al -hunne geweren en bogen te gelijk op hen af, als om hun een laatste -proef van hun moed achter na te zenden--eene magtelooze vertooning, -die niemand kwetste, daar de kogels en pijlen op een aanzienlijken -afstand van de blanken nedervielen; daarop wendden zij den steven, -om zich bij hunne kameraden op het eiland te voegen, waar deze in -het digte geboomte de wijk hadden genomen. - -Loer-Vogel en de zijnen kwamen er behouden af. - -Na nog omtrent een uur lang stroomafwaarts te hebben geroeid, om -tusschen zich en de Apachen een onoverkomelijken afstand te laten, -namen zij een poos rust, die zij wel noodig hadden, om zich te -herstellen van den heftigen kamp en hunne wonden te wasschen, want -sommigen hadden vrij ernstige kneuzingen bekomen door den steenregen -die op hen was neergekomen; in het heetst van den strijd hadden zij -dit minder bemerkt, maar nu het gevaar voorbij was begonnen zij er -aan te lijden. - -Het woud, dat des morgens, uit hoofde der veelvuldige krommingen der -rivier, nog zoo ver van hen verwijderd lag, waren zij thans zeer nabij -gekomen en zij hoopten het nog voor den avond te zullen bereiken. Na -eene korte ontspanning, grepen zij dus weder de riemen en hervatten -met nieuwen ijver hun togt. Tegen het ondergaan der zon, verdween -de kleine praauw onder de sombere bladgewelven van het onmetelijk -natuurwoud, dat zich als een statige dom boven hunne hoofden sloot -en door den stroom in de schuinte doorsneden werd. - -Zoodra de duisternis begon te vallen, ontwaakte de woestijn en liet het -gehuil der wilde dieren, die zich naar de rivier begaven om te drinken, -zich somber hooren in de diepte der ongerepte bosschen. Loer-Vogel -achtte het ongeraden om zich op dit uur te wagen in de onbekende -wildernis, die zonder twijfel gevaren van allerlei aard in haren schoot -verborg. Nadat hij dus nog eenigen tijd had laten voortroeijen, om -eene geschikte landingsplaats te vinden, gaf hij eindelijk bevel om -op een verheven rotsmassa aan te houden, die in den stroom vooruit -sprong en een soort van voorgebergte vormde waar men zonder veel -moeite of gevaar zou kunnen aan wal stappen. - -Naauwelijks waren zij aan land, of de Canadees deed een wandeling -om de rots, daar hij de omstreken wilde opnemen om te weten in welk -gedeelte van het woud zij zich bevonden. - -Ditmaal diende het toeval den jager beter dan hij had durven hopen. Na -met moeite en de uiterste voorzorg de struiken en slingergewassen -te zijn doorgeworsteld, die hem overal den weg versperden, zag hij -zich eensklaps en zonder nader onderzoek, aan den ingang van eene -natuurlijke grot, waarschijnlijk gevormd door een dier vulkanische -omkeeringen die in deze streken zoo veelvuldig zijn. - -Bij deze ontdekking bleef hij staan, stak een ocote-fakkel aan, die -hij niet verzuimd had met zich te nemen en trad stoutmoedig de spelonk -binnen, gevolgd door zijne kameraden. De plotselinge verschijning -der brandende toorts schrikte een grooten zwerm nachtvogels, uilen -en vleermuizen op, die met luid geschreeuw fladderend wegvlogen en -aan alle zijden zochten te ontsnappen. - -De jager ging echter door, zonder zich om deze liefhebbers der -duisternis te bekommeren, die hij zoo onverwachts in hunne sombere -schuilhoeken gestoord had. - -De spelonk was hoog, buitengewoon ruim en luchtig. Onder de -omstandigheden waarin zich de jagers bevonden was dit voor hen eene -allergelukkigste ontdekking, daar zij hun een genoegzaam veilig -verblijf voor den nacht aanbood, even als voor de nasporingen der -Apachen, die hen thans wel uit het oog hadden verloren, maar zeker -niet zouden nalaten hen te vervolgen. - -De avonturiers, na de grot in allen deele doorzocht en zich verzekerd -te hebben dat er geen verscheurende dieren in schuilden, en wat meer -zegt, dat zij twee uitgangen had, die de gelegenheid waarborgden om -te kunnen vlugten, wanneer zij door een overmagtigen vijand mogten -worden aangevallen, keerden naar de landingsplaats terug, haalden de -boot uit het water, namen haar op de schouders en zetten haar achter -in de grot. Vervolgens begonnen zij, met een geduld daar alleen de -Indianen of de woudloopers in staat toe zijn, zorgvuldig de minste -sporen en indruksels uit te wisschen die de plaats hunner ontscheping -of den aftogt dien zij gekozen hadden zouden kunnen verraden. Alle -openingen werden digtgemaakt, de gebogen riethalmen hersteld, de -van een geschoven lianen en struiken weder bijeengevoegd, en na deze -gepaste voorzorg zou niemand hebben kunnen vermoeden dat er een troep -menschen was doorgegaan. - -Daarop verzamelden zij een goeden voorraad dood hout om vuur te stoken, -alsmede ocote-takken voor fakkels, en trokken de grot binnen met het -vaste voornemen om eindelijk de rust te genieten daar zij zoo veel -behoefte aan hadden. - -Al deze toebereidsels hadden tijd gevorderd, en de nacht was reeds -een goed eind heen, eer onze vrijbuiters, na het gebruik van een -mageren, in der haast klaar gemaakten maaltijd, in hunne mantels -gewikkeld zich op den grond uitstrekten, en met de voeten naar het -vuur, het hoofd op een hoop dorre bladeren en de hand aan de buks, -eindelijk insliepen. Niets stoorde dien nacht hunnen slaap, die nog -aanhield toen de eerste stralen der zon den oostelijken gezigteinder -reeds kleurden met een purperen gloed. - -Loer-Vogel werd het eerst wakker en wekte terstond zijne kameraden. - -De Vliegende-Arend was niet in de grot. - -Zijne afwezigheid maakte den jager echter niet ongerust. Hij kende -den Sachem te wel om van den eerlijken Comanch verraad te vreezen. - ---Staat op! riep hij tegen de slapenden. De zon is al op: wij hebben -lang genoeg geslapen, het wordt tijd om aan onzen arbeid te denken. - -Oogenblikkelijk was ieder op de been. - -De jager had zich in den Sachem niet bedrogen; naauwelijks was hij -bezig met het vuur aan te leggen om het ontbijt gereed te maken, -of de Vliegende-Arend verscheen. Hij droeg op zijne schouders een -heerlijken eland, dien hij stilzwijgend op den grond wierp, en zich -toen nevens de Wilde-Roos neerzette. - ---Te duivel! hoofdman, zei Loer-Vogel verrast, gij zijt een man van -de voorbaat, uwe jagtvangst is welkom, onze levensmiddelen begonnen -mooi op te raken. - -De Comanch grinnikte van pleizier over deze aanmerking, maar verder -antwoordde hij niet; gelijk al de lieden van zijn stam, sprak de -Indiaan alleen in geval van dringende noodzakelijkheid of wanneer -het gesprek eene meer ernstige wending nam. - -Op een wenk van den Canadees, begon Domingo, die een ervaren jager was, -onmiddelijk den eland de huid af te stroopen. - -De pemmican, de pueso, en het Indiaansche koren bleven onaangeroerd -in de alforjas (knapzak), dank zij de sappige hertenbouten, die -Domingo zoo behendig van het wildbraad had afgesneden, en die op -den rooster gebraden aan allen een uitmuntend ontbijt verschaften; -dit festijn werd bekroond met eenige droppels pulque, waaraan echter -de Vliegende-Arend en zijne vrouw, volgens de wijs der Comanchen die -geen sterken drank gebruiken, weigerden deel te nemen. - -Daarna werden de pijpen en cigarettes opgestoken en ieder begon -stilzwijgend te rooken. - -Loer-Vogel overwoog bij zich zelven welk plan hij volgen zou, terwijl -Domingo en Bermudez het noodige voor hun vertrek gereed maakten; -toen zij hiermede gedaan hadden besloot hij eindelijk te spreken. - ---Caballeros, zeide hij, wij zijn hier op de plaats waar onze -togt eigenlijk begint, het wordt dus tijd om u te zeggen waar wij -heengaan. Zoodra wij dit bosch door zijn, hetgeen niet lang duren zal, -komen wij aan eene ruime vlakte, in welker midden eene stad ligt. Die -stad, door de Indianen Quiepa-Tani genoemd, is een der geheimzinnige -wijkplaatsen waar zich, sinds den inval der Spanjaarden, de aloude -Mexicaansche beschaving heeft teruggetrokken. Welnu, naar die stad -moeten wij heen, want daar bevinden zich twee jeugdige meisjes die -wij geroepen zijn te redden. Maar dat zelfde Quiepa-Tani is tevens -eene heilige stad: Wee den Europeaan of den blanke die in haren -omtrek gezien wordt of het waagt haar te betreden! Ik mag u dus -niet verbergen dat de gevaren die wij tot hiertoe trotseerden en -gelukkig te boven kwamen, niets te beteekenen hebben, in vergelijking -met die welke ons waarschijnlijk te wachten staan, eer wij het ons -voorgestelde doel zullen bereiken. Er valt natuurlijk niet aan te -denken dat wij allen die stad zouden kunnen binnentrekken; dit te -willen ondernemen zou eene dwaasheid zijn die op een gruwzamen moord, -zoo niet op ons onvermijdelijk verderf zou uitloopen. Daarentegen zal -het noodig zijn dat wij hier getrouwe kameraden vinden, die ons in -geval van tegenspoed of gevaar konden te hulp komen. Hoort daarom, -caballeros, wat ik besloten heb: onze vriend Bermudez zal op onze -stappen terugkeeren, dat is, naar de plek waar wij Juanito gelaten -hebben; van daar zullen deze twee, tegelijk met onze paarden, zich naar -de algemeene loopplaats begeven die wij onderling hebben afgesproken, -ten einde zich daar met het detachement van Ruperto en Vrij-Kogel te -vereenigen, en alsdan, zoo dit mogelijk is, gezamentlijk herwaarts -te komen. Wat dunkt u hiervan, caballeros? Keurt gij dit plan goed? - ---In allen opzigte, antwoordde don Mariano met eene toestemmende -buiging. - ---En gij, hoofdman, wat zegt gij? - ---Mijn broeder is wijs, al wat hij zegt is goed, zei de Sachem. - ---Maar hoe dat, moet ik u dan verlaten? mompelde Bermudez met een -verlegen blik op zijn meester. - ---'t Is noodig, vriend, antwoordde deze, maar het zal slechts voor -kort zijn, zoo ik hoop. - ---Herinner u goed langs welken weg wij gekomen zijn, om u niet te -vergissen als gij terugkomt, zei de jager. - ---Ik zal mijn best doen, prevelde Bermudez. - ---Zeg, oude jager, riep Domingo meesmuilend, wat duivel! waarom zendt -gij mij niet liever, dan dezen armen man, daar ik als woudlooper de -prairie op mijn duimpje ken, terwijl ik bijna durf wedden dat hij -zijn gebeente op den weg zal te bleeken leggen? - -Loer-Vogel schoot den Gambucino een doorborenden blik toe, die hem -de oogen neerslaan en beschaamd het hoofd deed buigen. - ---Omdat ik, vriend Domingo, antwoordde hij met zonderlingen nadruk op -ieder woord, omdat ik zooveel van u houd, dat ik u geen minuut lang -uit het oog zou willen verliezen; gij begrijpt mij immers, niet waar? - ---Zeer goed, zeer goed! stotterde de mesties, blijkbaar geraakt: -maak u maar niet boos, oude jager, ik zal blijven; wat ik er van -gezegd heb was alleen in uw belang, anders niet. - ---Ik stel uwe belangeloosheid op prijs en waardeer uw aanbod naar -verdienste, hernam de Canadees koddig, spreken wij er niet verder -over. Zich daarop tot Bermudez wendende, vervolgde hij: Daar wij -welligt spoedig hulp noodig hebben, zult gij weldoen, in het terug -komen, zoo mogelijk, een korter weg te kiezen. - ---Ik zal zien. - ---Deze grot hier is een uitmuntend toevlugtsoord, zij is ruim genoeg -om u allen te bergen; gij zult er verblijf houden met de paarden, -en haar niet verlaten dan op mijne orders; is dat afgesproken? - ---Ja, en begrepen ook, wees daar gerust op; ik ben te zeer van het -gewigt der aanwijzingen die gij mij doet doordringen, om er mij niet -naar te gedragen. - ---Een laatste woord nog. Ik heb u gezegd, dat het voor het welslagen -onzer moeijelijke onderneming volstrekt noodig was, dat wij hier -in ieder geval een sterk detachement cordate mannen konden vinden; -wil dus Ruperto dringend waarschuwen, dat hij zijne omzigtigheid -verdubbelt, en zoo veel mogelijk, niet alleen ieder geschil met de -Indianen, maar zelfs iedere ontmoeting met hen ontwijkt. - ---Ik zal het hem zeggen. - ---Brengen wij thans de praauw weder te water en dan goed geluk er meê. - ---Geve God! dat gij het arme kind moogt redden, zei de oude -huisbediende, op een toon die bewees dat hij zijn gevoel naauwelijks -meester was, ik zou gewillig mijn leven voor haar opofferen. - ---Ga gerust heen, vriend, antwoordde Loer-Vogel wederkeerig getroffen, -het mijne heb ik reeds voor haar op het spel gezet. - -Allen gingen de grot uit, maar niet zonder vooraf te hebben rond -gezien of er ook eenig gevaar bestond. In het digt belommerde bosch -heerschte de diepste stilte. - -Thans namen zij de praauw op hunne schouders en droegen haar na den -rivierkant, nadat zij er eerst eenige levensmiddelen voor hun kameraad -in gelegd hadden. - -Weldra schommelde de boot zachtkens op het water. Bermudez nam voor -'t laatst afscheid van zijn meester; zich toen met moeite omwendende, -sprong hij in de praauw, greep de riemen en stak van wal. - ---Tot wederziens! riep don Mariano hem aangedaan na. - ---Tot spoedig, zoo God wil, antwoordde Bermudez. - ---Amen! mompelden allen blijkbaar getroffen. - -Loer-Vogel volgde de wegvarende praauw een tijdlang met de oogen; -zich toen plotseling tot zijne kameraden wendende, prevelde hij half -in zich zelven: - ---'t Is een trouwe ziel;--maar zou hij slagen? - ---God zal hem behoeden, zei don Mariano. - ---Dat is waar, hervatte de jager, terwijl hij zich de hand over het -voorhoofd streek; ik ben inderdaad dwaas dat ik zoo spreek, ja wat -meer is, ondankbaar jegens de Voorzienigheid, die tot hiertoe met -zoo veel zorg over ons waakte. - ---Goed gesproken, vriend, riep don Mariano; ik heb de beste verwachting -dat wij slagen zullen. - ---Ja, als ik het ronduit zeggen moet, zei de jager opgeruimd, ik heb -er ook de beste verwachting van; voorwaarts dus. - -De Vliegende-Arend legde hem thans de hand op den schouder: - ---Eer wij vertrekken, broeder, zou ik met u verlangen raad te houden, -de zaak is ernstig. - ---Gij hebt gelijk, hoofdman; keeren wij naar de grot terug; onze -maatregelen moeten met het meeste beleid overwogen en vastgesteld -worden, om, wanneer het oogenblik van handelen daar is, geen fout te -begaan die den uitslag van onze onderneming onherstelbaar zou bederven. - -De Comanch boog toestemmend en ging zijne kameraden vooruit naar de -grot. Het vuur was nog niet geheel uitgedoofd, maar smeulde onder de -asch; in weinig oogenblikken vlamde het weder op; en de vier personen -hurkten er met deftigen ernst omheen. - -Nu nam het opperhoofd de calumet uit zijn gordel, stopte haar met -gewijde tabak, stak haar aan, en gaf haar toen, na eerst zelf eenige -trekjes gedaan te hebben, aan Loer-Vogel. Zoo ging de pijp eenige -keeren rond, zonder dat er een woord gesproken werd, zoo lang tot de -tabak geheel was opgebrand. Toen er niets meer overbleef dan de asch, -klopte de Sachem haar uit in het fornuis, stak haar weder in zijn -gordel en wendde zich tot den jager. - ---Een opperhoofd verlangt te spreken, zeide hij. - ---Dat mijn broeder spreke, antwoordde de jager met eene buiging; -onze ooren zijn geopend. - -De Sachem, na zijne vrouw met een gebiedenden wenk bevolen te hebben -den kring te verlaten en zich buiten het bereik zijner stem te begeven, -waaraan zij volgens de Indiaansche gebruiken terstond gehoorzaamde, -boog eerbiedig voor de andere raadsleden, en nam het woord. - - - - - - - -XXIX. - -DE RAAD. - - -Sedert het begin van den togt, aan welke hij vrijwillig deelnam, -had de Vliegende-Arend steeds eene lijdelijke rol gespeeld, zonder -beoordeeling of tegenspraak de plannen van Loer-Vogel aangenomen, -onbekommerd en getrouw diens bevelen uitgevoerd, in een woord, -geheel en al de rol vervuld van een ondergeschikt officier, wiens -pligt medebrengt om zijn chef voor hem te laten denken. De nieuwe -houding, thans zoo plotseling door den Sachem aangenomen, had den -Canadees dan ook niet weinig verwonderd, daar deze niet wist wat hij -hiervan denken moest, en heimelijk begon te vreezen dat de Comanch -voornemens was, hem in het tegenwoordige kritieke oogenblik aan zijn -lot over te laten en zich aan hem te onttrekken, misschien wel om hem -te dwarsboomen en wie weet welke hindernissen in den weg te leggen. Hij -wachtte dus met levendig ongeduld op de verklaring van het opperhoofd, -ter opheldering van diens zonderling gedrag. - -De Vliegende-Arend, even kalm en bedaard als altijd, was opgestaan, -en na eene statige buiging in het rond te hebben gemaakt, nam hij -eindelijk het woord op: - ---Bleekgezigten, mijne waarde broeders, begon hij met zijne gewone -scherpe maar sentimenteel slepende keelstem, sedert eene maand reeds -zijn wij vereenigd op hetzelfde oorlogspad, deelend in elkanders -vermoeijenissen, slapend aan elkanders zijde, etend van hetgeen onze -gezamenlijke jagt oplevert, zonder dat het den Sachem, dien gij -in uwe gevaren en arbeid liet deelen, tot hiertoe vergund werd om -dat openhartig vertrouwen te genieten, waarop een vriend met regt -aanspraak heeft. Uw hart is steeds voor hem gesloten gebleven en -als met eene digte wolk omhuld; uwe plannen zijn hem even onbekend -als op den eersten dag van ons vertrek; de woorden die uwe borst -uitblaast zijn en blijven voor hem onoplosbare raadsels. Is dit zoo -als het behoort? Is dit regtvaardig? Geenszins, zeg ik. Waarom hebt -gij mij geroepen, waarom hebt gij mij verzocht u te vergezellen, zoo -ik altoos voor u moet zijn als een vreemdeling? Tot op dit uur heb ik -den tegenzin die uw ergerlijk gedrag mij veroorzaakt in mijn boezem -besloten; geen klagt is uit mijn hart naar mijne lippen gestegen, -over eene behandeling die zoo weinig overeenkomt met mijn rang en met -de goede betrekking waarin ik met u lieden tot dusver sta; en op dit -oogenblik zelfs, zou ik nog de stilte bewaren, zoo mijne vriendschap -voor u niet sterker was dan de wrevel die uw onedelmoedig gedrag ten -mijnen opzigte mij inboezemt. Wij zijn hier op het gewijde gebied -der Indianen, de grond dien wij betreden is ons heilig; de gevaren -die ons omringen, de tallooze strikken en hinderlagen die van alle -zijden voor onze voeten worden gespannen,--hoe zou ik in staat zijn -die te bezweren, als uwe ontwerpen mij nog langer verholen blijven, -in een woord, als ik niet weet of het pad dat wij volgen werkelijk -het pad des oorlogs is, of alleen der jagt? spreek derhalve ronduit, -ruk de huid van uw hart gelijk ik die van het mijne heb afgerukt, -en verklaar u omtrent het gedrag dat gij voorhebt en de plannen die -gij volgen wilt, opdat ik in staat zij, daar waar zulks noodig is, -u met mijn goeden raad te helpen en, als een getrouw bondgenoot, -niet langer buiten uwe beraadslagingen blijve, hetgeen inderdaad even -schandelijk zou zijn voor de natie waartoe ik de eer heb te behooren, -als onwaardig den hoogen krijgsmansrang dien ik onder de Comanchen -bekleed. Ik heb gesproken, mijne broeders; en ik wacht op uw antwoord, -dat, hiervan houd ik mij verzekerd, zoodanig zijn zal als voegt aan -krijgslieden van uwe wijsheid en van uwe ondervinding. - -Gedurende de lange redevoering van den Comanch, had Loer-Vogel meer -dan eens blijken van ongeduld gegeven, en zoo hij niet gevreesd had -tegen de regelen der Indiaansche etiquette te zondigen, zou hij hem -zeker in de rede zijn gevallen; niet dan met de grootste moeite was -het hem gelukt zich te bedwingen en eene voor de gelegenheid passende -houding te bewaren; zoodra dus het opperhoofd weder was gaan zitten, -stond de jager op, en na een hoofdknik tegen de aanwezigen, nam hij -met eene vaste stem het woord en sprak in dezer voege: - ---De Wacondah is groot; hij houdt in zijne regterhand het hart van -alle menschen, van welken stam of kleur ook: hij alleen kent hunne -voornemens en leest in hunne ziel de gedachten en bedoelingen. De -verwijten die gij mij toevoegt, hoofdman, hebben een schijn van -billijkheid die ik u niet zal betwisten; gij hebt uit het gedrag dat -de omstandigheden tot hiertoe mij gedwongen hebben jegens u in acht te -nemen, kunnen en moeten opmaken, dat ik in u niet zooveel vertrouwen -stelde als gij met regt verdient; maar dit is zoo niet; ik wachtte -alleen, tot het uur van spreken zou gekomen zijn, niet slechts om u -mijne plannen bloot te leggen, maar ook om uwe hulp en tusschenkomst -in te roepen. Gij verlangt thans dat ik mij oogenblikkelijk verklaar, -en ik zal het doen, ofschoon het welligt beter ware geweest, dat ik -gezwegen had tot wij dit bosch geheel zullen zijn doorgetrokken. - ---Ik mag hier mijn broeder doen opmerken, hervatte het opperhoofd, -dat ik niets van hem heb geëischt, ik heb alleen gemeend hem eenige -aanmerkingen te moeten maken; vindt hij die ongepast, ik weet zijn -hart is goed, en hij zal mij vergeven, als hij bedenkt dat ik slechts -een arme Indiaan ben, wiens verstand in een wolk is gehuld, en dat -ik geenszins het voornemen had hem te beleedigen. - ---Neen, neen, hoofdman, hervatte de jager met drift, nu wij eenmaal dit -punt hebben aangeroerd, is het beter om het terstond toe te lichten, -dan er later op terug te komen, ten einde voortaan alle misverstand -tusschen ons ophoude. - ---Mijn broeder kan over mij beschikken, ik ben gereed hem aan te -hooren, als het hem behaagt te spreken; ook zal ik gaarne wachten, -als hij dit noodig keurt. - ---Ik zeg u dank, hoofdman, maar ik houd mij thans aan mijn eerste -besluit, ik wil u liever alles zeggen. - -De Comanch begon schalks te glimlagchen. - ---Heeft mijn broeder waarlijk besloten te spreken? vroeg hij. - ---Ja. - ---Goed; dan behoeft mijn broeder er geen woord bij te voegen, alles -wat hij mij te zeggen heeft weet ik reeds. Hij zou mij niets kunnen -vertellen dan hetgeen ik zelf heb geraden. - -De jager weerhield naauwelijks een uitroep van verbazing. - ---O, ho! mompelde hij, wat beteekent dat, hoofdman? Waarom hebt gij -mij dan zulke ernstige verwijtingen gedaan? - ---Omdat ik mijn broeder heb willen doen gevoelen, dat de eene vriend -niets voor den anderen verborgen mag houden, vooral niet, wanneer -die vriend sinds jaren lang beproefd en getrouw bevonden is, en als -men weet dat men op hem zoo goed als op zich zelven zou kunnen rekenen. - -De jager begon even te lagchen, maar herstelde zich dadelijk: - ---Ik dank u voor de les die gij mij geeft, hoofdman, zeide hij, hem -hartelijk de hand toestekende; ik heb die verdiend, door mijn gebrek -aan vertrouwen; de dienst die ik van u verwacht is zoo gewigtig, dat -ik van dag tot dag verschoven heb er u om te verzoeken, en ondanks -mij zelven bekennen moet, dat ik er waarschijnlijk niet voor het -laatste oogenblik toe zou besloten hebben. - ---Ik weet het, antwoordde de Comanch op een toon van goedwilligheid, -die Loer-Vogel geheel geruststelde. - ---Intusschen, hervatte de jager, hoezeer gij mij verzekert mijne -plannen te kennen, zal het toch beter zijn dat ik u met eenige -bijzonderheden bekend maak, die gij waarschijnlijk niet weet. - ---Ik herhaal mijn bleeken broeder, dat ik alles weet; de -Vliegende-Arend is een der eerste Sachems van zijn stam, hij heeft -een fijn oor en een doordringend oog: het is nu bijna twee manen reeds -dat hij den grooten jager der blanken ter zijde staat; gedurende dat -tijdsverloop zijn er vele dingen gebeurd, en vele woorden in zijne -tegenwoordigheid gesproken; het opperhoofd heeft alles gehoord en -gezien, en alles staat hem zoo klaar voor den geest, als waren deze -dingen in een van die colliers--boeken--geschreven, die de blanken -zoo goed weten te maken, en die ik wel eens in handen van de hoofden -des gebeds heb gezien. - ---Hoe scherp ook uw doorzigt wezen mag, hoofdman, hervatte de jager -met nadruk, kan ik mij toch moeijelijk voorstellen dat gij zoo juist -van mijne ontwerpen zijt ingelicht als gij misschien denkt. - ---Niet alzoo. Ik ken niet alleen de ontwerpen mijns broeders, maar -ik weet welke dienst hij van mij verwacht. - ---Te weerga! hoofdman, meesmuilde de jager, dan zal het mij aangenaam -zijn dit uit uw eigen mond te vernemen; niet dat ik een oogenblik -aan uw doorzigt twijfel, want de Roodhuiden zijn wegens hunne -scherpzinnigheid beroemd, maar dit komt mij zoo buitengewoon voor, -dat ik er gaarne de bijzonderheden van zou willen hooren, al was het -slechts om er mij persoonlijk van te overtuigen en tevens ieder die -ons hier aanhoort te bewijzen, hoezeer wij, blanken, ons vergissen, -door ons te verbeelden dat wij u in schranderheid overtreffen, -terwijl wij integendeel ver bij u ten achter zijn. - ---Hm! mompelde Domingo, wat gij daar zegt is wel een beetje kras, oude -jager; het is maar al te bekend dat de Indianen lompe beesten zijn. - ---Dat ben ik niet met u eens, merkte don Mariano hierop aan; ofschoon -ik de Roodhuiden slechts weinig ken en voor de laatste maand nooit -met hen in aanraking ben geweest, heb ik hen sedert mijne komst in -deze streek zulke verbazende dingen zien volbrengen, dat het mij -geenszins verwonderen zou of de hoofdman is, zoo als hij verzekert, -volkomen met uwe plannen bekend. - ---Dat geloof ik ook, hernam de jager. Maar hoe dit wezen mag, wij -zullen het weldra zien. Spreek op, hoofdman, laten wij zoo spoedig -mogelijk hooren wat er is van dat doorzigt waarop gij u zoozeer -durft beroemen. - ---De Vliegende-Arend is geen pochhans of klapachtige oude vrouw, -dat hij zich zou willen beroemen op iets dat hij niet bezit, hij is -een Sachem die zijne woorden en daden wel overweegt; hij vermeet zich -niet verstandiger te willen zijn dan zijne broeders de bleekgezigten; -alleen de ervaring die hij heeft opgedaan is zijne wijsheid en helpt -hem verklaren wat hij ziet of hoort. - ---Het is genoeg, hoofdman, ik weet dat gij een dapper en beroemd -krijgsman zijt; onze ooren staan geheel open, wij zijn gereed u aan -te hooren met al de aandacht die gij verdient. - ---Welnu, luister dan: Mijn broeder de groote jager der blanken -wil zich naar Quiepa-Tani begeven, waar twee jonge blanke vrouwen -zijn heen gevlugt, een van welke de dochter is van het opperhoofd -met den grijzen baard; die twee jonge vrouwen werden gesteld onder -opzigt van een hoofdman der Apachen met name Addick; mijn broeder -de jager verlangt zoo spoedig mogelijk naar Quiepa-Tani te komen, -daar hij vreest door het opperhoofd der Apachen verraden te zijn, en -niet zonder reden vermoedt dat deze zich met een ander man verbonden -heeft--denzelfden die onlangs door de bleekgezigten gevonnist werd--en -nu met hem de twee vrouwen wil opligten en uit den weg ruimen. Ik heb -gezegd. Heb ik de plannen van mijn broeder goed begrepen? of heb ik -mij hierin bedrogen? - -De toehoorders staarden elkander verbaasd aan; de Vliegende-Arend -genoot eenige oogenblikken zijn triomf, maar begon weldra op nieuw: - ---Thans zal ik u zeggen welke dienst de jager van zijn broeder den -Sachem der Comanchen verlangt. - ---Bij God! hoofdman, riep Loer-Vogel, ik moet bekennen dat alles wat -gij gezegd hebt waarheid is! Maar hoe zijt gij dat te weten gekomen? Ik -begrijp het niet, ofschoon er, strikt genomen, over die zaken genoeg -in uw bijzijn gesproken is om er eindelijk iets van te kunnen raden; -maar wat de dienst aangaat die ik van u verlang, zoo gij mij dat kunt -zeggen, dan beschouw ik u waarachtig als den grootsten... - ---Dat mijn broeder zich niet te ver uitlate, viel het opperhoofd hem -glimlagchend in de rede, alsof hij mij voor een ingewijde hield in -de groote geneeskunst--een toovenaar.-- - ---Hm! mompelde de jager ernstig, ik zou niet durven zweeren dat er -niets van aan was. - ---Ooah! dat mijn broeder oordeele. Geen der bleekgezigten was het -tot hiertoe vergund om Quiepa-Tani binnen te treden; intusschen -verlangt mijn broeder er tot iederen prijs binnen te dringen, ten -einde zekere narigten te erlangen aangaande de twee jonge blanke -meisjes. Ongelukkigerwijs echter ziet mijn broeder geen kans om zijn -plan ten uitvoer te brengen, noch hoe hij het aan zal leggen om de -jonge maagden te redden, wanneer zij in gevaar verkeerden. Ziedaar -de reden die hem aan den Vliegenden-Arend deed denken. Hij overwoog -bij zich zelven dat zijn roode broeder een Sachem was, dat hij zeker -te Quiepa-Tani vrienden of bloedverwanten moest hebben, en dat de -poort der Tzinco--stad,--wier toegang hem als blanke ontzegd is, dit -niet zijn zou voor een Sachem der Comanchen, en dat dus de narigten -die hij zelf niet zou kunnen inwinnen, gemakkelijk konden verkregen -worden door tusschenkomst van zijn broeder den Vliegenden-Arend. - ---Ja; juist zoo heb ik gedacht, hoofdman; waarom zou ik het u nog -verbergen? Heb ik mij in u bedrogen? Zoudt gij dat niet voor mij -willen doen? - ---Ik zal meer doen, en beter dan dat, antwoordde de Indiaan; dat mijn -broeder slechts luistere. De Wilde-Roos is eene vrouw, niemand zal -acht op haar geven; zij zal de Tzinco ongemerkt binnenkomen en, veel -beter dan ik, in staat zijn om de noodige bijzonderheden te vernemen -die mijn broeder verlangt; wanneer later het oogenblik van handelen -komt, zal het opperhoofd den jager helpen. - ---Gij hebt waarachtig gelijk, hoofdman, uw plan is beter dan het mijne; -het is in allen opzigte verkieslijker dat de Wilde-Roos op verkenning -uitgaat, eene vrouw kan geen argwaan verwekken en, wat meer zegt, zij -zal ons de beste berigten brengen. Gaan wij dus dadelijk op marsch, -zoodra wij het bosch door zijn, komen wij aan de stad. - -De Vliegende-Arend schudde het hoofd en hield den jager bij den arm -terug, daar hij reeds was opgestaan om zich voor den afmarsch gereed -te maken. - ---Mijn broeder is te driftig, zeide hij; dat hij mij vergunne, hem -nog een paar woorden te zeggen. - ---Laat hooren! - ---De Wilde-Roos moet vooruit gaan, en mijn broeder zal des te eer -berigt ontvangen. - -Don Mariano stond op, en drukte den Comanch met warmte de hand. - ---Ik zeg u dank voor het gelukkige plan dat gij voor ons hebt -uitgedacht, hoofdman, zeide hij, gij bezit fijn overleg en kieschheid, -uw hart is edel, gij begrijpt wat het zegt vadersmart te gevoelen; -ik zeg u nogmaals dank. De Indiaan wendde zich af om de ligte sporen -van aandoening te verbergen, die onwillekeurig op zijn gelaat zigtbaar -werden, want in zijne schatting was het beneden de waardigheid van -een opperhoofd om, onder welke omstandigheden ook, zijne kalmte -te verliezen. - ---Inderdaad, hervatte Loer-Vogel, wat de Sachem voorstelt, zal ons -een kostbaren tijd doen uitwinnen; zijn idee is uitmuntend. - -De Vliegende-Arend gaf de Wilde-Roos een gebiedenden wenk om te -naderen. - -De jonge vrouw gehoorzaamde. - -Nu verklaarde haar de Sachem in zijne eigene taal wat zij te doen had, -terwijl zij bedeesd voor hem stonden hem met bevallige gedweeheid -aanhoorde. - -Toen hij haar zijne bestellingen tot in de kleinste bijzonderheden -had medegedeeld en zij in allen deele van hare taak doordrongen was, -wendde zij zich met zekere natuurlijke gratie naar don Mariano en -Loer-Vogel, en zeide hun met een zoeten lach en eene welluidende stem: - ---De Wilde-Roos zal het weten. - -Deze weinige woorden vervulden het hart van den treurenden vader met -vreugde en hoop. - ---Wees gezegend, jonge vrouw, zeide hij, wees gezegend! om de weldaad -die gij mij op dit oogenblik bewijst, en om die welke gij voornemens -zijt mij te bewijzen. - -Het afscheid tusschen man en vrouw was zoo als het van Indianen -te verwachten was, namelijk ernstig en koel; hoe veel liefde de -Vliegende-Arend zijne wederhelft ook toedroeg, zou hij zich toch in -het bijzijn van vreemden, en vooral van blanken, geschaamd hebben, -om er zelfs het minste van te laten blijken. - -Na eene buiging voor don Mariano en Loer-Vogel, als laatste teeken van -afscheid, verwijderde de Wilde-Roos zich snel, met dien elastieken -en verheven tred, die den Indianen eigen is en hen tot de beste -wandelaars van de wereld maakt. Wat den Sachem betreft, hoe groot -zijne stoïcynsche koelheid ook wezen mogt, volgde hij zijne jeugdige -vrouw met de oogen, tot zij eindelijk tusschen het geboomte verdween. - -Daar de avonturiers thans zooveel haast niet meer behoefden te -maken, lieten zij de grootste hitte van den dag eerst voorbijgaan, en -begaven zij zich niet op weg voordat de zon reeds ver in het westen was -gedaald, en als een vuurroode bal gloeide in den opkomenden avondnevel, -gereed om aan den uitersten gezigteinder weg te zinken. Hun togt -ging langzaam genoeg, door de tallooze bezwaren die zij te overwinnen -hadden, om zich in het digte kreupelbosch en de warrige slingergewassen -een pad te banen, daar zij er zich soms met de bijl in de hand stap -voor stap doorheen moesten werken. - -Eindelijk, na een togt van vier dagen en ongehoorde vermoeijenissen, -zagen zij het geboomte voor hen uit ijler worden, de grond was nu -minder met laag hout bezet, en tusschen het hoog geboomte bespeurden -zij van tijd tot tijd een lagen en geheel open horizont. - -Ofschoon de avonturiers zich in een zoogenaamd ongerept natuurbosch -bevonden, en dus naar alle waarschijnlijkheid op hun togt geen -sterveling zouden ontmoeten, verzuimden zij toch geen enkele voorzorg -en trokken zij met de grootste omzigtigheid voort, de Indiaansche -linie in acht nemende, met de hand aan het slot van hunne buks, -en met open oog en oor; want zoo digt in de nabijheid der heilige -Indiaansche steden, waren zij, vooral na de heftige schermutseling -van eenige dagen vroeger, niet zonder reden beducht dat er spionnen -in het rond zouden loeren om op hunne bewegingen te letten. - -Tegen den avond van den vierden dag, op het oogenblik toen zij zich -gereed maakten om voor den nacht te kamperen, op een vrij ruim open -veld aan den oever van eene beek zonder naam, zooals men er ontelbaar -veel in deze bosschen ontmoet, hield Loer-Vogel, die de voorste was, -eensklaps stil en ging plat op den bodem liggen, onder allerlei -teekenen van onrust en verbazing. - ---Wat is er, vroeg don Mariano oogenblikkelijk. - -De jager antwoordde niet, maar wendde zich tot den Indiaan en zeide -hem met zekere ongerustheid: - ---Zie gij zelf eens, hoofdman, hier is iets dat mij onbegrijpelijk -voorkomt. - -De Vliegende-Arend bukte op zijne beurt digt bij den grond, en -beschouwde vrij lang en met aandacht de sporen die den ouden jager -zooveel belang inboezemden. - -Eindelijk stond hij weder op. - ---Wel? vroeg hem Loer-Vogel. - ---Hier moet een troep ruiters gepasseerd zijn, nog op dezen dag, -was zijn antwoord. - ---Ja, prevelde de jager; maar wat zijn dat voor ruiters? waar komen -zij van daan? Dat zou ik gaarne weten. - -De Indiaan hervatte zijn onderzoek, met nog meer naauwkeurigheid dan -te voren. - ---Het zijn bleekgezigten, zeide hij. - ---Wat! bleekgezigten! riep de jager, terwijl hij zijne stem -voorzigtigheidshalve merkelijk liet dalen, dat is onmogelijk; bedenk -waar we zijn; geen blanke, behalve ik, is tot hiertoe in deze streek -doorgedrongen. - ---Het zijn bleekgezigten, herhaalde de Vliegende-Arend. Zie slechts: -hier heeft er een stil gehouden. Hij is van zijn paard afgestegen; -kijk maar, daar is het spoor van zijne stappen, hier heeft zijn voet -het gras gekneusd, en hier heeft een der spijkers van zijn schoen -een zwarte kras op dezen steen achtergelaten. - ---Het is waar, mompelde Loer-Vogel, de Indianen dragen geen schoenen -met spijkers, hunne mocksens laten zulke indrukken niet achter. Maar -wie kunnen deze mannen zijn? Hoe kwamen ze hier? Welke rigting zijn -zij gevolgd om herwaarts te komen? - -Terwijl de jager zich deze reeks van vragen voorstelde en te vergeefs -naar de oplossing zocht van iets dat hem onverklaarbaar scheen, was -de Vliegende-Arend eenige stappen verder gegaan, om de voetsporen te -volgen die hier en daar in het gras zigtbaar waren. - ---Wel, hoofdman? vroeg de jager toen hij hem zag terugkomen, hebt -gij iets gevonden dat ons nader op weg kan helpen? - ---Ooah! riep de Indiaan hoofdschuddend, het spoor is nog versch, -de ruiters kunnen niet veraf zijn. - ---Weet gij dit zeker, hoofdman? Bedenk van hoeveel belang het voor -ons is te weten welke lieden wij in onze nabuurschap hebben. - -De Comanch zweeg een poos en verdiepte zich blijkbaar in ernstige -beschouwingen; toen het hoofd schielijk opheffende, zeide hij: - ---De Vliegende-Arend zal zijn broeder trachten te voldoen. Laat de -bleekgezigten hier blijven tot hij terugkomt; de hoofdman zal het -ontdekte spoor volgen, weldra zal hij den jager weten te zeggen of -die mannen vrienden of vijanden zijn. - ---Sakkerloot! ik ga met u, hoofdman, riep Loer-Vogel met drift; -men moet nooit kunnen zeggen dat wij om ons zelven te dienen, u aan -ernstig gevaar hebben blootgesteld, zonder u een vriend mede te geven -die u in geval van nood had kunnen bijstaan. - ---Neen, zeide de Indiaan, mijn broeder moet hier blijven, één krijgsman -is genoeg. - -De jager wist wel, dat wanneer het opperhoofd eenmaal iets besloten -had, men hem niet van zijn plan kon afbrengen; hij drong er dus niet -verder op aan. - ---Ga dan, zeide hij, en handel naar welgevallen; ik weet dat hetgeen -gij doet wel gedaan zal zijn. - -De Comanch wierp zijn geweer over schouder, ging op knieën en ellebogen -liggen en kroop als een slang de struiken in, waar hij weldra verdween. - ---En wij nu, vroeg don Mariano, wat moeten wij doen? - ---Wachten tot de Sachem terugkomt, zeide Loer-Vogel, en intusschen -ons avondmaal gereed maken, waarnaar gij, dunkt mij, even als ik, -wel zeer verlangen zult. - -De avonturiers kampeerden zich zoo goed of zoo kwaad zij konden op het -kleine, maar welgelegen grasperk, en maakten, zoo als de jager gezegd -had, hun souper klaar, tegen dat de veldontdekker terug zoude zijn, -die intusschen veel langer wegbleef dan zij verwacht hadden, want de -nacht was reeds een geruime poos gedaald en nog was hij niet terug. - - - - - - - -XXX. - -HET TWEEDE DETACHEMENT. - - -Gelijk wij in ons vorige hoofdstuk gezien hebben, was de -Vliegende-Arend er op uitgegaan, om het spoor der ruiters te volgen -dat Loer-Vogel het eerst ontdekt had. - -De Indiaan was inderdaad een der geslepenste spoorzoekers van zijn -stam; want ofschoon de nacht hem snel overviel en weldra belette om -de indruksels te