summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-03 17:58:18 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-03 17:58:18 -0800
commitc609be310ca15abc12058efac54373802b519e64 (patch)
tree706ba3de5079330e5f0cc9714fe01a6da8832d55
parent995462569fad879d4c43e35d945933a43e854f3c (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/62728-8.txt17802
-rw-r--r--old/62728-8.zipbin371518 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h.zipbin2348050 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/62728-h.htm17165
-rw-r--r--old/62728-h/images/book.pngbin219 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/card.pngbin230 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/external.pngbin159 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/front.jpgbin93765 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-a.pngbin833 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-b.pngbin729 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-d.pngbin791 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-e.pngbin689 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-g.pngbin664 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-h.pngbin710 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-i.pngbin463 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-k.pngbin693 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-m.pngbin855 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-n.pngbin751 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-o.pngbin748 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-t.pngbin617 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-w.pngbin818 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/initial-z.pngbin597 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p027.pngbin41709 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p034.pngbin113484 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p053.pngbin38033 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p066.pngbin112853 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p081.pngbin39895 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p088.pngbin110736 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p097.pngbin62147 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p106.pngbin53310 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p108.pngbin42717 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p116.pngbin46103 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p127.pngbin41940 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p133.pngbin24755 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p137.pngbin52721 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p145.pngbin99883 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p156.pngbin35591 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p163.pngbin39490 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p169.pngbin62581 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p175.pngbin32746 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p181.pngbin39726 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p190.pngbin118687 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p200.pngbin29860 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p209.pngbin33938 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p228.pngbin21855 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p238.pngbin114842 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p248.pngbin28737 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p255.pngbin36147 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p259.pngbin94590 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p265.pngbin44763 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p273.pngbin31951 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p282.pngbin101907 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p292.pngbin49052 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/p309.pngbin33362 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/62728-h/images/titlepage.pngbin9855 -> 0 bytes
58 files changed, 17 insertions, 34967 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..e382f9c
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #62728 (https://www.gutenberg.org/ebooks/62728)
diff --git a/old/62728-8.txt b/old/62728-8.txt
deleted file mode 100644
index cff569f..0000000
--- a/old/62728-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,17802 +0,0 @@
-Project Gutenberg's Robbert Roodhaar, by Walter Scott and Gerard Keller
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Robbert Roodhaar
-
-Author: Walter Scott
- Gerard Keller
-
-Release Date: July 22, 2020 [EBook #62728]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBBERT ROODHAAR ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- Walter Scott's Werken.
-
- OPNIEUW VERTAALD EN BEWERKT
-
- DOOR
-
- GERARD KELLER.
-
-
- ROBBERT ROODHAAR.
-
-
- Geïllustreerd met de gravures der oorspronkelijke
- Engelsche uitgave van MARCUS WARD & Co.
-
-
- Arnhem--Nijmegen.
- GEBRs. E. & M. COHEN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ROBBERT ROODHAAR.
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
- Wat was mijn fout, dat thans zoo bittre smart
- Zoo zwaar mij drukt? Geen zonen heb ik meer!
- Die daar hield op, 't te zijn.--Vervloekt
- In eeuwigheid de oorzaak van uw' omkeer.--Reizen?
- 'k Kan evengoed mijn paard uit reizen zenden....
-
- MONSIEUR THOMAS.
-
-
-Gij beste vriend! wenschtet, dat ik eenige uren van de rust, die mij
-zoo goed doet en waarmede eene liefderijke Voorzienigheid den avond van
-mijn leven gezegend heeft, er aan wijdde, die vele wederwaardigheden
-en gevaren, waartegen ik in vroeger tijd zoo strijden en worstelen
-moest, in geschrifte te verhalen.
-
-Het is waar, de herinnering aan die avonturen, zooals gij ze verkiest
-te noemen, heeft bij mij een zeker gemengd gevoel van smart en
-vreugde achtergelaten. Maar daarnaast leeft in mij eene innige
-dankbaarheid en een diepe eerbied jegens den grooten Bestuurder van
-het lot der menschen. Hij heeft de loopbaan mijner jeugd met doornen
-en distelen bezaaid, opdat ik het geluk in later dagen, wanneer ik,
-terugblikkend op het verledene, het tegenwoordige genietende, des te
-beter zou beseffen en waardeeren. Nu hebt gij mij dikwerf verzekerd,
-dat de avonturen die ik beleefde onder een volk, zoo eigenaardig en
-eenvoudig naar regeeringsvorm en zeden, wel iedereen moeten boeien, die
-gaarne luistert naar een oud man, als deze vertelt van vroeger dagen.
-
-Ik wil het gaarne gelooven. Maar vergeet vooral niet, dat een
-geschiedenis, waarnaar een belangstellend vriend aandachtig en
-deelnemend luisteren mocht, veel van hare bekoorlijkheid verliest, als
-zij geschreven wordt. Hoe belangwekkend gij ook die avonturen vondt,
-toen de stem van hem, die ze beleefde, ze u verhaalde, zij zullen
-veel minder de aandacht boeien, als zij in de eenzame kamer gelezen
-worden. Jeugdiger levenskrachten en eene krachtiger gezondheid beloven
-u een langer leven, dan mij. Sluit dus, bid ik u, deze papieren in de
-eene of andere geheime lade van uw lessenaar zorgvuldig weg, tot dat
-de scheiding tusschen ons komen zal, die elk oogenblik komen kan, maar
-die zeker binnen weinige jaren komen moet. Wanneer wij dan voor deze
-wereld gescheiden zijn--om eenmaal naar ik hoop, in betere gewesten
-elkaar weer te zien,--dan zal u, dat weet ik zeker, de nagedachtenis
-van uw ontslapen vriend u dierbaarder zijn, dan hij het verdient. Maar
-dan zal u ook dat verhaal, dat ik thans nederschrijven wil, wel
-weemoedige maar geenszins onaangename overdenkingen brengen. Sommige
-menschen laten hun geliefden vrienden een beeld hunner gestalte na. Ik
-bied u een afschrift mijner gedachten, een beeld mijner deugden en
-gebreken. Doch ik hoop, dat gij de dwaasheden en buitensporigheden
-mijner jeugd met dezelfde liefderijke verschooning zult beoordeelen,
-die gij aan de dwalingen van den volwassen man steeds hebt verleend.
-
-Dat ik mijne gedenkschriften--zoo ik ten minste aan dit stuk zulk
-een weidschen titel mag geven--aan een dierbaren getrouwen vriend
-wijd, verschaft mij ook het voordeel, van hier eenige omstandigheden
-met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan, die ik aan een vreemdeling
-noodzakelijk vooraf zou moeten mededeelen. Doch waarom toch zou ik,
-al heb ik u nu geheel in mijne macht, al heb ik inkt, papier en
-tijd in overvloed, waarom zou ik u al dadelijk op de pijnbank der
-verveling brengen? Toch durf ik u niet stellig beloven, dat ik van
-eene zoo verleidelijke gelegenheid, om van mij en mijne lotgevallen
-te spreken, nooit misbruik maken zal, om omstandigheden te vermelden,
-die u bijna even goed als mij bekend zijn. De booze neiging om toch
-vooral die voorvallen uitvoerig te verhalen, waarvan wij zelf de
-helden zijn, doet ons vaak uit het oog verliezen, wat wij aan den
-tijd en het geduld van onze toehoorders schuldig zijn. Die neiging
-heeft menigen, anders flinken schrijver tot een vervelenden babbelaar
-gemaakt. Ik behoef u in dit opzicht slechts te herinneren aan de
-zeldzame eerste uitgave van Sully's »Gedenkwaardigheden." [1] Gij,
-met de dwaze ijdelheid van een echten boekverzamelaar, verkiest
-die uitgave boven alle anderen, die in gewonen bruikbaren vorm in
-den handel werden gebracht. Maar voor mij is ze alleen merkwaardig,
-omdat ze mij een treurig bewijs levert, dat ook een groot man, als
-de schrijver inderdaad was, zwak en kleingeestig genoeg kan zijn,
-om aan zijn eigen ik eene onzinnige hooge waarde te hechten. Als ik
-mij goed herinner, dan had die beroemde staatsdienaar niet minder dan
-vier geheim-secretarissen met de taak belast, om de gebeurtenissen van
-zijn leven op te teekenen, onder den titel: Gedenkwaardigheden van de
-wijze en koninklijke staathuishouding, betreffende de binnenlandsche
-staats- en krijgskundige aangelegenheden van Hendrik den Vierden enz.
-
-Toen nu deze heeren hunne bouwstoffen voor dat werk verzameld
-hadden, werden deze »Gedenkwaardigheden", waarin alles voorkwam, wat
-maar eenigszins belangrijk was uit de lotgevallen van hun meester,
-opgeschreven in den vorm van een aan hem zelven gericht verhaal. Hij
-schreef niet zooals Julius Cesar, zijne geschiedenis eenvoudig in den
-derden persoon. Ook deed hij niet als de meesten die als sprekers of
-schrijvers het wagen de helden van hun eigen verhaal te zijn. Neen,
-Sully genoot het meer verfijnde, hoogst zeldzame genoegen, dat hij
-zich zijne levensgeschiedenis door zijne secretarissen liet voordragen,
-terwijl hij zelf de toehoorder, zoo als hij tevens de held, en hoogst
-waarschijnlijk de steller van het gansche boek was. Het moet een
-kostelijk tooneel geweest zijn, als de voormalige minister, gehuld in
-een tabbaart, met kostbaar bont omzoomd, met een breeden halskraag
-om, stijf en fraai geplooid, zoo recht als een kaars, met de meeste
-deftigheid onder zijn troonhemel gezeten, naar het verhaal van zijne
-secretarissen luisterende; als dan die heeren met ongedekt hoofd
-voor hem stonden, en met den meesten ernst voorlazen: »Zoo sprak de
-hertog--zoo eindigde de hertog zijne rede."--»Dit was het gevoelen van
-zijne Excellentie over deze gewichtige zaak--dit was de welgemeende
-raad, dien zijne Excellentie den Koning bij deze gelegenheid gaf,--"
-louter omstandigheden, die den eenigen toehoorder veel beter bekend
-waren dan hun, ja, die zij meestendeels slechts uit zijn eigen mond
-konden weten.
-
-Nu ben ik lang zulk een verheven personage niet als de groote hertog
-Sully. Ik heb ook geen vier geheim-secretarissen. Maar toch zou het
-vrij dwaas zijn, wanneer Frans Osbaldistone zijn vriend, Willem
-Tresham, een breed verhaal ging doen van zijn afkomst, opvoeding
-en betrekkingen op dit ondermaansche. Ik zal derhalve den boozen
-geest der verleiding bekampen, zoo dapper als ik maar kan, en u niet
-vermoeien met bekende dingen. Alleen moet ik u vluchtig het een en
-ander in het geheugen terugroepen wat gij trouwens reeds vroeger
-geweten hebt, doch door verloop van tijd kunt vergeten hebben, doch
-wat van beslissenden invloed op mijn lot is geweest.
-
-Gij herinnert u zeker mijn vader nog, dien gij in uwe jonge jaren
-gekend hebt, toen uw vader zijn compagnon was. Wel zaagt gij hem
-niet in zijne beste dagen, vóór dat ouderdom en zwakte zijn vurigen,
-ondernemingslustigen geest bijna geheel uitgedoofd hadden. Had hij
-dien geest, die schranderheid, dat doorzicht, die hij nu slechts in
-koopmansspekulatiën aanwendde, aan de wetenschappen willen wijden,
-hij zou hoogstwaarschijnlijk niet zoo rijk, maar niet minder
-gelukkig, ja, gelukkiger geweest zijn. Maar de koophandel en de
-velerlei afwisselingen daaraan verbonden, hebben, behalve de hoop
-op winst, nog iets, wat hem, die wagen durft, vooral bekoort. Wie
-deze onstuimige zee bevaren wil, moet aan de bekwaamheid van den
-stuurman ook de standvastigheid van den echten zeeman paren. Hij
-kan ook dan nog schipbreuk lijden en verongelukken, als de stormen
-der fortuin hem niet gunstig zijn. Die gestadige oplettendheid,
-dat gevaar, de telkens zich hernieuwende pijnlijke onzekerheid,
-of schranderheid de fortuin zal dwingen, dan wel de fortuin alle
-plannen der schranderheid verijdelen zal, dit alles geeft aan de
-geestvermogens bezigheid, houdt de hartstochten gespannen. De handel
-heeft in zekeren zin al het bekoorlijke en boeiende van het spel,
-zonder evenwel zoo onzedelijk te zijn.
-
-Ik was in die dagen, in het begin dezer achttiende eeuw, te
-Bordeaux. Ik was ruim twintig jaar oud. Op zekeren dag kreeg ik
-van huis het onverwachte bevel, om Bordeaux te verlaten en wegens
-eene gewichtige aangelegenheid naar Londen tot mijn vader terug te
-keeren. Onvergetelijk is mij het oogenblik van dat wederzien. Gij
-herinnert u zeker nog den korten, afgebroken, min of meer strengen
-toon, waarop hij gewoon was zijn wil te kennen te geven. Mij dunkt,
-ik zie hem nog voor mij. Ik zie nog zijne rijzige, indrukwekkende
-gestalte. Ik hoor nog zijn snellen, vasten tred. Nog ziet mij aan
-zijn scherp, doordringend oog, zijn echt mannelijk gelaat, waarop
-zorgen reeds rimpels hadden gegrift. Ja, ik hoor hem nog spreken. Voor
-hetgene hij zeggen wilde, nam hij nooit meer woorden dan volstrekt
-noodig was. Maar elk woord was juist gekozen, al werd dan ook zijn
-spreektoon onwillekeurig soms wat hard en onaangenaam....
-
-Nauwelijks afgestegen, ijlde ik naar mijn vader. Hij wandelde in
-zijne kamer op en neer. Zijn gelaat verried ernstig, kalm, diep
-nadenken. Zelfs het wederzien van zijn zoon, na een vierjarige
-afwezigheid kon dien ernst niet storen. Ik omhelsde hem. Hij was een
-goed, maar geen weekhartig vader. Eene sekonde slechts zag ik een
-traan in zijn donker oog.--»Dubourg schrijft mij", dus begon hij,
-»dat hij over u tevreden is, Frans!"
-
-»Dit verheugt mij, vader."
-
-»Maar ik heb daarentegen minder reden het te zijn," voegde hij er
-kortaf bij en ging aan zijn lessenaar zitten.
-
-»Dat spijt mij, vader."
-
-»Vreugd of spijt, Frans, dat zijn een paar woorden, die in de meeste
-gevallen weinig of in het geheel niets beteekenen. Hier is uw laatste
-brief."
-
-Hij nam dien uit een dik pakket papieren, die met een rooden band
-samengebonden en nauwkeurig genummerd waren. Mijn arme brief! Hij
-handelde over iets dat mij toen diep ter harte ging. Hij was met
-zorg geschreven, en wel zoo, dat hij, naar ik dacht, zoo al geene
-volkomene toestemming, ten minste deelneming moest opwekken. En daar
-lag hij nu, onder allerlei brieven over zaken. Nu moet ik glimlachen,
-als ik mij herinner, hoe gekrenkt in mijn eigenliefde, hoe jammerlijk
-teleurgesteld ik was, toen ik mijn brief, die mij zoo veel moeite
-had gekost, uit dat akelige pak van advies-brieven, aanbevelingen
-en dergelijke prullen, zoo als ik ze destijds geliefde te noemen,
-voor den dag zag komen. Neen! dacht ik. Een zoo gewichtige en zoo
-goed geschreven brief had toch wel eene afzonderlijke plaats, wat
-zorgvuldiger behartiging verdiend!
-
-Mijn vader bemerkte mijn misnoegen niet. Trouwens, al had hij het
-bemerkt, hij zou zich er toch niet aan gestoord hebben. Hij vouwde
-den brief open en ging voort: »Dat is uw brief van den 21sten der
-vorige maand, Frans. Gij bericht mij dat »bij de gewichtige keus
-van een beroep voor uw volgend leven, mijne vaderlijke goedheid
-u ten minste eene opponeerende stem zal willen vergunnen," dat
-gij on.... on.... onoverwinnelijke--(in het voorbijgaan moet ik
-u verzoeken, in het vervolg duidelijker te schrijven, en niet te
-vergeten, door de t eene dwarsstreep te halen en aan de l van boven de
-behoorlijke opening te geven) dus onoverwinnelijke bezwaren tegen het
-plan hebt, dat ik u heb voorgesteld. Ditzelfde is in allerlei woorden
-op deze vier vol geschreven bladzijden te lezen. Als gij u slechts
-meer moeite gegeven hadt, u duidelijk en kort uit te drukken, hadt
-gij het zeer goed in vier regels kunnen zeggen. Kortom, Frans! alles
-komt daarop neer, dat gij niet doen wilt, wat ik verlang."
-
-»Dat ik het, in dit geval, niet doen kan, vader! Niet, dat ik het
-niet wil."
-
-»Woordenkeus heeft weinig vat op mij, jonge heer," antwoordde mijn
-vader, die zijn onbuigzamen wil steeds met de grootste bedaardheid en
-zelfbeheersching te kennen gaf.--»Ik kan niet, klinkt wat beleefder
-dan ik wil niet, maar beide uitdrukkingen beteekenen hetzelfde, als
-er geene zedelijke onmogelijkheid bestaat. Ik houd er echter niet van,
-zaken overijld af te doen. Na tafel spreken wij er nader over.--Owen!"
-
-Owen kwam. Hij was toen niet de grijsaard met de zilveren lokken,
-dien gij gekend en geëerd hebt, mijn vriend. Hij telde toen niet
-meer dan vijftig jaren. Maar hij droeg denzelfden lichtbruinen rok,
-dezelfde parelkleurige zijden kousen, dezelfde das met de zilveren
-gesp, dezelfde fijn geplooide kanten lubben die in onze huiskamer bijna
-tot aan zijne nagels kwamen, doch die hij in het kantoor zorgvuldig
-onder de opslagen van zijne mouwen verborg, opdat er geen inktvlak
-op vallen zou. Het ernstige, deftige, maar goedige gelaat van den
-eersten boekhouder van het aanzienlijke handelshuis Osbaldistone en
-Tresham knikte mij toe.
-
-»Owen," zeide mijn vader, toen de goede man mij liefderijk de hand
-bood, »gij moet heden met ons eten. Dan kunt ge het nieuws vernemen,
-door Frans van onze vrienden te Bordeaux medegebracht."
-
-Met eene buiging gaf Owen zijn eerbiedigen dank te kennen. In die
-dagen, toen de afstand tusschen heeren en bedienden nauwkeuriger dan
-thans in acht werd genomen, was zulk eene uitnoodiging geen gering
-gunstbewijs.
-
-Dat middagmaal vergeet ik nimmer! Moedeloos, en zelfs misnoegd,
-was ik niet in staat, aan het onderhoud zoo levendig deel te nemen,
-als mijn vader zeker verwachtte. Dikwijls gaf ik hem op de vele
-vragen, waarmede hij mij bestormde, vrij onvoldoende en verwarde
-antwoorden. De goede Owen spande zich in, om zijn eerbied jegens zijn
-heer met zijne liefde voor den jongeling, dien hij vroeger op zijn
-knie had laten rijden, te vereenigen. Hij trachtte elken misslag in
-mijne antwoorden te verklaren; zeide datgene wat ik eigenlijk niet
-had gezegd--steeds om mij te dekken. Doch deze manoeuvre joeg mijn
-vader nog meer in 't harnas. In plaats van mij voldoende te dekken,
-kreeg hij nu menig hard en scherp woord van zijn patroon. Gedurende
-mijn verblijf te Bordeaux had ik, wel is waar, het koopmansberoep niet
-zoo erg veronachtzaamd, dat ik mij alleen aan sonetten en stanza's,
-en in 't geheel niets aan grootboeken, kasboeken, journalen enz. had
-gedaan; maar ik was toch, om de waarheid te zeggen, niet verder gegaan,
-dan volstrekt noodzakelijk was, om den ouden Franschen handelsvriend
-van ons huis, die mij in de geheimen van den koophandel zou inwijden,
-in staat te stellen, gunstige berichten omtrent mij te geven. Mijn
-hoofdbezigheid bestond voor mij in de taak mij in de letterkunde
-en in lichaamsoefeningen te bekwamen. Nu was mijn vader wel geen
-verklaarde vijand van dergelijke studiën, want met zijn gezond verstand
-begreep hij wel dat zij ieder tot sieraad kunnen zijn en het beroep,
-waartoe ik mij, volgens zijn wensch, moest vormen, kon daardoor wel
-versierd en veredeld worden. Maar zijn hoofddoel en streven was,
-mij niet alleen zijn vermogen na te laten, maar ook de middelen,
-om het handelshuis, waardoor de rijke erfenis nog veel vermeerderd
-en eenmaal op het nageslacht zou kunnen overgebracht worden.
-
-Geestdrift voor zijn stand was zijn hoofdrust en hoofdeigenschap. Deze
-vooral deed hem bij mij aandringen dezelfde loopbaan te kiezen. Maar
-hij had nog andere drijfveeren, die ik eerst later vernam. Voortvarend,
-bekwaam en ondernemend in zijne handelsplannen, vond hij in het
-geluk van elk waagstuk een nieuwen prikkel en ook nieuwe middelen
-tot verdere ondernemingen. Hij was als een eerzuchtig veroveraar,
-die meende altijd voorwaarts te moeten gaan, zonder met het reeds
-verkregene tevreden te zijn. Hij dacht er niet aan op te houden om
-slechts dat, wat hij verworven had, in veiligheid te genieten. O
-neen! Gewoon om zijn gansche vermogen in de weegschaal zijner plannen
-te werpen, en daarbij vindingrijk in de middelen, die weegschaal in
-zijn voordeel te doen overhellen, schenen de gevaren, waaraan hij
-zijn schatten blootstelde, hem steeds nieuwe levenskracht te geven,
-tot nieuwe werkzaamheid, tot nieuwe plannen uit te lokken. Hij was
-als een zeeman, die de golven en den vijand leerde trotseeren,
-en daarom den storm of den slag steeds met vertrouwen tegemoet
-ging. Toch bedacht hij opmerkzaam de veranderingen die ouderdom of
-ziekte bij hem zouden kunnen te weeg brengen. Daarom wilde hij bij
-tijds zich van eene hulp verzekeren, die van zijne vermoeide hand het
-roer overnemen en volgens zijn raad en zijne aanwijzingen het schip
-sturen kon. Zoowel zijn vaderliefde als de wensch, zijne ontwerpen
-te bevorderen, brachten hem tot dat besluit. Wel is waar, had uw
-vader, waarde Tresham, zijn vermogen in onze zaak belegd. Maar hij
-was, zoo als gij weet, een zoogenaamde »stille compagnon." Wat Owen
-betreft, deze kon zeker als man van beproefde eerlijkheid en knap
-boekhouder, het kantoor belangrijke diensten bewijzen. Maar hij bezat
-geen handelstalent genoeg, om hem het oppertoezicht over de zaken te
-kunnen toevertrouwen. Als de dood mijn vader onverwachts verraste, wat
-zou er dan van die vele plannen worden, waarmede zijn hoofd vervuld
-was, zoo niet zijn zoon een handels-Herkules werd, sterk genoeg, om
-den last te dragen, welken de vallende Atlas achterliet! Ja, wat zou
-er van den zoon zelven worden, indien hij, vreemd in handelszaken,
-zich plotseling in den doolhof van koopmansaangelegenheden had
-verplaatst gezien, zonder den draad van Ariadne te bezitten, die
-hem in den doolhof den weg kon doen vinden. Al deze redenen, deels
-openlijk erkend, deels verborgen, hadden mijn vader doen besluiten,
-dat ik zijn beroep zou kiezen; en wanneer hij iets vast besloten had,
-dan was er geen onverzettelijker man dan hij. Maar ik moest toch
-ook gevraagd worden. En nu had ik, die ook nog al stijfhoofdig was,
-juist een tegenovergesteld besluit genomen.
-
-Tot verontschuldiging van mijn verzet, tegen den wensch mijns vaders,
-moge strekken, dat ik niet goed begreep, waarom hij juist dien wensch
-koesterde, en in hoever zijn geluk daarmede gemoeid was. Ik geloofde
-immers voor het heden van een ruim jaargeld, voor de toekomst van
-eene rijke erfenis verzekerd te zijn. Het kwam niet bij mij op, te
-vermoeden dat ik tot bevestiging van dat geluk mij daarenboven aan
-allerlei arbeid en dienst zou moeten wijden, zoo geheel in strijd
-met mijn smaak en neiging. In het voorstel van mijn vader, om zijn
-beroep te kiezen, zag ik niets dan den wensch, dat ik nog iets zou
-voegen bij de schatten, welke hij zelf opgehoopt had. Maar ik meende
-dat ik over den weg tot mijn geluk zelf 't best kon oordeelen, en dat
-het mij zeer zeker niet gelukkiger zou maken, wanneer ik een vermogen
-trachtte te vermeerderen, dat reeds meer dan toereikend was, om mij
-elke mogelijke behoefte, ja elk mogelijk levensgenot te verschaffen.
-
-Geen wonder dan ook, dat ik--ik erken het ridderlijk--mijn tijd in
-Bordeaux niet zóó doorbracht, als mijn vader wenschte. Wat hij als
-het hoofddoel van mijn verblijf aldaar beschouwde, nam ik als bijzaak
-op. Ja, ik zou het, als ik gedurfd had, geheel verwaarloosd hebben.
-
-Dubourg, die met ons kantoor in voordeelige betrekking stond, was
-veel te slim, om in zijne correspondentie over mijn persoon iets
-te berichten, wat mijn vader of mij kon mishagen. Ook was het hem
-uit baatzucht, zoo als gij later vernemen zult, niet onaangenaam,
-dat ik het eigenlijk doel van mijn verblijf ten zijnen huize minder
-voor oogen hield. Overigens was mijn gedrag steeds onberispelijk. In
-zoo ver kon hij derhalve niets nadeeligs berichten, al ware hij
-ook daartoe geneigd geweest. Maar ik mag misschien vermoeden, dat
-de geslepen Franschman het ook door de vingers gezien zou hebben,
-als ik mij aan iets ergers dan enkel aan lusteloosheid en tegenzin in
-handelszaken had schuldig gemaakt. Een gedeelte van mijn tijd wijdde ik
-natuurlijk wel aan de beroepsbezigheden. Maar hij liet mij ongestoord
-de overige uren bij mijn geliefkoosde studiën doorbrengen. Hij had
-er volstrekt niets tegen, dat ik mij liever met Corneille en Boileau,
-dan met Postlethwayte's Handelswoordenboek--indien althans die foliant
-destijds reeds in de wereld ware geweest, en de heer Dubourg dien
-naam had kunnen uitspreken--met Savary, of eenigen anderen schrijver
-over den koophandel, bezighield. Elke brief, dien hij over mij aan
-mijn vader schreef, eindigde met de verzekering dat ik alles deed
-wat een vader van een zoon maar kon wenschen.
-
-Mijn vader was steeds ingenomen met een spreekwijze, hoe dikwijls
-ze ook herhaald werd, als ze maar helder en duidelijk was; Addison
-zelf zou voor hem geen zoo aangename en veelbeteekenende uitdrukking
-hebben kunnen vinden, als deze: »uwen laatsten heb ik ontvangen en
-inliggende wisselbrieven behoorlijk gehonoreerd."
-
-Daar nu mijn vader zeer goed wist wat ik volgens zijn wensch moest
-zijn, liet Dubourg's steeds herhaalde lievelingsuitdrukking hem
-volstrekt geen twijfel over, dat ik wezenlijk was wat hij wenschte,
-totdat hij in een noodlottig oogenblik mijn brief ontving, waarin
-ik met alle mogelijke welsprekendheid er voor bedankte, in mijns
-vaders somber kantoor te zitten, zeker hooger dan Owen en de andere
-kantoorbedienden, maar nog iets lager dan zijn eigen kantoorstoel. Van
-dat oogenblik af was alles bedorven. En Dubourg's berichten werden
-evenzoo verdacht, alsof de betaling der op hem getrokken wissels
-geweigerd ware geworden.
-
-Ik werd dus in allerijl naar huis ontboden en ontvangen, zooals ik
-u beschreven heb.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
- Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat deze
- jonge man met eene akelige kwaal behebt is--met
- de zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,
- dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuin
- zal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.
- Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichten
- smeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.
-
- Ben Jonson's Bartholomaeus-nacht.
-
-
-Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen
-iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren
-drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte
-hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles
-ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoonte steeds
-het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter
-glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand
-van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij
-mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra
-en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op
-zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag,
-dat ik niet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der
-agio van het Fransche goud op den wisselkoers.
-
-»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd
-heb," zeide mijn vader, die toch onze revolutie [2] had beleefd;
-»en de jongen weet er zooveel van als een kruier."
-
-»De jonge heer Frans," merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden
-toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van
-den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van
-een wissel binnen tien dagen"...
-
-»De jonge heer Frans," viel mijn vader hem in de rede, »zal alles
-weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het
-mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van
-jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?"
-
-»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren
-een buitengewoon knap mensch!" antwoordde Owen, wiens hart de jonge
-Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd
-had.
-
-»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg
-wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de
-zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten,
-dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het
-kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn
-oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren."
-
-»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer
-Osbaldistone?" vroeg Owen met bevende stem.
-
-»Ja, en wel terstond, zeg ik!" hernam mijn vader. »Het is al genoeg
-dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van
-wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen
-Franschman er bij, die daarvan profiteert."
-
-Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle
-willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik
-voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een
-verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in
-bekwaamheden, die ik niet bezat.
-
-»Beste vader," dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten,
-niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den
-heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid
-om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij
-moeten trekken. Maar Clement Dubourg..."
-
-»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige
-maatregelen weten te nemen," viel mijn vader mij in de rede. »In elk
-geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen;
-dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.--Maar den ouden Dubourg,"
-vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergeven
-dat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft
-gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt,
-en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge
-ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid
-heeft, zoo als het een Engelschen koopman past."
-
-»De jonge heer Frans," zeide de boekhouder, even deftig het hoofd
-neigend, terwijl hij de rechter hand een weinig ophief--die laatste
-beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets
-zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt
-het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel
-van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil,
-dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit."
-
-Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde
-mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd
-jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een
-man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen,
-om het verzuimde weder in te halen."
-
-Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens
-waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg.
-
-»En laat ons dan," ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief
-van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd
-en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar
-schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan."
-
-Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.--
-
-»Het spijt mij," antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende
-voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het
-voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig
-leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag."
-
-Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen
-de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik
-te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem,
-terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.
-
-»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel
-hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de
-uwe niet."
-
-»Wezenlijk?"
-
-»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der
-menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche
-beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke
-leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn."
-
-»Is het waar?"
-
-»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor
-ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit."
-
-»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige
-geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg's gast
-en kweekeling."
-
-»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht,
-maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te
-maken."
-
-»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?"
-
-»Ja vader."
-
-»Welnu, haal het eens hier."
-
-Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns
-vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel
-opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage
-van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er
-op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen,
-welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch
-al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel
-aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de
-hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband
-stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop,
-dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn
-misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns
-vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig
-antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk,
-toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag--lang folio in
-ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,--uit
-mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette
-handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe
-genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende,
-eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen
-mompelde.--Brandewijn--op fust. Te Nancy. 29. Cognac en Rochelle
-27. Bordeaux 52.--»Bravo, Frans, zeer juist!"--»Impost en tolgelden,
-zie Saxby's Tabellen."--»Niet goed, wat bij Saxby staat, had
-hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen."--Uitvoer en
-invoer--lijnwaad--stokvisch--middelvisch--klipvisch.--»Hierbij had ge
-moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten als stokvisch ingevoerd
-worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?"
-
-Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe
-te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,"
-antwoordde ik dadelijk.
-
-»En een klipvisch?--Vier en twintig--»Zeer juist," hernam mijn
-vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat
-staat hier?--»Bordeaux gesticht in het jaar.--Chateau Trompette--Paleis
-van Gallienus."--Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo'n
-soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop,
-orders, betalingen, wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen,
-kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden."
-
-»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,"
-hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is."
-
-Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen,
-en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij
-tot koopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds
-niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde
-te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een
-blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men
-losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest
-vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu:
-»»De zwarte Prins!" Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt
-nog grooter domkop dan ik dacht!"
-
-Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten
-neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan,
-hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel
-hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters
-op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot
-welke mijn vader behoorde, had--ten minste zij zeide dit--even als
-de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename
-verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige
-verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds
-droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen
-rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want
-overstelpend was Owen's verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als
-de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene
-in het net geschreven rekening ontdekt ware--het zou hem niet zoo
-getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en
-stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen,
-soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie,
-die den dichter diep moest vernederen.
-
-
- Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,
- Die Fontarabie's weerklank wijd doet hooren,
- Die 't sneuvelen des krijgsmans meldt?
- Die aan den grooten Karel droef verkonde:
- Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwondde
- Op Spaanschen grond den eed'len Franschen held?
-
-
-»Fontarabie's weerklank," mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd
-schudde: »Fontarabie's jaarmarkt had je moeten schrijven! Verkonde met
-één d op verwondde met twee d's te laten rijmen, is ook niet fraai.--En
-of meldt op held goed rijmt is evenzoo de vraag... En dan Paynims? Wat
-is Paynims? Kondet gij niet gezegd hebben Heidenen? Schrijf ten minste
-in 't Engelsch, als gij onzin schrijven moet!"
-
-
- 't Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,
- Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,
- Voortijlend angsten zaait en schrik:
- Brittannie's zwaard dat Frankrijk's trots deed bukken.
- Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukken
- De held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.
-
-
-»Precies! »Vleugelen des winds", dat is prachtig!"
-
-
- »»Heft op--mijn stervend hoofd,"--zoo spreekt, naar adem hijgend,
- De eedle prins, met moeite zich nog nijgend
- Tot 't riddertal in breeden kring geschaard.
- »Richt mij nog even op--dat ik den glans der zonne
- --Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,
- Nog even zie,--voor 'k scheide van deze aard!"
-
-
-»Maar dat is glad mis, dat gij Garonne op zonne laat rijmen. Weet
-ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans;
-je verstaat je ellendig ambacht niet eens!"
-
-
- »»O ziet!--als ik--ook zij--slaapt zachtkens in.
- Omhult--het hoofd zich nog, met zorgenvollen zin
- Van avonddauw omgeven.....
- Zoo zullen--als drupplendauw--de tranenpaarlen schittren
- Als Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:
- Haar Zwarte Prins liet hier het leven!"
-
- De zonne zinkt!... De zon ook van mijn roem!
- Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,
- In 't land der Britten en der Franschen,
- Dan zal 't ons Albion aan Helden nooit ontbreken.
- Als sterren talloos aan de hemelstreken
- Heldhaftig schittrend in haar glanzen."
-
-
-»»Heldhaftig schitterende sterren!" dat is wat nieuws! Waarachtig,
-Frans! de nachtwacht doet het mooier!"
-
-
-
-En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde
-het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter
-domkop dan ik dacht!"
-
-Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis,
-terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De
-goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht,
-alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in
-de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik
-bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem
-zou niet verraden wat in mij omging.
-
-»Vader! ik zie maar al te goed," begon ik, »hoe weinig ik in staat
-ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te
-vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij
-daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere
-hulp zijn."--Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde,
-dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had.
-
-»Owen?" viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol,
-razend! Maar--welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig
-naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied
-verwacht.--Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk
-uwe wijze plannen?"
-
-»Met uw goedvinden," zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een
-paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is,
-een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!"
-
-»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou
-het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En
-nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer
-gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton,
-om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe
-les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen."
-
-»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor
-mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren."
-
-»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild."
-
-»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen."
-
-»Den duivel zoudt gij kiezen!" riep mijn vader driftig uit. Maar
-zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek,
-als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?"
-
-Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.--
-
-»Hoor eens, Frans," begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had
-uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik
-mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur
-en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden
-afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel
-Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van
-het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of
-mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds
-heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft
-kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij
-nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen."
-
-»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden
-handelen," zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig.
-
-»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren
-vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit
-te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel
-zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb,
-is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!"
-
-»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!" riep Owen, en de
-tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet,
-gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf
-de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en
-als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op de creditzijde plaatst,
-dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen."
-
-»Meent gij dan," vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal
-moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wil
-zijn--of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen,
-ik dacht, dat gij mij beter kendet!"
-
-Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde
-zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste
-woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan
-de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien
-hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij
-misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.
-
-Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders
-halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik
-in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang
-van mijn misslag.--Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen
-op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan,
-alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op
-zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te
-bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer
-Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een
-jong mensch!--Om 's Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en
-credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk
-vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem
-bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder
-de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans,
-gij kunt u rollen in het goud! Is er," vervolgde hij zachtkens,
-»misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor,
-dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen,
-wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch;
-herinner u, wat er geschreven staat: eert uwen vader, opdat het u
-wel ga, en uwe dagen verlengd worden."
-
-»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht," zeide ik, »maar mijn
-vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt
-van een mijner neven--welnu, hij moge met zijne schatten doen,
-wat hem goed dunkt--ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud
-te verkoopen."
-
-»Wat zegt ge? Wat goud?--Ge moest de balans van het laatste kwartaal
-eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers
-uitgedrukt--vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist
-ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan
-iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek
-geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch,
-neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens,
-hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone,
-of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham;
-want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!"
-
-»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone,
-en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken."
-
-»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw
-neef--ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en
-natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis--dat is heel
-iets anders!"
-
-»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,"
-hernam ik.
-
-Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader
-weder binnentrad.--»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!" zeide
-hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans,
-heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over
-deze gewichtige zaak. Denk er over na."
-
-Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden,
-dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had.
-
-De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik
-ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn
-vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd
-eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden;
-bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar
-aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou
-geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en
-andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende
-gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent
-een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het
-mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij
-willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij
-niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen,
-dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke
-omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde
-mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de
-goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van
-allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht
-niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn,
-zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar
-zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan
-zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij
-wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou
-eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg
-der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten
-voor eenige weken. Dit laatste--zoo dacht ik verder--zou mij zelfs
-aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog
-onvoltooide vertaling van Ariosto's Razende Roeland te voltooien,
-welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die
-gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen
-zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer's versmaat, waarin hij zijne
-Tooverkoningin bezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne
-kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!" trad Owen in het vertrek. In
-zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij
-thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping
-van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog
-kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.
-
-»Mijnheer Frans," aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename
-verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat,
-wat ik doe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt,
-moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den
-pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar--de jonge
-Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee
-dagen weder terug."
-
-»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?"
-
-»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene
-geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want
-zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij
-geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is."
-
-»Gelooft gij dat waarlijk?" vroeg ik, min of meer onthutst.
-
-»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne
-nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te
-York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach,
-mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk
-een man en een koopman!"
-
-Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te
-onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht
-geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te
-vervullen. Maar trots--die bron van zoo veel goed en kwaad in ons
-leven,--mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij
-niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf
-om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen
-riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid
-was voorbij.
-
-In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden
-dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren,
-herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden,
-en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu
-eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve
-manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding
-te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij
-door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar
-onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig,
-als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan
-zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man
-onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof,
-dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel
-tot een veranderd besluit verwachtte.
-
-Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm
-tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat
-het zoo zou afloopen?"--En nu wendde hij zich even bedaard tot mij:
-»Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans
-even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te
-beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer
-hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot
-uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen,
-moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt,
-waarbij gij op mijne hulp rekent?"
-
-Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen
-eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk
-door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer
-matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak,
-waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij
-zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.
-
-»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch
-uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop,
-op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor
-zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn."
-
-Ik wilde spreken.--
-
-»Wees zoo goed en zwijg!" hernam mijn vader.--»Ik verzoek u naar
-Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne
-zonen--ik meen, dat hij er zes heeft--heb ik dengenen uitgekozen,
-die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op
-mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter
-nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid
-misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op
-het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder
-van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed."
-
-En hiermede verliet mijn vader de kamer.
-
-»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?" vroeg ik den deelnemenden
-vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.
-
-»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans--dat is de
-historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er
-van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit
-te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening."
-
-Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik,
-met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg
-naar York in. Ik begon--zooals het scheen--den eersten stap te doen,
-en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf
-te ontnemen en aan een ander weg te schenken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
- Hoe klapperen de zeilen,
- Hoe zinkt en rijst de boot!
- Het roer en riem verdwenen!
- In eenen stormwind stoot
- Een speelbal van de golven
- Een lek! de kiel in nood!
-
- Gay's Fabelen.
-
-
-Waarde vriend! als ge boven de hoofdstukken van dit belangrijk
-geschrift versjes of spreuken leest, dan dienen deze, om u opmerkzaam
-te maken op den inhoud van mijn verhaal. Wat nu hierboven staat,
-spreekt van een ongelukkigen zeeman, die onvoorzichtig met zijne boot,
-zonder tegen stroom in te kunnen sturen, in zee was gestoken. Een
-schooljongen, die zulk een waagstuk, in scherts of uit overmoed,
-ondernomen had, kon, door den stroom voortgesleept, in geen grootere
-verlegenheid zijn, dan ik mij bevond, toen ik zonder kompas op den
-levensstroom ronddreef. De kalme bijna onbegrijpelijke gemakkelijkheid
-waarmee mijn vader een band, dien men doorgaans als den allersterksten
-beschouwt, verbroken had, de minachtende wijze waarop hij mij als het
-ware uit zijn huis had gebannen--dit alles maakte, dat de gunstige
-dunk, dien ik omtrent mijne persoonlijke hoedanigheden koesterde,
-werkelijk begon te verminderen. Prins Mooi, in het bekende sprookje,
-nu eens prins, dan weder een visscherszoon, kon door zijne vernedering
-niet zoo deerlijk uit het veld zijn geslagen, als ik het was. Ach! Onze
-eigenliefde doet ons zoo gaarne al die bijzaken, welke ons in onze
-welvaart omgeven, als ons wettig eigendom beschouwen, en als dan
-de ontdekking komt van onze nietigheid, wanneer wij geheel aan onze
-eigen hulpmiddelen overgelaten zijn, dan voelen we ons zoo vernederd.
-
-Het gedruisch der bedrijvige hoofdstad werd al flauwer en
-flauwer. Het verwijderde gelui der klokken scheen mij meer dan eens een
-waarschuwend: »keer terug!" toe te roepen. Van de hoogte van Highgate
-zag ik op de in nevels gehulde pracht der hoofdstad neder. En het
-was mij te moede, alsof ik aan rijkdom, levensvreugde, ja aan al de
-genoegens en genietingen van het gezellige leven daar ginds in mijn
-beminde vaderstad, voor eeuwig vaarwel had gezegd.
-
-Maar het lot was beslist. Ik kon onmogelijk omkeeren! Hoe zou ik ook
-mogen verwachten, dat eene zoo late en half gedwongen onderwerping mij
-nu zou weergeven wat ik reeds had opgegeven. Integendeel, dacht ik,
-de onbuigzame wil van mijn vader zou door eene onwillige toetreding tot
-zijne wenschen meer vertoornd dan verzoend worden. En mijne trotschheid
-fluisterde: wat armzalige figuur zoudt ge maken, als reeds nu, vier
-mijlen van Londen, een windje van frissche landlucht een ernstig
-overleg van vier weken had weggewaaid. Bovendien, de hoop, die den
-jongeling en den moedigen man nooit verlaat, deden mij mijne uitzichten
-schitterend opsieren. Het was immers onmogelijk, dat mijn vader
-voornemens zou zijn, mij voor altijd van zich te verwijderen? Neen,
-het was slechts eene beproeving van mijne gezindheid. Als ik mij in
-deze beproeving maar geduldig en standvastig gedroeg, dan zou ik
-in mijns vaders achting rijzen, en dan zou er juist zeer licht de
-hartelijkste verzoening op volgen. Reeds overlegde ik, in hoe verre
-ik hem toegeven, en welke voorwaarden van ons verdrag ik als stellig
-en volstrekt onveranderlijk bepalen zou. Naar mijne berekeningen zou
-het gevolg dan eindelijk zijn, dat ik in al de rechten eens zoons
-hersteld werd. De eenige lichte straf, voor mijne weerspannigheid,
-zou zijn dat ik op enkele punten schijnbaar de minste zou moeten zijn.
-
-En zie! in afwachting van die aangename toekomstige verzoening,
-was ik nu mijn eigen heer en meester. Ik smaakte het genot van eene
-volkomen onafhankelijkheid; iets dat het hart van een jongeling steeds
-met vreugde ofschoon tegelijk met vrees vervult. Mijne beurs was
-weliswaar niet al te goed voorzien; maar ik kon toch de wenschen en
-behoeften eens reizigers ongeveer bevredigen. Ik had mij in Bordeaux
-reeds eraan gewend zonder bediende te zijn. Mijn paard was gezond,
-jong en levendig. Mijne opgewekte gemoedsstemming verdreef dan ook
-spoedig de sombere beschouwingen, waarmede ik mijne reis aanvaard had.
-
-Opwekkender ware het zeker geweest, indien ik op mijn weg meer
-afleiding had gevonden. Maar het noorden van Engeland leverde
-toenmaals, en misschien ook thans nog, niets bekoorlijks voor een
-reiziger op. Ja, ik geloof, waar men ook door het Britsche rijk
-reist, men overal meer afwisseling vindt dan hier. Evenwel, hoeveel
-luchtkasteelen ik in mijne ijdelheid voor de toekomst bouwde,
-mijne gelukkige stemming werd steeds minder. Zelfs de Muze, de
-beminnelijke, die mij naar deze woestenij gelokt had, verliet mij,
-even als hare zusters plegen te doen, in het oogenblik van nood. Ik
-zou volslagen mismoedig zijn geworden, als niet van tijd tot tijd
-een gesprek met reizigers, die denzelfden weg gingen, mij had
-afgeleid. Overigens waren de menschen die mij ontmoetten, over het
-geheel vrij onbeteekenend: dorpsgeestelijken, die van een bezoek in
-de stad huiswaarts keerden; pachters of veehandelaars, die van deze
-of geene jaarmarkt terugkwamen; kantoorbedienden, die in de kleine
-steden uitstaande schulden hadden ingevorderd, of soms een officier,
-die op werving uitging. Ons gesprek liep dus meestal over tienden,
-geloofszaken, rundvee, graan, natte en droge waren, slechte betaling
-van kleine winkeliers, soms zelfs kwam een beschrijving van een beleg
-of van een veldslag in de Nederlanden, die de verhaler misschien
-ook slechts uit de tweede hand had. Rooversgeschiedenissen, eene zoo
-vruchtbare en belangrijke stof, vulden elke gaping. Met de namen van
-den »Gouden Pachter," den »vliegenden straatroover Jack Needham" en
-van andere helden uit de Bedelaars-Opera werd ik even familiaar als
-met allerlei van de meest gewone onderwerpen uit het dagelijksche
-leven. Kinderen schuiven gewoonlijk dichter bij den haard, als een
-spookgeschiedenis haar toppunt bereikt. Zoo reden ook mijne reizigers
-bij zulke rooververhalen dichter naast elkander, onderzochten het
-slot hunner pistolen, en beloofden elkander bijstand in elk gevaar,
-eene belofte die gelijk zoo menige offensive en defensive alliantie,
-glad vergeten wordt, als het gevaar werkelijk komt.
-
-Onder hen, die door zulke schrikbeelden 't allermeest vervolgd werden,
-verschafte een, die anderhalven dag lang mijn reisgenoot was, mij
-het grootste vermaak. Achter op zijn zadel had hij een zeer klein,
-maar naar het scheen zeer zwaar valies, waarvoor hij zoo bezorgd was,
-dat hij het nooit uit de handen gaf. Voor den dienstvaardigen ijver
-der knechts uit de herbergen, die zich aanboden om het in huis te
-dragen, had hij steeds het antwoord: »Ik zal het zelf wel dragen." Even
-voorzichtig trachtte hij niet alleen het doel zijner reis, maar zelfs
-den weg, welken hij inslaan wilde, te verbergen. Niets maakte hem meer
-verlegen, dan wanneer men hem vroeg, of hij links of rechts moest,
-en waar hij zijn paard dacht te voeren. Zijn nachtverblijf onderzocht
-hij met de meest angstige zorgvuldigheid. Hij vermeed alle eenzame en
-andere huizen, die hij voor gevaarlijk hield. In Grantham waakte hij,
-geloof ik, een ganschen nacht, omdat in de kamer naast de zijne een
-zwaarlijvig, scheel ziende reiziger sliep met eene zwarte pruik en een
-verbleekt rood kamizool met gouden galon bezet. Ondanks dien angst,
-was mijn reisgenoot, naar zijne forsche gestalte en gespierde leden
-te oordeelen, een man, die elk gevaar wel onder de oogen zou kunnen
-zien. Uit zijn hoed met goud en de kokarde maakte ik op dat hij een
-voormalig officier was, of ten minste iemand, die tot de krijgsmacht
-in betrekking stond. Zijne taal en vorm waren overigens vrij plat,
-maar toch niet onverstandig; vooral als de schrikbeelden, die zijne
-verbeelding verontrustten, voor een oogenblik geweken waren. Maar
-iedere toevallige aanleiding riep ze hem terstond voor den geest. Eene
-kale heide, of wat dicht struikgewas, gaf hem dadelijk bezorgdheid. Als
-een herder vroolijk floot, meende hij het sein van eene rooversbende
-te hooren. Zelfs het gezicht van eene galg bewees hem, wel is waar,
-dat de gerechtigheid ten minste één roover onschadelijk had gemaakt,
-maar herinnerde hem tevens, hoe vele er nog onopgehangen rondzwierven.
-
-Het gezelschap van dien man zou mij ten slotte lastig zijn geworden,
-zoo niet mijne eigene gedachten mij nog veel lastiger waren
-geweest. Sommige van zijne zonderlinge verhalen hielden mij bezig,
-en eene andere gril, die hij had, gaf mij soms gelegenheid, om mij
-op zijne kosten te vermaken. Onder de ongelukkige reizigers, die
-volgens zijne vertellingen, in de handen van roovers waren gevallen,
-hadden vele hun droevig lot aan de onvoorzichtigheid te wijten,
-waarmede zij zich op den grooten weg bij welgekleede reizigers
-voegden, van wie zij bescherming en een gezellig onderhoud hoopten
-te zullen genieten. Die sluwe schelmen hadden dan de argeloozen met
-allerlei verhalen en liedjes gerustgesteld, hen in de herbergen voor
-bedrog en valsche rekeningen bewaard, tot zij eindelijk, onder het
-voorwendsel van een naderen weg over eene eenzame heide te willen
-aanwijzen, hunne slachtoffers van den grooten weg af op een zijpad
-lokten, waar, op het geluid van een fluitje, de overige roovers
-uit hunne schuilhoeken te voorschijn snelden, en de zoogenaamde
-reisgezel zich als de kapitein eener bende bekend maakte, aan welke de
-onvoorzichtige reiziger zijne goederen, misschien zelfs zijn leven,
-moest offeren. Als nu mijn reismakker bij het einde van zulk een
-vertelseltje het angstzweet op het voorhoofd parelde, dan keek hij
-mij gewoonlijk met een oog vol twijfel en argwaan aan, als vreesde
-hij dat hij zelf in het gezelschap van zulk een gevaarlijk wezen was
-geraakt. Werden dergelijke vermoedens dan wakker in hem, dan reed hij
-terstond aan den anderen kant van den weg, keek voor zich, achter zich,
-rondom zich, onderzocht zijne pistolen, en scheen zich tot de vlucht
-of tot verdediging voor te bereiden, naarmate de omstandigheden het
-een of het ander mochten vereischen. Ik voor mij amuseerde mij.
-
-Bij zulke gelegenheden scheen echter zijn verdenking jegens mij niet
-lang te duren. Ze kwam mij trouwens veel te koddig voor, dan dat ik
-mij daardoor beleedigd achtte. Er was wel, noch in mijne kleeding,
-noch in mijne houding iets, dat in mij een roover had kunnen doen
-vermoeden. Maar in die tijden kon iemand best het voorkomen van een
-fatsoenlijk man hebben en toch een struikroover zijn. De verdeeling
-der werkzaamheid in de verschillende middelen van bestaan was toen
-nog zoo regelmatig niet als thans. De sluwe, welopgevoede avonturier,
-die bij het dobbelspel of in de kegelbaan den goeden lieden het
-geld afwon, was niet zelden tevens struikroover, die den reiziger
-op de heide of op een eenzamen weg aanrandde, en hem zijn beurs
-afvorderde. Ook heerschte in die tijden nog veel ruwheid van zeden,
-later meer verzacht en beschaafd. Ja, het komt mij voor, dat drieste
-lieden destijds veel minder afkeer ervan hadden dan thans, om door
-een stouten roof hunne vervallen zaken te herstellen. De tijden
-waren voorbij, toen Anthony-A-Wood treurde over de doodstraf van
-twee welopgevoede mannen, mannen van moed en gevoel van eer, maar die
-toch te Oxford zonder genade opgehangen werden, omdat de nood hen had
-gedwongen struikroovers te worden. Op de wijd uitgestrekte heivlakten
-in den omtrek der hoofdstad en zeker in de minder volkrijke, afgelegen
-oorden, vond men vele roovers te paard. Zij dreven hun handwerk met
-zekere wellevendheid. Zij lieten er zich, zoo als Gibbet in het bekende
-blijspel zegt, nog heel wat op voorstaan, de beschaafdste lieden op
-'s heeren wegen te zijn, en in de uitoefening van hun beroep zich
-met alle mogelijke kieschheid te gedragen. Een jongman in mijne
-toenmalige omstandigheden kon wezenlijk over het misverstand, voor
-een dezer hoogaanzienlijke roovers te worden aangezien, in de verste
-verte niet beleedigd zijn.
-
-Ik was dan ook niet boos, ik vond er pleizier in, den argwaan van
-mijn vreesachtigen reismakker nu eens op te wekken, dan weder in
-slaap te wiegen. Opzettelijk deed ik soms dingen die dienen konden,
-zijn verstand in de war te brengen, dat van natuur niet tot het
-sterkst behoorde en door den angst nog verzwakt werd. Had ik hem door
-een vertrouwelijk en openhartig gesprek volkomen gerustgesteld, dan
-behoefde ik slechts, als ter loops, te vragen, hoe ver hij dien dag
-voornemens was te reizen, of wat het doel zijner reis was, om zijn
-argwaan terstond weder gaande te maken. Zelfs een geheel onverschillig
-gesprek nam soms eene voor hem hoogst verontrustende wending. Zoo
-praatten wij eens over de kracht en snelheid van onze paarden.
-
-»Wel zeker," zeide mijn reisgenoot, »wat den galop betreft, dat erken
-ik gaarne, daartoe is uw paard bij uitstek goed. Het is inderdaad een
-fraaie ruin. Maar een harddraver is hij niet; daartoe staat hij niet
-hoog genoeg op zijne pooten. De draf, mijn waarde heer, de draf is de
-ware gang voor een rijpaard. Als wij hier dicht bij eene stad waren,
-zou ik het bruintje op een effen weg wel eens willen toetsen--ja,
-om eene flesch wijn, in de naaste herberg te drinken, zou ik mijn
-paard durven wedden."
-
-»Top, mijnheer!" antwoordde ik; »de weg is hier effen genoeg."
-
-»Ja, ja,"--hernam mijn reisgezel aarzelende, »maar eens voor altijd
-heb ik het mij op reis tot eene vaste wet gemaakt, mijn paard tusschen
-twee pleisterplaatsen nooit in het zweet te jagen: men kan niet weten
-wat er gebeuren kan. Men kan onverwachts zich genoodzaakt zien, van
-het goede beest wat meer te moeten vergen. En als het afgereden is,
-dan helpen zweep en sporen niet. Daarenboven dienen de beide paarden
-even veel te dragen, en het uwe draagt ten minste tachtig pond minder,
-dan het mijne."
-
-»Goed; gaarne wil ik het ontbrekende gewicht opnemen. Hoe zwaar zou
-uw valies wel wegen?"
-
-»Mijn va--va--valies?" hernam de arme man sidderende,--»och, dat heeft
-eigenlijk volstrekt geen gewicht--het is zoo licht als een veer--een
-paar hemden, twee paar kousen--"
-
-»Het ziet er echter vrij zwaar uit. Ik wed om eene flesch besten
-portwijn, dat het juist even zwaar weegt, als ons beider gewicht
-verschilt."
-
-»Gij vergist u, mijn waarde vriend, waarachtig, gij vergist
-u!" hervatte mijn reisgezel en stak dadelijk met zijn paard naar den
-anderen kant van den weg, zooals hij steeds deed als hij angstig werd.
-
-»Welnu, gaat onze weddingschap door?" vroeg ik, om hem te plagen. »Tien
-tegen vijf pond: Ik neem uw valies op mijn paard, en gij zult mij
-toch niet bijhouden."
-
-Dit voorstel deed zijn angst ten toppunt stijgen. De natuurlijke
-koperkleur van zijn neus, gevolg waarschijnlijk van rooden wijn
-of sterken drank, veranderde in een vaal bleek. Hij klappertandde
-van schrik over mijn voorstel, waarin hij den vermetelen roover
-in al diens onbeschaamdheid meende te ontdekken. Toen hij met zijn
-antwoord aarzelde, deed ik hem spoedig weder wat ruimer ademhalen,
-door hem naar een kerktoren te vragen, dien wij in het gezicht kregen,
-en door tevens de aanmerking te maken, dat wij nu, in de nabijheid
-van een dorp, geen gevaar meer liepen, om in onze reis op den grooten
-weg gestoord te worden. Zijn gelaat helderde toen wat op. Ik bemerkte
-echter duidelijk, dat het lang duurde eer hij een zoo verdacht voorstel
-kon vergeten. Gij vraagt, denk ik, waarom ik zoo uitvoerig van al zijn
-eigenaardigheden spreek? Welnu de kennismaking met dezen reiziger en de
-daarmede gepaard gaande omstandigheden hadden, ofschoon onbelangrijk
-op zich zelf, een gewichtigen invloed op mijne latere lotgevallen
-uitgeoefend. Zijne houding wekte nu slechts mijn spot. Zij bevestigde
-mij in mijne meening, dat onder alle zaken waarmede de menschen zich
-zelven kwellen, geene is, zoo lastig, zoo pijnlijk voor zichzelf en
-anderen als ongegronde angst.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
- "De Schot is een arme zot", zegt trotsch de Engelschman.
- 't Mag zijn.--De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.
- Maar waarom zijt gij dan nog boos,
- Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?
-
- Churchill.
-
-
-Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het
-reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd
-is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in
-zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk, des
-Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de
-reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de
-weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze
-medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van
-deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid
-was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op
-dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn
-dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch
-en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door
-allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen
-gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op
-kosten van zijn waard te genieten.--Gewoonlijk was dan het bestellen
-van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer
-te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.
-
-Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke
-tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens
-de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te
-zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in den
-Kouseband, in den Leeuw of in den Beer dankbaar aan te nemen. Het
-was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer
-aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was
-te bedienen,--hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom
-welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van
-gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten
-uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de
-predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te
-verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende
-beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige
-tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof
-te vinden was.
-
-Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker
-onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer" te Darlington,
-in het bisdom Burham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die
-als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit
-Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.
-
-»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?" vroeg mijn reisgenoot snel;
-hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,"
-alias straatroovers.
-
-»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb," hernam de
-waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis
-voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man,
-een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland
-kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is."
-
-»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn," zeide mijn reismakker,
-zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in
-hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin
-en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maar bij mij
-heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven
-een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde
-is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de
-oudste tijden af, ten eenen male onbekend is."
-
-»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets
-te stelen," viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne
-eigen geestigheid.
-
-»O neen, kastelein!" riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je
-Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt,
-verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een
-monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer
-te verdienen valt."
-
-»Best geantwoord, vriend Campbell!" hernam de kastelein. »Ik dacht
-waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en
-weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat
-me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?"
-
-»Zoo als gewoonlijk," antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen
-en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht."
-
-»Maar verstandige lieden en gekken willen 's middags ook wel wat eten,"
-merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch,
-waarvan ge de weêrga niet vinden zult!"
-
-En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn
-gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner
-gasten flink te vullen.
-
-Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het
-was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van
-mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de
-Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op
-dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De
-oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard
-geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit
-noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan
-familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als
-William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste
-bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte
-lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben,
-dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans
-onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij
-dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne
-verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit
-opzicht zouden overeenstemmen. Maar,--zooals het den verstandigsten
-mensch wel eens gaat,--zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans,
-verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was,
-dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster,
-de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit
-Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin
-hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde
-hij voor de oude Margaretha Rickets een kamertje in zijn huis in. Na
-den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen,
-mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit
-met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over
-de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te
-spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen
-harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen,
-die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde
-veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die
-goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende,
-en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol
-rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan
-hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog,
-hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze
-vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede
-zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,--ik wil het wel gul
-bekennen--dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste
-gezangen uit een Opera. Ik herinner mij nog die woorden:
-
-
- »Ja, de eik en de esch, en het groene klimop
- In Northumberland groeien zij zoo weelderig op!"
-
-
-In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de
-verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De
-bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de
-rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens
-die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas
-uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone's,
-een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een
-feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd
-de Schotsche Duivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle
-jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen
-van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die
-woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van
-dien naam, had, even als Achilles de maagden Chryseïs en Briseïs,
-de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had
-hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die
-door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de
-eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden,
-waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht,
-maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die
-Noordsche roovers voortgekomen.
-
-Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne
-kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke
-landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt
-door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond
-namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche
-eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel
-geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen
-te sluiten, en ook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout
-te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door
-hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten,
-die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne
-verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan
-het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom,
-de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden,
-en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten
-beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een
-bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was
-in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig,
-gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede
-hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene
-oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden
-zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden
-even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze
-hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van
-wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het
-waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander,
-twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens
-elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.
-
-Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik
-ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte
-ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat
-volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de
-rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn,
-en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende
-manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat,
-om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook
-meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele
-aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk
-te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste,
-was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die
-hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had,
-wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel
-fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen
-van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden,
-was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden,
-zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in
-vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En
-toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij
-het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid
-behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of
-vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over
-het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den
-ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen,
-die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich
-in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij
-zeggen, noch betwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en
-zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te
-doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te
-opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell's
-gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit
-kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het,
-hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van
-de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo
-tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij
-goede opvoeding verkregen. Ten opzichte der laatstgenoemde scheen
-hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken,
-dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel
-beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van
-Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist
-het bestuur van dat land was opgedragen [3], en van al de overige
-Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen
-verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.
-
-Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep
-stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest,
-geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en
-gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de
-Whig's en Tory's zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor
-het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde
-Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in
-den persoon van koning George den troon had bestegen [4]. Elke kroeg
-weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard
-uit den »Zwarten Beer" veel te wellevend, om zijne goede klanten door
-tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun
-stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten
-kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende
-staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein
-mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch
-aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat
-hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke
-kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn
-kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een
-winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op
-te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche
-troonsopvolging.
-
-Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook
-de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij
-zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk,
-dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.--»Gij zijt een
-Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het
-erfelijke recht optreden!" riep de eene partij.--»Gij zijt immers
-een Presbyteriaan," schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een
-verdediger van willekeur zijn!"
-
-»Mijne heeren," zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite
-deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning
-George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank,
-welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den
-ontvanger der belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend
-Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets
-tot belooning overschieten voor dien heer dáár, die liever op zijn
-valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar
-vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het
-goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen
-apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard
-aan onzen vriend dáár toevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert
-Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn
-zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan
-onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder
-de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch
-hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben."
-
-Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein
-mengde er zijn »bravo!" ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde
-tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij,
-dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil
-van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was,
-ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die
-hem eens op weg overvallen hadden.
-
-»Hola, vriend Jonathan!" viel Campbell hem in de rede: »gij vergist
-u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards,
-tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou
-hebben durven wagen."
-
-»En hebt gij dan," vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij
-steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,--»en hebt gij
-dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?"
-
-»Nu ja!" antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad,
-om er zooveel ophef van te maken!"
-
-»Waarlijk," hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van
-uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar
-het noorden?"
-
-Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij
-iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even
-vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.--»Wij
-kunnen wel niet met elkander reizen," antwoordde hij kortaf; »gij
-hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een
-Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft."
-
-Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen
-hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij
-afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe,
-vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde,
-dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze
-van hem poogde te ontslaan.
-
-»Ik wil al uwe reiskosten betalen," zeide hij op een toon, als hield
-hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen
-van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.
-
-»Ik bedank u hartelijk!" hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik
-kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier
-en daar misschien lang moeten ophouden."
-
-»Och, ik heb ook volstrekt geen haast," antwoordde mijn makker: »gij
-kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest. In zulk aangenaam
-gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten."
-
-»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen
-schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen," zeide Campbell. »Ik reis,"
-voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden
-raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden,
-en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt."
-
-En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van
-zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij
-toe. »Uw vriend," zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk
-te verrichten heeft, veel te openhartig."
-
-»Gij vergist u," antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner
-vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik
-ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt
-zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik."
-
-»Och," hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig
-toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er
-niet van gediend willen zijn."
-
-»Waarschijnlijk weet die mijnheer," antwoordde ik, »zelf het best
-wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over
-te vellen."
-
-De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en
-het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.
-
-Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik
-verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts
-in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich
-verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne
-bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij
-zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
- Mij klopt het hart, als ik de schoone fee,
- Des eilands trots en roem aanschouwe,
- Voort, in galop, op 't fiere ros.
-
- De Jacht.
-
-
-Al dichter het noorden van Engeland naderend, gevoelde ik iets als
-liefde tot dezen mijn geboortegrond in mij opkomen. En daarbij voegde
-zich de geestdrift, waarmede eene schoone natuur den opgewekten mensch
-bezielt. De bergstroomen, die nu dien naam zeker verdienden, kropen
-niet meer voort tusschen riet en wilgeboomen, maar stortten zich van
-de hoogten naar beneden, nu eens sneller, dan weer langzamer vloeiend,
-door eenzame valleien, die den reiziger schenen uit te lokken af te
-dalen in haar verborgen plekjes.
-
-Donker en trotsch, verhieven zich voor mij de Cheviot-bergen, wel
-boden zij niet die afwisseling der primaire rotsen en klippen-vorming,
-maar zij waren grootsch, met afgeronde koppen, gehuld in roodachtig
-bruine kleuren. Door hunne uitgestrektheid en woestheid grepen zij
-met eigenaardigen indruk in het gemoed.
-
-Mijn voorvaderlijk landgoed, dat ik naderde, was in een eng dal gelegen
-tusschen deze heuvels. Uitgestrekte landerijen, die vroeger tot het
-geslacht der Osbaldistones behoord hadden, waren door de verkwisting
-mijner voorvaderen verloren gegaan, maar er bleef nog genoeg over om
-mijn oom den naam te geven van groot landbezitter. Zijn vermogen werd
-besteed, zoo als ik onderweg vernam, grootendeels om de onbekrompen
-gastvrijheid van die dagen te handhaven. Hij achtte dit voor het
-aanzien van zijne familie een noodzakelijke plicht.
-
-Uit de verte van den top van een heuvel had ik reeds een blik kunnen
-werpen op het kasteel Osbaldistone. Het was een groot, ouderwetsch
-gebouw, midden in een woud van overoude eiken gelegen. Langs een
-slechten, kronkelenden weg reed ik er op af, toen mijn paard op eens de
-ooren opzette. Ik hoorde het vroolijk geblaf van een paar jachthonden,
-nu en dan aangemoedigd door het geluid van een horen. Die was toen
-onmisbaar op de jacht. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of het waren
-honden van mijn oom. Ik hield stil om de jagers voorbij te laten gaan,
-want op het jachtterrein moet men geen jachtliefhebbers ophouden. Ik
-nam dus het besluit, zoodra de stoet voorbij was, naar het huis te
-rijden en den terugkeer van den eigenaar af te wachten.
-
-Op eene kleine hoogte hield ik mijn paard in, daar niet zonder
-belangstelling uitziende naar de jacht, hoewel ik in dien tijd nog
-weinig zin voor dat genot bezat. Dat ik evenwel met eenig ongeduld
-de aankomst der jagers afwachtte, spreekt van zelf.
-
-Het eerste wat ik zag, was de vos, vermoeid en haast uitgeput. Hij kwam
-uit het kreupelhout aan de rechterhelling van het dal. De hangende
-staart, de bezoedelde huid en de wankelende gang kondigden zijn
-naderend lot aan, en de kraai die reeds boven hem zweefde, scheen het
-arme dier reeds als zijn zekeren buit te beschouwen. De vos trok over
-de beek, die onder in het dal vloeide. Juist sleepte hij zich door een
-rotskloof aan den anderen kant van het water, toen de voorste honden
-verschenen, gevolgd door al de overigen, daarna door den jagermeester
-en drie of vier ruiters. De honden vervolgden dadelijk het spoor van
-den vos. De jagers zetten hen snel en moedig achterna, zonder te letten
-op het oneffen en steile terrein. Het waren groote flinke jonge mannen,
-goed bereden, en in groen en rood gekleed; dit waren de kleuren eener
-jachtvereeniging door den ouden sir Hildebrand Osbaldistone gesticht.
-
-»Zoo zoo," dacht ik, toen zij voorbijvlogen. »Dat zijn nu mijne
-heeren neven! Hoe zullen deze waardige opvolgers van Nimrod mij
-wel ontvangen? Waarschijnlijk zal ik, die niets van die soort van
-genoegens weet, mij niet op mijn gemak noch gelukkig gevoelen in het
-huis van mijn oom!" Eene nieuwe verschijning stoorde hier eensklaps
-dien gedachtengang.
-
-Het was eene jonge dame, aan wier liefelijke gelaatstrekken het
-jachtvermaak en de gloed, waarmede de vermoeienis hare wangen kleurde,
-dubbele bekoorlijkheid schonk. Zij bereed een prachtig pikzwart
-paard, welks borst bedekt was met sneeuwwit schuim, afdruipend van
-het gebit. Hare eenigszins zonderlinge kleeding bestond in een rok,
-vest en hoed, geheel naar het fatsoen van een heeren-costuum. Die
-dracht, was gedurende mijn verblijf in Frankrijk ingevoerd en dus
-mij wel bekend. Haar lang donker haar, dat onder het rijden uit den
-band, die het samenhield, was los geraakt, fladderde in den wind. De
-oneffen grond, waarover zij met bewonderenswaardige bedrevenheid
-en tegenwoordigheid van geest haar paard wist te leiden, stremde
-min of meer haar snelle vaart, en zoo kwam zij dichter bij mij, dan
-een der overige jagers. Ik kon dus van nabij hare schoone gestalte
-beschouwen. Door de opgewektheid van de jacht, door het romantische van
-haar kostuum maakte hare plotselinge verschijning sterken indruk op
-mij. Zie! op het oogenblik, dat zij mij voorbijvloog, deed haar wild
-paard een zijsprong, doordien zij op vlakken bodem sneller vooruit
-wilde rennen. Dit toeval strekte mij tot aanleiding naar haar toe te
-rijden, om haar, desnoods, hulp te kunnen bieden. Intusschen was er
-volstrekt geen gevaar; het paard herstelde zich terstond en hernam zijn
-gewonen draf. Zij dankte mij echter met een bevallig glimlachje voor
-mijn goeden wil, en hierdoor voelde ik mij aangemoedigd, om mijn paard
-in denzelfden stap te brengen en naast haar te rijden. Het geschreeuw:
-»Hoezee! hij is dood!" en de tonen van den waldhoorn, kondigden
-ons weldra aan, dat er thans geene reden meer bestond tot spoed,
-daar de jacht geëindigd was. Een der jongelieden, die ik gezien had,
-kwam naar ons toe, en zwaaide zegepralend met den staart van den vos,
-als of hij mijn schoone geleidster haar achterblijven wilde verwijten.
-
-»Ik zie het wel!" antwoordde zij; »ik zie het immers wel! Maak er maar
-zoo veel drukte niet van!--Was Phoebe," vervolgde zij, terwijl zij op
-den hals van haar fraai paard klopte, »niet onder de rotsen gekomen,
-dan zoudt gij thans niet zoo kunnen juichen."
-
-Terwijl zij dit zeide, naderden beiden elkander. Ik bemerkte dat
-zij naar mij keken, en eenige oogenblikken zacht met elkander
-spraken. Duidelijk was het, dat de jonge dame bij den jager op
-iets aandrong, terwijl hij met eene zekere onnoozele blooheid
-weigerde. Daarop wendde zij op eens haar paard naar mij toe, terwijl
-zij min of meer boos en tamelijk luid zeide: »Het is goed, Torncliff,
-het is goed! Wilt gij niet, dan zal ik het zelve doen! Mijnheer,"
-vervolgde zij nu tegen mij, »ik trachtte dezen onwilligen jongenheer
-over te halen, om u te vragen, of gij op uwe reis herwaarts, niet
-iets van een onzer vrienden, zekeren heer Frans Osbaldistone, hebt
-vernomen, die sedert eenige dagen hier verwacht wordt."
-
-Met wezenlijke vreugde stelde ik mij zelven als den verwachten
-gast voor, terwijl ik voor de belangstelling der jonge dame in mijn
-persoon dankte.
-
-»Welnu," hernam zij, »daar de wellevendheid van mijn neef nog steeds
-schijnt te sluimeren, zult gij mij wel vergunnen, al is het minder
-gepast, de rol van ceremoniemeesteres op mij te nemen. Ik heb de
-eer u uw neef Thorncliff Osbaldistone en mij zelf, Diana Vernon,
-voor te stellen, die tevens de eer heeft de nederige bloedverwante
-van uw voortreffelijken neef te zijn."
-
-De toon, waarop zij dit zeide, was vrijmoedig, spotachtig, maar tevens
-hartelijk. Ik bezat wereldkennis genoeg, om denzelfden toon te treffen,
-toen ik haar mijn kompliment maakte, en haar mijne blijdschap wegens
-deze ontmoeting te kennen gaf. Mijne vriendelijke woorden waren
-zoo, dat de schoone jageres zich het grootste gedeelte daarvan
-kon toeëigenen. Want mijn waarde neef scheen een onnoozele hals,
-daarbij kinderachtig bloode, ook min of meer norsch van aard. Hij
-reikte mij wel de hand, verklaarde echter dadelijk daarop dat hij mij
-moest verlaten, om zijn broeders en de andere jagers bij het koppelen
-der honden de behulpzame hand te bieden. Het scheen evenwel meer een
-kennisgeving aan freule Vernon, dan wel eene verontschuldiging tot
-mij gericht.
-
-»Ga maar heen!" zeide Diana en zag hem met spottende minachting
-na: »Daar gaat hij, de prins der stalknechts; der hanengevechten
-en roskammers! Maar dat moet gezegd worden: knap is hij in die
-vakken.--Hebt gij Markham gelezen?"
-
-»Markham, schoone dame? Ik ken niet eens den naam van dezen schrijver."
-
-»O hemel, waar zijt gij aangeland? Gij, arme onkundige vreemdeling,
-kent gij den waren Bijbel niet van dezen wilden stam, waaronder
-gij uwe woning moet opslaan? Hebt gij nooit van Markham gehoord,
-van den beroemdsten schrijver over de geneeskundige behandeling van
-paarden? En dus ook misschien nooit iets van de latere schrijvers
-Gibson en Bartlett?"
-
-»Nooit!" antwoordde ik.
-
-»En dit kunt gij, zonder van schaamte te blozen, bekennen?" vervolgde
-Diana. »Nu, dan moeten wij de verwantschap met u wel
-afzweren. Vermoedelijk kunt gij evenmin een paard eene pil ingeven
-of een meelpap voor het dier gereed maken?"
-
-»Al zulke dingen laat ik aan mijn rijknecht over."
-
-»Onbegrijpelijke zorgeloosheid! Gij verstaat dan waarschijnlijk ook
-de kunst niet, een paard te beslaan, het de manen en den staart te
-knippen, een hond van den worm te snijden, hem de ooren of nagels te
-korten, of een valk terug te lokken, of hem, wanneer hij de kap op
-heeft, te voederen, of..."
-
-»Neen! Neen. Om u met één woord te zeggen, welk nietsbeduidend wezen
-ik ben, ik bezit geene enkele van al deze edele gaven."
-
-»Maar om 's hemels wil, mijnheer Frans Osbaldistone, wat komt gij
-dan toch hier doen?"
-
-»Bitter weinig! Evenwel ben ik niet geheel en al onkundig; als mijn
-rijknecht mijn paard goed gezadeld heeft, kan ik er op rijden, en
-als mijn valk zich in het open veld bevindt, kan ik hem opzenden."
-
-»Kunt gij dat?" vroeg Diana, en zette haar paard in korten galop.
-
-Nu kwamen wij aan een van ruwe boomstammen vervaardigd vrij hoog
-hek, dat dwars over den weg liep. Op eenigen afstand daarvan wilde ik
-afstijgen, ten einde het te openen; maar in hetzelfde oogenblik was de
-koene Amazone er met haar paard reeds overgesprongen. Voor mijn eigen
-eer moest ik haar wel volgen en was dan ook dadelijk weder naast haar.
-
-»Gij geeft ons ten minste nog eenige hoop!" hernam zij. »Ik begon
-waarlijk al te vreezen, dat gij een ontaarde tak van den stamboom
-der Osbaldistones waart. Maar, ik bid u, zeg mij toch eens wat is
-de reden van uwe komst op Vossenburg? Weet ge, zoo noemen de lieden
-in dezen omtrek ons kasteel. Mij dunkt, dat gij liever stilletjes
-weggebleven waart."
-
-Ik bemerkte, dat ik met het schoone meisje reeds vrij vertrouwelijk
-praatte. Ik antwoordde dan ook op gullen toon: »ge hebt gelijk. Het
-zou eene opoffering voor mij zijn, mij op het kasteel Osbaldistone op
-te; houden, indien de bewoners er van allen wezenlijk zoodanig zouden
-zijn, als gij ze mij hebt afgeschilderd. Maar ik durf mij vleien,
-ja, bijna zeker zeggen, dat er zich ééne uitzondering bevindt, die
-al de overige gebreken dubbel vergoeden zal."
-
-»O, zoo, gij bedoelt misschien Rashleigh?"
-
-»Waarlijk niet; ik bedoelde iemand, die wat dichter bij mij is."
-
-»Het beste is, geloof ik, uw kompliment niet te willen verstaan. Doch
-dat kan ik niet. Excuseer, dat ik geene beleefde neiging maak,
-ge ziet, ik ben te paard. Maar, in ernst gesproken, ik verdien uwe
-uitzondering; want ik ben het eenige gezellige wezen in het gansche
-kasteel, behalve de oude geestelijke en Rashleigh."
-
-»Maar zeg, wie is dan die Rashleigh?"
-
-»Rashleigh is iemand, die om zijn eigen wil gaarne zou hebben, dat
-iedereen was, zoo als hij. Hij is de jongste zoon van uw oom, ongeveer
-van uwe jaren, maar niet zoo.... met een woord, hij ziet er niet heel
-goed uit. De natuur heeft hem nog al gezond menschenverstand gegeven
-en de pastoor heeft er een handvol geleerdheid bijgevoegd. Wij allen
-noemen hem een bizonder knap mensch, wel te verstaan, hier in dit land,
-waar knappe lui tot de zeldzaamheid behooren. Hij is voor de kerk
-bestemd, maar schijnt juist geen haast te maken met het priesterkleed
-aan te trekken."
-
-»Voor de Katholieke kerk?" vroeg ik.
-
-»Natuurlijk de Katholieke kerk! Voor welke kerk anders? Maar, het
-is waar, ik vergeet waarlijk, dat men mij gezegd heeft, dat gij een
-ketter zijt. Is dat waar, mijnheer Osbaldistone?"
-
-»Ik kan het niet ontkennen."
-
-»En gij waart toch in vreemde landen, en wel in echt-Katholieke
-landen?"
-
-»Bijna vier jaren."
-
-»Hebt gij kloosters gezien?"
-
-»Dikwijls; maar ik heb er, helaas, niet veel in gezien, wat mij het
-Katholieke geloof zou aanbevelen."
-
-»Zijn de kloosterlingen niet gelukkig?"
-
-»Waarschijnlijk eenigen wel, althans diegenen, die door innerlijke
-vroomheid, of om vervolgingen en rampen, welke zij in de wereld
-geleden hebben, of ook uit natuurlijke luiheid het kloosterleven
-omhelsden. Maar diegenen, die in eene plotselinge, overspannen
-geestdrift, of in eene vlaag van wrevel wegens ondervonden
-teleurstellingen en vernederingen tot zulk een afgezonderd leven
-zijn overgegaan, zijn inderdaad zeer ongelukkig. Het verlangen naar
-de samenleving is spoedig weer ontwaakt. Zij zijn als wilde dieren
-in gevangenschap. Zij dulden onwillig den dwang. Anderen geven zich
-in hunne cellen aan allerlei dweperijen over, sommigen gaan zich
-vet mesten."
-
-»Maar wat wordt er dan wel van de vrouwen, die door den wil van anderen
-tot het kloosterleven veroordeeld zijn? Naar wat gelijken zij? Vooral,
-wanneer zij naar het leven en de levensvreugde daarbuiten smachten
-uit aanleg en natuur."
-
-»Zij zijn als opgesloten zangvogels, veroordeeld om haar leven in een
-kerker door te brengen. Zij trachten soms in hare talenten verstrooiing
-te vinden. Maar had men haar niet van hare vrijheid beroofd, dan zouden
-zij door haar aanleg sieraden der maatschappij kunnen geweest zijn."
-
-»Eer zal ik,--" zeide zij, doch schielijk zich verbeterend, hernam
-zij: »eer zoude ik een wilden havik gelijken.--Als men dezen de vrije
-vlucht door het luchtruim belet, stoot hij zich tegen de traliën van
-zijne gevangenis den kop te pletter. Maar, om weder op Rashleigh
-te komen," vervolgde zij eenigszins levendiger: »gij zult in hem
-den aangenaamsten man vinden, dien gij ooit ontmoet hebt, tenminste
-gedurende eene week. Kon hij slechts eene blinde minnares vinden,
-niemand zou zoo zeker van zijne verovering zijn als hij. Maar het oog
-doet de betoovering ophouden, welke het oor bewerkt heeft. Genoeg
-daarover. Hier zijn wij op het voorplein van het oude kasteel,
-dat er even ouderwetsch uitziet, als zijne bewoners. Aan opschik
-wordt hier niet veel ten koste gelegd: dit zult gij weldra zien en
-ondervinden. Maar mijn hoed is mij lastig: hij klemt mij. Excuseer,
-dat ik het mij wat gemakkelijk maak."
-
-En het opgeruimde meisje nam den hoed af, en streek met de blanke
-vingers half lachend, half blozend, de verwarde lokken van hare
-doordringende grijze oogen weg. Liep hier misschien een weinigje
-behaagzucht onder? Het is mogelijk, maar dan wist zij die uitmuntend
-achter zekere achtelooze onverschilligheid te verbergen. Ik kon niet
-nalaten op te merken, dat ik den opschik als iets geheel overtolligs
-moest beschouwen, wanneer men over de familie oordeelen mocht naar
-haar, die ik thans voor mij zag.
-
-»Waarlijk aardig gezegd!" antwoordde zij; »maar misschien behoorde
-ik het eigenlijk in het geheel niet te verstaan. Overigens zult gij
-ondervinden, dat een weinig achteloosheid hier juist op de rechte
-plaats is, wanneer gij maar eerst uw aanstaande omgeving hebt gezien,
-aan wie elke opschik, elke nieuwe mode totaal verspild zou zijn. Maar
-de oude etensklok zal dadelijk luiden, of liever piepen. Haar geluid
-is thans slechts een wanklinkend gepiep. In vroeger tijd moet ze
-mooi gegonsd hebben. Maar ze sprong juist op denzelfden dag, toen
-koning Willem hier voet aan land zette. Wegens deze bijzondere gave
-van profetie heeft mijn oom haar niet willen laten herstellen. Maar
-wees zoo goed, gelijk het een getrouwen ridder betaamt, mijn paard
-even bij den teugel te houden, tot ik een nederigen schildknaap zend,
-om u af te lossen."
-
-Met deze woorden wierp zij mij den teugel toe, alsof wij reeds van
-onze eerste kindsheid af met elkander bekend waren geweest, sprong uit
-den zadel, huppelde het plein over en ging eene zijdeur binnen. Ik
-staarde haar na, hare schoonheid bewonderende en verbaasd over hare
-vrijmoedige manieren. Het was dubbel te verwonderen in een tijd, toen
-de voorschriften der wellevendheid, die wij van het hof van Lodewijk
-XIV ontvingen, het schoone geslacht eene zeer deftige houding geboden.
-
-Ik zat daar midden op het plein van het oude kasteel op een paard,
-en hield een ander bij den teugel; zeker maakte ik een zonderling
-figuur. De gebouwen in het rond hadden voor een vreemdeling weinig
-merkwaardigs. Trouwens ik was geenszins in eene stemming, om ze
-met eenige opmerkzaamheid te beschouwen. De zijden van het vierkant
-waren alle van verschillende bouworde, en geleken, met hare steenen
-en getraliede vensters, hare vooruitspringende torentjes en hare
-zware balken op het binnenplein van een klooster. Vruchteloos riep
-ik om een bediende, wat mij des te pijnlijker was, daar ik zag, dat
-ik een voorwerp van de nieuwsgierigheid van verscheidene mannelijke
-en vrouwelijke dienstboden werd, die het hoofd uit verschillende
-gedeelten van het gebouw staken, maar het, even als konijnen
-tusschen struiken, dadelijk weder terugtrokken, zoodra ik naar hen
-opzag. De terugkomst der jagers en honden hielp mij eindelijk uit de
-verlegenheid. Niet zonder moeite verkreeg ik van een boerenknaap dat
-hij mij de paarden afnam, en van een anderen mij naar het kasteel
-te brengen, waar ik mij aan mijn oom wilde voorstellen. Deze knaap
-nam daarbij het voorkomen aan, alsof hij door mij gedwongen werd,
-mij naar een vijandelijken voorpost te vergezellen. Ik had werk,
-om hem het ontsnappen te beletten.
-
-Verscheidene gewelfde gangen, die naar de »steenen zaal," zoo als hij
-het noemde, leidden, moesten wij doorloopen, tot wij ons eindelijk
-in een ruim, gewelfd vertrek met een steenen vloer bevonden. Eene
-rij van eikenhouten tafels, allen zoo zwaar en zoo groot, dat
-zij nauwelijks verplaatst konden worden, was reeds gedekt. Deze
-eerbiedwekkende zaal, sedert eeuwen het tooneel der tafelgenoegens van
-mijne voorvaderen, bevatte ook nog vele bewijzen van hunne voormalige
-jachtbedrijven. Talrijke geweien van herten en reeën versierden de
-wanden, en daartusschen prijkten opgezette dassen, otters, bunsings
-en dergelijke roofdieren. Te midden van oud wapentuig, dat misschien
-eens tegen de Schotten gediend had, zag men ook allerlei wapenen
-van de edele jacht. Handbogen, geweren met enkele en dubbele loopen,
-weitasschen, netten, otterspiesen en vele andere werktuigen om het
-wild te vangen en te dooden. Eenige oude, dik berookte en met bier
-bevlekte schilderijen hingen hier en daar in het rond. Men zag er
-ridders en dames, zonder twijfel in hun tijd zeer geëerd en beroemd;
-de eerste met vreeselijke knevelbaarden en grimmige gezichten, de
-laatste met een zoet lachje op het beminnelijke gelaat, en wangen
-bloeiend als de rozen, die zij in hare hand hielden.
-
-Ik had juist even tijd gehad, om deze merkwaardigheden vluchtig
-te bezien, toen een twaalftal bedienden in blauwe kleeding, onder
-veel geraas en gekakel binnenstormden, ieder nog meer bezig met
-zijn makkers te beduiden wat zij doen moesten, dan zelf iets te
-verrichten. Sommigen brachten blokken hout en spaanders voor het vuur,
-dat sterk rookte op den haard. De schoorsteenmantel was zoo groot,
-dat er een steenen bank onder kon staan. Boven den haard was in roode
-steen, tot sieraad, op vrij plompe manier het geslachtswapen mijner
-familie uitgehouwen. Het kunstwerk had echter deels door den invloed
-van den rook, deels door den tand des tijds, zeer geleden. Andere
-bedienden, zeer ouderwetsch gekleed, brachten dampende, met voedzame
-spijzen beladen schotels op. Weer anderen droegen bekers, kannen en
-flesschen aan met allerlei soorten van drank. Toen nu eindelijk,
-na veel gehaspel en gedruisch, het ruime maal opgedischt was,
-hoorde ik plotseling een luid geschreeuw en gepraat van menschen,
-en een geweldig geblaf van honden, vermengd met het klappen van
-zweepen en het dreunen van zware laarzen, die mij aan den Steenen
-Gast herinnerden. Dit alles kondigde de komst der jagers aan, voor
-wie het feest bereid was. Nu begon de drukte, het geroep en geraas der
-dienstboden op nieuw, en wel nog erger dan te voren. Sommigen spoorden
-hunne makkers tot spoed aan. Anderen waarschuwden hen, vooral bedaard
-en voorzichtig te zijn. Weer anderen stieten elkander telkens terug
-of op zijde, om den binnenkomenden gasten plaats te maken. Sommigen
-omringden de tafel; anderen plaatsten zich bij de vleugeldeuren,
-die de zaal van een zwart geverfd zijvertrek scheidden. Eindelijk
-werden die vleugeldeuren opengerukt, en nu stormden honden en menschen
-binnen.--Ik zag acht honden, den huiskapelaan, den dorpsgeneesheer,
-mijne zes neven en mijn oom, achtereenvolgens binnenkomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
- Het dreunt in 't oud en ruim gewelf.
- Een bonte rij van krachtige gestalten,
- In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,
- Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.
- Met krijgsmans zelfbewustheid--zoo schreden zij naar binnen.
-
- (Penrose.)
-
-
-Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de
-gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden,
-om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht
-had ontvangen.--»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen,"
-zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene
-u"! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op
-stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival,
-uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred
-en--waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg
-met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig
-van uw broeder zien--zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader
-dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den
-ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen,
-en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat
-is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste
-meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien."
-
-Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham,
-moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger
-was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was
-geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren
-had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote
-garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij
-ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling
-diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus
-II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot
-den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende
-vooruitzichten schenen geopend te zijn--zij verdwenen geheel en al met
-de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon
-stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op
-zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch
-had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen
-zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide
-Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen
-de ruwe steenklompen van Stonehenge. Want zijne zonen waren logge
-wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeelden kan. De vijf
-oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het
-ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle
-uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men
-in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet
-aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid
-was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne
-plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op
-kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die
-van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.
-
-Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare
-voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had
-willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten
-opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later
-ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken
-aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij
-zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had,
-allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig
-geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats
-van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad
-Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman
-teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In
-vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen
-af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen
-wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd,
-jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten
-hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste
-kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden,
-dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als
-men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat,
-die met het een of ander lichaamsgebrek behept is. Anderen waren van
-een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade
-gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag,
-om hem het priesterambt te ontzeggen.
-
-De trekken van Rashleigh's gelaat waren van dien aard, dat men ze,
-als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen:
-telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid,
-ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het
-was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan
-wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins
-gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets
-belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en
-sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig
-getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest
-gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel,
-waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor
-deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en
-welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en was tevens nooit om
-woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij
-zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana's opmerking,
-dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade
-ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.
-
-Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die
-als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke
-tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in
-te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik
-voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne,
-om deze aangename schikking te bevorderen.
-
-»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken," zeide
-zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen
-Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen
-vestingmuur en vijandelijk geschut."
-
-»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde
-ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen."
-
-»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch,
-bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind."
-
-»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen
-er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden,
-kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking
-vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het
-noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en
-klassificeeren."
-
-»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en
-dezelfde soort te zijn."
-
-»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor,
-jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen
-gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke
-hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor
-iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel
-eene aangename variatie."
-
-»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie
-vragen."
-
-»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot
-vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan
-weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een
-domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde
-Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek;
-John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de
-meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer:
-dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van
-dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men
-hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan."
-
-»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk tot
-een merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor
-sir Hildebrand?"
-
-»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom," antwoordde Diana:
-»ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die
-ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren
-kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken."
-
-Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten
-minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij
-een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!
-
-»Gij denkt zeker over mij," zeide Diana, terwijl zij haar donker oog
-op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.
-
-»Dat deed ik ook," antwoordde ik, een weinig verlegen over de
-onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende
-wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan
-iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik
-zoo dicht naast mij is!"
-
-Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar
-gelaat eigen was.--»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer
-Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus
-aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge
-heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de
-glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de
-gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw
-voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie
-gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij
-zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed."
-
-Ik zweeg beschaamd.
-
-»Gij herinnert mij," vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon,
-»aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld,
-dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag
-veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad
-van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene
-zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige
-onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze
-dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen,
-alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken
-zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel
-beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik
-een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als
-met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik
-van u houden zal!"
-
-»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan
-uw wil te doen gehoorzamen," antwoordde ik.
-
-»Daar hebt ge het al weder!" hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik
-heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van
-vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollen
-beker--dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan,
-zal ik u zeggen wat gij van mij denkt."
-
-Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene
-tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich
-het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne
-rechterhand, en Richard aan Diana's linkerhand, wijdden zich zoo geheel
-aan de ontzaglijke massa's, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden,
-dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk
-konden praten.
-
-»Mag ik nu,"--zoo begon ik--»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt,
-dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle
-loftuitingen verboden."
-
-»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs
-uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw
-hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij
-houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje
-behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne
-vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl
-ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer
-sekse" noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb,
-om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt
-mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of
-gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid,
-die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar
-weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie
-even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra
-Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid
-tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan
-gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets
-verteld hebben."
-
-»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle
-kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze
-ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens,
-waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?"
-
-Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij
-antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van
-Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde
-geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed
-lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt."
-
-»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot
-heen, dat ons scheidt," antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh's
-stoel ledig was; hij is reeds vertrokken."
-
-»Wees daarvan nog niet zoo zeker," zeide Diana. »Luister naar mijn
-raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel
-waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten
-top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog
-niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister
-niet over zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester:
-thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als
-wij binnen kort van elkander scheiden."
-
-»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?"
-
-»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw
-vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn
-broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast
-zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde,
-om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door
-uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al
-de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen,
-waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten
-tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering
-niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan
-te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan
-Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat,
-dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te
-rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke
-priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou,
-dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige
-tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van
-vernedering verleende."
-
-»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer
-wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?"
-
-»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten
-minste ik houd het daarvoor," antwoordde Diana. »Hij is de jongste
-van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte
-heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en
-toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te
-onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar
-verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen
-dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben."
-
-»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen," antwoordde ik
-glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak
-van zijne veranderde positie!"
-
-»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel,
-of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat
-vergelden.--Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor
-kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om
-zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het
-vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort,
-moet ik mij dus verwijderen."
-
-Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd
-over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en
-vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die
-gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor
-zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woorden
-overgebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid
-en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En
-door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit
-gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd
-en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een
-jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem
-ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen,
-geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig
-meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene
-stijfheid behandelde. Integendeel, Diana's vertrouwelijkheid was
-even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat
-zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist
-geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch
-gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf
-in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van,
-dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte,
-die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de
-vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne
-ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid,
-door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd,
-gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare
-bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd
-door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus
-van een vriend nog sterk verhoogd.
-
-Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk
-rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van
-onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone
-ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het
-drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht
-van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan
-de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal
-uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van
-de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen,
-zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.
-
-Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het
-heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne
-vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter
-mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar
-ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet
-naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster,
-dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan
-zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een
-oogenblik te bedenken, moedig uit.
-
-»Hij is ons ontsnapt!" riepen mijne vervolgers achter mij. Nu
-liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid
-zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij
-bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne
-overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.
-
-Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof,
-ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn
-arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!"
-
-»Goeden avond, mijnheer!" antwoordde hij, zonder op te zien, met een
-accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.
-
-»Gij hebt mooi weder voor uw werk."
-
-»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!" hernam
-de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder
-doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te
-zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig
-voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een
-geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij
-vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om
-van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den
-rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!"
-
-»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust
-te hebben, lang er voor op te blijven."
-
-»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het
-waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en
-gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij
-leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken
-en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken,
-van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk
-honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen--zij noemen het
-vastendagen, wanneer zij de beste visschen, forellen, zalm en tarbot
-oppeuzelen--zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel
-tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen
-en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken,
-want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?"
-
-»Ik niet, vriend," luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche
-Presbyteriaan."
-
-»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!" riep
-de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken
-slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts
-in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach
-een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.
-
-Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang
-op het kasteel Osbaldistone diende?
-
-»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de
-vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,"
-antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.
-
-»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven
-hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien
-langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt
-licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult
-en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrek aan bekwaamheid heeft
-u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden."
-
-»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken," antwoordde
-Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van
-het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspel
-Dreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste
-groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze
-vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar
-was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat
-ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde
-plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met
-Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu
-reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier,
-en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens,
-dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij
-wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren
-prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief
-tuintje en ongeveer tien pond 's jaars had, en waar geene vrouw was,
-die mij de appelen natelde--ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig
-dankbaar zijn."
-
-»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge
-die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult."
-
-»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De
-tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen
-iemand uit waardeering komen opzoeken."
-
-»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?"
-
-»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij
-heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen,
-dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en
-zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib
-van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens
-op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen
-drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng."
-
-»Gij vergeet uwe jonge meesteres."
-
-»Welke meesteres?"
-
-»Freule Vernon."
-
-»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede
-heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van
-een ander. Het is een wild, woest schepsel!"
-
-»Meent ge dat inderdaad!" vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman
-verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de
-geheimen van deze familie zeer goed bekend?"
-
-»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen
-bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule
-Diana is--maar wat gaat mij dat aan!"
-
-En nu begon hij weder ijverig te spitten.--»Wat is Freule
-Vernon?" vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en
-zou het dus gaarne weten."
-
-»Goed is anders, vrees ik," hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog
-dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo'n beetje
-schuin--gij verstaat mij wel, denk ik."
-
-»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij
-inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker
-wildet verklaren."--Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne
-ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig
-grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl
-hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop
-hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige
-plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn
-goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is...."
-
-Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken
-en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij
-nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen
-te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had,
-wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.
-
-»Goede hemel!" zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg
-verloren!"
-
-»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam
-en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik,
-is zij..."
-
-Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.
-
-»Wat is zij?" vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit
-alles eigenlijk moet verstaan."
-
-»Nu dan--zij is de allerheftigste Jacobietische van het gansche
-Graafschap."
-
-»Wat zou dat! eene Jacobietische? Is dat alles?"
-
-Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne
-gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.--
-
-»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen
-kan," mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging
-voort met spitten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
- Voor de deur de Sheriff wacht,
- Met dreigende soldaten-macht.
-
- Shakespeare.
-
-
-Het kostte mij bepaald moeite de kamer te vinden, die voor mij bestemd
-was. Ik moest mij zelf daartoe van de gewilligheid der dienstboden van
-mijn oom door de gewone onfeilbare middelen verzekeren. Eindelijk had
-ik ze gevonden. En ik sloot mij op, om voor het overige van den avond
-alleen te zijn. De toestand waarin ik mijne bloedverwanten verlaten
-had, en waarvan het gedruisch en gejoel van uit de eetzaal getuigde,
-deed mij begrijpen, dat die goede lieden thans geen passend gezelschap
-voor een nuchter mensch konden wezen.
-
-Waarom had mijn vader mij naar dit zonderlinge verblijf gezonden? Dit
-was natuurlijk de eerste vraag, die zich aan mij opdrong. De manier,
-waarop mijn oom mij in zijn huis ontvangen had, bewees duidelijk dat
-ik, naar zijne veronderstelling, een tijdlang zijn gast zou zijn. Maar
-het was even duidelijk, dat het hem totaal onverschillig was, of ik, of
-een van de blauw gerokte bedienden, bij hem was. In het gezelschap van
-mijne ongemanierde neven zou ik slechts kunnen afleeren, wat ik mij aan
-goeden toon en hoffelijke manieren had eigen gemaakt. In plaats daarvan
-zou ik mij kunnen oefenen in de kunst honden van den worm te snijden,
-paarden van den droes te genezen, vossen te jagen--anders niets.
-
-Slechts één motief voor de handelwijze mijns vaders kon ik mij als
-mogelijk voorstellen. Maar dit was buiten twijfel ook het eenige
-ware. Eene levenswijze, waartoe naar mijns vaders begrip iedere
-landjonker onvermijdelijk verviel, wilde hij mij duidelijk laten
-zien. En ik moest daarvan, zoo als hij vooruitzag, al spoedig afkeerig
-worden. Dan zou ik, kon het zijn, wel lust opvatten voor zijn eigen
-beroep. Rashleigh Osbaldistone moest intusschen ten onzent werkzaam
-zijn. Mijn vader had middelen genoeg bij de hand, om dezen, als hij
-weder van hem ontslagen wilde zijn, elders voordeelig te plaatsen. Wel
-maakte ik mij eenig verwijt, dat ik aanleiding gegeven had, dat
-een man, door Diana zoo ongunstig afgeschilderd, met mijns vaders
-zaken bekend zou worden, ja, misschien zelfs in diens vertrouwen
-zou deelen. Maar ik stelde mij weer gerust door de gedachte, dat
-mijn vader zich niet licht door iemand in de kaart liet kijken. Hij
-was niet gemakkelijk te bedriegen en evenmin te leiden op een weg,
-dien hij niet verkoos te gaan. En van wien had ik dan eigenlijk
-al het nadeelige, wat mij van den jongeling bekend was geworden,
-gehoord? Van een zonderling, opgewonden meisje dat zich tegen mij
-met zooveel onbezonnen vrijmoedigheid had geuit dat ik reden had te
-vermoeden, dat hare berichten volstrekt niet overdacht waren; niets
-anders dan lichtzinnig gebabbel misschien.
-
-Als van zelf begon ik nu over Diana na te denken, en over den
-zonderlingen toestand waarin zij slechts haar eigen overleg, haar eigen
-geest, tot leidsman en beschermer had. Ik stelde mij haar voor, met
-al hare moedwillige levendigheid, waardoor zij mijne nieuwsgierigheid
-opgewekt en mijne opmerkzaamheid geboeid had. Ik kon het mij niet
-ontveinzen, dat de nabijheid van dit vreemde meisje en de gemeenzame
-omgang met haar, mijn verblijf in het kasteel, wel is waar, aangenamer,
-maar ook des te gevaarlijker deed zijn. Wat intusschen het koele
-verstand mij ook voorhield, ik kon het maar volstrekt niet over mij
-verkrijgen, mij over het gevaar, waaraan ik bloot gesteld zou worden,
-ernstig te beklagen. Alle bedenkingen die zich aan mij opdrongen,
-wist ik op de gewone manier, zoo als meest alle jongelieden in zulke
-gevallen doen, uit den weg te ruimen: ik zou zeer voorzichtig, altijd
-op mijne hoede zijn; ik zou Diana meer als een goede bekende dan als
-eene vriendin beschouwen. Alles zou zich, naar het mij toescheen,
-zeer goed schikken. Onder deze overdenkingen sliep ik in, en Diana
-was natuurlijk mijne laatste gedachte.
-
-Of zij mij ook in den droom bezig hield, weet ik niet. Daar ik zeer
-vermoeid was, sliep ik vrij vast. Maar zij was weder mijn eerste
-gedachte, toen met het krieken van den dag de vroolijke tonen der
-jachthoorns mij uit den slaap wekten. Ik sprong op, liet mijn paard
-zadelen, en was binnen weinige minuten op het voorplein van het
-kasteel, waar ik menschen, honden en paarden in drukke beweging
-zag. Mijn oom scheen in zijn buitenlands opgevoeden neef geen zeer
-wakkeren Nimrod te veronderstellen. Althans hij zag mij min of
-meer verrast aan. Het kwam mij voor alsof zijn morgengroet niet zoo
-hartelijk en gastvrij was, als zijne eerste verwelkoming.
-
-»Reeds hier, jonge heer? Nu ja! op uwe jaren liet ik ook niet naar mij
-wachten. Maar neem u in acht en pas op, dat gij geen zandruiter wordt!"
-
-Welk jongmensch zou zich niet liever alles laten verwijten, dan te
-dulden, dat men hem voor een stumper in de edele rijkunst houdt! Ik
-wist, dat ik vrij goed in den zadel zat, en een weinig gevoelig over
-mijns ooms uitdrukking, verzekerde ik hem, dat hij mij steeds met de
-jachthonden vooraan zou vinden.
-
-»Wel, daaraan twijfel ik niet, mijn beste jongen!" antwoordde hij:
-»gij zijt zeker een knap ruiter, dat geloof ik gaarne; maar toch--wees
-op uwe hoede! Uw vader zendt u aan mij, opdat ik u aan den toom zou
-gewennen. Maar ik zal u wel op de stang moeten rijden; want anders
-zoudt gij misschien al heel licht doorslaan, eer ik er erg in had."
-
-Ik begreep niets van zijn woorden. Ze schenen echter niet als dadelijke
-waarschuwing, maar slechts in het voorbijgaan, zonder eenig bepaald
-doel, gesproken te zijn. Mijn oom zei eenvoudig luide, wat hij op
-dat oogenblik, zich zelven onbewust, dacht. Ik vermoedde, dat hij
-of op mijne vlucht uit zijn drinkgezelschap zinspeelde, of wel,
-dat de gevolgen van den nachtelijken roes hem min of meer ontstemd
-hadden.--Wil hij onvriendelijk als gastheer zijn, dan zal ik ook
-des te korteren tijd zijn gast blijven, dacht ik. Ik haastte mij om
-Diana mijn morgengroet te brengen, daar zij mij met veel hartelijkheid
-naderde. Ook tusschen mijne neven en mij had eene soort van begroeting
-plaats. Maar toen ik bespeurde, dat zij mijn gansche jachtkostuum, van
-den hoed af tot de stijgbeugels toe, boosaardig monsterden, en alles
-bespotten, wat voor hen een vreemd aanzien had, meende ik mij van de
-moeite te mogen ontslaan, om hun eenige bijzondere oplettendheid te
-bewijzen. Ik beantwoordde hun grijnzen en fluisteren met een blik van
-de grootste onverschilligheid en verachting, en wendde mij geheel tot
-Diana, als de eenige in het gansche gezelschap, in wier onderhoud ik
-belang stelde. Aan hare zijde reed ik naar het aangewezen jachtterrein,
-een dichtbegroeid bosch, dat langs uitgestrekte weiden liep. Onderweg
-betuigde ik haar mijne verwondering, dat ik neef Rashleigh niet in
-het gezelschap zag.
-
-»Och, hij is anders een geweldig jager," antwoordde zij; »een jager
-à la Nimrod, maar zijn wild is--de mensch."
-
-Door het geschreeuw der jagers aangemoedigd, renden de honden het bosch
-in.--Alles rondom mij was leven en beweging. Mijne neven, waren thans
-in hun waar element en hadden het veel te volhandig, dan dat zij zich
-met mij konden bemoeien. Slechts hoorde ik Richard, den roskammer,
-zacht tegen Wilfred, den gek, zeggen: »Let eens op, hoe spoedig onze
-Fransche neef zandruiter zal worden, zoodra het er op losgaat!"
-
-»Dat zou me ook niet verwonderen," antwoordde Wilfred; »kijk maar eens
-hoe mal zit hem de hoed op het hoofd, en wat is die raar opgetoomd!"
-
-Thorncliff, die, ofschoon op zijne eigene ruwe wijze, voor
-de bevalligheden zijner nicht misschien niet ongevoelig was,
-scheen daarentegen besloten te hebben, ons meer dan zijne broeders
-gezelschap te houden. Hij wilde zeker het oog houden op hetgeen er
-tusschen Diana en mij voorviel. Wellicht dacht hij ook zich met mijne
-verwachte jachtrampen te kunnen vermaken. Intusschen werden die hoop
-en verwachting geheel te leur gesteld. De vos werd opgejaagd. Maar
-ondanks Richard's ongunstige voorspelling, en Wilfred's schrandere
-aanmerking, dat mijn hoed mij mal op het hoofd en ik jongensachtig
-in den zadel zat, bewees ik mijne bedrevenheid in de rijkunst, tot
-groote verwondering van mijn oom en van de schoone Diana, en tot
-bittere ergernis van mijne neven. Men had den vos een vrij groot eind
-weegs hevig nagezet, doch hij wist zijne vervolgers te misleiden,
-en de honden verloren het spoor. Diana's gelaat verried, dat zij
-over Thorncliff's aanhoudende begeleiding ongeduldig werd; maar het
-levendige en driftige meisje was spoedig gereed, een wensch van het
-oogenblik door het eerste het beste middel te bevredigen. Zij zeide
-verwijtend: »Ik begrijp niet, Torncliff, dat gij den ganschen morgen
-achter mijn paard sukkelt. Gij weet toch wel, dat het vossenhol bij
-den molen niet gestopt is."
-
-»Daar weet ik geen woord van, ik zweer het u bij mijn ziel,
-nichtje! Integendeel, de molenaar heeft mij bij kris en bij kras
-verzekerd, dat hij het hol dezen nacht om twaalf ure gestopt heeft."
-
-»Och! wat ben je toch een goedgeloovige jongen! U op het woord van
-een molenaar te verlaten! En dan juist dit hol! Is de vos ons dit
-jaar niet reeds driemaal daar ontsnapt? Op uw schimmel kunt gij in
-tien minuten heen en weer zijn."
-
-»Goed, ik rijd naar den molen. Als de molenaar het hol niet gestopt
-heeft, dan zal ik den logenachtigen schurk doodranselen."
-
-»Niets meer? Welnu, dan komt hij er nog al genadig af. Maar haast u
-dan; er is geen tijd te verliezen!"
-
-Torncliff rende weg.--»Als de molenaar u eens duchtig afranselde, zou
-er waarlijk niet veel aan verbeurd zijn!" zeide Diana. »Intusschen
-moet ik den een zoowel als den ander onder behoorlijke subordinatie
-houden. Gij moet weten, dat ik hier een soort van regiment
-opricht. Torncliff wordt mijn opperwachtmeester, Richard mijn pikeur,
-en Wilfred met zijne holle afgebrokene tonen, die slechts drie
-lettergrepen achter elkaar kan laten hooren, mijn paukenslager."
-
-»En Rashleigh?" vroeg ik.
-
-»Rashleigh wordt mijn spion."
-
-»En is er voor mij geen ambt, schoone overste?"
-
-»Gij moogt kiezen, of gij betaalmeester of prijsrechter van het korps
-wilt worden. Maar zie eens, hoe de honden ronddwalen: kom, zij zijn
-het spoor geheel en al bijster, en zullen den vos zoo spoedig niet
-wedervinden. Volg mij, ik moet u een mooi uitzicht laten zien."
-
-Nu reden wij spoorslags een heuvel op, van welks top een zeldzaam
-fraai vergezicht zich voor ons uitbreidde. Zij zag rondom zich, of
-er ook iemand in onze nabijheid was, en toen zij hieromtrent gerust
-was, reed zij onder eenige berken, die ons voor de overige jagers
-verborgen.--»Ziet gij daar dien spitsen, bruinen, met heide bewassen
-heuvel, met eene witachtige vlek op de zijde?" vroeg zij.
-
-»Recht over die lange streek laagland? Zeer duidelijk."
-
-»Die witachtige vlek is eene rots, de Hawkesmore-rots genoemd, en
-die ligt reeds in Schotland."
-
-»Inderdaad? Ik had waarlijk niet gedacht, dat wij ons zoo dicht bij
-Schotland bevonden."
-
-»Zeer dicht bij: binnen twee uren brengt uw paard er u heen."
-
-»Wel mogelijk. Maar ik zal van het goede dier die moeite niet vergen,"
-antwoordde ik. »Naar het mij toeschijnt, zijn we er wel een uur of
-zes vandaan."
-
-»Ik geef u mijn paard, als gij het uwe soms niet sterk genoeg acht,"
-begon Diana weder. »Ik verzeker u nogmaals, dat gij binnen twee uren
-in Schotland zijt."
-
-»Maar ik heb volstrekt geen lust er te zijn. Ik zou den staart van
-mijn paard niet dwingen mij te volgen, als zelfs zijn kop reeds over
-de grenzen was. Wat zou ik in Schotland doen?"
-
-»Om het u ronduit te zeggen: voor uwe veiligheid zorgen. Verstaat
-gij mij nu?"
-
-»Volstrekt niet: uwe woorden luiden altijd raadselachtiger."
-
-»Waarlijk? Dan voedt gij of een zeer onbillijk wantrouwen tegen mij,
-en kunt beter huichelen dan Rashleigh Osbaldistone zelf; of gij weet
-in het geheel niet, waarvan men u beschuldigt. Gij kijkt mij zoo
-gemaakt ernstig aan, dat ik nauwelijks mijn lachen kan bedwingen."
-
-»Maar op mijn woord van eer, Freule Vernon," antwoordde ik, min of
-meer geraakt door haar kinderachtigen lachlust, »ik begrijp volstrekt
-niet wat gij meent of bedoelt. Het is mij aangenaam, dat ik u zulk een
-vroolijk tijdverdrijf verschaf, ofschoon ik niet weet hoe en waarom."
-
-»Hoor eens, het is hier waarlijk geen scherts, maar wel degelijk
-ernst!" zeide zij op een, haar zeker niet gewonen, ernstigen
-toon. »Het kan zijn, dat mijn gelaat dit tegenspreekt, doch in dat
-geval bedriegt het. Want ik ben wezenlijk zeer om u bekommerd. Antwoord
-mij openhartig: kent gij een en zekeren Morris, of hoe heet hij?"
-
-»Morris, Morris? Dien naam ken ik niet."
-
-»Bezin u wel. Hebt gij onlangs niet met iemand gereisd, die zoo
-heette?"
-
-»De eenige man, met wien ik eenigen tijd gereisd heb, was een kerel,
-wiens gansche ziel in zijn valies scheen te liggen."
-
-»Nu ja, even als de ziel van den licentiaat Pedro Carcias, die onder
-de dukaten van zijne lederen goudbeurs lag. Kortom, uw voormalige
-reisgenoot is van zijn valies beroofd, en heeft u als medeplichtige
-van den roof bij het gerecht aangegeven."
-
-»Gij schertst, maar op een heel zonderlinge manier."
-
-»Nogmaals herhaal ik, dat ik in vollen ernst spreek."
-
-»Hoe! gij, Freule Vernon," riep ik met eene opwelling van drift,
-welke ik niet onderdrukken kon--»gij kunt gelooven, dat ik zulk eene
-beschuldiging verdien?"
-
-»Kijk! als ik nu een man was, dan zoudt gij mij, op dit vermoeden,
-zeer zeker op den degen of het pistool uitdagen. Maar wilt ge zoo
-iets, ga uw gang. Ik neem uwe uitdaging aan; want ik kan even goed
-eene zwaluw in de vlucht schieten, als te paard over een hek springen."
-
-»Mooi zoo, ge zijt immers daarenboven overste van een regiment
-kavalerie?" antwoordde ik, daar het mij toch volstrekt niet baatte,
-dat ik op het ondeugende meisje boos werd.--»Maar, ik bid u, wat moet
-nu uwe scherts beteekenen?"
-
-»Moet ik het u dan honderd maal herhalen? Ik scherts niet. Men
-beschuldigt u van dezen man beroofd te hebben; mijn oom gelooft het
-stellig; en ik--mag ik er aan twijfelen?"
-
-»Waarachtig, ik ben mijne vrienden zeer verplicht voor den goeden dunk,
-dien zij omtrent mij koesteren!"
-
-»Nu, nu! kijk maar niet zoo boos--ik heb nog geen order om u te
-arresteeren. Intusschen is de gepleegde roof geen gewone--laat mij
-zeggen: geen gemeene diefstal. De man had geld van de regeering
-bij zich, in contanten en in wissels, tot betaling der troepen in
-Schotland. Ja, men zegt, dat men hem ook zeer gewichtige depèches
-ontnomen heeft."
-
-»Ik word derhalve niet van enkel diefstal of roof, maar van hoogverraad
-beschuldigd?"
-
-»Geraden! Maar gij weet ook dat deze misdaad ten allen tijde door zeer
-fatsoenlijke lieden gepleegd werd. Hier te lande zult gij zeer vele
-menschen vinden, bij voorbeeld iemand, die niet ver van uw elleboog
-verwijderd is, die het als een verdienstelijk werk zou beschouwen,
-de regeering van het huis van Hannover op alle mogelijke wijzen
-te benadeelen."
-
-»Laat mij u zeggen, dat noch mijne staatkunde, noch mijne eerlijkheid,
-zulke daden zouden vergoêlijken."
-
-»Ik begin waarlijk te gelooven, dat gij in vollen ernst een
-Presbyteriaan en Hannoveraan zijt.--Maar wat zult gij nu doen?"
-
-»Wel, ik zal dadelijk den afschuwelijken laster wederleggen. Bij wien
-is de zonderlinge aanklacht ingediend?"
-
-»Bij den ouden rechter Inglewood, die ze ongaarne
-aannam. Waarschijnlijk heeft hij mijn oom onder de hand laten weten,
-dat men u naar Schotland moest zien weg te helpen, opdat gij het bevel
-tot uwe gevangenneming ontloopen zoudt. Doch mijn oom weet zeer goed,
-dat hij, wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan het oude, bij
-de nieuwe regeering in geen goed blaadje staat. Zoo het ontdekt werd
-dat hij u in uwe vlucht behulpzaam was geweest, zou hij bepaald gevaar
-loopen, om als Jakobiet, papist en verdacht persoon ontwapend, en--wat
-het allerergste voor hem zoude zijn!--van zijne paarden beroofd te
-worden [5].
-
-»Dan begrijp ik zijn vrees. Liever dan zijne jachtpaarden verliezen,
-zou hij zijn neef opofferen."
-
-»Een neef! Tien neven, nichten, zonen, dochters indien hij ze had,
-ja, zijne gansche familie. Vertrouw niet op hem, geen enkel oogenblik,
-maar maak, dat ge weg komt, vóór dat de machtige arm der gerechtigheid
-u achterhaalt."
-
-»Wegsnellen? Welzeker, maar--regelrecht naar de woning van den ouden
-Inglewood. Waar ligt ze?"
-
-»Omtrent twee uren van hier, beneden in 't gindsche dal, achter het
-bosch. Daar ziet gij het torentje."
-
-»Binnen weinige minuten ben ik er," antwoordde ik en maakte mij gereed,
-om spoorslags weg te rennen.
-
-»Goed, maar ik zal u vergezellen, ik zal u den weg wijzen!" zei Diana
-met drift, en zette haar paard dadelijk aan.
-
-»Neen!" riep ik, »dat niet! Vergeef een oud vriend zijne vrijmoedige
-aanmerking. Maar het zou met alle welvoegelijkheid, ja zelfs met alle
-vrouwelijke kieschheid strijden, indien gij mij bij deze gelegenheid
-vergezeldet."
-
-»Ik versta zeer goed, wat gij zeggen wilt," antwoordde Diana en
-een zacht rood vloog over haar trotsch voorhoofd. »Het is openhartig
-gesproken en"--voegde zij er na een poos zwijgens bij--»naar ik geloof,
-ook goed gemeend."
-
-»O, freule, denk niet dat ik gevoelloos of ondankbaar ben voor de
-deelneming, welke gij mij bewijst!"--hernam ik, met meer warmte dan
-ik eigenlijk wenschte te verraden: »uwe aanbieding spruit uit ware
-welwillendheid voort, welke men 't best in nood leert kennen. Maar om
-u zelve, en daar men het ten kwade, ja zeer boosaardig, zou kunnen
-uitleggen, mag ik niet toestaan, dat gij, in dit geval, in eene
-zoo leelijke aangelegenheid den drang van uw edelmoedig hart gehoor
-geeft. Het zou immers bijna precies zijn, alsof gij voor het gerecht
-aan mijn zij gingt staan."
-
-»En als het nu eens niet bijna, maar volkomen zoo ware, meent gij dan,
-dat ik niet zou medegaan, zoodra ik dat voor plicht hield, als ik een
-vriend wilde beschermen? Gij hebt niemand, die u verdedigt. Gij zijt
-een vreemdeling, en hier aan de grenzen van Engeland, veroorloven de
-landrechters zich vaak ongehoorde dingen. Mijn oom heeft geen lust om
-zich met uwe zaak te bemoeien; Rashleigh is afwezig, en al ware hij
-ook hier, wie weet welke partij hij zou kiezen? Wat de overige leden
-van onze familie betreft, de een is al dommer dan de ander. Ik ga met
-u. Ik ben niet bang. Ik ben blij, dat ik in staat ben, u van dienst
-te zijn. Waarlijk, mijnheer Osbaldistone, ik ben zulk een overdreven
-teergevoelig meisje niet, dat ik voor wetboeken, norsche woorden en
-rechterspruiken terugdeinzen zou."
-
-»Maar, waarde freule Vernon."
-
-»Maar, waarde mijnheer Frans! Wees nu geduldig en bedaard. En laat
-mij mijn eigen gang gaan. Als ik mij dat eenmaal voorgenomen heb,
-dan blijft het zoo."
-
-Dat dit beminnelijke meisje zoo in mijn lot deelnam, was voor mij zeer
-vleiend. Maar ik besefte tevens, welk eene bespottelijke figuur ik
-maken zou, als ik een achttienjarig meisje als advokaat medebracht. Ik
-was zeer bezorgd, dat men hare beweegredenen verkeerd uitleggen zou. Ik
-trachtte haar met alle mogelijke welsprekendheid het besluit, om mij
-te vergezellen, te ontraden. Maar het eigenzinnige meisje verklaarde
-ronduit, dat al wat ik aanvoerde niets baatte. Geen bezwaar ter wereld
-zou haar bewegen, een in nood verkeerenden vriend te verlaten; zelfs
-niet, wanneer hij meende, dat zij hem weinig hulp kon brengen. Al,
-wat ik haar zeggen kon, voegde zij op zeer stelligen, maar hartelijken
-toon er bij, mocht zeer goed zijn voor teergevoelige dametjes, fijn
-gevormd, in eene kostschool in de stad naar al de regels der meeste
-kieschheid opgevoed. Voor haar beteekende dat alles niets en zij had
-zich reeds sinds lang gewend, haar eigen zin te volgen. En dat zou
-zij nu ook doen....
-
-Terwijl wij spraken, kwamen wij de woning van den rechter Inglewood
-al naderbij. Om mij van alle verdere tegenbedenkingen af te leiden,
-begon zij een grappig portret van den rechter en zijn klerk te
-maken. Inglewood was, volgens hare beschrijving, een schoon gewasschen
-aanhanger van den onttroonden koning. Hij had, evenals de meeste
-landedellieden, langen tijd den eed van getrouwheid geweigerd. Maar
-nu onlangs had hij aan de tegenwoordige regeering dan toch trouw
-gezworen, en was kort daarop vrederechter geworden. Tot dezen stap
-had hem het dringende aanzoek der overige landjonkers bewogen,
-die met leedwezen zagen, dat hun jachtrecht in verval zou geraken,
-wanneer een rijksambtenaar het niet behoorlijk handhaafde. Want
-de naaste vrederechter, die in Newcastle woonde, at het gedoode en
-lekker toebereide wild veel liever op, dan dat hij voor het behoud
-van het levende zorgde, zoodat hij de wilddieven meer hielp dan de
-jagers. Zij besloten dus, dat iemand uit hun midden zijn Jakobitisme
-aan het algemeene welzijn ten offer moest brengen, en daartoe werd
-met eenparige stemmen Inglewood gekozen. Daar hij van vrij lauwe
-politieke gevoelens was, vond men hem zonder veel stribbeling gereed
-van politiek geloof te veranderen. Tot zijn handlanger had hij, als
-griffier, een sluwen rechtsgeleerde, Jobson, die in zijn naam met
-de gerechtigheid een aardigen kleinhandel dreef. Want zijn inkomen
-had hij geheel uit de rechtszaken, welke van tijd tot tijd voor zijns
-meesters rechtbank dienden. Geen wonder dus, dat hij dag en nacht zich
-beijverde om de boeren tegen elkander in het harnas te jagen, en met
-Argus-oogen te loeren, of er niet hier of daar iets voorviel, waarbij
-de wet tusschenbeide kon komen. Ja, in den omtrek van tien mijlen kon
-geen rekening gesloten worden, zonder dat debiteur of crediteur voor
-den vrederechter verscheen. Maar de allerbespottelijkste tooneelen
-hadden plaats, wanneer deze of gene zaak te beslissen was, waarin
-men iets staatkundigs vermoedde.--»Jobson," vervolgde Diana, »ijvert
-allergeweldigst voor het Protestantsche geloof;--ook is hij een groot
-vriend van de tegenwoordige orde van zaken met betrekking tot de kerk
-en den staat. Nooit zit de arme jonker in grootere verlegenheid,
-dan wanneer de ijver van zijn handlanger hem in gerechtelijke
-handelingen wikkelt, die met zijne vroegere politieke gevoelens in
-verband staan. Wel heeft hij die openlijk afgezworen, om de kracht
-der wet tegen onrechtmatige dooders van veldhoenen, korhoenen,
-patrijzen en hazen te handhaven, maar hij is er nog onwillekeurig
-steeds aan gehecht. In zulke gevallen behelpt de goede Inglewood zich
-doorgaans daarmede, dat hij aan zijn aangeboren eigenschap: luiheid
-en afkeer van elken arbeid, toegeeft. Evenwel moet gij niet gelooven,
-dat deze werkeloosheid uit sufheid van geest ontstaat. Volstrekt
-niet, want voor een man, die zijn hoogste geluk in eten en drinken
-vindt, is de oude heer al zeer opgeruimd en levendig. Dat vormt
-met den tragen gang zijner verrichtingen, een inderdaad zonderling
-contrast. Bij zulke gelegenheden gedraagt Jobson zich als een paard,
-dat veroordeeld is om eene zwaar beladen kar te trekken. Het geeft
-zich wel alle moeite om met zijn last voort te komen, doch de kar,
-die zelve niet medewerkt, is niet te bewegen. Ja, men heeft het oude
-paard, naar men vertelt, wel hooren klagen, dat dezelfde wagen der
-gerechtigheid, die bij zekere gelegenheden zoo moeilijk in beweging is
-te brengen, bij andere gelegenheden van zelf snel genoeg voortrolt en
-hem zijns ondanks mede voorttrekt: wanneer namelijk een ouden vriend
-een dienst bewezen moest worden. O ja! Dan heeft men den eerlijken
-Jobson wel eens onder een bedenkelijk hoofdschudden hooren zeggen:
-»Als ik zooveel achting niet had voor den jonker, ik zou hem, door
-een enkel woordje aan de regeering, een leelijke kool kunnen stoven.""
-
-De schoone Diana had juist met deze woorden hare beschrijving voltooid,
-toen wij voor de woning van den vrederechter Inglewood stonden. Het
-was een ouderwetsch, maar toch fraai en ruim gebouw.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
- »Gij kent de kunst van 't vechten,"
- Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.
- »Hoor," sprak de pleiter, »op mijn eer,
- Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!
- Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen
- Den stoutsten kamphaan hier te dagen."
-
- Butler.
-
-
-Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms
-liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis
-binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijne schoone
-reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen;
-terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.
-
-»Rashleigh,"--dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene
-vraag te doen--»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds
-met den rechter daarover gesproken?"
-
-»Ja!" hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de
-reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,"--met eene buiging tegen
-mij--»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij
-inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak."
-
-»Als vriend en bloedverwant," antwoordde ik, »moest het u integendeel
-spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet
-spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren."
-
-»Volkomen waar," hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders
-uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf
-in Schotland--slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware..."
-
-Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige
-voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte
-afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was,
-een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar
-beschamend te wederleggen.
-
-»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh," zeide Diana
-hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging
-onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn."
-
-»Gij, lieve nicht?" vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef
-even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund
-worden."
-
-»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer
-zien dan twee."
-
-»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!" hernam
-Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke
-teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag,
-dan de natuur hem geschapen had.
-
-Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en
-het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of
-wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van
-twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood;
-zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en
-scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren,
-welke hij--zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn
-bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest--met
-alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling
-van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed,
-ik wil het zoo hebben!"
-
-»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt
-onmogelijk," hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er
-bij voegde: »denk eens neef..."
-
-»Zijt gij razend?" viel Diana hem in de rede.
-
-»Denk eens," vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te laten
-storen, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe
-onschuld erken--waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn
-dan ik,--maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de
-gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene
-misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?"
-
-»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden,
-Rashleigh," hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat
-namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer
-uitgebreid is."
-
-»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan
-maken!" antwoordde Rashleigh.
-
-»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig,
-en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid."
-
-»Gij zijt eene dwingelandes, Diana," hernam hij met eene soort van
-zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden
-met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij
-moest echter niet hier zijn; gij weet het immers--gij moest niet! Keer
-dus met mij terug."
-
-En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij
-naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem
-in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te
-waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed
-op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare
-tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel
-strekken."
-
-»Gij moogt u verzekerd houden," was mijn antwoord, »dat ik daarvan
-evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde
-malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven."
-
-»Ik heb er over nagedacht," zeide Diana, na eene lange poos
-zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen
-der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen,
-maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!--Ik weet,"
-voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij,
-als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn."
-
-»Blijf dan, onbezonnen meisje!" riep Rashleigh; »gij weet maar al te
-wel, wien gij vertrouwt."
-
-En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken
-daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.
-
-»God dank, hij is weg!" zeide Diana; »nu dadelijk naar den
-vrederechter!"
-
-»Willen wij niet liever een bediende roepen?" vroeg ik.
-
-»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling
-overvallen. Kom!"
-
-Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een
-lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin
-zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan
-den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den
-jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed
-moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.
-
-»De goede man moet reeds gegeten hebben," zeide Diana; »ik dacht
-waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was."
-
-Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden
-nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur,
-den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel
-begeven. »Wacht hier," vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu
-moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht
-den ouden heer al te zeer verrassen."
-
-En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen
-of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren,
-wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die
-mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.
-
-»Gij wilt niet zingen, vriendje!" riep de vrederechter, »gij
-moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met
-echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen
-zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs
-aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet
-af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende
-verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!"
-
-»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!" hernam eene
-andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren;
-»mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan
-twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven: canet,
-dat is: dat hij zinge!"
-
-»Welaan, er uit met je lied!" viel de rechter in. »Of, bij
-St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg
-drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de
-vaste boete."
-
-Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door
-deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke
-jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het
-schavot zingt, hief hij aan:
-
-
- Verneemt, o menschen! thans mijn lied,
- Een droevig, allerdroevigst lied,
- Van den beruchten straatbandiet,
- Der reiz'gers schrik en zwaar verdriet.
- Tralali, Tralala, enz.
-
- Er gingen zes mannen zoo al te gaar
- Naar Kensington, van Brentfort maar.
- En plotseling stond de roover daar,
- Van dolken en pistolen zwaar.
- Tralali, Tralala, enz.
-
- De mannen, die zes, ze waren zat,
- Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.
- De roover brult: Je geld hier! Wat?...
- En ze beefden als een espenblad.
- Tralali, Tralala, enz.
-
-
-Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de
-verschijning van den roover zóó ontsteld zijn geweest, als de
-zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer
-binnengetreden, en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot
-Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven
-weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even
-gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde
-mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa
-op mijn schouders had.
-
-De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang
-reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen
-hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden
-zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier,
-die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de
-ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.
-
-Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden
-veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte
-af. »Mijnheer Inglewood," zeide ik overluid, »mijn naam is Frans
-Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling
-eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan
-een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben,
-deelgenomen hebben."
-
-»Mijnheer," antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken,
-waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een
-vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in
-vrede te eten."
-
-Inglewood's weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht,
-noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.
-
-»Vergeef mij, mijnheer," als ik eenigszins ongelegen kom. »Maar daar
-het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt...."
-
-»Gij vergist u zeer, mijnheer," viel Inglewood mij in de rede;
-»de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank
-voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de
-spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze
-niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust
-te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje
-wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie."
-
-»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer," begon de griffier Jobson
-thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag
-had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer
-is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der
-publieke veiligheid betreft--"
-
-»De duivel hale de publieke veiligheid!" riep de vrederechter ten
-hoogste misnoegd. »Ik hoop," voegde hij er schielijk bij, »dat niemand
-mij zoo'n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou
-dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik
-mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën,
-arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën,
-enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met
-het gansche vrederechterschap naar den Satan."
-
-»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te
-verliezen," hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat
-er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter,
-wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde
-rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt."
-
-»Nu dan," zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de
-waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn
-misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen,
-zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij
-ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone,
-dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?"
-
-»Ik, Mijnheer?" hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks
-eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan--ik heb volstrekt niets
-tegen dezen heer."
-
-»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en
-daarmede uit.--Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom,
-de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!"
-
-Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop
-vrij te laten.--»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?" zeide
-hij. »Hier is uwe eigene verklaring--de inkt is nauwelijks droog--en
-gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!"
-
-»Gij hebt goed praten!" hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik,
-hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van
-zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja,
-waarachtig, de deur..."
-
-De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.--
-
-»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!" zeide
-zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!"
-
-»Ei! Freule Diana!" riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen
-verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de
-schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste
-bloempje op Schotland's grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude
-vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom,
-als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij."
-
-»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open
-huis genoemd te worden," vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel,
-om uwe gasten te ontvangen!"
-
-»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben
-het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft
-hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde
-hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu,
-dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo
-zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden."
-
-»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!" antwoordde
-Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik
-ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem
-ook op den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders
-verdwaalt hij op de wijde vlakten."
-
-»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?" hernam de vrederechter,
-en neuriede:
-
-
- En zij wees hem den weg, en zij wees hem den weg
- En zij wees hem den weg door het veld!
-
-
-»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken
-is, mijn rozenknopje!"
-
-»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf,
-menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu
-maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen,
-dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen
-eens recht vroolijk zijn."
-
-»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen
-lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van
-uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met
-de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben
-ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij
-gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd
-hebben."
-
-»Met uw verlof, mijnheer Inglewood," zeide ik thans. »Ik weet immers
-nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht
-heeft."
-
-De griffier, die bij Diana's verschijning de zaak reeds had opgegeven,
-kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het
-allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.--»Gij weet," zeide hij
-tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd,
-niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet
-zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den
-griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen."
-
-De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door
-mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij
-onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk
-op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die
-plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed,
-als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij
-van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op
-een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard
-aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was,
-naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs
-in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord
-hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke,
-bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en
-gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten
-waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij
-van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem
-van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds
-beroofd had, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar
-in Schotland had moeten afgeven.
-
-Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de
-omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het
-recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik
-erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek
-had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of
-meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst
-van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid
-op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van
-elkander afscheid hebben genomen," voegde ik er bij, »heb ik mijn
-reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij
-toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk,
-dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand
-geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook,
-dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men
-een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam
-slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de
-ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen
-van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen,
-dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een
-getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben,
-en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis
-bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep."
-
-De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene
-snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te
-bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens
-welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in
-hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen
-mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens
-mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat
-ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik
-nu klaagde.
-
-Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet
-daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier
-diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van
-mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.
-
-Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen
-het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij
-gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet
-hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.
-
-Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij
-dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te
-ergeren. »Lieve Hemel!" riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan
-ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen
-uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!"
-
-»Dankje!" mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer
-dan genoeg!"
-
-»Maar het is een zaak van leven en dood!" riep de griffier.
-
-»In 's Hemels naam, als het dan niet anders kan!--Evenwel hoop ik,
-dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er
-niets mede te maken heb?" vroeg de heer Inglewood min of meer beangst.
-
-En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de
-nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem
-ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen.
-
-»Ga dan, ga dan!" riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut
-langer hier blijven."
-
-»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht
-zijn," zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur
-begaf;--»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en
-de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer
-Rashleigh aanmerkte,"--vervolgde hij veel zachter, maar het overige,
-wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.
-
-»Neen, zeg ik u, vriendje!" antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en
-moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een
-rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!--Welaan!" vervolgde hij,
-zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees
-niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje,
-voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te
-verfrisschen."
-
-Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin
-zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.--»Neen, mijnheer
-Inglewood," antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen
-liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil
-ik u gaarne bescheid doen," voegde zij er bij, terwijl zij een glas
-met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare
-schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was.
-
-Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade
-te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der
-hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was
-niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van
-den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig
-houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid,
-als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij
-vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot
-zoo iets gestemd waren.--
-
-»Maar voor den drommel, vriend Morris!" riep hij, »laat het hoofd
-niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste
-niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij
-niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij,
-mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet,
-die een eerlijk man zijn: »sta!" heeft toegeroepen. Ik herinner
-mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette
-hij--een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en
-gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijen tegenwoordig--wij
-waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens,
-mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat
-ik ook zeggen wilde--menige flesch heb ik met dien goeden jongen
-geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een
-gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen;
-overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in
-dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in,
-Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel
-zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte
-geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk
-spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen--de
-wet is gestreng--zeer gestreng--de ongelukkige Winterfield kwam aan
-de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van
-vrienden, van alle familiebetrekkingen--hij moest hangen, omdat hij
-een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja,
-gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en
-zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder,
-en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken."
-
-Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder
-op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar
-menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne
-verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters,
-die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had,
-en waarvan ik wilde vrijgesproken worden.
-
-Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een
-vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel
-komplimenten, de kamer binnen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
- Daar komt er een terug, zoo'n roover. Hier blijf 'k staan.
- Blijf ik zoo dicht bij 't huis, dan zal hij wel weer gaan,
- En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.
-
- De Weduwe.
-
-
-»Wat voor vreemdeling!" had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch
-niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders--"
-
-In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den
-Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had
-gesproken.--»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van
-belang, mijnheer de rechter," zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend
-verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer
-Morris," voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den
-man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten
-wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten."
-
-Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige
-ontroering.
-
-»Kom! wees toch een man, vriend!" vervolgde Campbell, »beef niet
-als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien,
-mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij
-gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer
-kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap
-zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn,
-u goede diensten te bewijzen."
-
-»Mijn--heer--Mijn--heer--," stamelde Morris, »ik geloof, dat gij
-een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja,
-mijnheer Inglewood," voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof
-waarlijk, dat die heer het is."
-
-»Maar wat wil die heer dan toch van mij?" vroeg de vrederechter
-eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg
-een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord
-laat komen."
-
-»Gij zult beiden verkrijgen," hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik
-kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u
-lastig te vallen."
-
-»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een
-Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij
-zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt."
-
-»Denkelijk heeft deze man," vervolgde Campbell, »u reeds verhaald,
-dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had,
-zijn valies kwijt te raken?"
-
-»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd," antwoordde
-de vrederechter.
-
-»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!" hernam Campbell; »dit was eene kiesche
-onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar
-ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven
-man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht
-te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze
-zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen,
-dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op
-uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde,
-maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik,
-door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te
-gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben."
-
-»Helaas, helaas! alles waarheid!" antwoordde Morris op die lange vraag,
-met neergebogen hoofd en op klagenden toon.
-
-»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken,
-dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te
-geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?"
-
-»Dat niemand daartoe beter in staat is--o ja, dat is ook al
-waar!" zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht.
-
-»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?" vroeg
-de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee
-roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij
-zijt beide sterke en flinke kerels."
-
-»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer," hernam Campbell, »als ik u zeg,
-dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en
-vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik
-hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben
-kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som
-gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen,
-en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor
-aan levensgevaar bloot te stellen."
-
-Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen,
-nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was
-tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken,
-en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner
-woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn
-mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven
-de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde
-aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij
-bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was
-dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.
-
-Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik
-een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit:
-»dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig."
-
-De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij
-veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken
-iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid
-verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen
-ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens,
-het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of
-plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en
-kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet,
-toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En
-nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt
-zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben,
-dit papier in te zien."
-
-De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt
-verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van--(den naam kan ik
-niet lezen) een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag
-is; dat hij voor zijne eigen zaken reist--enz. Gegeven in ons kasteel
-te Inver--Invera--rara. Argyle."
-
-»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,"--zeide
-Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij
-den hoed afnemen--»van Mac-Callum More zelven."
-
-»Mac-Callum--wie is dat?" vroeg de vrederechter.
-
-»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle."
-
-»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en
-een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714,
-toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik
-wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds
-een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de
-nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust
-en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden,
-dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen
-heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige
-lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende,
-mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die
-rooverhistorie weet!"
-
-»Met twee woorden, mijnheer," hernam Campbell, »zal ik u alles
-verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij
-zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd
-heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer
-heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig
-zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer
-Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn
-masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet," voegde hij er bij,
-terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde,
-»dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere
-gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er
-eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm,
-maar mijn reisgenoot volstrekt niet."
-
-»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen
-toe!" antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell
-met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb
-vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te
-herroepen,"--vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u,
-hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij
-insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij
-met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb
-groote haast."
-
-»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!" zei de vrederechter en wierp het
-papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij,
-mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest."
-
-»Ja," zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met
-een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide;
-»ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd,
-Morris, wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt,
-hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;--veilig,
-meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander
-afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden
-wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn."
-
-Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld
-misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen
-geheel besluiteloos.
-
-»Wees toch niet bang, zeg ik u!" herhaalde Campbell. »Ik zal woord
-houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of
-ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar
-goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den
-heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid
-bezit."
-
-Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok
-onder Campbell's geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw
-door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want
-ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming
-herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel,
-vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot,
-dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een
-eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind."--Meer
-hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan,
-dat beiden vertrokken waren.
-
-Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem
-met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige
-ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze,
-waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou.
-
-»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat
-last krijgen wegens de papieren!" zeide hij. »Eigenlijk had ik ze
-niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper
-beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen;
-heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar
-nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben,
-wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen
-en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster
-over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven
-halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben
-wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar
-flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven."
-
-»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod," antwoordde Diana; »maar
-zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel
-terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden
-is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij
-houdt van hem als van een zijner eigen zonen."
-
-»Ik wil het wel gelooven," zei Inglewood, »want toen zijn oudste
-jongen, Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak
-met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf
-als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij
-zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt
-had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar
-luister eens, heidebloempje," vervolgde hij en trok het meisje bij de
-hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden
-raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors
-uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van
-rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral,
-laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids,
-mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende,
-zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje."
-
-Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede
-Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij
-uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens
-jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den
-draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet
-iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met
-crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te
-steken. En deze goede Diana Vernon--zij is, om zoo te zeggen, op
-Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden,
-loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak
-deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf
-weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel
-moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in
-'sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins
-over. Ge kent immers 't versje wel:
-
-
- »In korten tijd verteert tabak,
- Zoo ook de mensch wordt oud en zwak
- Als 't vuur--der jeugd verdooft.
- En zoo ge 't niet gelooft,
- Dan zie die witte, droge asch
- Der grijsheid--op zijn hoofd."
-
-
-Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de
-vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet
-doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen,
-en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning.
-
-Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook
-iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom,
-die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn
-zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te
-vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd
-voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag,
-om het zwijgen dadelijk te willen afbreken. Eindelijk zeide Diana,
-hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet
-Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;--beminnen kan men
-hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen
-tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een
-acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden,
-dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is."
-
-»Gij gelooft dus," zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij
-zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo
-juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de
-valk de patrijs meevaart--dat die Campbell ook al een werktuig was
-van onzen neef Rashleigh?"
-
-»Ja, dat geloof ik inderdaad," hernam Diana. »Ik vermoed zelfs,
-misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik
-volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het
-huis van den vrederechter ontmoet had."
-
-»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone
-redster?"
-
-»Juist," antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die
-dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val
-mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen,
-dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen;
-gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt
-niet, dat gij er verder over spreekt.--Maar wie komt ons daar te gemoet
-rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!"
-
-Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij
-spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en
-hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden.
-
-»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!--ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie
-al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld
-gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten,
-wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als
-mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen
-neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank
-voor de klucht en neem mijn ontslag."
-
-»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet
-vasthechten, zou dat niet even goed zijn?" zeide Diana. »Maar hoe
-hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament
-te maken en te onderteekenen?"
-
-Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana
-zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne
-karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat
-ik hem te nietig achtte.
-
-»Wat? Rutledge?"--riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken
-vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloekte
-streken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien
-hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu."
-
-»Was het een logen, mijnheer Jobson!" vroeg Diana met gemaakte
-onnoozelheid. »Het is onmogelijk!"
-
-»En ik zeg het u, en herhaal het!" hernam de vertoornde griffier,
-»en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een' beunhaas
-noemde, ja, een' beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld
-te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar
-ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets
-behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn
-beroep--te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne
-bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste
-regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning
-Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie--onzen onsterfelijken
-redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen
-en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!"
-
-»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!" hernam
-Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te
-prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt,
-mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid
-niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien...."
-
-»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel
-moet mij zelfs durven dreigen--dat verzeker ik u, freule!"
-
-»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient," viel
-ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is
-zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel
-eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten
-met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven."
-
-»Hoe, mij--mij--mijnheer--mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?"
-
-»O ja, mijnheer!" hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den
-vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in
-geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene
-fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen."
-
-Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!" zeide zij; »de heer
-Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild
-niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit
-zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd
-van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem
-een onbeschoft mensch te noemen."
-
-»Zijne woorden raken mij niet," zeide Jobson eenigszins
-bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend
-scheldwoord--maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste
-soort: daarvoor zal de boer boeten;--boeten zal hij, even als iedereen,
-die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten
-einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven."
-
-»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!" zeide Diana. »Gij weet
-toch best, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is,
-zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen
-goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt,
-en wensch u van harte geluk met het verlies."
-
-»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik
-heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de
-Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter
-behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob
-I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken,
-gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in
-eigendom hebben:--de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed
-van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft--ik zeg het
-slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd
-zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde
-weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en
-wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens
-den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo
-spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan
-gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op
-die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te
-beproeven, tot aan de knieën door het water waden." [6].
-
-»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne
-Katholieke dwalingen!" zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw
-onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar
-huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson,
-gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!"
-
-»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!"
-
-Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.
-
-»Daar gaat hij heen, die stokebrand!" zei Diana, terwijl zij hem
-nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en
-hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen
-deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat
-voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde--want wat
-men ook zeggen moog', in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke
-geloof den voorrang."
-
-»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling
-te geven, die hij voelen zou!" antwoordde ik.
-
-»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!" hernam
-Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger
-geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben
-laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie
-dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de
-moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren."
-
-»En welke drie dingen zijn dat, freule?" vroeg ik zeer nieuwsgierig.
-
-»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?"
-
-»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?" antwoordde ik, haar wat dichter
-naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking
-volstrekt niet trachtte te verbergen.
-
-»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets,
-medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik
-een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten
-als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel
-lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u
-behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen
-volgden en toejuichten."
-
-»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet
-schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat
-het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft..."
-
-»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne
-voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere
-helft behoort."
-
-Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!" viel zij mij in de rede;
-»dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene
-aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon,
-dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om
-die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of
-gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht,
-zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot
-eene onderdrukte sekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan
-ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave,
-godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het
-mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in
-een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner
-voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene
-ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg:
-»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!""
-
-»Dit kwaad is te genezen!" zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden,
-raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer
-zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed
-werdt, en..."
-
-»Stil!" zeide Diana, den vinger op den mond leggende;
-»geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen
-verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste
-oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot
-den zegepralenden vijand overloopen."
-
-»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden
-bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten
-ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht."
-
-»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u,
-bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas
-moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een
-vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik
-mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak
-van mijn kommer mede te deelen."
-
-»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u,
-al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te
-wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is,
-hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al
-de Katholieken in Engeland, wier aantal hier--God zij met ons!--steeds
-nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk
-en staat, eigenlijk wenschen."
-
-»Welnu, luister!" hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien
-had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van
-nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een
-gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd
-en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten
-en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel
-woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij,
-maar voor anderen."
-
-»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat
-ik tevens nauwelijks zou geraden hebben."
-
-»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist--indien iemand wist, hoe
-moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd
-te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het
-niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel. Maar
-als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn,
-zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen,
-omtrent Rashleigh's deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en
-omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid
-opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over
-mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk
-wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik
-zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al
-verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt
-niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden."
-
-Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd
-daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde
-te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen,
-ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke
-vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich,
-voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij
-verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had,
-om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou
-willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne
-diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.
-
-»Ik dank u, ik dank u!" antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den
-logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe
-hij zich verplicht. Als ooit--ja hoe zou dat mogelijk zijn!--doch als
-ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of
-gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet
-boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij
-genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid
-kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik
-u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana's broeder waart."
-
-»En als ik uw broeder ware," zeide ik, »ik zou niet sterker dan
-nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen,
-of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?"
-
-»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op
-verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij
-laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist
-bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet
-liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd
-geplaatst."
-
-»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is
-geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook
-niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was,
-om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling
-niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen..."
-
-»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!" viel Diana mij in
-de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te
-veronderstellen. Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en
-nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks
-ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak,
-dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist
-bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken,
-om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn
-vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne
-omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen."
-
-»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!" zeide ik
-glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw
-vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn."
-
-Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde
-bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit
-stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze
-geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren.
-
-»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de
-boekenkamer," zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel
-over u ontfermen," voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken
-toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van
-den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met
-mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De
-boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel,
-waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar
-komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten,
-met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel
-verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne
-hoofden niet in aanraking."
-
-En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij
-het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
- Ik vond in 't groote huis een somber, kil vertrek,
- Waar niemand kwam--voor haar een heilig-stille plek.
- Want langs de breede wanden, stond plank bij plank, bevracht
- Met dat wat geesteshonger en zielepijn verzacht.
-
- Anonymus.
-
-
-Het was een groot, somber vertrek, de bibliotheek in kasteel
-Osbaldistone. Langs de wanden bogen oude eiken planken onder den
-last van zware boeken. Het waren meest dikke, aan de zeventiende
-eeuw zoo dierbare folianten. Daaruit hebben wij het grootste deel der
-wijsheid voor onze kwartijnen en octavo's getrokken, en wanneer onze
-zonen in nog hoogere mate tot het pygmeëngeslacht mochten behooren
-dan wij, dan zal die wijsheid, opnieuw gedistilleerd, zich ook nog
-verder tot duodecimo's en octodecimo's laten inkorten. De verzameling
-bestond grootendeels uit Grieksche en Romeinsche schrijvers, algemeene
-geschiedenis, en verder uit werken over de godgeleerdheid. Alles bevond
-zich echter in zeer groote wanorde. De priesters, die achtereenvolgens
-als kapelaans hadden dienst gedaan, waren verscheidene jaren lang
-de eenige menschen geweest, die dit eenzame verblijf betraden,
-tot eindelijk Rashleigh, door zijne zucht naar kennis gedreven,
-de eerbiedwaardige spinnewebben verwoestte, welke de boekenkasten
-bedekten. Dat deze jongman zich aan den geestelijken stand wilde
-wijden, was in zijns vaders oogen niet zoo erg dwaas, als wanneer
-een der andere afstammelingen zulk eene zonderlinge neiging had doen
-blijken. De oude sir Hildebrand gaf dan ook gaarne zijne toestemming,
-om de ouderwetsche kamer eenigszins meer bewoonbaar te maken. Evenwel
-zag ze er nog steeds zeer vervallen uit en verried in alle opzichten
-eene onvergeeflijke verwaarloozing, waartegen de diepe geleerdheid,
-welke hare wanden bekleedde, haar niet had kunnen beschermen. De
-behangsels gescheurd, wormstekige boekenplanken; de tafels en
-stoelen waren ontzaglijk groot, maar lomp bewerkt en waggelende,
-de vuurhaard door roest bijna geheel verteerd, terwijl zelden of
-nooit een steenkolen- of takkenbossenvuurtje er op flikkerde; al
-die dingen waren zoo vele overtuigende bewijzen van de minachting,
-met welke de eigenaars en bewoners van het kasteel Osbaldistone de
-schatten van geleerdheid beschouwden.
-
-»Waarschijnlijk zal u deze kamer niet erg bevallen?" zeide Diana,
-toen ik in het eenzame vertrek min of meer verwonderd rondzag. »Maar
-ik voor mij gevoel mij hier als in een klein paradijs; want ik noem
-het mijn eigendom en behoef niet te vreezen in deze stille afzondering
-gestoord te worden. Rashleigh deelde vroeger met mij dat bezit. Zoolang
-wij nog vrienden waren."
-
-»Zijt gij thans geene vrienden meer?" was natuurlijk mijne vraag.
-
-Met een schelmsch verbiedenden blik legde zij haren wijsvinger
-aan het kuiltje in hare kin.--»Wij zijn nog steeds bondgenooten,"
-zeide zij na eenig zwijgen, »even als andere verbonden mogendheden,
-door wederzijdsche belangen vereenigd. Maar ik vrees, dat het ook
-hier gaan zal als in andere dergelijke gevallen; het verbond heeft de
-vriendschappelijke gezindheden overleefd, waaraan het zijn oorsprong
-te danken had. Zoo veel is zeker, dat wij thans veel minder omgang
-met elkander hebben, en komt hij soms door die deur binnen, dan ga ik
-door deze er uit. Kortom, wij hebben bemerkt, dat wij in deze kamer,
-hoe ruim ze ook zijn moge, niet tegelijk plaats kunnen vinden, en
-Rashleigh, wien zijne zaken dikwerf elders roepen, heeft mij eindelijk
-grootmoedig zijne rechten afgestaan, zoo dat ik nu geheel alleen het
-werk voortzet, waarbij hij te voren mijn leidsman was."
-
-»En welk werk is dat, indien ik het vragen mag?"
-
-»Wees maar niet bang dat ik mijne kin zal aanraken. Zeer zeker
-moogt gij dat vragen. Wetenschappen en geschiedenis zijn mijne meest
-geliefkoosde studiën, ofschoon ook de dichtkunst en de oude schrijvers
-geenszins door mij veronachtzaamd worden."
-
-»De oude schrijvers? En gij leest die in het oorspronkelijke?"
-
-»O ja. Rashleigh, die vele kennis bezit, onderwees mij in het Grieksch
-en Latijn, en in de meeste talen van het beschaafde Europa. Gij moogt
-vrij gelooven, dat men zich ten opzichte van mijne opvoeding nog al
-eenige moeite heeft gegeven. Maar daarentegen versta ik niets van
-kantwerken, noch van borduren, noch zelfs van een pudding te maken. Ik
-kan, zoo als de dikke vrouw van onzen predikant onlangs zeer juist
-en beleefd opmerkte, niets nuttigs verrichten."
-
-»En wie heeft dan deze studiën voor u gekozen--Rashleigh, of gij
-zelve?"
-
-»Och! hm!" zeide zij, alsof zij weifelde mijne vraag te beantwoorden;
-»maar eigenlijk is het de moeite niet waard, mijn vinger op te
-heffen--gedeeltelijk hij, gedeeltelijk ik. Buiten 's huis leerde ik
-rijden, des noods een paard optoomen en zadelen, een geweer, zonder
-te knipoogen, afschieten, en alle dergelijke manhaftige oefeningen,
-die mijne ongepolijste heeren neven als het eenige doel van hunne
-bestemming beschouwen. Maar nu moest ik ook in huis, even als mijn
-eenige verstandige neef, Grieksch en Latijn leeren verstaan. Van den
-boom der kennis wilde ik plukken, welken gij, mannelijke geleerden,
-zeer gaarne voor u alleen zoudt willen behouden, ik denk uit wraak
-tegen onze gemeenschappelijke moeder, wegens haar aandeel aan de
-erfzonde."
-
-»Moedigde Rashleigh gaarne uwe neiging tot geleerdheid aan?"
-
-»Nu, hij wenschte mij tot zijne leerling te hebben, en kon mij
-trouwens, slechts die kundigheden mededeelen, welke hij zelf bezat. Het
-geheim om kanten lubben te wasschen of een zakdoek te zoomen, kon ik
-natuurlijk van hem niet leeren."
-
-»Nu, dan vermoed ik wel, dat de wensch, om zulk eene leerling te
-hebben, bij den leermeester zich vrij sterk gelden liet!"
-
-»Hoor eens, zoo gij naar Rashleigh's beweegredenen wilt beginnen
-te vorschen, dan zal ik mijne vinger weder aan de kin moeten
-leggen. Ik kan slechts dan openhartig zijn, wanneer er naar mijne
-eigen beweeggronden gevraagd wordt. Rashleigh heeft mij de boekenkamer
-afgestaan, en komt er nooit in, zonder mij vooraf verlof te vragen. Ik
-heb derhalve de vrijheid genomen, om die kamer tot eene bewaarplaats
-voor mijne eigen goederen te maken, zoo als gij zien kunt, als gij
-uwe blikken slechts eens in het rond wilt slaan."
-
-»Vergeef het mij, freule; ik vind inderdaad binnen deze vier muren
-volstrekt niets, wat ik, op het eerste gezicht, voor uw eigendom
-zou houden."
-
-»Waarschijnlijk, omdat gij geen herder of geen herderin op een
-borduurraam ziet, of een opgezetten papegaai, of een kooi met
-kanarievogels, of een werktafeltje, of een toiletdoos, of een gitaar,
-of een schoothondje met nog blinde jongen. Ja, van al die schatten
-bezit ik volstrekt niets," vervolgde zij na eenig zwijgen, toen zij,
-na deze lange optelling, weder adem had gehaald. »Maar daar staat
-het zwaard van mijn voorvader Richard Vernon, die bij Shrewsbury
-sneuvelde, doch naderhand erg belasterd werd door een moedwilligen
-knaap, met name William Shakespeare, die, bij zijne partijdigheid voor
-het heerschende huis van Lancaster en bij een zekere hebbelijkheid om
-alles levendig voor te stellen, in de geschiedenis alles het onderste
-boven, of liever het binnenste buiten gekeerd heeft. Naast het geduchte
-zwaard hangt het pantser van een nog ouderen Vernon: hij was page van
-den Zwarten Prins. Zijn lot was juist het tegenovergestelde van dat
-van zijn nakomeling, want hij mocht den zanger, die de moeite nam,
-hem in een gedicht te vereeren, meer voor den goeden wil, dan voor
-wezenlijke talenten, danken--
-
-
- »Aanschouw daar in den drom dien ridder, woest en wild,
- Die Vernon heet en 'n doedelzak voert in zijn schild.
- Hij schettert over 't stuivend slagveld heen.
- Hij schreeuwt met fluit en keel, terwijl zijn makkers rennen."
-
-
-»Zie hier eens het model van een nieuwen springriem, dien ik zelve
-heb uitgevonden. Daar hebt ge de kap en de schellen van mijn valk
-Cheviot, die zich zelf aan den snavel van een reiger spietste. Arme
-Cheviot! bij u vergeleken zijn alle overige valken slechts gieren
-en gemeene roofvogels. Ginds staat mijn jachtgeweer met een nieuw
-uitgevonden slot, en daar verder vindt gij nog meer dergelijke fraaie
-dingen. Maar waarom zou ik een en ander aanprijzen? Alles prijst hier
-zichzelf aan; vooral dit hier!"
-
-Bij die woorden wees zij op eene ouderwetsch gebeeldhouwde eikenhouten
-lijst, die een levensgroot portret omsloot, door van Dijck geschilderd,
-waarop met groote Gothische letters te lezen stond »Ver Non Semper
-Viret." [7] Ik keek haar aan. Zij las op mijn gelaat dat ik er niets
-van begreep.
-
-»Hoe," vroeg zij een weinig verrast, »is u de dubbelzinnige spreuk
-van ons geslacht niet bekend, en ons wapen, waarin de doedelzak
-prijkt?" vervolgde zij, terwijl zij het in de lijst gebeeldhouwde
-wapen wees, rondom hetwelk die woorden stonden.
-
-»Een doedelzak!" zeide ik; »daarvoor zou ik de figuur waarlijk
-niet aangezien hebben! Maar wordt niet boos over mijne onkunde,"
-vervolgde ik, toen ik zag, dat hare wangen min of meer begonnen te
-gloeien. »Het kan toch waarlijk mijn oogmerk niet zijn, uw wapen te
-bespotten; want ik ken niet eens mijn eigen wapen."
-
-»Wat? Gij zijt een Osbaldistone, en durft iets dergelijks
-bekennen!" riep zij uit. »Percival, Thorncliff, John, Richard, zelfs
-Wilfred zou hier uw leermeester kunnen zijn! Ja, de domste domheid
-zou u in dit opzicht beschaamd maken."
-
-»Met leedwezen beken ik, dat de geheimen, welke de grillige
-hieroglyphen der wapenkunde bedekken, voor mij even onverstaanbaar
-en onoplosbaar zijn, als het beeldschrift op de Egyptische pyramiden."
-
-»Hoe is het mogelijk!" riep Diana uit. »Zelfs mijn oom leest in de
-winteravonden een enkelen keer in Gwillyns Wapenboek. De heraldieke
-figuren niet te kennen! Waaraan heeft uw vader dan toch gedacht?"
-
-»Aan cijfers," antwoordde ik. »De minstbeduidende handelsrekening vindt
-hij belangrijker dan den ganschen wapentooi der ridderschap. Maar hoe
-diep onkundig ik ook in die edele kunst ben, bezit ik kennis en smaak
-genoeg, om deze heerlijke schilderij te bewonderen. Ik vind daarin uwe
-trekken weder. Welk eene vrije, edele houding! welk een rijke gloed
-van kleuren, welke onovertreffelijke vermenging van licht en schaduw!"
-
-»Is het wezenlijk eene fraaie schilderij?" vroeg Diana.
-
-»Ik heb," antwoordde ik, »van den beroemden meester zeer vele
-portretten gezien, maar niet één, dat mij zóó beviel."
-
-»Nu, ik versta even weinig van de schilderkunst, als gij van de
-heraldiek. Ik geloof echter hooger te staan dan gij, nu ik deze
-schilderij, zonder de eigenlijke waarde er van te kennen, toch heb
-kunnen bewonderen en lief krijgen."
-
-»Ja, ik erken dat ik mij nooit om doedelzakken en dergelijke
-wonderlijke afbeeldingen op ridderlijke wapens bekommerde, al weet
-ik, dat ze eens op het veld van eer en roem schitterden. Maar hun
-afbeelding, dit zult gij mij toch wel willen toestemmen, is voor
-den onkundige op verre na zoo aantrekkelijk niet, als eene fraaie
-schilderij. Wien stelt dit portret voor?"
-
-»Mijn grootvader," antwoordde Diana. »Hij werd in het ongelukkige
-lot van Karel I gewikkeld. Hij nam ook, helaas! deel aan Karels
-buitensporigheden. Het vermogen van onze familie onderging door zijne
-verkwisting eene aanmerkelijke vermindering en geraakte, onder het
-beheer van zijn zoon, mijn ongelukkigen vader, geheel verloren. Doch
-vrede zij met hen, die het verkregen hebben--het werd voor een edele
-zaak opgeofferd!"
-
-»Uw vader leed vermoedelijk door de burgeroorlogen van dien tijd?"
-
-»Juist, en hij verloor alles. Daarom is zijn kind eene afhankelijke
-wees. Zij moet bij vrienden haar brood zoeken, zich naar hunne
-luimen voegen en hunne neigingen in acht nemen. Evenwel ben ik er
-veel trotscher op, zulk een vader gehad te hebben, dan wanneer hij
-door een voorzichtiger, maar minder eerlijk gedrag, mij in het bezit
-van al de schoone heerlijkheden gelaten had, die eens het eigendom
-van zijn geslacht waren."
-
-Terwijl zij deze woorden zeide, kwamen de dienstboden met het eten,
-en ons gesprek ging tot onbeduidende onderwerpen over. Nadat wij vrij
-spoedig den maaltijd geëindigd hadden, berichtte ons de knecht, die
-den wijn op tafel zette, dat de heer Rashleigh wenschte te vernemen,
-wanneer wij hem konden ontvangen.
-
-»Zeg hem," antwoordde Diana den bediende, »dat het ons aangenaam zal
-zijn, hem terstond hier te zien. Geef nog een glas, zet een stoel en ga
-dan heen.--Gij moet met hem gaan, als hij weder vertrekt," vervolgde
-zij tegen mij. »In weerwil van al mijne mildheid, kan ik van de vier
-en twintig uren van elken dag niet meer dan acht aan één man vergunnen,
-en naar ik geloof, zijn wij reeds zoo lang bij elkander geweest."
-
-»O freule," zeide ik, »de tijd, die oude man met zijn zeis, is zoo
-snel voortgegaan, dat ik zijne schreden niet heb kunnen tellen."
-
-»Stil! Rashleigh komt!" zeide Diana, en schoof haar stoel van mij af,
-want ik had den mijnen langzamerhand nader bij haar geschoven.
-
-Een bescheiden kloppen aan de deur, een zacht openen op Diana's:
-binnen! en eene gemaakte zachtheid en nederigheid in gang en houding
-verrieden mij, dat de opvoeding, welke Rashleigh in het kollegie te
-St. Omer ontvangen had, volkomen overeenstemde met de manieren van
-een echten Jezuïet, zoo als ik mij die voorstelde. Ik behoef er niet
-bij te voegen, dat ik, als protestant, dit slag van lieden juist niet
-in de aangenaamste kleuren voor mij zag.
-
-»Waartoe aankloppen?" vroeg Diana. »Gij wist immers, dat ik niet
-alleen was."
-
-Dit zeide zij op eenigszins wreveligen toon, alsof zij gevoeld had,
-dat Rashleigh's voorzichtigheid en bescheidenheid een beleedigenden
-argwaan verried.--
-
-»Lieve nicht," antwoordde Rashleigh, zonder zijne stem of houding
-eenigszins te veranderen, »gij hebt mij zoo volkomen onderricht,
-hoe ik aan deze deur moet kloppen, dat de gewoonte bij mij tot een
-tweede natuur is geworden."
-
-»Oprechtheid acht ik hooger dan hoffelijkheid, dit weet gij!" was
-Diana's antwoord.
-
-»Hoffelijkheid is kiesch en aangenaam: zij ontleent haren naam van
-den hoveling en past daarom 't best voor een vrouwenvertrek."
-
-»Maar oprechtheid is eene ridderdeugd, en daarom mij veel aangenamer,"
-hernam Diana. »Maar laat ons een woordentwist afbreken, die voor
-uw neef hier volstrekt niets behagelijks kan hebben. Neem plaats,
-Rashleigh, en drink eens. Aan tafel heb ik de eer des huizes
-opgehouden; doe gij het nu."
-
-Toen Rashleigh ging zitten en zijn glas vulde, wendde hij zijne oogen
-van Diana af op mij. Hij kon, welke pogingen hij daartoe ook aanwendde,
-zijne verlegenheid niet geheel verbergen. Het scheen mij toe alsof
-hij onzeker, ongerust was, in hoe verre Diana mij haar vertrouwen
-had geschonken. Ik haastte mij dan ook, aan het gesprek zulk eene
-wending te geven, dat hij zijn argwaan, dat Diana mij soms iets van de
-geheimen mocht ontdekt hebben, welke tusschen haar en hem bestonden,
-spoedig zou laten varen.
-
-»Freule Vernon," begon ik, »heeft mij bevolen u, neef, mijn dank
-te betuigen, voor mijne spoedige bevrijding van die bespottelijke
-beschuldiging. Ten onrechte vreesde zij, dat mijne dankbaarheid
-niet warm genoeg zou zijn. Zij maakte ook mijne nieuwsgierigheid
-gaande, toen zij mij naar u verwees voor ophelderingen aangaande de
-gebeurtenissen van dezen dag."
-
-»Inderdaad?" antwoordde Rashleigh, en vervolgde, terwijl hij een
-zijdelingschen blik op Diana wierp; »ik had gedacht, dat freule Diana
-hier zelve de noodige verklaringen wel zou hebben gegeven."
-
-Nu vestigde hij zijne oogen wederom op mij, alsof hij op mijne
-gelaatstrekken had willen lezen of Diana's mededeelingen zoo beperkt
-waren geweest, als mijne woorden te kennen gaven. Uit Diana's
-oogen sprak onverholen verachting, toen zij zijn uitvorschenden
-blik ontmoette. Ik wist niet, of ik wel goed deed, zijn argwaan te
-wederleggen of te berispen. Ik zeide: »Als freule Diana goedvindt mij
-onkundig te laten, dan moet ik mij dit laten welgevallen. Maar gij,
-waarde neef, zult mij toch uwe inlichtingen niet willen onthouden, in
-de onjuiste veronderstelling, dat ik reeds iets van de zaak weet. Ik
-verzeker u op mijn woord van eer, dat ik evenmin als dit beeld,
-iets van het voorgevallene van dezen dag begrijp, behalve datgene,
-wat freule Vernon mij van uwe vriendelijke bemoeiingen gezegd heeft."
-
-»Die bemoeiingen heeft mijne lieve nicht zeer zeker veel te hoog
-gewaardeerd," hernam Rashleigh; »maar van mijn ijver om u behulpzaam
-te zijn, kunt gij trouwens geen te hoog denkbeeld koesteren. Ik zal u
-de eenvoudige waarheid zeggen. Ik reed spoorslags terug, om iemand van
-mijne bloedverwanten te ontmoeten, die met mij den borgtocht voor u kon
-op zich nemen. Dit was het natuurlijkste, of liever het eenige middel
-om u te helpen, dat mij op dat oogenblik voor den geest kwam. Toen
-ontmoette ik Cawmil--Colville--Campbell, of hoe hij anders heeten
-moge. Hij was, zoo als ik van Morris gehoord had, bij de aanranding
-tegenwoordig geweest. Ik bewoog hem, hoewel niet zonder veel moeite,
-zijn getuigenis tot uwe bevrijding af te leggen en daardoor zijt gij
-vermoedelijk uit uw onaangenamen toestand gered geworden."
-
-»Zoo? Dan ben ik u wel zeer verplicht, dat gij mij dien getuige zoo
-juist ter rechter tijd bezorgd hebt. Maar daar hij, zoo als hij zeide,
-een ongeluksmakker van Morris is geweest, begrijp ik waarlijk niet,
-waarom het u zoo veel moeite gekost heeft, om hem tot het afleggen
-van zijn getuigenis te bewegen. Het was toch zijn plicht zoowel om
-den waren dader aan den dag te brengen, als om een onschuldige van
-verdenking te bevrijden."
-
-»Gij kent den volksgeest niet van het land, waar die man geboren is,"
-hernam Rashleigh. »Geheimhouding, schranderheid en voorzichtigheid zijn
-daar de hoofdeigenschappen. Zij staan slechts onder den invloed van
-eene bekrompen denkende, maar vurige vaderlandsliefde. Dit gevoel is
-een soort van bolwerk, waarmede een Schot zich tegen alle aanvallen
-van een edel, menschlievend beginsel weet te beveiligen. Hebt gij
-dat bolwerk beklommen, dan vindt gij van binnen nog een andere, hem
-veel dierbaarder sterkte: de liefde voor zijn stadje, zijn dorp, of
-zijn geslacht. Bestorm dezen wal, en gij komt aan een derden: zijne
-genegenheid voor zijne bloedverwanten, vader, moeder, zonen, dochters,
-ooms, moeien, neven en nichten, tot in den negenden graad. Binnen deze
-grenzen beperken zich de maatschappelijke neigingen van een Schot. Zij
-gaan nooit tot andere voorwerpen over, totdat alle middelen, om in de
-binnenste kringen bevrediging te vinden, geheel uitgeput zijn. In deze
-kringen klopt zijn hart, en al zwakker en zwakker wordt elke polsslag,
-tot hij eindelijk op de uiterste grenzen bijna onmerkbaar wordt. Maar
-het ergste is, dat gij, na al deze geconcentreerde buitenwerken
-beklommen te hebben, aan eene veel hoogere en sterkere vesting in
-het binnenste komt, en dat is de eigenliefde van den Schot."
-
-»Gij hebt u zeer welsprekend en beeldrijk uitgedrukt!" zeide Diana,
-die hem blijkbaar met ongeduld had aangehoord; »maar tegen uwe
-redeneering zijn, meen ik, twee tegenwerpingen te maken. Vooreerst
-is ze niet waar, en ten tweede dient ze, zoo ze al waar mocht zijn,
-hier volstrekt niets ter zake."
-
-»Ik zeg u, schoone Diana," hernam Rashleigh, »dat mijne verklaring waar
-en bovendien hier geheel van toepassing is. Zij is waar: want gij zult
-mij toch wel willen toestemmen, dat ik land en volk nauwkeurig ken,
-en dat mijne schildering de vrucht van eene scherpe en aandachtige
-opmerkzaamheid is. Zij dient ter zake: want zij beantwoordt de vraag
-van mijn neef, en toont aan, waarom deze voorzichtige Schot aarzelde,
-daar onze bloedverwant noch zijn landsman, noch zijn stamgenoot is,
-noch tot een van de tallooze zijtakken behoort, waaruit de stamboomen
-aldaar bestaan. En omdat hij er bovendien geen persoonlijk voordeel
-van te wachten heeft, maar integendeel veel tijdverlies in zijne
-beroepsbezigheden moet vreezen--"
-
-»En andere onaangenaamheden, die misschien nog meer te duchten
-zijn!" viel Diana hem in de rede.
-
-»Welzeker, er kunnen allerlei lastige zaken uit ontstaan," hernam
-Rashleigh op denzelfden bedaarden toon. »Kortom, mijne ophelderingen
-toonen aan, waarom deze man, daar hij volstrekt geen voordeel te
-verwachten, maar wel degelijk eenige onaangenaamheden te duchten had,
-zich alleen na veel moeite van mijne zijde overhalen liet, om zijn
-getuigenis ten gunste van onzen neef af te leggen."
-
-»Ik heb de verklaring van den goeden Morris vluchtig ingezien," begon
-ik weder. »Het heeft mij zeer verwonderd, dat met geene enkele letter
-gewag er van gemaakt is, dat Campbell bij hem is geweest, toen hij
-door de roovers aangevallen werd."
-
-»Campbell had, zoo als ik van hem gehoord heb, zich door Morris
-plechtig doen beloven, van deze omstandigheid niet te zullen reppen,"
-antwoordde Rashleigh. »Waarom hij hem deze belofte afgedwongen heeft,
-kunt gij uit mijne gegeven wenken licht gissen. Hij wenschte op zijne
-terugreis naar huis door geen gerechtelijk onderzoek opgehouden
-te worden. Als het bekend geworden was, dat hij bij de aanranding
-tegenwoordig was geweest, zou hij in dat onderzoek gemengd zijn
-geworden, zoo lang hij zich nog in Engeland bevond. Maar laat hem
-maar eerst over de grenzen zijn, dan zal Morris zeker terug komen en
-alles zeggen, wat hij van hem weet, en misschien nog veel meer. Er
-komt nog eene andere omstandigheid bij. Campbell, die een vrij
-aanzienlijken handel in vee drijft, zendt dikwerf groote kudden
-naar Northumberland. Bij zulke belangrijke verzendingen zou hij
-zeer onvoorzichtig handelen, met de dieven hier te lande, die de
-wraakzuchtigste wezens ter wereld zijn, een oorlog te beginnen."
-
-»Dat wil ik bezweren," zeide Diana op een toon, die iets meer scheen
-te kennen te geven dan eene eenvoudige toestemming.
-
-»Ik wil gaarne gelooven," begon ik weder, »dat Campbell gegronde
-redenen gehad heeft, om van Morris geheimhouding te vorderen. Maar ik
-kan niet begrijpen, hoe hij zoo veel invloed op den man heeft kunnen
-verkrijgen, om hem tot het terughouden van zijn getuigenis in dit
-voorval te bewegen. Immers, Morris liep gevaar wantrouwen omtrent
-zijne eigen geschiedenis te verwekken."
-
-Rashleigh stemde toe, dat dit zeer zonderling was. Ja, het scheen hem
-nu te spijten, dat hij den Schot over deze omstandigheid, die hij
-zelf geheimzinnig vond, niet nader ondervraagd had. »Maar," voegde
-hij er schielijk bij, »zijt gij wel volkomen zeker, dat Morris in
-zijne verklaring volstrekt niets van Campbell gezegd heeft?"
-
-»Ik doorliep het papier wel is waar slechts vluchtig," antwoordde ik;
-»maar ik herinner mij nog levendig, dat ik er niets van dien aard
-in gelezen heb; of het moest zoo flauwtjes aangeroerd zijn, dat het
-mijne opmerkzaamheid ontsnapt is."
-
-»Juist, juist!" hernam Rashleigh, mij dadelijk bij het woord
-vattende, »dit zal het wezen. Er zal van die omstandigheid wel
-degelijk gewag gemaakt zijn, maar zoo ter loops, zoo vluchtig, dat
-het uwe opmerkzaamheid moest ontgaan. Voor het overige vermoed ik, dat
-Campbell van de vreesachtigheid van Morris partij heeft getrokken, om
-hem op zijne zijde te krijgen. De lafhartige man moet, zooals ik hoor,
-naar Schotland, om zekere kleine aangelegenheden voor de regeering
-te bezorgen, en onder zulke omstandigheden zou hij zeker niet gaarne
-met den geduchten Campbell op een onaangenamen voet willen komen. Op
-het gezicht alleen van dezen Herkules, moet hem het weinigje moed,
-dat hij bezit, geheel en al in de schoenen zinken. Gij zult toch wel
-opgemerkt hebben, dat Campbell in zijn voorkomen iets krijgshaftigs
-en in zijn toon en houding zelfs iets woests heeft."
-
-»Ik moet bekennen," hernam ik, »dat zijne houding mij wezenlijk vreemd
-toescheen. Zijn geheele voorkomen was in strijd met de bedaarde en
-erg vredelievende uitdrukkingen die hij bezigde. Is hij vroeger in
-krijgsdienst geweest?"
-
-»Ja--neen--Juist niet in krijgsdienst, maar hij heeft toch, meen ik,
-zoo als de meeste van zijne landslieden, de wapenen gevoerd. In het
-gebergte gaat men, schier van kindsbeen af tot aan het graf toe, met
-wapenen om. Nu gij toch uw reisgenoot kent, zult gij licht beseffen,
-dat hij, voornemens zijnde in zulk een land te reizen, elken twist
-met een inboorling zoo veel mogelijk tracht te vermijden. Maar ik
-zie, dat de wijn u niet meer smaakt. Och, ik ben eigenlijk ook een
-ontaarde telg van het geslacht Osbaldistone, voor zoover het de
-wijnflesch betreft. Gaat gij met mij naar mijne kamer, dan spelen
-wij een partijtje piket?"
-
-Wij stonden op om Diana te verlaten, die met in het oog loopende moeite
-zich telkens bedwongen had, om Rashleigh niet driftig in de rede te
-vallen. Toen wij wilden heengaan, barstte haar wrevel toch even los.
-
-»Uwe eigen scherpzinnigheid," riep zij mij luide toe, »zal u in staat
-stellen te beoordeelen, of dat, wat Rashleigh van Campbell en Morris
-gezegd heeft, waar of onwaar is. Maar in zijne honende uitdrukkingen
-tegen Schotland, heeft hij een valsch getuigenis tegen een geheel
-land gesproken, en ik bid u aan zijne verklaringen volstrekt geen
-gewicht te hechten."
-
-»Ik vrees, dat het mij misschien moeilijk zal vallen aan uwen raad
-te gehoorzamen," hernam ik, »want ik moet bekennen, dat mij bij mijne
-opvoeding juist geen te gunstig denkbeeld van onze noordelijke naburen
-werd ingeprent."
-
-»Vergeet dan in dit opzicht uwe opvoeding, en laat de dochter van
-een Schot u bewegen, het vaderland van hare moeder te eerbiedigen,
-tot eigen ondervinding u zal overtuigd hebben, dat het uw goeden dunk
-niet verdient. Maar bestraf huichelarij, laaghartigheid en valschheid,
-waar gij ze ook mocht vinden, met haat en verachting. Zonder Engeland
-te verlaten, kunt gij die schandelijke ondeugden talrijk genoeg
-aantreffen. En hiermede, mijne heeren, goeden nacht!"
-
-En ze wees naar de deur, als eene vorstin, die haar gevolg wegzendt.
-
-We begaven ons naar Rashleigh's kamer, waar een bediende ons
-koffie en kaarten bracht. Ik had besloten, met betrekking tot
-het voorgevallene van dezen dag, niet verder bij Rashleigh na te
-vorschen. Een geheim--en, naar ik geloofde, niet van den aangenaamsten
-aard--scheen zijn gedrag te omsluieren. Maar wilde ik mij overtuigen of
-mijn argwaan gegrond was, dan moest ik hem volkomen geruststellen. Wij
-begonnen te spelen, en waren weldra geheel in ons spel verdiept. Ik
-meende zelfs in dit onbeduidende tijdverdrijf--want de inzet, volgens
-Rashleigh's voorstel bepaald, was inderdaad eene kleinigheid--het
-heftige, eerzuchtige karakter van mijne tegenpartij te herkennen. Hij
-scheen het spel volkomen te verstaan. En evenwel, als ware het uit
-beginsel, gaf hij aan koene en gewaande slagen de voorkeur boven het
-in acht nemen der gewone regels van het spel; zoodat hij geringere,
-voor de hand liggende voordeelen verwaarloosde, en alles waagde om
-een zestiger of negentiger te krijgen, of alle trekken te maken. Maar
-nadat eenige spellen ons gesprek hadden afgebroken, scheen Rashleigh
-dit tijdverdrijf moede te zijn, en legde hij de kaarten ter zijde,
-om het gesprek weder aan te knoopen.
-
-Hij was eigenlijk meer geleerd dan wezenlijk verstandig. Hij kende het
-menschelijk gemoed uitmuntend, maar hij was eenigszins vreemd aan de
-zedelijke beginselen, welke de menschen behooren te leiden. Hij bezat
-de gave van onderhoudend te zijn, en wel zoo, als ik het zelden door
-iemand geëvenaard en zeker door niemand overtroffen heb gevonden. Hij
-scheen zich van dit voorrecht wel bewust; ten minste het kwam mij voor,
-dat hij zich zeer veel moeite had gegeven tot ontwikkeling van zijne
-natuurlijke gaven; zijn welluidende stem, zijn vloeiende, boeiende
-wijze om zich uit te drukken, zijn gepaste keuze en ontwikkeling
-van denkbeelden en zijn licht bewegelijke fantasie. Nooit was hij
-luidruchtig, nooit opvliegend, nooit zoo zeer met zijne eigen gedachten
-vervuld, om het geduld of het bevattingsvermogen van hen, met wie hij
-sprak, af te matten. Zijne denkbeelden vloeiden onafgebroken kalm
-voort. De spreekwijze van anderen, die in het gezellig onderhoud
-zeer aangenaam meenden te zijn, was evengoed te vergelijken bij
-zijne prettige manier van mededeelen, als een traag en troebel
-stroomend water, dat ten slotte verzandt, bij een volle rijke bron,
-waaruit steeds frisch water welt. Eerst laat in den avond kon ik van
-zulk een inderdaad boeiend gezelschap scheiden. Toen ik alleen op
-mijne kamer was, kostte het mij niet weinig moeite, mij het beeld,
-dat ik mij te voren van Rashleigh's karakter gemaakt had, weer voor
-den geest te brengen.
-
-Waarlijk, onze gave, om vreemde karakters waar te nemen en te
-beoordeelen, wordt steeds verzwakt door de bekoorlijkheid van het
-genoegen en het onderhoud. Vruchten, die zoet en prikkelend zijn,
-streelen ons verhemelte dikwijls zoo zeer, dat wij den waren goeden
-smaak van eenvoudige spijs niet meer weten te waardeeren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
- Wat scheelt er aan, o mannen,
- Wat drukt uw ziele weder?
- Wat buigt in 't Balwieries veste
- Uw hoofden diep ter neder.
-
- Oud-Schotsche Ballade.
-
-
-De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op
-het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage
-uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige
-morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde,
-kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana
-uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal
-van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis
-ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer
-ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te
-springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.
-
-»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!" zeide hij; »maar waag
-niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor
-iedereen, tot welke partij hij ook behoort?--"
-
-»Ik moet zeggen oom," viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig
-hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat
-ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou
-de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan."
-
-»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar
-niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk
-en klaar."
-
-Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo
-zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk
-geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen
-vertrouwde.
-
-»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen
-huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem
-zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd
-mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst
-hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen
-hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden,
-en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor
-mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel,
-eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen
-iedereen die onschuld handhaven."
-
-»Rashleigh", zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een
-sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel
-te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven
-niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de
-regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens
-een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding."
-
-Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij
-evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen
-gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een
-of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer
-eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff
-zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede
-te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de
-rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich
-in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot
-het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.
-
-Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl
-de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons
-ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de
-wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik
-zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven,
-zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.
-
-»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?" antwoordde hij. »Als een
-verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat--iets, dat, om u de
-waarheid te zeggen, niet licht gebeurt--dan is hij zoo hardnekkig,
-dat ik het steeds 't best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over
-zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen
-uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien,
-ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het
-eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig,
-met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor
-overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne
-eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den
-heiligen Vader."
-
-»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een
-man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk
-genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt."
-
-»Beste neef, eene dwaze opvatting--als ik mijns vaders opvatting zoo
-zou mogen noemen--kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat
-hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar
-uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks
-houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der
-Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien,
-in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting
-rijzen."
-
-»Maar dat wensch ik niet," antwoordde ik; »ik begeer niemand's achting,
-onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven
-moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede
-reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten, Zoodra ik
-daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden."
-
-Rashleigh's gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te
-verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar
-terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.--»Hoe
-gelukkig zijt gij, neef Frans!" zoo begon hij; »gij gaat en komt,
-als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid,
-bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden,
-waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme
-bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen...."
-
-Hij zweeg.--
-
-»Hoe? Wat bedoelt ge?" vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit
-mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?"
-
-»Wel voor een tijdelijke opoffering,--want meer zal het toch niet
-zijn--" hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk
-leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste
-bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo
-als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u,
-zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door
-een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer
-het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap
-moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans
-geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen."
-
-Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik
-weet niet," zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner
-ledige uren zoo goed kent."
-
-»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een
-jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen
-offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen
-zeer geroemd en bewonderd hebben."
-
-Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester
-in Apollo's tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die
-in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar,
-die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn
-bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door
-smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten
-te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon
-niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen
-te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte
-het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij,
-door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem
-eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.
-
-»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid
-mededeelt, op een avond op mijne kamer," voegde hij er bij;
-»zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang
-met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van
-handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns
-vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng
-ik bepaald een offer. En als ik bedenk, tot welk stil en vreedzaam
-beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het
-offer groot is."
-
-Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch
-geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen," antwoordde ik, »dat het u
-wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden
-Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom,
-de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen."
-
-Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaakte nederigheid met wat al
-te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en
-scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht
-jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.
-
-»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen," zeide hij,
-»op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft
-uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming
-hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester--nu ja--;
-maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone
-zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn,
-dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker
-dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten
-zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof,
-en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne
-natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet
-geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde
-berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner
-verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet,"
-voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon,
-afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon
-aan te slaan--»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne
-goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd
-hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den
-Italiaanschen tuinierszoon?"
-
-»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen," hernam
-ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis
-aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige
-waarde is."
-
-»Dit zou ook ik niet doen," antwoordde hij weder. »Als ik maar
-overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder
-zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen
-latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de
-gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken."
-
-»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets
-omtrent hem vernemen?"
-
-»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder
-Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets
-van uw vader!"
-
-»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden,
-die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen
-te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin
-die slechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen
-voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening
-bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven
-gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred
-met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt
-hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder
-het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte
-is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer
-spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is,
-juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is
-zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof,
-maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw
-geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid
-een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer
-gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor
-de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke
-gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene
-onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de
-pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem
-staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij
-zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem
-verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer
-brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne
-grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene
-zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet
-eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid
-onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat."
-
-»Een uitmuntend portret!" riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was,
-met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij
-in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als
-eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener
-kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog,
-omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert
-hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld."
-
-»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar
-voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens
-een beschrijving van de streken hier, waar...."
-
-»Waar gij schipbreuk hebt geleden?" viel Rashleigh mij in de
-rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso,
-vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene
-nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid
-aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan
-zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik,
-volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had."
-
-»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins
-verdient!" hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet een
-bekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom
-haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?"
-
-Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan
-te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige
-mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot
-hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne
-uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol
-hier goed te spelen.
-
-»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend
-dan voorheen het geval was," begon hij. »In hare jeugd was ik haar
-leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne
-vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was,
-door hare geheel bijzondere betrekkingen--kortom, onze wederzijdsche
-omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en
-onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek
-aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te
-trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven,
-dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar
-zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon
-en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een
-bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar."
-
-»Het klooster of een bruidegom?" herhaalde ik. »Moet Diana tusschen
-deze beide uitersten kiezen?"
-
-»Ja!" antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te
-zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot
-vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij
-zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder
-uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te
-worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw
-onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over
-haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het
-voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid
-is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt."
-
-Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking
-lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen
-recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik
-Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen
-doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!" dacht ik bij mij zelven. »Mij
-wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is,
-ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om
-haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?" Ik nam mij voor,
-zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook
-met geweld afpersen.
-
-Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik
-zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond
-verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins
-onbezonnen en ruw was.
-
-»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste
-voorzichtigheid," antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft
-een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in
-haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom
-volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus
-mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer
-ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen
-en wat ik bezit, met Diana te deelen."
-
-»O, Rashleigh! akelige kerel!" dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe
-lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de
-hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet."
-
-»Maar aan de andere zijde," vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot
-zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen."
-
-»Thorncliff verdringen?" herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw
-broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?"
-
-»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige
-bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst
-hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning
-welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts
-de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone,
-enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de
-vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats
-moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is,
-zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het
-best geschikt is, om den stam voort te planten."
-
-»Ha, ha!" lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te
-nemen, maar het ging mij slecht af.--»Diana zou misschien liever
-wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou
-kunnen verbinden."
-
-»Dat kan ik juist niet zeggen!" antwoordde hij. »In onze familie
-is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en
-Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de
-arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft."
-
-»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!" viel ik
-hem in de rede.
-
-»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet
-in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men
-anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn
-oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben,
-om Diana te onderwijzen en te leiden."
-
-»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over
-denkt....?"
-
-»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen," hernam Rashleigh,
-maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen
-ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan
-scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den
-band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich
-gul ontsluitend hart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde
-heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd,
-dat ik bijtijds verstandig was."
-
-Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte
-mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne
-kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen,
-die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde! Diana
-Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op
-zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen
-Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel
-gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij
-haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en
-vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere
-verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem,
-gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer
-sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat
-gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon
-het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd
-heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft
-of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij
-daarover bekommeren? Ze is Katholiek--ze is eene Jacobietin....--Ja! ze
-is een woest schepsel daarenboven--ik zou wel dol moeten zijn om er
-aan te denken!"
-
-Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar
-ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde
-stemming, dat ik aan tafel verscheen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
- Zuipen--zwetsen--kijven--vloeken!
- Met d' eigen schaduw ruzie zoeken!
-
- Othello.
-
-
-Mijn waarde Tresham, het was zeker niets nieuws voor u, toen ik u
-eens zeide, dat mijn voornaamste gebrek van ouds eene ontembare
-hooghartigheid was, die mij tallooze onaangenaamheden heeft
-berokkend. Zelfs niet half luid, zelfs niet in mijne gedachten had
-ik tot dusver durven wagen te bekennen, dat ik Diana beminde. Maar
-nauwelijks had Rashleigh van haar gesproken, als van een prooi,
-die hij nog wel eens kon medenemen of die hij, als hij er lust in
-had, ook naar welgevallen, kon laten liggen, zie! toen blies mijn
-trots mij in, dat elke stap door het lieve meisje in alle onschuld en
-openhartigheid gedaan, om een vriendschappelijken band met mij aan te
-knoopen, niets dan beleedigende coquetterie was. »Ha! zij zou zich
-dan maar met mij behelpen, als het den heer Rashleigh niet behaagt
-zich over haar te ontfermen? Maar ik zal haar toonen, dat ik de man
-niet ben, die zich zoo in den val laat lokken. Zij moet begrijpen,
-dat ik haar spel doorzie en veracht!"
-
-Ik dacht er aan, dat die ergernis die ik zonder het minste recht
-voedde, juist duidelijk bewees, dat Diana mij minder dan ooit
-onverschillig was....Innig vergramd op haar en alle dochters van
-moeder Eva, zette ik mij naast haar neder.
-
-Diana was verrast, toen ik op eenige plagerijen en spottende uitvallen,
-welke zij met hare gewone vrijmoedigheid waagde, onvriendelijke
-antwoorden gaf. Maar zonder in het minst vermoeden, dat het van
-mijne zijde kwaad gemeend was, beantwoordde zij mijne vrij ruwe
-woorden met scherts, die door hare vroolijke luim wel getemperd, maar
-tevens gescherpt werd. Eindelijk merkte zij, dat ik wezenlijk niet
-goed gemutst was. »Men is gewoon te zeggen, mijnheer Osbaldistone,"
-zeide zij op eenigszins spijtigen toon, »dat men zelfs van gekken
-iets verstandigs leeren kan. Onlangs wilde neef Wilfred niet langer
-»handjeklap" met neef Thorncliff spelen, omdat neef Thorncliff
-veel harder toesloeg, dan de wetten van een vriendschappelijk spel
-veroorloofden. Wilde ik ook zoo toeslaan, zei de goede Wilfred, dan
-zou het mij weinig moeite kosten uwe hand in weinige oogenblikken
-verschrikkelijk te doen opzwellen. Maar dat wil ik niet; en nu vraag
-ik, of het niet heel onbillijk van u is, mij zulke harde slagen toe
-te brengen, terwijl ik slechts in den wind sla? Kunt gij de toepassing
-hiervan vinden, mijnheer Frans?"
-
-»Dank u, freule. Ik zie de noodzakelijkheid niet om mij in het weinigje
-vernuft, waarmede men hier het gezellige onderhoud tracht te kruiden,
-nader te verdiepen."
-
-»Noodzakelijkheid? Gij verbaast mij, mijnheer Osbaldistone!"
-
-»Dat spijt mij zeer!" gaf ik ten antwoord.
-
-»Moet ik dezen stijven toon als ernst beschouwen? Of neemt gij dien
-slechts aan, om uwe goede luim des te meer waarde bij te zetten?"
-
-»Gij hebt op de opmerkzaamheid van zoo vele heeren in dit huis eene
-rechtmatige aanspraak, freule Vernon, dat het voor u wezenlijk niet
-de moeite waard kan zijn, u om mijne onbevattelijkheid of sombere
-gemoedsstemming verder te bekommeren."
-
-»Hoe? ik moet dus gelooven, dat gij mijne partij verlaten hebt en
-tot den vijand zijt overgeloopen?"
-
-Dit zeggende, keek zij over de tafel heen. Op eens bemerkte zij,
-dat Rashleigh, die tegenover ons zat, met eene geheel eigenaardige
-uitdrukking van belangstelling op zijne leelijke trekken ons
-aankeek. Half schertsend, alsof zij een versje reciteerde, ging
-zij voort:
-
-
- O, aaklige gedachte! Ik zie het, het is waar!
- Rashleigh de leelijke, hij knikt mij lachend toe,
- En wijst op u, als waart gij....
-
-
-»Maar neen! Goddank! Mijn weerlooze toestand heeft mijn geduld
-geoefend. Ik word niet zoo licht boos. Maar tot twisten wil ik ook
-niet gedwongen worden. Ik heb dus de eer u, vroeger dan gewoonlijk,
-goeden avond en een spoedig herstel van uw kwade luim toe te wenschen."
-
-Zij verliet de kamer. Toen zij vertrokken was, deed ik mij al spoedig
-verwijten over mijn gedrag. Ik had de welwillendheid, die mij te
-gemoet kwam, en welker gulle oprechtheid ik eerst kort geleden
-had leeren kennen, moedwillig teruggestooten. Ik was zelfs op het
-punt geweest, het lieve meisje te beleedigen. Niet zonder eenigen
-nadruk had zij mij aan haar weerloozen toestand herinnerd. Om de
-grievende gewaarwordingen, welke het berouw over mijn ruw gedrag mij
-veroorzaakte, te bestrijden, of wel om ze te vergeten, sprak ik vaker
-dan gewoonlijk de flesch aan, die rondging.
-
-Ik verkeerde in eene opgewonden stemming. Bovendien, ik was
-geen wijndrinker. Des te spoediger ondervond ik de uitwerking
-van den drank. Geoefende drinkers mogen in staat zijn een zee
-van bedwelmende dranken naar binnen te gieten, zonder daarvan
-eenige bedwelming te gevoelen. Wie nuchteren reeds opgewonden is,
-wachte zich voor dergelijke gevaarvolle proef, en vooral iemand,
-die de dronkenschap slechts bij naam kent. Toen die geesten eenmaal
-opgewekt waren, liet ik mij spoedig door de bedwelming meesleepen. Ik
-praatte onophoudelijk door, twistte over dingen waarvan ik volstrekt
-niets wist, verhaalde historietjes, welker einde ik er vergat bij
-te voegen, lachte om mijne eigen vergeetachtigheid, wedde, zonder
-de minste kennis van het voorwerp der weddingschap te hebben, en
-waagde het zelfs, den reusachtigen John tot eene vechtpartij uit te
-dagen. Mijn oom was zoo verstandig, om deze dolheid te voorkomen,
-die anders hoogst waarschijnlijk vrij erg voor mij zou afgeloopen
-zijn. Lastertongen beweerden zelfs, dat ik in dien toestand een
-liedje had gezongen. Maar omdat ik mij in het geheel niets daarvan
-herinner, en noch voor, noch na dien tijd ooit een enkele zangnoot
-uit mijne keel gehaald heb, zal deze laster, vertrouw en hoop ik,
-wel van allen grond ontbloot zijn: Trouwens vrees ik, dat mijn gedrag,
-ook zonder deze overdrijving, onbehoorlijk genoeg zal zijn geweest. Ik
-verloor mijne bewustheid niet, maar wel alle zelfbeheersching; mijne
-onstuimige driften sleurden mij heen en weder. Onvergenoegd, gemelijk,
-boos en met het vaste voornemen om een diep stilzwijgen te bewaren,
-was ik gaan zitten; maar in de praatzieke, twistachtige stemming,
-waarin mijn roes mij gebracht had, sprak ik ieder tegen, die zich
-liet hooren, en, zonder eenig ontzag voor den persoon, verschoonde
-ik zelfs mijns ooms beginselen en geloofsmeeningen niet. Ik werd
-woedend door Rashleigh's gemaakte ingetogenheid. Zijne bedaarde
-tergende spot prikkelde en ergerde mij veel meer dan de woeste en
-bulderende taal van zijne broeders. Mijn oom wendde--dit bemerkte
-ik, en moet het hier tot zijn eer getuigen--zijn beste pogingen aan,
-om ons tot bedaren te brengen, maar zijn gezag vermocht niets tegen
-de bedwelming van den roes en de hitte der driften. Woedend over
-eene wezenlijke of ingebeelde beleedigende uitdrukking, lichtte
-ik eindelijk mijne hand tegen Rashleigh op. Geen stoïcijn, boven
-eigen en vreemde hartstochten verheven, zou zulk eene beleediging
-met een hoogeren graad van verachting hebben kunnen beantwoorden,
-dan hij deed. Het scheen alsof hij het niet de moeite waard achtte
-zich eenigszins gevoelig te toonen, maar zijn broeder Thorncliff nam
-terstond den handschoen voor hem op. De degens werden getrokken en
-wij hadden reeds een paar stooten gewisseld, toen de andere broeders
-ons met geweld scheidden. Nooit vergeet ik den duivelschen grijns,
-die Rashleigh's hatelijk gelaat vertrok, toen ik door de vereenigde
-kracht van twee jonge reuzen uit de zaal werd gesleept. Zij brachten
-mij op mijne kamer, welker deur zij dicht sloten, en ik werd razend om
-het luide gelach, waarmede zij de trap afgingen. In mijne machtelooze
-woede trachtte ik hen na te snellen, de traliën van de vensters
-uit te rukken, de vast gegrendelde deur open te breken; maar te
-vergeefs. Eindelijk wierp ik mij op het bed en sliep in onder het
-stellige voornemen, om mij den volgenden dag vreeselijk te wreken.
-
-Maar met den volgenden morgen kwam een innig berouw over mij en keerde
-mijne bezinning terug. Met smart gevoelde ik het onwelvoegelijke en
-belachelijke van mijn gedrag. Ik moest aan mij zelven de bekentenis
-afleggen, dat de roes en mijne driften mij vernederd hadden, diep
-beneden Wilfred Osbaldistone, dien ik zoo zeer verachtte. Bij mijne
-troostelooze overdenkingen kwam een nederdrukkend gevoel, toen
-ik de noodzakelijkheid overwoog, mijn gedrag te verontschuldigen,
-toen ik bedacht, dat Diana de getuige van mijne vernedering moest
-zijn. De door mij tegenover haar aangenomen houding en gebezigde
-uitdrukkingen droegen niet weinig bij, om de kwellingen van mijn
-toestand te vermeerderen. En daarvoor kon ik niet eens de armzalige
-verontschuldiging van een roes aanvoeren!
-
-Zoo gepijnigd door schaamte en vernedering, ging ik naar beneden
-ontbijten, als een misdadiger naar zijne rechters om zijn vonnis
-te hooren uitspreken. Eene harde vorst maakte het juist ondoenlijk
-de honden buiten te laten. Ik ondervond ook nu nog de vernedering,
-de gansche familie, Rashleigh en Diana uitgezonderd, vergaderd te
-vinden rondom eene koude wildpastei en een stuk rundvleesch. Toen ik
-binnentrad waren allen aan het lachen, en ik kon licht bemerken dat
-zij zich ten mijnen koste vroolijk maakten. Maar boos gemeend was het
-niet. Wat mij een zelfvernedering scheen, beschouwden mijn oom en de
-meeste mijner neven als een heel aardig grapje. Hij schertste over het
-gebeurde van den vorigen avond, en beweerde, dat het veel beter was
-dat een jongeling zich driemaal daags een roes dronk, dan dat hij, als
-een Presbyteriaan, nuchter naar bed sloop en een gezelschap vroolijke
-gasten bij de volle flesch verliet. Tot bevestiging dezer troostvolle
-woorden, vulde hij een grooten beker met brandewijn, en ried mij aan
-»een haar in te slikken, van den hond die mij gebeten had."
-
-»Laat de jongens maar lachen, neefje!" vervolgde hij; »zij zouden
-juist zulke melkbaarden zijn als gij, zoo ik hen niet met de flesch
-in de hand tot stevige drinkers gevormd had."
-
-Over het algemeen ontbrak het mijn neven niet aan goedhartigheid. Toen
-zij zagen, dat de herinnering aan den vorigen avond mij lastig,
-ja pijnlijk was, poogden zij met eene lompe vriendelijkheid den
-onaangenamen indruk uit te wisschen. Thorncliff alleen zag er knorrig
-en onverzoenlijk uit. Reeds dadelijk na mijne komst op het kasteel
-kon hij mij niet verdragen. Aan de bewijzen van welwillendheid,
-welke ik nu en dan van zijne broeders ontving, hoe ruw en ongemanierd
-die dan ook waren, had hij nooit deel genomen. Werd hij wezenlijk,
-waaraan ik echter begon te twijfelen, door de overigen als Diana's
-bruidegom beschouwd? Of hield hij zich zelven daarvoor? In ieder
-geval kon er licht eene opwelling van jaloezie in hem ontstaan zijn,
-toen hij hare bijzondere vriendelijkheid jegens mij bemerkte. Een
-gevaarlijken medeminnaar vreesde hij zeker in mij.
-
-Eindelijk trad Rashleigh binnen. Zijn gelaat was somber als een
-rouwkleed. Ik kon er niet aan twijfelen, dat hij over de onvergeeflijke
-en smadelijke beleedigingen, welke ik hem had aangedaan, wrok
-koesterde. Ik was het reeds met mij zelven eens, hoe ik mij bij deze
-gelegenheid moest gedragen. Ik was vast overtuigd, dat de ware eer
-daarin bestaat, om zich wegens eene beleediging, welke met deze of
-gene vermeende uittarting in geene verhouding staat, bescheiden te
-verontschuldigen, maar om ze niet te verdedigen.
-
-Ik ijlde hem te gemoet, en betuigde mijn innig leedwezen over de
-onbetamelijke drift, waaraan ik mij den vorigen avond had schuldig
-gemaakt.
-
-»Niets," zeide ik, »zou mij een enkel woord van verontschuldiging
-afgedwongen hebben, maar ik heb de overtuiging, dat mijn gedrag
-onvoegzaam is geweest. Ik hoop dat mijn neef met mijn oprecht berouw
-genoegen zal nemen en tevens bedenken, dat het tusschen hem en mij
-voorgevallene aan de overvloedige gastvrijheid van zijn vaderlijk
-huis te wijten is."
-
-»Gij moet weder vrienden met elkander worden, jongens! ja, dat
-moet gij!" riep de wakkere ridder in de opwelling zijns harten;
-»en gebeurt dat niet, dan noem ik Rashleigh, zoo waar ik leef, niet
-meer mijn zoon! Waarom staat gij dan daar, Rashleigh, zoo stijf en
-onbewegelijk als eene marmeren beeld? Het doet mij leed! ziedaar alles,
-wat een man van eer in zulke gevallen zeggen kan, voornamelijk, als
-de door hem aangedane beleediging bij de flesch is geschied. Ik ben
-ook soldaat geweest, en weet zoo tamelijk, hoe men zich in zaken van
-eer moet gedragen. Laat mij er dus geen woord meer van hooren. Alles
-is vergeten en nog heden gaan wij met elkander op de dassenjacht in
-het berkenbosch."
-
-Zooals ik reeds gezegd heb, was Rashleigh een zeldzaam wezen. Niemand
-heb ik ooit gekend, die op hem geleek.
-
-Het zonderlinge van zijn gelaat lag niet alleen in de trekken, maar ook
-in de afwisselende uitdrukking. Wanneer op andere gezichten droefheid
-in vreugde, of misnoegen in tevredenheid verandert, dan heeft er een
-zekere overgang plaats, voor dat de uitdrukking van de heerschende
-stemming de vroegere geheel verdringt. Tusschen het wegtrekken van
-de duisternis en het opgaan der zon heerscht schemering. Bij ieder
-ander mensch ziet men de verandering--terwijl de opgezwollen aderen
-verdwijnen, het donkere oog opheldert, het voorhoofd zich ontrimpelt,
-en al de overige trekken hunne sombere schaduwen verliezen allengs
-kalm en opgeruimd worden. Niets van dien aard was er op Rashleigh's
-gelaat te bespeuren. Bijna plotseling veranderde de eene uitdrukking
-van hartstocht in de tegenovergestelde. Ik kan inderdaad geene meer
-passende vergelijking vinden, dan de snelle tooneelverwisselingen,
-wanneer op het geluid van het fluitje achter het tooneel, een akelig
-hol verdwijnt en een heerlijk bosch uit den grond oprijst.
-
-Ik had dit reeds meermalen waargenomen, maar nu vooral werd op deze
-bijzonderheid mijne opmerkzaamheid onwederstaanbaar gevestigd. Donker,
-als de nacht, zag Rashleigh er uit bij zijn binnentreden. Met een
-somberen blik hoorde hij mijne verontschuldigingen en zijns vaders
-vermaning aan; doch nauwelijks had deze geëindigd, of plotseling
-verdween de zwarte wolk, en het minzaamste, hoffelijkste antwoord
-volgde.--»Beste neef! Ik heb u niets te vergeven. Waarlijk," dus
-begon hij, »als ik meer drink dan mijne gewone drie glazen, dan
-wordt mij het hoofd al dadelijk zoo licht, dat ik, als de goede
-Cassio, mij slechts een verward denkbeeld van den verloopen nacht
-kan vormen. Ik herinner mij eene menigte dingen, doch niets bestemds;
-wel deze of gene woordenwisseling en twist, maar niet de aanleiding
-daartoe. Gij kunt derhalve wel denken, waarde neef," vervolgde hij,
-mij vriendelijk de hand drukkende, »hoe warm het mij om het hart
-wordt, nu ik hoor dat ik eene verontschuldiging van u ontvang,
-in plaats van u mijne verontschuldiging te moeten maken. Kom, kom,
-geen woord meer over het gansche geval! Ik zou al zeer dwaas moeten
-zijn, wilde ik de rekening nog nader onderzoeken. Ik was bang dat de
-balans nadeelig was. En nu is zij zoo geheel onverwacht en aangenaam
-in mijn voordeel uitgevallen.--Gij ziet neef, dat ik mij reeds oefen
-in de taal van mijn toekomstig beroep."
-
-Juist wilde ik hem antwoorden en sloeg de oogen op, toen ik Diana
-ontdekte, die gedurende ons gesprek ongemerkt binnengetreden was en
-aandachtig geluisterd had. Beschaamd en ontsteld zag ik voor mij neer
-en spoedde mij naar tafel, waar ik mij tusschen mijne neven plaatste,
-die reeds druk aan den maaltijd waren.
-
-Mijn oom wilde aan het gebeurde van den vorigen dag eene nuttige
-waarschuwing ontleenen. Hij gaf zijn zoon Rashleigh en mij den raad,
-om onze »melkpapgewoonte," zoo als hij het noemde, te veranderen,
-en er ons van lieverlede aan te gewennen, een flink glas goeden wijn
-te gebruiken, zonder daarbij in twist of vechterij te geraken. Hij
-beval ons, dagelijks met een flesch rooden wijn te beginnen, met
-eene behoorlijke dosis Maartsbier en brandewijn was dat voor een
-leerling in de edele drinkkunst eene aardige inleiding. Tot onze
-aanmoediging voegde hij er nog bij, dat hij mannen gekend had, die
-op onze jaren niet eene enkele flesch konden verdragen, maar later
-in goede omgeving spoedig geleerd hadden, vijf, ja zes te ledigen,
-zonder den volgenden morgen ziek of maar eenigszins ongesteld te zijn.
-
-Ik behoef wel niet te zeggen, dat al deze troost en bemoediging
-aan mij totaal verkwist waren. Ik volgde zijne vermaningen weinig,
-misschien ook, omdat ik telkens als ik opzag, Diana's oogen ontmoette
-waarin ik ernstig medelijden, aan misnoegen en teleurstelling gepaard,
-meende te lezen. Ik overlegde hoe ik mij ook jegens haar onder vier
-oogen verklaren en verontschuldigen zou. Maar zij begreep mijne
-verlegenheid en verloste mij van den moeilijken plicht haar om een
-onderhoud te moeten vragen.
-
-»Neef Frans," zeide zij, en gaf ook mij eenigszins oneigenaardig
-den naam, waarmede zij de zonen van mijn oom placht aan te spreken,
-»heden ochtend heb ik in Dante's verzen eene vrij moeielijke plaats
-gevonden. Wilt gij wel zoo goed zijn een oogenblik in de boekenkamer
-te komen om mij in te lichten en hulp te verleenen? Zoodra gij den zin
-van den duisteren Florentijner voor mij opgehelderd hebt, zullen wij
-deze heeren naar het berkenbosch volgen, en zien of zij zoo gelukkig
-zijn geweest om den das op te jagen."
-
-Hoe blijde was ik en ik stond dan ook op, gereed haar te
-volgen. Rashleigh bood aan ons te vergezellen. »Ik houd mij eigenlijk
-liever bezig," zeide hij, »met Dante's gedachten in de beelden van
-zijne woeste en sombere poëzie op te sporen, dan het wild gedierte
-uit zijn hol op te jagen."
-
-»Vergeef mij, Rashleigh," antwoordde Diana. »Maar daar gij uw neef
-op het kantoor zult vervangen, moet gij hem de taak overlaten, om de
-opvoeding van uwe leerling hier voort te zetten. Evenwel, als wij uwe
-hulp noodig hebben, zullen wij zoo vrij zijn om u te roepen. Kijk nu
-maar zoo ernstig niet! Het is buitendien schande genoeg dat gij niets
-van het edele jachtvermaak verstaat! Wat zoudt gij toch zeggen, hoe
-zoudt gij u uit de verlegenheid redden, als uw oom in Londen u eens
-mocht vragen, hoe men op de jacht het spoor van een das kan vinden?"
-
-»Heel waar, Diaantje! heel waar!" zei oom Hildebrand met een
-zucht. »Rashleigh zou dom staan kijken als men hem zoo iets vroeg. Even
-als zijne broeders, had hij ook nuttige kundigheden kunnen verzamelen;
-want hij is in alle eer, deugd en wijsheid opgevoed. Maar Fransche
-zotheden, dat drommelsche boekenlezen en de malle denkbeelden
-die daaruit voortspruiten hebben hem, zooals geheel Oud-Engeland,
-ten eenenmale verbasterd.--Kom Rashleigh, ga met ons en draag mijn
-jachtspies. Uwe nicht schijnt uw gezelschap heden zeer wel te kunnen
-ontberen, en men moet niemand tot last wezen; dat duld ik niet. Vooral
-moet er niet kunnen gezegd worden, dat de eenige vrouw in Osbaldistone
-gestorven is, omdat zij haar zin niet kreeg."
-
-Rashleigh volgde zijn vader, maar onder het heengaan zeide hij zacht
-tot Diana: »ik moet dus zeker in het gezelschap van de wellevende
-mevrouw Hoffelijkheid komen en aankloppen, als ik voor de deur van
-de boekenkamer sta?"
-
-»O neen, Rashleigh!" zeide Diana. »Dat is niet noodig. Verban slechts
-uit uw gezelschap den aartsbedrieger de Huichelarij. Dan zult gij u het
-best den toegang tot onze geleerde bijeenkomsten weten terwerven..."
-
-Met deze woorden nam zij den weg naar de boekenkamer. Ik volgde
-haar--ja, als een misdadiger, die naar de gerechtsplaats gaat, zou
-ik zeggen, zoo ik die gelijkenis niet reeds een paar malen gebezigd
-had.--Dus in het kort gezegd, ik volgde haar in de overtuiging, dat ik
-een vrij zot figuur zoude maken, en gaarne van een tête-à-tête bevrijd
-zou zijn geweest. Het kwam mij eigenlijk vernederend voor, onder zulke
-omstandigheden haar te volgen. Ik had zulk een geruimen tijd op het
-vaste land doorgebracht, dat ik wel wist, dat vrijmoedigheid en een
-zeker betamelijk zelfvertrouwen den man moeten onderscheiden, dien
-eene schoone vrouw tot haar gezelschap kiest. Maar mijne Engelsche
-gevoelens zegepraalden over mijne Fransche opvoeding, en ik zag er
-zeer waarschijnlijk jammerlijk uit, toen Diana, trotsch als een
-rechter, die in eene gewichtige zaak moet vonnissen, zich in een
-leuningstoel nederzette, en mij een teeken gaf om tegenover haar
-plaats te nemen. Als een arm zondaar, die zijn vonnis moet aanhooren,
-zette ik mij neder op den zetel, die zij mij aangewezen had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
- Des duivels was de vondst van hem, die in het gif
- Den dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was 't helsche plan
- Van den verrader, die het doodelijk vergif
- In 't glas goot, gewijd aan vriend'lijk zamenspreken,
- Den dood in de ad'ren stortte, in plaats van 't frissche leven.
-
- Anonymus.
-
-
-»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone," zeide freule Diana op een
-toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende
-verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons
-te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg
-bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u
-onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t'huis te gevoelen,
-en--ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht..."
-
-»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst
-ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne
-verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen,
-waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn
-gedrag was onbetamelijk en belachelijk."
-
-»Doe u zelf geen onrecht!" zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na
-alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen
-avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor
-uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid
-van den welwillenden Rashleigh--Percivals matigheid--Thorncliffs
-moed--Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van
-honden--Richards handigheid in het wedden--dit alles toonde neef Frans
-in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en
-omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen
-Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben."
-
-»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule
-Vernon!" antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze
-hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.--»Laat mij,
-tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer
-schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins
-wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn
-is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een
-enkelen keer laten verleiden."
-
-»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den
-ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd
-heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene
-partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio
-tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met
-leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige
-vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis
-zich elken avond, als zwijnen, wentelen."
-
-»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt,
-maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij
-verder in zou begeven."
-
-»Dat is een verstandig besluit!" hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren,
-is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan
-de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij,
-alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald
-was. Mag ik u vragen, wat dat was?"
-
-Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag
-geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den
-anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt
-over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende
-behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking
-of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren
-stand zoodanige zaken behandeld worden.
-
-Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh's
-mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot
-een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar
-als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond,
-moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen,
-wat voor Diana's gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.
-
-Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog
-steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik,
-toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik
-heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij
-zelve beschermen."
-
-Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op
-ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij
-liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten,
-tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig
-glimlachje aan.
-
-»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen
-hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen
-eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij
-te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien," zeide zij. »Kortom,
-laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het,
-die hier alle machines in beweging brengt."
-
-»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,--ware het
-dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen
-te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet
-uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was."
-
-»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te
-hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh
-kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat
-ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen
-tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen
-betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook
-niets gemeen."
-
-Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van
-al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te
-ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De
-mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken
-en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig,
-dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek
-over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat
-geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij
-had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik
-van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen.
-
-Toen sprong Diana op.--»Dat helpt niets!" riep zij. »Ik moet een
-ander antwoord van u hebben!" Haar voorhoofd gloeide en haar oog
-vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring," ging zij luid
-en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man
-mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen
-zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die
-zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen
-vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.--Ik vorder
-het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te
-genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,"
-voegde zij er bij, terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering
-zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor
-gepleegd onrecht te vinden is."
-
-Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die
-plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking
-ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar
-duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.
-
-Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn
-verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende
-uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen:
-»Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is
-zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne
-gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen
-derden persoon, zoudt spreken."
-
-Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg
-opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van
-de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou
-ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog
-iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.
-
-»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te
-vertellen!" zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje,
-die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd
-was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren
-steeds de »beerenbruid" genoemd werd.--Maar Rashleigh zeide toch ook
-iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?"
-
-»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te
-verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in
-de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff,
-zou ingevuld zien."
-
-»Zoo? Inderdaad?" antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen
-vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana
-Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt
-hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!"
-
-»Ik kan het niet ontkennen--hij liet zoo iets merken, en gaf verder
-te kennen...."
-
-»Wat? laat mij alles hooren!" viel zij mij driftig in de rede.
-
-»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen
-eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot
-den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden."
-
-»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste
-verplicht!" antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon
-gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde
-toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor,
-verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd,
-is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan
-een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er
-in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is
-de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleigh maar al te goed ken,
-door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen,
-om mijn lot met hem te deelen. Neen," vervolgde zij met een soort van
-rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;--»neen,
-liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de
-roskammer--allen duizendmaal liever dan Rashleigh.--Maar het klooster,
-de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een
-van hen allen!"
-
-Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste
-bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het
-diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve
-overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming
-van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die
-de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen
-eene vrouw bejegent--dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag
-zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting
-van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel
-in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare
-beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde
-bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin,
-verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds
-de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van
-geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden
-fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en
-op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar
-die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij
-opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.
-
-»Stil," zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat
-ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen
-medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij;
-wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,--zoo goed ik kan. Geen meewarig
-woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene
-veer lichter te maken. Er bestaat slechts een menschelijk wezen, dat
-mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij
-heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik
-zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.--Maar, rechtvaardige
-Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje,
-dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende
-ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel
-oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen,
-waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde
-veranderen--goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn
-in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de
-strikken van dien ellendeling gevallen ware!"
-
-Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over
-den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer
-machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen,
-om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna
-ademloos en met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten
-angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af.
-
-»Blijf!" zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten
-volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke
-gevangenis,"--zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend
-er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne
-gemoeid!" en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer
-dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder
-uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou
-hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze
-zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u"--vervolgde zij,
-terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,--»dat ik geen trooster
-behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb."
-
-Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende,
-en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had,
-daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana's kampvechter
-op te treden.
-
-Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen
-op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een
-allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig
-hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid
-overtuigd, voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met
-hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook
-gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten
-te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen
-vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer
-gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing
-wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst,
-welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt
-dan eigenlijk mijn voornemen was."
-
-Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.
-
-»Dat geloof ik gaarne," hernam zij; »gij hebt iets in uwe
-gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen
-inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te
-vreezen"--vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde,
-doch op innig hartelijken toon--»dat vriendschap bij ons slechts
-een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn
-denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede
-ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de
-noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier
-kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan
-verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is
-nog niet gekomen," voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met
-andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht
-zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde
-dezes levens te genieten. En nu--de plaats in Dante is genoegzaam
-toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers
-geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel."
-
-Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat
-ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren
-te komen, eer ik mij in Rashleigh's gezelschap durfde wagen, wiens
-koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was
-afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige
-geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder
-hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van
-het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier
-regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden
-is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten
-wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen,
-met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo
-als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was
-voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen,
-die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn
-zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij
-inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens
-den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat
-ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.
-
-Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh's veinzerij zoo veel
-mogelijk met gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met
-elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen
-wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van
-zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid
-over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht,
-meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh's karakter eene even
-groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk
-genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen
-te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al
-spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een
-hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker
-geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven
-vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral
-in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer
-licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in
-mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald
-noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan
-den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij
-van de kennis van Rashleigh's waren aard wilde trekken. Ik deed dit
-en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.
-
-Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even
-gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist
-vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana
-mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik
-zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had
-gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste
-omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn
-verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar
-in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was
-de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte
-kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk
-bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een
-last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid
-had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid,
-dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen
-beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen
-had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens
-elkander gedroegen.
-
-Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem
-zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide,
-maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste
-schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en
-niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik
-nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij
-naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met
-een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij
-hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede,
-dat gij mij bewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens
-waart te doen!"
-
-»Amen! lieve nicht!" antwoordde hij met een schijnvroom gelaat,
-hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer
-had behouden.--»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede
-daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!"
-
-Dit waren zijne afscheidswoorden.--
-
-»Die volleerde huichelaar!" zeide Diana tegen mij, toen hij de deur
-achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en
-verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren
-en eerbiedigen."
-
-Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen
-medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien
-ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest
-zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had,
-dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan
-alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in
-het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle
-nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou
-even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder
-menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen
-hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de
-dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last,
-ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten
-was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst
-van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van
-dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk
-zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat
-sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig
-hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een
-ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.
-
-Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer
-verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam
-wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste
-werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten
-einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En
-toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet
-een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone
-een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door
-wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven,
-had ik niet sterker kunnen toonen.
-
-Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde
-Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje
-van het vuur der jeugd in u hebt. Diana's buitengewone schoonheid,
-waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en
-geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld;
-de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag,
-veel vrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen,
-slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en
-vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven
-ieder ander betoonde--dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne
-nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld,
-mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen,
-welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne
-gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander,
-reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren,
-welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij
-thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel
-geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had.
-
-Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting
-van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met
-Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke,
-maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen,
-met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare
-schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon
-op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde
-en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om
-haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide
-geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij
-haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te
-gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven.
-
-Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den
-verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden
-kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te
-veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met
-vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid
-noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij
-met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor
-recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige
-gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde,
-nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in
-de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken
-der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen
-op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.
-
-Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die
-bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd
-opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden,
-is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording
-geroepen.
-
-Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving
-was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen
-belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene
-talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed
-vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komen dikwijls 't
-verste, daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet
-in 't oog hield, zouden Diana's snelle vorderingen in verscheidene
-takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij
-des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken
-verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven
-vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat,
-wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke
-beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden
-zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk
-den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met
-aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit
-vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad,
-de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou
-aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn
-leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling
-van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een
-beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om
-te gaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
- Uit 't slaapvertrek van hartelief
- Schijnt licht. Wat straalt het fel!
- Waarom toch brandt mijns liefjes lamp
- In 't nachtelijk uur zoo hel?
-
- Uit eene oude Ballade.
-
-
-Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig,
-ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana
-en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De
-overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken,
-al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook
-deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte
-werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer
-vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik
-gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe
-zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich
-bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende,
-had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen
-toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen
-en rekenkunde, zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven
-of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik
-hem inderdaad van meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde
-evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te
-nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is
-een knappe, vlijtige jongen!" Maar zelden vergat hij, er in één adem
-bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen."
-
-Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een
-huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een
-goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan,
-den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij
-duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging
-ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over
-mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had,
-steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke
-ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker,
-dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht
-mij in de beste verstandhouding met allen,--behalve met Thorncliff.
-
-Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden
-mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een
-veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij
-mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige,
-jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana,
-die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat
-hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat
-woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar
-hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde
-hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist,
-dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden
-beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde
-mijne minzame vriendelijkheid ongeveer als een knorrige hofhond,
-wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik
-hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne
-norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.
-
-Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een
-anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.
-
-Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was,
-mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze
-wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was
-ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte
-zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden
-was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te
-rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij,
-om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen
-humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten.
-
-»Ja, ja, mijn beste mijnheer," zeide hij op zekeren avond met
-bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest."
-
-»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?" vroeg ik.
-
-»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere
-goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de
-kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende
-penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk
-iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar
-manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol
-niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens,
-wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman..."
-
-»Den marskramer, meent gij?" viel ik hem in de rede.
-
-»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes
-gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht
-blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten."
-
-»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier
-te drinken. Maar om 's Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis,
-en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag."
-
-»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland
-zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel
-u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou,
-vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen,
-Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare
-dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen,
-dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!--Maar hoe het zij,
-wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes."
-
-»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het
-ten minste de moeite waard is!" riep ik ongeduldig, »want ik kan den
-ganschen dag niet hier blijven."
-
-»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen
-maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje."
-
-»Welk stukje? Wat bedoelt gij?"
-
-»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!" hernam Andries met
-een sluwen blik.
-
-»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?"
-
-»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren
-hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den
-kostbaren tijd niet om verspillen."
-
-Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof
-hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had.
-
-De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en
-nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe
-vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak
-verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem
-nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op
-te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan 't spitten en sprak nu en
-dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos,
-hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne
-halsstarrigheid zijn verlangen zou bedwingen om over eene zaak te
-spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.
-
-»Zie zoo!" begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar
-staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch
-hebben;--wel bekome het hun!... Wat is dat toch slechte mest, zoo hard
-als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft
-zeker al de goede mest verkocht... daar sta ik u borg voor... Ja,
-ik moet maar doorwerken op zoo'n schoonen Zaterdag-avond, want met
-het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt
-ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder
-is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen
-Maandag.--Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar
-het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude
-ding noemen."
-
-En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij
-terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij
-wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk
-stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank,
-waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den
-stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen,
-mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg
-ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef,
-de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?"
-
-»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest;
-zoo'n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden
-zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar
-hebt ge het koninkrijk [8] Fife, van het eene einde tot het andere
-bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken
-met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede
-stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland."
-
-»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar
-om weder op het nieuws van Londen terug te komen..."
-
-»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel
-aan gelegen was," hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft
-mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over
-dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag."
-
-»In het Parlement?" vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter
-sprake?"
-
-»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord
-zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard,
-er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords
-en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen
-wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje--de duivel hale
-hen, die het ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement
-bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich
-met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te
-worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens
-in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan
-beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna
-net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers:
-die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij
-dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen
-zes pond zwaar is!"
-
-»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch
-uw neef?"
-
-»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen--die
-poddingeters,--verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris--nu
-ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een
-onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van
-Engeland wemelt van Jakobieten--nu, hij kan wel gelijk hebben--en
-dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den
-publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van
-Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele
-belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen
-krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal
-gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook
-dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander
-heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl
-de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was,
-nog heelhuids uit dat land weg te komen."
-
-»Zou dat wezenlijk waar zijn?" vroeg ik verwonderd.
-
-»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el
-heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen
-die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling
-zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen
-moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent
-Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere
-lieden bovendien," voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik
-op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het
-Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het
-land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als
-deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen
-en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker
-met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel
-nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen,
-zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het
-koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor
-het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk
-in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al
-zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had,
-zoo breed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op
-een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord
-konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en
-dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel
-moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen
-schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!"
-
-»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen,
-vriend Andries?"
-
-»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent
-eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam
-zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik
-u maar zeggen dat degeen, die het historietje 't eerst op het tapijt
-bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon
-ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de
-eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond de
-andere vent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of
-men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen
-brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid
-in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar
-behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak
-uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan
-zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang
-en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk
-misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog
-iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde
-mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding
-niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen
-zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook
-heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat
-plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar
-tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van
-Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur
-en vlam--nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!--Hij maakte
-vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen,
-ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en
-verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen
-druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit,
-wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan
-wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk."
-
-Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht
-behoorde.
-
-»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van
-de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere
-menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle--van hem zijn er zeer
-zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar
-hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen,
-welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van
-het lied was, dat zij verklaarden, dat de gansche historie enkel laster
-was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had,
-zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen."
-
-Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp
-het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar,
-eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde
-het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet
-aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er
-aan hechten zou.
-
-»Andries," zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om
-al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk
-gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen
-last heb gehad." Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu
-vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste
-wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken
-te komen praten."
-
-Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn
-neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die
-niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen.
-
-»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden,
-en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin
-blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng
-uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht
-van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren."
-
-»Best! heel goed!" hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen
-en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene
-mooie vrouw in diamanten."
-
-En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langen
-weg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein
-voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om
-hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman
-zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik
-wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm,
-waarmede de gansche tuin doorsneden was.
-
-Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van
-de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde,
-verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in
-die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid,
-het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd,
-waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek
-bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen
-zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen
-in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een
-van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat
-dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen,
-tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om
-ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit
-loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit
-als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar
-men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer
-hechtte, gevoelde ik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op
-het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan
-ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen,
-dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid
-van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.
-
-In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt
-boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde:
-»Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg,
-om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee
-omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen."
-
-Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al
-de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom
-geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid,
-dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door
-groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet
-minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en
-boter--door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons
-gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de
-avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel
-van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding,
-spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien,
-ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten
-sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden,
-niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in
-dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.
-
-De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd
-verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam
-gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had,
-vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende
-zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis
-van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij
-nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de
-domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen,
-om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond
-immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als
-zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels,
-noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem
-in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het
-kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei
-spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van,
-zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den
-dag de honden naar buiten te volgen.
-
-Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken
-uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden
-glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer
-'s avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen,
-als zij daar den avond doorbracht.
-
-Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer
-zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters
-vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor
-het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel
-verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien
-heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en
-Diana's gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen,
-bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee
-gestalten! Nu verdwenen zij--nu weder aan het derde--eindelijk ook
-aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de
-vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen
-dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd.
-
-Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde
-niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met
-een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe
-onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke
-bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het
-onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar
-zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas,
-lichtzinnig meisje!" zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen
-welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare
-ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij
-even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet,
-door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens,
-zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haar
-kaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto
-zelf, wanneer hij uit het graf verrees."
-
-Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden
-dag mijne vertaling van Ariosto's eersten zang getoond, en haar
-verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl
-zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit
-bepaald geweigerd had.
-
-Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept,
-toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef,
-die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de
-laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging
-en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij
-kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins
-uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide
-Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris
-als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement
-uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het
-vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis
-te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke
-personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de
-getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven
-bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het
-geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een
-nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen
-van het Parlement--in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek
-der hoofdstad--en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle
-op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de
-uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man
-te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer
-magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel
-meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de
-zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was
-grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn
-stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige
-vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve
-wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt,
-kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg,
-dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja,
-dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij
-die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al
-te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben
-verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde
-met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell
-gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter
-zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge
-geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman
-iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne
-eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede
-naam was openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was,
-naar herstel van eer te streven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-
- Van waar komt gij? wie zijt gij?
-
- Milton.
-
-
-Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij
-aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar
-Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen,
-waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan
-terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel,
-zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral
-waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne
-ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten
-behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamste
-Whig-ministers bekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten,
-wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus 't veiligst,
-mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te
-leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk
-op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad
-te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.
-
-Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene
-weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had,
-ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in
-Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld
-had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns
-vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te
-verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in
-mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik
-in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige
-regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om
-in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe
-ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn
-raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen,
-er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar
-Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene
-voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven
-die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn
-vertrek uit het kasteel aan te dringen, geloofde ik dat mijn vader het
-insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen
-naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om
-den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te
-mijnen opzichte verspreid had.
-
-Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te
-redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier
-te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor
-van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen,
-dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:
-
-
- Waarde mijnheer Frans!
-
- »Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer
- R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij
- zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen,
- die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het
- Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam
- jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken
- en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel
- gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar
- Gods wil geschiede! Uit hoofde a costi cassa misschien zeldzaam
- mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u
- inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de
- Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die,
- twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.
-
- »Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachting
-
- UEds. dw. dienaar,
- Joseph Owen.
-
-
- P.S. »Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult
- gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te
- hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn,
- maar ziet er niet best uit."
-
-
-Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van
-den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met
-Rashleigh's karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien
-toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone
-gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor
-mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren
-raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen,
-waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn
-vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht,
-mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl
-ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde,
-dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn
-boekhouder in mijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens,
-misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was
-Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen,
-dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te
-zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven,
-zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen
-zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje,
-dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag
-van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik
-op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de
-inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd,
-was bijna geheel uitgeput.
-
-Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het
-dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich
-uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven
-te zien vechten.
-
-»Een wreed vermaak!" zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik,
-niet!"
-
-»Neen, neen!" hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond
-weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel
-beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen
-doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets
-in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat
-torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken;
-die kan er dus niet zijn."
-
-Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit
-aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh's kamers leidde,
-terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een
-donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur,
-vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge
-steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in den
-tuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne
-nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of
-terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd
-van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en
-deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans
-aanmerking bij.
-
-»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?" vroeg ik.
-
-»Niet dikwijls," antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar
-maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan,
-zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap:
-die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere
-wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen
-doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in
-Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met
-zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet,
-dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks,
-als ik hem de geleerde namen der planten noem."
-
-Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen
-van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der
-zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts
-zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen,
-uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins
-onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als
-een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige,
-waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets
-geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog
-geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer
-vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.
-
-Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde:
-want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar
-veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten
-opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het
-bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan
-toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk
-den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen
-is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking
-van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd,
-is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna
-vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met
-lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en
-vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door
-zijne slimheid ook meestal gelukt.
-
-Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij
-zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze
-omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem
-te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg,
-bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig
-ontmoetten, tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer
-waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het
-kasteel, Rashleigh's kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht
-men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets
-natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond
-mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal,
-dat Diana's omgang met den priester even geheimzinnig was als hare
-betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan's naam genoemd,
-zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting,
-toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in
-het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig
-zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters
-komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde
-dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken
-gewisseld hadden.
-
-Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone,
-aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester
-daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te
-brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de
-hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst
-zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met
-elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad
-een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst,
-die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig
-hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij
-elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over
-het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik
-had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde
-en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te
-handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer
-gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met
-Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En
-als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den
-vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?
-
-Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker,
-naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te
-lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap
-voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels
-der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op
-den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige
-pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk
-verdiende. Maar nu begon ik Diana's gedrag met zoo scherpe blikken
-na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid
-trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik
-verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede
-standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene
-neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer,
-die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan
-eigenzinnig beweerde, dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou
-kennen en verdwaald zijn. »Neen"--zeide ik--»ik ben niet verdwaald"
-... Toch was het zoo.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-
- Op zekeren dag, tegen den middag toen
- ik naar mijn boot ging, ontdekte ik
- met groote verassing het spoor van
- een naakten menschenvoet, zeer duidelijk
- in het zand van den oever afgedrukt.
-
- Robinson Crusoe.
-
-
-Diana's zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming
-en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen
-opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel
-ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik
-haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels
-in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te
-zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht
-om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die
-haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den
-moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere
-oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond
-daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder
-een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij
-stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een
-groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch
-verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl
-ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld
-werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen;
-aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid
-zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen
-kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch
-ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend
-door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf
-onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken,
-niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot
-elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg
-ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana's
-tegenzin in het klooster vermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op
-eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen
-van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana
-dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar
-plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek
-dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien.
-
-Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene
-uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit
-viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk
-oprapen, maar zij voorkwam mij.
-
-»Verzen?" zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het
-ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn
-antwoord afwachtte.--»Mag ik zoo vrij zijn?--o, als gij bloost
-en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en
-veronderstellen, dat het mij vergund is."
-
-»Het is het lezen niet waard!" viel ik haar in de rede; »slechts een
-losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te
-gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo
-goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden."
-
-»Beste vriend," hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij
-aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen
-een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat
-ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou
-van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen."
-
-Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto's lied:
-
-
- »Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ik
- Van 't hoofsch bedrijf, van 't koen en heldenmoedig hand'len
- Van koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,
- Uit Afrika, 't Barbarenland, kwam wand'len.
- Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,
- Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.
- Het gold Trojano's moord. Hij kwam van verre stranden,
- Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fier
- Den grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen ....
- Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.
- Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en groot
- Tot razernij verviel, om bittren liefde nood ....
-
-
-»O, o! Er staat nog veel meer!" zeide zij, het papier overziende. Ik
-had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden
-streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde
-lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.
-
-»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,"
-zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand,
-die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid," vervolgde ik
-na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig
-houden, dan wanneer ik--het spreekt van zelf, slechts tot mijne
-eigen uitspanning--de vertaling van den heerlijken dichter weder
-opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er
-mede begonnen."
-
-»Maar het zou de vraag zijn," zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd
-niet tot iets beters kondt besteden?"
-
-»Gij meent misschien tot eigen werk?" antwoordde ik en gevoelde mij
-ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is
-vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke
-gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat
-Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft ...."
-
-»Vergeef mij waarde neef, ik geef geene aanmoediging; gij neemt
-ze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende
-dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het
-een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik,
-over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding
-heb gegeven."
-
-»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!" hernam ik, en
-trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet
-wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij
-mij bewijst."
-
-»Neen, neen!" vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon
-uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word
-niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk,
-wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen."
-
-Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare
-meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te
-vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend
-was, boos zoude worden.
-
-»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en
-gesproken!" antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der
-dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig
-zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!"
-
-»Van mijn vader? Volstrekt niets!" hernam ik. »Sedert eene scheiding
-van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd."
-
-»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij
-heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat
-hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne
-tegenwoordigheid eischten?"
-
-»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen."
-
-»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename
-verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst,
-bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige
-beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?"
-
-Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet
-verbergen.
-
-»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!" zeide Diana zeer
-ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk
-een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk
-zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen."
-
-»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?"
-
-»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!" zeide zij
-met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de
-riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een
-hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den
-vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk
-schijnt," voegde zij er bij.
-
-»Maar wat raadt gij mij dan?" vroeg ik, haar antwoord wenschende
-en vreezende.
-
-Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij
-onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien
-zijt gij reeds veel te lang hier geweest," voegde zij er eenigszins
-zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van
-nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik
-moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in
-Rashleigh's handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast
-en zeker overtuigd kunt zijn."
-
-»Ondergang, hoe is dat mogelijk?"
-
-»Geen vragen!" vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh's oogmerken
-reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur
-van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van
-zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader in
-Engeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid
-zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke
-blijven er partij van te trekken."
-
-»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle
-toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar
-kunnen afwenden?"
-
-»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw
-aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand
-kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en
-van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is,
-Rashleigh's plannen zijn van dien aard, dat ..." Plotseling bedwong
-zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,"
-hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze
-plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen,
-bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet
-immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:
-
-
- »Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!"
-
-
-Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe:
-»O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja,
-dan ben ik er zeker al te lang gebleven!" Zij bloosde, maar ging
-standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen
-het kasteel verlaten,--maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier
-slechts één wezen terug dat u genegen is;" ging zij voort, zich tot
-een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om
-hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van
-anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden,
-wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger,
-veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel
-minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden."
-
-»Nooit!" riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden,
-wat ik hier moet achterlaten!"--Ik vatte hare hand en drukte die aan
-mijne lippen.
-
-»Dat is dwaasheid!" riep zij; »dat is krankzinnigheid!" En zij
-deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met
-zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel
-eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,"
-begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting
-van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid
-des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh
-Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen
-wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan
-het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en
-betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk
-het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste."
-
-Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening
-overweldigd en zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij
-terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor
-de allerlaatste maal."
-
-Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der
-hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur
-van den geheimen gang naar Rashleigh's kamer bedekte, bewogen
-werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden,
-uitvorschenden blik op Diana.
-
-»Het is niets," zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter
-het behangsel."
-
-Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden,
-verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna
-op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien,
-keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik
-besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana's
-herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!" te gehoorzamen. Zeker
-werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde
-mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik
-mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren.
-
-Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne
-ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in
-bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger
-door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere,
-onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh's kuiperijen
-voor mijn vader ontstaan kon--de onmiskenbaar moeielijke toestand van
-het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht
-was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te
-gaan--dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was
-volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen
-en te toetsen.
-
-Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze,
-waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare
-houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen
-te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele
-sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen,
-die zich tegen de bekentenis van hare neiging verzetten. De blik,
-waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur
-had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las
-daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond
-moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van
-vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke
-reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn,
-die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten
-en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?
-
-Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over
-de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken
-en in plaats daarvan Diana's houding na te vorschen. »Welaan," zeide
-ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil
-ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel
-te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de
-heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en
-gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel."
-
-Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en
-een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime
-jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed,
-welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden,
-scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe,
-zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer
-ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks,
-innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet
-uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere
-argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene
-andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en
-meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik
-nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-
- Een stemme spreekt, gij hoort haar niet.
- Mij roept zij toe: o, vlied toch, vlied!
- Een hand zie ik.--Gij ziet haar niet.
- Mij wenkt zij toe: "O, blijf hier niet."
-
- Tickell.
-
-
-Beste vriend Tresham! Gij zult u wel herinneren, dat mijne
-avondbezoeken in de boekenkamer zelden anders dan na afspraak,
-en dan nog slechts in de tegenwoordigheid der oude Martha, plaats
-hadden. Dit was eene stilzwijgende overeenkomst, door mij zelf
-ingesteld. Sedert het vertrouwelijke verkeer tusschen Diana en mij
-door al meer bezwaren gestoord werd, waren wij des avonds nooit in die
-boekenkamer bijeen geweest. Diana kon dus ook niet veronderstellen,
-dat ik eene hernieuwing van die bijeenkomsten zou zoeken, nog minder,
-dat ik verzuimen zou, het te voren af te spreken, opdat de oude Martha,
-naar gewoonte haar post zou kunnen waarnemen: Die maatregel was echter
-alleen op eene soort van wederzijdsche schikking, volstrekt niet
-op een uitdrukkelijk bevel gegrond. De boekenkamer stond voor mij,
-even als voor ieder ander huisgenoot, elk uur van den dag open. Het
-kon dus geenszins als een ongeoorloofd, vermetel indringen beschouwd
-worden, zoo ik van dien toegang gebruik maakte, hoe onverwacht soms
-mijne verschijning dáár mocht zijn. Stellig geloofde ik, dat Diana
-in die kamer den priester, of iemand anders, door wiens oordeel zij
-gewoon was haar gedrag te laten besturen, nu en dan zag, en wel op
-een tijd, dat zij de minste stoornis behoefde te vreezen. Het licht,
-hetwelk de vensters der kamer op ongewone uren verlichtte; de voorbij
-zwevende schaduwen, welke ik zelf had opgemerkt; de voetstappen in
-den morgendauw, die men van het torenpoortje tot aan de achterdeur van
-den tuin ontdekte; de geluiden en gedaanten, welke eenige dienstboden,
-vooral de tuinman, gehoord en gezien en naar hunne meening verklaard
-hadden,--dit alles bewees voldoende, dat die plaats door iemand bezocht
-werd, die niet tot de gewone huisgenooten behoorde. Deze onbekende
-bezoeker moest, naar ik geloofde, tot Diana's lot in nauwe betrekking
-staan. Ik vatte het plan op, om te ontdekken wie of wat hij was,
-en in hoe verre zijn invloed goede of kwade gevolgen voor haar zou
-kunnen hebben. Mijn hoofddoel echter, ofschoon ik mij zelven trachtte
-te overreden, dat het slechts eene zeer ondergeschikte beweegreden was,
-om uit te vorschen, door welke middelen deze onbekende zijn invloed op
-Diana verkregen had, hoe hij dien voortdurend handhaafde, of haar door
-vrees, of door wezenlijke genegenheid en welwillendheid leidde. Deze
-jaloersche nieuwsgierigheid was natuurlijk thans mijn hartstocht. Mijne
-verbeelding wilde Diana's gedrag steeds uit den invloed van één enkelen
-persoon verklaren, ofschoon ook, naar hetgeen ik van de zaak wist,
-hare raadgevers meerderen konden zijn. Dit hield ik mij zelven dikwijls
-voor. Doch telkens kwam ik tot het eerste vermoeden terug, dat één
-enkel wezen, en wel een man, en waarschijnlijk een jong, schoon man,
-op den achtergrond de rol van Diana's bestuurder speelde. Brandend van
-verlangen om zulk een mededinger te ontdekken, of liever te betrappen,
-begaf ik mij naar den tuin, ten einde op het oogeblik te loeren,
-waarop de vensters der boekenkamer zouden verlicht worden.
-
-Mijn ongeduld was zóó groot, dat ik lang voor het donker was, wel
-een uur vóór schemeravond, in den tuin reeds de wacht hield. Het was
-op een Zondag; al de paden waren stil en verlaten. Ik wandelde een
-poos op en neder, en terwijl de zachte avondkoelte mij goed deed,
-dacht ik wat kalmer na over de waarschijnlijke gevolgen van mijne
-onderneming. De frissche, met de geuren van allerlei planten gekruide
-lucht, deed de koortsachtige hitte bedaren, die mijn binnenste scheen
-te verteren. Toen mijne ziel nu van lieverlede tot eene rustiger
-stemming was teruggekeerd, vroeg ik mij zelven af, wat mij eigenlijk
-het recht gaf, in de geheimen van Diana, of in die van mijn oom,
-mij nieuwsgierig in te dringen? Wat ging het mij aan, wien mijn oom
-in zijn huis wilde verbergen, waar ik immers zelf slechts als gast
-geduld werd? Welk recht had ik, om Diana's gangen na te sporen. Zij
-had mij zelve immers bekend, dat zij in een geheim gewikkeld was,
-dat zij volstrekt niet wilde uitgevorscht hebben.
-
-Maar mijn hartstocht en eigenzinnigheid hadden het antwoord op deze
-vraag gereed. Ontdekte ik den geheimen, onbekenden bezoeker, dan bewees
-ik mijn oom misschien een niet onbelangrijken dienst. Vermoedelijk
-wist hij niet, welke tooneelen er in zijn huis plaats hadden. En
-een nog veel belangrijker dienst kon ik Diana bewijzen, die, wegens
-hare openhartige en argelooze eenvoudigheid in het vertrouwelijke
-verkeer met een man, die wellicht van een dubbelzinnig of wel zelfs
-gevaarlijk karakter was, zich aan zoovele gevaren blootstelde. Ik
-trachtte weliswaar in haar geheimen door te dringen, maar ik had
-immers het grootmoedige, ja, zeide ik, het onbaatzuchtige oogmerk, om
-haar te leiden en te verdedigen, haar te beschermen tegen list, tegen
-boosheid, en bovenal tegen den geheimen raadgever, dien zij tot haren
-vertrouweling had gekozen. Dit waren de gronden. Mijne eigenzinnigheid
-nam die redeneeringen als echte munt aan. Mijn geweten deed als een
-koopman, die, hetzij dan gaarne of ongaarne, maar met elke betaling
-tevreden moest zijn, om niet in onmin met een goeden klant te geraken,
-ofschoon er sterke twijfel bestond, dat het valsch geld was.
-
-Ik wandelde de groene paden op en neer, over dit alles
-nadenkend. Plotseling zag ik den tuinman, voor een rij bijenkorven,
-als een standbeeld, in diepe beschouwing verzonken. Met het ééne oog
-sloeg hij het nijvere volkje gade, dat in zijne strooien woningen
-gedurende den naderenden nacht eene schuilplaats zocht, maar met het
-andere oog keek hij in een gebedenboek, dat door langdurig gebruik
-zijne hoeken verloren had, welke rond of afgesleten waren, zoodat
-het er als een antiquiteit uitzag.
-
-»Ik las daar juist een paar heilzame spreuken," dus begon hij. »Het
-boek is van den eerwaarden heer Quackleven, en heet: »Welriekende
-bloemen op den mesthoop van het leven gezaaid.""--Hij sloeg het boek
-dicht, na alvorens zijn bril tusschen de bladzijden gelegd te hebben,
-dáár waar hij in zijne aandacht door mij gestoord was.
-
-»Maar de bijen hebben u van uwe stichtelijke bezigheid toch min of
-meer afgetrokken, niet waar, vriend Andries?"
-
-»Ja, dat is een erg volkje!" antwoordde hij. »Zes dagen in de
-week kunnen zij arbeiden, en toch zwerven zij ook des Zondags,
-op den heiligen Sabbatdag, rond, en beletten niet zelden vrome
-Christenmenschen Gods woord te hooren. Maar heden werd er in onze
-kapel juist geene predikatie gehouden."
-
-»Ja, wanneer gij, als ik, in de dorpskerk geweest waart, dan zoudt
-gij eene voortreffelijke predikatie gehoord hebben," hernam ik.
-
-»Dank u, niets dan ijskoude soep--ijskoude soep!" riep Andries
-op minachtenden toon; »goed voor honden die ze willen opslorpen;
-neem het mij niet kwalijk! Jawel, een predikant in zijn witten kiel
-zijne preek hooren opdreunen en de muzikanten op den koop toe! Neen,
-dat is geen preken, dat is een boerenbruiloft houden. Dan kan ik even
-goed vader Docharty zijne mis hooren prevelen."
-
-»Docharty?" herhaalde ik--het was de naam van een ouden Ierschen
-priester, die soms in het kasteel de mis las.--»Ik meende dat pater
-Vaughan nog in het kasteel was. Gisteren was hij er ten minste."
-
-»Ja, maar hij is ook reeds gisteren weder vertrokken, om naar
-Greystock, of ergens die kanten uit, te gaan. Er is wat een
-beweging onder die lieden. Alles is ijverig bezig, even als
-mijne bijen. God vergeve het mij, dat ik die brave diertjes met de
-Papisten vergelijke. Zie eens, daar komt de tweede zwerm! Nu zullen
-zij denkelijk allen wel in rust zijn, en dus wensch ik u insgelijks
-goeden nacht, waarde heer. Gods genade zij met u!"
-
-Na dit gezegd te hebben, verwijderde de tuinman zich en wierp nog
-een afscheidsblik op zijne bijen. Ik had hem een voor mij belangrijk
-bericht te danken. Pater Vaughan was niet meer op het kasteel. Brandde
-er dus dien avond licht in de boekenzaal, dan kon het zeker het
-zijne niet wezen, of zijn gedrag was zeer geheimzinnig en ten hoogste
-verdacht. Met klimmend ongeduld verbeidde ik de schemering. Nauwelijks
-stond ik tegenover de vensters, toen er een flauw schijnsel in
-de boekenzaal zichtbaar werd. Wel was het wegens den nog niet
-geheel onder de kim gezonken gloed van het avondrood nauwelijks
-te onderscheiden, maar ik ontdekte het schijnsel zoo snel als een
-schipper het nog verre licht van een vuurtoren, waarheen hij zijn
-koers richt. Alle twijfel, elk opkomend gevoel van welvoegelijkheid,
-die tot dusver mijne nieuwsgierigheid en jaloezie bestreden hadden,
-verdwenen, toen zich de gelegenheid opdeed, om de beide genoemde
-driften te bevredigen. Ik keerde naar het kasteel terug. Ik kwam,
-de meer bezochte gangen en kamers vermijdende, aan de deur van de
-boekenzaal. Met den sleutel, om de deur te openen, reeds in de hand,
-toefde ik nog een oogenblik. Ik hoorde zachte voetstappen. Eindelijk
-opende ik de deur en vond--Diana alleen.
-
-Zij was verrast over mijne plotselinge verschijning; misschien ook
-over iets anders, ik kon het niet bepalen. Maar in haar geheele
-voorkomen heerschte eene zoo zichtbare onrust, als ik nog nooit bij
-haar opgemerkt had. Naar mijn oordeel, kon die slechts het gevolg van
-eene ongewone gemoedsbeweging zijn. In een oogwenk bedaarde zij echter,
-terwijl ik, zoo sterk is het geweten, ik, die haar wilde verrassen,
-ten uiterste verrast en het meest verlegen voor haar stond.
-
-»Wat nieuws brengt gij?" vroeg zij. »Is er iemand op het kasteel
-gekomen?"
-
-»Voor zoo ver ik weet, niemand," antwoordde ik een weinig verward;
-»ik zocht slechts mijn Ariosto."
-
-»Daar ligt hij," zei Diana, op tafel wijzende.
-
-Terwijl ik eenige boeken ter zijde schoof, om te vinden wat ik
-voorwendde te zoeken, overlegde ik, op welke wijze ik mij met goed
-fatsoen uit dezen neteligen toestand zou kunnen redden. Ik moest
-van eene kampplaats, waarop mijne krachten te kort schoten, mij maar
-terugtrekken. Daar zag ik plotseling een manshandschoen op de tafel
-liggen. Mijn oog ontmoette Diana's oog, en haar gelaat werd vuurrood.
-
-»Het is een van mijne reliquiën," zeide zij met een vaste stem,
-terwijl zij niet mijne woorden, maar alleen den op haar geworpen
-blik beantwoordde; »het is een der handschoenen van mijn grootvader,
-het origineel dier fraaie schilderij van Van Dijck, die gij zoo
-zeer bewondert."
-
-Zij scheen zelve te gelooven, dat meer dan eene bloote verzekering
-noodig was om mij te overtuigen, en eene schuiflade openende, nam zij
-daaruit een anderen handschoen, dien zij mij toewierp. Wanneer een van
-natuur geheel openhartig gemoed zich tot dubbelzinnigheid en veinzerij
-laat verleiden, gebeurt het niet zelden dat de angstvallige onrust,
-waarmede de ongewone arbeid verricht wordt, den toehoorder aan het
-twijfelen brengt. Ik wierp een snellen blik op de beide handschoenen
-en antwoordde ernstig: »De handschoenen gelijken elkander in vorm
-en bewerking vrij goed, maar zij zijn geen paar; het zijn beide
-rechtsche."
-
-Diana beet zich op de lippen en kleurde nogmaals sterk.
-
-»Gij hebt gelijk dat gij mij volstrekt niet verschoont," zeide zij met
-bitterheid. »Andere vrienden zouden uit hetgeen ik gezegd heb slechts
-geoordeeld hebben, dat ik geen lust had, om verklaringen wegens eene
-omstandigheid te geven, die geene verklaring behoeft, ten minste niet
-voor een vreemde. Gij hebt intusschen beter geoordeeld, en mij doen
-gevoelen, dat dubbelhartigheid laag, en veinzerij voor mij eene zeer
-moeielijke zaak is. Thans zeg ik u stellig, dat deze handschoen niet
-tot dien anderen behoort, zoo als gij scherpzinnig op- en aangemerkt
-hebt. Hij behoort een vriend, die mij nog dierbaarder is dan het
-oorspronkelijke van dit portret--een vriend, wiens raadgevingen mij
-geleid hebben en nog verder zullen leiden--een vriend, dien ik eer,
-dien ik....."
-
-Zij zweeg. Ik was door deze gedeeltelijke bekentenis niet weinig
-verstoord en vulde terstond hare afgebroken woorden op mijne manier
-aan; »dien zij bemint, wilde freule Vernon zeggen?"
-
-»En al wilde ik dit zeggen," antwoordde zij op fieren toon, »wie zou
-dan het recht hebben om mij wegens mijne genegenheid ter verantwoording
-te roepen?"
-
-»Ik niet freule, ik niet! zooveel vermetelheid bid ik u mij vooral
-niet toe te schrijven. Maar," vervolgde ik met nadruk, want ik was
-nu insgelijks min of meer boos geworden, »ik hoop, dat freule Vernon
-een vriend vergiffenis zal willen schenken, al schijnt zij hem dezen
-naam te willen ontnemen, wanneer hij opmerkt dat...."
-
-»Hij merkt niets op, mijnheer Osbaldistone!" viel zij mij in de
-rede. »Want ik wil noch verdacht noch ondervraagd worden. In de gansche
-wereld leeft niemand, door wien ik mij wil laten beoordeelen. Hebt gij
-dezen ongewonen tijd uitgekozen, om mijne geheimen op het spoor te
-komen, dan is de vriendschap of deelneming, welke gij voor mij zegt
-te gevoelen, slechts de verachtelijke dekmantel van uwe onbeleefde
-nieuwsgierigheid."
-
-»Ik dank u en ik zal u ontslaan van mijne tegenwoordigheid!" hernam
-ik, even trotsch als zij, »ik ontwaak uit een aangenamen, maar
-bedriegelijken droom, en--maar wij verstaan elkander thans!"
-
-Met deze woorden stond ik aan de deur der zaal, toen Diana, wat niet
-zelden gebeurde, door eene plotselinge aandoening overweldigd, naar
-mij toe snelde, mijn arm vatte en mij tegenhield, terwijl zij daarbij
-die gebiedende houding aannam, van welke zij zich soms zoo goed wist te
-bedienen, en die dan, in tegenoverstelling met de gulle eenvoudigheid
-van haar gewone houding, zulk een krachtigen invloed kon oefenen.
-
-»Blijf, neef Frans, blijf!" zeide zij. »Op deze wijze moet gij niet
-van mij scheiden. Ik ben volstrekt niet zoo rijk aan vrienden, dat ik
-zelfs de ondankbaren en baatzuchtigen zou kunnen verstooten. Hoor
-naar hetgeen ik u zeg, mijnheer Frans Osbaldistone! Van dezen
-geheimzinnigen handschoen zult gij niets vernemen,--dit zeggende
-hield zij den handschoen in de hoogte--»volstrekt niets: neen,
-geen woord meer dan gij reeds weet, en nochtans zal hij tusschen
-ons geen veetehandschoen worden. Mijn verblijf hier," vervolgde zij,
-tot een zachteren toon overgaande, »kan niet lang meer duren; het uwe
-moet nog korter zijn. Wij zullen spoedig scheiden en elkander nooit
-wederzien. Laat ons niet twisten. Laat mijn geheimzinnig ongeluk
-het voorwendsel niet worden, om de weinige uren te verbitteren,
-welke wij aan deze zijde van het graf nog bij elkander zullen zijn."
-
-Ik weet niet door welke macht dit betooverend wezen eene zoo volkomene
-heerschappij over een gemoed erlangde, dat ik zelf niet altijd in
-staat ben te beheerschen. Bij het binnentreden der boekenzaal had ik
-besloten, Diana te dwingen tot eene verklaring die mij bevredigde. Zij
-had mij die met bitse fierheid geweigerd, mij onbewimpeld bekend,
-dat een medeminnaar bij haar boven mij de voorkeur had.--Hoe toch
-kon ik de voorrechten, welke de geheimzinnige vertrouweling genoot,
-anders verklaren? En ondanks dit alles, toen ik de kamer verlaten en
-met haar voor altijd breken wilde, behoefde zij slechts van toon te
-veranderen, een eenigszins vriendelijker oog op mij te werpen, en, in
-plaats van eene trotsche gevoeligheid, een minzame en, als ware het,
-schertsende macht te toonen, waarbij ernst en weemoed samensmolten. Ik
-liet mij gewillig en onderdanig weder naar mijn stoel leiden.
-
-»Wat baat het?" zeide ik, toen ik ging zitten. »Wat kan het
-baten? Waarom zou ik getuige van moeielijkheden zijn, waarvan ik u
-niet kan ontheffen, van geheimen, welke ik niet eens mag trachten te
-onthullen, zonder u te beleedigen! Hoe weinig ondervinding gij ook
-hebben moogt, het kan u toch niet onbekend zijn, dat eene schoone jonge
-vrouw slechts één vriend kan hebben. Zelfs bij mijn vriend zoude ik
-jaloersch zijn op een onbekenden, geheimzinnigen vertrouweling maar
-bij u...."
-
-»Gij lijdt dus aan jaloezie--aan al de kwellingen van dezen
-beminnelijken hartstocht? Zeg eens, gedurende den ganschen tijd hebt
-gij vaak niets anders uitgebracht dan die praatjes, die domkoppen
-in tooneelspelen en romans vinden, en dan zoolang napraten, tot die
-wartaal hen heelemaal in haar macht heeft? Knapen en meisjes babbelen
-op die wijze voort, tot zij echt verliefd worden. En als hunne liefde
-slaperig wordt, babbelen zij op dezelfde wijs al weder tot zij heusch
-jaloersch worden en aan het twisten geraken. Gij en ik moeten toch
-verstandig genoeg zijn om ons niet aan deze kinderachtigheden schuldig
-te maken. Wij mogen voor elkander niets anders dan vriendschap, gulle,
-vertrouwelijke, onbaatzuchtige, ware vriendschap koesteren. Elke andere
-betrekking tusschen ons is onmogelijk. Laat mij openhartig spreken--"
-voegde zij er na eenig stilzwijgen bij-- --»hoewel ik daarbij iets te
-kort moet doen aan hetgeen de vrouw betaamt en over mijne oprechtheid
-een weinig moet blozen. Wij kunnen nooit met elkander huwen, al zouden
-wij het ook willen. En wij zouden het niet mogen, al konden wij het."
-
-En toen zij deze wreede verklaring deed, overtoog het liefelijkste
-rood haar gelaat. Ik wilde hare beide stellingen bestrijden,
-zonder aan het vermoeden te denken, hetwelk zich dien avond zoo zeer
-bevestigd had. Doch zij vervolgde met ijskoude bedaardheid, die bijna
-strengheid mocht heeten: »Wat ik zeg, is eene eenvoudige, onbetwistbare
-waarheid, waarheid, waarover ik noch vragen noch verklaringen wil
-hooren.--Wij zijn dus vrienden, mijnheer Osbaldistone, niet waar? Wij
-zijn vrienden?--" Zij reikte mij de hand toe, en de mijne vattende,
-voegde zij er op denzelfden toon bij: »voor heden en in de toekomst
-volstrekt niets anders voor elkander dan vrienden!"
-
-Zij liet mijne hand los, die neerzonk, terwijl mijn hoofd insgelijks de
-onwillekeurige beweging mijner hand volgde. Ik was door hare goedheid
-en haar ernstigen wil geheel overweldigd.
-
-Schielijk gaf Diana aan het gesprek eene andere wending.--»Hier is een
-brief," zeide zij. »Het adres luidt duidelijk aan u. Maar in weerwil
-van al de voorzichtigheid waarmede de afzender hem verzonden heeft,
-zou hij u misschien niet ter hand zijn gekomen, indien hij niet een
-betooverden dwerg in handen ware gevallen, dien ik, even als alle
-met rampen worstelende prinsessen uit de sprookjes, in mijn geheimen
-dienst heb."
-
-Ik opende den brief, liep hem schielijk door, het papier ontviel mijne
-hand. »O God!" riep ik uit: »door mijne dwaasheid en ongehoorzaamheid
-heb ik mijn vader ongelukkig gemaakt!"
-
-Diana sprong op, zichtbaar bewogen en bekommerd.--»Gij wordt bleek,
-gij valt in onmacht. Zal ik u water geven? Verman u, mijnheer
-Osbaldistone! herstel u! Wat is er gebeurd? Uw vader--leeft hij
-niet meer?"
-
-»Hij leeft, God zij dank!" hernam ik, »maar in welken bitteren nood!"
-
-»Is het anders niet, dan behoeft gij waarlijk nog niet te wanhopen. Mag
-ik den brief lezen?" vroeg zij, het schrijven opnemende.
-
-»O ja," zeide ik, zonder inderdaad te weten wat ik zeide. Zij las
-den brief met zeer veel aandacht.--»Wie is die Tresham, die den brief
-onderteekend heeft?"
-
-»Mijns vaders compagnon, die zich echter weinig met de handelszaken
-van ons huis bemoeit."
-
-»Hij spreekt hier van verscheidene brieven, welke vroeger aan u
-verzonden zijn," vervolgde Diana.
-
-»Ik heb tot nu toe nog volstrekt geen anderen brief dan dezen
-ontvangen," antwoordde ik.
-
-»En Rashleigh, die sedert uws vaders vertrek naar Holland de zaken
-bestuurde, zou sedert eenigen tijd met eene aanzienlijke som gelds
-van Londen naar Schotland zijn vertrokken, om daar eenige wissels te
-betalen en men heeft na dien tijd niets meer van hem vernomen?"
-
-»Alles maar al te waar!"
-
-»En dan heeft men,"--vervolgde Diana, den brief inziende, »een
-boekhouder, of zoo iets--Owen heet hij--naar Glasgow gezonden, om
-Rashleigh, zoo mogelijk, op te sporen, en men verzoekt u, insgelijks
-derwaarts te vertrekken, ten einde hem in zijne nasporingen behulpzaam
-te zijn."
-
-»Zoo is het, en ik moet oogenblikkelijk afreizen."
-
-»Maar één enkel oogenblik geduld!" viel Diana mij in de rede. »Het
-schijnt, dat het ergste wat er in staat, het verlies van eene som
-geld is. Kan dat u tranen doen storten, mijnheer Osbaldistone? Schaam
-u! Over een som geld!"
-
-»Gij doet mij onrecht," antwoordde ik. »Dat verlies is volstrekt
-niet de reden van mijne hevige ontroering. Mij treft het besef van de
-uitwerking, welke dit ongeval op mijns vaders zwakke gezondheid zal
-hebben. Het vertrouwen van den handel staat bij hem op even hoogen
-prijs, als de eer. Als deze gebeurtenis oorzaak is, dat de op hem
-getrokken en door hem geaccepteerde wissels door dit verlies niet
-op den vervaltijd betaald worden, dan weet ik zeker, dat met het
-eerste protest van zulk een wissel ook zijn doodvonnis zal geteekend
-zijn. En dit alles had ik kunnen voorkomen door een gering offer
-van mijne dwaze trotschheid, door het bedwingen van mijn tegenzin
-in nuttige werkzaamheden, die mij weerhield, om mijn vader in zijn
-eervol beroep behulpzaam te zijn. O God! hoe zal ik de gevolgen mijner
-dwaling herstellen!"
-
-»Gij moet terstond naar Glasgow vertrekken, zoo als uw vriend u
-verzoekt," hernam Diana.
-
-»Maar als Rashleigh wezenlijk het schandelijke en gewetenlooze oogmerk
-heeft, om zijne weldoeners te berooven, hoe zou ik dan middelen kunnen
-vinden om zulk een listig ontworpen plan te verijdelen?"
-
-»De uitslag is trouwens onzeker, maar het zou u volstrekt onmogelijk
-wezen, uw vader van eenig nut te zijn, als gij hier bleeft. Bedenk
-dit wel. Hadt gij u op de plaats bevonden die voor u bestemd was,
-dan zou dit ongeluk niet hebben kunnen gebeuren. Maar spoed u nu
-daarhenen, waar men u verwacht, en misschien kan alles nog hersteld
-worden. Doch wacht een oogenblik en blijf hier, tot ik terugkom."
-
-Zij liet mij alleen in hevige verwarring en ontroering. En te midden
-daarvan bleef ik de vastberadenheid en tegenwoordigheid van geest
-bewonderen, welke Diana zelfs bij de meest verrassende ongevallen
-scheen te behouden.
-
-Weldra kwam zij terug en had een papier in de hand, dat als een
-brief gevouwen en gezegeld, maar zonder opschrift was. »Dit bewijs
-van mijne vriendschap zal ik u toevertrouwen," zeide zij, »daar ik
-mij met zekerheid op uw eergevoel verlaat. Begrijp ik het wel, hoe
-het eigenlijk met die netelige zaak gelegen is, dan moeten die gelden,
-welke Rashleigh medegenomen heeft, voor wissels op zekeren dag, ik meen
-den 12den September, uitbetaald worden. Kan men nu vóór dien tijd eene
-voldoende som daarvoor vinden, dan is uws vaders krediet behouden?"
-
-»Juist, zoo begrijp ik den inhoud van den brief eveneens," antwoordde
-ik, en voegde, toen ik het schrijven zelf nog eens had ingezien,
-er bij: »het is zoo, het kan niet anders zijn."
-
-»Welaan, in dat geval kan mijn gedienstige geest u van nut worden,"
-vervolgde Diana. »Ik heb u gezegd, dat er eene tooverkracht in den
-brief is. Neem hem, open hem echter niet eerder, dan wanneer andere
-gewone middelen tot redding vruchteloos blijken te zijn. Wanneer gij
-door uwe eigen pogingen uw doel bereikt, dan vertrouw ik op uwe eer,
-dat gij den brief verbranden zult, zonder hem te openen of te laten
-openen. Gebeurt dit echter niet, dan moogt gij hem ontzegelen,
-maar slechts tien dagen vóór den noodlottigen tijd, en dan zult
-gij aanwijzingen vinden, die u voorzeker van nut zullen kunnen
-worden. Vaarwel Frans, wij zien elkander nooit weder, maar denk
-somwijlen aan uwe vriendin Diana Vernon!"
-
-Zij reikte mij de hand toe, maar ik drukte haar aan mijn hart. Zij
-vergunde mij gelaten deze omarming. Zij zuchtte, toen zij zich
-losmaakte. Een oogenblik later was zij verdwenen door de deur, die
-naar hare eigene kamer leidde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-
- Voort ging 't! voort maar! hop, hop, hop!
- Al voort! in bruisenden galop,
- Dat ros en ruiter snoven,
- En stof en vonken stoven.
-
- Bürger.
-
-
-Het is hard, als op den mensch allerlei ongelukken van verschillenden
-aard tezamen instormen. En toch ligt daarin het voordeel dat door
-de verstrooiing, die hunne tegenstrijdige werking op het gemoed doet
-ontstaan, geen der onheilen hem geheel en al overweldigt. Het scheiden
-van Diana smartte mij diep; maar nochtans niet zoo zeer, dat ook
-het ongeluk, hetwelk mijn vader dreigde, mijn geest niet zou hebben
-bezig gehouden, terwijl weder die Jobstijding mij minder bekommerde,
-omdat ze niet het eenige voorwerp van bezorgdheid voor mij was.
-
-Niet dat ik een wuft minnaar, of een gevoellooze zoon was. Maar
-een mensch wijdt slechts een zeker deel van zijne smartelijke
-gewaarwordingen aan de oorzaak, waardoor zij verwekt worden. En wanneer
-twee daarvan tegelijk werken, dan moet onze deelneming noodzakelijk,
-even als de percent's gewijze betaling van een bankroetier, tusschen
-allen verdeeld worden. Met zulke gedachten kwam ik in mijne kamer. Het
-was alsof ik reeds op weg was naar de koopmansberekeningen.
-
-Ik begon mijns vaders brief ernstig te overwegen. De inhoud was
-mij nog niet zeer duidelijk. Ik werd ten opzichte van verscheidene
-omstandigheden naar Owen verwezen, dien ik te Glasgow aan het kantoor
-van de heeren Mac-Vittie, Mac-Fin en Compagnie moest zoeken. Bij
-de vermelding van verscheidene vroeger aan mij afgezonden brieven,
-die verloren of onderschept moesten zijn, klaagde men over mijn
-halsstarrig zwijgen in uitdrukkingen, die zeer onbillijk zouden zijn
-geweest, wanneer mijne brieven ter plaatse van hunne bestemming waren
-gekomen. Ik was schier buiten mij zelven van verbazing. Ik twijfelde
-er geen oogenblik aan, dat Rashleigh's geest rondom mij zweefde,
-en dat hij de zwarigheden, die mij omringden, als spoken opriep. Ik
-schrikte voor de gedachte, toen ik overwoog hoe veel laaghartigheid
-en macht hij tot de uitvoering van zijne ontwerpen moest gebruikt
-hebben. Om mij ten minste in één opzicht recht te laten wedervaren,
-wil ik niet verzwijgen dat het scheiden van Diana Vernon, hoe het
-mij ook op een anderen tijd zou ter neer geslagen hebben, mij thans
-minder trof, dan de gedachte aan de gevaren die mijn vader dreigden. Ik
-zelf hechtte weinig aan rijkdom, en meende, even als de meeste jonge
-lieden van levendige fantasie, dat ik gemakkelijker het bezit van
-geld ontberen kon, dan mijn tijd en mijne bekwaamheden opofferen voor
-de werkzaamheden, waardoor het moest verkregen worden. Maar ik wist
-dat mijn vader het verlies van zijn vermogen voor een onherstelbaar
-ongeluk zou houden, waarvoor het leven hem geen troost verschaffen
-en de dood alleen het eenige redmiddel zijn kon.
-
-Mijn geest ontwikkelde, bij de overweging hoe dit ongeluk af te
-weren, eene kracht, welke het eigenbelang nooit zou opgewekt hebben,
-wanneer het mijn eigen vermogen gegolden had. Ik nam het besluit,
-reeds den volgenden dag het kasteel te verlaten en Owen in Glasgow
-op te zoeken. Ik oordeelde het raadzaam, dit besluit aan mijn oom
-eenvoudig bekend te maken door een brief, waarin ik hem voor de bij
-hem genoten gastvrijheid mijn dank betuigde, en hem tevens verzekerde
-dat eene dringende en zeer gewichtige aangelegenheid mij belette,
-hem mondeling daarvoor te danken. Ik wist wel, dat de oude eenvoudige
-ridder mij gemakkelijk verontschuldigen zou, en ik geloofde zoo vast
-aan Rashleigh's wijd uitgebreide en vermetele macht, dat ik inderdaad
-vreesde dat hij, als ik mijn vertrek openlijk zou hebben aangekondigd,
-middelen zou gevonden hebben, om deze reis te verhinderen. Zijne
-verdere plannen zouden immers door mijne reis worden belemmerd.
-
-Ik besloot, mij met het aanbreken van den dag te verwijderen, ten einde
-ongehinderd over de naburige Schotsche grenzen te komen, waarvan het
-welgelukken mijner onderneming afhing. Ik kende noch den kortsten,
-noch over het geheel eenigen weg naar Glasgow. In deze verlegenheid,
-daar spoed thans van het hoogste belang was, viel mijne gedachte op
-den tuinman Andries, van wien ik eenige inlichting kon verwachten. Hoe
-laat het ook reeds was, ik begaf mij terstond naar zijne woning, die
-niet ver van den buitenmuur van den tuin lag. Het was een aardig,
-van ruwe steenen gebouwd en door groote berkeboomen overschaduwd
-huis; een beekje kronkelde erlangs, terwijl het ook een bloemperk
-en moestuintje had; uit dit laatste verschafte zich de bewoner de
-behoeften voor zijne tafel; eene koe, die hem boter en melk verstrekte,
-had ook hare behoorlijke stalling.
-
-Toen ik deze woning naderde, hoorde ik een geluid, dat zich in
-langgerekte neustonen oploste. Mijne eerste gedachte was, dat Andries,
-volgens de goede gewoonte zijner landslieden, eenige buren tot eene
-avondoefening, zoo als zij het noemden, bij zich vereenigd had. Hij had
-vrouw noch kinderen, noch andere vrouwelijke huisgenooten. »De eerste
-man," zeide hij doorgaans, »had al genoeg van dat vee gehad." Maar soms
-wist hij toehoorders uit de rondom wonende Katholieken en aanhangers
-der bisschoppelijke kerk bij zich te verzamelen--»brandhouten uit het
-vuur weggerukt," zoo als hij ze noemde--en dan oefende hij aan hen
-zijne geestelijke gaven, in spijt van pater Vaughan, pater Dotharty,
-Rashleigh en alle naburige Katholieken die hem, wegens deze onwettige
-uitoefening van hunne ambtsbediening, voor eene soort van ketterschen
-beunhaas verklaarden. Ik dacht, dat ook nu zijne woning tot een
-bedehuis voor zulk een gezelschap diende. Maar bij aandachtiger
-luisteren scheen mij het geluid uit de longen van den tuinman alleen
-te komen. Toen ik het door mijn binnentreden afbrak, vond ik hem
-werkelijk geheel alleen. Tot zijne stichting las hij een godgeleerd
-twistschrift en raffelde, zoo goed als hij kon, al de lange woorden
-en moeielijke namen achter elkander af.
-
-»Juist zocht ik een zalvende plaats of spreuk op bij den eerwaarden
-doctor Lichtfoot," zeide hij, terwijl hij den foliant ter zijde legde.
-
-»Lichtfoot?" hernam ik, met verwondering op den foliant ziende. »Uw
-schrijver heeft een vrij ongepasten naam."
-
-»Ja, Lichtfoot heet hij, waarde heer, maar hij was een heel ander
-godgeleerde, dan die van onzen tegenwoordigen tijd. Nu neem het mij
-niet kwalijk dat ik u zoo lang voor de deur liet staan, maar ik had
-heden avond een heel spul met een spook--God behoede ons!--en toen
-wilde ik niet gaarne opendoen, voor dat ik mijne avondoefening verricht
-had. Juist had ik het vijftiende kapittel van Nehemiah geëindigd. Als
-dat geen spook kan bedwingen, dan weet ik er niets van."
-
-»Met een spook hadt ge te doen?" vroeg ik, »hoe moet ik dat verstaan,
-Andries?"
-
-»Nu ja, het wilde op mij los, God bewaar me!"
-
-»Op u los? Wat beteekent dat toch?"
-
-»Nu ja, ik meen eigenlijk niet, dat het mij te lijf wilde--maar het
-verschrikte mij geweldig."
-
-»Nu, mij is het wel. Genoeg daarvan! Ik wenschte gaarne te weten,
-of gij mij den naasten weg naar een zekere plaats van uw land,
-Glasgow genaamd, kunt wijzen?"
-
-»Eene plaats, Glasgow genaamd?" herhaalde Andries. »Glasgow is een
-zeer groote stad, waarde Heer. Of ik den weg naar Glasgow ken? Wat
-een vraag? Die stad ligt dicht bij mijne geboorteplaats; mijne
-geboorteplaats ligt alleen een beetje meer westelijk. Maar wat hebt
-gij toch in Glasgow te zoeken?"
-
-»Bijzondere zaken roepen mij daarheen."
-
-»Dat is met andere woorden: vraag mij niet verder. Nu, ik zal u
-niet lastig vallen. Naar Glasgow?" vervolgde hij, na eene poos
-zwijgens. »Mij dunkt, gij deedt beter, als gij een gids medenaamt."
-
-»Ja, kon ik er maar een vinden, die den weg kent."
-
-»En gij zoudt dan zeker voor verzuimden tijd en genomen moeite goed
-schadeloos stellen?"
-
-»Welzeker. Ik heb groote haast, en wanneer gij voor mij een knaap
-opsporen kunt, die mij vergezellen wil, kunt gij hem tevens verzekeren
-dat ik hem goed zal betalen."
-
-»Hoor eens, mijnheer, heden is het Zondag," vervolgde Andries, naar mij
-opziende, »en dan mag men zich met geene wereldsche zaken bezig houden,
-anders zou ik u wel eens willen vragen, wat gij er voor over hebt,
-als ik u een flinken gids bezorg, die de namen der kasteelen van al
-de edellieden langs dien weg weet op te noemen, en met de betrekkingen
-van die edellieden even goed als met zijne eigen familie bekend is."
-
-»Ik zeg u immers, dat ik alleen den weg behoef te weten. De gids zal
-met mijne betaling tevreden zijn."
-
-»Dat doet er niets toe!" hernam Andries. »De man, dien ik bedoel,
-kent alle zijpaden, alle voetpaden door het gebergte."
-
-»Ik heb geen tijd om thans langer te praten of u te hooren praten,
-mijn beste Andries. Breng de zaak maar voor mij in orde zoo als gij
-wilt, en gij zult mij een grooten dienst bewijzen."
-
-»Nu, dat laat zich hooren," hernam Andries. »Als het zoo is, en niet
-anders, dan zal ik, om alle verdere moeite te besparen, u maar zelf
-den weg wijzen."
-
-»Gij, Andries? Maar hoe kunt gij zoo plotseling uw dienst verlaten?"
-
-»Ik heb u immers gezegd," antwoordde de tuinman, »dat ik reeds sedert
-lang dit voornemen gekoesterd heb, reeds sedert het eerste jaar van
-mijn dienst; en nu zal het daarmede eindelijk eens ernst worden. Beter
-laat dan nooit."
-
-»Dus wilt gij uw dienst vaarwel zeggen en uw loon in den steek
-laten?" vroeg ik.
-
-»Nu ja, er zal iets aan moeten opgeofferd worden, dat spreekt van
-zelf. Maar ik heb nog eenig geld van onzen heer onder mij, van de
-appelen, weet ge, uit dien ouden boomgaard.--Ja, de lieden, die dat
-onrijpe goed gekregen hebben, zijn er leelijk mede gefopt! En toch is
-onze heer zoo happig naar dat geld, en onze rentmeester maant er mij
-zoo dringend om, alsof het voor gouden pippelingen ontvangen was. Ook
-heb ik nog eene kleinigheid in geld voor verkochte zaden in handen,
-en zoo denk ik, zal ik mijn loon wel kunnen vinden. Maar wanneer wij
-naar Glasgow gaan, zult gij toch wel in aanmerking gelieven te nemen,
-dat ik gevaar loop eenig verlies te lijden. Gij zult waarschijnlijk
-spoedig vertrekken?"
-
-»Met het krieken van den dag."
-
-»Dat is toch wat al te vlug! Van waar krijg ik een paard? Maar stil,
-ik weet er al een, dat juist voor mij geschikt is."
-
-»Dan vinden wij elkander morgen vroeg te vijf ure heel aan het
-vooreinde van de laan."
-
-»Ik zal er zijn, gij kunt er u gerust op verlaten!" zeide Andries
-welgemoed. »Maar wilt gij mijn raad volgen, laat ons twee uren vroeger
-vertrekken, ik ken den weg bij dag en bij nacht."
-
-Gaarne gaf ik mijne toestemming tot dat voorstel, en wij maakten
-afspraak om elkander den volgenden morgen te drie ure op de bestemde
-plaats te ontmoeten.
-
-Plotseling herinnerde zich mijn aanstaande reisgenoot zijn
-spook. »Maar, maar," zeide hij, »dat spook, dat spook zou ons kunnen
-overvallen, en niet gaarne zou ik tweemaal in de vier en twintig uren
-daarmede opgescheept zijn."
-
-»Gekheid!" riep ik in het heengaan. »Vrees toch niet voor wezens
-uit de andere wereld! Hier op aarde zijn booze geesten genoeg, die
-zonder bijstand van den Satan en zijne booze geesten, al erg genoeg
-klaar spelen."
-
-Met deze woorden keerde ik naar het kasteel terug, maakte schielijk
-de noodige toebereidselen tot mijne reis, laadde mijne pistolen
-en wierp mij toen op 't bed, om, zoo het zijn kon, nog eene korte
-rust te genieten, voor dat ik de lange reis ondernam, die niet
-zonder moeielijkheden en onaangenaamheden zou zijn. Uitgeput door
-de hevige aandoeningen, welke mij geschokt hadden, viel ik weldra in
-een diepen slaap, maar toen de klok van het kasteel twee ure sloeg,
-werd ik wakker, stond schielijk op, ontstak het licht, schreef den
-voor mijn oom bestemden brief, en nadat ik de allernoodigste kleederen
-in mijn valies had gepakt, begaf ik mij naar beneden en kwam, zonder
-eenige hindernis te ontmoeten, in den stal. Ofschoon ik nu wel geen
-volmaakte stalknecht was, zoo als mijne neven, had ik toch gedurende
-mijn verblijf op het kasteel Osbaldistone geleerd mijn paard te tuigen
-en te zadelen, ik was dan ook in weinige minuten daarmede gereed.
-
-Toen ik nu de oude laan, waarop de afnemende maan haar flauw schijnsel
-wierp, opreed, zag ik met een diepen zucht terug naar het gebouw
-waar Diana woonde, en het denkbeeld, dat wij misschien voor altijd
-van elkander gescheiden waren, deed mij onbeschrijfelijk leed.
-
-»Zij is reeds voor mij verloren!" zeide ik in mij zelf, terwijl mijn
-oog te vergeefs uitzag naar het venster van hare kamer in den langen
-Gothischen muur van het kasteel, waarvan de tinnen spookachtig wit
-in den maneschijn uitstaken.--»Zij is reeds voor mij verloren, eer
-ik nog uit hare nabijheid ben! Hoe zou ik kunnen hopen, als er mijlen
-afstand tusschen ons liggen, haar te herwinnen."
-
-In deze sombere droomerijen verdiept, hoorde ik de klok van het
-kasteel drie uren slaan.
-
-Dicht tegen den tuinmuur zag ik een man te paard wachten, doch ik moest
-wel driemaal hoesten en Andries roepen, eer de kerel antwoordde: »ja,
-ja, het is Andries!"
-
-»Vooruit dan!" zeide ik, »en zwijg, zoo gij kunt, tot wij door het
-dorp in het dal zijn."
-
-Andries reed nog veel sneller dan ik eigenlijk wenschte. Hij nam
-mijn bevel om stil te zwijgen zoo stipt in acht, dat hij mij zelfs
-met geen enkel woord antwoordde, toen ik hem herhaalde malen naar
-de oorzaak van dezen noodeloozen spoed vroeg. Eindelijk hadden wij
-langs allerlei zijpaden, welke Andries zeer goed kende, een goed eind
-wegs afgelegd, en kwamen nu over een wijduitgestrekte heide spoedig
-aan de kale heuvels, die Engeland van Schotland scheiden. Het pad,
-of liever het spoor, dat wij thans volgden, was steenachtig en vrij
-ongemakkelijk, maar desniettemin reed Andries steeds op een fikschen
-draf vooruit. Ik was verwonderd en misnoegd over zijne eigenzinnigheid,
-daar wij hier wegens den oneffen bodem telkens gevaar liepen, om
-langs de steile afgronden, die ons links en rechts aangrijnsden,
-door het struikelen van onze paarden een ernstig ongeluk te krijgen,
-of misschien zelfs het leven te verliezen. De maan scheen nog zeer
-flauw. Soms reden wij onder de schaduw van hooge bergruggen in eene
-zoo dichte duisternis, dat ik mijn voorrijder niet meer zien kon,
-en slechts de hoefslag van zijn paard en de vonken, welke het uit
-de steenen sloeg, mij zijn spoor aanduidden. De snelle beweging
-en de oplettendheid, die ik wegens mijne eigen veiligheid aan mijn
-paard moest wijden, hadden eerst de weldadige uitwerking, dat zij
-mijn geest van mijn vele smartelijke overdenkingen afleidden. Toen
-ik echter den tuinman eene geruime poos vruchteloos toegeroepen had,
-werd ik innig boos over zijne halsstarrigheid, daar hij mij noch wilde
-gehoorzamen, noch eenig antwoord geven. Maar mijn toorn was, helaas,
-machteloos. Een paar maal trachtte ik hem in te halen, om hem mijn
-misnoegen eens ernstig te doen gevoelen, maar zijn paard was veel
-beter dan het mijne. Hij raadde mijn doel en reed steeds sneller,
-zoodra hij merkte dat ik hem naderbij kwam. Van boosheid kwam ik bijna
-buiten mij zelven, en eindelijk dreigde ik hem, mijne pistolen op hem
-te zullen losbranden. Dit maakte meer indruk, dan alle vriendelijke
-beden. Hij reed langzamer. Maar toen ik dicht bij hem was, begon hij:
-»het is waarachtig wat te zeggen, langs zulk een ellendigen weg te
-moeten rijden!"
-
-»Maar zeg eerst waarom zijt gij zoo snel gereden?" antwoordde ik
-driftig. Men wordt in den regel driftiger, als men even te voren
-eerst een weinig vrees gevoeld heeft.
-
-»Maar wat wenscht u dan, waarde heer?" vroeg Andries met onwrikbaren
-ernst.
-
-»Wat ik wensch, schelm? Heb ik u niet reeds een geheel uur toegeroepen
-langzamer te rijden, en gij hebt mij niet eens geantwoord! Zijt gij
-dronken of gek?"
-
-»Ja, waarde heer," hernam Andries; »ik heb eigenlijk, eer ik mijn
-huisje, waar ik zoo lang gewoond had, verliet, een klein slokje
-genomen tot afscheid. Zie, ik wil met de zuivere waarheid voor den
-dag komen, want liegen is een groote zonde. Ik had niemand, die mij
-bescheid kon doen, en dus moest ik dat wel zelf doen, of het restje
-brandewijn voor de Papisten achterlaten, en dat zou ik toch voor
-onzen lieven Heer niet hebben kunnen verantwoorden. Ik heb het dus
-maar heelemaal opgedronken."
-
-Ik liet zijne verontschuldiging gelden. Hij was mijn gids in wiens
-macht ik in zeker opzicht was. Ik vergenoegde mij dus, met hem onder
-het oog te brengen, dat hij zich voortaan naar mijne bevelen te
-richten had.
-
-Toen hij uit mijne vriendelijkheid zag, dat mijn toorn was bedaard,
-nam hij weer het woord, eigenlijk op min of meer schoolmeesterachtigen
-beslissenden toon. »Gij zult het mij niet tegenspreken, gij noch
-iemand anders, dat men wel degelijk voor zijne gezondheid moet zorgen,
-wanneer men 's nachts over heidevelden en in het gebergte reizen moet,
-en het best is, dan vooraf een slokje brandewijn of iets dergelijks tot
-versterking te nemen. Dan heeft de nadeelige nachtlucht geen invloed op
-ons zwak gestel, en men is daarenboven veel moediger. Wel honderdmaal
-ben ik, bij dag en bij nacht, den Otterscopeheuvel overgetrokken,
-maar nooit kon ik den weg vinden, als ik niet vooraf behoorlijk mijn
-morgenslokje genomen had. Soms had ik een paar vaatjes brandewijn
-aan iederen kant van mijn paard."
-
-»Met andere woorden Andries, gij waart een smokkelaar? Hoe kan een man
-van uwe strenge grondbeginselen er ooit toe overgaan om de regeering
-te bestelen?"
-
-»De regeering? Neen, dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het een
-echte regeering was. Maar het is immers hier slechts eene berooving
-van tollenaren en zondaren!" antwoordde Andries. »Het arme Schotland
-lijdt erg van die liederlijke ontvangers en nog liederlijker kommiezen,
-die sedert de rampzalige unie als sprinkhanen tot ons overgewaaid
-zijn. Daarom moet een braaf mensch zijn vaderland nu en dan eene
-hartsterking bezorgen en dat satansche dievenras zijn buit ontnemen."
-
-Bij nadere bespreking bleek, dat Andries, vóór en na zijne aanstelling
-als tuinman op het kasteel Osbaldistone, dikwijls als smokkelaar op dit
-bergpad was geweest. Voor mij was deze omstandigheid in zoo verre van
-belang, als ik daarin een bewijs vond, dat de tuinman tot gids zeer
-bruikbaar was, ondanks den poets, dien hij mij in het begin gespeeld
-had. Hij reed nu wel is waar langzamer, maar nog steeds scheen het
-afscheidsglaasje, dat hem zoo zonderling opgewonden had, zijn invloed
-niet verloren te hebben. Dikwijls keek hij angstig om. Zoo vaak de
-weg effen werd, kwam hij in verzoeking om weder sneller te rijden,
-als vreesde hij den een of ander die hem vervolgde. Intusschen scheen
-zijne bezorgdheid meer en meer te verminderen, toen wij den rug van
-eene keten heuvels bereikte, die zich westelijk uitstrekten en aan
-beide kanten steil afliepen. Nu begon ook de dag aan te breken. En
-toen Andries eindelijk nogmaals omziende op de geheele eenzame heide
-geene menschelijke gedaante ontdekte, helderde zijn gelaat op. Hij
-begon te fluiten en zong eindelijk met ruwe, leelijke stem, maar
-vroolijk het einde van een Schotsch liedje:
-
-
- »Jenny, ik heb je meisje lief!
- Achter 't veen, in bosch en hei
- Blijft mijn meisje aan mijn zij."
-
-
-En daarbij klopte hij het dier, dat hem zoo welgemoed en vroolijk
-tot hiertoe gedragen had, vriendelijk op den hals. Maar toen
-ik het nu van naderbij bezag, herkende ik terstond Thorncliff's
-lievelingspaard.--»Wat is dat?" vroeg ik min of meer norsch; »hoe
-komt gij aan het paard van mijnheer Thorncliff?"
-
-»Ja, eens was het zeker het paard van den jongenheer Thorncliff,
-maar thans is het zeker het mijne."
-
-»Hebt gij het gestolen, schurk?"
-
-»Gestolen? Wel waarachtig niet, mijnheer! niemand kan mij een
-dief noemen. Ik zal u zeggen hoe het eigenlijk met de zaak gelegen
-is. Mijnheer Thorncliff leende van mij tien pond, toen hij naar de
-harddraverij te York ging, en toen ik hem naderhand om mijn geld
-maande, snauwde hij mij toe, dat als ik nog eens op dien toon durfde
-zingen, hij onze rekening met zijn knuppel zou vereffenen. Nu heb ik
-het hecht in handen. Wil hij zijn paard weer hebben, dan moet hij mij
-tot den laatsten duit betalen, of hij krijgt geen haar van den staart
-meer van zijne merrie te zien. Ik ken een zaakwaarnemer in Loughmaben,
-die verstaat het recht. Een paard stelen! Neen! God beware mij voor die
-gruwelijke zonde! Ik heb het slechts in beslag genomen. Juridictionis
-fendendie causa of hoe ze dat met een Latijnschen of Griekschen
-naam heeten. Ja, die namen hebben veel van de plantennamen bij
-ons tuinlieden en andere geleerde mannen. Die drie woorden heb ik
-geleerd. Jammer maar dat die studie zoo weergaas duur was. Het is al
-wat Andries uit een langdurig proces overgehouden heeft. Het was om
-drie vaatjes brandewijn. Ja, het recht is al een zeer kostbaar ding!"
-
-»Het zou u wel duurder te staan kunnen komen dan gij denkt," viel
-ik hem in de rede; »als gij onvoorzichtig genoeg zijt, om zonder de
-rechterlijke hulp in te roepen, uw eigen rechter te willen zijn."
-
-»Oho, beste mijnheer! Wij zijn thans in Schotland," antwoordde hij,
-»dank zij den Hemel! Daar zal ik wel goede vrienden vinden en rechters
-bovendien, zoo knap als een Osbaldistone denken durft. De neef van
-mijn ooms schoonbroeder is een neef van den schout te Dumfries, en
-die zal niet dulden, dat iemand van de familie verongelijkt wordt
-of schade lijdt. Hier krijgt iedereen recht, die recht heeft. Het
-gaat hier niet zoo als daar, waar de griffier Jobson, eer men er om
-denkt, een eerlijk man in de gevangenis werpt. Ook geloof ik stellig,
-dat recht en wet daar spoedig uitverkocht zullen zijn. Ik ben blij,
-dat ik maar bijtijds naar eene andere markt op weg ben, waar het een
-en ander nog wat ruimer en van beter allooi te vinden is."
-
-Ik was zeer geërgerd over de handelwijze van den zoogenaamden eerlijken
-tuinman. Het verdroot mij geweldig, dat mijn noodlot mij voor de
-tweede maal met een mensch van zoo slechte beginselen in aanraking had
-gebracht. Ik besloot hem, zoodra wij het doel van onze reis bereikt
-hadden, het paard af te koopen en het mijn neef terug te zenden. Aan
-mijn oom wilde ik echter van het naaste posthuis voorloopig bericht van
-mijne plannen geven. Met Andries nog langer te twisten, oordeelde ik
-nutteloos. Misschien had hij, op de keper beschouwd, voor een mensch
-van zijn stand en opvoeding niet geheel onnatuurlijk gehandeld. Mijn
-misnoegen bedwingend, vroeg ik hem, waarom hij geloofde, dat er binnen
-kort in Northumberland geen recht meer te krijgen zou zijn.
-
-»Recht?" antwoordde Andries. »Nu ja, het knuppelrecht zal daar al
-spoedig alleen gelden. De priesters, de Iersche officieren en al de
-Papisten, die buiten 's lands soldaat zijn geweest, omdat zij niet
-langer te huis durfden blijven, die zwerven thans talrijk genoeg
-door geheel Northumberland. De kraaien komen altijd daar bijeen, waar
-zij aas rieken. Gij moogt mij gelooven, de oude ridder Osbaldistone
-heeft zich ook al daarmede ingelaten. In het kasteel ziet men niets
-anders dan geweren, pistolen, degens en dolken. Ik wed dat zijne
-lieve zoontjes, die zelfs den duivel niet vreezen, er ook spoedig
-bij zullen zijn. Neem het mij niet kwalijk, waarde Heer! Ik spreek,
-zoo als ik denk."
-
-Deze verzekering van den tuinman herinnerde mij het vermoeden,
-hetwelk ook in mij was opgerezen, dat namelijk de Jacobieten de eene
-of andere wanhopige onderneming op het oog hadden. Ik had, daar ik
-zeer goed gevoelde, dat het mij niet paste mijns ooms woorden en
-daden te bespieden, elke gelegenheid, die zich voor mij aanbood om op
-die teekenen van eenige bijzondere voorbereiding te letten, eerder
-vermeden, dan daar partij van getrokken. Andries, die hieromtrent
-niet zoo nauwgezet behoefde te zijn, had nauwkeuriger opgelet. De
-nabijzijnde uitbarsting van oproerige bewegingen had hij met grond
-vermoed.--
-
-»Zij hebben de dienstboden en al wat tot het kasteel behoort, geregeld
-gemonsterd," voegde hij er bij op geheimzinnigen toon. »Ik zou ook
-gewapend zijn geworden. Maar onder zulke lieden te dienen--neen,
-dan kennen zij Andries niet! Vechten wil ik, als ik er lust in heb,
-doch niet voor de »hoer van Babel," en zeker niet voor zoo eene
-in Engeland."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-
- Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,
- Verweerd, gebrokkeld en gebogen,
- Daarachter slaapt des dichters geest,
- Des krijgsmans moed en menig minnend harte.
-
- Langhorne.
-
-
-Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen,
-of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te
-overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn
-wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo
-geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij
-zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige
-blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend,
-jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had,
-was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze
-had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een
-voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden,
-tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou
-zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd,
-doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af
-en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot
-het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor
-moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff's paard
-geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat
-deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de
-halster van het paard zou overblijven. Daarbij verried Andries, toen
-ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne
-bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden
-overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar
-beter was dan de griffier Jobson.
-
-»Had men hem," zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat
-hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die
-afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te
-zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de
-andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen
-bedroog. Maar wat zal ik er van zeggen!" voegde hij er op droevigen
-toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die
-ongelukkige Unie!"--Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk
-elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne
-landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen
-in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden,
-waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden
-geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef,
-hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid,
-of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de
-vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche
-griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik
-heb het ook niet onderzocht.
-
-Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene
-noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels
-achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de
-Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de
-laatste tijden den naam van groote stad, die mijn gids, als door een
-profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een
-uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische
-en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart
-gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop
-voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van
-handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het
-morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den
-Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch
-deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen
-te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog
-van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig
-verdrag hun verleend. Glasgow's ligging begunstigde geenszins de
-deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den
-weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd,
-dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds
-gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich
-thans schijnt te kunnen verheffen,--het was toch als hoofdplaats
-in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en
-gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen,
-bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat
-hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggende vruchtbare vlakte,
-als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken
-brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden
-en allerlei voorwerpen.
-
-De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf
-hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde,
-ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid,
-die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in
-talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de
-ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar
-de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders--zelfs
-onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool,
-dolk en schild gewapend--met verbazing de voorwerpen van weelde
-aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier
-verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks
-kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne
-zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder
-een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch
-reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door
-hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer
-vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar
-met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot
-vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.
-
-Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze
-veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat
-had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder
-zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge,
-steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk
-was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat
-men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen
-waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.
-
-Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad
-binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen,
-die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij
-stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend
-ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne
-navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke
-poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids
-verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie,
-Mac-Fin en Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou
-te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op
-Zondag betaamt te zijn.
-
-Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich
-gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond
-uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in
-de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met
-de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was,
-dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om
-iets omtrent Owen te vernemen dan omdat ik bijzonder veel stichting
-verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer
-Ephraim Mac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk
-zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was,
-daarheen moest medegenomen hebben.
-
-Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik
-zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte
-drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den
-beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij
-den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige
-kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk
-van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer
-fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is
-over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij
-hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt,
-in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk
-getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de
-kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den
-buitenkant met aandacht te beschouwen.
-
-Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van
-den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan
-den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna
-onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om
-de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan
-gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte,
-die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op
-het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig
-gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is
-ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsen
-bekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast
-elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld,
-gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude
-Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der
-vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen;
-de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche
-geven; de wijde vlakte, welke zij dekken--alles herinnerde mij die rol
-van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was,
-en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!
-
-Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met
-al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch
-men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien
-het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk
-Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland,
-die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries,
-die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw
-op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem
-bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het
-lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.--»Ja," zeide
-hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen,
-geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw
-vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende
-buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna
-zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas,
-Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men
-wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere
-lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit,
-alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien
-morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen,
-en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon
-vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene
-sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen
-luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen,
-en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen,
-dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit
-liefde voor de Papisterij--neen, dat kan niemand Glasgow's burgers
-nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden
-der zoogenaamde Heiligen--God behoede er ons voor!--er uit zouden
-gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen,
-gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En
-de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat,
-wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen
-was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen
-dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had,
-de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij
-alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja,
-ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet,
-dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig
-Godshuis in Schotland."
-
-En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-
- ...... Mijn ziel ontroert,
- Van schrik verbijsterd.
- Want graven zie 'k en lijkgesteenten,
- Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.
-
- De treurende Bruid.
-
-
-Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik
-bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het
-gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het
-omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra
-de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was,
-zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in
-het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen,
-die, op een afstand, in eene enkele harmonie samenvloeiden, vrij van de
-ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende
-met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude
-pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche
-natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep,
-scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine
-vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In
-Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien
-toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden
-konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel
-flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier
-werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar
-bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig
-opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur....
-
-»Kom, mijnheer, kom toch!" riep de ongeduldige Andries mij toe en trok
-mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden,
-veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan,
-dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder
-kerktijd, naar de wacht gebracht te worden."
-
-Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik
-gemeend had, naar de hoofddeur.--»Hierheen! hierheen!" riep hij,
-mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat,
-alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer
-verkondigd."
-
-En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist
-wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een
-grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche
-kerk--om welke reden is mij onbekend,--werd eene zonderlinge
-godsdienstoefening gehouden.
-
-Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats
-gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter
-gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken
-voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten,
-maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons
-rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen
-in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden
-ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid
-vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was
-als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden
-uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd
-door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar
-gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien
-meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken
-af te wijken, dan om eenige andere reden.
-
-Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke
-godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden,
-de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden
-dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de
-mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar
-het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist
-uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik
-in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening,
-en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten,
-vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.
-
-Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries
-en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren
-gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom
-de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de
-vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch
-venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne
-gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van
-hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna
-allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene
-moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte,
-of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder
-door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der
-Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden
-daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstiger bij hunne
-godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid
-staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.
-
-De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende
-gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is
-waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte
-en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer
-duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede
-begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger,
-vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte,
-die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare,
-zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken
-godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke
-bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid,
-om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of
-ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender
-zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den
-braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de
-uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer
-door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid
-van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen
-boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven
-die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor
-elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.
-
-Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene
-gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: "de prediking
-van den apostel Paulus te Athene" herinnerden. Hier zat een ijverig,
-verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht
-verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar
-gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de
-zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl
-de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand
-aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo
-tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog
-fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die
-aan 's predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde
-over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken
-werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde,
-en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een
-en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn
-hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor
-geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden
-gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op
-lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij
-ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden
-meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring
-der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en
-dan bescheiden in de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid
-niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest
-betreft--sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen,
-de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was
-om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die
-naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot
-aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door
-hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht der Laaglanders,
-uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig
-Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn
-zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende,
-terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt
-geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden
-zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders
-niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat
-er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.
-
-Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters
-heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen,
-zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene
-flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister
-lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.
-
-Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den
-leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor
-echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht
-geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig
-herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de
-scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden
-dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo
-terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren
-achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in
-die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier
-geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar
-te vestigen.
-
-Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn
-vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit
-eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet
-kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik
-aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze
-herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij
-zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht
-ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van
-Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend
-aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een
-elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even
-weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik
-zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun
-uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te
-vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen,
-noch onder de mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets
-ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de
-stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde
-mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen
-alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht
-bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten
-en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als
-op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het
-eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat
-ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen
-der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert
-het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte
-woorden vrij knorrig toegefluisterd had, keerde hij zich weder
-naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden,
-scherpbeoordeelenden toehoorder aan.
-
-Ik moest van den nood eene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid
-weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge
-gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij
-fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad
-in gevaar!"
-
-Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden
-stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de
-kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp,
-overtuigde mij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde
-reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer
-opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden
-mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon
-den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne
-oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze
-plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen
-mocht,--dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte
-en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat
-men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend
-op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen,
-zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste
-maal niet goed gehoord of begrepen had.
-
-Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd,
-of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet
-om."--Ik keek onafgewend naar den preekstoel.--»Gij zijt in deze
-stad in gevaar," vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden
-nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf
-overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen."
-
-De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had
-de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem,
-zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der
-toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond
-niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde
-gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den
-geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond
-verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet
-ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel,
-toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en
-viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had,
-dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar--men was zeer streng
-in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening--zijne rede
-afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder
-in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd,
-volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats
-naast den tuinman hernemen.
-
-Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen
-ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter
-benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd
-was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer
-goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe
-gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één
-woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik
-herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man
-aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon,
-wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen
-voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreek hem
-aan," herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog
-geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt,
-zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen
-geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij
-zijn beurs uit--zeggen de lui."
-
-Als de koopman wezenlijk zoo gierig is--dacht ik--als Andries beweert,
-dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening
-tusschen hem en mijn vader staat.... Die overweging versterkte den
-indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook
-den afkeer, door 's mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot
-mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen
-was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie
-naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die
-boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries
-beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den
-avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen
-bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven
-staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden
-wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk...."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXI.
-
-
- In 't middernacht'lijk uur op de Rialto,
- Volbreng ik, peinzende mijn avondgang ...
- Daar dan ontmoeten wij elkander ...
-
- Venetië gered.
-
-
-Een angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende
-reden er voor geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg
-op. Want mijn geleider, die er op aandrong, dat ik met hem de
-St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig geestelijke zou
-prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn
-toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig
-was ik niet, maar ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden
-toestand al de hulpmiddelen van zijn verstand vruchteloos uitgeput
-heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid kan worden om
-zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan
-geheel aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in
-hem opkomen en hem, ondanks zich zelven, medesleepen. Er lag iets
-zoo zonderling terugstootends in de onaangename gelaatstrekken van
-den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem te
-vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer, die als een vluchtig
-spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen"
-zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die,
-zoo als gij u wel zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in
-de omgeving paste.
-
-Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er
-slechts één weg om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te
-ontwijken. Ik moest dan mijn onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien
-ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht veronderstellen. Ik
-dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne reis
-was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat
-hij reeds van mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon
-zijn, een aanslag tegen mij te wagen. Het ontbrak mij dan ook niet
-aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht, en had mij,
-even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel
-geoefend. Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die
-dagen zeldzaam. Ook was de opgegeven plaats van bijeenkomst te open,
-om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden. Kortom, ik besloot
-mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door
-de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen,
-waarde Tresham, wat ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te
-verbergen--de onderdrukte, heimelijk gevoede hoop, dat Diana Vernon,
-ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke middelen, bij de
-zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke
-verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest
-hebben. Haar alleen--fluisterde de bedriegelijke hoop mij in--haar
-alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare eigen bekentenis,
-vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven,
-dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus
-dan Diana, bezat de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren
-af te wenden, die, naar het scheen, mij op den voet volgden. Deze
-vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan mij op. In het
-eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd
-vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik
-mijn sober maal nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien
-eenige glazen goeden rooden wijn haar aanwakkerden, was het denkbeeld
-»Diana roept u" zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een
-bedriegelijke verleidster te ontsnappen, welker gevaarlijken invloed
-ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof en mij naar buiten
-spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging--hoe
-welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat
-gij twijfeldet--bewerkte juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken
-moest. Want onwillekeurig nam ik mijn weg naar de brug over de Clyde,
-waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij te zullen ontmoeten.
-
-Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en
-namiddagspredikatie, om den Sabbath niet te schenden, volstrekt
-geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom had ik mijn
-middagmaal eerst na het eindigen van de namiddagsgodsdienstoefening
-gehouden en aldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan
-schemeravond te huis te blijven, in acht genomen. Toch moesten nog
-verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd van onze bijeenkomst
-daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik kan u
-bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den
-oostelijken oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide,
-die zoowel tot bleekveld als tot wandelplaats diende, talrijke
-groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers, terwijl anderen
-met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en
-oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden,
-aan de heiligheid van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen
-indruk. Al was ook de vrome stemming bij sommigen slechts eene
-onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen masker,
-bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron,
-uit het hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan,
-ik hoorde nooit meer dan één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer
-weinigen kwamen terug om nog eenige minuten te wandelen. Hoe ook het
-schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch op dezen dag
-van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden
-zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten's lands,
-zelfs onder de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt,
-moet zeker iets Joods, maar tevens iets bijzonder treffends vinden in
-deze wijze van den Sabbath te vieren. Terwijl ik zoo langs den oever
-heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts keerden,
-tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot
-een voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen
-maken kon. Ik koos dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij
-in zekeren zin een afleiding, al wandelende er op te letten, om de
-aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der vlakte,
-welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij
-dicht bezet zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk.
-
-Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne
-verrassing de scherpe stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het
-besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid een weinig luider sprak,
-dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten. Er
-bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die
-wijze de lastige praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van
-mijn reisgenoot te ontgaan, niets anders over dan mij schielijk
-achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een man met een
-ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok,
-een neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel
-bestond. Ik hoorde--mijne eigen karakterbeschrijving. Weliswaar,
-mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur, die beleedigend was,
-maar innerlijk moest ik bekennen--dat de schets gelijkend was.
-
-»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan," zeide Andries tot zijn
-geleider, »zoo is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan
-verstand. Hij beseft wel zoo wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam
-is in elk geval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder
-vergeten. Dat komt voornamelijk daar van daan, dat hij zich altijd
-met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem het hoofd geheel op
-hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling
-aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een
-kale rots, waarvan eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan
-de weligste moestuin. Ook babbelt hij veel liever met een zeker
-halfgek meisje, Diana Vernon--ja, men moest haar liever Diana van
-Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin--wat
-zeg ik, beter, zij is veel erger, want zij is eene Papiste!--Ja,
-met die, of met andere ledigloopers, loopt en babbelt hij veel
-liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige
-lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut
-zou kunnen zijn. Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem
-spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat niets. Alles is wildzang bij
-hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt u? Onlangs had
-hij de onbeschaamdheid om te zeggen--die arme verblinde zondaar!--dat
-Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist
-een rijmelaar geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!"
-
-Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard
-en letterkundige bezigheden, dacht ik in mijn rechtmatigen toorn
-den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste, met eene voelbare
-antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden,
-zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!" eenige opmerkzaamheid blijken,
-tot hij eindelijk eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik
-slechts uit de antwoorden van mijn reisgenoot kon gissen.--»Wat! Ik
-zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan moest Andries
-gek zijn! Hij vliegt op als buskruit," en »Ik zou geduld met hem
-hebben? Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens,
-de jongen is niet kwaad: hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op
-hem past. Het goud loopt hem tusschen de vingers door als water. Ja,
-wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken heeft, die
-is er zoo slecht niet aan toe."
-
-Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn
-metgezel verwijderde. De opwelling van mijn misnoegen bedaarde
-spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen ongelijk zou hebben, als
-hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne eigen
-schande." Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf,
-zooals dit in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich
-wel degelijk op voorbereiden, om ongenadig gehavend te worden. Als
-ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn beoordeelaar misschien
-nog zeer tevreden zijn.
-
-Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het
-mij voor eenige oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De
-nacht begon intusschen te vallen, en de langzamerhand toenemende
-duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere tint over de breede,
-stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg en hier
-en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte
-oude brug over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij
-aan de brug uit het sprookje, die in Mirza's droomgezicht over het dal
-van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als de rivier waaruit zij zich
-verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water verslonden,
-dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht
-werd het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een
-schemerend licht, als kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na
-den dag des Heeren plichtmatig door het bijwonen van den openbaren
-godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken gevierd te
-hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat
-de Presbyterianen zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men
-ook den hoefslag van een paard, dat dezen of genen landman, die den
-Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn dorpje terugvoerde. Van
-lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer. Ze hielden
-weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der
-rivier, en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den
-klokslag afgebroken, die van den kerktoren helder door de stilte klonk.
-
-Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid,
-waarin ik mij bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk
-bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg ik mij zelven af, of de laffe grap
-van een gek, of de sluwheid van een schelm, of het overlegde plan van
-een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid
-en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der
-hoofdkerk twaalf ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten
-slag verdwenen, of eene menschelijke gedaante, de eerste, welke ik
-sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken oever de brug
-over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het
-gevolg dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne
-gespannen verwachting mijne bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik den
-onbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte
-en vrij gezet was. Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde
-mijne schreden en bleef, toen ik nabij hem was, bijna stilstaan,
-in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag mij zeer
-onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets
-te zeggen. Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst
-aan te spreken. Ofschoon hij op het tot onze bijeenkomst bepaald
-uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn. Hij ging mij
-voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen
-zou. De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar
-staan, keek om, keerde terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep,
-dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd zou kunnen vinden, als ware
-hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag te spreken,
-voordat hij aangesproken wordt.
-
-»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!" sprak ik, toen hij bij mij stond.
-
-»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer
-Osbaldistone!"
-
-»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone
-uur te ontmoeten?"
-
-»Die ben ik!" hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen
-waarom."
-
-»Voor dat ik u volg," hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend
-zijn."
-
-»Ik ben een mensch," was het antwoord; »en mijn doel is goed."
-
-»Een mensch?" herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort."
-
-»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft," antwoordde
-de onbekende. »Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is,
-is ten minste nog altijd een mensch. En zelfs wie al dat genoemde
-bezit, wat is die dan meer?"
-
-»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw
-persoon, dan dat een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen."
-
-»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt
-gij mij volgen. Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te
-erlangen welke ik u wensch te verstrekken, welnu, dan moet gij dit
-zelf weten."
-
-»Kunt gij mij die hier niet geven?" vroeg ik.
-
-»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door
-middel van mijn mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die
-belangrijke mededeelingen aangaande het bericht, dat ik u wil geven."
-
-Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs,
-ja iets min of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een
-onbepaald vertrouwen in te boezemen.
-
-»Wat vreest gij dan toch?" vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw
-leven van zooveel belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?"
-
-»Ik vrees niets," antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins
-haastig. »Welaan, vooruit maar, ik volg u."
-
-Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en
-slopen als spoken door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht
-der maan de hooge, sombere voorgevels der huizen met hunne sieraden,
-nog hooger en somberder schenen.
-
-Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt
-gij bevreesd?"
-
-»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?"
-
-»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand,
-en wel op eene plaats, waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt."
-
-»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend."
-
-»En ik ben integendeel niet gewapend," antwoordde mijn geleider. »Maar
-dat doet er niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan
-kracht tot tegenweer. Gij verzekert mij, dat gij niets vreest. Maar
-zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het u, geloof ik,
-wel eenigszins anders om het hart worden."
-
-»En waarom dat?" vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u."
-
-»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die
-het zou kunnen hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam
-men in deze eenzame straten slechts fluisterend behoeft te noemen,
-om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?--bij een man,
-door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun
-fortuin zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te
-pakken?--bij een man, wiens gevangenneming een even welkome boodschap
-in Edinburg zou zijn, als ooit een gewonnen slag in Vlaanderen zou
-kunnen wezen?"
-
-»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?" vroeg ik.
-
-»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij
-herkende, een ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk
-mijn lot zouden worden."
-
-Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo
-nauwkeurig kon opnemen, als in de schemering mogelijk was, terwijl
-ik mij tevens tegen elken plotselingen aanval nu veilig achtte.--»Gij
-hebt òf te veel òf te weinig gezegd!" antwoordde ik. »Te veel, dan dat
-ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent,
-dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt;
-te weinig, zoo gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten
-onrechte geschiedt."
-
-Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week
-onwillekeurig terug en legde de hand aan mijn degen.
-
-»Wat is dat?" zeide hij; »tegen een weerlooze, tegen uw vriend?"
-
-»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit
-gesproken, uwe woorden en uw gedrag geven mij alleszins recht, om
-aan beide te twijfelen.
-
-»Dat noem ik moedig gesproken!" hernam mijn geleider. »Ik heb achting
-voor den man, wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd
-te verdedigen. Dus zonder omwegen, mijn vriend! Ik breng u naar
-de gevangenis."
-
-»Naar de gevangenis?" riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke
-misdaad? Mijn leven eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle
-pogingen en volg geen stap verder!"
-
-»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als
-gevangene!" antwoordde hij, en voegde er op fieren toon bij: »ik
-ben geen gerechtsdienaar--waarvoor ziet gij mij aan? Neen, ik breng
-u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult
-vernemen, waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit
-bezoek, geen gevaar, maar de mijne wel degelijk. Maar ik waag het
-onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk geen gevaren,
-en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer
-kent dan zijn degen."
-
-Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden
-voor een groot steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te
-ontwaren, met ijzeren staven voorzien waren.
-
-»Wat zouden zij er niet om geven,"--zoo begon de onbekende weder,
-wiens langzame uitspraak, wanneer hij in den toon van vertrouwelijk
-gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats verried,--»wat zouden
-de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven, als zij
-hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder
-Gods vrije lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het
-zou hun toch luttel baten, al hadden zij mij ook van het hoofd tot
-de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden, eer de morgen aanbrak,
-eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.--Kom dan, wat draalt
-gij toch?"
-
-Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een
-droom scheen te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat--is
-het? Wat Satan! Op dezen tijd?--Tegen alle orde...."
-
-De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder
-insluimerde.--»Dugald, vriend Dugald!" zeide mijn geleider vrij luid
-fluisterende: »hebt gij dan vergeten--ha num Gregarach?"
-
-»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!" was
-het vlugge antwoord, en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich
-spoedde om de deur te openen, terwijl mijn geleider en hij nog eenige
-woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare taal, wisselden. De
-grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die de
-vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden
-in het nauwe voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede
-verdieping en een paar lage deuren naar vast gegrendelde vertrekken
-leidden. De kale muren waren met boeien en andere, tot gruwzamer
-doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden
-en verdere oude wapentuigen prijkten.
-
-Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk
-geheim, in eene der gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwam
-mij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte
-de zonderlinge omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het
-door eigene schuld verdiend had, in hoogst onaangename aanraking
-met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik was slechts als
-vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXII.
-
-
- Astolfo! mijn jongling, zie om u. Want hier is de plaats,
- Waar menschen verhong'ren, uit armoê tot misslag gekomen.
- Hier bluscht elke hoop hare lichten, verstikkend de laatste
- der vonken
- In smeulenden walm en smook, maar vóór die vonk gansch'lijk sterft,
- Komt bittere wanhoop, krankzinnig door woeste vertwijfling,
- Doet vlammen de aaklige fakkels van zelf-beschuldiging en rouwe
- Dat hij zijn verstand en zijn ziele zoo diep in den afgrond
- deed zinken...
- Dit licht, dat is schriklijker nog dan het duister des kerkers.
-
- (De Gevangenis.)
-
-
-Ik was nauwelijks binnengetreden, of vol levendige nieuwsgierigheid
-zag ik naar mijn geleider. Maar de lamp in het voorportaal brandde zoo
-flauw, dat ik zijne gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Het voor
-mij veel minder belangrijke gelaat van den gevangenbewaarder, zag
-ik daarentegen des te duidelijker bij het licht van de lamp, welke
-hij in de hand hield. Hij was een kerel met een woest voorkomen,
-wiens ordeloos loshangende roode haren zijne gelaatstrekken
-overschaduwden. Maar treffend was in die trekken op dit oogenblik de
-uitdrukking van vreugde bij den aanblik van mijnen geleider. Nooit
-had ik iets ontmoet, dat mij zoo zeer herinnerde aan hetgeen ik vaak
-gelezen had omtrent een ruwen, afzichtelijken wilde, die den afgod van
-zijn stam aanbidt. Hij knarste met de tanden, hij beefde, hij lachte
-en weende bijna, zoo hij niet werkelijk weende.--»Wat kan ik voor u
-doen? Wat wilt gij dat ik voor u onderneem?" sprak uit elken trek, en
-tevens eene angstvallige, slaafsche onderdanigheid uit elke spier van
-zijn gelaat. »O! in welken langen tijd heb ik u niet gezien!" riep hij
-daartusschen met eene van verrukking schier verstikte stem. Hij liet
-er nog eenige andere korte uitroepingen in de onverstaanbare taal op
-volgen, waarin hij met mijn geleider gesproken had, terwijl wij nog
-altijd aan de deur der gevangenis stonden. Laatstgenoemde gedroeg
-zich bij al deze ontboezemingen van vreugde, als een vorst, die te
-zeer aan de hulde zijner onderdanen gewend is, om daardoor eenigszins
-getroffen te zijn, maar ze met trotsche minzaamheid ontvangt. Hij
-reikte den gevangenbewaarder met een genadig glimlachje de hand toe
-en zeide vrij vriendelijk: »Hoe gaat het, Dugald?"
-
-»O, ik dank u, o!" riep Dugald, doch matigde tegelijk, terwijl
-hij behoedzaam rondzag, den vrij luiden toon zijner stem. »O! u
-hier te zien--hier te zien! ach, wat zou er van u worden, zoo de
-gerechtsdienaars, die liederlijke schurken, er lucht van kregen!"
-
-Mijn geleider legde den vinger op den mond.--»Wees onbezorgd, Dugald:
-mij zal uwe hand niet opsluiten."
-
-»Neen, neen! dat zal ze nooit!" riep Dugald uit. »Waarachtig
-niet! Eer zou men haar--ja, eer liet ik haar afkappen tot aan den
-elleboog toe! Maar wanneer gaat gij weder op reis?--Gij verstaat mij
-wel? Daarheen? en zult gij het mij toch laten weten. Want ik ben toch
-uw neef, al is het ook slechts in den zevenden graad."
-
-»Welzeker, ik zal het u laten weten, Dugald; ik zal het u laten weten,
-zoodra ik mijne zaken behoorlijk geregeld heb."