herkennen, die hem in zijn onderzoek moesten leiden, -vervolgde hij desniettemin zijn pad even zeker en gerust als bevond hij -zich op een der groote wegen, die gedurende de Spaansche heerschappij -werden aangelegd, en welker overblijfsels nog hier en daar in de -nabijheid der groote Spaansch-Amerikaansche steden te zien zijn. - -Ongeveer tien minuten nadat hij zijne kameraden verlaten had, was -het opperhoofd weder opgestaan, zonder, zoo het scheen, verder acht -te geven op de sporen in het gras, en had hij zijn weg vervolgd, -zich vergenoegende met nu en dan een blik te werpen op de heesters -en struiken in het rond. - -Zoo stapte de Vliegende-Arend ruim een uur lang voort, zonder te -aarzelen of te verpoozen, tot hij eindelijk aan een plek kwam, waar -het geboomte dunner werd en een ruimen doortogt vormde; blijkbaar -kruisten zich hier een aantal sporen van wilde beesten. - -Het opperhoofd bleef een oogenblik staan. Hij wierp een scherp -toezienden blik in het rond, greep naar zijn buks, die tot dusver -achteloos op zijn rug had gehangen, keek naar het percussieslot en zich -nu een weinig voorover buigende, zoodat zijn schouder met de koppen -van het hooge gras gelijk kwam, stapte hij langzaam en voorzigtig -naar een digt kreupelboschje, welks takken hij zacht uiteenboog en -waarin hij weldra verdween. - -Zoodra hij zich in dit warbosch van takken en struiken geheel verborgen -zag, ging de Canadees op de eene knie liggen, opende langzamerhand -het digte bladgordijn dat hem het uitzigt belette, en keek rond. Op -eens, als werd hij door een electrieken schok opgeschrikt, rees hij -overeind, bragt zijn geweer in rust, dat hij weder achter zich hing, -en verliet ijlings met een glimlach om de lippen het kreupelhout. - -Wat had hij ontdekt? - -In het midden van een ruim grasveld, door drie of vier houtvuren -verlicht, was een twintigtal mannen gekampeerd, die schilderachtig -rondom hunne vuren zaten en met ijver bezig waren om hun avondmaal -te bereiden, terwijl hunne paarden half onttuigd en gekluisterd, -hunnen voorraad erwten verorberden of hier en daar aan de jonge -struiken knabbelden. - -De Vliegende-Arend had de ruiters bij den eersten oogopslag -herkend. Het waren don Leo de Torrès, Vrij-Kogel en de Gambucinos, -sedert veertien dagen op weg om don Estevan te zoeken. De Indiaan -naderde het vuur, waar don Leo en de jager zich bevonden, en bleef -voor hen staan. - ---Dat de Wacondah mijne broeders bescherme, zeide hij met een statigen -groet; een vriend komt hen bezoeken. - ---Hij zij ons welkom, antwoordde don Miguel beleefd, hem de hand -toestekende. - ---Ja gewis, voegde Vrij-Kogel er bij, duizendmaal welkom! Zijne -tegenwoordigheid te dezer plaatse is ons eene aangename verrassing. - -De Sachem boog en nam plaats tusschen de beide blanken. - ---Hoe komt het, dat wij u hier zoo ontmoeten? vroeg de jager. - ---Ik maakte mij juist gereed om mijn broeder dezelfde vraag te doen, -antwoordde de Indiaan. - ---Hoe dat? vroeg don Leo. - ---Mijn broeder schijnt dan niet te weten, waar hij zich op dit -oogenblik bevindt? hernam de Vliegende-Arend. - ---In geenen deele; sedert wij van elkander gingen, zijn wij steeds het -spoor van onzen vijand gevolgd, zonder hem ooit te kunnen achterhalen; -dat spoor heeft ons door streken gevoerd die zelfs aan Vrij-Kogel -onbekend waren. - ---Dat moet ik bekennen, riep de jager met drift; het is nu de tweede -maal dat mij zoo iets gebeurt, en dat wel nagenoeg onder dezelfde -omstandigheden; de eerste keer, als ik mij wel herinner, was in het -jaar 1843, ik was toen te . . . . - ---Maar, viel de Vliegende-Arend hem stout in de rede, al is mijn -broeder de jager met dit oord niet bekend, dan zal toch mijn broeder -de krijgsman het wel kennen. - ---Ik? riep don Leo, in het minst niet, hoofdman; ik kan u verzekeren -dat ik thans voor het eerst in deze streek kom. - ---Mijn broeder vergist zich, zei de Indiaan; hij is er reeds geweest; -maar, zoo als het met alle blanke mannen gaat, het geheugen van mijn -broeder is kort, hij is het vergeten. - ---Neen, neen, hoofdman; ik ben te zeer met de wildernis vertrouwd, -om niet op het eerste gezigt eene plaats te herkennen, waar ik reeds -eenmaal geweest ben. - -De Indiaan begon te lagchen bij deze voorbarige bewering van don Leo. - ---Dat is intusschen thans met mijn broeder het geval, zeide hij, -ofschoon er op zijn langst drie manen verloopen zijn, sedert hij met -den blanken jager, onzen vriend Loer-Vogel, deze streek bezocht. - -De avonturier rigtte zich zelf half overeind, blijkbaar was hij op -het levendigst getroffen. - ---Wat wilt gij mij zeggen, in 's hemels naam! Roodhuid? riep hij -heftig ontroerd. - ---Ik wil u zeggen, dat Quiepa-Tani daar ginder ligt, hernam de Indiaan, -zijn arm in zuidwestelijke rigting uitstrekkende; wij zijn er niet -verder af dan een halven dag-marsch. - ---Is het mogelijk? riep don Leo. - ---Een Sachem liegt nooit. - ---O! riep de jongman met kracht terwijl hij schielijk opstond, bij -den hemel! ik dank u, hoofdman, voor dat goede nieuws. - ---Wat gaat gij doen? vroeg hem Vrij-Kogel. - ---Wat ik doen ga? kunt gij dat nog vragen? Zijn dan zij, die wij -moeten redden, niet op weinig uren afstands van ons? - ---Ik vraag het u alleen uit vrees, dat gij door uwe onstuimige drift -het welgelukken onzer onderneming in de waagschaal zoudt stellen. - ---Wat gij zegt is hard, oude jager, zei don Leo; maar ik vergeef het u, -omdat gij niet begrijpt wat ik op dit oogenblik gevoel. - ---Misschien wel, misschien niet, caballero; maar geloof mij, in eene -zaak als de onze, kan ons niets anders baten dan list. - ---Naar den duivel met list en al wie ze mij aanraadt! riep de jongman -met drift. Ik moet de arme meisjes redden, die ik door mijn dwaze -vertrouwen in dezen vosseval heb gebragt. - ---En die gij nu door eene tweede dwaasheid voor altijd in het -verderf wilt storten; geloof toch aan de ondervinding van iemand, -die tienmaal zoo veel jaren in de woestijn heeft geleefd als gij -maanden. Zijt gij dan vergeten dat, sedert wij don Estevan op het -spoor zijn, een sterke bende Indianen zich bij hem gevoegd heeft? Ziet -gij kans om op twee mijlen afstands van eene sterk bevolkte heilige -stad, met uwe vijftien Gambucinos tegen eenige duizende dappere en -geoefende Roodhuiden te vechten? Het zou een aardige grap zijn om -zich in koelen bloede en zonder nut te laten vermoorden. Dat don -Estevan zich naar deze streek heeft gerigt, blijkt duidelijk genoeg -en bewijst thans dat hij, even goed als gij, weet dat de jonge dames -zich in Quiepa-Tani bevinden. Laten wij toch niet onbesuisd te werk -gaan, maar de bewegingen van onzen vijand zorgvuldig waarnemen, -zonder onze tegenwoordigheid te verraden en hem te laten vermoeden, -dat wij zoo digt in zijne nabijheid zijn. Van deze taktiek alleen -hangt ons welslagen af, daar verbeur ik mijn hoofd onder. - -De jongman had deze woorden met de meeste aandacht aangehoord. Toen -Vrij-Kogel zweeg, drukte hij hem getroffen de hand en nam zijne vorige -plaats nevens hem weder in. - ---Ik zeg u dank, mijn oude vriend, zeide hij, ik dank u opregt voor de -ruwe les die gij mij gaaft. Gij hebt mij weer tot bezinning gebragt, -ik was dwaas. Maar, vervolgde hij bijna oogenblikkelijk, wat zullen -wij dan doen? Hoe moeten wij die ongelukkige kinderen redden? - -De Vliegende-Arend, die gedurende het voorgaande gesprek bedaard en -zwijgend zijne calumet had zitten rooken, gevoelde, nu hij don Leo -zoo hoorde spreken, dat het tijd werd om tusschenbeide te komen. - ---Dat de blanke krijgsman moed houde, zeide hij; de -Wilde-Roos-der-wouden is te Quiepa-Tani; morgen tegen de -endit-ha--zonsopgang--zullen wij van de blanke maagden tijding -ontvangen. - ---O! o! riep de jongman verheugd. Zoodra als uwe vrouw uit dat -duivelsnest terugkomt, hoofdman, beloof ik haar het schoonste paar -armbanden, en de schoonste oorhangers, die ooit door eene Indiaansche -cithuatl gedragen werden. - ---De Wilde-Roos wacht geene belooning voor de dienst die zij aan -goede vrienden bewijst. - ---Dat weet ik, hoofdman, maar gij zult mij toch het genoegen niet -weigeren om haar dit kleine bewijs mijner erkentenis te schenken? - ---Mijn broeder is vrij. - ---Maar zeg mij! opperde Vrij-Kogel op eens, welk toeval bragt u dezen -avond toch in ons kampement? - ---Begrijpt gij dat niet? - ---Te duivel! neen, dat beken ik; wij dachten allerminst dat gij zoo -digt in onze nabijheid waart. - ---Dat is waar, zeide don Miguel; maar nu wij weten waar wij zijn, -is de zaak zoo duister toch niet. - ---Goed; maar dat verklaart ons nog niet hoe de Sachem ons hier zoo -knap heeft kunnen vinden. - ---Wij hadden uw spoor ontdekt, antwoordde de Vliegende-Arend, op den -weg dien wij volgen. - ---Dat kan zijn; en toen hebt gij ons willen verkennen? - -Het opperhoofd knikte toestemmend. - ---Zijn onze vrienden ver van hier gelegerd? vroeg de jager. - ---Neen, antwoordde de Indiaan; ik denk nu dadelijk naar hen terug te -keeren, om hun te vertellen welke lieden ik hier gevonden heb. Ik ben -reeds vrij lang uitgeweest; de bleekgezigten zullen zich wel ongerust -maken. Ik ga vertrekken. - ---Een oogenblik nog, riep Vrij-Kogel. Daar het toeval ons zoo wel -bij elkander bragt, moesten wij dunkt mij niet weder scheiden; wij -zullen elkander welligt spoedig noodig hebben. - ---Inderdaad, hoofdman, zei don Miguel, hoe denkt gij er over? zou het -beter zijn dat wij ons in het kamp bij u voegden, of komt gij liever -bij ons? - ---Wij zullen hier komen. - ---Haast u dan, want ik brand van verlangen om te weten, wat er gebeurd -is sedert onze scheiding aan het veer del Rubio. - ---De Vliegende-Arend is een goed payatzin--looper,--antwoordde het -opperhoofd, maar hij heeft slechts de beenen van een mensch. - ---Dat is waar; waarom kwaamt gij niet liever te paard? - ---Wij hebben onze paarden in het kamp aan de groote rivier gelaten; -een spoor laat zich beter volgen te voet. - ---Dat is ligt te verhelpen. Met u hoevelen zijt gij? - ---Met ons vieren. - ---Hoe! vier? Er zijn er toch meer geweest, dunkt mij. - ---Ja, maar de bleeke jager zal u wel vertellen, waarom twee onzer -kameraden ons verlaten hebben. - ---Goed, dan ga ik met u mede. - -Don Leo gaf onmiddelijk bevel om vier paarden gereed te maken, droeg -aan Vrij-Kogel de taak op om gedurende zijne afwezigheid voor het kamp -te waken, zette zich toen in den zadel, welk voorbeeld terstond door -den Sachem gevolgd werd, en beiden reden weg, de twee andere paarden -bij den teugel aan, de hand met zich voerende. - -De beide ruiters hadden naauwelijks twintig minuten noodig om den weg -af te leggen, waarmede de Vliegende-Arend een vol uur had doorgebragt, -uit hoofde der voorzorgen die hij had moeten nemen, om het onzekere -spoor niet uit het oog te verliezen, dat hem even goed naar een troep -vijanden als naar een troep vrienden had kunnen voeren. - -Zij vonden don Mariano en Loer-Vogel met gevelde buksen, en in -volle waakzaamheid op den uitkijk. Door het lang wegblijven van -den Vliegenden-Arend, waren zij een poos geleden in slaap geraakt; -maar het getrappel der paarden had hen weder doen ontwaken, en niet -wetende wat het wezen kon, hielden zij zich gereed op zelfverdediging. - -Bij hun ontwaken wachtte hen echter eene onaangename verrassing; -in plaats van drie waren zij slechts met hun tweeën. - -Domingo was verdwenen. - -Zoodra zij nu don Miguel en den Indiaan hadden herkend, riep Loer-Vogel -met drift: - ---Stijgt af, stijgt af! caballeros, wij moeten allen op de jagt! - ---Hoedat! op de jagt, en op dit uur? vroeg don Miguel; zijt gij gek, -oude jager? - ---Ik ben alles behalve gek, antwoordde de Canadees schielijk; maar -ik zeg u nogmaals, stijg af en op de jagt! wij zijn verraden. - ---Hoedat verraden! riep don Miguel, verwonderd opkijkende, en door wie, -in 's hemels naam? - ---Door Domingo! de schelm is gevlugt terwijl wij even sliepen. Ja, -ik heb dat koperen gezigt niet zonder reden zoo vaak gewantrouwd. - ---Domingo gevlugt? hij een verrader? Gij bedriegt u. - ---Ik bedrieg mij niet. Wij moeten hem nazetten, zeg ik u; in naam -van haar die gij gezworen hebt te redden, bezweer ik het u. - -Meer was er niet noodig om den jongman uitzinnig te maken, hij sprong -oogenblikkelijk van zijn paard, en greep zijn geweer. - ---Wat moet er gedaan worden? vroeg hij. - ---Laten wij het terrein tusschen ons vieren verdeelen, antwoordde -de jager schielijk; gaan wij ieder een anderen kant uit, en moge -God onze nasporingen bekroonen, wij hebben reeds te veel kostbaren -tijd verloren. - -Zonder verder een woord te wisselen, trokken de vier mannen langs -vier verschillende wegen het bosch in. - -Maar de duisternis was te sterk; onder het geboomte dat op den -vollen dag naauwelijks de zonnestralen doorliet, kon men in zulk een -donkeren nacht, daar de maan nog niet op was, geen twee passen ver om -zich heen zien; zoo dus de Gambucino, in plaats van te vlugten, zich -misschien zekerheidshalve hier of daar in den omtrek verscholen had, -zouden de jagers hem waarschijnlijk onopgemerkt voorbijgaan. Hunne -nasporingen werden lang genoeg voortgezet, daar de jagers begrepen -van hoeveel belang het voor hen was om den vlugteling terug te -vinden. In weerwil echter van hunne behendigheid, bleven al hunne -pogingen vergeefs en zagen zij niets. Loer-Vogel, don Mariano en don -Miguel waren reeds sinds eenige minuten terug en zaten weder bij hun -haardvuur, tamelijk ontmoedigd elkander den ongunstigen uitslag van -hun onderzoek mede te deelen, toen er op eens een schitterend licht in -het bosch gezien en een geweerschot gehoord werd, bijna onmiddelijk, -door een tweede gevolgd. - ---Daar moeten wij op af, Loer-Vogel! De Vliegende-Arend heeft zeker -den schelm in den val gekregen; nooit heeft een speurhond beter zijn -wild nagezeten dan hij. - -De drie mannen vlogen op en liepen andermaal het bosch in, in de -rigting waar zij de schoten hadden hooren vallen. Terwijl zij er -digter bij kwamen, voorzagen zij een hardnekkigen kamp; de bekende -oorlogskreet der Comanchen, door den Vliegenden-Arend met donderende -stem aangeheven, liet deswegens geen twijfel meer over. Eindelijk -bereikten zij het tooneel van den strijd. - -De Vliegende-Arend, met den voet op de borst van een man, die voor -hem op den grond als een slang lag te kronkelen, om zich aan den -benaauwenden druk te ontwringen, stond met den rug tegen een eikenstam -geleund en verdedigde zich met zijn strijdbijl, als een woedende leeuw, -tegen vijf of zes Indianen die hem tegelijk aanvielen. - -De drie blanken grepen terstond hunne geweren bij de trompen en sloegen -er met de kolven als beukhamers op in, onder gevaarlijk geschreeuw -zich mengende in den hagchelijken kamp. - -Het onmiddelijk gevolg dezer afleiding was beslissend. De roodhuiden -zetten het terstond op een loopen en verstrooiden zich in alle -rigtingen als een drom zwarte spoken. - ---Zet hen na! zet hen na! brulde don Miguel voortijlende. - ---Houd op! schreeuwde Loer-Vogel, hem bij den arm terughoudende; wie -zou een wolk naloopen die de wind wegdrijft? Laat die ellendelingen -vrij ontsnappen, wij zullen ze later wel vinden, daar sta ik u -borg voor. - -De jongman begreep nu dat op dit oogenblik eene vervolging in de -duisternis, aan de Roodhuiden, die waarschijnlijk sterker in getal, -en daarbij beter dan hij met de plaatselijke gesteldheid bekend waren, -een ongelijk voordeel zou geven; hij bleef dus staan, met een zucht -van teleurstelling. - -De Sachem werd thans met zijne schoone verdediging geluk gewenscht. Hij -ontving dit kompliment met zijne gewone nederigheid en kalmte. - ---Ooah! antwoordde hij, die Apachen zijn lafhartige oude vrouwen; één -krijgsman der Comanchen is genoeg om er zesmaal tien van te dooden, -en nog twintig bovendien. - -Intusschen was het geluk den dapperen Indiaan zoo wonderbaar gunstig -geweest, dat hij er slechts met een paar onbeduidende schrammen was -afgekomen, die hij ondanks al den aandrang zijner vrienden, niet -anders wilde verplegen dan ze met een weinig koud water af te wasschen. - ---Maar, riep Loer-Vogel op eens, terwijl hij bukte en naar den grond -wees, wat hebben we daar? Ha ha! onze vlugteling, als ik het wel heb. - -Werkelijk was het Domingo. De arme duivel lag met een gebroken dij; en -daar hij wel begreep welk lot hij na het gepleegde verraad te wachten -had--huilde hij van pijn, zonder verder een woord te willen antwoorden. - ---Het zou een weldaad voor hem zijn, zei don Mariano, als wij dien -ellendeling een kogel door den kop jaagden, om hem op eens uit zijn -lijden te helpen. - ---Niet al te voortvarend, opperde de onverbiddelijke jager, alles op -zijn tijd; laat de Vliegende-Arend ons eerst uitleggen hoe hij aan -hem gekomen is. - ---Ja, dat is van het hoogste belang, stemde don Miguel hem toe. - ---De Wacondah zelf heeft dien man in mijne handen geleverd, antwoordde -het opperhoofd met nadruk. Ik had het bosch zoo zorgvuldig doorzocht -als de duisternis mij toeliet; vermoeid door bijna twee uren van -vergeefsche nasporingen, wilde ik reeds naar u terugkeeren, toen -ik juist op een oogenblik dat ik er het minste op verdacht was, -door meer dan tien Apachen werd aangevallen. Deze man hier was aan -het hoofd der bende; hij schoot zijn eruhpa--geweer--op mij af, doch -hij raakte mij gelukkig niet; ik beantwoordde hem op dezelfde wijze, -en het gelukte mij beter, want hij viel; ik zette hem onmiddelijk -den voet op de borst, uit vrees dat hij mij nog ontsnappen zou, en -verdedigde mij zoo goed ik kon tegen mijne vijanden, om u gelegenheid -te geven mij te hulp te komen. Zoo is het gebeurd. Ik heb gezegd. - ---Bij den hemel! dat moet gezegd worden, riep de jager vol geestdrift -uit, gij zijt een dapper krijgsman! wat gij gedaan hebt is schoon! Die -ellendeling heeft zich zeker, nadat hij ons verlaten had, met een -troep van die wilde roofvogels vereenigd en kwam zonder twijfel terug -met oogmerk om ons te overvallen terwijl wij sliepen. - ---Het zij zoo 't wil, zeide don Mariano, hij is nu weder terug -gevonden, en alles is goed afgeloopen. - -De gewonde deed eene hopelooze poging om zich op te rigten, en, zooveel -mogelijk op zijne regterhand geleund, riep hij met een akeligen grijns: - ---Ja, ja, ik weet dat ik sterven zal; maar ik zal niet ongewroken -blijven. - ---Wat zegt gij daar, ellendige? riep don Mariano. - ---Ik zeg dat uw broeder alles weet, oude heer, en dat hij uwe plannen -zal weten te verijdelen. - ---Monster! wat heb ik u gedaan, dat gij mij aldus behandelt. - ---Gij hebt mij niets gedaan, antwoordde Domingo met een duivelschen -lach; maar die kerel daar! volgde hij, naar don Miguel wijzende, -hem haat ik sedert lang. - ---Welaan, sterf dan, booswicht! riep de jongman woedend, terwijl hij -hem de kille tromp van zijn buks op het voorhoofd zette. - -De Vliegende-Arend keerde het wapen af. - ---Die man behoort mij, broeder, zeide hij. - -Don Miguel trok langzaam zijne buks terug en zich thans tot den Sachem -wendende, zeide hij: - ---Dat stem ik u toe, maar op voorwaarde dat hij sterven zal. - -Een sombere, onheilspellende glimlach deed de dunne lippen van den -Indiaan een oogenblik trillen. - ---Ja, was zijn antwoord, maar hij sterve den dood van een Apache. - -Daarop, zonder verder een woord te spreken, ontspande hij den boog -die naast zijn pantervellen pijlkoker over zijn schouder hing, sloeg -het koord om den schedel van den Gambucino, stak er een pijl door -en draaide het stevig digt: hem toen de knie tusschen de schouders -zettende, greep hij zijn hoofdhaar met de regterhand, trok het hem -met huid en al af, en skalpeerde hem dus op de meest folterende -wijze die men zich verbeelden kan, daar hij, in plaats van eerst -met zijn mes eene insnijding te maken, de huid letterlijk met het -koord afschilde. De bandiet, met zijn bloedigen schedel, en misvormde -gelaatstrekken, vouwde de handen stuipachtig zamen en brulde met eene -onbeschrijfelijke stem: - ---Dood mij! O, uit medelijden, dood mij! - -De Comanch boog zich met een woest gezicht over den bandiet. - ---Men doodt geen schurken, mompelde hij; en hem bij de keel grijpende, -stak hij hem zijn jagtmes tusschen de tanden, brak hem den mond open -en rukte er de tong uit, die hij met afschuw weg wierp.. - ---Sterf als een hond, zeide hij ten slotte; uw leugensprekende tong -zal niemand meer verraden. - -Domingo stiet zulk een vreeselijken folterkreet uit, dat al de -omstanders er van sidderden, en tuimelde toen bewusteloos op den grond -[16]. - -De Vliegende-Arend schopte den zieltogenden bandiet verachtelijk met -den voet en wendde zich naar zijne kameraden: - ---Laten wij vertrekken, zeide hij. - -De anderen volgden hem stilzwijgend, geheel ter neergeslagen en -overstelpt van afgrijzen, door het barbaarsch tooneel, waarvan zij -getuigen waren geweest en waarbij zij den Indiaan in al zijne woestheid -gezien hadden. - -Een uur later kwamen zij bij Vrij-Kogel in het kamp terug. - -Met het opgaan der zon trad de Vliegende-Arend naar Loer-Vogel en -drukte hem zacht met de hand op den schouder. - ---Wat wilt gij? vroeg de jager ontwakende. - ---De Sachem gaat de Wilde-Roos te gemoet, antwoordde de Indiaan kortaf. - -En hij ging terstond heen. - ---Er is toch iets zonderlings in die ruwe natuurmenschen, mompelde -de jager, terwijl hij hem naoogde. - - - - - - - -XXXI. - -DE TLACATEOTZIN [17]. - - -Twee uren na zonsopgang, kwam de Vliegende-Arend in het kamp terug, -vergezeld van de Wilde-Roos. - -Er werd onmiddelijk raad belegd, om het nieuws te vernemen. - -De jonge Indiaansche had niet veel te vertellen. Alles kwam op het -volgende neder: - -De twee Mexicaansche dames bevonden zich nog in de stad. Addick was -afwezig, maar werd met ieder oogenblik terug verwacht. - -Dit nieuws, hoe kort het ook wezen mogt, was echter gunstig; want -ofschoon de bijzonderheden ontbraken, wisten de jagers nu toch -dat hunne vijanden nog geen tijd hadden gehad om tot een besluit -te komen. Het kwam er dus op aan om hen voor te zijn, en de jonge -meisjes op te ligten, eer de Indianen in staat waren, er zich tegen -te verzetten. - -Maar, om de jonge meisjes op te ligten en weg te voeren, zou men de -stad moeten binnendringen, daar lag het grootste bezwaar! - -Een bezwaar, dat voorshands onoverkomelijk scheen. - -In deze moeijelijke omstandigheid wendde zich aller oog naar den -Vliegenden-Arend. Het opperhoofd glimlachte. - -Aan de angstige uitdrukking die op aller gelaat te lezen was, kon de -Indiaan ligtelijk gissen wat men van hem verwachtte. - -Het uur is gekomen, zeide hij; mijn blanke broeders eischen van mij -de grootste opoffering die men van een Sachem zou kunnen vorderen, -namelijk dat hij hun de poorten zal openen van een der laatste -bolwerken der Indiaansche Zonnedienst, het voornaamste heiligdom -waar de wet van Ilhuicamitl [18] den grootsten, den magtigsten, en -den ongelukkigsten van al de vorsten, die immer het land van Hanahuca -[19] beheerschten, nog ongeschonden bewaard wordt. Evenwel, om mijne -bleeke broeders te bewijzen, hoe eerlijk en trouw het roode bloed -in mijne aderen vloeit, en hoe zuiver en onbewolkt mijn hart is, -zal ik voor hen doen wat ik hun beloofd heb. - -Op deze verzekering van den Vliegenden-Arend, wiens plegtig gegeven -woord niet kon worden in twijfel getrokken, helderde aller aangezigt -op. - -Het opperhoofd vervolgde: - ---De Vliegende-Arend heeft geen dubbele tong: wat hij zegt doet hij; -hij zal den grooten jager der blanken in Quiepa-Tani binnenleiden, -onder eene voorwaarde echter, namelijk: mijne broeders moeten vergeten -dat zij krijgslieden en dapperen zijn; de list alleen kan hen doen -triomferen. Heeft de groote jager der bleekgezigten de woorden van het -opperhoofd begrepen? Is hij bereid zich op diens beleid en ondervinding -te verlaten? - ---Ik zal alleen handelen op uwe aanwijzing, hoofdman, antwoordde -Loer-Vogel, die wel begreep dat de Comanch hem bedoeld had; ik beloof -u dat ik mij geheel door u zal laten leiden. - ---Ooah! hervatte de Indiaan glimlagchend, dan is alles in orde; -over twee uren is mijn broeder in Quiepa-Tani. - ---God geve dat het zoo zijn mag, en dat mijn kind gered worde! mompelde -don Mariano. - ---Ik ben sinds lang gewoon om de Indianen met list te bestrijden, -antwoordde de jager; tot hiertoe heb ik mij, Gode zij dank, altoos -wel genoeg in mijne ontmoetingen met hen weten te redden; ook ditmaal -hoop ik goed te zullen slagen. - ---Wij zullen ons gereed houden, om u te hulp te komen zoo het noodig -mogt zijn, zeide don Miguel. - ---Draag vooral zorg dat uw spoor verborgen blijve; gij weet dat de -verrader Domingo uwe vijanden reeds heeft wakker gemaakt. - ---Laat dat gerust aan mij over, Loer-Vogel, zeide Vrij-Kogel; ik -weet wat het zegt met de Indianen schuilevinkje te spelen; het is -niet voor de eerste maal dat mij zoo iets overkomt, en ik herinner -mij wel dat ik in het jaar 1845, toen ik nog.... - ---Dat weet ik, dat weet ik, viel de Canadees hem in de rede, gij zijt -de man niet om u te laten overrompelen, vriend, en dat is voor mij -genoeg; alleenlijk wees op uwe hoede en zorg dat gij op het eerste -signaal gereed zijt. - ---En welk signaal zal dat zijn? vroeg de jager; want wij moeten goed -afspreken, om ieder noodlottig misverstand voor te komen, dat in de -tegenwoordige omstandigheden ernstige en treurige gevolgen zou kunnen -na zich slepen. - ---Gij hebt gelijk; zoodra gij dus het geschreeuw van den watersperwer -driemaal, met gelijkmatige tusschenpoozen zult hooren herhalen, -moet gij terstond krachtdadig te hulp schieten. - ---Begrepen, antwoordde Vrij-Kogel, gij kunt op ons rekenen. - ---Ik ben gereed, zei Loer-Vogel tegen het opperhoofd; wat heb ik nu -te doen? - ---Vooreerst moet gij u kleeden, antwoordde de Vliegende-Arend. - ---Hoe dat! mij kleeden? riep de jager met een blik van verwondering -op zijn eigen persoon. - ---Ooah! denkt mijn broeder dan dat hij Quiepa-Tani kan binnentreden -in het gewaad van een blanke? - ---Gij hebt gelijk; vermomd als een Indiaan is volstrekt noodig; -wacht maar even. - -De gedaanteverwisseling kostte niet veel tijd. - -De Wilde-Roos had zich intusschen uit zedigheid in een -floripondio-boschje teruggetrokken, om den jager niet te storen in -het maken van zijn nieuw toilet. - -Binnen weinige minuten had Loer-Vogel met een scheermes zich knevels -en baard afgeschoren. Inmiddels was de Indiaan zekere kruiden gaan -verzamelen, die overvloedig in het bosch groeiden. Na er het sap -uitgeperst te hebben, hielp de Vliegende-Arend den Canadees, die -zich geheel had ontkleed, zijn ligchaam en vooral zijn aangezigt te -verwen; vervolgens schilderde hij hem zoo goed mogelijk een ayotl -of gewijden schildpad op de borst, verzeld van eenige symbolische -figuren, die niets oorlogszuchtigs hadden, en welke hij tevens op -zijn aangezigt herhaalde. Toen kleurde hij de haren van den jager, -die nog bijna geheel zwart waren, met een wit poeder, om hem een hoog -bejaard voorkomen te geven, daar men weet dat de Roodhuiden niet vroeg -grijs worden; hij bond die in een bos achter op het hoofd zamen, op -de manier der Yumas, de meest rondzwervende Roodhuiden die men kent, -en om hem des te meer het uitzigt van een vreedzaam man te geven, -stak hij er aan den linker kant een papagallo-veêr in, in plaats van -midden op de kuif, zoo als de krijgslieden gewoonlijk doen. - -Deze toebereidselen eindelijk afgeloopen zijnde, vroeg de -Vliegende-Arend aan de Europeanen, die met gespannen nieuwsgierigheid -de verschillende trappen der gedaanteverwisseling hadden nagegaan, -hoe zij vonden dat hun kameraad er thans uitzag. - ---Op mijn woord, riep Vrij-Kogel naïef, als ik deze herschepping -niet met eigen oogen had bijgewoond, zou ik hem niet meer herkennen; -en om u de waarheid te zeggen, herinner ik mij een dergelijk zeer -zonderling geval, dat mij gebeurde in het jaar 1836. Verbeeld u.... - ---En wat zegt gij er van? hervatte de Indiaan, terwijl hij den Canadees -onbarmhartig het woord ontnam en zich tot don Miguel wendde. - -Deze kon zijn lach naauwelijks bedwingen toen hij den jager aankeek. - ---Mijn hemel! riep hij, ik vind hem afschuwelijk; hij gelijkt zoo -volmaakt op een leelijken Roodhuid, dat hij gerust den togt wagen kan. - ---Ooah! de Indianen zijn zoo geslepen, mompelde het opperhoofd; -maar evenwel, op deze wijze vermomd, geloof ik dat mijn broeder, -als hij zich in den geest van den persoon dien hij voorstelt maar -goed weet te verplaatsen, van dien kant niets te vreezen heeft. - ---Ik verlang niets beter; alleen moet ik u aanmerken, hoofdman, -dat ik nog niet weet welke persoon gij wilt dat ik zal voorstellen. - ---Mijn broeder zal een tlacateotzin zijn, een groote Yumeesche doctor. - ---Weergaasch! dat is een kapitaal idee: in die rol kan ik overal -toegang krijgen. - -De Comanch begon te lagchen en boog toestemmend. - ---Ik zou al zeer onhandig moeten zijn, als ik niet slaag, vervolgde -de jager; maar terwijl ik een dokter ben, moet ik niet vergeten -geneesmiddelen mede te nemen. - -Loer-Vogel grabbelde thans in zijn weitasch, en haalde er alles -uit wat hem zou kunnen verraden, er niets anders in latende dan zijn -reisfoudraal en een kleine doos met medicijnen, die hij steeds bij zich -droeg, en van welke onschatbare bagaadje hij bij menige gelegenheid -goede dienst had gehad. Daarop maakte hij zijn knapzak weder digt, -slingerde hem over zijn rug en wendde zich tot het opperhoofd. - ---Ik ben gereed, zeide hij. - ---Goed; de Wilde-Roos en ik zullen vooruitgaan, om u den toegang -gemakkelijk te maken. - -De Tlacateotzin boog toestemmend. - -De Indiaan riep zijne vrouw; beiden namen afscheid van de avonturiers -en verwijderden zich. - -Zoodra het opperhoofd verdwenen was zeide ook Loer-Vogel zijne vrienden -vaarwel. Het was welligt voor het laatst dat hij hen zag. Wie toch kon -het lot vooruitzien dat hem verbeidde, te midden der woeste Indianen, -aan wier handen hij zich zonder verdediging ging toevertrouwen? - ---Ik zal met u gaan tot aan den rand van het bosch, zeide don Miguel, -om te zien welke maatregelen ik zal moeten nemen om u op het eerste -sein te hulp te snellen. - ---Kom, antwoordde de jager kortaf. - -Zij gingen heen, gevolgd door de goede wenschen van al hunne kameraden, -die Loer-Vogel niet zonder leedwezen en met een onuitsprekelijk gevoel -van angst en bezorgdheid zagen vertrekken. - -De beide mannen stapten nevens elkander voort, zonder een woord te -wisselen; de Canadees was in diepe gepeinzen verzonken; don Miguel zelf -scheen ten prooi aan eene ontroering die hij niet kon onderdrukken. Zoo -kwamen zij tot aan de laatste boomen van het woud. - -De jager bleef staan. - ---Hier moeten wij elkander verlaten, zeide hij. - ---Dat is waar, murmelde de jongman, terwijl hij treurig rondkeek; -verder sprak hij niet. - -De Canadees wachtte een oogenblik, en toen hij zag dat don Miguel -bleef zwijgen, zei de hij: - ---Hebt gij mij niets te zeggen? - ---Waarom vraagt gij mij dat? antwoordde de jongman met eene -onwillekeurige huivering. - ---Omdat ik niet geloof, dat gij enkel om mij nog een poos langer -gezelschap te houden zijt mede gegaan, don Leo; gij moet mij zeker -iets te zeggen hebben. - ---Ja, 't is waar, zeide hij met blijkbare inspanning, uw vermoeden is -juist; ik heb u nog iets te zeggen; maar ik weet niet hoe het komt, -'t is alsof mij de keel wordt toegenepen, ik kan geene woorden vinden -om uit te spreken wat ik gevoel. O, als ik uwe ondervinding en uwe -kennis van de taal der Indianen had, Loer-Vogel, ik verzeker u, -niemand anders zou naar Quiepa-Tani gegaan zijn dan ik. - ---Ja, dat begrijpt zich, dat kan niet anders zijn, prevelde de jager, -meer in zich zelven, dan in antwoord op hetgeen zijn vriend gezegd -had; en waarom zou het ook anders zijn? vervolgde hij; de liefde is -de zonneglans der jeugd, alles bemint in deze wereld; waarom zouden -twee schoone, welgemaakte jonge menschen, de eenige schepsels op -aarde zijn, die voor elkander ongevoelig en zonder liefde bleven? - ---Wat wilt gij dat ik haar voor u zeg? liet hij er driftig op volgen. - ---O! riep de jongman. Weet gij dan dat ik haar bemin? Dit geheim, -dat ik naauwelijks voor mij zelven durfde bekennen, is dus in uwe hand! - ---Heb daarom maar geen vrees, goede vriend, dat geheim is even veilig -in mijn hart als in het uwe. - ---Helaas, vriend, de woorden die ik haar te zeggen heb, zou ik -alleen kunnen uitspreken, wanneer ik hoop had dat zij hare ooren -konden bereiken. Zeg haar liever niets van mij, dat zal beter zijn; -verzeker haar slechts, wat gij weet, dat ik hier ben om voor haar -behoud te waken en dat ik mijn leven veil heb, haar in de armen haars -vaders terug te voeren. - ---Dat alles zal ik haar zeggen, mijn vriend. - ---En dan, hervatte don Miguel, terwijl hij met min of meer bevende -hand een stalen ketting, waaraan een klein zwart fluweelen zakje hing, -van zijn hals deed en aan Loer-Vogel gaf, neem dit amulet;--het is -alles wat ik van mijne moeder bezit, vervolgde hij met een zucht, -het heeft aan mijn hals gehangen sedert den dag mijner geboorte; in -dat zakje is eene heilige reliek--een splinter van het heilig kruis, -gezegend door den Paus. Geef haar dat, en laat zij het zorgvuldig -bewaren; dit amulet heeft mij reeds uit menig gevaar gered. 't Is het -eenige dat ik op dit oogenblik voor haar doen kan. Ga, mijn vriend, -red haar, daar ik mij gedoemd zie om niets dan onvruchtbare wenschen -voor haar behoud te koesteren. Gij houdt van mij, Loer-Vogel, ik -zal er geen woord meer bijvoegen, dan dit eene: van den uitslag uwer -edele poging in dit uur hangt mijn leven af. Vaarwel! Vaarwel! - -Met zenuwachtige drift greep hij de forsche hand van den jager en -drukte die bij herhaling met kracht. Zich toen schielijk omkeerende, -om zijne opwellende tranen niet te laten zien, trad hij met haastigen -tred in het woud terug, waar hij spoedig verdween, nadat hij zijn -vriend, die hem met verwondering naoogde, een laatsten groet met de -hand had toegeworpen. - -Toen don Miguel zich verwijderd had, stond de Canadees een poosje -somber te peinzen, ten prooi aan eene onverklaarbare droefgeestigheid. - ---Arme jongman, mompelde hij met een diepen zucht, is dit nu wat men -verliefd noemt? - -Maar terstond onderdrukte hij de zonderlinge vlaag van ontroering, -die hem een oogenblik het hart had beklemd, en moedig het hoofd -opheffende, zeide hij: - ---Welaan! het lot is geworpen; voorwaarts! - -Thans de kalme en onverschillige houding van een Indiaan aannemende, -stapte hij met langzamen tred naar de vlakte, terwijl hij de blikken -zorgvuldig liet rondgaan om het terrein zooveel mogelijk te verkennen. - -In de schitterende stralen der zon, die helder en glansrijk was -opgegaan, had het groene veld, dat de Canadees doortrok, een inderdaad -aller bekoorlijkst aanzien. Even als toen hij voor de eerste maal deze -landstreek in oogenschouw nam, was alles rondom hem in drukke beweging. - -Dank zij zijn nieuw uitwendig voorkomen, kon hij alles wat er omging -op zijn gemak opnemen, en beschouwde hij het levendig tooneel met -belangstellende nieuwsgierigheid: maar wat reeds dadelijk zijne -bijzondere aandacht trok, was een troep ruiters, gekleed of liever -geschilderd in hun vollen oorlogsdosch en gewapend met die lange -werpspiessen en pijlen met weerhaken, die de Indianen met zooveel -behendigheid weten te gebruiken en welker wonden zoo gevaarlijk -zijn. De meesten droegen bovendien nog een buks aan een band over den -schouder en een reata, of lasso; aan den gordel. In geregelde orde en -op matigen draf, reden zij naar de stad, van een tegenovergestelden -kant komende als de jager. - -De menigte voetgangers op het veld en langs den weg bleven staan om -hen in oogenschouw te nemen; Loer-Vogel maakte van deze gelegenheid -gebruik en versnelde zijn stap om zich onder den nieuwsgierigen hoop -te mengen, in welks midden hij, zoo als hij verlangde, weldra verdween, -terwijl niemand er aan dacht om bijzonder op hem te letten. - -De ruiters trokken steeds in gelijken draf voort, zonder zich met -de nieuwsgierige menigte te bemoeijen, tot op veertig passen van de -hoofdpoort, waar zij halt maakten. - -Op hetzelfde oogenblik zag men drie kavaleristen in galop uit de -stad komen, en met een paar sprongen de houten brug oversteken, -om de nieuw aangekomen troep te ontvangen. - -Van deze laatsten zonderden zich thans mede drie ruiters af, en reden -de vorige drie te gemoet. - -Na eene korte woordenwisseling, voegden de zes ruiters zich nu -gezamenlijk bij de troep, die onbewegelijk achteraf was blijven -staan, stelden zich aan haar hoofd en trokken in geregelde orde de -stad binnen. - -Loer-Vogel, die hen van nabij was gevolgd, bereikte juist de brug -toen de laatste ruiters in de stadspoort verdwenen. - -De jager begreep wel dat thans het geschikte oogenblik daar was om -een stouten stap te wagen; hij nam dus, ofschoon zijn hart bijna -hoorbaar klopte, eene houding aan zoo onverschillig als mogelijk was, -en meldde zich aan om op zijne beurt te worden binnen gelaten. - -Op eenigen afstand had hij den Vliegenden-Arend en zijne vrouw -opgemerkt, in gesprek met een Indiaan, die een zekeren rang scheen -te bekleeden. - -Dit gezigt verdubbelde den moed van den vermetelen Canadees. - -Hij stapte stoutweg de brug over en kwam zoo het scheen ongehinderd -aan de poort. - -Hier echter werd er eene lans geveld, die hem den doortogt belette. - -Op een wenk van den Vliegenden-Arend, verwijderde zich de Indiaan -met wien hij gesproken had en rigtte zijne schreden naar de poort. - -Het was een reeds bejaard krijgsman van hooge gestalte, wiens grijzende -haren en sterk gerimpeld gelaat aan zijn voorkomen zekere mengeling -gaven van zachtheid, schranderheid en majesteit. Hij sprak een paar -woorden tot den schildwacht, die zich tegen het binnenkomen van -Loer-Vogel had willen verzetten, maar nu terstond zijn lans ophief, -en met eene eerbiedige buiging een paar passen terugtrad. - -De oude Indiaan wenkte thans den Canadees dat hij binnen kon komen. - ---Ik heet mijn broeder welkom te Quiepa-Tani, zeide hij terwijl hij -den jager beleefd groette; mijn broeder heeft hier vrienden. - -Door zijn veeljarig verblijf in de Prairiën en zijn gedurigen omgang -met de Roodhuiden, sprak Loer-Vogel verscheidene Indiaansche dialecten -met evenveel gemak als zijn eigen moedertaal. Op de toespraak van den -ouden Indiaan, begreep hij dat men hem voorthielp; hij kreeg dus de -noodige fermiteit om zijne rol goed te spelen, en vroeg: - ---Is mijn broeder een opperhoofd? - ---Ik ben een opperhoofd. - ---Ooah! dat mijn broeder mij ondervrage, en Ometochtli zal antwoorden. - -Daar de jager, om zoo te zeggen, zijne persoonlijkheid veranderd had, -meende hij tevens een anderen naam te moeten aannemen; na eenige -mislukte pogingen, had hij zich eindelijk bepaald bij dien van -Ometochtli, als het best strookende met het karakter dat hij moest -voorstellen; want hoe vervaarlijk dit woord in onze ooren ook klinken -mag, beteekent het eenvoudig Twee-Konijnen, [20] zonder twijfel een -zeer vreedzamen naam, en geheel in overeenstemming met de rol die de -jager spelen zou. - ---Ik heb mijn broeder niet te ondervragen, hernam het opperhoofd -beleefd, daar ik weet van waar hij komt; mijn broeder is een der -ingewijden in de groote geneeskunst van den wijzen stam der Yumas. - ---De Sachem is goed onderrigt, antwoordde de jager; ik zie dat hij -met den Vliegenden-Arend gesproken heeft. - ---Is het reeds lang dat mijn broeder zijn volk verlaten heeft? - ---Het zal zeven manen zijn, sedert het uitbotten der eerste bladeren, -dat ik de mocksens aandeed om op reis te gaan. - ---Ooah! hervatte de Sachem op zekeren toon van eerbied, waar liggen -dan de jagtgronden van mijns broeders stam? - ---Aan de oevers van het onbegrensde zoutmeer (de zee). - ---Wenscht mijn broeder de groote geneeskunst te Quiepa-Tani uit -te oefenen? - ---Het is alleen met dat doel dat ik hier kom, en tevens om den Wacondah -te aanbidden, in den heerlijken tempel dien het vrome Indiaansche -volk hem in deze heilige stad heeft gesticht. - ---Zeer goed; mijn broeder is een wijze; zijn volk is vreedzaam; maar -ik, vervolgde hij, het hoofd verheffend en zich fier in zijne volle -lengte oprigtende: ik ben een krijgsman en mijn naam is Atoyac. - -Door een zonderlingen zamenloop van omstandigheden, was de eerste -Indiaan met welken Loer-Vogel in betrekking kwam, dezelfde die ook -Addick ontvangen had, en wiens vrouw door den opperpriester werd -uitgekozen, om als vertolkster tusschen hem en de jonge meisjes te -dienen; deze omstandigheden waren echter den jager geheel onbekend. - ---Dan is mijn broeder een magtig opperhoofd, antwoordde hij op de -grootspraak van den Indiaan. - -Deze boog met statige zedigheid voor zulk een vleijend compliment. - ---Ik ben een zoon van den heiligen stam aan welken de tempelwacht is -opgedragen, zeide hij. - ---Moge de Wacondah het geslacht van mijn broeder zegenen! - -De Sachem raakte nu meer en meer opgewonden, door de vleijende -komplimenten van den jager, die hem geheel als betooverden. - ---Dat mijn broeder Twee-Konijnen mij gelieve te volgen; wij zullen -eerst onze vrienden gaan zien, die ons reeds wachten; vervolgens -begeven wij ons naar mijne calli (hut), die ik hem in het bezit geef -zoolang hij zich te Quiepa-Tani bevindt. - -Loer-Vogel maakte eene eerbiedige buiging. - ---Mijn broeder is goed, zeide hij, ik ben niet waardig met het stof -mijner mocksens zijn drempel te bezoedelen. - ---De Wacondah zegent hen die de gastvrijheid beoefenen; mijn broeder -Twee-Konijnen is de gast van het opperhoofd; dat hij mij dus volge. - ---Ik zal mijn broeder volgen, omdat hij het verlangt. - -En zonder verderen tegenstand stapte Loer-Vogel achter den Sachem -de stad in, innig tevreden dat hij deze eerste proef zoo goed -was doorgekomen. Gelijk wij vroeger gezien hebben, stonden de -Vliegende-Arend en de Wilde-Roos eenige passen verder in de poort, -en sloten deze zich weldra bij hen aan. - -Alle vier begaven zich nu, zonder een woord te spreken, gezamentlijk -naar het huis van den ouden Sachem, dat aan het andere einde der stad -gelegen was. - -Op deze lange wandeling had de jager gelegenheid om de straten die -hij doortrok te bezigtigen, en ofschoon oppervlakkig, met Quiepa-Tani -kennis te maken. - -Eindelijk hadden zij de calli van het opperhoofd bereikt. Huitlotl--de -Duif--de vrouw van Atoyac, zat met de beenen onder zich gekruist, -op een mat van maïs-stroo tortillas te bakken, waarschijnlijk bestemd -voor het diner van haar echtgenoot. Niet ver van haar af zaten drie -of vier slavinnen, behoorende tot dat ras van bastaard Indianen, -dat wij boven reeds gelegenheid hadden te beschrijven, en waarop men -met regt den titel van wilden mag toepassen. - -Op het oogenblik dat de Sachem met zijne gasten binnentrad, sloegen -de Duif en hare slavinnen nieuwsgierig de oogen op. - ---Huitlotl, zeide Atoyac met deftige waardigheid, ik breng u deze -vreemdelingen; de eerste is de grootste en beroemde Sachem der -Comanchen, dien gij reeds kent, zoowel als zijne vrouw. - ---De Vliegende-Arend en de Wilde-Roos zijn welkom in de calli van -Atoyac, antwoordde zij. - -De Comanch maakte eene ligte buiging, maar sprak niet. - ---Deze man hier, vervolgde de Sachem, naar den jager wijzende, is -een vermaarde tlacateotzin der Yumas, zijn naam is Twee-Konijnen; -ook hij zal bij ons zijn intrek nemen. - ---De woorden die ik aan den Sachem der Comanchen heb toegevoegd, -herhaal ik voor den grooten medicijnmeester der Yumas, zeide zij met -zekeren minzamen glimlach; de Duif is zijne slavin. - ---Mijne moeder zal mij veroorlooven haar de voeten te kussen, -antwoordde de Canadees zoo galant als een Indiaan. - ---Mijn broeder zal mij op de wangen kussen, hervatte de wederhelft -van Atoyac, terwijl zij de regterwang aan Loer-Vogel toekeerde, -die hij eerbiedig met de lippen aanroerde. - ---Mijne broeders zullen een beker pulque der welkomst drinken, -vervolgde de Duif; de weg is lang en stofferig en de stralen der zon -zijn heet. - ---De pulque laaft de dorre lippen der dorstige reizigers, antwoordde -Loer-Vogel voor zich en zijne gezellen. - -Hiermede was de voorstelling afgeloopen. - -De slavinnen bragten eenige butaccas (legbedden) waarop de reizigers -zich uitstrekten; vervolgens eenige roodaarden kruiken, zeer gelijkende -naar de Spaansche alcaforas, met pulque gevuld, het Indiaansche -bier, dat de meesteres van het huis in hoornen bekers schonk, en den -vreemdelingen aanbood, met die bevallige en gulle gastvrijheid die -den Indianen zoo bijzonder eigen is, en waarvan zij alleen het geheim -schijnen te bezitten. - - - - - - - -XXXII. - -EERSTE ONTDEKKINGEN IN DE STAD. - - -Terwijl hij deed alsof hij zich alleen bezig hield met de gulle -beleefdheden van zijne gastvrouw te beantwoorden, beschouwde de -Canadees aandachtig het inwendige der calli waar hij zich bevond, -om zich op de hoogte te stellen van de andere woningen in de stad; -daar hij met reden veronderstelde, dat de inrigting ten minste -grootendeels met die der overigen zou overeenstemmen. - -Het vertrek waar Atoyac zijne gasten had binnengelaten, was eene -vrij groote vierkante kamer, welker witte, met kalk bestreken muren -onder anderen met eenige menschelijke haarschedels en een aantal -krijgswapenen pronkten, die allen bijzonder net en zindelijk werden -gehouden. - -Eenige stapels velden van tijgers en ocelotl (boschkatten) benevens -mantels en fressadas, lagen in een soort van kribben, of groote bakken -opgehoopt, waarschijnlijk om tot bedden te dienen. - -Buttacas (rustbanken) en andere, houten, maar bijzonder lage stoelen -meubelden dit vertrek; in het midden stond een plompe vierkante tafel -van niet meer dan vier palmen hoogte boven den vloer. - -Zoo als men ziet, was deze inboedel wel eenvoudig; overigens is hij -in alle Indiaansche callis, die gewoonlijk uit zes vertrekken bestaan, -genoegzaam dezelfde. - -Het eerste vertrek, hierboven door ons beschreven, dient tot -dagelijksche huiskamer voor het gezin. - -Het tweede is bestemd voor de kinderen. - -Het derde dient tot slaapkamer. - -Het vierde bevat de getouwen om zarapes (mantels) te weven, waarin -de Indianen onovertrefbaar zijn; de getouwen zijn van bamboes en met -bewonderenswaardige eenvoudigheid zamengesteld. - -Het vijfde vertrek bevat allerlei soort van levensmiddelen voor het -regengetij, wanneer de jagt onmogelijk wordt. - -Eindelijk het zesde vertrek, dat voor de slaven bestemd is. - -Wat de keuken betreft, deze bestaat eigenlijk niet, daar zij hunne -spijzen gewoonlijk in den coral, dat is in de open lucht bereiden. - -Het gebruik van schoorsteenen is er geheel onbekend; bij nacht- -of winterkoude brandt er in iedere kamer eene groote steenen test -of komfoor. - -De zorg voor de orde en zindelijkheid in de vertrekken is aan de -slaven of slavinnen toevertrouwd, die onder opzigt van de vrouw des -huizes arbeiden. - -Deze slaven zijn niet allen zoogenaamde wilden; de Indianen betalen -niet zelden met woeker de verongelijkingen terug die zij van de -blanken ontvingen, en menig ongelukkige Spanjaard, hetzij in den -oorlog krijgsgevangen gemaakt, of gevallen in de listige strikken en -hinderlagen hem door de Roodhuiden gespannen, wordt hier tot harde -slavernij gedoemd. - -Het lot dezer ongelukkigen is nog treuriger dan dat van hunne roode -medeslaven, daar zij het vooruitzigt missen van ooit hunne vrijheid -terug te zullen bekomen; integendeel moeten zij zich niets anders -voorstellen dan om eenmaal het slagtoffer te worden van den haat -hunner wreede meesters, die zich onverbiddelijk aan hen wreken over de -duizende kwellingen, door het tyranniek en vernederend regeringsstelsel -der Spanjaarden in Mexico uitgeoefend. - -Men kan dus op deze harde slavernij ten volle de treurige zinspreuk -toepassen, die de vermaarde Dante Alighieri boven de poorten van -zijne Hel schreef: Lasciate ogni speranza (Vaarwel, alle hoop). - -Atoyac, bij wien het toeval den Canadees zoo goedgunstig had -binnengeleid, was een der meest geëerbiedigde Sachems onder de -krijgslieden van Quiepa-Tani. In zijne jeugd had hij lang onder de -Europeanen gewoond, en de groote ondervinding, door hem gedurende zijne -verre reizen opgedaan, had zijn verstand buitengewoon ontwikkeld, -menig vooroordeel zijner kaste bij hem uitgewischt en hem veel -gezelliger en beschaafder gemaakt dan de meeste zijner stamgenooten. - -Terwijl hij met kleine teugjes zijn geliefkoosde pulque zat te -lepperen, zoo als iedere echte fijnproever, die de waarde van zijn -drank op prijs stelt, behoort te doen, praatte hij gedurig met -den jager, en werd hij, hetzij door den verzachtenden invloed der -pulque, hetzij door het vertrouwen dat de Canadees hem inboezemde, -van lieverlede mededeelzamer en openhartiger. Gelijk het in zulke -gevallen gewoonlijk gaat, begon hij zijne eigene zaken te vertellen -en trad hij daarbij in al de bijzonderheden van zijne familie: hij -verhaalde den jager dat hij vader was van vier zonen, allen beroemde -krijgslieden, wier grootste genot was om invallen en strooptogten -op Spaansch grondgebied te maken, om landhoeven te verbranden, -oogsten te vernielen, en gevangenen op te ligten; verder sprak hij -over de verre reizen die hij gedaan had, en scheen hij aan dokter -Twee-Konijnen te willen bewijzen, dat zijne ondervinding en bekwaamheid -als krijgsoverste hem geenszins beletten, om het nut en den edelen -invloed der andere wetenschappen te waardeeren; hij gaf hem zelfs -te kennen, dat hij, ofschoon een aanzienlijk Sachem, zich nu en dan -verwaardigde zijne studiën aan de kruidkunde te wijden en de geheimen -der groote geneeskunst na te sporen, met welke de Wacondah, in zijne -hoogste goedheid, sommige uitstekende menschen zoo genadig begiftigd -had, om de kwalen van het overige menschdom te verligten en te genezen. - -Loer-Vogel hield zich als ware hij door de achting, die de magtige -Sachem aan het beroep dat hij uitoefende toedroeg, levendig getroffen; -en hij besloot van deze gelukkige stemming des opperhoofds zich te -bedienen, om hem onder de hand te polsen over hetgeen hij zoo gaarne -weten wilde, namelijk in welken toestand de jonge Spaansche meisjes -zich bevonden en in welken hoek der stad zij opgesloten waren. Daar -echter de argwaan der Indianen zoo ligt wakker wordt, was het hoog -noodig hierin met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en liet -de jager niets van zijne ware bedoelingen blijken, maar wachtte hij -geduldig tot de Sachem hem zelf gelegenheid zou geven om hem hierover -de noodige vragen te doen. - -Het gesprek was intusschen nagenoeg algemeen geworden, en er was reeds -meer dan een uur verloopen, zonder dat het den jager, ofschoon hierin -door den Vliegenden-Arend getrouw bijgestaan, gelukt was om de vraag -regtstreeks op het tapijt te brengen, toen zich op eens een Indiaan -aan de deur der calli vertoonde. - ---De Wacondah verheugt zich! zeide de nieuw aangekomene, met eene -statige en eerbiedige buiging; ik heb een boodschap voor mijn vader. - ---Mijn vriend is welkom, antwoordde het opperhoofd; mijne ooren -zijn geopend. - ---De groote raad der Sachems onzes volks is vergaderd, zeide de -Indiaan; men wacht alleen op mijn vader Atoyac. - ---Wat is er dan voor nieuws aan de hand? - ---De Roode-Wolf is met zijne krijgslieden gekomen; zijn hart is -vervuld met bitterheid, hij wenscht met den raad te spreken. Addick -vergezelt hem. - -De Vliegende-Arend en de jager wisselden een blik van verstandhouding. - ---Zijn de Roode-Wolf en Addick terug? riep Atoyac met verwondering; -dat is vreemd! wat heeft hen zoo spoedig, en vooral zoo gelijktijdig -herwaarts kunnen brengen? - ---Dat weet ik niet; maar zij zijn naauwelijks een uur geleden in de -stad gekomen. - ---Het was dus de Roode-Wolf, onder wiens bevel heden morgen die bende -ruiters de stad is binnengerukt? - ---Niemand anders dan hij. Mijn vader moet hem gezien hebben daar hij -hem voorbij reed. Wat moet ik de opperhoofden antwoorden? - ---Dat ik onmiddelijk in den raad kom. - -De Indiaan boog en vertrok. - -De grijsaard stond op met kwalijk verborgen ontroering en maakte zich -gereed om heen te gaan. - -De Vliegende-Arend weêrhield hem. - ---Mijn vader schijnt ontsteld, een wolk bedekt zijn geest. - ---Ja, antwoordde de Sachem onbewimpeld, ik ben treurig. - ---Wat kan de reden zijn dat mijn vader treurig is? - ---Broeder, zei de oude Sachem met bitterheid, er zijn zoovele manen -verloopen, sedert gij voor het laatst Quiepa-Tani hebt bezocht. - ---De mensch is de speelbal der gebeurtenissen, hij kan slechts zelden -zijne plannen ongestoord uitvoeren. - ---Dat is waar. Misschien zou het voor u en voor ons allen beter zijn -geweest als gij niet zoo lang waart uitgebleven. - ---Dikwijls, zeer dikwijls heb ik verlangd hier te komen, maar steeds -heeft het noodlot mij dit belet. - ---Ja, ja, dat moet wel zoo zijn; zonder dat zouden wij u zeker hebben -gezien; en vele dingen, die thans zijn gebeurd, zouden dan misschien -niet hebben plaats gehad. - ---Wat wilt gij hiermede zeggen? - ---Het zou te lang duren om u dat te verklaren, op dit oogenblik -ontbreekt mij daartoe de tijd; ik moet onverwijld naar den raad, -waar men op mij wacht; laat het u genoeg zijn te vernemen, dat -sinds eenigen tijd een booze geest onder de Sachems van den grooten -raad verdeeldheid heeft geblazen; twee mannen hebben beproefd, en -het is hun maar al te zeer gelukt, om een heilloozen invloed op de -beraadslagingen uit te oefenen en met hunne denkbeelden al de andere -opperhoofden te beheerschen. - ---En wie zijn die twee mannen? - ---Gij kent hen maar al te goed. - ---Hoe heeten zij dan? - ---De Roode-Wolf en Addick. - ---Ooah! riep de Vliegende-Arend, wees op uwe hoede; de eerzucht dezer -twee mannen, zoo gij er geen acht op slaat, kan u groote onheilen -berokkenen. - ---Dat weet ik; maar kan ik mij daar tegen verzetten? Ben ik alleen -sterk genoeg om hunnen invloed te keeren en de voorstellen te doen -verwerpen, die zij aan den raad willen opdringen? - ---Dat is zoo, antwoordde de Comanch peinzend; maar hoe zou men dat -kunnen beletten?.... - ---Er zou misschien een middel op zijn, riep Atoyac op slependen toon, -na een poosje zwijgens. - ---Welk? - ---Het is zeer eenvoudig. Gij zijt een der eerste en beroemdste Sachems -van uw volk? - ---Wat meer? - ---Gij hebt als zoodanig, naar ik meen, het regt om in den raad zitting -te nemen. - ---Dat heb ik. - ---Waarom zoudt gij er dan geen zitting in nemen? - -De Vliegende-Arend wierp thans een vragenden blik naar den Canadees, -die dit gesprek met een onverschillig gezigt had aangehoord, -ofschoon zijn hart klopte van belangstelling; want met zijne gewone -instinctmatige scherpzinnigheid vermoedde hij, dat de tegenwoordige -in den raad hangende geschillen voor hem van het grootste gewigt -waren. Op de stilzwijgende vraag van den Vliegenden-Arend, begreep -hij, dat wanneer hij zich langer aan het gesprek bleef onttrekken, -dit in de oogen van zijn gastheer ligt eene laakbare onverschilligheid -voor de belangen der stad kon verraden, welke deze hem zeer ten kwade -zou kunnen duiden. Hij nam dus het woord op en zeide: - ---Als ik zulk een groot opperhoofd was als de Vliegende-Arend, zou ik -niet aarzelen mij in den raad te vertoonen; het geldt hier toch niet -de belangen van deze of gene natie in het bijzonder, maar veeleer de -gewigtigste levensvragen voor het roode ras in 't algemeen; door zich -in dergelijke omstandigheden aan de beraadslagingen te onttrekken zou -men, naar mijn gevoelen, aan de vijanden der orde en rust in de stad -een bewijs van zwakheid geven, dat dezen zonder twijfel zich zouden -ten nutte maken, om hunne plannen door te drijven en regeringloosheid -te bevorderen. - ---Zoudt gij dat denken? vroeg de Vliegende-Arend, die zich hield -alsof hij aarzelde. - ---Mijn broeder Twee-Konijnen heeft goed gesproken, hervatte Atoyac met -drift, hij is een verstandig man. Mijn broeder moet zijn raad volgen, -en dat zooveel te meer, daar zijne tegenwoordigheid hier ter stede -algemeen bekend is, en derhalve zijn wegblijven uit den raad zeer -zeker een verkeerden indruk zou maken. - ---Wanneer het er zoo mede gelegen is, antwoordde de Comanch, verzet -ik mij niet verder tegen uw verlangen, maar ben ik gereed u aanstonds -te volgen. - ---Ja, voegde de jager er met voordacht bij, ga terstond naar den raad; -welligt dat uwe onverwachte tegenwoordigheid genoeg zal zijn, om zekere -verkeerde plannen omver te werpen en groote onheilen voor te komen. - ---Ik zal mij derwijze gedragen, dat onze vijanden met schrik zullen -terugdeinzen, antwoordde de Comanch schijnbaar verstrooid, en alsof hij -het woord tegen zijn gastheer rigtte, maar eigenlijk ter geruststelling -van den jager. - ---Laat ons vertrekken, zei Atoyac. - -De Vliegende-Arend boog stilzwijgend. - -Zij gingen heen. - -Loer-Vogel bleef alleen in de calli met de twee vrouwen. - -De duif had gedurende de bovenvermelde redewisseling in stilte met -de Wilde-Roos zitten praten; zoodra de krijgslieden vertrokken waren, -stonden de beide vrouwen op en maakten zich gereed om heen te gaan. - -De Wilde-Roos sprak niet, maar hield zich den vinger voor den mond -en zag daarbij den jager veelbeteekenend aan; deze wikkelde zich in -zijn bisonsmantel en zei toen tegen de vrouw van Atoyac: - ---Ik zou mijne zuster niet gaarne storen terwijl de opperhoofden naar -den raad zijn: ik zal mij dus deze gelegenheid ten nutte maken om -eene wandeling in de stad te doen en met meer aandacht den prachtigen -tempel te beschouwen, dien ik bij mijne aankomst herwaarts maar even in -'t voorbijgaan gezien heb. - ---Mijn vader heeft gelijk, antwoordde Huitlotl, te meer daar ik op -mijne beurt met de Wilde-Roos uit moet, en het ons spijten zou onzen -gast alleen in de calli te laten. - -De Wilde-Roos lachte minzaam, schudde haar bevallig hoofd en gaf den -jager een veelbeduidenden wenk. - -Deze vermoedde terstond dat de vrouw van den Vliegenden-Arend, -onder het gesprek met hare vriendin, reeds ontdekt zou hebben waar de -jonge meisjes zich bevonden, en dat hare begeerte om hem van huis te -verwijderen geen ander oogmerk had, dan dienaangaande nog meerdere -inlichtingen op te doen; hij maakte dus geen zwarigheid om heen te -gaan, trad langzaam de calli uit, en de straat op, met al het gewigt -en de majesteit van den hoogwijzen persoon dien hij voorstelde. - -Overigens was de Canadees er niet rouwig om, dat hij eenigen tijd -alleen kon zijn, ten einde over de meest geschikte middelen na -te denken om met de Spaansche dames in betrekking te komen, eene -onderneming die hem alles behalve gemakkelijk scheen. Aan den anderen -kant, meende hij zich van de hem gegeven vrijheid te bedienen, om eene -wandeling door de stad te maken, ten einde de vereischte plaatselijke -kennis te verzamelen, die hij voor zijn doel noodig achtte. - -Niet wetende hoe het met zijn verblijf in de stad kon afloopen en -op welke wijze hij er weder uit zou komen, beijverde hij zich, om op -goed geluk af, de best mogelijke aanwijzingen omtrent de rigting der -straten en de ligging der voornaamste gebouwen op te doen, in het -dubbele vooruitzigt op een aanval of een veiligen aftogt. - -De jager wist zijn aangezigt met zulk een ondoordringbaar masker van -onverschilligheid en zelfgenoegzaamheid te bedekken, zijne vragen -werden daarbij zoo rustig en onbewimpeld gedaan, dat het bij niemand, -tot wien hij zich wendde, opkwam om hem een oogenblik te verdenken, -en zoo kreeg hij, dank zij zijne behendigheid, de meest naauwkeurige -berigten aangaande de zwakke punten der stad; bijv. hoe men na het -sluiten der poorten, naar buiten en weder binnen kon komen, zonder -gezien te worden en meer andere even onschatbare inlichtingen, die de -jager zorgvuldig in zijn geheugen bewaarde, en die hij zich in stilte -voornam, om op het geschikte oogenblik tot zijn voordeel te gebruiken. - -Te Quiepa-Tani, even als in iedere groote stad, was een aantal -lediggangers, die hun leven versleten met van den eenen hoek naar -den anderen te slenteren om hunne verveling te verdrijven. - -Het was inzonderheid deze soort van lieden, die Loer-Vogel op zijne -langdurige wandeling door de stad aanklampte, en wier omslagtige -meestal weinig beduidende vertelsels hij beluisterde, om er zijn -voordeel mede te doen; wanneer hij dan begreep alles gehoord te hebben -wat hij van hen te weten kon komen, liet hij hen aan zich zelven over, -om een eind verder dezelfde taktiek met anderen te hervatten. - -Loer-Vogel was bijna drie uren uit geweest, toen hij de calli weder -binnen trad. Atoyac en de Vliegende-Arend waren nog niet terug; maar -de beide vrouwen zaten, op matten nedergehurkt, vertrouwelijk en met -zekere geestdrift zamen te keuvelen. - -Zoodra de Wilde-Roos hem gewaar werd, wierp zij hem een -verstandhoudenden blik toe. - -De jager vlijde zich op een butacca neder, nam de calumet uit zijn -gordel, vulde haar met gewijden tabak en begon te rooken. - -Intusschen hadden de vrouwen, na den gewaanden geneesheer stilzwijgend -gegroet te hebben, haar gesprek hervat. - ---Worden dan de gevangenen, die men op de blanken maakt, altijd hier -heen gebragt? vroeg de Wilde-Roos. - ---Ja, antwoordde de Duif. - ---Dat verwondert mij toch, vervolgde de jonge vrouw; want als het nu -een van hen gelukte te ontsnappen, zou de verborgen ligging en juiste -inrigting der stad aan de Gachupines bekend worden, en dan zou men -deze zonder twijfel spoedig in de vlakte zien verschijnen. - ---Dat is zoo; maar mijne zuster vergeet, dat men uit Quiepa-Tani niet -ontsnappen kan. - -De Wilde-Roos schudde bedenkelijk het hoofd. - ---O, zeide zij, de blanken zijn zoo slim, meer dan gij denkt; maar hoe -dit ook wezen mag, de jonge meisjes, die wij zoo even gezien hebben, -zullen zeker niet ontsnappen, daartoe worden zij te streng bewaakt; -ik weet niet waarom, maar ik gevoel diep medelijden met haar. - ---Zoo gaat het mij ook, zuster. Die arme kinderen, zoo jong, zoo -lief, en zoo voor altijd verwijderd van allen die haar dierbaar zijn; -haar lot is treurig. - ---Ja wel treurig! Maar wat kunnen wij er aan doen? Zij zijn het -eigendom van Addick; dat opperhoofd zal haar nooit weder in vrijheid -willen stellen. - ---Wij zullen ze nog eens gaan zien, niet waar zuster? - ---Wanneer? - ---Morgen, zoo gij wilt. - ---Dank u, zuster; dat zal mij gelukkig maken, ik verzeker u. - -Deze laatsten gezegden vooral troffen den jager. - -Bij de plotselinge opheldering die hij bekwam, had hij al zijne -zelfbeheersching noodig om zijne ontroering te verbergen en te zorgen -dat de Duif niets van zijne onrust bemerkte. - -Op dat oogenblik kwamen juist Atoyac en de Vliegende-Arend terug; -zij zagen er zeer gejaagd uit en schenen aan een gramschap ten prooi, -die, hoezeer door Indiaansche deftigheid in toom gehouden, daarom -niet minder verschrikkelijk was. - -Atoyac kwam regt op den jager af, die intusschen reeds opstond om -hem te ontvangen. - -Toen Loer-Vogel de verbolgenheid zag, die op het gelaat van den Sachem -lag uitgedrukt, vreesde hij dat er welligt iets ten zijnen opzigte -was ruchtbaar geworden; hij wachtte dus met pijnlijk ongeduld de -mededeeling af, die zijn gastheer hem scheen te willen doen. - ---Mijn vader is immers wel een ingewijde in de groote -geneeskunst? vroeg Atoyac, terwijl hij hem met een uitvorschenden -blik gadesloeg. - ---Heb ik dat niet aan mijn broeder gezegd? was de wedervraag van -den jager, die reeds meende dat hij ernstig bedreigd werd en den -Vliegenden-Arend een twijfelmoedigen wenk gaf. - -Laatstgenoemde glimlachte. - -Dit stelde den Canadees aanvankelijk gerust; het was toch niet -denkbaar dat de Comanch, als er eenig gevaar had bestaan, zoo kalm -zou zijn gebleven. - ---Laat mijn broeder dan terstond met mij gaan, en zijne heelkundige -instrumenten medenemen, riep Atoyac tamelijk barsch. - -Het zou weinig takt hebben verraden, als hij dit verzoek, hoe onstuimig -ook gedaan, had willen weigeren; overigens bewees het hem dat zijn -gastheer geen booze voornemens met hem had. - -Hij nam het dus aan. - ---Dat mijn broeder mij voorga, en ik zal hem volgen, was al wat hij -er op antwoordde. - ---Spreekt mijn vader de taal der barbaarsche Gachupines? vroeg Atoyac. - ---Mijn volk woont aan de oevers van het onbegrensde zoute meer; de -bleekgezigten zijn onze naaste buren, ik versta en spreek dus min of -meer hunne taal, zei Loer-Vogel. - ---Zooveel te beter. - ---Zal ik dan een blanke moeten genezen? vroeg de Canadees, die gaarne -vooraf verlangde te weten wat men van hem vorderde. - ---Neen, antwoordde Atoyac; maar een van de grootste opperhoofden -der Apachen heeft eenige manen geleden twee jonge blanke vrouwen -hier gebragt; die vrouwen zijn ziek; de booze geest heeft zich van -haar meester gemaakt, en op dit oogenblik zweeft de dood reeds boven -hare legerstede. - -Loer-Vogel sidderde inwendig bij dit onverwachte nieuws, zijn hart -dreigde hem te ontzinken, eene onwillekeurige huivering liep hem -over het lijf; hij had schier bovenmenschelijke kracht noodig om de -diepe ontroering te beteugelen die in zijn hart kookte, en om met -eene bedaarde stem te kunnen zeggen: - ---Ik ben tot mijns broeders dienst, zoo ver mijn pligt dit vereischt. - ---Vertrekken wij dan, antwoordde de Indiaan. - -Loer-Vogel kreeg zijn medicijnen-kist, nam haar zorgvuldig onder -den arm, ging met den Sachem de calli uit, en beiden begaven zich -met haastige stappen naar het paleis der Zonnemaagden, verzeld, -of liever op eenigen afstand bewaakt door den Vliegenden-Arend, -die hun op de hielen volgde en hen geen oogenblik uit het oog verloor. - - - - - - - -XXXIII. - -OPHELDERINGEN. - - -Wij zijn weder verpligt eenige stappen in ons verhaal terug te -treden, tot toelichting van sommige feiten en bijzonderheden, die -wij opzettelijk in de schaduw hadden gelaten, maar die thans dringend -vorderen door onze lezers te worden gekend. - -In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien hoe gemakkelijk don Estevan, -Addick en de Roode-Wolf zich met elkander hadden verstaan, om -gezamenlijk wraak te oefenen. - -Doch zoo als het gewoonlijk met dergelijke verbindtenissen gaat, -had ieder voor zich reeds dadelijk zijn eigen belang in het oog -gehouden, en was don Estevan ongelukkig degene onder de drie, die -van dit verbond de minste voordeelen zou trekken. - -Slechts weinige blanken kunnen, wat geslepenheid in het onderhandelen -betreft, zich met de Roodhuiden meten. - -De Indianen, even als alle overwonnen volken sinds eeuwen onder een -vernederend juk gebogen, hebben slechts een wapen in hun bereik, -een doodelijk wapen nogtans, waarmede zij meestal met goed gevolg -hunne gelukkiger vijanden weten te bestrijden, - -Dit wapen is de list: het wapen der lafhartigen of der zwakken, -de verdediging van den slaaf tegen zijn meester. - -De voorwaarden door de twee Indianen-hoofden aan don Estevan gesteld, -waren eenvoudig en duidelijk omschreven. De opperhoofden zouden door -middel van gewapende krijgslieden, onder hunne aanvoering, den Mexicaan -in staat stellen zijne vijanden in handen te krijgen en zich aan hen -te wreken: daarentegen zag don Estevan er van af om zijne nicht en -het andere meisje, beiden te Quiepa-Tani gevangen, weder te zien en -gaf hij deze in vollen eigendom over aan de twee opperhoofden, die -dan met haar konden handelen naar goedvinden, zonder dat hij, don -Estevan, op eenige manier, hoe het ook met de gevangenen gaan mogt, -trachten zou ten haren behoeve tusschenbeide te treden. - -Deze voorwaarden werden wederzijds gaaf en goed aangenomen, en de -Indiaansche opperhoofden maakten zich gereed om de bepalingen van -het verdrag zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen. - -De Roode-Wolf koesterde sedert lang tegen de beide jagers en don Miguel -een doodelijken haat, omdat hij in zijne verschillende ontmoetingen -met deze drie mannen steeds het onderspit had gedolven. Hij greep met -ijver de gelegenheid aan die zich thans opdeed om zich te wreken, en -meende voor ditmaal van zijne zaak zeker te zijn, en zijnen vervloekten -vijanden al de vernederingen en al het kwaad dat zij hem hadden doen -ondergaan met woeker terug te zullen betalen. - -In minder dan drie dagen tijds waren Addick en de Roode-Wolf er in -geslaagd om een troep van honderd vijftig uitgelezene ruiters te -verzamelen, allen verbitterde vijanden der blanken, voor welke dus de -beraamde onderneming, om het zoo eens te noemen, een ware pleiziertogt -zou zijn. - -Toen don Estevan zag dat hij zich aan het hoofd van zulk een talrijke -en onverschrokken bende kon stellen, sprong zijn hart op van vreugde -en achtte hij zich reeds zeker van den goeden uitslag der onderneming. - -Wat toch zou don Miguel tegen hem kunnen beproeven of uitrigten, -met de weinige mannen waarover hij te beschikken had? de weg om -naar Quiepa-Tani te komen, was lang en bijna onbruikbaar; hij moest -over steile rotsheuvels door ontoegankelijke wouden, en onmetelijke -wildernissen; en gesteld al eens dat het den avonturier met zijne -Gambucinos gelukte om al deze hindernissen te overwinnen en de stad -te bereiken, wat zouden zij er kunnen doen? - -Konden zij er aan denken om haar te veroveren? Zouden zij het wagen -om met een dertigtal mannen eene stad te bestormen die meer dan -twintig duizend zielen bevatte, bovendien versterkt was door hechte -poorten en muren, omgeven door een breede gracht en verdedigd door een -uitgelezen garnizoen van drie duizend der beroemdste krijgslieden, -die uit al de Indiaansche stammen bijeengebragt, bijzonder belast -waren met het bewaken der heilige stad, en vast besloten hadden om -haar tot den laatsten man te verdedigen, liever dan zich over te geven? - -Zoo iets te onderstellen viel buiten alle berekening en was -inderdaad zoo dwaas, dat don Estevan er geen minuut lang bij zou -hebben stilgestaan. - -De eerste zorg der Indiaansche opperhoofden, was dus, te onderzoeken -waar zich hunne vijanden bevonden. Ongelukkig echter hadden de jagers -hunne maatregelen zoo behendig weten te kiezen, dat de Roodhuiden -genoodzaakt waren hunne vijanden langs drie verschillende sporen te -volgen en dus hunne bende in even zoo vele afdeelingen te splitsen, -om de Gambucinos van alle zijden in 't oog te houden. - -In deze omstandigheid openbaarde zich het eerste bezwaar tusschen de -drie zaamverbondenen. - -Addick en de Roode-Wolf, toen het er op aankwam om hunne krachten te -verdeelen, wilden natuurlijk elk het kommando over een afzonderlijk -corps op zich nemen, eene regeling die don Estevan reeds dadelijk -minder beviel en waaraan hij stellig weigerde toe te geven, door -hun niet zonder reden te doen opmerken: dat in de tegenwoordige -onderneming alles van de overeenstemming der opperhoofden afhing; dat -de krijgslieden daarom niets anders te doen hadden dan de beweging -des vijands in 't oog te houden, terwijl de drie opperhoofden bij -elkander behoorden te blijven en de noodige wijzigingen in hunne -oorlogsplannen gezamentlijk te overwegen, om bij de eerste gunstige -gelegenheid die zich aanbood met kracht te kunnen handelen. - -De ware grond van deze eigenzinnigheid was, dat don Estevan, -ofschoon door de omstandigheden gedwongen zich met de twee Sachems te -vereenigen, in deze geëerde bondgenooten geen het minste vertrouwen -stelde; hij verachtte hen evenzeer, als hij op zijne beurt door hen -veracht werd, en meende zich verzekerd te moeten houden dat, wanneer -hij hun om welke reden ook vergunde, zich van hem te scheiden, hij -hen nooit weder zou zien, en dat zij hem zonder het minste bezwaar -in den steek zouden laten om hem zijne zaken in de Prairie alleen te -laten afdoen. - -De Indianen begrepen zeer goed wat hun bondgenoot bedoelde en hoe -hij over de zaak dacht; maar te leep om hem te laten blijken dat zij -zijne bedoelingen doorgrondden, hielden zij zich alsof zij de redenen -die hij hun opgaf goedkeurden en er al het gepaste van erkenden. - -De drie bevelhebbers bleven dus vereenigd en trokken met hun staf, -een twintigtal mannen sterk, voorwaarts, na de overigen in twee -troepen te hebben gesplitst om de Gambucinos te bewaken. - -Don Estevan maakte allen spoed om Quiepa-Tani te bereiken, ten einde -de twee jonge dames in de stad op te ligten en in handen te krijgen, om -door hare tegenwoordigheid den ijver zijner bondgenooten aan te vuren. - -Zij trokken op weg. - -Bij deze gelegenheid had er eene zeer zonderlinge verwikkeling plaats, -namelijk dat zes verschillende detachementen krijgslieden elkander op -het spoor zaten, en elke troep gedurende meer dan eene maand lang, -met gelijke drift en naauwkeurigheid, afzonderlijk voortrukte in de -voetstappen van de troep die haar vooruit was, terwijl geen van haar -wist dat zij op hare beurt werd nagezet door een troep die haar volgde. - -Zoo liepen de zaken zonder tot eene ontmoeting te leiden, voor dien -nacht toen Domingo in het woud verdween. - -Hoe dit kwam, willen wij thans nader doen zien. - -Loer-Vogel hield den Gambucino niet zonder reden verdacht van den -schelm te spelen. Daarom had hij hem niet van zich willen laten om -hem des te beter in 't oog te kunnen houden. - -Ongelukkig echter was er, ondanks Loer-Vogels onafgebroken -waakzaamheid, sedert hun vertrek van het veer del Rubio, meer dan -eene maand lang, niets gebeurd dat den jager in zijne vermoedens kon -versterken. Domingo had niet de minste slinksche beweging gemaakt en -zoo het scheen stipt en getrouw zijn pligt gedaan. Als er gekampeerd -werd, en de kleine beschikkingen voor den nacht waren gemaakt, en de -maaltijd geëindigd was, was Domingo altijd een der eersten die zich -in zijn zarapé wikkelde, op den grond uitstrekte en onder voorwending -van vermoeidheid insliep. - -Kortom, de bandiet had zijn gedrag zoodanig weten in te rigten, -dat de jager, hoe slim hij ook wezen mogt, zich door hem liet -verschalken. Van lieverlede begon dus zijne achterdocht te verminderen -en zijne waakzaamheid te verslappen, en ofschoon hij den Gambucino -niet ligt een post van belang zou hebben toevertrouwd, hield hij hem -echter minder scherp in het oog dan gedurende de eerste dagen. Zoo -waren zij meer dan eene maand lang op weg geweest en bevonden zich de -avonturiers op een geheel onbekend terrein; het scheen bijna onmogelijk -dat Domingo, die weinig van het leven in de wildernis wist, zijne -kameraden zou durven verlaten en zich alleen in de woestijn zou wagen; -waar hij waarschijnlijk spoedig verdwalen en na verloop van weinige -kommervolle dagen van honger en gebrek zou moeten omkomen. - -Deze nalatigheid van Loer-Vogel bewees slechts eene zaak, namelijk dat -de jager zijn man niet goed kende, en niet volkomen op de hoogte was -van de hardnekkigheid waarmede de Mexicaansche mestiezen een eenmaal -opgevat plan volhouden. - -Domingo haatte den jager uit grond van zijn hart, omdat deze -hem eenmaal ontmaskerd had, en wachtte met al het geduld dat het -bastaardras waartoe hij behoorde kenmerkt, het oogenblik af om zich -aan hem te wreken, wel wetende, dat in de tegenwoordige omstandigheden, -de gelegenheid daartoe den een of anderen dag zeker komen zou. - -Intusschen wachtte, loerde en luisterde hij. Niemand verborg iets -voor hem of ontzag zich om in zijn bijzijn vrijuit over de zaken te -spreken, om de eenvoudige reden, dat Loer-Vogel zijne kameraden niet -voor den mesties had willen waarschuwen daar dit te zeer met het loyaal -karakter