-
-»Zoodra ik uw bericht ontvang--bij mijne zondige ziel!--al ware het
-ook Zaterdagsnachts, ik smijt den hoofdschout de sleutels naar den
-kop, eer ik ze nog ééns omdraai, ja, eer het Zondagmorgen wordt--ja,
-dat zal ik!"
-
-De geheimzinnige vreemdeling matigde de verrukking van zijnen bekende
-nog eenmaal en sprak hem in die vreemde taal aan,--later vernam ik,
-dat het de oude Gaelische taal was--vermoedelijk om hem te zeggen,
-wat hij van hem begeerde.--Met een: »van harte gaarne! o, van harte
-gaarne!" betuigde de gevangenbewaarder, onduidelijk mompelende,
-zijne bereidwilligheid. Hij draaide de bijna uitgedoofde lamp wat op
-en gaf mij een wenk om hem te volgen.
-
-»Gaat gij niet met ons?" vroeg ik mijn geleider.
-
-»Neen! dat is niet noodig," antwoordde hij. »Mijne tegenwoordigheid
-zou u zelfs lastig kunnen zijn. Beter dat ik hier blijf om den aftocht
-te dekken."
-
-»Ik kan niet denken, dat gij mij in gevaar wilt brengen?"
-
-»Volstrekt niet.--Zoo dit het geval was, zou ik voor mij er ten
-minste dubbel in deelen!" hernam de onbekende op een vasten toon,
-die mij alle wantrouwen benam.
-
-Ik volgde den gevangenbewaarder. Hij liet het binnenpoortje achter
-zich open, steeg een wenteltrap op, ging een nauwe gang door, en toen
-hij eene van eene lange rij deuren geopend had, bracht hij mij in een
-klein kamertje, waar hij de lamp op een houten tafeltje zette, op een
-bed van stroo in een hoek wees en zachtkens zeide: »Het mensch slaapt!"
-
-»Wie?" vroeg ik; »wie?"--Plotseling rees in mij het denkbeeld op:
-zou Diana Vernon zich in dit verblijf der ellende bevinden?
-
-Ik zag op het strooleger neer. Met eene gewaarwording, waarin
-teleurgestelde verwachting met vreugde zich mengde, ontdekte ik,
-dat mijn eerste vermoeden belachelijk was geweest. Ik zag een hoofd,
-dat noch jong, noch schoon was, met een tamelijk langen baard en
-eene roode nachtmuts. De eerste blik stelde mij omtrent Diana Vernon
-gerust. Maar bij den tweeden, toen de gevangene uit een diepen slaap
-ontwaakte en geeuwende zich de oogen wreef, ontdekte ik geheel andere
-trekken--het was mijn vriend Owen. Ik trad een stap terug, om hem den
-tijd te laten zich te herstellen, daar ik mij, bij geluk herinnerde,
-dat ik slechts een vreemdeling in dit verblijf der ellende was,
-en elk gerucht noodlottige gevolgen zou kunnen hebben.
-
-Owen had zich intusschen op zijn strooleger opgericht en zeide,
-terwijl hij met de eene hand zijn nachtmuts verschoof en zich met de
-andere over het gezicht streek, op vrij knorrigen toon en nog half
-slaapdronken: »hoor eens, mijnheer Dugald, of hoe gij heeten moogt,
-als gij mij weer zoo in mijne rust stoort, zal ik u bij den hoofdschout
-moeten aanklagen."
-
-»Er is hier een heer, die met u spreken wil," antwoordde de
-gevangenbewaarder op knorrig gebiedenden toon, die geheel anders
-klonk, dan de gillende Hooglandsche vreugdetoon, waarmede hij mijn
-geheimzinnigen geleider verwelkomd had. En met deze woorden verliet
-hij ons.
-
-Het duurde eenige oogenblikken, voor dat ik den ongelukkigen slaper
-in zoo verre kon doen ontwaken, dat hij mij herkende. Maar toen
-mij dit gelukte, was ook de droefheid van den braven man, die in
-het eerst veronderstelde, dat ik zijn medegevangene was geworden,
-onbeschrijfelijk groot.
-
-»O, mijnheer Frans!" riep hij uit, »waartoe hebt gij u en ons huis
-gebracht! Aan mij zelven denk ik niet eens.--Ik ben, zoo te zeggen,
-niets meer dan eene nul in 't cijfer; maar gij waart uws vaders
-hoofdsom: gij zoudt de eerste man in het eerste huis in de eerste van
-alle steden kunnen zijn--en zit ge nu in een liederlijke Schotsche
-gevangenis, waar men niet eens het stof van zijne kleederen kan
-laten borstelen!"
-
-Dit zeggende, wreef hij, met zichtbaar misnoegen, den eens zoo
-vlekkeloos bruinen rok, die thans door den morsigen grond besmet was,
-met den arm af. Zijne gewone overdreven zindelijkheid droeg er nog
-bij om zijn verdriet te verhoogen.
-
-»Ach, lieve hemel!" vervolgde hij, »hoe vreeselijk zal dat op de
-beurs den kooplieden in de ooren klinken! Zoo iets is niet gehoord
-sedert den slag van Almanza, toen het verlies der Britten op 5000
-dooden en gekwetsten, en een onbepaald aantal van vermisten geschat
-werd.--Ja, wat beteekent dat, vergeleken bij de ontzettende tijding,
-dat Osbaldistone en Tresham opgehouden hebben te betalen!"
-
-Hier brak ik zijn klaaglied af, om hem te zeggen, dat ik geen gevangene
-was, maar ook niet wist hoe ik op zulk een uur in de gevangenis was
-gekomen. Aan zijn nieuwsgierige vragen kon ik daardoor alleen een
-einde maken, dat ik dringend naar zijne eigen omstandigheden vroeg,
-en eindelijk zoo veel van hem vernam, als hij mij wist te zeggen. Wel
-was zijn verhaal vrij duister, want hoe duidelijk, schrander en bondig
-Owen ook over alles redeneerde, wat tot den handel betrekking had,
-zoo verward en onverstaanbaar praatte hij over dingen, die buiten den
-handelskring lagen. Zijne berichten verschaften mij echter meer licht,
-dan ik tot hiertoe erlangd had. Onder de correspondenten van mijns
-vaders kantoor in Glasgow, met welke stad hij, wegens zijn handel op
-Schotland, vrij aanzienlijke zaken deed, had het huis Mac-Vittie,
-Mac-Fin en Comp. zich steeds het dienstvaardigst betoond, bij elke
-gelegenheid de ondubbelzinnigste bewijzen van inschikkelijkheid jegens
-het Engelsche huis gegeven. Bij alle ondernemingen, had het zonder
-te morren, de rol van den jakhals op zich genomen, die zich met de
-overblijfselen vergenoegt, welke de leeuw hem overlaten wil. Hoe gering
-ook het voordeel mocht zijn, dat men hun gunde, het was volgens hunne
-betuiging nog altijd genoeg voor lieden van hun stand. Hoe veel moeite
-en werkzaamheden hun ook ten deel vielen, zij verzekerden steeds, dat
-zij levendig gevoelden niet genoeg te kunnen doen, om zich voortdurend
-de bescherming en den goeden dunk van hunne hooggeachte Londensche
-vrienden waardig te maken. Mijns vaders orders waren voor de heeren
-Mac-Vittie, Mac-Fin en Comp. wetten der Perzen en Meden, die niet
-veranderd, niet vernieuwd, zelfs niet eens opgehelderd mochten worden,
-en de overdreven nauwkeurigheid, waarop Owen in handelszaken gesteld
-was, scheen hun niet minder heilig te zijn. Dezen toon van diepen
-eerbied hield Owen voor echte munt. Maar mijn vader, die een weinig
-dieper in het menschelijke hart zag, en òf omtrent die bovenmatige
-inschikkelijkheid argwaan koesterde, of, als een vriend van het
-korte en eenvoudige in handelszaken, de langwijlige betuigingen van
-onbegrensde hoogachting dier heeren hartelijk moede was, had het
-verzoek van dit kantoor te Glasgow, om zijn eenige hoofdcorrespondent
-in Schotland te zijn, stellig geweigerd. Integendeel, hij liet vele
-zaken door een ander kantoor aldaar verrichten. Aan het hoofd daarvan
-stond een man van geheel anderen aard. Hij was den Engelschen over
-het algemeen even ongenegen als mijn vader den Schotten. Hij wilde
-slechts op een voet van volkomen gelijkheid zaken doen. Daarenboven
-was hij jaloersch, bij sommige gelegenheden ook twistziek, en even
-halsstarrig aan zijne gevoelens omtrent formaliteiten gehecht,
-als Owen. Bovendien was het hem volkomen onverschillig, of alle
-aanzienlijke Londensche kooplieden zijne gevoelens goed- of afkeurden.
-
-Het onhandelbare karakter van den heer Nikolaas Jarvie maakte hem
-eigenlijk tot den handel niet zeer geschikt. Het was eigenlijk moeilijk
-zaken met hem te doen. Er ontstonden dan ook niet zelden tusschen hem
-en het Engelsche kantoor allerlei lastige twisten, die slechts alleen
-uit besef van het wederzijdsche voordeel weder bijgelegd werden. Daar
-Owen's eigenliefde bij de verklaringen, die daaruit ontstonden, soms
-een weinig gekrenkt werd, was het geenszins te verwonderen, dat de
-goede oude man zijn invloed steeds ten gunste van de zoo wellevende,
-bescheidene en gedienstige heeren Mac-Vittie en Mac-Fin deed gelden, en
-Jarvie als een trotschen, waanwijzen Schotschen handelaar afschilderde,
-met wien volstrekt geen land te bezeilen was.
-
-Onder deze omstandigheden, welke ik eerst later nauwkeuriger vernam,
-was het alleszins natuurlijk, dat Owen, in den neteligen toestand
-waarin het kantoor na mijns vaders afwezigheid en bij Rashleigh's
-verdwijning geraakte, terstond na zijne komst in Glasgow, waar hij
-twee dagen vóór mij aankwam, zijne toevlucht bij die correspondenten
-zocht, welke zich jegens zijn patroon zoo dienstvaardig, dankbaar
-en genegen betoond hadden. Bij zijn binnentreden in het kantoor
-dezer heeren, werd hij schier met denzelfden eerbied ontvangen,
-als een Katholiek aan zijn beschermheilige bewijst. Maar helaas! hoe
-schielijk veranderde het tooneel, toen hij door deze allerminzaamste
-ontvangst aangemoedigd en met de beste hoop bezield, aan de beiden
-heeren den benarden toestand van het huis Osbaldistone en Tresham
-openbaarde, en om raad en hulp verzocht. Mac-Vittie ontstelde hevig
-op deze noodlottige tijding. Mac-Fin spoedde zich, voor dat Owen nog
-uitgesproken had, om in het grootboek het aanzienlijke debet en credit
-eens na te slaan, en uit te rekenen, aan wiens zijde het batig saldo
-was. De balans helde, helaas! vrij aanmerkelijk ten nadeele van het
-Engelsche huis over. Op het gelaat van den Schotschen correspondent,
-dat, langzaam bleek geworden, eerst onrustigen twijfel verried,
-verspreidde zich nu eene sombere norschheid. Owen's dringend verzoek
-om ondersteuning en hulp, beantwoordden de heeren met den eisch van
-een spoedigen borgtocht tegen het dreigend verlies. Zij verlangden
-eindelijk met vrij scherpe woorden, dat hun daartoe zekere som gelds,
-die een andere bestemming had, als onderpand zou gegeven worden. Met
-verontwaardiging weigerde Owen aan dezen eisch te voldoen. Dit was,
-zeide hij, even onteerend voor zijn kantoor, als onrechtvaardig
-ten opzichte van de andere crediteuren. Ja, hij zou het als een
-bewijs van ondankbaarheid moeten beschouwen van hen, die zulk een
-onteerenden eisch stelden. Mac-Vittie en Mac-Fin hadden, wat lieden
-die ongelijk hebben steeds welkom is, gedurende deze niet zeer
-vriendelijke woordenwisseling eene goede gelegenheid, om in hevigen
-toorn te geraken. Onder het voorwendsel, dat men hen getergd had,
-konden zij maatregelen nemen, die, zoo niet gemoedelijkheid, dan het
-besef van welvoegelijkheid hun anders zou hebben verboden.
-
-Owen had, wat wel meermalen het geval is, een klein aandeel aan de
-onderneming van het kantoor, welks eerste boekhouder hij was. Hij
-moest dus voor de verplichtingen ervan mede persoonlijk borg
-blijven. Mac-Vittie en Mac-Fin wisten dit. Om hem hunne macht te
-doen gevoelen, en hem tevens tot de voor hen voordeelige maatregelen,
-waartegen hij zich zoo stellig verzette, te dwingen, lieten zij hem in
-hechtenis nemen, wat de Schotsche wetten den schuldeischer vergunnen,
-die een eed aflegt, dat zijn schuldenaar voornemens is het land te
-verlaten. Uit kracht van dit recht, dat tot vele misbruiken aanleiding
-geeft, had Owen, vóór dat ik zoo geheimzinnig in zijn kerker werd
-gebracht, zijne vrijheid verloren.
-
-»Wat nu te doen?" vroeg ik mij zelven, toen ik van den neteligen staat
-der zaken onderricht was. Ik zag de gevaren, waardoor wij omringd
-waren, doch des te moeielijker was het, hulpmiddelen te vinden. De
-waarschuwing, die ik ontvangen had, scheen aan te duiden, dat mijne
-persoonlijke vrijheid gevaar kon loopen, als ik mij openlijk voor Owen
-in de bres wilde stellen. Owen koesterde dezelfde vrees, en in zijne
-bezorgdheid voor mij niet minder overdreven dan in zijne stiptheid in
-den handel, verzekerde hij mij, dat een Schot, eer hij een enkelen
-duit aan een Engelschman zou willen verliezen, wel recht zou weten
-te vinden, om zelfs zijn schuldenaars vrouw, kinderen en dienstboden
-in hechtenis te doen nemen. De wetten tegen schuldenaars zijn in
-de meeste landen zoo onbarmhartig streng, dat ik hetgeen hij zeide
-niet geheel en al in den wind kon slaan. Mijne gevangenneming zou,
-onder de toenmalige omstandigheden, aan de belangen van mijn vader
-den doodsteek gegeven hebben. In deze benardheid vroeg ik mijn ouden
-vriend, of hij zich ook niet tot mijns vaders tweeden correspondent,
-Nikolaas Jarvie, vervoegd had?
-
-»Ik heb hem heden geschreven," antwoordde Owen; »maar nu die wellevende
-en dienstvaardige heeren Mac-Vittie en Mac-Fin in Gallowgate ons reeds
-zoo ondankbaar behandeld hebben, kunnen wij ons waarlijk niet veel
-van dien ongelikten beer op de Zoutmarkt beloven.--Even goed zoudt
-gij van een makelaar kunnen begeeren, dat hij zijne courtage liet
-varen, als van dien man een dienst te verwachten, zoo lang hij niet
-verzekerd is, een driedubbelen dienst van u te zullen erlangen. Mijn
-brief, die hem toch heden, toen hij naar de kerk ging, terstond ter
-hand is gesteld, heeft hij niet eens beantwoord. O, mijn ongelukkige
-patroon!" vervolgde de troostelooze boekhouder en wierp zich op
-zijn stroozak. »Mijn waarde, goede patroon! O, Frans, Frans! dat
-komt van uwe eigenzinnigheid! God vergeve het mij, dat ik het u in
-uwe tegenwoordige omstandigheden zeg! Maar, hoe het ook zijn moge:
-de Heere heeft het zoo beschikt; de zondaar moet zich aan 's Heeren
-wil onderwerpen."
-
-Ik deelde innig in de smart van den braven ouden man. Ik was
-aangedaan. Ik schreide en de tranen die ik weende, brandden mij des
-te smartelijker, daar ik mijne koppigheid jegens mijn vader, welke
-de goedhartige Owen mij niet wilde verwijten, als de eenige oorzaak
-van al dezen jammer en ellende moest beschouwen.
-
-Terwijl wij ons zwijgende in onze treurige gedachten verdiepten,
-werden wij plotseling door een vrij sterk kloppen op de groote poort
-der gevangenis in onze mijmering gestoord. Terstond begaf ik mij
-naar de wenteltrap, om te luisteren, maar ik kon volstrekt niets
-dan de stem van den gevangenbewaarder hooren, die afwisselend luide
-sprak tegen iemand, die buiten stond, en zacht met den man, die mij
-herwaarts had geleid.--»Ik kom, ik kom!" riep hij en fluisterde dan
-weder: »o, mijn hemel! wat zal daarvan worden? Spoed u en verberg u
-achter de krib van den gevangene.--Ja, ja, ik kom immers al--het is
-de schout en de raadsheeren met eenige gerechtsdienaars. Daar komt de
-kommandant ook de trap af. De hemel neme ons in zijne hoede! Ga toch,
-ga toch, of hij ziet u! Nu, ik kom--de grendel is zoo verroest."
-
-Terwijl Dugald, zóó langzaam als hem slechts mogelijk was, de sloten
-opende en de grendels wegschoof, om de aankloppenden, wier ongeduld
-al grooter werd, binnen te laten, snelde mijn geleider de wenteltrap
-op en in Owens kamer, werwaarts ik hem volgde. Schielijk zag hij in
-het rond, als wilde hij eene plaats zoeken, waar hij zich zou kunnen
-verbergen. Daarbij riep hij mij toe: »Leen mij uw pistool!--Doch neen,
-ik zal mij wel redden. Wat gij hier ook zien moogt, bekommer u om
-niets en bemoei u volstrekt niet met eens anders twisten. Laat alles
-aan mij over: ik moet alles zelf klaar spelen. Ik heb wel erger in
-de klem gezeten dan nu!"
-
-Dit zeggende wierp de onbekende zijn zwaren mantel af, plaatste zich
-tegenover de deur, waarop hij zijn starend oog vestigde, en trad toen
-een paar schreden terug, om zijne krachten te verzamelen, als een
-moedig paard, dat over een slagboom springen zal. Zonder twijfel was
-hij voornemens bij het openen van de deur, de binnentredenden op het
-lijf te vallen, en zich, allen tegenstand trotseerende, een weg naar
-buiten te banen. In zijne gestalte vertoonde zich zoo veel kracht en
-behendigheid, en in zijn geheel voorkomen straalde zooveel vastberaden
-moed door, dat ik hem in mijne gedachte reeds als overwinnaar zag,
-zoo zijne tegenpartij zich niet met de wapens tegen hem verzette.
-
-Na eenige oogenblikken van angstige verwachting ging de deur open. Maar
-er verscheen--geene wacht met snaphanen en bajonetten, geene bende
-gerechtsdienaars met hellebaarden en knuppels, maar een heel aardig
-meisje, in een wollen, opgeschort rokje, en met eene lantaren in
-de hand. Haar volgde eene gestalte, welke men reeds op het eerste
-gezicht voor een persoon van meer gewicht moest houden: een klein,
-vrij gezet man, met eene tamelijk groote pruik, en, zoo als het
-alras bleek, een lid der stedelijke regeering. Hij kwam binnen,
-half grommend en brommend en bijna buiten adem. Mijn geleider trad
-bij het binnenkomen van dezen man terug, alsof hij zich aan diens
-gezicht wilde onttrekken. Doch aan den doordringenden blik, waarmede
-het regeeringslid de gansche kamer overzag, kon hij niet ontsnappen.
-
-»Zoo, zoo, dat is hier eene lieve gewoonte, kapitein Stanchell!" zeide
-hij tot den kommandant der gevangenis, die zich thans in deemoedige
-houding aan de deur vertoonde; »een half uur heb ik aan de poort
-moeten wachten, hoewel ik zoo hard geklopt heb om in de gevangenis
-te komen, als menigeen doen zou om er uit te komen. En wat moet dit
-beteekenen? Bezoek hier, na sluitenstijd? Dat zal onderzocht worden,
-Kapitein Stanchells, daarop kunt gij staat maken! Sluit de deur, ik
-heb met deze heeren een woordje te spreken. Maar eerst met mijn ouden
-bekende. Welnu mijnheer Owen, mijnheer Owen! hoe gaat het u, vriend?"
-
-»Ja, ja, ik dank u mijnheer Jarvie, met de gezondheid zoo tamelijk;
-maar naar den geest zeer bedrukt en terneergeslagen."
-
-»Dat zal wel zoo zijn, dat heeft ook zijne reden. Het is inderdaad eene
-verschrikkelijke historie--het is wat te zeggen man; en vooral voor
-iemand, die het hoofd zoo hoog droeg. Zwakke menschenkinderen! Zwakke
-menschenkinderen! Ja, ja, tot een val kunnen wij allen
-komen. Osbaldistone is een braaf, eerlijk man. Maar ik heb altijd
-gezegd, hij behoort tot die menschen, die het spreekwoord bevestigen:
-»hoogmoed komt voor den val!" En daarom zeide mijn overleden vader,
-de oud-ouderling, zoo dikwijls tegen mij: »Nikolaas--Nikolaas," zeide
-hij, hij heette Nikolaas, even als ik--»Nikolaas, jongen vlieg vooral
-niet hooger dan uwe wieken u kunnen dragen. Strek uw arm nooit zoo ver
-uit, dat gij hem niet gemakkelijk terug kunt trekken." En datzelfde
-heb ik den heer Osbaldistone menigmaal gezegd; maar hij scheen er geen
-ooren voor te hebben. Ja, hij nam het zelfs niet eens vriendelijk op,
-ofschoon het van mijn kant welgemeend was--ja, welgemeend!"
-
-Bemoedigend was die toespraak niet. Zij werd met eene bijzondere
-vlugheid van tong, en bij de herinnering aan zijne waarschuwingen en
-voorspellingen met zichtbaar zelfbehagen voorgedragen en gaf ons luttel
-hoop, om van Jarvie eenige hulp te erlangen. Maar spoedig bleek het,
-dat niet zoo zeer gebrek aan welwillendheid, dan wel aan kieschheid hem
-deze harde woorden deed spreken. Toen Owen zijne gevoeligheid daarover
-te kennen gaf, dat men hem in zijn ongelukkigen toestand dergelijke
-dingen herinnerde, vatte Jarvie hem bij de hand en zeide op gullen,
-vertrouwen inboezemenden toon: »Wees goeds moeds! Denkt gij dan,
-dat ik te middernacht herwaarts gekomen ben en bijna den Sabbath zou
-geschonden hebben, om een gevallen medemensen zijn val te verwijten
-en hem zijne misstappen onder den neus te wrijven? Neen, dat doet
-Nikolaas Jarvie niet. Zoo handelde ook nooit zijn overleden vader,
-die brave, nu godzalige, man! Luister eens vriend, het is bij mij een
-stalen regel, op den Sabbath nooit aan wereldsche zaken of bezigheden
-te denken. Ik heb mij alle mogelijke moeite gegeven, om mij uw brief,
-dien ik heden morgen ontving, uit het hoofd te zetten. Toch heb ik
-er den ganschen dag meer aan gedacht dan aan de preek, die ik in de
-kerk gehoord heb. Verder is het bij mij een niet minder vaste regel
-precies te tien ure in mijn bed met de gele gordijnen te stappen,
-tenzij ik eens een schelvischje met een buurman eet, of een buurman
-bij mij soupeert. Vraag het maar dat meisje daar, of dat mijne gewone
-manier van doen niet is. En denk nu eens, daar heb ik te huis gezeten
-met een stichtelijk boek in de hand en intusschen geluisterd en naar
-buiten gezien, en weer geluisterd, en weer naar buiten gezien, en
-gegaapt, alsof ik den kerktoren wilde verslinden, tot het eindelijk
-twaalf ure sloeg. Toen was het mij geoorloofd, mijn grootboek eens
-in te zien, om te weten, hoe de zaken tusschen ons stonden. En toen
-moest het meisje de lantaarn opsteken, en zoo begaf ik mij herwaarts,
-om te overleggen, wat er in uwe zaak kon gedaan worden. Nicolaas
-Jarvie kan als lid van den stedelijken raad, elk uur de gevangenis
-bezoeken, en datzelfde voorrecht had ook mijn vader, die insgelijks
-in zijn tijd lid van den stedelijken raad was. Die brave man--ach,
-hij is nu dood, maar zijne nagedachtenis blijft eeuwig in eere."
-
-Een diepe zucht, welken Owen bij het noemen van het grootboek slaakte,
-deed mij vermoeden en vreezen, dat het ook hier met de rekening
-niet zeer voordeelig stond. Bovendien, de woorden van het achtbare
-regeeringslid gaven zeer veel zelfbehagen en min of meer trotschheid
-op het overwicht van zijn oordeel te kennen. Doch aan den anderen kant
-spraken daaruit tevens eene gulheid en ongeveinsde goedhartigheid,
-die mij weder met nieuwe hoop bezielden. Hij verlangde eenige papieren
-te zien, welke hij opnoemde. Owen gaf ze hem; schielijk rukte hij ze
-hem uit de hand, ging op den rand der krib zitten, om, zoo als hij
-zeide, wat uit te rusten, liet zich door het meisje met de lantaren
-bijlichten, en terwijl hij nu eens over het flauwe licht, dan weder
-over het slechte, onleesbare schrift klaagde, las hij toch de papieren
-met zeer veel ijver en aandacht door.
-
-Van dit gunstige oogenblik scheen mijn geleider partij te willen
-trekken om te ontsnappen. Hij gaf mij een wenk om mij stil te houden,
-en begon langzaam van plaats te veranderen. Zijn voornemen was
-natuurlijk om onopgemerkt naar de deur te sluipen. Maar de waakzame
-Jarvie,--geheel anders dan mijn vroegere kennis de vrederechter
-Inglewood,--werd het oogenblikkelijk gewaar. Hij riep terstond:
-»Kommandant Stanchells! pas op de deur! Toegesloten, zeg ik u. Buiten
-wachthouden!"
-
-De onbekende fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik scheen hij op
-gewelddadige middelen tot zijne bevrijding te denken. Maar eer hij
-een besluit had genomen, was de voordeur gesloten en de zware grendel
-daar voor geschoven. Hij mompelde een paar driftige woorden in zijne
-moedertaal, deed eenige stappen heen en weder, ging toen, als ware
-hij volkomen bereid om het gevolg af te wachten, met wrevelige
-vastberadenheid op de eikenhouten tafel zitten en floot een liedje.
-
-Jarvie, die in handelszaken vrij vlug van bevatting scheen te zijn,
-had den inhoud der papieren spoedig begrepen.
-
-»Ja, mijnheer Owen," zeide hij, »ik zie hoe de zaken staan. Uw
-kantoor is aan dat van Mac-Vittie en Mac-Fin en Co. eene zekere
-som schuldig. Waarachtig! zij moesten zich schamen, die zoogenaamde
-wellevende en vriendelijke heeren! Immers, zij hebben zoo veel, ja
-vrij wat meer, bij die negotie met het eikenhout uit de bosschen
-van Clen-Cailziechat gewonnen, die zij mij door den neus hebben
-geboord. Dat was toch voornamelijk door uw lieve voorspraak, mijnheer
-Owen. Maar daarover zullen wij thans niet haspelen. Gedane zaken
-hebben geen keer, placht mijn overleden vader Nicolaas Jarvie te
-zeggen. Dus kort en goed, uw kantoor is hun die som schuldig, en
-voor eene andere som, welke zij voor uwe firma overgenomen hebben,
-heeft men u hier achter de traliën gezet. Gij zijt hun schuldig man,
-en misschien ook nog wel iets aan iemand anders schuldig--misschien
-nog wel iets aan mij."
-
-»Ik kan het niet ontkennen, mijnheer Jarvie," antwoordde Owen; »de
-balans zou tegen ons kunnen zijn; maar bedenk toch...."
-
-»Hoor eens, mijn goede vriend, ik heb thans weinig tijd om te
-bedenken. Het is nog zoo kort na den Sabbath en op een tijd van
-de nacht, waarop iemand, als ik, zoo gaarne in zijn bed ligt! En
-als men zich dan nog daarenboven aan de ongezonde nachtlucht moet
-blootstellen--neen, dan is er geen tijd noch lust om zich lang te
-bedenken! Maar, zoo als ik zeg, gij zijt mijn schuldenaar--dat is
-niet te loochenen--gij zijt mijn schuldenaar; of de schuld groot of
-klein is, zie, dat moet nader blijken. Maar mijnheer Owen, hoe knap
-gij ook zijt, hoe volkomen gij u op den handel verstaat, de zaak,
-waarvoor gij hier zijt gekomen, zult gij nooit in orde krijgen, als
-gij hier in de gevangenis moet blijven. Derhalve, manlief, kunt gij
-nu iemand vinden, die borg voor u wil spreken, dat gij het land niet
-verlaten, maar voor ons gerecht verschijnen en alzoo behoorlijk uw
-borg ontslaan zult--dat is dan, zoo als de rechtsgeleerden het noemen,
-judicio sisti--zie, dan komt gij morgenochtend weder op vrije voeten."
-
-»Ach, mijnheer Jarvie! Was er maar een braaf mensch, die op deze wijs
-borg voor mij wilde blijven, dan zou ik zeker mijne herkregen vrijheid
-thans zeer nuttig kunnen besteden, niet alleen voor onze firma, maar
-ook voor al de vrienden, met wie wij in handelsbetrekkingen staan."
-
-»Juist, dat geloof ik gaarne! En zulk een goed mensch zou dan ook
-buiten twijfel zeker moeten zijn, dat gij op de eerste dagvaarding
-behoorlijk verschijnen zoudt om hem van zijne op zich genomen
-verplichting te ontheffen."
-
-»Zeer zeker zou ik dat doen, zoo zeker als tweemaal twee vier is,
-wel te verstaan, met uitzondering van onverhoopt tusschenkomende
-ziekte of dood."
-
-»Nu ja, dat spreekt van zelf. Hoor eens, mijnheer Owen, ik voed
-volstrekt geen wantrouwen omtrent u. Dat zal ik u bewijzen--ja,
-bewijzen zal ik het u! Ik ben een voorzichtig man, dat is bekend. Ik
-schuw geen arbeid en laat het mij om mijn stukje brood zuur genoeg
-worden, dat kan de gansche stad getuigen. Ik weet mijn geld te winnen,
-mijn geld te tellen en mijn geld te bewaren, even goed als de beste
-financier van geheel Glasgow.--Ook durf ik zeggen, dat ik mij niet
-spoedig tot het een of ander laat bepraten of overhalen, maar doorgaans
-mijne eigen meening volg, van welke ik dan ook geen haarbreed afwijk,
-even als mijn vader, die op dat punt ook onverzettelijk was.--Maar
-een braaf man, die den handel verstaat, door en door, die gaarne als
-eerlijk man ieder het zijne wil geven, hier in de gevangenis te laten
-versmachten, buiten staat om zich zelven of anderen te helpen--neen,
-dat kan ik niet van mij verkrijgen! Kortom vriend Owen, ik zelf zal
-uw borg zijn. Maar neem het wel in aanmerking, het is een borgtocht
-judicio sisti, zoo als onze rechtsgeleerde stadssecretaris zegt,
-en geen judicatum solvi, want dat is heel iets anders."
-
-Owen verzekerde, dat hij in de tegenwoordige omstandigheden natuurlijk
-niet hopen kon een borg voor de werkelijke betaling te zullen vinden,
-maar dat niemand behoefde te vreezen, dat hij in gebreke zou blijven
-om op de eerste dagvaarding te verschijnen.
-
-»Ik geloof u, ik geloof u, en daarmede basta! Morgen, of eigenlijk
-heden ochtend, tegen den tijd van het ontbijt zijt gij weêr op vrije
-voeten. Maar nu zullen we eens onderzoeken wat uw gezelschap hier
-doet, en hoe het tegen alle orde en regel des nachts in de gevangenis
-is gekomen?"
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIII.
-
-
- De man kwam bij nachttijd,
- Bij nachttijd te huis;
- Dáár vond hij zoo'n heerschap,
- Dat leek hem niet pluis.
- "Zeg! vrouwtje, hoe 's dat zoo?
- Hoe 's dat zoo?" Zeg vrouw,
- Wat hier toch die kerel
- Die kerel hier woû?
-
- Oud liedje.
-
-
-Met de meest mogelijke bedaardheid nam Nikolaas Jarvie zijne
-dienstmaagd de lantaren af. Hij begon zijn onderzoek zooals Diogenes
-in de straten van Athene; vermoedelijk met even geringe verwachting
-als deze, om iets te vinden, wat de moeite van het navorschen waard
-zou zijn. De eerste, welke hij naderde, was mijn geheimzinnigen
-geleider. Deze zat nog steeds op de tafel, de oogen onafgewend op
-den muur gevestigd, terwijl zijne gelaatstrekken eene halsstarrige
-onverschilligheid teekenden, en zijn gansche voorkomen zorgeloosheid
-en trots verried. Met de hakken zijner schoenen sloeg hij tegen de
-tafel de maat van het liedje, hetwelk hij onafgebroken bleef fluiten,
-en onderwierp zich aan Jarvie's onderzoek met zooveel vermetele
-onbeschaamdheid, dat het achtbaar lid van den stedelijken raad voor
-eenige oogenblikken min of meer van zijn stuk geraakte.
-
-»Wat zie ik! Wat zie ik?" riep Jarvie nu. »Waarachtig het is
-onmogelijk!--En toch--Neen, het kan niet zijn--en toch--Neen, het
-kan niet zijn--en toch! Wat drommel--Ja! gij zijt het! Gij roover,
-gij gevleeschte satan--gij, voor alle kwaad en tot niets goeds
-geschikt--zijt gij het waarlijk?"
-
-»Zoo als gij ziet, mijnheer Jarvie!" was het droge antwoord.
-
-»Waarachtig--het schemert mij voor de oogen, zoo ben ik
-ontsteld. Spreek, aartsschelm! Durft gij u in de gevangenis van
-Glasgow wagen? Wat meent gij wel, dat uw rooverskop waard is?"
-
-»Wel! laat eens zien!" hernam de onbekende; »eerlijk gewogen
-en met goed geijkt gewicht, zal hij, dunkt mij, wel tegen een
-burgemeesterskop, vier schepenskoppen, één secretariskop en zes
-vroedmanskoppen kunnen opwegen."
-
-»O, gij satanskind," begon Jarvie weder. »Maar beken uwe zonden en
-bereid u voor om te sterven. Want ik behoef slechts een enkel woord
-te spreken ..."
-
-»Dat is waar," antwoordde de onbekende en legde de handen achteloos
-op zijn rug. »Maar dat woord zult gij toch wel nooit spreken!"
-
-»En waarom zou ik niet?" riep Jarvie. »Waarom zou ik niet? Antwoord
-mij, waarom niet?"
-
-»Om drie gegronde redenen, mijnheer Jarvie! Vooreerst om den wille
-van vroegere dagen, ons beiden zeer goed bekend. Ten tweede om de
-oude vrouw daar ginder in Stuckavrallachan, door wie wij, God zij het
-geklaagd! min of meer met elkander verwant zijn, en die een zekeren
-neef heeft, welke van zijn ambacht slechts een eenvoudig handwerksman
-is. En eindelijk, mijn waarde neef Jarvie, wanneer ik slechts het
-minste teeken bespeurde, dat gij mij zoudt willen verraden, zouden uwe
-hersens dadelijk aan dezen muur kleven,--lang eer eene menschenhand
-u redden kon."
-
-»Weet ge wat gij zijt? Een vermetele, onbeschaamde galgebrok!" hernam
-Jarvie onverschrokken. »Ge weet ook zeer goed, dat ik u als zoodanig
-ken, ja, dat ik, voor mij zelf geen enkel oogenblik aarzelen zou
-om ..."
-
-»Wel zeker, ik weet wel," hernam de onbekende, »dat er bloed van ons
-bloed door uwe aderen vliet. Het zou mij waarachtig leed doen, mijn
-eigen vleeschelijken neef voor den kop te moeten schieten. Maar in elk
-geval zal en wil ik zoo vrij en ongehinderd van hier vertrekken, als
-ik gekomen ben, of anders zeg ik u, dat de muren van deze gevangenis
-nog jaren ervan zouden weten te vertellen."
-
-»Nu ja, nu ja!" zeide Jarvie: »bloed is dikker dan water. En
-bloedverwanten behoeven den splinter in elkanders oogen niet zoo
-scherp aan te zien en te openbaren, wanneer vreemde oogen daarvoor
-blind zijn. Het zou voor de oude vrouw in Stuckavrallachan een treurig
-nieuws zijn, als zij vernam, dat gij mij de hersens ingeslagen, of
-ik u aan de galg geholpen had. Maar was dit het geval niet, dan zou
-ik den stoutsten schurk in het Hoogland best aandurven:--dat zult
-gij toch zelf wel inzien."
-
-»Gij zoudt wel durven neefje, dat weet ik;" antwoordde mijn geleider;
-»maar de vangst zou u zoo licht niet gelukken! Wij Hooglanders zijn
-een onhandelbaar volkje, wanneer men tegen ons van boeien en stroppen
-spreekt. Wij, die niet eens een stuk linnen om onze lendenen begeeren,
-willen vooral van geene ijzeren kousebanden weten."
-
-»Maar die ijzeren kousebanden zullen toch vroeg of laat uw lot
-worden, en dan krijgt ge nog wat hennepdraad op den koop toe!" hernam
-Jarvie. »Nooit heeft iemand zich in een beschaafd land aan zulke
-schandelijke en strafwaardige streken schuldig gemaakt als gij! Wees
-op uwe hoede, ik heb u gewaarschuwd."
-
-»Dank u neef! Intusschen zult gij bij mijne begrafenis, als lid van
-de familie, den rouw moeten dragen."
-
-»Vlei u daar niet mede, Robert," hernam Jarvie. »Alleen uwe wettige
-erfgenamen, dat zijn de kraaien en de raven, zullen de rouwdragers
-wezen. Maar waar zijn mijn duizend pond Schotsch, die ik u geleend heb,
-en wanneer zal ik ze wederzien?"
-
-»Waar dié zijn?" antwoordde mijn geleider, nadat hij zich eenige
-oogenblikken gehouden had, alsof hij daarover nadacht; »waar die
-zijn?--ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen; vermoedelijk waar de
-laatste sneeuw is."
-
-»Die ligt op den top van den Schehallion, schurk!" riep Jarvie toornig;
-»maar ik verlang mijn geld, hier op deze plaats!"
-
-»Ik heb geen sneeuw en ik heb geen geld bij mij!" hernam de
-Hooglander. »Gij vraagt mij wanneer gij het zult wederzien? Wel,
-zoodra ik mijn algemeenen betaaldag aankondig."
-
-»En het ergste van alles is, Robert, dat gij, trouwelooze landverrader,
-die ge zijt, ons het afschuwelijke pausdom weder op den hals wilt
-halen, dat ge ons onder het juk van een eigenmachtige heerschappij
-wilt doen bukken, met al den aankleve van die vervloekte papisterij,
-die misboeken, koorhemden, wierrookvaten en wijwaterbakjes! Loop dan
-liever weder naar uwe dievenbenden. Steel en bedrieg, dat het hagelt
-en kraakt. Beter te stelen, dan een land ongelukkig te maken!"
-
-»Hoor eens neefje, schei uit met zulke beuzelpraatjes. Laat die
-dingen voor de heeren van Whigs over," antwoordde Robert; »wij kennen
-elkander immers sedert lang. Ik zal wel zorg dragen, dat uw kantoor
-door onze Hooglanders onaangeroerd blijft, als zij eenmaal bezig zijn
-met de Glasgowsche winkels en magazijnen schoon te vegen. En als uw
-beroepsplicht het niet volstrekt van u vordert, moet gij mij niet
-vaker zien, Nikolaas, dan ik gezien wil wezen."
-
-»Je bent een uitgeslapen schelm, Robert," hernam Jarvie; »de galg
-heeft reeds te lang op u gewacht. Hangen zult ge, hangen moet ge,
-dat is niet anders! Maar ik voor mij zal mij maar aan de oude spreuk
-houden: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Als ik u zie,
-zal ik blind zijn, tenzij de noodzakelijkheid mij dwingt, of de plicht
-gebiedt, dien kan niemand ongehoorzaam zijn.--Maar voor den weerga! wie
-is die knaap?" vervolgde hij, zich naar mij keerende. »Hebt gij een
-rekruut voor uw eerlijk handwerk opgedaan? Hij schijnt mij moed genoeg
-voor de straatrooverij te hebben, en een langen hals voor den strop."
-
-»Ach neen, waarde mijnheer Jarvie!" riep Owen, wien de vreemde
-herkenning en het even vreemde gesprek tusschen de zonderlinge neven
-evenzeer bevreemdde als mij,--»dat is de jongeheer Frans Osbaldistone,
-de eenige zoon van mijn patroon. Hij was eigenlijk bestemd om op ons
-kantoor te komen, eer zijn neef Rashleigh Osbaldistone zoo gelukkig
-was, om in zijne plaats aangenomen te worden," voegde hij er met een
-diepen zucht bij--»maar desniettemin...."
-
-»O ja, ik heb van dien jongenheer gehoord. Hij is dan zeker dezelfde,
-dien uw patroon in zijne eigenzinnigheid tot koopman wilde maken;
-maar die toen een rondreizende komediant geworden is, omdat hij het
-handwerk schuwde, waarvan een eerlijk man leven moet. Wel vriendje,
-wat dunkt u van de zaak? Zal de Deensche prins Hamlet, of misschien
-wel de geest van Hamlet voor den heer Owen borg blijven?"
-
-»Ik verdien uw spot niet," hernam ik; »maar eerbiedig uwe
-handelwijze. Ik ben te oprecht dankbaar voor de hulp, welke gij
-den heer Owen bewezen hebt, om gevoeligheid te toonen over uwe
-onwillekeurig scherpe uitdrukkingen. De eenige reden van mijne komst
-hierheen was, om dat weinige te doen wat ik kon, ten einde mijn vriend
-Owen in de zorg voor mijns vaders belangen behulpzaam te zijn. Mijn
-tegenzin in den koophandel is echter eene zaak, waarover ik zelf
-'t best meen te kunnen oordeelen."
-
-»Waarachtig," hernam de Hooglander, »ik achtte dezen jongen al,
-eer ik recht wist hoe hij dacht; maar nu rijst hij bij mij niet
-weinig in waarde, nu ik zie, dat hij wevers en spinners en al zulk
-volkje veracht."
-
-»Praat niet als een gek, Robbert!" zeide Jarvie. »Gij spreekt van
-wevers? De duivel zelf kan u immers niet uit het weefsel ontwarren,
-waarin gij u verstrikt hebt. En spinners? Gij hebt u zelf al een
-fraai web gesponnen! En deze jongeling, dien gij regelrecht naar de
-galg, en dus naar de hel leidt--met al zijne theatergrappen en zijn
-rijmelarijen kan hij evenmin hulp bewijzen, als gij met uwe vloeken en
-dolken? Zal hij zijn Tityre te patulae zingen, waar zich een Rashleigh
-Osbaldistone bevindt? Kan Macbeth met al zijne krijgshelden, en gij
-Robbert er bij, hem de vijf duizend pond bezorgen, welke hij behoeft,
-om de wissels te betalen, die binnen tien dagen vervallen zijn?"
-
-»Binnen tien dagen?" viel ik hem in de rede en haalde onwillekeurig
-Diana's pakketje te voorschijn. De tijd, gedurende welken ik het zegel
-moest eerbiedigen, was verloopen. Ik brak het dus dadelijk open. Een
-verzegelde brief viel uit den omslag, toen ik dien met bevende
-hand ontvouwde. Een tochtwind, die door eene gebroken vensterruit
-drong, woei den brief voor Nikolaas Jarvie's voeten. Hij nam hem
-terstond op, en gaf hem, toen hij, zonder eenige komplimenten, het
-opschrift nieuwsgierig gelezen had, tot mijne groote verbazing aan
-zijn Hooglandschen neef over. »De wind heeft den brief juist aan
-het adres besteld!" zeide hij, »ofschoon het duizend tegen één was,
-dat hij in uwe handen zou komen."
-
-De Hooglander las het opschrift en brak den brief haastig open. Ik
-wilde hem dit beletten, en zeide: »ik moet overtuigd zijn, dat de
-brief aan u gericht is, voordat ik u vergunnen kan, hem te lezen."
-
-»Wees onbezorgd, mijnheer Osbaldistone!" antwoordde hij. »Denk aan
-den vrederechter Inglewood, aan den griffier Jobson, aan Morris,
-en vooral aan uw gehoorzamen dienaar Robbert Campbell, die hier voor
-u staat, als ook aan de schoone Diana Vernon. Herinner u dit alles,
-en twijfel niet langer of de brief aan mij is gericht."
-
-Ik zou mij wel voor het hoofd hebben willen slaan om mijne
-onnoozelheid! De stem, zelfs de gelaatstrekken van dezen man,
-hoe onvolkomen ik ze ook bij het flauwe licht kon onderscheiden,
-hadden gedurende den ganschen nacht vermoedens en herinneringen in
-mij opgewekt, die ik vruchteloos met plaatselijke of persoonlijke
-omstandigheden trachtte te verbinden. Nu werd mij eensklaps alles
-zonneklaar. Campbell stond vóór mij met alle zijne eigenaardigheden. De
-diepe, krachtige stem, het gelaat, waaruit strengheid naast sluwe
-bedachtzaamheid sprak, de Schotsche tongval, zijn beeldrijke stijl,
-die hij echter, wanneer hij wilde, zeer wel vermijden kon, maar,
-die zich in onbewaakte oogenblikken terstond weder verried en
-aan zijne spotternij een zekeren klem, aan zijne redenen eene
-bijzondere levendigheid bijzette--het kwam mij alles helder voor
-den geest. Zijne gestalte was eerder beneden dan boven middelbare
-grootte. Maar zijne leden waren zoo krachtig mogelijk, zonder dat de
-vlugheid daardoor eenigszins benadeeld werd. En vlug was hij, naar
-de losheid zijner bewegingen te oordeelen, in hoogen graad. Eene
-minder volkomen evenredigheid heerschte echter in zijne gestalte,
-want zijne schouders waren eigenlijk te breed en maakten hem daardoor
-min of meer vierkant. Zijne armen, ofschoon rond en goed gespierd,
-waren veel te lang; hoewel ik naderhand vernam, dat hij zich op
-die lengte vrij wat liet voorstaan, daar zij hem, wanneer hij zijn
-Hooglandsch kostuum droeg, bij het aangespen der kousenbanden--wat
-hij zonder te bukken doen kon--en ook bij het hanteeren van de sabel,
-waarmede hij behendig wist om te gaan, van wezenlijk voordeel was. Dit
-gebrek aan evenredigheid, hetwelk hem alle aanspraak op den naam van
-mannelijk schoon benam, gaf aan zijn uiterlijk iets woests, iets
-onregelmatigs. Het herinnerde mij onwillekeurig aan de sprookjes
-onzer kindermeid. Daarin waren de Pieten, die in vroegere tijden
-Northumberland verwoestten, als wezens afgeschilderd, die half spook
-half mensch waren, en zich, even als deze Hooglander, door moed,
-list, woestheid, lange armen en breede schouders onderscheidden.
-
-Ik riep de omstandigheden in mijn geheugen terug, waaronder wij
-elkander vroeger gezien hadden. Ik kon er niet aan twijfelen, dat
-de brief hem toebehoorde. Hij was een van de belangrijkste onder de
-geheimzinnige wezens, op welke Diana invloed scheen te hebben, en die
-wederkeerig op haar invloed hadden. Het denkbeeld smartte mij, dat het
-lot van zulk een beminnelijk meisje aan dat van zulk een gevaarlijk
-mensch verbonden was; en dit was toch ontwijfelbaar. Maar van welk nut
-kon deze man voor mijns vaders zaken en belangen zijn? Ik zag slechts
-één voordeel. Zooals Rashleigh, op Diana's aansporing, den Hooglander
-had doen optreden, toen diens tegenwoordigheid noodzakelijk was om
-mij te rechtvaardigen, zoo was het zeker nu mogelijk, dat zij door
-haren invloed op gelijke wijze Campbell wist te bewegen, Rashleigh
-thans evenzoo te voorschijn te doen komen. In deze onderstelling
-verlangde ik van hem te weten, waar mijn gevaarlijke neef zich bevond,
-en wanneer Campbell hem gezien had.
-
-De Hooglander antwoordde niet stellig, maar in algemeene
-uitdrukkingen. »Het is eene netelige zaak, welke zij mij opdraagt,"
-zeide hij; »maar eene eerlijke zaak, en daarom wil ik haar ook haar zin
-geven. Mijnheer Osbaldistone, ik woon niet ver van hier. Mijn neef zal
-u den weg wijzen. Intusschen moet mijnheer Owen hier in Glasgow doen,
-wat hij kan. Maar gij moet mij in het dal bezoeken. Waarschijnlijk
-kan ik u van dienst zijn, en uw vader in zijn benarden toestand hulp
-verleenen. Ik ben trouwens slechts een arm man, maar verstand is
-beter dan rijkdom. En wanneer gij, neef,"--vervolgde hij, zich tot
-Jarvie richtende--»het wagen durft, een eenvoudig Schotsch middagmaal
-bij mij te gebruiken, dan vergezelt gij dezen jongenheer naar Drymen
-of Bucklivie, of liever naar de herberg van Aberfoil. Daar laat ik u
-door iemand afhalen, die u den weg naar de plaats zal wijzen, waar ik
-mij bevinden zal. Wat zegt gij hiervan, Nicolaas? ziedaar mijne hand;
-ik zal u niet bedriegen, gij kunt mij vertrouwen...."
-
-»Dat kan ik niet doen, neen, Robbert, neen," zei de voorzichtige
-Jarvie. »Het past mij niet, mij in uwe woeste gebergten onder uwe
-kortrokken te begeven; dat duldt de waardigheid van mijn ambt in
-geenen deele."
-
-»De duivel hale uw ambt en u daarbij!" hernam Campbell. »De eenige
-droppel edel bloed, dien gij in de aderen hebt, is van onzen oudoom,
-die te Dumbarton opgehangen werd, en gij durft zeggen, dat uw ambt
-u niet toelaat dat gij mij bezoeken zoudt? Hoor eens, vriendje, in
-den herfst moet ik u betalen, dat weet ik. Welnu, ik zal uwe duizend
-pond, tot den laatsten stuiver toe eerlijk betalen, zoo gij thans
-eens handelt gelijk het behoort, en dezen jongen man begeleidt."
-
-»Spreek mij toch niet meer van uw edel bloed," zeide Jarvie. »Breng
-uw edel bloed eens op de markt, en zie wat men er voor biedt. Maar
-als ik nu aan uw verzoek voldeed en ten uwent kwam, zoudt gij mij
-dan werkelijk betalen?"
-
-»Dat zweer ik u!" zeide de Hooglander, »ja, dat zweer ik u bij het
-heilige gebeente van hem, die onder den grauwen steen te Juch-Calleach
-sluimert!"
-
-»Al wel, Robbert, al wel! Wij zullen zien wat wij doen
-kunnen. Verbeeld u evenwel niet, dat ik de grenzen van het Hoogland
-zal overschrijden. Neen, waarachtig niet! Geen enkelen stap doe
-ik verder! Gij moet mij te Bucklivie, of in de herberg te Aberfoil
-wachten, en vooral het noodige niet vergeten."
-
-»Wees onbezorgd!" hernam Campbell: »gij kent mij immers? Mijn woord
-is mij heilig. Maar het wordt tijd dat ik ga, neefje. Want de lucht
-eener gevangenis is voor een Hooglander zeer ongezond."
-
-»Waarachtig!" zeide Jarvie, »als ik mijn plicht deed, dan zoudt
-gij nooit meer eene andere lucht inademen. O, dat ik een booswicht
-behulpzaam moet zijn, om aan de gerechtigheid te ontsnappen! Welk
-eene schande voor mij en de mijnen en voor mijns vaders nagedachtenis
-voor altijd!"
-
-»Stil toch, stil toch, mannetje!" hernam de Hooglander. »Laat de dooden
-rusten! Uw vader wist bij zijn leven voor de fouten en gebreken van
-een goed vriend even knap een oog toe te drukken, als een ander."
-
-»Nu ja, daarin hebt gij gelijk, Robbert," antwoordde Jarvie. »Mijn
-vader was een verstandig, inschikkelijk man. Hij wist dat wij allen
-arme zondaren, zwakke vaten zijn, en hield steeds zeer veel van
-zijne vrienden. Gij herinnert u hem toch nog wel, Robbert?"--Deze
-vraag deed hij op een zachten toon, die misschien iets belachelijks,
-maar zeker iets aandoenlijks had.
-
-»En waarom zou ik mij hem niet herinneren?" vroeg Robbert. »Waarom
-niet? Hij was een fiksche wever, en heeft mij mijne eerste kousen
-geweven. Maar laat mij gaan, neef!"
-
-
- Een glas nog maar,
- Dan zijn we klaar.
- En dan naar huis, de tijd is daar.
-
-
-»Stil, stil, vriendje!" zeide Jarvie ernstig. »Nauwelijks is de
-dag des Heeren voorbij, en nu reeds liedjes te zingen! Het zou wel
-kunnen gebeuren, dat men u hier naar eene geheel andere wijs leerde
-zingen. Maar genoeg! Wij struikelen allen, en een mensch is juist
-geen engel; dus--Stanchells, doe de deur open!"
-
-De gevangenbewaarder gehoorzaamde, en wij gingen allen heen. Met
-eenige verwondering keek nog de eerstgenoemde beide vreemdelingen
-na. Hij scheen maar niet te kunnen begrijpen, hoe zij buiten zijn
-weten in de gevangenis gekomen waren. Jarvie's verzekering: »Een
-paar goede vrienden van mij, Stanchells! een paar goede vrienden
-van mij!" voorkwam de nieuwsgierige vraag, die reeds op zijne lippen
-zweefde. Wij stegen den trap af en riepen, in het voorportaal gekomen,
-herhaalde malen Dugald's naam, zonder eenig antwoord te ontvangen. Met
-een spotachtig glimlachje merkte Campbell op, dat Dugald, zoo hij zich
-in dien knaap niet bedrogen had, hoogst waarschijnlijk zou blijken
-verkozen te hebben naar de belooning, voor den door hem dezen nacht
-bewezen dienst, te wachten, dat hij zeker reeds in vollen ren naar
-de grenzen van het Hoogland was.
-
-»En nu heeft hij ons, en zelfs mij, mij zelven in de gevangenis
-opgesloten gelaten!" riep Jarvie toornig en ontsteld uit. »Schielijk,
-hamers en beitels, mokers en dommekrachten! Roep den smid. Zeg hem,
-dat het lid van den raad Jarvie in de gevangenis is opgesloten door
-een Hooglandschen schurk, dien hij zal doen ophangen, zoo hoog als
-Haman eens gehangen heeft!"
-
-»Wel te verstaan, als gij hem eerst gevangen hebt!" zeide
-Campbell. »Maar wacht eens! De deur is zeker niet gesloten."
-
-En zoo bevonden wij het ook. De deur was niet alleen open, maar
-Dugald had tevens bij zijne vlucht de sleutels medegenomen, opdat
-niet deze of gene hem te spoedig in zijn ambt van sleutelbewaarder
-zou kunnen opvolgen.
-
-»Die Dugald is zoo gek niet!" zeide Campbell. »Hij wist zeer goed, dat
-eene opene deur mij, als ik in de klem zat, van nut zou kunnen zijn."
-
-»Hoor eens Robbert," zeide Jarvie, toen wij op straat waren; »wilt
-gij op dezen voet voortleven, dan moest gij, naar mijne bescheiden
-meening, in elke gevangenis van Schotland een van uwe vertrouwelingen
-tot portier hebben, voor het geval dat de nood aan den man kwam."
-
-»Och neef Nicolaas, een van mijne bloedverwanten, als regeeringslid
-in iedere plaats, zal ook wel goed zijn! En nu: goeden nacht of goeden
-morgen! Vergeet de herberg te Aberfoil niet."
-
-Met die woorden sprong Campbell, zonder het antwoord af te wachten,
-naar de overzijde der straat en verdween in de duisternis. Terstond
-daarna hoorden wij hem zachtjes, maar op eene geheel bijzondere wijze
-fluiten, waarop ook dadelijk geantwoord werd.
-
-»Kijk me nu eens die Hooglandsche duivels aan!" zeide Jarvie. »Zij
-denken dat zij reeds aan den voet van den Ben-Lomond zijn, waar zij
-vrij fluiten kunnen, zonder zich aan den Zondag of Zaterdag te storen."
-
-Hij werd gestoord door iets, dat ratelend voor onze voeten
-nederviel. »Wat is dat?" riep Jarvie. »Mathilde, licht
-eens! Waarachtig, het zijn de sleutels! Nu, dat is wel, dat is
-goed! Zij hebben onze stad toch geld gekost, en waren ze verloren
-geraakt, dan zou er heel veel praats over geweest zijn. En zoo men in
-onze raadsvergadering iets van het gebeurde van heden nacht vernam,
-zou ik al vrij wat gehaspel hebben."
-
-Voordat wij verder gingen, brachten wij de sleutels naar de gevangenis
-terug, waarvan we slechts eenige schreden verwijderd waren. Wij
-stelden ze den gevangenbewaarder ter hand, die nog in het voorportaal
-op en neer wandelde, en op iemand wachtte die den ontvluchten Dugald
-vervangen moest.
-
-Daar ik denzelfden weg als Jarvie ging, kon ik mij ook van
-zijn lantaren bedienen. Ik gaf hem mijn arm, om hem alzoo des te
-gemakkelijker door de donkere en slecht bestrate stad te geleiden. Oude
-lieden zijn meestal erkentelijk voor de oplettendheden van jonge
-lieden. Jarvie betuigde mij zijne deelneming in mijne onaangename
-omstandigheden, en voegde er bij, daar ik toch niet tot het
-comediantenvolk behoorde, waarvan hij een verklaarden afschuw had,
-het hem aangenaam zou zijn als ik, in gezelschap van mijn vriend Owen,
-die den volgenden ochtend vroeg in vrijheid zou wezen, ten zijnent
-ontbijten wilde.
-
-Deze uitnoodiging nam ik dankbaar aan, maar vroeg hem tevens hoe hij
-aan het denkbeeld was gekomen, dat ik tot het tooneel behoorde?
-
-»Dat zal ik u zeggen," hernam Jarvie. »Gisteren avond kwam er een
-praatzieke kerel bij mij--Andries Fairservice, heette hij, naar ik mij
-herinner--die mij verzocht, den openbaren omroeper bevel te geven,
-om morgen vroeg naar u te zoeken. Hij zeide mij wie gij waart,
-en hoe men u uit uws vaders huis had weggezonden, omdat gij geen
-koopman wildet worden, en nu moest men trachten te voorkomen, dat
-gij uwe familie de schande aandeed, van comediant te worden. Onze
-voorzanger Hammorgan bracht dien knaap bij mij, en zeide mij dat
-hij, namelijk die Andries, een oud bekende van hem was. Maar ik
-wilde hun volstrekt niet te woord staan en las hun nog daarenboven
-geducht de les, dat zij mij op Zondagavond met zulke dingen lastig
-vielen. Maar nu zie ik wel, dat die Andries een groote gek en ten
-uwen opzichte het spoor geheel bijster is. Gij bevalt mij, vriend,"
-vervolgde Jarvie. »Wie zijn vrienden in nood bijstaat, is mijn man. Ik
-doe dat ook, en mijn overleden vader deed insgelijks. God schenke
-hem daarvoor de eeuwige rust en zijn besten zegen! Maar gij moet u
-vooral niet met die woeste Hooglanders inlaten. Wie met pek omgaat,
-wordt er door besmet. Denk daaraan. Ja, de braafste, de verstandigste
-menschen kunnen dwalen. Een-, twee-, driemaal ben ik zelf gestruikeld,
-waarde vriend. Heden nacht bijvoorbeeld heb ik drie erge dingen
-gedaan--waarachtig! Had mijn vader hiervan getuige kunnen wezen,
-hij zou zijne eigen oogen niet vertrouwd hebben."
-
-Juist waren wij aan Jarvie's woning gekomen. Hij bleef op den
-drempel en zei op berouwvollen toon: »Ten eerste heb ik mij op
-den dag des Heeren met wereldsche zaken bemoeid. Ten tweede ben ik
-voor een Engelschman borg gebleven, en ten derde heb ik, helaas! een
-misdadiger uit de gevangenis laten ontsnappen. Maar voor alles bestaat
-balsem! Mathilde, ik kan den weg wel vinden, licht gij dus mijnheer
-naar de herberg, daar op den hoek.--Mijnheer Osbaldistone," fluisterde
-hij mij in: »laat het meisje ongemoeid. Het is een zedig kind van
-brave ouders en een eigen nichtje van den heer van Limmerfield."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIV.
-
-
- Zoo ik u eenigen dienst kan bewijzen,
- beschik over uw nederigen dienaar.
- O, een zaak bid ik slechts, dat het mij
- vergund zij, om uw brood te eten, ook
- al ware het zwart, en uw drank te
- drinken, ook al ware die dun. Kijk,
- voor veertig shillings zal ik u even
- vele diensten bewijzen, als anderen voor
- drie pond.
-
- Greene's "Tu Quoque."
-
-
-Wel nam ik de opmerking, bij het afscheid door den heer Jarvie
-gemaakt, dankbaar aan, maar ik meende toch, dat het geenszins iets
-onbetamelijks zijn zou, wanneer ik bij het geldstuk, waarmede ik
-Mathilde's voorlichten beloonde, een kus voegde. En haar zacht:
-»foei, schaam u, mijnheer!" scheen juist geen erg misnoegen over mijne
-vrijpostigheid te kennen te geven. Mijn herhaald kloppen aan de deur
-der herberg maakte eerst een paar rondzwervende honden gaande, die
-allergeweldigst begonnen te blaffen. Eenige hoofden met nachtmutsen
-kwamen uit de naburige vensters te voorschijn en riepen mij wegens mijn
-onchristelijk geweld op Zondagnacht--zoo als zij het noemden--allerlei
-onchristelijke scheldwoorden toe. Toen eindelijk de kasteleines ook
-ontwaakte, vreesde ik, dat dit onweder van woorden, door een stortregen
-als die van Xantippe's hand zou gevolgd worden. Maar--overigens op
-een toon, die de lieve wederhelft van den wijzen Socrates zeer goed
-zou gestaan hebben--kwam de bui op een paar lieden in de gelagkamer
-neder, omdat zij zich niet spoedig genoeg gehaast hadden de deur te
-openen en dus de herhaling van mijne gewelddadigheid te voorkomen.
-
-Die menschen in de gelagkamer, wier traagheid aldus bestraft werd,
-waren geene andere dan de getrouwe Andries, zijn vriend de voorzanger,
-en een derde, de stadsomroeper, zoo als ik naderhand vernam. Zij
-zaten bij een glas bier, trouwens op mijne kosten, zooals mij bij
-het betalen mijner rekening overtuigend bleek, en zij overlegden
-met elkander de bewoordingen, waarin de omroeper den volgenden dag
-door de straten der stad den ongelukkigen jongeling, zoo als zij mij
-geliefden te noemen, zouden oproepen, om zonder verder dralen naar
-zijne bekommerde vrienden terug te keeren. Natuurlijk kon ik mijn
-toorn over deze onbescheiden bemoeiing met mijne aangelegenheden
-niet onderdrukken. Maar het baatte mij niets. Want Andries gaf zich
-bij mijne komst aan zulke luide ontboezemingen van vreugde over, dat
-hetgeen ik zeide om hem en de zijnen mijne ontevredenheid te kennen te
-geven, door hem als het ware overschreeuwd werd. Het spreekt van zelf,
-deze uitbundige vreugde was maar geveinsd, en zijne tranen ontsprongen
-uit geene andere bron dan uit de bierkan. Voorloopig beveiligde de
-luide vroolijkheid, welke hij over mijne terugkomst gevoelde, of
-ten minste voorwendde te gevoelen, hem nagenoeg voor de tuchtiging,
-welke ik hem reeds eenmaal had toegedacht; eerst voor zijn gesprek
-met den voorzanger over mijne zaken, en dan voor zijn ongerijmd
-vertelseltje bij den heer Jarvie. Thans kwam hij er zoo genadig af,
-dat ik hem slechts de deur voor den neus dicht wierp, toen hij mij
-naar mijne kamer volgde, brutaal genoeg mij de vermaning toevoegde,
-om in het vervolg voorzichtiger te zijn, als ik alleen uitgaan wilde.
-
-Den volgenden morgen was mijne eerste zorg mij van den lastigen,
-eigenwijzen man te ontslaan, die eigenlijk meer mijn meester dan
-mijn knecht trachtte te zijn. Toen ik hem op mijne kamer had laten
-roepen, en hij binnentrad, vroeg ik hem wat ik hem voor zijn geleide
-naar Glasgow schuldig was. Deze vraag deed hem verbleeken: want hij
-beschouwde ze niet zonder reden, als de voorbode van zijn ontslag.
-
-»Gij zult toch"--zeide hij stamelende--»gij zult toch, hoop ik,
-mij niet...."
-
-»Antwoord mij!" riep ik driftig, »of ik sla je de hersens in!"
-
-Andries aarzelde tusschen het dubbele gevaar, om òf alles te verliezen,
-als hij te veel, òf een gedeelte kwijt te raken, als hij minder
-eischte dan ik hem waarschijnlijk zou geven, en gaapte mij zwijgend
-aan. Eindelijk echter stiet hij uit, alsof hij plotseling een slag
-op den rug had gehad: »achttien stuivers daags--dat zal toch niet te
-veel wezen!"
-
-»Tweemaal zoo veel als men gewoonlijk betaalt, en driemaal meer dan
-gij verdient!" hernam ik. »Maar ziedaar een guinje, en ga nu waarheen
-gij verkiest. Ik kan u verder missen."
-
-»Maar goede Hemel! Zijt gij wel bij uw zinnen, beste mijnheer?" riep
-Andries.
-
-»Kerel! ge zoudt mij waarlijk zoover kunnen brengen!" viel ik hem
-in de rede. »Nu wat wilt ge nog? Ik geef u een derde meer dan gij
-eischt. En gij staat daar nog en kijkt mij aan, of meen je, dat ik
-je te kort heb gedaan. Neem uw geld en maak dat je weg komt."
-
-»O, goede Hemel!" hervatte Andries. »Waardoor heb ik u dan beleedigd,
-mijnheer? Zeker, alle vleesch is gelijk de bloemen des velds. En
-even als een handvol kamillen voor den geneesheer zijne waarde heeft,
-zoo kan ook Andries u van nut zijn. Dat ik bij u blijve, moet u wat
-waard zijn, ja veel waard, zooals u uw leven waard is."
-
-»Waarlijk? Nu, het is inderdaad moeielijk te beslissen, of gij grooter
-schurk dan gek zijt. Gij wilt dus bij mij blijven, of ik wil of niet!"
-
-»Juist, zoo dacht ik er over!" antwoordde Andries op vrij stelligen
-toon. »Weet gij al niet, dat gij in mij een braven knecht hebt, dan
-weet ik ten minste, dat ik in u een braven meester heb. Nooit zou ik
-rust of duur kunnen hebben, als ik u zoo aan uw lot overliet. En om
-u nu maar ronduit te zeggen, waar het op staat: mijn dienst is mij
-niet behoorlijk opgezegd."
-
-»Uw dienst?" vroeg ik. »Ik heb u slechts als gids medegenomen en,
-dat wil ik erkennen, tot mijn genoegen ondervonden, dat gij daartoe
-bruikbaar zijt."
-
-»Zeker, het is waar, ik ben geen gewone dienstbode," hernam
-Andries. »Maar gij weet toch wel, dat ik om uwentwil, alleen op
-uw dringend aanzoek, een goeden dienst opgeofferd heb, en dat
-ik het slechts één uur te voren wist. Als tuinman van het kasteel
-Osbaldistone, kon ik het eerlijk en met een zuiver geweten jaarlijks
-tot twintig pond brengen. Zou ik dat inkomen voor eene enkele guinje
-weggeworpen hebben! Ik rekende er op, dat ik tenminste het kwartaal uit
-bij u zou blijven. Tot zoo lang zou ik toch meenen wettige aanspraak
-op loon, kost en drinkgeld te kunnen hebben. Dat is toch duidelijk."
-
-»Kom, kom! Uwe onbeschaamdheid zal u niet baten," riep ik. »Verstout u
-niet, daarmede voort te gaan, of gij zult ondervinden, dat Thorncliff
-Osbaldistone de eenige niet is van de familie, die zijne handen weet
-te gebruiken!"
-
-De gansche zaak kwam mij, toen ik dit zeide, zoo bespottelijk voor,
-dat ik, in weerwil van mijn billijk misnoegen, mij echter nauwelijks
-bedwingen kon, om over den ernst, waarmede Andries zijn vermeend recht
-op mijne beurs verdedigde, in een luid lachen uit te barsten. De schelm
-bemerkte den indruk, dien hij op mijne lachspieren gemaakt had. Hij
-liet nu nog minder los, hoewel hij het toch raadzaam oordeelde zijn
-overdreven eisch een weinig te matigen, om mijn geduld niet te tergen,
-en ook misschien langs dien weg zijn doel te bereiken.
-
-»Ik erken gaarne, dat gij het in uwe macht hebt, mijnheer,"--zoo
-begon hij weder--»een ouden getrouwen dienstknecht, die u en de
-uwen twintig jaren lang bij dag en bij nacht ijverig gediend heeft,
-plotseling uit uw dienst te ontslaan. Maar ik ben ook verzekerd, dat
-gij, evenmin als ieder ander braaf en weldenkend man, het over u zult
-kunnen verkrijgen, om een armen drommel als ik, die veertig, vijftig,
-ja honderd mijlen ver is gereisd, alleen om u gezelschap te houden, en
-die niets dan zijn dagloon bezit, in den uitersten nood weg te zenden."
-
-Waarde Tresham, als ik mij wel herinner, hebt gij eens de opmerking
-gemaakt, dat ik, ondanks mijne eigenzinnigheid, toch in zekere gevallen
-veel lichter dan eenig ander mensch te bepraten en om den tuin te
-leiden was. Tegenspraak alleen maakt mij halsstarrig. Maar zoodra ik
-niet gesard en daardoor opgewekt word om een voorstel te bestrijden,
-ben ik steeds meer geneigd om toe te stemmen. Inderdaad, ik heb mij
-daardoor soms veel moeite en kwelling veroorzaakt. Ik kende mijn
-gids als een hebzuchtigen, lastigen gek. Maar alles wel overwogen,
-had ik behoefte aan iemand als wegwijzer en bediende. Daarenboven
-was ik aan de luimen en grillen van dezen Andries zoo gewoon, dat
-ik er wel eens pleizier in vond. Nog besluiteloos, vroeg ik hem,
-of de wegen en steden in het noorden van Schotland hem bekend
-waren, daar mijns vaders handelsbetrekkingen met de Hooglandsche
-boscheigenaars mij waarschijnlijk noodzaken zouden, mij derwaarts te
-begeven. Gaarne geloof ik, dat, als ik hem naar den weg had gevraagd,
-die naar het Paradijs leidt, hij evenzeer op zich zou genomen hebben,
-om mij dien te wijzen en er mij heen te brengen. Ook had ik naderhand
-alle reden om verheugd te zijn, dat zijne wezenlijke kennis van den
-weg niet te ver beneden het peil was, waarop hij zich beroemde. Ik
-bepaalde zijn loon, mij voorbehoudende, hem, zoodra ik het verkiezen
-mocht, met eene week extra-betaling zijn ontslag te geven, en las
-hem nu ook eens geducht, de les over zijne houding van den vorigen
-dag. Dit stemde zijn zoo even nog vrij hoogen toon merkelijk lager,
-hoewel hij overigens betuigde met mijne schikking volkomen tevreden
-te zijn. Met een opgeruimd hart ging hij heen. Ik kon echter hooren,
-dat hij zijn vriend, den voorzanger, die in de gelagkamer bij zijn
-morgenslokje zat, vertelde, hoe hij den dwazen jongen Engelschman
-eens goed de waarheid had gezegd en tot rede gebracht.
-
-Ik verliet de herberg en begaf mij naar het huis van Jarvie, waar mij
-in het spreekvertrek, dat voor allerlei gebruik diende, een flink
-ontbijt wachtte. De welwillende man had stipt woord gehouden. Ik
-vond mijn vriend Owen in vrijheid. En na zich behoorlijk gewasschen,
-zijne pruik gekamd en zijne kleederen afgeborsteld te hebben, was
-hij thans weder een geheel ander man geworden, dan de onzindelijke,
-neêrslachtige, schier wanhopende gevangene. Maar het besef van
-zijne dringende geldverlegenheid had hem geheel moedeloos gemaakt,
-en de bijna vaderlijke omhelzing, waarmede hij mij ontving, werd
-door een diepen, smartelijken zucht verbitterd. Toen hij weder was
-gaan zitten, verried mij zijn somber oog en peinzend gelaat, zoo
-verschillend van zijne gewone kalmte en innige tevredenheid, dat
-hij in zijne gedachten de dagen, de uren, ja de minuten berekende,
-na verloop waarvan bij niet-betaling der geaccepteerde wissels, het
-zoo beroemde huis Osbaldistone en Tresham vallen moest. Het bleef
-dus alleen mij overgelaten, mijne dankbaarheid voor het onthaal van
-onzen gastheer te betuigen, en zijne thee, die hij rechtstreeks uit
-ons China had ontvangen, als ook zijne koffie, die op zijne eigen
-plantaadje in Jamaica, Salt-Market-Grove genaamd, gegroeid was,
-zoo als hij met een knipoogje te kennen gaf--zijne heerlijke »ale",
-zijne gerookte Schotschen zalm, en zelfs zijn damasten tafellaken,
-dat niemand anders dan zijn overleden vader, het voormalig lid van
-den raad der stad, had geweven, naar behooren te prijzen.
-
-Toen ik door deze en dergelijke kleine attenties, die voor veel
-menschen van hoog gewicht zijn, onzen gastheer tot welwillendheid
-gestemd had, poogde ik van hem eenige berichten te erlangen, die
-mij op mijn verderen weg van nut konden zijn, of ten minste mijne
-nieuwsgierigheid bevredigen konden. Nog hadden wij geen enkel
-woord over het gebeurde van den vorigen nacht gesproken, en dus
-was mijne vraag zoo tamelijk onverwacht, toen ik van het zwijgen,
-dat na de geschiedenis van het tafellaken volgde, partij trekkende,
-plotseling aldus begon: »Maar zeg mij toch eens, mijnheer Jarvie,
-wie is die Robbert Campbell, dien wij dezen nacht ontmoetten?"
-
-Deze vraag scheen den goeden man geheel van zijn stuk te brengen.--»Wie
-Robbert Campbell is?" zeide hij, en herhaalde, na een zeer verlegen
-hm! hm!--»wie hij is?"
-
-»Dat veroorloof ik mij, u te vragen, wie en wat hij is?" hernam ik.
-
-»Hij is.... Maar waar hebt gij dan dezen Robbert Campbell, zoo als
-gij hem noemt, ontmoet?"
-
-»Bij toeval in het noorden van Engeland, nu eenige maanden geleden,"
-was mijn antwoord.
-
-»Welnu, mijnheer Osbaldistone," hernam Jarvie, min of meer gemelijk;
-»dan weet gij even veel van hem, als ik."
-
-»Ik vraag u verschooning. Dit schijnt toch geenszins het geval te zijn,
-mijnheer Jarvie!" antwoordde ik. »Gij zijt immers, zoo als hij ten
-minste beweerde en gij niet ontkendet, zijn bloedverwant, zijn neef."
-
-»Nu ja, er bestaat tusschen ons zoo wat neefschap," zeide Jarvie met
-zichtbaren tegenzin. »Maar sedert Robbert den handel in vee heeft
-gedreven, hebben wij elkander zelden gezien. Die arme drommel! door
-menigeen, die hem voor gewichtige diensten grooten dank schuldig was,
-is hij allerondankbaarst behandeld. Zijn geld heeft men hem listig
-ontstolen. Ja, ja, menigeen wenschte nu wel, dat men hem nooit uit
-Glasgow gejaagd had, en men zou hem thans veel liever weder achter
-drie honderd ossen, dan aan het hoofd van dertig wezens zien, die
-nog veel erger dan dieren zijn."
-
-»Maar, mijnheer Jarvie, dit alles geeft mij nog niet de minste
-inlichting omtrent zijn rang en stand en zijne middelen van bestaan,"
-hernam ik.
-
-»Zijn rang?" antwoordde Jarvie. »Wel, hij is een Hooglandsch gentleman;
-welken stand zou hij meer behoeven? Zijne middelen van bestaan? Wat
-is ons daaraan gelegen, zoo lang hij niets van ons begeert? Maar ik
-heb thans geen tijd om langer over hem te praten. Er is hier iets
-anders te doen, wat voor u, of ten minste voor uw vader, van meer
-belang moet zijn."
-
-Na dit gezegd te hebben, zette hij zijn bril op en ging zitten,
-om den staat van mijns vaders zaken te onderzoeken, dien Owen noodig
-achtte hem zonder eenige achterhoudendheid mede te deelen. Ik verstond
-intusschen genoeg van den handel, om te kunnen opmerken met hoeveel
-scherpzinnigheid Jarvie elke zaak beoordeelde, die aan zijn oordeel
-onderworpen werd. En ik ben hem tevens de volle eerlijke erkentenis
-schuldig, dat hij zich in alles niet alleen zeer billijk, maar zelfs
-zeer edelmoedig betoonde. Wel krabde hij zich achter het oor, toen
-hij bevond, dat Osbaldistone en Tresham per saldo nog zeer hoog bij
-hem in debet stonden.--
-
-»Nu, in 's Hemels naam!" zeide hij eindelijk; »ik moet het dan maar
-voor een verloren post rekenen. Intusschen, wat uwe goudmakers in
-Londen er ook van zeggen mogen, bij ons in Glasgow is dit geene
-kleinigheid. Het zal een geweldig groot gat in mijn kas maken;
-dat is niet anders. Evenwel, uw kantoor zal er niet door vallen,
-hoe veel dan ook reeds weg moge zijn:--en moet het wezen, welnu, in
-'s Hemels naam. Ik denk er in elk geval zoo onbarmhartig niet over
-als die roofvogels daar ginder in de Hoogstraat. Moet ik thans door
-u een verlies lijden, dan zal ik toch nooit ontkennen, dat ik door u
-menig aardig pondje sterling gewonnen heb. Loopt het dus heel erg,
-dan leg ik den kop van het zwijn bij den staart van het varken,
-en zal wel zien uit te komen."
-
-Wel begreep ik den eigenlijken zin van dit zonderlinge spreekwoord,
-waarmede Jarvie zich troostte, niet best. Maar dit begreep ik wel,
-dat hij met welwillende deelneming mijns vaders aangelegenheden
-behandelde, ja, dat hij zulken welgemeenden en verstandigen raad gaf,
-dat de rimpels op Owen's voorhoofd van lieverlede nagenoeg verdwenen.
-
-Ik zat er evenwel bij als een werkeloos aanschouwer en toehoorder
-van al die onderhandelingen. Nu en dan toonde ik mijne neiging, om
-den zoo plotseling afgebroken draad van ons gesprek over Campbell
-weder aan te knoopen. Eindelijk zeide de heer Jarvie mij zonder
-veel komplimenten, dat ik maar eens naar het »collegie" zou gaan,
-waar ik eenige lieden zou vinden, die Grieksch en Latijn spraken,
-ten minste er geld genoeg voor ontvingen om het te doen. Daar zou ik
-tevens iets van Boyd's vertaling der H. Schriften kunnen lezen. Dit
-was naar zijne meening veel betere poëzie dan eenige andere, zoo als
-hij van menschen gehoord had, die dit konden en moesten weten. Hij
-verzachtte het harde van dit afscheid, door mij dien middag bij zich
-te gast te noodigen, mits ik precies met klokslag van één ure ten
-zijnent was, want later ging hij niet aan tafel; dit was reeds bij
-het leven van zijnen vader de vaste gewoonte van zijn huis geweest,
-»en daarvan werd niet afgeweken, voor wien ook ter wereld." Ik moest
-dus er voor zorgen, klokslag één uur er te zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXV.
-
-
- De jachthond blaft, de herder wacht,
- Gewapend met den lansenschacht,
- Den beer, die nadert door het woud ...
- Hij hoort hem aan het buigend hout,
- Aan 't krakend loof en 't ritslend blad,
- Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,
- Een van ons beiden moet ten onder ...
-
- Palamon en Arcite.
-
-
-Ik stond op en ging overeenkomstig Jarvie's raad naar de hoogeschool,
-gewoonlijk »het Collegie" genoemd, minder met het oogmerk om afleiding
-te zoeken, dan wel om mijne gedachten te regelen en over het door
-mij van nu af te houden gedrag na te denken. Ik ging langs het oude
-schoolgebouw en kwam eindelijk in den tuin van het College, waar
-ik, daar het juist in de leeruren was, eenzaam op en neer wandelde,
-geheel verdiept in bespiegelingen over mijn zonderling lot.
-
-De omstandigheden aan mijne eerste ontmoeting met Robbert Campbell
-verbonden, lieten mij geen twijfel over, dat hij zonder schroom de
-eene of andere koene onderneming zou wagen. De tegenzin, waarmede
-Jarvie over dezen man en diens betrekkingen, als ook over het
-gebeurde van den vorigen nacht sprak, versterkte mij niet weinig
-in mijn vermoeden. Tot dezen mensch had zich echter Diana Vernon,
-naar het scheen, ten mijnen voordeele gewend, en in de handelwijze
-van den heer Jarvie jegens hem waren goedheid, ja zelfs hoogachting,
-met medelijden en afkeuring op vreemde wijze vereenigd. Er moest toch
-iets zeer buitengewoons in Campbells toestand en denkwijze wezen,
-en wat mij nog zonderlinger voorkwam, zijn noodlot scheen invloed
-op het mijne te hebben, en daarmede in verband te staan. Ik nam het
-besluit, om bij de eerste voegzame gelegenheid, bij Jarvie nader aan
-te dringen, ten einde zoo veel mogelijk aangaande den geheimzinnigen
-man uit te vorschen. Ik wilde beoordeelen, of ik, zonder nadeel voor
-mijn goeden naam, mij in eenige betrekking tot hem zou kunnen stellen,
-waartoe hij mij scheen uit te noodigen.
-
-Zoo peinzende, wandelde ik verder. Plotseling toevallig opziende,
-ontwaarde ik aan het einde van de laan, waarin ik slenterde, drie
-mannen, die met elkander in ernstig gesprek schenen te zijn. De
-levendige indruk, die ons vaak de nabijheid van iemand, die wij
-liefhebben of haten, op onverklaarbare wijze aankondigt, lang voordat
-een onverschillig oog hem herkennen kan, deed in mij de overtuiging
-ontstaan, dat de middelste van die drie mannen Rashleigh Osbaldistone
-moest wezen. Mijn eerste voornemen was, hem aan te spreken; mijn
-tweede, hem gade te slaan, tot hij alleen zou zijn, of ten minste
-degenen, die zich bij hem bevonden, eens op te nemen, eer ik naar
-hem toeging. Zij waren nog zoo ver verwijderd en zoo verdiept in
-hun gesprek, dat ik tijd genoeg had, om onbemerkt achter eene heg
-te sluipen.
-
-Deftige jonge lieden droegen in dien tijd op hunne morgenwandelingen,
-dikwijls een scharlaken mantel, meestal met goudgalon
-bezet. Modeheertjes hadden daarbij de gewoonte, op coquette manier
-daarmede hun gelaat gedeeltelijk te verbergen. Op dezelfde wijze
-bedekt en achter de heg verborgen, kon ik mijn neef voorbijgaan,
-zonder door hem of de anderen gezien, of ten minste voor iets meer
-dan een vreemdeling gehouden te worden. Intusschen was ik niet weinig
-onthutst, toen ik in Rashleigh's gezelschap mijn voormaligen aanklager
-Morris herkende, en--den koopman Mac-Vittie, wiens stroef en streng
-gelaat den vorigen dag zulk een onaangenamen indruk op mij had gemaakt.
-
-Dit was wel een slecht teeken voor mijne en mijns vaders
-aangelegenheden. Ik herinnerde mij de valsche aanklacht, welke
-Morris tegen mij ingebracht had. Hij kon zich misschien tot eene
-nieuwe aanklacht even gemakkelijk laten verleiden, als hij door
-vrees tot het herroepen van de eerste was gedwongen. Ik dacht aan
-den heilloozen invloed, dien Mac-Vittie op mijns vaders zaken had,
-zoo als uit Owen's gevangenneming genoegzaam bleek. Nu zag ik deze
-beide lieden in gesprek met hem, wiens duivelsche bekwaamheid om
-onheil te stichten ik door en door kende, dien ik diep verfoeide,
-ja zelfs bijna vreesde.
-
-Toen zij eenige schreden verder waren gegaan, keerde ik om en volgde
-hen ongemerkt. Aan het andere einde der laan scheidden zij. Morris en
-Mac-Vittie verlieten den tuin, Rashleigh kwam geheel alleen de laan
-af. Ik besloot hem te gemoet te gaan, hem aan te spreken en vergoeding
-voor de schade te eischen, welke hij mijn vader had aangedaan,
-ofschoon ik nog niet zag op welke wijze die vergoeding van hem zou
-kunnen verkregen worden. Maar dit zou van later zorg zijn. Na mijn
-mantel teruggeslagen te hebben, trad ik door eene opening in de heg,
-Rashleigh, die in gepeins verdiept scheen, te gemoet.
-
-Rashleigh liet zich door onverwachte gebeurtenissen niet licht
-verrassen, nog minder schrik aanjagen. Toch was hij, toen hij mij
-zoo vlak voor zich zag en op mijn gelaat diepe verontwaardiging las,
-blijkbaar onthutst. Mijne verschijning kwam hem onverwacht.
-
-»Goed, dat ik u aantref!" zeide ik. »Juist wilde ik eene verre reis
-ondernemen, om u op te sporen."
-
-»Dan kent gij hem, dien gij zocht, in het geheel niet!" antwoordde
-Rashleigh, met zijne gewone, onwrikbare bedaardheid. »Mijne
-vrienden weten mij gemakkelijk te vinden en mijne vijanden nog
-gemakkelijker. Uwe zonderlinge wijze van u bij mij aan te melden,
-noodzaakt mij u te vragen, onder welke rubriek ik Frans Osbaldistone
-moet plaatsen?"
-
-»Onder die van uwe vijanden," hernam ik, »ja, van uwe doodvijanden,
-zoo gij niet terstond jegens mijn vader, uw weldoener, als eerlijk man,
-rekenschap afleggen en uw plicht wilt doen."
-
-»En aan wien, mijnheer Osbaldistone, aan wien zou ik, deelhebber in
-uws vaders zaak, van mijne handelwijze en doen, welke ik in alle
-opzichten mijne eigene mag noemen, gedwongen worden rekenschap te
-geven? Toch niet aan een jongeling, die zoo veel smaak voor de fraaie
-letteren bezit, dat dergelijke koopmanszaken hem allergeweldigst zouden
-vervelen, daar ze voor hem volstrekt onverstaanbaar zouden zijn."
-
-»Uwe spotternij is geen antwoord op mijn eisch! Ik laat u niet los,
-voor ik volkomen inlichtingen heb erlangd aangaande het bedrog, dat gij
-voornemens zijt te plegen. Anders zult gij met mij voor den rechter!"
-
-»Ook al goed," zeide Rashleigh en deed een paar schreden, alsof hij mij
-vergezellen wilde: doch plotseling bleef hij staan en vervolgde: »Wilde
-ik thans doen wat gij beweert, dan zoudt gij ras ondervinden, wie
-van ons beiden de meeste reden heeft om het gerecht te vreezen. Maar
-ik wil uw ongeluk niet verhaasten. Ga, jongeling, vermaak u in uwe
-dichterlijke wereld en laat de behandeling van ernstiger zaken aan
-lieden over, die zich daarop verstaan en aan wie die behandeling best
-toevertrouwd is."
-
-Zijn oogmerk was, naar ik geloof, mij boos te maken, en het gelukte
-hem.--»Deze toon van ijskoude onbeschaamdheid zal u niet baten!" zeide
-ik. »Beter ware het dat gij u herinnerdet, dat de naam dien wij beiden
-voeren, nooit beleediging duldde, en dat hij ook in mijn persoon aan
-geene beleediging zal blootgesteld zijn."
-
-»Gij herinnert mij," zeide Rashleigh, terwijl hij een dreigenden blik
-op mij wierp, »dat de naam in mij beleedigd is, en gij herinnert mij
-tevens door wien. Verbeeldt ge u dan, dat ik den avond vergeten heb,
-toen gij zoo goedkoop, ten mijnen koste en ongestraft, den pocher
-speeldet? Voor deze beleediging--ze kan slechts door bloed afgewasschen
-worden,--en daarvoor, dat gij meer dan eens, en steeds tot mijn nadeel,
-mij in den weg zijt getreden; daarvoor, dat gij met eene halsstarrige
-dwaasheid mijne plannen tracht te verijdelen, welker hoog belang gij
-noch kent, noch in staat zijt te waardeeren--voor dat alles zijt gij
-mij eene geweldig groote voldoening schuldig. Weldra zal de dag der
-afrekening aanbreken."
-
-»Hoe eerder hoe liever!" gaf ik ten antwoord; »ik zal bereid zijn
-om mij te verantwoorden. Maar gij schijnt het belangrijkste punt
-van aanklacht vergeten te hebben: dat ik het genoegen heb gesmaakt,
-freule Diana Vernon behulpzaam te zijn, zich uit uwe schandelijke
-strikken te redden."
-
-Vlammen schoten plotseling uit zijn somber oog op deze hem diep
-treffende woorden. Toch behield zijne stem den bedaarden toon,
-waarop hij tot dusver tegen mij gesproken had.--»Ik had eigenlijk
-geheel andere oogmerken met u, jongeling," antwoordde hij; »oogmerken,
-minder gevaarlijk voor u en meer overeenkomstig met mijn karakter en
-mijne vroegere vorming. Maar ik merk, dat gij volstrekt de tuchtiging
-wilt ontvangen, welke uwe jongensachtige onbeschaamdheid zoo zeer
-verdient. Zoo ga met mij naar eene meer afgelegen plaats, waar wij
-geen stoornis behoeven te vreezen."
-
-Ik volgde hem, zorgvuldig zijne bewegingen gadeslaande, omdat
-ik hem tot de laaghartigste en vuigste daad volkomen in staat
-achtte. Wij kwamen op een ruime plek in eene soort van tuin, naar
-Hooglandschen smaak aangelegd, met geschoren heggen en eenige gipsen
-standbeelden. Gelukkig voor mij dat ik op mijne hoede was. Want
-Rashleigh had zijn degen getrokken en viel op mij aan, eer ik mijn
-mantel afleggen en insgelijks den degen trekken kon. Ik sprong een
-paar schreden achteruit, en redde daardoor mijn leven. Het verschil
-van onze wapenen verschafte hem intusschen eenig voordeel, daar zijn
-degen langer en driehoekig was, de mijne daarentegen eene vlakke en
-tweesnijdende kling had, en bovendien niet zoo licht als de zijne
-te hanteeren was. Overigens waren wij tamelijk gelijk. Het voordeel,
-dat mijne meerdere bekwaamheid en vaardigheid mij gaven, werd tegen
-Rashleigh's groote sterkte en vooral door zijne koelbloedigheid
-genoegzaam opgewogen. Hij vocht meer als een duivel dan als een mensch,
-met eene verwoede verbittering, slechts bedwongen door die ijskoude
-kalmte, die aan zijne slechtste daden een nog slechter voorkomen gaf,
-den schijn namelijk van bedaard overleg. Zijn boosaardig doel deed
-hem geene onvoorzichtigheid begaan. Alle listen en kunstgrepen werden
-door hem beproefd. Dat hij aan het gevecht het schrikkelijkste eind
-poogde te geven, was mij spoedig duidelijk.
-
-In het eerst vocht ik met de meest mogelijke kalmte. Ik was,
-weliswaar, in hevigen toorn ontstoken, doch volkomen mij zelven
-meester. Gedurende een gang van twee of drie minuten, had ik tijd
-genoeg om te overwegen, dat Rashleigh mijn bloedverwant, de zoon van
-een oom was, die zich op zijne wijze vriendelijk en welwillend jegens
-mij betoond had, en dat zijn dood door mijne hand, groote droefheid
-onder mijne nabestaanden zou veroorzaken. Mijn eerste besluit was,
-mij op het ontwapenen van mijne tegenpartij toe te leggen, wat ik,
-op mijne meerdere bekwaamheid en geoefendheid vertrouwende, niet
-moeielijk achtte. Ik merkte echter weldra, dat ik mijn man gevonden
-had. Een paar stooten, welker gevaarlijke gevolgen ik ter nauwernood
-ontging, noodzaakten mij voorzichtiger te zijn. Meer en meer werd
-ik echter verbitterd door de zichtbaar verraderlijke pogingen, welke
-Rashleigh aanwendde om mij het leven te benemen, zoodat het weldra een
-gevecht op leven en dood scheen te zijn. Ja, bijna zou ik daarvan het
-slachtoffer zijn geworden, want bij een te driftigen uitval op mijne
-partij, gleed ik uit, en kon mij niet spoedig genoeg herstellen,
-om den tegenstoot af te weren. Tot mijn geluk had zijn uitval het
-bedoelde gevolg niet; de degen drong slechts door mijn rok en vest,
-en gleed langs mijne ribben neer; maar Rashleigh stiet met zulk eene
-hevigheid, dat het gevest van zijn degen tegen mijne borst trof, en ik
-in het eerst wezenlijk meende doodelijk gekwetst te zijn. Naar wraak
-dorstende, begon ik met hem te worstelen, hield met mijne linkerhand
-den greep van zijn degen vast en nam mijn degen korter, om hem alzoo
-te doorboren. Maar ons woedend gevecht werd afgebroken door een man,
-die plotseling tusschen ons trad, ons van elkander scheidde en op
-gebiedenden toon riep: »Hoe, gij zonen van hen, die dezelfde borst
-gezoogd heeft, gij wilt uw bloed vergieten, alsof het vreemd bloed
-ware? Bij de hand van mijn vader! hem, die nogmaals een uitval waagt,
-klief ik den kop tot op de borst!"
-
-Ik keek verbaasd op. Het was Campbell. In de hand hield hij zijn
-ontbloot Hooglandsch zwaard, dat hij, terwijl hij sprak, over zijn
-hoofd zwaaide, als wilde hij daardoor aan zijne bemiddeling nog
-meer nadruk geven. Rashleigh en ik zwegen, verrast bij het gezicht
-van dezen ongeroepen bemiddelaar. »Denkt gij, mijnheer Frans,--ging
-hij voort--dat gij uws vaders crediet herstellen kunt door uw neef
-te vermoorden, of u door hem te laten vermoorden? Of gelooft gij,
-mijnheer Rashleigh, dat de menschen hun leven en vermogen aan iemand
-zullen toevertrouwen, die, wanneer 's lands belangen hem roepen,
-als een dronkaard nutteloos twist zoekt? Nu, nu! Kijk mij maar zoo
-woest en grimmig niet aan, mijn goede man! Zijt gij boos, dan weet
-gij immers wel, tot wien gij u te wenden hebt?"
-
-»Mijn tegenwoordige toestand alleen maakt u zoo vermetel," hernam
-Rashleigh, »anders zoudt gij het zeker niet gewaagd hebben, u met
-eene zaak te bemoeien, waarbij mijne eer op het spel staat."
-
-»Zoo, zoo, zie eens aan! Vermetel? En waarom is dat zoo vermetel? Gij
-moogt rijker zijn dan ik, mijnheer Osbaldistone; dat is zelfs zeer
-waarschijnlijk. Gij moogt ook veel geleerder zijn, dat wil ik vooral
-niet betwisten. Maar gij zijt, dat durf ik bezweren, noch dapperder
-noch van betere afkomst, dan ik. Ook zou het voor mij wezenlijk iets
-nieuws zijn te hooren, dat gij zoo braaf waart. Voorts spreekt gij van
-durven? Ik heb wel andere dolkoppen, dan gij beiden zijt, in stukken
-gehouwen en dacht aan dergelijke wissewasjes, als zij voorbij waren,
-volstrekt niet meer dan aan de vlieg, die ik me thans van den neus
-knip. Als wij in 't vrije veld waren, in plaats van tusschen deze
-twee muren, zou ik u wel aandurven!"
-
-Rashleigh had zich geheel hersteld. »Mijn neef," zeide hij, »kan niet
-ontkennen, dat hij mij tot dit tweegevecht gedwongen heeft. Ik heb geen
-twist gezocht. Intusschen is het mij zeer aangenaam, dat wij gestoord
-zijn geworden, eer ik zijne voorbarigheid strenger getuchtigd had."
-
-»Zijt gij gekwetst?" vroeg Campbell mij met deelneming.
-
-»Slechts een schram," antwoordde ik, »en mijn waarde neef zou zich niet
-lang verhoovaardigd hebben, als gij niet tusschenbeiden gekomen waart."
-
-»Dat geloof ik gaarne. Mijnheer Rashleigh, ik heb het gezien!" zeide
-Campbell. »Zijn koud staal en uw warm bloed zouden weldra met elkander
-in aanraking zijn gekomen, als ik hem niet juist bij tijds bij den
-arm gevat had. Maar kijk daarom zoo knorrig niet! Kom vriendje, gij
-gaat met mij. Ik heb u wat nieuws te vertellen, dat u wel bekoelen
-en tot bedaren brengen zal."
-
-»Houd het mij ten goede," zeide ik tot Campbell. »Bij meer dan ééne
-gelegenheid hebt gij u dienstvaardig, welwillend, ik zou bijna zeggen,
-vriendschappelijk jegens mij betoond. Maar dezen man laat ik niet
-los, voordat hij mij dat, waarvan hij zich op eene trouwelooze wijze
-meester heeft gemaakt, weder in handen heeft gegeven, opdat mijn
-vader als eerlijk man zijne verplichtingen kan gestand doen."
-
-Ik vatte Rashleigh in de borst. Hij bood geen tegenstand, maar zeide
-met een spottend glimlachje: »Nu ziet gij het zelf, Mac-Gregor,
-dat hij roekeloos zijn ongeluk wil. Is het mijne schuld, als hij
-het slachtoffer zijner dolzinnigheid wordt? De bevelen tot zijne
-gevangenneming zijn reeds gegeven, en alles is gereed."
-
-De Schot geraakte blijkbaar in verlegenheid. Hij zag naar alle kanten
-om en zeide eindelijk: »Ik duld het toch niet, dat men hem mishandelen
-zal, omdat hij voor den vader, die hem het leven gaf, ook zijn leven
-veil heeft. Vervloekt zijn al de rechters, schouten, gerechtsdienaars,
-en hoe dat satansche vee, dat ons arm Schotland sinds eene eeuw plaagt
-en kwelt, al heeten moge! Dat waren andere tijden, toen ieder zijn
-eigen have en goed met eigen vuist beschermde. Toen werd men hier
-te lande met geen bevelen van gevangenneming en dergelijk lastig
-geschrijf bedrogen. Ja, ik zeg het nog eens: mijn geweten duldt niet,
-dat men dezen armen jongen iets kwaads zal aandoen en dan nog wel op
-zulk eene verachtelijke wijze. Liever wilde ik, dat gij samen nog
-eens van leer trokt en de zaak, als wakkere mannen en fatsoenlijke
-lieden, vereffendet."
-
-»Zoo, zoo, Mac-Gregor, gij spreekt daar van een geweten," viel
-Rashleigh hem in de rede, »gij schijnt dus vergeten te hebben, sedert
-hoe lang wij elkander reeds kennen."
-
-»Ja, ik spreek van mijn geweten!" herhaalde Campbell of Mac-Gregor,
-of hoe hij zich anders noemen mocht. »Ik bezit waarachtig zulk een
-ding. Misschien heb ik hierin iets op u voor. Als gij weet wie ik
-ben, dan weet gij ook, door welke behandeling ik dat ben geworden,
-wat ik ben, en hoe gij daarover ook denken moogt, ik ruil met den
-hoogmoedigsten der onderdrukkers niet, die mij gedwongen hebben in de
-bosschen eene schuilplaats te zoeken. Wat gij zijt, mijnheer Rashleigh,
-en welke verontschuldigingen gij kunt aanvoeren voor datgene wat
-gij zijt, dit is eene zaak tusschen uw hart en Gods oordeel. En nu,
-mijnheer Frans, laat hem los. Hij heeft gelijk met te zeggen, dat
-gij het gerecht meer te vreezen hebt dan hij. Al ware uwe zaak zoo
-recht als een pijl, hij zou wel middelen weten te vinden om ze krom
-te maken. Laat hem los, zeg ik!"
-
-Deze laatste woorden ondersteunde hij met zulk een plotselingen
-en tevens krachtigen ruk, dat hij Rashleigh aan mij ontweldigde,
-en mij tevens, in weerwil van mijn tegenstand, zóó vasthield, dat
-ik mij volstrekt niet verroeren kon. »Ga heen, Rashleigh!" zeide
-hij. »Gebruik thans uwe beenen nog eens zoo knap, als gij uwe handen
-gebruikt hebt. Het zal de eerste maal niet zijn. Laat zien hoe vlug
-gij loopt."
-
-»Dank het dezen man, dat ik u thans niet geheel betaald heb," zei
-Rashleigh. »Ik verlaat u, maar ik hoop, dat wij elkander spoedig weder
-zullen ontmoeten, en dan niet op dergelijke wijze gestoord worden."
-
-Met deze woorden nam hij zijn degen op, stak hem in de scheede en
-verdween tusschen de heggen. De Schot belette mij, deels door geweld,
-deels door zijne krachtige taal, om mijn neef te volgen. Ik begon
-meer en meer te begrijpen, dat het mij ook weinig baten zou.
-
-»Wel, wel!" zeide Campbell, toen hij zag, dat ik na eenige vruchtelooze
-pogingen stil bleef staan; »nooit zag ik zulk een dollen knaap als
-u! Als iemand anders mij zoolang getergd had, zou ik hem plat op den
-grond gesmeten hebben! Wat duivel wildet gij toch? Den wolf in zijn hol
-volgen? Weet gij wel, jongen, dat hij den ouden val weder opengezet
-heeft? Hij heeft dat wezen Morris overgehaald, de oude historie op
-te warmen, en thans kunt gij van mij geen hulp verwachten, als bij
-den vrederechter Inglewood. Het is niet goed voor mijne gezondheid,
-dat ik met de trawanten van de gerechtigheid, alle vervloekte Whigs,
-zoo familiaar word. Gij kunt nu ongehinderd huiswaarts keeren,
-als een brave jongen. Ga dus heen en blijf bedaard. Maar vooral
-moet gij uw neef en Morris wat ontwijken, alsmede dien ellendigen
-Mac-Vittie. Herinner u de herberg te Aberfoil, zoo als ik u
-reeds gezegd heb, en vertrouw op het woord van een man van eer,
-er zal u geen leed geschieden. Maar blijf bedaard tot wij elkander
-wederzien. Ik moet u verlaten om Rashleigh de stad uit te brengen,
-voordat er iets ergers gebeurt; want waar hij eene rol speelt, loopt
-het altijd slecht af. Denk aan Aberfoil."
-
-Met deze woorden verliet hij mij. Mijne eerste zorg was thans,
-mijne min of meer gehavende kleeding weder in orde te brengen en mij
-zoo in mijn mantel te wikkelen, dat men het uit mijne rechter zijde
-druppelende bloed niet zien kon. Nauwelijks was dit geschied, of de
-kweekelingen van het College verschenen, daar de leeruren geëindigd
-waren, in den tuin. Ik verwijderde mij spoedig. Op mijn weg naar
-Jarvie's woning, waar het nu bijna tijd moest zijn om het middagmaal
-te houden, trad ik een stillen winkel binnen, welks uithangbord
-aankondigde, dat daar Christopher Neilson, chirurgijn en apotheker,
-woonde. Een kleinen jongen, die iets in een vijzel stampte, verzocht
-ik, mij gehoor bij zijn patroon te verschaffen. De jongen opende de
-deur der achterkamer, waar een opgeruimd oud man zat, die mij naar
-mijn verlangen vroeg. Hij schudde ongeloovig het hoofd, toen ik hem
-overtuigen wilde, dat ik door het afbreken van den knop van een floret,
-bij eene les in het schermen, gekwetst was geworden. Hij legde iets
-op de weinig beteekenende wond, en zeide: »Deze wond is nooit door
-een afgebroken kling toegebracht. Ja, ja, die jeugd, die jeugd! Maar
-wij, heelmeesters, zijn aan geheimhouding gewend. Als er geen driftig
-bloed en geen al te vurig bloed was, wat zou er van de beide geleerde
-faculteiten worden?"
-
-Met deze wijsgeerige opmerking liet hij mij vertrekken. Mijne wond
-deed mij zeer weinig pijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVI.
-
-
- Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,
- Hij hoont den zachten aard van 't vlakland, hoont die dwergen.
-
- Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,
- Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:
- Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.
- Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.
-
- Gray.
-
-
-»Ge komt laat?" vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn
-vriendelijken gastheer binnentrad. »Reeds vijf minuten geleden heeft
-het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met het opdisschen
-gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn
-overleden vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte."
-
-Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven
-en zette mij aan tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn
-vriend Owen en mij aanhoudend noodigde, toch toe te tasten en zijne
-Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter niet
-zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de
-gebruiken der wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende
-uitnoodigingen fatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar
-kluchtig was het te zien, hoe Owen, die veel strenger begrippen
-omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke welwillendheid
-den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met
-droevige gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond
-bracht, door zijn keel duwde, en alle gerechten hemelhoog roemde,
-ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat het roemen er van
-hem evenveel moeite kostte als het eten zelf.
-
-Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met
-brandewijn-punch gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen
-drank te bereiden, van zekeren kapitein Coffinkey had geleerd, die,
-zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf geleerd had onder de
-kapers. »Maar het is toch lekker," zeide hij, »en goede waren komen
-dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een
-braaf man, toen ik hem kende:--alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is
-nu dood.--Ik hoop dat hij genade gevonden heeft." Dezen drank, dien wij
-hier voor de eerste maal proefden, vonden wij zeer smakelijk. En toen
-Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke hij daartoe bezigde,
-op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond
-er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die
-sedert de vereeniging van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en
-de Britsche Koloniën in de West begonnen was, en over de voordeelen,
-welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche markten te
-zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte,
-om ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen,
-beantwoordde Jarvie wel wat driftig, maar vrij vaardig.--»Neen,
-neen!" zoo eindigde hij, »laat elken haring aan zijn eigen kop
-hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat
-wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet
-zouden kunnen volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig
-aangenaams, mijnheer Osbaldistone," vervolgde hij, toen hij bemerkte,
-dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar gij weet immers wel,
-dat ieder 't liefst over zijn beroep of handwerk spreekt."
-
-Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst
-moeielijken toestand aan en de voorvallen, welke mij nog voor
-weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo kreeg ik gelegenheid om
-mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen. Van mijne
-onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel
-opmerkzaamheid en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij
-met zijne kleine grijze oogen pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij
-van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen in de rede viel. Toen
-ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne ten
-hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep
-plotseling: »dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den
-degen tegen zijn bloedverwant te trekken, zie, dat is door goddelijke
-en menschelijke wetten verboden, en den degen te trekken in de straten
-van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis. De
-tuin van het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene
-plaats van rust en vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke
-die heeren daar genieten, konden zij er, dunkt mij, wel voor zorgen,
-dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet afsnijden, noch dat
-die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk, als
-ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of
-zij smijten mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?..."
-
-Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong
-Jarvie verrast op en liep in de kamer op en neer.--»Al weder die
-Robbert! Die Robbert is dol, volslagen dol! Hij zal nog opgehangen
-worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande strekken:
-dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne
-eerste kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem
-de laatste das draaien. Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar
-de galg. Maar verder, verder!"
-
-Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon,
-maar Jarvie vond nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder
-tegenzin, op mijn avontuur met Morris en mijne eerste ontmoeting
-met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam geluisterd had,
-verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.--
-
-»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om
-raad vragen," vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en
-doelmatigste middelen aan de hand doen, om voor mijns vaders belangen
-en mijne eer met goed gevolg werkzaam te zijn."
-
-»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!" hernam Jarvie. »Vraag
-steeds raad bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet
-als een tweede goddelooze Rehabeam, die met jonge baardelooze knapen
-raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die aan de voeten van
-zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer juist
-aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar van eer wil ik
-liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer
-begaat dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op
-de publieke straat; maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man,
-die stil te huis zit en vlijtig rekent."
-
-»Juist, mijnheer Jarvie!" zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak,
-en als wij deze slechts redden kunnen...."
-
-»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!" hernam Jarvie. »Gij spreekt als
-een verstandig koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne
-geloof ik, dat hij dezen jongen heer van dienst zal zijn, zoo hij er
-toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed hart, die arme Robbert,
-en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren, en al
-mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten,
-ik zeg toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!"
-
-»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?" vroeg ik.
-
-»Nu ja!" antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn
-Hooglandsch. Eerlijk op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen."
-
-»Maar gelooft gij dan," vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn,
-om mij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de
-plaats begeven, waar hij mij genoodigd heeft?"
-
-»Hoor eens, eerlijk gesproken," hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite
-wel loonen. Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven
-kunt. Die ellendige Morris heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje
-gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel, dat hij eigenlijk niets
-anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en een
-hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op
-allerlei wijzen plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen
-u hernieuwt--dan moet de overheid er zich aan laten gelegen liggen;
-en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren kunnen opsluiten,
-wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn."
-
-»Dat begrijp ik wel!" hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn
-vader een dienst zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar
-zal waarschijnlijk het hoofdtooneel van Rashleigh's streken zijn. En
-zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een man overgeven, van
-wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest,
-waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim,
-zeker gevaarlijk doel te bereiken, een nauw verbond met den man
-heeft gesloten, die waarschijnlijk de oorzaak en bewerker van ons
-ongeluk is."
-
-»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!" zeide Jarvie; »waarlijk veel
-te streng en onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen
-toegaat, in het Hoogland, zoo als wij het noemen. Dat is dáár een
-geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár zijn geene gerechtshoven,
-geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder ze ooit
-uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt,
-zijne lieden moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange
-dolken. Het zwaard is de aanklager, het schild is de aangeklaagde, en
-de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen wij Hooglandsche justitie."
-
-Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet
-veel lust om zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken,
-te bezoeken.
-
-»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen," vervolgde Jarvie,
-»omdat ze ons genoegzaam bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland
-bij Engelschen en vreemden zwart te maken en zijne maagschap te
-vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt."
-
-»Welzeker!" antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid,
-maar wezenlijk belang noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het
-mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik u om meer inlichtingen
-verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene
-landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man,
-wiens ervaring en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal
-kunnen zijn."
-
-Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.--»Wat ervaring
-betreft?" hernam Jarvie. »Ja, ervaring kan men mij zeker niet
-ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek gedaan. Andries
-Wylie, vroeger bij mij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp.,
-maar komt wel eens 's Zaterdagmiddags hier, om een slokje te drinken
-bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen wever
-laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een
-ouden handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd
-ook niet. Ja, ik heb er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor
-den hertog van Argyle te laten schijnen of voor zijn broeder, Lord
-Hay,--waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!--Maar zulke
-voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.--Wat
-zou een arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den
-persoon, die iets zegt, dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel
-jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van hem spreken. Immers staat er
-geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer: de vogelen
-des hemels zouden het overbrengen."
-
-Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen
-de noodige of liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn
-woorden dus maar af door de verzekering, dat hij Owen en mij volkomen
-vertrouwen kon.
-
-»Neen," antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees
-niemand. Waarom zou ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als
-hoogverraad zou kunnen beschouwd worden. Maar de Hooglanders hebben
-lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft, om
-dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten
-liefst in goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo
-mijne eigen opmerkingen heb gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit
-de eenige menschelijke kennis is, welke zich stellig laat bewijzen."
-
-Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en
-Jarvie vervolgde: »Dat Hoogland is eene woeste streek vol heuvels,
-bosschen, holen, meren, rivieren en bergen; ja, waarachtig! De
-duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen wilde
-vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel
-beter zijn of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en
-dertig kerspelen wezen, Of zij daar allen Gaelisch spreken of niet,
-kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw,
-geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig
-op achthonderd menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar,
-en ik tel er dan een vijfde bij voor kinderen van negen jaar, dan
-bedraagt de gansche bevolking...."
-
-»Juist 220,800 zielen," viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn
-schik was met deze statistiek.
-
-»Precies en vlug uitgerekend!" zeide Jarvie. »En daar in het Hoogland
-elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen draagt,
-hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar
-nu moet gij in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid
-is, dat landbouw, veeteelt, visscherij en andere eerlijke bedrijven
-niet aan de helft van het volk werk verschaffen, al arbeidt het ook
-nog zoo traag--en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spade
-gloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen
-bedraagt nu...."
-
-»Juist 110,400, als de helft van de geheele som."
-
-»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze
-laatste helft mogen nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die
-tot den wapenhandel bekwaam zijn en ook de wapens dragen. Zij denken
-er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen, al konden zij
-dat ook, maar zij kunnen het niet eens."
-
-»Hoe is het mogelijk!" viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad
-een treurige toestand zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der
-Britsche eilanden!"
-
-»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is," hernam
-Jarvie. »Wanneer ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen
-behoeft--wat in zulk een armzalig land reeds veel is--en tevens
-weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal koeien,
-dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van
-zes zielen, of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen,
-die arbeiden en zich daarvoor desnoods met zure melk en haverbrei
-voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven, weet geen mensch!"
-
-»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien
-toestand denkt!" riep ik uit.
-
-»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid
-leefdet!" antwoordde Jarvie. »Neem zelfs aan, dat de helft van hen
-nu en dan in de Laaglanden het een of ander vindt, waarmede zij zich
-kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi- en
-oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden,
-ja duizenden Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden
-en ook geen gebrek willen lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost
-en inwoning vinden, of ook wel daarvan leven, dat zij doen wat het
-hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht zijn. Vele
-honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat
-te halen is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is
-toch maar erg in een Christenland. En wat nog wel het allerergste is,
-zij zijn er trotsch op en achten het een dappere daad, als zij eene
-kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij zich
-gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen
-dagloon te arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij
-bevelen het stelen. Zij rooven wel niet zelf, maar verbieden het
-ook niet, en verleenen den dief bescherming en schuilplaatsen in
-hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is. Elk
-Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne
-»clan", zoo als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of,
-wat hetzelfde is, zoo vele als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke
-wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven zij met geweer en pistolen,
-met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra het den
-»heer" slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben
-zij het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij
-eene plaag voor hunne vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier
-in West-Schotland."
-
-»En is die neef van u," vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een
-van die »heeren", welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?"
-
-»Neen," hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als
-men hen noemt. Hij is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne
-familie. Hij is, zooals ik gezegd heb, een bloedverwant van mij. Want
-ons bloed is edel Hooglandsch bloed.--Hierop laat ik mij, zoo als
-gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent
-niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader,
-aan mijn vader zaliger, de hemel zij hem genadig!--allen beginnende;
-»waarde Jarvie!" en eindigende »uw liefhebbende neef." Zij handelden
-meestal over geleend geld--zoodat mijn vader, die heel voorzichtig
-was,--ze steeds bewaarde."
-
-»Maar al is hij dan," viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen,
-van wie ik zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij
-in elk geval toch in het Hoogland zeer veel invloed?"
-
-»Dat zou ik meenen!" zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent
-hem. Robbert was eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man,
-zoo als men er onder tien duizend geen beter zou hebben kunnen
-vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en in zijne
-bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in
-den gordel, wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde
-met een dozijn wakkere knapen, even ruw en woest, als de dieren die
-zij dreven. In den handel was Robbert steeds beleefd en eerlijk, en
-als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht had,
-gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij
-wel eens op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen."
-
-»Vijf en twintig procent!" riep Owen uit; »een zwaar disconto!"
-
-»Ja, die gaf hij terug," hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij
-begreep, dat de kooper een behoeftig man was, die volstrekt geen
-verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke tijden, en Robbert
-waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem
-honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een
-rijke buurman, vielen als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men
-zegt zelfs, dat men zijne vrouw het huis uitgeworpen en daarenboven
-schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak! Zie, ik
-ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had
-iemand mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt,
-dat zij Robbert's vrouw mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat
-ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde zwaard aan te gorden,
-dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt
-heeft. Toen Robbert te huis kwam--och arme! vond hij verwoesting,
-waar hij overvloed had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar
-het westen, naar alle kanten heen, maar vond nergens toevlucht, nergens
-troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts diep in de oogen, gespte
-het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons verloren!"
-
-Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goeden
-Jarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap
-met dien Hooglander heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij
-openlijk diens stamboom scheen te verachten. Van den vriend in welvaart
-sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne deelneming aan zijne
-rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker maakte.
-
-»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht
-werd,"--begon ik, toen Jarvie zweeg--»werd hij vermoedelijk een van
-die roovers, die gij ons zoo even afgeschilderd hebt?"
-
-»Neen, zoo slecht werd hij niet," hernam Jarvie, »zoo slecht niet;
-maar hij ging aan het heffen van »de zwarte belasting [9]. Ja, hij
-dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te
-voren gewaagd had."
-
-»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?" vroeg ik.
-
-»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem
-blind volgden. Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam,
-die het lang tegen den Koning, het Parlement, en zelfs tegen de Kerk
-heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe men hem ook vernederd
-heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen
-hooren.--Nu, wat ik ook zeggen wilde--ja, Robbert had weldra vele
-dappere metgezellen; en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen
-van het Hoogland zoo vele plunderingen en rooverijen gepleegd werden,
-zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch voor elke
-honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou
-houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan
-zelfs een enkelen spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar
-Robbert daarvan kennis geven, en die bezorgde hun het gestolene terug,
-of betaalde de volle waarde. En hij hield steeds getrouw woord--ja,
-dat moet ieder erkennen--Robbert houdt altijd woord."
-
-»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!" hernam
-Jarvie; »dergelijke heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk
-strafbaar. Maar wanneer de wet mijne schuren en mijn stal niet kan
-beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch akkoordje met een
-Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop."
-
-»Maar is dat contract van assurantie," vroeg ik, »zoo als de heer Owen
-het noemt, volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt
-dan, wanneer iemand weigert zich aan die belasting te onderwerpen."
-
-»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!" zei Jarvie lachend,
-terwijl hij den vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker
-iederen vriend, met Robbert zulk een akkoordje te maken; hij zal er
-zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam zijn als men wil,
-in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst
-waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zich met die
-gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar
-in den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare
-schade, dat zij dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee
-gestolen werd, en nu achten de meesten het raadzaam, met Robbert zulk
-een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten meent hij
-het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den
-duivel te doen."
-
-»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten
-min of meer verkorven?"
-
-»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt," hernam Jarvie. »Zijn
-hals zou wel ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig
-konden worden. Maar Robbert heeft zeer vele goede vrienden onder de
-grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke familie kunnen noemen,
-die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen te doen
-zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door
-zoo menig dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek
-zou kunnen schrijven, even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol
-van stoute daden en wonderbare reddingen, zoo als men des winteravonds
-gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling is het toch:
-ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want
-mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen
-op het stadhuis, waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand
-sprak, zelfs zijne vrouw, mijne lieve moeder niet. Maar gelooft gij
-wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren aan die koene
-avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is,
-soms liever hoor dan een stichtelijk woord--de Heere vergeve mij de
-zonde! Toch zijn het ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien
-strijdig met Gods woord en wet."
-
-Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed
-Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?--»Gij moet weten." vervolgde
-Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders--ik spreek hier
-immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding--sedert
-het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen
-werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe
-gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig
-duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin
-Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne
-onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo
-hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet
-in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden
-rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen
-kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden
-gekomen--doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in
-het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet
-meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij
-best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg,
-en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen
-samenfluiten kan, welke allen zijn wil volbrengen--waarachtig, zoo
-iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter
-leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet
-een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden,
-even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat
-gebeurt eer er nog één jaar verloopen is.
-
-»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders
-zaak daarmede te maken heeft."
-
-»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen," vervolgde
-Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste
-Hooglanders--want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van
-hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij
-de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden
-en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men
-dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft
-ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge
-Osbaldistone waren geweest--ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer
-Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van
-mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu,
-nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar
-ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een
-handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh
-zelf geweest, of ten minste een van uwe neven--die zijn toch allen
-van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de
-regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is
-echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt,
-tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk
-niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En
-Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan
-en redden kon door den arm der justitie."
-
-»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie," zeide ik. »Ik ben
-dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken..."
-
-»Gij hebt het vermoed?" hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar
-het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben,
-welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat
-uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig
-jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel
-beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten
-van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor
-wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden
-overal een schier onbepaald crediet. Want--ik zeg het den heer Owen,
-zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug--geen kantoor
-was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo,
-tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche
-heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet,
-maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig
-op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk de meeste hunner wissels
-disconteeren. Op deze wijze.... merkt gij dan niet, waar ik heen wil?"
-
-Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.
-
-»Welnu," vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de
-Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die
-hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang
-doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het
-u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde
-kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de
-wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo
-uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?"
-
-Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste
-mij.--»Gelooft gij dan," zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit
-ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders
-te bespoedigen?"
-
-»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest," hernam
-Jarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is
-nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig
-beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste
-wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft
-medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne
-pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er
-contanten voor wilden geven--ik heb dat uit de derde hand. Maar die
-sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun
-innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om
-honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in
-Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was
-hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig
-gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij
-wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan
-den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen
-is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof
-zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden."
-
-»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?" vroeg ik. »Is
-hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht
-om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave,
-die de ontwerpen van zijne partij zou schaden."
-
-»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen," hernam Jarvie. »De
-grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen
-denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij
-op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden,
-dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane
-aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen
-het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper
-beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het
-voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was,
-zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in
-zijne benarde omstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets,
-wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier."
-
-»Een boos dier?" vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?"
-
-»Robberts vrouw," hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van
-een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt
-niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor
-koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij
-willen ophangen."
-
-»Vreemd," merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche
-burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking
-moeten staan."
-
-»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!" hernam Jarvie. »Dat
-zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze
-Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van
-Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te
-betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke
-vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?"
-
-»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst
-bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest."
-
-»Dat zou ik denken!" zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds
-verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als
-men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals
-over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs
-te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat
-ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie
-dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook
-slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam
-kleinood in onze dagen in waarde houden."
-
-»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde
-te gaan," hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou,
-dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting
-geëvenredigd zijn."
-
-»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te
-vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen
-is," zeide Owen.
-
-»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met
-mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar
-beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen
-der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de
-rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat
-gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig
-hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt
-hebben--en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade's-Land; John
-Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen
-zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal
-zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere
-zekerheid verlangen."
-
-Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden
-hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij
-zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren
-terugkrijgen zouden.
-
-»Wanhoop niet, mijn goede man!" vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo
-veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf
-en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn
-overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan
-wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te
-paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte,
-en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik
-niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem
-en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb
-ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost,
-al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker
-wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben
-mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er
-voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden
-wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de
-wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een
-van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert
-gebannen--ik wil hun dat in het gezicht zeggen--welnu, dan bestaan er
-thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap
-te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene
-Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!"
-
-Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur
-vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch,
-om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje
-vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk
-tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en
-tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat
-hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche
-avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn
-over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon
-aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van
-zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen.
-
-Gretig nam ik dus Jarvie's aanbod aan, om hem den volgenden morgen te
-vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn
-voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om
-tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas
-te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen
-nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al
-wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken
-van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die
-ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne
-herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijk afscheid van den
-ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik
-gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij
-te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de
-laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVII.
-
-
- Geen struik, geen plant.
- Slechts roestig bruin, is d'aarde.
- Geen bij, die 'k honig zaam'len zag;
- Geen duif, die ik ontwaarde.
- Geen stroom, die lieflijk ruischt,
- Geen wind, die door 't geboomte suist.
-
- (Voorspelling van hongersnood.)
-
-
-Koel was het op dien herfstmorgen, toen ik Andries, zoo als ik hem
-gelast had, met de paarden voor Jarvie's woning vond, vlak in de
-nabijheid van mijn logement. Op het eerste gezicht bemerkte ik,
-dat Andries zijn slecht paard, het edelmoedige geschenk van zijn
-rechtsgeleerden vriend, voor een nog veel ellendiger knol verruild had,
-die slechts op drie beenen liep, en het vierde in de hoogte hield.
-
-»Wat moet dat beduiden?" vroeg ik misnoegd. »Waar is het andere paard?"
-
-»Ik heb het verkocht, mijnheer; het was zulk een vraatzuchtig dier,
-dat het zich in de herberg zelf zou opgevreten hebben. Dit heb ik
-voor uwe rekening gekocht, en het is een koopje. Elke poot kost een
-pond sterling, dat is, sumarum sumorum, netto vier pond. Weliswaar
-een beetje stijf als het van stal komt;--dat zal echter gauw slijten
-en het is een bekende harddraver."
-
-»Waarlijk," zei ik, »gij zult niet rusten tot ik u een flink pak
-slaag gegeven heb. Ga dadelijk het andere paard halen, of het zal je
-berouwen!" Maar Andries stoorde zich noch aan mijn bevel, noch aan
-mijne bedreigingen. Hij beweerde, dat hij den kooper van zijn paard
-ten minste eene guinje rouwkoop zou moeten geven. Ik merkte weer,
-dat ik met een bedrieger te doen had. Ik besloot echter als een echt
-Engelschman, geen tijd te verliezen, maar het geld te betalen. Daar
-zag ik Jarvie uit zijne woning treden. Hij was in zijn reismantel
-gebakerd, als of het een tocht naar Siberië gold. Onder geleide van
-zijne Mathilde brachten twee leerjongens het flinke paard voor, dat
-bij zulke gelegenheden gewoon was, den eerzamen heer te dragen. Vóór
-dat hij zich in den zadel zette, vroeg hij naar de oorzaak van den
-twist tusschen mij en mijn knecht. Toen ik hem de zaak had verteld,
-riep hij den weerspannigen Andries toe, het paard onverwijld terug
-te bezorgen, onder bedreiging, als hij zich langer verzette, hem in
-de gevangenis te zetten, en de helft van zijn loon als boete te doen
-betalen. »Mijnheer Osbaldistone," zeide hij, »heeft u en uw paard
-gehuurd, twee beesten tegelijk. Vooruit, ik zal u onderweg op de
-vingers zien! Gauw wat, mannetje!"
-
-»Hoe! gij wilt mij beboeten?" zeide Andries stoutmoedig. »Ik bezit
-immers geen duit. Ge zoudt even goed een Hooglander zijn broek kunnen
-ontnemen."
-
-»Genoeg, praatjes! Zoo gemakkelijk laat de justitie zich niet
-afschepen. Wie geen geld heeft, betaalt met zijn rug: dat staat
-vast," hernam Jarvie. »Op de eene of andere wijze zullen wij met u
-wel afrekenen."
-
-Er bleef voor Andries niets over dan te gehoorzamen. Hij mompelde
-slechts tusschen de tanden; »al te veel heeren! al te veel heeren! zei
-het veld tot de egge, toen al de pennen haar staken."
-
-Hij had blijkbaar weinig moeite, om weder in het bezit van zijn
-verkocht paard te geraken, want een paar minuten daarna keerde hij
-op zijn ouden Bucephaal terug. Van den rouwkoop werd zelfs geen enkel
-woord gerept.
-
-Wij begaven ons nu op weg, maar nauwelijks waren wij aan
-den hoek van de straat, of wij hoorden achter ons luidkeels:
-»halt! halt!" roepen. Jarvie's beide leerjongens haalden ons in. De
-een stelde zijn heer, uit naam van Matje, een zijden doek ter hand,
-met hare aanbeveling, dien toch vooral om den hals te slaan, terwijl
-de ander hem, ook uit naam van Matje, onder een schalkschen glimlach,
-waarschuwde, toch met water drinken voorzichtig te zijn.--»Ei
-wat!" zeide Jarvie, »laat zij daaromtrent maar gerust wezen." Maar
-zich tot mij wendend zeide hij: »het is toch een bewijs van een goed
-hart, van eene hartelijke zorg voor haar heer, niet waar? Ja, ja,
-mijn Matje is een best meisje, zoo zorgzaam en trouw!"
-
-Met die woorden gaf hij zijn paard de sporen, en zonder verder
-opgehouden te worden, geraakten wij buiten de stad. Terwijl wij
-langs den straatweg in matigen draf voortreden, had ik gelegenheid,
-de voortreffelijke eigenschappen van mijn nieuwen vriend nog nader
-te leeren kennen en waardeeren. Weliswaar beschouwde hij, even als
-mijn vader, den handel als de gewichtigste bestemming van den mensch,
-maar hij was tevens onbevooroordeeld genoeg, om ook de waarde van
-andere algemeene kennis op prijs te stellen. Niettegenstaande zijne
-zonderlinge grillen, zijn ongemanierd gedrag, zijne ijdelheid,
-die juist dan het grappigst was, wanneer hij ze onder den sluier
-der nederigheid verborg, ja, ondanks zijn volslagen gebrek aan
-wetenschappelijke vorming, liet Jarvie in den loop van het gesprek
-helder oordeel, juiste inzichten en vlug begrip blijken, meer dan
-men van hem verwacht zou hebben.
-
-Met de oudheden van het land was hij goed bekend. Hij wist mij
-aangenaam bezig te houden met het verhalen van gebeurtenissen, die in
-de oorden, welke wij doortrokken, voorgevallen waren. Ook in de oudere
-geschiedenis van zijne geboorteplaats was hij vrij goed te huis. En
-hij zag met het vooruitziend oog van een schranderen vaderlander reeds
-zeer vele voordeelen in kiemen, die later tot bloei en rijpheid gekomen
-zijn. Ofschoon een echt Schot en uiterst bezorgd voor den roem en de
-eer van zijn vaderland, koesterde hij toch geen bekrompen denkbeelden
-en kinderachtige vooroordeelen omtrent het naburige land. Dit merkte
-ik met genoegen; toen Andries dan ook het verlies van een hoefijzer
-aan den alles bedervenden invloed der Unie toeschreef, kreeg hij een
-scherpe vermaning.
-
-»Zwijg!" riep hij; »wie zoo spreekt, lastert en hitst buren tegen
-buren, volken tegen volken op. Niets ter wereld is volmaakt, dat
-geldt ook van de Unie. Niemand was sterker tegen de Unie, dan onze
-Glasgowers. Hun razen en tieren was toen misschien goed. Maar ik zou
-wel eens willen weten, of er, sinds den tijd, toen St. Mungo haringen
-in de Clyde ving, wel iets geweest is, dat ons zoo veel voordeel heeft
-aangebracht als de handel in suiker en tabak? En heb ik gelijk, dan
-heeft ieder ongelijk, die het verdrag afkeurt, dat ons den weg naar
-West-Indië geopend heeft."
-
-Andries Fairservice, wilde dit niet toestemmen. Ja, hij waagde het
-grommend daartegen te protesteeren. »Het was een groote verandering
-voor Schotland," zeide hij, »dat 's lands wetten nu in Engeland
-gemaakt werden. Wat hem betrof, hij zou om alle haringen in Glasgow
-en om alle tabaksvaten bovendien, nooit zijne toestemming verleend
-hebben tot het afschaffen van het Schotsche Parlement, of het zenden
-van de Schotsche kroon en schepter naar Engeland, om bewaakt te worden
-door die Engelsche kerels in den Tower te Londen ... Wat zouden Sir
-William Wallace, of de oude David Lindsay wel van die mooie Unie gezegd
-hebben?" vroeg hij. Jarvie gaf geen verder antwoord. Hij hield niet
-van Andries.
-
-Wij kwamen op eene uitgestrekte vlakte, die steeds woester werd,
-naarmate wij ons van Glasgow verwijderden. Eindelijk zagen wij rondom
-ons niets dan groote, eenzame, hopeloos kale heiden, die nu en dan
-afgewisseld door moerassen, met een bedriegelijk groen overdekt, uit
-zwarte veengronden bestaande, of door kleine eentoonige hoogten, die
-den naam van heuvel niet verdienden. Geen boom, geen struikgewas gaf
-eenige afwisseling. Het oog werd moede door het eenvormige van dezen
-onvruchtbaren bodem, waar slechts hier en daar een enkel heidebloempje
-opschoot. Wij zagen geen ander levend schepsel, dan somwijlen eenige
-ronddolende schapen van eene bonte kleur, meestal met pikzwarten kop en
-pooten. Zelfs de vogels schenen deze woestenij te vermijden, trouwens,
-geen wonder, daar zij ze zoo gemakkelijk ontvluchten konden. Ik hoorde
-niets dan het eentonig geluid van den kemphaan en den kievit. Toch
-bleek bij ons middagmaal, dat wij in eene armzalige kroeg namen, dat
-hier en daar andere dieren rondzwierven. De waardin dischte ons de
-opbrengst der laatste jacht van haar man op, en deze bestond uit eenige
-korhoenders en ander soortgelijk wild. Daarbij kregen wij schapenkaas,
-gedroogden zalm, haverbrood, slecht bier en uitmuntenden brandewijn,
-terwijl onze paarden goed verzorgd werden.
-
-Een korte poos bleven wij daar. Toen vervolgden wij onze reis. De
-versterking, welke ons middagmaal mij gaf, diende ook een weinig,
-om een aanval van neerslachtigheid af te wenden, die mij ongemerkt
-bekroop, toen ik de zonderlinge onzekerheid van mijn avontuur en het
-woeste oord naging, waardoor heen het mij voerde. Onze weg werd al
-akeliger. De weinige ellendige hutten, die nog eenige sporen van
-menschelijke bewoning verrieden, werden zeldzamer, en verdwenen
-eindelijk geheel en al, naarmate het terrein zacht hellend opwaarts
-liep. Gedachteloos reed ik voort, toen opeens een bocht van den
-weg ons eene reeks donkerblauwe bergen deed aanschouwen, die zich
-noordwestelijk in de verte uitstrekten. De toppen dezer bergen
-waren schilderachtiger dan de kale en wanstaltige heuvels, welke
-wij tot dusver gezien hadden. Ik deed mijn geleider verscheidene
-vragen omtrent de namen en de ligging van die zonderlinge bergen;
-maar hij scheen er òf niets van te weten, òf geen lust te hebben,
-om mij er veel van mede te deelen.
-
-»Ja, kort gezegd, dat zijn de Hooglandsche bergen," antwoordde hij;
-»ge zult nog genoeg daarvan zien en hooren, eer gij weder te Glasgow
-komt. Ik wil er niet naar zien. Ik ril als ik ze zie. Vrees is dat
-niet--neen, geene vrees, maar medelijden met de arme, verblinde,
-half verhongerende menschen, die daar wonen. En vraag mij nu niets
-meer. Het is niet goed over de Hooglanders te spreken, als men zoo
-dicht bij hunne grenzen is. Menigen eerlijken kerel heb ik gekend,
-die zulk een reisje niet zou ondernomen hebben, zonder vooraf zijn
-testament te maken. Mijn Matje had er ook vrij wat tegen, dat ik mij
-zoo noodeloos ging wagen. Zij schreide zelfs; maar aan dat oor ben
-ik doof, want vrouwen hebben hare tranen altijd gereed."
-
-Ik wilde het gesprek weder op den man brengen, dien wij bezoeken
-wilden. Maar Jarvie was ook aan dat oor doof, misschien wel
-voornamelijk daarom, omdat Andries zoo dicht bij ons was, dat hij
-elk woord kon opvangen en zich ook de vrijheid veroorloofde, telkens
-deel aan ons gesprek te nemen. Eindelijk begon dit Jarvie te vervelen,
-die hem toeriep: »Blijf achter ons kerel, zoo al u betaamt. Ge wilt u
-overal mee bemoeien. Blijf dáár, waar ge t'huis behoort, zeg ik!" Toen
-nu Andries niet meer hooren kon, wendde Jarvie zich weder tot mij
-en zeide: »Het staat u zeker vrij mij zooveel te vragen als gij
-verkiest, mijnheer Osbaldistone, maar mij staat het evenzeer vrij u
-al of niet te antwoorden. Veel goeds kan ik van Robbert niet zeggen,
-en kwaad wil ik van hem niet spreken. Hij is nu eenmaal mijn neef;
-daarbij zijn wij thans dicht bij zijn landstreek, en achter elken
-struik kon een van zijne lieden op den loer liggen. Laat u door mij
-raden; hoe minder gij over hem spreekt, hoe minder gij laat blijken,
-waarheen wij gaan, of wat wij doen willen, des te meer hoop mogen wij
-koesteren, onze zaken spoedig in orde te brengen. Want het zou ook
-wel kunnen gebeuren, dat wij onder vijanden van hem vielen--hij heeft
-vele vijanden. Toch zit zijn hoofd nog vrij vast op zijne schouders,
-hoewel ik bijna begin te gelooven, dat zij het hem eindelijk te benauwd
-zullen maken en hij voor hen zal moeten zwichten; de rat loopt eens
-in den val, is het niet vroeg, dan laat."
-
-»Ik zal mij geheel door uwe meerdere ondervinding laten leiden,"
-antwoordde ik.
-
-»Daaraan zult gij zeer verstandig doen, mijnheer Osbaldistone. Doch
-dien babbelaar daar moet ik den mond snoeren. Andries! Andries! hoe
-heet ge ook? Kom eens hier!"
-
-Maar Andries, die sedert de laatste ernstige vermaning ver
-achtergebleven was, kwam slechts stapvoets en brommende bij ons.
-
-»Andries! Schelm! Hier!" riep weêr de heer Jarvie.
-
-»Hier!" zeide hij. »Zoo roept men een hond!"
-
-»Ik zal je als een hond behandelen, als je niet let op hetgeen ik je
-zeg!--We gaan nu naar de Hooglanden...."
-
-»Dat dacht ik al...."
-
-»Zwijg, zeg ik! We gaan naar de Hooglanden...."
-
-»Dat hebt ge al gezegd," hernam Andries.
-
-»Houd je mond, zeg ik, of...."
-
-»Mond houden?" herhaalde Andries. »Ge hebt...." Hier kwam ik
-tusschenbeide en gebood hem te zwijgen.
-
-»Ik zwijg immers al lang," hernam Andries. »Wat gij mij beveelt doe
-ik zonder tegenspreken. Mijne lieve overledene moeder zeide altijd:
-»kind, wie geld heeft, kan bevelen, en dan gehoorzaamt men gaarne
-het geld." Dus praat maar toe, alle beide!"
-
-»Hoor eens, Andries," viel Jarvie hem in de rede. »Is uw leven
-u lief--hoewel het misschien niet veel waard is--denk dan aan
-hetgeen ik u thans zeg! De herberg, waarheen wij thans gaan, en
-waar wij waarschijnlijk den nacht zullen doorbrengen, wordt vrij
-druk door lieden van al de clans bezocht, uit het Hoogland en uit de
-Laaglanden. Daar ziet men meer bloote dolken dan open bijbels; vooral
-als de drank de hoofden warm maakt. Bemoei u met niets. Beleedig
-niemand met uwe veel te vlugge tong. Houd u stil en laat elk zijn
-twist zelf beslechten."
-
-»Nu, was dat de moeite waard, mij dat onder het oog te
-brengen!" antwoordde Andries minachtend. »Alsof ik nog nooit
-Hooglanders gezien had, en niet wist hoe men met hen moet omgaan! Wees
-maar gerust: ik ken hen beter dan gij. Ik heb van hen gekocht, aan
-hen verkocht, met hen gegeten, met hen gedronken...."
-
-»Misschien ook met hen gevochten?" vroeg Jarvie.
-
-»Dat niet! Waarachtig niet!" antwoordde Andries. »Daarvoor heb ik
-mij wel gewacht. Bovendien, daar ik een kunstkenner, een halve
-geleerde in mijn vak ben, past het niet, met lieden te vechten,
-die geen enkele plant of bloem in het Schotsch weten te noemen,
-veel minder in het Latijn."
-
-»Best, maar hoor eens, wilt gij de tong in uw mond en de ooren aan uw
-hoofd behouden,--want gij zoudt onder dat woeste volk zeer licht het
-een en het ander kwijt kunnen raken--spreek dan geen enkel woord,
-hetzij ten goede, hetzij ten kwade, met iemand, dien gij in de
-herberg mocht aantreffen. En wees vooral bedacht, dat gij daar noch
-mijn naam, noch dien van uw meester noemt. Het kon u eens invallen
-te gaan pochen en te roepen: die daar is de heer Nikolaas Jarvie,
-lid van den stedelijken raad van Glasgow, zoon van den ouden Nikolaas
-Jarvie, voorheen wijkmeester en ook lid van den stedelijken raad,
-een man bij oud en jong met roem bekend en bij allen bemind; die
-andere heer is de heer Frans Osbaldistone, zoon van het hoofd van
-het beroemde kantoor Osbaldistone en Tresham in Londen."
-
-»Houd maar op! Al genoeg!" riep Andries. »Denkt ge dat ik uwe namen
-noemen zal, zoo lang het niet noodig is? Ik heb wel over wat anders,
-van veel meer belang te spreken."
-
-»Daar hebt ge 't al--weergaasche snapper! Gij hebt over niets, noch
-over het een, noch over het ander te spreken, maar u stil te houden,
-stil als eene muis, hoort gij!"
-
-»Wel mijnheer, als gij meent, dat ik niet in staat ben om te spreken
-of te zwijgen, waar ik spreken of zwijgen moet," hernam Andries, »geef
-mij dan mijn loon en kostgeld, en ik keer naar Glasgow terug. Het
-scheiden zal mij niet moeilijk vallen, zei de oude merrie tegen den
-gebroken wagen."
-
-Ik vreesde dat de lastige onhandelbaarheid van den tuinman aanleiding
-tot nieuwe onaangenaamheden zou geven. Ik zeide dus, dat hij, als
-hij het goedvond, terug kon keeren, maar dan geen enkelen duit voor
-zijn dienst ontvangen zoude. Zulke geldbeurs-argumenten, hebben bij de
-meeste menschen nog al invloed en gewicht. Onze Andries maakte in dit
-opzicht geen uitzondering op de meeste menschen. Hij begon terstond
-op een anderen toon te praten, betuigde, dat hij geenszins voornemens
-was, mijn misnoegen tegen zich op te wekken, maar integendeel in
-alles aan mijne bevelen te gehoorzamen.
-
-Zoo was de vrede weer hersteld. Wij vervolgden onzen weg, bergaf,
-door een oord, dat noch vruchtbaarder, noch bekoorlijker was dan dat,
-hetwelk reeds achter ons lag. Slechts nu en dan bracht het gezicht van
-een uit den achtergrond oprijzenden bergtop eenige afwisseling. Zonder
-stoornis reden wij verder, maar toen de avond begon te vallen en
-deze woeste streken in schaduw begon te hullen, bevonden wij ons,
-volgens de verzekering van den heer Jarvie, nog meer dan een uur
-gaans van onze herberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVIII.
-
-
- O, gij, baron van Kalen!
- Jou zal de drommel halen,
- En jou tot korrels malen!
- Jij hebt hier een mooi kasteel in de stad?
- Geen mensch en geen beest vreet er ooit zich zat,
- En men vindt er niet eens een stoel voor zijn g....
-
- Schotsch liedje.
-
-
-De avond was wezenlijk mooi. Bij het heldere maanlicht deed de streek
-zich veel gunstiger voor dan bij dag. Het ineensmelten van licht
-en schaduw gaf aan de woestenij iets bekoorlijks, wat ze anders
-eigenlijk geheel miste. Even als een sluier, over een alledaagsch
-vrouwengelaat, wekte het nieuwsgierigheid naar iets, dat op zich zelf
-niet belangwekkend was.
-
-De weg liep nog steeds naar beneden, en voerde ons van de heivlakte af
-naar kloven met steile randen en, na vele krommingen, naar den oever
-eener rivier, die veel meer naar de stroomen van mijn vaderland geleek,
-dan naar die, welke ik tot dusver in Schotland gezien had. Het was een
-smal, diep, stil water, ofschoon het flauwe licht, dat over de kale
-oppervlakte scheen, ons tegelijk aan beide zijden de hooge gebergten,
-waaruit het ontstond, deed bemerken.
-
-»Dat is de Forth!" zeide Jarvie op den eerbiedigen toon, waarop de
-Schotten doorgaans van hunne voornaamste rivieren spreken. De Clyde,
-de Tweed, de Forth, de Spey worden door hen, die aan de oevers daarvan
-wonen, steeds met zekeren trots en fierheid genoemd. Zelfs heb ik
-gezien, dat een enkel woord van minachting tweegevechten ten gevolge
-had. Wie zou deze onschuldige geestdrift willen afkeuren! Gaarne
-beantwoordde ik dus den uitroep van mijn vriend met dezelfde levendige
-belangstelling, die hij had laten blijken. Inderdaad was ik ook blij,
-na zulk een vervelenden tocht, eindelijk in een streek te komen,
-die afwisseling bood en den geest bezig hield.
-
-Mijn getrouwe schildknaap Andries scheen geenszins van dat gevoelen te
-zijn. De plechtige aankondiging: »dat is de Forth!" beantwoordde hij
-met een tamelijk onverschillig »hm!" als wilde hij te kennen geven, dat
-het gezicht van de herberg hem oneindig meer welkom zou geweest zijn.
-
-Inderdaad, de rivier verdiende, voor zoo ver ik bij het flauwe licht
-dat over haar gespreid lag, het kon beoordeelen, die bewondering,
-die haar geschonken werd. Een schoone, ronde heuvel, bekleed met
-kreupelhout van hazelnootboomen, esschen, dwergeiken, waartusschen
-eenige statige boomen met hunne trotsche kruinen in het maanlicht
-uitstaken, beschermde als het ware de bron der rivier. Volgens
-het verhaal van mijn reismakker, dat hij met gedempte stem deed,
-hoewel hij verklaarde niets te gelooven van hetgeen hij vertelde,
-bevatte deze bekoorlijke heuvel in zijne onzichtbare holen de paleizen
-der toovergodinnen, die weliswaar niet bepaald vijandinnen van het
-menschelijk geslacht zijn, doch wegens haar grilligen, wraakzuchtigen
-aard vermeden en gevreesd zijn.
-
-»Die toovergodinnen," zeide hij fluisterend, »heeten hier: »Daoine
-Schie". Naar ik mij herinner, beteekent dit: »vrouwen des vredes." Men
-meent, haar door dezen titel zich genegen te maken. En waarom zouden
-ook wij haar zoo niet noemen? Het is toch nooit raadzaam, van den
-heer des huizes binnen zijne eigen muren kwaad te spreken. Op de keper
-beschouwd, is dat, wat ik u daar vertel, natuurlijk een sprookje.--Dit
-durf ik wel ronduit verklaren," voegde hij er met eenigen nadruk bij,
-toen wij op een kleinen afstand van ons in een huis licht zagen
-schemeren.--»Wij zijn thans dicht bij de herberg van Aberfoil,"
-vervolgde hij: »daar ginder, waar dat licht brandt."
-
-Met veel genoegen vernam ik dit, niet zoozeer omdat mijn
-reisgenoot-zich nu vrijmoediger over de toovergodinnen kon uiten,
-als wel, omdat ik mij thans eenige uren rust mocht beloven, die wij,
-niet minder dan onze paarden, na zulk eene moeielijke dagreis, meer
-dan noodig hadden.
-
-Eene oude, zeer hooge, smalle steenen brug bracht ons over de Forth,
-dicht bij den oorsprong der rivier. De gewone weg uit het Hoogland
-naar Zuid-Schotland liep echter, zoo als ik van mijn reisgenoot hoorde,
-door de Forth van Firth, waar de stroom steeds zeer diep en moeielijk
-over te trekken, ja niet zelden volstrekt ondoorwaadbaar is. Van deze
-plaats tot verder oostwaarts naar de brug van Stirling, bevindt zich
-nergens een overgang. Zoo vormt dan de Forth, van hare bron tot aan
-de Firth--dat is de zeearm die haar omvangt,--eene gemakkelijk te
-verdedigen grensscheiding tusschen het Hoogland en Zuid-Schotland. De
-gebeurtenissen, waarvan ik naderhand getuige was, herinnerden mij
-vaak de aanmerking, die Jarvie, volgens zijne gewoonte, in den vorm
-van een spreekwoord maakte: »de Forth is voor de woeste Hooglanders,
-een toom, die hen in bedwang houdt."
-
-Na een korten rit aan gene zijde van de brug, bevonden wij ons
-eindelijk voor een herberg, waar wij den nacht zouden doorbrengen. Haar
-voorkomen was nog veel armzaliger dan van die, waar wij des middags
-gegeten hadden. Door de kleine vensters zagen wij echter veel licht en
-hoorden weldra ook verscheidene stemmen, wat een gul onthaal scheen
-te beloven, waaraan wij ook groote behoefte gevoelden. Intusschen
-had Andries al spoedig ontdekt, dat een dikke, afgeschilde wilgentak
-dwars vóór de half geopende deur lag. Hij bleef dralende staan en
-ried ons aan niet binnen te treden.--»Buiten twijfel zijn daar eenige
-van hunne hoofden bijeen, die in hun drinkgelag niet willen gestoord
-worden," zeide hij. »Stappen wij nu maar zoo zonder komplimenten
-binnen, dan zullen zij ons zeer zeker met een geducht pak stokslagen
-verwelkomen, of ons met hunne scherpgepunte dolken een prikje geven,
-dat ons dergelijke onwellevendheid voor altijd zou afleeren."
-
-Ik keek vragend mijn reisgenoot aan, die mij toefluisterde: »de ezel
-heeft daar een verstandig woord gesproken!"
-
-Nu kwamen er op het hooren van den hoefslag onzer paarden, eenige
-half gekleede meiden uit de herberg en de omliggende hutten. Maar
-niemand heette ons welkom; niemand gaf zich de moeite, toen wij
-afgestegen waren, om onze paarden vast te houden, en op alle onze
-vragen ontvingen wij slechts het troostelooze antwoord: »ha niel
-Sassenach!" (»kan geen Saksisch!") [10].
-
-Jarvie wist hun echter de tong los te maken en Engelsch te doen
-spreken.
-
-»Als ik u," zeide hij tegen een tienjarigen knaap in een haveloozen
-plaid, »een stuiver geef, wilt gij dan Saksisch verstaan?"
-
-»Ja, ja, dat wil ik!" antwoordde de knaap in redelijk goed Engelsch.
-
-»Nu ga dan heen, en zeg uwe moeder," vervolgde Jarvie, »dat hier een
-paar vreemde heeren zijn, die haar wenschen te spreken."
-
-Terstond daarop verscheen de waardin met een brandenden spaander in
-de hand, dien de Hooglanders van het in de turfmoerassen gevonden
-pijnboomhout snijden, en niet zelden in plaats van eene kaars of
-lamp gebruiken. De heldere vlam verlichtte de woeste gelaatstrekken
-eener bleeke, magere vrouw van buitengewone grootte, wier slordige
-en gescheurde kleeding haar ternauwernood naar behooren bedekte. Haar
-zwart haar, dat in ongekamde lokken uit hare morsige muts nederhing,
-en de zonderling verlegen blik waarmede zij ons beschouwde, gaven
-haar geheel het voorkomen eener tooverkol, die in hare werken der
-duisternis gestoord wordt. Zij weigerde bepaald ons in de herberg
-toe te laten. Vruchteloos waren al onze vertoogen. Te vergeefs
-verzekerden wij haar, dat wij en onze paarden te veel afgemat waren
-om de naastvolgende, omtrent zeven Schotsche mijlen verwijderde
-herberg nog vóór den nacht te bereiken.--»Beter verder gegaan,
-dan hier de pot verteerd!" antwoordde de onverbiddelijke waardin
-in het Nederschotsch. »Binnen zijn lieden, die niet gestoord willen
-worden door vreemdelingen. Wie zij zijn, weet ik niet. Misschien wel
-roodrokken van het garnizoen," voegde zij er zachter, doch met een
-bijzonderen nadruk bij. »Het is goed weer; laat de heide ditmaal
-uw bed zijn, dat zal uw bloed verkoelen. Slaap in uwe kleederen,"
-voegde zij er bij, »zooals een goed zwaard in de scheede. De hei is
-niet al te vochtig, als ge maar een geschikt plekje uitzoekt, en ge
-kunt gerust de paarden op den heuvel laten grazen; geen mensch zal
-het je kwalijk nemen."
-
-Terwijl Jarvie besluiteloos zuchtte, betuigde ik de waardin, dat ik
-sinds zes uren niets gegeten had, en den nacht niet hongerend in het
-gebergte kon doorbrengen. »Ik moet volstrekt onder dak,"--voegde
-ik er bij. »Zie het met uwe gasten voor ons zoo wat ten goede te
-schikken.--Beduid hun, dat twee vermoeide vreemdelingen de eer van
-hun gezelschap wenschen te genieten. Andries, zorg voor de paarden!"
-
-De oude heks staarde mij met verbazing aan.--»Nu, het zij dan
-zoo!" zeide zij eindelijk; »maar ik vrees, ik vrees, dat het u berouwen
-zal, met mijne gasten kennis gemaakt te hebben. Evenwel, wie niet naar
-goeden raad wil hooren, moet zijn eigen zin volgen! Intusschen kan
-ik wel zien, dat gij echte Engelschen zijt. De buik is uw afgod. Gij
-hebt heden eenmaal gegeten. En toch wilt gij nog liever vrijheid en
-leven wagen, dan een avondmaal missen. Maar ik wasch de handen in
-onschuld. Kom," zeide zij tegen Andries, »ik zal de plaats voor de
-paarden wijzen."
-
-Over deze uitdrukkingen der waardin, die mij een dreigend gevaar
-schenen aan te duiden, was ik min of meer onthutst. Evenwel, ik had
-haar nu eenmaal mijn besluit te kennen gegeven. Ik wilde nu niet
-angstvallig terugtreden, maar stapte moedig het huis binnen. Toen
-wij een smallen gang, waar ik mijne schenen tegen een hoop turf en
-eene vleeschkuip bijna stuk stiet, doorgegaan waren, opende ik eene
-gebrekkig uit wilgentwijgen gevlochten deur, en trad nu met Jarvie
-in de gelagkamer van deze Schotsche herberg.
-
-Hier zag het er, voor de oogen van een Engelschman, al zeer zonderling
-uit. Het vuur, dat uit turf en dorre takken bestond, brandde helder
-in het midden van het vertrek; maar de rook, die geen anderen uitweg
-had dan door een gat in het dak, bleef grootendeels in donkere wolken
-vijf of zes voet van den bodem aan de zoldering hangen. Beneden
-deze rookwolken was het echter tamelijk licht, dewijl de tocht, die
-door het jammerlijk gehavende vlechtwerk der deur en door eenige
-met lompen behangen gaten, die tot vensters dienden, als ook door
-tallooze scheuren en spleten der van steenen en turf opgetrokken
-wanden rijkelijk henendrong, de vlam van het vuur wakker aanblies.
-
-Aan eene oude eikenhouten tafel nabij het vuur zaten drie mannen. Het
-waren gasten, die men onmogelijk met een onverschillig oog beschouwen
-kon. Twee van hen waren als Hooglanders gekleed. Maar de een, een
-klein, zwartachtig mannetje, met levendige, min of meer driftige
-uitdrukking op zijne gelaatstrekken, droeg eene eng sluitende lange
-broek, »trews" genaamd, van eene fijne, wolachtige stof. Jarvie
-fluisterde mij in, dat deze man zeer zeker een persoon van eenigen rang
-moest zijn, want dat alleen aanzienlijke lieden zulke broeken droegen,
-die, naar de mode der Hooglanders, zeer moeielijk te weven waren.
-
-De andere gast was bijzonder groot en sterk gespierd, met dik rood
-haar, een gezicht vol zomersproeten, bolle wangen en eene lange kin,
-eene soort van karikatuur der eigenaardige Schotsche physionomie. Zijne
-tartan was rijk met rood gekleurd, terwijl in het gewaad van den
-anderen, zwart en donkergroen de heerschende kleuren waren. De derde
-gast, in Nederschotsch costuum, was een man van een onversaagd,
-ja, vermetel voorkomen; zijn oog en zijne houding teekenden den
-krijgsman. Sierlijk en rijk met koorden en galon was zijn reisrok
-bezet, en zijn opgetoomde hoed was van eene vervaarlijke grootte. Zijn
-kort zijdgeweer en een paar pistolen lagen voor hem op de tafel. Elk
-der beide Hooglanders had zijn ontblooten dolk naast zich in de tafel
-gestoken, wat, zoo als ik naderhand vernam, een teeken was, dat hun
-drinkgelag door geen twist mocht gestoord worden. Voor de drie gasten
-stond eene groote tinnen kan met Usquebaugh, een sterken, geestrijken
-drank, dien de Hooglanders van mout brouwen en onverdund in onmatige
-hoeveelheid zwelgen. Een gebroken glas met een houten voet, het
-eenige drinkgereedschap, waarvan zij zich gemeenschappelijk bedienden,
-ging zoo vaak rond, dat het mij, met het oog op den krachtigen drank,
-inderdaad verbaasde. Zij spraken luid en vrij levendig met elkander,
-dan eens in het Engelsch, dan weder in het Gaelisch. Een andere,
-in zijn plaid gewikkelde, Hooglander, lag uitgestrekt te slapen,
-zonder zijn hoofd op een bos stroo, en sliep, of scheen ten minste
-te slapen, zonder op hetgeen rondom hem gebeurde in het minst acht te
-slaan. Intusschen scheen hij insgelijks een der gasten te zijn, want
-hij was geheel gekleed, met zijn zwaard en schild, de gewone wapens
-der Hooglanders, wanneer zij zich op reis bevinden, naast hem. Kribben
-van onderscheidene grootte bevonden zich op eenige hoogte langs de
-wanden, sommige van oude planken, andere van slordig ineengevlochten
-wilgentwijgen, die den huisgenooten, mannen, vrouwen en kinderen,
-tot slaapplaatsen dienden, maar door de donkere rookwolken, die haar
-omringden, genoegzaam onzichtbaar waren.
-
-Wij traden het vertrek zoo stil binnen, dat de drie in hun gesprek
-geheel verdiepte drinkebroers ons gedurende eenige minuten volstrekt
-niet bemerkten. Het ontsnapte mij echter niet, dat de Hooglander, die
-op den grond, niet ver van het vuur lag, zich, toen wij binnenkwamen,
-een weinig oprichtte, op zijn elleboog leunende en het gezicht met
-zijn plaid half bedekkende, ons eenige oogenblikken aanzag en daarna
-zich weder te slapen legde.
-
-Wij begaven ons naar het vuur, dat ons, na een zoo laten rit in een
-kouden herfstavond, eene aangename verkwikking beloofde, en trokken
-nu eindelijk de opmerkzaamheid der gasten tot ons, toen wij de
-waardin riepen. Zij kwam, zag weifelend en vreesachtig dan ons dan de
-andere gasten aan, en maakte, toen wij haar verzochten ons het een
-en ander voor ons avondmaal te brengen, allerlei nietsbeduidende
-verontschuldigingen. In het eerst betuigde zij volstrekt niets
-eetbaars in huis te hebben. Toen verzekerde zij ons weder, dat zij,
-ja, wel iets had, maar dat het geenszins aan lieden van onzen stand
-kon voorgezet worden.
-
-Ik antwoordde haar, dat wij met elk gerecht, hoe gering ook, tevreden
-zouden zijn. En nadat ik naar stoelen voor ons had rondgezien, die
-echter nergens te vinden waren, bood ik Jarvie een ouden hoenderkorf
-tot zitplaats aan, en ging zelf op een gebroken tobbe zitten. Nu trad
-Andries insgelijks binnen, en plaatste zich zwijgend achter ons. De
-gasten staarden ons onafgewend aan, als had onze vrijmoedigheid hen
-min of meer in verlegenheid gebracht; en--ik ten minste--trachtte, zoo
-goed als het gelukken wilde, onder den schijn van onverschilligheid
-de heimelijke vrees te verbergen, dat wij van deze onbekende heeren
-juist niet de aangenaamste ontvangst te wachten hadden.
-
-Eindelijk keerde de kleine Hooglander zich naar mij en zeide op
-trotschen toon in zeer goed Engelsch: »naar ik merk, gedraagt gij u
-hier als of gij te huis waart."
-
-»Dat doe ik gewoonlijk als ik mij in eene herberg bevind," antwoordde
-ik.
-
-»En hebt gij dan aan den dwars voor de deur liggende wilgentak niet
-gezien, dat de herberg reeds door andere gasten bezet was?" vroeg de
-lange Hooglander.
-
-»Ik ken de gewoonten van dit land niet," hernam ik; »maar ik zou toch
-wel eens willen weten, hoe drie menschen het recht zouden hebben,
-om ieder ander reiziger van eene herberg, die de eenige binnen den
-omtrek van verscheidene mijlen is, uit te sluiten.
-
-»Daartoe heeft niemand het recht, mijne Heeren!" zeide Jarvie. »Wij
-willen niemand beleedigen. Doch niemand, wie hij ook zij, mag ons
-verdrijven. Evenwel, is eene flesch goede brandewijn in staat, om een
-einde aan deze onaangename ontvangst te maken--wij zijn vredelievend,
-en......"
-
-»Naar den Satan met uw brandewijn!" zei de Laaglander en zette zijn
-ontzaggelijk grooten hoed met eene zekere fierheid op het hoofd. »Wij
-hebben uw brandewijn evenmin noodig, als uw gezelschap."
-
-Met deze woorden sprong hij op. Zijne metgezellen volgden
-zijn. voorbeeld, mompelden tegen elkander, trokken hunne plaids op
-en snoven en bliezen, zoo als zij gewoonlijk doen, wanneer zij zich
-driftig willen maken.
-
-»Heb ik het u niet gezegd?" riep de waardin. »Weg met u uit mijn
-huis! Ik wil hier geen twist, en niemand moet ten mijnent gestoord
-worden, ten minste, zoo lang ik het beletten kan. Het zou waarlijk wat
-fraais zijn, als bij nacht en ontij de rondzwervende Engelschen zoo
-maar tegen wil en dank in de huizen mochten indringen en ordentelijke,
-vreedzame lieden storen, die in rust hun glaasje drinken!"
-
-Op een anderen tijd, zou ik mij het oude Latijnsche spreekwoord
-herinnerd hebben:
-
-
- Dat veniam corvis, vexat censura columbas.