van den jager in strijd was. Door deze vertrouwelijkheid -werd Domingo in de gelegenheid gesteld om aangaande de onderneming, -van welke hij tegen zijn zin deel uitmaakte, vele bijzonderheden -te vernemen die hij anders nooit zou zijn te weten gekomen, en die -hij zorgvuldig verzamelde om ze later tot eigen voordeel, zoo duur -mogelijk aan de lieden die er belang bij hadden te verkoopen, zoodra -het toeval hen in zijne tegenwoordigheid zou brengen. - -Op denzelfden avond toen Loer-Vogel het spoor ontdekte dat hem -zooveel belang inboezemde, had de Gambucino, die op zijne beurt almede -rondsnuffelde, te midden van een kreupelboschje eene vondst gedaan, -die hij zich wel wachtte aan zijne kameraden mede te deelen. - -Deze vondst bestond in een tabakszak, klein van omvang, maar rijk -met goud geborduurd, zooals de groote heeren in Mexico gewoon zijn -te dragen. - -Domingo herinnerde zich zeer wel dien vroeger in handen van don -Estevan te hebben gezien. - -Dit zakje moest derhalve door hem verloren zijn. Hij stak het -voorloopig in zijne borst, zich voorbehoudende om het later nader te -onderzoeken, wanneer hij geen gevaar liep van door zijne makkers te -worden overvallen. - -De Vliegende-Arend, zoo als wij vroeger gezien hebben, was dien avond -op verkenning uitgegaan, en zijne vrienden, na een vuur ontstoken, -hun maal bereid en eenige mondvollen er van gegeten te hebben, zaten -op zijne terugkomst te wachten. - -Het was dien dag afmattend heet geweest. De Indiaan liet zich -bijzonder lang wachten; Loer-Vogel en don Mariano, na een geruime -poos met elkander te hebben zitten praten, voelden hunne oogleden -bezwaard, zij begonnen te knikkebollen, kortom, zij bezweken voor de -vermoeijenis, lieten zich op den molligen bodem afglijden en waren -weldra in een diepen slaap gedompeld; wat Domingo betreft, deze had -naar het scheen reeds sedert een uur zoo vast geslapen alsof hij -nooit weder moest ontwaken. - -Intusschen gebeurde er iets zeer zonderlings; naauwelijks toch hadden -Loer-Vogel en don Mariano hunne oogen gesloten of Domingo opende de -zijne, en dat wel zoo gezwind en zoo juist van pas, dat men niet -anders kon veronderstellen of hij had slechts geveinsd te slapen, -ja was nooit beter wakker geweest dan toen hij deed alsof hij sliep. - -Eerst wierp hij een bespiedenden blik om zich heen en hield zich -onbewegelijk stil; maar na verloop van een paar minuten door de diepe -en geregelde ademhaling zijner kameraden gerust gesteld, kwam hij -zacht overeind. Hij aarzelde nog eenige minuten, en haalde toen uit -zijne borst den tabakszak te voorschijn, om hem in het schijnsel der -brandende takkebosschen te bezigtigen. - -Het zakje had op zich zelve niets buitengewoons, alleen merkte de -slimme mesties er eene kleine bijzonderheid aan, het was namelijk -ongeveer half met tabak gevuld--en die tabak was versch. - -Het kon dus onmogelijk lang geleden zijn dat don Estevan het verloren -had, ja welligt een paar uren slechts; zoo dit waar was, gelijk hij -alle reden had om te gelooven, kon de eigenaar niet ver verwijderd -zijn, en moest hij zich niet veel meer dan een paar mijlen van het -jagerskamp bevinden. - -Deze redenering was logisch; ook trok de mesties er dit gevolg uit, -dat de gelegenheid die hij sedert zoo lang had te gemoet gezien, -eindelijk gekomen was, en dat hij, het kostte wat het wilde, er zijn -voordeel mede moest doen. - -Toen hij dit besluit eenmaal had vastgesteld, liet het overige zich -gemakkelijk berekenen. - -De Gambucino stond op, sloop als een adder door de struiken, en schoot -als een verloren post in de duisternis om don Estevan te zoeken. - -Het toeval dat de wereldsche zaken beheerscht en in de regeling der -menschelijke handelingen, vooral van schurken en intriganten vaak -zulk eene gewigtige rol speelt, schijnt er soms behagen in te vinden -om door een wonderlijken zamenloop van omstandigheden, tegen alle -waarschijnlijkheid aan, de boosaardigste plannen te doen gelukken; -dit bleek ook hier weder het geval te zijn. - -Naauwelijks had de Gambucino een vol uur in het bosch rondgezworven, -en in de duisternis, die hem omgaf als een lijkkleed, zoo goed -mogelijk zijn weg gezocht, of op een oogenblik toen hij zulks het -minst verwachtte zag hij aan den uitersten rand van het woud een -vuur branden. - -Hij stapte onmiddelijk naar den lichtenden gloed, die hem tot baken -diende, bij instinct overtuigd dat hij er den man zou vinden dien -hij sedert een uur zocht. - -Zijne vermoedens hadden hem niet bedrogen: het bereikte kamp was -werkelijk dat van don Estevan en zijne medegenooten, die zeker niet -wisten dat zij zich zoo digt bij hunne vijanden bevonden, anders zouden -zij zonder twijfel de gewone in de woestijn gebruikelijke voorzorgen -wel hebben in acht genomen om hunne tegenwoordigheid te verbergen. - -De plotselinge verschijning van den mesties binnen den lichtkring -van het helder brandende vuur, maakte om zoo te zeggen een waar -theater-effect. - -De Indianen en zelfs don Estevan waren zoo weinig verdacht op de -komst van dezen man, dat er oogenblikkelijk een vreesselijk tumult -door ontstond, gedurende hetwelk de Gambucino gevat, op den grond -geworpen en gekneveld werd, eer hij nog een woord tot zelfverdediging -had kunnen uitbrengen. - -De krijgslieden grepen hunne wapenen en verspreidden zich in den -omtrek, om zich te verzekeren of het individu dat in hunne handen -was gevallen alleen was, dan of men nog anderen te vreezen had. - -Eindelijk begon deze opschudding een weinig te bedaren, en kwamen -de gemoederen in zoo verre tot rust, dat men den gevangene in 't -verhoor kon nemen. Deze verlangde niets liever, en dit was juist wat -hij sedert het oogenblik zijner overrompeling dringend had verzocht. - -Men bragt hem dus voor de drie opperhoofden, en daar--wij behoeven -het naauwelijks te zeggen--werd hij door don Estevan dadelijk herkend. - ---Ha! meesmuilde de Mexicaan, dat is onze oude vriend Domingo. Hoe -duivel komt gij hier, mijn brave kameraad? - ---Dat zult gij hooren, Senor, want ik kom hier alleen om u van dienst -te zijn, antwoordde de bandiet met zijn gewone vrijpostigheid. Daarom -verzoek ik u mij te laten ontbinden, als het wezen kon; die touwen -knellen zoo sterk en doen mij zoo vreesselijk zeer, dat ik onmogelijk -een woord uit kan brengen als ik er niet van ontslagen word. - -Nadat men aan zijn verzoek had voldaan, begon hij zonder zich verder -te laten bidden, in alle bijzonderheden te vertellen wat hij vernomen -had en wat ook wij reeds gedeeltelijk weten. - -De openbaringen van den bandiet gaven zijne hoorders ruime stof tot -denken, en zij vroegen hem nu, hoe hij te weten was gekomen dat zij -zoo digt in de nabijheid waren. - -Domingo begon op nieuw, en voltooide thans zijn verslag met de -verklaring, hoe hij den tabakszak gevonden en, nadat zijne beide -kameraden don Mariano en Loer-Vogel waren ingeslapen, zich verwijderd -had om don Estevan op te zoeken. - -Er was in het verslag van den Gambucino eene bijzonderheid die don -Estevan bovenal levendig trof, namelijk, dat twee zijner grootste -vijanden zich zoo kort in zijne nabijheid bevonden en dat zij alleen -waren. - -Hij gaf den Rooden-Wolf terstond een wenk en fluisterde hem een paar -woorden in 't oor, die door den Indiaan met een onheilspellenden lach -werden beantwoord. - -Tien minuten later was het vuur gedoofd; de Apachen, tot aan de tanden -gewapend en onder geleide van Domingo, slopen als boschkatten het woud -in en rigtten zich naar de plek, waar de jager en de caballero gerust -sliepen, zonder iets te vermoeden van het gevaar dat hen bedreigde -of het verraad daar zij de slagtoffers van konden worden. - -Wij hebben vroeger reeds gezien hoe deze onderneming mislukte, en -hoe jammerlijk Domingo voor zijne laaghartige misdaad werd gestraft. - -Ongelukkig echter was hij in de gelegenheid geweest om te klappen, -en zijne woorden waren maar al te zorgvuldig aangehoord. - -Zoodra echter de Apachen overtuigd waren dat zij met een sterker partij -te doen hadden dan zij in 't eerst vermoedden, en dat de vijand, wel -verre van te slapen, zich gereed hield om hen te ontvangen, trokken -zij in der haast terug, ten einde nader te overwegen welk plan zij -volgen zouden om hunne vijanden voor te komen en te verschalken. - -Die beraadslaging duurde veel korter dan de Indianen gewoon waren. In -weerwil van de nachtelijke, duisternis, stegen zij te paard en reden -zoo snel mogelijk naar Quiepa-Tani, om reeds vroeg in de stad te zijn -en hunne vrienden in tijds voor te bereiden om hen in den op handen -zijnden strijd te ondersteunen. - -Ondanks zijne tegenbedenkingen, werd don Estevan met eenige weinige -ruiters aan den rand van het bosch achtergelaten. De opperhoofden, -hoe magtig en aanzienlijk ook, durfden de wetten der Indianen niet -openlijk te schenden, door een blanke anders dan als gevangene in de -stad te brengen: eene voorwaarde waaraan don Estevan zich natuurlijk -niet wilde onderwerpen, zoodat hij genoodzaakt was achter te blijven -en hunne terugkomst af te wachten. - -Maar, zoo de Indianen er geen gras over hadden laten groeijen, -ook de jagers van hunnen kant, hadden niet stil gezeten, en zoo als -wij bereids gezien hebben, hun tijd zoo wel besteed, dat Loer-Vogel, -als een geneesheer uit Yuma vermomd, te gelijk met hen in Quiepa-Tani -was binnen gekomen. - -Terwijl de Roode-Wolf er terstond zijn werk van maakte om den grooten -raad der opperhoofden bij een te roepen, scheidde Addick zich van -hem af en reed hij met allen spoed naar het huis van zijn vriend -Chicuhcoatl--Acht-Slangen--den Amantzin of opper-priester der heilige -stad Quiepa-Tani. - -Deze intusschen toen hij de terugkomst van het jonge opperhoofd vernam, -had zich terstond met de vrouw van Atoyac verstaan, die hem juist in -gezelschap van de Wilde-Roos was komen bezoeken. - -Hij had haar van de terugkomst van Addick onderrigt--die haar trouwens -reeds bekend was--en haar ten strengste aanbevolen, om het werkdadig -aandeel dat zij in het afzweringsplan der jonge meisjes genomen had, -stipt geheim te houden. - -De Duif, die inmiddels door de Wilde-Roos was ingelicht, had zich -verbonden om te zwijgen; en tevens den opperpriester verwittigd, -dat er te Quiepa-Tani een groot geneesheer uit Yuma was aangekomen, -Ometochtli genaamd, wiens kunde zeer nuttig zou kunnen zijn tot herstel -van de verzwakte gezondheid der twee gevangenen van Addick. De Amantzin -had haar plegtig bedankt voor hare mededeeling en haar gezegd dat -hij Atoyac waarschijnlijk wel in den raad zou zien, en dan niet in -gebreke zou blijven hem te verzoeken den wonderarts bij hem te brengen. - -Hierdoor voor het oogenblik gerustgesteld, liet de opperpriester de -beide vrouwen vertrekken en begaf hij zich naar Addick, wel voorbereid -om hem te ontvangen. - -Op de eerste vraag de beste, waarmede de jonge Sachem hem zijn -verlangen te kennen gaf om de jonge meisjes te zien, antwoordde -de Amantzin, dat hij, ten einde de beide dames des te strenger te -kunnen bewaken en haar aan de hinderlijke nieuwsgierigheid der rijke -lediggangers in de stad, die haar gedurig met hunne bezoeken lastig -vielen, te onttrekken, zich verpligt had gezien haar in het paleis -der Zonnemaagden over te brengen, tot tijd en wijle zij aan haar -wettigen eigenaar konden worden teruggegeven. - -Addick was zeer gevoelig voor de goede zorg die zijn vriend scheen -te dragen om zich van de hem opgelegde taak behoorlijk te kwijten, -en overstelpte den opperpriester met dankbetuigingen, welke deze met -geveinsde zedigheid aannam, ofschoon niet zonder zekeren schalkschen -glimlach, die het jonge opperhoofd ruime stof tot nadenken gaf. - -Derhalve besloot hij om zijne plannen niet langer te bewimpelen, -maar stoutweg met zijn verzoek voor den dag te komen, zoodra hij -gepaste woorden vond. - - - - - - - -XXXIV. - -EEN GESPREK. - - -De beide mannen stonden eenige minuten tegenover elkander, met -gefronste wenkbraauwen, gesloten lippen en doorborende blikken, -elkander van het hoofd tot de voeten metende, als twee duëllisten, -die met gekruiste degens gereed zijn om den eersten stoot te geven. - -Het was inderdaad een tweegevecht dat zij zouden aanvangen, des te -geduchter en hardvochtiger misschien, omdat hier geen andere wapens -werden gebezigd dan list en geveinsdheid. - -De magt der Indiaansche priesters is schier onbegrensd, en des te -geduchter, daar zij, ook in wereldsche zaken, geen ander gezag boven -zich erkennen dan den God dien zij vereeren en wiens tusschenkomst -zij overal waar zij zulks noodig achten, weten aan te wenden tot -bevordering van eigen inzigten en belangen. - -Geen volk is misschien bijgelooviger dan de Roodhuiden; voor hen ligt -de godsdienst geheel buiten de moraal; zij weten van leerstelsel noch -gebod, en slaan liever blindelings geloof aan de ongerijmdheden die -hunne priesters hun verkoopen, dan zich een oogenblik de moeite te -geven om na te denken over geheimenissen, die zij toch nooit zouden -begrijpen en daar zij zich ook zeer weinig over bekommeren. - -Wij hebben reeds gezegd dat de opperpriester van Quiepa-Tani een man -was van buitengewone schranderheid, dat hij voortdurend in de stad zijn -verblijf hield, van alle geheime zaken kennis droeg, en bij gevolg het -vertrouwen der meeste familiën bezat; zijn gezag en populariteit waren -op de stevigste en bijna onwrikbare grondslagen gevestigd: Addick -wist dit zeer goed; meermaals had hij zich op den veelvermogenden -invloed van den geestelijke beroepen, en begreep dus hoe gevaarlijk -het voor hem zijn kon om met zulk een man in onmin te geraken. - -Chicuhcoatl stond, de armen op de borst gekruist, met een strak en -hartstogtelijk gezigt voor den jeugdigen hoofdman, wiens oogen vlammen -schoten en wiens gelaatstrekken de hevigste gramschap teekenden. - -Nogtans was Addick, na eenige minuten van ongehoorde inspanning en -door het onverzettelijk te willen, er in geslaagd om het vuur zijner -blikken te verzachten; zijn woest gelaat helderde dus weder op en -hij reikte den priester de hand, terwijl hij hem toesprak met eene -zachte, verzoenende stem, in welke geen spoor van zijne inwendige -verbolgenheid was overgebleven. - ---Mijn vader bemint mij, zeide hij; wat hij deed is goed, en ik zeg -er hem dank voor. - -De Amantzin boog wellevend en raakte even met de toppen zijner magere -vingers de hand aan, die de jonge Sachem hem toestak. - ---De Wacondah heeft mij bezield, antwoordde hij op schijnheiligen toon. - ---De heilige naam van Wacondah zij gezegend! hernam de Sachem. Zal -mijn vader mij de gevangenen niet laten zien? vroeg hij. - ---Dat zou ik gaarne doen; maar ongelukkigerwijs is dit onmogelijk. - ---Hoedat! riep de jongman met een zweem van ongeduld, dien hij niet -geheel kon verbergen. - ---De wet luidt stellig: "de toegang tot het paleis der Zonnemaagden -is den mannen verboden." - ---Dat is wel zoo; maar deze jonge meisjes behooren geenszins tot de -maagden der Zon; zij zijn niets meer dan vrouwen der bleekgezigten -die ik hier heen heb gebragt. - ---Dat weet ik; wat mijn zoon zegt is juist. - ---Welnu, zoo als mijn vader dan ziet, is er ook geen reden waarom -mij de gevangenen niet zouden worden teruggegeven. - ---Mijn zoon vergist zich; haar verblijf onder de Zonnemaagden heeft -haar uit den aard der zaak onder de tucht der wet geplaatst. Gedwongen -door gebiedende omstandigheden, heb ik in het eerste oogenblik, toen -ik haar naar het paleis liet overbrengen, daaraan niet gedacht. Ik -heb mij alleen naar de aanbeveling van mijn zoon geregeld en zijne -gevangenen tot iederen prijs zoeken te redden. Nu spijt het mij zeer -dat ik zoo gehandeld heb, maar het is te laat; al zou ik het willen -veranderen, ik kan niet. - -Addick gevoelde een schier ontembaren lust om den noodlottigen -geestelijken kwakzalver, die hem op zijne huichelachtige en zoetsappige -manier zoo onbeschaamd durfde bespotten, met zijn strijdkolf den kop -te verbrijzelen. Gelukkig echter voor den priester--en waarschijnlijk -ook voor hem zelven, want hoe welverdiend ook, zou deze wraakneming -niet ongestraft zijn gebleven--weerhield hij zich. - ---Maar ik bid u er om, hervatte hij een oogenblik daarna, mijn vader is -goed, en hij zal mij toch niet tot wanhoop willen vervoeren; zou er dan -geen middel zijn om dit schijnbaar onoverkomelijk bezwaar op te heffen? - -De opper-priester scheen te aarzelen. Addick doorboorde hem met zijne -blikken en wachtte zijn antwoord af. - ---Ja, hervatte hij eindelijk, er is misschien een middel. - ---Welk? riep de jongman verheugd; laat mijn vader het noemen; spreek. - ---Het is dit, antwoordde de grijsaard met klemmenden nadruk op ieder -woord, en met schijnbaren tegenzin; gij zoudt van den grooten raad een -volmagt moeten bekomen om de gevangenen uit het paleis terug te nemen. - ---Ooah! daar heb ik niet aan gedacht. Inderdaad, de groote raad kan -mij die volmagt verleenen; ik zeg mijn vader dank. Dat verlof zal -mij zeker niet worden geweigerd. - ---Ik help het u wenschen, zei de priester, op een toon die den jongman -veel stof tot nadenken gaf. - ---Veronderstelt mijn vader dan, dat de groote raad mij zou willen -krenken, door mij zulk een gering verzoek te weigeren? vroeg hij. - ---Ik veronderstel niets, mijn zoon. De Wacondah heeft de harten -der opperhoofden in zijne regterhand. Hij alleen kan die ten uwen -gunste neigen. - ---Mijn vader heeft gelijk. Ik ga onmiddelijk naar den raad, hij moet -op dit oogenblik juist bijeenzijn. - ---Dat is zoo, hernam de Amantzin, de eerste hachesto (heraut) der -magtige Sachems is mij komen dagvaarden, eenige oogenblikken voordat -ik het genoegen had mijn zoon te zien. - ---Mijn vader gaat dus ook naar den raad? - ---Ik zal mijn zoon vergezellen, zoo hij er niets tegen heeft. - ---Het zal mij eene eer zijn. Ik kan zeker op de stem van mijn vader -rekenen, niet waar? - ---Heeft die stem ooit aan Addick ontbroken? - ---Nooit. Intusschen is het vooral heden, dat ik van de ondersteuning -mijns vaders zeker wensch te zijn. - ---Mijn zoon weet dat ik hem bemin, ik zal handelen volgens mijn pligt, -antwoordde de opper-priester uitwijkend. - -Tot zijn verdriet, was Addick genoodzaakt zich met dit dubbelzinnig -antwoord te vergenoegen. - -De beide mannen traden nu het huis van den opper-priester uit, -en gingen het plein over naar het paleis der Sachems, waar de raad -vereenigd was. - -Een talrijke menigte Indianen, uit nieuwsgierigheid zaam gevloeid, -vulde het anders zoo eenzame plein en begroette de meest beroemde -Sachems in 't voorbijgaan met luide toejuiching. - -Toen de opper-priester verscheen, verzeld van den jeugdigen Addick, -deinsden de Indianen met een mengeling van eerbied en vrees voor hen -terug en groetten hen stilzwijgend. - -Chicuhcoatl werd door het volk nog meer gevreesd dan bemind, zoo -als gewoonlijk het geval is met personen die eene schier onbegrensde -magt bezitten. - -De Amantzin scheen echter de opschudding die zijne tegenwoordigheid -veroorzaakte en de vreesachtige fluisteringen die zijn pad verzelden -niet op te merken. Met neergeslagen oogen, zedigen, ja zelfs nederigen -tred, stapte hij het paleis binnen, achter den jongen Sachem, wiens -brutale houding en dartel hoogmoedige blikken een treffend contrast -maakten met den gemaakten deemoed van den opper-priester. - -De plaats waar de groote raad vergaderde, was een ruwe, vierkante, -maar overigens zeer eenvoudige zaal, die zich van het noorden naar -het zuiden uitstrekte; achter in de zaal, op den witgekalkten muur, -hing een soort van tapijt, uit de slagpennen en donsvederen van -zeldzame vogels zamengestikt, op hetwelk in het midden, almede met -behulp van schitterend gekleurde vederen, de vereerde beeldtenis der -zon was voorgesteld, stralende boven de groote heilige Schildpad, -het symbool of zinnebeeld der wereld. - -Onder dit tapijt, ondersteund door vier gekruiste en op den vloer -rustende speren, lag de heilige calumet, of vredespijp, die nooit -bezoedeld mogt worden door met de aarde in aanraking te komen. Deze -pijp, welker roode kop van zekere kostbare, alleen in Opper-Missourie -voorkomende klei is gebakken, had een roer van tien voeten lang en -was geheel met bonte vederen, kralen en gouden schelletjes versierd, -en aan het einde hing een kleine medicijnzak van elandsvel en met -hieroglyphische figuren bezaaid. - -In het midden der zaal, in den vloer, was eene ovaalronde opening -of haard, waar een kunstmatig opgestapelde hoop hout gereed lag, -die tot het heilige vuur van den raad moest dienen en alleen door -den opper-priester mogt worden ontstoken. - -De zaal werd verlicht door twaalf hooge, met zware vigonia wollen -gordijnen behangen vensters, die slechts een somber en schemerachtig -halflicht doorlieten, geheel in overeenstemming met den plegtvollen -indruk van het ruime en statige vertrek. - -Op het oogenblik dat de Amantzin en Addick de vergaderzaal bereikten, -waren de overige leden van den raad reeds allen bijeen en wandelden -zij bij groepjes de zaal op en neder, zacht zamen pratende om de twee -nog ontbrekende raadsheeren af te wachten. - -Zoodra de opper-priester was binnengetreden, verzamelden allen zich -in het midden der zaal en nam ieder zijne plaats rondom den haard, -hierin voorgegaan door den oudsten Sachem. - -Deze Sachem was een hoogbejaard man, die door twee krijgslieden onder -de armen moest ondersteund worden. Wat eene vreemde zaak is onder de -Indianen, hij had een langen sneeuwwitten baard, die als een zilveren -stroom op zijne borst afvloeide; zijne trekken teekenden buitengewone -majesteit; overigens betoonden de andere opperhoofden hem den diepsten -eerbied en ontzag. - -De oude, eerwaardige Sachem heette Axayacatl, dat zooveel wil zeggen -als "het gelaat des waters" [21]; hij beweerde af te stammen van -de aloude Incas die het land van Anahuac [22] regeerden voor de -verovering door de Spanjaarden; en even als zijn naamgenoot, de -achtste koning van Mexico, was het teeken dat hij voor zijn naam -plaatste, een waterbaar. Wat zijne bewering scheen te bevestigen, -was dat zijn gelaat niet die hoog roode tint als nieuw koper had, -die de Indiaansche rassen onderscheidt, en ook in edelheid van vorm -meer de Europesche type naderde. - -Wat er van deze afstamming ook wezen mag, zooveel is zeker, dat hij -in zijne jeugd een der dapperste en meest beroemde krijgslieden was -geweest der Comanchen, die ontembare en hoogmoedige natie, die zich -den naam van Koningin der Prairiën geeft, en beweren durft dat zij -alleen het regt heeft om de woestijn te beheerschen en ongestraft -te doorkruisen. - -Toen de gevorderde jaren van Axayacatl en zijne talrijke kwetsuren hem -beletten om langer aan den oorlog deel te nemen, hadden de Indianen, -door welke hij algemeen geliefd en geëerbiedigd werd, hem eenstemmig -tot opper-bevelhebber van Quiepa-Tani verkozen. - -Sedert meer dan twintig jaar oefende hij deze magt uit tot genoegen -van al de Indiaansche natiën. - -Na zich met een oogopslag te hebben overtuigd dat al de opperhoofden -rondom den haard gezeten waren, nam de grijze Sachem uit handen van -den hachesto, die naast hem overeind stond, een brandende harsfakkel -en plaatste die op den houtstapel welke voor het heilige raadvuur was -aangelegd, sprekende daarbij met eene zwakke maar nogtans duidelijke -stem de volgende woorden: - ---Wacondah! uwe kinderen vereenigen zich om over gewigtige belangen te -beraadslagen, geef dat de vlam, die uw wezen is, hunne harten ontsteke -en naar hunne lippen wijze woorden doe oprijzen, die uwer waardig zijn. - -Het hout, dat waarschijnlijk met harsachtige stoffen bestreken was, -vatte bijna onmiddellijk vuur, zoodra de Sachem er den brand instak, -en vlamde binnen weinige oogenblikken helder flikkerend omhoog naar -het gewelf der zaal. - -Terwijl de Sachem de bovengemelde woorden uitsprak, hadden twee -ondergeschikte priesters de heilige calumet van den standaard -genomen, haar met den afzonderlijk voor deze plegtigheid bereiden -tabak gevuld, haar toen op de schouders naar den Amantzin gedragen en -eerbiedig aangeboden. De opper-priester nam daarop met een zilveren -spatel,--of toovertangetje,--om de kwade voorteekens te bezweren, -een stukje gloeijende houtskool van den haard en stak de pijp aan, -onder het uitspreken der volgende aanroepingen: - ---Wacondah! verheven en onbekend wezen, gij dien de wereld niet -kan omvatten en wiens aldoordringend oog het kleinste insekt -bespiedt dat zich onder het gras verschuilt, wij roepen u aan, -u dien geen sterveling begrijpt. Gebied gij der Zon, uw zigtbare -vertegenwoordigster, dat zij ons gunstig zij en den heiligen rook -dien wij haar uit de groote calumet opdragen, niet van zich verdrijve. - -De Amantzin, die den kop der pijp steeds in zijne hand hield; -presenteerde het roer beurt om beurt aan al de opperhoofden, beginnende -met den oudste, namelijk met Axayacatl. De Sachems deden elk een paar -trekjes uit de calumet, met inachtneming van den gepasten ernst en -het decorum dat de plegtigheid vereischte, namelijk met de blikken -eerbiedig ter aarde gerigt en den regterarm op het hart. Toen het -mondstuk der calumet eindelijk bij den opper-priester terugkwam, liet -deze den kop door een zijner acolyten vasthouden en rookte zelf zoo -lang tot al de tabak in de pijp was verteerd. Toen naderde op nieuw -de hacheto, en schudde de asch in een kleinen zak van elandsvel, dien -hij toebond en vervolgens in het vuur wierp, onder het uitspreken, -met luide en nadrukkelijke stem, der volgende woorden: - ---Wacondah! de afstammelingen der zonen van Atzlan [23] smeeken om -uwe gunst; doe gij uwe lichtende stralen schijnen in hunne harten, -opdat zij als wijze mannen spreken mogen. - -Daarop namen de twee dienende priesters de calumet eerbiedig terug -en plaatsten haar weder op de stelling onder het beeld der zon. - -De oude Sachem vatte nu het woord weder op. - ---De raad is vergaderd, begon hij; twee vermaarde opperhoofden zijn -eerst dezen morgen van een verre reis te Quiepa-Tani aangekomen, en -zeggen dat zij aan den raad gewigtige zaken hebben mede te deelen; -laat hen derhalve spreken; onze ooren zijn geopend. - -Wij zullen hier geenszins in eene uitvoerige beschrijving treden van -de debatten die gedurende deze raadzitting gevoerd werden, evenmin -als wij verslag zullen geven van de listige redevoeringen, gehouden -door den Rooden-Wolf en door Addick; dit zou ons te veel afleiden -en bovendien voor den lezer al ligt vervelend worden. Het zij dus -voldoende te zeggen dat, hoewel de hartstogten niet buiten het spel -bleven en de behendig door de twee Sachems in het midden geworpen -twistappel, aanleiding gaf tot levendige aanvallen, die door niet -minder levendige tegenwerpingen werden beantwoord, alles desniettemin -toeging met de gewone welvoegelijkheid en orde die de vergaderingen -der Indianen kenmerkt; terwijl wij den uitslag der debatten kunnen -zamentrekken in de verklaring, dat de plannen van de Roode-Wolf en -Addick volkomen schipbreuk leden door het gezond verstand, of liever -den onwil der meeste Sachems, die tot bereiking van hun baatzuchtig -doel niet verkozen mede te werken. - -De opperpriester ging hierbij met bijzonderen takt te werk; -zich houdende alsof hij voor Addick partij koos, wist hij de -kwestie derwijze te verwikkelen, dat de raad eenparig verklaarde: -dat de jonge blanke dames, thans in het paleis der Zonnemaagden -opgesloten, niet moesten worden beschouwd als kostgangsters van den -Sachem die haar in de stad had gebragt, maar als gevangenen van het -geheele bondgenootschap, en dat zij als zoodanig onder toezigt des -opperpriesters zouden blijven, aan wien men nadrukkelijk opdroeg, -om ze met de grootste zorg te bewaken en onder geen voorwendsel te -gedoogen dat de jonge Sachem bij haar toegang kreeg. Chicuhcoatl, -toen hij Addick aanspoorde om zich aan den raad te wenden, wist -vooraf zeer goed wat de uitslag van dezen stap zijn zou; doch daar -hij zich het jonge opperhoofd ongaarne tot vijand wilde maken, door -hem zijn verzoek botaf te weigeren, had hij de verantwoordelijkheid -dezer weigering zich behendig van den hals geschoven, door haar op de -schouders van den geheelen raad te leggen, en dank zij dezen maatregel, -Addick buiten de mogelijkheid gesteld om hem te eeniger tijd rekenschap -te vragen van dit dubbelzinnig gedrag te zijnen opzigte. - -De Roode-Wolf was met zijn voorstel bij den raad gelukkiger geweest; -de reden hiervan is eenvoudig genoeg, daar zijn verzoek de belangen -der stad zelve betrof. Hij had namelijk verzocht, dat er een bende -van vijfhonderd krijgslieden, onder bevel van een beroemd opperhoofd, -zou worden in dienst gesteld, om voor de veiligheid der stad te -waken; daar deze thans ernstig bedreigd werd, door de verschijning, -in den omtrek van Quiepa-Tani, van een veertigtal gewapende blanken, -wier oogmerk blijkbaar geen ander was, dan de stad te overrompelen -en zich van haar meester te maken. - -De Sachems stonden den Rooden-Wolf niet alleen toe wat hij verzocht, -maar zelfs meer dan hij ooit had durven hopen: in plaats van -vijfhonderd strijders, bepaalde men dat er duizend zouden worden -opgeroepen; dat de helft dezer krijgslieden, onder kommando van Atoyac, -het land in alle rigtingen zouden doorkruisen, om den naderenden vijand -in 't oog te houden, terwijl de andere helft, onder onmiddelijk bevel -van den gouverneur, in de stad zelve de wacht zou houden. - -Na deze besluiten ging de raad uiteen. - -De opperpriester naderde thans Atoyac, en vroeg hem of hij werkelijk -zulk een beroemd tlacateotzin bij zich had. Deze antwoordde, dat er -dien zelfden dag een vermaard geneesheer uit Yuma te Quiepa-Tani -was aangekomen, en dat hij hem gastvrijheid had verleend in zijn -eigen calli. De Vliegende-Arend voegde zich thans bij Atoyac, om den -opperpriester te verzekeren, dat deze geneesmeester, dien hij sinds -jaren kende, met regt onder de Indianen een grooten naam had verworven, -en dat hij zelf hem de wonderbaarste geneeskuren had zien uitvoeren. - -De Amantzin, die volstrekt geen reden had om den Vliegenden-Arend -te wantrouwen, sloeg natuurlijk aan zijne woorden het volste geloof, -en verzocht Atoyac, nog staande de raadzitting, om den tlacateotzin -zonder verwijl naar het paleis der Zonnemaagden te geleiden, ten -einde zijne kunst te beproeven aan de twee jonge blanke meisjes -die door den grooten volksraad onder zijne bijzondere voogdij waren -gesteld, en wier gezondheidstoestand hem sinds eenige dagen ernstige -bezorgdheid inboezemde. - -Addick had deze laatste woorden, die met luider stem werden -uitgesproken, gehoord, en trad dus snel naar den opperpriester. - ---Wat zegt mijn vader daar? riep hij met levendige belangstelling. - ---Ik zeg, antwoordde de Amantzin op zijn gewonen zoetsappigen, maar -hoogdravenden toon, dat de twee blanke maagden, die mijn zoon aan -mijne bewaring toevertrouwde, door den Wacondah met een ernstige -krankheid zijn bezocht geworden. - ---Zou haar leven in gevaar zijn? vroeg de jonge Sachem met blijkbaren -angst. - ---De Wacondah alleen heeft het leven zijner schepselen in handen: -ik geloof echter dat het gevaar nog wel te bezweren zou zijn; wat -meer zegt, gelijk mijn zoon gewis zelf reeds zal hebben gehoord, is er -een doorluchtige tlacateotzin der Yumas van de oevers der onbegrensde -zoutzee herwaarts gekomen, die met behulp zijner wetenschap, zonder -twijfel nieuwe kracht en gezondheid zal kunnen geven aan de schoone -gevangenen, welke mijn zoon op de Spaansche barbaren heeft veroverd. - -Bij dit ongunstige nieuws, kon Addick zijn spijt en teleurstelling -niet onderdrukken, en gaf zijne houding den opperpriester duidelijk -genoeg te kennen, dat hij zich niet geheel om den tuin liet leiden, en -min of meer de rigtige toedragt der zaken in twijfel trok. Uit eerbied -echter, of uit vrees dat hij zich zou kunnen bedriegen, of misschien -ook omdat de plaats, waar hij zich thans bevond, hem niet gunstig -scheen voor nadere verklaringen tusschen hem en den opperpriester, -hield Addick zich in, en vergenoegde hij zich met den grijsaard te -verzoeken om toch niets te verzuimen wat tot behoud der gevangenen -strekken kon, er bijvoegende, dat hij zich dankbaar zou toonen voor de -zorg die hij aan haar besteedde. Daarop het gesprek kort afbrekende, -maakte hij voor den opperpriester eene ligte buiging, keerde hem den -rug toe, en stapte de zaal uit, onder zacht maar levendig gesprek met -den Rooden-Wolf, die hem op eenige schreden afstands had staan wachten. - -De Amantzin volgde den jongman eenige sekonden met een -onbeschrijfelijken blik; toen zijn gesprek met Atoyac en den -Vliegenden-Arend vervolgende, verzocht hij hun om den geneesheer uit -Yuma zoo mogelijk nog dienzelfden avond bij hem te zenden; hetgeen -zij hem beloofden; daarop verlieten zij hem, om naar hunne calli -terug te keeren, waar de tlacateotzin zonder twijfel op hen wachtte. - -Intusschen had al hetgeen er in den raad was gebeurd, den -Vliegenden-Arend ruime stof tot nadenken gegeven, en hem doen inzien, -dat de twee Apachen-hoofden grootendeels met het geheim van Loer-Vogel -bekend waren, zoodat deze, wanneer hij wilde slagen, geen oogenblik -moest verliezen om aan zijne taak te beginnen, daar zij anders -onherroepelijk schipbreuk zou lijden. - -Na eene wandeling van tien minuten bereikten zij eindelijk de calli, -waar zij Loer-Vogel aantroffen. De jager, zoo als wij straks reeds -gezegd hebben, maakte volstrekt geen zwarigheid om aan het verzoek, -dat Atoyac hem namens den opperpriester gebragt had, onmiddelijk -gehoor te geven; hij nam zijn kistje met geneesmiddelen onder den -arm en haastte zich om hem te volgen. - - - - - - - -XXXV. - -DE ZAMENKOMST. - - -Loer-Vogel volgde Atoyac naar het paleis der Zonnemaagden. In weerwil -van zijn gewonen moed, gevoelde hij zich toch min of meer beklemd, -bij de gedachte aan den moeijelijken toestand in welken hij zou kunnen -geraken, en aan de schrikkelijke gevolgen, die de altoos mogelijke -ontdekking zijner ware persoonlijkheid door de Indianen, voor hem -onvermijdelijk zou na zich slepen. Intusschen verstaalde hij zich -tegen de onwillige ontroering die hem inwendig bewoog, en gelukte -het hem spoedig zijne zoo noodige zelfbeheersching te hernemen, en -uitwendig eene kalme onverschilligheid te bewaren, die hij wel verre -was van te bezitten. - -De beide mannen traden zwijgend naast elkander voort; de jager, -vreezende dat deze ongewone stilte, wanneer zij te lang aanhield, -bij zijn gids ligt eenige vermoedens, van welken aard ook, zou kunnen -opwekken, zocht hem ongemerkt aan 't spreken te krijgen, om zoodoende -aan zijne gedachten eene andere wending te geven. - ---Heeft mijn broeder veel gereisd? begon hij bij wijze van inleiding. - ---Welke krijgsman van onzen stam, heeft zijn leven niet in verre -togten zien voorbijgaan? was de bedachtzame wedervraag van den -Indiaan. Onze broeders, de bleekgezigten,--mijn vader weet het -even goed als ik,--vervolgen ons als wilde dieren en noodzaken ons -onophoudelijk om voor den aandrang hunner verovering terug te trekken. - ---Dat is waar, zei de jager, zwaarmoedig het hoofd schuddende. Wijs -mij toch in de onbekende woestijn eene plek, waar het ons vergund -wordt om het gebeente onzer vaderen te verbergen, met de zekerheid -dat de ploeg der blanken er niet ten eenigen dage komen zal, om er -zijne onverbiddelijke voren door te trekken, ze te verbrijzelen en -in alle winden te verstrooijen? - ---Helaas! hervatte Atoyac, het roode geslacht is vervloekt: eens -komt de dag wanneer men ons te vergeefs zal zoeken in de onmetelijke -vlakten, waar wij voorheen talrijker waren dan de sterren die aan -het gewelf des hemels schitteren; ons volk schijnt onherroepelijk -veroordeeld om van den aardbodem te verdwijnen; de bleekgezigten zijn -slechts de verschrikkelijke werktuigen in de hand van den Wacondah, -om zijn onverzoenlijke gramschap over het roode geslacht te voltrekken. - ---Mijn broeder spreekt maar al te veel waarheid; voorheen was ons -ras alvermogend, thans is het lager gedaald dan de laagste slaven, -zonder dat het zelfs de hoop behield om zich ooit weder op te heffen. - ---Wat is er geworden van de magtige keizers van Anahuac die eens de -geheele wereld beheerschten? Van de ontelbare steden, voormaals door -hen gebouwd, zijn er thans slechts vijf in het land van Tlapallan -[24] overgebleven, 't zijn de laatste toevlugtsoorden der kinderen -van Quetzalcoatl [25], die er zich moeten verbergen als schuwe en -vervolgde herten, in plaats van stoutmoedig den grond te betreden -door hunne voorvaderen bezeten in oude dagen. - ---Maar dank zij den Wacondah! wiens magt oneindig is, die vijf steden -liggen buiten het bereik van de schendende hand der Gachupinen. - -Atoyac schudde treurig het hoofd. - ---Mijn vader bedriegt zich, zeide hij; waar is een onbekend oord daar -de bleekgezigten niet binnendringen? - ---Dat kan wel zijn, zij schijnen overal hun doel te bereiken; maar -tot nu toe is nog geen bleekgezigt tot Quiepa-Tani doorgedrongen; -zij hebben de bergen niet kunnen overtrekken en in de woestijnen -niet kunnen doordringen, achter welke de heilige stad zich kalm en -vreedzaam verheft, en met de vergeefsche pogingen spot, door hare -vijanden beproefd om haar te ontdekken. - ---Naauwelijks twee zonnen vroeger zou ik ook zoo hebben gesproken en, -even als mijn vader, over de onwetendheid der blanken mij verheugd -hebben; maar helaas! nu is dit niet langer mogelijk. - ---Hoedat? Wat is er dan sedert die korte tijdruimte gebeurd, dat mijn -broeder noopt om zoo schielijk van gedachte te veranderen? vroeg de -jager op eens vol belangstelling, daar hij vreesde een of ander kwaad -nieuws te zullen vernemen. - ---De bleekgezigten zijn in de nabijheid der stad; men heeft hen gezien, -zij zijn talrijk en wel gewapend. - ---Dat is zoo niet: mijn broeder bedriegt zich; alleen lafhartigen of -oude vrouwen, die voor hun eigen schaduw beven, hebben dit gerucht -uitgestrooid, hernam de Canadees, terwijl hij inwendig huiverde -van schrik. - ---Zij die deze tijding hebben aangebragt zijn geenszins lafhartigen -of praatzieke oude vrouwen, hervatte Atoyac, maar het zijn beroemde -opperhoofden; nog dezen dag hebben zij in onze groote raadsvergadering -verzekerd, dat eene sterke troep bleekgezigten zich in de bosschen -verschuilt, wier schaduwrijk geboomte ons tot hiertoe voor de -doordringende blikken onzer vijanden verborgen hield. - ---Die lieden, hoe talrijk zij ook wezen mogen, zoo zij geen geregelde -legermagt uitmaken, zullen niet wagen om zulk eene welversterkte stad -als de onze aan te tasten, die binnen hare dikke muren een aanzienlijk -getal uitgelezen krijgslieden bevat. - ---'t Is mogelijk, wie weet het? Maar in ieder geval, zoo de -bleekgezigten ons niet aanvallen, zullen wij het hen doen; niet een -van hen moet het land der blanken wederzien; daarin alleen berust -onze veiligheid voor de toekomst. - ---Ja, zoo moet het ook gaan; maar zijt gij wel zeker, dat de -opperhoofden waar gij van spreekt en wier namen ik niet ken, u niet -bedrogen hebben en geen verraders zijn? - -Atoyac wierp den Canadees een doorborenden blik toe, dien deze met -een bedaard en onbewegelijk gezigt doorstond. - ---Neen, Atoyac, riep hij een oogenblik later, de Roode-Wolf en Addick -zijn geene verraders? - -De jager scheen zich een poosje te bedenken, en riep toen op een -stelligen toon, die blijkbaar op den Indiaan indruk maakte: - ---Neen, dat is ook zoo, deze twee Sachems zijn geene verraders, -maar zij staan op het punt van het te worden; al de gevaren die ons -bedreigen, hebben zij ons op den hals gehaald, door hun onverzadelijken -hartstogt en dorst naar wraak. - ---Dat mijn broeder zich nader verklare, riep de Sachem geheel buiten -zich zelven van verbazing, zijne woorden zijn al te ernstig. - ---Ik deed verkeerd die te uiten, antwoordde de jager met geveinsde -zedigheid. Ik ben maar een vredelievend man, aan wien de Wacondah de -taak opdroeg om, naar de kennis die hij bezit, ongelukkigen te helpen -en het lijden der menschheid te verzachten; ik ben maar een zwakke -boom, die niet pogen mag den ouden krachtvollen eik te ontwortelen, -wiens gewigt in zijn val genoeg zou zijn om mij te verpletteren. Dat -mijn broeder mij vergeve, ik heb mij door mijne verontwaardiging al -te onvoorzigtig laten wegslepen. - ---Neen, neen, riep de Sachem, hem met kracht bij den arm grijpende, -dat kan zoo niet zijn, nu mijn vader eenmaal begonnen is te spreken -moet hij voortgaan en mij alles zeggen. - -Met de hem eigen snelkiezende gerustheid, had de jager spoedig een -geheel plan beraamd, volkomen berekend op het wantrouwig karakter -der Indianen; hij veinsde dus de dringende nieuwsgierigheid van -het opperhoofd te wederstaan en niet verder in de bijzonderheden -te willen komen; maar hoe meer de gewaande geneesmeester weigerde -iets te zeggen, hoe sterker het opperhoofd aanhield om hem aan 't -spreken te krijgen. Eindelijk hield zich de Canadees alsof hij zich -door de--soms met gebeden gemengde--bedreigingen van zijn gastheer -liet vervaard maken, en onder menige betuiging van vrees, dat hij -zich den haat der twee bedoelde opperhoofden zou op den hals halen, -stemde hij ten slotte toe en gaf hij al de inlichtingen die Atoyac -zoo dringend verlangde. - ---Zie hier wat er van de zaak is, zeide hij: ik zal mijn broeder de -feiten opgeven, zoo als die tot mijne kennis zijn gekomen: alleen -verzoek ik mijn broeder zich plegtig te verbinden, dat hij na alles -gehoord te hebben, mij, vreedzaam en vreesachtig mensch, niet in deze -zaak zal betrekken, zoo zelfs dat mijn naam niet zal worden genoemd -en de opperhoofden, wier gedrag ik ga ontmaskeren, niet zullen weten -dat ik te Quiepa-Tani ben. - ---Dat mijn vader vrijuit en in het volste vertrouwen spreke, zei -Atoyac; ik zweer hem bij den grooten naam van den Wacondah en bij den -grooten Ayotl,--schildpad--dat, wat er ook moge gebeuren, zijn naam -in deze zaak niet zal worden genoemd: niemand zal ooit vernemen op -welke wijs ik de berigten verkregen heb die hij mij geeft. Atoyac is -een der voornaamste Sachems te Quiepa-Tani; als het hem behaagt iets -te zeggen, hebben zijne woorden geene nadere bevestiging noodig dan -zijn eigen getuigenis. - -Gelijk in dergelijke omstandigheden meestal gebeurt, was het -opperhoofd, behalve de onrust die de geveinsde terughouding bij hem -had opgewekt, niet rouwig over den invloed dien hij zich door zulke -belangrijke mededeelingen verschaffen, en de gewigtige rol die hij -waarschijnlijk bij de daaruit volgende gebeurtenissen spelen zou. - ---Ooah! hervatte de jager met een wenk van tevredenheid, als het er -zoo mede staat, zal ik spreken. - -Nu begon de Canadees voor zijn inschikkelijken en ligtgeloovigen -toehoorder eene lange ingewikkelde historie, in welke waarheid en -schijn zoo behendig door elkander waren gemengd, dat de scherpzinnigste -mensch niet in staat zou zijn geweest de een van den ander te -onderscheiden; maar waaruit Atoyac ten slotte kon opmaken, dat, zoo de -blanken tot binnen den omtrek der stad waren doorgedrongen, dit alleen -te wijten was aan de bende van Addick en den Rooden-Wolf, die hun den -weg hadden gewezen, door hunne voetstappen niet zorgvuldig genoeg uit -te wisschen en er juist zooveel zigtbaar te laten als noodig was om de -blanken op het spoor te helpen. De Canadees had de gezamenlijke feiten -zoo bekwaam weten te groeperen, dat de twee bedoelde opperhoofden, -wanneer zij ernstig werden ondervraagd, in dit kunstige net van leugen -en waarheid zouden verwarren en ontegenzeggelijk van verraad worden -overtuigd, juist zoo als de schrandere Loer-Vogel het verwachtte en, -wij mogen dit niet verzwijgen, inwendig hoopte. - ---Ik zal mij geene aanmerkingen veroorloven, verzekerde hij ten slotte; -mijn broeder is zulk een wijs opperhoofd en beproefd krijgsman, dat -hij de zaken veel beter zal kunnen beoordeelen en er al het gewigt -van beseffen dan ik, arme worm; alleen bid ik hem nogmaals, zich wel -te herinneren wat hij mij gezworen heeft. - ---Atoyac heeft slechts een woord, antwoordde de Sachem, dat mijn vader -daarom gerust zij; maar wat ik vernomen heb is van het hoogste gewigt; -laten wij geen tijd verliezen; ik moet er oogenblikkelijk het eerste -opperhoofd der stad over spreken. - ---'t Is mogelijk, hervatte de jager sluw, dat de twee Sachems de -bleekgezigten met de beste bedoelingen herwaarts hebben gelokt; -misschien hoopten zij hen daardoor des te gemakkelijker te zullen -meester worden. - ---Neen, antwoordde Atoyac met een somberen blik, hun doel kan niet -anders dan trouweloos zijn; wij moeten hunne listige aanslagen -zoo spoedig mogelijk verschalken; zonder dat zouden er de grootste -onheilen kunnen gebeuren, vooral daar de raad heeft beslist, dat de -Roode-Wolf onder toezigt van den gouverneur, over de krijgsmagt in -de stad het bevel zal voeren. - -Gelukkig voor den Canadees, was Atoyac een persoonlijk vijand van den -Rooden-Wolf en Addick, en verhinderde deze oude wrok den Sachem de -slimme takt op te merken waarmede de jager hem had overgehaald zijn -verhaal aan te hooren. - -De beide mannen hervatten thans met verdubbelden spoed hunne -afgebroken wandeling, en bereikten binnen weinige minuten het paleis -der Zonnemaagden. Na eene korte woordenwisseling met den krijgsman die -als wachter bij de groote poort stond, werd de voorgewende geneesheer -met zijn geleider binnengelaten. - -De opperpriester trad de langverwachte gasten haastig te gemoet; hij -bespiedde den jager met wantrouwende scherpzinnigheid, en liet hem -ongeveer hetzelfde verhoor ondergaan als hij dien morgen bij Atoyac -had moeten doorstaan. - -Zijne antwoorden waren echter te wel bedacht en schenen den Amantzin -volkomen te hebben overtuigd. Reeds na verloop van een paar minuten, -voerde Chicuhcoatl den wonderarts, gevolgd door den Sachem naar de -verboden vertrekken van het paleis, om den gezondheidstoestand der -jonge meisjes te onderzoeken. - -Het hart van den Canadees klopte, voor hem ten minste, met -ongewone slagen en het zweet parelde met groote droppels op zijn -voorhoofd. Trouwens, zijne stelling was kritiek genoeg om zelfs den -stoutste vervaard te maken. Wat hij vooreerst duchtte, was, dat hij -tegenover de jonge meisjes zijne kalmte en koelzinnigheid niet zou -kunnen bewaren; hij had er te veel belang bij om zich niet te verraden -en zich zelven meester te blijven; maar wat hem nog erger verontrustte, -was de uitwerking die zijne komst op de lijderessen kon te weeg -brengen, zoo zij hem ondanks zijne volkomene vermomming reeds op het -eerste gezigt mogten herkennen, of ook wanneer hij zich ten slotte -aan haar bekend maakte: want voor het welslagen van zijn ingewikkeld -plan, was het onvermijdelijk, dat ook de dames in het geheim werden -betrokken en wisten met wien zij te doen hadden, eer zij vrijmoedig -de rol konden op zich nemen die haar in dit gevaarlijke komedie-spel -was toegedacht. Al deze beschouwingen en nog vele andere die den -jager bestormden, bragten hem tegen wil en dank in eene zeer ernstige -stemming en drukten op zijn gelaat een stempel van gestrengheid, dat -hem intusschen in de oogen zijner geleiders volstrekt niet benadeelde. - -Eindelijk kwamen zij aan den ingang der geheime vertrekken, -en op een wenk van den Amantzin werden de deuren terstond wijd -geopend. Naauwelijks echter waren zij in de ruime voorzaal, die -veel had van een vestibule, daar zij geheel ledig was, of de Amantzin -wendde zich tot Atoyac en wenkte hem gebiedend daar te blijven wachten, -terwijl hij zelf den wonderarts bij de gevangenen bragt. - -Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, was de toegang tot het verblijf -der Zonnemaagden aan alle mannen, behalve den opperpriester, strikt -verboden. In enkele gevallen echter werd hierop een uitzondering -gemaakt, bij voorbeeld voor den geneesheer, in welke hoedanigheid, -zoo als de lezer weet, Loer-Vogel hier werd binnengelaten. - -Atoyac was te wel met de strenge wetten van het paleis bekend, -om zich de minste aanmerking te veroorloven: alleen hield hij den -opperpriester, toen deze zich gereed maakte hem te verlaten, eerbiedig -bij de slip van zijn mantel vast en hem den mond aan het oor brengende, -zeide hij met eene zachte stem: - ---Laat mijn vader onverwijld terugkomen, ik heb hem belangrijk nieuws -mede te deelen. - ---Belangrijk nieuws! herhaalde de opperpriester en keek den spreker -met een vragenden blik aan. - ---Ja, zei Atoyac. - ---Iets dat mij aangaat? vervolgde de opperpriester langzaam. - -Atoyac glimlachte vertrouwelijk: - ---Dat zou ik wel denken: het heeft betrekking op den Rooden-Wolf -en Addick. - -De Amantzin huiverde onmerkbaar. - ---Ik ben oogenblikkelijk terug, zeide hij met een statigen wenk; -zich toen naar den jager wendende, die onbewegelijk en zoo het scheen -onverschillig voor hetgeen er tusschen de twee anderen omging, op -eenigen afstand was blijven staan, vervolgde hij: Kom, tlacateotzin. - -De jager boog en volgde den opperpriester. - -Deze bragt hem over een ruime binnenplaats geheel met briksteen in -cement geplaveid, en leidde hem zes trappen van blaauw en groen geaderd -marmer op, tot aan een klein paviljoen volkomen afgezonderd van het -hoofdgebouw waar de zonnemaagden gehuisvest waren. De opperpriester -sloot de deur, door welke hij het paviljoen was binnengekomen, -zorgvuldig achter zich digt. - -Nu gingen zij door een soort van antichambre en hier een dik gordijn -wegschuivende, dat voor een vrij smalle deur hing, leidde hij den -vermeenden arts in eene prachtige op Indiaansche wijs gemeubelde -zaal. De opperpriester, om der jonge dames zooveel mogelijk te doen -vergeten dat zij opgesloten waren, had hare gevangenis met de uiterste -zorg laten vergulden en er alles inbrengen wat haar als voorwerpen -van gemak of weelde genoegen kon geven. - -In een elegante van palmbladeren gevlochten en geheel met vederen -versierde hangmat, ongeveer vijftig duimen boven den grond verheven, -lag eene jonge vrouw, wier aangezigt, hoezeer uitstekend schoon, -bijzonder bleek was en duidelijke sporen droeg van diepe droefheid, -zoowel als van ernstige ongesteldheid. - -Deze jonge vrouw was dona Laura de Real del Monte. Naast haar, -met de armen op de borst gekruist en de oogen vol tranen, zat dona -Luisa, hare vriendin, of liever hare zuster in lijdenssmart en -trouwe gehechtheid. De toestand van verslagenheid waarin de laatste -zich bevond, bewees dat ook zij, ondanks de meerdere sterkte van -haar karakter, sedert eenigen tijd, alle hoop van eenmaal uit hare -gevangenis verlost te worden, had opgegeven en dat de zelfde kwaal -van hare vriendin ook haar dreigde. - -Het vertrek was geheel zonder vensters en werd alleen verlicht door -vier ocote-fakkels, die in gouden in den muur vastgeslagen ringen waren -gestoken, en wier flikkerend schijnsel een somber en zwak licht in -'t rond verspreidde. - -Zoodra dona Luisa de twee mannen zag binnenkomen, scheen zij te -schrikken en bedekte zij haar gelaat met beide handen. De jager -begreep teregt dat hij de ontknooping van het tooneel stout moest -beginnen, hij wendde zich derhalve tot zijn gids, en sprak met eene -indrukwekkende stem: - ---De Wacondah is magtig; de Ayotl--schildpad--draagt de wereld op -zijn schild. Zijn geest is het die mij bezielt, ik moet met de zieken -alleen worden gelaten, om den aard der krankte die haar foltert op -haar aangezigt te kunnen lezen. - -De opperpriester aarzelde; hij schoot den tlacateotzin een doorborenden -blik toe, als wilde hij zijne geheimste gedachten doorgronden; maar -hoezeer ook sedert jaren gewoon om zijne medeburgers door fanatieken -guichelarij te bedriegen, was hij echter te veel Indiaan, en in deze -hoedanigheid even vatbaar voor bijgeloovige vrees als zijne misleide -landgenooten; hij aarzelde dus. - ---Ik ben Amantzin, zeide hij op eerbiedigen toon; de Wacondah zal -dus mijne tegenwoordigheid hier met welgevallen opmerken. - ---Dat mijn vader dan blijve, zoo hem dit behaagt; ik kan hem niet -dwingen om zich te verwijderen, antwoordde de Canadees kordaat, -daar hij er tot iederen prijs een einde aan wenschte te maken; maar -in dit geval sta ik niet in voor de verschrikkelijke gevolgen zijner -ongehoorzaamheid; de geest die mij bezielt is ijverzuchtig, hij wil -gehoorzaamd worden; mijn vader bedenke dit. - -De opperpriester boog deemoedig het hoofd. - ---Ik zal heengaan, zeide hij; mijn broeder vergeve mij mijn dringend -verzoek. - -En hij ging de zaal uit. - -De Canadees vergezelde hem stilzwijgend tot aan de deur der vestibule, -sloot die zorgvuldig achter hem digt en keerde snel naar de jonge -dames terug. - -Dezen zagen hem met angst naderen, en krompen weg van schrik. - ---Vreest niet, zeide hij met eene bewogen stem; ik ben een vriend. - ---Een vriend! riep dona Luisa, die reeds bevend in een hoek van de -kamer zat. - ---Ja, antwoordde hij schielijk, ik ben de Canadesche jager Loer-Vogel, -de vriend en medgezel van don Miguel. - -Dona Laura kwam in hare hangmat overeind, en een half gesmoorde kreet -van blijde verrassing ontsnapte aan haar boezem. - ---Stilte! riep de jager, men zou ons misschien hooren. - -Dona Luisa staarde met verwezen blik op dit tooneel, waar zij niets -van begreep. - ---Gij! de Canadesche jager! riep eindelijk dona Laura op een half -grillenden langzamen toon, die zich moeijelijk laat beschrijven. - ---O! kunnen wij dan nog gered worden! zijn wij dan nog niet van -allen verlaten! - -Zij liet zich zacht op den grond afglijden, knielde vroom neder, -vouwde de handen en murmelde terwijl zij in tranen baadde: - ---O! mijn God! genade! genade! Vergeef mij, dat ik ooit aan uwe -goedheid heb getwijfeld. - -Toen met drift opstaande, greep zij den jager bij de handen en drukte -die met kracht. - ---En don Miguel, riep zij, waar is hij? - ---Hier digt bij, hij wacht u. Maar wat ik u bidden mag, wees voorzigtig -en luister, want onze oogenblikken zijn kostbaar. - ---O, Caballero, voer ons weg! voer ons toch spoedig weg! riep dona -Luisa, eindelijk geheel van hare bedwelming en verbazing herstellende. - ---Weldra! - ---Ja! ja! red ons! riep dona Laura, mijn vader zal u er voor beloonen. - -Loer-Vogel glimlachte. - ---Uw vader zal bovenmate gelukkig zijn als hij u wederziet. - -Dona Laura sloeg hare schoone oogen, die schitterden van blijdschap, -naar hem op. - ---Mijn vader! riep zij, waar is hij? toen hervatte zij: Neen, dien -kan ik zoo spoedig niet wederzien, hij is te ver van hier, veel te ver! - ---Hij is bij don Miguel in het bosch; stel u maar gerust. - ---Mijn God! riep het jonge meisje, dat is te veel geluk. - -Op dit oogenblik hoorde men de zware voetstappen van een man den -marmeren trap opkomen. - ---Daar komt iemand, zei de jager schielijk; wees op uwe hoede. - ---Maar wat moet ik doen? vroeg dona Laura zacht. - ---Wachten en geduld hebben. - ---Wat! wilt gij vertrekken? - ---Gaat gij ons reeds weder verlaten? riepen beiden tegelijk met schrik. - ---Ik kom terug; laat dat aan mij over; nog eens, hoopt en hebt geduld. - ---O! als gij ons verlaat en als gij ons niet redt, riep Laura geheel -ontroostbaar, dan moeten wij zeker sterven. - ---Ach, heb medelijden met ons! prevelde dona Luisa. - ---Verlaat u op mij, arme kinderen, antwoordde de jager, sterker -bewogen dan hem lief was, door deze ongekunstelde blijken van angst -en droefheid. Onthoudt dit, en rekent er op: wat er ook gebeure, wat -men u ook zegge, welk gerucht u ook ter oore kome, verlaat u op mij, -en op mij alleen, want ik waak voor u, ik heb gezworen u te redden, -en ik zal u redden. - ---Heb dank! riepen beiden. - -De vroeger gehoorde voetstappen waren intusschen genaderd en hielden -voor de deur stil. Loer-Vogel wenkte de jonge meisjes om op hare -hoede te zijn, zette zijn gezigt in een ernstigen plooi, en rukte -driftig de deur open; oogenblikkelijk stapte hij zonder een woord te -spreken den opperpriester voorbij, hield zich alsof hij dezen niet zag -en stormde, met onbegrijpelijke gebaren en allerlei teekenen van de -uiterste geestvervoering, naar de voorzaal waar hij Atoyac gelaten -had. De Amantzin bleef stom van verbazing staan en keek hem na; -een oogenblik later sloot hij de deur, die de jager achter zich had -opengelaten, en volgde toen, daar hij werkelijk bang voor hem was, -den vermeenden toovenaar op een eerbiedigen afstand. - -De jonge meisjes wisten niet beter of het gebeurde was een -droom. Zoodra zij zich weder alleen bevonden, vielen zij elkander in -de armen en barstten uit in tranen. - - - - - - - -XXXVI. - -EENE ONTMOETING. - - -Het Indiaansche opperhoofd sidderde onwillekeurig en deed -eenige stappen achteruit, toen hij den jager zoo onverwacht zag -aankomen. Laatstgenoemde stond midden in de zaal plotseling stil, liet -het hoofd op de borst hangen en scheen in diepe gedachten verzonken. - -De opperpriester, zich bij Atoyac voegende, vertelde hem in weinige -woorden op welk eene onstuimige wijs de tlacateotzin de kamer verlaten -had. De twee Indianen bleven, vol bijgeloovige vrees, eenige passen -van hem af, eerbiedig staan wachten, tot het den wonderdokter behagen -zou hen aan te spreken. - -Deze scheen intusschen langzamerhand zijn natuurlijk verstand terug -te bekomen, hij werd kalmer en bedaarder, streek zich met de hand -over het voorhoofd en haalde diep adem, als iemand die eindelijk van -een drukkenden last ontheven is. De Indianen oordeelden thans het -oogenblik gunstig om hem te naderen en hem eenige vragen te doen, -die zij vurig verlangden beantwoord te zien. - ---Hoe is het, vader? vroegen beiden. - ---Spreek, vervolgde de opperpriester; wat schort u? - -De jager wierp de oogen woest in het rond, zuchtte nogmaals en prevelde -met eene zachte haperende stem: - ---De geest bezit mij, hij verteert het merg in mijn gebeente. - -De Indianen wisselden een twijfelmoedigen blik en traden met schrik -eenige passen terug. - ---O, Wacondah! hervatte de Canadees, waarom hebt gij aan uw dienaar -deze noodlottige kennis geschonken? - -Bij deze sombere woorden voelden de twee Roodhuiden het bloed als -in hunne aderen stollen, eene huivering van angst rilde hun door de -leden en zij stonden met knikkende knieën te klappertanden. Loer-Vogel -trad langzaam naar hen toe; zij zagen hem naderen, maar durfden hem -niet ontwijken; de jager legde zijne regterhand op den schouder des -opperpriesters, zag hem met een doorborenden blik aan en sprak met -eene sombere stem: - ---Dat de zonen van den gewijden Ayotl zich wapenen met moed! - ---Wat bedoelt mijn vader? mompelde de bevende grijsaard. - ---Een booze geest heeft zich van die twee blanke meisjes meester -gemaakt, vervolgde de jager; die booze geest zal van dezen avond -af, al degenen doodslaan die het wagen haar te naderen, want door -de ontzaggelijke wetenschap waarmede de Wacondah mij begiftigde, -is het mij gelukt de boosaardige invloeden te leeren kennen die zich -van haar hadden meester gemaakt. - -De beide Indianen, ligtgeloovig als al hunne stamgenooten, deden een -stap achteruit. De jager, om zijn gezegde nog meer te bevestigen, -veinsde daarop een nieuwen aanval te krijgen en deed alsof hij kampte -tegen den boozen geest die hem bevangen had. - ---Maar wat moet er gedaan worden om haar van die noodlottige magt te -verlossen? vroeg Atoyac schroomvallig. - ---Iedere kracht en wijsheid komt van den Wacondah, antwoordde de -Canadees; ik zal dus aan mijn vader den Amantzin verzoeken, of ik -dezen nacht met gebeden mag doorbrengen in den tempel der Zon. - -De Indianen wisselden een blik van diepe bewondering. - ---Dat mijn vader handele naar goedvinden, antwoordde de opperpriester -met eene buiging; zijne wenschen zullen voor mij bevelen zijn. - ---Draag vooral zorg, hervatte de jager, dat tusschen heden en -morgen niemand bij de blanke meisjes worde toegelaten; welligt zal -de Wacondah mijne gebeden verhooren en mij de middelen aanwijzen van -welke ik mij bedienen moet. - -De Amantzin boog weder, ten bewijze van toestemming. - ---Het zal geschieden. Mijn vader gelieve mij slechts te volgen en ik -zal hem in den tempel binnenleiden. - ---Neen, antwoordde Loer-Vogel, dat kan niet zijn, ik moet het heiligdom -alleen binnentreden; laat mijn vader mij maar zeggen hoe ik de deur -moet openen. - -De opperpriester gehoorzaamde, en beduidde hem hoe hij den sluitboom -en de grendels moest wegschuiven die den tempel afsloten. - ---Goed, riep de jager; morgen met de endit-ha--zonsopgang--zal ik -mijn vader den wil van den Wacondah te kennen geven en hem weten te -zeggen of er hoop is om de kranken te redden. - ---Ik zal mijn zoon afwachten, zeide de grijsaard. - -De twee Indianen bogen eerbiedig voor den gewaanden dokter en -gingen toen zamen naar buiten. De jager verwonderde zich hierover -en vroeg bij zich zelven, waar deze mannen op zulk een laat uur nog -heen konden gaan. Intusschen was hun vertrek op dit oogenblik een -onmiddelijk gevolg van de vertrouwelijke mededeelingen van Loer-Vogel -aan Atoyac; de Amantzin en het opperhoofd begaven zich in allerijl -naar den voornaamsten Sachem der stad, om zich met hem onverwijld te -verstaan over hetgeen zij aangaande de vermoedelijke plannen van den -Rooden-Wolf en Addick gehoord hadden. - -Om deze groote belangstelling in de los daarheen geworpen gezegden -van den jager nader op te helderen, moeten wij den lezer herinneren -aan hetgeen wij reeds vroeger gezegd hebben, namelijk dat er ook in -deze streken, even als bij alle onbeschaafde volken, waarzeggers en -toovenaars bestaan, die voor bijzondere gunstelingen der godheid -worden gehouden en als bekleed met eene onbegrensde geheimzinnige -magt. Daar nu bij de Roodhuiden de geneeskunde naauw met tooverij en -waarzeggen verbonden, en grootendeels niets anders is dan een mengsel -van heidensche dweepzucht en bespottelijke mommerijen of listige -kunstgrepen, staan hare beoefenaars natuurlijk in hooge achting en -worden zij ook als duivelbanners en waarzeggers geëerbiedigd. Men denke -hier niet dat alleen het gemeene volk met dit bijgeloof behebt is, -ook de opperhoofden, krijgslieden en priesters deelen er in, en al -schrijven deze aan de toovenaars wel ligt niet zulk eene onbegrensde -magt toe, erkennen zij toch hunne bepaalde meerderheid in kennis -en doorzigt. - -Intusschen was onder de bovenvermelde bedrijven de nacht volkomen -gedaald;--maar het was een nacht zoo als alleen Amerika die oplevert, -kalm, zacht, vol verfrisschende koelte en opwekkende geuren; een zwak -en teeder licht regende als van de sterren neder, wier ontelbare -legermagt aan den diep blaauwen hemel schitterde met ongemeenen -glans, de maan zag er zoo vrolijk uit als verlustigde zij zich -in den kristalhelderen ether en schoot hare zilveren stralen over -de slapende stad, alle voorwerpen dompelende in eene fantastische -schemering; eene diepe, bijna godsdienstige stilte heerschte in de -eenzame straten. Loer-Vogel volgde met de oogen de beide mannen, -zoo lang hij hen zien kon; toen werd het ook voor hem tijd en trad -hij langzaam het plein over om zich naar den tempel te begeven. - -De dag was voor den Canadees zwaar en moeijelijk geweest; hij had -schier van oogenblik tot oogenblik nieuwe proeven van zelfbeheersching -en tegenwoordigheid van geest moeten geven; hij had listig en fijn -moeten spelen, tegen mannen die de scherpziende blikken onophoudelijk -op hem gevestigd hielden, en meermalen op het punt waren den wolf te -ontdekken die onder de schapenvacht verscholen zat; intusschen had -hij zich dapper geweerd en uit iedere verlegenheid weten te redden, -en zoo als de zaken thans stonden, had hij alle reden zich te mogen -vleijen dat het hem gelukken zou de jonge meisjes te verlossen. De -eerzame jager moest half in zich zelven lagchen over de manier waarop -hij de Indianen had verschalkt; hij nam zich voor om zijne rol dapper -vol te houden en ten einde toe uit te spelen. Toen hij den tempel -bereikte, maakte hij den sluitboom en de grendels los en trad binnen, -zich vergenoegende met de deur achter zich ongesloten te laten, -wel overtuigd dat niemand hem zou durven storen, vooreerst wegens -de heiligheid der plaats, en ten tweede uithoofde der bijgeloovige -vrees die hij den Roodhuiden had weten in te boezemen. - -Met zijn verzoek aan den opperpriester om den nacht in het heiligdom te -mogen doorbrengen, had de jager geen ander doel, dan om de maatregelen, -die hij tot bevrijding der jonge meisjes noodig achtte, met den mantel -der godsdienst te bedekken, en tevens eenige vrije uren te vinden, -om zonder door de lastige welwillendheid der familie en vrienden van -zijn gastheer te worden gehinderd, zijn beraamd plan tot bevrijding -der jeugdige gevangenen nader te kunnen overwegen. - -Het inwendige des tempels was zeer somber; de eenige lamp die voor de -offertafel brandde, verspreidde slechts een flaauw en schemerachtig -licht, te zwak om de duisternis te verdrijven. Loer-Vogel trok zich -achter in den donkersten hoek des tempels terug, hurkte op den grond -neder, haalde de pistolen uit zijne borst, en legde die onder zijn -bereik om ze des noods te kunnen gebruiken; na zich toen met een -scherpen blik in de hem omgevende duisternis verzekerd te hebben -dat alles eenzaam en stil was, begon hij over zijne zaken na te -denken. Intusschen voelde hij langzamerhand, hetzij door vermoeijenis, -hetzij door den indruk der plaats waar hij zich bevond, in weerwil van -zijne aangewende pogingen om wakker te blijven, zijne oogleden zwaarder -worden en zich onwillekeurig sluiten; eindelijk zonk hij bewusteloos -in de armen van den slaap, die hem onweerstaanbaar overmeesterde. - -Hoe lang heeft hij wel geslapen? Hij zelf had het u niet kunnen -zeggen, toen een ligt gedruisch, niet ver van hem af, hem plotseling -de oogen deed opslaan. Even als alle menschen die gewoon zijn aan -het onrustig en gevaarvol leven in de wildernis, waar men gedurig op -zijne hoede moet zijn, bezat de jager zulk eene scherpte van gehoor -en snelle gewaarwording, dat hij, hoe zwaar ook vermoeid, op het -minste geritsel wakker werd; en vooral wanneer hij wist dat hij zich -in eene gevaarlijke stelling bevond, was zijn slaap nog ligter dan -die van een kind. Naauwelijks was Loer-Vogel ontwaakt, of hij keek -rond, maar wachtte zich wel om de minste beweging te maken, waardoor -hij zou hebben verraden dat hij niet meer sliep. Hij zag intusschen -niets; het was nog altijd nacht, en wat erger is, het was stik donker -want de maan was op dit oogenblik bewolkt en de lamp uitgedaan. Hij -begreep dus terstond dat er iemand in den tempel moest zijn gekomen, -waarschijnlijk om hem te bespieden. Maar wie had aldus den gewijden -drempel durven overschrijden? Slechts tweeërlei soort van lieden konden -dit hebben gewaagd, namelijk vrienden, of vijanden. Vrienden? hij had -er maar een in de stad, namelijk den Vliegenden-Arend, en zoo deze hier -was geweest, zou hij gewis, als een krijgsman betaamt, vrij en frank -zijn te werk gegaan, maar niet als een dief in en uit zijn geslopen, -op gevaar af van zich een kogel door den kop te zien jagen. Het moest -dus een vijand zijn geweest. Maar wie? Die hij er van verdenken kon, -namelijk Addick of de Roode-Wolf, kenden hem niet, en bovendien zouden -zij hem toch niet hebben herkend door zijne vermomming, waarmede hij -reeds vrij wat scherper oogen had misleid dan de hunne; overigens -had hij gedurende den loop van den dag de beide Sachems geen enkele -maal ontmoet, zij konden het derhalve niet geweest zijn. Maar wie -dan? Dit was eene vraag die de jager, ondanks al zijne geslepenheid, -niet in staat was op te lossen. In deze onzekerheid, om niet onverhoeds -overrompeld te worden, strekte hij met eene schier onmerkbare beweging -den arm uit, tot zijne hand de pistolen bereikte; hij greep die, nam -er in iedere hand een, rigtte zich half op en met de oogen geopend -en de ooren op het minste geluid gespitst, hield hij zich gereed om -iederen vijand, wie het ook wezen mogt, moedig het hoofd te bieden. - -Intusschen had het gedruisch dat hem had doen ontwaken zich niet -herhaald, en alles bleef roerloos en stil. Te vergeefs zocht de jager -een schim in de duisternis: geen de minste schaduw of geluid liet -zich vernemen noch stoorde de stilte des heiligdoms. - -En toch had Loer-Vogel zich niet bedrogen; hij had maar al te -duidelijk sluipende voeten bedeesd over den marmeren tempelvloer -hooren schuiven. Men moet zich eenmaal zelf in dergelijken toestand -als die van den jager hebben bevonden, om er al het verschrikkelijke -van te kunnen beseffen: zoo digt in uwe nabijheid, misschien geen twee -passen van u af, een vijand te gevoelen die u beloert, wiens woeste -blik onverbiddelijk op u gerigt is; te weten dat hij er is, hem te -gevoelen met het onfeilbaar instinct dat God den mensch inschiep, -om hem voor onzigtbaar naderend gevaar te behoeden, en dan zich niet -te durven verroeren, uit vrees dat de minste beweging zou verraden -dat gij hem afwacht. Zulk een toestand, even als die van het arme -vogeltje, dat door een ratelslang verbijsterd, zijn lot niet ontgaan -kan, is allerpijnlijkst en wordt, zoo hij eenige minuten aanhoudt, -gruwzamer straf dan de dood zelf. - -Voorzeker was Loer-Vogel een man van beproefden moed. Het -waagstuk reeds dat hij op dit oogenblik ondernam bewees in hem eene -vermetelheid, die, ik zal niet zeggen den dood trotseerde, deze zou -hier niets geweest zijn, maar het vooruitzigt op de wreedaardige -folteringen die de Roodhuiden zoo spitsvondig weten te verzinnen, om -hunne slagtoffers het vleesch te doen lillen en hun het leven als het -ware droppel voor droppel uit het verscheurde ligchaam te tappen. Na -een kwartieruurs van de vreesselijkste verwachting moedig te hebben -volgehouden, voelde hij zijns ondanks zich de haren stoppelen, en -gudste hem het koude zweet van de slapen. - ---Duizend duivels! mompelde hij in zich zelven, moet ik mij dan zoo -laten worgen? Genadige Hemel! wat er ook gebeure. ik moet weten wat -er van is. - -Oogenblikkelijk, als door een springveer opgestooten, stond hij op de -beenen, met een pistool in iedere hand. Terstond kwam er van achter -een der pilaren, een donkerder schaduw te voorschijn, en sprong als -een tijger op hem af; de jager, door eene onzigtbare hand bij de keel -gegrepen, tuimelde reeds op den grond eer hij nog den tijd had om -een schreeuw te geven; een zware voet werd hem op de borst gezet, -en als door een zwarte wolk zag hij een grimmig gezigt hem woest -aangrijnzen. Loer-Vogel was alleen, zonder hulp; het was gedaan met -hem, niets kon hem meer redden; hij slaakte een half gesmoorden zucht -en sloot de oogen, gelaten zijn lot afwachtende. Op het oogenblik -echter dat hij den doodelijken slag meende te zullen ontvangen, -voelde hij de hand die hem bij de keel hield zich ontsluiten, en -sprak eene schertsende stem: - ---Sta op, magtige Tlacateotzin; ik heb u alleen willen bewijzen dat -gij in mijne magt zijt. - -De jager stond op, gekneusd en bedremmeld als hij was door zulk een -woesten aanval. De andere vervolgde: - ---Wat wilt gij geven om het gevaar te ontkomen dat u dreigt, en om -vrij en ongestoord naar de calli van Atoyac terug te mogen keeren? - -Maar de jager, die inmiddels tijd had gevonden om van zijn schrik -te bekomen, stelde zich reeds in postuur; zoodra hij zijne pistolen -weder voelde, was er geen schaduw van vrees meer in zijn hart; hij -wist dat hij zich slechts tegen een enkelen vijand te verdedigen had; -die vijand, na hem een oogenblik onder zijne voeten te hebben geworpen, -was onvoorzigtig genoeg geweest om hem zijne vrije beweging terug te -geven; de kans tusschen hen stond dus plotseling weder gelijk. - ---Ik geef u niets, Roode-Wolf, antwoordde hij kordaat: waarom hebt -gij mij niet liever gedood, toen ik weerloos ter aarde lag? - -De Sachem, want het was niemand anders dan hij, sprong onwillekeurig -terug van verbazing, toen hij zich zoo gemakkelijk herkend zag. - ---Waarom ik u niet gedood heb, hond? was zijne wedervraag, is omdat -ik medelijden met u had. - ---Neen, omdat gij bevreesd waart, Sachem! hervatte de jager -onverschrokken; het is toch geheel iets anders om een vijand op het -slagveld te dooden, dan om een adept van de groote geneeskunde te -vermoorden in den tempel van den Wacondah, waar diens almagtige hand -hem beschermt! Gij waart bang, zeg ik u. - -De jager had niet misgeraden; het was juist deze bijgeloovige vrees, -die den Roodhuid zijne hand zoo schielijk deed terughouden, toen hij -de magt had en gereed was om den doodelijken slag toe te brengen. - ---Ik zal u dit niet betwisten, antwoordde de Roode-Wolf; maar zeg mij -toch hoe gij zoo spoedig mijn naam hebt geraden, want ik ken u niet. - ---Maar ik ken u, ik, riep Loer-Vogel! de Wacondah gaf mij uwe -tegenwoordigheid te kennen; ik wachtte u reeds af, en dat ik uw aanval -niet verhinderde, was alleen omdat ik heb willen zien of gij in uwe -goddeloosheid zoo ver zoudt durven gaan om het heiligdom zijns tempels -te bezoedelen. - -De Indiaan meesmuilde. - ---Gij gaat te ver, toovenaar, zeide hij spotachtig; zonder een -oogenblik van zwakheid, die ik mij zelven verwijt, waart gij een kind -des doods geweest! - ---Misschien! maar wat wilt gij van mij? - ---Weet gij dat niet? gij, voor wien zoo als gij zegt, niets verborgen -is. - ---Ik weet om welke reden gij hier zijt; gij zoudt het mij vruchteloos -zoeken te verbergen. Dat ik u die vraag doe is omdat ik weten wil of -gij durft liegen. - -De Roode-Wolf dacht een oogenblik na, en hervatte toen op vasten toon: - ---Hoor eens, toovenaar, óf gij zijt een bedrieger, dat ik wel geloof, -óf gij zijt inderdaad wat gij voorgeeft, een groot geneesmeester, -bemind door den Wacondah en door hem bezield; in den een of anderen -zin wil ik mijn twijfel opgelost zien. Wee u! zoo gij mij zoekt te -bedriegen, dan dood ik u als een hond en dan zal uwe huid, u aan -riemen van het lijf gesneden, de teugels van mijn paard versieren; -daarentegen, zoo gij waarheid spreekt, zult gij geen trouwer vriend -of gewilliger dienaar hebben dan mij. - ---Ik veracht uwen haat, en ik verlang uwe vriendschap niet, Roode-Wolf, -antwoordde de jager op plegtigen toon; uwe magtelooze bedreigingen -verschrikken mij niet, maar om u de uitgestrektheid mijner wetenschap -te doen beseffen, neem ik aan te doen wat gij mij vraagt en u te -zeggen welke reden u aandreef om mij hier te komen zoeken. - ---Doe dat, toovenaar, en dan, wat er ook op volgen mag, zal de -Roode-Wolf de uwe zijn. - -De jager glimlachte en haalde minachtend de schouders op. - ---Alsof het zoo moeijelijk ware, te raden wat een man des bloeds -wil, hervatte Loer-Vogel. Gij en uw waardige medegenoot Addick, gij -hebt u verbonden met een nietswaardigen hond, het uitvaagsel der -bleekgezigten, om hier twee arme schuldelooze meisjes, die aan de -zorg van uw medepligtige waren toevertrouwd, op te ligten. Op heden -hebt gij de twee anderen, met wie gij zijt zaamgespannen, pogen te -bedriegen, om de gevangenen alleen voor u zelven te behouden. Bij -den oppersten Sachem aangeklaagd door Atoyac, aan wien al uwe -handelingen en kuiperijen ten volle bekend zijn en die, wat erger is, -weet dat gij u bovendien van de hoogste magt zoekt meester te maken, -om u tot gouverneur en chef van Quiepa-Tani te doen benoemen, zit -gij thans in 't naauw en hebt gij u zelven verloren gevoeld. Door -den nood gedrongen, zijt gij bij mij gekomen, om te zien of gij mij -zoudt