-
-
-(De kleine dieven hangt men, de groote laat men loopen.) Maar ik had
-geen tijd, om mijne geleerdheid uit te kramen, want alles scheen
-hier op een gevecht te zullen uitloopen. Verontwaardigd over de
-ongastvrije ruwheid, waarmede men mij behandelde, was mij dit volmaakt
-onverschillig, hoewel ik medelijden met den goeden Jarvie had, die
-bij zulk eene gelegenheid zeer zeker eene zeer slechte figuur zou
-maken. Toen ik dus de andere gasten zag opstaan, sprong ik insgelijks
-op en sloeg mijn mantel terug om ter verdediging bereid te zijn.
-
-»Drie tegen drie," zei de kleine Hooglander. »Als gij dappere kerels
-zijt, trekt dan van leer!"
-
-En nu ging hij met het ontbloote zwaard op mij los. Ik had mijn
-degen getrokken en op het overwicht van mijn wapen vertrouwende,
-vreesde ik de uitkomst van het gevecht niet. Jarvie betoonde meer
-moed dan ik verwacht had. Toen hij den reusachtigen Hooglander met
-het blanke zwaard tegenover zich zag, trok hij eenige oogenblikken
-aan zijne spies, zoo als hij het noemde; maar de verroeste kling
-wilde uit zuivere getrouwheid, de scheede niet verlaten, en nu
-greep hij met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest het
-gloeiende ploegijzer, dat men in plaats van een pook gebruikte,
-en zwaaide het met zulk een goed gevolg, dat hij dadelijk den plaid
-van den Hooglander vuur deed vatten, waarop deze retireeren moest,
-ten einde zijn brandend gewaad te blusschen.
-
-Andries, die met den Laaglander had moeten kampen, was, tot mijn
-leedwezen moet ik zeggen, reeds terstond bij den aanvang van het
-gevecht heimelijk weggeslopen.--»Eerlijk spel! eerlijk spel!" riep
-zijne tegenpartij en scheen ongeneigd om thans deel aan den strijd
-te nemen. Wij waren dus weder twee tegen twee. Mijn oogmerk was,
-mijne tegenpartij, indien ik het kon, te ontwapenen; maar ik waagde
-het niet hem te na te komen, uit vrees voor zijn dolk, dien hij in de
-linkerhand hield, en waarmede hij de stooten van mijn degen afweerde.
-
-Intusschen geraakte Jarvie, in weerwil van zijn in het begin behaald
-voordeel, spoedig deerlijk in het nauw. De zwaarte van zijn wapen en
-het opbruisen van zijne drift, putten de krachten van den zwaarlijvigen
-man genoegzaam geheel uit, en hij zou zeker voor zijn vijand bezweken
-zijn, toen de slaper plotseling van den grond opsprong en zich met het
-bloote zwaard tusschen de strijders wierp.--»In Glasgow heb ik zijn
-brood gegeten, en ik vecht voor den Glasgower Jarvie--ja, dat doe ik!"
-
-En dit deed hij ook zonder dralen; want in hetzelfde oogenblik
-suisde zijn zwaard zoo duchtig om de ooren van zijn landsman,
-dat die moeite genoeg had om zich tegen dezen ongeroepen kampioen
-te verdedigen, hoewel hij--dit zij te zijner eere gezegd,--hem
-volstrekt niets schuldig bleef. Maar beiden hadden ronde, houten, met
-koperen spijkers beslagen en met leer overdekte schilden, waarmede
-zij de slagen behendig afweerden, en aldus veroorzaakte het gevecht
-eigenlijk veel meer rumoer dan wezenlijk gevaar. En inderdaad scheen
-men het er meer op toegelegd te hebben, om ons schrik aan te jagen,
-dan wel om ons eenig leed toe te brengen; want de Laaglander,
-die een tijdlang werkeloos getuige van het gevecht was geweest,
-nam al spoedig de taak van vredestichter op zich: »houdt op! houdt
-op!" riep hij; »al genoeg! al genoeg! het gaat hier immers niet op
-leven en dood! De vreemde heeren hebben getoond, dat zij moed hebben,
-en ons genoegzame voldoening gegeven. Als het er op aankomt, en men
-mij beleedigt, ben ik, zoo als gij weet, gansch niet gemakkelijk;
-maar nutteloos bloedvergieten haat ik."
-
-Natuurlijk had ik geen lust om het gevecht nog langer te doen
-voortduren; ook scheen mijne tegenpartij niet ongeneigd, om zijn zwaard
-in de schede te steken. Jarvie, die naar adem hijgde, was reeds als
-overwonnen te beschouwen, en de beide Hooglandsche kampioenen met de
-beide schilden, staakten hun gevecht even onverschillig, als zij het
-aangevangen hadden.
-
-»En nu, mijne Heeren," hernam onze vredemaker, »laat ons als
-brave kerels thans eens met elkander drinken en elkander leeren
-verdragen. Dit huis is groot genoeg voor ons allen. Hoort dus mijn
-voorstel. Deze kleine, dikke heer, die bij het gevecht wel het meest
-geleden heeft, laat eene kan brandewijn komen; ik betaal eene tweede
-kan om den vrede te bevestigen, en zoo verdrinken wij, als broeders,
-ons zakgeld."
-
-»En wie betaalt mij mijn nieuwen plaid?" vroeg de lange Hooglander. »Er
-is een gat in gebrand, zoo groot, dat men er een emmer doorheen kan
-steken. Heeft men ooit een fatsoenlijk man met een gloeiend ploegijzer
-zien vechten!"
-
-»Wees daaromtrent onbezorgd, vriend!" zeide Jarvie, die nu weder
-bij adem was, en wien het verheugde zooveel moed betoond te hebben,
-en niet genoodzaakt te zijn, nog eens een gevaarlijken en alleszins
-twijfelachtigen strijd te wagen;--»voor die wond zullen wij wel
-eene pleister vinden. Gij zult een nieuwen plaid hebben, en wel een
-allerbesten, van de kleuren van uwen clan. Zeg mij maar, waar ik het
-u uit Glasgow moet toezenden."
-
-»Ik behoef mijn clan niet te noemen," antwoordde de Hooglander: »ik
-ben van een konings-clan, en die is bekend genoeg. Maar gij kunt tot
-staal een stukje van mijn plaid krijgen; een mijner neven, een edelman,
-die eieren ter markt brengt, uit Glencroe, komt binnen kort te Glasgow,
-en die zal het dan wel bij u afhalen, als gij mij maar uwe woonplaats
-opgeeft. Maar goede man, als gij ooit weder vechten wilt, vecht dan
-toch met uw zwaard, want gij hebt er een, maar niet met ploegijzers
-of brandhouten, als een wilde Indiaan."
-
-»Nu ja," hernam Jarvie; »men moet in deze wereld wel eens van den nood
-eene deugd maken. Sedert den slag aan de Bothwel-brug heeft mijn degen
-het daglicht niet gezien; toen had mijn overleden vader hem op zijde;
-en zelfs weet ik niet recht, of hij bij die gelegenheid wel eens uit
-de scheede is geweest, want het gevecht duurde niet lang. Kortom,
-hoe het daarmede ook zij, thans zit die zoo onmanierlijk vast in de
-scheede, dat ik er hem maar volstrekt niet uit kan krijgen, en toen ik
-dat bemerkte, nam ik het eerste het beste ding, dat mij voor de hand
-kwam, en behielp mij daarmede zoo goed ik kon. Eigenlijk wil ik wel
-gelooven, dat vechten mijne zaak niet is, maar in elk geval laat ik
-mij niet ongestraft op de teenen trappen. Maar, eer ik het vergeet,
-waar is de dappere man, die mij zoo moedig verdedigde? Ik geef hem
-eene kan brandewijn; al zou het mij ook mijn laatsten stuiver kosten."
-
-Maar den kampioen, naar wien men rondzag, kon men nergens
-vinden. Terstond na den afloop van het gevecht was hij weggeslopen,
-maar aan zijne woeste gelaatstrekken en haveloos rood haar had ik in
-hem dadelijk onzen Dugald herkend, den vluchteling uit de gevangenis te
-Glasgow. Deze ontdekking deelde ik mijn reisgenoot fluisterend mede,
-en op dezelfde wijze antwoordde hij mij: »ja, ja, ik zie het wel,
-die bewuste vriend van ons had wel gelijk: Dugald is zoo dom niet. Ik
-moet er intusschen over denken, hoe ik hem dezen gewichtigen dienst
-vergelden kan."
-
-Met deze woorden ging hij zitten en riep, toen hij weder geheel op
-adem was gekomen, de waardin.--»Moedertje," zeide hij, »met genoegen
-bespeur ik, dat mijn lichaam gaaf en ongedeerd is gebleven, wat ik,
-bij het zoo even hier gebeurde, schier als een wonder beschouw--nu
-zal het, dunkt mij, het best zijn, de ledige ruimte daarin met iets
-smakelijks aan te vullen."
-
-De waardin, die zich, zoodra de storm voorbij was, ongemeen
-dienstvaardig betoonde, maakte terstond toebereidselen, om ons
-met een avondmaal te verkwikken. Niets was mij echter gedurende het
-gevecht zonderlinger voorgekomen, dan de buitengewone koelbloedigheid,
-waarmede zij en hare huisgenooten ons hadden zien vechten. »De deur
-dicht! de deur dicht!" riep zij uit al hare macht tegen de haren:
-»zij mogen doodslaan, of doodgeslagen worden, niemand komt er uit,
-voordat het gelag betaald is."--De kinderen, die in de kribben langs
-den wand sliepen, richtten zich even onverschillig op, wreven zich
-bedaard de oogen, riepen, terwijl zij hunne naakte lichamen over den
-rand der kribben bogen, half grijnzende uit: »oho! oho!" en waren
-geloof ik, eer wij den vrede gesloten hadden, ook weder ingesluimerd.
-
-Terwijl de waardin tot mijne verbazing een smakelijk gerecht van
-wildbraad voor ons gereed maakte, liet zij ons den brandewijn brengen,
-dien de Hooglanders, in weerwil van hunne vooringenomenheid met hunne
-sterke inheemsche dranken, geenszins versmaadden. Toen de eerste
-beker de ronde had gedaan, vroeg de gast uit de Laaglanden naar ons
-bedrijf en het doel van onze reis.
-
-»Wij zijn uit Glasgow," antwoordde Jarvie met geveinsde nederigheid,
-»en begeven ons naar Stirling, om daar eenige gelden te innen, die
-men ons schuldig is."
-
-Ik moet bekennen, dat ik dom genoeg was, om mij door de bescheidenheid
-waarmede Jarvie van ons sprak, min of meer boos te laten maken; maar
-ik herinnerde mij mijne belofte van te zwijgen en mijn reisgenoot
-de zorg over te laten, om onze aangelegenheden op zijne wijze
-te beredderen. Kon ik den braven man deze inschikkelijkheid
-weigeren? Immers, mij ten gevalle, had hij den langen tocht
-ondernomen. Dat hij zeer vermoeid was, zag ik aan de pijnlijke houding,
-waarmede hij zich nederzette en opstond. Bovendien was hij zelfs in
-levensgevaar geweest.
-
-De spreker der andere partij haalde snuivende den adem in en zeide
-op hoonenden toon: »gij, kooplieden uit Glasgow, hebt niets anders
-te doen, dan West-Schotland van het eene einde tot het andere door
-te trekken om brave lieden te plagen, dien het even als mij juist
-aan het noodige geld ontbreekt."
-
-»Hoor eens, wanneer onze schuldenaars zulke eerlijke lieden waren
-als gij, vriend Garschattachin," antwoordde Jarvie, »dan zouden wij
-ons de moeite van rond te reizen wel kunnen besparen; want zij zouden
-zelven tot ons komen."
-
-»Ei, ei, wat hoor ik daar!" riep de aangesprokene. »Ja, zoo waar ik
-van brood en water leef--onder dien verstande, dat ik er ook wat
-rundvleesch en brandewijn bij gebruik--gij zijt mijn oude vriend
-Nikolaas Jarvie, de beste vent dien ik ken, en die geen eerlijk man
-geld ter leen weigert op zijn woord. Denkelijk komt gij mijn kant
-uit,--de Endrick op naar Garschattachin?"
-
-»Waarlijk niet!" hernam Jarvie. »Ik heb heel iets anders te doen. Maar
-ik dacht wel dat gij meenen zoudt, dat ik wegens de verschenen renten
-van het bewuste kapitaaltje kwam."
-
-»De duivel hale de renten!" zei de laird, naar het scheen uit den
-grond van zijn hart. »Geen enkel woord meer over geldzaken tusschen
-ons beiden, daar gij thans zoo dicht bij mijne woning zijt. Het
-kleed maakt den man! dat is maar niet anders. Wie zou u, in deze
-reiskleeding herkend hebben! Wie zou vermoed hebben, dat in dien
-mallen rok de wijkmeester Jarvie zat!"
-
-»Lid van den raad, als ik u verzoeken mag!" hernam mijn
-reisgenoot. »Maar ik merk al waaruit dit misverstand zijn oorsprong
-heeft. De schuldbekentenis werd bij mijns vaders leven door u
-gepasseerd, en de brave man, zijne ziel zij bij God in den hemel, was
-wijkmeester: en voor zoo ver ik mij herinneren kan, zijn er na zijn
-dood geen renten betaald--ja, ja, daaruit ontstaat dit misverstand!"
-
-»De duivel hale het misverstand en alles, waaruit het ontstaan
-is!" zeide Duncan Galbraith van Garschattachin. »Evenwel, het
-verheugt mij, dat gij lid van den raad zijt; dat is nog al iets,
-niet waar? ten minste houdt gij het daarvoor. Kom aan, heeren, eens
-ingeschonken! Op de gezondheid van mijn voortreffelijken vriend, den
-heer Nikolaas Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow! Hem
-en zijnen zaligen vader ken ik reeds sedert twintig jaren! Nog eens,
-op den aanstaanden hoofdschout, Nikolaas Jarvie. Niemand in geheel
-Glasgow is beter tot dien post geschikt dan hij, en wie hierover anders
-denkt, die heeft met mij te doen," voegde hij er op hoogen toon bij,
-en zette met vrij wat fierheid den hoed op.
-
-De brandewijn was hoogst waarschijnlijk bij de Hooglanders de beste
-aanbeveling voor deze vleiende toosten; zij deden dan ook gaarne
-bescheid, zonder zich eenigszins om den eigenlijken inhoud daarvan
-te bekommeren.
-
-Terwijl zij zich met Galbraith in hunne landtaal onderhielden,
-die de man uit het Laagland, als hun nabuur, zeer vlug sprak,
-fluisterde Jarvie mij toe: »Ik herkende dien knaap al terstond op
-het eerste gezicht. Maar met zijn verhit bloed en ontbloot zwaard,
-dacht ik, wie weet, op welke wijze hij mij zijne schuld zou hebben
-kunnen betalen! Want het zal, vrees ik, vrij lang duren, eer hij ze
-mij op de gewone manier betaalt. Toch is hij overigens een eerlijke
-kerel en hij heeft ook een goed hart. Zelden komt hij te Glasgow,
-maar dikwerf zendt hij een ree of korhoen uit het gebergte. Ook kan
-ik het geld nog wel missen, en mijn vader, de wijkmeester, had steeds
-zeer veel op met de familie Garschattachin."
-
-Toen wij ons avondmaal geëindigd hadden, vroeg ik naar Andries;
-maar mijn getrouwe volgeling was, sinds den aanvang van het gevecht,
-nergens te vinden. De waardin meende, dat hij zich in den stal had
-verscholen, en bood aan, mij derwaarts te geleiden en mij voor te
-lichten. Noch door hare kinderen, noch door haar zelve, zeide zij,
-was hij te bewegen geweest, om op hare vragen te antwoorden, en zij had
-waarlijk ook niet veel lust, om zich op dit ongelegen uur nog eenmaal
-in den stal te begeven; want het spookte er geweldig en dat was dan
-ook de reden, waarom zij geen stalknecht in haar dienst kon houden.
-
-Terwijl zij mij naar de armzalige schuur voorlichtte, waar onze
-paarden zich met een weinig grof hooi moesten vergenoegen, verried
-zij duidelijk genoeg, dat zij mij met een geheel ander doel dan
-zij eigenlijk voorgaf, van de overige gasten had afgetroond.--»Lees
-dit!" zeide zij, en stopte mij, toen wij ons voor den stal bevonden,
-een papier in de hand. »God dank, dat ik het kwijt ben! Onder soldaten
-en Saksers, roovers en veedieven, onder plunderen en moorden te
-leven--waarachtig! eene eerlijke vrouw geniet meer rust in de hel
-dan op de grenzen van het Hoogland!"
-
-Dit zeggende gaf zij mij haar brandende spaander over en keerde naar
-de gelagkamer terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIX.
-
-
- Wat hoort ge in het Hoogland?
- Den horen Mac-Gregor's, Mac-Lean's krijgsgetier,
- Een groven doedelzak, nooit tonen eener lier.
-
- John Cooper's Bescheid aan Allan Ramsay.
-
-
-Ik bleef eenige oogenblikken stilstaan voor den stal. Die naam was te
-fraai voor een ruimte, waar zich paarden met geiten, pluimgedierte,
-varkens en koeien onder één dak met het woonhuis bevonden, toch was
-het een zekere mate van beschaving, waarmede de overige dorpelingen
-nog niet bekend waren, doch dien men, zoo als ik naderhand hoorde,
-aan den overdreven trots van onze waardin Jeany Mac-Alpine toeschreef,
-die haar bewogen had dezen stal een anderen ingang te geven dan die,
-welke voor hare tweebeenige klanten bestemd was. Bij het licht van mijn
-fakkel las ik met moeite den brief, die op een vochtig, verfrommeld
-en morsig blad papier geschreven en van den volgenden inhoud was:
-
-
- Mijnheer!
-
- »Er zweven nachtuilen buiten. Daarom kan ik u en mijn waarden
- neef N. J. heden niet, zoo als mijn voornemen was, in de herberg
- van Aberfoil spreken. Wacht u vooral, om u noodeloos met de
- lieden, welke gij daar vinden zult, op eenige wijze in te laten;
- want daaruit zouden in het vervolg vele onaangenaamheden kunnen
- ontstaan. De persoon die u dezen ter hand stelt, is mij toegedaan,
- en gij kunt u veilig aan haar vertrouwen. Zij zal u naar eene
- plaats brengen, waar ik u, als het God behaagt, veilig zien
- kan, zoo gij en mijn neef mijne schamele woning wilt bezoeken,
- waarin ik, mijne vijanden ten spijt, mijne vrienden als een echt
- Hooglander onthalen kan. Daar zullen wij dan plechtig op de
- gezondheid van zekere D. V. drinken en over de zaak spreken,
- waarin ik u waarschijnlijk van dienst zal kunnen zijn. In
- afwachting blijf ik, zoo als het onder fatsoenlijke lieden heet:
-
- Uw dienstvaardige
- R. M. C."
-
-
-De inhoud van dezen brief maakte mij knorrig. Het kwam mij voor, dat
-die Campbell den dienst, welke ik van hem verwacht had, min of meer op
-de lange baan wilde schuiven. Toch deed het mij goed, te vernemen, dat
-hij zich aan mij voortdurend liet gelegen zijn, daar ik toch zonder hem
-volstrekt geen hoop kon koesteren, mijns vaders papieren weder machtig
-te worden. Ik besloot dus zijne wenken te volgen en ten opzichte van
-de overige gasten alle mogelijke omzichtigheid en terughouding in acht
-nemende, van de eerste gunstige gelegenheid gebruik te maken, om van
-de waardin te hooren waar ik den geheimzinnigen man kon aantreffen.
-
-Nu was mijne eerste bezigheid, den vermisten Andries op te zoeken. Ik
-riep hem herhaalde malen bij zijn naam, zonder eenig antwoord te
-ontvangen. Ik ging toen den stal in, waar een menigte nat stroo
-en modder mij voor het gevaar waarborgde, van hier soms met mijne
-spaanfakkel onwillekeurig brand te stichten. Eindelijk volgde op
-mijn geroep een klagend: »hier!" en wel op een even akeligen toon,
-alsof het uit den mond van een spook kwam. Op dit geluid afgaande,
-kwam ik in een hoek van de schuur, waar ik den dapperen Andries
-achter eene groote kuip vond, die de vederen van misschien al het
-gevogelte bevatte, dat sedert eene maand aan het algemeen welzijn
-was geofferd. Deels door geweld, deels door bevelen en vermaningen,
-deed ik hem uit zijn schuilhoek te voorschijn komen, en zijne eerste
-woorden waren: »Waarde heer, ik ben een eerlijke kerel!"
-
-»Wie drommel vraagt thans naar uwe eerlijkheid!" hernam ik. »Denk
-liever aan uw plicht en kom ons aan tafel bedienen."
-
-»Ja, ja," antwoordde Andries, zonder, naar ik geloof, mijne woorden
-goed verstaan te hebben. »Ik ben een eerlijke kerel, wat mijnheer
-Jarvie daartegen in te brengen heeft. Het is waar, mijne ziel hangt
-zeer aan het wereldsche, maar lieve hemel! dat heb ik immers met
-zoo vele, veel verstandiger lieden gemeen. Maar ik ben een eerlijke
-kerel, en al heb ik u ook eens gezegd, dat ik u verlaten wilde, was het
-slechts mijne tong die dat zeide, en waarlijk niet mijn hart. Ach, het
-was zoo bij wijze van spreken, zoo als men wel meer doet, wanneer men
-op een voordeeligen handel bedacht is. Neen, u, mijn braven jongenheer,
-u, dien ik zoo innig liefheb, zal ik niet verlaten, neen nooit!"
-
-»Maar voor den duivel wat wilt gij toch?" vroeg ik half boos. »Die
-zaak is reeds vereffend. Wat praat gij toch elk oogenblik van dat
-wegloopen?"
-
-»Ja, ja, tot nu toe was het ook maar een praatje," antwoordde Andries;
-»maar thans zou het wel ernstige ernst kunnen worden. Ik moge er bij
-verliezen of winnen, dat is mij onverschillig; maar verder ga ik niet
-met u. En wilt gij naar mijn eenvoudigen, welgemeenden raad luisteren,
-dan breekt gij liever uw woord, dan dat gij verder gaat. Ik houd
-machtig veel van u, en er is, dunkt mij, volstrekt geen twijfel aan, of
-gij zult een man van hooge eer worden, als ge de wilde haren maar eerst
-kwijt zijt en wat bedaarder en verstandiger geworden zijt. Maar zoo
-als ik zeg, verder ga ik niet met u, al moest gij ook zonder leidsman
-en raadgever onder weg verzinken, of op eene andere wijs omkomen. Wie
-zich in het land waagt waar Robbert Roodhaar heer en meester is,
-die spot met onzen lieven Heer, en berokkent zich niets dan kwaad."
-
-»Robbert Roodhaar?" vroeg ik verwonderd; »dien ken ik niet. Wat zijn
-dat weer voor grappen, Andries?"
-
-»Kijk nu eens, het is toch hard," antwoordde Andries, »dat men een
-mensch niet gelooven wil, wanneer hij de zuivere waarheid spreekt,
-omdat hij zich soms met een enkel logentje behelpt, als hij zich
-niet anders weet te redden. Gij behoeft niet te vragen, wie Robbert
-Roodhaar is--die aartsroover--die.... God vergeve mij de zonde! Ik
-hoop toch, dat niemand ons hooren kan. Gij hebt immers zelf een brief
-van hem op zak. Ik hoorde, dat een van zijne bende de oude waardin
-verzocht, u dien ter hand te stellen. Zij dachten, dat ik hunne
-gauwdieventaal niet verstond. Maar ofschoon ik die taal wel niet
-spreken kan, is het niet heelemaal Spaansch voor me, en ik weet er,
-als ze gesproken wordt, nog al het een en ander van op te vangen
-en aaneen te knoopen. Eigenlijk had ik u dit niet moeten zeggen,
-maar als men in angst is, ontvalt ons wel eens iets, dat, op de keper
-beschouwd, veel beter verzwegen ware. Ach, beste mijnheer Frans, al de
-dwaasheden van uw oom en al de dolle streken van uwe neven zijn hier
-volstrekt niets bij. Drink een vollen beker als ridder Hildebrand;
-begin uw ochtend met brood en brandewijn, als jonker Percival;
-bluf, als jonker Thorncliff; loop de meisjes na, als jonker John;
-ga weddingschappen aan, als jonker Richard; kaap den paus en den
-duivel zieltjes weg, als jonker Rashleigh. Maak alarm, raas, tier,
-ontheilig den Sabbath of gehoorzaam den paus, zooals zij allen onder
-elkander doen.--Maar bij den barmhartigen hemel! spaar uw jeugdig
-leven en kom Robbert Roodhaar niet te na!"
-
-De angst van den goeden Andries was te ongeveinsd, dan dat ik eenig
-wantrouwen daarin zou hebben mogen stellen. Ik liet het echter
-daarbij blijven, dat ik hem zeide, voornemens te zijn dien nacht in
-de herberg door te brengen, en ik gelastte hem tevens, voor onze
-paarden te zorgen. Voor het overige beval ik hem ten ernstigste,
-omtrent de oorzaak van zijne vrees het diepste stilzwijgen in acht
-te nemen. Ik verzekerde hem ook, dat hij er zich op kon verlaten,
-dat ik mij niet noodeloos aan gevaar zou blootstellen. Hij volgde
-mij met een bedrukt gelaat en mompelde bij zich zelven: »Redelijke
-menschen behooren toch eerder verzorgd te worden, dan het redelooze
-vee. Den ganschen dag heb ik niets te eten gekregen, dan een paar
-afgekloven vleugels van een taai korhoen."
-
-De goede verstandhouding tusschen de gasten in de herberg scheen,
-sedert ik hen verlaten had, min of meer gestoord te zijn. Althans
-Galbraith en mijn vriend Jarvie waren in eene vrij luidruchtige
-woordenwisseling met elkander gewikkeld.
-
-»Zulke taal over den hertog van Argyle en den naam Campbell duld ik
-volstrekt niet!" zeide Jarvie, toen ik binnentrad. »Hij is een braaf
-edelman, die het wel met ons land meent; ook is hij een man van aanzien
-en gewicht, en beschermt Glasgow's handel op alle mogelijke wijzen."
-
-»Ik zeg immers niets ten nadeele van Mac-Callumore noch van den
-Sliochnan Diarmid!" antwoordde de kleine Hooglander glimlachende. »Ik
-woon te dicht bij Glencroe om met den heer van het land, tot Inverrary
-toe, twist te zoeken."
-
-»Ons meer zag nooit de galei [11] der Campbell's," zei de lange
-Hooglander. »Ik spreek ronduit en vrees niemand. Een Cawmil [12]
-acht ik volstrekt niet hooger dan een ander mensch, en gij moogt het
-Mac-Callumore vrij verhalen, dat Allan-Iverech dat gezegd heeft. Men
-heeft ver te schreeuwen van hier tot Lochow [13]."
-
-Galbraith, bij wien de brandewijn, dien hij in ruime teugen gebruikt
-had, begon te werken, sloeg driftig en heftig met zijne hand op de
-tafel en riep met schorre stem: »dat geslacht heeft eene bloedschuld op
-zich geladen en zal die vroeg of laat moeten betalen. De beenderen van
-een dappere Grahame rammelen sedert lang in de kist en eischen wraak
-op de hertogen van Argyle en de heeren van Lorn. Nooit werd er in
-Schotland verraad gesmeed, of een der Campbell's speelde daarin eene
-hoofdrol, en nu het onrecht den boventoon heeft, zijn het alweder
-de Campbell's die de stem van het recht weten te smoren. Maar die
-vervloekte onzin zal niet lang meer duren; het wordt tijd, dat men den
-bijl scherpt en hier en daar eenige van de belhamels een kop kleiner
-maakt. Ik hoop het ten minste nog te beleven, dat de oude roestige
-bijl eens weder aan het maaien komt en een bloedigen oogst maakt!"
-
-»Schaam u, Galbraith!" riep Jarvie; »foei, schaam u, zoo iets te
-zeggen in de tegenwoordigheid van een overheidspersoon, en u zelven in
-ongelegenheid te brengen! Hoe zult gij de uwen kunnen onderhouden en
-uwe schuldeischers voldoen--mij en anderen--als gij steeds op dezen
-onbesuisden toon voortgaat? Gij zult de straf der wet op den hals
-halen op u en op allen, die met u in betrekking staan!"
-
-»De Satan hale mijne schuldeischers en u er bij, als ge er toe
-behoort!" hernam Galbraith. »Ja, zeg ik u nog eens: de poppen gaan
-spoedig aan het dansen; het zal dan anders in de wereld toegaan. Dan
-zal geen Campbell den neus zoo trotsch in den wind steken, noch zijne
-honden op menschen aanhitsen, met wie hij zich zelf niet durft meten,
-noch dieven en moordenaars beschermen, noch brave lieden uitplunderen
-en van hun wettig eigendom berooven."
-
-Jarvie zou misschien dezen woordentwist voortgezet hebben. Maar de
-welriekende geuren van het door de waardin opgedischte wildbraad
-werd zulk een veelvermogenden bemiddelaar, dat hij zich tegenover den
-uitlokkenden schotel plaatste, en den anderen gasten het veld ruimde.
-
-»Ja, dat is maar zoo en niet anders!" zei de lange Hooglander, die
-Steedart heette: »men zou ons zoo onmanierlijk niet plagen en ons
-hier niet bijeen doen komen om Robbert Roodhaar te vangen, als de
-Cawmil's hem geene bescherming verleenden. Wij waren eens met ons
-dertigen en joegen het volkje van den stam Mac-Gregor als hazen voor
-ons uit, tot wij in den omtrek van Glenfollich kwamen. Daar stonden
-de Cawmil's op en beletten ons om hen verder te vervolgen: vergeefs
-was toen al onze aangewende moeite! Doch ik zou er, ik weet niet wat
-om geven, als ik dien Robbert weder zoo dicht op de hielen kon komen,
-als op dien bewusten dag!"
-
-Ongelukkig vond mijn vriend Jarvie in elke uitdrukking van den
-Hooglander iets dat hem mishaagde.
-
-»Neem het mij niet kwalijk," zeide hij, »dat ik spreek zoo als ik denk,
-mijn beste Heer: maar gij zoudt er zeker, wie weet wat om gegeven
-hebben, als gij dan zoo ver van Robbert verwijderd kondet zijn, als
-thans. Mijn gloeiend ploegijzer zou, in vergelijking met zijn zwaard,
-niets geweest zijn."
-
-»Ik raad u, welmeenend, geen woord meer van uw vervloekt ploegijzer
-te reppen! Gij zult en moet daarover zwijgen, dat eisch ik of ik zal
-mij, om u daartoe te noodzaken, van een middeltje bedienen, dat nog
-nooit gefaald heeft!"--Dit zeggende, greep hij met een dreigenden
-blik naar zijn dolk.
-
-»Halt! Geene vechtpartij meer, Allan!" riep de kleine Hooglander. »Is
-die mijnheer uit Glasgow zulk een boezemvriend van Robbert, welnu,
-dan kan hij hem misschien nog heden nacht in boeien en morgen aan de
-galg zien. Lang genoeg heeft hij het land geplaagd, en nu delft zijn
-stam eindelijk het onderspit: dat behoort zoo.--Maar het wordt tijd:
-wij moeten ons naar onze lieden begeven."
-
-»Toch niet, Inverashalloch!" riep Galbraith. »Zouden wij nu voor eene
-enkele flesch opdraaien! Gekheid! Toon u een man!"
-
-»Alles goed en wel. Gij weet, dat ik mijne flesch sta en, als het er
-op aan komt, geen kniesoor ben. Maar de duivel hale elken droppel,
-dien ik te veel drink, als ik 's morgens iets van belang te doen
-heb. En naar mijne domme meening zoudt gij, Galbraith, veel beter doen,
-als gij uwe ruiters vóór het aanbreken van den dag hierheen bracht."
-
-»Waarvoor die haast?" antwoordde Galbraith. »Met eten en drinken
-moet men lichaam en ziel bij elkander houden: met vasten komen wij
-er waarachtig niet! En had ik iets te zeggen gehad, dan zou ik u
-zeker niet met uw volk te hulp geroepen hebben. Het garnizoen en
-onze ruiters zouden best alleen in staat zijn geweest, om Robbert te
-knippen. Hier is de hand, die hem in het gras zal doen bijten en die
-geen hulp van een uwer Hooglanders behoeft."
-
-»Welnu, dan hadt gij ons maar moeten laten blijven, waar wij
-waren!" hernam Inverashalloch. »Ik ga waarlijk geen twintig uren
-ver, als men mij niet oproept. Wil ik u eens zeggen, hoe ik over
-u denk. Gij zijt een groote babbelaar, en als gij wat minder in
-den mond en wat meer in het hoofd hadt, zou het met uwe onderneming
-veel beter gelukken. Wie nog een steun heeft, kan zich lang staande
-houden, en zoo is het geval met onzen man. Wil men een vogel vangen,
-dan moet men niet met de muts naar hem smijten. En die lieden daar
-ginder hebben ook het een en ander gehoord, wat zij niet zouden gehoord
-hebben, als gij den brandewijn niet zoo druk aangesproken hadt, majoor
-Galbraith. Nu, nu! gij behoeft uw hoed niet zoo uitdagend op het ééne
-oor te zetten, en den menschenvreter uit te hangen. Ik ken u immers,
-vriendje: gij zijt zoo gevaarlijk niet!"
-
-»Ik heb het reeds gezegd," hernam de beschonken Galbraith met
-belachelijke deftigheid; »ik twist heden nacht met niemand, hij moge
-laken of tartan dragen. Maar buiten den dienst twist ik met u en met
-ieder uit het Hoogland en uit de Laaglanden. Zoo lang ik mij in dienst
-bevind, gebeurt dit echter niet!--Neen, zeg ik u, neen! Ik wenschte
-wel, dat de roodrokken er reeds waren. Was er iets tegen koning
-Jakobus te ondernemen, dan zouden zij wel bij de hand zijn; maar om
-de rust in het land te bewaren, zijn zij even traag als hunne buren."
-
-Terwijl hij dit zeide, hoorden wij de regelmatige stappen van eene
-bende voetvolk, en kort daarop trad een officier met eenige soldaten de
-kamer binnen. Zijn Engelsch luidde als aangename muziek in mijne ooren,
-die reeds zoo lang niets dan het Schotsche dialekt gehoord hadden.
-
-»Waarschijnlijk zijt gij de majoor Galbraith van de ruiterij uit
-Lennox,"--vroeg hij--»en deze heeren zullen, denkelijk, de Hooglanders
-zijn, die ik hier zou vinden?"
-
-De gasten beantwoordden deze vragen toestemmend en noodigden den
-officier eenige ververschingen te gebruiken. Hij weigerde echter,
-en ging voort: »Ik ben wat te lang opgehouden, mijne heeren, en
-wensch nu den verloren tijd weder in te halen. Onder anderen luiden
-mijne bevelen om twee personen te arresteeren, die van verraderlijke
-aanslagen beschuldigd worden."
-
-»Ja, wat dat betreft, daarmede hebben wij niets te maken, en kunnen
-er ons dus ook niet mede bemoeien," zeide Inverashalloch. »Ik ben
-met mijne lieden herwaarts gekomen, om tegen den roover Mac-Gregor,
-die mijn neef in den zevenden graad vermoord heeft, te vechten. Maar
-mij raakt het volstrekt niet, wat brave lieden, die voor hunne zaken
-reizen, doen of laten willen."
-
-»Neen, dat raakt mij ook niet!" zeide Iverach, de andere Hooglander.
-
-Galbraith nam de zaak ernstiger op en begon dadelijk: »Ten nadeele
-van koning George wil ik geen enkel woord zeggen, kapitein, want
-het kan zeer wel wezen dat ik van hem mijne aanstelling heb. Maar
-wanneer de eene aanstelling goed is, is de andere daarom niet slecht,
-en voor sommige lieden klinkt de naam Jakobus even goed als de naam
-George. De een is koning, de ander behoorde het te zijn. Naar mijn
-oordeel kan een eerlijk man het goed met beiden meenen. Ik verklaar
-mij voor de bestaande machten, zoo als het een officier betaamt. Maar
-om verder van verraad en dergelijke dingen te spreken, dat is slechts
-tijd verspillen!"
-
-»Met leedwezen bespeur ik, hoe gij uw tijd hier hebt doorgebracht!" zei
-de Engelsche officier, die begreep hoe sterk Galbraith's argumenten
-den genoten brandewijn verrieden. »Ik wenschte wel, dat zoo iets
-bij zulk eene gewichtige gelegenheid niet gebeurd ware! Ik raad u
-welmeenend, uw roes een uurtje uit te slapen. Behooren deze heeren
-tot uw gezelschap?" vervolgde hij, op Jarvie en mij wijzende, die
-beiden nog met ons avondmaal bezig waren en weinig op den officier
-gelet hadden.
-
-»Reizigers," zeide Galbraith, »eerzame reizigers te water en te land,
-zoo als in het kerkboek staat."
-
-»Ik heb bevel," hernam de kapitein, terwijl hij ons bijlichtte, »een
-bejaard en een jong man te arresteeren en het signalement komt met
-deze beide heeren vrij goed overeen."
-
-»Bedenk wel wat gij zegt, mijnheer!" zeide Jarvie: »noch uw roode
-rok, noch uw gegaloneerde hoed kan u beschermen, zoo gij mij zelfs de
-geringste beleediging aandoet. Ik ben een gezeten burger, en bovendien
-een overheidspersoon uit Glasgow. Nikolaas Jarvie is mijn naam, en
-zoo heette ook mijn vader zaliger. Ik ben lid van den stedelijken
-raad--een groote eer voor mij--en mijn vader was wijkmeester."
-
-»Hij was een oude schoelje!" viel Galbraith hem in de rede; »en vocht
-bij de Bothwell-brug tegen zijn wettigen koning."
-
-»Wat hij kocht betaalde hij eerlijk, mijnheer Galbraith!" zeide Jarvie;
-»en hij was een veel braver man dan op uwe been en staat."
-
-»Ik heb geen tijd om mij hiermede verder in te laten," hernam de
-officier. »Kunt gij, heeren, geene genoegzame bewijzen geven, dat
-gij getrouwe onderdanen zijt, dan moet ik u in hechtenis nemen."
-
-»Ik verlang voor den burgerlijken rechter gebracht te worden," hernam
-Jarvie; »want ik ben niet verplicht, iederen roodrok te antwoorden,
-die mij met zijne onbescheidene vragen lastig valt."
-
-»Goed, mijnheer! wilt gij mij niet antwoorden, dan zal ik wel weten
-wat ik met u te doen heb. En gij," aldus sprak officier mijn aan;
-»uw naam!"
-
-Toen ik mijn naam genoemd had, vervolgde hij: »hoe, een zoon van
-Hildebrand Osbaldistone in Northumberland?"
-
-»Neen," viel Jarvie hem in de rede, »een zoon van den beroemden
-Willem Osbaldistone, van het vermaarde kantoor Osbaldistone en Tresham
-in Londen."
-
-»Ik vrees, dat uw naam de verdenking tegen u slechts vermeerderen
-moet," hernam de officier. »Ik moet u verzoeken, mij al de papieren,
-welke gij bij u hebt, ter hand te stellen."
-
-Toen hij dit verzocht, bemerkte ik dat de Hooglanders elkander
-angstig aanzagen.
-
-»Ik heb u niets ter hand te stellen!" was mijn antwoord.
-
-De officier beval mij te ontwapenen en te onderzoeken. Tegenstand zou
-razernij zijn geweest. Ik gaf mijne wapens over, en onderwierp mij
-aan dat onderzoek, dat met alle mogelijke kiesheid geschiedde. Men
-vond echter niets dan den brief, dien ik van de waardin had ontvangen.
-
-»Ik had iets anders verwacht," zei de officier, »maar ook dit
-is voor mij reden genoeg om u gevangen te houden. Ik vind u in
-briefwisseling met den gebannen en voor vogelvrij verklaarden roover
-Robbert Mac-Gregor Campbell, die zoo lang eene plaag van deze streken
-is geweest. Wat moet ik daarvan denken?"
-
-»Spionnen van Robbert!" riep Inverashalloch; »kort en goed recht over
-hen! Men hange hen op aan den eersten den besten boom!"
-
-»Wij zijn van huis gegaan om eenige goederen terug te halen, die
-ons behooren, en toevallig in zijne handen zijn geraakt," zeide
-Jarvie. »Mij dunkt toch, dat er geen wet bestaat, die ons verbiedt
-voor het behoud van ons eigendom te zorgen."
-
-»Hoe zijt gij aan dezen brief gekomen?" vroeg mij de officier.
-
-Ik wilde de waardin niet verraden en zweeg.--»Weet gij er niets
-van?" vroeg de officier thans aan Andries, die, zoodra hij het
-vonnis had gehoord, dat de Hooglander over ons velde, van schrik
-klappertandde.--»O ja, ja, ik weet er alles van--het was--het was
-een slungel uit het Hoogland--die gaf den brief aan de vrouw van
-dezen huize. Mijnheer wist er echter niets van, daarop wil ik des
-noods een eed doen! Maar hij wil zich naar het gebergte begeven
-en met Robbert spreken. Ach, mijnheer! verricht hier eens een werk
-van barmhartigheid en laat een paar van uwe roodrokken hem veilig
-naar Glasgow terugbrengen: hij moge willen of niet. De heer Jarvie
-kunt gij bij u houden, zoo lang gij verkiest: die man is goed voor
-iedere geldboete, welke gij hem zoudt willen opleggen. Mijnheer is
-het trouwens ook, wat dat betreft--en ik--ik ben een arm tuinier en
-niet waardig dat gij u een enkel oogenblik om mij bekommert."
-
-»Het zal wel 't best zijn deze lieden onder bedekking naar het
-fort te zenden," zei de officier. »Zij schijnen met den vijand in
-verstandhouding te zijn, en ik durf het niet op mij nemen, hen in
-vrijheid te laten.--Gij zijt mijne gevangenen. Met het aanbreken
-van den dag wordt gij van hier vervoerd. Zijt gij inderdaad degenen
-welke gij zegt te zijn, dan zal dat spoedig blijken, en een paar dagen
-oponthoud zal u juist zooveel schade niet veroorzaken. Verschoon mij
-van alle tegenbedenkingen," vervolgde hij, zich van Jarvie afwendende,
-die hem wilde aanspreken: »de dienst duldt niet dat ik mij met een
-nutteloos onderzoek inlate."
-
-»Zeer wel, zeer wel!" hernam Jarvie. »Wij zullen dan eens naar uwe
-pijpen dansen. Maar pas op. Ik zal, als mijne beurt komt, u een nog
-moeielijker dansje voorspelen en dan zult gij dansen dat gij omvalt."
-
-Nu had er eene ernstige beraadslaging tusschen den officier en
-de Hooglanders plaats, maar zoo zacht en geheimzinnig, dat men er
-volstrekt niets van kon verstaan.--Eindelijk gingen zij allen naar
-buiten.--»Deze Hooglanders," zeide Jarvie tot mij, »zijn van de
-westelijke stammen. Zij hebben, zooals men zegt, even lange vingers
-als hunne naburen. Maar gij ziet, dat zij herwaarts zijn gekomen om
-den ongelukkigen Robbert te vervolgen, omdat zij een ouden haat tegen
-hem en zijn stam voeden, en nu komen zij uit alle oorden gewapend
-opdagen. Men weet eigenlijk wel waarom zij vechten, en ik kan het
-hun niet kwalijk nemen; want wie wil gaarne zijn vee verliezen. En
-dan zijn er ook nog soldaten uit de vesting bij! Ja, de arme Robbert
-zal morgen de handen vol hebben, dat voorzie ik! Het is waar, een
-overheidspersoon, een lid van den stedelijken raad van Glasgow mag
-niets wenschen, wat tegen den gang der gerechtigheid indruischt. Maar
-toch zeg ik u, dat ik mij de haren niet uit het hoofd rukken zou,
-als ik hoorde, dat Robbert zijne vijanden eens aardig om den tuin
-had geleid."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXX.
-
-
- Hoor mij! Kapitein, zie, bid ik, mij aan,
- Zie mij in 't gelaat, het gelaat eener vrouwe,
- Zie of iets anders dan vrees of dan schrik,
- En bleekheid en angst zich vertoont in mijn blik,
- Ik smeek u genade in rouwe....
-
- Bonduca.
-
-
-De overige uren van den nacht liet men ons slapen, zoo goed als dit
-bij den armzaligen toestand der herberg mogelijk was. Jarvie was door
-de vermoeienissen van de reis en de daarop gevolgde gebeurtenissen
-zeer afgemat. Onze gevangenneming, die trouwens voor hem slechts eene
-voorbijgaande onaangenaamheid kon zijn, deerde hem niet veel. Hij
-was misschien ook minder verwend dan ik, minder aan zindelijkheid
-gewoon, en ging dus in eene der langs den wand zich bevindende
-kribben liggen en begon spoedig geducht te snurken, terwijl ik,
-met het hoofd op de tafel liggende, slechts weinige oogenblikken een
-zeer onrustigen slaap genoot. Gedurende den nacht had ik gelegenheid
-den twijfel en besluiteloosheid der soldaten op te merken, door de
-maatregelen welke zij namen. Er werden enkele soldaten uitgezonden,
-alsof zij op verkenning gingen. Doch telkens kwamen zij terug,
-zonder, naar het scheen, hun officier geruststellende berichten te
-brengen. Duidelijk was het zichtbaar, dat de aanvoerder in angstige
-verwachting verkeerde. Van tijd tot tijd zond hij twee of drie man uit,
-van wie sommigen, zoo als ik uit het gefluister der overigen vernam,
-in het geheel niet terugkwamen.
-
-Toen de dag aanbrak, kwamen een korporaal en twee soldaten juichende
-binnen met een gevangen Hooglander, in wien ik op het eerste gezicht
-den ontvluchten cipiersknecht uit Glasgow, Dugald, herkende. Jarvie,
-die door dit gejuich ontwaakt was, begreep dit ook al spoedig en
-riep uit: »de Hemel ontferme zich! daar hebben zij den armen Dugald
-gekregen! Kapitein, ik blijf borg voor hem, ik blijf borg voor dezen
-Dugald!"
-
-Op die betuiging, welke de dankbare herinnering aan de laatste
-dienstbetooning van den Hooglander hem ingaf, antwoordde de kapitein,
-»dat Jarvie liever aan zijne eigene belangen moest denken, en niet
-moest vergeten, dat hij zelf een gevangene was."
-
-»Mijnheer Osbaldistone, ik roep u op als getuige," zeide Jarvie,
-die zeer waarschijnlijk de burgerlijke rechtspleging beter kende
-dan de krijgswetten: »gij kunt verklaren, dat deze officier een
-goeden borgtocht geweigerd heeft. Dugald kan eene aanklacht tegen
-hem inleveren wegens onwettige gevangenneming, en dan nog een eisch
-tot schadevergoeding doen. Ik zal den braven man voor het gerecht
-bijstaan."
-
-De officier, dien ik Thornton hoorde noemen, sloeg geen acht op
-Jarvie's bedreigingen. Hij begon Dugald streng te verhooren en bracht
-hem daardoor zoo zeer in het nauw, dat de gevangene ten laatste,
-ofschoon met zichtbaren tegenzin, langzamerhand bekende, dat hij
-wel wist wie Robbert Mac-Gregor was. Ja, dat hij hem nog geen jaar
-geleden--nog geen half jaar--nog geen maand--nog geen week geleden--had
-gezien--en eindelijk, dat hij hem pas voor een uur verlaten had. Alle
-deze bekentenissen werden den gevangene als bloeddruppels door Thornton
-afgeperst, die telkens dreigde, hem aan den eersten den besten boom
-te zullen ophangen, als hij zich maar eene enkele logen veroorloofde.
-
-»En nu," vervolgde de kapitein, »moet gij mij ook zeggen, hoe veel
-man die Robbert thans bij zich heeft."
-
-Dugald keek angstig rond zonder den vrager aan te zien, en zeide met
-eene flauwe stem: »dat weet ik niet juist."
-
-»Zie mij aan," hernam Thornton, »en bedenk, gij Hooglandsche hond, dat
-uw leven van uw antwoord afhangt. Hoe vele schelmen had de vogelvrij
-verklaarde schurk bij zich, toen gij hem verliet?"
-
-»Niet meer dan zes schelmen," antwoordde Dugald.
-
-»En waar waren de overige roovers?"
-
-»Met den luitenant tegen de kerels in het Westland opgetrokken."
-
-»Tegen de westelijke clans? Hm! zeer waarschijnlijk. En op welke
-schurkachtige expeditie waart gij uitgezonden?"
-
-»Ik moest eens zien, wat gij, mijnheer, en de overige heeren roodrokken
-hier in het dorp uitvoerdet."
-
-»Weet ge wel dat die kerel, op de keper beschouwd, een gemeene verrader
-is," fluisterde Jarvie, die dicht achter mij stond, mij toe. »Het
-is maar goed, dat men mij, toen ik borg voor hem wilde blijven,
-niet bij mijn woord heeft gehouden; hij is, waarachtig! geen knip
-voor den neus waard!"
-
-»En nu, mijn goede vriend," hernam de kapitein, »zullen wij eens zien,
-wat wij met u te doen hebben. Gij hebt bekend, dat gij een spion
-zijt, en moest dus van rechtswege aan den eersten den besten boom
-opgeknoopt worden. Maar luister! wilt gij mij een dienst bewijzen,
-dan bewijs ik u wederkeerig een dienst. Breng mij en eenige van
-mijne manschappen naar de plaats, waar gij Robbert verlaten hebt;
-want ik moet hem over zeer gewichtige zaken spreken. Doet gij dit,
-dan stel ik u in vrijheid, en geef u nog vijf guinjes op den koop toe."
-
-»Neen, dat niet! Ach neen!" riep Dugald in de uiterste vrees en
-verwarring; »dat kan ik niet doen, dat kan ik, waarachtig, niet
-doen! Hang mij liever op!"
-
-»Nu, dat kan terstond geschieden! Korporaal Cramp, vervul hier de
-taak van beul, laat dezen spion dadelijk aan den een of anderen
-boom opknoopen."
-
-De korporaal stond tegenover den armen Dugald en maakte met vrij wat
-vertoon en heel langzaam een strop gereed, dien hij den veroordeelde
-om den hals wierp en hem toen, met behulp van twee soldaten, naar de
-deur sleurde, waar Dugald, door doodsangst overmand, uitschreeuwde:
-»houdt op! mijne heeren, houdt op, laat mij los! Ik wil den kapitein
-den gevraagden dienst bewijzen! Laat mij los!"
-
-»Ellendige kerel!" riep Jarvie. »Hij verdient thans de galg meer dan
-ooit. Weg met hem, korporaal! Waarom gaat gij niet?"
-
-»Ik geloof, mijn beste heer," antwoordde de korporaal, »dat, zoo gij
-zelf moest opgehangen worden, gij zooveel haast niet zoudt maken."
-
-Dit tusschengesprek belette mij, alles te hooren, wat er tusschen
-den kapitein en den gevangene verhandeld werd; maar ik verstond zeer
-duidelijk, dat deze den officier snikkende vroeg: »Maar gij zult toch
-niet begeeren, dat ik één voetstap verder ga, als ik u eens gewezen
-heb, waar Mac-Gregor zich bevindt?"
-
-»Mijn woord daarop," hernam de kapitein, »schei nu uit met uw
-gehuil! Korporaal, laat de manschappen voor het huis aantreden en de
-paarden van onze beide gevangenen voorbrengen. Wij moeten de heeren
-medenemen, want ik heb geen volk genoeg bij mij, om hen hier te laten
-bewaken. Allen dadelijk marsch-klaar!"
-
-De soldaten spoedden zich naar buiten, en waren weldra
-marschvaardig. Wij werden met Dugald als gevangenen uitgeleid, en
-terwijl wij de herberg verlieten, hoorde ik, dat Dugald den kapitein
-aan de vijf guinjes herinnerde.
-
-»Daar zijn ze!" zei de officier. »Maar waagt gij het mij te bedriegen,
-door mij op een verkeerden weg te brengen, dan jaag ik u zelf een
-kogel door den kop!"
-
-»De kerel is nog sluwer en slechter dan ik gedacht had!" zeide
-Jarvie. »Hij is een verrader, die alleen om geld geeft! Ja mijn vader
-zaliger, de wijkmeester had wel gelijk, als hij zeide--en dat zeide hij
-dikwijls--dat het geld meer zielen doodde, dan het zwaard lichamen."
-
-Nu verscheen de waardin en vroeg om betaling van het gelag, daaronder
-begrepen al wat Galbraith en zijne vrienden, de Hooglanders, verteerd
-hadden. De kapitein maakte tegenwerpingen. Doch de waardin verklaarde,
-dat, zoo zij geen krediet had gegeven voor den naam van den edelen
-heer, op wien het gezelschap zich beriep, zij geen enkelen droppel
-brandewijn zou geschonken hebben; en dat, of zij den majoor Galbraith
-wederzag of niet, zij van hem toch nooit een penning zou krijgen.
-
-Kapitein Thornton gaf eindelijk toe en betaalde met eenige shillings
-het kleine gelag, dat slechts in Schotsche munt zoo geweldig
-hoog scheen te zijn. Edelmoedig wilde hij ook voor Jarvie en mij
-voldoen; doch niettegenstaande de waardin ons toefluisterde, van die
-Engelschen maar zooveel te halen als wij krijgen konden, omdat zij
-ons toch genoeg kwelden en vilden, vroeg Jarvie eene afzonderlijke
-rekening van hetgeen wij verteerd hadden en betaalde die. Bij deze
-gelegenheid bood de kapitein ons zijne verontschuldigingen aan over
-onze gevangenneming. Hij herhaalde zijne verzekering, dat wij als
-getrouwe en vreedzame onderdanen, geen berouw over een kort oponthoud
-zouden hebben, wanneer dit voor 's konings dienst noodzakelijk was. Had
-hij zich echter in deze veronderstelling omtrent ons vergist, dan
-vervulde hij slechts zijn plicht. Met deze verontschuldiging moesten
-wij ons tevreden stellen. En zoo moesten wij met hem op weg.
-
-Nooit vergeet ik de aangename gewaarwording, toen ik uit de sombere,
-berookte, morsige Hooglandsche kroeg, waar wij den nacht doorgebracht
-hadden, in de frissche morgenlucht kwam. De stralen der opgaande
-zon schoten uit zacht roode wolken met goud omzoomd, terwijl zij
-een landschap verlichtten, bekoorlijker dan mijn oog ooit vroeger
-gezien had. Links lag het dal, waarin de Forth in eene oostelijke
-richting neerstroomde, aan den voet van den zacht rijzenden heuvel,
-welks hellingen door bosschen bedekt werden. Reeds strekte zich,
-midden tusschen bosschaadje, heuvels en rotsen, het bed van een groot
-bergmeer uit, op welks oppervlakte de morgenwind lichte golfjes krulde,
-schitterend in de zonnestralen. Hooge heuvels en rotsachtige oevers,
-met berken- en eikenbosschen gekroond, omkransten deze bekoorlijke
-watervlakte. Het loof dat in den wind ruischte en in de zon schitterde,
-schonk aan de eenzaamheid leven en beweging. De eenigen, die te
-midden van dit landschap, waar de gansche natuur zoo grootsch, zoo
-verheven was, storend werkten, waren de menschen. De schamele hutten,
-wier aantal in het dorpje Aberfoil een dozijn zal bedragen hebben,
-bestonden uit losse, met klei aaneengevoegde steenen, en waren met
-zoden gedekt, die op balken van ruwe boomstammen rustten. De daken
-waren zoo laag bij den grond, dat Andries opmerkte, dat wij den vorigen
-nacht, zonder het te bespeuren, over het dorp heen zouden hebben kunnen
-rijden, tot de voeten onzer paarden door de daken gedrongen waren.
-
-Voor zoover wij zien konden, was de herberg, die wij pas verlaten
-hadden, het fraaiste gebouw van het gehucht. Als ge heden ten dage
-het dorp bezocht, zoudt ge het weinig veranderd vinden. Dit denk ik
-tenminste. Want de Schotten houden niet van nieuwigheden, ook al zijn
-het verbeteringen.
-
-Het gedruisch van onzen afmarsch wekte de bewoners der hutten uit hun
-slaap. Terwijl de soldaten, twintig in getal, zich vóór den aftocht
-in het gelid plaatsten, werden wij door verscheidene oude vrouwen
-door de half geopende deuren begluurd. Toen die grijze hoofden,
-met nauw sluitende flanellen nachtmutsen bedekt, vooruit staken, die
-rimpelige voorhoofden, die lange, magere armen met allerlei gebaren
-en schouderophalen zich vertoonden, en die oude wijven met elkander
-in de Gaelische taal mompelden, was het waarlijk als zag ik Macbeths
-heksen voor mij, terwijl hare gelaatstrekken de boosaardigheid
-der tooverkollen verried. De kleine kinderen, die nog nauwelijks
-gaan konden, kwamen insgelijks te voorschijn, deels geheel naakt,
-deels uiterst armoedig met eenige lompen bedekt. Zij klapten in de
-handjes en lieten den Engelsche soldaten de tanden zien, met eene
-uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, die hun leeftijd ver te
-boven ging. Wat mij zeer verwonderde, was, dat ik geen volwassen man,
-zelfs geen knapen van tien tot twaalf jaren, onder de bewoners van
-het dorp zag. Toch scheen het, naar evenredigheid van zijne grootte,
-vrij bevolkt te zijn. Ik begon te vreezen, dat wij op onzen tocht
-nog veel duidelijker bewijzen van die vijandige gezindheid zouden
-ontvangen, die op het gelaat der vrouwen en kinderen te lezen en uit
-hun gemompel duidelijk te hooren was.
-
-Nauwelijks was er echter door den kapitein »marsch!" gekommandeerd,
-of de wrevel der vrouwen barstte eerst recht uit. En toen het laatste
-gelid onzer manschap het dorp verlaten had, langs een smal spoor,
-gegraven door de sleden, waarmede de bewoners van deze streken zoden
-en turf vervoeren, verhief zich plotseling een luid gegil der vrouwen
-en een oorverdoovend geschreeuw en handgeklap der kinderen. Het akelig
-geschreeuw bleef langen tijd voortduren. Ik vroeg den doodsbleeken
-Andries wat dat geschreeuw beduidde.
-
-»Wat dat zeggen wil," antwoordde hij, »zullen wij spoedig genoeg
-ondervinden. Het beteekent, dat de Hooglandsche vrouwen de roodrokken
-vervloeken en in het diepste der hel wenschen. Zoo verwenschen zij
-iedereen, die Saksisch spreekt. Vaak heb ik in Engeland en Schotland
-vrouwen hooren kijven--en ik verzeker u op mijn woord, dat zij
-mondjes hadden als hooischuren!--Maar zulke venijnige tongen als
-van deze wijven, zulke ijselijke vervloekingen als van deze heksen,
-bah! de haren rijzen iemand te berge! Zij wenschen, dat de roodrokken
-als schapen mogen geslacht en gevild worden; dat zij hare armen tot
-aan de ellebogen in hun bloed mogen dompelen, en dat er van al, wat
-roodrok heet en Saksisch spreekt, niet zoo veel moge overblijven, als
-een hond voor zijn avondeten noodig heeft. Ik vertaal u maar een paar
-staaltjes.... Het is waarachtig al te erg! het is ijselijk! Als zij
-bij den duivel waren school gegaan, zij zouden niet verschrikkelijker
-hebben kunnen leeren vloeken. Ook zij hebben ons toegeroepen, dat wij
-maar langs het meer moesten gaan, dan zouden wij eens zien, waar wij
-te recht komen."
-
-Het kwam mij voor, uit een en ander wel te mogen opmaken, dat men
-voornemens was een aanval op ons te wagen. De weg waarlangs wij
-trokken, scheen zulk eene onderneming bij uitstek te begunstigen. Het
-pad liep in het begin van het meer af, door moerassig en met struiken
-bewassen weiland, vervolgens door kreupelhout, waarin zich licht eene
-hinderlaag kon bevinden. Vaak moesten wij bergstroomen doorwaden,
-waarin de soldaten tot aan de knieën door het water gingen. Zoo hevig
-bruisten en kookten die stroomen, dat de soldaten de kracht van
-den stroom op geene andere wijs weerstand konden bieden, dan door
-elkander, twee of drie te zamen, vast onder den arm te houden. Hoe
-weinig ik ook van de krijgskunst wist, kwam het mij toch voor, dat
-half woeste krijgslieden, zoo als men de Hooglanders afschilderde,
-in zulke bergpassen eene vijandelijke bende met zeer veel voordeel
-zouden kunnen aantasten. Van die meening scheen Jarvie insgelijks te
-zijn. Althans vermoedde ik dit uit zijn verlangen om den kapitein te
-spreken. »Ik wensch mij niet bij u in te dringen, dat zou verachtelijk
-zijn. Ik betuig u nogmaals, dat ik mij mijne aanklacht wegens onwettige
-gevangenneming in allen geval voorbehoud.--Maar vergun mij, als een
-vriend des konings en zijner soldaten, ééne vraag. Dunkt u niet, dat
-gij een veel geschikter tijd zoudt kunnen kiezen, om in dit dal op
-te trekken? Zoekt gij Robbert, laat mij u dan waarschuwen, dat zijne
-bende, naar men zegt, minstens vijftig man sterk is, als hij slechts
-zijn gewoon getal bij zich heeft. Heeft hij echter nog daarenboven
-versterking van zijne vrienden ontvangen uit Glencyle en Glenfinles met
-de menschen uit Balguidder, dan kan hij het u benauwd genoeg maken. Mag
-ik dus, als vriend des konings, u een goeden, welmeenenden raad geven,
-keer dan liever naar het dorp terug. De vrouwen in Aberfoil zijn als
-zeemeeuwen: »als zij schreeuwen, komt er storm.""
-
-»Stoor u aan dit alles niet," antwoordde kapitein Thornton. »Trouwens,
-ik moet als krijgsman zonder eenige bedenking aan de mij gegeven
-orders gehoorzamen. Maar dewijl gij een vriend van koning George
-wilt zijn, zult gij zeker met genoegen hooren dat deze rooverbende,
-wier teugelloosheid het land sedert zoo langen tijd verontrust heeft,
-onmogelijk aan de maatregelen kan ontsnappen, die men thans tot hare
-verdelging heeft genomen. De landweer, onder bevel van den majoor
-Galbraith, heeft zich reeds met twee andere ruiterbenden vereenigd,
-en zullen alle passen van deze woeste streek bezetten. Driehonderd
-Hooglanders, onder aanvoering van de beide heeren, die gij in de
-herberg hebt gezien, hebben zich thans op de heuvels geschaard,
-terwijl eenige sterke afdeelingen de dalen in verscheidene richtingen
-doorkruisen. De laatste tijdingen, welke wij omtrent Robbert
-ingewonnen hebben, stemmen met de verklaringen van dien knaap overeen,
-namelijk dat hij van alle kanten ingesloten, het grootste gedeelte
-van zijne bende weggezonden heeft, hetzij met het oogmerk om zich te
-verschuilen, of om van zijne plaatselijke kennis der bergpassen voor
-zijne ontvluchting partij te trekken."
-
-»Maar ik weet dan wel," hernam Jarvie, »dat die majoor Galbraith
-vandaag meer brandewijndampen dan hersens in zijn hoofd heeft. In
-uwe plaats, kapitein, zou ik mij op die Hooglanders zoo vast niet
-verlaten. Gij kent immers het oude spreekwoord wel: »de eene kraai
-pikt de andere de oogen niet uit." Zij twisten vaak onder elkander,
-trekken zelfs tegen elkander het zwaard. Maar ten slotte, als zij
-zich tegenover een fatsoenlijk man bevinden, die geld op zak heeft,
-dan helpen ze elkaar weer."
-
-Thornton scheen deze waarschuwingen niet geheel en al in den wind
-te slaan. Hij maakte terstond eenige veranderingen in onzen optocht,
-door te bevelen, dat de soldaten hunne geweren in den arm nemen en de
-bajonetten opzetten zouden. Hij vormde ook eene voor- en achterhoede,
-ieder uit twee man en een onderofficier, die strenge bevelen ontvingen,
-om op alles een waakzaam oog te houden. Ook werd Dugald nogmaals scherp
-ondervraagd. Maar hij bleef standvastig bij zijne reeds afgelegde
-bekentenis. En toen men hem wegens, het verdachte en gevaarlijke van
-den weg, langs welken hij ons leidde, een verwijt deed, antwoordde
-hij met eene gemelijkheid, die inderdaad natuurlijk scheen te zijn,
-dat hij den weg niet had aangelegd, en dat, als de heeren gemakkelijker
-wegen verkozen, zij liever in Glasgow hadden moeten blijven.
-
-Na dit korte oponthoud begaf onze bende zich weder op marsch. De
-weg helde schuin naar het meer af, maar was tot hiertoe door zwaar
-geboomte zoo dicht belommerd, dat wij slechts van tijd tot tijd de
-uitgestrekte watervlakte bemerkten. Thans echter nam hij eene andere
-richting en liep zoo nabij den oever van het meer, dat wij den ganschen
-waterspiegel overzagen. Er was volstrekt geen wind. In stille pracht
-weerkaatsten zich in het fraaie watervlak de hooge donkere heuvels
-en grijze rotsen in het rond. Ook liepen de heuvels zoo dicht langs
-den oever neer en waren zoo steil, dat er bijna geen andere weg
-overbleef dan het smalle pad, langs hetwelk wij marcheerden. Rotsen
-hingen dreigend over ons. Door zware steenen op ons neder te laten
-rollen, zou men ons allen hebben kunnen doen omkomen, zonder dat wij
-in staat waren geweest, eenigen wederstand te bieden. Daarenboven
-konden wij, wegens de vele bochten van ons pad, nauwelijks meer
-dan honderd schreden vóór ons zien. Onze aanvoerder scheen over den
-hachelijken weg, dien men hem gewezen had, ongerust te worden. Hij
-verried dit onwillekeurig, door zijne soldaten telkens te bevelen,
-toch vooral op hunne hoede te zijn, en door Dugald te dreigen, dat,
-zoo hij hen in gevaar had gebracht, een oogenblikkelijke dood zijne
-straf zou wezen. Dugald hoorde echter deze bedreigingen aan met eene
-koele onverschilligheid, die òf uit bewustheid van onschuld of uit
-hardnekkigheid voortkwam.--»Willen de heeren Robbert Roodhaar zoeken
-en vinden," zeide hij, »dan moeten zij voor een weinigje gevaar niet
-bang zijn."
-
-Nauwelijks had de Hooglander dit gezegd, of de onderofficier, die
-de voorhoede kommandeerde, maakte plotseling halt. Hij zond een
-van zijne manschappen naar den kapitein, om dien te berichten,
-dat zich Hooglanders vertoonden op een vooruitstekend, den
-ganschen weg bestrijkend punt. Op hetzelfde oogenblik berichtte een
-soldaat van de achterhoede, dat men in het bosch, dat wij zoo even
-doorgetrokken waren, het geluid van een Hooglandschen doedelzak had
-gehoord. Thornton, even krijgshaftig als dapper, besloot terstond den
-voor ons liggenden pas te bestormen, eer hij in den rug kon aangevallen
-worden. Zijne soldaten stelde hij door de verzekering gerust, dat
-het geluid der doedelzakken, dat zij gehoord hadden, de nabijheid
-der Hooglanders aankondigde, die hen ter hulpe kwamen. Hij bracht
-hun tevens onder het oog, van hoeveel belang het was, voorwaarts te
-trekken en zich van Robbert meester te maken, voordat de hulptroepen
-aankwamen. Want dan zouden zij alleen den roem oogsten en ook den
-prijs, die op het hoofd van den roover was gesteld. De achterhoede
-vereenigde hij met het hoofdkorps en beval beiden de voorhoede snel
-te volgen. De twee gelederen deed hij naast elkander marcheeren,
-om met zijne bende de gansche breedte van den begaanbaren weg te
-bezetten.--»Hebt gij mij bedrogen, schurk, dan zult gij terstond
-sterven!" zeide hij zacht tegen Dugald en gaf bevel, den verdachten
-gevangene in het midden tusschen twee grenadieren te plaatsen,
-die hem bij de eerste poging om te ontvluchten dadelijk moesten
-neerschieten. Jarvie en ik werden insgelijks, tot meerdere zekerheid,
-in het midden der bende genomen. Nu plaatste Thornton zich aan het
-hoofd van zijne dapperen en riep op vasten toon: »voorwaarts!"
-
-Moedig rukten de soldaten vooruit. Maar de arme Andries was van angst
-schier half dood. En om u de waarheid te zeggen, waren Jarvie en ik
-weliswaar niet zoo vreesachtig en bang als hij, maar we konden toch
-niet met onverschilligheid het gevaar te gemoet gaan, om ons leven
-te verliezen in een strijd, die ons volstrekt niet aanging. Maar
-bedenkingen noch tegenstand kon hier helpen. We moesten meê.
-
-Wij waren op een afstand van ruim twintig pas van de plaats, waar
-onze voorhoede den vijand beweerde gezien te hebben. Het was een
-van die in het meer uitloopende voorgebergten, aan welks voet de weg
-zich kromde. Het ongebaande pad, van den oever afwijkende, nam hier
-eene zig-zag richting en liep ter zijde van eene steile rots op,
-die langs geen anderen weg te beklimmen was. Op den top van die
-rots, waarheen alleen dat smalle pad leidde, meende de korporaal
-de mutsen en lange geweren van eenige Hooglanders gezien te hebben,
-die zich waarschijnlijk verscholen hadden in het hooge heikruid en
-de bosschaadjes, waarmede de top bedekt was. Thornton beval hem, met
-drie man vooruit te rukken, ten einde den vijand uit de vermeende
-hinderlaag te verjagen, terwijl hij zelf met langzame, maar vaste
-schreden tot ondersteuning der vooruittrekkenden, volgde.
-
-De aanval, dien hij voornemens was te doen, werd door de plotselinge
-verschijning van een vrouw op den top der rotsen verhinderd.
-
-»Staat!" riep zij met gebiedende stem, »en zegt mij, wat gij zoekt
-in het land van Mac-Gregor?"
-
-Eene zoo verhevene en gebiedende gestalte zag ik zelden, als van deze
-vrouw. Zij mag tusschen de veertig en vijftig jaar zijn geweest. Haar
-gelaat droeg nog de sporen van buitengewone schoonheid, doch de
-invloed van het weer, misschien ook van kommer en hartstocht, had er
-zijn stempel op gedrukt. Zij zag er nu alleen ruw en krachtig uit. Haar
-plaid droeg zij niet om hoofd en schouders, zoo als de andere Schotsche
-vrouwen gewoon zijn, maar zij had hem, als de Schotsche soldaten,
-om haar lijf gewonden. Haar hoofd was met eene nachtmuts gedekt,
-waarop eene pluim stak. In hare hand hield zij een ontbloot zwaard
-en in haar gordel staken twee pistolen.
-
-»Het is Helena Campbell, Robberts vrouw!" fluisterde Jarvie, geheel
-onthutst, mij toe; »ach, nu zal het bloed kosten, dat zult gij zien!"
-
-»Wat zoekt gij hier?" herhaalde zij, toen kapitein Thornton nader
-gekomen was, om haar zelf van nabij te zien.
-
-»Wij zoeken den vogelvrij verklaarden Robbert Mac-Gregor Campbell,"
-antwoordde Thornton, »maar voeren geen oorlog tegen vrouwen. Bied dus
-geen vruchteloozen weerstand aan 's konings krijgsmacht. U wordt eene
-welwillende behandeling beloofd."
-
-»Ja, ik ken uwe zachtmoedige welwillendheid!" hernam de Amazone. »Gij
-hebt mij mijn naam en eer ontroofd. Mijn moeders gebeente, zal zich
-in het graf omkeeren, als men mijn gebeente bij het hare legt. Gij
-hebt mij en de mijnen huis en hof, bed en huisraad, kleederen, vee,
-alles, alles ontnomen--zelfs den naam van onze vaderen hebt gij ons
-ontroofd, en nu staat gij ons ook naar het leven!"
-
-»Dooden wil ik niemand," antwoordde de kapitein, »maar ik gehoorzaam
-aan de bevelen die mij gegeven zijn. Zijt gij alleen, goede vrouw,
-dan hebt gij niets te vreezen! zijn er echter roekeloozen bij u,
-die vergeefschen wederstand willen wagen, dan kome hun bloed over
-hen! Sergeant! voorwaarts!"
-
-»Voorwaarts!" herhaalde de onderofficier. »Hoera! kameraden! Robberts
-hoofd en eene beurs vol goud!"
-
-In stormpas liep hij vooruit, gevolgd door zes man, maar nauwelijks
-hadden de soldaten het steile pad begonnen te bestijgen, of er vielen
-schielijk achter elkander geweerschoten van verscheidene kanten. De
-aanvoerder der voorhoede, de sergeant, gevaarlijk gekwetst, trachtte
-nog op handen en voeten de rots te beklauteren. Doch na eene wanhopige
-poging, liet hij krachteloos los en van den rand der rotsen stortte
-hij in de diepte van het meer en verdronk. Drie zijner wapenbroeders
-vielen insgelijks, en de overigen, allen min of meer zwaar gekwetst,
-trokken op het hoofdkorps terug.
-
-Thornton liet zijne grenadiers aanrukken, die, naar het toenmalige
-gebruik, hunne verwoestende granaat-bommen bij zich droegen. De
-kapitein beval den overigen, den aanval dezer dapperen te
-ondersteunen. Mij en mijne lotgenooten riep hij toe: »zorgt voor
-u zelven."
-
-En onmiddellijk daarop gaf hij het bevel tot den aanval. Onder
-een luid »hoera!" rukten de soldaten voort. De grenadiers maakten
-zich gereed hunne granaten in het bosch te werpen, waar zich de
-hinderlaag bevond. Dugald, die in het gewoel van het gevecht vergeten
-werd, ontsnapte in de struiken, die een gedeelte van den rotsweg
-overdekten, waar wij eerst halt gemaakt hadden, en klauterde toen met
-de behendigheid van eene wilde kat naar boven. Onwillekeurig volgde
-ik zijn voorbeeld, daar ik begreep dat het open pad door het vuur der
-Hooglanders bestreken zou worden. Ik klauterde voort, tot ik geheel
-buiten adem was. Het onafgebroken schieten--elk schot werd door de
-echo's in de bergen duizendvoudig weerkaatst--het sissen der brandende
-granaten, het losspringen ervan, het geschreeuw der beide vechtende
-partijen--dit alles,--ik schaam mij niet het te bekennen,--joeg mij
-naar boven, om eene veilige wijkplaats te bereiken. Het steil opgaand
-pad werd echter spoedig zoo moeielijk, dat ik bijna wanhoopte Dugald
-in te halen, die van de eene rots sprong op de andere, van den eenen
-boomstronk op den anderen, zoo vlug als een eekhoren. Ik keek even
-achter mij, om te ontdekken, wat er van mijne beide metgezellen
-geworden was.
-
-Ik moest ondanks mijn ernstigen toestand even glimlachen. En
-toch had ik angst voor hen, want ik zag beiden in een staat van
-gedwongen rust, die lang niet benijdenswaard was, maar waarin zij
-eene allerzonderlingste vertooning maakten. Jarvie, aan wien de vrees
-waarschijnlijk voor een oogenblik de noodige vlugheid had verleend,
-was eerst een dertig voet boven het pad opgeklauterd. Doch toen hij van
-de eene rotspunt op de andere wilde stappen, gleed hij uit. En zijn
-ziel zou zich toen zeker hebben vereenigd met die van zijn vader den
-wijkmeester, wien hij zich zoo gaarne herinnerde, zoo niet een stevige
-tronk van een doornstruik, waaraan hij met het eene pand van zijn rok
-bleef hangen, hem zwevende in de lucht had gehouden. Zoo bleef hij als
-het uithangbord van »Het gulden vlies", in de lucht bengelen. Andries
-was in zijn klimmen gelukkiger geweest, tot hij eindelijk den top van
-eene kale rots bereikte. Maar ze stak zoo hoog boven het bosch uit,
-dat hij vast geloofde, aan al de gevaren van het meer en meer naderend
-gevecht blootgesteld te zijn. Daarbij was ze tevens zoo steil en
-ontoegankelijk, dat hij noch voor- noch achterwaarts zich waagde. Op
-de smalle rotsvlakte op en neder gaande als een kunstenmaker op de
-kermis, riep hij beurtelings in de Gaelische en Engelsche taal om
-genade, naarmate de overwinning zich voor deze of gene partij scheen
-te zullen verklaren. Maar zijne jeremiaden werden slechts begroet
-door de kreten der beklagenswaardige Jarvie, wien de vrees, evenzeer
-als zijn gevaarlijke toestand, het angstzweet deed uitbreken.
-
-Toen ik Jarvie in dezen dringenden nood zag, besloot ik terstond
-hem hulp te verleenen. Het was echter onmogelijk, zoo niet Andries
-insgelijks behulpzaam wilde wezen. Maar ik kon dezen noch door
-vriendelijke uitnoodiging, noch door ernstige bevelen, noch door
-scheldwoorden, noch door bedreiging van ongenade, den moed inboezemen,
-om van zijne gevaarlijke hoogte af te dalen. Hij stond daar als
-een onbekwaam minister, die niet met fatsoen van de verheven plaats
-kan dalen, die hij zich vermeten heeft te beklimmen. Onophoudelijk
-riep hij om genade, liep heen en weder en kromde zich in allerhande
-zonderlinge bochten, om de kogels te ontwijken.
-
-Gelukkig duurde de oorzaak van zijn angst niet lang, daar het schieten,
-dat eerst zonder eenige tusschenpoozen had voortgeduurd, plotseling
-ophield. Want het gevecht was opeens geëindigd. Snel zocht ik een plek,
-waar ik het gevolg en den uitslag van den strijd zien kon. Ik wilde
-het medelijden der overwinnaars inroepen voor den goeden Jarvie. Ze
-zouden hem toch niet als Mahomed's kist tusschen hemel en aarde laten
-zweven. Eindelijk vond ik, na een moeielijk klauteren, een plekje,
-vanwaar ik het slagveld kon overzien. Het gevecht was geëindigd, en,
-zoo als ik reeds vermoed had, ten nadeele van kapitein Thornton. Ik
-zag eene bende Hooglanders, die bezig waren, den kapitein en het
-geringe overschot van zijn korps te ontwapenen. Er waren slechts een
-twaalftal manschappen over, meest allen gewond. Aan het moorddadig en
-goed gericht vuur der vijanden waren zij blootgesteld geweest, zonder
-het met eenig goed gevolg te kunnen beantwoorden. Ten laatste hadden
-zij hunne wapens neergelegd, toen hun aanvoerder zag, dat hij ook in
-den rug bedreigd werd en door een langeren weêrstand slechts nutteloos
-het leven zijner dappere soldaten zou opofferen. Den Hooglanders,
-die eigenlijk uit eene hinderlaag vochten, had de overwinning weinig
-of niets gekost. Zij hadden slechts één doode en twee gekwetsten, en
-wel, zoo als ik later vernam, door de in hunne hinderlaag geworpen
-granaten. De woeste, krijgshaftige mannen omringden den Engelschen
-officier, wiens gelaat met bloed bedekt was, terwijl hij van hoed en
-wapens was beroofd. Zijne soldaten zwegen in diepe smart, terwijl de
-overwinnaars, in wier midden zij zich bevonden, maatregelen namen om
-hun eigen veiligheid te verzekeren, naar de ruwe wetten en gebruiken
-van den oorlog.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXI.
-
-
- "Wee den overwonnenen!" riep Brenno trotsch en woest,
- Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,
- En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalen
- En doet door dat gewicht den prijs van 't losgeld dalen.
- Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woord
- Drijft op het slagveld ijzeren wetten voort.
-
- De Galliade.
-
-
-Allerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald
-onder de overwinnaars te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, of hij
-had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in
-den engen bergpas te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen,
-waarmede de onwetende, zelfs half woeste, geheel onbeschaafde kerel
-dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen, toen hij zich
-dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds
-terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet
-zonder gevaar de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de
-eerste opwelling waren hunner woeste vreugde over de behaalde zege,
-waarin zij wreedheden begingen, die mij nog doen ijzen. Ik zag, dat
-een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan, door de
-overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche
-jongens, die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt
-werden. Ik oordeelde het dan ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak
-aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert nergens kon ontdekken,
-wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen.
-
-Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk
-terug, om te zien, of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon
-helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte ik, dat hij reeds uit zijn
-gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel zat hij aan
-den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren
-in de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met
-zijne redding geluk te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in
-het eerst niet zoo hartelijk, als ik ze hem bracht. Een hoestaanval
-liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel ten opzichte
-van mijne oprechtheid te kennen te geven.--»Een vriend, zegt men,
-is ons vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.--Ik
-kwam herwaarts, mijnheer Osbaldistone, in dit land, dat van God en
-menschen vervloekt is--de Heere vergeve het mij, dat ik mij zoo sterk
-uitdruk,--ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij--gij meent
-u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek
-schuurt en mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van
-tusschen die ruwe Hooglanders en Engelsche roodrokken doodgeschoten
-te worden of te verdrinken. En gij laat mij daar tusschen hemel en
-aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging aan te
-wenden om mij te helpen."
-
-Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze
-verontschuldigingen. Ik trachtte hem op alle mogelijke wijzen te
-overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest, hem eenige
-hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die,
-wel wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken
-handdruk en op even hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u
-gaarne! laat alles vergeven en vergeten zijn!"
-
-Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken?
-
-»Mij los te maken?" hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar
-hebben kunnen hangen, als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing
-immers met het hoofd naar den eenen kant en met de beenen naar den
-anderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom,
-even als gisteren, uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de
-pand van mijn rok af, en hij en een andere knaap hielpen mij op de
-been. Toch heb ik door die anders akelige historie de deugdzaamheid
-van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische
-Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd,
-en ik zou jammerlijk om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever,
-die dat laken geweven heeft, verstaat zijne kunst. Ik bengelde en
-schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als eene boot,
-die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt."
-
-Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden?
-
-»Dat heer zeide," antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was,
-mij terstond naar de dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij
-terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans naar u zoekt. Want
-hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven
-zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt,
-volkomen gelijk heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat
-om zonder handschoenen aan te pakken. En als vrouw is zij er niet
-op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat Robbert bang voor
-haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben
-elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij
-het nader hooren. Laat ons maar op hem wachten."
-
-Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des
-noodlots geschreven, dat Jarvie's schranderheid dien dag noch hem,
-noch een ander veel zou baten.
-
-Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den
-top der rots heen en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo
-bang was, ophield. Maar hij was op dit standpunt een veel te sterk
-in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende blikken
-der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens
-rond te kijken. Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons
-vermoeden, dat men hem ontdekt had; dit was ook zoo. Terstond snelden
-eenigen hunner in het bosch en klauterden van onderscheidene kanten de
-rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning gezien
-hadden. Zij, die den armen Andries 't eerst op den afstand van een
-geweerschot naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om
-hem in zijn hachelijken toestand hulp te bieden. Zij legden eenvoudig
-hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem door vrij ondubbelzinnige
-teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden te komen
-en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk
-wilde doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries
-niet langer dralen het waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar
-maakte hem onverschilliger omtrent dat, wat minder onvermijdelijk
-scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de rots af te
-klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met
-koortsachtigen angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene hand vrij had,
-richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te
-smeeken, de op hem aangelegde geweren niet los te branden. Eindelijk
-kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen, die zich met den
-onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten
-zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en
-zijn inspanning van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek
-gleed zijn voet uit en hij viel, zoo lang hij was, op den grond,
-waar de Hooglanders zich van hem meester maakten, en hem niet alleen
-al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk
-eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding
-afnamen, dat de arme man, die als een welgekleede knecht op den rug
-was gevallen, geheel naakt en met een kaal hoofd weder opstond. Toen
-sleepten zij hem over de scherpe rotspunten naar den straatweg.
-
-Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt,
-of eenigen van hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en
-zwaarden en hielden ons hunne pistolen voor. Aan tegenweer viel niet
-te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk eene bedreiging te kunnen
-beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de ongastvrije
-handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand
-brengen, waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond,
-toen er onverwachts redding kwam opdagen. Reeds had men mij mijn
-met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot van zijn reisrok
-ontnomen, of zie--daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon,
-onder vloeken en razen--wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet,
-maar ik giste het uit zijne hevige gebaren--dwong hij de plunderaars
-hun werk te staken en het reeds geroofde terug te geven. Mijn halsdoek
-rukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij
-dien in zijn ijver zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij,
-gedurende zijn verblijf in Glasgow, niet alleen den cipier gediend,
-maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen nu nog meer
-Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval
-den overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de
-noodige hulp te bewijzen. Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit
-volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming te erlangen. Hij
-had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen.
-
-»Waarachtig niet!" antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge
-zijt zoo ver ik weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben
-ook wel eens barrevoets geloopen."
-
-Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was
-geleverd, om ons als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende
-bende te brengen.
-
-Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen
-raakte. Eenigen wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan
-hen te danken had, doch met groote bedreigingen antwoordde hij
-hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin, wier
-uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de
-woeste, ruwe of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet,
-of Helena Mac-Gregor werkelijk deel aan het gevecht had genomen,--later
-vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken op hare handen en
-naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield;
-haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode,
-gepluimde muts golfden--alles scheen te kennen te geven, dat zij
-zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog en hare gelaatstrekken
-verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van bevredigde
-wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs
-of wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was,
-herinnerde zij mij aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in
-de Katholieke kerken van Frankrijk had gezien. Zij was echter niet
-schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare gelaatstrekken
-geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber,
-den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die
-in het Heidensch Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar
-toch deed de hooge graad van geestdrift, waarmede zij bezield was, en
-haar gelaat en geheel haar voorkomen mij denken aan de afbeeldingen van
-de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig schilderstuk
-had gezien.
-
-Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar
-Jarvie, wien de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht,
-begon na een voorbereidend hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de
-aangename gelegenheid,"--zijne bevende stem logenstrafte den nadruk,
-dien hij op het woord aangename trachtte te leggen--»in de aangename
-gelegenheid,"--hernam hij en poogde het bijvoegelijk naamwoord nog
-beter te doen uitkomen--»te zijn, mijne waarde nicht goeden morgen
-te wenschen. Hoe gaat het u?" vervolgde hij en scheen nu weder van
-lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al
-dien tijd gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor
-Campbell? Nu, gij zult u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren,
-Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was
-een braaf man, een man, op wien men staat kon maken, en hij hield
-bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer
-u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u,
-schuldig en plichtmatig, als mijne bloedverwante omhelsd hebben,
-indien slechts uw volk mij de armen niet zoo vasthield; en mag ik,
-zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering,
-aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te
-gebruiken, om de bloedige sporen van den oorlog af te wisschen."
-
-In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de
-overprikkelde gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was
-nog in den vollen roes harer vreugde over de zege in een gevaarlijken
-strijd. Zij was bezig over leven en dood uitspraak te doen. Dat stemde
-niet met Jarvie's gemoedelijk praten.
-
-»Wie zijt gij,"--begon zij--»die u vermeet, aanspraak op de
-verwantschap met Mac-Gregor te maken, maar noch zijne kleeding draagt,
-noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij, die de taal en de gewoonten
-van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?"
-
-»Of men u," antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap
-duidelijk genoeg verklaard heeft, weet ik niet, maar ze bestaat,
-en kan in elk geval bewezen worden."
-
-Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter
-van een Hooglander was geweest, wiens nog levende dochter in
-Stuckavrallachan woonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden
-graad was vermaagschapt. Maar de heldin tot wie hij sprak, besnoeide
-den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche vraag in de rede
-te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen
-erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot
-geringe huiselijke behoeften afgeleid hadden?
-
-»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!" antwoordde Jarvie. »Maar kijk
-eens, de stroom zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer,
-als zijn kiezel door de zonnestralen gebleekt is, een gedeelte van
-dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders acht
-ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook
-eene andere taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als
-kind geleerd heeft. Ik zou er vrij gek uitzien, als mijn ronde buik
-in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne korte beenen onder de
-knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige
-jongens. Maar nog eens," vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds
-wenken hem scheen aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar
-misnoegen over zijne praatzucht duidelijk liet blijken--»gij moet u
-toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een eenvoudigen daglooner
-het een of ander kan te verhandelen hebben, wat voor zijne majesteit
-van zeer veel belang is. Hoe hoog gij uwen man ook boven mij moogt
-verheven achten--het is niet meer dan billijk, dat eene vrouw den man
-eert, want Gods woord beveelt het--maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen
-dunk gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben,
-kan ik u echter verzekeren, dat er tijden zijn geweest, waarin hij
-mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne hulp gaarne erkend zou
-hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt treden,
-een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke
-veehandelaar en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen
-ontwapende hij nog niet 's konings soldaten, en stoorde nog niet de
-rust van den staat."
-
-Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd,
-iets wat zijne nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte
-zij zich op en verried de hevigheid harer gewaarwordingen door een
-luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.--»Ja," zeide zij,
-»gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij
-ons vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven,
-als houthakkers en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor
-uwe gastmalen te leveren, om als slaven door uwe wetten onderdrukt
-en door u met voeten getreden te worden. Maar neen! wij zijn vrij;
-wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel en
-deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er
-aan denk, dat ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op
-de aarde kan zijn. Welaan! Het werk, dat heden zoo goed begonnen is,
-wil ik door eene daad voortzetten, die elken band tusschen Mac-Gregor
-en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken! Hier
-Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het
-Hooglandsche meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten
-zoeken!"
-
-Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou
-daarmee de hevige drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer
-ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald tusschen beide. Dezelfde man,
-die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte, liet
-zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik
-uit alles merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen.
-
-Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als
-wilde zij ons den doodsangst in al zijne bitterheid reeds vooraf
-doen gevoelen.--»Ellendige hond!" riep zij; »durft gij u tegen
-mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong
-uit den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen,
-om te zien wie daarmede het best Saksisch sprak; of den eenen het
-hart uit te rukken en het in de borst van den ander te plaatsen,
-om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor
-ontwerpen kon--want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te
-handelen, als onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.--Zie,
-al wilde ik u zoo iets bevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige
-tegenwerping mijn wil ootmoedig te gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?"
-
-»Zeer, zeer zeker!" antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden;
-dat zou niets meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel
-meer voldoening zou verschaffen, dien leelijken kapitein met zijn
-korporaal en nog een paar van die roodrokken in het meer te laten
-werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn
-goede vrienden van Gregarach. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord
-zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken aan geen verraad, dat durf
-ik zweren."
-
-Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige
-tonen van een doedelzak op den weg naar Aberfoil deden hooren,
-waarschijnlijk dezelfde, die Thornton's achterhoede gehoord had. Het
-gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat
-krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen,
-om deel aan den strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast
-hadden, toen het schieten hun in de ooren klonk. Thans verschenen
-zij slechts om de overwinning hunner landslieden te helpen vieren.
-
-De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en
-zeer ten hunnen voordeele van diegenen, die over de manschappen
-van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders, die tot het
-gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen,
-nauwelijks in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen,
-kortom, menschen, die alleen in dringenden nood gewapend werden. De
-neerslachtigheid, welke Thornton's manhaftige gelaatstrekken benevelde,
-werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen hij zag,
-dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht
-en door eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te
-overwinnen. Maar de dertig of veertig Hooglanders, die nu aankwamen
-en zich met de overigen vereenigden, waren allen deels in den bloei
-hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige,
-goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en
-onder den omgegorden plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij
-beter gewapend dan de andere bende. De volgelingen der Amazone hadden
-deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei oude wapens; zelfs
-hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen. De
-naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna
-allen dolken naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had
-een goed geweer, een zwaard op zijde; daarbij een sterk rond schild,
-dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken en sierlijk met
-koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het
-midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand
-schoten, op den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden,
-werd het op den linkerarm gebonden.
-
-Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene
-overwinning terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten
-hadden. De doedelzak liet van tijd tot tijd eenige klagende tonen
-hooren, die geheel iets anders uitdrukten dan vreugde over eene
-behaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen
-zij voor de vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden,
-klonken, na eene korte stilte, nog eenmaal de woeste weemoedige tonen
-van den doedelzak.
-
-Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid
-te lezen.
-
-»Wat beduidt dit, Alaster?" zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze
-klaagtonen in het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is
-Mac-Gregor, uw vader?"
-
-Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame,
-dralende schreden. Zij mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de
-moeder eensklaps een luiden gil gaf, een schrillen schreeuw door de
-rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald, terwijl deze
-de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen
-was. En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel
-van het gevecht ophield, gezwegen had, werd weder gehoord. Het was
-een vreeselijk jammergeschrei; het joeg zelfs de nachtvogels uit hunne
-rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger en van nog droeviger
-voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren.
-
-»Gevangen?" herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk
-bedaarde. »Gevangen? En gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige
-lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat gij uw bloed tegen uws vaders
-vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen zien nemen
-en terugkeeren?"
-
-Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren
-jongelingen, de oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren
-bereikt. Hamisch, of Jakob heette de oudste der beiden; hij was een
-hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder. Zijne lichtblauwe
-oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie blauwe
-muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen
-Hooglandschen jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem
-van zijn vader te onderscheiden, noemden de Hooglanders hem »Oig",
-dat wil zeggen »de jonge". Donker haar en een gelaatskleur die van
-gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen
-bergbewoner tot eene aangename verschijning.
-
-Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen
-zij daar voor hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid
-ontvingen zij de verwijten, waarmede zij overladen werden. Toen
-eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins scheen te bedaren,
-beproefde de oudste in de Engelsche taal--waarschijnlijk om door de
-overigen niet verstaan te worden--zich en zijn broeder tegenover hunne
-moeder te rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel
-van hetgeen hij zeide verstond. Daar het voor mij van groot belang was,
-omtrent deze gewichtige gebeurtenis nauwkeurig onderricht te worden,
-luisterde ik met opmerkzaamheid.
-
-Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren
-Laaglander, die een teeken bracht van--de naam werd zeer zacht
-uitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone" te hooren--tot eene
-samenkomst uitgenoodigd. Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen,
-maar tevens bevolen, den man, die de boodschap overgebracht had,
-als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen
-zijn, van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de
-plaats der samenkomst begeven--den Hooglandschen naam kon ik niet
-verstaan,--slechts door twee mannen uit zijn gevolg, Angus Breek
-en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild;
-meer mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur
-was een der beide geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun
-opperhoofd door eene bende soldaten, onder aanvoering van Galbraith van
-Garschattachin, overvallen en gevangen genomen was. Naar de verzekering
-van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming gedreigd,
-zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met
-minachting geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen
-den dief op en gij den tollenaar, dan wordt het land op eens van twee
-plagen bevrijd." De terugkeerende geleider, Angus Breek, dien men
-niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt,
-om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen.
-
-»En dat hoordet gij, ellendige verraders!" riep Helena, »en gij
-spoeddet u niet terug om uw vader te redden, om hem te verlossen,
-of te sterven?"
-
-De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des
-vijands groote overmacht. Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen
-voorbereidselen maakte, om weder op te breken, hij zich terstond naar
-het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen te verzamelen,
-ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag te
-kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de
-nabijheid van het huis Gartartan, of in het oud aan zee liggend kasteel
-bij Monteith overnachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar,
-maar wanneer men het met eene talrijke bende waagde, dan kon het wel
-genomen worden.
-
-Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd
-in twee sterke benden verdeeld waren, van welke de eene de bezetting
-van Inversnaid met kapitein Thornton gadesloeg, en de andere tegen de
-vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich met de koninklijke
-soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in de
-woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard,
-toenmaals Robbertsland genoemd.
-
-Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde,
-de hier en daar verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde
-de Laaglanders aan te tasten. De smart, de droefheid en vertwijfeling,
-die in het eerst op aller gelaat te lezen waren, wisselden af met de
-streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak te bevredigen.
-
-Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als
-gijzelaar voor Mac-Gregor's veiligheid teruggebleven was, voor
-zich brengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen
-vreezende, den ongelukkige buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat
-inderdaad het geval geweest, dan vermocht hunne menschlievende voorzorg
-zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen. Op haar bevel
-sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar. Tot
-mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne
-door doodsangst reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris.
-
-Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad
-terug alsof zijne aanraking eene heiligschennis ware. In diepen
-ootmoed kon hij slechts den zoom van haar plaid kussen. Nooit heb
-ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken. Die angst
-was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans,
-de tong te verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met
-doodsbleeke wangen, met krampachtig samengevouwen handen, en oogen,
-die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen te vestigen,
-betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van
-een aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad
-en eerbiedigde, geweten had. Zich zelven echter in zijne angst
-tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat hij slechts het werktuig
-van anderen was, en mompelde Rashleigh's naam. Hij smeekte slechts
-om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld
-bezat. Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder
-kwellingen en ontberingen, als gevangene, als slaaf, voortsleepen,
-al moest het akeligste berghol zijn verblijf zijn.
-
-Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw
-van Mac-Gregor op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige
-geschenk van verlenging zijns levens begeerde.--»Ik zou u het leven
-hebben laten behouden," zeide zij, »als het voor u een zoo zware,
-ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke
-edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij
-zoudt door uwe schande, door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde
-misdaden niet in het minst zelfs gekweld, zeker niet gefolterd
-worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven en
-uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken
-zonder naam, zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op
-den nek trappen. Gij zoudt uw leven genieten als een slachtershond,
-die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen geslacht worden! Neen,
-dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij, en wel
-vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!"
-
-Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal
-hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op
-de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het
-meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen
-de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij
-mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van
-hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!"
-
-Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik,
-ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor
-hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak
-met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels
-vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij
-hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte
-zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half
-vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf
-voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak,
-trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans
-duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft
-was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden
-gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en
-den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te
-maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk
-in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige
-oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had
-daar beneden zijn graf gevonden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXII.
-
-
- Als ik niet voor de avond valt,
- Den stap hier weêr hoor van zijn voeten,
- Dan zweer ik bij de wraak van 't diep gefolterd harte
- En bij de kracht tot wraak van ijzig wreede smarte
- "Zwaar zal uw land die misdaad boeten!"
-
- Uit een oud Tooneelspel.
-
-
-Opmerkelijk, dat eene enkele wreede daad ons sterker treft, dan
-wanneer woeste barbaarschheid talrijke offers eischt? Ik had dien dag
-velen van mijne dappere landslieden zien sneuvelen, maar zij schenen
-mij slechts in het gewone lot der menschheid te deelen. Wel kwam er
-eene weemoedige aandoening in mij op, maar ik gevoelde geenszins die
-onbeschrijfelijk smartelijke ontroering, die mij aangreep toen ik
-den ongelukkigen Morris, onmachtig om zijn ontmenschten beulen zelfs
-den minsten tegenstand te kunnen bieden, den ijselijken marteldood
-zag ondergaan. Ik wierp een oog op mijn reisgenoot, en las op zijn
-gelaat de gewaarwordingen, die zich op het mijne uitdrukten. Diep
-verontwaardigd over de zoo even gepleegde gruweldaad mompelde hij,
-hoewel verstaanbaar genoeg, in zich zelven: »Het is een moord, een
-gruwzame moord! God zal die eenmaal wreken!"
-
-»Gij vreest dus niet, dat hetzelfde lot u overkomen kan?" vroeg
-Helena met dien akelig dreigenden blik, waarmede een havik op zijn
-prooi neerziet, voordat hij zijne klauwen uitstrekt.
-
-»Nicht," antwoordde Jarvie, »niemand zal gaarne zijn levensdraad
-afknippen, eer het einde van het kluwen behoorlijk om den haspel
-zit. En ik heb op deze drukke wereld nog veel te verrichten, niet
-alleen in mijne particuliere zaken, maar ook in mijn ambt tot welzijn
-van stad en land. Daarenboven heb ik nog voor deze en gene tot mij in
-betrekking staande, hulpbehoevende personen te zorgen; bijvoorbeeld
-voor het arme Matje, een verlaten wees. Zij is nog eene verre nicht
-van den heer van Limmerfield. En zie, als men over dat alles bedaard
-nadenkt, dan zou ieder voor het behoud van zijn leven gaarne alles
-geven wat hij bezit."
-
-»En als ik u in vrijheid stelde," hernam de Amazone, »met welken naam
-zoudt gij dan het verdrinken van dien ellendigen Sakser bestempelen?"
-
-Op deze onverwachte en vrij netelige vraag had de brave Jarvie niet
-zoo terstond zijn antwoord gereed. Hij kuchte eenige malen, liet
-eenige afgebroken woorden voorafgaan, en zeide toen: »Ik zou er zoo
-min mogelijk over spreken; want wie niet veel praat, heeft ook niet
-veel te verantwoorden."
-
-»Maar als gij door het een of ander gerechtshof, zoo als gij het noemt,
-daarover ondervraagd werdt, wat zoudt gij dan antwoorden?" vroeg
-Helena nogmaals.
-
-Jarvie keek rechts en links om zich heen, als zocht hij eene uitvlucht,
-die hij niet scheen te kunnen vinden. Eindelijk, als iemand, die
-geene kans tot een eerlijken terugtocht ziende, besluit den strijd
-te wagen, antwoordde hij moedig: »Ik merk wel, waar gij met mij heen
-wilt. Maar ik zeg het u ronduit, nicht, ik moet spreken naar plicht
-en geweten. Uw eigen man--om zijn en mijn wil wenschte ik wel, dat
-hij hier ware--en ook Dugald weten het beide, dat Nicolaas Jarvie de
-gebreken en fouten van een vriend even goed door de vingers kan zien,
-als iemand anders. Maar dat moet ik u ook zeggen, nicht, over mijne
-tong komt nooit een leugen. Eer ik zeggen zou, dat die arme schelm
-daar wettig om het leven is gebracht, zou ik veel liever naast hem
-in de diepte van het meer liggen. Maar gij zoudt toch, in elk geval,
-de eerste Hooglandsche vrouw zijn, die aan den bloedverwant haars
-mans in den vierden graad zulk eene daad zou plegen!"
-
-Waarschijnlijk was de vrijmoedige en stellige toon, waarop Jarvie deze
-woorden sprak, beter geschikt om op het harde hart zijner nicht indruk
-te maken, dan de smeekende toon, dien hij te voren had aangenomen. Men
-snijdt edelgesteenten met staal, maar niet met weeker metalen. Beiden
-moesten wij voor haar komen.--»Uw naam is Osbaldistone?" zeide zij
-tegen mij. »De ellendeling, dien gij hebt zien sterven, noemde u zoo."
-
-»Ja, ik heet Osbaldistone!" antwoordde ik.
-
-»Dan is uw voornaam misschien Rashleigh!" vervolgde zij.
-
-»Neen! Ik heet Frans," luidde mijn antwoord.
-
-»Maar gij kent Rashleigh Osbaldistone toch?" hernam zij. »Vermoedelijk
-is die uw broeder, of ten minste uw bloedverwant en vriend?"
-
-»Mijn bloedverwant, ja, maar geenszins mijn vriend," antwoordde
-ik. »Nog onlangs stonden wij tegenover elkander met den degen, toen
-iemand ons scheidde. Die iemand was uw man. Mijn bloed is aan zijn
-degen nog nauwelijks droog, de wond in mijne zijde nog niet volkomen
-geheeld. Ik heb geen reden, hem mijn vriend te noemen."
-
-»Als gij dus niets met zijne listen en streken hebt te maken," hernam
-zij, »kunt gij u veilig en zonder voor uw vrijheid te vreezen naar
-Galbraith Garschattachin en diens bende begeven en hun eene boodschap
-van Mac-Gregors vrouw overbrengen?"
-
-Ik antwoordde, dat ik niet wist, waarom dat krijgsvolk mij gevangen zou
-houden, en dat ik van hen zeker niets te vreezen had. Gaarne, voegde
-ik er bij, zou ik die boodschap verrichten, zoo ik hare gevangenen,
-mijn vriend en mijn bediende, daardoor bescherming kon verschaffen. Ik
-was toch in dit oord gekomen, alleen op uitnoodiging van haar man en
-op zijne verzekering, dat hij mij in zekere gewichtige zaak hulp zou
-verleenen. Mijn reisgenoot Jarvie had mij, ook al om mij in die zaak
-van dienst te zijn, herwaarts vergezeld.
-
-»En ik wenschte wel," viel mijn vriend mij in de rede, »dat er in
-Jarvie's laarzen, toen hij ze aantrok, kokend water ware geweest!"
-
-»Hebt gij gehoord, wat de jonge Sakser ons daar heeft gezegd?" vroeg
-Helena haren zonen. »Daarin kunt gij uw vader herkennen! Dan alleen
-bezit hij verstand, wanneer hij de muts op het hoofd en het zwaard in
-de hand heeft. Maar nauwelijks heeft hij den tartan met het lakensche
-kleed verwisseld, of hij wordt een slachtoffer van de ellendige
-streken der Laaglanders. Zie! na alles wat hij reeds geleden heeft,
-wordt hij op nieuw hun zaakwaarnemer, hun werktuig, hun slaaf!"
-
-»Voeg er dan bij," zeide ik, »hun weldoener."
-
-»Mij goed!" antwoordde zij; »dat is de ijdelste titel van
-alle. Talloos heeft hij weldaden bewezen. Waartoe? Om lage,
-schandelijke ondankbaarheid te oogsten. Maar genoeg! Ik zal u naar de
-vijandelijke voorposten laten geleiden. Vraag daar om het opperhoofd,
-den bevelhebber, of hoe hij zich noeme, te spreken. Breng hem de
-boodschap van mij, van Helena Mac-Gregor, zeg hem: Indien zij van
-Mac-Gregor's hoofd slechts een enkel haar krenken en hem binnen den
-tijd van twaalf uren niet in vrijheid stellen, dan zal er in Lennox,
-vóór Kerstmis, geene vrouw zijn, die geen jammerklacht aanheft over
-hem, die haar dierbaar is--geen pachter, die niet wee roept over eene
-afgebrande schuur, of een ledigen stal--geen laird, die des avonds
-zijn hoofd ter ruste zal leggen, met de zekerheid den volgenden
-morgen veilig te zullen opstaan! En namens mij eindigt ge met te
-zeggen: Zoodra de bepaalde tijd verstreken is, dan zend ik hun dit
-lid van den Glasgowschen raad, en dezen Saksischen kapitein, en al
-de overige gevangenen, elk in een plaid gebonden, maar in zoo vele
-stukken gehouwen, als er ruiten in een Tartan zijn."
-
-Na deze vreeselijke bedreiging zweeg zij. Thornton had alles
-verstaan. Hij richtte zich op en sprak met koelbloedigheid: »Breng den
-bevelvoerenden officier de groeten van den kapitein Thornton en zeg
-hem, dat hij zijn plicht zal doen zonder zich om mij te bekommeren,
-of, om mijnent wil, zelfs een haarbreed van zijn plicht af te
-wijken. Ik ben dwaas genoeg, geweest, mij door deze listige wilden
-in eene hinderlaag te laten lokken, maar ik ben toch nog verstandig
-genoeg, om te weten hoe ik sterven moet, zonder den dienst oneer aan
-te doen. Ik beklaag alleen mijne dappere kameraden, dat zij in zulke
-wreede handen gevallen zijn."
-
-»Stil! stil!" fluisterde Jarvie hem toe. »Zijt gij uw leven
-moede? Groet den bevelhebber ook van mij, Jarvie, lid van den
-stedelijken raad van Glasgow, zoon van mijn overleden vader, den
-wijkmeester, die insgelijks eens denzelfden post, als ik thans,
-bekleedde. Zeg hem, dat hier een paar brave mannen deerlijk in het nauw
-zitten, en dat het nog veel erger met hen kan afloopen. Hij kan voor
-het algemeene welzijn niets beters doen, dan Robbert ten spoedigste
-in vrijheid te stellen. Want dat hier reeds iets verschrikkelijks
-gebeurd is; maar daar dit eigenlijk slechts den kommies getroffen
-heeft, is het haast niet de moeite waard, er veel leven over te maken."
-
-Met deze zoo lijnrecht tegen elkander inloopende boodschappen
-van Thornton en Jarvie, voor welke beiden evenwel de uitslag
-mijner zending van zoo veel belang was, en met Helena's herhaalde
-vermaning, om hare bevelen stipt en letterlijk over te brengen, werd
-ik eindelijk weggezonden. Andries kreeg verlof mij te vergezellen,
-denkelijk om van zijn lastig gejammer en gehuil bevrijd te worden. Men
-scheen echter te vreezen, dat ik met behulp van mijn paard aan mijne
-geleiders ontsnappen zou. Misschien wilde men ook een onderpand van
-eenige waarde behouden, opdat ik terug zou komen, en men gaf mij dus
-te verstaan, dat ik te voet moest reizen. Jakob, de oudste zoon van
-Mac-Gregor, benevens twee van zijne makkers, begeleidden mij, zoo wel
-om mij den weg te wijzen, als voornamelijk om de sterkte en stelling
-van den vijand te verkennen. Eerst werd Dugald dit mede opgedragen,
-maar zeer sluw wist hij zich daarvan te verschoonen, hij deed dit,
-zoo als wij naderhand vernamen, om in persoon voor Jarvie's veiligheid
-te kunnen zorgen, wien hij, volgens zijne onbeschaafde begrippen van
-trouw en dankbaarheid, hulp meende verschuldigd te zijn, omdat het
-lid van den achtbaren stedelijken raad eens zijn beschermer, of ten
-minste zijn gebieder geweest was.
-
-Bijna een uur waren wij vrij snel voortgestapt, toen wij op een
-met hout bedekten heuvel kwamen, van waar we een vrij uitzicht
-over het dal hadden en de stelling van het krijgsvolk nauwkeurig in
-oogenschouw konden nemen. Het korps, dat grootendeels uit ruiterij
-bestond, had zich, zeer verstandig, niet in den engen pas gewaagd,
-die den kapitein Thornton zoo noodlottig was geweest. Het had zijne
-stelling vrij doelmatig ingericht op eene hoogte, in het midden
-van het kleine dal van Aberfoil, dat, door de Forth, die hier nog
-zeer nabij hare bronnen heeft, doorstroomd, door twee rijen heuvels
-van kalksteenrotsen, die van den oever opstijgen, ingesloten en
-in het verschiet door hooge bergen begrensd wordt. Het dal is zoo
-breed, dat de ruiters tegen een plotselingen aanval der Hooglanders
-volkomen beveiligd waren; ook waren op een behoorlijken afstand van
-het hoofdkorps naar alle kanten schildwachten uitgezet, ten einde
-bij het minste alarm tijds genoeg te hebben, om op te zitten en zich
-tot den strijd gereed te maken. Toenmaals vreesde men namelijk niet,
-dat de Hooglanders eene ruiterbende op het open veld zouden aantasten;
-ofschoon latere gebeurtenissen bewezen hebben, dat zij dit met goed
-gevolg wagen konden. De Hooglanders voedden, toen ik hen leerde
-kennen, eene bijna onbegrijpelijke vrees voor paardenvolk, omdat de
-Laaglandsche paarden een veel woester voorkomen hadden, dan de kleine
-paarden van hunne gebergten. Het gemeene volk geloofde, dat men die
-dieren afgericht had, om ook met hunne pooten en tanden te vechten.
-
-De grazende paarden der ruiterij in het dal; de militairen, die in
-allerlei groepen aan den oever der heerlijke rivier zaten, stonden,
-of op en neer wandelden; de kale en toch schilderachtig schoone rotsen
-aan beide oevers--dit alles vormde een bekoorlijken voorgrond, terwijl
-aan de oostzijde het meer Menteith zich uitstrekte, en het kasteel
-Stirling in de schemerende verte met het blauwachtige Ochill-gebergte
-den achtergrond afsloot.
-
-De jonge Mac-Gregor wierp een snellen, onderzoekenden blik op het
-dal. Daarop gaf hij mij te kennen, dat ik naar het krijgsvolk afdalen
-en mij van mijne opdracht bij den aanvoerder kwijten moest, terwijl
-hij mij tevens met dreigende gebaren verbood te verraden, wie mijn
-wegwijzer was geweest, en waar ik mijn geleide achtergelaten had.
-
-Zoo begaf ik mij dan op weg, vergezeld door Andries, die van zijne
-Engelsche dracht alleen nog broek en kousen had, maar van zijn hoed
-beroofd was en sandalen droeg, welke Dugald hem uit medelijden gegeven
-had. Voor het overige had, hij zijne naaktheid vrij armzalig met
-een ouden gescheurden plaid bedekt. Wij waren intusschen nog niet
-ver gegaan, toen een ruiter, die op schildwacht stond, ons in het
-oog kreeg, terstond op ons toereed en met aangelegde karabijn ons:
-»staat!" toeriep. Ik gehoorzaamde en gaf hem mijn verlangen te kennen,
-om bij zijn bevelhebber gebracht te worden. Terstond toonde hij zich
-daartoe bereid en bracht mij in een kring van officieren, die in
-het gras zittende, een man van hoogen rang omringden, die een zeer
-fraai gepolijst stalen kuras droeg, waarop de teekens van de aloude
-distelorde hingen. Mijn bekende, Garschattachin, en verscheidene
-anderen, deels in uniform, deels in gewone kleeding, maar allen
-gewapend, schenen hunne bevelen van dien edelman te ontvangen. Zeer
-vele bedienden in prachtige livrei, hoogst waarschijnlijk tot zijn
-gevolg behoorende, verbeidden insgelijks zijne wenken.
-
-Na eene eerbiedige begroeting verhaalde ik den bevelhebber, dat
-ik onwillekeurig getuige was geweest van de neêrlaag, welke de
-soldaten in den engen pas van Loch-Ard door de Hooglanders geleden
-hadden, en dat de overwinnaars hunne gevangenen, als ook het gansche
-Lageland, met het ergste bedreigden, tenzij hun dien morgen gevangen
-aanvoerder ongekrenkt in vrijheid werd gesteld. De hertog,--want
-de opperbevelhebber was iemand die dezen titel voerde--hoorde mij
-zeer bedaard aan, en antwoordde toen, dat het hem leed zou doen, de
-ongelukkige gevangenen den wreeden wilden, in wiens handen zij gevallen
-waren, te moeten prijs geven; maar dat het eene dwaze veronderstelling
-was, dat hij den hoofdbewerker van al deze rampen en misdaden uit zijne
-gevangenis zou ontslaan, om daardoor diens aanhangers nog vermeteler
-te maken.--»Keer terug," voegde hij er met mannelijke vastberadenheid
-bij, »en zeg hun, die u gezonden hebben, dat ik Robbert Campbell, dien
-zij Mac-Gregor noemen, onfeilbaar met het krieken van den volgenden
-dag zal doen ter dood brengen als een vogelvrij verklaarde, die met
-de wapens in de hand gevangen genomen werd en voor zijne tallooze
-gruweldaden duizendvoudig den dood heeft verdiend, dat ik mij voor
-het oog der wereld diep zou vernederen, wanneer ik ten zijnen opzichte
-anders handelde; dat ik het land tegen hunne onbeschaamde bedreigingen
-zal weten te beschermen, en dat, als zij de beide ongelukkige heeren,
-die zich thans in hunne macht bevinden, een enkel haar krenken, ik
-zulk eene geduchte wraak zal nemen, dat de steen en in hunne dalen
-jaren lang daarover wee zullen roepen!"
-
-Ik veroorloofde mij bescheiden eene ernstige aanmerking betrekkelijk
-mijne zending, en sprak van de gevaren, waaraan ik mij bloot stelde;
-maar de hertog antwoordde, dat ik in dat geval mijn bediende kon
-terugzenden.
-
-»Wel ja, waarom niet!" barstte Andries plotseling uit, zijn eerbied
-vergetende voor den hertog en zonder mijn antwoord af te wachten:
-»den bediende terugzenden! Denkt men dan dat ik, als de Hooglanders
-mij deze keel afsnijden, nog een andere tot plaatsvervangster op
-zak heb? Of dat ik, als een wilde eend, aan het eene einde van het
-meer onderduiken en aan het andere weder boven komen kan? Neen,
-neen! daarvan komt niets! Ieder voor zich, en onze lieve Heer voor
-ons allen, dat is mijne spreuk. Ieder doe zijne eigen boodschap,
-dan weet hij zeker, dat ze goed gedaan wordt. En buitendien, Robbert
-Roodhaar heeft nooit het kerspel van Dreepdaily bezocht, veel minder
-een enkelen appel of peer uit mijn tuin gestolen."
-
-Toen ik den heilloozen babbelaar niet zonder moeite tot zwijgen had
-gebracht, schilderde ik den hertog het groote gevaar, waaraan kapitein
-Thornton en mijn vriend Jarvie blootgesteld waren, en smeekte hem,
-mij in antwoord eenige gematigde en aannemelijke voorwaarden mede te
-geven, waardoor het leven der gevangenen zou kunnen gered worden. Ik
-betuigde hem, dat ik voor mij volstrekt geen gevaar zou schuwen, zoo
-ik slechts de hoop kon koesteren van dienst te kunnen zijn. Ik voegde
-er nog bij, dat ik, na al hetgeen ik gehoord en gezien had, geen
-oogenblik twijfelde, dat men de gevangenen terstond zou vermoorden,
-als men wist dat Robbert Campbell de doodstraf moest ondergaan.
-
-De hertog was zichtbaar getroffen.--»Het is een netelig, een
-allerneteligst geval!" zeide hij; »ik besef het zeer goed. Doch ik
-heb hoogere plichten jegens mijn vaderland te vervullen. Robbert
-moet sterven!"
-
-Gaarne beken ik, dat ik niet gevoelloos bleef, toen ik hoorde welk
-lot den man te wachten stond, die zich zoo dikwerf dienstvaardig
-en welwillend jegens mij getoond had. Verscheidene lieden onder 's
-hertogs gevolg waren insgelijks getroffen en waagden het voor Robbert
-te spreken. Het zou, zeiden zij, raadzamer zijn hem naar het kasteel
-van Stirling te zenden en hem aldaar in strenge bewaring te houden,
-als onderpand voor de volkomen onderwerping van zijne bende. Het zou
-eene onberekenbare ramp zijn, het land aan eene plundering bloot te
-stellen, welke men in de lange nachten van den op handen zijnden
-winter niet zou kunnen beletten, omdat het niet mogelijk was elk
-punt te bewaken, en de Hooglanders zeer zeker de onbewaakte toegangen
-zouden weten te vinden. Het zou, voegde hij er bij, zeer hard zijn,
-de ongelukkige gevangenen aan de gruwzaamste martelingen ten prooi te
-geven, welke zij onfeilbaar zouden ondergaan, wanneer men door al te
-strenge maatregelen de wraakzucht der barbaren tergde. Garschattachin
-ging nog verder en pleitte voor in vrijheid-stelling, ofschoon hij
-zeer wel wist, dat de hertog om bijzondere redenen den gevangen Robbert
-geenszins genegen was. »Robbert Roodhaar"--zeide hij--»is, weliswaar,
-een gevaarlijk buurman voor de Laaglanden, en in het oog van den hertog
-alleszins strafschuldig, doch voor het overige een knappe, schrandere
-kerel. Misschien zouden er nog wel middelen te vinden zijn, om hem tot
-eene betere zienswijze te brengen. Maar zijne vrouw en zijne zonen,
-dat zijn vermetele vijanden, zonder vrees, zonder medelijden. Die
-zouden aan het hoofd van zijne bende eene erger landplaag worden,
-dan hij ooit zelf geweest was."
-
-»Volstrekt niet!" antwoordde de hertog. »Hij alleen heeft door zijne
-schranderheid en listen zijne heerschappij zoo lang gehandhaafd. Een
-gewone Hooglandsche roover zou in even vele weken ten onder gebracht
-zijn, als hij jaren geheerscht heeft. Zijne bende, met hem niet meer
-tot aanvoerder, zal ons niet lang meer verontrusten. Als eene wesp
-zonder kop, die wel eens steken kan maar dan ook weldra ophoudt te
-leven, zal zij spoedig vernietigd zijn."
-
-Garschattachin liet zich niet zoo licht tot zwijgen brengen. »Uwe
-hoogheid," zeide hij, »ik verklaar volstrekt geene vriendschap voor
-Robbert te koesteren en hij zeker evenmin voor mij. Immers, hij heeft
-tweemaal mijne stallen geplunderd, en mijnen pachters onberekenbaar
-veel schade berokkend, maar...."
-
-»Maar," viel de hertog hem met een veelbeteekenend glimlachje in
-de rede; »gij meent, geloof ik, dat men zulk eene vrijheid aan den
-vriend van een vriend wel vergeven kan, en Robbert is immers, zoo als
-men vermoedt, geen vijand van uwe vrienden aan gene zijde van de zee?"
-
-»Welnu, al ware dat eens zoo," antwoordde Galbraith op denzelfden
-schertsenden toon, »dan is dat toch het ergste niet wat ik van
-hem gehoord heb. Maar ik wenschte wel, dat wij al tijding van de
-stammen hadden, op wier komst wij reeds zoo lang wachten. Zij zullen
-denkelijk hun woord houden als--Hooglanders. Maar ik ken hunne wijze
-van handelen. Zij vechten niet gaarne tegen elkaar!"
-
-»Dat geloof ik niet!" hernam de hertog. »Zij zijn als mannen van eer
-bekend, en ik mag op goeden grond vertrouwen dat zij hunne belofte
-gestand zullen doen. Er kunnen zich toch eens paar ruiters op weg
-begeven, om hen te gemoet te rijden. Vóór hunne aankomst kunnen wij
-het niet wagen, den engen pas aan te tasten, waar kapitein Thornton
-zich liet verschalken. Tien man voetvolk kunnen zich daar tegen het
-beste regiment ruiterij handhaven, dat weet ik best! Laat intusschen
-aan de manschappen eenige ververschingen geven."
-
-»Ook ik genoot het voordeel van dit laatste bevel, en dit was mij
-zeer welkom, daar ik sinds onzen overhaasten maaltijd te Aberfoil
-volstrekt niets genuttigd had. De uitgezonden ruiters kwamen terug,
-maar zonder naricht aangaande de verwachte hulptroepen, en de zon
-was reeds vrij diep aan de kimmen gezonken, toen een Hooglander,
-die tot de verbonden stammen behoorde, een brief bracht, dien hij
-den hertog met eene diepe buiging aanbood.
-
-»Ik wed om een okshoofd wijn," zeide Galbraith, »dat deze brief de
-tijding behelst, dat die satansche Hooglanders, die wij hier onder
-zoo vele plagen en ongemakken verbeid hebben, terugtrekken en ons
-aan ons lot overlaten zullen."
-
-»Zoo is het ook!" riep de hertog, gloeiende van verontwaardiging,
-toen hij den brief gelezen had, die op een morsig stuk papier
-geschreven, maar met het aan 's hertogs hoogen rang verschuldigde
-opschrift voorzien was. »Onze bondgenooten hebben ons verlaten en
-een afzonderlijken vrede met den vijand gesloten."
-
-»Dat is de gewone loop van alle verbonden!" hernam Galbraith. »De
-Hollanders wilden onlangs even zoo met ons handelen, toen wij hun te
-Utrecht de kans afkeken."
-
-»Ik vind u erg vroolijk gestemd," zei de hertog eenigszins geërgerd,
-te kennen gevend, dat hij nu niet tot schertsen geneigd was. »Onze
-tegenwoordige toestand vereischt allen mogelijken ernst. Ik geloof
-niet, mijne heeren," vervolgde hij, zich tot de overige officieren
-wendende, »dat iemand uwer in de tegenwoordige omstandigheden van
-gevoelen zal zijn, dat wij verder in het land moeten doordringen,
-zoolang wij noch door vriendschappelijke Hooglanders, noch door
-voetvolk ondersteund worden."
-
-Allen waren van gevoelen, dat zulk eene onderneming de grootste en
-onvergefelijkste dwaasheid zou zijn.
-
-»En even dwaas zou het wezen," hernam de hertog, »als wij ons hier
-aan het gevaar blootstellen van gedurende den nacht overvallen te
-worden. Ik stel u dus voor, naar Duchray en Gartartan terug te trekken
-en onze wachtposten tot den morgen uit te zetten. Maar voor dat wij
-scheiden, wil ik Robbert in uwer aller tegenwoordigheid verhooren,
-ten einde gij u met uwe eigen oogen en ooren kunt overtuigen, hoe
-ongeraden het zijn zou, hem weder gelegenheid tot nieuwe daden van
-geweld te geven."
-
-Op bevel van den hertog werd de gevangene voorgebracht. Zijne handen
-waren samengebonden en met een buikriem op den rug gekneveld. Twee
-onderofficieren hielden hem van weerskanten vast, en twee mannen met
-geladen karabijnen en opgezette bajonetten stonden achter hem.
-
-Ik had dezen man nog nooit in zijne landskleeding gezien, die het
-eigendommelijke van zijne gestalte nog meer deed uitkomen. Zijn
-gekroesd rood haar, dat de hoed en pruik der Laaglandsche dracht
-grootendeels verborgen had, stak onder de Hooglandsche muts uit,
-en billijkte den bijnaam Roodhaar, onder welken hij in het Laagland
-'t best bekend was. Trouwens, zoo deze naam, niet bijzonder op zijn
-hoofdhaar toepasselijk ware, had men hem dien ook met het oog op
-zijn beenen kunnen geven. Van den zoom zijns roks tot aan den rand
-der slobkousen, volgens de Hooglandsche gewoonte naakt, waren die
-met rood haar, inzonderhand rondom de knie, bedekt. Daardoor en ook
-wegens hunne krachtige spieren, zagen ze er uit als de schenkels van
-een rooden Hooglandschen stier.
-
-Zijne veranderde kleeding, gevoegd bij hetgeen men mij ten opzichte
-van zijn woest en wreed karakter verhaald had, gaf hem thans in mijne
-oogen een veel vreeselijker voorkomen, dan ooit te voren. Nauwelijks
-herkende ik hem.
-
-Zijne houding was vrijmoedig, ongedwongen, en in zoover zijne banden
-hem niet hinderden, fier en waardig. Hij boog voor den hertog, knikte
-Garschattachin en de overigen toe, en scheen verwonderd te zijn,
-dat hij ook mij in dit gezelschap vond.
-
-»Wij hebben elkander sinds lang niet gezien, mijnheer Campbell!" zei
-de hertog.
-
-»Dat is waar, Milord!" antwoordde Robbert; »en ik wenschte wel,
-dat deze ontmoeting op een tijd ware voorgevallen, dat ik u beter en
-voegzamer mijn verschuldigden eerbied had kunnen bewijzen!" voegde hij
-er, met een blik op zijne geboeide armen, met veel nadruk bij.--»Doch
-die tijd zal wel eens wederkomen!"
-
-»Geen tijd is zoo goed als de tegenwoordige, mijnheer Campbell!" hernam
-de hertog. »Nog slechts zeer weinige zijn de uren, die u resten, om
-uwe rekening met deze wereld te vereffenen. Dit zeg ik niet, om met uw
-ongelukkigen toestand te spotten. Maar gij zelf moet zeer goed inzien,
-dat gij het einde van uwe aardsche loopbaan genaderd zijt. Ik erken
-gaarne, dat gij u vaak menschelijker, grootmoediger gedragen hebt,
-dan anderen van uw heilloos beroep, ja, dat gij nu en dan bewijzen van
-een edelen aanleg en van gezindheden hebt gegeven, die iets beters van
-u deden hopen. Maar gij weet zelf hoe lang gij de schrik en plaag uwer
-vreedzame buren geweest zijt. Gij weet ook, door welke gewelddadigheden
-gij uwe onwettige heerschappij gehandhaafd en uitgebreid hebt. Kortom,
-gij weet, dat gij den dood verdient en u daarop voorbereiden moet."
-
-»Milord," hernam Robbert; »ofschoon ik u op goede gronden mijn ongeluk
-zou kunnen wijten, zal ik echter nooit zeggen, dat gij willens en
-wetens daarvan de oorzaak en bewerker zijt geweest. Had ik dit geloofd,
-hertog, dan zoudt gij heden niet tegenover mij staan. Want driemaal heb
-ik u onder het bereik van mijn geweer gehad, en men weet zeer goed,
-dat mijn kogel nooit mist. Maar men heeft mij bij u belasterd. Men
-heeft u tegen een man vooringenomen, die eens zoo vreedzaam was,
-als iemand in het gansche land wezen kan. Ja, men heeft uw naam
-misbruikt, om mij tot het uiterste te brengen. Maar dit alles heb
-ik hun vergolden. En ik zeg u, ik hoop het te beleven, hun ook te
-vergelden wat gij thans tot mij gezegd hebt!"
-
-»Dat is mij bekend," zei de hertog met klimmend misnoegen, »dat gij
-een koene, onbeschaamde knaap zijt, die woord houdt, als hij zijn
-medemenschen onheil zweert. Maar ik zal zorg dragen, dat de macht
-daartoe u voor altijd benomen wordt. Gij hebt geene andere vijanden,
-dan uwe booze daden."
-
-»Had ik Grahame geheeten in plaats van Campbell, dan zou men mij zulke
-taal zeker niet hebben doen hooren!" hernam Robbert op wreveligen,
-vasten toon.
-
-»Gij zult wel doen, met uwe vrouw, uwe verwanten en aanhangers te
-waarschuwen, dat zij zich wachten, de personen, die thans in hunne
-macht zijn, eenig leed toe te voegen. Want duizendvoudig zal ik zelfs
-de geringste beleediging wreken, die de uwen zich verstouten getrouwen
-onderdanen van den koning aan te doen."
-
-»Milord," antwoordde Robbert, »geen van mijne vijanden kan zeggen,
-dat ik een bloeddorstig man ben geweest. Bevond ik mij thans onder de
-mijnen, ik zou vier- of vijfhonderd Hooglanders even licht kunnen
-regeeren, als gij deze acht of tien lakeien. Maar wilt gij het
-hoofd van een stam doen vallen, dan moet gij er staat op maken,
-dat dit geenszins ongewroken zal blijven. Intusschen, hoe het ook
-gaan mocht, er is onder onze gevangenen een braaf man, mijn neef;
-dien mag volstrekt geen leed wedervaren. Is hier niemand, die voor
-Mac-Gregor iets goeds wil doen? Hij kan het nog wel vergelden,
-ofschoon zijne handen thans geboeid zijn."
-
-De Hooglander, die den hertog den brief had gebracht, zeide: »Ik
-zal doen wat gij begeert, Mac-Gregor, en terstond naar het dal
-terugkeeren."
-
-Hij trad voor, en de gevangene gaf hem eene boodschap aan zijne vrouw,
-maar daar hij Gaelisch sprak, kon ik van hetgeen hij zeide geen enkel
-woord verstaan, hoewel ik niet twijfelde, dat het eenige bevelen
-aangaande Jarvie's veiligheid betrof.
-
-»Ziet die schaamteloosheid eens aan!" zei de hertog. »Hij waant zich
-veilig als afgezant. Hij gedraagt zich even als zijne meesters,
-die ons eerst uitnoodigden om gemeenschappelijk met hen tegen de
-roovers op te trekken, en ons verlaten, zoodra zij met die roovers
-omtrent de landerijen overeengekomen zijn, waarover zij met hen in
-twist waren. Neen, neen! er bestaat geen trouw onder het volk, dat de
-plaid en tartan draagt. Als een kameleon verwisselt het duizendmaal
-van kleur."
-
-»Zoo sprak uw beroemde stamvader niet, Milord!" antwoordde Galbraith;
-»en met uw welnemen, ook gij zoudt geen recht hebben zoo te spreken,
-als men maar jegens iedereen de billijkheid in het oog wilde
-houden. Laat ieder zijn eigen weg gaan en zijne eigen muts dragen zoo
-als hij verkiest. Dan zal er spoedig geen twist meer in het land zijn."
-
-»Stil, stil, Galbraith!" zeide de hertog op bestraffenden toon;
-»dat zijn gevaarlijke woorden, welke gij u vermeet tegen mij te
-spreken. Verbeeldt gij u een bevoorrecht persoon te zijn? Gij moet met
-uwe manschappen naar Gartartan opbreken. Ik zelf zal den gevangene
-naar het kasteel Duchray laten brengen en u morgen mijne nadere
-bevelen zenden. Ik beveel u geen man van uw volk verlof te verleenen."
-
-»Bevel en tegenbevel!" mompelde Galbraith tusschen de tanden. »Maar
-geduld! de bakens zullen spoedig verzet worden: de koning komt."
-
-De beide ruiterbenden maakten zich tot den marsch gereed, om nog vóór
-het vallen van den avond het dal te verlaten en hun nachtkwartier te
-bereiken. Ik voor mij ontving een soort bevel om het krijgsvolk te
-vergezellen. Ik zag, dat ik zoo al niet als gevangene, ten minste
-als een verdacht persoon beschouwd werd. De omstandigheden waren
-in alle opzichten gevaarlijk. De partijgeest van de aanhangers
-der Jakobieten en Hannoveranen verdeelde het land. De aanhoudende
-twisten en ijverzucht tusschen de Hooglanders en Laaglanders gaven
-tallooze andere aanleidingen tot twisten. De voornaamste geslachten
-in Schotland waren tegen elkander in het harnas gekomen. Dit alles
-verwekte zulk een algemeenen argwaan, dat de eenzame vreemdeling
-op zijne reizen steeds allerlei onaangename ontmoetingen te duchten
-had. Ik onderwierp mij geduldig aan mijn lot, en troostte mij met de
-hoop, om van den gevangene nog eenige berichten aangaande Rashleigh
-en diens listen te erlangen. Mijne bedoeling was echter geenszins
-alleen eigenbelang. Ik had te veel sympathie voor mijn zonderlingen
-vriend, dan dat ik niet zou gewenscht hebben, hem van dienst te zijn,
-nu hij dit in zijn ongelukkigen toestand zoo dringend noodig had en
-op welke wijze ik maar zou kunnen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIII.
-
-
- Bestijgt de brug en spant zijn boog
- En springt in 't kille nat,
- En zwemt met kracht en komt aan wal
- Verdwijnt langs kronk'lend pad.
-
- Gil Morrice.
-
-
-Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten
-tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden
-langzaam aftrokken. Galbraith's troep wendde zich rechts en ging over
-de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij
-de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier
-leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het
-gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.
-
-Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet
-den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter
-een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door
-zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard
-plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op 's
-ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk
-te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen
-rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd,
-als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij
-één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die
-men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen
-'s hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder
-zich onder de geregelde troepen te mengen.
-
-Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten
-overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is,
-van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad,
-waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl
-de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten
-de daaropvolgenden aan den oever stilhouden, waardoor oponthoud,
-en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters,
-die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare
-plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was,
-insgelijks min of meer in wanorde brachten.
-
-Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik,
-dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde:
-»uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter
-slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche
-Christendom dat van hem gevergd."
-
-Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen,
-dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders,
-maar hij kon er niets aan veranderen.
-
-»En als Mac-Gregor's stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij
-ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit
-het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen:
-ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker
-dat alles niet verloren hebben."
-
-Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen
-enkel woord.
-
-»Het is toch wel jammer," vervolgde Robbert en fluisterde zijne
-vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren
-kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op
-ontvluchting te benemen.--»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert
-Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft
-verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij
-dankbaar het leven van zijn vriend redt!"
-
-Ewan scheen getroffen, maar zweeg.
-
-Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den
-gevangene over!"
-
-Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen:
-»Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig
-losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed
-rekenschap gegeven worden;"--reden zij mij snel voorbij en spoedden
-zich te water.
-
-»Nog niet! nog niet, mijnheer!" riepen eenige ruiters mij toe, toen ik
-Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij
-het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den
-anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager,
-aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds
-overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de
-overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een
-plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors
-welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog
-hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.
-
-»Schurk!" riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw
-gevangene?"--En zonder de verontschuldiging af te wachten, die de
-bedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool
-op hem los.--Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar
-hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters
-keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem,
-die mij Robbert terug brengt!"
-
-De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste
-verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem,
-waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was
-ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard
-weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik
-naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem
-weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich
-dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder
-ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen,
-minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende
-richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog
-te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde
-geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken
-van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank
-der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat
-slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters,
-die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne
-lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok;
-de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit
-alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een
-somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste
-tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef
-ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich
-verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop
-hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er
-naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich
-het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken,
-eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht
-worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring
-te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan
-zijne vervolgers te ontkomen.
-
-Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in
-'t geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen,
-die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter
-zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in
-het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die
-ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den
-neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt
-werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert
-redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik,
-waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen
-list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid
-en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene
-opmerkzaamheid een poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden
-ruiters het spoor missen en hij ontkwam.
-
-Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd
-het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was
-op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte
-bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien
-niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene
-dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden,
-er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen
-duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen
-werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne
-kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het
-verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp,
-of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs
-nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein
-tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis,
-voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo
-onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de
-ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende,
-te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken
-oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel
-luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu
-te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde
-soldaten.
-
-Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige
-aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep
-nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes,
-om den riem door te snijden."
-
-»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een
-paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!" aldus
-brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters
-heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens
-deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke
-van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften
-door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en
-dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit
-denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los
-liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en
-meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen
-ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne
-bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds
-aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier,
-wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen,
-als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in
-zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven
-noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen
-en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zich
-zeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te
-zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven,
-als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die,
-als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.
-
-Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in
-het rond.
-
-Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige
-ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den
-anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het
-geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de
-achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik
-had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel,
-dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het
-flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde
-waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins
-aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te
-voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om
-niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den
-zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever
-der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden
-ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten
-hemel te moeten doorbrengen.
-
-Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de
-andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon
-was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven,
-om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het
-scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om
-mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de
-rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden
-oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een
-achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg
-terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van
-Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde
-niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou
-mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken
-en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen,
-dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te
-verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk
-kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en
-mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een
-reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik
-keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.
-
-Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief,
-verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag
-het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel
-en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa's,
-zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden,
-dàn weder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke
-rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De
-maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde,
-verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe
-wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door
-de dichtere nevelmassa's naar het scheen ingezogen werden, en de
-lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij
-dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed
-der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand,
-mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in
-eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij
-te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot
-onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden
-verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam,
-naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen
-welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met
-mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten,
-bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen
-eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan
-mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het
-mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend,
-waarheen zoo laat?"
-
-»Naar mijne herberg te Aberfoil," gaf ik ten antwoord.
-
-»Zijn de wegen veilig?" vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.
-
-»Dat weet ik niet," hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom,
-zal ik dat wel vernemen. Maar,"--voegde ik er bij, toen ik mij het
-deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,--»zoo
-gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te
-wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou
-er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen
-veilig is."
-
-»De militairen zijn geslagen, niet waar?"
-
-»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met
-eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen."
-
-»Weet gij dat zeker?" vroeg de onbekende.
-
-»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige
-van het gevecht."
-
-»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er
-geen deel aan?"
-
-»Wel wis en waarachtig niet!" antwoordde ik. »Ik werd door dien
-officier in arrest gehouden."
-
-»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?"
-
-»Ik weet inderdaad niet," hernam ik, »waarom ik een onbekenden
-vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg
-gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk
-oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik u
-noch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met
-dergelijke vragen evenmin lastig te vallen."
-
-»Als mijnheer Frans Osbaldistone"--zei de andere persoon met eene
-stem, die al mijne zenuwen deed trillen--»onbekend wenscht te blijven,
-dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten."
-
-En Diana Vernon--want zij was het, die in een grooten ruitersmantel
-gehuld was--floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied,
-dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.
-
-»Rechtvaardige hemel!" riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt
-gij het, Freule Vernon?--hier in dit oord--op zulk een uur--in zulk
-een wetteloos land, gekleed--in...."
-
-»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten
-laatste blijkt de filosofie van korporaal Nym toch de beste: de
-wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan."
-
-Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon
-helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik
-behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast
-als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen
-tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem
-van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon
-was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn
-vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner
-overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen
-geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste
-woorden den man van verstand en opvoeding herkent.
-
-Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.--»Diana," zeide
-hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef
-zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen."
-
-Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en
-toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op
-een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening
-scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw
-beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af
-te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was,
-het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest
-uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren
-in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal
-langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen
-zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat
-ook niet, neefje!"
-
-»Diana," hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren,
-dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn."
-
-»Ik kom, ik kom!" antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende
-bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen
-wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet
-gegeven, noch hem vaarwel gezegd--voor altijd! Ja, Frans!" vervolgde
-zij--»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden--een
-onoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen
-wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen,
-moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!"
-
-Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte
-haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij
-drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op
-mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik--onuitsprekelijk
-bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden
-nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar
-het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de
-aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana
-tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij
-gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd,
-waar ik vol verbazing bleef staan.
-
-Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde,
-dat ik Diana's halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht
-te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd
-was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het
-pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken
-wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen
-spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht
-waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor
-mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in
-de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar
-was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer
-hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik
-zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen,
-die ik sinds mijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op
-dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIV.
-
-
- Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaarder
- nog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dien
- hij verklaart!
-
- De Criticus.
-
-
-Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen
-loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij,
-dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana's beeld mij voor den geest
-kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier
-welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie
-ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht
-aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de
-treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel
-aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter
-weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden
-nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was,
-toen die zonderlinge verschijning mij verraste.
-
-»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo
-ernstig roerend gegeven heeft,"--zeide ik tot mij zelven.--»Ik wil
-immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns
-vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar
-mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend
-Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij
-om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een
-nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen
-zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan
-misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie
-de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te
-weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt
-te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen;
-of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid,
-voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen."
-
-Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig
-verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken,
-met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.--Terwijl
-ik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een
-slag op den schouder ontving, een »holla!" achter mij, en de diepe
-stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe:
-»Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel
-eens vroeger om dezen tijd ontmoet."
-
-Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn
-vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar
-zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend,
-waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing
-een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In
-eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn
-geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo
-laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was,
-Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na
-al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor
-hem was.
-
-En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche
-bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon,
-zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat
-zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had
-Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed,
-dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk,
-plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon,
-en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was
-hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen
-waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo
-al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel
-vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren
-getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze
-ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.
-
-Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik
-in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij
-aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof
-zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk
-beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne
-redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen
-te zijn.
-
-»Nu ja," zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand
-even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was
-geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande
-een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen,
-vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in
-het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was
-een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met
-een handvol volks, in 't geheel geen vijftien man, te doen."
-
-Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst in de
-Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in
-de herberg en van Jarvie's heldendaad met het gloeiende rakelijzer.
-
-»Leve Glasgow!" riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens
-willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen
-neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie," voegde hij
-er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen,
-ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om
-den moed van een flink mensch uit te dooven.--Overigens zult gij licht
-kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik
-voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning
-te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik
-verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan
-zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien,
-zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle
-Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.--Nu,
-wat gebeurde er verder?"
-
-Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en
-mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen,
-en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van
-zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had,
-begon hij weder luidkeels te lachen.--»Zoo waar ik leef," zeide hij,
-»zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana
-Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!"
-
-»Freule Vernon?" vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het
-antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man,
-die eenige macht over haar scheen te hebben."
-
-»Ja, ja!" hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu,
-het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een
-moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat
-zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij,
-of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen."
-
-Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding,
-in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd
-had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik
-onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige
-aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op
-zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet
-minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden,
-toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.--
-
-»Gij zijt ziek," zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had,
-zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest
-voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is."
-
-De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven,
-en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn
-verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den
-gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.
-
-»Men zegt wel eens," zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is
-dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van
-'s konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten
-vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten
-kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten,
-en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie
-zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken
-kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne
-Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme
-schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!"
-
-Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen,
-hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat
-mijn verhaal hem zeer pijnlijk was.
-
-»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!" zeide
-hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef
-die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik,
-dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar
-zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten
-van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft
-de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij
-eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde
-plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den
-koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was,
-dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich
-voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond,
-dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen
-zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel
-gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe
-knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot
-zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid
-heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat
-hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar
-ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend
-hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij
-zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren."
-
-»Morris," hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat
-een mensch betalen kan."
-
-»Wat zegt gij daar?" riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het
-gevecht gesneuveld?"
-
-»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was,
-mijnheer Campbell!" hernam ik.
-
-»In koelen bloede? Vervloekt!" mompelde Robbert. »Maar hoe kwam
-dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik
-sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor."
-
-Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn
-ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris
-vermoord was.
-
-Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den
-grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan,
-vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft
-het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde,
-of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met
-een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles
-op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als
-hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben,
-als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld
-geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd,
-zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot,
-en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!"
-
-Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd
-te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier
-macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog
-bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt,
-maar waagde het niet Diana's naam te noemen.
-
-»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik," zei Mac-Gregor. »De
-brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne
-Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens,
-u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze
-gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder
-gevonden, dan ik dacht."
-
-Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.
-
-»Was dan," vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien
-gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?"
-
-»Mij dunkt," hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het
-u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van
-dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief
-van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak
-bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb
-met mijne eigene zaken."
-
-Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer
-had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie
-was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel,
-dat den geheimen gang naar Rashleigh's verblijf bedekte. Ik herinnerde
-mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals
-geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne
-toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid
-doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger
-der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk in haar ooms huis
-ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door
-goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde
-ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in
-het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in
-woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om
-daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en
-geluk, die het nog armzaliger hof van den naamkoning (den Pretendent)
-in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik
-zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden,
-waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk
-gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den
-afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar
-lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.
-
-»Het schijnt dus," zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben,
-»dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn
-naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone
-zijn verblijf hield?"
-
-»Juist!" antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana,
-wat ook wel het raadzaamste was."
-
-Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn
-ijverzuchtigen toorn.
-
-»Maar slechts zeer weinigen," vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh
-en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij
-mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten
-niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen
-wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje,
-met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er
-twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week
-kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige
-gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte
-wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij,
-arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen."
-
-»Vermoedelijk," vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste
-ongeval van...."
-
-»Die historie van dien Morris, meent ge?" vroeg Robbert op koelen toon,
-toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden
-gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten,
-blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk,"
-hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik,
-sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens
-willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets
-van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand
-gebeurde--dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te
-wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer
-genegen was,--dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb
-weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid
-rukken zouden,--en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn
-stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat
-hij een onschuldig mensch aanklaagde--o daarover heb ik nog dikwijls
-moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen,
-dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?"
-
-»Mag ik vragen," hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed
-op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was,
-om uwe plannen te verijdelen?"
-
-»Het zijn geen plannen van mij?" zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets
-mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens
-anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten
-invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie,
-en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam
-zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan
-vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt,
-om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen
-mes in de hand geven."
-
-Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders
-kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op
-hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn
-reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met
-een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen
-beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van
-zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon
-ontslaan, en liet nu een stroom van Gaelische gelukwenschen volgen,
-welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide
-anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij
-was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het
-dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was,
-'t eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou
-brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen,
-dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen
-en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige
-gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde,
-oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een
-vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus
-bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen
-van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst,
-ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar
-welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven,
-dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.
-
-Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden
-gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden
-mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte
-behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen
-op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien
-ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld
-meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg.
-
-Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest
-ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer
-Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte
-te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste
-tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte,
-die Robberts verhaal even vaak tot mijne stichting vertolkte, waarnaar
-ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te
-luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele
-groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te
-zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen
-betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid
-jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens,
-dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd
-van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht,
-Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren
-van dien aard bekend was.
-
-Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in
-dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij
-waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten
-wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel
-beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan
-alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene
-zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens
-den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde,
-en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.
-
-»Ik ben redelijk wel, neef," antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God
-zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak
-betreft hier,--nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op
-zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer
-vijanden verlost zijt."
-
-»Dank u!" hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt
-u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester,
-weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed
-vriend hartelijk aangeboden werd."
-
-»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan
-ééne wijze geworden. Maar," vervolgde hij, terwijl hij langzaam een
-houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;--»hij was
-niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij
-kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!" en hij
-nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van
-mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch
-moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen."
-
-Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste
-deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de
-houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd
-van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte,
-als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht
-was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven,
-dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de
-rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde.
-
-Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij
-groette mij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al
-hetgeen, wat ik hem verhalen wilde.
-
-»Daarover later!" viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet
-ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef
-spreken. Robbert," vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand
-is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos
-zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow,
-hetzij naar elders."
-
-»Wees onbezorgd!" hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden
-verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet
-naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte,
-wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten."
-
-»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!" antwoordde Jarvie. »Den heer
-Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat
-mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit
-zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel
-slecht opvoedt."--Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk
-glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf,
-op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,--en mijne
-nicht Helena--nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet
-verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo
-als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit
-alleen aan hare ongerustheid over u--maar wat ik u van uwe vrouw
-moet zeggen...."
-
-»Stil! geen woord verder!" viel Robbert hem op ernstigen toon in de
-rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en
-een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen,
-wat u lust."
-
-»Goed, goed!" antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat
-dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid
-zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch--dat
-beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft--het zou
-eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch,
-Eachin en Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor
-het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan,
-uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de
-tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis
-is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide,
-lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig,
-dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.--Iets dergelijks
-van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven--het is
-wezenlijk te erg...."
-
-»Als zij het konden, neef," antwoordde Robbert, »dan zouden zij het
-zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen
-een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow
-aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten
-aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester
-voor zijne zonen?"
-
-»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen
-moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde
-lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee,
-dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels,
-die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!"
-
-»Niets goeds is niet geheel juist," antwoordde Robbert; »Jakob kan
-een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door
-eene plank van twee duim dikte."
-
-»Des te erger voor beiden!" zeide Jarvie op beslissenden toon; »des
-te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om
-hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat
-hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij
-niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf
-uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd
-van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?"
-
-Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus
-aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr
-als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te
-laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed
-gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den
-zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam,
-zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde.
-
-»Gij, Robbert," vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het
-zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu
-te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het
-zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne
-wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als
-ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger,
-de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever
-van alles goeds! slechts in het groot handel drijf--en...."
-
-Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een
-oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder
-welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur
-niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen;
-en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark."
-
-»Alle duivels!" riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op
-en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van
-geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!"
-
-Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een
-uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed
-en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog
-verder aan te dringen.
-
-Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel
-op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij
-dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers
-wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij
-spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog niet vereffend
-zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!"
-
-De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts
-luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen
-tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren
-borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle
-statie plegen te dragen.
-
-»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met
-het geheim bekend is," zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes
-en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der
-tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu
-toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie
-wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan
-de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in
-verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen,
-de lading treffen moest.--»Dit," zeide hij, op de pistool wijzende,
-»is mijn thesaurier-generaal."
-
-Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht
-was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon,
-zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de
-Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden,
-zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist
-geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.
-
-Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen
-hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug,
-terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen
-hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn,
-als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen."
-
-»Geloof mij, neef," antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij
-is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld
-te betalen. Ziedaar uwe duizend mark," vervolgde hij, een rolletje
-goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij
-tot den laatsten duit betaald zijt."
-
-Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in
-de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert;
-ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te
-wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig
-verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet
-aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde."
-
-»Op mijn woord!" zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid,
-»het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit
-in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie
-Louis d'or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen."
-
-»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!" zeide Jarvie,
-de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers
-schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij--het
-strijdt tegen Gods woord."
-
-»Wees onbezorgd, neef!" hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan
-dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder
-aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal
-dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op
-een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het,
-handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem
-wel ontbreken."
-
-»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!" hernam Jarvie, die
-zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje
-goud begon te tellen.
-
-»En zeker niemand uit de Laaglanden," zeide Robbert en trok de zware
-borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef,
-die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis
-d'or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.
-
-Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten
-en kapitaal, gaf hij drie Louis d'or terug voor een kleed voor
-zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts
-jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen
-uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie's onverwachte
-grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in
-zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde
-Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een
-kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd
-keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche
-wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen
-onderteekend is.--
-
-»In den omtrek van geen drie mijlen," zeide Robbert, »vindt gij,
-als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat
-ons de zaak met minder moeite afdoen," vervolgde hij en wierp
-het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om
-rekeningen te kwiteeren!" zeide hij hierop tegen den van verbazing
-sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin
-deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid
-zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan."
-
-Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit
-oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en
-zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De
-meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat
-zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen
-goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer
-bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning,
-als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette,
-reeds aangesneden was.--»Gij moet weten," zeide hij tot Jarvie, en
-zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten
-in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met
-mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen."
-
-Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazone hem
-recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde
-gevoelen geweest zijn. Maar Robbert's verontschuldiging wekte bij
-mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren
-reisgenoot onthaalde--haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als
-haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.
-
-Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in
-mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal
-maakten, bemerkte ik, dat Robbert's vriendelijke oplettendheid ons
-ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen
-nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs
-den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen
-bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar
-boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met
-mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen,
-overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie
-was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en
-uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den
-volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich
-aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig,
-opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij
-ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten,
-en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXV.
-
-
- Ik lijde smart, vertwijfling overmant mij.--
- Ik zie de laatste blikken van haar oogen,
- Ik hoor de laatste klanken van haar lippen.
- Haar engelengelaat--het was de laatste keer.
- Vaarwel mijn zielsgeluk, ik zie het nimmer weer.
-
- Basilius.
-
-
-..... »Zeg mij toch, wat ik van u denken moet, mijnheer Osbaldistone,"
-zeide Mac-Gregor, terwijl hij mij de flesch toeschoof. »Gij eet
-niet, gij schijnt geen lust tot slapen te hebben, en gij drinkt
-ook niet. Toch is deze Bordeaux-wijn zoo goed, alsof hij uit den
-kelder van ridder Hildebrand zelven kwam. Waart gij altijd zoo matig
-geweest, dan zoudt gij u den doodelijken haat van uw neef Rashleigh
-niet berokkend hebben.
-
-»Ware ik altijd voorzichtig geweest," zeide ik, blozend over het
-voorval waaraan dit mij herinnerde, »dan zou ik een nog veel grooter
-kwaad vermeden hebben: de wroeging van mijn eigen geweten."
-
-Mac-Gregor wierp een snellen en bijna vertoornden blik op mij, als
-wilde hij uitvorschen of het verwijt, voor hem in die woorden gelegen,
-opzettelijk gedaan was. Maar hij merkte zeer duidelijk, dat ik aan mij
-zelven dacht. Diep zuchtende keek hij vóór zich in het vuur. Ik deed
-dit insgelijks. Zoo bleven wij gedurende eenige minuten in pijnlijke
-gedachten verdiept.
-
-Alles sliep thans in de hut, of was ten minste doodstil. Wij beiden
-alleen uitgezonderd. Mac-Gregor brak 't eerst het stilzwijgen af,
-en wel op een toon, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte,
-over een onaangenaam en pijnlijk onderwerp te spreken.
-
-»Mijn neef Nikolaas," dus begon hij, »meent het goed, maar hij
-heeft een man van mijn karakter en in mijne omstandigheden te streng
-behandeld. Hij bedenkt niet wat ik geweest ben; wat ik, door dwang
-genoodzaakt, heb moeten worden, en vooral niet, wat mij gedwongen
-heeft zoo te worden."
-
-Hij zweeg, en ofschoon ik zeer wel gevoelde, hoe netelig het onderwerp
-was, waarop het gesprek ons hoogst waarschijnlijk zou brengen, kon
-ik echter mijn antwoord niet terughouden. Ik zeide dat ik er niet aan
-twijfelen kon, of in Robbert's tegenwoordigen toestand moest veel zijn,
-wat voor zijn gevoel alleszins smartelijk was. »Ja, met genoegen,"
-voegde ik er bij, »zou ik vernemen, dat er hier of daar een eerlijk
-middel te vinden was, om u er uit te redden."
-
-»Gij praat als een kind!" antwoordde Robbert op doffen toon, die
-naar het rollen van een verren donder geleek, »als een kind, dat
-waant, dat een oude knoestige eik zich even gemakkelijk laat buigen,
-als een jonge wilgentak. Kan ik vergeten, dat men mij onteerd heeft
-door mij buiten de wet te verklaren;--dat men mij gebrandmerkt heeft
-als een verrader; dat men eene belooning op mijn hoofd heeft gesteld,
-als ware ik een verscheurende wolf; dat men de mijnen behandeld heeft
-als een vossenpaar met hunne jongen, die ieder kwellen, tergen en
-beschimpen mag; dat men zelfs mijn naam, dien ik van eene lange en
-waarlijk edele reeks van voorvaderen ontving, geschandvlekt en bespot
-heeft voor de gansche wereld!"
-
-Onder het spreken zag ik duidelijk, hoe hij zich door het optellen
-van geleden beleedigingen opzettelijk meer en meer driftig maakte,
-misschien wel om in zijn eigen oogen de dwalingen en misstappen te
-rechtvaardigen, waartoe hij zich had laten verleiden. Dit gelukte hem
-volkomen. Zijne grijze oogen schenen vlammen te schieten, terwijl
-hij met den voet stampte, den greep van zijn dolk vatte, den arm
-uitstrekte, de vuist krampachtig balde en eindelijk opsprong.
-
-»Maar," vervolgde hij op denzelfden doffen toon van gesmoorde drift;
-»zij zullen voor den naam, dien zij gehoond hebben, voor den naam
-van Mac-Gregor, beven, sidderen! Van mijne wraak zullen zij hooren,
-die niet naar mij hooren wilden, toen ik mij bij hen over het mij
-aangedane onrecht beklaagde. De armzalige Hooglandsche veehandelaar,
-de bankroetier, wien ze alles ontroofden, wien zij onteerd en diep
-ellendig gemaakt hebben, omdat de hebzucht van anderen meer eischte,
-dan de arme man betalen kon; die zelfde veehandelaar zal in eene
-vreeselijke gedaante gericht over hen houden. Zij, die den kruipenden
-worm bespotten, en onder hunne voeten traden, mogen jammeren en kermen,
-als zij zien, dat de vuurspuwende draak op hen nederschiet. Maar
-waarom zou ik hierover spreken!" vervolgde hij op meer bedaarden
-toon, terwijl hij weder ging zitten. »Gij zult echter wel begrijpen,
-mijnheer Osbaldistone, dat het mijn geduld tergt, als ik gejaagd word
-als een otter, als een zalm in ondiep water, en dat wel door mijne
-eigen vrienden en buren. Een heilige zou het geduld verloren hebben,
-wanneer men hem met zoo vele zwaarden en pistolen bedreigd had, als
-mij heden bij den overtocht van Arondow overkomen is. Hoe veel te
-meer dan een Hooglander, die wegens zijn taai geduld juist niet zeer
-beroemd is, dat weet gij immers wel! Maar wat Nikolaas mij zeide,
-speelt mij nog door het hoofd. Het spijt mij voor mijne jongens. Mij
-wordt 't wezenlijk niet best te moede, als ik denk, dat zij eens in
-de voetstappen van hun vader zullen moeten treden."
-
-Hij leunde met het hoofd op de hand en verdiepte zich geheel in
-gepeins over het lot van zijne zonen, terwijl zijn eigen lot hem
-onverschillig scheen te zijn.
-
-Ik was diep geroerd. De smart van een fier, krachtig, zijner hooge
-waarde bewust gemoed, heeft mij steeds ernstiger getroffen, dan de
-aandoening van menschen, die lichter er toe bewogen werden om hun
-lijden te toonen. De wensch om hem te helpen kwam in mij op, en ik
-wilde die verwezenlijken, hoe moeielijk, ja zelfs onmogelijk zulks
-ook scheen.
-
-»Wij hebben buiten 's lands uitgebreide betrekkingen," zeide ik; »en
-uwe zonen zouden met eene ondersteuning, welke zij gerechtigd zijn
-van mijns vaders huis te verwachten, licht eene eervolle loopbaan in
-vreemden dienst vinden."
-
-Mijn gelaat moet, naar ik geloof, innige aandoening verraden
-hebben. Maar Robbert liet mij niet verder spreken. Hij vatte mijne
-hand en zeide: »Ik dank u, ik dank u! Maar niets meer daarvan! Ik had
-niet gedacht, dat iemand nog een traan in Mac-Gregors oog zou zien."
-
-Dit zeggende, wischte hij met de vlakke hand den traan uit het
-oog, dat door de dikke roode wenkbrauw overschaduwd werd.--»Morgen
-vroeg," vervolgde hij, »zullen wij hiervan nader en ook over uwe
-aangelegenheden spreken. Want wij begeven ons vroeg op weg, al slapen
-wij hier heden nacht ook als op rozen. Nu nog een enkel glas! Gij
-doet mij toch bescheid?"
-
-Ik verzocht daarvan verschoond te worden.
-
-»Welnu, dan moet ik mij zelf bescheid doen!" hernam hij en ledigde
-den vrij grooten beker in één teug.
-
-Ik legde mij ter ruste, vast besloten mijne navorschingen uit te
-stellen, tot ik Robbert kalmer gestemd zou vinden. De zonderlinge man
-had mijne verbeelding dermate opgewekt, dat ik niet nalaten kon, hem
-nog eenige minuten gade te slaan, toen ik mij reeds, als schijnbaar
-sluimerende, op mijn bed had uitgestrekt. Hij ging op en neer, sloeg
-van tijd tot tijd een kruis, en mompelde een Latijnsch gebed, tot hij
-zich eindelijk in zijn plaid wikkelde, zijn ontbloot zwaard aan zijne
-ééne en een pistool aan zijn andere zijde legde, en de plooien van
-zijn mantel zóó schikte, dat hij, plotseling gewaarschuwd, terstond
-opspringen en, met een wapen in elke hand, tot den strijd gereed
-zijn kon. Zijn zware, diepe ademhaling gaf mij na weinige minuten te
-kennen, dat hij vast ingesluimerd was. Van vermoeienis uitgeput en
-door de verrassende gebeurtenissen van den vorigen dag als bedwelmd,
-bezweek ook ik weldra voor het onwederstaanbare vermogen van den slaap,
-en ontwaakte niet vóór het aanbreken van den morgen.