kunnen omkoopen, om u met de magt die mij ten dienste staat de -schoone gevangenen te helpen bemagtigen, die gij zoo vurig begeert, -ten einde met haar te vlugten, eer men middel heeft gevonden om u -in hechtenis te nemen. Is dit alles? Heb ik ook de een of andere -bijzonderheid vergeten? of heb ik inderdaad uw gansche gedachte -geraden? Antwoord mij, hoofdman, en logenstraf mij, zoo gij durft! - -De Sachem had deze lange reeks van beschuldigingen met klimmende -ontroering aangehoord; de afwisselende aandoeningen op zijn gelaat, -terwijl hij den toovenaar beluisterde, zouden een ware studie zijn -geweest voor ieder leerling van Lavater, en toen Loer-Vogel eindelijk -zweeg, boog de Roode-Wolf het hoofd, en stotterde met naauwelijks -hoorbare stem: - ---Mijn vader is inderdaad een tlacateotzin, de Wacondah openbaart -hem alles, zijne wetenschap is onbeperkt! Waar is dus de man die voor -hem iets zou kunnen verbergen? Zijn oog, doordringender dan dat van -den arend, doorgrondt de harten. - ---Thans hebt gij mijn antwoord, Roode-Wolf, hervatte de jager, ga nu -heen en stoor niet langer de stille afzondering in welke ik mij hier -had teruggetrokken. - ---Zou mijn vader dan niets voor mij willen doen? vroeg de Sachem -schroomvallig en op deemoedigen toon. - ---Wel zeker, ik doe reeds veel voor u. - ---Wat doet mijn vader dan? - ---Ik laat u in vrede vertrekken, terwijl het mij slechts een wenk -zou kosten om u dood aan mijne voeten te doen nederstorten. - -De Indiaan deed twee of drie stappen voorwaarts om nader bij den jager -te komen, dien hij thans bijna met de hand kon aanraken. Loer-Vogel -intusschen, wiens altijd waakzaam oor in de verte voetstappen hoorde -naderen, lette niet op deze beweging van den Rooden-Wolf, daar al zijne -aandacht gerigt was op hetgeen elders omging. Weldra echter scheen -de jager de oorzaak van het nieuwe gedruisch begrepen te hebben, -zijne gefronste wenkbraauwen ontplooiden zich en met een glimlach -vervolgde hij tegen den Sachem: - ---Welnu, waarom blijft de Roode-Wolf langer hier, heb ik hem niet -duidelijk genoeg gezegd dat hij zich moest verwijderen? - ---Ja, maar ik hoop nog altijd dat ik mijn vader tot betere gedachten -jegens mij zal kunnen bewegen. - ---Mijne gevoelens voor den hoofdman zijn zoo als zij behooren; ik -kan noch wil er iets aan veranderen. - ---Ooah! maar mijn vader is zoo goed, hij zal den Rooden-Wolf wel -willen helpen. - ---Neen, zeg ik u. - ---Wil mijn vader mij dan geen dienst bewijzen? - ---Ik wil het niet. - ---Is dit mijns vaders laatste woord? - ---Mijn laatste woord. - ---Welaan, sterf dan als een hond, want gij zijt niet beter waard! riep -de Roode-Wolf, terwijl hij met opgeheven arm en met het mes in de -hand, woest vooruitdrong en een enkele sekonde dreigend voor den -jager staan bleef. - -Deze had den Indiaan sedert de laatste oogenblikken scherp in het -oog gehouden en op al zijne bewegingen naauwkeurig gelet. Hij kende -het listig en verraderlijk karakter der Apachen te goed, om zich -door de katachtige manieren en geveinsde zoetsappigheid van den -Roodhuid te laten verschalken; hij voorzag dus duidelijk wat deze in -'t zin had en met welke ontknooping hij de gespeelde komedie dacht te -eindigen. Ondanks dit alles verroerde hij zich niet om den dreigenden -stoot te ontwijken, maar keek hij zijn moordenaar strak in de oogen, -met de armen op de borst gekruist, het hoofd hoog in den nek en een -onverstoorbaar gelaat. - -De moorddolk, ofschoon dreigend tegen den jager opgeheven, kon -intusschen niet op hem nederdalen; eensklaps schoot er uit een -der donkerste hoeken des tempels een man te voorschijn, die zich -van achteren op den Rooden-Wolf wierp, hem forsch bij den arm greep -en dien met zoo veel kracht uit het lid wrong, dat de verlamde hand -genoodzaakt werd het mes los te laten: daarop verdween de onbekende -gestalte even schielijk als zij verschenen was, zoodat het den -verschrikten moordenaar zelfs aan tijd ontbrak, om te zien of hij -met een mensch, dan wel met een geest te doen had gehad. - -De arm van den Rooden-Wolf viel hem magteloos bij het lijf, maar hij -slaakte geen kreet, en poogde zich niet te wreken; zijne gelaatstrekken -veranderden, zijne oogen rolden wild in hunne kassen, eene stuipachtige -beweging trilde door zijn geheele ligchaam, hij stortte voor Loer-Vogel -op de knieën en prevelde met eene door angst gebroken stem: - ---Vergeving! vader! vergeving! - -De jager deinsde een stap terug, alsof hij weigerde met den onreinen -boeteling die voor hem geknield lag in aanraking te komen, en het -mes met blijkbaren afschuw van zich afschoppende, riep hij op een -toon van de uiterste minachting: - ---Raap uw wapen op, moordenaar! - -Tot eenig antwoord wees het opperhoofd op zijn ontwrichten arm, -die hem magteloos langs het lijf hing. - ---Gij hebt het zelf zoo gewild, hernam de jager; had ik u niet -gezegd dat de hand van Wacondah met mij was en mij beschermde? Ga -heen, keer naar uwe calli terug, bewaar het diepste stilzwijgen -over hetgeen hier gebeurd is; en maak dat gij den volgenden avond -tegen zonsondergang met uwe praauw aan den oever der rivier zijt, -beneden de brug; daar zal ik bij u komen, en misschien u genezen, -zoo gij het bevel dat ik u geef stipt nakomt; maar voor alle dingen, -zorg dat gij alleen zijt. Vertrek nu. - ---Ik zal mijn vader gehoorzamen; mijn mond zal geen woord spreken -zonder zijn verlof. Maar hoe kan ik zonder zijne hulp hier van daan? de -geesten, die mijn vader beschermen, zullen mij immers dooden, wanneer -ik niet meer in zijne tegenwoordigheid ben? - ---Dat is zoo. Gij zijt genoeg gestraft; sta op, en leun op mijn -schouder, ik zal u geleiden tot aan de deur van het heiligdom. - -De Roode-Wolf stond op zonder een woord te uiten; zijn muitzieke -geest was gebroken, de ruwe les die hij ontvangen had, boezemde hem -voor den wonderdokter zulk eene bijgeloovige vrees in, dat hij zich -liet behandelen als een kind. - -De jager geleidde hem zacht den tempel uit en de marmeren trappen af -en bragt hem tot aan de eerste straat. - -Daar komende, onderzocht hij zorgvuldig den verrekten arm, om zich -te overtuigen dat hij niet gebroken was, en gaf hem toen zijn afscheid. - ---Dank den Wacondah, dat hij u zoo genadig behandelde, sprak hij op een -toon van gemengde goedaardigheid en gestrengheid; binnen weinige dagen -zal uw arm genezen zijn, doch maak deze les u ten nutte, ongelukkige, -heden avond zult gij mij wederzien; ga nu, mijne hulp is u hier niet -langer noodig, gij kunt wel alleen uwe calli bereiken. - ---Ik zal het beproeven, antwoordde de Sachem deemoedig. - -Op een tweeden wenk van Loer-Vogel, begon hij langzaam zijne wandeling -naar huis. - -Loer-Vogel volgde hem eene poos met de oogen, trad toen in den tempel -terug, en sloot dezen keer de deur zorgvuldig achter zich digt. - -Op het oogenblik toen de jager in den duisteren tempel verdween, -liet het geschrei van den nachtuil zich hooren, om aan te kondigen -dat de zon niet lang meer toeven zou te verschijnen. - - - - - - - -XXXVII. - -VERWIKKELINGEN. - - -Terwijl de boven door ons verhaalde gebeurtenissen te Quiepa-Tani -plaats hadden, vielen er in het kamp der Gambucinos andere voor, -die wij thans zullen gaan vermelden. - -Don Miguel, nadat hij Loer-Vogel aan den uitersten rand van het woud -had vaarwel gezegd, keerde in diepe gepeinzen naar het kamp terug, -waar zijne kameraden hem met ongeduld wachtten. - -Blijkbaar was de stoutmoedige avonturier innig onvoldaan met zich -zelven en met de wending die de zaken thans genomen hadden, en peinsde -hij over een of ander wanhopig plan om de jonge meisjes nader te komen, -die hij zoo vurig verlangde weder te zien. - -Hij had verscheidene uren doorgebragt op den top van een eenzamen -heuvel, van waar hij de gansche streek kon overzien, en daar, achteloos -op het gras uitgestrekt, had hij de ligging der Indiaansche stad met -zorg bestudeerd. - -Het was wel te denken dat deze jongman, met zijn vurig gestel en -onstuimige hartstogten zich niet dan met grooten weerzin zou schikken -om de tweede rol te spelen in eene onderneming, waarin hij tot dusver -altoos de eerste man geweest was. Zijne fierheid kwam er tegen op, -dat hij verpligt werd zich in te toomen en eens anders bevelen te -gehoorzamen, al was die andere ook zijn vertrouwde vriend en al kon -hij op hem rekenen, zoo goed als op zich zelven. - -Hij maakte het zich tot een bitter verwijt, dat hij Loer-Vogel dus -alleen liet handelen en zich aan gevaren bloot stellen voor eene -zaak die hij geheel als de zijne beschouwde. De ware reden nogtans, -die hij zich zelven niet durfde bekennen, maar die hem met vreugde -de grootste gevaren, ja den dood zelfs zou hebben doen trotseren -om zijne vriendinnen te redden,--de reden die hem thans norsch en -verdrietig tegen de voorzigtigheid van Loer-Vogel in opstand bragt, -en hem eindelijk noopte om, het mogt gaan zoo het wilde, werkdadig -aandeel te nemen in de uitvoering van het tusschen hem en den jager -overeengekomen plan, deze reden, zeg ik, was geen andere, dan dat -hij dona Laura de Real del Monte beminde. - -Hij beminde haar met die alvermogende, onverwinbare liefde waar alleen -uitgelezen karakters vatbaar voor zijn, eene liefde die tegen alle -hindernissen opgroeit, en die, wanneer zij eenmaal in het hart van -een man als don Leo heeft post gevat, hem tot de vermetelste daden, -zoo niet tot de grootste dwaasheden drijft. - -Deze liefde was te dieper bij hem geworteld, naarmate hij er zich -minder van bewust was en niet anders dacht of hij handelde, ten -haren opzigte, alleen uit ridderlijk gevoel van genegenheid voor -het zwakkere geslacht, en onder den indruk des medelijdens dat haar -ongeluk hem inboezemde. Zoo waar dit geweest moge zijn in het begin, -toen hij Laura nog niet kende en haar in zijne armen uit haar levend -graf had gedragen, even waar was het, dat zijne betrekking met haar -sedert dien tijd eene geheele verandering had ondergaan. - -Geen jong mensch van don Leo's karakter, zal ooit met een beminnelijk -jong meisje een geheele maand lang op reis gaan, haar dagelijks zien, -met haar spreken, met haar lijden, met haar hopen en wenschen zonder -zich aan haar te hechten. - -Sommige jonge meisjes, inzonderheid edele, stille, ingetogene, in een -woord, beminnelijke karakters, bezitten bovendien iets betooverends, -dat men vergeefs zou willen verklaren, maar dat als uit haar innigst -wezen afstraalt, zich aan alles wat haar omgeeft mededeelt en tegen -wil en dank de sterkste mannen medesleept en als onder voogdij brengt. - -Al was het maar het schuifelend geritsel van haar satijnen robe, de -mollige zwier van hare gestalte, de luchtige beweging van haar tred, -de opwekkende geur van hare golvende lokken, de zuivere klaarheid van -haar oog, terwijl de peinzende blik zich ten hemel heft, zich hier -of daar vestigt zonder iets te zien, of schijnt te gissen naar het -onbekende, alles in een woord bij deze onbegrijpelijke en betooverende -wezens, dwingt onwillekeurig eerbied af en roept het strengste hart -tot beminnen. - -Dona Laura was een van deze, en zij bezat vooral dien magnetisch -boeijenden blik, gepaard met de onschuldige zachtheid van een min of -meer kinderlijk eenvoudigen glimlach, die den onwil zoowel als den -moedwil vernietigt. - -Als zij hare groote, blaauwe, met lange zwarte wimpers beschaduwde -oogen goedwillig op den jongman neersloeg, en hem daarbij soms met -een peinzend gelaat aankeek, voelde hij zich inwendig ontroerd en -werd zijn hart koud; dan weigerde zijne tong hem bijna haar dienst -en wenschte hij heimelijk te sterven, aan de voeten van haar, die -voor hem zonder wederga op aarde, ja veeleer een engel scheen. - -Gedurende zijn afwisselenden levensloop, had de jonge avonturier de -vrouwen niet anders leeren kennen dan naar hetgeen de bedorven en -ontaarde beschaving van Mexico er hem van voorspiegelde, namelijk den -hatelijken en afstootenden kant. Toen dus het toeval hem op eens in -aanraking bragt met een jong, rein en eenvoudig meisje, dat hij zelf -van den dood had gered, was er in zijne denkbeelden eene volslagen -omwenteling ontstaan, en had hij leeren inzien, dat de vrouw, zoo als -zij volgens hare oorspronkelijke bestemming den man tot levensgezellin -geschapen werd, hem tot hiertoe geheel onbekend was gebleven. - -Ook had hij zich van lieverlede aan de betoovering, die hem -onweêrstaanbaar kluisterde, ongemerkt overgegeven en was hij Laura -gaan beminnen met al de kracht zijner ziel, zonder zich ooit te -vragen, wat het nieuwe gevoel dat hem overmeesterde eigenlijk was, -zich gelukkig rekenende voor het tegenwoordige, en onbezorgd voor -eene toekomst die voor hem misschien nimmer komen zou. - -Onbezorgdheid voor het toekomende is een kenmerkende trek van alle -verliefden; zij zien niet verder dan het heden, dat hun geheel bezig -houdt en bezielt, waarmede zij lijden of gelukkig zijn, in één woord, -waarin en waardoor zij leven. - -Het kan zijn dat don Leo, gedurende de weinige dagen die hij met de -door hem geredde jonkvrouw in het hartje der wildernis doorbragt, -zich een enkele maal met de zoete hoop vleide haar voor altijd de -zijne te zien en het geluk des levens met haar te genieten, ver van het -gewoel der steden en de zwijmelvreugd eener verbasterde maatschappij; -maar deze gedachte, zoo zij hem ooit heeft toegelagchen, was op -eens onherroepelijk verdwenen, door zijne toevallige en wonderbare -ontmoeting met don Mariano; de verschijning toch van den vader van -dona Laura, den schatrijken, stijf-zinnigen landedelman, moest zijne -luchtkasteelen voor altijd vernietigen. - -De slag was zwaar voor den jongman; maar dank zij zijn ijzeren wil, -hij stond dien moedig door, terwijl hij meende dat het hem niet -moeijelijk zou vallen in den maalstroom van zijn avontuurlijk leven -de jonge schoone dame te vergeten. - -Ongelukkig ging het don Leo gelijk het zoo velen van zijn soort gegaan -is, en deelde hij in den algemeenen regel: zijn hartstogt nam toe -in regtstreeksche verhouding met de onoverkomelijke bezwaren die er -zich eensklaps tegen schenen te verheffen; en het was juist toen hij -begon in te zien dat verschil van fortuin en teedere familie-belangen, -tusschen hem en zijne beminde een onoverkomelijken slagboom stelden, -dat hij tevens de onmogelijkheid begreep van te kunnen leven zonder -haar te bezitten. - -Van toen af poogde hij de ongeneeslijke wond die zijn hart deed -bloeden niet langer te heelen, integendeel gaf hij zich gedachteloos -over aan het zoete gevoel der liefde, die zijn leven was, en droomde -hij slechts van eene zaak, namelijk te sterven in hare redding, -om misschien in zijn laatste uur uit de lippen van zijne geliefde -een woord van erkentenis te hooren, en wederkeerig een treurige maar -zoete herinnering in het diepst van hare ziel achter te laten. - -Onder zulke omstandigheden is het ligt te begrijpen, dat don Leo, -wat er ook gebeurde, volstrekt wilde medewerken om het lieve jonge -meisje te bevrijden; ook was hij sedert het oogenblik dat hij van -zijn vriend gescheiden werd, onafgebroken op middelen bedacht om dit -doel te bereiken, zich naar de Indiaansche stad te begeven, en dona -Laura te zien. - -Het was onder deze beschouwingen dat hij in het jagerskamp terugkeerde. - -Don Mariano was treurig; Vrij-Kogel zelf scheen uit zijn humeur; -kortom, alles liep zamen om hem in de somberste naargeestigheid -te dompelen. - -Er verliepen verscheidene uren zonder dat de avonturiers een woord -met elkander wisselden. - -Omstreeks twee uren na den middag, op het heetst van den dag, seinden -de schildwachten de aannadering van een troep ruiters. - -Iedereen greep naar de wapenen. - -Weldra echter herkende men in de nieuw aankomenden Ruperto en zijn -detachement, dat de bedienden van don Mariano verzameld hadden en -thans met zich naar het kamp voerde. - -Juanito had, volgens de uitdrukkelijke bepalingen hem door Loer-Vogel -voorgeschreven, Ruperto willen verpligten om zich met zijne ruiters -in de grot aan den oever der rivier op te sluiten; maar de jager -was hiertoe niet te bewegen en had ronduit gezegd, dat, daar zijne -kameraden op het gebied der Indianen dieper waren voortgerukt dan -ooit een blanke zich gewaagd had, en waar zij ieder oogenblik gevaar -liepen om door een overmagt van Roodhuiden overrompeld en afgemaakt te -worden, hij hen dus in zulk eene hagchelijke stelling niet wilde laten, -zonder hen te hulp te komen, en ondanks alle verzet van Juanito was -de stijfhoofdige jager onverwijld verder getrokken, tot hij eindelijk -het kamp van don Miguel bereikte. - -Twee of driemalen gedurende dezen togt was hij door zwervende Indianen -verontrust en aangevallen, maar deze ligte schermutselingen, wel -verre van zijn ijver te verzwakken, hadden geene andere uitwerking -gehad dan dat zij den jager drongen zijn marsch te verhaasten; want -nu de Roodhuiden eenmaal wisten dat er benden bleekgezigten in den -omtrek van hunne kampementen rondzwierven, zouden zij zich naar alle -waarschijnlijkheid in grooter getale vereenigen, om een gewissen slag -te slaan en zich van hunne vermetele vijanden op eens te ontdoen. - -De avonturiers werden door hunne kameraden met vreugde -ontvangen. Ruperto was inzonderheid welkom bij don Miguel, die zich -gelukkig rekende op dit oogenblik eene versterking van dappere mannen -te bekomen, waarop hij niet had durven hopen. - -De werkeloosheid der Gambucinos maakte thans plaats voor de grootste -bedrijvigheid; nadat onderscheidene bemoeijingen, waartoe de komst -hunner kameraden aanleiding gaf, waren afgeloopen, verdeelden zij -zich in verschillende groepen en begonnen zij drukke gesprekken, met -al de levendigheid en praatzucht die aan de zuidelijke rassen eigen is. - -Ruperto achtte zich meer dan gelukkig dat hij op de gedachte was -gekomen om voorwaarts te trekken, toen hij hoorde dat de Roodhuiden -niet alleen kampementen in den omtrek hadden, maar dat zelfs een van -hunne vijf heilige steden kort in de nabijheid lag. - ---Canarios! riep hij, wij zullen weldoen door waakzaam te zijn, zoo -wij ten minste eerstdaags onze haarschedels niet willen verliezen; -die roode duivels zullen ons niet lang ongemoeid hun gewijden grond -laten betreden. - ---Ja, antwoordde don Miguel, ik geloof dat wij alle reden hebben om -ons niet te laten overrompelen. - ---Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, het zou geen aangename ontmoeting zijn, -als wij een troep Roodhuiden op onzen rug kregen; gij kunt u niet -verbeelden hoe goed die kerels vechten, als zij sterk genoeg in getal -zijn. Zoo herinner ik mij nog in het jaar 1836--ik was destijds.... - ---En die er het ergste aan zou zijn is Loer-Vogel, zeî don Leo, den -jager het woord ontnemende, zoodat hij met open mond bleef zitten. Ik -verwijt mij zelven nog steeds dat ik hem alleen heb laten vertrekken. - ---Hij is niet alleen, hernam de Canadees; gij weet toch, don Miguel -dat hij den Vliegenden-Arend en zijne cihuatl, of hoe noemen zij de -vrouwen, bij zich heeft. - -Don Miguel keek den jager scherp aan. - ---Stelt gij zooveel vertrouwen in de Roodhuiden, Vrij-Kogel? vroeg hij. - ---Hm! grinnikte deze, zich achter het oor krabbend, dat kan er naar -wezen, maar als ge mij naar de waarheid vraagt, moet ik u zeggen dat -ik ze geen zier vertrouw. - ---Gij ziet dus wel dat hij alleen is. Wie weet wat hem in die -vervloekte stad reeds overkomen is, te midden van die bloeddorstige -duivels? Ik wil u bekennen dat ik er mij zeer ongerust over maak en -een of ander vreesselijk onheil ducht. - ---Zijne vermomming was niettemin volmaakt. - ---Dat laat ik daar; Loer-Vogel kent bovendien de zeden der -Indianen door en door, hij spreekt hunne taal zoo goed als zijn -eigen moedertaal; maar wat zegt dat, als hij het slagtoffer wordt -van verraad? - ---Hei wat! riep Vrij-Kogel, verraad! wien noemt gij een verrader? - ---Wel, wie anders dan den Vliegenden-Arend, caramba! of zijne vrouw, -want dat zijn de eenige twee die hem kennen. - ---Hoor eens, don Miguel, hervatte thans Vrij-Kogel met ernst, vergun -mij u even rondborstig te zeggen hoe ik er over denk: gij hebt ongelijk -met zoo onbezonnen te spreken als op dit oogenblik. - ---Ik! riep de jongman barsch. Wel! en waarom dat, zoo 't u blieft? - ---Omdat gij de lieden die gij met een eerloozen naam durft betitelen, -slechts zeer weinig en dat alleen bij goeder geruchte hebt leeren -kennen. Wat mij betreft, ik ken den Vliegenden-Arend sedert vele jaren -reeds; hij was nog maar een kind toen ik hem voor de eerstemaal zag, en -ik heb zijn eerlijkheid en trouw altoos proefhoudend bevonden. Zoolang -hij nu in ons gezelschap is, heeft hij ons goede diensten bewezen, -of althans zoeken te bewijzen; kortom, om alles in eens te zeggen, -wij allen, en gij in 't bijzonder, zijt hem grootelijks verpligt. Het -zou de zwartste ondankbaarheid zijn als wij dit konden vergeten. - -De eerzame jager had deze verdediging van zijn vriend met een vuur en -eene fermiteit uitgesproken, die op don Miguel merkbaar indruk maakten. - ---Vergeef mij dan, oude vriend, zeide deze op verzoenenden toon; -ik beken dat ik ongelijk had, maar omringd als wij zijn door duizend -vijanden en bedreigd om ieder oogenblik het slagtoffer te worden van -verraad, het voorbeeld van Domingo kan dit ten overvloede bewijzen, -heb ik mij ligt laten vervoeren tot de vermoedens.... - ---Elk vermoeden dat de eer van den Vliegenden-Arend te na komt, -viel Vrij-Kogel hem met drift in de rede, is uit den aard der zaak -valsch. Wie weet of hij niet juist op dit oogenblik, terwijl wij hier -zamen spreken, zijn leven voor het onze waagt? - -Deze woorden bragten bij zijn gehoor zekere ontroering te weeg, -en er volgde een poos stilte, die de Canadees echter onmiddelijk -verbrak door op nieuw het woord te nemen. - ---Denk echter niet dat ik u iets heb te verwijten, vervolgde hij, -gij zijt jong en alleen daardoor loopt uwe tong vaak uwe gedachten -vooruit; maar als ik u raden mag, wees dan op uwe hoede, want het zou -u den een of anderen keer groote schade kunnen berokkenen. Doch, genoeg -hiervan; om u dit nader te bevestigen, zou ik u een aardig geval kunnen -vertellen dat mij gebeurd is in 1851. Ik kwam destijds juist van... - ---Nu ik er ernstig over nadenk, viel don Leo hem in de rede, moet ik -u geheele voldoening geven; ik heb inderdaad ongelijk gehad. - ---Ik acht mij gelukkig dat gij dit zoo ridderlijk bekent. - ---Laten wij er dan niet meer over spreken. - ---Ik verlang niets liever; om dus op ons eerste punt terug te komen, -moet ik u op mijne beurt bekennen, dat ik mij zeer ongerust maak -over Loer-Vogel. - ---Ha! daar hebt gij het al. - ---Ja, maar om gansch andere redenen dan die gij hebt aangevoerd. - ---Zeg mij om welke? - ---O, mijn hemel! die zijn zeer eenvoudig. Loer-Vogel is een handig -en dapper jager, die al de streken der Indianen op zijn duimpje kent, -maar hij heeft niemand die hem ter zijde staat; ingeval van tegenspoed -zou de Vliegende-Arend hem weinig kunnen helpen; als hij ontdekt wierd, -zou de brave hoofdman niet anders kunnen doen dan zich naast hem te -laten ombrengen, en dat zal hij gewis, daar ben ik van overtuigd. - ---En ik ook; maar wat zou dit hem of ons baten? Hoe zouden wij na -zulk een ongeluk nog in staat zijn om de jonge meisjes te redden? - -Vrij-Kogel schudde het hoofd. - ---Ja, dat is juist de groote zwarigheid, daar zit hem de -knoop. Ongelukkig zou het hoogst moeijelijk zijn om in dat geval te -voorzien, dat ik hoop nooit te zullen gebeuren. - ---Wij willen er niet aan twijfelen; maar als het eens gebeurde, -wat zouden wij dan doen? - ---Wat wij doen zouden? - ---Ja. - ---Hm! dat is een vraag, don Miguel, die ik naauwelijks kan -beantwoorden. - ---Enfin, maar gesteld dat het zoo was, dan zullen wij toch een middel -moeten uitdenken om ons uit de valsche positie te helpen daar wij -ons in bevonden. - ---Dat zeker; wij zouden wel moeten. - ---Maar hoe dan? - ---Hoe dan? Ja, zoo waar als ik nog weet wat ik doen zou. Kijk, ik ben -geen man die zoo ver vooruit kan zien. Als er een ongeluk gebeurt, -is het altoos tijds genoeg om het te verhelpen, zonder zich zoo lang -in voorraad het hoofd te breken met er aan te denken. Al wat ik u -zeggen kan, caballero, is, dat ik voor het oogenblik, in plaats van -hier te blijven zitten als een flamingo die men een vleugel heeft -afgeschoten, al heel wat zou willen geven om in die vervloekte stad -te zijn en mijn ouden makker van nabij te kunnen beschermen. - ---Spreekt gij de waarheid? Zoudt gij werkelijk moed hebben om zoo -iets te wagen? riep don Miguel verheugd. - -De jager zag hem verwonderd aan. - ---Twijfelt gij daaraan? vroeg hij. Hebt gij mij dan ooit op iets -hooren zwetsen, dat ik niet in staat was te doen? - ---Maak u niet boos, oude vriend, hernam don Miguel met drift: uwe -verklaring deed mij zooveel genoegen, dat ik er niet dadelijk aan -durfde gelooven. - ---Gij moet altijd gelooven aan hetgeen ik zeg, jong mensch, antwoordde -de jager nadrukkelijk. - ---Heb maar geen vrees, riep don Miguel glimlachend; ik beloof u, -in het vervolg zal ik er nooit weer aan twijfelen. - ---Zooveel te beter, wij willen het hopen. - ---Hoor eens, als gij het goed vindt, zullen wij zamen de zaak -ondernemen. - ---Om in de stad te gaan? - ---Ja! - ---Waarachtig! nu, dat noem ik een plan! riep Vrij-Kogel verrukt. - ---Vindt gij niet? - ---Zeker; maar hoe komen wij er in? - ---Laat dat maar aan mij over. - ---Goed! dan bemoei ik er mij niet meer mede; maar er is nog iets -anders. - ---En dat is? - ---Dat wij ons zoo niet kunnen vertoonen als wij hier zijn, zei -de jager, met een koddigen lach op zijn eigen kostuum en dat van -don Miguel wijzende; ik zou des noods, als ik mijn gezigt en mijne -handen een weinig beschilder, misschien nog voor een Roodhuid kunnen -passeeren; maar voor u is het een onmogelijkheid. - ---Dat is maar al te waar. Maar, laat mij begaan; ik zal mij een -Indiaansch kostuum weten te maken daar gij niets op zult kunnen -afwijzen. Vermom gij u intusschen zooals gij goedvindt. - ---Dan zal ik er spoedig meê klaar zijn. - ---En ik ook. - -De mannen stonden beiden vrolijk op, maar waarschijnlijk om zeer -verschillende redenen. Vrij-Kogel gevoelde zich gelukkig dat hij zijn -vriend kon helpen, terwijl don Miguel aan niets anders dacht dan aan -dona Laura, die hij hoopte weder te zien. - -Toen zij opstonden, hield don Mariano hen tegen. - ---Is het u waarlijk ernst, caballeros? vroeg hij. - ---Wel zeker, Senor don Mariano, antwoordden zij, zoo ernstig als ooit. - ---Dan vind ik het zeer goed, en ik ga met u. - ---Loop heen! riep don Miguel verbaasd terugdeinzend; zijt gij dwaas, -don Mariano? Wat zoudt gij met ons mee doen? gij die niets van de -Indianen weet, die geen woord van hunne taal kent, zoudt gij u in -dat wespennest wagen? Gij loopt moedwillig in uw dood! - ---Neen, antwoordde de grijsaard vastberaden, ik verlang mijn kind -weder te zien! - -Don Miguel had den moed niet om zulk een ferm uitgesproken besluit -tegen te gaan; hij boog het hoofd zonder te antwoorden. Vrij-Kogel -beschouwde de zaak uit een ander oogpunt. Volmaakt koelzinnig en -bij gevolg ver ziende en juist van blik, begreep hij de noodlottige -gevolgen die de tegenwoordigheid van don Mariano voor hunne onderneming -zou na zich slepen. - ---Neem mij niet kwalijk, caballero, zeide hij, maar als ik u dit -zeggen mag, schijnt gij over uw tegenwoordig besluit niet rijpelijk -te hebben nagedacht. - ---Caballero, een vader bedenkt zich niet lang, als het te doen is -om zijn kind weder te zien, dat hij reeds verloren achtte en dat hij -nooit weder dacht te zullen omarmen. - ---Dat stem ik toe; maar ik moet u onder het oog brengen, dat hetgeen -gij thans wenscht te doen, in plaats van uw kind u terug te geven, -het u voor altijd zou kunnen doen verliezen. - ---Wat zegt gij daar? - ---Niets dan de eenvoudige waarheid: don Miguel en ik, wij gaan ons -onder de Indianen wagen, die wij naauwelijks hopen te zullen misleiden, -ofschoon wij hen door en door kennen; wat zal nu het gevolg zijn, -als gij met ons mede gaat? wat anders, dan dat de Roodhuiden dadelijk -zullen zien dat gij een blanke zijt? en dus begrijpt gij, zeer goed -dat gij uw leven verbeurt, zoowel als wij het onze. Evenwel, zoo gij -er op staat, ga dan, en ik ben bereid u te volgen: een mensch sterft -maar eens, en of dat van daag of morgen gebeurt, is mij tamelijk -onverschillig. - -Don Mariano slaakte een zucht. - ---Ik was dwaas, murmelde hij, ik wist niet wat ik zeide: vergeef mij, -ik was te haastig om mijn kind te willen wederzien. - ---Verlaat u op ons, arme vader, hervatte don Miguel edelaardig; uit -hetgeen wij reeds gedaan hebben, moogt gij afleiden wat wij verder -doen zullen; wij zijn bereid het onmogelijke te beproeven om u het -pand terug te geven dat u zoo dierbaar is. - -Don Mariano, gebogen onder de aandoening die hem overmeesterde, had -de kracht niet om te antwoorden; met de oogen vol tranen drukte hij -den jongman de hand en zonk magteloos op den grond. - -De beide avonturiers maakten zich thans gereed voor den vermetelen -togt dien zij voornemens waren te wagen, en begonnen zich te vermommen. - -Dank zij hunne bekendheid met de Indiaansche gebruiken, viel het hun -niet moeijelijk om hunne kostumen in overeenstemming te brengen met -de rol die zij spelen zouden, en kwamen zij weldra als volmaakte -Indianen te voorschijn. Toen al de noodige toebereidsels waren -afgeloopen, stelde don Miguel het kommando der quadrilla in handen -van Ruperto, beval hem de meeste waakzaamheid aan om zich niet te -laten verrassen, en maakte hem bekend met het signaal dat tusschen -hem en Loer-Vogel was afgesproken. Met een handdruk aan don Mariano, -die nog altoos in diepe treurigheid verzonken zat, namen de beide -avonturiers afscheid van hunne kameraden, schouderden hunne buksen, -die zij liefst wilden medenemen en trokken op weg naar Quiepa-Tani, -verzeld van eenige Gambucinos, die hen tot aan de grenzen van het -bosch uitgeleide zouden doen, en tevens van Ruperto, die het niet -overbodig achtte om bij deze gelegenheid, al was het ook in de verte, -de ligging der stad op te nemen, ten einde te weten hoe hij het best -zijn plan van aanval zou regelen en zijne mannen plaatsen, om op het -eerste sein hunne vrienden ter hulp te kunnen snellen. - - - - - - - -XXXVIII. - -EENE NACHTELIJKE VERKENNING. - - -De zon was juist aan het ondergaan, op het oogenblik dat de Gambucinos -den rand van het woud en de uiterste grens van het kreupelbosch -bereikten. - -Een kleinen heuvel bestijgende, zagen zij voor zich uit; op ongeveer -anderhalf uur afstands, lag de stad, te midden der groene vlakte, -die haar omringde als een kalme zee van kruiden en bloemen: - -De nacht daalde snel; de duisternis vermeerderde van minuut tot minuut, -en smolt weldra tot eene sombere massa te zamen; het uur was bijzonder -goed geschikt om den vermetelen aanslag, dien zij in 't zin hadden, -te wagen. - -Don Miguel en Vrij-Kogel zeiden hunne geleiders voor het laatst -vaarwel en stapten moedig het hooge gras en kreupelhout in, waar zij -spoedig verdwenen. - -Gelukkig hadden de waaghalzen, die zonder dat in de duisternis -moeijelijk den weg zouden gevonden hebben, de breede loopsporen slechts -te volgen, sedert lang gebaand door de ruiters en voetgangers, die -gedurig naar de stad gingen of er van daan kwamen, en welke voetpaden, -allen op een der poorten uitliepen. - -De beide mannen traden een geruimen tijd stil naast elkander voort, -ieder voor zich ernstig nadenkende over den waarschijnlijken uitslag -hunner schier hopelooze onderneming. - -In het eerste oogenblik der geestdrift, hadden zij weinig gedacht -aan de tallooze moeijelijkheden die zij op hun weg ontmoeten en de -hindernissen die als bij iederen stap voor hen zouden oprijzen. - -Zij hadden alleen hun doel in 't oog gehouden. - -Thans echter, nu zij in koelen bloede nadachten, stuitten zij op menige -zwarigheid, die zij vroeger niet hadden willen of kunnen vermoeden, -en begonnen zij, gelijk het gewoonlijk gaat, hunne onderneming uit -een geheel ander oogpunt te beschouwen. - -Het scheen hun bijna onmogelijk hun doel te bereiken, terwijl de -gevaren en moeijelijkheden zigtbaar grooter werden. - -Ongelukkigerwijs kwamen deze verstandige inzigten te laat; het was -nu geen tijd meer om terug te treden; zij moesten vooruit, het ging -hoe het ging. - -Voor het overige was alles rustig en stil: geen briesje in de lucht, -geen geluid in de prairie, en naarmate de sterren aan den hemel -te voorschijn kwamen, scheen hun de duisternis minder tastbaar en -werden de oogen der avonturiers van lieverlede gewend aan de heldere -nachtschemering. - -Nu begonnen zij genoeg te kunnen zien om verder voort te gaan en den -omtrek tot op zekeren afstand te onderscheiden. - -Vrij-Kogel kon zich maar half schikken naar de hardnekkige -stilzwijgendheid van zijn compagnon, de eerzame jager hield veel -van praten, vooral in omstandigheden als die van het tegenwoordige -oogenblik; hij besloot dus met zijn kameraad een gesprek aan te vangen, -vooreerst om eene menschelijke stem te hooren--eene reden die misschien -onbegrijpelijk zal voorkomen aan menschen wier leven gelukkig in stille -huisselijkheid is omgegaan en vrij van de groote gemoedsbewegingen die -voor sommige karakters zooveel bekoorlijks hebben; de tweede reden -was niet minder dringend dan de eerste, daar de jager, nu hij zich -eenmaal voor deze hopelooze onderneming had ingescheept, gaarne van -don Miguel eenige nadere aanwijzing zou vernemen aangaande het plan dat -deze dacht te volgen en de gedragslijn die hij zich had voorgeschreven. - -Intusschen liepen onze avonturiers, zelfs digt bij de stad en op -een geheel open terrein, weinig gevaar van ontdekt te worden; de -eenige lieden die zij konden ontmoeten waren enkele boschloopers -en spionnen, in het weinig waarschijnlijke geval, dat de Indianen, -tegen hunne gewoonte om gedurende den nacht geen beweging te maken, -het noodig mogten hebben geacht eenige mannen uit te zenden om den -omtrek te bewaken. - -De beide mannen konden dus zonder vrees voor ontdekking rustig zamen -praten, zoo zij slechts zorg droegen hunne stem niet te zeer te -verheffen en hunne oogen en ooren gestadig open te houden, om ieder -gevaar te ontdekken, zoodra het zich opdeed. - -Vrij-Kogel begon dus, na eerst even gehoest te hebben om de aandacht -van zijn kameraad te wekken, terwijl hij een onvoldanen blik in het -rond wierp, op eens de volgende aanmerking: - ---Wel, wel! de lucht is sedert een paar minuten verbazend opgehelderd, -de nacht is veel minder donker dan ik gedacht had; als de maan maar -niet opkomt voor dat wij zijn waar wij wezen moeten, dat ware erger. - ---Wij hebben nog twee uren tijd eer de maan opkomt, antwoordde don -Miguel, dat is meer dan noodig is. - ---Gij denkt dus dat twee uren genoeg zal zijn? - ---Dat weet ik zeker. - ---Nu, zooveel te beter dan, want op die nachtwandelingen heb ik het -niet erg begrepen. - ---Dat is maar omdat gij er niet aan gewoon zijt. - ---Wel mogelijk, want sedert de veertig jaar dat ik nu de woestijn -in alle rigtingen doorkruis, is dit de tweede maal dat ik op eene -nachtelijke expeditie uitga. - ---Kom! - ---'t Is op mijn woord van eer waar! riep de jager; de eerste keer -was merkwaardig genoeg en verdient inderdaad eene nadere beschrijving. - ---Hoe zoo? vroeg don Miguel min of meer verstrooid. - ---Wel, omdat de omstandigheden bijna letterlijk de zelfde waren: -toen was het ons ook te doen om een jong meisje te redden, dat door -de Indianen was opgeligt. Het was in het jaar 1835; ik was destijds -in dienst van de Pelterijen-Maatschappij. De Zwart-Voet-Indianen, -om zich te wreken over een kleine streek hun door een der ambtenaren -gespeeld, wisten er niets beters op te verzinnen dan eene nicht van -den kommandant op het fort Mackensie [26] te schaken; maar... - ---Luister! riep don Miguel, hem op eens bij den arm vattende, hoort -gij niets? - -De Canadees, ofschoon plotseling in zijn verhaal gestoord, dat hij -voor dezen keer zoo gelukkig meende te kunnen voortzetten, toonde -zich echter volstrekt niet gebelgd, daarvoor was hij te zeer aan -dergelijke wederwaardigheden gewoon; hij bleef staan, ging plat op -zijn buik liggen en hield het oor gedurende twee of drie minuten aan -den grond, om met gespannen aandacht te luisteren; toen stond hij op -en schudde verontwaardigd het hoofd. - ---Het zijn eenige wolven, die een damhert nazitten, zeide hij. - ---Weet gij het zeker? - ---Gij zult zoo aanstonds hunne stemmen wel hooren. - -Werkelijk had de jager dit naauwelijks gezegd, of het herhaalde gekef -der coyotes klonk op korten afstand. - ---Ziet gij? zeide de Canadees droogjes. - ---Inderdaad, antwoordde don Miguel. - -En zij hervatten de wandeling die zij een poosje hadden gestaakt. - ---Apropo! begon Vrij-Kogel weder, gij weet wat wij zamen hebben -afgesproken, don Miguel; ik verlaat mij geheel op u om de stad binnen -te komen, want hoe wij het moeten aanleggen weet ik volstrekt niet. - ---Ik zelf weet het evenmin, antwoordde de jongman; maar ik heb mij -heden morgen een geruimen tijd bezig gehouden met de stadsmuren -naauwkeurig op te nemen, en ik meen toch een enkel punt te hebben -ontdekt, waar ik geloof dat wij er met eenige moeite wel over kunnen. - ---Hm! meesmuilde Vrij-Kogel, uw plan schijnt mij toe alles behalve -uitvoerbaar te zijn, kameraad; het zal waarschijnlijk op gebroken -beenen uitloopen. - ---Daar hebben wij kans op. - ---Niet onaardig; maar zonder u een compliment te maken, zou ik het -liever anders willen, wanneer het mogelijk was. - ---Dat vooruitzigt schrikt u dan ten minste niet af? - ---Mij?