-
-Toen ik de oogen opende en mij mijn toestand herinnerde, zag ik, dat
-Mac-Gregor de hut reeds verlaten had. Ik wekte mijn reisgenoot Jarvie,
-die na veel geeuwen, zuchten en klagen over zijne als geradbraakte
-leden--de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag--eindelijk in
-staat was, om de blijde tijding te begrijpen, dat de door Rashleigh
-medegenomen papieren wederom in mijne handen waren. Zoodra hij dit
-vernomen had, vergat hij alle leed, sprong haastig op en vergeleek
-den inhoud van mijn pakket met Owen's inlichtingen. Onder het
-nakijken mompelde hij: »Juist! juist! Daar is het! Baillie en
-Whittington zeven honderd pond! Er ontbreekt niets aan! Pollock en
-Peelman, acht en twintig pond, zeven shilling: juist! Den hemel zij
-dank! Grule de Grind! die zijn best voor het geld: drie honderd en
-zeventig! Gliblad--twintig! Hm! En Slipprytongae--dat is mis! maar
-het zijn kleine sommen! al het overige is in orde.--God zij dank! dat
-is het juist, wat wij noodig hebben. En nu hoe eer hoe liever uit
-dit akelige land! Zoo dikwerf ik aan onze lotgevallen denken zal,
-zal de enkele herinnering mij een schrik op het lijf blijven jagen."
-
-»Het spijt mij, neef," zeide Mac-Gregor, die op dat oogenblik weder
-binnentrad, »het spijt mij zeer, dat de omstandigheden mij niet vergund
-hebben, u te onthalen, zoo als ik wel zou gewenscht hebben. Maar als
-gij mijne geringe woning eens weder bezoeken wildet..."
-
-»Zeer verplicht! zeer verplicht!" viel Jarvie hem in de rede. »Neen,
-wij moeten vertrekken, de heer Osbaldistone en ik. Handelszaken dulden
-geen uitstel."
-
-»Waarde neef," hernam de Hooglander; »gij kent onze gewoonte. »Geef
-spijs en drank den gast, die komt; help hem, wanneer hij
-henengaat." Maar over Drymen kunt gij, in allen geval, niet
-terugkeeren: ik moet u over het meer laten roeien, en uwe paarden
-kunnen vooruitgaan langs het strand. Een verstandig man keert nooit
-denzelfden weg terug, langs welken hij gekomen is, zoo hij, namelijk,
-een anderen ter zijner keuze heeft."
-
-»Ja, ja, Robbert!" hernam Jarvie, »dat is een van de regelen, welke gij
-geleerd hebt, toen gij nog in vee handeldet. Gij hadt toen geen lust,
-om de landlieden weder te zien, wier gras door uw vee op den weg was
-gegeten. Maar thans hebt gij, geloof ik, op uw weg veel erger sporen
-achter gelaten dan in dien tijd."
-
-»Juist, daarom moet men, zoo min mogelijk, langs zulk een weg gaan,"
-antwoordde Robbert. »Dugald zal uwe paarden geleiden. Wij hebben
-hem daartoe in uw bediende herschapen. Het achtbaar raadslid komt
-natuurlijk niet van een bezoek bij Robbert Roodhaar, maar doet slechts
-een vreedzamen tocht uit Stirling. Zie, daar komt hij reeds!"
-
-De woeste Hooglander, die juist voor de deur der hut verscheen, zag er
-met den hoed, de pruik en den reisrok van onzen Andries uitgedoscht,
-zoo vreemd uit, dat zelfs Jarvie hem niet herkende. Hij besteeg diens
-paard en geleidde het mijne bij den toom. Nadat zijn meester hem
-bevolen had, zekere plaatsen te vermijden, waar hij argwaan zou kunnen
-verwekken, en tevens om onderweg alle mogelijke berichten in te winnen,
-draafde hij vooruit, om ons bij het veer te verbeiden. Mac-Gregor
-bood zich aan, om ons op onzen weg te vergezellen, en vermaande
-ons het morgenslokje niet te vergeten, daar wij vóór het ontbijt
-eenigen afstand af te leggen hadden. Jarvie merkte hier op aan, dat
-het ongepast, ja, zelfs gevaarlijk was, den dag met het gebruiken
-van sterken drank te beginnen. Alleen wanneer men de maag tegen de
-nevelachtige morgenlucht moet beveiligen, in dat geval had zijn vader,
-de wijkmeester, door leer en voorbeeld, een matig slokje goedgekeurd.
-
-»Zoo is het ook, neef!" zei Robbert. »Daarom hebben wij, kinderen
-van den nevel, het onbetwistbaar recht verkregen, om van den vroegen
-morgen tot den laten avond brandewijn te drinken."
-
-Na eenige ververschingen genomen te hebben, besteeg Jarvie een
-Hooglandsch hitje. Ik bedankte echter voor een ander, hetwelk mij
-aangeboden werd. Zoo stapten wij vooruit den weg op, welken wij
-den vorigen dag, onder zoo geheel andere omstandigheden, gegaan
-waren. Ons geleide bestond thans uit Mac-Gregor en vijf of zes der
-knapste en best gewapende, forsche Hooglanders, die hem gewoonlijk
-als lijfwacht vergezelden.
-
-Toen wij nu den nauwen pas naderden, waar het gevecht en de daarop
-gevolgde gruweldaad voorgevallen was, vatte Mac-Gregor schielijk het
-woord, om de gedachten te beantwoorden, die, gelijk hij vermoedde,
-in mij oprezen.--
-
-»Gij moet zeker niet gunstig over ons denken, mijnheer Osbaldistone,"
-zeide hij, »en dat kan ook niet anders. Maar neem ten minste in
-aanmerking, dat men ons uitgedaagd en getergd heeft. Wij zijn
-onbeschaafd, ja, misschien ook wel wat te driftig van aard, maar
-gruwelijk wreed zijn wij waarachtig niet. Nooit zou de rust van het
-land door ons gestoord zijn geworden, zoo men ons slechts met rust
-had gelaten. Maar wij zijn steeds een vervolgd volk geweest."
-
-»En vervolging brengt zelfs de verstandigste menschen tot razernij,"
-zeide Jarvie.
-
-»En waartoe moet ze dan lieden, als wij zijn, brengen," vervolgde
-Robbert, »daar wij nog op bijna dezelfde wijze leven, als onze
-voorvaders voor duizend jaren, en waarlijk niet veel meer verlichting
-hebben dan zij? Kunnen wij bedaard blijven, wanneer men bloedplakkaten
-tegen ons uitvaardigt; wanneer men onze braafste mannen ophangt,
-onthoofd; als men aloude, eerlijke namen onteert, hoewel wij toch een
-betere behandeling verdienen dan vijanden van vijanden erlangen? Ik
-heb twintig gevechten bijgewoond en nooit eenig mensch kwaad gedaan,
-dan wanneer mijn bloed verhit was. Toch zouden zij mij, als een
-verachtelijken struikroover, ophangen aan de poort van het een of ander
-voornaam kasteel, wanneer men mij vangen kon... Dat is schandelijk."
-
-Ik erkende, dat het onteeren van iemands naam en geslacht, volgens
-de begrippen van een Engelschman, een daad van gruwelijke willekeur
-was. Toen ik hem door die verzekering min of meer tot bedaren
-had gebracht, hernieuwde ik mijn aanbod om hem zelven, zoo hij
-wilde, en zijne zonen eene aanstelling in vreemden krijgsdienst te
-bezorgen. Mac-Gregor drukte mij hartelijk de hand en hield mij een
-weinig terug, ten einde Jarvie op het smalle pad vooruit te laten
-rijden.
-
-»Gij zijt een goedaardig, braaf en welmeenend jongmensch," zeide
-hij, »en weet zeker wel, wat men den begrippen van een man van
-eer verschuldigd is. Maar de heide, die mijn voet betreden heeft,
-toen ik leefde, moet boven mij bloeien, wanneer ik dood ben. De moed
-zou mij ontzinken, mijn arm zou krachteloos worden en ineenkrimpen
-als varenkruid in de vorst, als ik de heuvels van mijn geboorteland
-niet meer zien mocht. De geheele wereld heeft geen plekje gronds,
-dat mij zou kunnen troosten, als ik deze rotsen en klippen, als gij
-hier ziet, hoe woest zij ook zijn, uit het gezicht had verloren. En
-mijne Helena--wat zou er van haar worden, als ik haar aan nieuwe
-beleedigingen en gruweldaden blootstelde? Of hoe zou zij een oord,
-waar de herinneringen aan geleden mishandelingen alleen door de
-herinnering aan hare wraak verzacht worden? Eens werd ik zoo zeer in 't
-nauw gebracht, dat ik voor den eindelijk over mij losbarstenden stroom
-moest zwichten; ik verliet met de mijnen mijne geboorteplaats en woonde
-eenigen tijd in het land van Mac-Gallummore. Toen vervaardigde Helena
-een klaaglied op ons vertrek--beter zou zelfs de bard Mac-Rimmon
-het niet kunnen maken. Het was zoo treurig en roerend, dat het
-ons de harten schier brak, toen zij het ons voorzong. Het waren de
-jammerklachten van een kind, dat om zijne moeder kermt. Ja, onzen
-ruwen krijgslieden biggelden de tranen langs de wangen, terwijl
-zij er naar luisterden. Neen, dat zieleleed wil ik niet nogmaals
-ondergaan! Neen! zelfs niet voor al de landerijen, die ooit Mac-Gregors
-eigendom waren [14]."
-
-»Maar zijn uwe zonen?" vroeg ik, »thans niet in die jaren, waarin
-uwe landslieden gaarne de wereld eens zien."
-
-»Geloof mij, in den grond mijns harten zou ik er niets tegen hebben,"
-antwoordde Robbert, »als zij hun geluk in den Franschen of Spaanschen
-krijgsdienst beproefden, zoo als de Schotsche edellieden plegen te
-doen. Gisteren avond kwam dat denkbeeld mij ook zeer aannemelijk
-voor. Maar eer gij heden morgen ontwaakt waart, heb ik zijne
-Excellentie gezien. Dit heeft mij van die plannen teruggebracht."
-
-»Heeft die dan zoo dicht bij ons den nacht doorgebracht?" vroeg ik
-met een onrustig kloppend hart.
-
-»Hij was dichter bij dan gij vermoeddet!" luidde het antwoord. »Maar
-het kwam mij voor, dat hij een weinig jaloersch was en ongaarne
-zou gezien hebben dat gij met de jonge dame in aanraking
-kwaamt. Daarom...."
-
-»Dwaasheid! Er was geen reden om jaloersch te zijn," antwoordde ik
-met eenigen trots; »ik zou mij aan hen niet opgedrongen hebben."
-
-»Toch moogt gij niet boos op hen worden," hernam Robbert, »kijk
-van onder uw wenkbrauwen niet zoo kwaad als een wilde kat onder een
-struik. Zijne Excellentie meent het eigenlijk goed met u, en heeft
-dat ook bewezen. En daaraan is het ook gedeeltelijk toe te schrijven,
-dat de boel thans in den brand staat."
-
-»Wat staat in den brand?" herhaalde ik. »Hoe meent gij dat?"
-
-»Hoe ik dat meen! weet gij dan niet," zeide Robbert, »dat vrouwen
-en geld al het kwaad in de wereld brengen? Ik heb uw neef Rashleigh
-niet meer vertrouwd, sedert hij zag, dat Diana Vernon niets van hem
-weten wilde. Daarom koestert hij, geloof ik, ook wrok tegen zijne
-Excellentie. Nu moest hij ook zelfs uwe papieren teruggeven! Wij weten
-het immers wel. Zoodra hij tot de teruggave daarvan gedwongen was,
-reed hij zoo hard hij kon naar Stirling en ontdekte aan de regeering
-alles, en zelfs nog veel meer, wat stilletjes in onze gebergten
-voorviel. Daarom heeft men het krijgsvolk doen uitrukken, om zijne
-Excellentie en de jonge dame gevangen te nemen en onverhoeds een
-aanval tegen mij te wagen. De arme drommel, Morris, wien men alles
-wijs kon maken, heeft zich zeker door Rashleigh en eenige edellieden
-in de Laaglanden laten gebruiken, om mij in den val te lokken. Maar
-al ware Rashleigh ook de laatste en beste van zijn geslacht, als wij
-elkander ooit weder ontmoeten, dan zal, dat zweer ik! mijn dolk met
-zijn hart kennis maken."
-
-Deze bedreiging sprak hij uit met een somberen, onheilspellenden blik,
-en greep met driftige gebaren naar zijn dolk.--
-
-»Bijna zou ik mij daarover kunnen verheugen," zeide ik, »zoo ik slechts
-hopen durfde, dat door Rashleigh's verraad de uitvoering der vermetele
-aanslagen verhinderd werd, waarvan hij, zoo als ik reeds sedert lang
-vermoed heb, de eigenlijke drijver is geweest."
-
-»Geloof dat niet!" hernam Robbert. »Nooit heeft het woord van een
-verrader een eerlijke zaak geheel bedorven. Hij was trouwens door
-en door met onze geheimen bekend. Ware dit het geval niet geweest,
-dan zouden de kasteelen te Stirling en Edinburg thans, of ten minste
-binnen zeer korten tijd, in onze macht zijn. Dat is nu wel niet meer te
-hopen, maar er zijn nog vele hulpmiddelen over. Onze zaak is te goed,
-dan dat men ze om een verrader zou opgeven. Men zal er van hooren,
-en dat wel spoedig. Doch wat ik zeggen wilde: ontvang mijn hartelijken
-dank voor uw welgemeend aanbod ten opzichte van mijne zonen. Gisteren
-avond had ik bijna besloten, het aan te nemen. Maar thans zie ik,
-dat het verraad van den ellendeling onze groote heeren overtuigen
-zal, dat zij zich onverwijld vereenigen en wapenen moeten, zoo zij
-niet in hunne woningen gevangen genomen, als honden gekoppeld en naar
-Londen gedreven willen worden, even als die brave lieden in het jaar
-zeventienhonderd en zeven. Burgeroorlog is als een slangenei. Op het
-aas, hebben wij volle tien jaren zitten broeien, en zouden er nog tien
-jaren op hebben kunnen zitten. En kijk! daar komt Rashleigh en slaat
-de schaal in stukken, en vlug kruipt het wonderdier er uit en roept:
-te wapen!--In zulke omstandigheden heb ik alle handen noodig, die
-ik maar vinden kan, en--ik zeg het niet tot schande der koningen van
-Frankrijk en Spanje, wien ik alle goeds wensch--maar koning Jakobus is,
-in elk geval, even goed als eenig ander koning, en heeft het naaste
-recht op mijne zonen."
-
-Ik begreep wel, dat die woorden op een algemeenen volksopstand
-doelden. Ik begreep, dat het even nutteloos als gevaarlijk ware,
-de staatkundige gevoelens van mijn geleider op zulk eene plaats en
-in zulk een oogenblik te bestrijden. Ik vergenoegde mij met hem de
-rampen voor te houden, die uit een algemeenen opstand ten voordeele
-van het verdreven koninklijke huis noodzakelijk zouden voorkomen.
-
-»Volkomen waar, vriend!" hernam Mac-Gregor. »Nooit heb ik slecht weer
-zonder een flinke bui zien opklaren. Laat maar gaan! Uit wanorde
-wordt orde geboren. En in de algemeene verwarring heeft de arme,
-maar eerlijke man de beste gelegenheid, om opgemerkt te worden en
-aan een stukje brood te komen."
-
-Toen trachtte ik het gesprek nogmaals op Diana Vernon te brengen. Maar
-hoe vrij en onbewimpeld hij zich ook over de meeste dingen uitte,
-die voor mij weinig of niets belangrijks hadden, ten opzichte
-van het eenige onderwerp, die voor mij van zooveel belang was,
-bleef hij achterhoudend, ja met eene aan angstvalligheid grenzende
-behoedzaamheid. Slechts gaf hij mij te kennen, dat hij hoopte, dat
-de jonge dame zich weldra in een vreedzamer land zou bevinden, dan
-Schotland hoogst waarschijnlijk gedurende eenigen tijd zijn zou. Met
-dit antwoord moest ik mij vergenoegen. Ik troostte mij met de hoop,
-dat het toeval mij wel eens weder begunstigen zou en mij ten minste het
-treurige genoegen zou schenken, haar vaarwel te zeggen. Ik gevoelde,
-dat ik haar beminde, in veel hoogeren graad, dan ik gemeend had. Dit
-gevoel trad weder sterk in mij op.
-
-Bijna zes Engelsche mijlen ver gingen wij langs den oever van het
-meer, op een zich telkens kronkelend pad, tot wij eindelijk aan
-eene Hooglandsche pachthoeve kwamen, die allertreffelijkst aan
-het meer lag, dat men, bedrieg ik mij niet, Lidiart noemt. Hier
-vonden wij eene talrijke bende van Mac-Gregor's aanhang, die ons
-hartelijk verwelkomde. De smaak, en ook de welsprekendheid van
-onbeschaafde volksstammen is vaak zeer zuiver, daar noch vooroordeel
-of vooringenomenheid, noch eenige gemaaktheid, een nadeeligen invloed
-daarop uitoefenen. Een bewijs daarvan verschafte mij de keus der
-plaats, waar de Hooglanders hunne gasten begroeten. Een Britsche koning
-zou, zegt men, de gezanten van dezen of genen machtigen mededinger het
-best in de kajuit van een geducht oorlogschip kunnen ontvangen. Zoo
-had het Hooglandsche opperhoofd een oord gekozen, waar de aan zijn
-geboortegrond eigenaardige grootsche voorwerpen een levendigen indruk
-op zijne gasten moesten maken.
-
-Langs den oever van eene ruischende beek gingen wij verder. De weg
-was stijgend. Aan de rechterhand lagen eenige Hooglandsche hutten,
-omringd door kleine stukken lands, die uit het omliggende boschaadje
-als uitgehouwen waren, en een weligen oogst van gerst en haver
-opleverden. Hoogerop werd de heuvel steiler. En op den kalen rand
-zagen wij de schitterende wapens en de in den wind fladderende plaids
-van ongeveer vijftig man uit Mac-Gregor's gevolg. Zij stonden op eene
-plek, die ik mij nog steeds met verrukking herinner. De beek ontmoette
-hier een rotswand, waarover zij in twee sprongen heen stortte. De
-eerste waterval, over welks donker water een prachtige oude eik,
-in den oever geworteld, zich schilderachtig schoon, als een gewelf
-boog, zal omtrent twaalf voet hoog geweest zijn. De gebroken stroom
-viel in een uit de rots gevormd en regelmatig, als met den beitel
-gehouwen bekken, en toen hij zich op den rand gebroken had, stortte hij
-loodrecht, ten minste vijftig voet diep, door een donkere, enge kloof,
-en spoedde zich dan, maar meer bedaard, naar de golven van het meer.
-
-Met dien bijzonderen aanleg voor smaakvolle stoffeering, die
-inzonderheid den Schotschen bergbewoners eigen is, in wier karakter
-ik steeds een zekeren romanesken en dichterlijken trek heb opgemerkt,
-waren Robbert's vrouw en vrienden tot ons onthaal bijeengekomen op eene
-plaats, die den vreemdeling een gevoel van ontzag moest inboezemen. Ook
-hebben de Hooglanders van natuur iets plechtstatigs en hoogmoedigs. Hoe
-onbeschaafd zij ons ook vaak voorkomen, omtrent het in acht nemen van
-de wetten van het gezellig verkeer en der wellevendheid zijn zij zoo
-stipt, dat men hen waarlijk te dezen opzichte van overdrijving zou
-beschuldigen, zoo niet het gevoel van meerderheid in krachten daarin
-tevens uitgedrukt ware. Bij een landman van den gewonen stempel zou
-dit bespottelijk zijn, terwijl het bij den als krijgsman toegerusten
-Hooglander, iets eigenaardigs en indrukwekkends is.
-
-De Hooglanders, die langs den heuvel verstrooid waren geweest,
-voegden zich, toen wij naderden, bijeen en stonden in gelederen
-achter drie personen, in wie ik terstond Helena Mac-Gregor en hare
-beide zonen herkende. Robbert schaarde zijne manschappen insgelijks,
-en toen het oploopende pad steiler en steiler werd, verzocht hij
-Jarvie af te stijgen en bracht ons, langzaam aan het hoofd der zijnen
-voorttrekkende, naar de hoogte. Daar hoorden wij de woeste tonen der
-doedelzakken, die, met het ruischen van den waterval ineensmeltende,
-hun natuurlijken wanklank verloren. Toen wij naderden, kwam Helena
-Mac-Gregor, ons tegemoet. Hare kleeding was meer vrouwelijk dan den
-vorigen dag, maar op hare gelaatstrekken lag nog steeds de onbuigzame
-hoogmoed. Zij omvatte mijn vriend Jarvie in eene onverwachte en
-blijkbaar niet zeer welkome omhelzing. De beweging van zijne pruik, van
-zijn rug en van zijne beenen, deden mij zien, dat het hem ongeveer te
-moede was, als iemand, die zich plotseling door een beer omvat ziet,
-zonder dat hij juist weet of onderscheiden kan, of het dier goed of
-boos gestemd is.
-
-»Neef," zeide zij, »gij zijt welkom, en ook gij vreemdeling," vervolgde
-zij, zich tot mij wendende. Daarbij liet zij mijn reisgenoot los,
-die onwillekeurig terugtrad en zijn pruik weder terecht zette.--»Gij
-kwaamt," zeide zij tot mij, »in ons ongelukkig land, toen ons bloed
-verhit en onze hand met bloed geverfd was. Verschoon het ruwe onthaal,
-dat u ten deel viel. Wijt het den booze tijden, niet ons."
-
-Dit zeide zij met de houding van eene vorstin en op een ongemeen
-hoffelijken, alleszins beschaafden toon. Ook liet zij volstrekt
-niets van die plompheid blijken, welke wij doorgaans in de taal der
-Schotsche Laaglanders vinden. Weliswaar sprak zij met Schotschen
-tongval, maar overigens waarlijk niet onbevallig en daarenboven zeer
-vloeiend, hoewel zij blijkbaar alles uit het inderdaad dichterlijke
-Gaelisch in het Engelsch overzette, welke taal zij zich, even als wij
-de doode talen leeren, eigen gemaakt, doch waarschijnlijk nooit in
-het dagelijksch verkeer gehoord had. Haar man, die gedurende zijn
-leven zoo vele rollen had gespeeld, drukte zich minder verheven,
-minder welsprekend uit, maar zelfs zijne taal werd zuiverder, wanneer
-de onderwerpen, waarover hij sprak, zijn gemoed bewogen en van eenig
-belang waren. Ook bij hem vond ik bevestigd, wat ik meen bij sommige
-Hooglanders opgemerkt te hebben, dat zij, vertrouwelijk en gemeenzaam
-sprekende, zich van den Nederschotsen tongval bedienen, maar voor hunne
-woest verhevene, dichterlijke uitdrukkingen, het Engelsch bezigen. De
-taal van den hartstocht is inderdaad steeds heftig, maar zuiver. Niet
-zelden hoort men een Schot, wanneer een zijner landgenooten hem met
-een rappe tong bittere verwijtingen doet, spotachtig zeggen: »Aha,
-nu begint gij Engelsch te praten."
-
-Helena noodigde ons tot den maaltijd, die op een grasperk
-opgedischt was, en alles aanbood, wat het onvruchtbare gebergte
-slechts had kunnen opleveren. De sombere, onveranderlijke ernst,
-die het voorhoofd van onze gastvrouw omwolkte, en de pijnlijke
-herinneringen der gebeurtenissen van den vorigen dag, deden geene
-vroolijke gewaarwordingen in ons opkomen. Vruchteloos poogde Robbert
-een opgeruimden toon aan te slaan. Er beving ons telkens eene
-onwillekeurige rilling, alsof wij aan een begrafenismaal gezeten
-hadden, en ieders hart klopte ruimer, toen het geëindigd was.
-
-»Vaarwel, neef!" zeide Helena tot Jarvie, toen wij opstonden. »De
-beste wensch, dien Helena Mac-Gregor een vriend geven kan, is, dat
-hij haar nooit moge wederzien."
-
-Jarvie wilde dit zonderlinge kompliment op zijne manier plechtig
-beantwoorden en er zeker een paar zedespreuken invlechten. Maar de
-bedaarde, zwaarmoedige ernst van haar gelaat bracht den goeden man,
-met zijne ouderwetsche deftigheid, geheel van zijn stuk. Hij hoestte,
-mompelde eenige woorden, boog en--zweeg.
-
-»Voor u, vreemdeling," vervolgde Helena, »heb ik een aandenken van...."
-
-»Helena!" viel Mac-Gregor haar op ernstig bestraffenden toon in de
-rede: »wat moet dit beduiden? Hebt gij het bevel vergeten?"
-
-»Mac-Gregor," hernam zij; »ik heb niets vergeten, wat ik mij behoor te
-herinneren. Zulke handen," vervolgde zij, terwijl zij haren langen,
-naakten, gespierden arm uitstrekte, »zijn geenszins geschikt om
-geschenken der liefde over te brengen, zoo het geschenk iets anders dan
-smart beduidt.--»Jongman!" zeide zij, terwijl zij mij een ring aanbood,
-welken, zoo als ik mij wel herinnerde, Diana Vernon nu en dan gedragen
-had; »dit komt van iemand, die gij nooit zult wederzien. Is het een
-vreugdeloos aandenken, dan moet het juist door de handen van haar gaan,
-die de vreugde nooit weder kennen zal. Hare laatste woorden waren:
-»hij vergete mij voor altijd!""
-
-»En kan zij," vroeg ik, schier onbewust van hetgeen ik zeide; »kan
-zij dit bij mij als mogelijk veronderstellen?"
-
-»Alles kan vergeten worden," antwoordde de zonderlinge vrouw;
-»alles--alleen niet het gevoel van schande, alleen niet het verlangen
-naar wraak!"
-
-»Frisch opgespeeld!" riep Mac-Gregor, van ongeduld stampvoetende. De
-doedelzakken klonken, en de doordringende, knetterende tonen maakten
-een einde aan het gesprek. Zwijgend namen wij door gebaren afscheid
-van onze gastvrouw, en toen wij vertrokken, was ik meer dan ooit
-overtuigd, dat ik door Diana bemind werd, maar voor altijd van haar
-gescheiden was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVI.
-
-
- Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,
- Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;
- Waar de aad'laar zijn schreeuw huwt aan 't ruischen der stroomen,
- Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.
-
-
-Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien
-wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was
-verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch
-toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen,
-en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag,
-toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit
-landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone
-eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke
-meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere
-bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer
-en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke
-landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van
-Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het
-fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting
-gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en
-had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken,
-dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat
-ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan
-ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van
-Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de
-balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad
-bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als
-schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was,
-zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op
-den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele
-dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid,
-van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.
-
-In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die
-met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze
-gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band
-van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel
-verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling
-vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van
-scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem
-zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd,
-hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan
-te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te
-melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijn zwaard
-en drukte met de andere Jarvie's hand, terwijl hij hem verzekerde,
-dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan
-bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon
-van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.
-
-Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap
-en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers
-naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje
-de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der
-rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij
-verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend
-gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de
-Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de
-Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte
-zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel
-afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.
-
-Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te
-verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water het Gaelische gezang,
-dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en
-dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden
-begeleid werd.
-
-Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de
-ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In
-de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik,
-als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden,
-tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille
-kluizenaar zou willen leven en sterven.
-
-Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar
-ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange
-stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt,
-trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te
-maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen
-lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens
-een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik
-een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het
-onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart
-in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben,
-breed en diep genoeg voor kolenschepen.
-
-Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen
-van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de
-Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had
-een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als
-dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer
-op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.
-
-»Dugald," zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen
-toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het
-verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren
-gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan
-onze goede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de
-wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed
-verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel
-zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is,
-genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel
-grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog
-toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald,
-dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in
-mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet."
-
-Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van
-den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te
-Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in
-boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand
-vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als
-gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den
-opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst
-getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning
-van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de
-overhand behaalde. Verwonderd over Dugald's weigerend antwoord op
-eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening
-versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald
-mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet
-glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen,
-en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat
-hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke
-stemming bracht.
-
-Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen
-weg naar Glasgow.
-
-Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit
-het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen
-van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik
-wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen
-indruk maakten.--
-
-»Gij zijt nog jong," zeide hij, »en daarenboven een Engelschman:
-dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een
-eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn,
-geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert,
-voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder
-te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo
-zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen,
-naar dit verwenschte land op reis ga."
-
-De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink
-doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne
-woning bereikt.
-
-Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de
-zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij
-naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur,
-nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur
-dan Andries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde,
-en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer,
-waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne
-komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen,
-wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet
-alleen in die kamer: naast hem zat--mijn vader.
-
-Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op
-eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!"--Maar
-terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden:
-»mijn zoon, mijn dierbare zoon!"--Owen vatte mijne eene hand, welke
-hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst
-gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen
-de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner.
-
-Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader,
-kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland
-teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen,
-vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te
-verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn
-kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en
-zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan
-het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne
-voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had,
-stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder
-spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk
-en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar
-Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om
-zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow
-in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor
-Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor
-altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke
-bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had,
-bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen
-tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had,
-verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen
-gesloten zouden zijn.
-
-Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde,
-was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed,
-dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen
-uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is,
-met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd
-beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land
-en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.
-
-Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne
-terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel
-niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand,
-waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hij
-als gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor
-niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich
-ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren
-te berichten.
-
-Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen
-spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te
-geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans
-van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral
-niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke
-Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer
-breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was,
-en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring,
-zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was,
-nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt
-had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen:
-intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo
-men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde
-hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden
-van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne
-ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand
-van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde,
-dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en
-de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit
-alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.
-
-Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als
-hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door
-zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter
-van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het
-verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het
-toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf
-op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid
-te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig,
-om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man
-omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid
-in orde moesten gebracht worden.
-
-Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust
-te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om
-zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers
-gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne
-verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in
-het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang
-mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde,
-kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege
-den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel
-hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug
-nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou
-naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid
-zoo rijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het
-weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de
-schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden
-verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan
-een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde,
-frisch en gezond was.
-
-Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens
-hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals
-hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van
-den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood
-hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in
-zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie
-wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen
-keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn
-best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel
-anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als
-hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl
-hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.
-
-»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon," zeide hij, »als eerlijke lui
-hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste
-deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is,
-moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten."
-
-Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige
-verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik
-wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd,
-wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk
-ondervraagd, dan zal het wel 't best zijn, geen enkel woord van de
-aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal
-geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met
-Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik
-mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen
-doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen
-ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis
-van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen."
-
-Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet
-bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij
-glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik
-kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er
-toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht,
-dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben,
-dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de
-gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn."
-
-De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht
-te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat
-mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden
-ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de
-gewichtigste papieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze
-handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele
-plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen
-worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.
-
-Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen
-toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van
-hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de
-hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze
-eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief
-hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne
-benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie's,
-trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te
-maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch
-Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij
-alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten,
-zooveel zij willen," zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde;
-»het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er
-veertien dagen lang in eens door er over praten."
-
-In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis,
-die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik
-van hem verhaald heb.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVII.
-
-
- Komt hier, mijn zestal zonen!
- Dat ik op u bouwe.
- Gij blijft voorzeker met mij
- Den edelen graaf getrouwe.....
- .... En vijf der zonen spraken:
- "Wij zijn met raad en daad
- U en den graaf getrouw...."
- De zesde pleegt verraad.
-
- De wapenroep van het Noorden.
-
-
-Het was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof
-Andries plotseling als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel
-moeite kon ik hem zoo ver brengen, dat hij tot bedaren kwam en mij
-zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij mij dan, dat al
-de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar aan
-hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig
-uren aankomen zouden.
-
-»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!" riep ik; »en in elk geval zie
-ik geen reden om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt."
-
-»Natuurlijk, daar heb je 't weer," hernam hij onbeschoft: »dronken
-of dol! Een mensch heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets
-vertelt dat groote lui niet gaarne hooren. Maar ze komen toch,--dat
-houd ik vol!"
-
-Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen,
-die evenzeer als ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen,
-tijding over het geheel maar al te waar was. De opstand, die
-Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist uitgebarsten,
-toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der
-Stuarts opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder
-wie ook Rashleigh zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen,
-had koning George's raad met de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen
-van eene reeds lang gesmede samenzwering bekend gemaakt. Ze brak
-onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het rijk, om van
-duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor
-geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de
-wenken, die ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk,
-waarom de westelijke clans hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij
-wisten wel dat zij weldra tot verdediging hunner gemeenschappelijke
-zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was voor mij de
-gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die 't ijverigst
-tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle
-ontberingen en gevaren blootgesteld was, die met haars echtgenoots
-roekelooze onderneming gepaard gingen.
-
-Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden
-vereischten, en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht
-naar Londen zouden begeven. Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een
-der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden, den Staat te dienen. En
-mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde, maar tot
-verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd
-hebben, gaf gaarne zijne toestemming.
-
-Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland
-en het noorden van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories
-behoorden, manschappen en paarden bijeenbrachten en uitrustten,
-terwijl de Whigs zich in de groote steden verzamelden, de burgerij
-wapenden en zich op den burgeroorlog voorbereidden. Meermalen werden
-wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen maken, ten
-einde het krijgsvolk te ontwijken.
-
-Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers
-en aanzienlijkste kooplieden, die zich bereid hadden verklaard,
-om de regeering te ondersteunen en de daling der staatsfondsen te
-voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral de hoop op
-dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door,
-zoo als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn
-vader werd tot een der medeleden van de financieele commissie benoemd;
-daar men algemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid
-en welwillendheid stelde. Hij voerde zelf de onderhandelingen met de
-ministers en het gelukte hem, door zijn geldmiddelen den prijs der
-staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand aanmerkelijk
-gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen.
-
-Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier
-aanstellen en wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man,
-met wie ik mij bij het korps van den generaal Carpenter voegde.
-
-De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de
-ongelukkige graaf van Derwentwater en de generaal Foster met
-eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten. Mijn arme
-oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting
-zijner zonen nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den
-heilloozen standaard te volgen. Maar eer hij dezen stap deed, nam
-hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men van hem nauwelijks
-zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk
-moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na
-diens dood op de jongere en hunne mannelijke erven overgaan. Maar
-Rashleigh die, door zich jegens zijne partij trouweloos te gedragen,
-den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten
-en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der
-andere zonen aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was
-dan ook steeds de lieveling van mijn oom geweest. Maar de aanblik
-der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die zich thans wapenden,
-gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding van
-zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode
-letter beschouwde, die alleen diende, om zijne verontwaardiging over
-Rashleigh's verraad duidelijk te doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan
-de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana Vernon, thans Diana
-Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord
-hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens
-der familie Vernon en Osbaldistone gedreven waren.
-
-Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller
-uitstierf, dan de ongelukkige vader vermoeden kon. Bij de eerste
-monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff met een edelman uit
-Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in een
-hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers,
-om dien bij te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen,
-waarin mijn neef den dood vond. Zijn dood was een groot verlies voor
-ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden aard een
-paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige
-broeders,--Rashleigh, zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd.
-
-Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op
-zijn manier op het bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene
-weddingschap aan, wie van beiden den grootsten beker brandewijn zou
-kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart door de oproerigen te
-Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezen wedstrijd
-waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf,
-onder het gestadig uitroepen van: »water! water!"
-
-Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot
-de partij der oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten
-wilde, over eene heg poogde te springen.
-
-Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog
-het beste lot. Hij sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer
-dapper vocht, ofschoon hij, naar men verzekert, niet recht wist, wat
-eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl hij zich ook niet
-herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed
-insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden,
-maar was niet zoo gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude
-oom, wien al deze rampen het hart gebroken hadden, werd den volgenden
-dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich aan den overwinnaar
-moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon John
-naar de gevangenis van Newgate gebracht.
-
-Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd
-te zijn, daar ik nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen
-verzachten. Mijn vader had veel invloed bij de regeering. En het lot
-van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek op twee na,
-al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat
-mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd
-zijn geworden. Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John
-stierf in de gevangenis en bad mij in zijn laatste oogenblikken de
-verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone en van zijn
-geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen.
-
-Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij
-sprak weinig, maar de deelneming die ik hem bewees, scheen hem te
-roeren. Ofschoon ik geen getuige was van de eerste samenkomst met mijn
-vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder zulke treurige
-omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg
-te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met
-veel verbittering over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven
-zoon. Hij verweet hem den ondergang van zijn geslacht en den dood
-zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne zonen tot de
-opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid
-had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart's 't eerst verraden. Een
-paar maal noemde hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen
-ik op zekeren dag naast zijn bed zat, zeide hij tot mij: »O, beste
-neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet het mij zoo leed,
-dat gij haar niet hebben moogt."
-
-De woorden »Thorncliff en allen" roerden mij diep. Het waren de gewone
-woorden van den goeden ouden man, wanneer hij 's morgens vroolijk
-op de jacht ging en zijn lieveling Thorncliff onderscheidde van al
-de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde. Maar de luide,
-vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff--en
-allen!" verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij
-nu de troostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den
-inhoud van zijn laatsten wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift
-mededeelde, daar hij het oorspronkelijke bij den rechter Inglewood had
-gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen, als een onzijdig
-persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van de
-helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren.
-
-Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige
-overdenkingen en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van
-het Sardinische gezantschap, voor wien wij met moeite de vergunning
-verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na den dood van zijn
-zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en
-zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren
-geen naam konden vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden
-te leven, dan met eenigen strijd te sterven.--Het was als een door de
-golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en in de diepte verdwijnt,
-eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen ontwaren.
-
-Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had,
-gaf hij mij tot mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik,
-overeenkomstig het testament van mijn oom, als hoofd der familie
-zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht, dat zoo iets voor hem
-nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat hij
-vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest,
-daar hij begreep dat hij best deed, even als de vos in de fabel,
-niet dat te verlangen, wat hij toch niet kon verkrijgen. Daarbij kwam
-echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk dreigde zijns
-vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het
-verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.--»Met
-het meeste recht," zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht
-onterfd geworden. Door het testament heeft de overledene eene vroegere
-onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen komen nu weer
-aan de wettige erfgenamen."
-
-Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De
-berichten, welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren
-voor het oogenblik, zoo gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk
-eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten weten toe te dichten, dat
-hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers bezat. Reeds
-waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te
-vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen,
-liet het zich aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen
-veel langer dan onze leeftijd duren kon.
-
-Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn
-advokaat, betaalde eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen
-van Osbaldistone bezwaard waren en droeg al zijne eigen aanspraken
-aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot gedeelte der
-aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het
-dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregen
-ondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen
-hem misschien op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen
-vast te zetten. Hoe het zij, ik had verwacht, dat hij mij weder naar
-zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne bereidwilligheid
-had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren,
-onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij
-mij naar Northumberland te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit
-van het kasteel Osbaldistone te nemen. Bij den rechter Inglewood
-moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten en de
-noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen.
-
-Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer
-gewenscht zijn geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone
-slechts smartelijke gewaarwordingen in mij opwekken. En toch, waar
-anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana's lot hopen te
-verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen
-vinden dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er
-van haar geworden was. Vruchteloos had ik getracht, door allerlei
-bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen van eenige verre
-bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate
-bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij
-een vergeeflijke argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der
-heerschende partij, en den neef van den ellendigen verrader Rashleigh,
-sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving niets dan koelen gedwongen
-dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der straffende
-gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen,
-wien ik van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden
-nog afkeeriger van allen, die zij voor aanhangers der regeering
-hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar de gerechtsplaats
-ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming
-aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te
-verkeeren. Nog lang zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren,
-die op mijn dringende vraag, of ik hem niet met nog iets genoegen
-kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof gaarne dat
-gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk,
-een mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet,
-dat zijne vrienden dag aan dag naar het moordschavot gevoerd worden,
-en hij weet dat de beurt spoedig ook aan hem zal komen."
-
-Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en
-Newgate en de tooneelen, waarvan ik daar getuige was, te kunnen
-verlaten, om de vrije lucht in Northumberland in te ademen. Andries
-was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne had, maar
-omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der
-omstreken van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij
-nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap was mij niet onwelkom, terwijl
-ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden, als ik hem
-weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn
-bijzonderen slag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en
-ziel aan zijn heer gehecht was, eenige gunst verworven. Hij wist deze
-voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen, dat hij mij, zijn heer,
-bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij volstrekt
-niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog.
-
-Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land,
-hetwelk nog kort te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust
-en vrede. Hoe meer wij het kasteel Osbaldistone naderden, des te enger
-werd het mij om 't hart bij de gedachte, dat ik thans die verlaten
-woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik uit
-te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood
-te rijden.
-
-De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen
-en tegenstrijdige gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige
-betrekkingen verbonden, niet weinig verontrust geworden. Zeer
-natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij wat invloed
-op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter
-zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die
-hem den ganschen last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf
-was nu de handlanger van zekeren Standish geworden, die sedert eenigen
-tijd als vrederechter fungeerde in de buurt en zulk een blakenden
-ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging liet
-blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon
-binnen de perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen.
-
-Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns
-ooms testament ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In
-het eerst was de goede man zichtbaar verlegen, hoe hij in mijne
-tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij zag, dat ik
-weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering,
-maar niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich
-door verkeerde begrippen van plicht en getrouwheid tot den opstand
-hadden laten verleiden, werd zijn gesprek een vermakelijk mengelmoes
-van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne pogingen,
-om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te
-houden, en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen,
-die aan den opstand deel hadden genomen, begunstigd had.
-
-Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd,
-toen hij mij plotseling uitnoodigde, om een beker te ledigen op het
-welzijn der brave, lieve Diana Vernon, het roosje in de woestijn, het
-klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een akelig klooster
-stond verplant te worden.
-
-»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?" vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht,
-dat zijne Excellentie...."
-
-»Wel ja, waarom niet!" hernam Inglewood, luidkeels lachende--»zijne
-Excellentie en zijne Genade--dat alles is allemaal gekheid--ijdele
-titels van St. Germain! De graaf Van Beauchamp gezant van Frankrijk--en
-de hertog van Orleans--weten misschien niet eens, dat er zulk een man
-bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel
-Osbaldistone wel gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan
-speelde?"
-
-»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?"
-
-»Juist!" antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog
-langer geheim gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want
-anders zou mijn plicht mij gebieden, hem gevangen te nemen. Welnu--uw
-glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene Diana!"
-
-Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd,
-om in Inglewood's vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor
-de oogen. »Nooit," hernam ik, »heb ik geweten, dat Diana's vader
-nog leefde."
-
-»Dat hij nog leeft," antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet
-aan onze regeering te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel
-geld opgeleverd hebben, als het zijne. Onder koning William werd
-hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele der
-Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene
-verwante van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had,
-was zijn invloed op al de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men
-zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk door Frankrijk zou hebben
-moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en in de
-Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen
-hij herwaarts terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed--ik wil
-zeggen, ik kende hem zeer goed. Maar daar mij geen signalement van
-hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en zware aanvallen van
-jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben durven
-doen,--dat vat je wel!"
-
-»Kende men hem dan in het kasteel?" vroeg ik.
-
-»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh;
-laatstgenoemde was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle
-dingen kwam. Maar met dat geheim hield hij Diana als bij een koord om
-den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat zij hem in het gezicht
-zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd had,
-wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem
-aan de regeering verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer
-Osbaldistone! de regeering is goed, genadig en rechtvaardig. Weliswaar,
-heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade doen ophangen,
-maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven,
-als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden."
-
-Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik
-Inglewood vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht,
-vernam ik, dat Diana stellig geweigerd had met een mijner neven
-te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh had te kennen
-gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver
-voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als
-de jongste der broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen
-als een middel beschouwd, om fortuin te maken. De omstandigheid,
-dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik Vernon en van
-de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te
-geven, dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed
-hem waarschijnlijk het besluit nemen, om door afval en verraad
-zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar hij uitnemend
-van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen,
-ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als
-naderhand bleek, geenszins berekend waren voor de groote onderneming,
-om eene staatsomwenteling te bewerken. Vernon--of zoo als hij bij
-de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie de Burggraaf
-Beauchamp--had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen
-van Rashleigh's verraad te ontgaan. Inglewood's berichten waren hier
-gebrekkig: »Men heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering
-is gevallen"--voegde hij er bij--»het moest hem dus wel gelukt zijn,
-naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens de wreede overeenkomst
-met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven."
-
-De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood
-niet nauwkeurig opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan,
-om den ouden Vernon de renten te verzekeren der overblijfsels
-van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige rechtsgeleerde
-kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het
-was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt,
-de gezindheid van degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn,
-niet meer in aanmerking had genomen, dan alsof zij tot het vee op
-het land behoord hadden.
-
-Groot is des menschen wankelmoedigheid!--Ik weet niet of het ontvangen
-bericht mij vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of
-mijne droefheid over Diana's verlies eer vermeerderd dan verminderd
-was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk met een ander,
-maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden
-was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te
-voldoen. Ik werd droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om
-het gesprek met mijn gullen gastheer voort te zetten, die eindelijk
-zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na de ongemakken der
-reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden
-nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen
-vroeg naar het kasteel te rijden. Inglewood keurde dit goed.
-
-»Ik zou u aanraden," zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer
-uwe aankomst in de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh,
-zoo als men mij verzekerd heeft, bevindt zich in Jobson's woning,
-natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen. Zij behooren bij
-elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer
-vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui
-dat oppassen de boodschap is."
-
-Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken
-eer ik vertrok, want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was
-bepaald ongezond voor hem, die zich 's ochtens nuchteren buiten waagde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVIII.
-
-
- De meester is niet meer.
- Het oud kasteel van Ivol--uitgestorven,
- Hij wist het wel, het gansch gezin,
- Tot paard en honden toe,
- Hen allen had het graf verworven.
-
- Wordsworth.
-
-
-Hoe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten
-was dat tooneel van vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming
-zag ik het weder. Op den weg naar het kasteel zag ik dezelfde
-voorwerpen, welke ik aan Diana's zijde had aanschouwd op onze
-gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen
-mij te vergezellen. Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de
-eerste maal had ontmoet, meende ik bijna het geblaf der honden en de
-tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde geruimen tijd op de
-ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche
-verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef
-stil, alles was eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de
-deuren en vensters gesloten. Gras groeide tusschen de steenen op
-de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel had gezien,
-als de vroolijke jagers 's morgens uitgingen of 's avonds huiswaarts
-keerden. Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der
-jagers, de hoefslag der paarden, het luide lachen van den ouden
-ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders--dit alles was voor
-altijd verstomd!
-
-Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan,
-zelfs bij de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op
-mijne toegenegenheid hadden. Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke
-jongelingen in den bloei van het leven en in krachtige gezondheid
-binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten dood
-weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen,
-dat mij van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost,
-dat ik als eigenaar van het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna
-als vluchteling verlaten had. Mijn toestand was voor mij nog zoo
-nieuw, dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als
-een indringenden vreemdeling beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van
-het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige gestalten mijner
-overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den
-toegang betwisten zouden.
-
-Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was
-mijn geleider Andries, met geheel andere gedachten bezield, reeds
-begonnen met aan al de deuren te kloppen, begeerende binnengelaten te
-worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk genoeg
-verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als
-schildknaap des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall,
-mijns ooms oude hofmeester, zich zien. Schuw keek hij door een dicht
-getralied venster van de eerste verdieping, terwijl hij luid vroeg,
-wat wij begeerden.
-
-»Dag oude vriend! wij komen u aflossen," zeide Andries. »Geef
-maar gauw de sleutels over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed
-van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den boel beheerd, mijnheer
-Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het
-benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft."
-
-Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider
-binnen betamelijke perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar
-op welk recht ik mijn aanspraak grondde, om in het kasteel als in
-mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst en
-verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij
-toegang te verleenen, ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen
-toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid tegenover die opwelling van
-natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte. Ik drong echter
-ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat
-zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen.
-
-»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter
-Inglewood!" voegde Andries er bij, om mijn bedreiging nog meer kracht
-bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid in het land
-gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij
-verkiezen. Hun rijk is uit!"
-
-De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de
-ooren van den ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en
-zijne gehechtheid aan zijn overleden meester verdacht moest zijn. Met
-angst en beven opende hij een zijpoortje, dat met vele grendels en
-bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid
-in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik
-stelde hem gerust door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid
-mij een zeer goeden dunk van hem had ingeboezemd.
-
-»Ik denk er anders over!" zeide Andries. »Syddall is een oude
-schurk. Hij zou er zoo doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet
-beven als een schoothondje, als hij niet meer te verantwoorden had,
-dan hij ons zeggen wil."
-
-»God vergeve het u, Andries!" hernam Syddall, »dat gij zoo over
-een oud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten
-aanleggen, mijnheer?" vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den
-gang volgde. »Ik vrees, dat gij 't in het kasteel al te eenzaam,
-al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden namiddag naar
-den heer Inglewood terug om bij hem te eten."
-
-»Leg wat vuur aan in de bibliotheek," antwoordde ik.
-
-»Wat! In de bibliotheek?" riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand
-geweest; daar rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den
-schoorsteen genesteld, en wij hebben geen jonge lieden in het kasteel,
-om hunne nesten er uit te halen."
-
-»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!" viel
-Andries hem in de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te
-wezen; want hij wil niet, zoo als gij Papisten, in blinde onkunde
-zijn tijd doorbrengen."
-
-Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de
-boekenkamer, die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij
-mij verwekt hadden, zoo als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker
-en bewoonbaarder was ingericht geworden. Op den haard brandde een
-helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook gezegd
-had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever,
-om zijne verlegenheid te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed
-brandde, maar nog dien zelfden morgen verschrikkelijk gerookt had.
-
-Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke
-gewaarwordingen te herstellen, die alles wat mij omringde, in mij
-opwekte. Ik beval dus Syddall den rentmeester te halen, die op
-eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne scheen hij zich te
-verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke knapen
-op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken
-waren meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute
-onderneming ooit afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde
-nam Andries de uitvoering van dezen last op zich, en verzekerde tevens,
-dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den
-duivel en den Pretendent het hoofd durfden bieden.--»En mij zal dat
-gezelschap ook zeer aangenaam zijn," voegde hij er bij; »want juist in
-den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel doorbracht, zag ik dat beeld
-daar--hij wees op een levensgroot portret van Diana's grootvader--in
-de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een
-spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd
-heb ik gemeend, dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij
-bestond, maar dien nacht heb ik het met eigen oogen gezien."
-
-»Ga maar heen; ga maar heen!" viel ik hem in de rede: »haal mij die
-knapen, maar zie wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij,
-en niet voor hunne eigen schaduw sidderen."
-
-»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch
-gehouden, zoo goed als de verstandigste van mijne buren. Maar met
-spoken heb ik nooit gemeenschap gehad!" antwoordde Andries vrij nijdig
-en ging heen.
-
-Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende
-hem als een braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in
-staat zou zijn geweest, zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te
-houden. Hij onderzocht mijne rechten op het kasteel zeer nauwkeurig,
-en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar. De erfenis zou
-voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het
-landgoed was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze
-echter gedeeltelijk afgelost, wat hem bij de rijzing der fondsen niet
-veel opoffering kostte.
-
-De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij
-eten. Liefst wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken,
-ofschoon Syddall mij daartoe de groote zaal aanbeval, die hij
-volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in orde had laten
-brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als
-ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik
-gelastte, dat men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg.
-
-Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik
-wilde de reden weten.
-
-»Gij zult mijne woorden niet gelooven," antwoordde hij--»dat kan
-ik trouwens niet anders verwachten--maar wat waar is, blijft toch
-waar. Die eene knaap, Wingfield is door en door eerlijk, maar zijn
-broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat hij
-bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren,
-die in de onlusten gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij
-is Presbyteriaan, en dat alleen is heden ten dage eene voldoende
-aanbeveling."
-
-Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze
-en dergelijke uitdrukkingen, waarmede de oude man, terwijl hij
-mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad, aan zijne
-gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging
-hij heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester
-zijne papieren samen, om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen,
-in die zonderlinge gemoedsgesteldheid, waarin men zelf niet weet,
-of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij echter geene
-keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige
-andere tot zwaarmoedige overdenkingen stemde.
-
-Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half
-geopende deur, om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever,
-om het mij als een maatregel van voorzichtigheid tegenover de spoken
-aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel van de hand, wierp mij
-in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden van den
-schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende
-vlammen, die ik gevoed had.
-
-»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En
-zoo als die vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!" zeide ik tot
-mij zelven. Gevoed door kleinigheden, aangeblazen door verbeelding,
-onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd
-hebben. O, mensch, met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en
-wenschen, tot een ellendigen aschhoop wordt ge ten slotte van binnen!
-
-Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne
-overdenkingen te antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en--Diana Vernon
-stond voor mij, op den arm van een man leunende, die op de boven
-vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig naar de lijst
-der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was
-ik plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf
-opgestaan? Bij den tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer
-goed bij mijn zinnen was, dat levende gedaanten voor mij stonden. Het
-was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren. Naast haar
-stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon,
-in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij
-geleek. Hij brak 't eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak
-voor zich neer. Ik zelf kon van verbazing geen woord uiten.
-
-»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!" zeide
-hij. »Wij zoeken onder uw dak toevlucht en bescherming, tot wij
-eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis en dood ons bij elken
-stap bedreigen."
-
-»Zou Diana," stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan
-kunnen gelooven, dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen
-hebt, toen ik mij in een aller neteligsten toestand bevond. Meent gij,
-dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden, en nog wel u beiden!"
-
-»Ik ben overtuigd van uwe goedheid," antwoordde Vernon; »en
-toch vertrouw ik u met angst een geheim toe, dat voor u misschien
-onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan zijn. Ik had het veel liever aan
-ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot, dat mij in zoo vele
-hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze over."
-
-Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem
-van Andries hooren.--»Ik breng u de kaarsen," zeide hij; »gij kunt
-ze aansteken, wanneer ge verkiest."
-
-Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te
-beletten, te zien, wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig
-duwde ik hem terug, sloot de deur toe en deed er de grendels op. Maar
-plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide rekruten nog beneden
-waren. Andries' praatzucht kende ik. Ook Syddall's waarschuwing omtrent
-een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de
-dienstbodenkamer, waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was,
-toen ik de deur opende, vrij luidruchtig aan het praten, maar mijne
-plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen.
-
-»Wat deert u, domkop?" vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit,
-als of gij een spook hadt gezien."
-
-»Nie--niets," antwoordde Andries. »Maar u was zoo--zoo driftig,
-mijnheer!"
-
-»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat
-hij geen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat
-het niet noodig is, hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens
-op mijne gezondheid gaan drinken en overigens dank ik hen voor hun
-goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!"
-
-De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan
-en gingen heen, zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste
-naar het mij toescheen. Ik wachtte tot zij zich verwijderd hadden,
-zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries niet weder in
-gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen
-twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds
-in de rede viel. Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden
-stichten: hier kostten ze twee menschen het leven!
-
-Toen ik deze maatregelen genomen had--het beste wat mij voor
-dat oogenblik inviel, om het geheim van Diana en haren vader te
-beveiligen--keerde ik naar hen terug, om hun van hetgeen door mij
-gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik den ouden
-Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest
-wel vermoeden, dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel
-verborgen waren.
-
-Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne
-voorzichtigheid.--»Gij zijt thans met mijn geheim bekend," zeide
-zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze man is, die
-hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer
-verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was,
-mij als met eene ijzeren roede beheerschte."
-
-Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij
-slechts eenige weinige oogenblikken tot last wilden zijn.
-
-Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen,
-en overtuigd te zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen
-was, om hun veiligheid te verschaffen. Dit leidde tot eene nadere
-mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne dochter
-bevonden.
-
-»Ik had steeds verdenking op Rashleigh," zeide hij. »Maar nu vervult
-mij zijn gedrag jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts
-na mijn lang aandringen bekende, en ook zijne trouweloosheid jegens uw
-vader, met den innigsten haat en de diepste verachting tegen hem. Bij
-onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid niet. Wat
-ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door
-de minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige
-misdaden nog zijn verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte
-ik, dat dit geene gevolgen van eenig belang zou hebben. De graaf
-van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord Derwentwater,
-Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik
-had uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom
-achtte ik het doelmatig, dat ik bij een korps Hooglanders bleef,
-onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de grenzen met de Engelschen
-vereenigde. Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil
-van alle gevaren en ongemakken.
-
-»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!" riep Diana uit,
-terwijl zij zich liefderijk aan zijn arm klemde.
-
-»Zoodra wij ons," vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden
-vereenigd hadden, zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht
-stond. Het getal onzer manschappen verminderde, in plaats van te
-vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers van
-ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk
-behoorden, bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet
-verre van Preston door eene macht, waartegen wij niet bestand waren,
-ingesloten. Gedurende een geheelen dag verdedigden wij ons dapper. Den
-volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de moed, en zij besloten
-zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen,
-dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer
-dertig edellieden waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard,
-en namen mijne dochter, die volstrekt mijn lot wilde deelen, in het
-midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren zoo verrast
-door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner
-dochter, dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen,
-dan haar achter te laten. Wij reden samen door eene lange straat
-van Preston, naar eene moerassige weide aan de rivier de Ribble,
-van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had deze
-streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten,
-die wij op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar
-Liverpool, waar wij scheidden, ten einde deze hier, gene daar, eene
-schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht mij naar Wallis, waar
-ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon echter
-geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en
-zag mij dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd
-vriend had met mij afgesproken, om mij op deze plaats te ontmoeten,
-en mij naar eene Schotsche haven te geleiden, waar een schip gereed
-lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor het
-oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel,
-waar de oude Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest,
-ons eene schuilplaats verleende. Ik koos eene kleeding, waarvan ik
-mij reeds te voren met goed gevolg bediend had, om den bijgeloovigen
-landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten
-wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen
-nieuwen leidsman, toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek
-ons noodzaakte, uwe deelneming in ons lot af te smeeken."
-
-Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik
-kon bijna niet gelooven, dat Diana vóór mij stond.... Ach! hoe was
-zij bleek en ter nedergeslagen! De moed, waarmede zij alle gevaren
-getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare vastberadenheid
-geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel
-woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen op mijn
-gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne
-ongerustheid wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag.
-
-»Zij heeft," zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis
-van eene martelares tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en
-dood in allerlei gedaanten met vasten moed onder de oogen gezien. Zij
-heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen terugdeinzen;
-zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en
-nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid
-of ontmoediging verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij
-verdient, dat ik haar voor altijd wijde aan mijn God," ging hij
-zich kruisende voort,--»als het dierbaarste en kostbaarste kleinood,
-dat mij is overgebleven."
-
-Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep,
-volgde een diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana's vader zich er
-op toe te leggen, om mij alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij
-onze vluchtige ontmoeting in Schotland had gedaan.
-
-»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen," zeide hij tot
-zijne dochter: »hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner
-gasten, die hem om zijne bescherming smeeken, genoegzaam bekend."
-
-Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de
-boekenkamer te verlaten. Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts
-den argwaan van mijn bediende zou opwekken, en dat hunne schuilplaats
-door Syddall's zorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden
-voorzien was.
-
-»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen
-ontwijken en verborgen blijven," zeide hij, »maar het zou heel
-onbillijk zijn geweest, indien wij niet met de daad getoond hadden,
-alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen."
-
-»Uw vertrouwen is niet misplaatst," hernam ik, »hoewel gij mij niet
-kent; doch freule Vernon zal gaarne getuigen, dat...."
-
-»Ik behoef haar getuigenis niet," zeide hij op zeer minzamen toon,
-doch zichtbaar met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf
-tot zijne dochter zou wenden. »Ik weet, dat ik slechts goeds van
-den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun ons, dat wij ons
-verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij
-volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke
-reis zullen geroepen worden."
-
-Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met
-eene diepe buiging verdwenen beiden achter het behangsel.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIX.
-
-
- Doch d' hand van 't ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,
- Een vreemd tooneel verschijnt voor 't oog.
-
- Don Sebastiaan.
-
-
-Ik was alleen, maar als 't ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het
-gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan
-niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het
-liefste ziet. Diana's beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was,
-toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk,
-dat ik door Mac-Gregor's vrouw ontving, mij haren wensch verried,
-de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede
-te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer
-dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde
-mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik
-verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat
-beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat,
-wat zij voor hun plicht hielden.
-
-Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng
-hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana
-was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van
-haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht
-vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar
-ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het
-was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was,
-al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren;
-maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden.
-
-»Zoo, zoo, men versmaadt mij," zeide ik tot mij zelven, toen ik
-Vernon's woorden overwoog--»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs
-onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet
-beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden,
-en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar
-genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar
-te verdedigen."
-
-Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen
-Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn
-eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te
-verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo
-als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn
-doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer.
-
-En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet,
-openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige
-niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik
-misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de
-boekenkamer deed verlaten.
-
-»Syddall! Ik zal hier slapen," zeide ik. Ik gaf hem bevel om een
-ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb
-nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan."
-
-Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en
-een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik
-beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken.
-
-Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen
-over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou
-eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken
-van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens,
-die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper
-bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers
-dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou
-gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik
-trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls
-ik aan iets anders wilde denken.
-
-Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze
-te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid,
-dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu
-zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde
-de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene
-koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op
-het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos
-hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde
-den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door
-onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig
-vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne
-aderen, en mijn pols sloeg hevig.
-
-Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten
-in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte
-stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel
-eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde
-ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke
-gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen
-slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende
-droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond
-mij met Diana in de macht van Mac-Gregor's vrouw, en wij zouden van
-eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot
-van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding,
-liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen
-afschilderen--de zwijgende, moedige onderwerping op Diana's gelaat,
-de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds
-wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag
-de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders:
-ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen
-herhaald door de echo der omliggende rotsen, en--ik ontwaakte uit
-mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden.
-
-Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom
-verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij
-geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan
-de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen
-onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te
-beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek
-niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam,
-waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ik Syddall's
-zwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen,
-die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings,
-eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste
-straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed
-zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den
-ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.
-
-»Komen zij," zeide hij, »in 's konings naam, dan hebben wij niets te
-vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk,
-wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer
-Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten."
-
-Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De
-dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij
-onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den
-koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn,
-eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de
-harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde
-terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte,
-terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot
-Diana's en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve:
-zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar,
-zij was uiterst kalm.
-
-»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar," zeide zij, »dat wij er steeds
-op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in
-Rashleigh's kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de
-achterdeur naar het bosch.--In geval van nood, heb ik mij den sleutel
-door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen door het bosch beter
-dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans,
-nog eenmaal, vaarwel!"
-
-Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg
-te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te
-openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam.
-
-»Rooversgespuis!" riep ik, opzettelijk het doel van hunne
-gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel,
-of ik schiet op u, door de deur heen."
-
-»Gekheid!" riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met
-een gerechtelijk bevel...."
-
-»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het
-aanhouden en arresteeren van zekere personen," hoorde ik den ellendigen
-rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in
-mijn bevel van aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de
-verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem,
-in het derde kapittel."
-
-En hij klopte op nieuw met verdubbelde heftigheid.--
-
-»Ik sta op," riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt
-toch geen geweld! Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik
-het wettig, dan zal ik mij niet verzetten."
-
-»God zegene den grooten koning George!" zeide Andries. »Ik heb het
-u immers gezegd, dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt."
-
-Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om
-de deur te openen, die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben.
-
-Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik
-denzelfden knaap opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt,
-en die waarschijnlijk de verklikker was geweest. Jobson toonde mij zijn
-bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik Vernon, een overtuigden
-verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens het
-niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou
-razernij geweest zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had
-verzocht, gaf ik mij gevangen.
-
-Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana's kamer, en ik
-hoorde dat hij vervolgens, zonder zich te bedenken of te zoeken, naar
-de kamer ging, waarin zich haar vader bevond, of ten minste zich ter
-ruste had begeven.--
-
-»Het wild is ontsnapt!" zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze
-speurhonden zullen het wel spoedig bij den nek krijgen."
-
-Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige
-oogenblikken daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen,
-in de kamer.--
-
-»De vos," zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten,
-dat een schrander jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur
-niet vergeten, edele lord Beauchamp, zoo als gij u toch gaarne hoort
-noemen."
-
-»Rashleigh," antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!"
-
-»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger,
-toen ik onder de leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van
-den burgeroorlog in een vreedzaam land trachtte te ontsteken. Maar
-ik heb mijn best gedaan," vervolgde hij, met een blik ten hemel,
-»om mijne dwalingen te herstellen."
-
-Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend
-toeschouwer te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest,
-al was er de dood mee gemoeid.
-
-»Waarachtig!" riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger
-duivelsgestalte heeft, dan die van laagheid en gemeenheid onder het
-masker van huichelarij."
-
-»Aha, mijnheer en neef!" zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de
-tafel, om mij van het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte
-welkom op het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u
-licht vergeven. Het is zeker hard, zeer hard, eene geliefde en een
-landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij zullen van dit kasteel
-en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam,
-Rashleigh Osbaldistone."
-
-Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak,
-spijt en schaamte gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder
-werd die gemoedsstemming, toen Diana kalm tot hem sprak: »Rashleigh,
-ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij
-mij wildet storten. Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik
-u niet zoo sterk haten als verachten. Wat gij thans gedaan hebt,
-is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult er uw
-gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het
-zal niet altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!"
-
-Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en
-neer. Toen hij bij de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk
-hij met eene bevende hand een vol glas in. Hij zag dat wij zijn
-beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging onderdrukken
-en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde,
-het glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten.
-
-»Het is mijns vaders oude Bourgonje!" zeide hij, Jobson aanziende. »Het
-doet me pleizier dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter
-lieden te benoemen, om in mijn naam voor het kasteel en mijn eigendom
-zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien Schotschen gek kunt gij de
-deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde bewaring
-brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen," vervolgde hij,
-»ofschoon ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet
-of te paard in de nachtlucht zou kunnen doen, als maar de reis meer
-naar haren zin was."
-
-Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar," stamelde hij, »dat
-mijnheer zeker met een spook in de boekenkamer gesproken had--en die
-ellendeling daar gaat een oud vriend verraden, die zoo vele jaren
-elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden heeft!"
-
-Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall
-het huis uit. Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige
-gevolgen. Besloten, om zich naar een oud bekende in het dorp te
-begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden, had hij
-juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen,
-toen hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar
-voor dien nacht gelegerd had. De tuinier verwonderde zich daarover
-niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars, om op deze wijze een
-goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken,
-was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een
-Hooglander opsprong, hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had,
-en hem niet verder wilde laten gaan, voordat hij met zijn baas zou
-gesproken hebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden
-man in een boschje, waar hij nog drie of vier van zijne landslieden
-vond.--»Ik zag al heel spoedig," zeide Andries, »dat er voor eene
-kudde veel te veel mannen waren, en aan hunne vragen merkte ik wel,
-dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij voorwendden."
-
-Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was,
-en schenen zeer bekommerd, toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord
-hadden. »Waarlijk," bekende Andries, »ik verzweeg niets aan mannen,
-die met dolk en pistool gewapend waren." Daarop spraken zij zacht met
-elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan,
-zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige
-gevelde boomen bijeen, die in de nabijheid in het rond lagen, en
-maakten daarvan eene versperring op den weg.
-
-De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten
-vermengde zich met het meer en meer verbleekende maanlicht. Men
-kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden. Het ratelend
-geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes
-man te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De
-Hooglanders luisterden opmerkzaam. In de koets zat Jobson met
-zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond uit Rashleigh en
-eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of
-het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden,
-en door de boomstammen. Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den
-weg te ruimen, die zij wellicht dachten, dat uit slordigheid waren
-blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het vee wegjoegen.
-
-»Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen," riep eene
-ruwe stem. »Schiet hem neer, Angus!"
-
-»Verraad!" riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!" en schoot zijn
-pistool af op den man die gesproken had.
-
-»Met de sabel er op in!" riep de bevelhebber der Hooglanders, en het
-gevecht begon terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door
-den plotselingen aanval, en over het algemeen niet al te dapper,
-verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht aan hun kant
-hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar
-toen zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle
-kanten vielen, verhinderd werden, meenden zij geheel omsingeld te
-zijn en vluchtten langs verschillende wegen. Intusschen was Rashleigh
-afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder der bende. Uit
-het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel
-Rashleigh.
-
-»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van
-Jakobus en van de oude vriendschap?" riep eene stem, welke ik maar
-al te goed kende.
-
-»Neen, nooit!" antwoordde Rashleigh op vasten toon.
-
-»Zoo sterf dan, verrader!" riep Mac-Gregor en stiet den gevallene
-het zwaard in de borst.
-
-Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp
-Diana er uit en reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand,
-en rukte er toen Jobson uit, dien hij onder den wagen wierp.
-
-»Mijnheer Osbaldistone," zeide hij zacht, »gij hebt niets te
-vreezen. Ik moet waken over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden
-zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel! Denk aan Mac-Gregor!"
-
-Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen
-Diana en Vernon in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De
-koetsier had zijne paarden in den steek gelaten, toen het schieten
-begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd, bleven bedaard
-staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden
-zou zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want
-hij was door den schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was,
-zich zelven te helpen. Maar eerst riep ik hem toe, wel op te merken,
-en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel aan de bevrijding
-der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te
-ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel
-kon begeven en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon
-roepen, ten einde de gekwetsten bij te staan. Maar Jobson was door
-den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren. Nu besloot
-ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst
-voor een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze
-houding verkozen, om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die
-elk oogenblik in allerlei richtingen vielen. Het verheugde mij zeer,
-hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar gekomen was,
-maar hem terstond beval mij hulp te verleenen.
-
-De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen
-ik hem naderde, en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had,
-nooit weder te spreken. Wij droegen hem in de koets, en bewezen een
-anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken bijstand. Met
-moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde
-Rashleigh te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het
-kasteel. Eenige der vluchtelingen waren langs zijwegen daar al
-aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd door het
-bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door
-een hoop woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons
-als van een verontruste bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in
-het kasteel, toen wij ons in de nabijheid daarvan bevonden. Jobson,
-die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met luider stem
-aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden,
-daar een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen
-gestorven was, ten gevolge zijner wonden.
-
-Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht
-hem in het kasteel, waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl
-sommigen het bloed, dat rijkelijk uit de wonde vloeide, poogden te
-stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen.
-
-»Plaagt mij niet meer," riep de gewonde: »voor mij is geen hulp
-meer. Ik sterf."
-
-Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn
-voorhoofd bedekte, en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer
-veel inspanning scheen te kosten: »Neef Frans, kom bij mij!"
-
-Ik naderde hem.--»Ik wilde u alleen maar zeggen," vervolgde hij,
-»dat zelfs de doodsangst mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik
-haat u!" riep hij met hevigheid. En wraakzucht deed het vuur in het
-reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk een
-onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen."
-
-»Ik heb u daartoe geen reden gegeven," hernam ik. »Om uwent wil zou
-ik u toewenschen, dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt."
-
-»Het is wel waar!--gij hebt mij wel reden,--gegronde reden
-gegeven--u te haten," hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij
-overal--gedwarsboomd,--in de liefde--op den weg mijner eerzucht--in
-mijn eigenbelang--bij elke schrede--die ik doen wilde,--overal.--Ik
-werd geboren--om het sieraad--van mijn geslacht te worden,--Wat
-ben ik?--zijne--schande.--Dat--is uwe schuld!--Mijne erfenis--is de
-uwe--welnu--neem haar,--neem haar!--De vloek--van een stervende--blijve
-er--aan verbonden--vloek!"
-
-En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak,
-maar op de ontzielde trekken zag men nog duidelijk het grijnzen
-van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke beeld af. Van
-Rashleigh's dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht
-thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht
-wegens het niet aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh's
-verlangen was gedaan, ten einde mij uit het kasteel te verwijderen. Ook
-dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij werd van zijn ambt ontzet,
-en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan voort.
-
-Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar
-Londen. Ik verliet gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke
-herinneringen in mij opwekte. Lang was ik in angstige onzekerheid
-omtrent Diana's lot, tot een Fransche koopman mij een brief van haar
-bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust
-werd gesteld.
-
-Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat
-de plotselinge verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt
-niet toevallig was geweest. De Schotsche edellieden, die aan den
-opstand deel hadden genomen, waren vooral er op bedacht, om Vernon's
-vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der Stuarts,
-zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich
-in het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men
-rekenen kon, werd gekozen, om Vernon's bevrijding te bewerken. Het
-kasteel Osbaldistone werd als de plaats der bijeenkomst bestemd. De
-onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter vonden op eenigen
-afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert's
-geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar
-Frankrijk inscheepten. Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon
-door tering was aangetast, het gevolg van lijden en rampspoed, ja,
-dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen leven. Zijne
-dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch
-later de gelofte zou afleggen.
-
-Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeld den
-toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld,
-dat ik met eene Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij
-wenschte mij, voor mijn volgend leven, gelijk hij zich uitdrukte,
-op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het zeer op
-prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken,
-hem mijne neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad,
-en na verscheidene vragen, die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde,
-zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit gedroomd hebben, dat mijn zoon
-eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar nog minder, dat
-hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef
-mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw
-zijn. Gij hebt, mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is
-billijk, dat ik u vrij laat in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!"
-
-Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep,
-en hoe spoedig ik het jawoord kreeg, dat is niet noodig u te
-vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat ik lang en gelukkig met
-Diana geleefd,--gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar door
-den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die
-tranen verdiende, hoe edel zij was en hoe trouw!
-
-Mijne romantische avonturen zijn geëindigd. De latere gebeurtenissen
-van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die met zooveel
-deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn
-leven afwisselden, met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar
-Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander weder gezien, die op
-mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend had;
-wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn
-gebied aan de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja,
-dat hij zelfs zooveel toegevendheid van den kant der regeering
-genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap Lennox
-spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting,
-welke hij even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne
-huurpenningen. Een bestaan zoo als hij leidde, zou men denken, moest
-een gewelddadig einde genomen hebben, maar neen! op hoogen ouderdom is
-hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog steeds leeft
-hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood
-van Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij
-was een man, die edele, achtenswaardige hoedanigheden van verstand
-en hart bezat. Een minder dubbelzinnig bedrijf dan dat, waartoe het
-noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld had door
-hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor.
-
-Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone
-nog gekend. Die placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld
-hebben, die eigenlijk veel te veel slechts doen, om ze te zegenen,
-en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken." Robbert Roodhaar
-was zulk een mensch.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Bedoeld is hier de zoogenaamde édition aux lettres vertes van dit
-boek. Zij werd onder toezicht des schrijvers, te Sully gedrukt, met
-de valsche opgave: Amsterdam, chez Aletinosographe de Clearetimelee
-et Graphexechon de Pistariste, à l'enseigne des trois vertus (Geloof,
-Liefde en Hoop) couronnées d'Amaranthe--zonder jaartal (maar het was
-in 1610).--Vert.
-
-[2] Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.
-
-[3] In September 1715.
-
-[4] 1714.
-
-[5] In 't begin der achttiende eeuw maakte de Regeering zich altijd
-dadelijk van de paarden der Katholieken meester, als er eenige onrust
-in het land was. Men veronderstelde altijd, dat zij op het punt waren
-van deel te nemen aan een opstand, en ontnam hun zoo doende het middel
-van vervoer.
-
- W. S.
-
-[6] Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering
-van Eduard VI, Elizabeth en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd.
-
-[7] Als Vernon één woord is, beteekent het: Vernon is altijd groen
-(frisch). Doch wordt Ver Non als twee woorden gelezen, dan is de
-beteekenis: de lente is niet altijd groen.
-
-[8] Zoo noemt men het graafschap Fife.
-
-[9] Black-mail, eene soort van veiligheids-assurantie.
-
-[10] De Hooglanders noemen de zuidelijke Britten naar hunne voorouders,
-de Angelsaksen, nog steeds Saksen, Saksenach, en de Engelsche en
-Nederschotsche taal de Saksische.
-
-[11] Het wapen van den hertog van Argyle en anderen van den clan
-Campbell.
-
-[12] De Hooglandsche naam voor Campbell.
-
-[13] Lochow en de omstreken waren het oorspronkelijke verblijf van
-den stam Campbell. Deze uitdrukking was een spreekwoord.
-
-[14] Nog heden is die klaagzang onder het volk bekend, en wordt soms
-nog gezongen.
-
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's Robbert Roodhaar, by Walter Scott and Gerard Keller
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBBERT ROODHAAR ***
-
-***** This file should be named 62728-8.txt or 62728-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/2/7/2/62728/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
diff --git a/old/62728-8.zip b/old/62728-8.zip
deleted file mode 100644
index b5fb997..0000000
--- a/old/62728-8.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h.zip b/old/62728-h.zip
deleted file mode 100644
index 895017c..0000000
--- a/old/62728-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/62728-h.htm b/old/62728-h/62728-h.htm
deleted file mode 100644
index 28c4dc9..0000000
--- a/old/62728-h/62728-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,17165 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2020-07-22T20:28:00Z using SAXON HE 9.9.1.6 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=iso-8859-1">
-<title>Robbert Roodhaar</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Walter Scott (1771&#x2013;1832)">
-<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Walter Scott (1771&#x2013;1832)">
-<meta name="DC.Title" content="Robbert Roodhaar">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="Outlaws -- Fiction">
-<meta name="DC:Subject" content="Rob Roy, 1671-1734 -- Fiction">
-<meta name="DC:Subject" content="Scotland -- History -- 1689-1745 -- Fiction">
-<style type="text/css">
-body {
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-font-size: 100%;
-line-height: 1.2em;
-text-align: left;
-}
-.div0 {
-padding-top: 5.6em;
-}
-.div1 {
-padding-top: 4.8em;
-}
-.div2 {
-padding-top: 3.6em;
-}
-.div3, .div4, .div5 {
-padding-top: 2.4em;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-line-height: 1.2em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-padding-top: 2.4em;
-padding-bottom: 1.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-sup {
-line-height: 6pt;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-height: 1px;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-width: 45%;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5em;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-line-height: 1em;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.40em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.71em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8em;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-line-height: 1.2em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pagenum a, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-a.noteref, a.pseudonoteref {
-font-size: 80%;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .label, .par.footnote .label {
-float: left;
-width: 2em;
-height: 12pt;
-display: block;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 3.5em;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.72em;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTop, .figBottom {
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pagenum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 7%;
-line-height: 1.2em;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-line-height: 1.2em;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink {
-background-repeat: no-repeat;
-background-position: right center;
-}
-.pglink {
-background-image: url(images/book.png);
-padding-right: 18px;
-}
-.catlink {
-background-image: url(images/card.png);
-padding-right: 17px;
-}
-.exlink, .wplink, .biblink, .qurlink, .seclink {
-background-image: url(images/external.png);
-padding-right: 13px;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: "Times New Roman", Times, serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, .h1 {
-padding-bottom: 5em;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteref:hover, a.pseudonoteref:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-.pagenum, .linenum {
-speak: none;
-}</style>
-<style type="text/css">
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.cover-imagewidth {
-width:544px;
-}
-.xd29e114 {
-text-align:center;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:485px;
-}
-.xd29e149 {
-text-align:center; font-size:small;
-}
-.xd29e164 {
-text-align:right;
-}
-.xd29e166 {
-background: url(images/initial-g.png) no-repeat top left;
-padding-top: 3px;
-}
-.xd29e166init {
-float: left;
-width: 50px;
-height: 51px;
-background: url(images/initial-g.png) no-repeat;
-background-position: 0px -3px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd29e303 {
-background: url(images/initial-m.png) no-repeat top left;
-padding-top: 3px;
-}
-.xd29e303init {
-float: left;
-width: 58px;
-height: 51px;
-background: url(images/initial-m.png) no-repeat;
-background-position: 0px -3px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd29e409 {
-font-style:italic;
-}
-.xd29e412 {
-text-indent:2em;
-}
-.xd29e590 {
-background: url(images/initial-w.png) no-repeat top left;
-padding-top: 7px;
-}
-.xd29e590init {
-float: left;
-width: 66px;
-height: 52px;
-background: url(images/initial-w.png) no-repeat;
-background-position: 0px -7px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p027width {
-width:466px;
-}
-.xd29e643 {
-background: url(images/initial-o.png) no-repeat top left;
-padding-top: 6px;
-}
-.xd29e643init {
-float: left;
-width: 47px;
-height: 53px;
-background: url(images/initial-o.png) no-repeat;
-background-position: 0px -6px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p034width {
-width:492px;
-}
-.xd29e767 {
-background: url(images/initial-a.png) no-repeat top left;
-padding-top: 7px;
-}
-.xd29e767init {
-float: left;
-width: 49px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-a.png) no-repeat;
-background-position: 0px -7px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p053width {
-width:485px;
-}
-.xd29e1015 {
-background: url(images/initial-h.png) no-repeat top left;
-padding-top: 6px;
-}
-.xd29e1015init {
-float: left;
-width: 49px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-h.png) no-repeat;
-background-position: 0px -6px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd29e1143 {
-background: url(images/initial-t.png) no-repeat top left;
-padding-top: 7px;
-}
-.xd29e1143init {
-float: left;
-width: 38px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-t.png) no-repeat;
-background-position: 0px -7px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.xd29e1200 {
-text-indent:10em;
-}
-.p066width {
-width:499px;
-}
-.p081width {
-width:487px;
-}
-.p088width {
-width:499px;
-}
-.xd29e1642 {
-background: url(images/initial-d.png) no-repeat top left;
-padding-top: 6px;
-}
-.xd29e1642init {
-float: left;
-width: 50px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-d.png) no-repeat;
-background-position: 0px -6px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p097width {
-width:485px;
-}
-.p106width {
-width:490px;
-}
-.p108width {
-width:491px;
-}
-.xd29e1839 {
-background: url(images/initial-i.png) no-repeat top left;
-padding-top: 6px;
-}
-.xd29e1839init {
-float: left;
-width: 27px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-i.png) no-repeat;
-background-position: 0px -6px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p116width {
-width:491px;
-}
-.p127width {
-width:479px;
-}
-.p133width {
-width:484px;
-}
-.p137width {
-width:485px;
-}
-.xd29e2227 {
-background: url(images/initial-b.png) no-repeat top left;
-padding-top: 7px;
-}
-.xd29e2227init {
-float: left;
-width: 41px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-b.png) no-repeat;
-background-position: 0px -7px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p145width {
-width:498px;
-}
-.p156width {
-width:469px;
-}
-.xd29e2474 {
-background: url(images/initial-n.png) no-repeat top left;
-padding-top: 8px;
-}
-.xd29e2474init {
-float: left;
-width: 50px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-n.png) no-repeat;
-background-position: 0px -8px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p163width {
-width:474px;
-}
-.p169width {
-width:472px;
-}
-.xd29e2599 {
-background: url(images/initial-e.png) no-repeat top left;
-padding-top: 6px;
-}
-.xd29e2599init {
-float: left;
-width: 44px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-e.png) no-repeat;
-background-position: 0px -6px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p175width {
-width:486px;
-}
-.p181width {
-width:459px;
-}
-.p190width {
-width:505px;
-}
-.xd29e2930 {
-text-indent:6em;
-}
-.p200width {
-width:473px;
-}
-.p209width {
-width:465px;
-}
-.xd29e3314 {
-background: url(images/initial-k.png) no-repeat top left;
-padding-top: 7px;
-}
-.xd29e3314init {
-float: left;
-width: 50px;
-height: 54px;
-background: url(images/initial-k.png) no-repeat;
-background-position: 0px -7px;
-text-align: right;
-color: white;
-font-size: 1px;
-}
-.p228width {
-width:461px;
-}
-.p238width {
-width:499px;
-}
-.p248width {
-width:497px;
-}
-.p255width {
-width:470px;
-}
-.p259width {
-width:500px;
-}
-.p265width {
-width:489px;
-}
-.p273width {
-width:490px;
-}
-.p282width {
-width:499px;
-}
-.p292width {
-width:501px;
-}
-.p309width {
-width:495px;
-}
-.xd29e4838 {
-text-align:center;
-}
-@media handheld {
-.xd29e166 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e166init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e303 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e303init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e590 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e590init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e643 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e643init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e767 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e767init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e1015 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e1015init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e1143 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e1143init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e1642 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e1642init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e1839 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e1839init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e2227 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e2227init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e2474 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e2474init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e2599 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e2599init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-.xd29e3314 {
-background-image: none;
-padding-top: 0;
-}
-.xd29e3314init {
-float: none;
-width: auto;
-height: auto;
-background-image: none;
-text-align: right;
-color: inherit;
-font-size: inherit;
-}
-}
-/* CSS rules copied from @style attributes in TEI file */
-</style>
-</head>
-<body>
-
-
-<pre>
-
-Project Gutenberg's Robbert Roodhaar, by Walter Scott and Gerard Keller
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Robbert Roodhaar
-
-Author: Walter Scott
- Gerard Keller
-
-Release Date: July 22, 2020 [EBook #62728]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBBERT ROODHAAR ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-</pre>
-
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="544" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd29e114">WALTER SCOTT&#x2019;S WERKEN.
-</p>
-<p class="xd29e114">ROBBERT ROODHAAR.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="485" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="seriesTitle">Walter Scott&#x2019;s Werken.</div>
-</div>
-<div class="byline">OPNIEUW VERTAALD EN BEWERKT
-<br>
-DOOR
-<br>
-<span class="docAuthor">GERARD KELLER.</span></div>
-<div class="docTitle">
-<div class="mainTitle">ROBBERT ROODHAAR.</div>
-</div>
-<div class="byline">Geïllustreerd met de gravures der oorspronkelijke Engelsche uitgave van MARCUS WARD
-&amp; Co.</div>
-<div class="docImprint"><span class="sc">Arnhem&#x2014;Nijmegen.</span><br>
-<span class="sc">GEBRs.</span> E. &amp; M. COHEN.</div>
-</div>
-<p></p>
-<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd29e149">TYP. DRUKKERIJ &#x201e;DE PH&#x152;NIX&#x201d;, NIJMEGEN.
-<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="super">ROBBERT ROODHAAR.</h2>
-<h2 class="main">HOOFDSTUK I.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wat was mijn fout, dat thans zoo bittre smart
-</p>
-<p class="line">Zoo zwaar mij drukt? Geen zonen heb ik meer!
-</p>
-<p class="line">Die daar hield op, &#x2019;t te zijn.&#x2014;Vervloekt
-</p>
-<p class="line">In eeuwigheid de oorzaak van uw&#x2019; omkeer.&#x2014;Reizen?
-</p>
-<p class="line">&#x2019;k Kan evengoed mijn paard uit reizen zenden.&#x2026;
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164">MONSIEUR THOMAS.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e166"><span class="xd29e166init">G</span>ij beste vriend! wenschtet, dat ik eenige uren van de rust, die mij zoo goed doet
-en waarmede eene liefderijke Voorzienigheid den avond van mijn leven gezegend heeft,
-er aan wijdde, die vele wederwaardigheden en gevaren, waartegen ik in vroeger tijd
-zoo strijden en worstelen moest, in geschrifte te verhalen.
-</p>
-<p>Het is waar, de herinnering aan die avonturen, zooals gij ze verkiest te noemen, heeft
-bij mij een zeker gemengd gevoel van smart en vreugde achtergelaten. Maar daarnaast
-leeft in mij eene innige dankbaarheid en een diepe eerbied jegens den grooten Bestuurder
-van het lot der menschen. Hij heeft de loopbaan mijner jeugd met doornen en distelen
-bezaaid, opdat ik het geluk in later dagen, wanneer ik, terugblikkend op het verledene,
-het tegenwoordige genietende, des te beter zou beseffen en waardeeren. Nu hebt gij
-mij dikwerf verzekerd, dat de avonturen die ik beleefde onder een volk, zoo eigenaardig
-en eenvoudig naar regeeringsvorm en zeden, wel iedereen moeten boeien, die gaarne
-luistert naar een oud man, als deze vertelt van vroeger dagen.
-</p>
-<p>Ik wil het gaarne gelooven. Maar vergeet vooral niet, dat een geschiedenis, waarnaar
-een belangstellend vriend aandachtig en deelnemend luisteren mocht, veel van hare
-bekoorlijkheid verliest, als zij geschreven wordt. Hoe belangwekkend gij ook die avonturen
-vondt, toen de stem van hem, die ze beleefde, ze u verhaalde, zij zullen veel minder
-de aandacht boeien, als zij in de eenzame kamer gelezen worden. Jeugdiger levenskrachten
-en eene krachtiger gezondheid beloven u een langer leven, <span class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span>dan mij. Sluit dus, bid ik u, deze papieren in de eene of andere geheime lade van
-uw lessenaar zorgvuldig weg, tot dat de scheiding tusschen ons komen zal, die elk
-oogenblik komen <i>kan</i>, maar die zeker binnen weinige jaren komen <i>moet</i>. Wanneer wij dan voor deze wereld gescheiden zijn&#x2014;om eenmaal naar ik hoop, in betere
-gewesten elkaar weer te zien,&#x2014;dan zal u, dat weet ik zeker, de nagedachtenis van uw
-ontslapen vriend u dierbaarder zijn, dan hij het verdient. Maar dan zal u ook dat
-verhaal, dat ik thans nederschrijven wil, wel weemoedige maar geenszins onaangename
-overdenkingen brengen. Sommige menschen laten hun geliefden vrienden een beeld hunner
-gestalte na. Ik bied u een afschrift mijner gedachten, een beeld mijner deugden en
-gebreken. Doch ik hoop, dat gij de dwaasheden en buitensporigheden mijner jeugd met
-dezelfde liefderijke verschooning zult beoordeelen, die gij aan de dwalingen van den
-volwassen man steeds hebt verleend.
-</p>
-<p>Dat ik mijne gedenkschriften&#x2014;zoo ik ten minste aan dit stuk zulk een weidschen titel
-mag geven&#x2014;aan een dierbaren getrouwen vriend wijd, verschaft mij ook het voordeel,
-van hier eenige omstandigheden met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan, die ik aan een
-vreemdeling noodzakelijk vooraf zou moeten mededeelen. Doch waarom toch zou ik, al
-heb ik u nu geheel in mijne macht, al heb ik inkt, papier en tijd in overvloed, waarom
-zou ik u al dadelijk op de pijnbank der verveling brengen? Toch durf ik u niet stellig
-beloven, dat ik van eene zoo verleidelijke gelegenheid, om van mij en mijne lotgevallen
-te spreken, nooit misbruik maken zal, om omstandigheden te vermelden, die u bijna
-even goed als mij bekend zijn. De booze neiging om toch vooral die voorvallen uitvoerig
-te verhalen, waarvan wij zelf de helden zijn, doet ons vaak uit het oog verliezen,
-wat wij aan den tijd en het geduld van onze toehoorders schuldig zijn. Die neiging
-heeft menigen, anders flinken schrijver tot een vervelenden babbelaar gemaakt. Ik
-behoef u in dit opzicht slechts te herinneren aan de zeldzame eerste uitgave van Sully&#x2019;s
-»<i>Gedenkwaardigheden</i>.&#x201d;<a class="noteref" id="xd29e181src" href="#xd29e181">1</a> Gij, met de dwaze ijdelheid van een echten boekverzamelaar, verkiest die uitgave
-boven alle anderen, die in gewonen bruikbaren vorm in den handel werden gebracht.
-Maar voor mij is ze alleen merkwaardig, omdat ze mij een treurig bewijs levert, dat
-ook een groot man, als de schrijver inderdaad was, zwak en kleingeestig genoeg kan
-zijn, om aan zijn eigen ik eene onzinnige hooge waarde te hechten. Als ik mij goed
-herinner, dan had die beroemde staatsdienaar niet minder dan vier geheim-secretarissen
-met de taak belast, om de gebeurtenissen van zijn leven op te teekenen, onder den
-titel: <i>Gedenkwaardigheden van de wijze en koninklijke staathuishouding, <span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7">7</a>]</span>betreffende de binnenlandsche staats- en krijgskundige aangelegenheden van</i> Hendrik den Vierden <i>enz.</i>
-</p>
-<p>Toen nu deze heeren hunne bouwstoffen voor dat werk verzameld hadden, werden deze
-»Gedenkwaardigheden&#x201d;, waarin alles voorkwam, wat maar eenigszins belangrijk was uit
-de lotgevallen van hun meester, opgeschreven in den vorm van een aan hem zelven gericht
-verhaal. Hij schreef niet zooals Julius Cesar, zijne geschiedenis eenvoudig in den
-derden persoon. Ook deed hij niet als de meesten die als sprekers of schrijvers het
-wagen de helden van hun eigen verhaal te zijn. Neen, Sully genoot het meer verfijnde,
-hoogst zeldzame genoegen, dat hij zich zijne levensgeschiedenis door zijne secretarissen
-liet voordragen, terwijl hij zelf de toehoorder, zoo als hij tevens de held, en hoogst
-waarschijnlijk de steller van het gansche boek was. Het moet een kostelijk tooneel
-geweest zijn, als de voormalige minister, gehuld in een tabbaart, met kostbaar bont
-omzoomd, met een breeden halskraag om, stijf en fraai geplooid, zoo recht als een
-kaars, met de meeste deftigheid onder zijn troonhemel gezeten, naar het verhaal van
-zijne secretarissen luisterende; als dan die heeren met ongedekt hoofd voor hem stonden,
-en met den meesten ernst voorlazen: »<i>Zoo sprak de hertog&#x2014;zoo eindigde de hertog zijne rede</i>.&#x201d;&#x2014;»<i>Dit was het gevoelen van zijne Excellentie over deze gewichtige zaak&#x2014;dit was de welgemeende
-raad, dien zijne Excellentie den Koning bij deze gelegenheid gaf</i>,&#x2014;&#x201d; louter omstandigheden, die den eenigen toehoorder veel beter bekend waren dan
-hun, ja, die zij meestendeels slechts uit zijn eigen mond konden weten.
-</p>
-<p>Nu ben ik lang zulk een verheven personage niet als de groote hertog Sully. Ik heb
-ook geen vier geheim-secretarissen. Maar toch zou het vrij dwaas zijn, wanneer Frans
-Osbaldistone zijn vriend, Willem Tresham, een breed verhaal ging doen van zijn afkomst,
-opvoeding en betrekkingen op dit ondermaansche. Ik zal derhalve den boozen geest der
-verleiding bekampen, zoo dapper als ik maar kan, en u niet vermoeien met bekende dingen.
-Alleen moet ik u vluchtig het een en ander in het geheugen terugroepen wat gij trouwens
-reeds vroeger geweten hebt, doch door verloop van tijd kunt vergeten hebben, doch
-wat van beslissenden invloed op mijn lot is geweest.
-</p>
-<p>Gij herinnert u zeker mijn vader nog, dien gij in uwe jonge jaren gekend hebt, toen
-uw vader zijn compagnon was. Wel zaagt gij hem niet in zijne beste dagen, vóór dat
-ouderdom en zwakte zijn vurigen, ondernemingslustigen geest bijna geheel uitgedoofd
-hadden. Had hij dien geest, die schranderheid, dat doorzicht, die hij nu slechts in
-koopmansspekulatiën aanwendde, aan de wetenschappen willen wijden, hij zou hoogstwaarschijnlijk
-niet zoo rijk, maar niet minder gelukkig, ja, gelukkiger geweest zijn. Maar de koophandel
-en de velerlei afwisselingen daaraan verbonden, hebben, behalve de hoop op winst,
-nog iets, wat hem, die wagen durft, vooral bekoort. Wie deze onstuimige zee bevaren
-wil, moet aan de bekwaamheid van den stuurman ook de standvastigheid van den echten
-zeeman paren. Hij kan ook dan nog schipbreuk lijden en verongelukken, als de stormen
-der fortuin hem niet <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8">8</a>]</span>gunstig zijn. Die gestadige oplettendheid, dat gevaar, de telkens zich hernieuwende
-pijnlijke onzekerheid, of schranderheid de fortuin zal dwingen, dan wel de fortuin
-alle plannen der schranderheid verijdelen zal, dit alles geeft aan de geestvermogens
-bezigheid, houdt de hartstochten gespannen. De handel heeft in zekeren zin al het
-bekoorlijke en boeiende van het spel, zonder evenwel zoo onzedelijk te zijn.
-</p>
-<p>Ik was in die dagen, in het begin dezer achttiende eeuw, te Bordeaux. Ik was ruim
-twintig jaar oud. Op zekeren dag kreeg ik van huis het onverwachte bevel, om Bordeaux
-te verlaten en wegens eene gewichtige aangelegenheid naar Londen tot mijn vader terug
-te keeren. Onvergetelijk is mij het oogenblik van dat wederzien. Gij herinnert u zeker
-nog den korten, afgebroken, min of meer strengen toon, waarop hij gewoon was zijn
-wil te kennen te geven. Mij dunkt, ik zie hem nog voor mij. Ik zie nog zijne rijzige,
-indrukwekkende gestalte. Ik hoor nog zijn snellen, vasten tred. Nog ziet mij aan zijn
-scherp, doordringend oog, zijn echt mannelijk gelaat, waarop zorgen reeds rimpels
-hadden gegrift. Ja, ik hoor hem nog spreken. Voor hetgene hij zeggen wilde, nam hij
-nooit meer woorden dan volstrekt noodig was. Maar elk woord was juist gekozen, al
-werd dan ook zijn spreektoon onwillekeurig soms wat hard en onaangenaam.&#x2026;
-</p>
-<p>Nauwelijks afgestegen, ijlde ik naar mijn vader. Hij wandelde in zijne kamer op en
-neer. Zijn gelaat verried ernstig, kalm, diep nadenken. Zelfs het wederzien van zijn
-zoon, na een vierjarige afwezigheid kon dien ernst niet storen. Ik omhelsde hem. Hij
-was een goed, maar geen weekhartig vader. Eene sekonde slechts zag ik een traan in
-zijn donker oog.&#x2014;»Dubourg schrijft mij&#x201d;, dus begon hij, »dat hij over u tevreden is,
-Frans!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dit verheugt mij, vader.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar ik heb daarentegen minder reden het te zijn,&#x201d; voegde hij er kortaf bij en ging
-aan zijn lessenaar zitten.
-</p>
-<p>»Dat spijt mij, vader.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vreugd of spijt, Frans, dat zijn een paar woorden, die in de meeste gevallen weinig
-of in het geheel niets beteekenen. Hier is uw laatste brief.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij nam dien uit een dik pakket papieren, die met een rooden band samengebonden en
-nauwkeurig genummerd waren. Mijn arme brief! Hij handelde over iets dat mij toen diep
-ter harte ging. Hij was met zorg geschreven, en wel zoo, dat hij, naar ik dacht, zoo
-al geene volkomene toestemming, ten minste deelneming moest opwekken. En daar lag
-hij nu, onder allerlei brieven over zaken. Nu moet ik glimlachen, als ik mij herinner,
-hoe gekrenkt in mijn eigenliefde, hoe jammerlijk teleurgesteld ik was, toen ik mijn
-brief, die mij zoo veel moeite had gekost, uit dat akelige pak van advies-brieven,
-aanbevelingen en dergelijke prullen, zoo als ik ze destijds geliefde te noemen, voor
-den dag zag komen. Neen! dacht ik. Een zoo gewichtige en zoo goed geschreven brief
-had toch wel eene afzonderlijke plaats, wat zorgvuldiger behartiging verdiend!
-<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9">9</a>]</span></p>
-<p>Mijn vader bemerkte mijn misnoegen niet. Trouwens, al had hij het bemerkt, hij zou
-zich er toch niet aan gestoord hebben. Hij vouwde den brief open en ging voort: »Dat
-is uw brief van den 21sten der vorige maand, Frans. Gij bericht mij dat »bij de gewichtige
-keus van een beroep voor uw volgend leven, mijne vaderlijke goedheid u ten minste
-eene opponeerende stem zal willen vergunnen,&#x201d; dat gij on.&#x2026; on.&#x2026; onoverwinnelijke&#x2014;(in
-het voorbijgaan moet ik u verzoeken, in het vervolg duidelijker te schrijven, en niet
-te vergeten, door de <i>t</i> eene dwarsstreep te halen en aan de <i>l</i> van boven de behoorlijke opening te geven) dus onoverwinnelijke bezwaren tegen het
-plan hebt, dat ik u heb voorgesteld. Ditzelfde is in allerlei woorden op deze vier
-vol geschreven bladzijden te lezen. Als gij u slechts meer moeite gegeven hadt, u
-duidelijk en kort uit te drukken, hadt gij het zeer goed in vier regels kunnen zeggen.
-Kortom, Frans! alles komt daarop neer, dat gij niet doen wilt, wat ik verlang.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat ik het, in dit geval, niet doen <span class="ex">kan</span>, vader! Niet, dat ik het niet <span class="ex">wil</span>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Woordenkeus heeft weinig vat op mij, jonge heer,&#x201d; antwoordde mijn vader, die zijn
-onbuigzamen wil steeds met de grootste bedaardheid en zelfbeheersching te kennen gaf.&#x2014;»<span class="ex">Ik kan niet</span>, klinkt wat beleefder dan <span class="ex">ik wil niet</span>, maar beide uitdrukkingen beteekenen hetzelfde, als er geene zedelijke onmogelijkheid
-bestaat. Ik houd er echter niet van, zaken overijld af te doen. Na tafel spreken wij
-er nader over.&#x2014;Owen!&#x201d;
-</p>
-<p>Owen kwam. Hij was toen niet de grijsaard met de zilveren lokken, dien gij gekend
-en geëerd hebt, mijn vriend. Hij telde toen niet meer dan vijftig jaren. Maar hij
-droeg denzelfden lichtbruinen rok, dezelfde parelkleurige zijden kousen, dezelfde
-das met de zilveren gesp, dezelfde fijn geplooide kanten lubben die in onze huiskamer
-bijna tot aan zijne nagels kwamen, doch die hij in het kantoor zorgvuldig onder de
-opslagen van zijne mouwen verborg, opdat er geen inktvlak op vallen zou. Het ernstige,
-deftige, maar goedige gelaat van den eersten boekhouder van het aanzienlijke handelshuis
-Osbaldistone en Tresham knikte mij toe.
-</p>
-<p>»Owen,&#x201d; zeide mijn vader, toen de goede man mij liefderijk de hand bood, »gij moet
-heden met ons eten. Dan kunt ge het nieuws vernemen, door Frans van onze vrienden
-te Bordeaux medegebracht.&#x201d;
-</p>
-<p>Met eene buiging gaf Owen zijn eerbiedigen dank te kennen. In die dagen, toen de afstand
-tusschen heeren en bedienden nauwkeuriger dan thans in acht werd genomen, was zulk
-eene uitnoodiging geen gering gunstbewijs.
-</p>
-<p>Dat middagmaal vergeet ik nimmer! Moedeloos, en zelfs misnoegd, was ik niet in staat,
-aan het onderhoud zoo levendig deel te nemen, als mijn vader zeker verwachtte. Dikwijls
-gaf ik hem op de vele vragen, waarmede hij mij bestormde, vrij onvoldoende en verwarde
-antwoorden. De goede Owen spande zich in, om zijn eerbied jegens zijn heer met zijne
-liefde voor den jongeling, dien hij vroeger op zijn knie had laten rijden, te vereenigen.
-Hij trachtte elken misslag in mijne antwoorden te verklaren; zeide datgene wat ik
-eigenlijk niet had gezegd&#x2014;<span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>steeds om mij te dekken. Doch deze <i>manoeuvre</i> joeg mijn vader nog meer in &#x2019;t harnas. In plaats van mij voldoende te dekken, kreeg
-hij nu menig hard en scherp woord van zijn patroon. Gedurende mijn verblijf te Bordeaux
-had ik, wel is waar, het koopmansberoep niet zoo erg veronachtzaamd, dat ik mij alleen
-aan <i>sonetten</i> en <i>stanza&#x2019;s</i>, en in &#x2019;t geheel niets aan <i>grootboeken</i>, <i>kasboeken</i>, <i>journalen</i> enz. had gedaan; maar ik was toch, om de waarheid te zeggen, niet verder gegaan,
-dan volstrekt noodzakelijk was, om den ouden Franschen handelsvriend van ons huis,
-die mij in de geheimen van den koophandel zou inwijden, in staat te stellen, gunstige
-berichten omtrent mij te geven. Mijn hoofdbezigheid bestond voor mij in de taak mij
-in de letterkunde en in lichaamsoefeningen te bekwamen. Nu was mijn vader wel geen
-verklaarde vijand van dergelijke studiën, want met zijn gezond verstand begreep hij
-wel dat zij ieder tot sieraad kunnen zijn en het beroep, waartoe ik mij, volgens zijn
-wensch, moest vormen, kon daardoor wel versierd en veredeld worden. Maar zijn hoofddoel
-en streven was, mij niet alleen zijn vermogen na te laten, maar ook de middelen, om
-het handelshuis, waardoor de rijke erfenis nog veel vermeerderd en eenmaal op het
-nageslacht zou kunnen overgebracht worden.
-</p>
-<p>Geestdrift voor zijn stand was zijn hoofdrust en hoofdeigenschap. Deze vooral deed
-hem bij mij aandringen dezelfde loopbaan te kiezen. Maar hij had nog andere drijfveeren,
-die ik eerst later vernam. Voortvarend, bekwaam en ondernemend in zijne handelsplannen,
-vond hij in het geluk van elk waagstuk een nieuwen prikkel en ook nieuwe middelen
-tot verdere ondernemingen. Hij was als een eerzuchtig veroveraar, die meende altijd
-voorwaarts te moeten gaan, zonder met het reeds verkregene tevreden te zijn. Hij dacht
-er niet aan op te houden om slechts dat, wat hij verworven had, in veiligheid te genieten.
-O neen! Gewoon om zijn gansche vermogen in de weegschaal zijner plannen te werpen,
-en daarbij vindingrijk in de middelen, die weegschaal in zijn voordeel te doen overhellen,
-schenen de gevaren, waaraan hij zijn schatten blootstelde, hem steeds nieuwe levenskracht
-te geven, tot nieuwe werkzaamheid, tot nieuwe plannen uit te lokken. Hij was als een
-zeeman, die de golven en den vijand leerde trotseeren, en daarom den storm of den
-slag steeds met vertrouwen tegemoet ging. Toch bedacht hij opmerkzaam de veranderingen
-die ouderdom of ziekte bij hem zouden kunnen te weeg brengen. Daarom wilde hij bij
-tijds zich van eene hulp verzekeren, die van zijne vermoeide hand het roer overnemen
-en volgens zijn raad en zijne aanwijzingen het schip sturen kon. Zoowel zijn vaderliefde
-als de wensch, zijne ontwerpen te bevorderen, brachten hem tot dat besluit. Wel is
-waar, had uw vader, waarde Tresham, zijn vermogen in onze zaak belegd. Maar hij was,
-zoo als gij weet, een zoogenaamde »<i>stille compagnon</i>.&#x201d; Wat Owen betreft, deze kon zeker als man van beproefde eerlijkheid en knap boekhouder,
-het kantoor belangrijke diensten bewijzen. Maar hij bezat geen handelstalent genoeg,
-om hem het oppertoezicht over de zaken te kunnen toevertrouwen. Als de dood mijn vader
-onverwachts verraste, wat zou er dan van die vele plannen worden, waarmede zijn hoofd
-vervuld was, <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span>zoo niet zijn zoon een handels-Herkules werd, sterk genoeg, om den last te dragen,
-welken de vallende Atlas achterliet! Ja, wat zou er van den zoon zelven worden, indien
-hij, vreemd in handelszaken, zich plotseling in den doolhof van koopmansaangelegenheden
-had verplaatst gezien, zonder den draad van Ariadne te bezitten, die hem in den doolhof
-den weg kon doen vinden. Al deze redenen, deels openlijk erkend, deels verborgen,
-hadden mijn vader doen besluiten, dat ik zijn beroep zou kiezen; en wanneer hij iets
-vast besloten had, dan was er geen onverzettelijker man dan hij. Maar ik moest toch
-ook gevraagd worden. En nu had ik, die ook nog al stijfhoofdig was, juist een tegenovergesteld
-besluit genomen.
-</p>
-<p>Tot verontschuldiging van mijn verzet, tegen den wensch mijns vaders, moge strekken,
-dat ik niet goed begreep, waarom hij juist dien wensch koesterde, en in hoever zijn
-geluk daarmede gemoeid was. Ik geloofde immers voor het heden van een ruim jaargeld,
-voor de toekomst van eene rijke erfenis verzekerd te zijn. Het kwam niet bij mij op,
-te vermoeden dat ik tot bevestiging van dat geluk mij daarenboven aan allerlei arbeid
-en dienst zou moeten wijden, zoo geheel in strijd met mijn smaak en neiging. In het
-voorstel van mijn vader, om zijn beroep te kiezen, zag ik niets dan den wensch, dat
-ik nog iets zou voegen bij de schatten, welke hij zelf opgehoopt had. Maar ik meende
-dat ik over den weg tot mijn geluk zelf &#x2019;t best kon oordeelen, en dat het mij zeer
-zeker niet gelukkiger zou maken, wanneer ik een vermogen trachtte te vermeerderen,
-dat reeds meer dan toereikend was, om mij elke mogelijke behoefte, ja elk mogelijk
-levensgenot te verschaffen.
-</p>
-<p>Geen wonder dan ook, dat ik&#x2014;ik erken het ridderlijk&#x2014;mijn tijd in Bordeaux niet <span class="corr" id="xd29e273" title="Bron: zóo">zóó</span> doorbracht, als mijn vader wenschte. Wat hij als het hoofddoel van mijn verblijf
-aldaar beschouwde, nam ik als bijzaak op. Ja, ik zou het, als ik gedurfd had, geheel
-verwaarloosd hebben.
-</p>
-<p>Dubourg, die met ons kantoor in voordeelige betrekking stond, was veel te slim, om
-in zijne correspondentie over mijn persoon iets te berichten, wat mijn vader of mij
-kon mishagen. Ook was het hem uit baatzucht, zoo als gij later vernemen zult, niet
-onaangenaam, dat ik het eigenlijk doel van mijn verblijf ten zijnen huize minder voor
-oogen hield. Overigens was mijn gedrag steeds onberispelijk. In zoo ver kon hij derhalve
-niets nadeeligs berichten, al ware hij ook daartoe geneigd geweest. Maar ik mag misschien
-vermoeden, dat de geslepen Franschman het ook door de vingers gezien zou hebben, als
-ik mij aan iets ergers dan enkel aan lusteloosheid en tegenzin in handelszaken had
-schuldig gemaakt. Een gedeelte van mijn tijd wijdde ik natuurlijk wel aan de beroepsbezigheden.
-Maar hij liet mij ongestoord de overige uren bij mijn geliefkoosde studiën doorbrengen.
-Hij had er volstrekt niets tegen, dat ik mij liever met Corneille en Boileau, dan
-met Postlethwayte&#x2019;s Handelswoordenboek&#x2014;indien althans die foliant destijds reeds in
-de wereld ware geweest, en de heer Dubourg dien naam had kunnen uitspreken&#x2014;met Savary,
-of eenigen anderen schrijver over den koophandel, bezighield. Elke brief, dien hij
-over mij aan mijn vader <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12">12</a>]</span>schreef, eindigde met de verzekering dat ik alles deed wat een vader van een zoon
-maar kon wenschen.
-</p>
-<p>Mijn vader was steeds ingenomen met een spreekwijze, hoe dikwijls ze ook herhaald
-werd, als ze maar helder en duidelijk was; Addison zelf zou voor hem geen zoo aangename
-en veelbeteekenende uitdrukking hebben kunnen vinden, als deze: »<i>uwen laatsten heb ik ontvangen en inliggende wisselbrieven behoorlijk gehonoreerd</i>.&#x201d;
-</p>
-<p>Daar nu mijn vader zeer goed wist wat ik volgens zijn wensch moest zijn, liet Dubourg&#x2019;s
-steeds herhaalde lievelingsuitdrukking hem volstrekt geen twijfel over, dat ik wezenlijk
-was wat hij wenschte, totdat hij in een noodlottig oogenblik mijn brief ontving, waarin
-ik met alle mogelijke welsprekendheid er voor bedankte, in mijns vaders somber kantoor
-te zitten, zeker hooger dan Owen en de andere kantoorbedienden, maar nog iets lager
-dan zijn eigen kantoorstoel. Van dat oogenblik af was alles bedorven. En Dubourg&#x2019;s
-berichten werden evenzoo verdacht, alsof de betaling der op hem getrokken wissels
-geweigerd ware geworden.
-</p>
-<p>Ik werd dus in allerijl naar huis ontboden en ontvangen, zooals ik u beschreven heb.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e181" href="#xd29e181src">1</a></span> Bedoeld is hier de zoogenaamde <i lang="fr">édition aux lettres vertes</i> van dit boek. Zij werd onder toezicht des schrijvers, te <i>Sully</i> gedrukt, met de valsche opgave: <i lang="fr">Amsterdam, chez Aletinosographe de Clearetimelee et Graphexechon de Pistariste, à
-l&#x2019;enseigne des trois vertus (Geloof, Liefde en Hoop) couronnées d&#x2019;Amaranthe</i>&#x2014;zonder jaartal (maar het was in 1610).&#x2014;<i>Vert.</i>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e181src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK II.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat deze
-</p>
-<p class="line">jonge man met eene akelige kwaal behebt is&#x2014;met
-</p>
-<p class="line">de zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,
-</p>
-<p class="line">dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuin
-</p>
-<p class="line">zal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.
-</p>
-<p class="line">Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichten
-</p>
-<p class="line">smeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Ben Jonson&#x2019;s</span> <i>Bartholomaeus-nacht</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e303"><span class="xd29e303init">M</span>ijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen iemand zelden in
-woorden te kennen, maar slechts door een zekeren drogen, knorrigen toon. Nooit uitte
-hij bedreigingen. Nooit ontsnapte hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid
-verried. Alles ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoonte<a id="xd29e305"></a> steeds het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter glimlachje
-hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand van den Franschen handel
-aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij mij steeds dieper en dieper in de geheimen
-van agio, tarief, tarra en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte
-ik op zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag, dat ik
-<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13">13</a>]</span>niet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der agio van het Fransche
-goud op den wisselkoers.
-</p>
-<p>»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd heb,&#x201d; zeide mijn
-vader, die toch onze revolutie<a class="noteref" id="xd29e311src" href="#xd29e311">1</a> had beleefd; »en de jongen weet er zooveel van als een kruier.&#x201d;
-</p>
-<p>»De jonge heer Frans,&#x201d; merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden toon aan, »kan
-toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van den koning der Franschen, van
-den eersten Mei 1700, de houder van een wissel binnen tien dagen&#x201d;&#x2026;
-</p>
-<p>»De jonge heer Frans,&#x201d; viel mijn vader hem in de rede, »zal alles weten, als gij zoo
-goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon!
-Zeg eens, Owen, welk soort van jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop
-op ons kantoor?&#x201d;
-</p>
-<p>»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren een buitengewoon
-knap mensch!&#x201d; antwoordde Owen, wiens hart de jonge Franschman door zijne opgeruimdheid
-en welwillendheid geheel veroverd had.
-</p>
-<p>»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg wilde, dat ik ten
-minste één jongen zou hebben, die zich op de zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn
-doel, en hij zal ook weten, dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het
-einde van het kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn
-oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer Osbaldistone?&#x201d; vroeg
-Owen met bevende stem.
-</p>
-<p>»Ja, en wel terstond, zeg ik!&#x201d; hernam mijn vader. »Het is al genoeg dat wij op ons
-kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van wissels noch wisselkoers iets weet;
-wij behoeven niet nog een sluwen Franschman er bij, die daarvan profiteert.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle willekeur, mij
-van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik voelde mij dus gedwongen, een
-woordje mede te spreken. Ik mocht een verdienstelijk jongeling niet laten straffen,
-omdat hij uitmuntte in bekwaamheden, die ik niet bezat.
-</p>
-<p>»Beste vader,&#x201d; dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten, niet geleerd heb,
-dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen,
-dat hij mij de gelegenheid om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan
-partij moeten trekken. Maar Clement Dubourg&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige maatregelen weten te
-nemen,&#x201d; viel mijn vader mij in de rede. »In elk geval, is het flink van u, Frans,
-dat gij zelf de schuld wilt dragen; dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.&#x2014;Maar
-den ouden Dubourg,&#x201d; vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet
-vergeven <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14">14</a>]</span>dat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft gegeven. Hij had ook
-moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt, en mij, wanneer dat niet geschiedde,
-bericht moeten zenden. Maar ge ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht
-en billijkheid heeft, zoo als het een Engelschen koopman past.&#x201d;
-</p>
-<p>»De jonge heer Frans,&#x201d; zeide de boekhouder, even deftig het hoofd neigend, terwijl
-hij de <span class="corr" id="xd29e329" title="Bron: recher">rechter</span> hand een weinig ophief&#x2014;die laatste beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte,
-om, eer hij iets zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt
-het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel van drieën te verstaan:
-A verhoude zich tot B, zoo als hij wil, dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som
-altijd uit.&#x201d;
-</p>
-<p>Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde mijn vader: »Maar
-dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan
-leeren werken als een man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen,
-om het verzuimde weder in te halen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens waarschuwend aan, dat
-ik onwillekeurig zweeg.
-</p>
-<p>»En laat ons dan,&#x201d; ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief van den eersten
-der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd en onvoldoend antwoord gezonden
-hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch
-aan.&#x201d;
-</p>
-<p>Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.&#x2014;
-</p>
-<p>»Het spijt mij,&#x201d; antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende voorkomt. Maar onoverlegd
-was hij waarlijk niet, want ik heb het voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen,
-en het deed mij innig leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag.&#x201d;
-</p>
-<p>Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen de oogen plotseling
-van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik te moeten voortgaan. Ik deed het
-echter met eenigszins onvaste stem, terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.
-</p>
-<p>»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel hoogachting koester,
-als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de uwe niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wezenlijk?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der menschheid, bevordert
-de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche beschaafde wereld datgene, wat het
-gewone verkeer voor het huiselijke leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons
-lichaam zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Is het waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor ik zoo weinig
-geschiktheid en aanleg bezit.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige geschiktheid krijgt. Gij
-zijt van nu af niet meer Dubourg&#x2019;s gast en kweekeling.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15">15</a>]</span></p>
-<p>»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht, maar van mijne
-onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te maken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja vader.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, haal het eens hier.&#x201d;
-</p>
-<p>Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns vaders raad, alles
-moest opgeteekend worden, wat mij in den handel opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel
-voorzien had, dat hij inzage van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen,
-was ik er op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen, welke ik
-veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch al te vaak had de pen geschreven,
-zonder dat het hoofd er deel aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk
-voor de hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband stond. Nochtans,
-ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop, dat hij niet ongelukkig juist eene
-bladzijde zou opslaan, die zijn misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat,
-dat bij mijns vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig antwoord
-werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk, toen ik met een boek dat
-er vrij kantoorachtig uitzag&#x2014;lang folio in ruw perkament gebonden met blinkende koperen
-klampen voorzien,&#x2014;uit mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van
-gezette handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe genoeglijk
-meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende, eenige aanteekeningen las
-en zijne korte aanmerkingen er tusschen mompelde.&#x2014;<i>Brandewijn</i>&#x2014;<i>op fust.</i> Te <i>Nancy</i>. <i>29. Cognac en Rochelle 27. Bordeaux 52.</i>&#x2014;»Bravo, Frans, zeer juist!<span class="corr" id="xd29e361" title="Niet in bron">&#x201d;</span>&#x2014;»<i>Impost en tolgelden, zie</i> Saxby&#x2019;s <i>Tabellen</i><span class="corr" id="xd29e367" title="Niet in bron">.</span>&#x201d;&#x2014;<span class="corr" id="xd29e369" title="Niet in bron">»</span>Niet goed, wat bij Saxby staat, had hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen.&#x201d;&#x2014;<i>Uitvoer en invoer</i>&#x2014;<i>lijnwaad</i>&#x2014;<i>stokvisch</i>&#x2014;<i>middelvisch</i>&#x2014;<i>klipvisch</i>.&#x2014;<span class="corr" id="xd29e382" title="Niet in bron">»</span>Hierbij had ge moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten als <i>stokvisch</i> ingevoerd worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?&#x201d;
-</p>
-<p>Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe te fluisteren;
-gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,&#x201d; antwoordde ik dadelijk.
-</p>
-<p>»En een klipvisch?&#x2014;Vier en twintig&#x2014;»Zeer juist,&#x201d; hernam mijn vader. »Dat is van groot
-belang voor den handel op Portugal. Maar wat staat hier?&#x2014;»<i>Bordeaux gesticht in het jaar.</i>&#x2014;<i>Chateau Trompette</i>&#x2014;<i>Paleis van Gallienus.</i>&#x201d;&#x2014;Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo&#x2019;n soort van kladboek van gemaakt,
-waarin elk dagelijksch voorval, inkoop, orders, betalingen, <span class="corr" id="xd29e395" title="Bron: wissellacceptatien">wisselacceptatiën</span>, ontvangsten, endossementen, kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend
-worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,&#x201d; hernam Owen.
-»Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen, en vreesde dat hij
-nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij tot <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>koopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds niet zoo ordelijk
-geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde te noemen. Maar de wensch was niet
-noodig. Eensklaps viel er een blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den
-wenk, dat men losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest
-vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu: <span class="corr" id="xd29e404" title="Niet in bron">»</span>»<i>De zwarte Prins!</i>&#x201d; Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt nog grooter domkop dan ik dacht!&#x201d;
-</p>
-<p>Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten neder. Ja met
-zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan, hield hij zulke bezigheden voor
-nietswaardig en goddeloos. Veroordeel hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een
-leven vele dichters op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot
-welke mijn vader behoorde, had&#x2014;ten minste zij zeide dit&#x2014;even als de Puriteinen een
-afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename verrassing werd dus door de ontijdige
-ontdekking van die noodlottige verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede
-Owen destijds droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen
-rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want overstelpend
-was Owen&#x2019;s verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als de kantoorkas geroofd ware,
-als eene fout in het optrekken van eene in het net geschreven rekening ontdekt ware&#x2014;het
-zou hem niet zoo getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en
-stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen, soms ook spotachtig
-declameerend steeds met eene bijtende ironie, die den dichter diep moest vernederen.
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,
-</p>
-<p class="line">Die Fontarabie&#x2019;s weerklank wijd doet hooren,
-</p>
-<p class="line xd29e412">Die &#x2019;t sneuvelen des krijgsmans meldt?
-</p>
-<p class="line">Die aan den grooten Karel droef verkonde:
-</p>
-<p class="line">Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwondde
-</p>
-<p class="line xd29e412">Op Spaanschen grond den eed&#x2019;len Franschen held?</p>
-</div>
-<p class="first">»<i><span class="corr" id="xd29e421" title="Bron: Fontarabies">Fontarabie&#x2019;s</span> weerklank</i>,&#x201d; mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd schudde: »<i>Fontarabie&#x2019;s jaarmarkt</i> had je moeten schrijven! <i>Verkonde</i> met één d op <i>verwondde</i> met twee d&#x2019;s te laten rijmen, is ook niet fraai.&#x2014;En of <i>meldt</i> op <i>held</i> goed rijmt is evenzoo de vraag&#x200a;&#x2026; En dan <i>Paynims</i>? Wat is <i>Paynims</i>? Kondet gij niet gezegd hebben <i>Heidenen</i>? Schrijf ten minste in &#x2019;t Engelsch, als gij onzin schrijven moet!&#x201d;
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">&#x2019;t Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,
-</p>
-<p class="line">Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,
-</p>
-<p class="line xd29e412">Voortijlend angsten zaait en schrik:
-</p>
-<p class="line">Brittannie&#x2019;s zwaard dat Frankrijk&#x2019;s trots deed bukken.
-</p>
-<p class="line">Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukken
-</p>
-<p class="line xd29e412">De held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span></p>
-<p>»Precies! »<i>Vleugelen des winds</i>&#x201d;, dat is prachtig!&#x201d;
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">»»Heft op&#x2014;mijn stervend hoofd,<span class="corr" id="xd29e459" title="Niet in bron">&#x201d;</span>&#x2014;zoo spreekt, naar adem hijgend,
-</p>
-<p class="line">De eedle prins, met moeite zich nog nijgend
-</p>
-<p class="line xd29e412">Tot &#x2019;t riddertal in breeden kring geschaard.
-</p>
-<p class="line"><span class="corr" id="xd29e465" title="Niet in bron">»</span>Richt mij nog even op&#x2014;dat ik den glans der zonne
-</p>
-<p class="line">&#x2014;Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,
-</p>
-<p class="line xd29e412">Nog even zie,&#x2014;voor &#x2019;k scheide van deze aard!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">»Maar dat is glad mis, dat gij <i>Garonne</i> op <i>zonne</i> laat rijmen. Weet ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans;
-je verstaat je ellendig ambacht niet eens!&#x201d;
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<div class="lg">
-<p class="line">»»O ziet!&#x2014;als ik&#x2014;ook zij&#x2014;slaapt zachtkens in.
-</p>
-<p class="line">Omhult&#x2014;het hoofd zich nog, met zorgenvollen zin
-</p>
-<p class="line xd29e412">Van avonddauw omgeven.&#x2026;.
-</p>
-<p class="line">Zoo zullen&#x2014;als drupplendauw&#x2014;de tranenpaarlen schittren
-</p>
-<p class="line">Als Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:
-</p>
-<p class="line xd29e412">Haar Zwarte Prins liet hier het leven!&#x201d;</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">De zonne zinkt!&#x2026; De zon ook van mijn roem!
-</p>
-<p class="line">Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,
-</p>
-<p class="line xd29e412">In &#x2019;t land der Britten en der Franschen,
-</p>
-<p class="line">Dan zal &#x2019;t ons Albion aan Helden nooit ontbreken.
-</p>
-<p class="line">Als sterren talloos aan de hemelstreken
-</p>
-<p class="line xd29e412">Heldhaftig schittrend in haar glanzen.<span class="corr" id="xd29e495" title="Niet in bron">&#x201d;</span></p>
-</div>
-</div>
-<p class="first">»»<i>Heldhaftig schitterende sterren!</i>&#x201d; dat is wat nieuws! Waarachtig, Frans! de nachtwacht doet het mooier!&#x201d;
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde het kompliment:
-»Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter domkop dan ik dacht!&#x201d;
-</p>
-<p>Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis, terwijl mijn
-vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De goede Owen, handen en oogen
-ten hemel slaande, trok een gezicht, alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet
-verklaarden in de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik bedwong
-zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem zou niet verraden wat
-in mij omging.
-</p>
-<p>»Vader! ik zie maar al te goed,&#x201d; begon ik, »hoe weinig ik in staat ben, om de gewichtige
-plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet
-naar de schatten, die ik mij daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor
-u eene betere hulp zijn.&#x201d;&#x2014;Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde, dat
-Owen mijne zaak te snel losgelaten had.
-</p>
-<p>»Owen?&#x201d; viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol, razend! <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18">18</a>]</span>Maar&#x2014;welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon
-in dit geval meer eerbied verwacht.&#x2014;Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk
-uwe wijze plannen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Met uw goedvinden,&#x201d; zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een paar jaren willen
-reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is, een paar jaar te Oxford of te
-Cambridge studeeren!&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou het tijd zijn, dat
-gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen
-en Jacobieten in de leer gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster
-of te Eton, om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe les
-niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor mijn plan, dan
-wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Den duivel zoudt gij kiezen!&#x201d; riep mijn vader driftig uit. Maar zich snel beheerschend,
-zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek, als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet,
-om dol te worden?&#x201d;
-</p>
-<p>Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.&#x2014;
-</p>
-<p>»Hoor eens, Frans,&#x201d; begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had uw leeftijd, toen
-mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij
-zette mij daarom buiten de deur en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder.
-Op een ouden afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel
-Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van het vaderlijke
-huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of mijn broeder, de vossenjager,
-nog leeft, of dat hij den hals reeds heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook
-niet. Maar hij heeft kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als
-gij nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden handelen,&#x201d; zeide
-ik, misschien meer boos dan eerbiedig.
-</p>
-<p>»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren vlijt in het verwerven
-en zorgvolle inspanning om het verworvene uit te breiden, geeft recht van eigendom.
-Maar dat zeg ik u. Geen hommel zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik
-gezegd heb, is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!&#x201d; riep Owen, en de tranen stonden hem
-in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet, gewichtige zaken zoo overijld af te doen.
-Laat mijnheer Frans zelf de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief,
-en als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op de <i>credit</i>zijde plaatst, dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Meent gij dan,&#x201d; vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal moet vragen,
-of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wil <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span>zijn&#x2014;of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen, ik dacht, dat
-gij mij beter kendet!&#x201d;
-</p>
-<p>Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde zich schielijk
-om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste woorden mijns vaders, het
-nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna
-geloof ik, dat, indien hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had,
-hij misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.
-</p>
-<p>Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders halsstarrige vastberadenheid.
-En de hemel wilde nu eenmaal dat ik in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer
-niet naar den omvang van mijn misslag.&#x2014;Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne
-oogen op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan, alsof hij, vóór
-dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne
-hardnekkigheid het best te bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach
-God, mijnheer Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een
-jong mensch!&#x2014;Om &#x2019;s Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en credit van uw
-rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk vermogen, een der beste handelshuizen
-van de City, reeds met roem bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu
-nog beter onder de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans,
-gij kunt u rollen in het goud! Is er,&#x201d; vervolgde hij zachtkens, »misschien het een
-of ander in de bezigheden van ons kantoor, dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal
-het voor u in orde brengen, wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk
-u toch; herinner u, wat er geschreven staat: <i>eert uwen vader, opdat het u wel ga, en uwe dagen verlengd worden</i>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht,&#x201d; zeide ik, »maar mijn vader weet immers,
-hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt van een mijner neven&#x2014;welnu, hij
-moge met zijne schatten doen, wat hem goed dunkt&#x2014;ik verkies mijne vrijheid niet tegen
-wat goud te verkoopen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt ge? Wat goud?&#x2014;Ge moest de balans van het laatste kwartaal eens zien! Het
-aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers uitgedrukt&#x2014;vijf cijfers, denk eens!
-En dat alles zou aan een papist ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke
-provinciën, aan iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek
-geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch, neen als een paard,
-en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens, hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone,
-Tresham en Osbaldistone, of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham;
-want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone, en dan zal toch de
-naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw neef&#x2014;ja, is zeer zeker
-een Roomsche, even als zijn vader, en natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis&#x2014;dat
-is heel iets anders!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span></p>
-<p>»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,&#x201d; hernam ik.
-</p>
-<p>Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader weder binnentrad.&#x2014;»Gij
-hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!&#x201d; zeide hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak
-nader te overwegen. Frans, heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen
-over deze gewichtige zaak. Denk er over na.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden, dat mijn vader
-zijn streng voornemen min of meer verzacht had.
-</p>
-<p>De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik ging uit en in,
-beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn vader deed mij geene enkele vraag,
-maakte over niets hoegenaamd eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer
-zelden; bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar aan te
-roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou geklonken hebben. Meestal
-spraken wij over het nieuws van den dag en andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan
-zoo vertrouwelijk koutende gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij
-het omtrent een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het mij
-als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij willen onterven ten
-voordeele van een neef, van wiens bestaan hij niet eens genoegzaam zeker was? Had
-ik de zaak ernstiger overwogen, dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene
-soortgelijke omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde mijns
-vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de goedheid, die ik voor
-mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van allen in huis genoten had, maakte mij
-veel te zorgeloos. Ik bedacht niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang
-zij jong zijn, zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar
-zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan zijne vaak te
-hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij wijs, dat ik eigenlijk niets
-te vreezen had. In het ergste geval zou eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke
-liefde het gevolg der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten
-voor eenige weken. Dit laatste&#x2014;zoo dacht ik verder&#x2014;zou mij zelfs aangenaam wezen.
-Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog onvoltooide vertaling van Ariosto&#x2019;s
-<i>Razende Roeland</i> te voltooien, welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die
-gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen zocht, en op
-zekeren dag vlijtig Spencer&#x2019;s versmaat, waarin hij zijne <i>Tooverkoningin</i> bezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne kamerdeur getikt werd. Op mijn:
-»binnen!&#x201d; trad Owen in het vertrek. In zijne levenswijs en gewoonten was de goede
-man zoo stipt, dat hij thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede
-verdieping van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog kan
-ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.
-</p>
-<p>»Mijnheer Frans,&#x201d; aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename verrassing plotseling
-afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat, wat ik <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span>doe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt, moet daarbinnen blijven.
-Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek
-heeft. Maar&#x2014;de jonge Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert
-twee dagen weder terug.&#x201d;
-</p>
-<p>»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene geheime zending.
-Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want zoo iets zou toch altijd eerst uit
-mijne boeken blijken. Ik voor mij geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gelooft gij dat waarlijk?&#x201d; vroeg ik, min of meer onthutst.
-</p>
-<p>»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne nieuwe rijlaarzen,
-zijne groote sporen en van een hanengevecht te York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk,
-als tweemaal twee. Ach, mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word
-tegelijk een man en een koopman!&#x201d;
-</p>
-<p>Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te onderwerpen. Bijna wilde
-ik den goeden Owen de aangename opdracht geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid
-was om zijn wensch te vervullen. Maar trots&#x2014;die bron van zoo veel goed en kwaad in
-ons leven,&#x2014;mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij niet over
-de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf om het er uit te krijgen,
-hoorden wij mijns vaders stem, die Owen riep. Snel ging de brave man de kamer uit,
-en de gunstige gelegenheid was voorbij.
-</p>
-<p>In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden dag, in dezelfde
-kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren, herhaalde hij zijn voorstel, mij
-tot den koophandel op te leiden, en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen.
-Hij begeerde nu eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve manier
-als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding te mijnen opzichte niet
-de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn
-doel bereikt hebben. Maar onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo
-eerbiedig, als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan zijn eigen
-hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man onwaardig, zich op de eerste
-opeisching over te geven. Ik geloof, dat ik een herhaald, meer dringend woord, en
-daarin een voorwendsel tot een veranderd besluit verwachtte.
-</p>
-<p>Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm tot Owen en zeide
-vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat het zoo zou afloopen?&#x201d;&#x2014;En nu wendde
-hij zich even bedaard tot mij: »Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig,
-en thans even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te beoordeelen
-wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer hierover! Maar daar ik
-evenmin verplicht ben, om toe te treden tot uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt
-u aan de mijne te onderwerpen, moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan
-gevormd hebt, waarbij gij op mijne hulp rekent?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22">22</a>]</span></p>
-<p>Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen eigen vermogen
-bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk door de wereld kon komen,
-dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer matig was, dat ik dus de hoop koesterde
-dat mijn tegenzin in het vak, waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou
-geven, om mij zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.
-</p>
-<p>»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch uw eigen weg
-volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop, op mijne beurt, dat gij mijne
-bevelen zult willen gehoorzamen, voor zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik wilde spreken.&#x2014;
-</p>
-<p>»Wees zoo goed en zwijg!&#x201d; hernam mijn vader.&#x2014;»Ik verzoek u naar Northumberland te
-vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne zonen&#x2014;ik meen, dat hij er zes heeft&#x2014;heb
-ik dengenen uitgekozen, die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de
-plaats op mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter nog
-eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid misschien vereischt mocht
-worden. Mijne verdere bevelen zult gij op het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar
-gij blijft, tot gij verder van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed.&#x201d;
-</p>
-<p>En hiermede verliet mijn vader de kamer.
-</p>
-<p>»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?&#x201d; vroeg ik den deelnemenden vriend, op
-wiens gelaat ik de innigste droefheid las.
-</p>
-<p>»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans&#x2014;dat is de historie. Als uw
-vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er van hem geene verandering hoegenaamd
-in het eenmaal genomen besluit te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening.&#x201d;
-</p>
-<p>Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik, met vijftig
-pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg naar York in. Ik begon&#x2014;zooals
-het scheen&#x2014;den eersten stap te doen, en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk
-erfdeel mij zelf te ontnemen en aan een ander weg te schenken.
-<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23">23</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e311" href="#xd29e311src">1</a></span> Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e311src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK III.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hoe klapperen de zeilen,
-</p>
-<p class="line">Hoe zinkt en rijst de boot!
-</p>
-<p class="line">Het roer en riem verdwenen!
-</p>
-<p class="line">In eenen stormwind stoot
-</p>
-<p class="line">Een speelbal van de golven
-</p>
-<p class="line">Een lek! de kiel in nood!
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Gay&#x2019;s</span> <i>Fabelen</i>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e590"><span class="xd29e590init">W</span>aarde vriend! als ge boven de hoofdstukken van dit belangrijk geschrift versjes of
-spreuken leest, dan dienen deze, om u opmerkzaam te maken op den inhoud van mijn verhaal.
-Wat nu hierboven staat, spreekt van een ongelukkigen zeeman, die onvoorzichtig met
-zijne boot, zonder tegen stroom in te kunnen sturen, in zee was gestoken. Een schooljongen,
-die zulk een waagstuk, in scherts of uit overmoed, ondernomen had, kon, door den stroom
-voortgesleept, in geen grootere verlegenheid zijn, dan ik mij bevond, toen ik zonder
-kompas op den levensstroom ronddreef. De kalme bijna onbegrijpelijke gemakkelijkheid
-waarmee mijn vader een band, dien men doorgaans als den allersterksten beschouwt,
-verbroken had, de minachtende wijze waarop hij mij als het ware uit zijn huis had
-gebannen&#x2014;dit alles maakte, dat de gunstige dunk, dien ik omtrent mijne persoonlijke
-hoedanigheden koesterde, werkelijk begon te verminderen. Prins Mooi, in het bekende
-sprookje, nu eens prins, dan weder een visscherszoon, kon door zijne vernedering niet
-zoo deerlijk uit het veld zijn geslagen, als ik het was. Ach! Onze eigenliefde doet
-ons zoo gaarne al die bijzaken, welke ons in onze welvaart omgeven, als ons wettig
-eigendom beschouwen, en als dan de ontdekking komt van onze nietigheid, wanneer wij
-geheel aan onze eigen hulpmiddelen overgelaten zijn, dan voelen we ons zoo vernederd.
-</p>
-<p>Het gedruisch der bedrijvige hoofdstad werd al flauwer en flauwer. Het verwijderde
-gelui der klokken scheen mij meer dan eens een waarschuwend: »keer terug!&#x201d; toe te
-roepen. Van de hoogte van Highgate zag ik op de in nevels gehulde pracht der hoofdstad
-neder. En het was mij te moede, alsof ik aan rijkdom, levensvreugde, ja aan al de
-genoegens en genietingen van het gezellige leven daar ginds in mijn beminde vaderstad,
-voor eeuwig vaarwel had gezegd.
-</p>
-<p>Maar het lot was beslist. Ik kon onmogelijk omkeeren! Hoe zou ik ook mogen verwachten,
-dat eene zoo late en half gedwongen onderwerping mij nu zou weergeven wat ik reeds
-had opgegeven. Integendeel, dacht ik, de onbuigzame wil van mijn vader zou door eene
-onwillige toetreding tot zijne wenschen meer vertoornd dan verzoend worden. En mijne
-trotschheid fluisterde: wat armzalige figuur zoudt ge maken, als reeds nu, vier mijlen
-van Londen, een windje van frissche landlucht een ernstig overleg van vier weken had
-weggewaaid. Bovendien, de hoop, <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span>die den jongeling en den moedigen man nooit verlaat, deden mij mijne uitzichten schitterend
-opsieren. Het was immers onmogelijk, dat mijn vader voornemens zou zijn, mij voor
-altijd van zich te verwijderen? Neen, het was slechts eene beproeving van mijne gezindheid.
-Als ik mij in deze beproeving maar geduldig en standvastig gedroeg, dan zou ik in
-mijns vaders achting rijzen, en dan zou er juist zeer licht de hartelijkste verzoening
-op volgen. Reeds overlegde ik, in hoe verre ik hem toegeven, en welke voorwaarden
-van ons verdrag ik als stellig en volstrekt onveranderlijk bepalen zou. Naar mijne
-berekeningen zou het gevolg dan eindelijk zijn, dat ik in al de rechten eens zoons
-hersteld werd. De eenige lichte straf, voor mijne weerspannigheid, zou zijn dat ik
-op enkele punten schijnbaar de minste zou moeten zijn.
-</p>
-<p>En zie! in afwachting van die aangename toekomstige verzoening, was ik nu mijn eigen
-heer en meester. Ik smaakte het genot van eene volkomen onafhankelijkheid; iets dat
-het hart van een jongeling steeds met vreugde ofschoon tegelijk met vrees vervult.
-Mijne beurs was weliswaar niet al te goed voorzien; maar ik kon toch de wenschen en
-behoeften eens reizigers ongeveer bevredigen. Ik had mij in Bordeaux reeds eraan gewend
-zonder bediende te zijn. Mijn paard was gezond, jong en levendig. Mijne opgewekte
-gemoedsstemming verdreef dan ook spoedig de sombere beschouwingen, waarmede ik mijne
-reis aanvaard had.
-</p>
-<p>Opwekkender ware het zeker geweest, indien ik op mijn weg meer afleiding had gevonden.
-Maar het noorden van Engeland leverde toenmaals, en misschien ook thans nog, niets
-bekoorlijks voor een reiziger op. Ja, ik geloof, waar men ook door het Britsche rijk
-reist, men overal meer afwisseling vindt dan hier. Evenwel, hoeveel luchtkasteelen
-ik in mijne ijdelheid voor de toekomst bouwde, mijne gelukkige stemming werd steeds
-minder. Zelfs de Muze, de beminnelijke, die mij naar deze woestenij gelokt had, verliet
-mij, even als hare zusters plegen te doen, in het oogenblik van nood. Ik zou volslagen
-mismoedig zijn geworden, als niet van tijd tot tijd een gesprek met reizigers, die
-denzelfden weg gingen, mij had afgeleid. Overigens waren de menschen die mij ontmoetten,
-over het geheel vrij onbeteekenend: dorpsgeestelijken, die van een bezoek in de stad
-huiswaarts keerden; pachters of veehandelaars, die van deze of geene jaarmarkt terugkwamen;
-kantoorbedienden, die in de kleine steden uitstaande schulden hadden ingevorderd,
-of soms een officier, die op werving uitging. Ons gesprek liep dus meestal over tienden,
-geloofszaken, rundvee, graan, natte en droge waren, slechte betaling van kleine winkeliers,
-soms zelfs kwam een beschrijving van een beleg of van een veldslag in de Nederlanden,
-die de verhaler misschien ook slechts uit de tweede hand had. Rooversgeschiedenissen,
-eene zoo vruchtbare en belangrijke stof, vulden elke gaping. Met de namen van den
-»<span class="ex">Gouden Pachter</span>,&#x201d; den »vliegenden straatroover Jack Needham&#x201d; en van andere helden uit de <i>Bedelaars-Opera</i> werd ik even familiaar als met allerlei van de meest gewone onderwerpen uit het dagelijksche
-leven. Kinderen schuiven gewoonlijk dichter bij den haard, als een spookgeschiedenis
-haar toppunt bereikt. Zoo reden ook mijne reizigers bij zulke <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>rooververhalen dichter naast elkander, onderzochten het slot hunner pistolen, en beloofden
-elkander bijstand in elk gevaar, eene belofte die gelijk zoo menige offensive en defensive
-alliantie, glad vergeten wordt, als het gevaar werkelijk komt.
-</p>
-<p>Onder hen, die door zulke schrikbeelden &#x2019;t allermeest vervolgd werden, verschafte
-een, die anderhalven dag lang mijn reisgenoot was, mij het grootste vermaak. Achter
-op zijn zadel had hij een zeer klein, maar naar het scheen zeer zwaar valies, waarvoor
-hij zoo bezorgd was, dat hij het nooit uit de handen gaf. Voor den dienstvaardigen
-ijver der knechts uit de herbergen, die zich aanboden om het in huis te dragen, had
-hij steeds het antwoord: »Ik zal het zelf wel dragen.&#x201d; Even voorzichtig trachtte hij
-niet alleen het doel zijner reis, maar zelfs den weg, welken hij inslaan wilde, te
-verbergen. Niets maakte hem meer verlegen, dan wanneer men hem vroeg, of hij links
-of rechts moest, en waar hij zijn paard dacht te voeren. Zijn nachtverblijf onderzocht
-hij met de meest angstige zorgvuldigheid. Hij vermeed alle eenzame en andere huizen,
-die hij voor gevaarlijk hield. In Grantham waakte hij, geloof ik, een ganschen nacht,
-omdat in de kamer naast de zijne een zwaarlijvig, scheel ziende reiziger sliep met
-eene zwarte pruik en een verbleekt rood kamizool met gouden galon bezet. Ondanks dien
-angst, was mijn reisgenoot, naar zijne forsche gestalte en gespierde leden te oordeelen,
-een man, die elk gevaar wel onder de oogen zou kunnen zien. Uit zijn hoed met goud
-en de kokarde maakte ik op dat hij een voormalig officier was, of ten minste iemand,
-die tot de krijgsmacht in betrekking stond. Zijne taal en vorm waren overigens vrij
-plat, maar toch niet onverstandig; vooral als de schrikbeelden, die zijne verbeelding
-verontrustten, voor een oogenblik geweken waren. Maar iedere toevallige aanleiding
-riep ze hem terstond voor den geest. Eene kale heide, of wat dicht struikgewas, gaf
-hem dadelijk bezorgdheid. Als een herder vroolijk floot, meende hij het sein van eene
-rooversbende te hooren. Zelfs het gezicht van eene galg bewees hem, wel is waar, dat
-de gerechtigheid ten minste één roover onschadelijk had gemaakt, maar herinnerde hem
-tevens, hoe vele er nog onopgehangen rondzwierven.
-</p>
-<p>Het gezelschap van dien man zou mij ten slotte lastig zijn geworden, zoo niet mijne
-eigene gedachten mij nog veel lastiger waren geweest. Sommige van zijne zonderlinge
-verhalen hielden mij bezig, en eene andere gril, die hij had, gaf mij soms gelegenheid,
-om mij op zijne kosten te vermaken. Onder de ongelukkige reizigers, die volgens zijne
-vertellingen, in de handen van roovers waren gevallen, hadden vele hun droevig lot
-aan de onvoorzichtigheid te wijten, waarmede zij zich op den grooten weg bij welgekleede
-reizigers voegden, van wie zij bescherming en een gezellig onderhoud hoopten te zullen
-genieten. Die sluwe schelmen hadden dan de argeloozen met allerlei verhalen en liedjes
-gerustgesteld, hen in de herbergen voor bedrog en valsche rekeningen bewaard, tot
-zij eindelijk, onder het voorwendsel van een naderen weg over eene eenzame heide te
-willen aanwijzen, hunne slachtoffers van <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span>den grooten weg af op een zijpad lokten, waar, op het geluid van een fluitje, de overige
-roovers uit hunne schuilhoeken te voorschijn snelden, en de zoogenaamde reisgezel
-zich als de kapitein eener bende bekend maakte, aan welke de onvoorzichtige reiziger
-zijne goederen, misschien zelfs zijn leven, moest offeren. Als nu mijn reismakker
-bij het einde van zulk een vertelseltje het angstzweet op het voorhoofd parelde, dan
-keek hij mij gewoonlijk met een oog vol twijfel en argwaan aan, als vreesde hij dat
-hij zelf in het gezelschap van zulk een gevaarlijk wezen was geraakt. Werden dergelijke
-vermoedens dan wakker in hem, dan reed hij terstond aan den anderen kant van den weg,
-keek voor zich, achter zich, rondom zich, onderzocht zijne pistolen, en scheen zich
-tot de vlucht of tot verdediging voor te bereiden, naarmate de omstandigheden het
-een of het ander mochten vereischen. Ik voor mij amuseerde mij.
-</p>
-<p>Bij zulke gelegenheden scheen echter zijn verdenking jegens mij niet lang te duren.
-Ze kwam mij trouwens veel te koddig voor, dan dat ik mij daardoor beleedigd achtte.
-Er was wel, noch in mijne kleeding, noch in mijne houding iets, dat in mij een roover
-had kunnen doen vermoeden. Maar in die tijden kon iemand best het voorkomen van een
-fatsoenlijk man hebben en toch een struikroover zijn. De verdeeling der werkzaamheid
-in de verschillende middelen van bestaan was toen nog zoo regelmatig niet als thans.
-De sluwe, welopgevoede avonturier, die bij het dobbelspel of in de kegelbaan den goeden
-lieden het geld afwon, was niet zelden tevens struikroover, die den reiziger op de
-heide of op een eenzamen weg aanrandde, en hem zijn beurs afvorderde. Ook heerschte
-in die tijden nog veel ruwheid van zeden, later meer verzacht en beschaafd. Ja, het
-komt mij voor, dat drieste lieden destijds veel minder afkeer ervan hadden dan thans,
-om door een stouten roof hunne vervallen zaken te herstellen. De tijden waren voorbij,
-toen Anthony-A-Wood treurde over de doodstraf van twee welopgevoede mannen, mannen
-van moed en gevoel van eer, maar die toch te Oxford zonder genade opgehangen werden,
-omdat de nood hen had gedwongen struikroovers te worden. Op de wijd uitgestrekte heivlakten
-in den omtrek der hoofdstad en zeker in de minder volkrijke, afgelegen oorden, vond
-men vele roovers te paard. Zij dreven hun handwerk met zekere wellevendheid. Zij lieten
-er zich, zoo als Gibbet in het bekende blijspel zegt, nog heel wat op voorstaan, de
-beschaafdste lieden op &#x2019;s heeren wegen te zijn, en in de uitoefening van hun beroep
-zich met alle mogelijke kieschheid te gedragen. Een jongman in mijne toenmalige omstandigheden
-kon wezenlijk over het misverstand, voor een dezer hoogaanzienlijke roovers te worden
-aangezien, in de verste verte niet beleedigd zijn.
-</p>
-<p>Ik was dan ook niet boos, ik vond er pleizier in, den argwaan van mijn vreesachtigen
-reismakker nu eens op te wekken, dan weder in slaap te wiegen. Opzettelijk deed ik
-soms dingen die dienen konden, zijn verstand in de war te brengen, dat van natuur
-niet tot het sterkst behoorde en door den angst nog verzwakt werd. Had ik hem door
-een vertrouwelijk en openhartig gesprek volkomen gerustgesteld, dan behoefde ik slechts,
-als ter loops, te vragen, hoe ver hij dien dag voornemens was <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span>te reizen, of wat het doel zijner reis was, om zijn argwaan terstond weder gaande
-te maken. Zelfs een geheel onverschillig gesprek nam soms eene voor hem hoogst verontrustende
-wending. Zoo praatten wij eens over de kracht en snelheid van onze paarden.
-</p>
-<p>»Wel zeker,&#x201d; zeide mijn reisgenoot, »wat den galop betreft, dat erken ik gaarne, daartoe
-is uw paard bij uitstek goed. Het is inderdaad een fraaie ruin. Maar een harddraver
-is hij niet; daartoe staat hij niet hoog genoeg op zijne pooten. De draf, mijn waarde
-heer, de draf is de ware gang voor een rijpaard. Als wij hier dicht bij eene stad
-waren, zou ik het bruintje op een effen weg wel eens willen toetsen&#x2014;ja, om eene flesch
-wijn, in de naaste herberg te drinken, zou ik mijn paard durven wedden.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p027width"><img src="images/p027.png" alt="" width="466" height="375"></div><p>
-</p>
-<p>»Top, mijnheer!&#x201d; antwoordde ik; »de weg is hier effen genoeg.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja,&#x201d;&#x2014;hernam mijn reisgezel aarzelende, »maar eens voor altijd heb ik het mij
-op reis tot eene vaste wet gemaakt, mijn paard tusschen twee pleisterplaatsen nooit
-in het zweet te jagen: men kan niet weten wat er gebeuren kan. Men kan onverwachts
-zich genoodzaakt zien, van het goede beest wat meer te moeten vergen. En als het afgereden
-is, dan helpen zweep en sporen niet. Daarenboven dienen de beide paarden even veel
-te dragen, en het uwe draagt ten minste tachtig pond minder, dan het mijne.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed; gaarne wil ik het ontbrekende gewicht opnemen. Hoe zwaar zou uw valies wel
-wegen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn va&#x2014;va&#x2014;valies?&#x201d; hernam de arme man sidderende,&#x2014;»och, dat heeft eigenlijk volstrekt
-geen gewicht&#x2014;het is zoo licht als een veer&#x2014;een paar hemden, twee paar kousen&#x2014;&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span></p>
-<p>»Het ziet er echter vrij zwaar uit. Ik wed om eene flesch besten portwijn, dat het
-juist even zwaar weegt, als ons beider gewicht verschilt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij vergist u, mijn waarde vriend, waarachtig, gij vergist u!&#x201d; hervatte mijn reisgezel
-en stak dadelijk met zijn paard naar den anderen kant van den weg, zooals hij steeds
-deed als hij angstig werd.
-</p>
-<p>»Welnu, gaat onze weddingschap door?&#x201d; vroeg ik, om hem te plagen. »Tien tegen vijf
-pond: Ik neem uw valies op mijn paard, en gij zult mij toch niet bijhouden.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit voorstel deed zijn angst ten toppunt stijgen. De natuurlijke koperkleur van zijn
-neus, gevolg waarschijnlijk van rooden wijn of sterken drank, veranderde in een vaal
-bleek. Hij klappertandde van schrik over mijn voorstel, waarin hij den vermetelen
-roover in al diens onbeschaamdheid meende te ontdekken. Toen hij met zijn antwoord
-aarzelde, deed ik hem spoedig weder wat ruimer ademhalen, door hem naar een kerktoren
-te vragen, dien wij in het gezicht kregen, en door tevens de aanmerking te maken,
-dat wij nu, in de nabijheid van een dorp, geen gevaar meer liepen, om in onze reis
-op den grooten weg gestoord te worden. Zijn gelaat helderde toen wat op. Ik bemerkte
-echter duidelijk, dat het lang duurde eer hij een zoo verdacht voorstel kon vergeten.
-Gij vraagt, denk ik, waarom ik zoo uitvoerig van al zijn eigenaardigheden spreek?
-Welnu de kennismaking met dezen reiziger en de daarmede gepaard gaande omstandigheden
-hadden, ofschoon onbelangrijk op zich zelf, een gewichtigen invloed op mijne latere
-lotgevallen uitgeoefend. Zijne houding wekte nu slechts mijn spot. Zij bevestigde
-mij in mijne meening, dat onder alle zaken waarmede de menschen zich zelven kwellen,
-geene is, zoo lastig, zoo pijnlijk voor zichzelf en anderen als ongegronde angst.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK IV.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;De Schot is een arme zot&#x201d;, zegt trotsch de Engelschman.
-</p>
-<p class="line">&#x2019;t Mag zijn.&#x2014;De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.
-</p>
-<p class="line">Maar waarom zijt gij dan nog boos,
-</p>
-<p class="line">Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Churchill.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e643"><span class="xd29e643init">O</span>p de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het reizend publiek een
-oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd is, misschien is het in sommige
-streken nog bij het gemeene volk in zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was
-het gebruikelijk, <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29">29</a>]</span>des Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de reiziger
-dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de weldaad van den rustdag
-schonk; die instelling zal voor onze redelooze medeschepselen wel even aangenaam zijn,
-als voor ons. De weerklank van deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche
-gastvrijheid was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op
-dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn dak bevonden
-uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch en een pudding te gebruiken.
-Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door allen aangenomen, behalve soms door dezen
-of genen al te voornamen gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een
-maaltijd op kosten van zijn waard te genieten.&#x2014;Gewoonlijk was dan het bestellen van
-eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer te drinken, de
-eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.
-</p>
-<p>Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke tooneelen, waar ik
-menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens de pretentie van aan mijn stand
-eenige opoffering verschuldigd te zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van
-den waard in den <i>Kouseband</i>, in den <i>Leeuw</i> of in den <i>Beer</i> dankbaar aan te nemen. Het was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden
-gastheer aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was te bedienen,&#x2014;hij
-geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom welke de andere planeten zich bewogen.
-Hij was vandaag een man van gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de
-aanzienlijksten uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs
-de predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te verschijnen.
-De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende beroepen, leverden in taal,
-zeden en gevoelens zulke merkwaardige tegenstellingen op, dat er voor een opmerker
-zeer belangrijke stof te vinden was.
-</p>
-<p>Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker onder het dak van
-den dikken waard in den »<i>Zwarten Beer</i>&#x201d; te <i>Darlington</i>, in het bisdom <i>Burham</i>. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die als eene verontschuldiging klonk, ons
-berichten, dat een heer uit Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.
-</p>
-<p>»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?&#x201d; vroeg mijn reisgenoot snel; hij dacht natuurlijk
-dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,&#x201d; alias straatroovers.
-</p>
-<p>»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb,&#x201d; hernam de waard. »Bij mij zijn
-allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis voor de broodkast dood. Maar overigens
-is deze een fatsoenlijk man, een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen
-van Schotland kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn,&#x201d; zeide mijn reismakker, zich tot mij
-wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in hem ontwaakt was: »Ik acht
-de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij
-arm zijn. Maar <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30">30</a>]</span>bij mij heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven een gegaloneerden
-en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde is mij stellig verzekerd dat de
-straatrooverij in Schotland, van de oudste tijden af, ten eenen male onbekend is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets te stelen,&#x201d; viel de
-waard hem in de rede en lachte luid over zijne eigen geestigheid.
-</p>
-<p>»O neen, kastelein!&#x201d; riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je Engelsche tolbedienden
-en kommiezen, die gij over de grenzen zendt, verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk,
-hebben er zulk een monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets
-meer te verdienen valt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Best geantwoord, vriend Campbell!&#x201d; hernam de kastelein. »Ik dacht waarlijk niet,
-dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en weet dus, dat ik als een echte
-Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in
-het zuiden met den handel?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo als gewoonlijk,&#x201d; antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen en verkoopen,
-en gekken worden gekocht en verkocht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar verstandige lieden en gekken willen &#x2019;s middags ook wel wat eten,&#x201d; merkte de
-jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch, waarvan ge de weêrga
-niet vinden zult!&#x201d;
-</p>
-<p>En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn gewoonte, aan het
-hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner gasten flink te vullen.
-</p>
-<p>Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het was voor de eerste
-maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van mijne kindsheid af had ik een
-zekere antipathie tegen Schotland en de Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht
-uit Northumberland. Op dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De
-oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard geweest, dat
-hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit noemde: ook was in zijne oogen
-geene ijdelheid verachtelijker, dan familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich
-daartoe, dat hij als William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de
-eerste bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte lijn
-van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben, dan door de drukte
-en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans onder de makelaars en wisselaars
-veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van
-mijne afkomst en mijne verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens
-in dit opzicht zouden overeenstemmen. Maar,&#x2014;zooals het den verstandigsten mensch wel
-eens gaat,&#x2014;zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans, verijdeld door een persoon
-die in zijne oogen zoo onbeduidend was, dat hij aan haar invloed nooit zou hebben
-gedacht. Zijne voedster, de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje
-uit Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin hij belang
-stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde hij voor de oude Margaretha
-<span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31">31</a>]</span>Rickets een kamertje in zijn huis in. Na den dood mijner moeder werd aan de bejaarde
-vrouw de taak opgedragen, mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En
-zij deed dit met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over
-de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te spreken. Maar
-zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen harer jeugd te verhalen en
-al die gebeurtenissen breed te vertellen, die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen
-zijn. Ik luisterde veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie
-ik die goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende, en gedekt
-met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol rimpels, maar met de frissche
-kleur der gezondheid, die zij aan hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had.
-Ik zie haar nog, hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze
-vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede zij haar oud
-lievelingslied eindigde; dat lied,&#x2014;ik wil het wel gul bekennen&#x2014;dat ik nu nog gaarne
-zou hooren, liever dan de mooiste gezangen uit een <i>Opera</i>. Ik herinner mij nog die woorden:
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">»Ja, de eik en de esch, en het groene klimop
-</p>
-<p class="line">In Northumberland groeien zij zoo weelderig op!&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de verbittering eener
-vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De bewoners van dat tegenoverliggende
-land vervulden in hare verhalen de rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van
-zeven mijlen. Trouwens die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte
-Douglas uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone&#x2019;s, een
-dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een feestmaal overvallen en
-met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd de Schotsche <i>Duivel</i>, had nog bij het leven van mijn grootvader alle jarige lammeren weggedreven. Ja,
-ons geslacht had, volgens de verhalen van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken
-behaald, om ons op die woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron
-van dien naam, had, even als Achilles de maagden <span class="corr" id="xd29e689" title="Bron: Chrysëis">Chryseïs</span> en <span class="corr" id="xd29e692" title="Bron: Brisëis">Briseïs</span>, de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had hij haar bezit
-tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die door de machtigste helden van Schotland
-bijgestaan werden. In de eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden,
-waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht, maar ook al
-de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die Noordsche roovers voortgekomen.
-</p>
-<p>Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne kindsheid, de Schotten
-als geboren vijanden van hunne Zuidelijke landgenooten beschouwde. In deze meening
-werd ik nog al versterkt door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij
-stond namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche eigenaars van
-eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel geneigd had gevonden om dezen en
-genen aanzienlijken koop met hen te sluiten, en <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32">32</a>]</span>ook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout te ontvangen, maar geenszins zeer
-stipt in het vervullen van de door hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij
-de Schotsche agenten, die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar
-zijne verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan het
-hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom, de oude Margriet schold
-op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden, en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten
-van thans. Zoo verwekten beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed
-een bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was in den
-oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig, gierig en bedriegelijk
-in den handel. Ja, van zeer weinige goede hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid
-in den oorlog en eene oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden
-zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden even onbillijke
-vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze hoogmoedige pochers, trotsch op
-hun beetje geld. Zulke kiemen van wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen
-achtergebleven. Het waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander,
-twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens elkaar bezield, thans
-staatkundig verbonden.
-</p>
-<p>Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik ontmoette, met een
-vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere
-gevoelens omtrent dat volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de
-rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, en daarenboven den
-eigendommelijken tongval, die langzame, slepende manier van zich uit te drukken, welke
-meestal uit de poging ontstaat, om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te
-vermijden. Ook meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele
-aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk te zien doorstralen.
-Maar wat mij niet weinig in hem verraste, was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene
-zekere meerderheid, die hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht
-had, wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel fatsoenlijk.