--in het minst niet. Ik ben vast overtuigd dat de Indianen mij -niet dooden kunnen, anders zou het zeker reeds lang gebeurd zijn in -het tal van jaren dat ik in de woestijn rondzwerf. - -De jongman moest onwillekeurig lagchen over de koelbloedigheid waarmede -de oude jager deze zonderlinge meening uitsprak. - ---Welnu, wat kunt gij er op dien koop dan tegen hebben om mijn plan -te volgen? - ---Omdat het niet deugt, zei Vrij-Kogel; dat de Indianen mij niet kunnen -doodschieten, is nog geen bewijs dat zij mij niet kunnen raken. Geloof -mij, don Miguel, wij moeten voorzigtig zijn; als een van ons beiden -reeds dadelijk buiten gevecht werd gesteld, wat zou er dan van den -andere worden? - ---Dat is waar; maar kunt gij mij dan een beter plan voorstellen? - ---Ik denk wel van ja. - ---Welnu, laat ik het dan hooren; als het goed is, zal ik het aannemen; -ik ben volstrekt niet jaloersch op mijn eigen werk. - ---Goed; kunt gij zwemmen? - ---Waarom vraagt gij dat? - ---Eerst antwoorden, dan zult gij het dadelijk weten. - ---Ik zwem als een steur. - ---En ik als een otter; wij zijn dus in voortreffelijken staat. Let -thans op hetgeen ik u zeggen zal. - ---Ga door als het u b'lieft. - ---Gij ziet die rivier daar wel, niet waar? een weinig regts. - ---Welzeker! - ---Goed; die rivier loopt midden door de stad, die zij in tweeën snijdt, -is het zoo niet? - ---Ja! - ---Gesteld nu eens dat de Roodhuiden wisten dat wij ons hier in den -omtrek bevinden, van welken kant zouden zij dan een aanval wachten? - ---Van den kant der vlakte, dat spreekt van zelf. - ---Al beter en beter;--waar dus de muren bezet zijn met schildwachten, -die de vlakte in alle rigtingen bewaken, terwijl de rivier, van welken -kant zij geen gevaar vermoeden, volkomen verlaten zal zijn. - ---Maar al te waar! riep don Miguel zich voor het hoofd slaande; -dat ik daaraan niet gedacht heb! - ---Men kan niet aan alles denken, antwoordde Vrij-Kogel zoo bedaard -als een philozoof. - ---Beste vriend, ik zeg u dank voor dat uitmuntend idee; thans zijn -wij ten minste zeker dat wij in de stad zullen komen. - ---Laten wij de huid van den beer niet verkoopen, voordat wij -hem... gij kent het oude spreekwoord. Evenwel, niets belet ons om -het te beproeven. - -Zij gingen terstond regts af, om de rivier te naderen, die zij een -kwartier later bereikten. De oevers waren eenzaam; de rivier, zoo -effen en kalm als een spiegel, lag aan hunne voeten en had veel van -een zilveren lint. - ---Thans, hervatte Vrij-Kogel, moeten wij ons niet te veel haasten: -al kunnen wij zwemmen, zullen wij die kunst liever voor het laatst -bewaren, als wij geen ander redmiddel meer weten. Doorzoek gij nu -eerst als de boschjes aan den eenen kant, terwijl ik den anderen kant -opga; want ik zou mij zeer bedriegen, als wij niet hier of daar eene -praauw vonden. - -In deze verwachting had de jager zich niet bedrogen; na eenige minuten -zoekens, vonden zij werkelijk een bootje, onder een hoop bladeren -verborgen, te midden van digte boschjes linzen en floripondio's; -de pagaaijen lagen eenige passen verder. - -Wij hebben den lezer vroeger reeds gezegd op welke wijs de Indianen -deze vaartuigen zamenstellen, die onder anderen ook deze deugd -bezitten, dat zij zeer ligt zijn. Vrij-Kogel droeg de pagaaijen, -don Miguel nam de praauw op zijn schouder, en binnen weinige minuten -was zij te water. - ---Ga gij nu scheep, zei Vrij-Kogel. - ---Wacht een oogenblik, riep don Miguel, wij zullen de pagaaijen -bewoelen om het gekraak te vermijden. - -Vrij-Kogel haalde de schouders op. - ---Wij moeten niet al te slim willen zijn, dat zou verkeerd -uitkomen. Als er soms Indianen in de nabijheid waren en zij zagen -ons met de praauw op de rivier, zonder dat zij het geluid van de -pagaaijen hoorden, zouden zij terstond onraad vermoeden en zich van -de waarheid willen verzekeren. Neen vriend, laat mij liever begaan; -gij moet u op den bodem der boot nederleggen, die ik gemakkelijk -alleen kan roeijen; zij is klein, en dat is gelukkig voor ons, daar -de Roodhuiden nooit zullen denken dat zulk een gering, door een enkel -man geroeid bootje, stout genoeg zou zijn om een aanslag op de stad -te wagen; want om u de waarheid te zeggen, ligt de betrekkelijke -veiligheid onzer onderneming alleen in hare dolle vermetelheid; men -moet inderdaad tot de bleekgezigten behooren om zulke hagchelijke -ideeën in 't hoofd te krijgen. Ik herinner mij nog, wel, in het jaar -1835, daar ik u zoo even van sprak... - ---Laten wij gaan, gaauw maar, riep don Miguel terstond in de boot -springende, op wier bodem hij, volgens de les van zijn compagnon, -zich dadelijk zoo lang als hij was uitstrekte. - -De Canadees volgde hem hoofdschuddend, greep de pagaaijen en begon -te roeijen, maar met zekere gemaakte onverschilligheid, zoodat het -vaartuig niet dan langzaam en afgemeten voortstevende. - ---Ziet gij, fluisterde de jager, op deze manier behandeld, zullen -de roode duivels, zoo er hier of daar soms een op den uitkijk staat, -mij gewis voor een van hunne stadgenooten aanzien, die nog laat van -het visschen komt en naar zijne calli terugkeert. - -Intusschen versnelde de jager allengs en onmerkbaar zijne vaart, -derwijze, dat de praauw na verloop van een half uur een betrekkelijk -goeden gang maakte, ofschoon altoos bedaard genoeg om geen argwaan -te wekken. Nu stevenden zij meer dan een uur ongehinderd voort en -kwamen eindelijk binnen de stad. Zoo zij echter gemeend hadden hunne -ontscheping even onopgemerkt te kunnen volbrengen, werden zij in deze -verwachting teleurgesteld. In de nabijheid der brug--de plaats waar de -Indianen gewoonlijk aan land stapten, hetgeen duidelijk genoeg bleek -uit het aantal bootjes die daar aan wal lagen,--ontdekte Vrij-Kogel -in de verte een Indiaanschen schildwacht, die op zijn lans stond te -leunen, en de praauw niet uit het oog verloor. De Canadees bespiedde -met snellen blik den geheelen omtrek en overtuigde zich dat de -schildwacht alleen was. - ---Die kerel! bromde hij in zich zelven, ja, als er niemand anders is -dan hij, zullen wij hem spoedig uit den weg ruimen. - -Hij bukte in de praauw en gaf don Miguel verslag van hetgeen er omging; -deze antwoordde hem met een paar woorden. - ---Goed! Het is waar, zeide de jager zich oprigtende, er is geen ander -middel op. - -Hij stuurde thans de praauw regt op den schildwacht aan. Zoodra de -Canadees onder het bereik zijner stem kwam, riep de Indiaan hem toe: - ---Ooah! mijn broeder komt wel laat in Quiepa-Tani, alles slaapt reeds -op dit uur. - ---Dat is zoo, antwoordde Vrij-Kogel in dezelfde taal als die van den -schildwacht; maar ik breng ook een goede vracht visch mede. - ---Ei! riep de krijgsman nieuwsgierig, mag ik die even zien? - ---Mijn broeder mag ze niet alleen zien, hernam de Canadees beleefd, -maar ik geef hem zelfs verlof om er de mooiste uit te zoeken. - ---Oah! mijn broeder heeft een milde hand, de Wacondah zal die nooit -ledig laten; ik neem uw aanbod aan. - ---Hm! meesmuilde Vrij-Kogel; die arme stakker, 't is wonderlijk zoo -gaauw als hij toehapt: hij begrijpt niet dat hij zelf de visch is -die hier gevangen zal worden; en met deze philosofische aanmerking -roeide hij nader aan wal. - -Weldra stootte de praauw op het oeverzand. De Indiaan, door het -bedriegelijk aanbod van den Canadees verschalkt, wilde voor hem in -beleefdheid niet onderdoen; hij greep het bootje bij de voorplecht, -om het op het drooge te halen. - ---Ooah! riep hij, inderdaad ik geloof dat mijn broeder een goede -vangst heeft gehad, want de boot is zwaar. - -Dit zeggende bukte hij, om aan zijne pogingen meer kracht hij te -zetten en de praauw des te spoediger aan wal te krijgen; maar hij had -er den tijd niet toe, daar don Miguel er eensklaps uitsprong en den -ongelukkigen Indiaan onverhoeds zulk een slag met de kolf van zijn -geweer toebragt, dat deze bewusteloos op het zand neertuimelde. - ---La! meesmuilde Vrij-Kogel, terwijl hij op zijne beurt aan land -stapte, die zal ons ten minste vooreerst niet verraden. - ---Daar dienen wij zeker van te zijn, zei don Miguel, wij moeten ons -van hem ontdoen. - ---Dat is gemakkelijk genoeg. - -De onverbiddelijke jager nam den Indiaan op, wierp hem in de praauw -en gaf deze met de pagaai zulk een geweldigen stoot, dat zij op -eens midden in den stroom lag en snel de rivier afdreef, om eenige -oogenblikken later buiten de stad te verdwijnen. - -De avonturiers waren nu gereed om zich te verwijderen. Maar thans -begonnen eerst de grootste bezwaren der onderneming: hoe zouden zij -te midden der duisternis te regt komen, in eene stad die hun geheel -onbekend was? Waar en hoe zouden zij Loer-Vogel of den Vliegenden-Arend -vinden? Ziedaar twee vragen, die beiden even onmogelijk schenen om -op te lossen. - ---Bah! riep Vrij-Kogel, het eene spoor is niet moeijelijker te vinden -dan het andere; in de stad of in de wildernis, dat maakt weinig -verschil, laten wij zien. - ---Het voornaamste is, dat wij ons zoo spoedig mogelijk van hier -verwijderen. - ---Ja, hier is het voor ons niet veilig; maar, ik bedenk iets, laten -wij het groote plein trachten te bereiken, daar zullen wij nog het -best inlichtingen kunnen bekomen. - ---Op dit uur! dat zal dunkt mij vrij moeijelijk gaan. - ---Integendeel. Wij zullen er ons vooreerst schuil houden, tot de dag -aanbreekt; de eerste Roodhuid de beste die onder ons bereik komt, -zal zich verpligt rekenen ons het nieuws van den dag te vertellen en -dus van onzen vriend Loer-Vogel berigt doen--den grooten wonderdokter -uit Yuma, die moet hier ten minste reeds bekend zijn, te duivel! ja, -vervolgde hij lagchende. - -Eene vrolijkheid daar don Miguel met al zijn hart in deelde. Het -was zonderling, zoo goed als deze twee mannen hunne onbezorgdheid en -luchthartigheid behielden, te midden eener stad, die zij geweldigerhand -waren binnengedrongen, waar zij in ieder burger een vijand moesten -verwachten en waar duizend gevaren hen van alle zijden bedreigden; -ondanks dit alles waren zij evenzeer op hun gemak, als bevonden zij -zich te midden hunner vrienden. Zij lachten en schertsten, alsof hun -toestand de aangenaamste van de wereld ware geweest. - ---Wel, het is hier een aardig doolhof! hervatte Vrij-Kogel; vindt -gij ook niet dat het hier sterk naar gebroken beenen riekt? - ---Wie weet! misschien komen wij er nog beter af dan wij denken. - ---Een ding is zeker, namelijk, dat wij het spoedig weten zullen. - ---Laten wij deze straat ingaan, die schijnt ten minste lang en breed -genoeg; het komt mij voor, als waren wij hier op den regten weg. - ---Ik help het u wenschen! Welaan, de eene straat is hier zoo goed -als de andere. - -De avonturiers gingen de straat in die voor hen lag, en van de brug -naar de binnenstad liep. - -Het toeval had hen wel gediend; na tien minuten langzaam te zijn -voortgewandeld, bevonden zij zich reeds op het groote plein. - ---Ziedaar! riep Vrij-Kogel op een toon van verrassing, wat zegt gij -nu; hebben wij ons te beklagen? het geluk schijnt ons te dienen; maar -dat moet ook wel! vervolgde hij, want de fortuin dient de gekken, -en wat dat betreft, hebben wij alle aanspraak op hare sympathie. - ---Stil! riep don Miguel schielijk, daar komt iemand. - ---Waar? - -De jongman wees met de hand in de rigting van den Zonnetempel. - ---Daar! antwoordde hij. - ---Inderdaad! mompelde Vrij-Kogel; maar mij dunkt, die man doet net -als wij. Hij schijnt op zijne hoede te zijn, en ziet er uit alsof -hij iets zoekt. Wat reden kan hij hebben om zoo laat nog te spoken? - -Na eene korte woordenwisseling waren de avonturiers het eens; zij -scheidden van elkander en naderden den nachtwandelaar, van twee -verschillende kanten, met sluipenden tred, terwijl zij zich zoo veel -mogelijk in de schaduw hielden; hetgeen echter niet zeer gemakkelijk -ging, daar de maan juist was opgekomen, die wel is waar nog niet veel -licht verspreidde, maar toch genoeg om de voorwerpen op vrij verren -afstand te onderscheiden. De onbekende bleek intusschen niet van plaats -te veranderen, maar bleef altijd op hetzelfde punt waar zij hem het -eerst ontdekt hadden; hij stond eenigzins voorover gebogen, met het -oor tegen de tempeldeur en scheen met alle aandacht te luisteren. Don -Miguel en Vrij-Kogel waren geen twintig passen meer van hem verwijderd -en maakten zich gereed om op hem aan te loopen, toen hij zich eensklaps -oprigtte. Zij smoorden naauwelijks een luiden kreet van verrassing. - ---De Vliegende-Arend! mompelden beiden. - -Maar hoe zacht zij ook gesproken hadden, de Sachem had hen gehoord; -zijn doordringend oog merkte hen dadelijk op. - ---Ooah! riep hij zoodra hij hen zag, en kwam onmiddelijk naar hen toe. - -De avonturiers traden thans buiten de schaduw, die hen tot hier toe -onkenbaar had gemaakt, en wachtten tot de Indiaan bijna vlak voor -hen stond. - ---Ik ben het! riep don Miguel. - ---En ik! vervolgde Vrij-Kogel. - -Het opperhoofd der Comanchen deinsde vol verbazing terug. - ---Het grijze hoofd hier! riep hij uit op een toon van verrassing die -zich moeijelijk laat beschrijven. - - - - - - - -XXXIX. - -HET GROOTE GENEESMIDDEL. - - -Wij hebben vroeger gezien hoe Loer-Vogel, na den Rooden-Wolf tot aan -de tempeldeur gebragt en naar huis te hebben gezonden, in het heiligdom -was terug gegaan en de deur zorgvuldig achter zich gesloten had. - -Even te voren echter, terwijl hij den vernederden Sachem den marmeren -trap afhielp en hem een eind ver naar zijn huis geleidde, waren don -Miguel en Vrij-Kogel in den tempel gekomen, waar de Vliegende-Arend -hun een schuilplaats verleende tot de morgen zou aanbreken. - -De trouwe Comanch stond thans, met de schouders tegen den muur geleund -en de armen kruiselings op de borst, de terugkomst van Loer-Vogel af -te wachten. - ---Ik zeg u dank voor uwe hulp, hoofdman, zeide deze zoodra hij hem zag; -zonder u zou ik verloren zijn geweest. - ---Een geruimen tijd reeds, antwoordde de Indiaan, was de -Vliegende-Arend onzigtbare getuige van het gesprek zijns broeders -met den Rooden-Wolf. - ---'t Is gelukkig dat wij van hem ontslagen zijn, voor langen tijd, -zoo ik hoop, zeide Loer-Vogel; nu twijfel ik niet of onze plannen -zullen wel slagen. - -De krijgsman schudde bedenkelijk het hoofd. - ---Twijfelt gij nog, hoofdman? vroeg de jager. - ---Ik twijfel sterker dan ooit. - ---Hoedat! nu alles naar wensch gaat, en alle bezwaren voor ons uit -den weg treden? - ---Ooah! sommige bezwaren gaan uit den weg, maar andere, veel grooter -en moeijelijker te overwinnen, komen er terstond voor in de plaats. - ---Ik begrijp u niet, hoofdman; of hebt gij misschien slecht nieuws -te vertellen? Spreek dan onverwijld, want onze tijd is kostbaar. - ---Mijn broeder zal zien, antwoordde het opperhoofd. Zich thans half -omkeerende klapte hij tweemaal in de handen. Op dit eenvoudig signaal, -als had het de magt om geesten op te roepen, kwamen er op eens twee -mannen uit de schaduw te voorschijn en traden den verwonderden jager -te gemoet. Deze had hen dadelijk herkend, hij sloeg de handen in een -en prevelde vol verbazing: - ---Vrij-Kogel en don Miguel hier! Barmhartige hemel! Wat moet er nu -van ons worden? - ---Moet gij ons op zulk eene wijs ontvangen, oude vriend? riep don -Miguel getroffen. - ---Maar wat doet gij in 's Hemels naam hier? vroeg de jager. Welke -verkeerde inval heeft u bewogen om bij mij te komen, nu alles zoo -goed stond, dat ons succes om zoo te zeggen verzekerd was? - ---Wij zijn volstrekt niet hier om uwe plannen in den weg te staan; -integendeel, uit ongerustheid over u, omdat gij u te midden van al -die roode duivels zoo alleen bevondt, hebben wij u willen volgen, -om u zoo mogelijk te kunnen bijstaan. - ---Ik zeg u wel hartelijk dank voor uwe goede bedoeling; ongelukkig -echter is zij in de tegenwoordige omstandigheden veeleer nadeelig -dan nuttig. Maar hoe is het u toch gelukt in de stad te komen? - ---O, zeer gemakkelijk, antwoordde Vrij-Kogel, en nu verhaalde hij in -korte woorden alles, wat wij gezien hebben dat er tot dusver met hen -gebeurd was. - -De jager schudde het hoofd. - ---Het is een stout bestaan, en ik moet bekennen dat het goed is -aangelegd. Doch waar zal het u toe dienen, dat gij zulke groote gevaren -getrotseerd hebt? Veel grootere wachten u hier, zonder noodzaak en -zonder nut voor ons allen. - ---Dat kan wel zijn! antwoordde don Miguel ferm; maar wat er ook -gebeure, gij begrijpt wel dat ik mij niet uit louter pleizier aan al -die gevaren heb blootgesteld of zonder voldoende reden. - ---Dat wil ik gelooven, ofschoon ik vruchteloos poog te gissen welke -die reden zijn kan. - ---Gis er maar niet langer na, ik zal het u wel zeggen. - ---Spreek. - ---Ik hoop, oude vriend, dat gij mij begrijpen zult, hervatte don Leo -met nadruk op ieder woord: ik wil en zal dona Laura zien. - ---Dona Laura zien? dat is onmogelijk! riep Loer-Vogel. - ---Ik weet niet of het onmogelijk is, maar ik weet dat ik haar zien zal. - ---Gij zijt dwaas! don Miguel: het is eene onmogelijkheid, zeg ik u. - -De avonturier haalde de schouders op. - ---Ik zeg u nogmaals, dat ik haar zien zal! riep hij standvastig: zelfs -al zou ik door een bloedbad moeten waden, om dit doel te bereiken, -ik wil en ik zal het. - ---Maar hoe zult gij het aanleggen? - ---Dat weet ik niet; dat kan mij ook weinig schelen. En als gij weigert -mij te helpen, goed, dan zullen Vrij-Kogel en ik er wel middel op -vinden. Zullen wij niet, oude kameraad? - ---Zooveel is zeker, don Miguel, antwoordde de jager op zijn gewonen -kortswijligen toon, dat ik u niet verlaten zal. Een middel vinden om -tot de gevangenen door te dringen, dat zullen wij wel; maar of het -goed en bruikbaar zal zijn, daar sta ik geenszins borg voor. - -Er volgde eene vrij langdurige stilte. Loer-Vogel scheen door het -voornemen van don Miguel als verplet; hij begreep volstrekt niet -hoe deze tot zulk een besluit gekomen was. Intusschen begon hij -naauwkeurig al de kansen te berekenen, die de noodlottige komst des -jongmans tegen het welslagen van zijn eigen plan opleverde. Eindelijk -nam hij het woord weder op: - ---Ik zal niet langer beproeven, don Miguel, uw vermetel plan om -de jonge meisjes te gaan zien, u af te raden, zeide hij; ik ken -u te goed om niet te weten dat dit eene vergeefsche poging zoude -zijn, en dat mijne redeneringen u misschien tot een of andere -onherstelbare dwaasheid zouden vervoeren; ik neem zelfs op mij om u -in de tegenwoordigheid van dona Laura te brengen. - ---Belooft gij mij dat! riep de jongman met levendige drift. - ---Ja, maar op eene voorwaarde. - ---Spreek, wat het ook zij, ik neem het aan. - ---Goed; als het oogenblik daar is, zal ik het u zeggen; maar wat ik -u bidden mag, laat de Vliegende-Arend toch uwe vermomming beter in -orde brengen. Als gij en Vrij-Kogel niet behoorlijk gekleed in de stad -komt, zult gij geen stap kunnen doen zonder herkend te worden. Thans -verlaat ik u; het is dag geworden, ik moet naar den opperpriester, -en dus laat ik u onder het opzigt van den Vliegenden-Arend: volg in -alles zijn raad, uw leven is er mede gemoeid, en niet alleen het uwe, -maar ook dat van haar die gij redden wilt. - -De jongman huiverde min of meer. - ---Ik zal u gehoorzamen, antwoordde hij, maar houdt gij ook uwe belofte. - ---Die zal ik houden, zelfs heden nog. - -Na eenige minuten zacht met den Vliegenden-Arend gesproken te hebben, -ging Loer-Vogel heen en liet de drie mannen in den tempel achter. - -Toen de jager in het paleis kwam, was de Amantzin juist gereed om -zich naar den tempel te begeven. - -Atoyac, nieuwsgierig als alle echte Indianen, had den opperpriester -sedert den vorigen dag niet verlaten, om ook het tweede bezoek van den -wonderarts te kunnen bijwonen, een bezoek dat zoo hij meende, volgens -hetgeen hij van het eerste gezien had, zeer belangrijk zou zijn. - -Vergezeld van den Amantzin, die hem volgde als zijne schaduw, begaf -Loer-Vogel zich thans onmiddelijk naar het paleis der Zonnemaagden, -om de zieken te bezoeken. Hier kwam hij weldra tot de zekerheid, dat -dona Laura zonder hinder het paleis zou kunnen verlaten, en tegen de -vermoeijenissen van eene reis wel bestand zou zijn. Het jonge meisje, -door de hoop op eene spoedige bevrijding gesterkt, had hare jeugdige -krachten herkregen, en de zielskwaal die haar heimelijk ondermijnde -was als door een tooverslag geweken. Wat dona Luisa betreft, daar -zij meer verstand en ondervinding bezat, was zij wantrouwiger; -toen dus de Amantzin zich verwijderd had--want de jager had bepaald -gevorderd om met de lijderessen alleen te worden gelaten--zeide zij -tegen den Canadees: - ---Wij zijn gereed u te volgen, Loer-Vogel, zoodra gij het ons bevelen -zult; maar onder eene voorwaarde slechts. - ---Hoedat, onder eene voorwaarde? riep de jager en prevelde in zich -zelven: Wat heeft dit te beteekenen? Moet ik dan van alle zijden -tegenkanting ontmoeten?--Spreek, vervolgde hij, ik zal u aanhooren. - ---Vergeef mij, als mijne woorden u hard en ondankbaar schijnen; -wij twijfelen geenszins aan uwe trouw, dat verhoede God! maar... - ---Gij wantrouwt mij, viel de jager haar met eene mismoedige stem in -de rede; maar hoe dit ook zij, ik moest die verwachten, gij kent mij -te weinig om mij te vertrouwen. - ---Helaas! riep dona Laura, onze toestand is ongelukkig van dien aard, -dat wij vreezen moeten overal verraden te zullen worden. - ---Die verfoeijelijke Addick, aan wien don Miguel ons toevertrouwde, -voegde dona Luisa er bij, hoe heeft die ons niet bedrogen? - ---Dat is waar! gij kunt niet anders spreken; maar wat kan ik doen om -u ontwijfelbaar te bewijzen dat ik uw volle vertrouwen verdien? - -De beide meisjes kregen een blos en zagen elkander verlegen aan. - ---Wacht! riep de jager goedig, ik zal al uw twijfel uit den weg -ruimen. Heden avond kom ik weder hier en dan breng ik u een man mede, -die, zoo ik geloof, wel in staat zal zijn u te overtuigen. - ---Van wien spreekt gij dan? vroeg dona Laura levendig. - ---Van don Miguel. - ---Komt hij? riepen de beide meisjes te gelijk. - ---Heden avond, verzeker ik u; zie hier een amulet, dat hij mij gaf -om u ter hand te stellen. - -De twee kinderen vlogen elkander om den hals, om hare verlegenheid -en schuchter blozen te verbergen. - -De jager, na deze bevallige groep een oogenblik met verwondering -te hebben aangestaard, verwijderde zich en riep heengaande met eene -zachte stem: - ---Tot van avond! - -In de voorzaal van het paleis hadden de Amantzin en Atoyac met -sterk verlangen den uitslag van het bezoek des wonderdokters -afgewacht. Toen de jager in hun midden verscheen en de opperpriester -hem met belangstelling naar den toestand der kranken gevraagd had, -bleef de jager een oogenblik staan, als om zich te bedenken en na -de hevige inspanning der voorgewende geneeskuur zijne gedachten te -verzamelen; daarop sprak hij met diepen ernst: - ---Mijn vader de opperpriester is een wijs man, niets evenaart zijne -kennis; laat zijn hart zich verheugen, want nu zullen zijne gevangenen -weldra verlost zijn van den boozen geest die haar bezielt. - ---Spreekt mijn vader de waarheid? vroeg de Amantzin met ongewone -statigheid, en met een blik, als zocht hij op het gelaat van den -wonderarts de mate van vertrouwen te lezen die hij hem schuldig was. - -Maar de gewaande dokter was ondoorgrondelijk. - ---Hoor! antwoordde hij, en verneem wat dezen nacht de groote geest -mij openbaarde: Er is op dit oogenblik een tlacateotzin van een -verwijderden stam in de stad gekomen; ik ken hem niet, en vóór dezen -dag heb ik nooit iets van hem gehoord, maar hij is de groote man die -mij helpen zal om de zieken te redden. Hij alleen weet welke middelen -haar moeten worden toegediend. - ---Zoo! riep de opperpriester op een toon van kwalijk bedekte -achterdocht; maar mijn vader heeft zulke doorslaande bewijzen van zijne -onbegrensde kunde gegeven, waarom zou hij dan niet alleen voleindigen, -wat hij zoo wel begonnen is? - ---Ik ben maar een eenvoudig man, wiens kracht alleen berust in de -bescherming des hemels; de Wacondah heeft mij het middel aangewezen -om de gezondheid der lijderessen te herstellen; ik moet gehoorzamen. - -Op deze verzekering, boog de opperpriester zonder verdere tegenspraak, -en hij verzocht thans den jager, om hem zijne volgende plannen toe -te vertrouwen. - ---Die zal mijn vader vernemen, zoodra de onbekende tlacateotzin zijne -gevangenen bezocht heeft, antwoordde Loer-Vogel; maar hij zal niet -lang behoeven te wachten, want ik voel den godsman reed naderen. Dat -mijn vader hem terstond binnenleide. - -Juist op dit oogenblik werd er herhaalde malen aan de buitendeur -geklopt. De Amantzin, tegen wil en dank door de verzekering van -Loer-Vogel gedreven, haastte zich om open te doen. - -Don Miguel trad binnen: dank zij de voorzorg van den Vliegenden-Arend, -was hij geheel onkenbaar. - -Wij behoeven den lezer niet te zeggen, dat dit tooneel vooruit door -den Canadees en den Comanch was afgesproken en voorbereid, gedurende -de korte woordenwisseling die zij vroeger gehouden hadden, eer zij -den Zonnetempel verlieten. - -Don Miguel wierp een vragenden blik in het rond. - ---Waar zijn de zieken, die ik op bevel van den Wacondah van den boozen -geest moet verlossen? vroeg hij met eene ernstige stem. - -De opperpriester en de jager wisselden een blik van verstandhouding. De -beide Indianen stonden verbaasd; de komst van dien man, zoo duidelijk -door Loer-Vogel voorzegd, scheen hun bijna een wonder. - -Wij zullen hier het gesprek niet vermelden, tusschen de lijderessen en -don Miguel gevoerd, toen Loer-Vogel den nieuwen wonderdokter in hare -tegenwoordigheid bragt, en bepalen ons bij de verklaring, dat het -den jager eerst na verloop van bijna twee uren, die den jongelieden -slechts zoovele minuten schenen, gelukte er een eind aan te maken en -met den jongen avonturier naar den opperpriester terug te keeren, -wiens argwaan hij niet langer durfde trotseren en die hunne komst -met ongeduld verbeidde. - ---Moed gehouden! riep de Canadees schielijk maar zacht, gedurende den -korten overstap; alles gaat naar wensch, laat de rest nu aan mij over. - ---Wel? vroeg de opperpriester, zoodra zij weder in de voorzaal kwamen. - -Loer-Vogel rigtte zich op in zijne volle reusachtige lengte, nam -eene houding aan even majestueus als gestreng, en sprak met eene -welluidende stem, op ontzagwekkenden toon: - ---Hoort gij, magtige opperpriester en Sachem, de woorden die de groote -Wacondah mij inblaast en op de lippen legt, en verneem wat deze -wonderman, hier tegenwoordig, gezegd heeft. De twee eerstvolgende -zonnen zijn tertzauh--van kwade beduidenis--maar op den avond van -den derden dag, zoodra de mezteli--de maan--haar weldadig licht -verspreidt, moet mijn zoon de Sachem Atoyac in den grooten tempel -der Zon een vigonia ram brengen, dien de Amantzin van Quiepa-Tani -voor dien tijd zal zegenen en dooden in den naam van Teotl [27]; -daarna zal Atoyac de huid van den vigonia nemen en haar uitspreiden op -een kleinen berg buiten de stad, om te beletten dat de booze geest, -wanneer hij de ligchamen der gevangenen verlaat, zich van een der -inwoners in de stad meester maakt. Vervolgens zal hij de gevangenen -zelve naar dien heuvel geleiden. - ---Maar, merkte de opperpriester aan, een der gevangenen is te zwak -om het bed te verlaten daar zij op rust. - ---Er is wijsheid in ieder woord dat mijn zoon spreekt, maar hij -verontruste zich niet, de Wacondah zal aan haar, die hij redden wil, -de noodige kracht verleenen. - -De Amantzin kon niet anders doen dan eerbiedig buigen voor dit -ontegenzeggelijk bewijs. - ---Wanneer hetgeen ik mijn vader gezegd heb, gedaan zal zijn, vervolgde -de onverstoorbare Canadees, zal hij vier der dapperste krijgslieden -zijns volks uitkiezen om de gevangenen des nachts te bewaken, en -alsdan, nadat ik den magtigen Amantzin en allen die met hem zijn, -een drank zal hebben laten drinken, dien ik zal bereiden om hem en de -zijnen tegen alle booze invloeden te beveiligen, zal mijn broeder, de -onbekende tlacateotzin hier tegenwoordig, den boozen geest uitdrijven, -die thans de gevangenen nog kwelt. - -De opperpriester en de Sachem hoorden hem stilzwijgend aan, en schenen -na te denken, hetgeen de Canadees niet onopgemerkt liet; hij haastte -zich dus om er bij te voegen: - ---Ofschoon de Wacondah ons helpt en magt geeft om te triomferen, -moeten mijn broeder de Amantzin en de vier uitgelezen krijgslieden -die hij er toe bestemmen zal, den nacht, die de groote geneeskuur -voorafgaat, met mij in den heiligen Zonnetempel doorbrengen, terwijl -Atoyac aan den wijzen Amantzin twintig jonge merriën leveren zal, -om aan den Wacondah te offeren. Kan mijn broeder dit doen? - ---Hm! meesmuilde de Indiaan, weinig ingenomen met dezen kostbaren -eerepost; maar wat krijg ik daar voor? - -Loer-Vogel keek hem strak aan. - ---De vervulling, voor het einde der tweede volgende maan, van een -wensch dien Atoyac sedert lang in stilte heeft gekoesterd. - -Dit zeide de jager op goed geluk af; intusschen scheen hij zijn doel -juist getroffen te hebben, want de Sachem antwoordde met een verlegen -gelaat en met zekere gejaagdheid: - ---Goed, ik doe het. - ---Mijn vader is een wijze, riep de opperpriester, wiens voorhoofd -merkelijk was opgehelderd, toen hij den jager van het offer der -twintig merriën hoorde spreken; de Wacondah is met hem. - ---Mijn zoon is goed, was al wat de Canadees antwoordde, en hierop -nam hij van de twee mannen afscheid. - -Op het plein stonden de Vliegende-Arend en Vrij-Kogel de twee -avonturiers af te wachten. - -Terwijl zij zamen naar de calli van Atoyac terugkeerden, deelde -Loer-Vogel aan zijne kameraden al de bijzonderheden van zijn plan -mede. Inderdaad was het zoo eenvoudig mogelijk, en bestond alleen in -het ontvoeren der gevangenen zoodra deze zich op den bewusten heuvel -zouden bevinden. Dit was de eenige redelijke kans op welslagen; want -om haar met geweld uit het paleis der Zonnemaagden op te ligten, -daaraan viel niet te denken. - -Het uitstel van drie dagen voor het volvoeren van zijn plan, had -Loer-Vogel noodzakelijk gekeurd, om den Vliegenden-Arend naar zijn -stam te kunnen afzenden en versterking van manschap te halen, die men -wel noodig zou hebben om de karavaan op den terugtogt naar het kamp -en naar Mexico te beschermen, daar zij zonder twijfel door de Indianen -zouden worden vervolgd. Ook Vrij-Kogel zou zich intusschen almede uit -de stad moeten verwijderen, om de Gambucinos te waarschuwen tegen den -dag waarop de redding moest plaats hebben ten einde alle noodlottig -misverstand te verhoeden en de jagers in goede hinderlagen te posteren. - -Nog dienzelfden avond gingen de Vliegende-Arend, de Wilde-Roos en -Vrij-Kogel scheep, zoo als reeds vroeger was afgesproken, in de -praauw waarmede de Roode-Wolf, volgens het bevel van Loer-Vogel, hen -aan de brug afwachtte. De Wilde-Roos zou zoolang in het jagerskamp -achterblijven, tot de Vliegende-Arend, met den uitmuntenden arabier -van don Estevan, een gezwinden togt heen en weer naar zijn stam -had gemaakt. - -Nadat Loer-Vogel en don Miguel hunne vrienden, terwijl deze met -de praauw de rivier afzakten, een poosje hadden nageoogd, keerden -zij naar de calli van Atoyac terug. De eerwaarde Sachem, ofschoon -in eene alles behalve vriendelijke stemming, wegens de levering der -twintig merriën die de groote geneeskuur hem kosten zou, ontving hen -nogtans naar zijn beste vermogen, te meer daar hij ten aanzien van -zulke magtige mannen als de twee wonderartsen, de heilige wetten der -gastvrijheid niet durfde schenden. Terwijl zij zamen zaten te praten -en te rooken, vertelde hij hun, dat Addick en de Roode-Wolf plotseling -uit de stad verdwenen waren, zonder dat iemand wist wat er van hen -geworden was. Wat den Rooden-Wolf betreft, hiervan waren de jagers -niet onkundig, en zijn vertrek baarde hun geene ongerustheid; met -Addick intusschen was dit anders, daar hun gastheer verzekerde dat hij -met een sterke troep ruiters in vollen oorlogsdos was weggereden. Zij -vermoedden dat de jonge hoofdman zich bij don Estevan was gaan voegen, -hetgeen hen aanspoorde om hunne waakzaamheid te verdubbelen, daar -zij van den kant dezer trouwelooze mannen, gewis een verraderlijken -aanval konden verwachten. - -De drie dagen, die er verloopen moesten eer de beslissende dag kwam, -werden met bezoeken aan de lijderessen en met offeranden in den -tempel doorgebragt. Intusschen scheen de tijd wel langzaam voort te -gaan voor don Miguel en de jonge dames, die altijd in stillen angst -verkeerden dat een of ander onverwacht onheil, het tot dusver zoo -gelukkig geslaagde plan harer verlossing zou verstoren. - -Op den laatsten dag bevonden Loer-Vogel en don Miguel, volgens -gewoonte, zich weder in gesprek met dona Laura en dona Luisa, -haar aanbevelende om zich in alles gelijdelijk te gedragen en hunne -voorschriften strikt na te komen, toen zij een zacht geschoffel buiten -de deur van het naast aangrenzend vertrek meenden te hooren. De -voorzigtige jager zijn gelaat in den vereischten plooi zettende, -haastte zich om de deur te openen en stond nu onverwacht tegenover -den Amantzin, die verlegen terugdeinsde met de drift van iemand die op -eene onbescheidene nieuwsgierigheid werd betrapt. Zou hij ook hebben -staan luisteren? zou hij welligt gehoord hebben wat er tusschen de -jonge lieden en den jager besproken was? Na rijpe overweging, dacht -Loer-Vogel van neen; hij oordeelde het echter noodig zijne kameraden -aan te bevelen op hunne hoede te zijn. - -De vervelende dag daalde eindelijk ten avond, de zon ging onder en -de nacht kwam. Alles was gereed om te vertrekken. De gevangenen, -elk in eene hangmat geplaatst, en op de schouders van vier sterke -slaven gedragen, werden naar den heuvel, die voor de geneeskuur was -aangewezen, vervoerd, en zachtjes op de vigonia-huid neergelegd, die -men op het gras had uitgespreid. Volgens order van den tlacateotzin -zette de opperpriester de vier door hem medegebragte krijgslieden, -in de vier windstreken, als schildwachten op post. Loer-Vogel sprak -nu eenige geheimzinnige woorden, die door don Miguel zacht mompelend -werden beantwoord; daarop brandde hij eenige handvollen welriekend -gras en beval den Amantzin, zoowel als den overige Indianen, om neder -te knielen en de gunst van Teotl in te roepen. - -Don Miguel wierp onder deze bedrijven een bespiedenden blik naar -de stad, om te zien of aan die zijde nog iets bijzonders gebeurde, -maar alles was kalm en de diepste stilte heerschte in de vallei. De -twee jagers, die ook een poosje nedergeknield waren, stonden weder op. - ---Dat mijne broeders hunne gebeden verdubbelen, zeide don Miguel met -eene sombere stem, ik ga den boozen geest noodzaken om het ligchaam -der gevangenen te verlaten. - -Onwillekeurig huiverden de jonge dames van schrik bij deze woorden. Don -Miguel scheen dit niet op te merken, en gaf Loer-Vogel een wenk. - ---Dat mijne broeders nadertreden! klonk zijn bevel. - -Daarop naderden de vier schildwachts, met eene schroomvalligheid die -bij de minste verdachte beweging der wonderdokters tot vrees dreigde -over te slaan. - -Don Miguel nam thans het woord weder op. - ---Mijn broeder en ik, zeide hij, zullen thans tot bidden overgaan; -maar om te beletten dat de booze geest als hij de gevangenen verlaat -zich van u meester make, zal mijn broeder Twee-Konijnen voor ieder van -u een drinkhoorn geprepareerd vuurwater inschenken, daar de Wacondah -de kracht aan heeft verleend, om hen die het drinken, voor den boozen -geest onvatbaar te maken. - -De schildwachts waren Apachen, groote liefhebbers van sterken -drank; zoodra zij dus het woord vuurwater hoorden, schitterden -hunnen oogen van verlangen. Loer-Vogel vulde hun ieder ongeveer een -halven kalebas vol brandewijn, met een goede dosis opium gemengd, -dien zij in een enkelen teug en met onmiskenbare blijken van genot -verzwelgden. Alleen de opperpriester scheen een oogenblik te aarzelen; -maar eindelijk kwam hij tot een besluit en ledigde moedig zijn beker, -tot groote verligting der avonturiers, die zich over zijne aarzeling -zeer ongerust hadden gemaakt. - ---Nu allen op de knieën! riep de Canadees met eene barsche stem. - -De Apachen gehoorzaamden. Don Miguel deed hetzelfde. - -Loer-Vogel was de eenige die staan bleef, terwijl don Miguel met -den regterarm naar het noorden uitgestrekt, den boozen geest scheen -te bevelen zich te verwijderen. De Canadees begon nu snel rond te -draaijen onder het prevelen van eenige woorden zonder zamenhang, -die door don Miguel werden herhaald. Laatstgenoemde stond daarna op -en sprak een soort van bezwering uit. - -Hiermede verliepen twintig minuten. Gedurende dit tijdsverloop was -een der Indianen zacht voorover gezakt, alsof hij zich uit ootmoed -ter aarde boog. Weldra deed een tweede het zelfde, toen een derde, -toen nog een, en eindelijk viel ook de opperpriester op den grond. De -vijf Indianen gaven geen teekenen van leven meer. - -Loer-Vogel, om zich van hunne volkomene bewusteloosheid te verzekeren, -prikte een van hen die het digtst bij hem lag eventjes met de punt -van zijn dolk. De arme drommel verroerde zich niet: de opium had zoo -krachtig op hem en zijne kameraden gewerkt, dat men hen alle vijf -aan riemen had kunnen snijden, zonder dat zij er van ontwaakten. - -Don Miguel wendde zich thans tot de twee jonge meisjes, die met -klimmende ongerustheid de ontknooping van dit zonderling tooneel -afwachtten. - ---Laat ons vlugten, zeide hij, het is om ons leven te doen. Hij -nam dona Laura in zijne armen, tilde haar op zijn schouder, nam -in de linkerhand een pistool en liep zoo snel mogelijk den heuvel -af. Loer-Vogel, bedaarder dan de jongman, begon met driemaal op -verschillende wijzen het geschreeuw van den watersperwer na te bootsen; -dit was het tusschen hem en zijne kameraden afgesproken signaal. - -Na verloop van eene minuut, die hem eene eeuw scheen, werd de zelfde -schreeuw in de verte beantwoord. - ---God zij geloofd! riep de jager, wij zijn gered. - -Hij naderde thans het andere meisje, en wilde haar in zijne armen -nemen. - ---Neen, zeide zij glimlachend, dat is niet noodig, ik ben sterk genoeg, -ik kan loopen. - ---Kom dan mede, in 's hemels naam! - -Dona Luisa stond op. - ---Ga, zeide zij, ik zal u volgen. Denk slechts om u zelven, ik zou -mij wel weten te verdedigen. - -Zij liet den jager de twee pistolen zien, die hij haar vier maanden -geleden gegeven had. - ---Braaf meisje, riep de jager. Maar dat is nu onnoodig; blijft slechts -bij mij! - -Hij dwong haar thans om vooruit te gaan, en beiden stapten eindelijk -den heuvel af. Eer zij echter het bosch halfweg bereikt hadden, -waren de avonturiers genoodzaakt om stil te houden, daar de meisjes, -door vermoeijenis en aandoening overstelpt, gevoelden dat zij niet -verder voortkonden. - -Op eens hoorden zij paardengetrappel, en een talrijke troep ruiters, -met don Mariano, Vrij-Kogel en Ruperto aan het hoofd, kwam in galop -uit het bosch te voorschijn en reed regt op hen af. - ---Ha! riep don Miguel uitgelaten van vreugd, ik heb haar dus eindelijk -gered. - -De beide meisjes bestegen nu de paarden, die reeds bij voorraad voor -haar gereed waren gemaakt, en werden in het midden van het detachement -geplaatst. - ---Mijne dochter, mijne dierbare dochter! riep don Mariano bij -herhaling, terwijl hij haar teeder omhelsde en met kussen als bedekte. - -De avonturier eerbiedigde een poos deze teedere uitlatingen der -vreugde, tusschen een vader en eene dochter, die zoo lang waren -gescheiden geweest, en niet meer durfden hopen elkander ooit weder -te zien. Twee heete tranen, die hij niet kon weerhouden, liepen hem -langs de zonbruine wangen, en bij het zien van zulk een onverdeeld -geluk, vergat hij voor eenige minuten, dat er van nu af aan tusschen -hem en het voorwerp zijner liefde een onoverkomelijke slagboom was -opgerezen. Weldra echter hervatte hij zijne tegenwoordigheid van -geest en begreep hij hoe noodzakelijk het was om zich te haasten. - ---Op marsch! op marsch! klonk zijn kommando, laten zij ons niet -overrompelen. - -Plotseling blonk er als een bliksemschicht in de verte, men hoorde -een scherp gefluit, en een geweerkogel, bijna te zwak om doodelijk te -treffen, drukte zich plat tegen het voorhoofd van een der Gambucinos, -dien hij levenloos van zijn paard deed tuimelen, twee passen achter -don Miguel. - -Weldra verhief zich met verschrikkelijk gehuil, de woeste oorlogskreet -der Apachen. - ---Achterwaarts! achterwaarts! schreeuwde Loer-Vogel, daar zijn de -Roodhuiden. - -De Gambucinos zwenkten ter zijden af, gaven hunne paarden de sporen, -en reden met duizelingwekkende snelheid weg. - - - - - - - -XL. - -DE LAATSTE STORM. - - -Loer-Vogel had zich niet bedrogen: werkelijk waren het de Roodhuiden, -die onder aanvoering van Addick en don Estevan aan de eene, en van -Atoyac aan de andere zijde, de Gambucinos nazetten. - -Wij zullen den lezer deze plotselinge, zoo het scheen onverklaarbare -vereeniging van Addick en Atoyac met weinige woorden ophelderen. In -het vorige hoofdstuk hebben wij gezien dat Loer-Vogel den Amantzin -verraste, terwijl deze aan de deur stond te luisteren. Ofschoon de -opperpriester geen woord Spaansch verstond en er bijgevolg weinig -of niets van begreep, had hij toch eene zekere levendigheid in het -gesprek opgemerkt, die hem verdacht voorkwam; intusschen durfde -de Amantzin zich tegen de plegtige ceremonie der groote geneeskuur, -welke den zelfden avond zou plaats grijpen, niet openlijk verzetten, en -gaf hij zijne vermoedens alleen in stilte aan Atoyac te kennen. Deze, -ofschoon voor zich zelven reeds weinig met de vreemdelingen ingenomen, -toonde zich zeer verwonderd over den plotselingen argwaan van den -opperpriester en hield dien in 't eerst voor louter inbeelding. Later -echter, toen hij zag hoe sterk de grijsaard overtuigd scheen dat er -achter de mommerijen der gewaande wonderartsen een of ander bedrog -verscholen was, eindigde Atoyac met de bedenkingen van zijn ouden -vriend in te stemmen, en besloot hij om den aangewezen heuvel met een -welgewapende bende te bewaken en den Amantzin onmiddelijk te hulp te -komen, zoo deze de speelbal mogt worden van heimelijk verraad. - -Dit alles tusschen de twee broeders bepaaldelijk afgesproken zijnde, -was Atoyac, zoodra de stoet der gevangenen Quiepa-Tani verlaten had, -haar met een troep uitgelezen krijgslieden gevolgd; aan den voet -van den heuvel gekomen, had Atoyac zijne ruiters in eene hinderlaag -op wacht gezet, terwijl hij zelf de hoogte halverwege beklauterde, -om tusschen het hooge gras verscholen, alles te beluisteren en te -bespieden wat er omging. - -Toen Atoyac de gebeden der vijf mannen hoorde, kreeg hij bijna berouw -dat hij gekomen was. Weldra echter hield het geluid der stemmen op -en hoorde hij niets meer. Thans begon hij te veronderstellen dat -er op de gebeden met luider stem, stille gebeden waren gevolgd, -en hij bleef nog een geruimen tijd luisteren. Maar het bleef stil -en hij hoorde inderdaad niets meer. Het opperhoofd besloot nu den -heuvel op te klauteren; maar hoe stond hij verbaasd, toen hij op den -top komende, niemand zag dan den Amantzin en de vier krijgslieden, -bewegingloos op den grond uitgestrekt. In het eerste oogenblik dacht -hij dat zij dood waren, en riep hij zijne kameraden, die onder aan den -heuvel waren gebleven. Deze klauterden terstond naar boven, en liepen -naar de slapers, die zij met alle kracht schudden, maar niet konden -doen ontwaken. Atoyac vermoedde toen reeds gedeeltelijk de waarheid; -het driemaal herhaald geschreeuw van den watersperwer, dat hij even -te voren gehoord had, kwam hem in de gedachten: hij twijfelde niet -of de vlugtelingen waren naar den kant van het bosch ontsnapt. Hij -steeg dus weder te paard en stormde met de zijnen in deze rigting, -om de vlugtelingen onder een huilenden oorlogskreet te vervolgen. - -Atoyac was de eerste die hen in 't oog kreeg en die ook het geweerschot -loste dat een der Gambucinos doodelijk trof. - -Maar de stelling der blanken werd inderdaad zeer hagchelijk, want -toen zij den rand van het bosch bereikten, werden zij plotseling -tegengehouden door de bende van Addick en don Estevan, die hen verwoed -aanviel. De jonge meisjes werden in het midden der Gambucinos door -don Mariano en Vrij-Kogel beschermd, en bevonden zich betrekkelijk -in veiligheid. - -Terwijl Loer-Vogel en Ruperto zwenkten, om den aanval der krijgslieden -van Atoyac af te keeren en den aftogt te dekken, wapende don Miguel -zich met de knods die een der gekwetste Apachen had laten vallen, en -stortte zich als een losgebroken tijger in het digtst van den drom. De -strijders, te veel op elkander gedrongen om van hunne vuurwapenen -gebruik te kunnen maken, doodden elkander met mes- en lanssteken, -of verpletterden elkander met de knodsen en met de kolven der geweren -en buksen. - -Dit gruwzame bloedbad duurde ongeveer tien minuten, onder de huilende -oorlogskreten der Indianen en het niet minder woeste krijgsgeschrei der -Gambucinos. Eindelijk gelukte het don Miguel met eenige der dapperste -jagers den menschen-dam te verbreken die hem den doortogt belette, -en nu stortte hij zich door de bres die hij ten koste van tien -zijner moedigste kameraden geopend had. Terwijl hij aan Loer-Vogel -de taak overliet om zich tegen de laatste pogingen der Roodhuiden te -verzetten, verzamelde don Miguel zijn volk rondom zich en stormde in -vollen galop naar het diepste der bosschen, waar zij spoedig verdwenen. - -Met het opgaan der zon bereikten de avonturiers de grot, die vroeger -tot schuilplaats voor Ruperto en de zijnen gediend had. Hier gaf don -Miguel order om stil te houden. - -Het werd tijd; de paarden hijgden van vermoeijenis en konden -naauwelijks meer voort; bovendien hadden de avonturiers, hoe veel -haast de Apachen ook mogten maken, een ganschen nachtmarsch op hen -vooruit; zij konden derhalve veilig eenige uren uitrusten. - -Loer-Vogel, die een weinig later met de achterhoede aankwam, bevestigde -de vermoedens van don Miguel. De Roodhuiden hadden, volgens berigt -van den jager, plotseling de teugels gewend en waren in de rigting -der stad afgetrokken. - -Deze tijding verdubbelde de zekerheid der avonturiers. - -Terwijl de Gambucinos, in kleine groepen verdeeld, hunne wonden zaten -te verbinden of den maaltijd gereed maakten, en de jonge meisjes, in -het diepste der grot, op een rustbed van bladeren en zarapes insliepen, -begaven don Miguel en de beide Canadezen zich naar de rivier, om een -bad te nemen en de Indiaansche kleuren van hunne huid te wasschen; -vervolgens trokken zij hunne gewone kleederen weder aan en keerden -naar de grot terug om mede eenige oogenblikken rust te nemen. - -Don Miguel kwam het eerst en alleen in de grot. - -De Wilde-Roos zat aan de voeten der Spaansche meisjes, en wiegde -haar in slaap, door het zingen van een Indiaansch lied op zacht -klagenden toon. Don Mariano sliep niet ver van zijne dochter. De -jongman bedankte de vrouw van den Sachem met een vriendelijken lach, -strekte zich dwars voor den ingang der grot uit, en sliep gerust -in, na zich vooraf verzekerd te hebben dat de schildwachten voor de -veiligheid van allen zouden waken. - -De eerste woorden der jonge meisjes, toen zij ontwaakten, waren de -vurigste dankbetuigingen jegens hare verlossers. Don Mariano hield -niet op zijne dochter van tijd tot tijd te kussen en te liefkozen: de -grijsaard wist niet hoe hij don Miguel genoeg danken zou. Dona Laura, -met de natuurlijke vrijmoedigheid van een jeugdig hart dat nog niet -van kunsten weet, vond geen woorden krachtig genoeg om don Miguel de -blijdschap uit te drukken die hare ziel thans vervulde. Alleen dona -Luisa bleef somber en nadenkend. Alles wat zij van don Miguel gezien -had: de belangelooze vrijwilligheid en ridderlijke trouw waarmede hij -haar gediend, en bij herhaling zijn leven had gewaagd, boezemde het -meisje een hoogen dunk in van het edele karakter en den waren adeldom -des avonturiers; ongemerkt was de liefde in haar hart binnengeslopen, -eene liefde des te heviger, daar hij die er het voorwerp van was, -er niets van scheen te bemerken. - -De liefde die men zelf gevoelt, maakt scherpzinnig voor de liefde -van anderen: dona Luisa begreep weldra waarom hare vriendin de edele -hoedanigheden van haar jeugdigen bevrijder gedurig prees, en raadde -de hartstogt die de beide jonge lieden voor elkander koesterden. Bij -deze ontdekking poogde zij vruchteloos den angel eener hevige jaloezy -uit haar hart te rukken, want zij gevoelde dat don Miguel nooit de -hare zou zijn. Intusschen gaf het arme kind zich onwillekeurig over -aan de hopelooze begeerte, om hem te zien en te hooren voor wien zij -gaarne haar leven zou hebben opgeofferd. Wat don Miguel betreft, -hij zag of hoorde niets van dit alles, hij was als bedwelmd van -genot en smaakte met volle teugen het zoete geluk waarmede de enkele -tegenwoordigheid van dona Laura hem overstelpte, wanneer zij daar -zoo vrij en onbekommerd tusschen hem en haar vader gezeten was. - -Gelukkig dat Loer-Vogel niet van eene verliefde geaardheid was en zijn -oog steeds geopend bleef voor de gevaren hunner positie. Hij riep dus -eene vergadering bijeen, zamengesteld, behalve hem zelven, uit don -Miguel, Ruperto, don Mariano en Vrij-Kogel, in welke besloten werd, dat -men zich onverwijld naar de naaste Mexicaansche grenzen zou begeven, -ten einde de jonge dames zoo spoedig mogelijk buiten alle gevaar te -brengen, en tevens, daar dit niet onwaarschijnlijk was, zich aan een -vernieuwden aanval der Roodhuiden te onttrekken. Vooral moest men zich -daarom des te meer haasten om thuis te komen, daar juist de ongelukkige -tijd des jaars op handen was, dien de Roodhuiden de "Mexicaansche maan" -noemen, waarin zij gewoon zijn hunne jaarlijksche strooptogten over de -grenzen van dit jammerlijk regeringloos land te ondernemen. Loer-Vogel -maakte zich sterk om het koloniale terrein binnen vier dagen te zullen -bereiken, langs wegen die, zoo hij dacht, alleen aan hem bekend waren. - -Men ging dus op weg. - -De avonturiers werden op hunne snelle vlugt niet verontrust, en juist -zoo als Loer-Vogel voorspeld had, gingen zij in den namiddag van -den vierden dag over het veer del Rio-Gila en trokken het district -Sonora binnen. - -Intusschen, naarmate men het Mexicaansche grondgebied naderde, -werd het gelaat van Loer-Vogel somberder, zijne zware wenkbraauwen -trokken zich onrustig zamen en de blikken die hij gedurig aan alle -zijden rondsloeg, teekenden diepe bezorgdheid. De reden hiervan was, -dat het omliggende land, dat anders in dit getijde des jaars zulk -een welig en rijk aanzien had, er thans zoo ontvolkt en eenzaam -uitzag, dat men koud werd van het aan te zien. Verwoeste velden en -door paardenhoeven vertrappelde oogsten, hier en daar ruïnen van -verbrande hutten, en aschhoopen waar zich anders groote korenmolens -verhieven, dit alles bewees dat de geessel des oorlogs met al zijne -verschrikkingen er overheen gegaan was. - -Aan den verren horizont echter, op twee mijlen ver voor hen uit, -zag men de witte huizen van een versterkte pueblo--burgt--in de -zonnestralen schitteren. Alles in den omtrek scheen rustig, maar -het was eene kalmte des grafs. Geen menschelijk wezen vertoonde -zich; geen manada--kudde--verscheen er op de verwoeste velden, -geen recuos--troepen--van muildieren, met hunne rinkelende -nenas--bellen--lieten zich zien of hooren; overal heerschte eene -looden stilte en een sombere rust, die zwaar op het landschap drukten, -en thans, in den vrolijken zonneschijn, aan het gansche tooneel een -des te treuriger aanzien gaven. - -Eensklaps maakte het paard van Vrij-Kogel, die steeds een weinig -vooruit reed, een zijsprong, die hem bijna uit den zadel wierp; -hij wendde zich om met een kreet van ontsteltenis. Don Miguel en -Loer-Vogel snelden terstond toe. - -Een afgrijselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne oogen. Onder -eene schutting, ter zijde van den weg, lag een hoop lijken van -Spanjaarden, verward dooreengeworpen, vreesselijk verminkt en van -hunne haarschedels beroofd. Don Miguel liet terstond halt maken, niet -wetende of hij vooruit of terug moest trekken; geen wonder dat hij -aarzelde, in een geval zoo moeijelijk als het tegenwoordige. Zou hij -voortrukken tot aan de presidio? misschien was zij ledig; misschien -zelfs waren de Roodhuiden er meester. Intusschen moest hij spoedig -tot een besluit komen, hoedanig het ook wezen mogt. Terwijl hij den -omtrek tot aan den versten horizont bespiedde, zag hij op ongeveer twee -mijlen afstands eene verwoeste hacienda. Ofschoon altoos zorgelijk, -was het beter aldaar eene schuilplaats te zoeken, dan in het open -veld te kamperen. De avonturiers gaven dus hunne paarden de sporen, -en twintig minuten later kwamen zij aan de landhoeve. - -De hacienda droeg alle teekenen van brand en verwoesting; de -gescheurde muren waren zwart van den rook, de deuren en vensters -verbroken; te midden der puinhoopen lagen verscheidene lijken, -zoo van vrouwen als mannen, half verbrand en hier en daar op het -patio--voorplein--geworpen. Don Miguel geleidde de bevende meisjes naar -een der kamers, waar men eerst de verbroken meubels, die den toegang -versperden, moest wegruimen; na haar aldaar in veiligheid gebragt -en ten sterkste aanbevolen te hebben om de kamer niet te verlaten, -voegde hij zich weder bij zijne kameraden, die onder opzigt van -Vrij-Kogel zich zoo goed mogelijk in de hacienda legerden. Loer-Vogel -was intusschen met Ruperto op verkenning uitgereden. Don Mariano, -door vaderliefde aangevuurd, ageerde als vestingbouwer, en hield zich, -door een tiental Gambucinos geholpen, bezig met het huis zoo goed -mogelijk te versterken. - -Als alle Mexicaansche haciendas aan de grenzen, was zij door een -gekreneleerden muur omgeven. Don Miguel liet den ingang versperren; -daarop weder in huis gaande, liet hij de deuren en vensters herstellen, -overal schietgaten maken, en schildwachten plaatsen, zoowel op het -voorplein als op het azotea--dak. Toen stelde hij twaalf van de -dapperste mannen onder kommando van Vrij-Kogel en beval hem, om met -deze kleine troep, zich achter een kleinen met hout bewassen heuvel, -op twee honderd ellen afstands van de hacienda te verbergen. Vervolgens -telde hij zijn eigen troep, die met inbegrip van don Mariano en zijne -twee bedienden, niet meer dan een en twintig koppen telde; maar deze -mannen waren avonturiers, vast besloten, om zich veeleer tot den -laatsten man te laten dooden, dan zich over te geven. Don Miguel -gaf alle hoop nog niet verloren. Eindelijk, na al deze voorzorgen -genomen te hebben, wachtte hij de terugkomst van Ruperto af, die -weldra verscheen; zijne berigten waren niet geruststellend. - -De Roodhuiden hadden zich van de presidio bij verrassing meester -gemaakt; de burgt was geheel uitgeplunderd en daarna weder -verlaten. Talrijke benden Apachen liepen het omliggende land in alle -rigtingen af, en het bleek duidelijk dat de avonturiers zich geen uur -ver buiten de hacienda zouden kunnen wagen, zonder op eene hinderlaag -te stooten. Eindelijk kwam ook Loer-Vogel terug; hij bragt eene -versterking van omtrent veertig Mexicaansche soldaten en boeren mede, -die sedert twee dagen hadden rondgezworven, ieder oogenblik in gevaar -van door de Roodhuiden te worden aangevallen, daar deze al de blanken -welke zij in handen kregen om hals bragten. Don Miguel ontving met -blijdschap deze onverwachte hulp: eene versterking van veertig man was -niet te versmaden, te minder daar allen gewapend en dus in staat waren -goede dienst te bewijzen. Loer-Vogel, als een goed fouragemeester, -bragt tevens verscheidene muilezels met levensmiddelen mede. - -De schrandere Canadees was op alles bedacht en zorgde voor alles. Nadat -de manschappen op de meest geschikte punten waren verdeeld, beklommen -don Miguel en Loer-Vogel de azotea, om het oog te laten rondgaan. - -Niets was veranderd; het veld was nog altijd eenzaam. Deze stilte -voorspelde weinig goeds. De zon ging in een gloed van roode dampen -onder, het licht nam snel af en de nacht was daar, met zijne duisternis -en wie weet met welke verschrikkingen. - -Don Miguel, terwijl hij den Canadees alleen boven liet, ging naar -de kamer waar de drie vrouwen bijeen waren. Zij zaten rustig en stil -bij elkander. - -Toen hij binnen trad kwam de Wilde-Roos naar hem toe. - ---Wat wil mijne zuster? vroeg de jongman. - ---De Wilde-Roos wil vertrekken, antwoordde zij met hare zachte stem. - ---Hoedat! vertrekken! riep hij verwonderd; dat is onmogelijk; de -nacht is donker; mijne zuster zou te veel gevaar loopen alleen; -de calli's van haar stam zijn te ver in de Prairie. - -De Wilde-Roos meesmuilde op hare bevallige wijs en schudde ontkennend -het hoofd. - ---De Wilde-Roos verlangt te vertrekken, herhaalde zij ongeduldig, -mijn broeder moet haar een paard laten geven; zij moet naar den -Vliegenden-Arend. - ---Helaas! arm kind, de Vliegende-Arend is op dit oogenblik veel te -ver af, naar ik vrees; gij zoudt hem niet vinden. - -De jonge vrouw stak schielijk het hoofd op. - ---De Vliegende-Arend verlaat zijne vrienden niet, zeide zij; hij is -een groot opperhoofd; de Wilde-Roos is er trotsch op zijne vrouw te -zijn. Dat mijn broeder haar late vertrekken; in het hart der Wilde-Roos -zingt een vogeltje, dat haar zegt waar de Sachem zich bevindt. - -Don Miguel zat in geen geringe verlegenheid, hij kon niet besluiten -om het verzoek der Indiaansche in te willigen; hij zag er tegen op om -de jeugdige vrouw in gevaar te brengen, die, sedert zij bij hen was, -zoovele bewijzen van trouw gegeven had. Op dit oogenblik voelde hij -zich op den schouder tikken; hij keerde zich om: het was Loer-Vogel. - ---Laat haar begaan, zeide deze; zij weet beter dan wat wij haar -beweegt; de Roodhuiden doen nooit iets zonder dat zij weten -waarom. Kom, lief kind, ik zal u naar de poort geleiden en u een -paard laten geven. - ---Welaan dan, zeide don Miguel; maar onthoud dat gij tegen mijn zin -ons verlaten hebt. - -De Indiaansche glimlachte; zij omhelsde de twee jonge meisjes en -sprak alleen dit woord: - ---Houd moed! - -Hierop ging zij met Loer-Vogel heen. - ---Het arme goede schepsel, prevelde don Miguel, zij wil ons zeker -nog de een of andere dienst bewijzen, daar ben ik van overtuigd. - -Zich thans naar de jonge dames wendende, vervolgde hij: - ---Ninas, schept nieuwen moed; wij zijn sterk in getal, morgen ochtend -met het krieken van den dag gaan wij weder op weg, zonder vrees van -door de Indianen verontrust te worden. - ---Don Miguel, antwoordde dona Laura met een treurig lachje, gij poogt -ons te vergeefs gerust te stellen; wij hebben gehoord wat de mannen -onder elkander gezegd hebben: zij verwachten een aanval. - ---Waarom spreekt gij tot ons niet ronduit, don Miguel? vervolgde -dona Luisa. Het is veel beter dat wij in eens onzen toestand kennen -en weten wat wij te vreezen hebben. - ---Lieve God! dan moest ik het zelf eerst weten, riep hij; ik heb alle -voorzorgen genomen om de hacienda tot het uiterste te verdedigen; maar -ik vlei mij steeds dat de Roodhuiden ons spoor niet ontdekken zullen. - ---Gij zoekt ons alweder te misleiden, don Miguel, zeide Laura op een -toon van verwijt, zoo zacht, dat de jongman er diep door getroffen -werd. - ---Voor het overige, vervolgde hij, zonder het gezegde van zijne beminde -regtstreeks te beantwoorden, stel u gerust, Senoritas, wij allen, -mijne kameraden zoo wel als ik, moeten vallen tot den laatsten man, -eer een der Apachen den voet in dit vertrek zet. - ---De Apachen! herhaalden de beide meisjes, die de herinnering van -het gebeurde te Quiepa-Tani nog zoo versch in 't geheugen lag, en -die beefden op de gedachte van op nieuw in hunne handen te zullen -vallen. Haar onrustige stemming duurde echter niet lang; het gelaat -van dona Laura helderde weder op en hernam weldra de uitdrukking van -engelachtige kalmte die haar gewoon was, en met eene zachte heldere -stem zeide zij tegen don Miguel: - ---Wij stellen vertrouwen in u; wij weten dat gij om ons te redden alles -doen zult wat menschelijkerwijs mogelijk is; wij danken u voor uwe -trouw; ons lot is in Gods hand, op Hem is onze hoop gevestigd. Handel -als man en bekommer u niet langer om ons, don Miguel; maar een ding -bid ik u, waak over mijn vader. - ---Ja, liet dona Luisa er op volgen, doe moedig uw pligt, wij van -onzen kant zullen den onzen doen. - -Don Miguel keek haar aan, maar begreep haar niet. - -Zij glimlachte blozend; maar sprak niet verder. - -De jongman scheen nog iets te willen zeggen, maar na een oogenblik -aarzelens groette hij de meisjes eerbiedig en verwijderde zich. - -Laura en Luisa wierpen zich in elkanders armen en omhelsden elkander -met diepe ontroering. - -Toen don Miguel op de patio kwam, trad Loer-Vogel naar hem toe en -wees hem in de verte eenige donkere plekken op de vlakte, die in de -rigting der hacienda schenen voort te kruipen. - ---Zie eens, zeide hij droog. - ---Dat zijn de Roodhuiden! riep don Miguel. - ---Ik heb ze reeds tien minuten in 't oog gehouden, hernam de jager; -maar wij hebben den tijd nog, om ons op eene warme ontvangst voor te -bereiden; zij zullen eerst over een uur hier komen. - -Werkelijk verliep er een uur van bange verwachting. - -Plotseling vertoonde zich het afschuwelijk hoofd van een Apache boven -de poort en wierp een woesten blik op de patio. - ---Dat weet niemand, zoo brutaal als die Indianen wezen kunnen, mompelde -Loer-Vogel, en meteen zijn strijdbijl nemende gaf hij den Apache -een slag, dat het ligchaam naar buiten en het hoofd, nog grijnzend, -voor de voeten van don Miguel rolde. - -Verscheidene pogingen van de zelfde gehalte op andere punten van den -ringmuur beproefd, werden met gelijk gevolg afgeslagen. Toen dus de -Apachen begrepen hadden dat zij de blanken niet in hun slaap konden -overrompelen, maar integendeel zeer slecht ontvangen zouden worden, -verhieven zij hun oorlogskreet en rezen in massa van den grond op, -waar zij tot hiertoe ongemerkt waren voortgekropen, en bestormden -als razenden den muur, dien zij op alle punten tegelijk poogden -te beklimmen. - -Een gordel van losbrandingen, bliksemvlammen en kruiddamp, omsingelde -thans de gansche hacienda, en een hagelbui van kogels regende op -de Apachen, maar zonder de drift der aanvallers te verslappen. Eene -nieuwe losbranding, schier op arms lengte, was even onvermogend om hen -terug te drijven, ofschoon zij zware verliezen leden. Weldra vochten -bestormers en bestormden man tegen man. Het werd een allerbloedigste -worstelstrijd, een tooneel van moord en verbittering, waarin niemand -losliet zonder te sneuvelen, ja de verwonnene in zijn val vaak den -overwinnaar medesleepte, om hem nog in zijn laatsten doodstuip af -te maken. Gedurende langer dan een kwartieruurs was het onmogelijk -elkander te onderkennen; de geweerschoten, de lanssteken, de snorrende -pijlen en dreunende knodsslagen knalden, kletterden en beukten met -eene verbijsterende snelheid. Eindelijk weken de Apachen terug. - -Zij hadden den muur niet kunnen overklimmen. Maar de wapenstilstand -duurde slechts kort, daar de Roodhuiden onmiddelijk den storm -hervatten, en de strijd op nieuw begon, zoo mogelijk nog met -verdubbelde woede. Ditmaal zagen de Mexicanen, ofschoon wonderen -van dapperheid verrigtende, door de massa der vijanden, die hen van -alle kanten besprongen, zich genoodzaakt te wijken en al vechtende in -het huis terug te trekken, hun grond voet voor voet verdedigende. De -weerstand zou echter niet lang meer kunnen duren. - -Op eens lieten zich in den rug der Indianen nieuwe alarmkreten -hooren, en Vrij-Kogel overviel hen aan het hoofd van zijn troep -als een rollende sneeuwval. De verschrikte Roodhuiden, door -dezen onverhoedschen aanval verbijsterd, trokken in wanorde terug -en verstrooiden zich over de velden. Don Miguel reed nu aan het -hoofd van een twintigtal dapperen naar buiten om zijn bondgenoot te -ondersteunen, en de nederlaag des vijands te voltooijen. Een groot -aantal Indianen was reeds nedergesabeld, en de avonturiers wilden hen -nog verder nazetten, toen don Miguel plotseling een kreet van schrik -en woede uitstiet. - -Terwijl hij zich te ver door de vlugtende Apachen liet afleiden, -was een andere troep Indianen op het verlaten terrein verschenen en -in dolle vaart op de hacienda aangevallen. De Gambucinos wendden -onmiddelijk hunne paarden en renden in gestrekten draf terug. Het -was te laat. Het was te laat! de hacienda was reeds ingenomen. - -Thans werd de strijd een verschrikkelijk bloedbad, eene slagting -zonder naam. Te midden der Apachen, schenen Atoyac, Addick en don -Estevan zich te vermenigvuldigen, zoo digt en snel vielen hunne -slagen. Op den bovensten trap van het bordes, dat naar het inwendige -van het huis geleidde, had don Mariano zich met eenige Gambucinos -vereenigd en hield hij een wanhopigen strijd vol tegen de herhaalde -aanvallen der Indianen. Op eens echter dekte als een bloedige nevel -de starende blikken van don Miguel, die thans de poort binnenreed, -en een koud zweet gudste hem van het aangezigt: de Apachen hadden -den ingang overweldigd en stormden het huis in. - ---Vooruit! vooruit! krijschte don Leo terwijl hij zich als een -wanhopige in den strijd mengde. - ---Vooruit! herhaalden Vrij-Kogel en Loer-Vogel. - -Op dit oogenblik verschenen de jonge meisjes aan het venster, vervolgd -door de Roodhuiden, die haar aangrepen en ondanks haar wanhopigen -tegenstand wegdroegen. Alles was verloren! - -Maar op dit laatste oogenblik, klonk de oorlogskreet der Comanchen -en deed het luchtruim daveren --een wolk van krijgers, met den -Vliegenden-Arend aan het hoofd, viel als een donderbui op de Apachen, -die zich reeds overwinnaars waanden. Aan alle zijden omsingeld, -waren dezen eindelijk genoodzaakt te wijken, en in een overhaasten -aftogt hun behoud te zoeken. - -De Mexicanen zagen zich gered, op het oogenblik toen zij dachten -dat hun niets meer overbleef dan zich man voor man te laten afmaken, -om hunnen vijanden niet levend in handen te vallen. - - - - - - - -BESLUIT. - - -. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - -Twee uren later verbleekte het flaauwe maanlicht en bescheen -de opgaande zon het akelige tooneel der hacienda, waar zulk een -hardnekkige en bloedige worsteling had plaats gehad. - -De avonturiers en de strijdhaftige Comanchen, die zoo gelukkig nog -in tijds waren aangekomen om hun ondergang te verhoeden, hadden reeds -zooveel mogelijk de sporen van het gevecht doen verdwijnen. - -In een verwijderden hoek van het voorplein, lagen de verminkte -lijken van hen die in den strijd waren gevallen, opeengehoopt en zoo -goed mogelijk met stroo bedekt. De Comanchen hielden een twintigtal -gevangen Apachen in bewaring, terwijl de avonturiers bezig waren, -sommigen met hunne wonden te verbinden, anderen met groote kuilen te -delven om er de dooden in te begraven. - -Onder de verandah van het hoofdgebouw, op eenige bossen stroo met -zarapes bedekt, lagen twee mannen en eene vrouw uitgestrekt. De vrouw -was dood, het was dona Luisa. Het arme kind, wier gansche leven eene -aaneenschakeling van opoffering en zelfverloochening geweest was, -had zich vol moed laten dooden door don Estevan, op het oogenblik -toen zij zelve Addick een kogel door het hoofd joeg, daar hij dona -Laura wilde wegvoeren. - -De twee mannen waren don Mariano en Vrij-Kogel. - -Don Miguel en Laura zaten aan weerszijde van den grijsaard, en -bewaakten in stilte het oogenblik wanneer hij de oogen weder zou -openen. - -Loer-Vogel, treurig en met een bleek gezigt, was bij zijn ouden vriend -nedergehurkt, die welhaast sterven zou. - ---Schep moed! mijn broeder, schep moed! zeide hij, het is niets. - -De Canadees poogde nog te glimlagchen. - ---Hm! mompelde hij met eene gebroken stem, ik weet wel hoe het met mij -is; ik heb nog tien minuten te leven, op zijn langst, en dan, dan...... - -Hier zweeg hij een poos en scheen iets te bedenken. - ---Zeg, Loer-Vogel, hervatte hij, zoudt gij denken dat God mij -vergeven zal? - ---Ja, ja, beste vriend, want gij waart altoos dapper en goed! - ---Ik heb altijd gedaan wat ik dacht dat goed was, zei Vrij-Kogel; -maar ik heb dikwijls gedwaald. Enfin, men zegt dat Gods barmhartigheid -oneindig is; ik hoop op Zijne genade. - ---Hoop vrij, vriend, hoop! - ---Ja, ja, hervatte hij een oogenblik later: ik wist wel dat de Indianen -mij niet dooden zouden, zooals gij ziet, het was don Estevan die -mij trof; maar ik heb dien moordenaar van jonge meisjes den kop -ingeslagen. Die ellendeling! Had ik hem maar in zijn kuil laten -sterven, als een wolf in een knip. - -Hier werd zijne stem zwakker en onduidelijker, zijn blik glasachtiger, -zijn leven begon snel af te nemen. - ---Vergeef hem ook; hij is dood en hij zal geen kwaad meer doen, -zei Loer-Vogel. - ---Is hij dood! Goddank, ik heb dien slang mogen verpletteren! Adieu, -Loer-Vogel, mijn oude kameraad! wij zullen niet meer zamen jagen op -herten of bisons in de prairie; wij zullen onzen oorlogskreet niet -meer aanheffen tegen de Apachen... Waar is de Vliegende-Arend? - ---Hij vervolgt de Roodhuiden. - ---O! hij is een dappere ziel; ik heb hem als kind reeds gekend in 1845, -ik herinner mij nog, ik kwam van... - -Hij zweeg. Loer-Vogel, die zich over hem had gebogen om de laatste -woorden, die al zwakker en onduidelijker werden, als uit zijn mond -op te vangen, zag hem aan. - -Hij was dood. - -De eerzame jager had zijne ziel in Gods hand gegeven, zonder een langen -doodstrijd te ondervinden. Zijn trouwe vriend drukte hem de oogen toe, -knielde bij hem neer en het bleeke hoofd buigende, bad hij voor zijn -ouden kameraad. - -Intusschen lag don Mariano nog altijd in denzelfden staat van -gevoelloosheid. De beide jongelieden, die elk een zijner handen -hielden, voelden hem met bezorgdheid den pols. Terwijl zijne twee -oude bedienden stil in een hoek van het vertrek zaten te weenen. - -Op eens slaakte don Mariano een diepen zucht, een helder rood -kleurde zijn aangezigt, hij opende de oogen; eenige sekonden -poogde hij zijne gedachten te verzamelen, reeds verstrooid door den -naderenden doodstrijd. Eindelijk overmande hij zich, kwam half op -zijn leger overeind, en staarde beurtelings met eene uitdrukking van -onbeschrijfelijke goedheid naar de beide jongelieden, die voor hem -geknield lagen, trok hunne handen naar zich toe en vouwde die op zijn -hart zamen. - ---Don Miguel, zeide hij met eene luide stem: zorg voor haar! Laura, -gij bemint hem, wees gelukkig! Ik zegen u, mijne kinderen! - -O, God! vergeef naar uwe barmhartigheid hem, die de oorzaak was van -al onze ongelukken. Hemelsche Vader! ontvang mij in uw schoot. Mijne -kinderen, mijne kinderen! tot wederziens! - -Thans werd zijn ligchaam krampachtig bewogen, zijne trekken veranderden -zigtbaar, hij viel achterover met een laatsten snik. - -Hij was dood! - - - -Na zijn ouden kameraad de laatste eer bewezen te hebben, voegde -Loer-Vogel zich bij den Vliegenden-Arend. Sedert dien tijd heeft men -niets meer van hem gehoord. - -De dood van Vrij-Kogel had het hart gebroken van dien man, zoo vol -kracht, beleid, goeden wil en voortvarendheid. Misschien sleept hij het -overschot van zijn kommervol bestaan nog voort te midden der Indianen, -onder welke hij besloten had te leven en te sterven. - -Alle pogingen, later door don Leo de Torres, na zijne -huwelijksverbindtenis met dona Laura de Real del Monte aangewend -om hem op te sporen, bleven vruchteloos; de jongman moest het tot -zijn verdriet eindelijk opgeven, om den eenvoudigen en te gelijk -grootmoedigen man weder te vinden, aan wien hij zooveel te danken had. - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - - I. De verrassing 1. - II. De gast 7. - III. De nachtelijke zamenspraak 13. - IV. Indianen en jagers 20. - V. Wederzijdsche ophelderingen 26. - VI. Eene duistere geschiedenis 34. - VII. Eene duistere geschiedenis (vervolg) 40. - VIII. Eene duistere geschiedenis (slot) 48. - IX. Vrij-Kogel en Loer-Vogel 56. - X. Nieuwe personaadjen 63. - XI. Het veer del Rubio 72. - XII. Don Stefano Cohecho 79. - XIII. De hinderlaag 85. - XIV. De reizigers 93. - XV. De herleving 100. - XVI. Plaatselijk onderzoek 107. - XVII. Don Mariano 113. - XVIII. Wat de regtspleging voorafging 120. - XIX. Het geregtelijk verhoor 127. - XX. Het vonnis 135. - XXI. Vrij-Kogel 144. - XXII. Het kamp 152. - XXIII. De Vliegende-Arend 161. - XXIV. Quiepa-Tani 169. - XXV. Een drietal schurken 176. - XXVI. Eene jagt in de Prairiën 184. - XXVII. Eene jagt in de Prairiën (vervolg) 194. - XXVIII. Blank-huiden en Rood-huiden 201. - XXIX. De raad 209. - XXX. Het tweede detachement 217. - XXXI. De Tlacateotzin 225. - XXXII. Eerste ontdekkingen in de stad 234. - XXXIII. Ophelderingen 241. - XXXIV. Een gesprek 249. - XXXV. De zamenkomst 257. - XXXVI. Eene ontmoeting 265. - XXXVII. Verwikkelingen 274. - XXXVIII. Eene nachtelijke verkenning 283. - XXXIX. Het groote geneesmiddel 290. - XL. De laatste storm 300. - Besluit 309. - - - - - - - -NOTES - - -[1] Zie Vrij-Kogel, Leiden, van den Heuvell en van Santen. - -[2] Indiaansche schoenen, van hartsleder, zonder zolen. - -[3] Een rotting of zoogenaamde sixpence. - -[4] Naam der huurrijtuigen te Mexico. - -[5] Pulque is een bedwelmende drank uit het sap der maguey (agave -americana, of aloë) bereid; de huizen waar men dien verkoopt heeten -pulquerios. - -[6] In de taal der Zapoteken letterlijk: quiepa hemel, tani berg, -dus in 't Hollandsch: Hemelberg. - -[7] Amerikaansche leeuw. - -[8] Tijger. - -[9] Wolf. - -[10] Een soort van glas van vulkaanschen oorsprong. - -[11] "Acht-slangen," van chicuh acht, en coatl slang. - -[12] Zie Vrij-Kogel, pag. 123 (van denzelfden schrijver.) - -[13] Van Aman, eene plaats waar eene rivier zich in verscheidene -takken verdeelt. - -[14] Letterlijk; rietland, van acatl, riet. - -[15] Waterzon, van atl, water, en tonatiuh, zon. - -[16] Het tooneel dezer strafoefening is letterlijk historisch, -de schrijver heeft het door een Apache op een Noord-Amerikaan zien -toepassen. - -[17] Dit woord beteekent letterlijk Godsman, van tlacatl, man en -teotl God. Dezen titel geven de Comanchen aan hen die de geneeskunst -uitoefenen. - -[18] Bijnaam van Moctecuzoma I; letterlijk: "die pijlen tot aan den -hemel schiet," van Ilhuicatl, hemel, en mitl schicht; het hieroglyf -van dezen koning is werkelijk een pijl die den hemel treft. - -[19] Mexico. - -[20] Ometochtli is zamengesteld uit om, twee, en tochtli, konijn. - -[21] Axayacatl is zamengesteld uit atl, water, en axaya, vlak. - -[22] Anahuac beteekent letterlijk: land tusschen de wateren, (de -twee zeeën). - -[23] De plaats waar de Mexicanen zeggen dat zij uit afkomstig zijn; -deze naam komt van aztatl, reiger. - -[24] Letterlijk "het Roode land", van tlapalli, rood. - -[25] De beschaver van Mexico: zijn naam komt van quetzalli, veer, -en coatl, slang; en beteekent "gevederde slang." - -[26] Zie Vrij-Kogel, 3e druk, Leiden, van den Heuvell en van Santen, -1866, bladz. 152. - -[27] De onbekende Godheid. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of De spoorzoeker, by Gustave Aimard - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SPOORZOEKER *** - -***** This file should be named 63728-8.txt or 63728-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/3/7/2/63728/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This book was produced from scanned images of -public domain material from the Google Books project.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