-In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen van aanzienlijken te geven,
-alles aan de kleeding ten koste legden, was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij
-bekrompen omstandigheden, zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried,
-dat hij in vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En toch,
-in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij het overige gezelschap
-met die koele hoffelijke gemeenzaamheid behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat,
-een wezenlijk of vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over
-het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den ongedwongen, stellig
-verzekerenden toon, welken diegene bezigen, die zich door rang of beschaving van de
-overigen, met wie zij zich in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles,
-wat zij zeggen, noch <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span>betwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en zijne Zondagsgasten beproefden,
-wel is waar, een paar malen zich te doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde
-stellingen te opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell&#x2019;s gezag,
-die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit kamplust, half uit belangstellende
-nieuwsgierigheid waagde ik het, hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik
-maakte gebruik van de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen
-zoo tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij goede opvoeding
-verkregen. Ten opzichte der <span class="corr" id="xd29e703" title="Bron: laatsgenoemde">laatstgenoemde</span> scheen hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, dat aan
-zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel beter dan ik, kende
-hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van Frankrijk, het karakter van den hertog
-van Orleans, aan wien juist het bestuur van dat land was opgedragen<a class="noteref" id="xd29e706src" href="#xd29e706">1</a>, en van al de overige Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen
-verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.
-</p>
-<p>Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep stilzwijgen. Toen hij er een
-enkel woord over zeggen moest, geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid
-en gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de Whig&#x2019;s en Tory&#x2019;s
-zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor het verbannen koninklijke huis der Stuarts
-streed, de zoogenaamde Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren
-in den persoon van koning George den troon had bestegen<a class="noteref" id="xd29e711src" href="#xd29e711">2</a>. Elke kroeg weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard uit
-den »<i>Zwarten Beer</i>&#x201d; veel te wellevend, om zijne goede klanten door tegenspraak eenigen aanstoot te geven,
-of hun in het berijden van hun stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne
-Zondagsgasten kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende
-staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein mannetje, die van
-zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch aan wiens buitengewoon beweegbare
-vingers men al spoedig zien kon dat hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak
-der bisschoppelijke kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen
-in zijn kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een winstgevend
-ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op te winden, verklaarden zich
-voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging.
-</p>
-<p>Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook de twist heviger
-en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij zich allen op Campbell, naar het
-scheen met geen ander oogmerk, dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.&#x2014;»Gij
-zijt een Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het erfelijke
-recht optreden!&#x201d; riep de eene partij.&#x2014;»Gij zijt immers een Presbyteriaan,&#x201d; <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span>schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een verdediger van willekeur zijn!&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p034width"><img src="images/p034.png" alt="" width="492" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>»Mijne heeren,&#x201d; zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite deze schreeuwers tot
-zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning George de liefde zijner vrienden verdient.
-Kan hij zich op de plank, welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag
-hij wel den ontvanger <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span>der belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend Quitam tot fiskaal-generaal
-bevorderen, en dan zal er nog wel iets tot belooning overschieten voor dien heer <span class="corr" id="xd29e728" title="Bron: dáar">dáár</span>, die liever op zijn valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een
-dankbaar vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het goed
-vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen apotheker tot zijn
-eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard aan onzen vriend <span class="corr" id="xd29e731" title="Bron: dáar">dáár</span> toevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert Campbell van een der twistende monarchen
-een enkel glas brandewijn zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne
-stem aan onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder de
-uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch hale, even lekker
-als die flesch was, die we geledigd hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein mengde er zijn
-»bravo!&#x201d; ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde tot zijne verheffing te vervullen;
-doch voegde er de mededeeling bij, dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer
-Campbell, in weerwil van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw
-was, ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die hem eens op
-weg overvallen hadden.
-</p>
-<p>»Hola, vriend Jonathan!&#x201d; viel Campbell hem in de rede: »gij vergist u geweldig; het
-waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards, tegen wie iedere kerel, die een
-paar flinke vuisten heeft, het zou hebben durven wagen.&#x201d;
-</p>
-<p>»En hebt gij dan,&#x201d; vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij steeds op zijn valies
-dichter bij den Schot schoof,&#x2014;»en hebt gij dan waarlijk geheel alleen twee roovers
-overwonnen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja!&#x201d; antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad, om er zooveel
-ophef van te maken!&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarlijk,&#x201d; hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van uw gezelschap
-op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar het noorden?&#x201d;
-</p>
-<p>Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij iemand mededeelde,
-bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even vertrouwelijke ontdekking van den
-weg, dien hij zelf zou inslaan.&#x2014;»Wij kunnen wel niet met elkander reizen,&#x201d; antwoordde
-hij kortaf; »gij hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een
-Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen hij het geld voor
-de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij afscheid wilde nemen. Terstond
-snelde mijn reisgenoot naar hem toe, vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar
-het venster. Ik hoorde, dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei
-wijze van hem poogde te ontslaan.
-</p>
-<p>»Ik wil al uwe reiskosten betalen,&#x201d; zeide hij op een toon, als hield hij zich verzekerd,
-dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen van den dapperen veehandelaar in eens
-uit den weg had geruimd.
-<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36">36</a>]</span></p>
-<p>»Ik bedank u hartelijk!&#x201d; hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik kan niet. Onderweg
-heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier en daar misschien lang moeten ophouden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Och, ik heb ook volstrekt geen haast,&#x201d; antwoordde mijn makker: »gij kunt u ophouden,
-waar en zoo lang gij verkiest. <span class="corr" id="xd29e747" title="Bron: Ik">In</span> zulk aangenaam gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen schijnt te zijn,
-volstrekt niet bewijzen,&#x201d; zeide Campbell. »Ik reis,&#x201d; voegde hij er fier bij, »voor
-mijne eigene zaken. En zoo gij goeden raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan
-nooit bij vreemden, en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt.&#x201d;
-</p>
-<p>En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van zijn roksknoop
-los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij toe. »Uw vriend,&#x201d; zeide hij,
-»is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk te verrichten heeft, veel te openhartig.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij vergist u,&#x201d; antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner vrienden. Hij is enkel
-iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik ken zijn naam niet en weet ook niets
-van zijne zaken. Ja, gij schijnt zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten,
-dan ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Och,&#x201d; hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig toeschijnt
-in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er niet van gediend willen
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarschijnlijk weet die mijnheer,&#x201d; antwoordde ik, »zelf het best wat hem past. Ik
-heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over te vellen.&#x201d;
-</p>
-<p>De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en het gezelschap ging
-voor dien avond uit elkaar.
-</p>
-<p>Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik verliet den weg
-naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts in, naar het kasteel Osbaldistone,
-waar mijn oom woonde. Of hij zich verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding,
-weet ik niet. Mijne bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon
-mij zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e706" href="#xd29e706src">1</a></span> In September 1715.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e706src">&#x2191;</a></p>
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e711" href="#xd29e711src">2</a></span> 1714.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e711src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK V.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Mij klopt het hart, als ik de schoone fee,
-</p>
-<p class="line">Des eilands trots en roem aanschouwe,
-</p>
-<p class="line">Voort, in galop, op &#x2019;t fiere ros.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>De Jacht.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e767"><span class="xd29e767init">A</span>l dichter het noorden van Engeland naderend, gevoelde ik iets als liefde tot dezen
-mijn geboortegrond in mij opkomen. En daarbij <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37">37</a>]</span>voegde zich de geestdrift, waarmede eene schoone natuur den opgewekten mensch bezielt.
-De bergstroomen, die nu dien naam zeker verdienden, kropen niet meer voort tusschen
-riet en wilgeboomen, maar stortten zich van de hoogten naar beneden, nu eens sneller,
-dan weer langzamer vloeiend, door eenzame valleien, die den reiziger schenen uit te
-lokken af te dalen in haar verborgen plekjes.
-</p>
-<p>Donker en trotsch, verhieven zich voor mij de Cheviot-bergen, wel boden zij niet die
-afwisseling der primaire rotsen en klippen-vorming, maar zij waren grootsch, met afgeronde
-koppen, gehuld in roodachtig bruine kleuren. Door hunne uitgestrektheid en woestheid
-grepen zij met eigenaardigen indruk in het gemoed.
-</p>
-<p>Mijn voorvaderlijk landgoed, dat ik naderde, was in een eng dal gelegen tusschen deze
-heuvels. Uitgestrekte landerijen, die vroeger tot het geslacht der Osbaldistones behoord
-hadden, waren door de verkwisting mijner voorvaderen verloren gegaan, maar er bleef
-nog genoeg over om mijn oom den naam te geven van groot landbezitter. Zijn vermogen
-werd besteed, zoo als ik onderweg vernam, grootendeels om de onbekrompen gastvrijheid
-van die dagen te handhaven. Hij achtte dit voor het aanzien van zijne familie een
-noodzakelijke plicht.
-</p>
-<p>Uit de verte van den top van een heuvel had ik reeds een blik kunnen werpen op het
-kasteel Osbaldistone. Het was een groot, ouderwetsch gebouw, midden in een woud van
-overoude eiken gelegen. Langs een slechten, kronkelenden weg reed ik er op af, toen
-mijn paard op eens de ooren opzette. Ik hoorde het vroolijk geblaf van een paar jachthonden,
-nu en dan aangemoedigd door het geluid van een horen. Die was toen onmisbaar op de
-jacht. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of het waren honden van mijn oom. Ik hield
-stil om de jagers voorbij te laten gaan, want op het jachtterrein moet men geen jachtliefhebbers
-ophouden. Ik nam dus het besluit, zoodra de stoet voorbij was, naar het huis te rijden
-en den terugkeer van den eigenaar af te wachten.
-</p>
-<p>Op eene kleine hoogte hield ik mijn paard in, daar niet zonder belangstelling uitziende
-naar de jacht, hoewel ik in dien tijd nog weinig zin voor dat genot bezat. Dat ik
-evenwel met eenig ongeduld de aankomst der jagers afwachtte, spreekt van zelf.
-</p>
-<p>Het eerste wat ik zag, was de vos, vermoeid en haast uitgeput. Hij kwam uit het kreupelhout
-aan de rechterhelling van het dal. De hangende staart, de bezoedelde huid en de wankelende
-gang kondigden zijn naderend lot aan, en de kraai die reeds boven hem zweefde, scheen
-het arme dier reeds als zijn zekeren buit te beschouwen. De vos trok over de beek,
-die onder in het dal vloeide. Juist sleepte hij zich door een rotskloof aan den anderen
-kant van het water, toen de voorste honden verschenen, gevolgd door al de overigen,
-daarna door den jagermeester en drie of vier ruiters. De honden vervolgden dadelijk
-het spoor van den vos. De jagers zetten hen snel en moedig achterna, zonder te letten
-op het oneffen en steile terrein. Het waren groote flinke jonge mannen, goed bereden,
-en in groen en rood gekleed; dit waren de <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>kleuren eener jachtvereeniging door den ouden sir Hildebrand Osbaldistone gesticht.
-</p>
-<p>»Zoo zoo,&#x201d; dacht ik, toen zij voorbijvlogen. »Dat zijn nu mijne heeren neven! Hoe
-zullen deze waardige opvolgers van Nimrod mij wel ontvangen? Waarschijnlijk zal ik,
-die niets van die soort van genoegens weet, mij niet op mijn gemak noch gelukkig gevoelen
-in het huis van mijn oom!&#x201d; Eene nieuwe verschijning stoorde hier eensklaps dien gedachtengang.
-</p>
-<p>Het was eene jonge dame, aan wier liefelijke gelaatstrekken het jachtvermaak en de
-gloed, waarmede de vermoeienis hare wangen kleurde, dubbele bekoorlijkheid schonk.
-Zij bereed een prachtig pikzwart paard, welks borst bedekt was met sneeuwwit schuim,
-afdruipend van het gebit. Hare eenigszins zonderlinge kleeding bestond in een rok,
-vest en hoed, geheel naar het fatsoen van een heeren-costuum. Die dracht, was gedurende
-mijn verblijf in Frankrijk ingevoerd en dus mij wel bekend. Haar lang donker haar,
-dat onder het rijden uit den band, die het samenhield, was los geraakt, fladderde
-in den wind. De oneffen grond, waarover zij met bewonderenswaardige bedrevenheid en
-tegenwoordigheid van geest haar paard wist te leiden, stremde min of meer haar snelle
-vaart, en zoo kwam zij dichter bij mij, dan een der overige jagers. Ik kon dus van
-nabij hare schoone gestalte beschouwen. Door de opgewektheid van de jacht, door het
-romantische van haar kostuum maakte hare plotselinge verschijning sterken indruk op
-mij. Zie! op het oogenblik, dat zij mij voorbijvloog, deed haar wild paard een zijsprong,
-doordien zij op vlakken bodem sneller vooruit wilde rennen. Dit toeval strekte mij
-tot aanleiding naar haar toe te rijden, om haar, desnoods, hulp te kunnen bieden.
-Intusschen was er volstrekt geen gevaar; het paard herstelde zich terstond en hernam
-zijn gewonen draf. Zij dankte mij echter met een bevallig glimlachje voor mijn goeden
-wil, en hierdoor voelde ik mij aangemoedigd, om mijn paard in denzelfden stap te brengen
-en naast haar te rijden. Het geschreeuw: »Hoezee! hij is dood!&#x201d; en de tonen van den
-waldhoorn, kondigden ons weldra aan, dat er thans geene reden meer bestond tot spoed,
-daar de jacht geëindigd was. Een der jongelieden, die ik gezien had, kwam naar ons
-toe, en zwaaide zegepralend met den staart van den vos, als of hij mijn schoone geleidster
-haar achterblijven wilde verwijten.
-</p>
-<p>»Ik zie het wel!&#x201d; antwoordde zij; »ik zie het immers wel! Maak er maar zoo veel drukte
-niet van!&#x2014;Was Phoebe,&#x201d; vervolgde zij, terwijl zij op den hals van haar fraai paard
-klopte, »niet onder de rotsen gekomen, dan zoudt gij thans niet zoo kunnen juichen.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl zij dit zeide, naderden beiden elkander. Ik bemerkte dat zij naar mij keken,
-en eenige oogenblikken zacht met elkander spraken. Duidelijk was het, dat de jonge
-dame bij den jager op iets aandrong, terwijl hij met eene zekere onnoozele blooheid
-weigerde. Daarop wendde zij op eens haar paard naar mij toe, terwijl zij min of meer
-boos en tamelijk luid zeide: »Het is goed, Torncliff, het is goed! Wilt gij niet,
-dan zal ik het zelve doen! Mijnheer,&#x201d; vervolgde zij nu tegen mij, »ik <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>trachtte dezen onwilligen jongenheer over te halen, om u te vragen, of gij op uwe
-reis herwaarts, niet iets van een onzer vrienden, zekeren heer Frans Osbaldistone,
-hebt vernomen, die sedert eenige dagen hier verwacht wordt.&#x201d;
-</p>
-<p>Met wezenlijke vreugde stelde ik mij zelven als den verwachten gast voor, terwijl
-ik voor de belangstelling der jonge dame in mijn persoon dankte.
-</p>
-<p>»Welnu,&#x201d; hernam zij, »daar de wellevendheid van mijn neef nog steeds schijnt te sluimeren,
-zult gij mij wel vergunnen, al is het minder gepast, de rol van ceremoniemeesteres
-op mij te nemen. Ik heb de eer u uw neef Thorncliff Osbaldistone en mij zelf, Diana
-Vernon, voor te stellen, die tevens de eer heeft de nederige bloedverwante van uw
-voortreffelijken neef te zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>De toon, waarop zij dit zeide, was vrijmoedig, spotachtig, maar tevens hartelijk.
-Ik bezat wereldkennis genoeg, om denzelfden toon te treffen, toen ik haar mijn kompliment
-maakte, en haar mijne blijdschap wegens deze ontmoeting te kennen gaf. Mijne vriendelijke
-woorden waren zoo, dat de schoone jageres zich het grootste gedeelte daarvan kon toeëigenen.
-Want mijn waarde neef scheen een onnoozele hals, daarbij kinderachtig bloode, ook
-min of meer norsch van aard. Hij reikte mij wel de hand, verklaarde echter dadelijk
-daarop dat hij mij moest verlaten, om zijn broeders en de andere jagers bij het koppelen
-der honden de behulpzame hand te bieden. Het scheen evenwel meer een kennisgeving
-aan freule Vernon, dan wel eene verontschuldiging tot mij gericht.
-</p>
-<p>»Ga maar heen!&#x201d; zeide Diana en zag hem met spottende minachting na: »Daar gaat hij,
-de prins der stalknechts; der hanengevechten en roskammers! Maar dat moet gezegd worden:
-knap is hij in die vakken.&#x2014;Hebt gij Markham gelezen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Markham, schoone dame? Ik ken niet eens den naam van dezen schrijver.&#x201d;
-</p>
-<p>»O hemel, waar zijt gij aangeland? Gij, arme onkundige vreemdeling, kent gij den waren
-Bijbel niet van dezen wilden stam, waaronder gij uwe woning moet opslaan? Hebt gij
-nooit van Markham gehoord, van den beroemdsten schrijver over de geneeskundige behandeling
-van paarden? En dus ook misschien nooit iets van de latere schrijvers Gibson en <span class="corr" id="xd29e794" title="Bron: Barlett">Bartlett</span>?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nooit!&#x201d; antwoordde ik.
-</p>
-<p>»En dit kunt gij, zonder van schaamte te blozen, bekennen?&#x201d; vervolgde Diana. »Nu,
-dan moeten wij de verwantschap met u wel afzweren. Vermoedelijk kunt gij evenmin een
-paard eene pil ingeven of een meelpap voor het dier gereed maken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Al zulke dingen laat ik aan mijn rijknecht over.&#x201d;
-</p>
-<p>»Onbegrijpelijke zorgeloosheid! Gij verstaat dan waarschijnlijk ook de kunst niet,
-een paard te beslaan, het de manen en den staart te knippen, een hond van den worm
-te snijden, hem de ooren of nagels te korten, of een valk terug te lokken, of hem,
-wanneer hij de kap op heeft, te voederen, of&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span></p>
-<p>»Neen! Neen. Om u met één woord te zeggen, welk nietsbeduidend wezen ik ben, ik bezit
-geene enkele van al deze edele gaven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar om &#x2019;s hemels wil, mijnheer Frans Osbaldistone, wat komt gij dan toch hier doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Bitter weinig! Evenwel ben ik niet geheel en al onkundig; als mijn rijknecht mijn
-paard goed gezadeld heeft, kan ik er op rijden, en als mijn valk zich in het open
-veld bevindt, kan ik hem opzenden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kunt gij dat?&#x201d; vroeg Diana, en zette haar paard in korten galop.
-</p>
-<p>Nu kwamen wij aan een van ruwe boomstammen vervaardigd vrij hoog hek, dat dwars over
-den weg liep. Op eenigen afstand daarvan wilde ik afstijgen, ten einde het te openen;
-maar in hetzelfde oogenblik was de koene Amazone er met haar paard reeds overgesprongen.
-Voor mijn eigen eer moest ik haar wel volgen en was dan ook dadelijk weder naast haar.
-</p>
-<p>»Gij geeft ons ten minste nog eenige hoop!&#x201d; hernam zij. »Ik begon waarlijk al te vreezen,
-dat gij een ontaarde tak van den stamboom der Osbaldistones waart. Maar, ik bid u,
-zeg mij toch eens wat is de reden van uwe komst op Vossenburg? Weet ge, zoo noemen
-de lieden in dezen omtrek ons kasteel. Mij dunkt, dat gij liever stilletjes weggebleven
-waart.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik bemerkte, dat ik met het schoone meisje reeds vrij vertrouwelijk praatte. Ik antwoordde
-dan ook op gullen toon: »ge hebt gelijk. Het zou eene opoffering voor mij zijn, mij
-op het kasteel Osbaldistone op te; houden, indien de bewoners er van allen wezenlijk
-zoodanig zouden zijn, als gij ze mij hebt afgeschilderd. Maar ik durf mij vleien,
-ja, bijna zeker zeggen, dat er zich ééne uitzondering bevindt, die al de overige gebreken
-dubbel vergoeden zal.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, zoo, gij bedoelt misschien Rashleigh?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarlijk niet; ik bedoelde iemand, die wat dichter bij mij is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het beste is, geloof ik, uw kompliment niet te willen verstaan. Doch dat kan ik niet.
-Excuseer, dat ik geene beleefde neiging maak, ge ziet, ik ben te paard. Maar, in ernst
-gesproken, ik verdien uwe uitzondering; want ik ben het eenige gezellige wezen in
-het gansche kasteel, behalve de oude geestelijke en Rashleigh.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar zeg, wie is dan die Rashleigh?&#x201d;
-</p>
-<p>»Rashleigh is iemand, die om zijn eigen wil gaarne zou hebben, dat iedereen was, zoo
-als hij. Hij is de jongste zoon van uw oom, ongeveer van uwe jaren, maar niet zoo.&#x2026;
-met een woord, hij ziet er niet heel goed uit. De natuur heeft hem nog al gezond menschenverstand
-gegeven en de pastoor heeft er een handvol geleerdheid bijgevoegd. Wij allen noemen
-hem een bizonder knap mensch, wel te verstaan, hier in dit land, waar knappe lui tot
-de zeldzaamheid behooren. Hij is voor de kerk bestemd, maar schijnt juist geen haast
-te maken met het priesterkleed aan te trekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor de Katholieke kerk?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Natuurlijk de Katholieke kerk! Voor welke kerk anders? Maar, het is waar, ik vergeet
-waarlijk, dat men mij gezegd heeft, dat gij een ketter zijt. Is dat waar, mijnheer
-Osbaldistone?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41">41</a>]</span></p>
-<p>»Ik kan het niet ontkennen.&#x201d;
-</p>
-<p>»En gij waart toch in vreemde landen, en wel in echt-Katholieke landen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Bijna vier jaren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij kloosters gezien?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dikwijls; maar ik heb er, helaas, niet veel in gezien, wat mij het Katholieke geloof
-zou aanbevelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijn de kloosterlingen niet gelukkig?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarschijnlijk eenigen wel, althans diegenen, die door innerlijke vroomheid, of om
-vervolgingen en rampen, welke zij in de wereld geleden hebben, of ook uit natuurlijke
-luiheid het kloosterleven omhelsden. Maar diegenen, die in eene plotselinge, overspannen
-geestdrift, of in eene vlaag van wrevel wegens ondervonden teleurstellingen en vernederingen
-tot zulk een afgezonderd leven zijn overgegaan, zijn inderdaad zeer ongelukkig. Het
-verlangen naar de samenleving is spoedig weer ontwaakt. Zij zijn als wilde dieren
-in gevangenschap. Zij dulden onwillig den dwang. Anderen geven zich in hunne cellen
-aan allerlei dweperijen over, sommigen gaan zich vet mesten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar wat wordt er dan wel van de vrouwen, die door den wil van anderen tot het kloosterleven
-veroordeeld zijn? Naar wat gelijken zij? Vooral, wanneer zij naar het leven en de
-levensvreugde daarbuiten smachten uit aanleg en natuur.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zij zijn als opgesloten zangvogels, veroordeeld om haar leven in een kerker door
-te brengen. Zij trachten soms in hare talenten verstrooiing te vinden. Maar had men
-haar niet van hare vrijheid beroofd, dan zouden zij door haar aanleg sieraden der
-maatschappij kunnen geweest zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Eer zal ik,&#x2014;&#x201d; zeide zij, doch schielijk zich verbeterend, hernam zij: »eer <span class="ex">zoude</span> ik een wilden havik gelijken.&#x2014;Als men dezen de vrije vlucht door het luchtruim belet,
-stoot hij zich tegen de traliën van zijne gevangenis den kop te pletter. Maar, om
-weder op Rashleigh te komen,&#x201d; vervolgde zij eenigszins levendiger: »gij zult in hem
-den aangenaamsten man vinden, dien gij ooit ontmoet hebt, tenminste gedurende eene
-week. Kon hij slechts eene blinde minnares vinden, niemand zou zoo zeker van zijne
-verovering zijn als hij. Maar het oog doet de betoovering ophouden, welke het oor
-bewerkt heeft. Genoeg daarover. Hier zijn wij op het voorplein van het oude kasteel,
-dat er even ouderwetsch uitziet, als zijne bewoners. Aan opschik wordt hier niet veel
-ten koste gelegd: dit zult gij weldra zien en ondervinden. Maar mijn hoed is mij lastig:
-hij klemt mij. Excuseer, dat ik het mij wat gemakkelijk maak.&#x201d;
-</p>
-<p>En het opgeruimde meisje nam den hoed af, en streek met de blanke vingers half lachend,
-half blozend, de verwarde lokken van hare doordringende grijze oogen weg. Liep hier
-misschien een weinigje behaagzucht onder? Het is mogelijk, maar dan wist zij die uitmuntend
-achter zekere achtelooze onverschilligheid te verbergen. Ik kon niet nalaten op te
-merken, dat ik den opschik als iets geheel overtolligs moest beschouwen, wanneer men
-over de familie oordeelen mocht naar haar, die ik thans voor mij zag.
-<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span></p>
-<p>»Waarlijk aardig gezegd!&#x201d; antwoordde zij; »maar misschien behoorde ik het eigenlijk
-in het geheel niet te verstaan. Overigens zult gij ondervinden, dat een weinig achteloosheid
-hier juist op de rechte plaats is, wanneer gij maar eerst uw aanstaande omgeving hebt
-gezien, aan wie elke opschik, elke nieuwe mode totaal verspild zou zijn. Maar de oude
-etensklok zal dadelijk luiden, of liever piepen. Haar geluid is thans slechts een
-wanklinkend gepiep. In vroeger tijd moet ze mooi gegonsd hebben. Maar ze sprong juist
-op denzelfden dag, toen koning Willem hier voet aan land zette. Wegens deze bijzondere
-gave van profetie heeft mijn oom haar niet willen laten herstellen. Maar wees zoo
-goed, gelijk het een getrouwen ridder betaamt, mijn paard even bij den teugel te houden,
-tot ik een nederigen schildknaap zend, om u af te lossen.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden wierp zij mij den teugel toe, alsof wij reeds van onze eerste kindsheid
-af met elkander bekend waren geweest, sprong uit den zadel, huppelde het plein over
-en ging eene zijdeur binnen. Ik staarde haar na, hare schoonheid bewonderende en verbaasd
-over hare vrijmoedige manieren. Het was dubbel te verwonderen in een tijd, toen de
-voorschriften der wellevendheid, die wij van het hof van Lodewijk XIV ontvingen, het
-schoone geslacht eene zeer deftige houding geboden.
-</p>
-<p>Ik zat daar midden op het plein van het oude kasteel op een paard, en hield een ander
-bij den teugel; zeker maakte ik een zonderling figuur. De gebouwen in het rond hadden
-voor een vreemdeling weinig merkwaardigs. Trouwens ik was geenszins in eene stemming,
-om ze met eenige opmerkzaamheid te beschouwen. De zijden van het vierkant waren alle
-van verschillende bouworde, en geleken, met hare steenen en getraliede vensters, hare
-vooruitspringende torentjes en hare zware balken op het binnenplein van een klooster.
-Vruchteloos riep ik om een bediende, wat mij des te pijnlijker was, daar ik zag, dat
-ik een voorwerp van de nieuwsgierigheid van verscheidene mannelijke en vrouwelijke
-dienstboden werd, die het hoofd uit verschillende gedeelten van het gebouw staken,
-maar het, even als konijnen tusschen struiken, dadelijk weder terugtrokken, zoodra
-ik naar hen opzag. De terugkomst der jagers en honden hielp mij eindelijk uit de verlegenheid.
-Niet zonder moeite verkreeg ik van een boerenknaap dat hij mij de paarden afnam, en
-van een anderen mij naar het kasteel te brengen, waar ik mij aan mijn oom wilde voorstellen.
-Deze knaap nam daarbij het voorkomen aan, alsof hij door mij gedwongen werd, mij naar
-een vijandelijken voorpost te vergezellen. Ik had werk, om hem het ontsnappen te beletten.
-</p>
-<p>Verscheidene gewelfde gangen, die naar de »steenen zaal,&#x201d; zoo als hij het noemde,
-leidden, moesten wij doorloopen, tot wij ons eindelijk in een ruim, gewelfd vertrek
-met een steenen vloer bevonden. Eene rij van eikenhouten tafels, allen zoo zwaar en
-zoo groot, dat zij nauwelijks verplaatst konden worden, was reeds gedekt. Deze eerbiedwekkende
-zaal, sedert eeuwen het tooneel der tafelgenoegens van mijne voorvaderen, bevatte
-ook nog vele bewijzen van hunne voormalige jachtbedrijven. <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43">43</a>]</span>Talrijke geweien van herten en reeën versierden de wanden, en daartusschen prijkten
-opgezette dassen, otters, bunsings en dergelijke roofdieren. Te midden van oud wapentuig,
-dat misschien eens tegen de Schotten gediend had, zag men ook allerlei wapenen van
-de edele jacht. Handbogen, geweren met enkele en dubbele loopen, weitasschen, netten,
-otterspiesen en vele andere werktuigen om het wild te vangen en te dooden. Eenige
-oude, dik berookte en met bier bevlekte schilderijen hingen hier en daar in het rond.
-Men zag er ridders en dames, zonder twijfel in hun tijd zeer geëerd en beroemd; de
-eerste met vreeselijke knevelbaarden en grimmige gezichten, de laatste met een zoet
-lachje op het beminnelijke gelaat, en wangen bloeiend als de rozen, die zij in hare
-hand hielden.
-</p>
-<p>Ik had juist even tijd gehad, om deze merkwaardigheden vluchtig te bezien, toen een
-twaalftal bedienden in blauwe kleeding, onder veel geraas en gekakel binnenstormden,
-ieder nog meer bezig met zijn makkers te beduiden wat zij doen moesten, dan zelf iets
-te verrichten. Sommigen brachten blokken hout en spaanders voor het vuur, dat sterk
-rookte op den haard. De schoorsteenmantel was zoo groot, dat er een steenen bank onder
-kon staan. Boven den haard was in roode steen, tot sieraad, op vrij plompe manier
-het geslachtswapen mijner familie uitgehouwen. Het kunstwerk had echter deels door
-den invloed van den rook, deels door den tand des tijds, zeer geleden. Andere bedienden,
-zeer ouderwetsch gekleed, brachten dampende, met voedzame spijzen beladen schotels
-op. Weer anderen droegen bekers, kannen en flesschen aan met allerlei soorten van
-drank. Toen nu eindelijk, na veel gehaspel en gedruisch, het ruime maal opgedischt
-was, hoorde ik plotseling een luid geschreeuw en gepraat van menschen, en een geweldig
-geblaf van honden, vermengd met het klappen van zweepen en het dreunen van zware laarzen,
-die mij aan den Steenen Gast herinnerden. Dit alles kondigde de komst der jagers aan,
-voor wie het feest bereid was. Nu begon de drukte, het geroep en geraas der dienstboden
-op nieuw, en wel nog erger dan te voren. Sommigen spoorden hunne makkers tot spoed
-aan. Anderen waarschuwden hen, vooral bedaard en voorzichtig te zijn. Weer anderen
-stieten elkander telkens terug of op zijde, om den binnenkomenden gasten plaats te
-maken. Sommigen omringden de tafel; anderen plaatsten zich bij de vleugeldeuren, die
-de zaal van een zwart <span class="corr" id="xd29e848" title="Bron: geverwd">geverfd</span> zijvertrek scheidden. Eindelijk werden die vleugeldeuren opengerukt, en nu stormden
-honden en menschen binnen.&#x2014;Ik zag acht honden, den huiskapelaan, den dorpsgeneesheer,
-mijne zes neven en mijn oom, achtereenvolgens binnenkomen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK VI.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Het dreunt in &#x2019;t oud en ruim gewelf.
-</p>
-<p class="line">Een bonte rij van krachtige gestalten,
-</p>
-<p class="line">In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen<span class="corr" id="xd29e860" title="Niet in bron">,</span>
-</p>
-<p class="line">Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.
-</p>
-<p class="line">Met krijgsmans zelfbewustheid&#x2014;zoo schreden zij naar binnen.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164">(<span class="sc">Penrose.</span>)</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e303"><span class="xd29e303init">M</span>ijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de gewichtige verhinderingen
-te verontschuldigen, die hem belet hadden, om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij
-van mijn komst reeds bericht had ontvangen.&#x2014;»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste
-jongen,&#x201d; zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene u&#x201d;! »Maar
-ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op stal gebracht werden.
-Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival, uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw
-neef Richard, uw neef Wilfred en&#x2014;waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh!
-Ga uit den weg met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig van
-uw broeder zien&#x2014;zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader dan toch ook eens aan
-ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan
-nooit. Gij zijt welkom, jongen, en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje?
-daar komt zij! Dat is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste
-meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien.&#x201d;
-</p>
-<p>Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham, moet ik beginnen
-met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger was. Hij droeg een jachtbuis, dat
-eens zeer fraai met galons belegd was geweest, maar door menigen winterstorm zijn
-voormaligen glans verloren had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen
-in groote garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij ruwe
-manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling diende hij bij het
-leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus II. Hij werd, misschien wel om
-zijn geloof, door dien monarch tot den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone
-en veelbelovende vooruitzichten schenen geopend te zijn&#x2014;zij verdwenen geheel en al
-met de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon stiet. Sedert
-dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op zijn landgoed. Wel was hij daar
-ook vrij ruw en plomp geworden, toch had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends
-behouden. Tusschen zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide
-Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen de ruwe steenklompen
-van <span class="corr" id="xd29e873" title="Bron: Stonhenge">Stonehenge</span>. Want zijne zonen waren logge wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeelden
-<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>kan. De vijf oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het ontbrak
-hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle uiterlijke bevalligheid,
-ook aan die welgemanierdheid, waarmede men in deze wereld zoo vaak het gebrek aan
-verstandelijke vermogens weet aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke
-hoedanigheid was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne plompe
-gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op kundigheden of bekwaamheden
-volstrekt geen aanspraak, behalve op die van de edele jacht, aan welke zij hun leven
-hadden toegewijd.
-</p>
-<p>Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare voortbrengselen zoo
-ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had willen stellen, toen zij aan Rashleigh
-Osbaldistone, zoo wel ten opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat
-ik later ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken aanleg,
-zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij zijne broeders, ja bij
-alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had, allervoordeeligst afstak. Toen Percival,
-Thorncliff en Comp. eerbiedig geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling
-in plaats van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad Rashleigh
-vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman teekende. Zijn uiterlijk
-voorkomen was volstrekt niet innemend. In vergelijking met zijne broeders, die van
-een reuzengeslacht schenen af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl
-zij allen wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd, jammerlijk
-misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten hals, zeer breede schouders,
-en daarenboven van een val uit zijn eerste kindsheid een gebrek in zijn gang behouden.
-Vele lieden beweerden, dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar,
-zoo als men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat, die
-met het een of ander lichaamsgebrek <span class="corr" id="xd29e880" title="Bron: behebt">behept</span> is. Anderen waren van een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene
-kwade gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag, om hem het
-priesterambt te ontzeggen.
-</p>
-<p>De trekken van Rashleigh&#x2019;s gelaat waren van dien aard, dat men ze, als men ze eens
-gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen: telkens drongen zij zich weder
-op, prikkelden de nieuwsgierigheid, ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met
-afkeer beschouwde. Het was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde,
-dan wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins gemeen. Zijn
-scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets belangwekkends dat aantrok.
-Maar in zijn oog lag iets listigs en sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men,
-hoe voorzichtig getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest gewonen
-opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel, waarmede zij aan de giftige
-slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh
-de zachtste, zoetste en welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en was <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span>tevens nooit om woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij
-zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana&#x2019;s opmerking, dat als een meisje
-te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade ging, zij spoedig verliefd op hem
-zou worden.
-</p>
-<p>Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die als het eenige vrouwelijke
-wezen in deze familie, dergelijke tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde,
-wist het zoo in te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik
-voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne, om deze aangename
-schikking te bevorderen.
-</p>
-<p>»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken,&#x201d; zeide zij, »en daarom
-heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen Rashleigh en u geplaatst. Laat hem
-dienen tot stootkussen tusschen vestingmuur en vijandelijk geschut.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde ik eens uw oordeel
-over ons allen van u vernemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch, bid ik u, dat ik mij
-slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen er terstond
-mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden, kleine schakeeringen, zouden
-eene eenigszins nauwkeuriger opmerking vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de
-natuuronderzoekers het noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen
-en klassificeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en dezelfde soort
-te zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor, jager, pocher,
-roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen gelijke bladeren aan één boom
-vindt, zoo zijn ook die kostelijke hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend
-gemengd. Voor iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel
-eene aangename variatie.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie vragen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot vertoonen. Het kost
-mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam,
-heeft meer van een domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn
-waarde Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek; John,
-die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de meeste eigenschappen van
-een jager. In Richard heerscht de roskammer: dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen
-ver, om bij een wedloop van dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol,
-dat men hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan.&#x201d;
-</p>
-<p>»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk tot <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47">47</a>]</span>een merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor sir Hildebrand?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom,&#x201d; antwoordde Diana: »ik heb vele,
-zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die ten minste alle best gemeend
-waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren kennen, laat ik het aan u over, zelf een
-schets van hem te maken.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten minste den ouden
-heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij een zoo jong en schoon meisje
-verwacht hebben!
-</p>
-<p>»Gij denkt zeker over mij,&#x201d; zeide Diana, terwijl zij haar donker oog op mij vestigde,
-als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.
-</p>
-<p>»Dat deed ik ook,&#x201d; antwoordde ik, een weinig verlegen over de onverwachte vraag. Maar
-om aan de openhartige bekentenis eene vleiende wending te geven, liet ik er snel op
-volgen: »hoe toch zou ik aan iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig
-oogenblik zoo dicht naast mij is!&#x201d;
-</p>
-<p>Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar gelaat eigen was.&#x2014;»Eens
-voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen.
-Verspil dus aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge heeren
-gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de glaskoralen, linten
-en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de gunst der wilde bewoners van nieuw
-ontdekte landen winnen. Bespaar uw voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg
-vinden, bij wie gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij
-zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik zweeg beschaamd.
-</p>
-<p>»Gij herinnert mij,&#x201d; vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon, »aan het tooversprookje,
-waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld, dat hij op de markt had medegebracht,
-plotseling in keisteenen zag veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen
-voorraad van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene zorg baren.
-Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige onderhoud, dan al die laffe
-praatjes, waarmede iedere kwast in deze dagen een meisje meent te moeten onderhouden
-en te kunnen behagen, alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn
-laken zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel beter, dan de
-geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik een vrouw ben. Noem mij Tom
-Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als met een vriend en vertrouwden makker. Dan
-zult gij zien, hoe veel ik van u houden zal!&#x201d;
-</p>
-<p>»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan uw wil te doen
-gehoorzamen,&#x201d; antwoordde ik.
-</p>
-<p>»Daar hebt ge het al weder!&#x201d; hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik heb immers duidelijk
-genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn
-oom dreigt u met een vollen <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48">48</a>]</span>beker&#x2014;dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan, zal ik u zeggen wat
-gij van mij denkt.&#x201d;
-</p>
-<p>Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene tafelgesprek
-weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich het geluid van vorken en messen
-opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne rechterhand, en Richard aan Diana&#x2019;s linkerhand,
-wijdden zich zoo geheel aan de ontzaglijke massa&#x2019;s, welke zij op hunne borden opgehoopt
-hadden, dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk konden
-praten.
-</p>
-<p>»Mag ik nu,&#x201d;&#x2014;zoo begon ik&#x2014;»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt, dat ik van u denk?
-Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle loftuitingen verboden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs uwe geheimste
-gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw hart niet te openen; want ik
-zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje,
-dat aan een weinigje behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door
-mijne vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl ik misschien
-alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer sekse&#x201d; noemt. Misschien gelooft
-gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb, om uwe bewondering, als ware het met storm,
-te veroveren. Het spijt mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent
-of gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid, die ik u
-bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar weten mocht dat hij mij
-begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie even afgescheiden van verstandige toehoorders,
-als Sancho in de Sierra Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid
-tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan gelegen ware,
-een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets verteld hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle kenmerken van eene
-bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest
-te geven. Maar zeg mij eens, waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw
-familietafereel?&#x201d;
-</p>
-<p>Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij antwoordde schielijk,
-doch veel zachter: »Geen woord van Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer
-het zijne eigenliefde geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs
-breed lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt.&#x201d;
-</p>
-<p>»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot heen, dat ons
-scheidt,&#x201d; antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh&#x2019;s stoel ledig was; hij is reeds
-vertrokken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees daarvan nog niet zoo zeker,&#x201d; zeide Diana. »Luister naar mijn raad. Wilt gij
-over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel waar gij twintig mijlen ver
-in het rond kunt zien; beklim den hoogsten top en fluister daar zoo zacht als gij
-kunt. Maar toch kunt gij dan nog niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de
-lucht uw gefluister niet <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>over zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester: thans zijn wij elkander
-moede en zullen hartelijk blijde zijn, als wij binnen kort van elkander scheiden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw vader schijnt
-zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn broeder. Mijn oom ontving bericht,
-dat gij voor eenigen tijd zijn gast zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende
-neven verlangde, om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door
-uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al de aanhoorigen
-van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen, waarbij zelfs de keldermeester,
-huishoudster en pluimgraaf moesten tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze
-achtbare vergadering niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet
-gedaan te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan Rashleigh.
-Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat, dan noodig is, om de weddingschappen
-bij de hanengevechten uit te rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet
-als Katholieke priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou,
-dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige tegenkanting, dat
-de vergadering hare toestemming tot deze soort van vernedering verleende.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer wel gissen; maar
-hoe werden ze overwonnen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten minste ik houd
-het daarvoor,&#x201d; antwoordde Diana. »Hij is de jongste van de familie, maar heeft over
-al de overige leden eene onbeperkte heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid
-tegen en toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te onttrekken.
-Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar verloopen is, er innig berouw
-over. Maar als gij hem een gewichtigen dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog
-meer berouw hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen,&#x201d; antwoordde ik glimlachend; »want
-ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak van zijne veranderde positie!&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel, of als een nadeel
-beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat vergelden.&#x2014;Doch daar komt de kaas,
-de radijs en een bokaal voor kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken
-en vrouwen om zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het vrouwelijke
-geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort, moet ik mij dus verwijderen.&#x201d;
-</p>
-<p>Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd over de zeldzame
-mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken
-openbaarde. Haar uit die gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer
-ik, voor zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woorden <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50">50</a>]</span>overgebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid en hare fiere
-stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En door het levendig spel der
-bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik
-in schoonheid verhoogd en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken,
-dat een jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem ook hare
-openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen, geenszins in eene stemming
-was, om een beeldschoon achttienjarig meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet
-met afgemetene stijfheid behandelde. Integendeel, Diana&#x2019;s vertrouwelijkheid was even
-aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat zij mij alleen daarom
-haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist geen ander, die haar begreep, had
-aangetroffen, gevoelde ik mij toch gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd.
-Mijn verblijf in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van, dat
-de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte, die ik geloofde te
-bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de vertrouweling van eene jeugdige
-schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens
-eene openhartigheid, door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd,
-gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare bekoorlijkheden
-en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd door haar scherpzinnigheid en
-haar voortreffelijk oordeel bij de keus van een vriend nog sterk verhoogd.
-</p>
-<p>Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk rond. Mijne opvoeding
-in vreemde landen had mij een afkeer van onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals
-nog heden, een gewone ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder
-het drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht van een vader
-en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan de schandelijkste dronkenschap
-overgaven en allerlei walgelijke taal uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk.
-Ik maakte derhalve van de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen,
-zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.
-</p>
-<p>Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het heiligdom van
-Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne vervolgers en het gestamp
-van hunne zware voetstappen klonk achter mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar
-beneden spoedde. Daar ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als
-ik niet naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster, dat in
-een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan zes voet boven den vlakken
-grond was, sprong ik er, zonder mij een oogenblik te bedenken, moedig uit.
-</p>
-<p>»Hij is ons ontsnapt!&#x201d; riepen mijne vervolgers achter mij. Nu liep ik de eene laan
-in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid zag. Daarna ging ik langzaam verder. De
-zachte avondkoelte was mij bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn
-en mijne overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.
-<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51">51</a>]</span></p>
-<p>Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof, ijverig met zijn
-avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk:
-»Goeden avond, vriend!&#x201d;
-</p>
-<p>»Goeden avond, mijnheer!&#x201d; antwoordde hij, zonder op te zien, met een accent, dat mij
-terstond in hem den Schot deed herkennen.
-</p>
-<p>»Gij hebt mooi weder voor uw werk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!&#x201d; hernam de man, want tuiniers
-en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder doorgaans maar matig prijzen. Na deze
-woorden keek hij echter op, om te zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche
-muts zeer eerbiedig voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen!
-een geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij vrij wat
-anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om van binnen des te meer
-ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den rooden wijn te maken. Ja, dat is hier
-te lande het gewone avondgebed!&#x201d;
-</p>
-<p>»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust te hebben, lang
-er voor op te blijven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het waarlijk niet
-aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en gevogelte is er in overvloed,
-en alles van de beste soort. Maar wij leven matig en schuwen allen overdaad. Maar
-hier! Hier zijn keuken en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken,
-van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk honger of dorst
-heeft. En zelfs van hunne vastendagen&#x2014;zij noemen het vastendagen, wanneer zij de beste
-visschen, <span class="corr" id="xd29e948" title="Bron: forrellen">forellen</span>, zalm en tarbot oppeuzelen&#x2014;zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel
-tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen en andere zaken.
-Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken, want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek,
-niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik niet, vriend,&#x201d; luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche Presbyteriaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!&#x201d; riep de tuinman met zoo
-veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken slechts vermochten uit te drukken.
-En om zijn goeden wil niet slechts in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt
-broederlijken glimlach een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.
-</p>
-<p>Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang op het kasteel
-Osbaldistone diende?
-</p>
-<p>»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de vier en twintig
-jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,&#x201d; antwoordde hij, terwijl hij
-naar het kasteel wees.
-</p>
-<p>»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven hier u zoo tegenstaan
-en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien langen tijd zulk eene noodelooze straf
-opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar
-men minder smult en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrek <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52">52</a>]</span>aan bekwaamheid heeft u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken,&#x201d; antwoordde Andries, doch hij
-keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van het tuinieren moet ik wel wat
-verstaan. Ik stam uit het kerspel <span class="corr" id="xd29e961" title="Bron: Dreepdaly">Dreepdaily</span>, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste groentekweekers. Waar is
-het, dat ik telkens, als gedurende deze vier en twintig jaren mijn diensttijd om was,
-weg wilde gaan. Maar was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien,
-dat ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde plukken. Zoo
-ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met Lichtmis vertrek ik zeer
-zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu reeds sinds twintig jaren gezegd heb.
-Maar kijk, nu sta ik toch hier, en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst
-vind ik nergens, dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor
-mij wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren prediken, waar
-ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief tuintje en ongeveer tien pond &#x2019;s
-jaars had, en waar geene vrouw was, die mij de appelen natelde&#x2014;ja, mijn goede heer,
-dan zou ik u innig dankbaar zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge die hebt, dan vertrouw
-ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De tijden zijn
-er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen iemand uit waardeering
-komen opzoeken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij heeft te veel gehaspel
-met haar. Nu eens komen zij om abrikozen, dan om peren, dan om appels, dan om pruimen,
-den geheelen winter en zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen
-enkel rib van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens op
-feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen drinken, wat kruisbessen,
-of nu en dan een paar sappige appels breng.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij vergeet uwe jonge meesteres.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welke meesteres?&#x201d;
-</p>
-<p>»Freule Vernon.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede heer! Bleef ze maar hare
-eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van een ander. Het is een wild, woest schepsel!&#x201d;
-</p>
-<p>»Meent ge dat inderdaad!&#x201d; vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman verraden wilde.
-»Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de geheimen van deze familie zeer goed
-bekend?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen bij mij niet aan
-het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule Diana is&#x2014;maar wat gaat mij dat
-aan!&#x201d;
-</p>
-<p>En nu begon hij weder ijverig te spitten.&#x2014;»Wat is Freule Vernon?&#x201d; <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53">53</a>]</span>vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en zou het dus gaarne weten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed is anders, vrees ik,&#x201d; hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog dicht kneep
-en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo&#x2019;n beetje schuin&#x2014;gij verstaat mij wel,
-denk ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij inderdaad aangenaam
-zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker wildet verklaren.&#x201d;&#x2014;Met deze woorden
-liet ik een stuk geld in zijne ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem
-onwillekeurig grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl
-hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop hij zijne armen
-op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige plooien trok en zeide: »daar gij
-het dan volstrekt weten wilt, mijn goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p053width"><img src="images/p053.png" alt="" width="485" height="367"></div><p>
-</p>
-<p>Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken en zijne lange
-kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij nog eenmaal, fronste het voorhoofd,
-en schudde het hoofd. Hij scheen te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar
-genoeg gezegd had, wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.
-</p>
-<p>»Goede hemel!&#x201d; zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg verloren!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam en ziel verloren.
-Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik, is zij&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.
-</p>
-<p>»Wat is zij?&#x201d; vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit alles eigenlijk
-moet verstaan.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>»Nu dan&#x2014;zij is de allerheftigste <i>Jacobietische</i> van het gansche Graafschap.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zou dat! eene <i>Jacobietische</i>? Is dat alles?&#x201d;
-</p>
-<p>Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne gewichtige ontdekking
-zulk een geringen prijs stelde.&#x2014;
-</p>
-<p>»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen kan,&#x201d; mompelde hij
-tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging voort met spitten.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK VII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Voor de deur de Sheriff<span class="corr" id="xd29e1008" title="Bron: -"> </span>wacht,
-</p>
-<p class="line">Met dreigende soldaten-macht.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Shakespeare.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1015"><span class="xd29e1015init">H</span>et kostte mij bepaald moeite de kamer te vinden, die voor mij bestemd was. Ik moest
-mij zelf daartoe van de gewilligheid der dienstboden van mijn oom door de gewone onfeilbare
-middelen verzekeren. Eindelijk had ik ze gevonden. En ik sloot mij op, om voor het
-overige van den avond alleen te zijn. De toestand waarin ik mijne bloedverwanten verlaten
-had, en waarvan het gedruisch en gejoel van uit de eetzaal getuigde, deed mij begrijpen,
-dat die goede lieden thans geen passend gezelschap voor een nuchter mensch konden
-wezen.
-</p>
-<p>Waarom had mijn vader mij naar dit zonderlinge verblijf gezonden? Dit was natuurlijk
-de eerste vraag, die zich aan mij opdrong. De manier, waarop mijn oom mij in zijn
-huis ontvangen had, bewees duidelijk dat ik, naar zijne veronderstelling, een tijdlang
-zijn gast zou zijn. Maar het was even duidelijk, dat het hem totaal onverschillig
-was, of ik, of een van de blauw gerokte bedienden, bij hem was. In het gezelschap
-van mijne ongemanierde neven zou ik slechts kunnen afleeren, wat ik mij aan goeden
-toon en hoffelijke manieren had eigen gemaakt. In plaats daarvan zou ik mij kunnen
-oefenen in de kunst honden van den worm te snijden, paarden van den droes te genezen,
-vossen te jagen&#x2014;anders niets.
-</p>
-<p>Slechts één motief voor de handelwijze mijns vaders kon ik mij als mogelijk voorstellen.
-Maar dit was buiten twijfel ook het eenige ware. Eene levenswijze, waartoe naar mijns
-vaders begrip iedere landjonker onvermijdelijk verviel, wilde hij mij duidelijk laten
-zien. En ik moest daarvan, zoo als hij vooruitzag, al spoedig afkeerig worden. Dan
-zou ik, kon het zijn, wel lust opvatten voor zijn eigen beroep. Rashleigh <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55">55</a>]</span>Osbaldistone moest intusschen ten onzent werkzaam zijn. Mijn vader had middelen genoeg
-bij de hand, om dezen, als hij weder van hem ontslagen wilde zijn, elders voordeelig
-te plaatsen. Wel maakte ik mij eenig verwijt, dat ik aanleiding gegeven had, dat een
-man, door Diana zoo ongunstig afgeschilderd, met mijns vaders zaken bekend zou worden,
-ja, misschien zelfs in diens vertrouwen zou deelen. Maar ik stelde mij weer gerust
-door de gedachte, dat mijn vader zich niet licht door iemand in de kaart liet kijken.
-Hij was niet gemakkelijk te bedriegen en evenmin te leiden op een weg, dien hij niet
-verkoos te gaan. En van wien had ik dan eigenlijk al het nadeelige, wat mij van den
-jongeling bekend was geworden, gehoord? Van een zonderling, opgewonden meisje dat
-zich tegen mij met zooveel onbezonnen vrijmoedigheid had geuit dat ik reden had te
-vermoeden, dat hare berichten volstrekt niet overdacht waren; niets anders dan lichtzinnig
-gebabbel misschien.
-</p>
-<p>Als van zelf begon ik nu over Diana na te denken, en over den zonderlingen toestand
-waarin zij slechts haar eigen overleg, haar eigen geest, tot leidsman en beschermer
-had. Ik stelde mij haar voor, met al hare moedwillige levendigheid, waardoor zij mijne
-nieuwsgierigheid opgewekt en mijne opmerkzaamheid geboeid had. Ik kon het mij niet
-ontveinzen, dat de nabijheid van dit vreemde meisje en de gemeenzame omgang met haar,
-mijn verblijf in het kasteel, wel is waar, aangenamer, maar ook des te gevaarlijker
-deed zijn. Wat intusschen het koele verstand mij ook voorhield, ik kon het maar volstrekt
-niet over mij verkrijgen, mij over het gevaar, waaraan ik bloot gesteld zou worden,
-ernstig te beklagen. Alle bedenkingen die zich aan mij opdrongen, wist ik op de gewone
-manier, zoo als meest alle jongelieden in zulke gevallen doen, uit den weg te ruimen:
-ik zou zeer voorzichtig, altijd op mijne hoede zijn; ik zou Diana meer als een goede
-bekende dan als eene vriendin beschouwen. Alles zou zich, naar het mij toescheen,
-zeer goed schikken. Onder deze overdenkingen sliep ik in, en Diana was natuurlijk
-mijne laatste gedachte.
-</p>
-<p>Of zij mij ook in den droom bezig hield, weet ik niet. Daar ik zeer vermoeid was,
-sliep ik vrij vast. Maar zij was weder mijn eerste gedachte, toen met het krieken
-van den dag de vroolijke tonen der jachthoorns mij uit den slaap wekten. Ik sprong
-op, liet mijn paard zadelen, en was binnen weinige minuten op het voorplein van het
-kasteel, waar ik menschen, honden en paarden in drukke beweging zag. Mijn oom scheen
-in zijn buitenlands opgevoeden neef geen zeer wakkeren Nimrod te veronderstellen.
-Althans hij zag mij min of meer verrast aan. Het kwam mij voor alsof zijn morgengroet
-niet zoo hartelijk en gastvrij was, als zijne eerste verwelkoming.
-</p>
-<p>»Reeds hier, jonge heer? Nu ja! op uwe jaren liet ik ook niet naar mij wachten. Maar
-neem u in acht en pas op, dat gij geen zandruiter wordt!&#x201d;
-</p>
-<p>Welk jongmensch zou zich niet liever alles laten verwijten, dan te dulden, dat men
-hem voor een stumper in de edele rijkunst houdt! Ik wist, dat ik vrij goed in den
-zadel zat, en een weinig gevoelig over <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56">56</a>]</span>mijns ooms uitdrukking, verzekerde ik hem, dat hij mij steeds met de jachthonden vooraan
-zou vinden.
-</p>
-<p>»Wel, daaraan twijfel ik niet, mijn beste jongen!&#x201d; antwoordde hij: »gij zijt zeker
-een knap ruiter, dat geloof ik gaarne; maar toch&#x2014;wees op uwe hoede! Uw vader zendt
-u aan mij, opdat ik u aan den toom zou gewennen. Maar ik zal u wel op de stang moeten
-rijden; want anders zoudt gij misschien al heel licht doorslaan, eer ik er erg in
-had.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik begreep niets van zijn woorden. Ze schenen echter niet als dadelijke waarschuwing,
-maar slechts in het voorbijgaan, zonder eenig bepaald doel, gesproken te zijn. Mijn
-oom zei eenvoudig luide, wat hij op dat oogenblik, zich zelven onbewust, dacht. Ik
-vermoedde, dat hij of op mijne vlucht uit zijn drinkgezelschap zinspeelde, of wel,
-dat de gevolgen van den nachtelijken roes hem min of meer ontstemd hadden.&#x2014;Wil hij
-onvriendelijk als gastheer zijn, dan zal ik ook des te korteren tijd zijn gast blijven,
-dacht ik. Ik haastte mij om Diana mijn morgengroet te brengen, daar zij mij met veel
-hartelijkheid naderde. Ook tusschen mijne neven en mij had eene soort van begroeting
-plaats. Maar toen ik bespeurde, dat zij mijn gansche jachtkostuum, van den hoed af
-tot de stijgbeugels toe, boosaardig monsterden, en alles bespotten, wat voor hen een
-vreemd aanzien had, meende ik mij van de moeite te mogen ontslaan, om hun eenige bijzondere
-oplettendheid te bewijzen. Ik beantwoordde hun grijnzen en fluisteren met een blik
-van de grootste onverschilligheid en verachting, en wendde mij geheel tot Diana, als
-de eenige in het gansche gezelschap, in wier onderhoud ik belang stelde. Aan hare
-zijde reed ik naar het aangewezen jachtterrein, een dichtbegroeid bosch, dat langs
-uitgestrekte weiden liep. Onderweg betuigde ik haar mijne verwondering, dat ik neef
-Rashleigh niet in het gezelschap zag.
-</p>
-<p>»Och, hij is anders een geweldig jager,&#x201d; antwoordde zij; »een jager <i>à la</i> Nimrod, maar zijn wild is&#x2014;de mensch.&#x201d;
-</p>
-<p>Door het geschreeuw der jagers aangemoedigd, renden de honden het bosch in.&#x2014;Alles
-rondom mij was leven en beweging. Mijne neven, waren thans in hun waar element en
-hadden het veel te volhandig, dan dat zij zich met mij konden bemoeien. Slechts hoorde
-ik Richard, den roskammer, zacht tegen Wilfred, den gek, zeggen: »Let eens op, hoe
-spoedig onze Fransche neef zandruiter zal worden, zoodra het er op losgaat!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou me ook niet verwonderen,&#x201d; antwoordde Wilfred; »kijk maar eens hoe mal zit
-hem de hoed op het hoofd, en wat is die raar opgetoomd!&#x201d;
-</p>
-<p>Thorncliff, die, ofschoon op zijne eigene ruwe wijze, voor de bevalligheden zijner
-nicht misschien niet ongevoelig was, scheen daarentegen besloten te hebben, ons meer
-dan zijne broeders gezelschap te houden. Hij wilde zeker het oog houden op hetgeen
-er tusschen Diana en mij voorviel. Wellicht dacht hij ook zich met mijne verwachte
-jachtrampen te kunnen vermaken. Intusschen werden die hoop en verwachting geheel te
-leur <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57">57</a>]</span>gesteld. De vos werd opgejaagd. Maar ondanks Richard&#x2019;s ongunstige voorspelling, en
-Wilfred&#x2019;s schrandere aanmerking, dat mijn hoed mij mal op het hoofd en ik jongensachtig
-in den zadel zat, bewees ik mijne bedrevenheid in de rijkunst, tot groote verwondering
-van mijn oom en van de schoone Diana, en tot bittere ergernis van mijne neven. Men
-had den vos een vrij groot eind weegs hevig nagezet, doch hij wist zijne vervolgers
-te misleiden, en de honden verloren het spoor. Diana&#x2019;s gelaat verried, dat zij over
-Thorncliff&#x2019;s aanhoudende begeleiding ongeduldig werd; maar het levendige en driftige
-meisje was spoedig gereed, een wensch van het oogenblik door het eerste het beste
-middel te bevredigen. Zij zeide verwijtend: »Ik begrijp niet, Torncliff, dat gij den
-ganschen morgen achter mijn paard sukkelt. Gij weet toch wel, dat het vossenhol bij
-den molen niet gestopt is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar weet ik geen woord van, ik zweer het u bij mijn ziel, nichtje! Integendeel,
-de molenaar heeft mij bij kris en bij kras verzekerd, dat hij het hol dezen nacht
-om twaalf ure gestopt heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Och! wat ben je toch een goedgeloovige jongen! U op het woord van een molenaar te
-verlaten! En dan juist dit hol! Is de vos ons dit jaar niet reeds driemaal daar ontsnapt?
-Op uw schimmel kunt gij in tien minuten heen en weer zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, ik rijd naar den molen. Als de molenaar het hol niet gestopt heeft, dan zal
-ik den logenachtigen schurk doodranselen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niets meer? Welnu, dan komt hij er nog al genadig af. Maar haast u dan; er is geen
-tijd te verliezen!&#x201d;
-</p>
-<p>Torncliff rende weg.&#x2014;»Als de molenaar u eens duchtig afranselde, zou er waarlijk niet
-veel aan verbeurd zijn!&#x201d; zeide Diana. »Intusschen moet ik den een zoowel als den ander
-onder behoorlijke subordinatie houden. Gij moet weten, dat ik hier een soort van regiment
-opricht. Torncliff wordt mijn opperwachtmeester, Richard mijn pikeur, en Wilfred met
-zijne holle afgebrokene tonen, die slechts drie lettergrepen achter elkaar kan laten
-hooren, mijn paukenslager.&#x201d;
-</p>
-<p>»En Rashleigh?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Rashleigh wordt mijn spion.&#x201d;
-</p>
-<p>»En is er voor mij geen ambt, schoone overste?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij moogt kiezen, of gij betaalmeester of prijsrechter van het korps wilt worden.
-Maar zie eens, hoe de honden ronddwalen: kom, zij zijn het spoor geheel en al bijster,
-en zullen den vos zoo spoedig niet wedervinden. Volg mij, ik moet u een mooi uitzicht
-laten zien.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu reden wij spoorslags een heuvel op, van welks top een zeldzaam fraai vergezicht
-zich voor ons uitbreidde. Zij zag rondom zich, of er ook iemand in onze nabijheid
-was, en toen zij hieromtrent gerust was, reed zij onder eenige berken, die ons voor
-de overige jagers verborgen.&#x2014;»Ziet gij daar dien spitsen, bruinen, met heide bewassen
-heuvel, met eene witachtige vlek op de zijde?&#x201d; vroeg zij.
-</p>
-<p>»Recht over die lange streek laagland? Zeer duidelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die witachtige vlek is eene rots, de Hawkesmore-rots genoemd, en die ligt reeds in
-Schotland.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58">58</a>]</span></p>
-<p>»Inderdaad? Ik had waarlijk niet gedacht, dat wij ons zoo dicht bij Schotland bevonden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer dicht bij: binnen twee uren brengt uw paard er u heen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel mogelijk. Maar ik zal van het goede dier die moeite niet vergen,&#x201d; antwoordde
-ik. »Naar het mij toeschijnt, zijn we er wel een uur of zes vandaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik geef u mijn paard, als gij het uwe soms niet sterk genoeg acht,&#x201d; begon Diana weder.
-»Ik verzeker u nogmaals, dat gij binnen twee uren in Schotland zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar ik heb volstrekt geen lust er te zijn. Ik zou den staart van mijn paard niet
-dwingen mij te volgen, als zelfs zijn kop reeds over de grenzen was. Wat zou ik in
-Schotland doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Om het u ronduit te zeggen: voor uwe veiligheid zorgen. Verstaat gij mij nu?&#x201d;
-</p>
-<p>»Volstrekt niet: uwe woorden luiden altijd raadselachtiger.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarlijk? Dan voedt gij of een zeer onbillijk wantrouwen tegen mij, en kunt beter
-huichelen dan Rashleigh Osbaldistone zelf; of gij weet in het geheel niet, waarvan
-men u beschuldigt. Gij kijkt mij zoo gemaakt ernstig aan, dat ik nauwelijks mijn lachen
-kan bedwingen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar op mijn woord van eer, Freule Vernon,&#x201d; antwoordde ik, min of meer geraakt door
-haar kinderachtigen lachlust, »ik begrijp volstrekt niet wat gij meent of bedoelt.
-Het is mij aangenaam, dat ik u zulk een vroolijk tijdverdrijf verschaf, ofschoon ik
-niet weet hoe en waarom.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens, het is hier waarlijk geen scherts, maar wel degelijk ernst!&#x201d; zeide zij
-op een, haar zeker niet gewonen, ernstigen toon. »Het kan zijn, dat mijn gelaat dit
-tegenspreekt, doch in dat geval bedriegt het. Want ik ben wezenlijk zeer om u bekommerd.
-Antwoord mij openhartig: kent gij een en zekeren Morris, of hoe heet hij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Morris, Morris? Dien naam ken ik niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bezin u wel. Hebt gij onlangs niet met iemand gereisd, die zoo heette?&#x201d;
-</p>
-<p>»De eenige man, met wien ik eenigen tijd gereisd heb, was een kerel, wiens gansche
-ziel in zijn valies scheen te liggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja, even als de ziel van den licentiaat Pedro Carcias, die onder de dukaten van
-zijne lederen goudbeurs lag. Kortom, uw voormalige reisgenoot is van zijn valies beroofd,
-en heeft u als medeplichtige van den roof bij het gerecht aangegeven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij schertst, maar op een heel zonderlinge manier.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nogmaals herhaal ik, dat ik in vollen ernst spreek.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe! gij, Freule Vernon,&#x201d; riep ik met eene opwelling van drift, welke ik niet onderdrukken
-kon&#x2014;»gij kunt gelooven, dat ik zulk eene beschuldiging verdien?&#x201d;
-</p>
-<p>»Kijk! als ik nu een man was, dan zoudt gij mij, op dit vermoeden, zeer zeker op den
-degen of het pistool uitdagen. Maar wilt ge zoo iets, ga uw gang. Ik neem uwe uitdaging
-aan; want ik kan even goed eene zwaluw in de vlucht schieten, als te paard over een
-hek springen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59">59</a>]</span></p>
-<p>»Mooi zoo, ge zijt immers daarenboven overste van een regiment kavalerie?&#x201d; antwoordde
-ik, daar het mij toch volstrekt niet baatte, dat ik op het ondeugende meisje boos
-werd.&#x2014;»Maar, ik bid u, wat moet nu uwe scherts beteekenen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Moet ik het u dan honderd maal herhalen? Ik scherts niet. Men beschuldigt u van dezen
-man beroofd te hebben; mijn oom gelooft het stellig; en ik&#x2014;mag ik er aan twijfelen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarachtig, ik ben mijne vrienden zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij omtrent
-mij koesteren!&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, nu! kijk maar niet zoo boos&#x2014;ik heb nog geen order om u te arresteeren. Intusschen
-is de gepleegde roof geen gewone&#x2014;laat mij zeggen: geen gemeene diefstal. De man had
-geld van de regeering bij zich, in contanten en in wissels, tot betaling der troepen
-in Schotland. Ja, men zegt, dat men hem ook zeer gewichtige depèches ontnomen heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik word derhalve niet van enkel diefstal of roof, maar van hoogverraad beschuldigd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Geraden! Maar gij weet ook dat deze misdaad ten allen tijde door zeer fatsoenlijke
-lieden gepleegd werd. Hier te lande zult gij zeer vele menschen vinden, bij voorbeeld
-iemand, die niet ver van uw elleboog verwijderd is, die het als een verdienstelijk
-werk zou beschouwen, de regeering van het huis van <span class="corr" id="xd29e1086" title="Bron: Hanover">Hannover</span> op alle mogelijke wijzen te benadeelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat mij u zeggen, dat noch mijne staatkunde, noch mijne eerlijkheid, zulke daden
-zouden vergoêlijken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik begin waarlijk te gelooven, dat gij in vollen ernst een Presbyteriaan en <span class="corr" id="xd29e1092" title="Bron: Hanoveraan">Hannoveraan</span> zijt.&#x2014;Maar wat zult gij nu doen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel, ik zal dadelijk den afschuwelijken laster wederleggen. Bij wien is de zonderlinge
-aanklacht ingediend?&#x201d;
-</p>
-<p>»Bij den ouden rechter Inglewood, die ze ongaarne aannam. Waarschijnlijk heeft hij
-mijn oom onder de hand laten weten, dat men u naar Schotland moest zien weg te helpen,
-opdat gij het bevel tot uwe gevangenneming ontloopen zoudt. Doch mijn oom weet zeer
-goed, dat hij, wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan het oude, bij de nieuwe
-regeering in geen goed blaadje staat. Zoo het ontdekt werd dat hij u in uwe vlucht
-behulpzaam was geweest, zou hij bepaald gevaar loopen, om als Jakobiet, papist en
-verdacht persoon ontwapend, en&#x2014;wat het allerergste voor hem zoude zijn!&#x2014;van zijne
-paarden beroofd te worden<a class="noteref" id="xd29e1098src" href="#xd29e1098">1</a>.
-</p>
-<p>»Dan begrijp ik zijn vrees. Liever dan zijne jachtpaarden verliezen, zou hij zijn
-neef opofferen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60">60</a>]</span></p>
-<p>»Een neef! Tien neven, nichten, zonen, dochters indien hij ze had, ja, zijne gansche
-familie. Vertrouw niet op hem, geen enkel oogenblik, maar maak, dat ge weg komt, vóór
-dat de machtige arm der gerechtigheid u achterhaalt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wegsnellen? Welzeker, maar&#x2014;regelrecht naar de woning van den ouden Inglewood. Waar
-ligt ze?&#x201d;
-</p>
-<p>»Omtrent twee uren van hier, beneden in &#x2019;t gindsche dal, achter het bosch. Daar ziet
-gij het torentje.&#x201d;
-</p>
-<p>»Binnen weinige minuten ben ik er,&#x201d; antwoordde ik en maakte mij gereed, om spoorslags
-weg te rennen.
-</p>
-<p>»Goed, maar ik zal u vergezellen, ik zal u den weg wijzen!&#x201d; zei Diana met drift, en
-zette haar paard dadelijk aan.
-</p>
-<p>»Neen!&#x201d; riep ik, »dat niet! Vergeef een oud vriend zijne vrijmoedige aanmerking. Maar
-het zou met alle welvoegelijkheid, ja zelfs met alle vrouwelijke kieschheid strijden,
-indien gij mij bij deze gelegenheid vergezeldet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik versta zeer goed, wat gij zeggen wilt,&#x201d; antwoordde Diana en een zacht rood vloog
-over haar trotsch voorhoofd. »Het is openhartig gesproken en&#x201d;&#x2014;voegde zij er na een
-poos zwijgens bij&#x2014;»naar ik geloof, ook goed gemeend.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, freule, denk niet dat ik gevoelloos of ondankbaar ben voor de deelneming, welke
-gij mij bewijst!&#x201d;&#x2014;hernam ik, met meer warmte dan ik eigenlijk wenschte te verraden:
-»uwe aanbieding spruit uit ware welwillendheid voort, welke men &#x2019;t best in nood leert
-kennen. Maar om u zelve, en daar men het ten kwade, ja zeer boosaardig, zou kunnen
-uitleggen, mag ik niet toestaan, dat gij, in dit geval, in eene zoo leelijke aangelegenheid
-den drang van uw edelmoedig hart gehoor geeft. Het zou immers bijna precies zijn,
-alsof gij voor het gerecht aan mijn zij gingt staan.&#x201d;
-</p>
-<p>»En als het nu eens niet bijna, maar volkomen zoo ware, meent gij dan, dat ik niet
-zou medegaan, zoodra ik dat voor plicht hield, als ik een vriend wilde beschermen?
-Gij hebt niemand, die u verdedigt. Gij zijt een vreemdeling, en hier aan de grenzen
-van Engeland, veroorloven de landrechters zich vaak ongehoorde dingen. Mijn oom heeft
-geen lust om zich met uwe zaak te bemoeien; Rashleigh is afwezig, en al ware hij ook
-hier, wie weet welke partij hij zou kiezen? Wat de overige leden van onze familie
-betreft, de een is al dommer dan de ander. Ik ga met u. Ik ben niet bang. Ik ben blij,
-dat ik in staat ben, u van dienst te zijn. Waarlijk, mijnheer Osbaldistone, ik ben
-zulk een overdreven teergevoelig meisje niet, dat ik voor wetboeken, norsche woorden
-en rechterspruiken terugdeinzen zou.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar, waarde freule Vernon.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar, waarde mijnheer Frans! Wees nu geduldig en bedaard. En laat mij mijn eigen
-gang gaan. Als ik mij dat eenmaal voorgenomen heb, dan blijft het zoo.&#x201d;
-</p>
-<p>Dat dit beminnelijke meisje zoo in mijn lot deelnam, was voor mij zeer vleiend. Maar
-ik besefte tevens, welk eene bespottelijke figuur <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>ik maken zou, als ik een achttienjarig meisje als advokaat medebracht. Ik was zeer
-bezorgd, dat men hare beweegredenen verkeerd uitleggen zou. Ik trachtte haar met alle
-mogelijke welsprekendheid het besluit, om mij te vergezellen, te ontraden. Maar het
-eigenzinnige meisje verklaarde ronduit, dat al wat ik aanvoerde niets baatte. Geen
-bezwaar ter wereld zou haar bewegen, een in nood verkeerenden vriend te verlaten;
-zelfs niet, wanneer hij meende, dat zij hem weinig hulp kon brengen. Al, wat ik haar
-zeggen kon, voegde zij op zeer stelligen, maar hartelijken toon er bij, mocht zeer
-goed zijn voor teergevoelige dametjes, fijn gevormd, in eene kostschool in de stad
-naar al de regels der meeste kieschheid opgevoed. Voor haar beteekende dat alles niets
-en zij had zich reeds sinds lang gewend, haar eigen zin te volgen. En dat zou zij
-nu ook doen.&#x2026;
-</p>
-<p>Terwijl wij spraken, kwamen wij de woning van den rechter Inglewood al naderbij. Om
-mij van alle verdere tegenbedenkingen af te leiden, begon zij een grappig portret
-van den rechter en zijn klerk te maken. Inglewood was, volgens hare beschrijving,
-een schoon gewasschen aanhanger van den onttroonden koning. Hij had, evenals de meeste
-landedellieden, langen tijd den eed van getrouwheid geweigerd. Maar nu onlangs had
-hij aan de tegenwoordige regeering dan toch trouw gezworen, en was kort daarop vrederechter
-geworden. Tot dezen stap had hem het dringende aanzoek der overige landjonkers bewogen,
-die met leedwezen zagen, dat hun jachtrecht in verval zou geraken, wanneer een rijksambtenaar
-het niet behoorlijk handhaafde. Want de naaste vrederechter, die in Newcastle woonde,
-at het gedoode en lekker toebereide wild veel liever op, dan dat hij voor het behoud
-van het levende zorgde, zoodat hij de wilddieven meer hielp dan de jagers. Zij besloten
-dus, dat iemand uit hun midden zijn Jakobitisme aan het algemeene welzijn ten offer
-moest brengen, en daartoe werd met eenparige stemmen Inglewood gekozen. Daar hij van
-vrij lauwe politieke gevoelens was, vond men hem zonder veel stribbeling gereed van
-politiek geloof te veranderen. Tot zijn handlanger had hij, als griffier, een sluwen
-rechtsgeleerde, Jobson, die in zijn naam met de gerechtigheid een aardigen kleinhandel
-dreef. Want zijn inkomen had hij geheel uit de rechtszaken, welke van tijd tot tijd
-voor zijns meesters rechtbank dienden. Geen wonder dus, dat hij dag en nacht zich
-beijverde om de boeren tegen elkander in het harnas te jagen, en met Argus-oogen te
-loeren, of er niet hier of daar iets voorviel, waarbij de wet tusschenbeide kon komen.
-Ja, in den omtrek van tien mijlen kon geen rekening gesloten worden, zonder dat debiteur
-of crediteur voor den vrederechter verscheen. Maar de allerbespottelijkste tooneelen
-hadden plaats, wanneer deze of gene zaak te beslissen was, waarin men iets staatkundigs
-vermoedde.&#x2014;»Jobson,&#x201d; vervolgde Diana, »ijvert allergeweldigst voor het Protestantsche
-geloof;&#x2014;ook is hij een groot vriend van de tegenwoordige orde van zaken met betrekking
-tot de kerk en den staat. Nooit zit de arme jonker in grootere verlegenheid, dan wanneer
-de ijver van zijn handlanger hem in gerechtelijke handelingen wikkelt, die met zijne
-vroegere politieke gevoelens in verband staan. Wel heeft hij die <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62">62</a>]</span>openlijk afgezworen, om de kracht der wet tegen onrechtmatige dooders van veldhoenen,
-korhoenen, patrijzen en hazen te handhaven, maar hij is er nog onwillekeurig steeds
-aan gehecht. In zulke gevallen behelpt de goede Inglewood zich doorgaans daarmede,
-dat hij aan zijn aangeboren eigenschap: luiheid en afkeer van elken arbeid, toegeeft.
-Evenwel moet gij niet gelooven, dat deze werkeloosheid uit sufheid van geest ontstaat.
-Volstrekt niet, want voor een man, die zijn hoogste geluk in eten en drinken vindt,
-is de oude heer al zeer opgeruimd en levendig. Dat vormt met den tragen gang zijner
-verrichtingen, een inderdaad zonderling contrast. Bij zulke gelegenheden gedraagt
-Jobson zich als een paard, dat veroordeeld is om eene zwaar beladen kar te trekken.
-Het geeft zich wel alle moeite om met zijn last voort te komen, doch de kar, die zelve
-niet medewerkt, is niet te bewegen. Ja, men heeft het oude paard, naar men vertelt,
-wel hooren klagen, dat dezelfde wagen der gerechtigheid, die bij zekere gelegenheden
-zoo moeilijk in beweging is te brengen, bij andere gelegenheden van zelf snel genoeg
-voortrolt en hem zijns ondanks mede voorttrekt: wanneer namelijk een ouden vriend
-een dienst bewezen moest worden. O ja! Dan heeft men den eerlijken Jobson wel eens
-onder een bedenkelijk hoofdschudden hooren zeggen: »Als ik zooveel achting niet had
-voor den jonker, ik zou hem, door een enkel woordje aan de regeering, een leelijke
-kool kunnen stoven.&#x201d;<span class="corr" id="xd29e1127" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>De schoone Diana had juist met deze woorden hare beschrijving voltooid, toen wij voor
-de woning van den vrederechter Inglewood stonden. Het was een ouderwetsch, maar toch
-fraai en ruim gebouw.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1098" href="#xd29e1098src">1</a></span> In &#x2019;t begin der achttiende eeuw maakte de Regeering zich altijd dadelijk van de paarden
-der Katholieken meester, als er eenige onrust in het land was. Men veronderstelde
-altijd, dat zij op het punt waren van deel te nemen aan een opstand, en ontnam hun
-zoo doende het middel van vervoer.
-</p>
-<p class="footnote cont signed">W. S.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1098src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK VIII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">»Gij kent de kunst van &#x2019;t vechten,&#x201d;
-</p>
-<p class="line">Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.
-</p>
-<p class="line">»Hoor,&#x201d; sprak de pleiter, »op mijn eer,
-</p>
-<p class="line">Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!
-</p>
-<p class="line">Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen
-</p>
-<p class="line">Den stoutsten kamphaan hier te dagen.&#x201d;
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Butler.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1143"><span class="xd29e1143init">T</span>oen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms liverei te gemoet,
-en nam ons de paarden af. Wij traden het huis binnen. Doch toen wij in de voorkamer
-kwamen, stonden mijne <span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63">63</a>]</span>schoone reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen; terwijl hij,
-ons ziende, even verwonderd was.
-</p>
-<p>»Rashleigh,&#x201d;&#x2014;dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene vraag te doen&#x2014;»gij
-hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds met den rechter daarover gesproken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja!&#x201d; hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de reden van mijne
-komst. Ik heb mij beijverd,&#x201d;&#x2014;met eene buiging tegen mij&#x2014;»mijn neef van dienst te zijn,
-zoo veel ik kon. Het spijt mij inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak.&#x201d;
-</p>
-<p>»Als vriend en bloedverwant,&#x201d; antwoordde ik, »moest het u integendeel spijten, wanneer
-gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet spoedig genoeg hier kon zijn, om
-mijne aangetaste eer te zuiveren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Volkomen waar,&#x201d; hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders uitdrukkingen te oordeelen,
-meende ik niettemin, dat een kort verblijf in Schotland&#x2014;slechts zoolang, tot de zaak
-in stilte afgedaan ware&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige voorzichtigheidsmaatregelen
-behoefde te nemen, dat er niets in stilte afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn
-doel wel degelijk was, een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar
-beschamend te wederleggen.
-</p>
-<p>»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh,&#x201d; zeide Diana hierop. »Hij verlangt,
-dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij, lieve nicht?&#x201d; vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef even goed, en misschien
-wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer zien dan twee.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!&#x201d; hernam Rashleigh. Daarbij vatte
-hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke teederheid, dat hij er in mijne oogen
-nog vijftigmaal leelijker uitzag, dan de natuur hem geschapen had.
-</p>
-<p>Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en het meisje scheen
-iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of wilde. Nooit zag ik zulk een sterk
-contrast in de uitdrukking van twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden
-vuurrood; zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en scheen
-met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren, welke hij&#x2014;zoo als ik
-uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn bedaard, eerbiedig lachje en uit andere
-teekens besluiten moest&#x2014;met alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich
-plotseling van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed, ik
-wil het zoo hebben!&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt onmogelijk,&#x201d; hernam Rashleigh,
-terwijl hij zich tot mij keerende er bij voegde: »denk eens neef&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijt gij razend?&#x201d; viel Diana hem in de rede.
-</p>
-<p>»Denk eens,&#x201d; vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te laten <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64">64</a>]</span>storen, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe onschuld erken&#x2014;waarvan
-trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn dan ik,&#x2014;maar dat ik ook hen, die eigenlijk
-schuldig zijn aan de gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk
-eene misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden, Rashleigh,&#x201d; hernam
-Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat namelijk uwe correspondentie over alles,
-wat er gebeurt, zeer uitgebreid is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan maken!&#x201d; antwoordde Rashleigh.
-</p>
-<p>»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig, en ik verwacht
-van u ook niets meer dan gerechtigheid.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zijt eene dwingelandes, Diana,&#x201d; hernam hij met eene soort van zucht; »eene grillige
-dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden met een ijzeren schepter. Maar aan
-uwe begeerte zal voldaan worden. Gij moest echter niet hier zijn; gij weet het immers&#x2014;gij
-moest niet! Keer dus met mij terug.&#x201d;
-</p>
-<p>En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij naar mij toe
-en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem in hetgeen u overkomen is,
-en het is alleen om voor uwe belangen te waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat.
-Maar gij moet uw invloed op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te
-gaan. Hare tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel strekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij moogt u verzekerd houden,&#x201d; was mijn antwoord, »dat ik daarvan evenzeer overtuigd
-ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde malen dringend verzocht, zich naar
-huis te begeven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb er over nagedacht,&#x201d; zeide Diana, na eene lange poos zwijgen. »Ik ga niet heen,
-voor dat ik zie, dat gij uit de handen der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh
-moge het wel met u meenen, maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!&#x2014;Ik
-weet,&#x201d; voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij, als ik hier
-blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Blijf dan, onbezonnen meisje!&#x201d; riep Rashleigh; »gij weet maar al te wel, wien gij
-vertrouwt.&#x201d;
-</p>
-<p>En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken daarna hoorden
-wij den hoefslag van zijn paard.
-</p>
-<p>»God dank, hij is weg!&#x201d; zeide Diana; »nu dadelijk naar den vrederechter!&#x201d;
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd29e1176" title="Bron: «">»</span>Willen wij niet liever een bediende roepen?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling overvallen.
-Kom!&#x201d;
-</p>
-<p>Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een lange half duistere
-gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin zeer vele oude landkaarten, bouwkundige
-schetsen en stamboomen aan den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek
-van den jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed moet
-geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.
-<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span></p>
-<p>»De goede man moet reeds gegeten hebben,&#x201d; zeide Diana; »ik dacht waarlijk niet, dat
-het reeds zoo laat was.&#x201d;
-</p>
-<p>Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden nog al geprikkeld
-was geworden, had zich in plaats van te één uur, den gewonen tijd voor het middagmaal,
-reeds te twaalf uren aan tafel begeven. »Wacht hier,&#x201d; vervolgde Diana; »ik ben in
-dit huis bekend. Nu moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou
-wellicht den ouden heer al te zeer verrassen.&#x201d;
-</p>
-<p>En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen of terugkeeren
-zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren, wat er in de eetzaal gesproken werd.
-Eene krassende stem, maar die mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te
-kunnen zingen.
-</p>
-<p>»Gij wilt niet zingen, vriendje!&#x201d; riep de vrederechter, »gij moet! Wat satan! gij
-hebt daar eene van mijne grootste bokalen met echten portwijn leeg gedronken, en nu
-zoudt gij nog niet kunnen zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen,
-ja zelfs aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet af. Eerst
-verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende verklaringen, en dan zegt gij
-mij, dat gij niet zingen kunt!&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!&#x201d; hernam eene andere stem, die
-deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren; »mijnheer hier zal zich ook gaarne
-naar uw wensch voegen, daaraan twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd
-geschreven: <i>canet</i>, dat is: dat hij zinge!&#x201d;
-</p>
-<p>»Welaan, er uit met je lied!&#x201d; viel de rechter in. »Of, bij St. Christoffel! gij zult
-mijn bokaal vol zout water moeten leeg drinken, dat is volgens de overlevering, in
-dergelijke gevallen de vaste boete.&#x201d;
-</p>
-<p>Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door deze bedreiging
-naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke jammertonen, als een misdadiger,
-die zijn laatste boetpsalm bij het schavot zingt, hief hij aan:
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<div class="lg">
-<p class="line">Verneemt, o menschen! thans mijn lied,
-</p>
-<p class="line">Een droevig, allerdroevigst lied,
-</p>
-<p class="line">Van den beruchten straatbandiet,
-</p>
-<p class="line">Der reiz&#x2019;gers schrik en zwaar verdriet.
-</p>
-<p class="line xd29e1200">Tralali, Tralala, enz.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">Er gingen zes mannen zoo al te gaar
-</p>
-<p class="line">Naar Kensington, van Brentfort maar.
-</p>
-<p class="line">En plotseling stond de roover daar,
-</p>
-<p class="line">Van dolken en pistolen zwaar.
-</p>
-<p class="line xd29e1200">Tralali, Tralala, enz.</p>
-</div>
-<div class="lg">
-<p class="line">De mannen, die zes, ze waren zat,
-</p>
-<p class="line">Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.
-<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span></p>
-<p class="line">De roover brult: Je geld hier! Wat?&#x2026;
-</p>
-<p class="line">En ze beefden als een espenblad.
-</p>
-<p class="line xd29e1200">Tralali, Tralala, enz.</p>
-</div>
-</div>
-<p class="first"></p>
-<div class="figure p066width"><img src="images/p066.png" alt="" width="499" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de verschijning van den
-roover <span class="corr" id="xd29e1223" title="Bron: zóo">zóó</span> ontsteld zijn geweest, als de zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten
-moede, de kamer binnengetreden, <span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67">67</a>]</span>en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot Morris. De hooge tonen van zijn zang
-stierven in een angstig beven weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne
-oogen even gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde mij
-met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa op mijn schouders had.
-</p>
-<p>De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang reeds half had toegegeven,
-richtte zich in zijn leunstoel op, toen hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder
-ontwaakte oogen vestigden zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier,
-die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de ontsteltenis van
-den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.
-</p>
-<p>Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden veroorzaakt, volgde een
-korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte af. »Mijnheer Inglewood,&#x201d; zeide ik overluid,
-»mijn naam is Frans Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling
-eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan een diefstal of
-berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben, deelgenomen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijnheer,&#x201d; antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken, waarmede ik mij aan
-tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een vrederechter moet even goed als
-andere lieden den tijd hebben om in vrede te eten.&#x201d;
-</p>
-<p>Inglewood&#x2019;s weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht, noch in dien
-van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.
-</p>
-<p>»Vergeef mij, mijnheer,&#x201d; als ik eenigszins ongelegen kom. <span class="corr" id="xd29e1234" title="Niet in bron">»</span>Maar daar het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij vergist u zeer, mijnheer,&#x201d; viel Inglewood mij in de rede; »de maaltijd is in
-zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank voor het oogenblik genoeg heb. Maar
-de spijsvertering, vriend, de spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden.
-En ik kan ze niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust te
-genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje wijn. Verzuim ik
-dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer,&#x201d; begon de griffier Jobson thans, die middelerwijl
-reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag had gehaald: »maar hier is sprake
-van eene kapitale misdaad. Mijnheer is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht
-de schending der publieke veiligheid betreft&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>»De duivel hale de publieke veiligheid!&#x201d; riep de vrederechter ten hoogste misnoegd.
-»Ik hoop,&#x201d; voegde hij er schielijk bij, »dat niemand mij zoo&#x2019;n losse uitdrukking euvel
-duiden zal! Maar wezenlijk, men zou dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk
-gekweld wordt! Heb ik mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën,
-arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën, enz., enz. Ik zeg
-het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met het gansche vrederechterschap naar
-den Satan.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span></p>
-<p>»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te verliezen,&#x201d;
-hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat er niets edelers en heerlijkers,
-dan het ambt van vrederechter, wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals
-de beroemde rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu dan,&#x201d; zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de waardigheid van zijn
-beroep, terwijl hij het overschot van zijn misnoegen in een flinken teug wegdronk.
-»Ter zake! maar zonder omwegen, zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer
-Morris, gij ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone,
-dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik, Mijnheer?&#x201d; hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks eenigszins bekomen
-was; »ik klaag niemand aan&#x2014;ik heb volstrekt niets tegen dezen heer.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en daarmede uit.&#x2014;Dan hebben
-wij er niets meer mede te maken. Kom, de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien
-u!&#x201d;
-</p>
-<p>Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop vrij te laten.&#x2014;»Hoe
-kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?&#x201d; zeide hij. »Hier is uwe eigene verklaring&#x2014;de
-inkt is nauwelijks droog&#x2014;en gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt goed praten!&#x201d; hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik, hoe vele schelmen
-hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van zulke gevallen heb ik in Johnsons
-Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja, waarachtig, de deur&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.&#x2014;
-</p>
-<p>»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!&#x201d; zeide zij. »Nergens ziet
-of hoort men een bediende!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ei! Freule Diana!&#x201d; riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen verried, dat
-hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de schoonheid der vrouw te huldigen.
-»Freule Diana, het schoonste bloempje op Schotland&#x2019;s grenzen! Komt gij eens zien hoe
-de oude vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom, als de bloemen
-in Mei! zoo lieflijk zijt gij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open huis genoemd
-te worden,&#x201d; vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel, om uwe gasten te ontvangen!&#x201d;
-</p>
-<p>»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben het waargenomen.
-Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft hier gegeten; maar zoodra de
-eerste flesch ledig was, deserteerde hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker
-nog niet gegeten? Nu, dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden,
-zoo zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!&#x201d; antwoordde Diana. »Ik zal
-maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik ben met mijn neef, Frans Osbaldistone,
-hierheen gekomen, en moet hem ook <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69">69</a>]</span>op den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders verdwaalt hij op de
-wijde vlakten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?&#x201d; hernam de vrederechter, en neuriede:
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">En zij wees hem den weg, en zij wees hem den weg
-</p>
-<p class="line">En zij wees hem den weg door het veld!</p>
-</div>
-<p class="first">»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken is, mijn rozenknopje!&#x201d;
-</p>
-<p>»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf, menschlievend rechter,
-en doet gij de zaak van mijn neef thans nu maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder
-naar huis kunnen komen, dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en
-wij zullen eens recht vroolijk zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen lieden het rijden
-en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van uw bijzijn niet berooven. Nu, nu,
-heden zal ik u niet ophouden. Met de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans
-Osbaldistone ben ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij gemakkelijk
-kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met uw verlof, mijnheer Inglewood,&#x201d; zeide ik thans. »Ik weet immers nog niet eens
-stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>De griffier, die bij Diana&#x2019;s verschijning de zaak reeds had opgegeven, kreeg weer
-moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het allerminst verwachtte, ondersteuning
-erlangde.&#x2014;»Gij weet,&#x201d; zeide hij tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger
-is aangeklaagd, niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet
-zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den griffier van het
-vredegerecht de gewone onkosten betalen.&#x201d;
-</p>
-<p>De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door mij verlangde
-uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij onderweg met den goeden Morris
-veroorloofd had, een diepen indruk op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde
-nu, dat hij al die plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed,
-als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij van elkander
-afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op een eenzamen weg door twee
-zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard aangevallen en van zijn valies beroofd
-geworden. Een dier roovers was, naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en
-Morris wilde zelfs in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord
-hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke, bij wien hij
-zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en gehoord, dat de leden van
-dit geslacht allen Papisten en Jakobieten waren. Op al deze zoo gewichtige gronden,
-beschuldigde Morris mij van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor
-men hem van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds beroofd
-<span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>had, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar in Schotland had moeten
-afgeven.
-</p>
-<p>Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de omstandigheden,
-waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het recht konden geven mij van mijne
-persoonlijke vrijheid te berooven. Ik erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een
-weinig voor den gek had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien
-min of meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst van zijn
-verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid op te nemen, en zich daardoor
-te laten verschalken. »Sedert wij van elkander afscheid hebben genomen,&#x201d; voegde ik
-er bij, »heb ik mijn reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen,
-wat hij toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk, dat ik aan
-zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand geheel strijdig is, niet alleen
-niet medeplichtig ben, maar ook, dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid,
-dat men een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam slechts
-in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de ten laste gelegde staatkundige
-gevoelens, bied ik aan, tot genoegen van den vrederechter, den griffier en den aanklager
-te bewijzen, dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een getrouw
-onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben, en derhalve de bescherming
-der wetten, door die groote gebeurtenis bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep.&#x201d;
-</p>
-<p>De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene snuifje na
-het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te bevinden. De griffier las
-hem eene wet van Eduard III voor, krachtens welke de vrederechters iederen aangeklaagde
-of verdachte persoon in hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een
-wapen tegen mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens
-mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat ik mij daardoor
-zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik nu klaagde.
-</p>
-<p>Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet daarbij tevens niet onduidelijk
-blijken, dat ik den heer griffier diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods,
-den borgtocht van mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.
-</p>
-<p>Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen het aannemen van
-een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij gaf den vrederechter een wenk, om
-toch wel te overwegen wat de wet hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.
-</p>
-<p>Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij dien snel gelezen
-had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te ergeren. »Lieve Hemel!&#x201d; riep hij uit,
-»nu kan ik waarlijk noch aan ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen
-rust, geen uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dankje!&#x201d; mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer dan genoeg!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71">71</a>]</span></p>
-<p>»Maar het is een zaak van leven en dood!&#x201d; riep de griffier.
-</p>
-<p>»In &#x2019;s Hemels naam, als het dan niet anders kan!&#x2014;Evenwel hoop ik, dat het buiten mij
-kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er niets mede te maken heb?&#x201d; vroeg de heer
-Inglewood min of meer beangst.
-</p>
-<p>En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de nabuurschap, eene
-dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem ontboden had, om zijne wereldsche
-aangelegenheden in orde te brengen.
-</p>
-<p>»Ga dan, ga dan!&#x201d; riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut langer hier blijven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht zijn,&#x201d; zeide Jobson,
-terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur begaf;&#x2014;»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk
-opstellen, en de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer
-Rashleigh aanmerkte,&#x201d;&#x2014;vervolgde hij veel zachter, maar het overige, wat hij zeide,
-werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.
-</p>
-<p>»Neen, zeg ik u, vriendje!&#x201d; antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en moet niets
-gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een rit van anderhalve mijl.
-Nu, tot weerziens!&#x2014;Welaan!&#x201d; vervolgde hij, zich weder tot ons keerende, »het glas
-gevuld, mijnheer Morris! Wees niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje,
-voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te verfrisschen.&#x201d;
-</p>
-<p>Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin zij sedert eenige oogenblikken
-verzonken scheen.&#x2014;»Neen, mijnheer Inglewood,&#x201d; antwoordde zij: »op zulke wijze zou
-ik voor mijne rozen liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk
-wil ik u gaarne bescheid doen,&#x201d; voegde zij er bij, terwijl zij een glas met water
-vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare schijnbare opgeruimdheid zichtbaar
-in strijd was.
-</p>
-<p>Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade te slaan. De nieuwe
-stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der hatelijke aanklacht weder vertraagde,
-verdroot mij zeer. Het was niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid
-van den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig houden. Integendeel,
-de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid, als een schooljongen over een vakantiedag.
-En vruchteloos poogde hij vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van
-allen tot zoo iets gestemd waren.&#x2014;
-</p>
-<p>»Maar voor den drommel, vriend Morris!&#x201d; riep hij, »laat het hoofd niet hangen. Gij
-zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste niet wezen, die door roovers aangevallen
-werd. Met treuren komen wij niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug.
-En gij, mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet, die een
-eerlijk man zijn: »sta!&#x201d; heeft toegeroepen. Ik herinner mij uit mijne jeugd een recht
-aardige jongen, Winterfield heette hij&#x2014;een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen
-gezocht en gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijen <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72">72</a>]</span>tegenwoordig&#x2014;wij waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens,
-mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat ik ook zeggen wilde&#x2014;menige
-flesch heb ik met dien goeden jongen geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag
-er niet kwaad uit, een gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere
-wenkbrauwen; overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in dat
-satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in, Heeren! Op zijne
-nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel zijn gekomen, en mijn verwenschten
-griffier met zijne verwenschte geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht
-vertrouwelijk spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen&#x2014;de wet
-is gestreng&#x2014;zeer gestreng&#x2014;de ongelukkige Winterfield kwam aan de galg, in weerwil
-van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van vrienden, van alle familiebetrekkingen&#x2014;hij
-moest hangen, omdat hij een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt.
-Nu ja, gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en zoo voorts.
-Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder, en de grap is afgeloopen, en
-er wordt nooit weder over gesproken.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder op, en hij verzekerde
-stamelende, dat hij de man niet was, die naar menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter
-in de rede. Ik uitte mijne verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des
-rechters, die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had, en
-waarvan ik wilde vrijgesproken worden.
-</p>
-<p>Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een vreemden heer
-aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel komplimenten, de kamer binnen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK IX.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Daar komt er een terug, zoo&#x2019;n roover. Hier blijf &#x2019;k staan.
-</p>
-<p class="line">Blijf ik zoo dicht bij &#x2019;t huis, dan zal hij wel weer gaan,
-</p>
-<p class="line">En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">De Weduwe.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e590"><span class="xd29e590init">»W</span>at voor vreemdeling!&#x201d; had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch niet, dat het ambtsbezigheden
-betreft anders&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den Schot Robbert Campbell,
-dien ik onderweg in de dorpsherberg had gesproken.<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73">73</a>]</span>&#x2014;»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van belang, mijnheer de rechter,&#x201d;
-zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging
-te nemen. Gij, mijnheer Morris,&#x201d; voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten
-blik op den man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten wat
-er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten.&#x201d;
-</p>
-<p>Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige ontroering.
-</p>
-<p>»Kom! wees toch een man, vriend!&#x201d; vervolgde Campbell, »beef niet als een misdadiger.
-Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien, mijnheer den vrederechter te verklaren
-dat gij mij kent, dat gij mij gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en
-als man van eer kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap
-zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn, u goede diensten
-te bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn&#x2014;heer&#x2014;Mijn&#x2014;heer&#x2014;,&#x201d; stamelde Morris, »ik geloof, dat gij een man van eer zijt,
-en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja, mijnheer Inglewood,&#x201d; voegde hij er met
-luide stem bij, »ik geloof waarlijk, dat die heer het is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar wat wil die heer dan toch van mij?&#x201d; vroeg de vrederechter eenigszins boos. »De
-een brengt hier den ander binnen. Ik krijg een gezelschap dat mij geen rust laat,
-en niet eens aan het woord laat komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zult beiden verkrijgen,&#x201d; hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik kom alleen,
-om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u lastig te vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een Schot in Engeland
-geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk,
-wat gij mij te zeggen hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Denkelijk heeft deze man,&#x201d; vervolgde Campbell, »u reeds verhaald, dat zekere Robbert
-Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had, zijn valies kwijt te raken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd,&#x201d; antwoordde de vrederechter.
-</p>
-<p>»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!&#x201d; hernam Campbell; »dit was eene kiesche onthouding;
-gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar ik heb vernomen dat mijne
-getuigenis hier noodig is, om dezen braven man, den heer Frans Osbaldistone, van een
-geheel ongegronde aanklacht te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam
-hier in deze zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen, dat
-ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op uw dringend en herhaald
-verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde, maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder
-inhaalde, voldeed; dat ik, door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar
-Rothburg te gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span></p>
-<p>»Helaas, helaas! alles waarheid!&#x201d; antwoordde Morris op die lange vraag, met neergebogen
-hoofd en op klagenden toon.
-</p>
-<p>»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken, dat niemand
-beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te geven, daar ik, gedurende
-het gansche voorval bij u en naast u was?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat niemand daartoe beter in staat is&#x2014;o ja, dat is ook al waar!&#x201d; zeide Morris met
-een diepen gesmoorden zucht.
-</p>
-<p>»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?&#x201d; vroeg de vrederechter.
-»Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee roovers; gij zoudt dus de kans
-met hen hebben kunnen wagen; want gij zijt beide sterke en flinke kerels.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer,&#x201d; hernam Campbell, »als ik u zeg, dat ik mijn geheele
-leven een zeer vreedzaam man was, die twist en vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer
-Morris, die, zoo als ik hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand
-hebben kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som gelds bij zich.
-Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen, en als man van vreedzame gezindheid
-had ik geen lust mij daarvoor aan levensgevaar bloot te stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen, nooit een sterker
-kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was tusschen de koene, trotseerende hardheid
-van zijne ruwe gelaatstrekken, en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van
-den toon zijner woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van
-zijn mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven de bedaarde
-en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde aan te nemen. Ja, ik kon het
-vermoeden niet van mij weren, dat hij bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid
-iets gansch anders was dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.
-</p>
-<p>Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik een soortgelijk
-vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit: »dat is een zeer zonderling geval!
-eene vreemde zaak! Waarachtig.&#x201d;
-</p>
-<p>De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij veranderde dus
-van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken iets van die spottende huichelachtige
-uitdrukking van nederigheid verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij
-had doen ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens, het
-is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of plukharen bemoeit.
-Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en kloppen, meer dan genoeg. Dat was
-echter volstrekt het geval niet, toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed
-als niets bij me. En nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd
-moogt zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben, dit papier
-in te zien.&#x201d;
-</p>
-<p>De vrederechter nam het papier en las half overluid: »<i>Hiermede wordt verklaard, dat toonder dezes</i>, Robbert Campbell van&#x2014;(den naam kan ik <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75">75</a>]</span>niet lezen) <i>een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag is; dat hij voor zijne eigen
-zaken reist&#x2014;enz. Gegeven in ons kasteel te Inver&#x2014;Invera&#x2014;rara.</i> Argyle.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,&#x201d;&#x2014;zeide Campbell, terwijl
-hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij den hoed afnemen&#x2014;»van Mac-Callum
-More zelven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mac-Callum&#x2014;wie is dat?&#x201d; vroeg de vrederechter.
-</p>
-<p>»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en een waar vriend
-van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714, toen hij den hertog van Marlbourough
-uit den zadel lichtte. Ja, ik wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden.
-Hij was steeds een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de
-nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust en den vrede
-van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden, dat het vrees zou geweest
-zijn, die dezen grooten man bewogen heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment,
-gelijk sommige lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende, mijnheer
-Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die rooverhistorie weet!&#x201d;
-</p>
-<p>»Met twee woorden, mijnheer,&#x201d; hernam Campbell, »zal ik u alles verhalen. Even goed
-kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij zelven beschuldigen, als hij den
-heer Frans Osbaldistone beschuldigd heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij
-voor genoemden heer heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig
-zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer Osbaldistone, want
-ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn masker een weinig verschoof. Ook twijfel
-ik niet,&#x201d; voegde hij er bij, terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar
-Morris keerde, »dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere gelegenheid
-had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er eigenlijk bij waren. Want
-ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm, maar mijn reisgenoot volstrekt niet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen toe!&#x201d; antwoordde Morris,
-en deinsde bevend terug, toen Campbell met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben
-bereid, ja, ik heb vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te
-herroepen,&#x201d;&#x2014;vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u, hem te vergunnen
-weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij insgelijks wel zult willen veroorloven.
-Zeer waarschijnlijk hebt gij met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen,
-en ik heb groote haast.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!&#x201d; zei de vrederechter en wierp het papier op het
-vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij, mijnheer Morris, kunt gerust
-gaan, waarheen gij verkiest.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja,&#x201d; zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met een nederig gegrijns
-in alles toestemde wat de vrederechter zeide; »ja, zoo gerust als een pad, die onder
-eene egge ligt. Wees onbezorgd, Morris, <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt, hoop ik, niet aan
-mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;&#x2014;veilig, meen ik, tot aan den eersten kruisweg.
-Daar zullen wij van elkander afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet
-als vrienden wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld misdadiger, die
-zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen geheel besluiteloos.
-</p>
-<p>»Wees toch niet bang, zeg ik u!&#x201d; herhaalde Campbell. »Ik zal woord houden. En wie
-weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of ander spoor van uw valies machtig
-kunnen worden, zoo gij slechts naar goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden
-zijn gezadeld. Zeg den heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid
-bezit.&#x201d;
-</p>
-<p>Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok onder Campbell&#x2019;s
-geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw door zorg en vrees overvallen,
-eer zij het huis verlieten. Want ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne
-bescherming herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel, vriendlief,
-gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot, dat een kerel met zulk een
-zwarten baard niet meer moed heeft dan een eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet
-als een bang kind.&#x201d;&#x2014;Meer hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden
-aan, dat beiden vertrokken waren.
-</p>
-<p>Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem met eenigen
-last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige ongerustheid, de gedachte
-namelijk wat toch zijn griffier van de wijze, waarop hij zich van een en ander afgemaakt
-had, wel zeggen zou.
-</p>
-<p>»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat last krijgen wegens
-de papieren!&#x201d; zeide hij. »Eigenlijk had ik ze niet moeten verbranden. Maar, wat is
-er ook aan gelegen! Op de keper beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten
-te doen; heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar nu,
-mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben, wensch ik tegen u wel
-een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen en u gedurende dezen avond aan de bewaking
-van mijne oude huishoudster over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en
-uwe neven halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben wij een
-recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar flesschen met mij, en
-dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod,&#x201d; antwoordde Diana; »maar zoo als de zaken
-thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel terugkeeren, waar men volstrekt
-niet weet, wat er van ons geworden is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust
-zijn, want hij houdt van hem als van een zijner eigen zonen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik wil het wel gelooven,&#x201d; zei Inglewood, »want toen zijn oudste jongen, <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77">77</a>]</span>Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak met Sir John Fenwick,
-placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf als een der andere zes jongens te roepen,
-en dan te klagen, dat hij zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men
-opgeknoopt had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar luister
-eens, heidebloempje,&#x201d; vervolgde hij en trok het meisje bij de hand vriendelijk tot
-zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden raad mede. Laat een andermaal het
-recht zijn gewonen loop, en bemors uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde
-prullen van rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral, laat
-de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids, mijn schatje, want licht
-zoudt gij, hun den rechten weg wijzende, zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn
-lief dwaallichtje.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede Frans, schijnt
-mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij uw vader nog uit mijn schooltijd
-zeer goed herinneren. Luister eens jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den
-avond, en steek den draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg.
-Niet iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met crimineele
-misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te steken. En deze goede Diana
-Vernon&#x2014;zij is, om zoo te zeggen, op Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten.
-Ze mag rijden, loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak
-deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf weder jong te
-worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel moeite mij dit ook kosten zou.
-En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in &#x2019;sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp
-en mijn stil gepeins over. Ge kent immers &#x2019;t versje wel:
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">»In korten tijd verteert tabak,
-</p>
-<p class="line"><a id="xd29e1366"></a>Zoo ook de mensch wordt oud en zwak
-</p>
-<p class="line"><a id="xd29e1369"></a>Als &#x2019;t vuur&#x2014;der jeugd verdooft.
-</p>
-<p class="line"><a id="xd29e1372"></a>En zoo ge &#x2019;t niet gelooft,
-</p>
-<p class="line"><a id="xd29e1375"></a>Dan zie die witte, droge asch
-</p>
-<p class="line"><a id="xd29e1378"></a>Der grijsheid&#x2014;op zijn hoofd.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de vrederechter door
-den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet doorschemeren. Ik bedankte hem voor
-zijne welgemeende vermaningen, en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne
-gastvrije woning.
-</p>
-<p>Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook iets. Op het voorplein
-wachtte ons een bediende van mijn oom, die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen
-en, naar zijn zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te vergezellen.
-Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd voort. Ik was te zeer vervuld
-van de gebeurtenissen van dezen dag, om het zwijgen dadelijk <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>te willen afbreken. Eindelijk zeide Diana, hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden
-brengend: »Ja, men moet Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;&#x2014;beminnen
-kan men hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen tot zijne
-speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een acteur gereed, en voor elk
-geval weet hij een hulpmiddel te vinden, dat gereed schijnt te liggen en doelmatig
-is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij gelooft dus,&#x201d; zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij zeide dan aan hare
-woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo juist ter rechter tijd verscheen
-en mijn aanklager meenam, zooals de valk de patrijs meevaart&#x2014;dat die Campbell ook
-al een werktuig was van onzen neef Rashleigh?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, dat geloof ik inderdaad,&#x201d; hernam Diana. »Ik vermoed zelfs, misschien eenigszins
-kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik volstrekt niet zou verschenen zijn,
-indien ik Rashleigh niet in het huis van den vrederechter ontmoet had.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone redster?&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist,&#x201d; antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die dank reeds betuigd
-en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val mij daarmee niet meer lastig.
-Ik zou er misschien eerder bij geeuwen, dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte
-u een dienst te bewijzen; gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer
-nu volstrekt niet, dat gij er verder over spreekt.&#x2014;Maar wie komt ons daar te gemoet
-rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!&#x201d;
-</p>
-<p>Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij spoedig bemerkten,
-innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en hield stil, toen wij, hem koeltjes
-groetende, voorbij wilden rijden.
-</p>
-<p>»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!&#x2014;ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie al hoe het met de
-zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld gedurende mijne afwezigheid? Ik zou
-intusschen wel eens willen weten, wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen
-belast heeft. Maar als mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen
-neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank voor de klucht
-en neem mijn ontslag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet vasthechten,
-zou dat niet even goed zijn?&#x201d; zeide Diana. »Maar hoe hebt gij den boer Rutledge gevonden?
-Was hij in staat zijn testament te maken en te onderteekenen?&#x201d;
-</p>
-<p>Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana zoo kwaadaardig
-aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne karwats om de ooren te slaan.
-Ik onthield mij echter, alleen omdat ik hem te nietig achtte.
-</p>
-<p>»Wat? Rutledge?&#x201d;&#x2014;riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken vergunde. »Die
-man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloekte <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79">79</a>]</span>streken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien hebt gij het te
-voren wel geweten, anders hoort gij het nu.&#x201d;
-</p>
-<p>»Was het een logen, mijnheer Jobson!&#x201d; vroeg Diana met gemaakte onnoozelheid. »Het
-is onmogelijk!&#x201d;
-</p>
-<p>»En ik zeg het u, en herhaal het!&#x201d; hernam de vertoornde griffier, »en bovendien voeg
-ik er nog bij, dat de oude vrek mij een&#x2019; beunhaas noemde, ja, een&#x2019; beunhaas, freule!
-en dat het mij slechts om geld te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe
-haalde, waar ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets behoef
-ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn beroep&#x2014;te minder, daar
-ik griffier van den vrederechter ben en mijne bezoldiging geniet krachtens de verordening
-uit het drie en dertigste regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar
-van koning Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie&#x2014;onzen onsterfelijken redder,
-die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen en beddepannen, freule
-Vernon! en van dat alles heeft verlost!&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!&#x201d; hernam Diana, die er
-vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te prikkelen. »Het verheugt mij,
-dat gij thans geen beddepan noodig hebt, mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer
-zijne onbeschoftheid niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel moet mij zelfs
-durven dreigen&#x2014;dat verzeker ik u, freule!&#x201d;
-</p>
-<p>»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient,&#x201d; viel ik hem in de rede.
-»Uwe manier van met freule Vernon te spreken is zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen
-anderen toon aanneemt, het wel eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel
-komplimenten met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe, mij&#x2014;mij&#x2014;mijnheer&#x2014;mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?&#x201d;
-</p>
-<p>»O ja, mijnheer!&#x201d; hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den vrederechter en de
-boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in geene van deze beide hoedanigheden zijt
-gij gerechtigd, u jegens eene fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen.&#x201d;
-</p>
-<p>Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!&#x201d; zeide zij; »de heer Jobson moet geen
-klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild niet, dat ik hem zelfs een enkelen
-slag met uwe karwats gun. Want dit zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat
-hij er eenigen tijd van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door
-hem een onbeschoft mensch te noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijne woorden raken mij niet,&#x201d; zeide Jobson eenigszins bedaarder. »Onbeschoft is
-ook geene injurie, geen in rechten geldend scheldwoord&#x2014;maar beunhaas is formeele laster,
-laster van de ergste soort: daarvoor zal de boer boeten;&#x2014;boeten zal hij, even als
-iedereen, die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten einde
-de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!&#x201d; zeide Diana. »Gij weet toch <span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>best, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is, zelfs de koning zijn
-recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen goeden naam betreft, ik beklaag den
-armen drommel, die hem krijgt, en wensch u van harte geluk met het verlies.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik heb niets meer
-te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de Papisten, welke men eigenlijk
-tot het welzijn van het land beter behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin
-Elizabeth en Jacob I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken,
-gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in eigendom hebben:&#x2014;de
-Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed van getrouwheid af te leggen. En wat
-u vooral betreft&#x2014;ik zeg het slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar
-gij ongehuwd zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde
-weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en wel langs den naasten
-weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens den koning behandeld te worden. Gij moet
-aan de gewone veren zoo spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet
-langer dan gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op die
-plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te beproeven, tot aan
-de knieën door het water waden.&#x201d;<a class="noteref" id="xd29e1414src" href="#xd29e1414">1</a>.
-</p>
-<p>»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne Katholieke dwalingen!&#x201d;
-zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij,
-zoo spoedig mogelijk, naar huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde
-heer Jobson, gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!&#x201d;
-</p>
-<p>»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.
-</p>
-<p>»Daar gaat hij heen, die stokebrand!&#x201d; zei Diana, terwijl zij hem nakeek. »Het is toch
-inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden
-van zulk een ellendigen deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven,
-wat voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde&#x2014;want wat men ook zeggen
-moog&#x2019;, in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke geloof den voorrang.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling te geven, die
-hij voelen zou!&#x201d; antwoordde ik.
-</p>
-<p>»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!&#x201d; hernam Diana. »En toch,
-ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger geweest ware, dan zou ik hem haar
-gewicht, geloof ik, zelve hebben laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn
-eigenlijk drie dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de
-moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren.&#x201d;
-</p>
-<p>»En welke drie dingen zijn dat, freule?&#x201d; vroeg ik zeer nieuwsgierig.
-<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81">81</a>]</span></p>
-<p>»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p081width"><img src="images/p081.png" alt="" width="487" height="383"></div><p>
-</p>
-<p>»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?&#x201d; antwoordde ik, haar wat dichter naderend, vol
-hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking volstrekt niet trachtte te verbergen.
-</p>
-<p>»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets, medelijden te vinden.
-Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik een meisje en geen jongen, en men zou
-mij in het gekkenhuis zetten als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik
-eigenlijk wel lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u behaagt,
-dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen volgden en toejuichten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet schenken. Dit soort
-van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat het wel de helft van alle Adamskinderen
-treft, en de andere helft&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne voorrechten
-vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere helft behoort.&#x201d;
-</p>
-<p>Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!&#x201d; viel zij mij in de rede; »dit zachte
-glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene aardige vleierij over de bijzondere
-voorrechten van Diana Vernon, dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u
-de moeite, om die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of gij
-meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht, zoo als die rechtsverdraaier
-van straks het noemen zou. Ik behoor tot eene onderdrukte <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span>sekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan ik eenige hoop koesteren, dat men
-mij, even als alle andere brave, godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal?
-Neen. Als het mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij
-in een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner voorvaderen
-dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene ongelukkige abdis zeide, toen
-men haar uit haar klooster verjoeg: <i>»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!&#x201d;</i>&#x201d;
-</p>
-<p>»Dit kwaad is te genezen!&#x201d; zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden, raadpleeg uw eigen
-helder verstand, beste freule, en gij zult zeer zeker inzien, dat de afwijkingen van
-het geloof, waarin gij opgevoed werdt, en&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Stil!&#x201d; zeide Diana, den vinger op den mond leggende; »geen woord meer hierover! Het
-geloof mijner brave voorvaderen verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel
-in het heetste oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot
-den zegepralenden vijand overloopen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden bloot. Maar voor
-de wonden, die men ter wille van zijn geweten ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk
-balsem die verzacht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u, bij uwe hardvochtigheid,
-evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben,
-om, in plaats van een vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom
-wil ik mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak van mijn
-kommer mede te deelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u, al de deelneming
-in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te wijden. Maar vooraf moet gij mij
-verzekeren, dat het geen ongeluk is, hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht
-deelt, of ook met al de Katholieken in Engeland, wier aantal hier&#x2014;God zij met ons!&#x2014;steeds
-nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk en staat, eigenlijk
-wenschen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, luister!&#x201d; hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien had. »Ja, het
-is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van nature ben ik, zooals gij bemerken
-kunt, vrijmoedig en openhartig, een gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle
-menschen ongeveinsd en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten
-en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel woord te spreken,
-uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij, maar voor anderen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat ik tevens nauwelijks
-zou geraden hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist&#x2014;indien iemand wist, hoe moeielijk het mij
-soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd te verbergen, gij zoudt mij zeer
-zeker innig beklagen. Misschien is het niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn
-toestand mededeel. <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83">83</a>]</span>Maar als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn, zoo veel
-mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen, omtrent Rashleigh&#x2019;s
-deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en omtrent zoo vele andere dingen, die
-buiten twijfel uwe opmerkzaamheid opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het
-intusschen niet over mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk
-wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik zou den goeden
-dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al verbeuren. Daarom zeg ik u liever
-eens voor altijd: vraag mij volstrekt niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid
-te antwoorden.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd daardoor diep
-getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik haar met onbescheidene
-vragen zou lastig vallen, ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst
-natuurlijke vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich, voegde
-ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij verplicht, dan dat ik
-van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had, om hare omstandigheden nader te leeren
-kennen, eenig misbruik zou willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig
-over mijne diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.
-</p>
-<p>»Ik dank u, ik dank u!&#x201d; antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den logentaal der
-vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe hij zich verplicht. Als ooit&#x2014;ja
-hoe zou dat mogelijk zijn!&#x2014;doch als ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen,
-dan zal ik u vragen of gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat
-ik niet boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij genoeg,
-dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid kan door allerlei omstandigheden
-weer veranderd worden, vóórdat ik u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana&#x2019;s
-broeder waart.&#x201d;
-</p>
-<p>»En als ik uw broeder ware,&#x201d; zeide ik, »ik zou niet sterker dan nu mijn bijstand kunnen
-beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen, of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne
-redding bevorderd heeft?&#x201d;
-</p>
-<p>»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op verlaten, dat hij deze
-vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij laat geen brave daad door hem volbracht, overzien
-als een onjuist bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet
-liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd geplaatst.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is geweest, die den armen
-Morris van den last van zijn valies onthief? Ook niet, of de brief, dien de griffier
-ontving, slechts eene list was, om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij
-mijne vrijstelling niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!&#x201d; viel Diana mij in de rede. »Daarom
-is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te veronderstellen. <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84">84</a>]</span>Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en nog twintig andere, even zoo
-slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer
-ik mijn kin zóó aanraak, dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid
-juist bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken, om door teekenen
-door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn vertrouweling en raadgever zijn. En
-evenwel zult gij van mijne omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!&#x201d; zeide ik glimlachend, »maar
-gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw vertrouwen, des te verstandiger mijn
-raad kan zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde bloedverwanten genaderd.
-Wij waren over elkander recht tevreden. Dit stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden
-vernamen wij, dat onze geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd
-waren.
-</p>
-<p>»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de boekenkamer,&#x201d; zeide
-Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel over u ontfermen,&#x201d; voegde zij er,
-zich tot mij keerende, op vroolijken toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat
-gij in de woning van den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik
-u met mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De boekenkamer
-is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel, waar ik tegen mijn ourang-outangs
-van neven beveiligd ben. Daar komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware
-folianten, met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel verpletteren.
-Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne hoofden niet in aanraking.&#x201d;
-</p>
-<p>En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij het vertrek bereikten,
-waar wij onzen maaltijd zouden houden.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1414" href="#xd29e1414src">1</a></span> Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering van Eduard VI, Elizabeth
-en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1414src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK X.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ik vond in &#x2019;t groote huis een somber, kil vertrek,
-</p>
-<p class="line">Waar niemand kwam&#x2014;voor haar een heilig-stille plek.
-</p>
-<p class="line">Want langs de breede wanden, stond plank bij plank, bevracht
-</p>
-<p class="line">Met dat wat geesteshonger en zielepijn verzacht.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Anonymus.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1015"><span class="xd29e1015init">H</span>et was een groot, somber vertrek, de bibliotheek in kasteel Osbaldistone. Langs de
-wanden bogen oude eiken planken onder den <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85">85</a>]</span>last van zware boeken. Het waren meest dikke, aan de zeventiende eeuw zoo dierbare
-folianten. Daaruit hebben wij het grootste deel der wijsheid voor onze kwartijnen
-en octavo&#x2019;s getrokken, en wanneer onze zonen in nog hoogere mate tot het pygmeëngeslacht
-mochten behooren dan wij, dan zal die wijsheid, opnieuw gedistilleerd, zich ook nog
-verder tot duodecimo&#x2019;s en octodecimo&#x2019;s laten inkorten. De verzameling bestond grootendeels
-uit Grieksche en Romeinsche schrijvers, algemeene geschiedenis, en verder uit werken
-over de godgeleerdheid. Alles bevond zich echter in zeer groote wanorde. De priesters,
-die achtereenvolgens als kapelaans hadden dienst gedaan, waren verscheidene jaren
-lang de eenige menschen geweest, die dit eenzame verblijf betraden, tot eindelijk
-Rashleigh, door zijne zucht naar kennis gedreven, de eerbiedwaardige spinnewebben
-verwoestte, welke de boekenkasten bedekten. Dat deze jongman zich aan den geestelijken
-stand wilde wijden, was in zijns vaders oogen niet zoo erg dwaas, als wanneer een
-der andere afstammelingen zulk eene zonderlinge neiging had doen blijken. De oude
-sir Hildebrand gaf dan ook gaarne zijne toestemming, om de ouderwetsche kamer eenigszins
-meer bewoonbaar te maken. Evenwel zag ze er nog steeds zeer vervallen uit en verried
-in alle opzichten eene <span class="corr" id="xd29e1482" title="Bron: onvergeefelijke">onvergeeflijke</span> verwaarloozing, waartegen de diepe geleerdheid, welke hare wanden bekleedde, haar
-niet had kunnen beschermen. De behangsels gescheurd, wormstekige boekenplanken; de
-tafels en stoelen waren ontzaglijk groot, maar lomp bewerkt en waggelende, de vuurhaard
-door roest bijna geheel verteerd, terwijl zelden of nooit een steenkolen- of takkenbossenvuurtje
-er op flikkerde; al die dingen waren zoo vele overtuigende bewijzen van de minachting,
-met welke de eigenaars en bewoners van het kasteel Osbaldistone de schatten van geleerdheid
-beschouwden.
-</p>
-<p>»Waarschijnlijk zal u deze kamer niet erg bevallen?&#x201d; zeide Diana, toen ik in het eenzame
-vertrek min of meer verwonderd rondzag. »Maar ik voor mij gevoel mij hier als in een
-klein paradijs; want ik noem het mijn eigendom en behoef niet te vreezen in deze stille
-afzondering gestoord te worden. Rashleigh deelde vroeger met mij dat bezit. Zoolang
-wij nog vrienden waren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijt gij thans geene vrienden meer?&#x201d; was natuurlijk mijne vraag.
-</p>
-<p>Met een schelmsch verbiedenden blik legde zij haren wijsvinger aan het kuiltje in
-hare kin.&#x2014;»Wij zijn nog steeds <span class="ex">bondgenooten</span>,&#x201d; zeide zij na eenig zwijgen, »even als andere verbonden mogendheden, door wederzijdsche
-belangen vereenigd. Maar ik vrees, dat het ook hier gaan zal als in andere dergelijke
-gevallen; het verbond heeft de vriendschappelijke gezindheden overleefd, waaraan het
-zijn oorsprong te danken had. Zoo veel is zeker, dat wij thans veel minder omgang
-met elkander hebben, en komt hij soms door die deur binnen, dan ga ik door deze er
-uit. Kortom, wij hebben bemerkt, dat wij in deze kamer, hoe ruim ze ook zijn moge,
-niet tegelijk plaats kunnen vinden, en Rashleigh, wien zijne zaken dikwerf elders
-roepen, heeft mij eindelijk grootmoedig zijne rechten afgestaan, zoo dat ik nu geheel
-alleen het werk voortzet, waarbij hij te voren mijn leidsman was.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86">86</a>]</span></p>
-<p>»En welk werk is dat, indien ik het vragen mag?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees maar niet bang dat ik mijne kin zal aanraken. Zeer zeker moogt gij dat vragen.
-Wetenschappen en geschiedenis zijn mijne meest geliefkoosde studiën, ofschoon ook
-de dichtkunst en de oude schrijvers geenszins door mij veronachtzaamd worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»De oude schrijvers? En gij leest die in het oorspronkelijke?&#x201d;
-</p>
-<p>»O ja. Rashleigh, die vele kennis bezit, onderwees mij in het Grieksch en Latijn,
-en in de meeste talen van het beschaafde Europa. Gij moogt vrij gelooven, dat men
-zich ten opzichte van mijne opvoeding nog al eenige moeite heeft gegeven. Maar daarentegen
-versta ik niets van kantwerken, noch van borduren, noch zelfs van een pudding te maken.
-Ik kan, zoo als de dikke vrouw van onzen predikant onlangs zeer juist en beleefd opmerkte,
-niets <span class="ex">nuttigs</span> verrichten.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wie heeft dan deze studiën voor u gekozen&#x2014;Rashleigh, of gij zelve?&#x201d;
-</p>
-<p>»Och! hm!&#x201d; zeide zij, alsof zij weifelde mijne vraag te beantwoorden; »maar eigenlijk
-is het de moeite niet waard, mijn vinger op te heffen&#x2014;gedeeltelijk hij, gedeeltelijk
-ik. Buiten &#x2019;s huis leerde ik rijden, des noods een paard optoomen en zadelen, een
-geweer, zonder te knipoogen, afschieten, en alle dergelijke manhaftige oefeningen,
-die mijne ongepolijste heeren neven als het eenige doel van hunne bestemming beschouwen.
-Maar nu moest ik ook in huis, even als mijn eenige verstandige neef, Grieksch en Latijn
-leeren verstaan. Van den boom der kennis wilde ik plukken, welken gij, mannelijke
-geleerden, zeer gaarne voor u alleen zoudt willen behouden, ik denk uit wraak tegen
-onze gemeenschappelijke moeder, wegens haar aandeel aan de erfzonde.&#x201d;
-</p>
-<p>»Moedigde Rashleigh gaarne uwe neiging tot geleerdheid aan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, hij wenschte mij tot zijne leerling te hebben, en kon mij trouwens, slechts die
-kundigheden mededeelen, welke hij zelf bezat. Het geheim om kanten lubben te wasschen
-of een zakdoek te zoomen, kon ik natuurlijk van hem niet leeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, dan vermoed ik wel, dat de wensch, om zulk eene leerling te hebben, bij den leermeester
-zich vrij sterk gelden liet!&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens, zoo gij naar Rashleigh&#x2019;s beweegredenen wilt beginnen te vorschen, dan
-zal ik mijne vinger weder aan de kin moeten leggen. Ik kan slechts dan openhartig
-zijn, wanneer er naar mijne eigen beweeggronden gevraagd wordt. Rashleigh heeft mij
-de boekenkamer afgestaan, en komt er nooit in, zonder mij vooraf verlof te vragen.
-Ik heb derhalve de vrijheid genomen, om die kamer tot eene bewaarplaats voor mijne
-eigen goederen te maken, zoo als gij zien kunt, als gij uwe blikken slechts eens in
-het rond wilt slaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vergeef het mij, freule; ik vind inderdaad binnen deze vier muren volstrekt niets,
-wat ik, op het eerste gezicht, voor uw eigendom zou houden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarschijnlijk, omdat gij geen herder of geen herderin op een borduurraam ziet, of
-een opgezetten papegaai, of een kooi met kanarievogels, of een werktafeltje, of een
-toiletdoos, of een gitaar, of een schoothondje <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87">87</a>]</span>met nog blinde jongen. Ja, van al die schatten bezit ik volstrekt niets,&#x201d; vervolgde
-zij na eenig zwijgen, toen zij, na deze lange optelling, weder adem had gehaald. »Maar
-daar staat het zwaard van mijn voorvader Richard Vernon, die bij Shrewsbury sneuvelde,
-doch naderhand erg belasterd werd door een moedwilligen knaap, met name William Shakespeare,
-die, bij zijne partijdigheid voor het heerschende huis van Lancaster en bij een zekere
-hebbelijkheid om alles levendig voor te stellen, in de geschiedenis alles het onderste
-boven, of liever het binnenste buiten gekeerd heeft. Naast het geduchte zwaard hangt
-het pantser van een nog ouderen Vernon: hij was page van den <span class="ex">Zwarten Prins</span>. Zijn lot was juist het tegenovergestelde van dat van zijn nakomeling, want hij mocht
-den zanger, die de moeite nam, hem in een gedicht te vereeren, meer voor den goeden
-wil, dan voor wezenlijke talenten, danken&#x2014;
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">»Aanschouw daar in den drom dien ridder, woest en wild,
-</p>
-<p class="line">Die Vernon heet en &#x2019;n doedelzak voert in zijn schild.
-</p>
-<p class="line xd29e412">Hij schettert over &#x2019;t stuivend slagveld heen.
-</p>
-<p class="line xd29e412">Hij schreeuwt met fluit en keel, terwijl zijn makkers rennen.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">»Zie hier eens het model van een nieuwen springriem, dien ik zelve heb uitgevonden.
-Daar hebt ge de kap en de schellen van mijn valk Cheviot, die zich zelf aan den snavel
-van een reiger spietste. Arme Cheviot! bij u vergeleken zijn alle overige valken slechts
-gieren en gemeene roofvogels. Ginds staat mijn jachtgeweer met een nieuw uitgevonden
-slot, en daar verder vindt gij nog meer dergelijke fraaie dingen. Maar waarom zou
-ik een en ander aanprijzen? Alles prijst hier zichzelf aan; vooral dit hier!&#x201d;
-</p>
-<p>Bij die woorden wees zij op eene ouderwetsch gebeeldhouwde eikenhouten lijst, die
-een levensgroot portret omsloot, door van Dijck geschilderd, waarop met groote Gothische
-letters te lezen stond »<span lang="la">Ver Non Semper Viret.</span>&#x201d;<a class="noteref" id="xd29e1529src" href="#xd29e1529">1</a> Ik keek haar aan. Zij las op mijn gelaat dat ik er niets van begreep.
-</p>
-<p>»Hoe,&#x201d; vroeg zij een weinig verrast, »is u de dubbelzinnige spreuk van ons geslacht
-niet bekend, en ons wapen, waarin de doedelzak prijkt?&#x201d; vervolgde zij, terwijl zij
-het in de lijst gebeeldhouwde wapen wees, rondom hetwelk die woorden stonden.
-</p>
-<p>»Een doedelzak!&#x201d; zeide ik; »daarvoor zou ik de figuur waarlijk niet aangezien hebben!
-Maar wordt niet boos over mijne onkunde,&#x201d; vervolgde ik, toen ik zag, dat hare wangen
-min of meer begonnen te gloeien. »Het kan toch waarlijk mijn oogmerk niet zijn, uw
-wapen te bespotten; want ik ken niet eens mijn eigen wapen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat? Gij zijt een Osbaldistone, en durft iets dergelijks bekennen!&#x201d; riep <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>zij uit. »Percival, Thorncliff, John, Richard, zelfs Wilfred zou hier uw leermeester
-kunnen zijn! Ja, de domste domheid zou u in dit opzicht beschaamd maken.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p088width"><img src="images/p088.png" alt="" width="499" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>»Met leedwezen beken ik, dat de geheimen, welke de grillige hieroglyphen der wapenkunde
-bedekken, voor mij even onverstaanbaar en onoplosbaar zijn, als het beeldschrift op
-de Egyptische pyramiden.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89">89</a>]</span></p>
-<p>»Hoe is het mogelijk!&#x201d; riep Diana uit. »Zelfs mijn oom leest in de winteravonden een
-enkelen keer in Gwillyns Wapenboek. De heraldieke figuren niet te kennen! Waaraan
-heeft uw vader dan toch gedacht?&#x201d;
-</p>
-<p>»Aan cijfers,&#x201d; antwoordde ik. »De minstbeduidende handelsrekening vindt hij belangrijker
-dan den ganschen wapentooi der ridderschap. Maar hoe diep onkundig ik ook in die edele
-kunst ben, bezit ik kennis en smaak genoeg, om deze heerlijke schilderij te bewonderen.
-Ik vind daarin uwe trekken weder. Welk eene vrije, edele houding! welk een rijke gloed
-van kleuren, welke onovertreffelijke vermenging van licht en schaduw!&#x201d;
-</p>
-<p>»Is het wezenlijk eene fraaie schilderij?&#x201d; vroeg Diana.
-</p>
-<p>»Ik heb,&#x201d; antwoordde ik, »van den beroemden meester zeer vele portretten gezien, maar
-niet één, dat mij zóó beviel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, ik versta even weinig van de schilderkunst, als gij van de heraldiek. Ik geloof
-echter hooger te staan dan gij, nu ik deze schilderij, zonder de eigenlijke waarde
-er van te kennen, toch heb kunnen bewonderen en lief krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik erken dat ik mij nooit om doedelzakken en dergelijke wonderlijke afbeeldingen
-op ridderlijke wapens bekommerde, al weet ik, dat ze eens op het veld van eer en roem
-schitterden. Maar hun afbeelding, dit zult gij mij toch wel willen toestemmen, is
-voor den onkundige op verre na zoo aantrekkelijk niet, als eene fraaie schilderij.
-Wien stelt dit portret voor?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn grootvader,&#x201d; antwoordde Diana. »Hij werd in het ongelukkige lot van Karel I
-gewikkeld. Hij nam ook, helaas! deel aan Karels buitensporigheden. Het vermogen van
-onze familie onderging door zijne verkwisting eene aanmerkelijke vermindering en geraakte,
-onder het beheer van zijn zoon, mijn ongelukkigen vader, geheel verloren. Doch vrede
-zij met hen, die het verkregen hebben&#x2014;het werd voor een edele zaak opgeofferd!&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw vader leed vermoedelijk door de burgeroorlogen van dien tijd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist, en hij verloor alles. Daarom is zijn kind eene afhankelijke wees. Zij moet
-bij vrienden haar brood zoeken, zich naar hunne luimen voegen en hunne neigingen in
-acht nemen. Evenwel ben ik er veel trotscher op, zulk een vader gehad te hebben, dan
-wanneer hij door een voorzichtiger, maar minder eerlijk gedrag, mij in het bezit van
-al de schoone heerlijkheden gelaten had, die eens het eigendom van zijn geslacht waren.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl zij deze woorden zeide, kwamen de dienstboden met het eten, en ons gesprek
-ging tot onbeduidende onderwerpen over. Nadat wij vrij spoedig den maaltijd geëindigd
-hadden, berichtte ons de knecht, die den wijn op tafel zette, dat de heer Rashleigh
-wenschte te vernemen, wanneer wij hem konden ontvangen.
-</p>
-<p>»Zeg hem,&#x201d; antwoordde Diana den bediende, »dat het ons aangenaam zal zijn, hem terstond
-hier te zien. Geef nog een glas, zet een stoel en ga dan heen.&#x2014;Gij moet met hem gaan,
-als hij weder vertrekt,&#x201d; <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90">90</a>]</span>vervolgde zij tegen mij. »In weerwil van al mijne mildheid, kan ik van de vier en
-twintig uren van elken dag niet meer dan acht aan één man vergunnen, en naar ik geloof,
-zijn wij reeds zoo lang bij elkander geweest.&#x201d;
-</p>
-<p>»O freule,&#x201d; zeide ik, »de tijd, die oude man met zijn zeis, is zoo snel voortgegaan,
-dat ik zijne schreden niet heb kunnen tellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Stil! Rashleigh komt!&#x201d; zeide Diana, en schoof haar stoel van mij af, want ik had
-den mijnen langzamerhand nader bij haar geschoven.
-</p>
-<p>Een bescheiden kloppen aan de deur, een zacht openen op Diana&#x2019;s: <i>binnen!</i> en eene gemaakte zachtheid en nederigheid in gang en houding verrieden mij, dat de
-opvoeding, welke Rashleigh in het kollegie te St. Omer ontvangen had, volkomen overeenstemde
-met de manieren van een echten <span class="corr" id="xd29e1570" title="Bron: Jezuiet">Jezuïet</span>, zoo als ik mij die voorstelde. Ik behoef er niet bij te voegen, dat ik, als protestant,
-dit slag van lieden juist niet in de aangenaamste kleuren voor mij zag.<a id="xd29e1573"></a>
-</p>
-<p>»Waartoe aankloppen?&#x201d; vroeg Diana. »Gij wist immers, dat ik niet alleen was.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeide zij op eenigszins wreveligen toon, alsof zij gevoeld had, dat Rashleigh&#x2019;s
-voorzichtigheid en bescheidenheid een beleedigenden argwaan verried.&#x2014;
-</p>
-<p>»Lieve nicht,&#x201d; antwoordde Rashleigh, zonder zijne stem of houding eenigszins te veranderen,
-»gij hebt mij zoo volkomen onderricht, hoe ik aan deze deur moet kloppen, dat de gewoonte
-bij mij tot een tweede natuur is geworden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Oprechtheid acht ik hooger dan hoffelijkheid, dit weet gij!&#x201d; was Diana&#x2019;s antwoord.
-</p>
-<p>»Hoffelijkheid is kiesch en aangenaam: zij ontleent haren naam van den hoveling en
-past daarom &#x2019;t best voor een vrouwenvertrek.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar oprechtheid is eene ridderdeugd, en daarom mij veel aangenamer,&#x201d; hernam Diana.
-»Maar laat ons een woordentwist afbreken, die voor uw neef hier volstrekt niets behagelijks
-kan hebben. Neem plaats, Rashleigh, en drink eens. Aan tafel heb ik de eer des huizes
-opgehouden; doe gij het nu.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Rashleigh ging zitten en zijn glas vulde, wendde hij zijne oogen van Diana af
-op mij. Hij kon, welke pogingen hij daartoe ook aanwendde, zijne verlegenheid niet
-geheel verbergen. Het scheen mij toe alsof hij onzeker, ongerust was, in hoe verre
-Diana mij haar vertrouwen had geschonken. Ik haastte mij dan ook, aan het gesprek
-zulk eene wending te geven, dat hij zijn argwaan, dat Diana mij soms iets van de geheimen
-mocht ontdekt hebben, welke tusschen haar en hem bestonden, spoedig zou laten varen.
-</p>
-<p>»Freule Vernon,&#x201d; begon ik, »heeft mij bevolen u, neef, mijn dank te betuigen, voor
-mijne spoedige bevrijding van die bespottelijke beschuldiging. Ten onrechte vreesde
-zij, dat mijne dankbaarheid niet warm genoeg zou zijn. Zij maakte ook mijne nieuwsgierigheid
-gaande, toen zij mij naar u verwees voor ophelderingen aangaande de gebeurtenissen
-van dezen dag.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91">91</a>]</span></p>
-<p>»Inderdaad?&#x201d; antwoordde Rashleigh, en vervolgde, terwijl hij een zijdelingschen blik
-op Diana wierp; »ik had gedacht, dat freule Diana hier zelve de noodige verklaringen
-wel zou hebben gegeven.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu vestigde hij zijne oogen wederom op mij, alsof hij op mijne gelaatstrekken had
-willen lezen of Diana&#x2019;s mededeelingen zoo beperkt waren geweest, als mijne woorden
-te kennen gaven. Uit Diana&#x2019;s oogen sprak onverholen verachting, toen zij zijn uitvorschenden
-blik ontmoette. Ik wist niet, of ik wel goed deed, zijn argwaan te wederleggen of
-te berispen. Ik zeide: »Als freule Diana goedvindt mij onkundig te laten, dan moet
-ik mij dit laten welgevallen. Maar gij, waarde neef, zult mij toch uwe inlichtingen
-niet willen onthouden, in de onjuiste veronderstelling, dat ik reeds iets van de zaak
-weet. Ik verzeker u op mijn woord van eer, dat ik evenmin als dit beeld, iets van
-het voorgevallene van dezen dag begrijp, behalve datgene, wat freule Vernon mij van
-uwe vriendelijke bemoeiingen gezegd heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die bemoeiingen heeft mijne lieve nicht zeer zeker veel te hoog gewaardeerd,&#x201d; hernam
-Rashleigh; »maar van mijn ijver om u behulpzaam te zijn, kunt gij trouwens geen te
-hoog denkbeeld koesteren. Ik zal u de eenvoudige waarheid zeggen. Ik reed spoorslags
-terug, om iemand van mijne bloedverwanten te ontmoeten, die met mij den borgtocht
-voor u kon op zich nemen. Dit was het natuurlijkste, of liever het eenige middel om
-u te helpen, dat mij op dat oogenblik voor den geest kwam. Toen ontmoette ik Cawmil&#x2014;<span class="corr" id="xd29e1590" title="Bron: Colvib">Colville</span>&#x2014;Campbell, of hoe hij anders heeten moge. Hij was, zoo als ik van Morris gehoord had,
-bij de aanranding tegenwoordig geweest. Ik bewoog hem, hoewel niet zonder veel moeite,
-zijn getuigenis tot uwe bevrijding af te leggen en daardoor zijt gij vermoedelijk
-uit uw onaangenamen toestand gered geworden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo? Dan ben ik u wel zeer verplicht, dat gij mij dien getuige zoo juist ter rechter
-tijd bezorgd hebt. Maar daar hij, zoo als hij zeide, een ongeluksmakker van Morris
-is geweest, begrijp ik waarlijk niet, waarom het u zoo veel moeite gekost heeft, om
-hem tot het afleggen van zijn getuigenis te bewegen. Het was toch zijn plicht zoowel
-om den waren dader aan den dag te brengen, als om een onschuldige van verdenking te
-bevrijden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij kent den volksgeest niet van het land, waar die man geboren is,&#x201d; hernam Rashleigh.
-»Geheimhouding, schranderheid en voorzichtigheid zijn daar de hoofdeigenschappen.
-Zij staan slechts onder den invloed van eene bekrompen denkende, maar vurige vaderlandsliefde.
-Dit gevoel is een soort van bolwerk, waarmede een Schot zich tegen alle aanvallen
-van een edel, menschlievend beginsel weet te beveiligen. Hebt gij dat bolwerk beklommen,
-dan vindt gij van binnen nog een andere, hem veel dierbaarder sterkte: de liefde voor
-zijn stadje, zijn dorp, of zijn geslacht. Bestorm dezen wal, en gij komt aan een derden:
-zijne genegenheid voor zijne bloedverwanten, vader, moeder, zonen, dochters, ooms,
-moeien, neven en nichten, tot in den negenden graad. Binnen deze grenzen beperken
-zich de maatschappelijke neigingen van een Schot. Zij gaan nooit tot <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span>andere voorwerpen over, totdat alle middelen, om in de binnenste kringen bevrediging
-te vinden, geheel uitgeput zijn. In deze kringen klopt zijn hart, en al zwakker en
-zwakker wordt elke polsslag, tot hij eindelijk op de uiterste grenzen bijna onmerkbaar
-wordt. Maar het ergste is, dat gij, na al deze geconcentreerde buitenwerken beklommen
-te hebben, aan eene veel hoogere en sterkere vesting in het binnenste komt, en dat
-is de eigenliefde van den Schot.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt u zeer welsprekend en beeldrijk uitgedrukt!&#x201d; zeide Diana, die hem blijkbaar
-met ongeduld had aangehoord; »maar tegen uwe redeneering zijn, meen ik, twee tegenwerpingen
-te maken. Vooreerst is ze niet waar, en ten tweede dient ze, zoo ze al waar mocht
-zijn, hier volstrekt niets ter zake.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u, schoone Diana,&#x201d; hernam Rashleigh, »dat mijne verklaring waar en bovendien
-hier geheel van toepassing is. Zij is waar: want gij zult mij toch wel willen toestemmen,
-dat ik land en volk nauwkeurig ken, en dat mijne schildering de vrucht van eene scherpe
-en aandachtige opmerkzaamheid is. Zij dient ter zake: want zij beantwoordt de vraag
-van mijn neef, en toont aan, waarom deze voorzichtige Schot aarzelde, daar onze bloedverwant
-noch zijn landsman, noch zijn stamgenoot is, noch tot een van de tallooze zijtakken
-behoort, waaruit de stamboomen aldaar bestaan. En omdat hij er bovendien geen persoonlijk
-voordeel van te wachten heeft, maar integendeel veel tijdverlies in zijne beroepsbezigheden
-moet vreezen&#x2014;&#x201d;
-</p>
-<p>»En andere onaangenaamheden, die misschien nog meer te duchten zijn!&#x201d; viel Diana hem
-in de rede.
-</p>
-<p>»Welzeker, er kunnen allerlei lastige zaken uit ontstaan,&#x201d; hernam Rashleigh op denzelfden
-bedaarden toon. »Kortom, mijne ophelderingen toonen aan, waarom deze man, daar hij
-volstrekt geen voordeel te verwachten, maar wel degelijk eenige onaangenaamheden te
-duchten had, zich alleen na veel moeite van mijne zijde overhalen liet, om zijn getuigenis
-ten gunste van onzen neef af te leggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb de verklaring van den goeden Morris vluchtig ingezien,&#x201d; begon ik weder. »Het
-heeft mij zeer verwonderd, dat met geene enkele letter gewag er van gemaakt is, dat
-Campbell bij hem is geweest, toen hij door de roovers aangevallen werd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Campbell had, zoo als ik van hem gehoord heb, zich door Morris plechtig doen beloven,
-van deze omstandigheid niet te zullen reppen,&#x201d; antwoordde Rashleigh. »Waarom hij hem
-deze belofte afgedwongen heeft, kunt gij uit mijne gegeven wenken licht gissen. Hij
-wenschte op zijne terugreis naar huis door geen gerechtelijk onderzoek opgehouden
-te worden. Als het bekend geworden was, dat hij bij de aanranding tegenwoordig was
-geweest, zou hij in dat onderzoek gemengd zijn geworden, zoo lang hij zich nog in
-Engeland bevond. Maar laat hem maar eerst over de grenzen zijn, dan zal Morris zeker
-terug komen en alles zeggen, wat hij van hem weet, en misschien nog veel meer. Er
-komt nog eene andere omstandigheid bij. Campbell, die een vrij aanzienlijken handel
-in vee drijft, zendt dikwerf groote kudden naar Northumberland. Bij zulke <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93">93</a>]</span>belangrijke verzendingen zou hij zeer onvoorzichtig handelen, met de dieven hier te
-lande, die de wraakzuchtigste wezens ter wereld zijn, een oorlog te beginnen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat wil ik bezweren,&#x201d; zeide Diana op een toon, die iets meer scheen te kennen te
-geven dan eene eenvoudige toestemming.
-</p>
-<p>»Ik wil gaarne gelooven,&#x201d; begon ik weder, »dat Campbell gegronde redenen gehad heeft,
-om van Morris geheimhouding te vorderen. Maar ik kan niet begrijpen, hoe hij zoo veel
-invloed op den man heeft kunnen verkrijgen, om hem tot het terughouden van zijn getuigenis
-in dit voorval te bewegen. Immers, Morris liep gevaar wantrouwen omtrent zijne eigen
-geschiedenis te verwekken.&#x201d;
-</p>
-<p>Rashleigh stemde toe, dat dit zeer zonderling was. Ja, het scheen hem nu te spijten,
-dat hij den Schot over deze omstandigheid, die hij zelf geheimzinnig vond, niet nader
-ondervraagd had. »Maar,&#x201d; voegde hij er schielijk bij, »zijt gij wel volkomen zeker,
-dat Morris in zijne verklaring volstrekt niets van Campbell gezegd heeft?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik doorliep het papier wel is waar slechts vluchtig,&#x201d; antwoordde ik; »maar ik herinner
-mij nog levendig, dat ik er niets van dien aard in gelezen heb; of het moest zoo flauwtjes
-aangeroerd zijn, dat het mijne opmerkzaamheid ontsnapt is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist, juist!&#x201d; hernam Rashleigh, mij dadelijk bij het woord vattende, »dit zal het
-wezen. Er zal van die omstandigheid wel degelijk gewag gemaakt zijn, maar zoo ter
-loops, zoo vluchtig, dat het uwe opmerkzaamheid moest ontgaan. Voor het overige vermoed
-ik, dat Campbell van de vreesachtigheid van Morris partij heeft getrokken, om hem
-op zijne zijde te krijgen. De lafhartige man moet, zooals ik hoor, naar Schotland,
-om zekere kleine aangelegenheden voor de regeering te bezorgen, en onder zulke omstandigheden
-zou hij zeker niet gaarne met den geduchten Campbell op een onaangenamen voet willen
-komen. Op het gezicht alleen van dezen Herkules, moet hem het weinigje moed, dat hij
-bezit, geheel en al in de schoenen zinken. Gij zult toch wel opgemerkt hebben, dat
-Campbell in zijn voorkomen iets krijgshaftigs en in zijn toon en houding zelfs iets
-woests heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik moet bekennen,&#x201d; hernam ik, »dat zijne houding mij wezenlijk vreemd toescheen.
-Zijn geheele voorkomen was in strijd met de bedaarde en erg vredelievende uitdrukkingen
-die hij bezigde. Is hij vroeger in krijgsdienst geweest?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja&#x2014;neen&#x2014;Juist niet in krijgsdienst, maar hij heeft toch, meen ik, zoo als de meeste
-van zijne landslieden, de wapenen gevoerd. In het gebergte gaat men, schier van kindsbeen
-af tot aan het graf toe, met wapenen om. Nu gij toch uw reisgenoot kent, zult gij
-licht beseffen, dat hij, voornemens zijnde in zulk een land te reizen, elken twist
-met een inboorling zoo veel mogelijk tracht te vermijden. Maar ik zie, dat de wijn
-u niet meer smaakt. Och, ik ben eigenlijk ook een ontaarde telg van het geslacht Osbaldistone,
-voor zoover het de wijnflesch betreft. Gaat gij met mij naar mijne kamer, dan spelen
-wij een partijtje piket?&#x201d;
-</p>
-<p>Wij stonden op om Diana te verlaten, die met in het oog loopende <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94">94</a>]</span>moeite zich telkens bedwongen had, om Rashleigh niet driftig in de rede te vallen.
-Toen wij wilden heengaan, barstte haar wrevel toch even los.
-</p>
-<p>»Uwe eigen scherpzinnigheid,&#x201d; riep zij mij luide toe, »zal u in staat stellen te beoordeelen,
-of dat, wat Rashleigh van Campbell en Morris gezegd heeft, waar of onwaar is. Maar
-in zijne honende uitdrukkingen tegen Schotland, heeft hij een valsch getuigenis tegen
-een geheel land gesproken, en ik bid u aan zijne verklaringen volstrekt geen gewicht
-te hechten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik vrees, dat het mij misschien moeilijk zal vallen aan uwen raad te gehoorzamen,&#x201d;
-hernam ik, »want ik moet bekennen, dat mij bij mijne opvoeding juist geen te gunstig
-denkbeeld van onze noordelijke naburen werd ingeprent.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vergeet dan in dit opzicht uwe opvoeding, en laat de dochter van een Schot u bewegen,
-het vaderland van hare moeder te eerbiedigen, tot eigen ondervinding u zal overtuigd
-hebben, dat het uw goeden dunk niet verdient. Maar bestraf huichelarij, laaghartigheid
-en valschheid, waar gij ze ook mocht vinden, met haat en verachting. Zonder Engeland
-te verlaten, kunt gij die schandelijke ondeugden talrijk genoeg aantreffen. En hiermede,
-mijne heeren, goeden nacht!&#x201d;
-</p>
-<p>En ze wees naar de deur, als eene vorstin, die haar gevolg wegzendt.
-</p>
-<p>We begaven ons naar Rashleigh&#x2019;s kamer, waar een bediende ons koffie en kaarten bracht.
-Ik had besloten, met betrekking tot het voorgevallene van dezen dag, niet verder bij
-Rashleigh na te vorschen. Een geheim&#x2014;en, naar ik geloofde, niet van den aangenaamsten
-aard&#x2014;scheen zijn gedrag te omsluieren. Maar wilde ik mij overtuigen of mijn argwaan
-gegrond was, dan moest ik hem volkomen geruststellen. Wij begonnen te spelen, en waren
-weldra geheel in ons spel verdiept. Ik meende zelfs in dit onbeduidende tijdverdrijf&#x2014;want
-de inzet, volgens Rashleigh&#x2019;s voorstel bepaald, was inderdaad eene kleinigheid&#x2014;het
-heftige, eerzuchtige karakter van mijne tegenpartij te herkennen. Hij scheen het spel
-volkomen te verstaan. En evenwel, als ware het uit beginsel, gaf hij aan koene en
-gewaande slagen de voorkeur boven het in acht nemen der gewone regels van het spel;
-zoodat hij geringere, voor de hand liggende voordeelen verwaarloosde, en alles waagde
-om een zestiger of negentiger te krijgen, of alle trekken te maken. Maar nadat eenige
-spellen ons gesprek hadden afgebroken, scheen Rashleigh dit tijdverdrijf moede te
-zijn, en legde hij de kaarten ter zijde, om het gesprek weder aan te knoopen.
-</p>
-<p>Hij was eigenlijk meer geleerd dan wezenlijk verstandig. Hij kende het menschelijk
-gemoed uitmuntend, maar hij was eenigszins vreemd aan de zedelijke beginselen, welke
-de menschen behooren te leiden. Hij bezat de gave van onderhoudend te zijn, en wel
-zoo, als ik het zelden door iemand geëvenaard en zeker door niemand overtroffen heb
-gevonden. Hij scheen zich van dit voorrecht wel bewust; ten minste het kwam mij voor,
-dat hij zich zeer veel moeite had gegeven tot ontwikkeling van zijne natuurlijke gaven;
-zijn welluidende stem, <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95">95</a>]</span>zijn vloeiende, boeiende wijze om zich uit te drukken, zijn gepaste keuze en ontwikkeling
-van denkbeelden en zijn licht bewegelijke fantasie. Nooit was hij luidruchtig, nooit
-opvliegend, nooit zoo zeer met zijne eigen gedachten vervuld, om het geduld of het
-bevattingsvermogen van hen, met wie hij sprak, af te matten. Zijne denkbeelden vloeiden
-onafgebroken kalm voort. De spreekwijze van anderen, die in het gezellig onderhoud
-zeer aangenaam meenden te zijn, was evengoed te vergelijken bij zijne prettige manier
-van mededeelen, als een traag en troebel stroomend water, dat ten slotte verzandt,
-bij een volle rijke bron, waaruit steeds frisch water welt. Eerst laat in den avond
-kon ik van zulk een inderdaad boeiend gezelschap scheiden. Toen ik alleen op mijne
-kamer was, kostte het mij niet weinig moeite, mij het beeld, dat ik mij te voren van
-Rashleigh&#x2019;s karakter gemaakt had, weer voor den geest te brengen.
-</p>
-<p><a id="xd29e1630"></a>Waarlijk, onze gave, om vreemde karakters waar te nemen en te beoordeelen, wordt steeds
-verzwakt door de bekoorlijkheid van het genoegen en het onderhoud. Vruchten, die zoet
-en prikkelend zijn, streelen ons verhemelte dikwijls zoo zeer, dat wij den waren goeden
-smaak van eenvoudige spijs niet meer weten te waardeeren.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1529" href="#xd29e1529src">1</a></span> Als Vernon één woord is, beteekent het: <i>Vernon is altijd groen (frisch)</i>. Doch wordt Ver Non als twee woorden gelezen, dan is de beteekenis: <i>de lente is niet altijd groen</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1529src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XI.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wat scheelt er aan, o mannen,
-</p>
-<p class="line">Wat drukt uw ziele weder?
-</p>
-<p class="line">Wat buigt in &#x2019;t Balwieries veste
-</p>
-<p class="line">Uw hoofden diep ter neder.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>Oud-Schotsche Ballade.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1642"><span class="xd29e1642init">D</span>e volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op het kasteel Osbaldistone
-doorgaans vrij wat moeite, om de trage uren voort te drijven en tot den avond te komen.
-Na de plechtige morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde, kwam
-de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana uitgezonderd. Mijn oom
-vermaakte zich een korte poos met het verhaal van mijn avontuur. Hij wenschte mij
-geluk, dat ik aan de gevangenis ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd
-zou hebben, wanneer ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom
-te springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.
-</p>
-<p>»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!&#x201d; zeide hij; »maar waag niet weder te veel.
-Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor iedereen, tot welke partij hij ook
-behoort?&#x2014;&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96">96</a>]</span></p>
-<p>»Ik moet zeggen oom,&#x201d; viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig hindert, dat iedereen
-het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat ik deel aan eene misdaad heb, die ik
-diep veracht en verfoei. Ik zou de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks
-had begaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar niets. Niemand behoeft
-zich zelven te verraden, dat is duidelijk en klaar.&#x201d;
-</p>
-<p>Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo zeer mijne onschuld
-wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk geven, dat deze zich moest houden, alsof
-hij mijne verzekeringen vertrouwde.
-</p>
-<p>»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen huis te grieven,
-door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem zooveel gelegen ligt. Gij meent
-het natuurlijk goed met hem. Ik houd mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer
-vreemde zaak een dienst hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid
-zou genomen hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden, en nu
-heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor mij twijfel volstrekt
-niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel, eischt de eer van ons geslacht, dat wij
-met woord en zwaard tegen iedereen die onschuld handhaven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Rashleigh&#x201d;, zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een sluwe knaap; altijd
-zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel te loos voor de meeste menschen. Maar
-zie toe, dat gij voor u zelven niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt
-tegen de regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens een
-poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding.&#x201d;
-</p>
-<p>Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij evenveel lust
-daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen gaven vrij eenstemmig hun wensch
-te kennen, want ieder koos het een of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde
-naar de kelderkamer eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff
-zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede te hengelen; Richard,
-met zich zelven kruis of munt spelen, de rechterhand tegen de linker; Wilfred, op
-zijne nagels kauwen en zich in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit
-slaapje tot het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.
-</p>
-<p>Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl de bedienden, onder
-het gewone gedruisch, het overschot van ons ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen
-te kennen over de wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken.
-Ik zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven, zijn argwaan
-te versterken, dan te verzwakken.
-</p>
-<p>»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?<span class="corr" id="xd29e1657" title="Niet in bron">&#x201d;</span> antwoordde hij. »Als een verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat&#x2014;iets, dat,
-om u de waarheid te zeggen, niet licht gebeurt&#x2014;dan is hij zoo hardnekkig, dat <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>ik het steeds &#x2019;t best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over zulke dingen te zwijgen,
-in plaats van mij daarover in verklaringen uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het
-onkruid niet uit kan roeien, ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont,
-tot het eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig, met zulk
-een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor overtuiging is hij niet vatbaar.
-Hij gelooft even stellig aan zijne eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de
-ingevingen van den heiligen Vader.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p097width"><img src="images/p097.png" alt="" width="485" height="415"></div><p>
-</p>
-<p>»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een man, ja van
-een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk genoeg te kennen geeft,
-dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Beste neef, eene dwaze opvatting&#x2014;als ik mijns vaders opvatting zoo zou mogen noemen&#x2014;kan
-uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat hij, ge kunt me gelooven, de daad
-volstrekt niet onteerend acht, maar uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor
-iets verdienstelijks houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der
-Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien, in zijn oog
-gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting rijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar dat wensch ik niet,&#x201d; antwoordde ik; »ik begeer niemand&#x2019;s achting, onder zulke
-voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven moeten vernederen. Deze beleedigende
-argwaan zal mij eene zeer goede reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten,
-<span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98">98</a>]</span>Zoodra ik daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden.&#x201d;
-</p>
-<p>Rashleigh&#x2019;s gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te verraden, toch vloog
-er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar terstond daarop deed hij het door
-een diepen zucht volgen.&#x2014;»Hoe gelukkig zijt gij, neef Frans!&#x201d; zoo begon hij; »gij
-gaat en komt, als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid,
-bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden, waar zulke
-eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme bewoners van dit kasteel.
-Ik daarentegen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Hij zweeg.&#x2014;
-</p>
-<p>»Hoe? Wat bedoelt ge?&#x201d; vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit mijns vaders
-huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel voor een tijdelijke opoffering,&#x2014;want meer zal het toch niet zijn&#x2014;&#x201d; hernam Rashleigh,
-»hebt gij de genoegens van een onafhankelijk leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking,
-dat gij aan geen vaste bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen,
-zoo als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u, zonder
-twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door een kort verblijf in onze
-noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer het kasteel Osbaldistone nog een poos de
-plaats van uwe ballingschap moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt
-gij nochtans geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik weet niet,&#x201d; zeide
-ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner ledige uren zoo goed kent.&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een jonge kwast, die
-mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde
-kenners eenige van uwe verzen zeer geroemd en bewonderd hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester in Apollo&#x2019;s
-tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die in het lommer van Twickenham
-wandelde, tot den ellendigen rijmelaar, die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft.
-Ook ik ontving daarvan mijn bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge
-mensch door smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten te
-beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon niet eens het
-gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen te komen. Ik beet in het mij
-voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij
-zijn invloed op mij, door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek,
-om hem eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.
-</p>
-<p>»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid mededeelt, op een
-avond op mijne kamer,&#x201d; voegde hij er bij; »zie! ik moet nu spoedig de genoegens van
-een geletterden omgang met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke
-van handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns vaders wenschen
-ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng ik bepaald een offer. En als
-ik <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>bedenk, tot welk stil en vreedzaam beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel
-ik, dat het offer groot is.&#x201d;
-</p>
-<p>Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch geen dwaas.
-»Ik kan mij niet voorstellen,&#x201d; antwoordde ik, »dat het u wezenlijk spijt, veroordeeld
-te zijn, om den staat van een onbekenden Katholieken priester, met al zijne ontberingen,
-tegen den rijkdom, de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen.&#x201d;
-</p>
-<p>Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaakte <span class="corr" id="xd29e1685" title="Bron: nedrigheid">nederigheid</span> met wat al te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en scheen
-te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht jegens mij te zijn,
-oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.
-</p>
-<p>»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen,&#x201d; zeide hij, »op mijne jaren
-tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft uit te drukken. Doch houd het
-mij ten goede; van mijne bestemming hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek
-priester&#x2014;nu ja&#x2014;; maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone
-zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn, dan hij onder
-de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker dienaren, zoo als iemand zegt, hunne
-voetzolen op den nek der vorsten zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij
-het verdreven hof, en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft.
-Mijne natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet geheel onwaardig.
-Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde berekening, eene hooge kerkelijke
-waardigheid, ja in de droomen mijner verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet
-kunnen zien. Wie weet,&#x201d; voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij
-gewoon, afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon aan te
-slaan&#x2014;»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne goede afkomst en gunstige
-relatiën, het lot der staten zou bestuurd hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen
-of Alberoni, den Italiaanschen tuinierszoon?&#x201d;
-</p>
-<p>»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen,&#x201d; hernam ik, »maar in
-uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis aan het vooruitzicht op iets,
-wat zoo onzeker en van twijfelachtige waarde is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dit zou ook ik niet doen,&#x201d; antwoordde hij weder. »Als ik maar overtuigd ware, dat
-mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden
-afhangen, waarvan alleen latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld
-de gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets omtrent hem
-vernemen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder Rond-voor-de-vuist volgen
-wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets van uw vader!&#x201d;
-</p>
-<p>»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden, die handel drijft,
-maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen te schrapen. Zijn werkzame geest
-zou zich in elke betrekking, waarin die <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span>slechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen voelen; ook dan, wanneer
-zijne eenige belooning in zijn geestesoefening bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk
-vermeerderd. Aan een matig leven gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins
-gelijken tred met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt
-hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder het verschoonende
-hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte is hij karig met zijne woorden.
-Wie veel praat, verveelt hem zeer spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het
-belangrijkst is, juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is
-zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof, maar gij behoeft
-geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw geloof zal bekommeren. Volgens zijne
-meening is verdraagzaamheid een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar
-wanneer gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor de verbannen
-koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke gezindheden voor hem te verbergen,
-even als elke richting, die eene onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide
-haat hij als de pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem
-staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij zijn plicht verzaken,
-maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem verzaakt. Om zijne gunst te winnen,
-moet gij zijne bevelen ten uitvoer brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne
-meeningen zijn. Zijne grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel:
-uit eene zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet eenigszins
-met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid onwaardig acht, ja, nauwlijks
-goedkeurt, dat het bestaat.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een uitmuntend portret!&#x201d; riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was, met u vergeleken,
-een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij in al zijn sterkte en zwakheid,
-hoe hij den koning bemint en eert als eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als
-een president eener kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog,
-omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert hij, omdat de
-Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld.&#x201d;
-</p>
-<p>»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar voor de kaart,
-die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens een beschrijving van de streken
-hier, waar.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Waar gij schipbreuk hebt geleden?&#x201d; viel Rashleigh mij in de rede. »Zou dat de moeite
-waard zijn? Het is geen eiland van Calypso, vol lommerrijke boomen en boschachtige
-doolhoven; niets dan eene nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid
-aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan zult gij ze
-in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik, volgens alle regels der
-kunst, u een teekening ervan gegeven had.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins verdient!&#x201d; hernam
-ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet een <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101">101</a>]</span>bekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom haar zoo akelig
-en onbehagelijk, als de kust van IJsland?&#x201d;
-</p>
-<p>Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan te knoopen, dat zag
-ik wel. Maar ik had door mijne openhartige mededeeling het recht verkregen, om nu
-ook van mijn kant vragen tot hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt
-aan mijne uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol hier
-goed te spelen.
-</p>
-<p>»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend dan voorheen het
-geval was,&#x201d; begon hij. »In hare jeugd was ik haar leermeester; toen zij echter tot
-zekere jaren kwam, werd door mijne vele bezigheden, door de eischen van het ambt,
-waartoe ik bestemd was, door hare geheel bijzondere betrekkingen&#x2014;kortom, onze wederzijdsche
-omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en onvoegzaam. Ik
-geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek aan toegenegenheid houdt. Maar het
-was mijn plicht mij terug te trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt
-te grieven, dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar zoo
-ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon en gevoelvol meisje,
-wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een bruidegom moet wijden, liep ik immers
-gevaar.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het klooster of een bruidegom?&#x201d; herhaalde ik. »Moet Diana tusschen deze beide uitersten
-kiezen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja!&#x201d; antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe gevaarlijk
-het is, als men de vriendschap voor Diana tot vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij
-zijt met de wereld bekend. Gij zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar
-gaan kunt, zonder uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te
-worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw onstuimig karakter
-alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over haar, als over u zelven een wakend
-oog te laten houden. Want het voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare
-onbezonnenheid is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking lag, die mij vriendelijk
-scheen te waarschuwen. Ik had dus geen recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde
-tevens, dat ik Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen
-doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!&#x201d; dacht ik bij mij zelven. »Mij wijs te maken,
-dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is, ja, zoo diep, dat koelheid
-van zijne zijde jegens haar noodig was, om haar van een onbedachtzamen hartstocht
-te genezen?&#x201d; Ik nam mij voor, zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou
-ik ze hem ook met geweld afpersen.
-</p>
-<p>Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik zeide kalm dat het
-mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond verstand en zulke uitstekende talenten
-in hare houding eenigszins onbezonnen en ruw was.
-<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span></p>
-<p>»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste voorzichtigheid,&#x201d;
-antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft een voortreffelijk hart. Om u de
-waarheid te zeggen, mocht zij in haar tegenzin in het klooster en in den voor haar
-bestemden bruidegom volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van
-Plutus mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer ernstig aan
-denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen en wat ik bezit, met Diana
-te deelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, Rashleigh! akelige kerel!&#x201d; dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe lieve, zachte
-woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de hatelijkste en ingebeeldste
-gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar aan de andere zijde,&#x201d; vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot zich zelven; »ongaarne
-zou ik Thorncliff verdringen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Thorncliff verdringen?&#x201d; herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw broeder Thorncliff
-de voor Diana bestemde bruidegom?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige bepaling. Haars vaders uiterste
-wil en eene familie-overeenkomst hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd.
-In de vergunning welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts
-de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone, enz.; maar voor den
-doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens
-naam die opengelaten plaats moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren
-is, zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het best geschikt
-is, om den stam voort te planten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ha, ha!&#x201d; lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te nemen, maar het ging
-mij slecht af.&#x2014;»Diana zou misschien liever wat lager langs den stamboom een tak zoeken,
-waaraan zij zich zou kunnen verbinden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat kan ik juist niet zeggen!&#x201d; antwoordde hij. »In onze familie is de keuze vrij
-beperkt. Richard is een speler, John een boer en Wilfred een ezel; en ik geloof dus
-wezenlijk, dat mijn vader voor de arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!&#x201d; viel ik hem in de rede.
-</p>
-<p>»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet in aanmerking
-komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men anders in mij een betere keus zou
-gedaan hebben dan in een van mijn oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat
-zou gesteld hebben, om Diana te onderwijzen en te leiden.&#x201d;
-</p>
-<p>»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over denkt.&#x2026;?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen,&#x201d; hernam Rashleigh, maar met een dubbelzinnigen
-glimlach, die, in plaats van hetgeen ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging
-daarvan scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den band tusschen
-ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich gul ontsluitend <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103">103</a>]</span>hart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde heeft ons nooit hare macht doen
-gevoelen. Ik heb u immers gezegd, dat ik bijtijds verstandig was.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte mij met een paar
-woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne kamer. Ik liep driftig op en neer,
-en herhaalde luid de uitdrukkingen, die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid!
-Liefde!<a id="xd29e1730"></a> Diana Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op zulk een leelijken,
-in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen Richard de derde, behalve dat hij niet
-gebocheld is! Maar hoe veel gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl
-hij haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en vloeiend uit
-te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere verstandig sprekende menschen!
-Ja, haar openlijke afkeer van hem, gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens,
-gelijkt zeer sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat
-gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon het eerste aardige
-meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd heeft? Of het wel een Osbaldistone
-is, die aanspraak op haar heeft of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover
-zou ik mij daarover bekommeren? Ze is Katholiek&#x2014;ze is eene Jacobietin.&#x2026;&#x2014;Ja! ze is
-een woest schepsel daarenboven&#x2014;ik zou wel dol moeten zijn om er aan te denken!&#x201d;
-</p>
-<p>Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar ze bleef smeulen
-in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde stemming, dat ik aan tafel verscheen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zuipen&#x2014;zwetsen&#x2014;kijven&#x2014;vloeken!
-</p>
-<p class="line">Met d&#x2019; eigen schaduw ruzie zoeken!
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Othello.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e303"><span class="xd29e303init">M</span>ijn waarde Tresham, het was zeker niets nieuws voor u, toen ik u eens zeide, dat mijn
-voornaamste gebrek van ouds eene ontembare hooghartigheid was, die mij tallooze onaangenaamheden
-heeft berokkend. Zelfs niet half luid, zelfs niet in mijne gedachten had ik tot dusver
-durven wagen te bekennen, dat ik Diana beminde. Maar nauwelijks had Rashleigh van
-haar gesproken, als van een prooi, die hij nog wel eens kon medenemen of die hij,
-als hij er lust in had, ook naar welgevallen, kon laten liggen, zie! toen blies mijn
-trots mij in, dat <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104">104</a>]</span>elke stap door het lieve meisje in alle onschuld en openhartigheid gedaan, om een
-<span class="corr" id="xd29e1747" title="Bron: vrienschappelijken">vriendschappelijken</span> band met mij aan te knoopen, niets dan beleedigende coquetterie was. »Ha! zij zou
-zich dan maar met mij behelpen, als het den heer Rashleigh niet behaagt zich over
-haar te ontfermen? Maar ik zal haar toonen, dat ik de man niet ben, die zich zoo in
-den val laat lokken. Zij moet begrijpen, dat ik haar spel doorzie en veracht!&#x201d;
-</p>
-<p>Ik dacht er aan, dat die <span class="corr" id="xd29e1752" title="Bron: ergenis">ergernis</span> die ik zonder het minste recht voedde, juist duidelijk bewees, dat Diana mij minder
-dan ooit onverschillig was.&#x2026;&#x200a;Innig vergramd op haar en alle dochters van moeder Eva,
-zette ik mij naast haar neder.
-</p>
-<p>Diana was verrast, toen ik op eenige plagerijen en spottende uitvallen, welke zij
-met hare gewone vrijmoedigheid waagde, onvriendelijke antwoorden gaf. Maar zonder
-in het minst vermoeden, dat het van mijne zijde kwaad gemeend was, beantwoordde zij
-mijne vrij ruwe woorden met scherts, die door hare vroolijke luim wel getemperd, maar
-tevens gescherpt werd. Eindelijk merkte zij, dat ik wezenlijk niet goed gemutst was.
-»Men is gewoon te zeggen, mijnheer Osbaldistone,&#x201d; zeide zij op eenigszins spijtigen
-toon, »dat men zelfs van gekken iets verstandigs leeren kan. Onlangs wilde neef Wilfred
-niet langer »handjeklap&#x201d; met neef Thorncliff spelen, omdat neef Thorncliff veel harder
-toesloeg, dan de wetten van een vriendschappelijk spel veroorloofden. Wilde ik ook
-zoo toeslaan, zei de goede Wilfred, dan zou het mij weinig moeite kosten uwe hand
-in weinige oogenblikken verschrikkelijk te doen opzwellen. Maar dat wil ik niet; en
-nu vraag ik, of het niet heel onbillijk van u is, mij zulke harde slagen toe te brengen,
-terwijl ik slechts in den wind sla? Kunt gij de toepassing hiervan vinden, mijnheer
-Frans?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u, freule. Ik zie de noodzakelijkheid niet om mij in het weinigje vernuft, waarmede
-men hier het gezellige onderhoud tracht te kruiden, nader te verdiepen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Noodzakelijkheid? Gij verbaast mij, mijnheer Osbaldistone!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat spijt mij zeer!&#x201d; gaf ik ten antwoord.
-</p>
-<p>»Moet ik dezen stijven toon als ernst beschouwen? Of neemt gij dien slechts aan, om
-uwe goede luim des te meer waarde bij te zetten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt op de opmerkzaamheid van zoo vele heeren in dit huis eene rechtmatige aanspraak,
-freule Vernon, dat het voor u wezenlijk niet de moeite waard kan zijn, u om mijne
-onbevattelijkheid of sombere gemoedsstemming verder te bekommeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe? ik moet dus gelooven, dat gij mijne partij verlaten hebt en tot den vijand zijt
-overgeloopen?&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, keek zij over de tafel heen. Op eens bemerkte zij, dat Rashleigh, die
-tegenover ons zat, met eene geheel eigenaardige uitdrukking van belangstelling op
-zijne leelijke trekken ons aankeek. Half schertsend, alsof zij een versje reciteerde,
-ging zij voort:
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">O, aaklige gedachte! Ik zie het, het is waar!
-</p>
-<p class="line"><span class="ex">Rashleigh</span> de leelijke, hij knikt mij lachend toe,
-</p>
-<p class="line">En wijst op u, als waart gij.&#x2026;</p>
-</div>
-<p><span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105">105</a>]</span></p>
-<p>»Maar neen! Goddank! Mijn weerlooze toestand heeft mijn geduld geoefend. Ik word niet
-zoo licht boos. Maar tot twisten wil ik ook niet gedwongen worden. Ik heb dus de eer
-u, vroeger dan gewoonlijk, goeden avond en een spoedig herstel van uw kwade luim toe
-te wenschen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij verliet de kamer. Toen zij vertrokken was, deed ik mij al spoedig verwijten over
-mijn gedrag. Ik had de welwillendheid, die mij te gemoet kwam, en welker gulle oprechtheid
-ik eerst kort geleden had leeren kennen, moedwillig teruggestooten. Ik was zelfs op
-het punt geweest, het lieve meisje te beleedigen. Niet zonder eenigen nadruk had zij
-mij aan haar weerloozen toestand herinnerd. Om de grievende gewaarwordingen, welke
-het berouw over mijn ruw gedrag mij veroorzaakte, te bestrijden, of wel om ze te vergeten,
-sprak ik vaker dan gewoonlijk de flesch aan, die rondging.
-</p>
-<p>Ik verkeerde in eene opgewonden stemming. Bovendien, ik was geen wijndrinker. Des
-te spoediger ondervond ik de uitwerking van den drank. Geoefende drinkers mogen in
-staat zijn een zee van bedwelmende dranken naar binnen te gieten, zonder daarvan eenige
-bedwelming te gevoelen. Wie nuchteren reeds opgewonden is, wachte zich voor dergelijke
-gevaarvolle proef, en vooral iemand, die de dronkenschap slechts bij naam kent. Toen
-die geesten eenmaal opgewekt waren, liet ik mij spoedig door de bedwelming meesleepen.
-Ik praatte onophoudelijk door, twistte over dingen waarvan ik volstrekt niets wist,
-verhaalde historietjes, welker einde ik er vergat bij te voegen, lachte om mijne eigen
-vergeetachtigheid, wedde, zonder de minste kennis van het voorwerp der weddingschap
-te hebben, en waagde het zelfs, den reusachtigen John tot eene vechtpartij uit te
-dagen. Mijn oom was zoo verstandig, om deze dolheid te voorkomen, die anders hoogst
-waarschijnlijk vrij erg voor mij zou afgeloopen zijn. Lastertongen beweerden zelfs,
-dat ik in dien toestand een liedje had gezongen. Maar omdat ik mij in het geheel niets
-daarvan herinner, en noch voor, noch na dien tijd ooit een enkele zangnoot uit mijne
-keel gehaald heb, zal deze laster, vertrouw en hoop ik, wel van allen grond ontbloot
-zijn: Trouwens vrees ik, dat mijn gedrag, ook zonder deze overdrijving, onbehoorlijk
-genoeg zal zijn geweest. Ik verloor mijne bewustheid niet, maar wel alle zelfbeheersching;
-mijne onstuimige driften sleurden mij heen en weder. Onvergenoegd, gemelijk, boos
-en met het vaste voornemen om een diep stilzwijgen te bewaren, was ik gaan zitten;
-maar in de praatzieke, twistachtige stemming, waarin mijn roes mij gebracht had, sprak
-ik ieder tegen, die zich liet hooren, en, zonder eenig ontzag voor den persoon, verschoonde
-ik zelfs mijns ooms beginselen en geloofsmeeningen niet. Ik werd woedend door Rashleigh&#x2019;s
-gemaakte ingetogenheid. Zijne bedaarde tergende spot prikkelde en ergerde mij veel
-meer dan de woeste en bulderende taal van zijne broeders. Mijn oom wendde&#x2014;dit bemerkte
-ik, en moet het hier tot zijn eer getuigen&#x2014;zijn beste pogingen aan, om ons tot bedaren
-te brengen, maar zijn gezag vermocht niets tegen de bedwelming van den roes en de
-hitte der driften. Woedend over eene wezenlijke of ingebeelde beleedigende <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106">106</a>]</span>uitdrukking, lichtte ik eindelijk mijne hand tegen Rashleigh op. Geen stoïcijn, boven
-eigen en vreemde hartstochten verheven, zou zulk eene beleediging met een hoogeren
-graad van verachting hebben kunnen beantwoorden, dan hij deed. Het scheen alsof hij
-het niet de moeite waard achtte zich eenigszins gevoelig te toonen, maar zijn broeder
-Thorncliff nam terstond den handschoen voor hem op. De degens werden getrokken en
-wij hadden reeds een paar stooten gewisseld, toen de andere broeders ons met geweld
-scheidden. Nooit vergeet ik den duivelschen grijns, die Rashleigh&#x2019;s hatelijk gelaat
-vertrok, toen ik door de vereenigde kracht van twee jonge reuzen uit de zaal werd
-gesleept. Zij brachten mij op mijne kamer, welker deur zij dicht sloten, en ik werd
-razend om het luide gelach, waarmede zij de trap afgingen. In mijne machtelooze woede
-trachtte ik hen na te snellen, de traliën van de vensters uit te rukken, de vast gegrendelde
-deur open te breken; maar te vergeefs. Eindelijk wierp ik mij op het bed en sliep
-in onder het stellige voornemen, om mij den volgenden dag vreeselijk te wreken.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p106width"><img src="images/p106.png" alt="" width="490" height="411"></div><p>
-</p>
-<p>Maar met den volgenden morgen kwam een innig berouw over mij en keerde mijne bezinning
-terug. Met smart gevoelde ik het onwelvoegelijke en belachelijke van mijn gedrag.
-Ik moest aan mij zelven de bekentenis afleggen, dat de roes en mijne driften mij vernederd
-hadden, diep beneden Wilfred Osbaldistone, dien ik zoo zeer verachtte. Bij mijne troostelooze
-overdenkingen kwam een nederdrukkend gevoel, toen ik de noodzakelijkheid overwoog,
-mijn gedrag te verontschuldigen, toen ik bedacht, dat Diana de getuige van mijne vernedering
-moest zijn. De <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107">107</a>]</span>door mij tegenover haar aangenomen houding en gebezigde uitdrukkingen droegen niet
-weinig bij, om de kwellingen van mijn toestand te vermeerderen. En daarvoor kon ik
-niet eens de armzalige verontschuldiging van een roes aanvoeren!
-</p>
-<p>Zoo gepijnigd door schaamte en vernedering, ging ik naar beneden ontbijten, als een
-misdadiger naar zijne rechters om zijn vonnis te hooren uitspreken. Eene harde vorst
-maakte het juist ondoenlijk de honden buiten te laten. Ik ondervond ook nu nog de
-vernedering, de gansche familie, Rashleigh en Diana uitgezonderd, vergaderd te vinden
-rondom eene koude wildpastei en een stuk rundvleesch. Toen ik binnentrad waren allen
-aan het lachen, en ik kon licht bemerken dat zij zich ten mijnen koste vroolijk maakten.
-Maar boos gemeend was het niet. Wat mij een zelfvernedering scheen, beschouwden mijn
-oom en de meeste mijner neven als een heel aardig grapje. Hij schertste over het gebeurde
-van den vorigen avond, en beweerde, dat het veel beter was dat een jongeling zich
-driemaal daags een roes dronk, dan dat hij, als een Presbyteriaan, nuchter naar bed
-sloop en een gezelschap vroolijke gasten bij de volle flesch verliet. Tot bevestiging
-dezer troostvolle woorden, vulde hij een grooten beker met brandewijn, en ried mij
-aan »een haar in te slikken, van den hond die mij gebeten had.&#x201d;
-</p>
-<p>»Laat de jongens maar lachen, neefje!&#x201d; vervolgde hij; »zij zouden juist zulke melkbaarden
-zijn als gij, zoo ik hen niet met de flesch in de hand tot stevige drinkers gevormd
-had.&#x201d;
-</p>
-<p>Over het algemeen ontbrak het mijn neven niet aan goedhartigheid. Toen zij zagen,
-dat de herinnering aan den vorigen avond mij lastig, ja pijnlijk was, poogden zij
-met eene lompe vriendelijkheid den onaangenamen indruk uit te wisschen. Thorncliff
-alleen zag er knorrig en onverzoenlijk uit. Reeds dadelijk na mijne komst op het kasteel
-kon hij mij niet verdragen. Aan de bewijzen van welwillendheid, welke ik nu en dan
-van zijne broeders ontving, hoe ruw en ongemanierd die dan ook waren, had hij nooit
-deel genomen. Werd hij wezenlijk, waaraan ik echter begon te twijfelen, door de overigen
-als Diana&#x2019;s bruidegom beschouwd? Of hield hij zich zelven daarvoor? In ieder geval
-kon er licht eene opwelling van jaloezie in hem ontstaan zijn, toen hij hare bijzondere
-vriendelijkheid jegens mij bemerkte. Een gevaarlijken medeminnaar vreesde hij zeker
-in mij.
-</p>
-<p>Eindelijk trad Rashleigh binnen. Zijn gelaat was somber als een rouwkleed. Ik kon
-er niet aan twijfelen, dat hij over de onvergeeflijke en smadelijke beleedigingen,
-welke ik hem had aangedaan, wrok koesterde. Ik was het reeds met mij zelven eens,
-hoe ik mij bij deze gelegenheid moest gedragen. Ik was vast overtuigd, dat de ware
-eer daarin bestaat, om zich wegens eene beleediging, welke met deze of gene vermeende
-uittarting in geene verhouding staat, bescheiden te verontschuldigen, maar om ze niet
-te verdedigen.
-</p>
-<p>Ik ijlde hem te gemoet, en betuigde mijn innig leedwezen over de onbetamelijke drift,
-waaraan ik mij den vorigen avond had schuldig gemaakt.
-<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108">108</a>]</span></p>
-<p>»Niets,&#x201d; zeide ik, »zou mij een enkel woord van verontschuldiging afgedwongen hebben,
-maar ik heb de overtuiging, dat mijn gedrag onvoegzaam is geweest. Ik hoop dat mijn
-neef met mijn oprecht berouw genoegen zal nemen en tevens bedenken, dat het tusschen
-hem en mij voorgevallene aan de overvloedige gastvrijheid van zijn vaderlijk huis
-te wijten is.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p108width"><img src="images/p108.png" alt="" width="491" height="401"></div><p>
-</p>
-<p>»Gij moet weder vrienden met elkander worden, jongens! ja, dat moet gij!&#x201d; riep de
-wakkere ridder in de opwelling zijns harten; »en gebeurt dat niet, dan noem ik Rashleigh,
-zoo waar ik leef, niet meer mijn zoon! Waarom staat gij dan daar, Rashleigh, zoo stijf
-en onbewegelijk als eene marmeren beeld? <i>Het doet mij leed!</i> ziedaar alles, wat een man van eer in zulke gevallen zeggen kan, voornamelijk, als
-de door hem aangedane beleediging bij de flesch is geschied. Ik ben ook soldaat geweest,
-en weet zoo tamelijk, hoe men zich in zaken van eer moet gedragen. Laat mij er dus
-geen woord meer van hooren. Alles is vergeten en nog heden gaan wij met elkander op
-de dassenjacht in het berkenbosch.&#x201d;
-</p>
-<p>Zooals ik reeds gezegd heb, was Rashleigh een zeldzaam wezen. Niemand heb ik ooit
-gekend, die op hem geleek.
-</p>
-<p>Het zonderlinge van zijn gelaat lag niet alleen in de trekken, maar ook in de afwisselende
-uitdrukking. Wanneer op andere gezichten droefheid in vreugde, of misnoegen in tevredenheid
-verandert, dan heeft er een zekere overgang plaats, voor dat de uitdrukking van de
-heerschende stemming de vroegere geheel verdringt. Tusschen het wegtrekken <span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109">109</a>]</span>van de duisternis en het opgaan der zon heerscht schemering. Bij ieder ander mensch
-ziet men de verandering&#x2014;terwijl de opgezwollen aderen verdwijnen, het donkere oog
-opheldert, het voorhoofd zich ontrimpelt, en al de overige trekken hunne sombere schaduwen
-verliezen allengs kalm en opgeruimd worden. Niets van dien aard was er op Rashleigh&#x2019;s
-gelaat te bespeuren. Bijna plotseling veranderde de eene uitdrukking van hartstocht
-in de tegenovergestelde. Ik kan inderdaad geene meer passende vergelijking vinden,
-dan de snelle tooneelverwisselingen, wanneer op het geluid van het fluitje achter
-het tooneel, een akelig hol verdwijnt en een heerlijk bosch uit den grond oprijst.
-</p>
-<p>Ik had dit reeds meermalen waargenomen, maar nu vooral werd op deze bijzonderheid
-mijne opmerkzaamheid onwederstaanbaar gevestigd. Donker, als de nacht, zag Rashleigh
-er uit bij zijn binnentreden. Met een somberen blik hoorde hij mijne verontschuldigingen
-en zijns vaders vermaning aan; doch nauwelijks had deze geëindigd, of plotseling verdween
-de zwarte wolk, en het minzaamste, hoffelijkste antwoord volgde.&#x2014;»Beste neef! Ik heb
-u niets te vergeven. Waarlijk,&#x201d; dus begon hij, »als ik meer drink dan mijne gewone
-drie glazen, dan wordt mij het hoofd al dadelijk zoo licht, dat ik, als de goede Cassio,
-mij slechts een verward denkbeeld van den verloopen nacht kan vormen. Ik herinner
-mij eene menigte dingen, doch niets bestemds; wel deze of gene woordenwisseling en
-twist, maar niet de aanleiding daartoe. Gij kunt derhalve wel denken, waarde neef,&#x201d;
-vervolgde hij, mij vriendelijk de hand drukkende, »hoe warm het mij om het hart wordt,
-nu ik hoor dat ik eene verontschuldiging van u ontvang, in plaats van u mijne verontschuldiging
-te moeten maken. Kom, kom, geen woord meer over het gansche geval! Ik zou al zeer
-dwaas moeten zijn, wilde ik de rekening nog nader onderzoeken. Ik was bang dat de
-balans nadeelig was. En nu is zij zoo geheel onverwacht en aangenaam in mijn voordeel
-uitgevallen.&#x2014;Gij ziet neef, dat ik mij reeds oefen in de taal van mijn toekomstig
-beroep.&#x201d;
-</p>
-<p>Juist wilde ik hem antwoorden en sloeg de oogen op, toen ik Diana ontdekte, die gedurende
-ons gesprek ongemerkt binnengetreden was en aandachtig geluisterd had. Beschaamd en
-ontsteld zag ik voor mij neer en spoedde mij naar tafel, waar ik mij tusschen mijne
-neven plaatste, die reeds druk aan den maaltijd waren.
-</p>
-<p>Mijn oom wilde aan het gebeurde van den vorigen dag eene nuttige waarschuwing ontleenen.
-Hij gaf zijn zoon Rashleigh en mij den raad, om onze »melkpapgewoonte,&#x201d; zoo als hij
-het noemde, te veranderen, en er ons van lieverlede aan te gewennen, een flink glas
-goeden wijn te gebruiken, zonder daarbij in twist of vechterij te geraken. Hij beval
-ons, dagelijks met een flesch rooden wijn te beginnen, met eene behoorlijke dosis
-<span class="corr" id="xd29e1810" title="Bron: Maartbier">Maartsbier</span> en brandewijn was dat voor een leerling in de edele drinkkunst eene aardige inleiding.
-Tot onze aanmoediging voegde hij er nog bij, dat hij mannen gekend had, die op onze
-jaren niet eene enkele flesch konden verdragen, maar later in goede omgeving <span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110">110</a>]</span>spoedig geleerd hadden, vijf, ja zes te ledigen, zonder den volgenden morgen ziek
-of maar eenigszins ongesteld te zijn.
-</p>
-<p>Ik behoef wel niet te zeggen, dat al deze troost en bemoediging aan mij totaal verkwist
-waren. Ik volgde zijne vermaningen weinig, misschien ook, omdat ik telkens als ik
-opzag, Diana&#x2019;s oogen ontmoette waarin ik ernstig medelijden, aan misnoegen en teleurstelling
-gepaard, meende te lezen. Ik overlegde hoe ik mij ook jegens haar onder vier oogen
-verklaren en verontschuldigen zou. Maar zij begreep mijne verlegenheid en verloste
-mij van den moeilijken plicht haar om een onderhoud te moeten vragen.
-</p>
-<p>»Neef Frans,&#x201d; zeide zij, en gaf ook mij eenigszins oneigenaardig den naam, waarmede
-zij de zonen van mijn oom placht aan te spreken, »heden ochtend heb ik in Dante&#x2019;s
-verzen eene vrij moeielijke plaats gevonden. Wilt gij wel zoo goed zijn een oogenblik
-in de boekenkamer te komen om mij in te lichten en hulp te verleenen? Zoodra gij den
-zin van den duisteren Florentijner voor mij opgehelderd hebt, zullen wij deze heeren
-naar het berkenbosch volgen, en zien of zij zoo gelukkig zijn geweest om den das op
-te jagen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hoe blijde was ik en ik stond dan ook op, gereed haar te volgen. Rashleigh bood aan
-ons te vergezellen. »Ik houd mij eigenlijk liever bezig,&#x201d; zeide hij, »met Dante&#x2019;s
-gedachten in de beelden van zijne woeste en sombere poëzie op te sporen, dan het wild
-gedierte uit zijn hol op te jagen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vergeef mij, Rashleigh,&#x201d; antwoordde Diana. »Maar daar gij uw neef op het kantoor
-zult vervangen, moet gij hem de taak overlaten, om de opvoeding van uwe leerling hier
-voort te zetten. Evenwel, als wij uwe hulp noodig hebben, zullen wij zoo vrij zijn
-om u te roepen. Kijk nu maar zoo ernstig niet! Het is buitendien schande genoeg dat
-gij niets van het edele jachtvermaak verstaat! Wat zoudt gij toch zeggen, hoe zoudt
-gij u uit de verlegenheid redden, als uw oom in Londen u eens mocht vragen, hoe men
-op de jacht het spoor van een das kan vinden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Heel waar, Diaantje! heel waar!&#x201d; zei oom Hildebrand met een zucht. »Rashleigh zou
-dom staan kijken als men hem zoo iets vroeg. Even als zijne broeders, had hij ook
-nuttige kundigheden kunnen verzamelen; want hij is in alle eer, deugd en wijsheid
-opgevoed. Maar Fransche zotheden, dat drommelsche boekenlezen en de malle denkbeelden
-die daaruit voortspruiten hebben hem, zooals geheel Oud-Engeland, ten eenenmale verbasterd.&#x2014;Kom
-Rashleigh, ga met ons en draag mijn jachtspies. Uwe nicht schijnt uw gezelschap heden
-zeer wel te kunnen ontberen, en men moet niemand tot last wezen; dat duld ik niet.
-Vooral moet er niet kunnen gezegd worden, dat de eenige vrouw in Osbaldistone gestorven
-is, omdat zij haar zin niet kreeg.&#x201d;
-</p>
-<p>Rashleigh volgde zijn vader, maar onder het heengaan zeide hij zacht tot Diana: »ik
-moet dus zeker in het gezelschap van de wellevende mevrouw Hoffelijkheid komen en
-aankloppen, als ik voor de deur van de boekenkamer sta?&#x201d;
-</p>
-<p>»O neen, Rashleigh!&#x201d; zeide Diana. »Dat is niet noodig. Verban slechts <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111">111</a>]</span>uit uw gezelschap den aartsbedrieger de Huichelarij. Dan zult gij u het best den toegang
-tot onze geleerde bijeenkomsten weten terwerven&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden nam zij den weg naar de boekenkamer. Ik volgde haar&#x2014;ja, als een misdadiger,
-die naar de gerechtsplaats gaat, zou ik zeggen, zoo ik die gelijkenis niet reeds een
-paar malen gebezigd had.&#x2014;Dus in het kort gezegd, ik volgde haar in de overtuiging,
-dat ik een vrij zot figuur zoude maken, en gaarne van een tête-à-tête bevrijd zou
-zijn geweest. Het kwam mij eigenlijk vernederend voor, onder zulke omstandigheden
-haar te volgen. Ik had zulk een geruimen tijd op het vaste land doorgebracht, dat
-ik wel wist, dat vrijmoedigheid en een zeker betamelijk zelfvertrouwen den man moeten
-onderscheiden, dien eene schoone vrouw tot haar gezelschap kiest. Maar mijne Engelsche
-gevoelens zegepraalden over mijne Fransche opvoeding, en ik zag er zeer waarschijnlijk
-jammerlijk uit, toen Diana, trotsch als een rechter, die in eene gewichtige zaak moet
-vonnissen, zich in een leuningstoel nederzette, en mij een teeken gaf om tegenover
-haar plaats te nemen. Als een arm zondaar, die zijn vonnis moet aanhooren, zette ik
-mij neder op den zetel, die zij mij aangewezen had.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XIII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Des duivels was de vondst van hem, die in het gif
-</p>
-<p class="line">Den dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was &#x2019;t helsche plan
-</p>
-<p class="line">Van den verrader, die het doodelijk vergif
-</p>
-<p class="line">In &#x2019;t glas goot, gewijd aan vriend&#x2019;lijk zamenspreken,
-</p>
-<p class="line">Den dood in de ad&#x2019;ren stortte, in plaats van &#x2019;t frissche leven.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Anonymus.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1839"><span class="xd29e1839init">»I</span>k moet erkennen, mijnheer Osbaldistone,&#x201d; zeide freule Diana op een toon, die verried
-dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende verwijten te bestraffen, »ik moet
-erkennen, gij zijt op weg om ons te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij
-zulk een aanleg bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u
-onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t&#x2019;huis te gevoelen, en&#x2014;ziedaar!
-gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst ongepast gedragen heb.
-Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen
-had ontvangen, waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn
-gedrag was onbetamelijk en belachelijk.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112">112</a>]</span></p>
-<p>»Doe u zelf geen onrecht!&#x201d; zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na alles, wat ik zelf
-gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen avond gelukt, al de heerlijke
-eigenschappen te ontwikkelen, waardoor uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid
-en grootmoedigheid van den welwillenden Rashleigh&#x2014;Percivals matigheid&#x2014;Thorncliffs
-moed&#x2014;Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van honden&#x2014;Richards handigheid
-in het wedden&#x2014;dit alles toonde neef Frans in zich vereenigd, en wel met eene keuze
-van oogenblik, plaats en omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den
-hoogwijzen Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule Vernon!&#x201d; antwoordde ik. De tuchtiging,
-op die wijze en van deze hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.&#x2014;»Laat
-mij, tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer schuldig
-maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins wil ik ze billijken,
-maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn is een goed, gezellig ding, en ieder mensch
-mag zich wel eens een enkelen keer laten verleiden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den ellendigsten mensch
-in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd heeft. Ik wil ook van het voordeel,
-dat uw gedrag mij geeft, geene partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen,
-welke Cassio tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met leedwezen
-ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige vooruitzichten in den
-poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis zich elken avond, als zwijnen, wentelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt, maar de morsigheid
-van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij verder in zou begeven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is een verstandig besluit!&#x201d; hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren, is mij zoo
-pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan de mijne gedacht heb. Gij
-gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij, alsof men u iets gezegd had, waardoor ik
-in uwe goede meening gedaald was. Mag ik u vragen, wat dat was?&#x201d;
-</p>
-<p>Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag geleek ongeveer op de
-manier, waarop de eene man van eer den anderen vriendschappelijk maar vastberaden,
-eene verklaring afvraagt over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende
-behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking of verzachting,
-waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren stand zoodanige zaken behandeld worden.
-</p>
-<p>Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh&#x2019;s mededeelingen,
-als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot een voorwerp van mijn medelijden
-dan van mijne gevoeligheid. Maar als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn
-gedrag vond, moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen, wat voor
-Diana&#x2019;s gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.
-<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113">113</a>]</span></p>
-<p>Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog steeds gematigd en
-hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik, toch het recht niet betwisten, om deze
-verklaring te eischen. Ik heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom
-moet ik mij zelve beschermen.&#x201d;
-</p>
-<p>Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op ongesteldheid en onaangename
-brieven uit Londen te schuiven. Zij liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen
-uitputten, tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig glimlachje
-aan.
-</p>
-<p>»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen hebt, ook met
-de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen eigen. Maar wees nu ook zoo goed,
-het scherm op te halen en mij te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien,&#x201d; zeide
-zij. »Kortom, laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het,
-die hier alle machines in beweging brengt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,&#x2014;ware het dan niet slecht,
-de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen te verraden? Gij hebt mij immers
-zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot
-was.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te hooren, en geen
-lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh kan niets, moet niets, mag niets
-van mij, Diana Vernon, zeggen, wat ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan
-weliswaar geheimen tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker
-geen betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook niets gemeen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van al wat Rashleigh mij
-in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk
-voor verklikker te spelen. De mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets
-goeds bewerken en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig,
-dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek over zijne
-familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat geen van zijne mededeelingen
-een voor Diana nadeeligen indruk bij mij had achtergelaten. Doch als man van eer,
-voegde ik er bij, mocht ik van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer
-zeggen.
-</p>
-<p>Toen sprong Diana op.&#x2014;»Dat helpt niets!&#x201d; riep zij. »Ik moet een ander antwoord van
-u hebben!&#x201d; Haar voorhoofd gloeide en haar oog vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke
-verklaring,&#x201d; ging zij luid en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van
-elken man mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen zonder
-vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die zich zelf leiden
-en beschermen moet, die met alle recht van iedereen vorderen kan, wien een gelukkiger
-lot is te beurt gevallen.&#x2014;Ik vorder het in den naam van God, die de gelukkigen in
-de wereld zond om te genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,&#x201d;
-voegde zij er bij, <span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114">114</a>]</span>terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering zal u berouwen, indien er op aarde
-of in den hemel gerechtigheid voor gepleegd onrecht te vinden is.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die plechtige uitdaging,
-dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking ter zijde te stellen. Ik verhaalde
-haar nu met korte woorden, maar duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.
-</p>
-<p>Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn verhaal aangevangen
-had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende uitdrukking te zoeken, viel zij mij
-telkens in de rede met te zeggen: »Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord
-dat u invalt, is zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne
-gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen derden persoon,
-zoudt spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg opgelegde verplichting,
-om een van mijns ooms zonen te huwen, en van de onzekerheid en moeielijkheid der keuze
-verhaald had. Gaarne zou ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras,
-dat er nog iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.
-</p>
-<p>»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te vertellen!&#x201d; zeide zij.
-»Ik gelijk op de arme wees in het sprookje, die van de geboorte af, met den zwarten
-beer uit Noorwegen verloofd was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren
-steeds de »beerenbruid&#x201d; genoemd werd.&#x2014;Maar Rashleigh zeide toch ook iets van zich
-zelven met betrekking tot mij, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te verdringen, hij
-thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in de pauselijke vergunning zijn
-naam, in plaats van die van Thorncliff, zou ingevuld zien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo? Inderdaad?&#x201d; antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen vernederen? Te veel
-eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het
-toppunt van geluk bereikt hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats
-grijpen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kan het niet ontkennen&#x2014;hij liet zoo iets merken, en gaf verder te kennen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat? laat mij alles hooren!&#x201d; viel zij mij driftig in de rede.
-</p>
-<p>»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen eener neiging
-te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot den geestelijken stand, niet
-zou hebben mogen beantwoorden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste verplicht!&#x201d; antwoordde Diana,
-en uit elken trek van haar schoon gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik
-en vervolgde toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor, verwachtte
-ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd, is alles volkomen waar.
-Maar even als er vergiften zijn, waarvan een enkele droppel eene geheele bron kan
-vergiftigen, zoo is er in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit
-is de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleigh <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span>maar al te goed ken, door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen,
-om mijn lot met hem te deelen. Neen,&#x201d; vervolgde zij met een soort van rilling, die
-een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;&#x2014;»neen, liever elk ander lot dan
-dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de roskammer&#x2014;allen duizendmaal liever dan
-Rashleigh.&#x2014;Maar het klooster, de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer
-welkom, dan een van hen allen!&#x201d;
-</p>
-<p>Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste bij het zonderlinge
-en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren,
-zoo geheel aan zich zelve overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de
-bescherming van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die de
-kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen eene vrouw bejegent&#x2014;dat
-alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid
-in hare verachting van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel
-in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare beschouwing der
-gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde bewondering zich aan mijn
-medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin, verlaten van hare onderdanen, beroofd
-van hare macht, maar nog steeds de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor
-menschen van geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden fier
-en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en op de onwrikbare standvastigheid
-van haar gemoed. Ik wilde haar die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige
-toestand in mij opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.
-</p>
-<p>»Stil,&#x201d; zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat ik geene vleierijen
-kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen medelijden begeer en troost veracht.
-Wat ik geleden heb, is voorbij; wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,&#x2014;zoo goed ik
-kan. Geen meewarig woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene
-veer lichter te maken. Er bestaat slechts <span class="ex">een</span> menschelijk wezen, dat mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh.
-Maar hij heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik zou
-hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.&#x2014;Maar, rechtvaardige Hemel! het doel, waarom
-hij zich van het vertrouwen van een meisje, dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester
-maakte; de volhardende ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder
-één enkel oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen, waarmede
-hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde veranderen&#x2014;goede Voorzienigheid!
-wat zou er van mij geworden zijn in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel,
-als ik in de strikken van dien ellendeling gevallen ware!&#x201d;
-</p>
-<p>Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over den trouweloozen verrader,
-zoodat ik opstond, mij zelven niet meer machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en
-wilde naar buiten snellen, om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen
-gevoelen. Bijna ademloos <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116">116</a>]</span>en met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten angst verdrongen werden,
-sneed Diana mij den weg naar de deur af.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p116width"><img src="images/p116.png" alt="" width="491" height="437"></div><p>
-</p>
-<p>»Blijf!&#x201d; zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten volle, maar gij kent
-nog niet half de geheimen van deze ijselijke gevangenis,&#x201d;&#x2014;zij zag angstig in het rond
-en voegde zacht fluisterend er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen
-is met het zijne gemoeid!&#x201d; en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder
-meer dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder uitbreiden
-dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou hij in een oogenblik van
-rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest.
-Ik zeide u&#x201d;&#x2014;vervolgde zij, terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,&#x2014;»dat ik geen
-trooster behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende, en ik gevoelde,
-dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had, daar ik volstrekt onbevoegd was,
-om ongeroepen als Diana&#x2019;s kampvechter op te treden.
-</p>
-<p>Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen op meer kalmen
-toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een allergevaarlijkst noodlottig geheim
-gewikkeld is. Hoe laaghartig hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van
-laaghartigheid overtuigd, <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117">117</a>]</span>voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met hem breken. Ik kan hem niet
-openlijk ter verantwoording roepen. Ook gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met
-schranderheid trachten te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen
-vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer gevaarlijke voordeelen
-op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk
-van deze bijeenkomst, welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt
-dan eigenlijk mijn voornemen was.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.
-</p>
-<p>»Dat geloof ik gaarne,&#x201d; hernam zij; »gij hebt iets in uwe gelaatstrekken en in uw
-geheel voorkomen, dat vertrouwen inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft
-niet te vreezen&#x201d;&#x2014;vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde, doch op
-innig hartelijken toon&#x2014;»dat vriendschap bij ons slechts een verschoonende naam voor
-een ander gevoel zal worden. Naar mijn denken en handelen behoor ik eigenlijk meer
-tot uw kunne, waarmede ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg
-werd de noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier kunnen
-verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan verbonden. De tijd,
-om mijn stellig besluit te kennen te geven, is nog niet gekomen,&#x201d; voegde zij er langzaam
-bij. »O! gaarne zou ik met andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de
-vrije lucht zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde dezes
-levens te genieten. En nu&#x2014;de plaats in Dante is genoegzaam toegelicht! Ga thans heen
-en zie eens wat er van de dappere dasjagers geworden is. Ik kan u niet vergezellen.
-Ik gevoel mij niet recht wel.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat ik eenige oogenblikken
-alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren te komen, eer ik mij in Rashleigh&#x2019;s gezelschap
-durfde wagen, wiens koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken
-was afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige geschiedenis
-van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder hen waren, die vriendschap,
-gastvrijheid en de heiligste banden van het gezellige leven misbruikten, om die driften
-te bevredigen, wier regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden
-is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten wees van goede
-afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen, met het trouwelooze oogmerk om haar
-eindelijk te verleiden, zoo als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had,
-dat was voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen, die in
-Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn zou, Rashleigh te zien
-en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij inboezemde. Dit was echter volstrekt
-noodzakelijk, niet alleen wegens den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven
-had, maar ook omdat ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.
-</p>
-<p>Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh&#x2019;s veinzerij zoo veel mogelijk <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>met gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met elkander in het kasteel
-moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven
-omtrent de gezindheid van zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot
-waakzaamheid over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht, meende
-ik, moest voor een mensch van Rashleigh&#x2019;s karakter eene even groote, of wel nog grootere,
-aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk genot. Zijne gave, om zich den schijn van
-alle goede eigenschappen te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede
-hij al spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een hoogen graad
-van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker geen edele dankbaarheid, die hem
-zou weerhouden van het verworven vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer
-netelig, vooral in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer
-licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in mijns vaders gunst
-kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald noodzakelijk, zulk een waarschuwenden
-brief te schrijven en het aan den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten,
-zoo hij partij van de kennis van Rashleigh&#x2019;s waren aard wilde trekken. Ik deed dit
-en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.
-</p>
-<p>Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even gereserveerd was
-geworden als ik, en alle aanleiding tot twist vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk,
-dat hetgeen Diana mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat
-ik zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had gehad. Onze
-omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste omzichtig. Wij spraken slechts
-over niets beduidende onderwerpen. Zijn verblijf in het kasteel duurde ook nog maar
-eenige weinige dagen. Maar in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden.
-De eerste was de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte
-kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk bemerken, wilde
-hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een last op zich te nemen, dien ik uit
-vermoeidheid en onbekwaamheid had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de
-omstandigheid, dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen beschuldigde,
-verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen had, ofschoon beiden zich vooral
-niet hartelijker dan te voren jegens elkander gedroegen.
-</p>
-<p>Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem zeer onverschillig
-vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide, maar slecht verborgen zij daarbij hun
-vreugde. Ze waren als woeste schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien
-vertrekken, en niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik
-nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij naar Diana toe. Doch
-toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met een blik van trotsche verachting achterwaarts,
-en zeide, terwijl zij hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het
-goede, dat gij mij <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119">119</a>]</span>bewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens waart te doen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Amen! lieve nicht!&#x201d; antwoordde hij met een schijnvroom gelaat, hetwelk hij, naar
-het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer had behouden.&#x2014;»Zalig hij, wiens
-goede oogmerken de vrucht van goede daden droegen, en wiens booze gedachten in den
-bloeitijd vergaan!&#x201d;
-</p>
-<p>Dit waren zijne afscheidswoorden.&#x2014;
-</p>
-<p>»Die volleerde huichelaar!&#x201d; zeide Diana tegen mij, toen hij de deur achter zich toetrok.
-»Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en verachten, uitwendig gelijken op dat,
-wat wij het hoogst vereeren en eerbiedigen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen medegegeven, behalve
-den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien ik langs een anderen weg had verzonden.
-Niets zou natuurlijker geweest zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn
-vriend bericht had, dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht,
-dan alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in het gezelschap
-van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle nuttige kundigheden die ik
-verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin
-uit te drukken, om onder menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende
-tijdkortingen hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de dagelijksche
-onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last, ja, over de onaangename aanmerkingen,
-die ik van mijn oom te wachten was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen
-aan den dienst van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van
-dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk zich ongerust over
-mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat sterk aangeroerd, dan zou de deur van
-mijn kerker zich zeer spoedig hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou
-verkort, òf een ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.
-</p>
-<p>Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer verblijf op het kasteel
-Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam wezen. Men zou redelijker wijze moeten
-gelooven, dat het mijn eerste werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te
-schetsen, ten einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En toch
-moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet een enkel woord van
-dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone een Athene in den ouden luister van
-zijne beschaving; ware het door wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen,
-om er te blijven, had ik niet sterker kunnen toonen.
-</p>
-<p>Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde Tresham, licht
-kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje van het vuur der jeugd in u
-hebt. Diana&#x2019;s buitengewone schoonheid, waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten;
-haar romantische en geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld;
-de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag, veel <span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120">120</a>]</span>vrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen, slechts een gevolg
-van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en vooral de zichtbare en vleiende
-onderscheiding, welke zij mij boven ieder ander betoonde&#x2014;dit alles nam mij geheel
-voor haar in. Mijne nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld,
-mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen, welke innige
-deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne gedachten vervulde. Wij lazen
-met elkander, wandelden met elkander, reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening
-der letteren, welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij
-thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel geringer kennis,
-maar veel rechtschapener bedoelingen had.
-</p>
-<p>Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting van eenige diep geleerde
-studiën behulpzaam te zijn, die zij met Rashleigh had begonnen. Het waren studiën,
-wel voor een geestelijke, maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet
-begrijpen, met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare schoolsche
-geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon op zekere, vaste grondslagen
-rustende wetenschappen als wiskunde en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het
-voornemen, om haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide geslachten
-te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij haar aan spitsvondigheden gewennen,
-opdat hij te zijner tijd des te gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware
-zou kunnen geven.
-</p>
-<p>Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den verderfelijken
-geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden kring, door het maatschappelijke
-gebruik om de vrouwen getrokken, te veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens
-van allen omgang met vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid
-noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij met zoo veel aangeboren
-zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije,
-min of meer vrijpostige gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde,
-nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in de meening gebracht,
-dat verachting van de gewoonten en gebruiken der maatschappij zoowel van verstandig
-overleg, als van vertrouwen op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.
-</p>
-<p>Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die bolwerken sloopte,
-door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd opgetrokken. Overigens daarvoor,
-en ook nog voor andere misdaden, is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel
-ter verantwoording geroepen.
-</p>
-<p>Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving was, had niet
-alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen belangrijke vorderingen gemaakt,
-maar was ook met verscheidene talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe
-tijden vrij goed vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komen <span class="corr" id="xd29e1925" title="Bron: dikwijlst">dikwijls</span> &#x2019;t verste, <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121">121</a>]</span>daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet in &#x2019;t oog hield, zouden
-Diana&#x2019;s snelle vorderingen in verscheidene takken van wetenschap bijna ongeloofelijk
-schijnen. Dit alles trof mij des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden,
-uit boeken verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven vergeleek.
-Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat, wat rondom haar gebeurde.
-Juist deze onkunde en deze kinderlijke beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede
-hare overige kundigheden zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk
-den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met aandacht letten op al
-wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit vooruit weten, of haar eerstvolgend
-woord, haar eerstvolgende daad, de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste
-onnoozelheid zou aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van
-zijn leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling van mijne
-jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een beminnenswaardig, zeldzaam
-bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om te gaan.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XIV.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Uit &#x2019;t slaapvertrek van hartelief
-</p>
-<p class="line">Schijnt licht. Wat straalt het fel!
-</p>
-<p class="line">Waarom toch brandt mijns liefjes lamp
-</p>
-<p class="line">In &#x2019;t nachtelijk uur zoo hel?
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164">Uit eene oude Ballade.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e590"><span class="xd29e590init">W</span>ij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig, ja zoo eentonig,
-dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana en ik brachten verscheidene uren van
-den dag met lezen door. De overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en
-vermaken, al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook deel aan.
-Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte werd hij met mijne tegenwoordigheid
-en mijne levenswijze zoo zeer vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht
-lijden. Als ik gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe
-zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich bediende. Van zijns
-vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende, had hij zich van lieverlede het
-oppertoezicht over diens vermogen toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne
-mijn hulp, met pen en rekenkunde, <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122">122</a>]</span>zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven of met een pachter eene rekening
-te vereffenen had. In zooverre was ik hem <span class="corr" id="xd29e1944" title="Bron: inderderdaad">inderdaad</span> van meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde evenwel geen lust, om hem den
-last zijner zaken geheel en al af te nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen:
-»neef Frans is een knappe, vlijtige jongen!&#x201d; Maar zelden vergat hij, er in één adem
-bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen.&#x201d;
-</p>
-<p>Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een huisgezin te leven, waar
-men niet met al de leden ervan op een goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde
-daarom pogingen aan, den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak
-vrij duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging ik een jagersmuts
-dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over mij te denken. Toen ik kort daarna
-een jong paard gedresseerd had, steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen,
-welke ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker, dien ik
-boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht mij in de beste verstandhouding
-met allen,&#x2014;behalve met Thorncliff.
-</p>
-<p>Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden mocht. Hij had
-wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een veel slechteren aard. Twistziek,
-norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij mij als een overtollig en lastig wezen op het
-kasteel. Met nijdige, jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana,
-die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat hij haar beminde,
-kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat woord niet in een soort van minder
-juisten zin wil misbruiken. Maar hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde.
-Het ergerde hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist, dit te
-voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden beproefde ik een verzoenenden
-toon jegens hem. Maar hij beantwoordde mijne minzame <span class="corr" id="xd29e1950" title="Bron: vrienddelijkheid">vriendelijkheid</span> ongeveer als een knorrige hofhond, wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert
-dien tijd liet ik hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne
-norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.
-</p>
-<p>Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een anderen huisgenoot
-noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.
-</p>
-<p>Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was, mij zelden
-liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze wellevendheid had voor
-hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte,
-en ten tweede verschafte zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend
-arbeiden was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te rusten.
-Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij, om eene menigte nieuwigheden
-uit te kramen, of met echt-Schotschen humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen
-te luchten.
-</p>
-<p>»Ja, ja, mijn beste mijnheer,&#x201d; zeide hij op zekeren avond met bijzonderen nadruk,
-»van daag ben ik in het dorp geweest.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span></p>
-<p>»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere goede vriend
-moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de kroeg te bezoeken, zie, dat noem
-ik den tijd en zijne zuur verdiende penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer,
-ik had eigenlijk iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar
-manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol niet aan. Toen
-wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens, wie er toen bij ons binnen
-trad? Macready, de reizende koopman&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Den marskramer, meent gij?&#x201d; viel ik hem in de rede.
-</p>
-<p>»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes gaan zoo slecht
-niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht blijde, elkaar eindelijk weder
-eens te ontmoeten.&#x201d;
-</p>
-<p>»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier te drinken. Maar
-om &#x2019;s Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis, en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken
-mag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland zijt altijd
-zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel u zelf. Bier, zegt u, zou
-ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou, vergif moge elke droppel worden, dien mijn
-neef mij gaf. Neen, Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare
-dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen, dan heilig onze lekkere
-koeken in Schotland!&#x2014;Maar hoe het zij, wij gingen dan zitten en praatten een beetje
-over koetjes en kalfjes.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het ten minste de moeite
-waard is!&#x201d; riep ik ongeduldig, »want ik kan den ganschen dag niet hier blijven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen maken zij vrij
-wat alarm over dat laatste stukje.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welk stukje? Wat bedoelt gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!&#x201d; hernam Andries met een sluwen blik.
-</p>
-<p>»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren hebben. Maar u gaat het
-zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den kostbaren tijd niet om verspillen.&#x201d;
-</p>
-<p>Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof hij een vlaag
-van hevigen werklust gekregen had.
-</p>
-<p>De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en nieuwsgierigheid ten sterkste
-gespannen had. Door eene directe vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling
-in de zaak verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem nog
-eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op te vatten. Maar Andries
-bleef ijverig aan &#x2019;t spitten en sprak nu en dan een woord, maar over geheel andere
-onderwerpen. Innerlijk boos, hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe
-lang zijne halsstarrigheid zijn verlangen zou <span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124">124</a>]</span>bedwingen om over eene zaak te spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.
-</p>
-<p>»Zie zoo!&#x201d; begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar staken bij de
-snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch hebben;&#x2014;wel bekome het hun!&#x2026;
-Wat is dat toch slechte mest, zoo hard als een steen! Ja, ja, de jager speelt den
-baas in de stallen, heeft zeker al de goede mest verkocht&#x200a;&#x2026; daar sta ik u borg voor&#x200a;&#x2026;
-Ja, ik moet maar doorwerken op zoo&#x2019;n schoonen Zaterdag-avond, want met het weer wil
-het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt ge op zijn hoogst een paar,
-die men goed kan noemen, en daaronder is één steeds een Zondag. Maar het kan toch
-weêr goed worden tegen Maandag.&#x2014;Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar
-naar het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude ding noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij terzij heel leuk
-aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij wel iets gewichtigs kon ontdekken,
-maar ook wel verzwijgen. Eindelijk stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam
-naar de tuinbank, waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den
-stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen, mij alles op zijne
-wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg ik: »Maar Andries, wat zijn het dan
-voor nieuwigheden die uw neef, de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?&#x201d;
-</p>
-<p>»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest; zoo&#x2019;n man is
-een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden zijn als hier in Northumberland.
-In Schotland is het veel beter. Daar hebt ge het koninkrijk<a class="noteref" id="xd29e1981src" href="#xd29e1981">1</a> Fife, van het eene einde tot het andere bijna één enkele groote stad: en dan nog
-zoo vele heerlijke vlekken met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met
-breede stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar om weder op
-het nieuws van Londen terug te komen&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel aan gelegen was,&#x201d;
-hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft mij gezegd dat zij in het Parlement
-vinnig boos zijn geweest over dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap
-heeten mag.&#x201d;
-</p>
-<p>»In het Parlement?&#x201d; vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter sprake?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord zeggen, wat ik
-tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard, er om te liegen. Neef, zeide ik
-tegen hem, wat hebben toch de Lords en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies
-te maken? Toen wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje&#x2014;de duivel hale hen,
-die <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125">125</a>]</span>het ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement bedaard wetten voor het
-land en het rijk te maken en bemoeiden zich met geen zaken, die door den gewonen rechter
-behoorden afgedaan te worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens
-in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan beiden voor het
-Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna net zoo erg als hier, met den
-ouden heer en zijne zonen en jagers: die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig
-dier na en als zij dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig!
-geen zes pond zwaar is!&#x201d;
-</p>
-<p>»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch uw neef?&#x201d;
-</p>
-<p>»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen&#x2014;die poddingeters,&#x2014;verwachten
-kon. En de geschiedenis van dien Morris&#x2014;nu ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij
-gehouden, en toen is een onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden
-van Engeland wemelt van Jakobieten&#x2014;nu, hij kan wel gelijk hebben&#x2014;en dat zij een oorlog
-wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den publieken weg hadden aangerand; dat
-de aanzienlijkste lieden van Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel
-geld en vele belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen
-krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal gepleegd hadden,
-bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook dapper gegeten en gedronken hebben,
-en dat hij den een voor den ander heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen
-heeft, terwijl de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was,
-nog heelhuids uit dat land weg te komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zou dat wezenlijk waar zijn?&#x201d; vroeg ik verwonderd.
-</p>
-<p>»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el heeft, en aan zijn
-el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen die man daar in dat Parlement
-uitgepraat was, begon er plotseling zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat
-hij namen noemen moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent
-Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere lieden bovendien,&#x201d;
-voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik op mij wierp. »Maar toen stond
-er ook aan den anderen kant van het Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste
-menschen van het land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard,
-als deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen en schandelijk
-de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker met den minister reeds afgesproken
-en in orde gebracht, eer de kerel nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking
-wilde doen, zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het
-koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor het Parlement
-gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk in den steel stak. Maar de menschen,
-die tegen hem waren, somden al zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven
-gepleegd had, zoo <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>breed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op een levend wezen geleek,
-zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord konden zij uit hem krijgen, zoo bitter
-was hij door dat geschreeuw en dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige
-ziel, de kerel moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen schreeuwen
-eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!&#x201d;
-</p>
-<p>»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen, vriend Andries?&#x201d;
-</p>
-<p>»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent eene week expres
-opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam zou zijn, dat nieuws te vernemen.
-Het liep met een sisser af. Laat ik u maar zeggen dat degeen, die het historietje
-&#x2019;t eerst op het tapijt bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide
-hij, kon ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de eigenlijke
-omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond de <span class="corr" id="xd29e2002" title="Bron: angere">andere</span> vent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of men dien Morris beroofd
-had of niet. Maar men moest om zoo iets geen brave lieden van hunne eer en hun goeden
-naam berooven, inzonderheid in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van
-daan, en daar behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak uitmaken!
-De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan zijn ze weer goede vrienden.
-En toen zij nu in het Lagerhuis lang en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo
-dat zij er eindelijk misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook
-nog iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde mijnheer, daar
-zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding niet tweemaal te bepraten, maar
-daar in Londen kauwen en herkauwen zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van
-overblijft. Ook heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat
-plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar tot zijn geluk had
-hij een flink getuigschrift van den hertog van Argyle. En toen dit openlijk gezegd
-werd, geraakte de hertog in vuur en vlam&#x2014;nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!&#x2014;Hij
-maakte vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen, ja schier
-instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en verstandig man was geweest.
-Als gij echter zeker zijt, dat er geen druppel bloed van het geslacht van Campbell
-door uwe aderen vloeit, wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval
-is, dan wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht behoorde.
-</p>
-<p>»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van de Campbells
-valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere menschen. Maar van Mac-Callumore,
-van dien Argyle&#x2014;van hem zijn er zeer zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname
-lui van Londen. Maar hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht
-zeggen, welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van het
-lied was, dat zij verklaarden, dat de gansche <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127">127</a>]</span>historie enkel laster was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt
-had, zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen.&#x201d;
-</p>
-<p>Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp het dood kalm,
-stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar, eer hij heenging, den tijd,
-nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde het best, alles dadelijk te zeggen, opdat
-de man mijn zwijgen niet aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot
-gewicht er aan hechten zou.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p127width"><img src="images/p127.png" alt="" width="479" height="342"></div><p>
-</p>
-<p>»Andries,&#x201d; zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om al dat nieuws
-uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat ik door de onbeschaamde
-zotheid van dien Morris eenigen last heb gehad.&#x201d; Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik
-uw neef nu vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste wanneer
-het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken te komen praten.&#x201d;
-</p>
-<p>Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn neef een wenk
-gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die niet in gebreke blijven, terstond
-bij mij te komen.
-</p>
-<p>»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden, en daar de avond
-heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin blijven wandelen tot hij komt.
-De maan zal spoedig opkomen. Breng uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen
-met het gezicht van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Best! heel goed!&#x201d; hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen en bloemkool
-schitteren in den maneschijn even prachtig als eene mooie vrouw in diamanten.&#x201d;
-</p>
-<p>En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langen <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128">128</a>]</span>weg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein voordeeltje te
-bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om hem op eene kan bier te onthalen.
-De wellevendheid van een Engelschman zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben,
-dacht ik, toen ik wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm,
-waarmede de gansche tuin doorsneden was.
-</p>
-<p>Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van de oude boekenkamer
-op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde, verraste mij niet; want ik wist,
-dat Diana zeer dikwijls de avonden in die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker
-gevoel van kieschheid, het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken
-op een tijd, waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek bijeen
-waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen zou hebben moeten zijn.
-In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde
-het niet zelden, dat een van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen,
-en dat dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen, tot een
-zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om ons van eene afgesproken jachtpartij
-te verhalen, of ook wel uit loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer
-nooit als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar men, ten
-minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer hechtte, <span class="corr" id="xd29e2025" title="Bron: goevoelde">gevoelde</span> ik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op het in acht nemen van die wetten,
-juist omdat zij ze, uit gebrek aan ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk
-gaf ik haar te kennen, dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid
-van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.
-</p>
-<p>In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt boos te worden,
-tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde: »Ik geloof, dat gij volkomen gelijk
-hebt. Wanneer ik eens lust krijg, om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha
-met een kopje thee omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te
-nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al de huisgenooten
-besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom geweest dan al de thee uit China.
-Maar het streelde hare ijdelheid, dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd
-alleen door groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet minder
-zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en boter&#x2014;door dit alles te
-zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons gezelschap te houden. Anders vermeden
-de dienstboden, zoodra slechts de avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze
-zich in een vleugel van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding,
-spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien, ja, allerlei
-geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten sliepen. Zelfs mijne neven
-hadden, nadat het donker was geworden, niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden
-konden, om zich in dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd verblijf was geweest,
-en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam gedeelte van het kasteel leidde, waar
-hij steeds gewoond had, vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende
-zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis van de wetenschappen
-en eenige natuurkundige proeven, welke hij nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen
-had, waren voor de domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen,
-om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond immers Latijn, Grieksch
-en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten,
-noch spoken, noch duivels, noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden,
-dat zij hem in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het
-kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei spoken doorwaakt
-en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van, zoo als een echten Osbaldistone
-betaamde, met het krieken van den dag de honden naar buiten te volgen.
-</p>
-<p>Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken uitdrukkingen vernomen.
-Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid
-waarin die zoo beruchte kamer &#x2019;s avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana
-niet te storen, als zij daar den avond doorbracht.
-</p>
-<p>Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer zag. Maar sterk
-was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters vestigende, duidelijk de schaduw
-van twee gestalten zag, die zich voor het eerste venster bewogen en het voor eenige
-oogenblikken geheel verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien
-heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en Diana&#x2019;s gestalte
-voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen, bij den hemel! nu ook aan het tweede
-venster! Zeer duidelijk twee gestalten! Nu verdwenen zij&#x2014;nu weder aan het derde&#x2014;eindelijk
-ook aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de vensters werd
-tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen dat ik goed gezien had:
-toen werd het licht uitgedoofd.
-</p>
-<p>Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde niet mij zelven
-te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met een egoïstisch oogmerk gepaard ging.
-Maar ik kan niet zeggen, hoe onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders
-heimelijke bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het onvoegzaam
-oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar zelfs wil, getracht had
-haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas, lichtzinnig meisje!&#x201d; zeide ik tot mij zelf.
-»Zij stoort zich aan geen welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij
-door hare ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij even
-gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet, door eene nieuwe mode
-ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens, zal misschien het gezelschap van
-een dommen gek, met wien zij haar <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130">130</a>]</span>kaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto zelf, wanneer
-hij uit het graf verrees.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden dag mijne vertaling
-van Ariosto&#x2019;s eersten zang getoond, en haar verzocht had, de oude Martha op de thee
-uit te noodigen, terwijl zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield,
-dit bepaald geweigerd had.
-</p>
-<p>Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept, toen het achterpoortje
-van den tuin openging, en Andries en zijn neef, die met een zwaar pak koopwaren beladen
-was, in den maneschijn de laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne
-neiging en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij kon mij omtrent
-het voorgevallene in het Parlement eenigszins uitvoeriger en grondiger berichten geven,
-dan de tuinman. De beide Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris
-als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement uit te vorschen. Waarschijnlijk
-echter waren de opstokers van het vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van
-eene geschiedenis te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke personen
-in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de getuigenis van een man van
-slechten naam grondde, die zich zelven bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen
-over het geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een nieuwsblad
-ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen van het Parlement&#x2014;in dien tijd
-eene zeldzaamheid buiten den omtrek der hoofdstad&#x2014;en de gedrukte redevoering van den
-hertog van Argyle op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de
-uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man te brengen. Het
-uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer magere opgave met veel gapingen
-en sterretjes, waaruit ik niet veel meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij
-had ontstoken. En de zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs
-was grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn stam, met eenige,
-misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige vleierijen, welke hij, bij eene zoo
-gunstige gelegenheid, zich zelve wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht
-was gemaakt, kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg, dat
-men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja, dat Morris het had
-voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij die straatrooverij hebben gespeeld
-en door zijn invloed op den al te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid
-hebben verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde met het vermoeden
-overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell gevoed had, van het oogenblik af, dat
-ik hem bij den vrederechter zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze
-zonderlinge geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman iets
-gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne eenzame kamer,
-om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede naam <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span>was openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was, naar herstel van eer
-te streven.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e1981" href="#xd29e1981src">1</a></span> Zoo noemt men het graafschap Fife.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e1981src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XV.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Van waar komt gij? wie zijt gij?
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Milton.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1839"><span class="xd29e1839init">I</span>k kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij aanhoudend bezig.
-Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar Londen terug te keeren, en in
-persoon den laster te logenstraffen, waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar
-ik kwam spoedig hiervan terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel,
-zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral waar het de zijnen
-betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne ervaring maakte hem alleszins geschikt,
-om alle noodige stappen ten behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met
-de voornaamste <span class="corr" id="xd29e2054" title="Bron: Wigh-ministers">Whig-ministers</span> bekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten, wegens mijne zaak gehoor te
-erlangen. Ik oordeelde het dus &#x2019;t veiligst, mijne geheele geschiedenis in een aan
-hem gericht verhaal bloot te leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven
-behoorlijk op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad te begeven
-en mijn brief daar zelf te bezorgen.
-</p>
-<p>Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene weken, te vergeefs
-op brieven van mijn vader of Owen gewacht had, ofschoon Rashleigh zijn vader reeds
-zijne behouden aankomst in Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom
-gemeld had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns vaders ontevredenheid
-berokkend had, meende ik toch geenszins te verdienen, zoo geheel door hem vergeten
-te worden. Toen ik hem in mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had,
-betuigde ik in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige regels
-schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om in eene zoo pijnlijke en
-moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe ondervinding mij niet met voldoende zekerheid
-leiden kon, zijn raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen,
-er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar Londen terug te
-keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene voorgewende onderwerping aan mijns
-vaders wil. Toen ik mij zelven die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om
-niet op mijn vertrek uit het kasteel aan te dringen, <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132">132</a>]</span>geloofde ik dat mijn vader het insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou
-ik wel wenschen naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om
-den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te mijnen opzichte
-verspreid had.
-</p>
-<p>Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te redden zoo zonderling
-in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier te blijven, maakte ik gereed, vervolgens
-reed ik naar het postkantoor van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van
-mijn vriend Owen, dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute">Waarde mijnheer Frans!
-</p>
-<p>»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer R. Osbaldistone in orde ontvangen
-en den inhoud vernomen. Wij zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden
-bewijzen, die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het Tolkantoor
-laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam jongmensch te zijn. Met veel
-ijver wijdt hij zich aan de zaken en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden
-trouwens wel gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar Gods
-wil geschiede! Uit hoofde <i lang="it">a costi cassa</i> misschien zeldzaam mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u inliggende
-wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de Heeren Hooper en Girder te Newcastle,
-waarde 100 pd., die, twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.
-</p>
-<p>»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachting
-</p>
-<p class="signed">UEds. dw. dienaar,
-<br>Joseph Owen.
-</p>
-<p><abbr title="Postscriptum">P.S.</abbr> »Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult gelieven te melden. Wij betreuren,
-dat wij van UEd. zoo weinig te hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel
-wel te zijn, maar ziet er niet best uit.&#x201d;</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van den vertrouwelijken
-brief, dien ik hem geschreven had, om hem met Rashleigh&#x2019;s karakter voorloopig bekend
-te maken. Hij moest dien toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met
-de gewone gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor mij geen
-reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren raken. In het postkantoor
-schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen, waarin ik den voor mijn vader en mij zoo
-gewichtigen inhoud van mijn vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend
-verzocht, mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl ik er
-een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde, dacht ik bij mij zelven
-hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn boekhouder in <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133">133</a>]</span>mijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens, misschien hebben zij dit met
-elkander afgesproken. In elk geval was Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en
-mij zoo hartelijk genegen, dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig
-te zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven, zoo dit niet
-reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen zin schreef ik aan Owen over de
-zaak. Een koopman in het stadje, dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne
-het bedrag van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik op het
-kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de inhoud van mijne beurs,
-door de reiskosten reeds sterk verminderd, was bijna geheel uitgeput.
-</p>
-<p>Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het dorpje Trinlay-Knowes
-vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich uitdrukte, het vermaak te genieten,
-een paar hanen op dood en leven te zien vechten.
-</p>
-<p>»Een wreed vermaak!&#x201d; zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik, niet!&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, neen!&#x201d; hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond weder in, toen
-hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel beschouwd, is er ook niet veel aan
-gelegen, wat de lui met hunne hanen doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen,
-dat men bijna niets in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom
-dat torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken; die kan er
-dus niet zijn.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p133width"><img src="images/p133.png" alt="" width="484" height="264"></div><p>
-</p>
-<p>Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit aan den voet van
-een wenteltrap, die naar Rashleigh&#x2019;s kamers leidde, terwijl deze weder met de overige
-gedeelten van het kasteel door een donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer
-door eene zijdeur, vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge
-steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in den <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>tuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne nabestaanden
-niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of terugkeeren, zonder dat het
-opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd van die trap en dat poortje volstrekt geen
-gebruik meer gemaakt, en deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des
-tuinmans aanmerking bij.
-</p>
-<p>»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Niet dikwijls,&#x201d; antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar maal. Ik geloof dat
-de priester het geopend heeft, die pater Vaughan, zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden
-betreedt niemand die trap: die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit
-de andere wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen doen.
-Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in Schotland verbant een
-spook tweemaal zoo gauw als de priester met zijn wijwater en zijne afgodische kluchten.
-Ik geloof ook niet, dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks,
-als ik hem de geleerde namen der planten noem.&#x201d;
-</p>
-<p>Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen van eenige Katholieke
-edellieden in den omtrek voor het heil der zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd,
-daar ik hem nog slechts zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar
-ik meen, uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins onbesproken
-gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als een braaf en waardig man
-geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige, waardoor zijn stand zich onderscheidt.
-Er lag op zijn gelaat iets geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar
-priesterbedrog geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer
-vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.
-</p>
-<p>Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde: want zoolang als
-hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden
-deed zelfs mijn oom zich ten opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was
-dan ook het bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan toonde
-in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk den leeraars van zijn geloof,
-bijzonder in Engeland, zoo eigen is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten,
-door de beperking van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd,
-is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna vreesachtig. De
-priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met lieden van alle geloofsbelijdenis
-te verkeeren, is gul, vroolijk en vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te
-maken, wat hem door zijne slimheid ook meestal gelukt.
-</p>
-<p>Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij zich, geloof ik,
-bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze omstandigheid kon zeker in mij geene
-neiging wekken, kennis met hem te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens
-mij gedroeg, bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig ontmoetten,
-<span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span>tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer waarschijnlijk voor, dat de
-priester, gedurende zijn verblijf op het kasteel, Rashleigh&#x2019;s kamer bewoonde. Van
-een man van zijn stand mocht men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht.
-Niets natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond mijne opmerkzaamheid
-had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal, dat Diana&#x2019;s omgang met den priester
-even geheimzinnig was als hare betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan&#x2019;s
-naam genoemd, zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting, toen
-zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in het kasteel, behalve
-haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg
-bemerkt, dat bij des priesters komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te
-beven; dit duurde dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken
-gewisseld hadden.
-</p>
-<p>Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone, aanminnige meisje
-omsluierde, zonder twijfel was de priester daarin betrokken. Had hij misschien last,
-haar in het klooster te brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven
-van de hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst zeer wel verklaren.
-Overigens schenen beiden weinig omgang met elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken.
-Bestond er inderdaad een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst,
-die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig hadden. Toch
-had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij elkander teekens gaven, welke
-ik toenmaals slechts voor wenken over het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht
-had gehouden. Ik had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde
-en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te handhaven. Maar nu
-was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer gewichtige beteekenis toe te kennen.
-Had hij geheime bijeenkomsten met Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij
-bezig hield. En als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den
-vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?
-</p>
-<p>Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker, naarmate het mij
-onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden,
-dat mijne vriendschap voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de
-regels der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op den verachtelijken
-Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige pogingen om mij te tergen mij veel
-sterker gestoord dan hij eigenlijk verdiende. Maar nu begon ik Diana&#x2019;s gedrag met
-zoo scherpe blikken na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid
-trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik verliefd was. Wel
-wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede standvastig blijven ontkennen, dat
-ik mij aan eene zoo onbezonnene neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige
-wegwijzer, die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan eigenzinnig
-beweerde, <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou kennen en verdwaald zijn. »Neen&#x201d;&#x2014;zeide
-ik&#x2014;»ik ben niet verdwaald&#x201d; &#x2026; Toch was het zoo.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XVI.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Op zekeren dag, tegen den middag toen
-</p>
-<p class="line">ik naar mijn boot ging, ontdekte ik
-</p>
-<p class="line">met groote verassing het spoor van
-</p>
-<p class="line">een naakten menschenvoet, zeer duidelijk
-</p>
-<p class="line">in het zand van den oever afgedrukt.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Robinson Crusoe.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1642"><span class="xd29e1642init">D</span>iana&#x2019;s zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming en jaloezie in mij
-verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen opmerker en bespieder, dat dit haar
-spoedig in het oog viel, hoewel ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid
-dat ik haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels in verlegenheid
-te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te zijn. Nu en dan kwam het mij voor,
-alsof zij eene gelegenheid zocht om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene
-handelwijze, die haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid
-den moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere oogenblikken
-scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond daarop ontzonk haar dan weer
-de moed. Haar misnoegen verdween onder een geestig antwoord en hare klachten bestierven
-op hare lippen. Wij stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander.
-Een groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch verheelden
-elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl ieder door des anderen daden
-tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen
-ons zonder vertrouwen; aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid
-zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen kant verlegenheid
-en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch ben ik overtuigd, dat deze woeling
-van hartstochten, die voortdurend door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer
-ook op zich zelf onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken,
-niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot elkander trok. Mijne
-ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg ontdekt te hebben, dat sedert mijn
-verblijf op het kasteel, Diana&#x2019;s tegenzin in het klooster <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137">137</a>]</span>vermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op eene genegenheid te kunnen rekenen,
-die in elk geval aan de geheimen van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen
-te zijn. Diana dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar plichtbesef
-of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek dat wij toen eens met elkander
-hadden, deed mij het helder inzien.
-</p>
-<p>Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene uitgave van den Razenden
-Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit viel een blad beschreven papier op den grond.
-Ik wilde het dadelijk oprapen, maar zij voorkwam mij.
-</p>
-<p>»Verzen?&#x201d; zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het ontvouwen had,
-hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn antwoord afwachtte.&#x2014;»Mag ik zoo vrij
-zijn?&#x2014;o, als gij bloost en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen,
-en veronderstellen, dat het mij vergund is.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p137width"><img src="images/p137.png" alt="" width="485" height="376"></div><p>
-</p>
-<p>»Het is het lezen niet waard!&#x201d; viel ik haar in de rede; »slechts een losse proeve
-van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te gestreng vonnis moeten volgen,
-als gij, die het oorspronkelijke zoo goed kent, als de rechter over deze proeve wildet
-optreden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Beste vriend,&#x201d; hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij aannemen? Hengel dan
-toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen een, dat gij er geen enkele vleierij
-mede vangt! Gij weet immers dat ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo
-zelfs zou van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto&#x2019;s lied:
-<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span></p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">»Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ik
-</p>
-<p class="line">Van &#x2019;t hoofsch bedrijf, van &#x2019;t koen en heldenmoedig hand&#x2019;len
-</p>
-<p class="line">Van koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,
-</p>
-<p class="line">Uit Afrika, &#x2019;t Barbarenland, kwam wand&#x2019;len.
-</p>
-<p class="line">Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,
-</p>
-<p class="line">Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.
-</p>
-<p class="line">Het gold <span class="corr" id="xd29e2144" title="Bron: Trajano&#x2019;s">Trojano&#x2019;s</span> moord. Hij kwam van verre stranden,
-</p>
-<p class="line">Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fier
-</p>
-<p class="line">Den grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen .&#x2026;
-</p>
-<p class="line">Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.
-</p>
-<p class="line">Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en groot
-</p>
-<p class="line">Tot razernij verviel, om bittren liefde nood .&#x2026;</p>
-</div>
-<p class="first">»O, o! Er staat nog veel meer!&#x201d; zeide zij, het papier overziende. Ik had de zoetste
-tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden streelen; den klank der verzen van
-een jongen dichter, door geliefde lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.
-</p>
-<p>»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,&#x201d; zeide ik een weinig
-gevoelig en nam het papier uit hare hand, die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid,&#x201d;
-vervolgde ik na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig houden,
-dan wanneer ik&#x2014;het spreekt van zelf, slechts tot mijne eigen uitspanning&#x2014;de vertaling
-van den heerlijken dichter weder opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne,
-ben ik er mede begonnen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar het zou de vraag zijn,&#x201d; zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd niet tot iets beters
-kondt besteden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij meent misschien tot eigen werk?&#x201d; antwoordde ik en gevoelde mij ten hoogste gestreeld.
-»Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is vaardiger in het vinden van woorden en
-rijmklanken dan van dichterlijke gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken
-kan wat Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft .&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Vergeef mij waarde neef, ik <span class="ex">geef</span> geene aanmoediging; gij <span class="ex">neemt</span> ze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende dat gij uw tijd
-tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het een, noch het ander doen. Maar
-gij zijt min of meer gevoelig, zie ik, over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat
-ik u daartoe aanleiding heb gegeven.&#x201d;
-</p>
-<p>»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!&#x201d; hernam ik, en trachtte een opgeruimde
-houding aan te nemen, wat mij echter niet wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht
-voor de deelneming, die gij mij bewijst.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, neen!&#x201d; vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon uwer stem spreekt
-gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word niet boos, als ik u nog wat dieper
-in het hart moet grijpen. Wezenlijk, wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien
-nòg sterker treffen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139">139</a>]</span></p>
-<p>Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare meerderheid boven mij
-handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik om eene berisping,
-waarvan het goede doel mij bekend was, boos zoude worden.
-</p>
-<p>»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en gesproken!&#x201d; antwoordde zij. »Ik
-wist wel, dat de booze geest der dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar
-laat mij ernstig zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!&#x201d;
-</p>
-<p>»Van mijn vader? Volstrekt niets!&#x201d; hernam ik. »Sedert eene scheiding van vele maanden
-heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij heeren, die den
-naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat hij naar Holland is vertrokken
-om dringende zaken, die daar zijne tegenwoordigheid eischten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename verrassing
-zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst, bijna het gansche bestuur
-van zijne zaken te Londen, zonder eenige beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?&#x201d;
-</p>
-<p>Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet verbergen.
-</p>
-<p>»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!&#x201d; zeide Diana zeer ernstig. »Ware ik
-in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk een geheel verkeerden maatregel
-kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te
-verijdelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!&#x201d; zeide zij met een blik,
-met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de riddertijden herinnerde, wier
-bemoediging de kampvechters met een hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde.
-»Maar den vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk schijnt,&#x201d;
-voegde zij er bij.
-</p>
-<p>»Maar wat raadt gij mij dan?&#x201d; vroeg ik, haar antwoord wenschende en vreezende.
-</p>
-<p>Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij onverwijld het kasteel
-verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien zijt gij reeds veel te lang hier geweest,&#x201d;
-voegde zij er eenigszins zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij
-van nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik moet ronduit verklaren,
-dat, als uw vader zijne zaken nog lang in Rashleigh&#x2019;s handen laat, gij van zijn onherstelbaren
-ondergang vast en zeker overtuigd kunt zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ondergang, hoe is dat mogelijk?&#x201d;
-</p>
-<p>»Geen vragen!&#x201d; vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh&#x2019;s oogmerken reiken verder dan
-het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur van uws vaders inkomsten en goederen
-moet hem tot de uitvoering van zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang
-uw vader in <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140">140</a>]</span>Engeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid zal Rashleigh
-velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke blijven er partij van te
-trekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle toezicht op zijne
-zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar kunnen afwenden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw aanspraak op medetoezicht
-is gegrond op uw geboorterecht, en niemand kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders
-eersten boekhouder en van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak
-is, Rashleigh&#x2019;s plannen zijn van dien aard, dat &#x2026;&#x201d; Plotseling bedwong zij zich, alsof
-zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,&#x201d; hernam zij weder, »zij zijn even als
-alle baatzuchtige en gewetenlooze plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij,
-die ze ontwierpen, bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet
-immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><i>»Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!&#x201d;</i></p>
-</div>
-<p class="first">Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe: »O, Diana, kunt
-gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja, dan ben ik er zeker al te lang gebleven!&#x201d;
-Zij bloosde, maar ging standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet
-alleen het kasteel verlaten,&#x2014;maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier slechts één
-wezen terug dat u genegen is;&#x201d; ging zij voort, zich tot een glimlachje dwingende.
-Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt,
-aan het welzijn van anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden,
-wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger, veel minder
-beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel minder onder den invloed
-van kwaadsprekende tongen en booze tijden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nooit!&#x201d; riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden, wat ik hier
-moet achterlaten!&#x201d;&#x2014;Ik vatte hare hand en drukte die aan mijne lippen.
-</p>
-<p>»Dat is dwaasheid!&#x201d; riep zij; »dat is krankzinnigheid!&#x201d; En zij deed pogingen om hare
-hand uit de mijne los te maken, maar niet met zooveel ernst als noodig was om te slagen.
-Ik hield haar hand wel eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,&#x201d;
-begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting van hartstocht. Ik
-ben door eene plechtige overeenkomst de bruid des Hemels, tenzij ik liever met de
-laaghartigheid van Rashleigh Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder,
-huwen wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan het klooster
-verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en betuigingen verspild: ze bewijzen
-slechts te meer, hoe noodzakelijk het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste.&#x201d;
-</p>
-<p>Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening overweldigd <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141">141</a>]</span>en zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij terstond! Wij zullen elkander hier
-nog eenmaal zien, maar dan voor de allerlaatste maal.&#x201d;
-</p>
-<p>Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der hare. En het kwam
-mij voor, alsof het behangsel, dat de deur van den geheimen gang naar Rashleigh&#x2019;s
-kamer bedekte, bewogen werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden,
-uitvorschenden blik op Diana.
-</p>
-<p>»Het is niets,&#x201d; zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter het behangsel.&#x201d;
-</p>
-<p>Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden, verontwaardigde
-mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna op den luisteraar losgegaan zijn.
-Maar, tot mijn geluk misschien, keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid
-terug. Ik besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana&#x2019;s herhaald
-gebod: »verlaat mij! verlaat mij!&#x201d; te gehoorzamen. Zeker werd ik daardoor voor eene
-zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos
-trachtte ik, toen ik mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen
-bedaren.
-</p>
-<p>Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne ziel, verduisterden
-ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in bergachtige oorden, zwarte wolken,
-die al wat dient om den reiziger door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken.
-De duistere, onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh&#x2019;s kuiperijen
-voor mijn vader ontstaan kon&#x2014;de onmiskenbaar moeielijke toestand van het beminnelijke
-meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht was, den sluier te kiezen, of
-eene ongelukkige echtverbintenis aan te gaan&#x2014;dit alles drong zich op voor mijne ziel,
-en mijn verstand was volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen
-en te toetsen.
-</p>
-<p>Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze, waarop Diana
-de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare houding, tusschen deelneming
-en een vast besluit wankelend, scheen te verraden, dat er in haar hart eene stem ten
-mijnen voordeele sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen,
-die zich tegen de <span class="corr" id="xd29e2207" title="Bron: bekentis">bekentenis</span> van hare neiging verzetten. De blik, waarmede zij de beweging van het behangsel voor
-die geheime deur had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las
-daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond moest houden.
-Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig.
-Zij zou, zonder wezenlijke reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze
-geheimen zijn, die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten
-en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?
-</p>
-<p>Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over de betamelijkheid
-of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken en in plaats daarvan Diana&#x2019;s houding
-na te vorschen. »Welaan,&#x201d; <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>zeide ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil ik weten
-wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel te wachten heb. Openhartigheid
-en geheim schijnen met elkander de heerschappij over haar leven te deelen; de ééne
-geeft haar woorden en gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen
-nevel.&#x201d;
-</p>
-<p>Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en een rustelooze
-hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime jaloezie, maar die ik mij
-zelven niet wilde bekennen. De invloed, welken Diana aan de onzichtbare wezens, die
-hare daden bestuurden, scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder
-de tarwe, zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer ik over
-haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks, innerlijk overtuigd, dat
-zij geene leiding dulden zou, die niet uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste
-knaagde de bittere argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op
-eene andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en meer het
-verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik nam een besluit en overlegde
-een plan, het geheim te ontraadselen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XVII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Een stemme spreekt, gij hoort haar niet.
-</p>
-<p class="line">Mij roept zij toe: o, vlied toch, vlied!
-</p>
-<p class="line">Een hand zie ik.&#x2014;Gij ziet haar niet.
-</p>
-<p class="line">Mij wenkt zij toe: &#x201e;O, blijf hier niet.&#x201d;
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Tickell.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e2227"><span class="xd29e2227init">B</span>este vriend Tresham! Gij zult u wel herinneren, dat mijne avondbezoeken in de boekenkamer
-zelden anders dan na afspraak, en dan nog slechts in de tegenwoordigheid der oude
-Martha, plaats hadden. Dit was eene stilzwijgende overeenkomst, door mij zelf ingesteld.
-Sedert het vertrouwelijke verkeer tusschen Diana en mij door al meer bezwaren gestoord
-werd, waren wij des avonds nooit in die boekenkamer bijeen geweest. Diana kon dus
-ook niet veronderstellen, dat ik eene hernieuwing van die bijeenkomsten zou zoeken,
-nog minder, dat ik verzuimen zou, het te voren af te spreken, opdat de oude Martha,
-naar gewoonte haar post zou kunnen waarnemen: Die maatregel was echter alleen op eene
-soort van wederzijdsche schikking, volstrekt niet op een uitdrukkelijk bevel gegrond.
-De boekenkamer stond voor mij, even als voor <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143">143</a>]</span>ieder ander huisgenoot, elk uur van den dag open. Het kon dus geenszins als een ongeoorloofd,
-vermetel indringen beschouwd worden, zoo ik van dien toegang gebruik maakte, hoe onverwacht
-soms mijne verschijning dáár mocht zijn. Stellig geloofde ik, dat Diana in die kamer
-den priester, of iemand anders, door wiens oordeel zij gewoon was haar gedrag te laten
-besturen, nu en dan zag, en wel op een tijd, dat zij de minste stoornis behoefde te
-vreezen. Het licht, hetwelk de vensters der kamer op ongewone uren verlichtte; de
-voorbij zwevende schaduwen, welke ik zelf had opgemerkt; de voetstappen in den morgendauw,
-die men van het torenpoortje tot aan de achterdeur van den tuin ontdekte; de geluiden
-en gedaanten, welke eenige dienstboden, vooral de tuinman, gehoord en gezien en naar
-hunne meening verklaard hadden,&#x2014;dit alles bewees voldoende, dat die plaats door iemand
-bezocht werd, die niet tot de gewone huisgenooten behoorde. Deze onbekende bezoeker
-moest, naar ik geloofde, tot Diana&#x2019;s lot in nauwe betrekking staan. Ik vatte het plan
-op, om te ontdekken wie of wat hij was, en in hoe verre zijn invloed goede of kwade
-gevolgen voor haar zou kunnen hebben. Mijn hoofddoel echter, ofschoon ik mij zelven
-trachtte te overreden, dat het slechts eene zeer ondergeschikte beweegreden was, om
-uit te vorschen, door welke middelen deze onbekende zijn invloed op Diana verkregen
-had, hoe hij dien voortdurend handhaafde, of haar door vrees, of door wezenlijke genegenheid
-en <span class="corr" id="xd29e2231" title="Bron: welwillenheid">welwillendheid</span> leidde. Deze jaloersche nieuwsgierigheid was natuurlijk thans mijn hartstocht. Mijne
-verbeelding wilde Diana&#x2019;s gedrag steeds uit den invloed van één enkelen persoon verklaren,
-ofschoon ook, naar hetgeen ik van de zaak wist, hare raadgevers meerderen konden zijn.
-Dit hield ik mij zelven dikwijls voor. Doch telkens kwam ik tot het eerste vermoeden
-terug, dat één enkel wezen, en wel een man, en waarschijnlijk een jong, schoon man,
-op den achtergrond de rol van Diana&#x2019;s bestuurder speelde. Brandend van verlangen om
-zulk een mededinger te ontdekken, of liever te betrappen, begaf ik mij naar den tuin,
-ten einde op het oogeblik te loeren, waarop de vensters der boekenkamer zouden verlicht
-worden.
-</p>
-<p>Mijn ongeduld was zóó groot, dat ik lang voor het donker was, wel een uur vóór schemeravond,
-in den tuin reeds de wacht hield. Het was op een Zondag; al de paden waren stil en
-verlaten. Ik wandelde een poos op en neder, en terwijl de zachte avondkoelte mij goed
-deed, dacht ik wat kalmer na over de waarschijnlijke gevolgen van mijne onderneming.
-De frissche, met de geuren van allerlei planten gekruide lucht, deed de koortsachtige
-hitte bedaren, die mijn binnenste scheen te verteren. Toen mijne ziel nu van lieverlede
-tot eene rustiger stemming was teruggekeerd, vroeg ik mij zelven af, wat mij eigenlijk
-het recht gaf, in de geheimen van Diana, of in die van mijn oom, mij nieuwsgierig
-in te dringen? Wat ging het mij aan, wien mijn oom in zijn huis wilde verbergen, waar
-ik immers zelf slechts als gast geduld werd? Welk recht had ik, om Diana&#x2019;s gangen
-na te sporen. Zij had mij <span class="corr" id="xd29e2236" title="Bron: zelze">zelve</span> immers bekend, dat zij in een geheim gewikkeld was, dat zij volstrekt niet wilde
-uitgevorscht hebben.
-<span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span></p>
-<p>Maar mijn hartstocht en eigenzinnigheid hadden het antwoord op deze vraag gereed.
-Ontdekte ik den geheimen, onbekenden bezoeker, dan bewees ik mijn oom misschien een
-niet onbelangrijken dienst. Vermoedelijk wist hij niet, welke tooneelen er in zijn
-huis plaats hadden. En een nog veel belangrijker dienst kon ik Diana bewijzen, die,
-wegens hare openhartige en argelooze eenvoudigheid in het vertrouwelijke verkeer met
-een man, die wellicht van een dubbelzinnig of wel zelfs gevaarlijk karakter was, zich
-aan zoovele gevaren blootstelde. Ik trachtte weliswaar in haar geheimen door te dringen,
-maar ik had immers het grootmoedige, ja, zeide ik, het <span class="ex">onbaatzuchtige</span> oogmerk, om haar te leiden en te verdedigen, haar te beschermen tegen list, tegen
-boosheid, en bovenal tegen den geheimen raadgever, dien zij tot haren vertrouweling
-had gekozen. Dit waren de gronden. Mijne eigenzinnigheid nam die redeneeringen als
-echte munt aan. Mijn geweten deed als een koopman, die, hetzij dan gaarne of ongaarne,
-maar met elke betaling tevreden moest zijn, om niet in onmin met een goeden klant
-te geraken, ofschoon er sterke twijfel bestond, dat het valsch geld was.
-</p>
-<p>Ik wandelde de groene paden op en neer, over dit alles nadenkend. Plotseling zag ik
-den tuinman, voor een rij bijenkorven, als een standbeeld, in diepe beschouwing verzonken.
-Met het ééne oog sloeg hij het nijvere volkje gade, dat in zijne strooien woningen
-gedurende den naderenden nacht eene schuilplaats zocht, maar met het andere oog keek
-hij in een gebedenboek, dat door langdurig gebruik zijne hoeken verloren had, welke
-rond of afgesleten waren, zoodat het er als een antiquiteit uitzag.
-</p>
-<p>»Ik las daar juist een paar heilzame spreuken,&#x201d; dus begon hij. »Het boek is van den
-eerwaarden heer Quackleven, en heet: »Welriekende bloemen op den mesthoop van het
-leven gezaaid.&#x201d;&#x201d;&#x2014;Hij sloeg het boek dicht, na alvorens zijn bril tusschen de bladzijden
-gelegd te hebben, dáár waar hij in zijne aandacht door mij gestoord was.
-</p>
-<p>»Maar de bijen hebben u van uwe stichtelijke bezigheid toch min of meer afgetrokken,
-niet waar, vriend Andries?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, dat is een erg volkje!&#x201d; antwoordde hij. »Zes dagen in de week kunnen zij arbeiden,
-en toch zwerven zij ook des Zondags, op den heiligen Sabbatdag, rond, en beletten
-niet zelden vrome Christenmenschen Gods woord te hooren. Maar heden werd er in onze
-kapel juist geene predikatie gehouden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, wanneer gij, als ik, in de dorpskerk geweest waart, dan zoudt gij eene voortreffelijke
-predikatie gehoord hebben,&#x201d; hernam ik.
-</p>
-<p>»Dank u, niets dan ijskoude soep&#x2014;ijskoude soep!&#x201d; riep Andries op minachtenden toon;
-»goed voor honden die ze willen opslorpen; neem het mij niet kwalijk! Jawel, een predikant
-in zijn witten kiel zijne preek hooren opdreunen en de muzikanten op den koop toe!
-Neen, dat is geen preken, dat is een boerenbruiloft houden. Dan kan ik even goed vader
-Docharty zijne mis hooren prevelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Docharty?&#x201d; herhaalde ik&#x2014;het was de naam van een ouden Ierschen priester, die soms
-in het kasteel de mis las.&#x2014;»Ik meende dat pater <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145">145</a>]</span>Vaughan nog in het kasteel was. Gisteren was hij er ten minste.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p145width"><img src="images/p145.png" alt="" width="498" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>»Ja, maar hij is ook reeds gisteren weder vertrokken, om naar Greystock, of ergens
-die kanten uit, te gaan. Er is wat een beweging onder die lieden. Alles is ijverig
-bezig, even als mijne bijen. God vergeve het mij, dat ik die brave diertjes met de
-Papisten vergelijke. Zie eens, daar komt de tweede zwerm! Nu zullen zij denkelijk
-allen wel in rust <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146">146</a>]</span>zijn, en dus wensch ik u insgelijks goeden nacht, waarde heer. Gods genade zij met
-u!&#x201d;
-</p>
-<p>Na dit gezegd te hebben, verwijderde de tuinman zich en wierp nog een afscheidsblik
-op zijne bijen. Ik had hem een voor mij belangrijk bericht te danken. Pater Vaughan
-was niet meer op het kasteel. Brandde er dus dien avond licht in de boekenzaal, dan
-kon het zeker het zijne niet wezen, of zijn gedrag was zeer geheimzinnig en ten hoogste
-verdacht. Met klimmend ongeduld verbeidde ik de schemering. Nauwelijks stond ik tegenover
-de vensters, toen er een flauw schijnsel in de boekenzaal zichtbaar werd. Wel was
-het wegens den nog niet geheel onder de kim gezonken gloed van het avondrood nauwelijks
-te onderscheiden, maar ik ontdekte het schijnsel zoo snel als een schipper het nog
-verre licht van een vuurtoren, waarheen hij zijn koers richt. Alle twijfel, elk opkomend
-gevoel van welvoegelijkheid, die tot dusver mijne nieuwsgierigheid en jaloezie bestreden
-hadden, verdwenen, toen zich de gelegenheid opdeed, om de beide genoemde driften te
-bevredigen. Ik keerde naar het kasteel terug. Ik kwam, de meer bezochte gangen en
-kamers vermijdende, aan de deur van de boekenzaal. Met den sleutel, om de deur te
-openen, reeds in de hand, toefde ik nog een oogenblik. Ik hoorde zachte voetstappen.
-Eindelijk opende ik de deur en vond&#x2014;Diana alleen.
-</p>
-<p>Zij was verrast over mijne plotselinge verschijning; misschien ook over iets anders,
-ik kon het niet bepalen. Maar in haar geheele voorkomen heerschte eene zoo zichtbare
-onrust, als ik nog nooit bij haar opgemerkt had. Naar mijn oordeel, kon die slechts
-het gevolg van eene ongewone gemoedsbeweging zijn. In een oogwenk bedaarde zij echter,
-terwijl ik, zoo sterk is het geweten, ik, die haar wilde verrassen, ten uiterste verrast
-en het meest verlegen voor haar stond.
-</p>
-<p>»Wat nieuws brengt gij?&#x201d; vroeg zij. »Is er iemand op het kasteel gekomen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor zoo ver ik weet, niemand,&#x201d; antwoordde ik een weinig verward; »ik zocht slechts
-mijn Ariosto.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar ligt hij,&#x201d; zei Diana, op tafel wijzende.
-</p>
-<p>Terwijl ik eenige boeken ter zijde schoof, om te vinden wat ik voorwendde te zoeken,
-overlegde ik, op welke wijze ik mij met goed fatsoen uit dezen neteligen toestand
-zou kunnen redden. Ik moest van eene kampplaats, waarop mijne krachten te kort schoten,
-mij maar terugtrekken. Daar zag ik plotseling een manshandschoen op de tafel liggen.
-Mijn oog ontmoette Diana&#x2019;s oog, en haar gelaat werd vuurrood.
-</p>
-<p>»Het is een van mijne reliquiën,&#x201d; zeide zij met een vaste stem, terwijl zij niet mijne
-woorden, maar alleen den op haar geworpen blik beantwoordde; »het is een der handschoenen
-van mijn grootvader, het origineel dier fraaie schilderij van Van Dijck, die gij zoo
-zeer bewondert.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij scheen zelve te gelooven, dat meer dan eene bloote verzekering <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147">147</a>]</span>noodig was om mij te overtuigen, en eene schuiflade openende, nam zij daaruit een
-anderen handschoen, dien zij mij toewierp. Wanneer een van natuur geheel openhartig
-gemoed zich tot dubbelzinnigheid en veinzerij laat verleiden, gebeurt het niet zelden
-dat de angstvallige onrust, waarmede de ongewone arbeid verricht wordt, den toehoorder
-aan het twijfelen brengt. Ik wierp een snellen blik op de beide handschoenen en antwoordde
-ernstig: »De handschoenen gelijken elkander in vorm en bewerking vrij goed, maar zij
-zijn geen paar; het zijn beide rechtsche.&#x201d;
-</p>
-<p>Diana beet zich op de lippen en kleurde nogmaals sterk.
-</p>
-<p>»Gij hebt gelijk dat gij mij volstrekt niet verschoont,&#x201d; zeide zij met bitterheid.
-»Andere vrienden zouden uit hetgeen ik gezegd heb slechts geoordeeld hebben, dat ik
-geen lust had, om verklaringen wegens eene omstandigheid te geven, die geene verklaring
-behoeft, ten minste niet voor een vreemde. Gij hebt intusschen beter geoordeeld, en
-mij doen gevoelen, dat dubbelhartigheid laag, en veinzerij voor mij eene zeer moeielijke
-zaak is. Thans zeg ik u stellig, dat deze handschoen niet tot dien anderen behoort,
-zoo als gij scherpzinnig op- en aangemerkt hebt. Hij behoort een vriend, die mij nog
-dierbaarder is dan het oorspronkelijke van dit portret&#x2014;een vriend, wiens raadgevingen
-mij geleid hebben en nog verder zullen leiden&#x2014;een vriend, dien ik eer, dien ik.&#x2026;.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij zweeg. Ik was door deze gedeeltelijke bekentenis niet weinig verstoord en vulde
-terstond hare afgebroken woorden op mijne manier aan; »dien zij bemint, wilde freule
-Vernon zeggen?&#x201d;
-</p>
-<p>»En al wilde ik dit zeggen,&#x201d; antwoordde zij op fieren toon, »wie zou dan het recht
-hebben om mij wegens mijne genegenheid ter verantwoording te roepen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik niet freule, ik niet! zooveel vermetelheid bid ik u mij vooral niet toe te schrijven.
-Maar,&#x201d; vervolgde ik met nadruk, want ik was nu insgelijks min of meer boos geworden,
-»ik hoop, dat freule Vernon een vriend vergiffenis zal willen schenken, al schijnt
-zij hem dezen naam te willen ontnemen, wanneer hij opmerkt dat.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Hij merkt niets op, mijnheer Osbaldistone!&#x201d; viel zij mij in de rede. »Want ik wil
-noch verdacht noch ondervraagd worden. In de gansche wereld leeft niemand, door wien
-ik mij wil laten beoordeelen. Hebt gij dezen ongewonen tijd uitgekozen, om mijne geheimen
-op het spoor te komen, dan is de vriendschap of deelneming, welke gij voor mij zegt
-te gevoelen, slechts de verachtelijke dekmantel van uwe onbeleefde nieuwsgierigheid.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik dank u en ik zal u ontslaan van mijne tegenwoordigheid!&#x201d; hernam ik, even trotsch
-als zij, »ik ontwaak uit een aangenamen, maar bedriegelijken droom, en&#x2014;maar wij verstaan
-elkander thans!&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden stond ik aan de deur der zaal, toen Diana, wat niet zelden gebeurde,
-door eene plotselinge aandoening overweldigd, naar mij toe snelde, mijn arm vatte
-en mij tegenhield, terwijl zij daarbij die gebiedende houding aannam, van welke zij
-zich soms zoo <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>goed wist te bedienen, en die dan, in tegenoverstelling met de gulle eenvoudigheid
-van haar gewone houding, zulk een krachtigen invloed kon oefenen.
-</p>
-<p>»Blijf, neef Frans, blijf!&#x201d; zeide zij. »Op deze wijze moet gij niet van mij scheiden.
-Ik ben volstrekt niet zoo rijk aan vrienden, dat ik zelfs de ondankbaren en baatzuchtigen
-zou kunnen verstooten. Hoor naar hetgeen ik u zeg, mijnheer Frans Osbaldistone! Van
-dezen geheimzinnigen handschoen zult gij niets vernemen,&#x2014;dit zeggende hield zij den
-handschoen in de hoogte&#x2014;»volstrekt niets: neen, geen woord meer dan gij reeds weet,
-en nochtans zal hij tusschen ons geen veetehandschoen worden. Mijn verblijf hier,&#x201d;
-vervolgde zij, tot een zachteren toon overgaande, »kan niet lang meer duren; het uwe
-moet nog korter zijn. Wij zullen spoedig scheiden en elkander nooit wederzien. Laat
-ons niet twisten. Laat mijn geheimzinnig ongeluk het voorwendsel niet worden, om de
-weinige uren te verbitteren, welke wij aan deze zijde van het graf nog bij elkander
-zullen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik weet niet door welke macht dit betooverend wezen eene zoo volkomene heerschappij
-over een gemoed erlangde, dat ik zelf niet altijd in staat ben te beheerschen. Bij
-het binnentreden der boekenzaal had ik besloten, Diana te dwingen tot eene verklaring
-die mij bevredigde. Zij had mij die met bitse fierheid geweigerd, mij onbewimpeld
-bekend, dat een medeminnaar bij haar boven mij de voorkeur had.&#x2014;Hoe toch kon ik de
-voorrechten, welke de geheimzinnige vertrouweling genoot, anders verklaren? En ondanks
-dit alles, toen ik de kamer verlaten en met haar voor altijd breken wilde, behoefde
-zij slechts van toon te veranderen, een eenigszins vriendelijker oog op mij te werpen,
-en, in plaats van eene trotsche gevoeligheid, een minzame en, als ware het, schertsende
-macht te toonen, waarbij ernst en weemoed samensmolten. Ik liet mij gewillig en onderdanig
-weder naar mijn stoel leiden.
-</p>
-<p>»Wat baat het?&#x201d; zeide ik, toen ik ging zitten. »Wat kan het baten? Waarom zou ik getuige
-van moeielijkheden zijn, waarvan ik u niet kan ontheffen, van geheimen, welke ik niet
-eens mag trachten te onthullen, zonder u te beleedigen! Hoe weinig ondervinding gij
-ook hebben moogt, het kan u toch niet onbekend zijn, dat eene schoone jonge vrouw
-slechts één vriend kan hebben. Zelfs bij mijn <span class="ex">vriend</span> zoude ik jaloersch zijn op een onbekenden, geheimzinnigen vertrouweling maar bij
-u.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij lijdt dus aan jaloezie&#x2014;aan al de kwellingen van dezen beminnelijken hartstocht?
-Zeg eens, gedurende den ganschen tijd hebt gij vaak niets anders uitgebracht dan die
-praatjes, die domkoppen in tooneelspelen en romans vinden, en dan zoolang napraten,
-tot die wartaal hen heelemaal in haar macht heeft? Knapen en meisjes babbelen op die
-wijze voort, tot zij echt verliefd worden. En als hunne liefde slaperig wordt, babbelen
-zij op dezelfde wijs al weder tot zij heusch jaloersch worden en aan het twisten geraken.
-Gij en ik moeten toch verstandig genoeg zijn om ons niet aan deze kinderachtigheden
-schuldig te maken. <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span>Wij mogen voor elkander niets anders dan vriendschap, gulle, vertrouwelijke, onbaatzuchtige,
-ware vriendschap koesteren. Elke andere betrekking tusschen ons is onmogelijk. Laat
-mij openhartig spreken&#x2014;&#x201d; voegde zij er na eenig stilzwijgen bij&#x2014; &#x2014;»hoewel ik daarbij
-iets te kort moet doen aan hetgeen de vrouw betaamt en over mijne oprechtheid een
-weinig moet blozen. Wij kunnen nooit met elkander huwen, al zouden wij het ook willen.
-En wij zouden het niet mogen, al konden wij het.&#x201d;
-</p>
-<p>En toen zij deze wreede verklaring deed, overtoog het liefelijkste rood haar gelaat.
-Ik wilde hare beide stellingen bestrijden, zonder aan het vermoeden te denken, hetwelk
-zich dien avond zoo zeer bevestigd had. Doch zij vervolgde met ijskoude bedaardheid,
-die bijna strengheid mocht heeten: »Wat ik zeg, is eene eenvoudige, onbetwistbare
-waarheid, waarheid, waarover ik noch vragen noch verklaringen wil hooren.&#x2014;Wij zijn
-dus vrienden, mijnheer Osbaldistone, niet waar? Wij zijn vrienden?&#x2014;&#x201d; Zij reikte mij
-de hand toe, en de mijne vattende, voegde zij er op denzelfden toon bij: »voor heden
-en in de toekomst volstrekt niets anders voor elkander dan vrienden!&#x201d;
-</p>
-<p>Zij liet mijne hand los, die neerzonk, terwijl mijn hoofd insgelijks de onwillekeurige
-beweging mijner hand volgde. Ik was door hare goedheid en haar ernstigen wil geheel
-overweldigd.
-</p>
-<p>Schielijk gaf Diana aan het gesprek eene andere wending.&#x2014;»Hier is een brief,&#x201d; zeide
-zij. »Het adres luidt duidelijk aan u. Maar in weerwil van al de voorzichtigheid waarmede
-de afzender hem verzonden heeft, zou hij u misschien niet ter hand zijn gekomen, indien
-hij niet een betooverden dwerg in handen ware gevallen, dien ik, even als alle met
-rampen worstelende prinsessen uit de sprookjes, in mijn geheimen dienst heb.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik opende den brief, liep hem schielijk door, het papier ontviel mijne hand. »O God!&#x201d;
-riep ik uit: »door mijne dwaasheid en ongehoorzaamheid heb ik mijn vader ongelukkig
-gemaakt!&#x201d;
-</p>
-<p>Diana sprong op, zichtbaar bewogen en bekommerd.&#x2014;»Gij wordt bleek, gij valt in onmacht.
-Zal ik u water geven? Verman u, mijnheer Osbaldistone! herstel u! Wat is er gebeurd?
-Uw vader&#x2014;leeft hij niet meer?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hij leeft, God zij dank!&#x201d; hernam ik, »maar in welken bitteren nood!&#x201d;
-</p>
-<p>»Is het anders niet, dan behoeft gij waarlijk nog niet te wanhopen. Mag ik den brief
-lezen?&#x201d; vroeg zij, het schrijven opnemende.
-</p>
-<p>»O ja,&#x201d; zeide ik, zonder inderdaad te weten wat ik zeide. Zij las den brief met zeer
-veel aandacht.&#x2014;»Wie is die Tresham, die den brief onderteekend heeft?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijns vaders compagnon, die zich echter weinig met de handelszaken van ons huis bemoeit.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hij spreekt hier van verscheidene brieven, welke vroeger aan u verzonden zijn,&#x201d; vervolgde
-Diana.
-</p>
-<p>»Ik heb tot nu toe nog volstrekt geen anderen brief dan dezen ontvangen,&#x201d; antwoordde
-ik.
-<span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p>»En Rashleigh, die sedert uws vaders vertrek naar Holland de zaken bestuurde, zou
-sedert eenigen tijd met eene aanzienlijke som gelds van Londen naar Schotland zijn
-vertrokken, om daar eenige wissels te betalen en men heeft na dien tijd niets meer
-van hem vernomen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Alles maar al te waar!&#x201d;
-</p>
-<p>»En dan heeft men,&#x201d;&#x2014;vervolgde Diana, den brief inziende, »een boekhouder, of zoo iets&#x2014;Owen
-heet hij&#x2014;naar Glasgow gezonden, om Rashleigh, zoo mogelijk, op te sporen, en men verzoekt
-u, insgelijks derwaarts te vertrekken, ten einde hem in zijne nasporingen behulpzaam
-te zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo is het, en ik moet oogenblikkelijk afreizen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar één enkel oogenblik geduld!&#x201d; viel Diana mij in de rede. »Het schijnt, dat het
-ergste wat er in staat, het verlies van eene som geld is. Kan dat u tranen doen storten,
-mijnheer Osbaldistone? Schaam u! Over een som geld!&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij doet mij onrecht,&#x201d; antwoordde ik. »Dat verlies is volstrekt niet de reden van
-mijne hevige ontroering. Mij treft het besef van de uitwerking, welke dit ongeval
-op mijns vaders zwakke gezondheid zal hebben. Het vertrouwen van den handel staat
-bij hem op even hoogen prijs, als de eer. Als deze gebeurtenis oorzaak is, dat de
-op hem getrokken en door hem geaccepteerde wissels door dit verlies niet op den vervaltijd
-betaald worden, dan weet ik zeker, dat met het eerste protest van zulk een wissel
-ook zijn doodvonnis zal geteekend zijn. En dit alles had ik kunnen voorkomen door
-een gering offer van mijne dwaze trotschheid, door het bedwingen van mijn tegenzin
-in nuttige werkzaamheden, die mij weerhield, om mijn vader in zijn eervol beroep behulpzaam
-te zijn. O God! hoe zal ik de gevolgen mijner dwaling herstellen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij moet terstond naar Glasgow vertrekken, zoo als uw vriend u verzoekt,&#x201d; hernam
-Diana.
-</p>
-<p>»Maar als Rashleigh wezenlijk het schandelijke en gewetenlooze oogmerk heeft, om zijne
-weldoeners te berooven, hoe zou ik dan middelen kunnen vinden om zulk een listig ontworpen
-plan te verijdelen?&#x201d;
-</p>
-<p>»De uitslag is trouwens onzeker, maar het zou u volstrekt onmogelijk wezen, uw vader
-van eenig nut te zijn, als gij hier bleeft. Bedenk dit wel. Hadt gij u op de plaats
-bevonden die voor u bestemd was, dan zou dit ongeluk niet hebben kunnen gebeuren.
-Maar spoed u nu daarhenen, waar men u verwacht, en misschien kan alles nog hersteld
-worden. Doch wacht een oogenblik en blijf hier, tot ik terugkom.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij liet mij alleen in hevige verwarring en ontroering. En te midden daarvan bleef
-ik de vastberadenheid en tegenwoordigheid van geest bewonderen, welke Diana zelfs
-bij de meest verrassende ongevallen scheen te behouden.
-</p>
-<p>Weldra kwam zij terug en had een papier in de hand, dat als een brief gevouwen en
-gezegeld, maar zonder opschrift was. »Dit bewijs van mijne vriendschap zal ik u toevertrouwen,&#x201d;
-zeide zij, »daar ik mij met <span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>zekerheid op uw eergevoel verlaat. Begrijp ik het wel, hoe het eigenlijk met die netelige
-zaak gelegen is, dan moeten die gelden, welke Rashleigh medegenomen heeft, voor wissels
-op zekeren dag, ik meen den 12den September, uitbetaald worden. Kan men nu vóór dien
-tijd eene voldoende som daarvoor vinden, dan is uws vaders krediet behouden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist, zoo begrijp ik den inhoud van den brief eveneens,&#x201d; antwoordde ik, en voegde,
-toen ik het schrijven zelf nog eens had ingezien, er bij: »het is zoo, het kan niet
-anders zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welaan, in dat geval kan mijn gedienstige geest u van nut worden,&#x201d; vervolgde Diana.
-»Ik heb u gezegd, dat er eene tooverkracht in den brief is. Neem hem, open hem echter
-niet eerder, dan wanneer andere gewone middelen tot redding vruchteloos blijken te
-zijn. Wanneer gij door uwe eigen pogingen uw doel bereikt, dan vertrouw ik op uwe
-eer, dat gij den brief verbranden zult, zonder hem te openen of te laten openen. Gebeurt
-dit echter niet, dan moogt gij hem ontzegelen, maar slechts <span class="ex">tien</span> dagen vóór den noodlottigen tijd, en dan zult gij aanwijzingen vinden, die u voorzeker
-van nut zullen kunnen worden. Vaarwel Frans, wij zien elkander nooit weder, maar denk
-somwijlen aan uwe vriendin Diana Vernon!&#x201d;
-</p>
-<p>Zij reikte mij de hand toe, maar ik drukte haar aan mijn hart. Zij vergunde mij gelaten
-deze omarming. Zij zuchtte, toen zij zich losmaakte. Een oogenblik later was zij verdwenen
-door de deur, die naar hare eigene kamer leidde.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XVIII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Voort ging &#x2019;t! voort maar! hop, hop, hop!
-</p>
-<p class="line">Al voort! in bruisenden galop<span class="corr" id="xd29e2341" title="Bron: .">,</span>
-</p>
-<p class="line">Dat ros en ruiter snoven,
-</p>
-<p class="line">En stof en vonken stoven.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Bürger.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1015"><span class="xd29e1015init">H</span>et is hard, als op den mensch allerlei ongelukken van verschillenden aard tezamen
-instormen. En toch ligt daarin het voordeel dat door de verstrooiing, die hunne tegenstrijdige
-werking op het gemoed doet ontstaan, geen der onheilen hem geheel en al overweldigt.
-Het scheiden van Diana smartte mij diep; maar nochtans niet zoo zeer, dat ook het
-ongeluk, hetwelk mijn vader dreigde, mijn geest niet zou hebben bezig gehouden, terwijl
-weder die Jobstijding mij minder bekommerde, omdat ze niet het <span class="ex">eenige</span> voorwerp van bezorgdheid voor mij was.
-<span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152">152</a>]</span></p>
-<p>Niet dat ik een wuft minnaar, of een gevoellooze zoon was. Maar een mensch wijdt slechts
-een zeker deel van zijne smartelijke gewaarwordingen aan de oorzaak, waardoor zij
-verwekt worden. En wanneer twee daarvan tegelijk werken, dan moet onze deelneming
-noodzakelijk, even als de percent&#x2019;s gewijze betaling van een bankroetier, tusschen
-allen verdeeld worden. Met zulke gedachten kwam ik in mijne kamer. Het was alsof ik
-reeds op weg was naar de koopmansberekeningen.
-</p>
-<p>Ik begon mijns vaders brief ernstig te overwegen. De inhoud was mij nog niet zeer
-duidelijk. Ik werd ten opzichte van verscheidene omstandigheden naar Owen verwezen,
-dien ik te Glasgow aan het kantoor van de heeren <span class="corr" id="xd29e2358" title="Bron: Macvittie">Mac-Vittie</span>, Mac-Fin en Compagnie moest zoeken. Bij de vermelding van verscheidene vroeger aan
-mij afgezonden brieven, die verloren of onderschept moesten zijn, klaagde men over
-mijn halsstarrig zwijgen in uitdrukkingen, die zeer onbillijk zouden zijn geweest,
-wanneer mijne brieven ter plaatse van hunne bestemming waren gekomen. Ik was schier
-buiten mij zelven van verbazing. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat Rashleigh&#x2019;s
-geest rondom mij zweefde, en dat hij de zwarigheden, die mij omringden, als spoken
-opriep. Ik schrikte voor de gedachte, toen ik overwoog hoe veel laaghartigheid en
-macht hij tot de uitvoering van zijne ontwerpen moest gebruikt hebben. Om mij ten
-minste in één opzicht recht te laten wedervaren, wil ik niet verzwijgen dat het scheiden
-van Diana Vernon, hoe het mij ook op een anderen tijd zou ter neer geslagen hebben,
-mij thans minder trof, dan de gedachte aan de gevaren die mijn vader dreigden. Ik
-zelf hechtte weinig aan rijkdom, en meende, even als de meeste jonge lieden van levendige
-fantasie, dat ik gemakkelijker het bezit van geld ontberen kon, dan mijn tijd en mijne
-bekwaamheden opofferen voor de werkzaamheden, waardoor het moest verkregen worden.
-Maar ik wist dat mijn vader het verlies van zijn vermogen voor een onherstelbaar ongeluk
-zou houden, waarvoor het leven hem geen troost verschaffen en de dood alleen het eenige
-redmiddel zijn kon.
-</p>
-<p>Mijn geest ontwikkelde, bij de overweging hoe dit ongeluk af te weren, eene kracht,
-welke het eigenbelang nooit zou opgewekt hebben, wanneer het mijn eigen vermogen gegolden
-had. Ik nam het besluit, reeds den volgenden dag het kasteel te verlaten en Owen in
-Glasgow op te zoeken. Ik oordeelde het raadzaam, dit besluit aan mijn oom eenvoudig
-bekend te maken door een brief, waarin ik hem voor de bij hem genoten gastvrijheid
-mijn dank betuigde, en hem tevens verzekerde dat eene dringende en zeer gewichtige
-aangelegenheid mij belette, hem mondeling daarvoor te danken. Ik wist wel, dat de
-oude eenvoudige ridder mij gemakkelijk verontschuldigen zou, en ik geloofde zoo vast
-aan Rashleigh&#x2019;s wijd uitgebreide en vermetele macht, dat ik inderdaad vreesde dat
-hij, als ik mijn vertrek openlijk zou hebben aangekondigd, middelen zou gevonden hebben,
-om deze reis te verhinderen. Zijne verdere plannen zouden immers door mijne reis worden
-belemmerd.
-</p>
-<p>Ik besloot, mij met het aanbreken van den dag te verwijderen, ten einde ongehinderd
-over de naburige Schotsche grenzen te komen, waarvan <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153">153</a>]</span>het welgelukken mijner onderneming afhing. Ik kende noch den kortsten, noch over het
-geheel eenigen weg naar Glasgow. In deze verlegenheid, daar spoed thans van het hoogste
-belang was, viel mijne gedachte op den tuinman Andries, van wien ik eenige inlichting
-kon verwachten. Hoe laat het ook reeds was, ik begaf mij terstond naar zijne woning,
-die niet ver van den buitenmuur van den tuin lag. Het was een aardig, van ruwe steenen
-gebouwd en door groote berkeboomen overschaduwd huis; een beekje kronkelde erlangs,
-terwijl het ook een bloemperk en moestuintje had; uit dit laatste verschafte zich
-de bewoner de behoeften voor zijne tafel; eene koe, die hem boter en melk verstrekte,
-had ook hare behoorlijke stalling.
-</p>
-<p>Toen ik deze woning naderde, hoorde ik een geluid, dat zich in langgerekte neustonen
-oploste. Mijne eerste gedachte was, dat Andries, volgens de goede gewoonte zijner
-landslieden, eenige buren tot eene avondoefening, zoo als zij het noemden, bij zich
-vereenigd had. Hij had vrouw noch kinderen, noch andere vrouwelijke huisgenooten.
-»De eerste man,&#x201d; zeide hij doorgaans, »had al genoeg van dat vee gehad.&#x201d; Maar soms
-wist hij toehoorders uit de rondom wonende Katholieken en aanhangers der bisschoppelijke
-kerk bij zich te verzamelen&#x2014;»brandhouten uit het vuur weggerukt,&#x201d; zoo als hij ze noemde&#x2014;en
-dan oefende hij aan hen zijne geestelijke gaven, in spijt van pater Vaughan, pater
-Dotharty, Rashleigh en alle naburige Katholieken die hem, wegens deze onwettige uitoefening
-van hunne ambtsbediening, voor eene soort van ketterschen beunhaas verklaarden. Ik
-dacht, dat ook nu zijne woning tot een bedehuis voor zulk een gezelschap diende. Maar
-bij aandachtiger luisteren scheen mij het geluid uit de longen van den tuinman alleen
-te komen. Toen ik het door mijn binnentreden afbrak, vond ik hem werkelijk geheel
-alleen. Tot zijne stichting las hij een godgeleerd twistschrift en raffelde, zoo goed
-als hij kon, al de lange woorden en moeielijke namen achter elkander af.
-</p>
-<p>»Juist zocht ik een zalvende plaats of spreuk op bij den eerwaarden doctor Lichtfoot,&#x201d;
-zeide hij, terwijl hij den foliant ter zijde legde.
-</p>
-<p>»Lichtfoot?&#x201d; hernam ik, met verwondering op den foliant ziende. »Uw schrijver heeft
-een vrij ongepasten naam.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, Lichtfoot heet hij, waarde heer, maar hij was een heel ander godgeleerde, dan
-die van onzen tegenwoordigen tijd. Nu neem het mij niet kwalijk dat ik u zoo lang
-voor de deur liet staan, maar ik had heden avond een heel spul met een spook&#x2014;God behoede
-ons!&#x2014;en toen wilde ik niet gaarne opendoen, voor dat ik mijne avondoefening verricht
-had. Juist had ik het vijftiende kapittel van Nehemiah geëindigd. Als dat geen spook
-kan bedwingen, dan weet ik er niets van.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met een spook hadt ge te doen?&#x201d; vroeg ik, »hoe moet ik dat verstaan, Andries?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja, het wilde op mij los, God bewaar me!&#x201d;
-</p>
-<p>»Op u los? Wat beteekent dat toch?&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja, ik meen eigenlijk niet, dat het mij te lijf wilde&#x2014;maar het verschrikte mij
-geweldig.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span></p>
-<p>»Nu, mij is het wel. Genoeg daarvan! Ik wenschte gaarne te weten, of gij mij den naasten
-weg naar een zekere plaats van uw land, Glasgow genaamd, kunt wijzen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Eene plaats, Glasgow genaamd?&#x201d; herhaalde Andries. »Glasgow is een zeer groote stad,
-waarde Heer. Of ik den weg naar Glasgow ken? Wat een vraag? Die stad ligt dicht bij
-mijne geboorteplaats; mijne geboorteplaats ligt alleen een beetje meer westelijk.
-Maar wat hebt gij toch in Glasgow te zoeken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Bijzondere zaken roepen mij daarheen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is met andere woorden: vraag mij niet verder. Nu, ik zal u niet lastig vallen.
-Naar Glasgow?&#x201d; vervolgde hij, na eene poos zwijgens. »Mij dunkt, gij deedt beter,
-als gij een gids medenaamt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, kon ik er maar een vinden, die den weg kent.&#x201d;
-</p>
-<p>»En gij zoudt dan zeker voor verzuimden tijd en genomen moeite goed schadeloos stellen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Welzeker. Ik heb groote haast, en wanneer gij voor mij een knaap opsporen kunt, die
-mij vergezellen wil, kunt gij hem tevens verzekeren dat ik hem goed zal betalen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens, mijnheer, heden is het Zondag,&#x201d; vervolgde Andries, naar mij opziende,
-»en dan mag men zich met geene wereldsche zaken bezig houden, anders zou ik u wel
-eens willen vragen, wat gij er voor over hebt, als ik u een flinken gids bezorg, die
-de namen der kasteelen van al de edellieden langs dien weg weet op te noemen, en met
-de betrekkingen van die edellieden even goed als met zijne eigen familie bekend is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg u immers, dat ik alleen den weg behoef te weten. De gids zal met mijne betaling
-tevreden zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat doet er niets toe!&#x201d; hernam Andries. »De man, dien ik bedoel, kent alle zijpaden,
-alle voetpaden door het gebergte.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb geen tijd om thans langer te praten of u te hooren praten, mijn beste Andries.
-Breng de zaak maar voor mij in orde zoo als gij wilt, en gij zult mij een grooten
-dienst bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, dat laat zich hooren,&#x201d; hernam Andries. »Als het zoo is, en niet anders, dan zal
-ik, om alle verdere moeite te besparen, u maar zelf den weg wijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij, Andries? Maar hoe kunt gij zoo plotseling uw dienst verlaten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb u immers gezegd,&#x201d; antwoordde de tuinman, »dat ik reeds sedert lang dit voornemen
-gekoesterd heb, reeds sedert het eerste jaar van mijn dienst; en nu zal het daarmede
-eindelijk eens ernst worden. Beter laat dan nooit.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dus wilt gij uw dienst vaarwel zeggen en uw loon in den steek laten?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Nu ja, er zal iets aan moeten opgeofferd worden, dat spreekt van zelf. Maar ik heb
-nog eenig geld van onzen heer onder mij, van de appelen, weet ge, uit dien ouden boomgaard.&#x2014;Ja,
-de lieden, die dat onrijpe goed gekregen hebben, zijn er leelijk mede gefopt! En toch
-is onze <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155">155</a>]</span>heer zoo happig naar dat geld, en onze rentmeester maant er mij zoo dringend om, alsof
-het voor gouden pippelingen ontvangen was. Ook heb ik nog eene kleinigheid in geld
-voor verkochte zaden in handen, en zoo denk ik, zal ik mijn loon wel kunnen vinden.
-Maar wanneer wij naar Glasgow gaan, zult gij toch wel in aanmerking gelieven te nemen,
-dat ik gevaar loop eenig verlies te lijden. Gij zult waarschijnlijk spoedig vertrekken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Met het krieken van den dag.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is toch wat al te vlug! Van waar krijg ik een paard? Maar stil, ik weet er al
-een, dat juist voor mij geschikt is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan vinden wij elkander morgen vroeg te vijf ure heel aan het vooreinde van de laan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal er zijn, gij kunt er u gerust op verlaten!&#x201d; zeide Andries welgemoed. »Maar
-wilt gij mijn raad volgen, laat ons twee uren vroeger vertrekken, ik ken den weg bij
-dag en bij nacht.&#x201d;
-</p>
-<p>Gaarne gaf ik mijne toestemming tot dat voorstel, en wij maakten afspraak om elkander
-den volgenden morgen te drie ure op de bestemde plaats te ontmoeten.
-</p>
-<p>Plotseling herinnerde zich mijn aanstaande reisgenoot zijn spook. »Maar, maar,&#x201d; zeide
-hij, »dat spook, dat spook zou ons kunnen overvallen, en niet gaarne zou ik tweemaal
-in de vier en twintig uren daarmede opgescheept zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gekheid!&#x201d; riep ik in het heengaan. »Vrees toch niet voor wezens uit de andere wereld!
-Hier op aarde zijn booze geesten genoeg, die zonder bijstand van den Satan en zijne
-booze geesten, al erg genoeg klaar spelen.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden keerde ik naar het kasteel terug, maakte schielijk de noodige toebereidselen
-tot mijne reis, laadde mijne pistolen en wierp mij toen op &#x2019;t bed, om, zoo het zijn
-kon, nog eene korte rust te genieten, voor dat ik de lange reis ondernam, die niet
-zonder moeielijkheden en onaangenaamheden zou zijn. Uitgeput door de hevige aandoeningen,
-welke mij geschokt hadden, viel ik weldra in een diepen slaap, maar toen de klok van
-het kasteel twee ure sloeg, werd ik wakker, stond schielijk op, ontstak het licht,
-schreef den voor mijn oom bestemden brief, en nadat ik de allernoodigste kleederen
-in mijn valies had gepakt, begaf ik mij naar beneden en kwam, zonder eenige hindernis
-te ontmoeten, in den stal. Ofschoon ik nu wel geen volmaakte stalknecht was, zoo als
-mijne neven, had ik toch gedurende mijn verblijf op het kasteel Osbaldistone geleerd
-mijn paard te tuigen en te zadelen, ik was dan ook in weinige minuten daarmede gereed.
-</p>
-<p>Toen ik nu de oude laan, waarop de afnemende maan haar flauw schijnsel wierp, opreed,
-zag ik met een diepen zucht terug naar het gebouw waar Diana woonde, en het denkbeeld,
-dat wij misschien voor altijd van elkander gescheiden waren, deed mij onbeschrijfelijk
-leed.
-</p>
-<p>»Zij is reeds voor mij verloren!&#x201d; zeide ik in mij zelf, terwijl mijn oog te vergeefs
-uitzag naar het venster van hare kamer in den langen Gothischen muur van het kasteel,
-waarvan de tinnen spookachtig wit in <span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>den maneschijn uitstaken.&#x2014;»Zij is reeds voor mij verloren, eer ik nog uit hare nabijheid
-ben! Hoe zou ik kunnen hopen, als er mijlen afstand tusschen ons liggen, haar te herwinnen.&#x201d;
-</p>
-<p>In deze sombere droomerijen verdiept, hoorde ik de klok van het kasteel drie uren
-slaan.
-</p>
-<p>Dicht tegen den tuinmuur zag ik een man te paard wachten, doch ik moest wel driemaal
-hoesten en Andries roepen, eer de kerel antwoordde: »ja, ja, het is Andries!&#x201d;
-</p>
-<p>»Vooruit dan!&#x201d; zeide ik, »en zwijg, zoo gij kunt, tot wij door het dorp in het dal
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p156width"><img src="images/p156.png" alt="" width="469" height="323"></div><p>
-</p>
-<p>Andries reed nog veel sneller dan ik eigenlijk wenschte. Hij nam mijn bevel om stil
-te zwijgen zoo stipt in acht, dat hij mij zelfs met geen enkel woord antwoordde, toen
-ik hem herhaalde malen naar de oorzaak van dezen noodeloozen spoed vroeg. Eindelijk
-hadden wij langs allerlei zijpaden, welke Andries zeer goed kende, een goed eind wegs
-afgelegd, en kwamen nu over een wijduitgestrekte heide spoedig aan de kale heuvels,
-die Engeland van Schotland scheiden. Het pad, of liever het spoor, dat wij thans volgden,
-was steenachtig en vrij ongemakkelijk, maar desniettemin reed Andries steeds op een
-fikschen draf vooruit. Ik was verwonderd en misnoegd over zijne eigenzinnigheid, daar
-wij hier wegens den oneffen bodem telkens gevaar liepen, om langs de steile afgronden,
-die ons links en rechts aangrijnsden, door het struikelen van onze paarden een ernstig
-ongeluk te krijgen, of misschien zelfs het leven te verliezen. De maan scheen nog
-zeer flauw. Soms reden wij onder de schaduw van hooge bergruggen in eene zoo dichte
-duisternis, dat ik mijn voorrijder niet meer zien kon, en slechts de hoefslag van
-zijn paard en de vonken, welke het uit de steenen sloeg, mij zijn spoor aanduidden.
-De snelle beweging en de oplettendheid, die ik wegens <span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157">157</a>]</span>mijne eigen veiligheid aan mijn paard moest wijden, hadden eerst de weldadige uitwerking,
-dat zij mijn geest van mijn vele smartelijke overdenkingen afleidden. Toen ik echter
-den tuinman eene geruime poos vruchteloos toegeroepen had, werd ik innig boos over
-zijne halsstarrigheid, daar hij mij noch wilde gehoorzamen, noch eenig antwoord geven.
-Maar mijn toorn was, helaas, machteloos. Een paar maal trachtte ik hem in te halen,
-om hem mijn misnoegen eens ernstig te doen gevoelen, maar zijn paard was veel beter
-dan het mijne. Hij raadde mijn doel en reed steeds sneller, zoodra hij merkte dat
-ik hem naderbij kwam. Van boosheid kwam ik bijna buiten mij zelven, en eindelijk dreigde
-ik hem, mijne pistolen op hem te zullen losbranden. Dit maakte meer indruk, dan alle
-vriendelijke beden. Hij reed langzamer. Maar toen ik dicht bij hem was, begon hij:
-»het is waarachtig wat te zeggen, langs zulk een ellendigen weg te moeten rijden!&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar zeg eerst waarom zijt gij zoo snel gereden?&#x201d; antwoordde ik driftig. Men wordt
-in den regel driftiger, als men even te voren eerst een weinig vrees gevoeld heeft.
-</p>
-<p>»Maar wat wenscht u dan, waarde heer?&#x201d; vroeg Andries met onwrikbaren ernst.
-</p>
-<p>»Wat ik wensch, schelm? Heb ik u niet reeds een geheel uur toegeroepen langzamer te
-rijden, en gij hebt mij niet eens geantwoord! Zijt gij dronken of gek?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, waarde heer,&#x201d; hernam Andries; »ik heb eigenlijk, eer ik mijn huisje, waar ik
-zoo lang gewoond had, verliet, een klein slokje genomen tot afscheid. Zie, ik wil
-met de zuivere waarheid voor den dag komen, want liegen is een groote zonde. Ik had
-niemand, die mij bescheid kon doen, en dus moest ik dat wel zelf doen, of het restje
-brandewijn voor de Papisten achterlaten, en dat zou ik toch voor onzen lieven Heer
-niet hebben kunnen verantwoorden. Ik heb het dus maar heelemaal opgedronken.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik liet zijne verontschuldiging gelden. Hij was mijn gids in wiens macht ik in zeker
-opzicht was. Ik vergenoegde mij dus, met hem onder het oog te brengen, dat hij zich
-voortaan naar mijne bevelen te richten had.
-</p>
-<p>Toen hij uit mijne vriendelijkheid zag, dat mijn toorn was bedaard, nam hij weer het
-woord, eigenlijk op min of meer schoolmeesterachtigen beslissenden toon. »Gij zult
-het mij niet tegenspreken, gij noch iemand anders, dat men wel degelijk voor zijne
-gezondheid moet zorgen, wanneer men &#x2019;s nachts over heidevelden en in het gebergte
-reizen moet, en het best is, dan vooraf een slokje brandewijn of iets dergelijks tot
-versterking te nemen. Dan heeft de nadeelige nachtlucht geen invloed op ons zwak gestel,
-en men is daarenboven veel moediger. Wel honderdmaal ben ik, bij dag en bij nacht,
-den Otterscopeheuvel overgetrokken, maar nooit kon ik den weg vinden, als ik niet
-vooraf behoorlijk mijn morgenslokje genomen had. Soms had ik een paar vaatjes brandewijn
-aan iederen kant van mijn paard.&#x201d;
-</p>
-<p>»Met andere woorden Andries, gij waart een smokkelaar? Hoe kan een <span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span>man van uwe strenge grondbeginselen er ooit toe overgaan om de regeering te bestelen?&#x201d;
-</p>
-<p>»De regeering? Neen, dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het een echte regeering was.
-Maar het is immers hier slechts eene berooving van tollenaren en zondaren!&#x201d; antwoordde
-Andries. »Het arme Schotland lijdt erg van die liederlijke ontvangers en nog liederlijker
-kommiezen, die sedert de rampzalige unie als sprinkhanen tot ons overgewaaid zijn.
-Daarom moet een braaf mensch zijn vaderland nu en dan eene hartsterking bezorgen en
-dat satansche dievenras zijn buit ontnemen.&#x201d;
-</p>
-<p>Bij nadere bespreking bleek, dat Andries, vóór en na zijne aanstelling als tuinman
-op het kasteel Osbaldistone, dikwijls als smokkelaar op dit bergpad was geweest. Voor
-mij was deze omstandigheid in zoo verre van belang, als ik daarin een bewijs vond,
-dat de tuinman tot gids zeer bruikbaar was, ondanks den poets, dien hij mij in het
-begin gespeeld had. Hij reed nu wel is waar langzamer, maar nog steeds scheen het
-afscheidsglaasje, dat hem zoo zonderling opgewonden had, zijn invloed niet verloren
-te hebben. Dikwijls keek hij angstig om. Zoo vaak de weg effen werd, kwam hij in verzoeking
-om weder sneller te rijden, als vreesde hij den een of ander die hem vervolgde. Intusschen
-scheen zijne bezorgdheid meer en meer te verminderen, toen wij den rug van eene keten
-heuvels bereikte, die zich westelijk uitstrekten en aan beide kanten steil afliepen.
-Nu begon ook de dag aan te breken. En toen Andries eindelijk nogmaals omziende op
-de geheele eenzame heide geene menschelijke gedaante ontdekte, helderde zijn gelaat
-op. Hij begon te fluiten en zong eindelijk met ruwe, leelijke stem, maar vroolijk
-het einde van een Schotsch liedje:
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line">»Jenny, ik heb je meisje lief!
-</p>
-<p class="line xd29e412">Achter &#x2019;t veen, in bosch en hei
-</p>
-<p class="line xd29e412">Blijft mijn meisje aan mijn zij.&#x201d;</p>
-</div>
-<p class="first">En daarbij klopte hij het dier, dat hem zoo welgemoed en vroolijk tot hiertoe gedragen
-had, vriendelijk op den hals. Maar toen ik het nu van naderbij bezag, herkende ik
-terstond Thorncliff&#x2019;s lievelingspaard.&#x2014;»Wat is dat?&#x201d; vroeg ik min of meer norsch;
-»hoe komt gij aan het paard van mijnheer Thorncliff?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, eens was het zeker het paard van den jongenheer Thorncliff, maar thans is het
-zeker het mijne.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij het gestolen, schurk?&#x201d;
-</p>
-<p>»Gestolen? Wel waarachtig niet, mijnheer! niemand kan mij een dief noemen. Ik zal
-u zeggen hoe het eigenlijk met de zaak gelegen is. Mijnheer Thorncliff leende van
-mij tien pond, toen hij naar de harddraverij te York ging, en toen ik hem naderhand
-om mijn geld maande, snauwde hij mij toe, dat als ik nog eens op dien toon durfde
-zingen, hij onze rekening met zijn knuppel zou vereffenen. Nu heb ik het hecht in
-handen. Wil hij zijn paard weer hebben, dan moet hij mij tot den laatsten duit betalen,
-of hij krijgt geen haar van den staart meer van zijne <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159">159</a>]</span>merrie te zien. Ik ken een zaakwaarnemer in <span class="corr" id="xd29e2448" title="Bron: Laughmaben">Loughmaben</span>, die verstaat het recht. Een paard stelen! Neen! God beware mij voor die gruwelijke
-zonde! Ik heb het slechts in beslag genomen. <span lang="la">Juridictionis fendendie causa</span> of hoe ze dat met een Latijnschen of Griekschen naam heeten. Ja, die namen hebben
-veel van de plantennamen bij ons tuinlieden en andere geleerde mannen. Die drie woorden
-heb ik geleerd. Jammer maar dat die studie zoo weergaas duur was. Het is al wat Andries
-uit een langdurig proces overgehouden heeft. Het was om drie vaatjes brandewijn. Ja,
-het recht is al een zeer kostbaar ding!&#x201d;
-</p>
-<p>»Het zou u wel duurder te staan kunnen komen dan gij denkt,&#x201d; viel ik hem in de rede;
-»als gij onvoorzichtig genoeg zijt, om zonder de rechterlijke hulp in te roepen, uw
-eigen rechter te willen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Oho, beste mijnheer! Wij zijn thans in Schotland,&#x201d; antwoordde hij, »dank zij den
-Hemel! Daar zal ik wel goede vrienden vinden en rechters bovendien, zoo knap als een
-Osbaldistone denken durft. De neef van mijn ooms schoonbroeder is een neef van den
-schout te Dumfries, en die zal niet dulden, dat iemand van de familie verongelijkt
-wordt of schade lijdt. Hier krijgt iedereen recht, die recht heeft. Het gaat hier
-niet zoo als daar, waar de griffier Jobson, eer men er om denkt, een eerlijk man in
-de gevangenis werpt. Ook geloof ik stellig, dat recht en wet daar spoedig uitverkocht
-zullen zijn. Ik ben blij, dat ik maar bijtijds naar eene andere markt op weg ben,
-waar het een en ander nog wat ruimer en van beter allooi te vinden is.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik was zeer geërgerd over de handelwijze van den zoogenaamden eerlijken tuinman. Het
-verdroot mij geweldig, dat mijn noodlot mij voor de tweede maal met een mensch van
-zoo slechte beginselen in aanraking had gebracht. Ik besloot hem, zoodra wij het doel
-van onze reis bereikt hadden, het paard af te koopen en het mijn neef terug te zenden.
-Aan mijn oom wilde ik echter van het naaste posthuis voorloopig bericht van mijne
-plannen geven. Met Andries nog langer te twisten, oordeelde ik nutteloos. Misschien
-had hij, op de keper beschouwd, voor een mensch van zijn stand en opvoeding niet geheel
-onnatuurlijk gehandeld. Mijn misnoegen bedwingend, vroeg ik hem, waarom hij geloofde,
-dat er binnen kort in Northumberland geen recht meer te krijgen zou zijn.
-</p>
-<p>»Recht?&#x201d; antwoordde Andries. »Nu ja, het knuppelrecht zal daar al spoedig alleen gelden.
-De priesters, de Iersche officieren en al de Papisten, die buiten &#x2019;s lands soldaat
-zijn geweest, omdat zij niet langer te huis durfden blijven, die zwerven thans talrijk
-genoeg door geheel Northumberland. De kraaien komen altijd daar bijeen, waar zij aas
-rieken. Gij moogt mij gelooven, de oude ridder Osbaldistone heeft zich ook al daarmede
-ingelaten. In het kasteel ziet men niets anders dan geweren, pistolen, degens en dolken.
-Ik wed dat zijne lieve zoontjes, die zelfs den duivel niet vreezen, er ook spoedig
-bij zullen zijn. Neem het mij niet kwalijk, waarde Heer! Ik spreek, zoo als ik denk.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze verzekering van den tuinman herinnerde mij het vermoeden, hetwelk ook in mij
-was opgerezen, dat namelijk de Jacobieten de eene <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160">160</a>]</span>of andere wanhopige onderneming op het oog hadden. Ik had, daar ik zeer goed gevoelde,
-dat het mij niet paste mijns ooms woorden en daden te bespieden, elke gelegenheid,
-die zich voor mij aanbood om op die teekenen van eenige bijzondere voorbereiding te
-letten, eerder vermeden, dan daar partij van getrokken. Andries, die hieromtrent niet
-zoo nauwgezet behoefde te zijn, had nauwkeuriger opgelet. De nabijzijnde uitbarsting
-van oproerige bewegingen had hij met grond vermoed.&#x2014;
-</p>
-<p>»Zij hebben de dienstboden en al wat tot het kasteel behoort, geregeld gemonsterd,&#x201d;
-voegde hij er bij op geheimzinnigen toon. »Ik zou ook gewapend zijn geworden. Maar
-onder zulke lieden te dienen&#x2014;neen, dan kennen zij Andries niet! Vechten wil ik, als
-ik er lust in heb, doch niet voor de »hoer van Babel,&#x201d; en zeker niet voor zoo eene
-in Engeland.&#x201d;
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XIX.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,
-</p>
-<p class="line">Verweerd, gebrokkeld en gebogen,
-</p>
-<p class="line">Daarachter slaapt des dichters geest,
-</p>
-<p class="line">Des krijgsmans moed en menig minnend harte.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Langhorne.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e2474"><span class="xd29e2474init">N</span>auwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen, of mijn gids ging
-heen tot een vriend en raadsman, om met hem te overleggen, op welke wijze hij langs
-rechtmatigen weg het paard zijn wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans
-nog niet zoo geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij zijne
-terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige blikken, dat hij zich
-in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend, jegens wien Andries zich misschien
-al te openhartig uitgelaten had, was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter
-geworden. Deze had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een voedergeld
-van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden, tot de vraag aangaande het
-recht van eigendom behoorlijk beslist zou zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid
-van den tuinman bedreigd, doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen
-maatregel af en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot het
-voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor moest mijn reisgenoot
-hem zijne aanspraak op Thorncliff&#x2019;s paard geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde
-schertsend opmerkte, dat deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet
-eens de halster van het paard zou overblijven. <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span>Daarbij verried Andries, toen ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte,
-duidelijk zijne bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden
-overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar beter was dan de
-griffier Jobson.
-</p>
-<p>»Had men hem,&#x201d; zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat hij zich met zooveel
-gevaar had weten te verschaffen, en zoo die afzetterij slechts door Engelschen gepleegd
-ware, zou hij niets te zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai
-de andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen bedroog. <a id="xd29e2480"></a>Maar wat zal ik er van zeggen!&#x201d; voegde hij er op droevigen toon bij; »alles is in
-ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die ongelukkige Unie!&#x201d;&#x2014;Aan deze gebeurtenis
-schreef Andries namelijk elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder
-zijne landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen in de herbergen,
-de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden, waarop hij mij onderweg opmerkzaam
-maakte. Onder deze omstandigheden geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik
-mijn oom schreef, hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid,
-of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de vossenjagers in
-Northumberland het terugkregen, of de Schotsche griffier het behouden heeft, behoort
-niet tot onze geschiedenis. Ik heb het ook niet onderzocht.
-</p>
-<p>Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene noord-westelijke richting
-voort. Toen eenige kale, woeste heuvels achter ons lagen, opende zich voor ons het
-vruchtbare dal van de Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in
-de laatste tijden den naam van groote <i>stad</i>, die mijn gids, als door een profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig
-is geworden. Een uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische en
-Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart gelegd. Als men nu
-dien grond goed bevestigt en verstandig daarop voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal
-een hecht en schoon gebouw van handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke
-ik spreek, was het morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft
-den Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch deels was
-aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen te wijten, dat de Schotsche
-kooplieden voor het grootste gedeelte nog van het genot dier voorrechten verstoken
-waren, door dat gedenkwaardig verdrag hun verleend. Glasgow&#x2019;s ligging begunstigde
-geenszins de deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den weinig
-beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd, dadelijk verlevendigd.
-Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds gaf, om die hoogte in den handel te bereiken,
-waartoe het zich thans schijnt te kunnen verheffen,&#x2014;het was toch als hoofdplaats in
-het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en gewichtig. De breede
-Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen, bevorderde een vrij levendige binnenlandsche
-scheepvaart. Men zag dat hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggende <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span>vruchtbare vlakte, als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken
-brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden en allerlei voorwerpen.
-</p>
-<p>De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf hunne woeste stammen
-naar de markten dier stad. Kudden van wilde, ruigharige, kleine runderen en paarden,
-door Hooglanders geleid, die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag
-men in talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de ouderwetsche,
-zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar de ruwe, onbekende tonen dier
-taal, terwijl de Hooglanders&#x2014;zelfs onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met
-geweer, pistool, dolk en schild gewapend&#x2014;met verbazing de voorwerpen van weelde aanstaarden,
-welker gebruik hun onbekend was, en met een schier verontrustende hebzucht naar die
-dingen keken, die zij nauwelijks kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander
-verlaat ongaarne zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder
-een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch reeds toen waren
-de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door hongersnood en oorlog bezocht
-werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer vele van hunne bewoners aan Glasgow konden
-afleveren, die zich daar met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig
-tot vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.
-</p>
-<p>Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze veel belovende omstandigheden.
-De breede, aanzienlijke hoofdstraat had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant
-was eerder zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge,
-steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk was versierd. Dit
-gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat men in de meeste Engelsche steden,
-wegens de broosheid der baksteenen waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.
-</p>
-<p>Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad binnenreed. Al de klokken
-der kerktorens luidden. De menigte menschen, die ter kerk gingen, getuigde van de
-plechtigheid van den dag. Wij stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam
-en wellevend ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne
-navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke poging daartoe
-vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids verzekerden mij eenparig, dat er
-ten huize van de heeren Mac-Vittie, <span class="corr" id="xd29e2492" title="Bron: Macfin">Mac-Fin</span> en Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou te vinden wezen. De heeren
-waren daar, waar het goede Christenen op Zondag betaamt te zijn.
-</p>
-<p>Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich gelukkig niet tot
-de andere instellingen van zijn geboortegrond uitstrekte, hield nu een lofrede op
-den predikant, die thans in de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines
-met de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was, dat ik besloot
-de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om iets omtrent Owen te vernemen <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163">163</a>]</span>dan omdat ik bijzonder veel stichting verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de
-mededeeling, dat de heer Ephraim <span class="corr" id="xd29e2499" title="Bron: Mac-Vitte">Mac-Vittie</span>, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk zou zijn, maar dat hij ook zekeren
-vreemdeling, die zijn gast was, daarheen moest medegenomen hebben.
-</p>
-<p>Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik zou zijn geleide
-ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte drommen menschen, die de steile,
-oneffene straat optrokken, om den beminden predikant te hooren, mij den weg reeds
-aanwezen. Toen wij den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige
-kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk van Glasgow omgeeft.
-De kerk zelve is een somber en juist niet zeer fraai gebouw van Gothische bouworde.
-Maar haar eigenaardig karakter is over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past
-ook zoo volkomen bij hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht
-maakt, in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk getroffen,
-dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de kerk wilde trekken, eenige
-minuten weerstond, ten einde ze van den buitenkant met aandacht te beschouwen.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p163width"><img src="images/p163.png" alt="" width="474" height="299"></div><p>
-</p>
-<p>Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van den eenen kant
-van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan den anderen kant door een hollen
-weg wordt begrensd, door welks bijna onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch
-draagt bij om de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan gene
-zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte, die met pijnboomen bedekt
-is, welker donkere schaduwen somber op het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder
-een ander eigenaardig gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens
-is ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsen <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164">164</a>]</span>bekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast elkander en ofschoon
-aan den invloed van het weer blootgesteld, gelijken zij den met grafschriften bedekten
-bodem van sommige oude Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen
-der vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen; de ernstige
-les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche geven; de wijde vlakte, welke
-zij dekken&#x2014;alles herinnerde mij die rol van den heiligen Profeet, die van binnen en
-van buiten beschreven was, en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en
-wee!
-</p>
-<p>Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met al hetgene
-wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch men gevoelt, dat het
-karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien het lichter en sierlijker ware.
-Zij is, met uitzondering van de kerk Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige
-kerk in Schotland, die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries,
-die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw op mij maakte, bleef
-niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem bekend was van de omstandigheden dezer
-gelukkige ontsnapping aan het lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.&#x2014;»Ja,&#x201d;
-zeide hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen, geen Paapsche
-pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw vrij blijft van verwoestende
-menschenhanden en van het verwoestende buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang
-de wereld staat. Bijna zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas,
-Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men wilde ze zuiveren
-van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere lorren van de Papisterij, die op
-de zeven heuvels van Rome zit, alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware.
-Op een mooien morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen, en
-wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon vegen. Maar de burgers
-van Glasgow waren van meening, dat zulk eene sterke opruiming hunne oude kerk misschien
-kwalijk zou bekomen. Toen luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles
-te wapen, en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen,
-dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit liefde voor de
-Papisterij&#x2014;neen, dat kan niemand Glasgow&#x2019;s burgers nageven. Ten slotte kwamen zij
-overeen, dat de afgodische beelden der zoogenaamde Heiligen&#x2014;God behoede er ons voor!&#x2014;er
-uit zouden gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen, gelijk
-de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En de oude eerwaardige
-kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat, wanneer haar de vlooien uitgekamd
-zijn. En elk braaf Christenmensen was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb
-ik hooren zeggen dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld
-had, de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij alsdan
-meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja, ik ben lang genoeg
-in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet, <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165">165</a>]</span>dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig Godshuis in
-Schotland.&#x201d;
-</p>
-<p>En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XX.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">.&#x2026;.. Mijn ziel ontroert,
-</p>
-<p class="line">Van schrik verbijsterd.
-</p>
-<p class="line">Want graven zie &#x2019;k en lijkgesteenten,
-</p>
-<p class="line">Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>De treurende Bruid.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1839"><span class="xd29e1839init">I</span>k liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik bleef nog een
-paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het gebouw te beschouwen. Nu scheen
-het mij in de eenzaamheid, die het omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk
-gesloten, zoodra de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was,
-zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in het binnenste
-van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen, die, op een afstand, in <span class="ex">eene</span> enkele harmonie samenvloeiden, vrij van de ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid
-kwetsen, samensmeltende met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door
-de oude pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche natuur,
-zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep, scheen den plechtigen
-lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine vreugde samensmelten, terwijl zij
-zich tot haren Schepper verheffen. In Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen
-met al den luister, dien toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende
-plechtigheden konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel flauwer
-dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier werd ze, in den eigenlijken
-zin, door al de aanwezigen verricht. Daar bestond zij slechts in eene van buiten geleerde
-les, die kunstmatig opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur.&#x2026;
-</p>
-<p>»Kom, mijnheer, kom toch!&#x201d; riep de ongeduldige Andries mij toe en trok mij aan den
-roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden, veroorzaken wij storing in den
-godsdienst. Blijven wij hier staan, dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze
-lediggangers onder kerktijd, naar de wacht gebracht te worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik gemeend <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166">166</a>]</span>had, naar de hoofddeur.&#x2014;»Hierheen! hierheen!&#x201d; riep hij, mij naar zich toetrekkende.
-»Daar zoudt gij slechts ijdele praat, alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt
-de zuivere leer verkondigd.&#x201d;
-</p>
-<p>En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist wilde sluiten,
-en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een grafgewelf onder de kerk. Zoo
-was het ook. In deze onderaardsche kerk&#x2014;om welke reden is mij onbekend,&#x2014;werd eene
-zonderlinge godsdienstoefening gehouden.
-</p>
-<p>Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats gebruikt wordt,
-en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter gedeeltelijk in eene kerk herschapen
-en tot dat einde van zitbanken voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen
-bevatten, maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons rondom
-aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen in dit eenzame rijk der
-vergetelheid de graven van lang geleden ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts
-voor den onvermoeid vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd
-was als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden uit, om
-voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd door deze oude graven,
-was eene talrijke vergadering juist in haar gebed. De Schotten doen dit niet knielende,
-maar staande, misschien meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche
-kerkgebruiken af te wijken, dan om eenige andere reden.
-</p>
-<p>Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk
-ook bij hunne stille gebeden, de knielende houding van andere Christenen wel aannemen.
-Zoo stonden dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de mannen
-met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar het gebed, dat een hoogbejaard,
-zeer bemind geestelijke voor de vuist uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde
-geloof opgevoed, nam ik in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening,
-en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten, vestigde ik mijne opmerkzaamheid
-op al wat mij omringde.
-</p>
-<p>Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries en ik stonden
-tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren gekomen en geene zitplaatsen
-hadden kunnen vinden, en een kring rondom de zittenden vormden. Achter ons waren de
-donkere gewelven, voor ons de vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een
-klein Gothisch venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne gezichten.
-Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van hun godsdienst gewoon zijn,
-op den prediker de oogen gevestigd. Bijna allen waren zeer aandachtig. Soms was hier
-of daar een vader of eene moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind
-berispte, of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder door
-een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der Schotten met de uitdrukking
-van verstand en sluwheid, die niet zelden daarop te lezen is, onderscheiden zich veel
-gunstiger <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167">167</a>]</span>bij hunne godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid staan,
-dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.
-</p>
-<p>De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende gevoelens en
-gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is waar hadden ouderdom en
-ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte en volle stem merkelijk verzwakt. Hij
-las zijn tekst niet zeer duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne
-leerrede begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger, vooral
-dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte, die meest op de hoogere,
-voor het menschelijke begrip niet vatbare, zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen
-van den Christelijken godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door
-talrijke bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid, om
-hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of ik zijne stellingen
-wel goed begrepen had, maar niets kon treffender zijn, dan het, als door een hooger
-licht bestraald gelaat van den braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend,
-dan de uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer door
-de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid van hun gevoel onderscheiden.
-Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog
-van leerstelsels boven die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor
-elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.
-</p>
-<p>Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene gezichten vol
-uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: &#x201e;de prediking van den apostel Paulus te Athene&#x201d;
-herinnerden. Hier zat een ijverig, verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen
-diepe aandacht verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar
-gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de zegepralende kracht
-der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl de wijsvinger van zijne rechterhand
-nu en dan de vingers der linkerhand aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond
-tot bewijsgrond, en zoo tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander,
-wiens oog fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die aan
-&#x2019;s predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde over de strafbedreigingen,
-die tegen de twijfelaars uitgesproken werden. Een derde, die misschien tot eene andere
-gemeente behoorde, en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het
-een en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn hoofdschudden,
-dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor geldend hield. Maar de meesten
-luisterden met een bedaard, tevreden gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf,
-hoeveel zij er zich op lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon
-zij ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden meestal de
-vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring der leerstellingen nauwkeuriger
-acht te geven. De jongere keken nu en dan bescheiden <span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168">168</a>]</span>in de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid niet, dan vielen ook op mij
-hier en daar eenige blikken. Wat de rest betreft&#x2014;sommigen geeuwden of sliepen; dit
-waren de onverschilligen, de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te
-beperkt was om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die
-naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot aandacht opgewekt.
-Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door hinderlijke teekenen blijken. Naast
-de gewone dracht der <span class="corr" id="xd29e2548" title="Bron: Laag-landers">Laaglanders</span>, uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig Hooglander in zijn
-nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid
-in de vergadering rondziende, terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond,
-volstrekt geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden zette
-aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders niet zou gehad hebben.
-De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat er, zoo als Andries mij zeide, in de
-buurt beestenmarkt werd gehouden.
-</p>
-<p>Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters heldere zonnestralen
-vielen, die de aandachtige vergadering beschenen, zich dan in de achterste gewelven
-verloren, terwijl vooraan eene flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond
-in het duister lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.
-</p>
-<p>Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den leeraar gewend,
-den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor echter was ik aan herhaalde stoornissen
-blootgesteld; elk zacht geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig
-herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de scheuren van het bouwvallige
-dak op den bodem vielen. En hadden dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan
-kon ik ze zoo terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren
-achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in die geheimzinnige
-doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier geheel vergat, mijne aandacht op
-de zinrijke preek van den leeraar te vestigen.
-</p>
-<p>Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn vader vaak verwijtingen
-had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit eene al te groote prikkelbaarheid der
-verbeelding, die hij zelf niet kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal
-den tijd, toen ik aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde.
-Deze herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij zijn gevaarvollen
-toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht ik Andries, te onderzoeken, of
-zich ook iemand van het kantoor van Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn
-aandacht wijdend aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een
-elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even weinig gevolg
-overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik zocht of ook onder hen Owens
-mij zoo goed bekende trekken met hun uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen
-koopmansgeest te vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen,
-noch onder <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169">169</a>]</span>de mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets ontdekken, wat naar de deftige
-pruik, den lichtbruinen rok en de stijve das van onzen eersten boekhouder geleek.
-Intusschen pijnigde mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende
-dingen alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht bij den
-mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten en mijne nasporingen
-voort te zetten. Andries, even halsstarrig als op onzen tocht over het Cheviot-gebergte,
-verwaardigde zich in het eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij
-zag dat ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen der godsdienstoefening
-niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert het begin van het gebed gesloten waren.
-Toen hij mij dit met korte woorden vrij knorrig <span class="corr" id="xd29e2558" title="Bron: toegeflluisterd">toegefluisterd</span> had, keerde hij zich weder naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden,
-scherpbeoordeelenden toehoorder aan.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p169width"><img src="images/p169.png" alt="" width="472" height="403"></div><p>
-</p>
-<p>Ik moest van den nood<span class="corr" id="xd29e2566" title="Bron: -"> </span>eene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid weder op de leerrede trachten te vestigen.
-Maar eene nieuwe zonderlinge gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem
-achter mij fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad in
-gevaar!&#x201d;
-</p>
-<p>Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden stonden naast en achter
-mij. Even als wij, waren zij te laat in de kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik
-op hunne gezichten wierp, overtuigde <span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span>mij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde reden kon geven, dat geen
-van beiden tot mij gesproken had, en zeer opmerkzaam naar den leeraar luisterende,
-beantwoordde geen van beiden mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter
-ons kon den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne oogen
-onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze plaats gedaan had, en
-welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen mocht,&#x2014;dit waren vragen, waaromtrent ik
-mij in gissingen verdiepte en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte
-dat men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend op den leeraar,
-ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen, zijne mededeeling te herhalen,
-in de meening dat ik hem de eerste maal niet goed gehoord of begrepen had.
-</p>
-<p>Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd, of dezelfde stem
-fluisterde mij toe: »<i>hoor naar mij, maar zie niet om</i>.&#x201d;&#x2014;Ik keek onafgewend naar den preekstoel.&#x2014;»<i>Gij zijt in deze stad in gevaar</i>,&#x201d; vervolgde dezelfde stem, »<i>en ik zelf ook. Kom heden nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er
-zijn. Blijf overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen.</i>&#x201d;
-</p>
-<p>De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had de waarschuwer
-zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem, zoo het slechts mogelijk ware,
-te zien, drong ik mij uit den kring der toehoorders, en spoedde mij om achter den
-pilaar te komen. Ik vond niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde
-gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den geheimzinnige volgen,
-die als een spook in den donkeren achtergrond verdween. Weinig hoop had ik, om den
-onbekende, die blijkbaar niet ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop
-verdween geheel, toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en
-viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had, dat men mij zag
-vallen; want reeds had de leeraar&#x2014;men was zeer streng in het handhaven der orde, gedurende
-de godsdienstoefening&#x2014;zijne rede afgebroken en den opziener met luide stemme gelast
-den rustverstoorder in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd,
-volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats naast den tuinman
-hernemen.
-</p>
-<p>Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen ging, wees Andries
-mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter benevens den Heer Thomas Mac-Fin,
-die met juffrouw Mac-Vittie verloofd was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk
-bijvoegde, eene zeer goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe
-gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één woord, met een
-zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik herinnerde mij de waarschuwing
-van den onbekende en draalde met den man aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven
-eigenlijk niet zeggen kon, wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries,
-die mijn dralen voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreek <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171">171</a>]</span>hem aan,&#x201d; herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog geen burgemeester,
-maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt, zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk
-antwoorden, als gij maar geen geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne
-haalt hij zijn beurs uit&#x2014;zeggen de lui.&#x201d;
-</p>
-<p>Als de koopman wezenlijk zoo gierig is&#x2014;dacht ik&#x2014;als Andries beweert, dan dien ik voorzichtig
-te zijn, want ik weet niet hoe de rekening tusschen hem en mijn vader staat.&#x2026; Die
-overweging versterkte den indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had,
-en ook den afkeer, door &#x2019;s mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot mij niet
-terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen was geweest. Ik gelastte
-mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen,
-van wien hij die boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries
-beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den avondgodsdienst bij
-te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen bijtende spotternij bij: »Ja, als
-de menschen niet bedaard blijven staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof
-zij de dooden wilden wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk.&#x2026;<span class="corr" id="xd29e2588" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXI.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">In &#x2019;t middernacht&#x2019;lijk uur op de Rialto,
-</p>
-<p class="line">Volbreng ik, peinzende mijn avondgang &#x2026;
-</p>
-<p class="line">Daar dan ontmoeten wij elkander &#x2026;
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>Venetië gered.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e2599"><span class="xd29e2599init">E</span>en angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende reden er voor
-geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg op. Want mijn geleider, die er
-op aandrong, dat ik met hem de St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig
-geestelijke zou prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn
-toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig was ik niet, maar
-ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden toestand al de hulpmiddelen van zijn
-verstand vruchteloos uitgeput heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid
-kan worden om zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan geheel
-aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in hem opkomen en hem, ondanks
-zich zelven, medesleepen. Er lag iets zoo zonderling terugstootends in de onaangename
-gelaatstrekken van den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem
-te vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer, <span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172">172</a>]</span>die als een vluchtig spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen&#x201d;
-zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die, zoo als gij u wel
-zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in de omgeving paste.
-</p>
-<p>Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er slechts één weg
-om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te ontwijken. Ik moest dan mijn
-onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht
-veronderstellen. Ik dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne
-reis was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat hij reeds van
-mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon zijn, een aanslag tegen mij te
-wagen. Het ontbrak mij dan ook niet aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht,
-en had mij, even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel geoefend.
-Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die dagen zeldzaam. Ook was
-de opgegeven plaats van bijeenkomst te open, om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden.
-Kortom, ik besloot mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door
-de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen, waarde Tresham, wat
-ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te verbergen&#x2014;de onderdrukte, heimelijk
-gevoede hoop, dat Diana Vernon, ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke
-middelen, bij de zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke
-verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest hebben. Haar alleen&#x2014;fluisterde
-de bedriegelijke hoop mij in&#x2014;haar alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare
-eigen bekentenis, vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven,
-dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus dan Diana, bezat
-de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren af te wenden, die, naar het scheen,
-mij op den voet volgden. Deze vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan
-mij op. In het eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd
-vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik mijn sober maal
-nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien eenige glazen goeden rooden wijn
-haar aanwakkerden, was het denkbeeld »<span class="ex">Diana roept u</span>&#x201d; zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een bedriegelijke verleidster te
-ontsnappen, welker gevaarlijken invloed ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof
-en mij naar buiten spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging&#x2014;hoe
-welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat gij twijfeldet&#x2014;bewerkte
-juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken moest. Want onwillekeurig nam ik mijn
-weg naar de brug over de Clyde, waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij
-te zullen ontmoeten.
-</p>
-<p>Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en namiddagspredikatie, om den Sabbath
-niet te schenden, volstrekt geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom
-had ik mijn middagmaal eerst na het eindigen van de <span class="corr" id="xd29e2610" title="Bron: namiddaggodsdienstoefening">namiddagsgodsdienstoefening</span> gehouden en <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173">173</a>]</span>aldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan schemeravond te huis te blijven,
-in acht genomen. Toch moesten nog verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd
-van onze bijeenkomst daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik
-kan u bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den oostelijken
-oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide, die zoowel tot bleekveld als
-tot wandelplaats diende, talrijke groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers,
-terwijl anderen met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en
-oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden, aan de heiligheid
-van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen indruk. Al was ook de vrome stemming
-bij sommigen slechts eene onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen
-masker, bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron, uit het
-hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan, ik hoorde nooit meer dan
-één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer weinigen kwamen terug om nog eenige minuten
-te wandelen. Hoe ook het schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch
-op dezen dag van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden
-zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten&#x2019;s lands, zelfs onder
-de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt, moet zeker iets Joods,
-maar tevens iets bijzonder treffends vinden in deze wijze van den Sabbath te vieren.
-Terwijl ik zoo langs den oever heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts
-keerden, tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot een
-voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen maken kon. Ik koos
-dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij in zekeren zin een afleiding, al wandelende
-er op te letten, om de aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der
-vlakte, welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij dicht bezet
-zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk.
-</p>
-<p>Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne verrassing de scherpe
-stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid
-een weinig luider sprak, dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten.
-Er bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die wijze de lastige
-praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van mijn reisgenoot te ontgaan, niets
-anders over dan mij schielijk achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een
-man met een ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok, een
-neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel bestond. Ik hoorde&#x2014;mijne
-eigen karakterbeschrijving. Weliswaar, mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur,
-die beleedigend was, maar innerlijk moest ik bekennen&#x2014;dat de schets gelijkend was.
-</p>
-<p>»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan,&#x201d; zeide Andries tot zijn geleider, »zoo
-is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan verstand. Hij beseft wel zoo
-wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam is in elk <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174">174</a>]</span>geval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder vergeten. Dat komt voornamelijk
-daar van daan, dat hij zich altijd met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem
-het hoofd geheel op hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling
-aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een kale rots, waarvan
-eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan de weligste moestuin. Ook babbelt
-hij veel liever met een zeker halfgek meisje, Diana Vernon&#x2014;ja, men moest haar liever
-Diana van Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin&#x2014;wat zeg ik, beter,
-zij is veel erger, want zij is eene Papiste!&#x2014;Ja, met die, of met andere ledigloopers,
-loopt en babbelt hij veel liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige
-lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut zou kunnen zijn.
-Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat
-niets. Alles is wildzang bij hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt
-u? Onlangs had hij de onbeschaamdheid om te zeggen&#x2014;die arme verblinde zondaar!&#x2014;dat
-Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist een rijmelaar
-geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!&#x201d;
-</p>
-<p>Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard en letterkundige bezigheden,
-dacht ik in mijn rechtmatigen toorn den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste,
-met eene voelbare antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden,
-zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!&#x201d; eenige opmerkzaamheid blijken, tot hij eindelijk
-eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik slechts uit de antwoorden van mijn
-reisgenoot kon gissen.&#x2014;»Wat! Ik zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan
-moest Andries gek zijn! Hij vliegt op als buskruit,&#x201d; en »Ik zou geduld met hem hebben?
-Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens, de jongen is niet kwaad:
-hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op hem past. Het goud loopt hem tusschen
-de vingers door als water. Ja, wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken
-heeft, die is er zoo slecht niet aan toe.&#x201d;
-</p>
-<p>Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn metgezel verwijderde.
-De opwelling van mijn misnoegen bedaarde spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen
-ongelijk zou hebben, als hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne
-eigen schande.&#x201d; Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf, zooals dit
-in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich wel degelijk op voorbereiden,
-om ongenadig gehavend te worden. Als ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn
-beoordeelaar misschien nog zeer tevreden zijn.
-</p>
-<p>Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het mij voor eenige
-oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De nacht begon intusschen te
-vallen, en de langzamerhand toenemende duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere
-tint over de breede, stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg en
-<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175">175</a>]</span>hier en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte oude brug
-over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij aan de brug uit het sprookje,
-die in Mirza&#x2019;s droomgezicht over het dal van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als
-de rivier waaruit zij zich verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water
-verslonden, dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht werd
-het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een schemerend licht, als
-kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na den dag des Heeren plichtmatig door
-het bijwonen van den openbaren godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken
-gevierd te hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat de Presbyterianen
-zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men ook den hoefslag van een paard,
-dat dezen of genen landman, die den Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn
-dorpje terugvoerde. Van lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer.
-Ze hielden weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der rivier,
-en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den klokslag afgebroken,
-die van den kerktoren helder door de stilte klonk.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p175width"><img src="images/p175.png" alt="" width="486" height="251"></div><p>
-</p>
-<p>Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid, waarin ik mij
-bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg
-ik mij zelven af, of de laffe grap van een gek, of de sluwheid van een schelm, of
-het overlegde plan van een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid
-en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der hoofdkerk twaalf
-ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten slag verdwenen, of eene menschelijke
-gedaante, de eerste, welke ik sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken
-oever de brug over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het gevolg
-dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne gespannen verwachting mijne
-bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik den <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176">176</a>]</span>onbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte en vrij gezet was.
-Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde mijne schreden en bleef, toen ik nabij
-hem was, bijna stilstaan, in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag
-mij zeer onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets te zeggen.
-Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst aan te spreken. Ofschoon hij op
-het tot onze bijeenkomst bepaald uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn.
-Hij ging mij voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen zou.
-De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar staan, keek om, keerde
-terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep, dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd
-zou kunnen vinden, als ware hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag
-te spreken, voordat hij aangesproken wordt.
-</p>
-<p>»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!&#x201d; sprak ik, toen hij bij mij stond.
-</p>
-<p>»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer Osbaldistone!&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone uur te ontmoeten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Die ben ik!&#x201d; hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen waarom.&#x201d;
-</p>
-<p>»Voor dat ik u volg,&#x201d; hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben een mensch,&#x201d; was het antwoord; »en mijn doel is goed.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een mensch?&#x201d; herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft,&#x201d; antwoordde de onbekende.
-»Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is, is ten minste nog altijd een
-mensch. En zelfs wie al dat genoemde bezit, wat is die dan meer?&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw persoon, dan dat
-een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen.&#x201d;
-</p>
-<p>»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt gij mij volgen.
-Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te erlangen welke ik u wensch te
-verstrekken, welnu, dan moet gij dit zelf weten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kunt gij mij die hier niet geven?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door middel van mijn
-mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die belangrijke mededeelingen aangaande
-het bericht, dat ik u wil geven.&#x201d;
-</p>
-<p>Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs, ja iets min
-of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een onbepaald vertrouwen in te boezemen.
-</p>
-<p>»Wat vreest gij dan toch?&#x201d; vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw leven van zooveel
-belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177">177</a>]</span></p>
-<p>»Ik vrees niets,&#x201d; antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins haastig. »Welaan,
-vooruit maar, ik volg u.&#x201d;
-</p>
-<p>Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en slopen als spoken
-door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht der maan de hooge, sombere voorgevels
-der huizen met hunne sieraden, nog hooger en somberder schenen.
-</p>
-<p>Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt gij bevreesd?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand, en wel op eene plaats,
-waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend.&#x201d;
-</p>
-<p>»En ik ben integendeel niet gewapend,&#x201d; antwoordde mijn geleider. »Maar dat doet er
-niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan kracht tot tegenweer. Gij verzekert
-mij, dat gij niets vreest. Maar zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het
-u, geloof ik, wel eenigszins anders om het hart worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»En waarom dat?&#x201d; vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die het zou kunnen
-hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam men in deze eenzame straten slechts
-fluisterend behoeft te noemen, om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?&#x2014;bij
-een man, door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun fortuin
-zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te pakken?&#x2014;bij een man,
-wiens gevangenneming een even welkome boodschap in Edinburg zou zijn, als ooit een
-gewonnen slag in Vlaanderen zou kunnen wezen?&#x201d;
-</p>
-<p>»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij herkende, een
-ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk mijn lot zouden worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo nauwkeurig kon opnemen,
-als in de schemering mogelijk was, terwijl ik mij tevens tegen elken plotselingen
-aanval nu veilig achtte.&#x2014;»Gij hebt òf te veel òf te weinig gezegd!&#x201d; antwoordde ik.
-»Te veel, dan dat ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent,
-dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt; te weinig, zoo
-gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten onrechte geschiedt.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week onwillekeurig terug
-en legde de hand aan mijn degen.
-</p>
-<p>»Wat is dat?&#x201d; zeide hij; <span class="corr" id="xd29e2667" title="Bron: «">»</span>tegen een weerlooze, tegen uw vriend?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit gesproken, uwe woorden
-en uw gedrag geven mij alleszins recht, om aan beide te twijfelen.
-<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178">178</a>]</span></p>
-<p>»Dat noem ik moedig gesproken!&#x201d; hernam mijn geleider. »Ik heb achting voor den man,
-wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd te verdedigen. Dus zonder omwegen,
-mijn vriend! Ik breng u naar de gevangenis<span class="corr" id="xd29e2675" title="Bron: ,">.</span>&#x201d;
-</p>
-<p>»Naar de gevangenis?&#x201d; riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke misdaad? Mijn leven
-eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle pogingen en volg geen stap verder!&#x201d;
-</p>
-<p>»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als gevangene!&#x201d; antwoordde hij, en voegde
-er op fieren toon bij: »ik ben geen gerechtsdienaar&#x2014;waarvoor ziet gij mij aan? Neen,
-ik breng u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult vernemen,
-waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit bezoek, geen gevaar, maar de
-<span class="ex">m&#x133;ne</span> wel degelijk. Maar ik waag het onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk
-geen gevaren, en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer kent
-dan zijn degen.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden voor een groot
-steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te ontwaren, met ijzeren staven
-voorzien waren.
-</p>
-<p>»Wat zouden zij er niet om geven,&#x201d;&#x2014;zoo begon de onbekende weder, wiens langzame uitspraak,
-wanneer hij in den toon van vertrouwelijk gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats
-verried,&#x2014;»wat zouden de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven,
-als zij hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder Gods vrije
-lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het zou hun toch luttel baten,
-al hadden zij mij ook van het hoofd tot de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden,
-eer de morgen aanbrak, eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.&#x2014;Kom dan, wat
-draalt gij toch?&#x201d;
-</p>
-<p>Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een droom scheen
-te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat&#x2014;is het? Wat Satan! Op dezen tijd?&#x2014;Tegen
-alle orde.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder insluimerde.&#x2014;»Dugald, vriend
-Dugald!&#x201d; zeide mijn geleider vrij luid fluisterende: »hebt gij dan vergeten&#x2014;<i>ha num Gregarach</i>?&#x201d;
-</p>
-<p>»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!&#x201d; was het vlugge antwoord,
-en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich spoedde om de deur te openen, terwijl
-mijn geleider en hij nog eenige woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare
-taal, wisselden. De grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die
-de vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden in het nauwe
-voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede verdieping en een paar lage deuren
-naar vast gegrendelde vertrekken leidden. De kale muren waren met boeien en andere,
-tot gruwzamer doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden
-en verdere oude wapentuigen prijkten.
-</p>
-<p>Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk geheim, in eene der
-gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwam <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179">179</a>]</span>mij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte de zonderlinge
-omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het door eigene schuld verdiend had,
-in hoogst onaangename aanraking met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik
-was slechts als vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Astolfo! mijn jongling, zie om u. Want hier is de plaats,
-</p>
-<p class="line">Waar menschen verhong&#x2019;ren, uit armoê tot misslag gekomen.
-</p>
-<p class="line">Hier bluscht elke hoop hare lichten, verstikkend de laatste der vonken
-</p>
-<p class="line">In smeulenden walm en smook, maar vóór die vonk gansch&#x2019;lijk sterft,
-</p>
-<p class="line">Komt bittere wanhoop, krankzinnig door woeste vertwijfling,
-</p>
-<p class="line">Doet vlammen de aaklige fakkels van zelf-beschuldiging en rouwe
-</p>
-<p class="line">Dat hij zijn verstand en zijn ziele zoo diep in den afgrond deed zinken&#x200a;&#x2026;
-</p>
-<p class="line">Dit licht, dat is schriklijker nog dan het duister des kerkers.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>(De Gevangenis.)</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1839"><span class="xd29e1839init">I</span>k was nauwelijks binnengetreden, of vol levendige nieuwsgierigheid zag ik naar mijn
-geleider. Maar de lamp in het voorportaal brandde zoo flauw, dat ik zijne gelaatstrekken
-niet kon onderscheiden. Het voor mij veel minder belangrijke gelaat van den gevangenbewaarder,
-zag ik daarentegen des te duidelijker bij het licht van de lamp, welke hij in de hand
-hield. Hij was een kerel met een woest voorkomen, wiens ordeloos loshangende roode
-haren zijne gelaatstrekken overschaduwden. Maar treffend was in die trekken op dit
-oogenblik de uitdrukking van vreugde bij den aanblik van mijnen geleider. Nooit had
-ik iets ontmoet, dat mij zoo zeer herinnerde aan hetgeen ik vaak gelezen had omtrent
-een ruwen, afzichtelijken wilde, die den afgod van zijn stam aanbidt. Hij knarste
-met de tanden, hij beefde, hij lachte en weende bijna, zoo hij niet werkelijk weende.&#x2014;»Wat
-kan ik voor u doen? Wat wilt gij dat ik voor u onderneem?&#x201d; sprak uit elken trek, en
-tevens eene angstvallige, slaafsche onderdanigheid uit elke spier van zijn gelaat.
-»O! in welken langen tijd heb ik u niet gezien!&#x201d; riep hij daartusschen met eene van
-verrukking schier verstikte stem. Hij liet er nog eenige andere korte uitroepingen
-in de onverstaanbare taal op volgen, waarin hij met mijn geleider gesproken had, terwijl
-wij nog altijd aan de deur der gevangenis stonden. Laatstgenoemde gedroeg zich bij
-al deze ontboezemingen van vreugde, als een vorst, die te zeer aan de hulde zijner
-onderdanen gewend is, om daardoor eenigszins getroffen te zijn, maar ze met trotsche
-minzaamheid ontvangt. Hij reikte den gevangenbewaarder met een <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180">180</a>]</span>genadig glimlachje de hand toe en zeide vrij vriendelijk: »Hoe gaat het, Dugald?&#x201d;
-</p>
-<p>»O, ik dank u, o!&#x201d; riep Dugald, doch matigde tegelijk, terwijl hij behoedzaam rondzag,
-den vrij luiden toon zijner stem. »O! u hier te zien&#x2014;hier te zien! ach, wat zou er
-van u worden, zoo de gerechtsdienaars, die liederlijke schurken, er lucht van kregen!&#x201d;
-</p>
-<p>Mijn geleider legde den vinger op den mond.&#x2014;»Wees onbezorgd, Dugald: mij zal uwe hand
-niet opsluiten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, neen! dat zal ze nooit!&#x201d; riep Dugald uit. »Waarachtig niet! Eer zou men haar&#x2014;ja,
-eer liet ik haar afkappen tot aan den elleboog toe! Maar wanneer gaat gij weder op
-reis?&#x2014;Gij verstaat mij wel? Daarheen? en zult gij het mij toch laten weten. Want ik
-ben toch uw neef, al is het ook slechts in den zevenden graad.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welzeker, ik zal het u laten weten, Dugald; ik zal het u laten weten, zoodra ik mijne
-zaken behoorlijk geregeld heb.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoodra ik uw bericht ontvang&#x2014;bij mijne zondige ziel!&#x2014;al ware het ook Zaterdagsnachts,
-ik smijt den hoofdschout de sleutels naar den kop, eer ik ze nog ééns omdraai, ja,
-eer het Zondagmorgen wordt&#x2014;ja, dat zal ik!&#x201d;
-</p>
-<p>De geheimzinnige vreemdeling matigde de verrukking van zijnen bekende nog eenmaal
-en sprak hem in die vreemde taal aan,&#x2014;later vernam ik, dat het de oude Gaelische taal
-was&#x2014;vermoedelijk om hem te zeggen, wat hij van hem begeerde.&#x2014;Met een: »van harte gaarne!
-o, van harte gaarne!&#x201d; betuigde de gevangenbewaarder, onduidelijk mompelende, zijne
-bereidwilligheid. Hij draaide de bijna uitgedoofde lamp wat op en gaf mij een wenk
-om hem te volgen.
-</p>
-<p>»Gaat gij niet met ons?&#x201d; vroeg ik mijn geleider.
-</p>
-<p>»Neen! dat is niet noodig,&#x201d; antwoordde hij. »Mijne tegenwoordigheid zou u zelfs lastig
-kunnen zijn. Beter dat ik hier blijf om den aftocht te dekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kan niet denken, dat gij mij in gevaar wilt brengen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Volstrekt niet.&#x2014;Zoo dit het geval was, zou ik voor mij er ten minste dubbel in deelen!&#x201d;
-hernam de onbekende op een vasten toon, die mij alle wantrouwen benam.
-</p>
-<p>Ik volgde den gevangenbewaarder. Hij liet het binnenpoortje achter zich open, steeg
-een wenteltrap op, ging een nauwe gang door, en toen hij eene van eene lange rij deuren
-geopend had, bracht hij mij in een klein kamertje, waar hij de lamp op een houten
-tafeltje zette, op een bed van stroo in een hoek wees en zachtkens zeide: »Het mensch
-slaapt!&#x201d;
-</p>
-<p>»Wie?&#x201d; vroeg ik; »wie?&#x201d;&#x2014;Plotseling rees in mij het denkbeeld op: zou Diana Vernon
-zich in dit verblijf der ellende bevinden?
-</p>
-<p>Ik zag op het strooleger neer. Met eene gewaarwording, waarin teleurgestelde verwachting
-met vreugde zich mengde, ontdekte ik, dat mijn eerste vermoeden belachelijk was geweest.
-Ik zag een hoofd, dat noch jong, noch schoon was, met een tamelijk langen baard en
-eene roode nachtmuts. De eerste blik stelde mij omtrent Diana Vernon gerust. Maar
-<span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181">181</a>]</span>bij den tweeden, toen de gevangene uit een diepen slaap ontwaakte en geeuwende zich
-de oogen wreef, ontdekte ik geheel andere trekken&#x2014;het was mijn vriend Owen. Ik trad
-een stap terug, om hem den tijd te laten zich te herstellen, daar ik mij, bij geluk
-herinnerde, dat ik slechts een vreemdeling in dit verblijf der ellende was, en elk
-gerucht noodlottige gevolgen zou kunnen hebben.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p181width"><img src="images/p181.png" alt="" width="459" height="329"></div><p>
-</p>
-<p>Owen had zich intusschen op zijn strooleger opgericht en zeide, terwijl hij met de
-eene hand zijn nachtmuts verschoof en zich met de andere over het gezicht streek,
-op vrij knorrigen toon en nog half slaapdronken: »hoor eens, mijnheer Dugald, of hoe
-gij heeten moogt, als gij mij weer zoo in mijne rust stoort, zal ik u bij den hoofdschout
-moeten aanklagen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Er is hier een heer, die met u spreken wil,&#x201d; antwoordde de gevangenbewaarder op knorrig
-gebiedenden toon, die geheel anders klonk, dan de gillende Hooglandsche vreugdetoon,
-waarmede hij mijn geheimzinnigen geleider verwelkomd had. En met deze woorden verliet
-hij ons.
-</p>
-<p>Het duurde eenige oogenblikken, voor dat ik den ongelukkigen slaper in zoo verre kon
-doen ontwaken, dat hij mij herkende. Maar toen mij dit gelukte, was ook de droefheid
-van den braven man, die in het eerst veronderstelde, dat ik zijn medegevangene was
-geworden, onbeschrijfelijk groot.
-</p>
-<p>»O, mijnheer Frans!&#x201d; riep hij uit, »waartoe hebt gij u en ons huis gebracht! Aan mij
-zelven denk ik niet eens.&#x2014;Ik ben, zoo te zeggen, niets meer dan eene nul in &#x2019;t cijfer;
-maar gij waart uws vaders hoofdsom: gij zoudt de eerste man in het eerste huis in
-de eerste van alle steden kunnen zijn&#x2014;en zit ge nu in een liederlijke Schotsche gevangenis,
-waar men niet eens het stof van zijne kleederen kan laten borstelen!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182">182</a>]</span></p>
-<p>Dit zeggende, wreef hij, met zichtbaar misnoegen, den eens zoo vlekkeloos bruinen
-rok, die thans door den morsigen grond besmet was, met den arm af. Zijne gewone overdreven
-zindelijkheid droeg er nog bij om zijn verdriet te verhoogen.
-</p>
-<p>»Ach, lieve hemel!&#x201d; vervolgde hij, »hoe vreeselijk zal dat op de beurs den kooplieden
-in de ooren klinken! Zoo iets is niet gehoord sedert den slag van Almanza, toen het
-verlies der Britten op 5000 dooden en gekwetsten, en een onbepaald aantal van vermisten
-geschat werd.&#x2014;Ja, wat beteekent dat, vergeleken bij de ontzettende tijding, dat Osbaldistone
-en Tresham opgehouden hebben te betalen!&#x201d;
-</p>
-<p>Hier brak ik zijn klaaglied af, om hem te zeggen, dat ik geen gevangene was, maar
-ook niet wist hoe ik op zulk een uur in de gevangenis was gekomen. Aan zijn nieuwsgierige
-vragen kon ik daardoor alleen een einde maken, dat ik dringend naar zijne eigen omstandigheden
-vroeg, en eindelijk zoo veel van hem vernam, als hij mij wist te zeggen. Wel was zijn
-verhaal vrij duister, want hoe duidelijk, schrander en bondig Owen ook over alles
-redeneerde, wat tot den handel betrekking had, zoo verward en onverstaanbaar praatte
-hij over dingen, die buiten den handelskring lagen. Zijne berichten verschaften mij
-echter meer licht, dan ik tot hiertoe erlangd had. Onder de correspondenten van mijns
-vaders kantoor in Glasgow, met welke stad hij, wegens zijn handel op Schotland, vrij
-aanzienlijke zaken deed, had het huis Mac-Vittie, Mac-Fin en Comp. zich steeds het
-dienstvaardigst betoond, bij elke gelegenheid de ondubbelzinnigste bewijzen van inschikkelijkheid
-jegens het Engelsche huis gegeven. Bij alle ondernemingen, had het zonder te morren,
-de rol van den jakhals op zich genomen, die zich met de overblijfselen vergenoegt,
-welke de leeuw hem overlaten wil. Hoe gering ook het voordeel mocht zijn, dat men
-hun gunde, het was volgens hunne betuiging nog altijd genoeg voor lieden van hun stand.
-Hoe veel moeite en werkzaamheden hun ook ten deel vielen, zij verzekerden steeds,
-dat zij levendig gevoelden niet genoeg te kunnen doen, om zich voortdurend de bescherming
-en den goeden dunk van hunne hooggeachte Londensche vrienden waardig te maken. Mijns
-vaders orders waren voor de heeren Mac-Vittie, Mac-Fin en Comp. wetten der Perzen
-en Meden, die niet veranderd, niet vernieuwd, zelfs niet eens opgehelderd mochten
-worden, en de overdreven nauwkeurigheid, waarop Owen in handelszaken gesteld was,
-scheen hun niet minder heilig te zijn. Dezen toon van diepen eerbied hield Owen voor
-echte munt. Maar mijn vader, die een weinig dieper in het menschelijke hart zag, en
-òf omtrent die bovenmatige inschikkelijkheid argwaan koesterde, of, als een vriend
-van het korte en eenvoudige in handelszaken, de langwijlige betuigingen van onbegrensde
-hoogachting dier heeren hartelijk moede was, had het verzoek van dit kantoor te Glasgow,
-om zijn eenige hoofdcorrespondent in Schotland te zijn, stellig geweigerd. Integendeel,
-hij liet vele zaken door een ander kantoor aldaar verrichten. Aan het hoofd daarvan
-stond een man van geheel anderen aard. Hij was den Engelschen over het algemeen even
-ongenegen als mijn vader den Schotten. Hij wilde slechts <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183">183</a>]</span>op een voet van volkomen gelijkheid zaken doen. Daarenboven was hij jaloersch, bij
-sommige gelegenheden ook twistziek, en even halsstarrig aan zijne gevoelens omtrent
-formaliteiten gehecht, als Owen. Bovendien was het hem volkomen onverschillig, of
-alle aanzienlijke Londensche kooplieden zijne gevoelens goed- of afkeurden.
-</p>
-<p>Het onhandelbare karakter van den heer Nikolaas Jarvie maakte hem eigenlijk tot den
-handel niet zeer geschikt. Het was eigenlijk moeilijk zaken met hem te doen. Er ontstonden
-dan ook niet zelden tusschen hem en het Engelsche kantoor allerlei lastige twisten,
-die slechts alleen uit besef van het wederzijdsche voordeel weder bijgelegd werden.
-Daar Owen&#x2019;s eigenliefde bij de verklaringen, die daaruit ontstonden, soms een weinig
-gekrenkt werd, was het geenszins te verwonderen, dat de goede oude man zijn invloed
-steeds ten gunste van de zoo wellevende, bescheidene en gedienstige heeren Mac-Vittie
-en Mac-Fin deed gelden, en Jarvie als een trotschen, waanwijzen Schotschen handelaar
-afschilderde, met wien volstrekt geen land te bezeilen was.
-</p>
-<p>Onder deze omstandigheden, welke ik eerst later nauwkeuriger vernam, was het alleszins
-natuurlijk, dat Owen, in den neteligen toestand waarin het kantoor na mijns vaders
-afwezigheid en bij Rashleigh&#x2019;s verdwijning geraakte, terstond na zijne komst in Glasgow,
-waar hij twee dagen vóór mij aankwam, zijne toevlucht bij die correspondenten zocht,
-welke zich jegens zijn patroon zoo dienstvaardig, dankbaar en genegen betoond hadden.
-Bij zijn binnentreden in het kantoor dezer heeren, werd hij schier met denzelfden
-eerbied ontvangen, als een Katholiek aan zijn beschermheilige bewijst. Maar helaas!
-hoe schielijk veranderde het tooneel, toen hij door deze allerminzaamste ontvangst
-aangemoedigd en met de beste hoop bezield, aan de beiden heeren den benarden toestand
-van het huis Osbaldistone en Tresham openbaarde, en om raad en hulp verzocht. Mac-Vittie
-ontstelde hevig op deze noodlottige tijding. Mac-Fin spoedde zich, voor dat Owen nog
-uitgesproken had, om in het grootboek het aanzienlijke debet en credit eens na te
-slaan, en uit te rekenen, aan wiens zijde het batig saldo was. De balans helde, helaas!
-vrij aanmerkelijk ten nadeele van het Engelsche huis over. Op het gelaat van den Schotschen
-correspondent, dat, langzaam bleek geworden, eerst onrustigen twijfel verried, verspreidde
-zich nu eene sombere norschheid. Owen&#x2019;s dringend verzoek om ondersteuning en hulp,
-beantwoordden de heeren met den eisch van een spoedigen borgtocht tegen het dreigend
-verlies. Zij verlangden eindelijk met vrij scherpe woorden, dat hun daartoe zekere
-som gelds, die een andere bestemming had, als onderpand zou gegeven worden. Met verontwaardiging
-weigerde Owen aan dezen eisch te voldoen. Dit was, zeide hij, even onteerend voor
-zijn kantoor, als onrechtvaardig ten opzichte van de andere crediteuren. Ja, hij zou
-het als een bewijs van ondankbaarheid moeten beschouwen van hen, die zulk een onteerenden
-eisch stelden. Mac-Vittie en Mac-Fin hadden, wat lieden die ongelijk hebben steeds
-welkom is, gedurende deze niet zeer vriendelijke woordenwisseling eene goede gelegenheid,
-om in hevigen toorn te geraken. Onder het voorwendsel, dat men hen <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184">184</a>]</span>getergd had, konden zij maatregelen nemen, die, zoo niet gemoedelijkheid, dan het
-besef van welvoegelijkheid hun anders zou hebben verboden.
-</p>
-<p>Owen had, wat wel meermalen het geval is, een klein aandeel aan de onderneming van
-het kantoor, welks eerste boekhouder hij was. Hij moest dus voor de verplichtingen
-ervan mede persoonlijk borg blijven. Mac-Vittie en Mac-Fin wisten dit. Om hem hunne
-macht te doen gevoelen, en hem tevens tot de voor hen voordeelige maatregelen, waartegen
-hij zich zoo stellig verzette, te dwingen, lieten zij hem in hechtenis nemen, wat
-de Schotsche wetten den schuldeischer vergunnen, die een eed aflegt, dat zijn schuldenaar
-voornemens is het land te verlaten. Uit kracht van dit recht, dat tot vele misbruiken
-aanleiding geeft, had Owen, vóór dat ik zoo geheimzinnig in zijn kerker werd gebracht,
-zijne vrijheid verloren.
-</p>
-<p>»Wat nu te doen?&#x201d; vroeg ik mij zelven, toen ik van den neteligen staat der zaken onderricht
-was. Ik zag de gevaren, waardoor wij omringd waren, doch des te moeielijker was het,
-hulpmiddelen te vinden. De waarschuwing, die ik ontvangen had, scheen aan te duiden,
-dat mijne persoonlijke vrijheid gevaar kon loopen, als ik mij openlijk voor Owen in
-de bres wilde stellen. Owen koesterde dezelfde vrees, en in zijne bezorgdheid voor
-mij niet minder overdreven dan in zijne stiptheid in den handel, verzekerde hij mij,
-dat een Schot, eer hij een enkelen duit aan een Engelschman zou willen verliezen,
-wel recht zou weten te vinden, om zelfs zijn schuldenaars vrouw, kinderen en dienstboden
-in hechtenis te doen nemen. De wetten tegen schuldenaars zijn in de meeste landen
-zoo onbarmhartig streng, dat ik hetgeen hij zeide niet geheel en al in den wind kon
-slaan. Mijne gevangenneming zou, onder de toenmalige omstandigheden, aan de belangen
-van mijn vader den doodsteek gegeven hebben. In deze benardheid vroeg ik mijn ouden
-vriend, of hij zich ook niet tot mijns vaders tweeden correspondent, Nikolaas Jarvie,
-vervoegd had?
-</p>
-<p>»Ik heb hem heden geschreven,&#x201d; antwoordde Owen; »maar nu die wellevende en dienstvaardige
-heeren Mac-Vittie en Mac-Fin in Gallowgate ons reeds zoo ondankbaar behandeld hebben,
-kunnen wij ons waarlijk niet veel van dien ongelikten beer op de Zoutmarkt beloven.&#x2014;Even
-goed zoudt gij van een makelaar kunnen begeeren, dat hij zijne courtage liet varen,
-als van dien man een dienst te verwachten, zoo lang hij niet verzekerd is, een driedubbelen
-dienst van u te zullen erlangen. Mijn brief, die hem toch heden, toen hij naar de
-kerk ging, terstond ter hand is gesteld, heeft hij niet eens beantwoord. O, mijn ongelukkige
-patroon!&#x201d; vervolgde de troostelooze boekhouder en wierp zich op zijn stroozak. »Mijn
-waarde, goede patroon! O, Frans, Frans! dat komt van uwe eigenzinnigheid! God vergeve
-het mij, dat ik het u in uwe tegenwoordige omstandigheden zeg! Maar, hoe het ook zijn
-moge: de Heere heeft het zoo beschikt; de zondaar moet zich aan &#x2019;s Heeren wil onderwerpen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik deelde innig in de smart van den braven ouden man. Ik was aangedaan. <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185">185</a>]</span>Ik schreide en de tranen die ik weende, brandden mij des te smartelijker, daar ik
-mijne koppigheid jegens mijn vader, welke de goedhartige Owen mij niet wilde verwijten,
-als de eenige oorzaak van al dezen jammer en ellende moest beschouwen.
-</p>
-<p>Terwijl wij ons zwijgende in onze treurige gedachten verdiepten, werden wij plotseling
-door een vrij sterk kloppen op de groote poort der gevangenis in onze mijmering gestoord.
-Terstond begaf ik mij naar de wenteltrap, om te luisteren, maar ik kon volstrekt niets
-dan de stem van den gevangenbewaarder hooren, die afwisselend luide sprak tegen iemand,
-die buiten stond, en zacht met den man, die mij herwaarts had geleid.&#x2014;»Ik kom, ik
-kom!&#x201d; riep hij en fluisterde dan weder: »o, mijn hemel! wat zal daarvan worden? Spoed
-u en verberg u achter de krib van den gevangene.&#x2014;Ja, ja, ik kom immers al&#x2014;het is de
-schout en de raadsheeren met eenige gerechtsdienaars. Daar komt de kommandant ook
-de trap af. De hemel neme ons in zijne hoede! Ga toch, ga toch, of hij ziet u! Nu,
-ik kom&#x2014;de grendel is zoo verroest.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl Dugald, <span class="corr" id="xd29e2763" title="Bron: zoó">zóó</span> langzaam als hem slechts mogelijk was, de sloten opende en de grendels wegschoof,
-om de aankloppenden, wier ongeduld al grooter werd, binnen te laten, snelde mijn geleider
-de wenteltrap op en in Owens kamer, werwaarts ik hem volgde. Schielijk zag hij in
-het rond, als wilde hij eene plaats zoeken, waar hij zich zou kunnen verbergen. Daarbij
-riep hij mij toe: »Leen mij uw pistool!&#x2014;Doch neen, ik zal mij wel redden. Wat gij
-hier ook zien moogt, bekommer u om niets en bemoei u volstrekt niet met eens anders
-twisten. Laat alles aan mij over: ik moet alles zelf klaar spelen. Ik heb wel erger
-in de klem gezeten dan nu!&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende wierp de onbekende zijn zwaren mantel af, plaatste zich tegenover de
-deur, waarop hij zijn starend oog vestigde, en trad toen een paar schreden terug,
-om zijne krachten te verzamelen, als een moedig paard, dat over een slagboom springen
-zal. Zonder twijfel was hij voornemens bij het openen van de deur, de binnentredenden
-op het lijf te vallen, en zich, allen tegenstand trotseerende, een weg naar buiten
-te banen. In zijne gestalte vertoonde zich zoo veel kracht en behendigheid, en in
-zijn geheel voorkomen straalde zooveel vastberaden moed door, dat ik hem in mijne
-gedachte reeds als overwinnaar zag, zoo zijne tegenpartij zich niet met de wapens
-tegen hem verzette.
-</p>
-<p>Na eenige oogenblikken van angstige verwachting ging de deur open. Maar er verscheen&#x2014;geene
-wacht met snaphanen en bajonetten, geene bende gerechtsdienaars met hellebaarden en
-knuppels, maar een heel aardig meisje, in een wollen, opgeschort rokje, en met eene
-lantaren in de hand. Haar volgde eene gestalte, welke men reeds op het eerste gezicht
-voor een persoon van meer gewicht moest houden: een klein, vrij gezet man, met eene
-tamelijk groote pruik, en, zoo als het alras bleek, een lid der stedelijke regeering.
-Hij kwam binnen, half grommend en brommend en bijna buiten adem. Mijn geleider trad
-bij het binnenkomen van dezen man terug, alsof hij zich aan diens gezicht wilde onttrekken.
-Doch aan den doordringenden blik, waarmede <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186">186</a>]</span>het regeeringslid de gansche kamer overzag, kon hij niet ontsnappen.
-</p>
-<p>»Zoo, zoo, dat is hier eene lieve gewoonte, kapitein <span class="corr" id="xd29e2774" title="Bron: Stanchel">Stanchell</span>!&#x201d; zeide hij tot den kommandant der gevangenis, die zich thans in deemoedige houding
-aan de deur vertoonde; <span class="corr" id="xd29e2777" title="Niet in bron">»</span>een half uur heb ik aan de poort moeten wachten, hoewel ik zoo hard geklopt heb om
-in de gevangenis te komen, als menigeen doen zou om er uit te komen. En wat moet dit
-beteekenen? Bezoek hier, na sluitenstijd? Dat zal onderzocht worden, Kapitein Stanchells,
-daarop kunt gij staat maken! Sluit de deur, ik heb met deze heeren een woordje te
-spreken. Maar eerst met mijn ouden bekende. Welnu mijnheer Owen, mijnheer Owen! hoe
-gaat het u, vriend?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja, ik dank u mijnheer Jarvie, met de gezondheid zoo tamelijk; maar naar den
-geest zeer bedrukt en terneergeslagen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zal wel zoo zijn, dat heeft ook zijne reden. Het is inderdaad eene verschrikkelijke
-historie&#x2014;het is wat te zeggen man; en vooral voor iemand, die het hoofd zoo hoog droeg.
-Zwakke menschenkinderen! Zwakke menschenkinderen! Ja, ja, tot een val kunnen wij allen
-komen. Osbaldistone is een braaf, eerlijk man. Maar ik heb altijd gezegd, hij behoort
-tot die menschen, die het spreekwoord bevestigen: »hoogmoed komt voor den val!<span class="corr" id="xd29e2782" title="Niet in bron">&#x201d;</span> En daarom zeide mijn overleden vader, de oud-ouderling, zoo dikwijls tegen mij: »Nikolaas&#x2014;Nikolaas,&#x201d;
-zeide hij, hij heette Nikolaas, even als ik&#x2014;»Nikolaas, jongen vlieg vooral niet hooger
-dan uwe wieken u kunnen dragen. Strek uw arm nooit zoo ver uit, dat gij hem niet gemakkelijk
-terug kunt trekken.&#x201d; En datzelfde heb ik den heer Osbaldistone menigmaal gezegd; maar
-hij scheen er geen ooren voor te hebben. Ja, hij nam het zelfs niet eens vriendelijk
-op, ofschoon het van mijn kant welgemeend was&#x2014;ja, welgemeend!&#x201d;
-</p>
-<p>Bemoedigend was die toespraak niet. Zij werd met eene bijzondere vlugheid van tong,
-en bij de herinnering aan zijne waarschuwingen en voorspellingen met zichtbaar zelfbehagen
-voorgedragen en gaf ons luttel hoop, om van Jarvie eenige hulp te erlangen. Maar spoedig
-bleek het, dat niet zoo zeer gebrek aan welwillendheid, dan wel aan kieschheid hem
-deze harde woorden deed spreken. Toen Owen zijne gevoeligheid daarover te kennen gaf,
-dat men hem in zijn ongelukkigen toestand dergelijke dingen herinnerde, vatte Jarvie
-hem bij de hand en zeide op gullen, vertrouwen inboezemenden toon: »Wees goeds moeds!
-Denkt gij dan, dat ik te middernacht herwaarts gekomen ben en bijna den Sabbath zou
-geschonden hebben, om een gevallen medemensen zijn val te verwijten en hem zijne misstappen
-onder den neus te wrijven? Neen, dat doet Nikolaas Jarvie niet. Zoo handelde ook nooit
-zijn overleden vader, die brave, nu godzalige, man! Luister eens vriend, het is bij
-mij een stalen regel, op den Sabbath nooit aan wereldsche zaken of bezigheden te denken.
-Ik heb mij alle mogelijke moeite gegeven, om mij uw brief, dien ik heden morgen ontving,
-uit het hoofd te zetten. Toch heb ik er den ganschen dag meer aan gedacht dan aan
-de preek, die ik in de kerk gehoord heb. Verder is het bij mij een niet minder vaste
-<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187">187</a>]</span>regel precies te tien ure in mijn bed met de gele <span class="corr" id="xd29e2788" title="Bron: gordijen">gordijnen</span> te stappen, tenzij ik eens een schelvischje met een buurman eet, of een buurman bij
-mij soupeert. Vraag het maar dat meisje daar, of dat mijne gewone manier van doen
-niet is. En denk nu eens, daar heb ik te huis gezeten met een stichtelijk boek in
-de hand en intusschen geluisterd en naar buiten gezien, en weer geluisterd, en weer
-naar buiten gezien, en gegaapt, alsof ik den kerktoren wilde verslinden, tot het eindelijk
-twaalf ure sloeg. Toen was het mij geoorloofd, mijn grootboek eens in te zien, om
-te weten, hoe de zaken tusschen ons stonden. En toen moest het meisje de lantaarn
-opsteken, en zoo begaf ik mij herwaarts, om te overleggen, wat er in uwe zaak kon
-gedaan worden. Nicolaas Jarvie kan als lid van den stedelijken raad, elk uur de gevangenis
-bezoeken, en datzelfde voorrecht had ook mijn vader, die insgelijks in zijn tijd lid
-van den stedelijken raad was. Die brave man&#x2014;ach, hij is nu dood, maar zijne nagedachtenis
-blijft eeuwig in eere.&#x201d;
-</p>
-<p>Een diepe zucht, welken Owen bij het noemen van het grootboek slaakte, deed mij vermoeden
-en vreezen, dat het ook hier met de rekening niet zeer voordeelig stond. Bovendien,
-de woorden van het achtbare regeeringslid gaven zeer veel zelfbehagen en min of meer
-trotschheid op het overwicht van zijn oordeel te kennen. Doch aan den anderen kant
-spraken daaruit tevens eene gulheid en ongeveinsde goedhartigheid, die mij weder met
-nieuwe hoop bezielden. Hij verlangde eenige papieren te zien, welke hij opnoemde.
-Owen gaf ze hem; schielijk rukte hij ze hem uit de hand, ging op den rand der krib
-zitten, om, zoo als hij zeide, wat uit te rusten, liet zich door het meisje met de
-lantaren bijlichten, en terwijl hij nu eens over het flauwe licht, dan weder over
-het slechte, onleesbare schrift klaagde, las hij toch de papieren met zeer veel ijver
-en aandacht door.
-</p>
-<p>Van dit gunstige oogenblik scheen mijn geleider partij te willen trekken om te ontsnappen.
-Hij gaf mij een wenk om mij stil te houden, en begon langzaam van plaats te veranderen.
-Zijn voornemen was natuurlijk om onopgemerkt naar de deur te sluipen. Maar de waakzame
-Jarvie,&#x2014;geheel anders dan mijn vroegere kennis de vrederechter Inglewood,&#x2014;werd het
-oogenblikkelijk gewaar. Hij riep terstond: »Kommandant Stanchells! pas op de deur!
-Toegesloten, zeg ik u. Buiten wachthouden!&#x201d;
-</p>
-<p>De onbekende fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik scheen hij op gewelddadige middelen
-tot zijne bevrijding te denken. Maar eer hij een besluit had genomen, was de voordeur
-gesloten en de zware grendel daar voor geschoven. Hij mompelde een paar driftige woorden
-in zijne moedertaal, deed eenige stappen heen en weder, ging toen, als ware hij volkomen
-bereid om het gevolg af te wachten, met wrevelige vastberadenheid op de eikenhouten
-tafel zitten en floot een liedje.
-</p>
-<p>Jarvie, die in handelszaken vrij vlug van bevatting scheen te zijn, had den inhoud
-der papieren spoedig begrepen.
-</p>
-<p>»Ja, mijnheer Owen,&#x201d; zeide hij, »ik zie hoe de zaken staan. Uw kantoor is aan dat
-van Mac-Vittie en Mac-Fin en C<sup>o</sup>. eene zekere som schuldig. <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188">188</a>]</span>Waarachtig! zij moesten zich schamen, die zoogenaamde wellevende en vriendelijke heeren!
-Immers, zij hebben zoo veel, ja vrij wat meer, bij die negotie met het eikenhout uit
-de bosschen van Clen-Cailziechat gewonnen, die zij mij door den neus hebben geboord.
-Dat was toch voornamelijk door uw lieve voorspraak, mijnheer Owen. Maar daarover zullen
-wij thans niet haspelen. Gedane zaken hebben geen keer, placht mijn overleden vader
-Nicolaas Jarvie te zeggen. Dus kort en goed, uw kantoor is hun die som schuldig, en
-voor eene andere som, welke zij voor uwe firma overgenomen hebben, heeft men u hier
-achter de traliën gezet. Gij zijt hun schuldig man, en misschien ook nog wel iets
-aan iemand anders schuldig&#x2014;misschien nog wel iets aan mij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kan het niet ontkennen, mijnheer Jarvie,&#x201d; antwoordde Owen; »de balans zou tegen
-ons kunnen zijn; maar bedenk toch.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens, mijn goede vriend, ik heb thans weinig tijd om te bedenken. Het is nog
-zoo kort na den Sabbath en op een tijd van de nacht, waarop iemand, als ik, zoo gaarne
-in zijn bed ligt! En als men zich dan nog daarenboven aan de ongezonde nachtlucht
-moet blootstellen&#x2014;neen, dan is er geen tijd noch lust om zich lang te bedenken! Maar,
-zoo als ik zeg, gij zijt mijn schuldenaar&#x2014;dat is niet te loochenen&#x2014;gij zijt mijn schuldenaar;
-of de schuld groot of klein is, zie, dat moet nader blijken. Maar mijnheer Owen, hoe
-knap gij ook zijt, hoe volkomen gij u op den handel verstaat, de zaak, waarvoor gij
-hier zijt gekomen, zult gij nooit in orde krijgen, als gij hier in de gevangenis moet
-blijven. Derhalve, manlief, kunt gij nu iemand vinden, die borg voor u wil spreken,
-dat gij het land niet verlaten, maar voor ons gerecht verschijnen en alzoo behoorlijk
-uw borg ontslaan zult&#x2014;dat is dan, zoo als de rechtsgeleerden het noemen, <i lang="la">judicio sisti</i>&#x2014;zie, dan komt gij morgenochtend weder op vrije voeten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ach, mijnheer Jarvie! Was er maar een braaf mensch, die op deze wijs borg voor mij
-wilde blijven, dan zou ik zeker mijne herkregen vrijheid thans zeer nuttig kunnen
-besteden, niet alleen voor onze firma, maar ook voor al de vrienden, met wie wij in
-handelsbetrekkingen staan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist, dat geloof ik gaarne! En zulk een goed mensch zou dan ook buiten twijfel zeker
-moeten zijn, dat gij op de eerste dagvaarding behoorlijk verschijnen zoudt om hem
-van zijne op zich genomen verplichting te ontheffen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer zeker zou ik dat doen, zoo zeker als tweemaal twee vier is, wel te verstaan,
-met uitzondering van onverhoopt tusschenkomende ziekte of dood.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja, dat spreekt van zelf. Hoor eens, mijnheer Owen, ik voed volstrekt geen wantrouwen
-omtrent u. Dat zal ik u bewijzen&#x2014;ja, bewijzen zal ik het u! Ik ben een voorzichtig
-man, dat is bekend. Ik schuw geen arbeid en laat het mij om mijn stukje brood zuur
-genoeg worden, dat kan de gansche stad getuigen. Ik weet mijn geld te winnen, mijn
-geld te tellen en mijn geld te bewaren, even goed als de beste financier van geheel
-Glasgow.&#x2014;Ook durf ik zeggen, dat ik mij niet spoedig tot <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189">189</a>]</span>het een of ander laat bepraten of overhalen, maar doorgaans mijne eigen meening volg,
-van welke ik dan ook geen haarbreed afwijk, even als mijn vader, die op dat punt ook
-onverzettelijk was.&#x2014;Maar een braaf man, die den handel verstaat, door en door, die
-gaarne als eerlijk man ieder het zijne wil geven, hier in de gevangenis te laten versmachten,
-buiten staat om zich zelven of anderen te helpen&#x2014;neen, dat kan ik niet van mij verkrijgen!
-Kortom vriend Owen, ik zelf zal uw borg zijn. Maar neem het wel in aanmerking, het
-is een borgtocht <i lang="la">judicio sisti</i>, zoo als onze rechtsgeleerde stadssecretaris zegt, en geen <i lang="la">judicatum solvi</i>, want dat is heel iets anders.&#x201d;
-</p>
-<p>Owen verzekerde, dat hij in de tegenwoordige omstandigheden natuurlijk niet hopen
-kon een borg voor de werkelijke betaling te zullen vinden, maar dat niemand behoefde
-te vreezen, dat hij in gebreke zou blijven om op de eerste dagvaarding te verschijnen.
-</p>
-<p>»Ik geloof u, ik geloof u, en daarmede basta! Morgen, of eigenlijk heden ochtend,
-tegen den tijd van het ontbijt zijt gij weêr op vrije voeten. Maar nu zullen we eens
-onderzoeken wat uw gezelschap hier doet, en hoe het tegen alle orde en regel des nachts
-in de gevangenis is gekomen?&#x201d;
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXIII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De man kwam bij nachttijd,
-</p>
-<p class="line">Bij nachttijd te huis;
-</p>
-<p class="line">Dáár vond hij zoo&#x2019;n heerschap,
-</p>
-<p class="line">Dat leek hem niet pluis.
-</p>
-<p class="line">&#x201e;Zeg! vrouwtje, hoe &#x2019;s dat zoo?
-</p>
-<p class="line">Hoe &#x2019;s dat zoo?<span class="corr" id="xd29e2836" title="Niet in bron">&#x201d;</span> Zeg vrouw,
-</p>
-<p class="line">Wat hier toch die kerel
-</p>
-<p class="line">Die kerel hier woû?
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>Oud liedje.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e303"><span class="xd29e303init">M</span>et de meest mogelijke bedaardheid nam Nikolaas Jarvie zijne dienstmaagd de lantaren
-af. Hij begon zijn onderzoek zooals Diogenes in de straten van Athene; vermoedelijk
-met even geringe verwachting als deze, om iets te vinden, wat de moeite van het navorschen
-waard zou zijn. De eerste, welke hij naderde, was mijn geheimzinnigen geleider. Deze
-zat nog steeds op de tafel, de oogen onafgewend op den muur gevestigd, terwijl zijne
-gelaatstrekken eene halsstarrige onverschilligheid teekenden, en zijn gansche voorkomen
-zorgeloosheid en trots verried. Met de hakken zijner schoenen sloeg hij tegen de tafel
-de maat <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190">190</a>]</span>van het liedje, hetwelk hij onafgebroken bleef fluiten, en onderwierp zich aan Jarvie&#x2019;s
-onderzoek met zooveel vermetele onbeschaamdheid, dat het achtbaar lid van den stedelijken
-raad voor eenige oogenblikken min of meer van zijn stuk geraakte.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p190width"><img src="images/p190.png" alt="" width="505" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>»Wat zie ik! Wat zie ik?&#x201d; riep Jarvie nu. »Waarachtig het is onmogelijk!&#x2014;En toch&#x2014;Neen,
-het kan niet zijn&#x2014;en toch&#x2014;Neen, het <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191">191</a>]</span>kan niet zijn&#x2014;en toch! Wat drommel&#x2014;Ja! gij zijt het! Gij roover, gij gevleeschte satan&#x2014;gij,
-voor alle kwaad en tot niets goeds geschikt&#x2014;zijt gij het waarlijk?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo als gij ziet, mijnheer Jarvie!&#x201d; was het droge antwoord.
-</p>
-<p>»Waarachtig&#x2014;het schemert mij voor de oogen, zoo ben ik ontsteld. Spreek, aartsschelm!
-Durft gij u in de gevangenis van Glasgow wagen? Wat meent gij wel, dat uw rooverskop
-waard is?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel! laat eens zien!&#x201d; hernam de onbekende; »eerlijk gewogen en met goed geijkt gewicht,
-zal hij, dunkt mij, wel tegen een burgemeesterskop, vier schepenskoppen, één secretariskop
-en zes vroedmanskoppen kunnen opwegen.&#x201d;
-</p>
-<p>»O, gij satanskind,&#x201d; begon Jarvie weder. »Maar beken uwe zonden en bereid u voor om
-te sterven. Want ik behoef slechts een enkel woord te spreken &#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is waar,&#x201d; antwoordde de onbekende en legde de handen achteloos op zijn rug. »Maar
-dat woord zult gij toch wel nooit spreken!&#x201d;
-</p>
-<p>»En waarom zou ik niet?&#x201d; riep Jarvie. »Waarom zou ik niet? Antwoord mij, waarom niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Om drie gegronde redenen, mijnheer Jarvie! Vooreerst om den wille van vroegere dagen,
-ons beiden zeer goed bekend. Ten tweede om de oude vrouw daar ginder in Stuckavrallachan,
-door wie wij, God zij het geklaagd! min of meer met elkander verwant zijn, en die
-een zekeren neef heeft, welke van zijn ambacht slechts een eenvoudig handwerksman
-is. En eindelijk, mijn waarde neef Jarvie, wanneer ik slechts het minste teeken bespeurde,
-dat gij mij zoudt willen verraden, zouden uwe hersens dadelijk aan dezen muur kleven,&#x2014;lang
-eer eene menschenhand u redden kon.&#x201d;
-</p>
-<p>»Weet ge wat gij zijt? Een vermetele, <span class="corr" id="xd29e2863" title="Bron: ombeschaamde">onbeschaamde</span> galgebrok!&#x201d; hernam Jarvie onverschrokken. »Ge weet ook zeer goed, dat ik u als zoodanig
-ken, ja, dat ik, voor mij zelf geen enkel oogenblik aarzelen zou om &#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel zeker, ik weet wel,&#x201d; hernam de onbekende, »dat er bloed van ons bloed door uwe
-aderen vliet. Het zou mij waarachtig leed doen, mijn eigen vleeschelijken neef voor
-den kop te moeten schieten. Maar in elk geval zal en wil ik zoo vrij en ongehinderd
-van hier vertrekken, als ik gekomen ben, of anders zeg ik u, dat de muren van deze
-gevangenis nog jaren ervan zouden weten te vertellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja, nu ja!&#x201d; zeide Jarvie: »bloed is dikker dan water. En bloedverwanten behoeven
-den splinter in elkanders oogen niet zoo scherp aan te zien en te openbaren, wanneer
-vreemde oogen daarvoor blind zijn. Het zou voor de oude vrouw in Stuckavrallachan
-een treurig nieuws zijn, als zij vernam, dat gij mij de hersens ingeslagen, of ik
-u aan de galg geholpen had. Maar was dit het geval niet, dan zou ik den stoutsten
-schurk in het Hoogland best aandurven:&#x2014;dat zult gij toch zelf wel inzien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij zoudt wel durven neefje, dat weet ik;&#x201d; antwoordde mijn geleider; »maar de vangst
-zou u zoo licht niet gelukken! Wij Hooglanders zijn <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192">192</a>]</span>een onhandelbaar volkje, wanneer men tegen ons van boeien en stroppen spreekt. Wij,
-die niet eens een stuk linnen om onze lendenen begeeren, willen vooral van geene ijzeren
-kousebanden weten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar die ijzeren kousebanden zullen toch vroeg of laat uw lot worden, en dan krijgt
-ge nog wat hennepdraad op den koop toe!&#x201d; hernam Jarvie. »Nooit heeft iemand zich in
-een beschaafd land aan zulke schandelijke en strafwaardige streken schuldig gemaakt
-als gij! Wees op uwe hoede, ik heb u gewaarschuwd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u neef! Intusschen zult gij bij mijne begrafenis, als lid van de familie, den
-rouw moeten dragen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vlei u daar niet mede, Robert,&#x201d; hernam Jarvie. »Alleen uwe wettige erfgenamen, dat
-zijn de kraaien en de raven, zullen de rouwdragers wezen. Maar waar zijn mijn duizend
-pond Schotsch, die ik u geleend heb, en wanneer zal ik ze wederzien?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waar dié zijn?&#x201d; antwoordde mijn geleider, nadat hij zich eenige oogenblikken gehouden
-had, alsof hij daarover nadacht; »waar die zijn?&#x2014;ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen;
-vermoedelijk waar de laatste sneeuw is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Die ligt op den top van den Schehallion, schurk!&#x201d; riep Jarvie toornig; »maar ik verlang
-mijn geld, hier op deze plaats!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb geen sneeuw en ik heb geen geld bij mij!&#x201d; hernam de Hooglander. »Gij vraagt
-mij wanneer gij het zult wederzien? Wel, zoodra ik mijn algemeenen betaaldag aankondig.&#x201d;
-</p>
-<p>»En het ergste van alles is, Robert, dat gij, trouwelooze landverrader, die ge zijt,
-ons het afschuwelijke pausdom weder op den hals wilt halen, dat ge ons onder het juk
-van een eigenmachtige heerschappij wilt doen bukken, met al den aankleve van die vervloekte
-papisterij, die misboeken, koorhemden, wierrookvaten en wijwaterbakjes! Loop dan liever
-weder naar uwe dievenbenden. Steel en bedrieg, dat het hagelt en kraakt. Beter te
-stelen, dan een land ongelukkig te maken!&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens neefje, schei uit met zulke beuzelpraatjes. Laat die dingen voor de heeren
-van <span class="corr" id="xd29e2882" title="Bron: Wighs">Whigs</span> over,&#x201d; antwoordde Robert; »wij kennen elkander immers sedert lang. Ik zal wel zorg
-dragen, dat uw kantoor door onze Hooglanders onaangeroerd blijft, als zij eenmaal
-bezig zijn met de Glasgowsche winkels en magazijnen schoon te vegen. En als uw beroepsplicht
-het niet volstrekt van u vordert, moet gij mij niet vaker zien, Nikolaas, dan ik gezien
-wil wezen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Je bent een uitgeslapen schelm, Robert,&#x201d; hernam Jarvie; »de galg heeft reeds te lang
-op u gewacht. Hangen zult ge, hangen moet ge, dat is niet anders! Maar ik voor mij
-zal mij maar aan de oude spreuk houden: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht.
-Als ik u zie, zal ik blind zijn, tenzij de noodzakelijkheid mij dwingt, of de plicht
-gebiedt, dien kan niemand ongehoorzaam zijn.&#x2014;Maar voor den weerga! wie is die knaap?&#x201d;
-vervolgde hij, zich naar mij keerende. »Hebt gij een rekruut voor uw eerlijk handwerk
-opgedaan? Hij schijnt mij moed genoeg voor de straatrooverij te hebben, en een langen
-hals voor den strop.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193">193</a>]</span></p>
-<p>»Ach neen, waarde mijnheer Jarvie!&#x201d; riep Owen, wien de vreemde herkenning en het even
-vreemde gesprek tusschen de zonderlinge neven evenzeer bevreemdde als mij,&#x2014;»dat is
-de jongeheer Frans Osbaldistone, de eenige zoon van mijn patroon. Hij was eigenlijk
-bestemd om op ons kantoor te komen, eer zijn neef Rashleigh Osbaldistone zoo gelukkig
-was, om in zijne plaats aangenomen te worden,&#x201d; voegde hij er met een diepen zucht
-bij&#x2014;»maar desniettemin.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»O ja, ik heb van dien jongenheer gehoord. Hij is dan zeker dezelfde, dien uw patroon
-in zijne eigenzinnigheid tot koopman wilde maken; maar die toen een rondreizende komediant
-geworden is, omdat hij het handwerk schuwde, waarvan een eerlijk man leven moet. Wel
-vriendje, wat dunkt u van de zaak? Zal de Deensche prins Hamlet, of misschien wel
-de geest van Hamlet voor den heer Owen borg blijven?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik verdien uw spot niet,&#x201d; hernam ik; »maar eerbiedig uwe handelwijze. Ik ben te oprecht
-dankbaar voor de hulp, welke gij den heer Owen bewezen hebt, om gevoeligheid te toonen
-over uwe onwillekeurig scherpe uitdrukkingen. De eenige reden van mijne komst hierheen
-was, om dat weinige te doen wat ik kon, ten einde mijn vriend Owen in de zorg voor
-mijns vaders belangen behulpzaam te zijn. Mijn tegenzin in den koophandel is echter
-eene zaak, waarover ik zelf &#x2019;t best meen te kunnen oordeelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarachtig,&#x201d; hernam de Hooglander, »ik achtte dezen jongen al, eer ik recht wist
-hoe hij dacht; maar nu rijst hij bij mij niet weinig in waarde, nu ik zie, dat hij
-wevers en spinners en al zulk volkje veracht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Praat niet als een gek, Robbert!&#x201d; zeide Jarvie. »Gij spreekt van wevers? De duivel
-zelf kan u immers niet uit het weefsel ontwarren, waarin gij u verstrikt hebt. En
-spinners? Gij hebt u zelf al een fraai web gesponnen! En deze jongeling, dien gij
-regelrecht naar de galg, en dus naar de hel leidt&#x2014;met al zijne theatergrappen en zijn
-rijmelarijen kan hij evenmin hulp bewijzen, als gij met uwe vloeken en dolken? Zal
-hij zijn Tityre te patulae zingen, waar zich een Rashleigh Osbaldistone bevindt? Kan
-Macbeth met al zijne krijgshelden, en gij Robbert er bij, hem de vijf duizend pond
-bezorgen, welke hij behoeft, om de wissels te betalen, die binnen tien dagen vervallen
-zijn?&#x201d;
-</p>
-<p>»Binnen <span class="ex">tien</span> dagen?&#x201d; viel ik hem in de rede en haalde onwillekeurig Diana&#x2019;s pakketje te voorschijn.
-De tijd, gedurende welken ik het zegel moest eerbiedigen, was verloopen. Ik brak het
-dus dadelijk open. Een verzegelde brief viel uit den omslag, toen ik dien met bevende
-hand ontvouwde. Een tochtwind, die door eene gebroken vensterruit drong, woei den
-brief voor Nikolaas Jarvie&#x2019;s voeten. Hij nam hem terstond op, en gaf hem, toen hij,
-zonder eenige komplimenten, het opschrift nieuwsgierig gelezen had, tot mijne groote
-verbazing aan zijn Hooglandschen neef over. <span class="corr" id="xd29e2898" title="Niet in bron">»</span>De wind heeft den brief juist aan het adres besteld!&#x201d; zeide hij, »ofschoon het duizend
-tegen één was, dat hij in uwe handen zou komen.&#x201d;
-</p>
-<p>De Hooglander las het opschrift en brak den brief haastig open. Ik <span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194">194</a>]</span>wilde hem dit beletten, en zeide: <span class="corr" id="xd29e2904" title="Bron: &#x201e;">»</span>ik moet overtuigd zijn, dat de brief aan u gericht is, voordat ik u vergunnen kan,
-hem te lezen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees onbezorgd, mijnheer Osbaldistone!&#x201d; antwoordde hij. »Denk aan den vrederechter
-Inglewood, aan den griffier Jobson, aan Morris, en vooral aan uw gehoorzamen dienaar
-Robbert Campbell, die hier voor u staat, als ook aan de schoone Diana Vernon. Herinner
-u dit alles, en twijfel niet langer of de brief aan mij is gericht.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik zou mij wel voor het hoofd hebben willen slaan om mijne onnoozelheid! De stem,
-zelfs de gelaatstrekken van dezen man, hoe onvolkomen ik ze ook bij het flauwe licht
-kon onderscheiden, hadden gedurende den ganschen nacht vermoedens en herinneringen
-in mij opgewekt, die ik vruchteloos met plaatselijke of persoonlijke omstandigheden
-trachtte te verbinden. Nu werd mij eensklaps alles zonneklaar. Campbell stond vóór
-mij met alle zijne eigenaardigheden. De diepe, krachtige stem, het gelaat, waaruit
-strengheid naast sluwe bedachtzaamheid sprak, de Schotsche tongval, zijn beeldrijke
-stijl, die hij echter, wanneer hij wilde, zeer wel vermijden kon, maar, die zich in
-onbewaakte oogenblikken terstond weder verried en aan zijne spotternij een zekeren
-klem, aan zijne redenen eene bijzondere levendigheid bijzette&#x2014;het kwam mij alles helder
-voor den geest. Zijne gestalte was eerder beneden dan boven middelbare grootte. Maar
-zijne leden waren zoo krachtig mogelijk, zonder dat de vlugheid daardoor eenigszins
-benadeeld werd. En vlug was hij, naar de losheid zijner bewegingen te oordeelen, in
-hoogen graad. Eene minder volkomen evenredigheid heerschte echter in zijne gestalte,
-want zijne schouders waren eigenlijk te breed en maakten hem daardoor min of meer
-vierkant. Zijne armen, ofschoon rond en goed gespierd, waren veel te lang; hoewel
-ik naderhand vernam, dat hij zich op die lengte vrij wat liet voorstaan, daar zij
-hem, wanneer hij zijn Hooglandsch kostuum droeg, bij het aangespen der kousenbanden&#x2014;wat
-hij zonder te bukken doen kon&#x2014;en ook bij het hanteeren van de sabel, waarmede hij
-behendig wist om te gaan, van wezenlijk voordeel was. Dit gebrek aan evenredigheid,
-hetwelk hem alle aanspraak op den naam van mannelijk schoon benam, gaf aan zijn uiterlijk
-iets woests, iets onregelmatigs. Het herinnerde mij onwillekeurig aan de sprookjes
-onzer kindermeid. Daarin waren de Pieten, die in vroegere tijden Northumberland verwoestten,
-als wezens afgeschilderd, die half spook half mensch waren, en zich, even als deze
-Hooglander, door moed, list, woestheid, lange armen en breede schouders onderscheidden.
-</p>
-<p>Ik riep de omstandigheden in mijn geheugen terug, waaronder wij elkander vroeger gezien
-hadden. Ik kon er niet aan twijfelen, dat de brief hem toebehoorde. Hij was een van
-de belangrijkste onder de geheimzinnige wezens, op welke Diana invloed scheen te hebben,
-en die wederkeerig op haar invloed hadden. Het denkbeeld smartte mij, dat het lot
-van zulk een beminnelijk meisje aan dat van zulk een gevaarlijk mensch verbonden was;
-en dit was toch ontwijfelbaar. Maar van welk nut kon deze man voor mijns vaders zaken
-en belangen zijn? Ik zag slechts één voordeel. Zooals Rashleigh, op Diana&#x2019;s aansporing,
-den Hooglander <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195">195</a>]</span>had doen optreden, toen diens tegenwoordigheid noodzakelijk was om mij te rechtvaardigen,
-zoo was het zeker nu mogelijk, dat zij door haren invloed op gelijke wijze Campbell
-wist te bewegen, Rashleigh thans evenzoo te voorschijn te doen komen. In deze onderstelling
-verlangde ik van hem te weten, waar mijn gevaarlijke neef zich bevond, en wanneer
-Campbell hem gezien had.
-</p>
-<p>De Hooglander antwoordde niet stellig, maar in algemeene uitdrukkingen. »Het is eene
-netelige zaak, welke zij mij opdraagt,&#x201d; zeide hij; »maar eene eerlijke zaak, en daarom
-wil ik haar ook haar zin geven. Mijnheer Osbaldistone, ik woon niet ver van hier.
-Mijn neef zal u den weg wijzen. Intusschen moet mijnheer Owen hier in Glasgow doen,
-wat hij kan. Maar gij moet mij in het dal bezoeken. Waarschijnlijk kan ik u van dienst
-zijn, en uw vader in zijn benarden toestand hulp verleenen. Ik ben trouwens slechts
-een arm man, maar verstand is beter dan rijkdom. En wanneer gij, neef,&#x201d;&#x2014;vervolgde
-hij, zich tot Jarvie richtende&#x2014;»het wagen durft, een eenvoudig Schotsch middagmaal
-bij mij te gebruiken, dan vergezelt gij dezen jongenheer naar Drymen of Bucklivie,
-of liever naar de herberg van Aberfoil. Daar laat ik u door iemand afhalen, die u
-den weg naar de plaats zal wijzen, waar ik mij bevinden zal. Wat zegt gij hiervan,
-Nicolaas? ziedaar mijne hand; ik zal u niet bedriegen, gij kunt mij vertrouwen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat kan ik niet doen, neen, Robbert, neen,&#x201d; zei de voorzichtige Jarvie. »Het past
-mij niet, mij in uwe woeste gebergten onder uwe kortrokken te begeven; dat duldt de
-waardigheid van mijn ambt in geenen deele.&#x201d;
-</p>
-<p>»De duivel hale uw ambt en u daarbij!&#x201d; hernam Campbell. »De eenige droppel edel bloed,
-dien gij in de aderen hebt, is van onzen oudoom, die te Dumbarton opgehangen werd,
-en gij durft zeggen, dat uw ambt u niet toelaat dat gij mij bezoeken zoudt? Hoor eens,
-vriendje, in den herfst moet ik u betalen, dat weet ik. Welnu, ik zal uwe duizend
-pond, tot den laatsten stuiver toe eerlijk betalen, zoo gij thans eens handelt gelijk
-het behoort, en dezen jongen man begeleidt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Spreek mij toch niet meer van uw edel bloed,&#x201d; zeide Jarvie. »Breng uw edel bloed
-eens op de markt, en zie wat men er voor biedt. Maar als ik nu aan uw verzoek voldeed
-en ten uwent kwam, zoudt gij mij dan werkelijk betalen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zweer ik u!&#x201d; zeide de Hooglander, »ja, dat zweer ik u bij het heilige gebeente
-van hem, die onder den grauwen steen te Juch-Calleach sluimert!&#x201d;
-</p>
-<p>»Al wel, Robbert, al wel! Wij zullen zien wat wij doen kunnen. Verbeeld u evenwel
-niet, dat ik de grenzen van het Hoogland zal overschrijden. Neen, waarachtig niet!
-Geen enkelen stap doe ik verder! Gij moet mij te Bucklivie, of in de herberg te Aberfoil
-wachten, en vooral het noodige niet vergeten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees onbezorgd!&#x201d; hernam Campbell: »gij kent mij immers? Mijn woord is mij heilig.
-Maar het wordt tijd dat ik ga, neefje. Want de lucht eener gevangenis is voor een
-Hooglander zeer ongezond.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarachtig!&#x201d; zeide Jarvie, »als ik mijn plicht deed, dan zoudt gij <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196">196</a>]</span>nooit meer eene andere lucht inademen. O, dat ik een booswicht behulpzaam moet zijn,
-om aan de gerechtigheid te ontsnappen! Welk eene schande voor mij en de mijnen en
-voor mijns vaders nagedachtenis voor altijd!&#x201d;
-</p>
-<p>»Stil toch, stil toch, mannetje!&#x201d; hernam de Hooglander. »Laat de dooden rusten! Uw
-vader wist bij zijn leven voor de fouten en gebreken van een goed vriend even knap
-een oog toe te drukken, als een ander.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja, daarin hebt gij gelijk, Robbert,&#x201d; antwoordde Jarvie. »Mijn vader was een verstandig,
-inschikkelijk man. Hij wist dat wij allen arme zondaren, zwakke vaten zijn, en hield
-steeds zeer veel van zijne vrienden. Gij herinnert u hem toch nog wel, Robbert?&#x201d;&#x2014;Deze
-vraag deed hij op een zachten toon, die misschien iets belachelijks, maar zeker iets
-aandoenlijks had.
-</p>
-<p>»En waarom zou ik mij hem niet herinneren?&#x201d; vroeg Robbert. »Waarom niet? Hij was een
-fiksche wever, en heeft mij mijne eerste kousen geweven. Maar laat mij gaan, neef!&#x201d;
-</p>
-<div class="lgouter xd29e409">
-<p class="line xd29e2930">Een glas nog maar,
-</p>
-<p class="line xd29e2930">Dan zijn we klaar.
-</p>
-<p class="line">En dan naar huis, de tijd is daar.</p>
-</div>
-<p class="first">»Stil, stil, vriendje!&#x201d; zeide Jarvie ernstig. »Nauwelijks is de dag des Heeren voorbij,
-en nu reeds liedjes te zingen! Het zou wel kunnen gebeuren, dat men u hier naar eene
-geheel andere wijs leerde zingen. Maar genoeg! Wij struikelen allen, en een mensch
-is juist geen engel; dus&#x2014;Stanchells, doe de deur open!&#x201d;
-</p>
-<p>De gevangenbewaarder gehoorzaamde, en wij gingen allen heen. Met eenige verwondering
-keek nog de eerstgenoemde beide vreemdelingen na. Hij scheen maar niet te kunnen begrijpen,
-hoe zij buiten zijn weten in de gevangenis gekomen waren. Jarvie&#x2019;s verzekering: »Een
-paar goede vrienden van mij, Stanchells! een paar goede vrienden van mij!&#x201d; voorkwam
-de nieuwsgierige vraag, die reeds op zijne lippen zweefde. Wij stegen den trap af
-en riepen, in het voorportaal gekomen, herhaalde malen Dugald&#x2019;s naam, zonder eenig
-antwoord te ontvangen. Met een spotachtig glimlachje merkte Campbell op, dat Dugald,
-zoo hij zich in dien knaap niet bedrogen had, hoogst waarschijnlijk zou blijken verkozen
-te hebben naar de belooning, voor den door hem dezen nacht bewezen dienst, te wachten,
-dat hij zeker reeds in vollen ren naar de grenzen van het Hoogland was.
-</p>
-<p>»En nu heeft hij ons, en zelfs mij, mij zelven in de gevangenis opgesloten gelaten!&#x201d;
-riep Jarvie toornig en ontsteld uit. »Schielijk, hamers en beitels, mokers en dommekrachten!
-Roep den smid. Zeg hem, dat het lid van den raad Jarvie in de gevangenis is opgesloten
-door een Hooglandschen schurk, dien hij zal doen ophangen, zoo hoog als Haman eens
-gehangen heeft!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197">197</a>]</span></p>
-<p>»Wel te verstaan, als gij hem eerst gevangen hebt!&#x201d; zeide Campbell. »Maar wacht eens!
-De deur is zeker niet gesloten.&#x201d;
-</p>
-<p>En zoo bevonden wij het ook. De deur was niet alleen open, maar Dugald had tevens
-bij zijne vlucht de sleutels medegenomen, opdat niet deze of gene hem te spoedig in
-zijn ambt van sleutelbewaarder zou kunnen opvolgen.
-</p>
-<p>»Die Dugald is zoo gek niet!&#x201d; zeide Campbell. »Hij wist zeer goed, dat eene opene
-deur mij, als ik in de klem zat, van nut zou kunnen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens Robbert,&#x201d; zeide Jarvie, toen wij op straat waren; »wilt gij op dezen voet
-voortleven, dan moest gij, naar mijne bescheiden meening, in elke gevangenis van Schotland
-een van uwe vertrouwelingen tot portier hebben, voor het geval dat de nood aan den
-man kwam.&#x201d;
-</p>
-<p>»Och neef Nicolaas, een van mijne bloedverwanten, als regeeringslid in iedere plaats,
-zal ook wel goed zijn! En nu: goeden nacht of goeden morgen! Vergeet de herberg te
-Aberfoil niet.&#x201d;
-</p>
-<p>Met die woorden sprong Campbell, zonder het antwoord af te wachten, naar de overzijde
-der straat en verdween in de duisternis. Terstond daarna hoorden wij hem zachtjes,
-maar op eene geheel bijzondere wijze fluiten, waarop ook dadelijk geantwoord werd.
-</p>
-<p>»Kijk me nu eens die Hooglandsche duivels aan!&#x201d; zeide Jarvie. »Zij denken dat zij
-reeds aan den voet van den Ben-Lomond zijn, waar zij vrij fluiten kunnen, zonder zich
-aan den Zondag of Zaterdag te storen.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij werd gestoord door iets, dat ratelend voor onze voeten nederviel. »Wat is dat?&#x201d;
-riep Jarvie. »Mathilde, licht eens! Waarachtig, het zijn de sleutels! Nu, dat is wel,
-dat is goed! Zij hebben onze stad toch geld gekost, en waren ze verloren geraakt,
-dan zou er heel veel praats over geweest zijn. En zoo men in onze raadsvergadering
-iets van het gebeurde van heden nacht vernam, zou ik al vrij wat gehaspel hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Voordat wij verder gingen, brachten wij de sleutels naar de gevangenis terug, waarvan
-we slechts eenige schreden verwijderd waren. Wij stelden ze den gevangenbewaarder
-ter hand, die nog in het voorportaal op en neer wandelde, en op iemand wachtte die
-den ontvluchten Dugald vervangen moest.
-</p>
-<p>Daar ik denzelfden weg als Jarvie ging, kon ik mij ook van zijn lantaren bedienen.
-Ik gaf hem mijn arm, om hem alzoo des te gemakkelijker door de donkere en slecht bestrate
-stad te geleiden. Oude lieden zijn meestal erkentelijk voor de oplettendheden van
-jonge lieden. Jarvie betuigde mij zijne deelneming in mijne onaangename omstandigheden,
-en voegde er bij, daar ik toch niet tot het comediantenvolk behoorde, waarvan hij
-een verklaarden afschuw had, het hem aangenaam zou zijn als ik, in gezelschap van
-mijn vriend Owen, die den volgenden ochtend vroeg in vrijheid zou wezen, ten zijnent
-ontbijten wilde.
-</p>
-<p>Deze uitnoodiging nam ik dankbaar aan, maar vroeg hem tevens hoe hij aan het denkbeeld
-was gekomen, dat ik tot het tooneel behoorde?
-<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198">198</a>]</span></p>
-<p>»Dat zal ik u zeggen,&#x201d; hernam Jarvie. »Gisteren avond kwam er een praatzieke kerel
-bij mij&#x2014;Andries <span class="corr" id="xd29e2956" title="Bron: Fairserviece">Fairservice</span>, heette hij, naar ik mij herinner&#x2014;die mij verzocht, den openbaren omroeper bevel
-te geven, om morgen vroeg naar u te zoeken. Hij zeide mij wie gij waart, en hoe men
-u uit uws vaders huis had weggezonden, omdat gij geen koopman wildet worden, en nu
-moest men trachten te voorkomen, dat gij uwe familie de schande aandeed, van comediant
-te worden. Onze voorzanger Hammorgan bracht dien knaap bij mij, en zeide mij dat hij,
-namelijk die Andries, een oud bekende van hem was. Maar ik wilde hun volstrekt niet
-te woord staan en las hun nog daarenboven geducht de les, dat zij mij op Zondagavond
-met zulke dingen lastig vielen. Maar nu zie ik wel, dat die Andries een groote gek
-en ten uwen opzichte het spoor geheel bijster is. Gij bevalt mij, vriend,&#x201d; vervolgde
-Jarvie. »Wie zijn vrienden in nood bijstaat, is mijn man. Ik doe dat ook, en mijn
-overleden vader deed insgelijks. God schenke hem daarvoor de eeuwige rust en zijn
-besten zegen! Maar gij moet u vooral niet met die woeste Hooglanders inlaten. Wie
-met pek omgaat, wordt er door besmet. Denk daaraan. Ja, de braafste, de verstandigste
-menschen kunnen dwalen. Een-<span class="corr" id="xd29e2959" title="Niet in bron">,</span> twee-, driemaal ben ik zelf gestruikeld, waarde vriend. Heden nacht bijvoorbeeld
-heb ik drie erge dingen gedaan&#x2014;waarachtig! Had mijn vader hiervan getuige kunnen wezen,
-hij zou zijne eigen oogen niet vertrouwd hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Juist waren wij aan Jarvie&#x2019;s woning gekomen. Hij bleef op den drempel en zei op berouwvollen
-toon: »Ten eerste heb ik mij op den dag des Heeren met wereldsche zaken bemoeid. Ten
-tweede ben ik voor een Engelschman borg gebleven, en ten derde heb ik, helaas! een
-misdadiger uit de gevangenis laten ontsnappen. Maar voor alles bestaat balsem! Mathilde,
-ik kan den weg wel vinden, licht gij dus mijnheer naar de herberg, daar op den hoek.&#x2014;Mijnheer
-Osbaldistone,&#x201d; fluisterde hij mij in: »laat het meisje ongemoeid. Het is een zedig
-kind van brave ouders en een eigen nichtje van den heer van Limmerfield.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199">199</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXIV.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Zoo ik u eenigen dienst kan bewijzen,
-</p>
-<p class="line">beschik over uw nederigen dienaar.
-</p>
-<p class="line">O, een zaak bid ik slechts, dat het mij
-</p>
-<p class="line">vergund zij, om uw brood te eten, ook
-</p>
-<p class="line">al ware het zwart, en uw drank te
-</p>
-<p class="line">drinken, ook al ware die dun. Kijk,
-</p>
-<p class="line">voor veertig shillings zal ik u even
-</p>
-<p class="line">vele diensten bewijzen, als anderen voor
-</p>
-<p class="line">drie pond.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Greene&#x2019;s</span> &#x201e;<i lang="la">Tu Quoque</i>.&#x201d;</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e590"><span class="xd29e590init">W</span>el nam ik de opmerking, bij het afscheid door den heer Jarvie gemaakt, dankbaar aan,
-maar ik meende toch, dat het geenszins iets onbetamelijks zijn zou, wanneer ik bij
-het geldstuk, waarmede ik Mathilde&#x2019;s voorlichten beloonde, een kus voegde. En haar
-zacht: »foei, schaam u, mijnheer!&#x201d; scheen juist geen erg misnoegen over mijne vrijpostigheid
-te kennen te geven. Mijn herhaald kloppen aan de deur der herberg maakte eerst een
-paar rondzwervende honden gaande, die allergeweldigst begonnen te blaffen. Eenige
-hoofden met nachtmutsen kwamen uit de naburige vensters te voorschijn en riepen mij
-wegens mijn onchristelijk geweld op Zondagnacht&#x2014;zoo als zij het noemden&#x2014;allerlei onchristelijke
-scheldwoorden toe. Toen eindelijk de kasteleines ook ontwaakte, vreesde ik, dat dit
-onweder van woorden, door een stortregen als die van Xantippe&#x2019;s hand zou gevolgd worden.
-Maar&#x2014;overigens op een toon, die de lieve wederhelft van den wijzen Socrates zeer goed
-zou gestaan hebben&#x2014;kwam de bui op een paar lieden in de gelagkamer neder, omdat zij
-zich niet spoedig genoeg gehaast hadden de deur te openen en dus de herhaling van
-mijne gewelddadigheid te voorkomen.
-</p>
-<p>Die menschen in de gelagkamer, wier traagheid aldus bestraft werd, waren geene andere
-dan de getrouwe Andries, zijn vriend de voorzanger, en een derde, de stadsomroeper,
-zoo als ik naderhand vernam. Zij zaten bij een glas bier, trouwens op mijne kosten,
-zooals mij bij het betalen mijner rekening overtuigend bleek, en zij overlegden met
-elkander de bewoordingen, waarin de omroeper den volgenden dag door de straten der
-stad den ongelukkigen jongeling, zoo als zij mij geliefden te noemen, zouden oproepen,
-om zonder verder dralen naar zijne bekommerde vrienden terug te keeren. Natuurlijk
-kon ik mijn toorn over deze onbescheiden bemoeiing met mijne aangelegenheden niet
-onderdrukken. Maar het baatte mij niets. Want Andries gaf zich bij mijne komst aan
-zulke luide ontboezemingen van vreugde over, dat hetgeen ik zeide om hem en de zijnen
-mijne ontevredenheid te kennen te geven, door hem als het ware overschreeuwd werd.
-Het spreekt van zelf, deze uitbundige vreugde was maar geveinsd, en zijne tranen ontsprongen
-uit geene <span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200">200</a>]</span>andere bron dan uit de bierkan. Voorloopig beveiligde de luide vroolijkheid, welke
-hij over mijne terugkomst gevoelde, of ten minste voorwendde te gevoelen, hem nagenoeg
-voor de tuchtiging, welke ik hem reeds eenmaal had toegedacht; eerst voor zijn gesprek
-met den voorzanger over mijne zaken, en dan voor zijn ongerijmd vertelseltje bij den
-heer Jarvie. Thans kwam hij er zoo genadig af, dat ik hem slechts de deur voor den
-neus dicht wierp, toen hij mij naar mijne kamer volgde, brutaal genoeg mij de vermaning
-toevoegde, om in het vervolg voorzichtiger te zijn, als ik alleen uitgaan wilde.
-</p>
-<p>Den volgenden morgen was mijne eerste zorg mij van den lastigen, eigenwijzen man te
-ontslaan, die eigenlijk meer mijn meester dan mijn knecht trachtte te zijn. Toen ik
-hem op mijne kamer had laten roepen, en hij binnentrad, vroeg ik hem wat ik hem voor
-zijn geleide naar Glasgow schuldig was. Deze vraag deed hem verbleeken: want hij beschouwde
-ze niet zonder reden, als de voorbode van zijn ontslag.
-</p>
-<p>»Gij zult toch&#x201d;&#x2014;zeide hij stamelende&#x2014;»gij zult toch, hoop ik, mij niet.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Antwoord mij!&#x201d; riep ik driftig, »of ik sla je de hersens in!&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p200width"><img src="images/p200.png" alt="" width="473" height="243"></div><p>
-</p>
-<p>Andries aarzelde tusschen het dubbele gevaar, om òf alles te verliezen, als hij te
-veel, òf een gedeelte kwijt te raken, als hij minder eischte dan ik hem waarschijnlijk
-zou geven, en gaapte mij zwijgend aan. Eindelijk echter stiet hij uit, alsof hij plotseling
-een slag op den rug had gehad: »achttien stuivers daags&#x2014;dat zal toch niet te veel
-wezen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Tweemaal zoo veel als men gewoonlijk betaalt, en driemaal meer dan gij verdient!&#x201d;
-hernam ik. »Maar ziedaar een guinje, en ga nu waarheen gij verkiest. Ik kan u verder
-missen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar goede Hemel! Zijt gij wel bij uw zinnen, beste mijnheer?&#x201d; riep Andries.
-</p>
-<p>»Kerel! ge zoudt mij waarlijk zoover kunnen brengen!&#x201d; viel ik hem in de rede. »Nu
-wat wilt ge nog? Ik geef u een derde meer dan gij eischt. En gij staat daar nog en
-kijkt mij aan, of meen je, dat ik je te kort heb gedaan. Neem uw geld en maak dat
-je weg komt.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201">201</a>]</span></p>
-<p>»O, goede Hemel!&#x201d; hervatte Andries. »Waardoor heb ik u dan beleedigd, mijnheer? Zeker,
-alle vleesch is gelijk de bloemen des velds. En even als een handvol kamillen voor
-den geneesheer zijne waarde heeft, zoo kan ook Andries u van nut zijn. Dat ik bij
-u blijve, moet u wat waard zijn, ja veel waard, zooals u uw leven waard is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarlijk? Nu, het is inderdaad moeielijk te beslissen, of gij grooter schurk dan
-gek zijt. Gij wilt dus bij mij blijven, of ik wil of niet!&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist, zoo dacht ik er over!&#x201d; antwoordde Andries op vrij stelligen toon. »Weet gij
-al niet, dat gij in mij een braven knecht hebt, dan weet ik ten minste, dat ik in
-u een braven meester heb. Nooit zou ik rust of duur kunnen hebben, als ik u zoo aan
-uw lot overliet. En om u nu maar ronduit te zeggen, waar het op staat: mijn dienst
-is mij niet behoorlijk opgezegd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw dienst?&#x201d; vroeg ik. »Ik heb u slechts als gids medegenomen en, dat wil ik erkennen,
-tot mijn genoegen ondervonden, dat gij daartoe bruikbaar zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeker, het is waar, ik ben geen gewone dienstbode,&#x201d; hernam Andries. »Maar gij weet
-toch wel, dat ik om uwentwil, alleen op uw dringend aanzoek, een goeden dienst opgeofferd
-heb, en dat ik het slechts één uur te voren wist. Als tuinman van het kasteel Osbaldistone,
-kon ik het eerlijk en met een zuiver geweten jaarlijks tot twintig pond brengen. Zou
-ik dat inkomen voor eene enkele guinje weggeworpen hebben! Ik rekende er op, dat ik
-tenminste het kwartaal uit bij u zou blijven. Tot zoo lang zou ik toch meenen wettige
-aanspraak op loon, kost en drinkgeld te kunnen hebben. Dat is toch duidelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>»Kom, kom! Uwe onbeschaamdheid zal u niet baten,&#x201d; riep ik. »Verstout u niet, daarmede
-voort te gaan, of gij zult ondervinden, dat Thorncliff Osbaldistone de eenige niet
-is van de familie, die zijne handen weet te gebruiken!&#x201d;
-</p>
-<p>De gansche zaak kwam mij, toen ik dit zeide, zoo bespottelijk voor, dat ik, in weerwil
-van mijn billijk misnoegen, mij echter nauwelijks bedwingen kon, om over den ernst,
-waarmede Andries zijn vermeend recht op mijne beurs verdedigde, in een luid lachen
-uit te barsten. De schelm bemerkte den indruk, dien hij op mijne lachspieren gemaakt
-had. Hij liet nu nog minder los, hoewel hij het toch raadzaam oordeelde zijn overdreven
-eisch een weinig te matigen, om mijn geduld niet te tergen, en ook misschien langs
-dien weg zijn doel te bereiken.
-</p>
-<p>»Ik erken gaarne, dat gij het in uwe macht hebt, mijnheer,&#x201d;&#x2014;zoo begon hij weder&#x2014;»een
-ouden getrouwen dienstknecht, die u en de uwen twintig jaren lang bij dag en bij nacht
-ijverig gediend heeft, plotseling uit uw dienst te ontslaan. Maar ik ben ook verzekerd,
-dat gij, evenmin als ieder ander braaf en weldenkend man, het over u zult kunnen verkrijgen,
-om een armen drommel als ik, die veertig, vijftig, ja honderd mijlen ver is gereisd,
-alleen om u gezelschap te houden, en die niets dan zijn dagloon bezit, in den uitersten
-nood weg te zenden.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202">202</a>]</span></p>
-<p>Waarde Tresham, als ik mij wel herinner, hebt gij eens de opmerking gemaakt, dat ik,
-ondanks mijne eigenzinnigheid, toch in zekere gevallen veel lichter dan eenig ander
-mensch te bepraten en om den tuin te leiden was. Tegenspraak alleen maakt mij halsstarrig.
-Maar zoodra ik niet gesard en daardoor opgewekt word om een voorstel te bestrijden,
-ben ik steeds meer geneigd om toe te stemmen. Inderdaad, ik heb mij daardoor soms
-veel moeite en kwelling veroorzaakt. Ik kende mijn gids als een hebzuchtigen, lastigen
-gek. Maar alles wel overwogen, had ik behoefte aan iemand als wegwijzer en bediende.
-Daarenboven was ik aan de luimen en grillen van dezen Andries zoo gewoon, dat ik er
-wel eens pleizier in vond. Nog besluiteloos, vroeg ik hem, of de wegen en steden in
-het noorden van Schotland hem bekend waren, daar mijns vaders handelsbetrekkingen
-met de Hooglandsche boscheigenaars mij waarschijnlijk noodzaken zouden, mij derwaarts
-te begeven. Gaarne geloof ik, dat, als ik hem naar den weg had gevraagd, die naar
-het Paradijs leidt, hij evenzeer op zich zou genomen hebben, om mij dien te wijzen
-en er mij heen te brengen. Ook had ik naderhand alle reden om verheugd te zijn, dat
-zijne wezenlijke kennis van den weg niet te ver beneden het peil was, waarop hij zich
-beroemde. Ik bepaalde zijn loon, mij voorbehoudende, hem, zoodra ik het verkiezen
-mocht, met eene week extra-betaling zijn ontslag te geven, en las hem nu ook eens
-geducht, de les over zijne houding van den vorigen dag. Dit stemde zijn zoo even nog
-vrij hoogen toon merkelijk lager, hoewel hij overigens betuigde met mijne schikking
-volkomen tevreden te zijn. Met een opgeruimd hart ging hij heen. Ik kon echter hooren,
-dat hij zijn vriend, den voorzanger, die in de gelagkamer bij zijn morgenslokje zat,
-vertelde, hoe hij den dwazen jongen Engelschman eens goed de waarheid had gezegd en
-tot rede gebracht.
-</p>
-<p>Ik verliet de herberg en begaf mij naar het huis van Jarvie, waar mij in het spreekvertrek,
-dat voor allerlei gebruik diende, een flink ontbijt wachtte. De welwillende man had
-stipt woord gehouden. Ik vond mijn vriend Owen in vrijheid. En na zich behoorlijk
-gewasschen, zijne pruik gekamd en zijne kleederen afgeborsteld te hebben, was hij
-thans weder een geheel ander man geworden, dan de onzindelijke, neêrslachtige, schier
-wanhopende gevangene. Maar het besef van zijne dringende geldverlegenheid had hem
-geheel moedeloos gemaakt, en de bijna vaderlijke omhelzing, waarmede hij mij ontving,
-werd door een diepen, smartelijken zucht verbitterd. Toen hij weder was gaan zitten,
-verried mij zijn somber oog en peinzend gelaat, zoo verschillend van zijne gewone
-kalmte en innige tevredenheid, dat hij in zijne gedachten de dagen, de uren, ja de
-minuten berekende, na verloop waarvan bij niet-betaling der geaccepteerde wissels,
-het zoo beroemde huis Osbaldistone en Tresham vallen moest. Het bleef dus alleen mij
-overgelaten, mijne dankbaarheid voor het onthaal van onzen gastheer te betuigen, en
-zijne thee, die hij rechtstreeks uit ons China had ontvangen, als ook zijne koffie,
-die op zijne eigen plantaadje in Jamaica, Salt-Market-Grove genaamd, gegroeid was,
-zoo als hij met een knipoogje te kennen gaf&#x2014;zijne heerlijke »ale&#x201d;, <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203">203</a>]</span>zijne gerookte Schotschen zalm, en zelfs zijn damasten tafellaken, dat niemand anders
-dan zijn overleden vader, het voormalig lid van den raad der stad, had geweven, naar
-behooren te prijzen.
-</p>
-<p>Toen ik door deze en dergelijke kleine attenties, die voor veel menschen van hoog
-gewicht zijn, onzen gastheer tot welwillendheid gestemd had, poogde ik van hem eenige
-berichten te erlangen, die mij op mijn verderen weg van nut konden zijn, of ten minste
-mijne nieuwsgierigheid bevredigen konden. Nog hadden wij geen enkel woord over het
-gebeurde van den vorigen nacht gesproken, en dus was mijne vraag zoo tamelijk onverwacht,
-toen ik van het zwijgen, dat na de geschiedenis van het tafellaken volgde, partij
-trekkende, plotseling aldus begon: »Maar zeg mij toch eens, mijnheer Jarvie, wie is
-die Robbert Campbell, dien wij dezen nacht ontmoetten?&#x201d;
-</p>
-<p>Deze vraag scheen den goeden man geheel van zijn stuk te brengen.&#x2014;»Wie Robbert Campbell
-is?&#x201d; zeide hij, en herhaalde, na een zeer verlegen hm! hm!&#x2014;»wie hij is?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat veroorloof ik mij, u te vragen, wie en wat hij is?&#x201d; hernam ik.
-</p>
-<p>»Hij is.&#x2026; Maar waar hebt gij dan dezen Robbert Campbell, zoo als gij hem noemt, ontmoet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Bij toeval in het noorden van Engeland, nu eenige maanden geleden,&#x201d; was mijn antwoord.
-</p>
-<p>»Welnu, mijnheer Osbaldistone,&#x201d; hernam Jarvie, min of meer gemelijk; »dan weet gij
-even veel van hem, als ik.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik vraag u verschooning. Dit schijnt toch geenszins het geval te zijn, mijnheer Jarvie!&#x201d;
-antwoordde ik. »Gij zijt immers, zoo als hij ten minste beweerde en gij niet ontkendet,
-zijn bloedverwant, zijn neef.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja, er bestaat tusschen ons zoo wat neefschap,&#x201d; zeide Jarvie met zichtbaren tegenzin.
-»Maar sedert Robbert den handel in vee heeft gedreven, hebben wij elkander zelden
-gezien. Die arme drommel! door menigeen, die hem voor gewichtige diensten grooten
-dank schuldig was, is hij allerondankbaarst behandeld. Zijn geld heeft men hem listig
-ontstolen. Ja, ja, menigeen wenschte nu wel, dat men hem nooit uit Glasgow gejaagd
-had, en men zou hem thans veel liever weder achter drie honderd ossen, dan aan het
-hoofd van dertig wezens zien, die nog veel erger dan dieren zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar, mijnheer Jarvie, dit alles geeft mij nog niet de minste inlichting omtrent
-zijn rang en stand en zijne middelen van bestaan,&#x201d; hernam ik.
-</p>
-<p>»Zijn rang?&#x201d; antwoordde Jarvie. »Wel, hij is een Hooglandsch gentleman; welken stand
-zou hij meer behoeven? Zijne middelen van bestaan? Wat is ons daaraan gelegen, zoo
-lang hij niets van ons begeert? Maar ik heb thans geen tijd om langer over hem te
-praten. Er is hier iets anders te doen, wat voor u, of ten minste voor uw vader, van
-meer belang moet zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Na dit gezegd te hebben, zette hij zijn bril op en ging zitten, om den staat van mijns
-vaders zaken te onderzoeken, dien Owen noodig achtte hem zonder eenige achterhoudendheid
-mede te deelen. Ik verstond <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204">204</a>]</span>intusschen genoeg van den handel, om te kunnen opmerken met hoeveel scherpzinnigheid
-Jarvie elke zaak beoordeelde, die aan zijn oordeel onderworpen werd. En ik ben hem
-tevens de volle eerlijke erkentenis schuldig, dat hij zich in alles niet alleen zeer
-billijk, maar zelfs zeer edelmoedig betoonde. Wel krabde hij zich achter het oor,
-toen hij bevond, dat Osbaldistone en Tresham per saldo nog zeer hoog bij hem in debet
-stonden.&#x2014;
-</p>
-<p>»Nu, in &#x2019;s Hemels naam!&#x201d; zeide hij eindelijk; »ik moet het dan maar voor een verloren
-post rekenen. Intusschen, wat uwe goudmakers in Londen er ook van zeggen mogen, bij
-ons in Glasgow is dit geene kleinigheid. Het zal een geweldig groot gat in mijn kas
-maken; dat is niet anders. Evenwel, uw kantoor zal er niet door vallen, hoe veel dan
-ook reeds weg moge zijn:&#x2014;en moet het wezen, welnu, in &#x2019;s Hemels naam. Ik denk er in
-elk geval zoo onbarmhartig niet over als die roofvogels daar ginder in de Hoogstraat.
-Moet ik thans door u een verlies lijden, dan zal ik toch nooit ontkennen, dat ik door
-u menig aardig pondje sterling gewonnen heb. Loopt het dus heel erg, dan leg ik den
-kop van het zwijn bij den staart van het varken, en zal wel zien uit te komen.&#x201d;
-</p>
-<p>Wel begreep ik den eigenlijken zin van dit zonderlinge spreekwoord, waarmede Jarvie
-zich troostte, niet best. Maar dit begreep ik wel, dat hij met welwillende deelneming
-mijns vaders aangelegenheden behandelde, ja, dat hij zulken welgemeenden en verstandigen
-raad gaf, dat de rimpels op Owen&#x2019;s voorhoofd van lieverlede nagenoeg verdwenen.
-</p>
-<p>Ik zat er evenwel bij als een werkeloos aanschouwer en toehoorder van al die onderhandelingen.
-Nu en dan toonde ik mijne neiging, om den zoo plotseling afgebroken draad van ons
-gesprek over Campbell weder aan te knoopen. Eindelijk zeide de heer Jarvie mij zonder
-veel komplimenten, dat ik maar eens naar het »collegie&#x201d; zou gaan, waar ik eenige lieden
-zou vinden, die Grieksch en Latijn spraken, ten minste er geld genoeg voor ontvingen
-om het te doen. Daar zou ik tevens iets van <span class="corr" id="xd29e3038" title="Bron: Body&#x2019;s">Boyd&#x2019;s</span> vertaling der H. Schriften kunnen lezen. Dit was naar zijne meening veel betere poëzie
-dan eenige andere, zoo als hij van menschen gehoord had, die dit konden en moesten
-weten. Hij verzachtte het harde van dit afscheid, door mij dien middag bij zich te
-gast te noodigen, mits ik precies met klokslag van één ure ten zijnent was, want later
-ging hij niet aan tafel; dit was reeds bij het leven van zijnen vader de vaste gewoonte
-van zijn huis geweest, »en daarvan werd niet afgeweken, voor wien ook ter wereld.&#x201d;
-Ik moest dus er voor zorgen, klokslag één uur er te zijn.
-<span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205">205</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXV.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De jachthond blaft, de herder wacht,
-</p>
-<p class="line">Gewapend met den lansenschacht,
-</p>
-<p class="line">Den beer, die nadert door het woud &#x2026;
-</p>
-<p class="line">Hij hoort hem aan het buigend hout,
-</p>
-<p class="line">Aan &#x2019;t krakend loof en &#x2019;t ritslend blad,
-</p>
-<p class="line">Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,
-</p>
-<p class="line">Een van ons beiden moet ten onder &#x2026;
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Palamon</span> en <span class="sc">Arcite</span>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1839"><span class="xd29e1839init">I</span>k stond op en ging overeenkomstig Jarvie&#x2019;s raad naar de hoogeschool, gewoonlijk »het
-Collegie&#x201d; genoemd, minder met het oogmerk om afleiding te zoeken, dan wel om mijne
-gedachten te regelen en over het door mij van nu af te houden gedrag na te denken.
-Ik ging langs het oude schoolgebouw en kwam eindelijk in den tuin van het College,
-waar ik, daar het juist in de leeruren was, eenzaam op en neer wandelde, geheel verdiept
-in bespiegelingen over mijn zonderling lot.
-</p>
-<p>De omstandigheden aan mijne eerste ontmoeting met Robbert Campbell verbonden, lieten
-mij geen twijfel over, dat hij zonder schroom de eene of andere koene onderneming
-zou wagen. De tegenzin, waarmede Jarvie over dezen man en diens betrekkingen, als
-ook over het gebeurde van den vorigen nacht sprak, versterkte mij niet weinig in mijn
-vermoeden. Tot dezen mensch had zich echter Diana Vernon, naar het scheen, ten mijnen
-voordeele gewend, en in de handelwijze van den heer Jarvie jegens hem waren goedheid,
-ja zelfs hoogachting, met medelijden en afkeuring op vreemde wijze vereenigd. Er moest
-toch iets zeer buitengewoons in Campbells toestand en denkwijze wezen, en wat mij
-nog <span class="corr" id="xd29e3064" title="Bron: zondelinger">zonderlinger</span> voorkwam, zijn noodlot scheen invloed op het mijne te hebben, en daarmede in verband
-te staan. Ik nam het besluit, om bij de eerste voegzame gelegenheid, bij Jarvie nader
-aan te dringen, ten einde zoo veel mogelijk aangaande den geheimzinnigen man uit te
-vorschen. Ik wilde beoordeelen, of ik, zonder nadeel voor mijn goeden naam, mij in
-eenige betrekking tot hem zou kunnen stellen, waartoe hij mij scheen uit te noodigen.
-</p>
-<p>Zoo peinzende, wandelde ik verder. <span class="corr" id="xd29e3069" title="Bron: Plotselig">Plotseling</span> toevallig opziende, ontwaarde ik aan het einde van de laan, waarin ik slenterde,
-drie mannen, die met elkander in ernstig gesprek schenen te zijn. De levendige indruk,
-die ons vaak de nabijheid van iemand, die wij liefhebben of haten, op onverklaarbare
-wijze aankondigt, lang voordat een onverschillig oog hem herkennen kan, deed in mij
-de overtuiging ontstaan, dat de middelste van die drie mannen Rashleigh Osbaldistone
-moest wezen. Mijn eerste voornemen was, hem aan te spreken; mijn tweede, hem gade
-te slaan, tot hij alleen zou zijn, of ten minste degenen, die zich bij hem bevonden,
-eens op te nemen, eer ik naar hem toeging. Zij <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206">206</a>]</span>waren nog zoo ver verwijderd en zoo verdiept in hun gesprek, dat ik tijd genoeg had,
-om onbemerkt achter eene heg te sluipen.
-</p>
-<p>Deftige jonge lieden droegen in dien tijd op hunne morgenwandelingen, dikwijls een
-scharlaken mantel, meestal met goudgalon bezet. Modeheertjes hadden daarbij de gewoonte,
-op coquette manier daarmede hun gelaat gedeeltelijk te verbergen. Op dezelfde wijze
-bedekt en achter de heg verborgen, kon ik mijn neef voorbijgaan, zonder door hem of
-de anderen gezien, of ten minste voor iets meer dan een vreemdeling gehouden te worden.
-Intusschen was ik niet weinig onthutst, toen ik in Rashleigh&#x2019;s gezelschap mijn voormaligen
-aanklager Morris herkende, en&#x2014;den koopman Mac-Vittie, wiens stroef en streng gelaat
-den vorigen dag zulk een onaangenamen indruk op mij had gemaakt.
-</p>
-<p>Dit was wel een slecht teeken voor mijne en mijns vaders aangelegenheden. Ik herinnerde
-mij de valsche aanklacht, welke Morris tegen mij ingebracht had. Hij kon zich misschien
-tot eene nieuwe aanklacht even gemakkelijk laten verleiden, als hij door vrees tot
-het herroepen van de eerste was gedwongen. Ik dacht aan den heilloozen invloed, dien
-Mac-Vittie op mijns vaders zaken had, zoo als uit Owen&#x2019;s gevangenneming genoegzaam
-bleek. Nu zag ik deze beide lieden in gesprek met hem, wiens duivelsche bekwaamheid
-om onheil te stichten ik door en door kende, dien ik diep verfoeide, ja zelfs bijna
-vreesde.
-</p>
-<p>Toen zij eenige schreden verder waren gegaan, keerde ik om en volgde hen ongemerkt.
-Aan het andere einde der laan scheidden zij. Morris en Mac-Vittie verlieten den tuin,
-Rashleigh kwam geheel alleen de laan af. Ik besloot hem te gemoet te gaan, hem aan
-te spreken en vergoeding voor de schade te eischen, welke hij mijn vader had aangedaan,
-ofschoon ik nog niet zag op welke wijze die vergoeding van hem zou kunnen verkregen
-worden. Maar dit zou van later zorg zijn. Na mijn mantel teruggeslagen te hebben,
-trad ik door eene opening in de heg, Rashleigh, die in gepeins verdiept scheen, te
-gemoet.
-</p>
-<p>Rashleigh liet zich door onverwachte gebeurtenissen niet licht verrassen, nog minder
-schrik aanjagen. Toch was hij, toen hij mij zoo vlak voor zich zag en op mijn gelaat
-diepe verontwaardiging las, blijkbaar onthutst. Mijne verschijning kwam hem onverwacht.
-</p>
-<p>»Goed, dat ik u aantref!&#x201d; zeide ik. »Juist wilde ik eene verre reis ondernemen, om
-u op te sporen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan kent gij hem, dien gij zocht, in het geheel niet!&#x201d; antwoordde Rashleigh, met
-zijne gewone, onwrikbare bedaardheid. »Mijne vrienden weten mij gemakkelijk te vinden
-en mijne vijanden nog gemakkelijker. Uwe zonderlinge wijze van u bij mij aan te melden,
-noodzaakt mij u te vragen, onder welke rubriek ik Frans Osbaldistone moet plaatsen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Onder die van uwe vijanden,&#x201d; hernam ik, »ja, van uwe doodvijanden, zoo gij niet terstond
-jegens mijn vader, uw weldoener, als eerlijk man, rekenschap afleggen en uw plicht
-wilt doen.&#x201d;
-</p>
-<p>»En aan wien, mijnheer Osbaldistone, aan wien zou ik, deelhebber in uws vaders zaak,
-van mijne handelwijze en doen, welke ik in alle <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207">207</a>]</span>opzichten mijne eigene mag noemen, gedwongen worden rekenschap te geven? Toch niet
-aan een jongeling, die zoo veel smaak voor de fraaie letteren bezit, dat dergelijke
-koopmanszaken hem allergeweldigst zouden vervelen, daar ze voor hem volstrekt onverstaanbaar
-zouden zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uwe spotternij is geen antwoord op mijn eisch! Ik laat u niet los, voor ik volkomen
-inlichtingen heb erlangd aangaande het bedrog, dat gij voornemens zijt te plegen.
-Anders zult gij met mij voor den rechter!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ook al goed,&#x201d; zeide Rashleigh en deed een paar schreden, alsof hij mij vergezellen
-wilde: doch plotseling bleef hij staan en vervolgde: »Wilde ik thans doen wat gij
-beweert, dan zoudt gij ras ondervinden, wie van ons beiden de meeste reden heeft om
-het gerecht te vreezen. Maar ik wil uw ongeluk niet verhaasten. Ga, jongeling, vermaak
-u in uwe dichterlijke wereld en laat de behandeling van ernstiger zaken aan lieden
-over, die zich daarop verstaan en aan wie die behandeling best toevertrouwd is.&#x201d;
-</p>
-<p>Zijn oogmerk was, naar ik geloof, mij boos te maken, en het gelukte hem.&#x2014;»Deze toon
-van ijskoude onbeschaamdheid zal u niet baten!&#x201d; zeide ik. »Beter ware het dat gij
-u herinnerdet, dat de naam dien wij beiden voeren, nooit beleediging duldde, en dat
-hij ook in mijn persoon aan geene beleediging zal blootgesteld zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij herinnert mij,&#x201d; zeide Rashleigh, terwijl hij een dreigenden blik op mij wierp,
-»dat de naam in mij beleedigd is, en gij herinnert mij tevens door wien. Verbeeldt
-ge u dan, dat ik den avond vergeten heb, toen gij zoo goedkoop, ten mijnen koste en
-ongestraft, den pocher speeldet? Voor deze beleediging&#x2014;ze kan slechts door bloed afgewasschen
-worden,&#x2014;en daarvoor, dat gij meer dan eens, en steeds tot mijn nadeel, mij in den
-weg zijt getreden; daarvoor, dat gij met eene <span class="corr" id="xd29e3091" title="Bron: halstarrige">halsstarrige</span> dwaasheid mijne plannen tracht te verijdelen, welker hoog belang gij noch kent, noch
-in staat zijt te waardeeren&#x2014;voor dat alles zijt gij mij eene geweldig groote voldoening
-schuldig. Weldra zal de dag der afrekening aanbreken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe eerder hoe liever!&#x201d; gaf ik ten antwoord; »ik zal bereid zijn om mij te verantwoorden.
-Maar gij schijnt het belangrijkste punt van aanklacht vergeten te hebben: dat ik het
-genoegen heb gesmaakt, freule Diana Vernon behulpzaam te zijn, zich uit uwe schandelijke
-strikken te redden.&#x201d;
-</p>
-<p>Vlammen schoten plotseling uit zijn somber oog op deze hem diep treffende woorden.
-Toch behield zijne stem den bedaarden toon, waarop hij tot dusver tegen mij gesproken
-had.&#x2014;»Ik had eigenlijk geheel andere oogmerken met u, jongeling,&#x201d; antwoordde hij;
-»oogmerken, minder gevaarlijk voor u en meer overeenkomstig met mijn karakter en mijne
-vroegere vorming. Maar ik merk, dat gij volstrekt de tuchtiging wilt ontvangen, welke
-uwe jongensachtige onbeschaamdheid zoo zeer verdient. Zoo ga met mij naar eene meer
-afgelegen plaats, waar wij geen stoornis behoeven te vreezen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik volgde hem, zorgvuldig zijne bewegingen gadeslaande, omdat ik <span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208">208</a>]</span>hem tot de laaghartigste en vuigste daad volkomen in staat achtte. Wij kwamen op een
-ruime plek in eene soort van tuin, naar Hooglandschen smaak aangelegd, met geschoren
-heggen en eenige gipsen standbeelden. Gelukkig voor mij dat ik op mijne hoede was.
-Want Rashleigh had zijn degen getrokken en viel op mij aan, eer ik mijn mantel afleggen
-en insgelijks den degen trekken kon. Ik sprong een paar schreden achteruit, en redde
-daardoor mijn leven. Het verschil van onze wapenen verschafte hem intusschen eenig
-voordeel, daar zijn degen langer en driehoekig was, de mijne daarentegen eene vlakke
-en tweesnijdende kling had, en bovendien niet zoo licht als de zijne te hanteeren
-was. Overigens waren wij tamelijk gelijk. Het voordeel, dat mijne meerdere bekwaamheid
-en vaardigheid mij gaven, werd tegen Rashleigh&#x2019;s groote sterkte en vooral door zijne
-koelbloedigheid genoegzaam opgewogen. Hij vocht meer als een duivel dan als een mensch,
-met eene verwoede verbittering, slechts bedwongen door die ijskoude kalmte, die aan
-zijne slechtste daden een nog slechter voorkomen gaf, den schijn namelijk van bedaard
-overleg. Zijn boosaardig doel deed hem geene onvoorzichtigheid begaan. Alle listen
-en kunstgrepen werden door hem beproefd. Dat hij aan het gevecht het schrikkelijkste
-eind poogde te geven, was mij spoedig duidelijk.
-</p>
-<p>In het eerst vocht ik met de meest mogelijke kalmte. Ik was, weliswaar, in hevigen
-toorn ontstoken, doch volkomen mij zelven meester. Gedurende een gang van twee of
-drie minuten, had ik tijd genoeg om te overwegen, dat Rashleigh mijn bloedverwant,
-de zoon van een oom was, die zich op zijne wijze vriendelijk en welwillend jegens
-mij betoond had, en dat zijn dood door mijne hand, groote droefheid onder mijne nabestaanden
-zou veroorzaken. Mijn eerste <span class="corr" id="xd29e3102" title="Bron: beluit">besluit</span> was, mij op het ontwapenen van mijne tegenpartij toe te leggen, wat ik, op mijne
-meerdere bekwaamheid en geoefendheid vertrouwende, niet moeielijk achtte. Ik merkte
-echter weldra, dat ik mijn man gevonden had. Een paar stooten, welker gevaarlijke
-gevolgen ik ter nauwernood ontging, noodzaakten mij voorzichtiger te zijn. Meer en
-meer werd ik echter verbitterd door de zichtbaar verraderlijke pogingen, welke Rashleigh
-aanwendde om mij het leven te benemen, zoodat het weldra een gevecht op leven en dood
-scheen te zijn. Ja, bijna zou ik daarvan het slachtoffer zijn geworden, want bij een
-te driftigen uitval op mijne partij, gleed ik uit, en kon mij niet spoedig genoeg
-herstellen, om den tegenstoot af te weren. Tot mijn geluk had zijn uitval het bedoelde
-gevolg niet; de degen drong slechts door mijn rok en vest, en gleed langs mijne ribben
-neer; maar Rashleigh stiet met zulk eene hevigheid, dat het gevest van zijn degen
-tegen mijne borst trof, en ik in het eerst wezenlijk meende doodelijk gekwetst te
-zijn. Naar wraak dorstende, begon ik met hem te worstelen, hield met mijne linkerhand
-den greep van zijn degen vast en nam mijn degen korter, om hem alzoo te doorboren.
-Maar ons woedend gevecht werd afgebroken door een man, die plotseling tusschen ons
-trad, ons van elkander scheidde en op gebiedenden toon riep: »Hoe, gij zonen van hen,
-die dezelfde borst gezoogd heeft, gij wilt uw bloed vergieten, <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209">209</a>]</span>alsof het vreemd bloed ware? Bij de hand van mijn vader! hem, die nogmaals een uitval
-waagt, klief ik den kop tot op de borst!&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p209width"><img src="images/p209.png" alt="" width="465" height="366"></div><p>
-</p>
-<p>Ik keek verbaasd op. Het was Campbell. In de hand hield hij zijn ontbloot Hooglandsch
-zwaard, dat hij, terwijl hij sprak, over zijn hoofd zwaaide, als wilde hij daardoor
-aan zijne bemiddeling nog meer nadruk geven. Rashleigh en ik zwegen, verrast bij het
-gezicht van dezen ongeroepen bemiddelaar. »Denkt gij, mijnheer Frans,&#x2014;ging hij voort&#x2014;dat
-gij uws vaders crediet herstellen kunt door uw neef te vermoorden, of u door hem te
-laten vermoorden? Of gelooft gij, mijnheer Rashleigh, dat de menschen hun leven en
-vermogen aan iemand zullen toevertrouwen, die, wanneer &#x2019;s lands belangen hem roepen,
-als een dronkaard nutteloos twist zoekt? Nu, nu! Kijk mij maar zoo woest en grimmig
-niet aan, mijn goede man! Zijt gij boos, dan weet gij immers wel, tot wien gij u te
-wenden hebt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn tegenwoordige toestand alleen maakt u zoo vermetel,&#x201d; hernam Rashleigh, »anders
-zoudt gij het zeker niet gewaagd hebben, u met eene zaak te bemoeien, waarbij mijne
-eer op het spel staat.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo, zoo, zie eens aan! Vermetel? En waarom is dat zoo vermetel? Gij moogt rijker
-zijn dan ik, mijnheer Osbaldistone; dat is zelfs zeer waarschijnlijk. Gij moogt ook
-veel geleerder zijn, dat wil ik vooral niet betwisten. Maar gij zijt, dat durf ik
-bezweren, noch dapperder noch van betere afkomst, dan ik. Ook zou het voor mij wezenlijk
-iets nieuws zijn te hooren, dat gij zoo braaf waart. Voorts spreekt gij van durven?
-Ik heb wel andere dolkoppen, dan gij beiden zijt, in stukken gehouwen en dacht aan
-dergelijke wissewasjes, als zij voorbij waren, volstrekt niet meer dan aan de vlieg,
-die ik me thans van den neus knip. Als wij <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210">210</a>]</span>in &#x2019;t vrije veld waren, in plaats van tusschen deze twee muren, zou ik u wel aandurven!&#x201d;
-</p>
-<p>Rashleigh had zich geheel hersteld. »Mijn neef,&#x201d; zeide hij, »kan niet ontkennen, dat
-hij mij tot dit tweegevecht gedwongen heeft. Ik heb geen twist gezocht. Intusschen
-is het mij zeer aangenaam, dat wij gestoord zijn geworden, eer ik zijne voorbarigheid
-strenger getuchtigd had.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zijt gij gekwetst?&#x201d; vroeg Campbell mij met deelneming.
-</p>
-<p>»Slechts een schram,&#x201d; antwoordde ik, »en mijn waarde neef zou zich niet lang verhoovaardigd
-hebben, als gij niet tusschenbeiden gekomen waart.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat geloof ik gaarne. Mijnheer Rashleigh, ik heb het gezien!&#x201d; zeide Campbell. »Zijn
-koud staal en uw warm bloed zouden weldra met elkander in aanraking zijn gekomen,
-als ik hem niet juist bij tijds bij den arm gevat had. Maar kijk daarom zoo knorrig
-niet! Kom vriendje, gij gaat met mij. Ik heb u wat nieuws te vertellen, dat u wel
-bekoelen en tot bedaren brengen zal.&#x201d;
-</p>
-<p>»Houd het mij ten goede,&#x201d; zeide ik tot Campbell. »Bij meer dan ééne gelegenheid hebt
-gij u dienstvaardig, welwillend, ik zou bijna zeggen, vriendschappelijk jegens mij
-betoond. Maar dezen man laat ik niet los, voordat hij mij dat, waarvan hij zich op
-eene trouwelooze wijze meester heeft gemaakt, weder in handen heeft gegeven, opdat
-mijn vader als eerlijk man zijne verplichtingen kan gestand doen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik vatte Rashleigh in de borst. Hij bood geen tegenstand, maar zeide met een spottend
-glimlachje: »Nu ziet gij het zelf, Mac-Gregor, dat hij roekeloos zijn ongeluk wil.
-Is het mijne schuld, als hij het slachtoffer zijner dolzinnigheid wordt? De bevelen
-tot zijne gevangenneming zijn reeds gegeven, en alles is gereed.&#x201d;
-</p>
-<p>De Schot geraakte blijkbaar in verlegenheid. Hij zag naar alle kanten om en zeide
-eindelijk: »Ik duld het toch niet, dat men hem mishandelen zal, omdat hij voor den
-vader, die hem het leven gaf, ook zijn leven veil heeft. Vervloekt zijn al de rechters,
-schouten, gerechtsdienaars, en hoe dat satansche vee, dat ons arm Schotland sinds
-eene eeuw plaagt en kwelt, al heeten moge! Dat waren andere tijden, toen ieder zijn
-eigen have en goed met eigen vuist beschermde. Toen werd men hier te lande met geen
-bevelen van gevangenneming en dergelijk lastig geschrijf bedrogen. Ja, ik zeg het
-nog eens: mijn geweten duldt niet, dat men dezen armen jongen iets kwaads zal aandoen
-en dan nog wel op zulk eene verachtelijke wijze. Liever wilde ik, dat gij samen nog
-eens van leer trokt en de zaak, als wakkere mannen en fatsoenlijke lieden, vereffendet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo, zoo, Mac-Gregor, gij spreekt daar van een geweten,&#x201d; viel Rashleigh hem in de
-rede, »gij schijnt dus vergeten te hebben, sedert hoe lang wij elkander reeds kennen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik spreek van mijn geweten!&#x201d; herhaalde Campbell of Mac-Gregor, of hoe hij zich
-anders noemen mocht. »Ik bezit waarachtig zulk een ding. Misschien heb ik hierin iets
-op u voor. Als gij weet wie ik ben, <span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211">211</a>]</span>dan weet gij ook, door welke behandeling ik dat ben geworden, wat ik ben, en hoe gij
-daarover ook denken moogt, ik ruil met den hoogmoedigsten der onderdrukkers niet,
-die mij gedwongen hebben in de bosschen eene schuilplaats te zoeken. Wat gij zijt,
-mijnheer Rashleigh, en welke verontschuldigingen gij kunt aanvoeren voor datgene wat
-gij zijt, dit is eene zaak tusschen uw hart en Gods oordeel. En nu, mijnheer Frans,
-laat hem los. Hij heeft gelijk met te zeggen, dat gij het gerecht meer te vreezen
-hebt dan hij. Al ware uwe zaak zoo recht als een pijl, hij zou wel middelen weten
-te vinden om ze krom te maken. Laat hem los, zeg ik!&#x201d;
-</p>
-<p>Deze laatste woorden ondersteunde hij met zulk een plotselingen en tevens krachtigen
-ruk, dat hij Rashleigh aan mij ontweldigde, en mij tevens, in weerwil van mijn tegenstand,
-zóó vasthield, dat ik mij volstrekt niet verroeren kon. »Ga heen, Rashleigh!&#x201d; zeide
-hij. »Gebruik thans uwe beenen nog eens zoo knap, als gij uwe handen gebruikt hebt.
-Het zal de eerste maal niet zijn. Laat zien hoe vlug gij loopt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank het dezen man, dat ik u thans niet geheel betaald heb,&#x201d; zei Rashleigh. »Ik verlaat
-u, maar ik hoop, dat wij elkander spoedig weder zullen ontmoeten, en dan niet op dergelijke
-wijze gestoord worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden nam hij zijn degen op, stak hem in de scheede en verdween tusschen
-de heggen. De Schot belette mij, deels door geweld, deels door zijne krachtige taal,
-om mijn neef te volgen. Ik begon meer en meer te begrijpen, dat het mij ook weinig
-baten zou.
-</p>
-<p>»Wel, wel!&#x201d; zeide Campbell, toen hij zag, dat ik na eenige vruchtelooze pogingen stil
-bleef staan; »nooit zag ik zulk een dollen knaap als u! Als iemand anders mij zoolang
-getergd had, zou ik hem plat op den grond gesmeten hebben! Wat duivel wildet gij toch?
-Den wolf in zijn hol volgen? Weet gij wel, jongen, dat hij den ouden val weder opengezet
-heeft? Hij heeft dat wezen Morris overgehaald, de oude historie op te warmen, en thans
-kunt gij van mij geen hulp verwachten, als bij den vrederechter Inglewood. Het is
-niet goed voor mijne gezondheid, dat ik met de trawanten van de gerechtigheid, alle
-vervloekte Whigs, zoo familiaar word. Gij kunt nu ongehinderd huiswaarts keeren, als
-een brave jongen. Ga dus heen en blijf bedaard. Maar vooral moet gij uw neef en Morris
-wat ontwijken, alsmede dien ellendigen Mac-Vittie. Herinner u de herberg te Aberfoil,
-zoo als ik u reeds gezegd heb, en vertrouw op het woord van een man van eer, er zal
-u geen leed geschieden. Maar blijf bedaard tot wij elkander wederzien. Ik moet u verlaten
-om Rashleigh de stad uit te brengen, voordat er iets ergers gebeurt; want waar hij
-eene rol speelt, loopt het altijd slecht af. Denk aan Aberfoil.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden verliet hij mij. Mijne eerste zorg was thans, mijne min of meer gehavende
-kleeding weder in orde te brengen en mij zoo in mijn mantel te wikkelen, dat men het
-uit mijne rechter zijde druppelende bloed niet zien kon. Nauwelijks was dit geschied,
-of de kweekelingen van het College verschenen, daar de leeruren geëindigd waren, in
-den <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212">212</a>]</span>tuin. Ik verwijderde mij spoedig. Op mijn weg naar Jarvie&#x2019;s woning, waar het nu bijna
-tijd moest zijn om het middagmaal te houden, trad ik een stillen winkel binnen, welks
-uithangbord aankondigde, dat daar <span class="corr" id="xd29e3138" title="Bron: Christopter">Christopher</span> Neilson, chirurgijn en apotheker, woonde. Een kleinen jongen, die iets in een vijzel
-stampte, verzocht ik, mij gehoor bij zijn patroon te verschaffen. De jongen opende
-de deur der achterkamer, waar een opgeruimd oud man zat, die mij naar mijn verlangen
-vroeg. Hij schudde ongeloovig het hoofd, toen ik hem overtuigen wilde, dat ik door
-het afbreken van den knop van een floret, bij eene les in het schermen, gekwetst was
-geworden. Hij legde iets op de weinig beteekenende wond, en zeide: »Deze wond is nooit
-door een afgebroken kling toegebracht. Ja, ja, die jeugd, die jeugd! Maar wij, heelmeesters,
-zijn aan geheimhouding gewend. Als er geen driftig bloed en geen al te vurig bloed
-was, wat zou er van de beide geleerde faculteiten worden?&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze wijsgeerige opmerking liet hij mij vertrekken. Mijne wond deed mij zeer weinig
-pijn.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXVI.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,
-</p>
-<p class="line">Hij hoont den zachten aard van &#x2019;t vlakland, hoont die dwergen.
-<p class="tb"></p>
-<p class="line">Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,
-<p class="line">Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:
-</p>
-<p class="line">Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.
-</p>
-<p class="line">Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Gray.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e166"><span class="xd29e166init">»G</span>e komt laat?&#x201d; vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn vriendelijken gastheer binnentrad.
-»Reeds vijf minuten geleden heeft het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met
-het opdisschen gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn overleden
-vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven en zette mij aan
-tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn vriend Owen en mij aanhoudend noodigde,
-toch toe te tasten en zijne Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter
-niet zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de gebruiken der
-wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende uitnoodigingen <span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213">213</a>]</span>fatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar kluchtig was het te zien,
-hoe Owen, die veel strenger begrippen omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke
-welwillendheid den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met droevige
-gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond bracht, door zijn keel duwde,
-en alle gerechten hemelhoog roemde, ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat
-het roemen er van hem evenveel moeite kostte als het eten zelf.
-</p>
-<p>Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met brandewijn-punch
-gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen drank te bereiden, van zekeren
-kapitein Coffinkey had geleerd, die, zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf
-geleerd had onder de kapers. »Maar het is toch lekker,&#x201d; zeide hij, »en goede waren
-komen dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een braaf
-man, toen ik hem kende:&#x2014;alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is nu dood.&#x2014;Ik hoop
-dat hij genade gevonden heeft.&#x201d; Dezen drank, dien wij hier voor de eerste maal proefden,
-vonden wij zeer smakelijk. En toen Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke
-hij daartoe bezigde, op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond
-er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die sedert de vereeniging
-van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en de Britsche Koloniën in de West begonnen
-was, en over de voordeelen, welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche
-markten te zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte, om
-ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen, beantwoordde Jarvie
-wel wat driftig, maar vrij vaardig.&#x2014;»Neen, neen!&#x201d; zoo eindigde hij, »laat elken haring
-aan zijn eigen kop hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat
-wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet zouden kunnen
-volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig aangenaams, mijnheer Osbaldistone,&#x201d;
-vervolgde hij, toen hij bemerkte, dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar
-gij weet immers wel, dat ieder &#x2019;t liefst over zijn beroep of handwerk spreekt.&#x201d;
-</p>
-<p>Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst moeielijken toestand
-aan en de voorvallen, welke mij nog voor weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo
-kreeg ik gelegenheid om mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen.
-Van mijne onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel opmerkzaamheid
-en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij met zijne kleine grijze oogen
-pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen
-in de rede viel. Toen ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne
-ten hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep plotseling:
-»dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den degen tegen zijn bloedverwant
-te trekken, zie, dat is door goddelijke en menschelijke wetten verboden, en den degen
-te trekken in de straten van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis.
-De tuin <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214">214</a>]</span>van het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene plaats van rust en
-vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke die heeren daar genieten, konden zij
-er, dunkt mij, wel voor zorgen, dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet
-afsnijden, noch dat die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk,
-als ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of zij smijten
-mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong Jarvie verrast op
-en liep in de kamer op en neer.&#x2014;»Al weder die Robbert! Die Robbert is dol, volslagen
-dol! Hij zal nog opgehangen worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande
-strekken: dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne eerste
-kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem de laatste das draaien.
-Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar de galg. Maar verder, verder!&#x201d;
-</p>
-<p>Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon, maar Jarvie vond
-nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder tegenzin, op mijn avontuur met
-Morris en mijne eerste ontmoeting met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam
-geluisterd had, verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.&#x2014;
-</p>
-<p>»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om raad vragen,&#x201d;
-vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en doelmatigste middelen aan de
-hand doen, om voor mijns vaders belangen en mijne eer met goed gevolg werkzaam te
-zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!&#x201d; hernam Jarvie. »Vraag steeds raad
-bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet als een tweede goddelooze Rehabeam,
-die met jonge baardelooze knapen raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die
-aan de voeten van zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer
-juist aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar van <span class="ex">eer</span> wil ik liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer begaat
-dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op de publieke straat;
-maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man, die stil te huis zit en vlijtig
-rekent.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist, mijnheer Jarvie!&#x201d; zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak, en als wij deze slechts
-redden kunnen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!&#x201d; hernam Jarvie. »Gij spreekt als een verstandig
-koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne geloof ik, dat hij dezen jongen
-heer van dienst zal zijn, zoo hij er toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed
-hart, die arme Robbert, en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren,
-en al mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten, ik zeg
-toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Nu ja!&#x201d; antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn Hooglandsch. Eerlijk
-op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar gelooft gij dan,&#x201d; vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn, om <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215">215</a>]</span>mij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de plaats begeven, waar
-hij mij genoodigd heeft?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens, eerlijk gesproken,&#x201d; hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite wel loonen.
-Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven kunt. Die ellendige Morris
-heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel,
-dat hij eigenlijk niets anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en
-een hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op allerlei wijzen
-plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen u hernieuwt&#x2014;dan moet de overheid
-er zich aan laten gelegen liggen; en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren
-kunnen opsluiten, wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat begrijp ik wel!&#x201d; hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn vader een dienst
-zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar zal waarschijnlijk het hoofdtooneel
-van Rashleigh&#x2019;s streken zijn. En zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een
-man overgeven, van wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest,
-waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim, zeker gevaarlijk
-doel te bereiken, een nauw verbond met den man heeft gesloten, die waarschijnlijk
-de oorzaak en bewerker van ons ongeluk is.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!&#x201d; zeide Jarvie; »waarlijk veel te streng en
-onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen toegaat, in het Hoogland,
-zoo als wij het noemen. Dat is dáár een geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár
-zijn geene gerechtshoven, geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder
-ze ooit uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt, zijne lieden
-moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange dolken. Het zwaard is de
-aanklager, het schild is de aangeklaagde, en de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen
-wij Hooglandsche justitie.&#x201d;
-</p>
-<p>Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet veel lust om
-zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken, te bezoeken.
-</p>
-<p>»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen,&#x201d; vervolgde Jarvie, »omdat ze ons genoegzaam
-bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland bij Engelschen en vreemden zwart te
-maken en zijne maagschap te vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest
-bevuilt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welzeker!&#x201d; antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid, maar wezenlijk belang
-noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen,
-dat ik u om meer inlichtingen verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene
-landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man, wiens ervaring
-en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal kunnen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.&#x2014;»Wat ervaring betreft?&#x201d; hernam Jarvie.
-»Ja, ervaring kan men mij zeker niet ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek
-gedaan. Andries Wylie, vroeger bij <span class="pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216">216</a>]</span>mij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp., maar komt wel eens &#x2019;s Zaterdagmiddags
-hier, om een slokje te drinken bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen
-wever laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een ouden
-handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd ook niet. Ja, ik heb
-er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor den hertog van Argyle te laten schijnen
-of voor zijn broeder, Lord Hay,&#x2014;waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!&#x2014;Maar
-zulke voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.&#x2014;Wat zou een
-arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den persoon, die iets zegt,
-dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van
-hem spreken. Immers staat er geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer:
-de vogelen des hemels zouden het overbrengen.&#x201d;
-</p>
-<p>Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen de noodige of
-liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn woorden dus maar af door de
-verzekering, dat hij Owen en mij volkomen vertrouwen kon.
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees niemand. Waarom zou
-ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als hoogverraad zou kunnen beschouwd worden.
-Maar de Hooglanders hebben lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft,
-om dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten liefst in
-goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo mijne eigen opmerkingen heb
-gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit de eenige menschelijke kennis is, welke zich
-stellig laat bewijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en Jarvie vervolgde: »Dat
-Hoogland is eene woeste streek vol heuvels, bosschen, holen, meren, rivieren en bergen;
-ja, waarachtig! De duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen
-wilde vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel beter zijn
-of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en dertig kerspelen wezen, Of
-zij daar allen <span class="corr" id="xd29e3201" title="Bron: Gaëlsch">Gaelisch</span> spreken of niet, kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw,
-geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig op achthonderd
-menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar, en ik tel er dan een vijfde
-bij voor kinderen van negen jaar, dan bedraagt de gansche bevolking.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist 220,800 zielen,&#x201d; viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn schik was met deze
-statistiek.
-</p>
-<p>»Precies en vlug uitgerekend!&#x201d; zeide Jarvie. <span class="corr" id="xd29e3207" title="Bron: «">»</span>En daar in het Hoogland elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen
-draagt, hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar nu moet gij
-in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid is, dat landbouw, veeteelt,
-visscherij en andere eerlijke bedrijven niet aan de helft van het volk werk verschaffen,
-al arbeidt het ook nog zoo traag&#x2014;en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spade
-<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217">217</a>]</span>gloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen bedraagt nu.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist 110,400, als de helft van de geheele som.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze laatste helft mogen
-nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die tot den wapenhandel bekwaam zijn en
-ook de wapens dragen. Zij denken er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen,
-al konden zij dat ook, maar zij kunnen het niet eens.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe is het mogelijk!&#x201d; viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad een treurige toestand
-zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der Britsche eilanden!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is,&#x201d; hernam Jarvie. »Wanneer
-ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen behoeft&#x2014;wat in zulk een armzalig
-land reeds veel is&#x2014;en tevens weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal
-koeien, dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van zes zielen,
-of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen, die arbeiden en zich daarvoor
-desnoods met zure melk en haverbrei voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven,
-weet geen mensch!&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien toestand denkt!&#x201d; riep
-ik uit.
-</p>
-<p>»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid leefdet!&#x201d; antwoordde Jarvie.
-»Neem zelfs aan, dat de helft van hen nu en dan in de Laaglanden het een of ander
-vindt, waarmede zij zich kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi-
-en oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden, ja duizenden
-Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden en ook geen gebrek willen
-lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost en inwoning vinden, of ook wel daarvan
-leven, dat zij doen wat het hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht
-zijn. Vele honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat te halen
-is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is toch maar erg in een Christenland.
-En wat nog wel het allerergste is, zij zijn er trotsch op en achten het een dappere
-daad, als zij eene kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij
-zich gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen dagloon te
-arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij bevelen het stelen. Zij
-rooven wel niet zelf, maar verbieden het ook niet, en verleenen den dief bescherming
-en schuilplaatsen in hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is.
-Elk Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne »clan&#x201d;, zoo
-als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of, wat hetzelfde is, zoo vele
-als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven
-zij met geweer en pistolen, met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra
-het den »heer&#x201d; slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben zij
-het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij eene plaag voor hunne
-vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier in West-Schotland.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218">218</a>]</span></p>
-<p>»En is die neef van u,&#x201d; vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een van die »heeren&#x201d;,
-welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als men hen noemt. Hij
-is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne familie. Hij is, zooals ik gezegd heb,
-een bloedverwant van mij. Want ons bloed is edel Hooglandsch bloed.&#x2014;Hierop laat ik
-mij, zoo als gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent
-niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader, aan mijn vader
-zaliger, de hemel zij hem genadig!&#x2014;allen beginnende; »waarde Jarvie!&#x201d; en eindigende
-»uw liefhebbende neef.&#x201d; Zij handelden meestal over geleend geld&#x2014;zoodat mijn vader,
-die heel voorzichtig was,&#x2014;ze steeds bewaarde.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar al is hij dan,&#x201d; viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen, van wie ik
-zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij in elk geval toch in het
-Hoogland zeer veel invloed?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou ik meenen!&#x201d; zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent hem. Robbert was
-eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man, zoo als men er onder tien duizend
-geen beter zou hebben kunnen vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en
-in zijne bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in den gordel,
-wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde met een dozijn wakkere knapen,
-even ruw en woest, als de dieren die zij dreven. In den handel was Robbert steeds
-beleefd en eerlijk, en als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht
-had, gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij wel eens
-op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vijf en twintig procent!&#x201d; riep Owen uit; »een zwaar disconto!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, die gaf hij terug,&#x201d; hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij begreep, dat de kooper
-een behoeftig man was, die volstrekt geen verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke
-tijden, en Robbert waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem
-honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een rijke buurman, vielen
-als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men zegt zelfs, dat men zijne vrouw het
-huis uitgeworpen en daarenboven schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak!
-Zie, ik ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had iemand
-mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt, dat zij Robbert&#x2019;s vrouw
-mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde
-zwaard aan te gorden, dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt
-heeft. Toen Robbert te huis kwam&#x2014;och arme! vond hij verwoesting, waar hij overvloed
-had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar het westen, naar alle kanten heen,
-maar vond nergens toevlucht, nergens troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts
-diep in de oogen, gespte het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons
-verloren!&#x201d;
-</p>
-<p>Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goeden <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219">219</a>]</span>Jarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap met dien Hooglander
-heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij openlijk diens stamboom scheen te
-verachten. Van den vriend in welvaart sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne
-deelneming aan zijne rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker
-maakte.
-</p>
-<p>»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht werd,&#x201d;&#x2014;begon
-ik, toen Jarvie zweeg&#x2014;»werd hij vermoedelijk een van die roovers, die gij ons zoo
-even afgeschilderd hebt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, zoo slecht werd hij niet,&#x201d; hernam Jarvie, »zoo slecht niet; maar hij ging aan
-het heffen van »de zwarte belasting<a class="noteref" id="xd29e3234src" href="#xd29e3234">1</a>. Ja, hij dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te voren
-gewaagd had.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem blind volgden.
-Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam, die het lang tegen den Koning,
-het Parlement, en zelfs tegen de Kerk heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe
-men hem ook vernederd heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen
-hooren.&#x2014;Nu, wat ik ook zeggen wilde&#x2014;ja, Robbert had weldra vele dappere metgezellen;
-en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen van het Hoogland zoo vele plunderingen
-en rooverijen gepleegd werden, zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch
-voor elke honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou
-houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan zelfs een enkelen
-spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar Robbert daarvan kennis geven,
-en die bezorgde hun het gestolene terug, of betaalde de volle waarde. En hij hield
-steeds getrouw woord&#x2014;ja, dat moet ieder erkennen&#x2014;Robbert houdt altijd woord.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!&#x201d; hernam Jarvie; »dergelijke
-heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk strafbaar. Maar wanneer de wet mijne
-schuren en mijn stal niet kan beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch
-akkoordje met een Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar is dat contract van assurantie,&#x201d; vroeg ik, »zoo als de heer Owen het noemt,
-volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt dan, wanneer iemand weigert
-zich aan die belasting te onderwerpen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!&#x201d; zei Jarvie lachend, terwijl hij den
-vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker iederen vriend, met Robbert zulk
-een akkoordje te maken; hij zal er zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam
-zijn als men wil, in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst
-waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zich <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220">220</a>]</span>met die gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar in
-den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare schade, dat zij
-dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee gestolen werd, en nu achten de meesten
-het raadzaam, met Robbert zulk een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten
-meent hij het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den duivel
-te doen.&#x201d;
-</p>
-<p>»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten min of meer verkorven?&#x201d;
-</p>
-<p>»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt,&#x201d; hernam Jarvie. »Zijn hals zou wel
-ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig konden worden. Maar Robbert
-heeft zeer vele goede vrienden onder de grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke
-familie kunnen noemen, die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen
-te doen zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door zoo menig
-dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek zou kunnen schrijven,
-even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol van stoute daden en wonderbare reddingen,
-zoo als men des winteravonds gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling
-is het toch: ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want
-mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen op het stadhuis,
-waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand sprak, zelfs zijne vrouw, mijne
-lieve moeder niet. Maar gelooft gij wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren
-aan die koene avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is, soms
-liever hoor dan een stichtelijk woord&#x2014;de Heere vergeve mij de zonde! Toch zijn het
-ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien strijdig met Gods woord en wet.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed Campbell op
-mijn vaders zaken hebben kon?&#x2014;»Gij moet weten.&#x201d; vervolgde Jarvie op half fluisterenden
-toon, »dat de Hooglanders&#x2014;ik spreek hier immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe
-geheimhouding&#x2014;sedert het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen
-werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe gebracht? Door geld
-zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig duizend pond sterling onder hen uitdeelen
-en de overleden koningin Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede
-zij hunne onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo hielden
-zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet in rekening brengen, dat zij
-soms, naar gewoonte, in de Laaglanden rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen,
-wat geen mensch schelen kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere
-tijden gekomen&#x2014;doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in het Hoogland
-geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet meer onderhouden, en hunne clans
-zuigen hen geheel uit, zoo als gij best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden
-geheel weg, en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen samenfluiten
-<span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221">221</a>]</span>kan, welke allen zijn wil volbrengen&#x2014;waarachtig, zoo iemand zou in Glasgow nauwelijks
-vijftig pond op zijne manschap ter leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo
-niet duren. Er moet een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden,
-even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat gebeurt eer er nog
-één jaar verloopen is.
-</p>
-<p>»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders zaak daarmede
-te maken heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen,&#x201d; vervolgde Jarvie. »De oorlog moet
-hem dus even welkom zijn, als aan de meeste Hooglanders&#x2014;want in vredestijd hebben
-zij weinig of geen nut van hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook,
-dat hij de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden en de edellieden
-van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte
-rijksgelden heeft ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge
-Osbaldistone waren geweest&#x2014;ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer Frans, en toen
-ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van mijn ouden correspondent zich
-aan zulke streken schuldig maakte. Nu, nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat
-het eene dwaling was. Maar ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat
-tot zulk een handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh
-zelf geweest, of ten minste een van uwe neven&#x2014;die zijn toch allen van hetzelfde allooi,
-allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de regeering toebehoort, verklaren zij voor
-goeden prijs. Die Morris is echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans
-niet waagt, tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk
-niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En Robbert zou hem
-zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan en redden kon door den arm der
-justitie.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie,&#x201d; zeide ik. »Ik ben dan ook volkomen
-van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij hebt het vermoed?&#x201d; hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar het is zeker,
-zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben, welke men Morris ontnomen heeft;
-waar, dat doet er niet toe. Maar wat uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat
-de laatste twintig jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel
-beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten van hen uitgestrekte
-bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor wissels tot aanzienlijke bedragen.
-Osbaldistone en Tresham hadden overal een schier onbepaald crediet. Want&#x2014;ik zeg het
-den heer Owen, zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug&#x2014;geen kantoor
-was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo, tot de ramp
-kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche heeren vonden met hunne
-wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet, maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche
-lui in Edinburg zich weinig op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk de <span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222">222</a>]</span>meeste hunner wissels <span class="corr" id="xd29e3262" title="Bron: disonteeren">disconteeren</span>. Op deze wijze.&#x2026; merkt gij dan niet, waar ik heen wil?&#x201d;
-</p>
-<p>Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.
-</p>
-<p>»Welnu,&#x201d; vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de Glasgowsche
-kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die hebben geen geld, en kunnen
-ook niet teruggeven wat reeds sinds lang doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig
-afloopen; ik voorspel het u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd
-onversaagde kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de wapens
-op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo uws vaders kantoor ophoudt
-met betalen, een opstand onvermijdelijk is?&#x201d;
-</p>
-<p>Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste mij.&#x2014;»Gelooft gij dan,&#x201d;
-zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor
-een opstand der Hooglanders te bespoedigen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest,&#x201d; <span class="corr" id="xd29e3271" title="Bron: heram">hernam</span> Jarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is nog eene andere. Voor
-uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig beteekenend verlies, maar voor Rashleigh
-zou het misschien ten laatste wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren,
-welke hij heeft medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne
-pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er contanten voor
-wilden geven&#x2014;ik heb dat uit de derde hand. Maar die sluwe vossen wilden er volstrekt
-niets van weten, en betuigden hem hun innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer
-aannemelijk voorstel om honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh
-in Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was hij hier,
-in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig gedempten opstand der
-Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij wat schulden achter. Neen, neen! hier
-kon hij zijne papieren niet aan den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk
-aan gekomen is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof zelfs,
-dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?&#x201d; vroeg ik. »Is hij in de aanslagen
-der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht om mij, als uit gevoel van recht,
-genegen zijn tot eene teruggave, die de ontwerpen van zijne partij zou schaden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen,&#x201d; hernam Jarvie. »De grooten in het Hoogland
-vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht
-van Argyle staat hij op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden,
-dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane aansluiten.
-Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen het geslacht van Breadalbane
-en zijn stam bestond. Maar op de keper beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven:
-de partij, die hem het voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer
-was, zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in zijne benarde
-<span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223">223</a>]</span>omstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets, wat u bij hem niet zeer
-behagen zal: op zijn stal staat een boos dier.&#x201d;
-</p>
-<p>»Een boos dier?&#x201d; vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Robberts vrouw,&#x201d; hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van een Schot, wanneer
-hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt niet verdragen, en nog veel minder dat
-van een Engelschman. Voor koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George
-zou zij willen ophangen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vreemd,&#x201d; merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche burgers met staatsomwentelingen
-en volksopstanden in betrekking moeten staan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!&#x201d; hernam Jarvie. »Dat zijn vooroordeelen.
-Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze Londensche kooplieden de bank van
-Genua dwongen, om den koning van Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd
-had, niet uit te betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke
-vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst bewezen, die de
-geschiedenis met roem vermelden moest.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat zou ik denken!&#x201d; zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds verrichten en zich
-bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als men die drie of vier brave Hooglandsche
-landheeren belette, zich hals over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond
-des verderfs te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat ik
-van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie dit alles in het reine
-kon brengen, dien moest men, al ware hij ook slechts een eenvoudige wever, eeren en
-prijzen en als een zeldzaam kleinood in onze dagen in waarde houden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde te gaan,&#x201d;
-hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou, dit durf ik u stellig verzekeren,
-aan de grootte van onze verplichting geëvenredigd zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te vereffenen, zoodra
-onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen is,&#x201d; zeide Owen.
-</p>
-<p>»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met mijne hulp zou hij
-in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar beste mijnheer Owen, als men slechts
-die papieren uit de klauwen der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar,
-als ze in de rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat gij
-hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig hebt. Ja, ja, dat
-is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt hebben&#x2014;en die mannen zijn: Sandie
-Steenson in Trade&#x2019;s-Land; John Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik
-nu nog niet noemen zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig
-zal zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere zekerheid
-verlangen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224">224</a>]</span></p>
-<p>Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden hem schenen
-te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk
-het was, dat wij de papieren terugkrijgen zouden.
-</p>
-<p>»Wanhoop niet, mijn goede man!&#x201d; vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo veel deel aan uwe
-zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf en ziel op toeleggen moet. Ik ben
-in zulke gevallen juist als mijn overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van
-een vriend, dan wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik
-te paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte, en kan ik
-Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik niet, wie dat zou kunnen
-doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond.
-Zelfs heden nacht heb ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben
-gekost, al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker wel over
-gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben mij mijne verwantschap met
-Robbert al meer verweten, en den neus er voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands
-gebreken en ondeugden wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen
-de wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een van hen allen.
-En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert gebannen&#x2014;ik wil hun dat in het
-gezicht zeggen&#x2014;welnu, dan bestaan er thans toch geene wetten meer, die verbieden,
-met gebannenen gemeenschap te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts.
-Ja, ik heb eene Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!&#x201d;
-</p>
-<p>Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur vatte. Vaderlandsliefde, deelneming
-in onzen toestand, de wensch, om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook
-wel een weinigje vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk
-tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en tot herkrijging
-van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat hij mij gezegd had, versterkte
-mij in de meening, dat de Hooglandsche avonturier, indien die papieren in zijne handen
-waren, wel zou zijn over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel
-kon aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van zijn neef zeer
-veel invloed op hem zou uitoefenen.
-</p>
-<p>Gretig nam ik dus Jarvie&#x2019;s aanbod aan, om hem den volgenden morgen te vergezellen.
-De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn voornemen uit te voeren,
-al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om tot een stellig besluit te komen. Hij
-riep Matje toe, om zijn reisjas te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken,
-ze den ganschen nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en
-al wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken van den
-dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die ons op onzen tocht van
-geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne herberg te Glasgow zou verbeiden, namen
-wij hartelijk <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225">225</a>]</span>afscheid van den ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden.
-Ik gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij te zijn, en
-legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de laatste dagen had ik innerlijk
-aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e3234" href="#xd29e3234src">1</a></span> <i lang="en"><span class="corr" id="xd29e3236" title="Bron: Blac-mail">Black-mail</span></i>, eene soort van veiligheids-assurantie.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e3234src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXVII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Geen struik, geen plant.
-</p>
-<p class="line">Slechts roestig bruin, is d&#x2019;aarde.
-</p>
-<p class="line">Geen bij, die &#x2019;k honig zaam&#x2019;len zag;
-</p>
-<p class="line">Geen duif, die ik ontwaarde.
-</p>
-<p class="line">Geen stroom, die lieflijk ruischt,
-</p>
-<p class="line">Geen wind, die door &#x2019;t geboomte suist.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>(Voorspelling van <span class="corr" id="xd29e3311" title="Bron: hongersnoad">hongersnood</span>.)</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e3314"><span class="xd29e3314init">K</span>oel was het op dien herfstmorgen, toen ik Andries, zoo als ik hem gelast had, met
-de paarden voor Jarvie&#x2019;s woning vond, vlak in de nabijheid van mijn logement. Op het
-eerste gezicht bemerkte ik, dat Andries zijn slecht paard, het edelmoedige geschenk
-van zijn rechtsgeleerden vriend, voor een nog veel ellendiger knol verruild had, die
-slechts op drie beenen liep, en het vierde in de hoogte hield.
-</p>
-<p>»Wat moet dat beduiden?&#x201d; vroeg ik misnoegd. »Waar is het andere paard?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb het verkocht, mijnheer; het was zulk een vraatzuchtig dier, dat het zich in
-de herberg zelf zou opgevreten hebben. Dit heb ik voor uwe rekening gekocht, en het
-is een koopje. Elke poot kost een pond sterling, dat is, <i lang="la">sumarum sumorum</i>, netto vier pond. Weliswaar een beetje stijf als het van stal komt;&#x2014;dat zal echter
-gauw slijten en het is een bekende harddraver.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarlijk,&#x201d; zei ik, »gij zult niet rusten tot ik u een flink pak slaag gegeven heb.
-Ga dadelijk het andere paard halen, of het zal je berouwen!&#x201d; Maar Andries stoorde
-zich noch aan mijn bevel, noch aan mijne bedreigingen. Hij beweerde, dat hij den kooper
-van zijn paard ten minste eene guinje rouwkoop zou moeten geven. Ik merkte weer, dat
-ik met een bedrieger te doen had. Ik besloot echter als een echt Engelschman, geen
-tijd te verliezen, maar het geld te betalen. Daar zag ik Jarvie uit zijne woning treden.
-Hij was in zijn reismantel gebakerd, als of het een tocht naar Siberië gold. Onder
-geleide van zijne Mathilde brachten twee leerjongens het flinke paard voor, dat bij
-zulke gelegenheden gewoon was, den eerzamen heer te dragen. Vóór dat hij zich in den
-zadel <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226">226</a>]</span>zette, vroeg hij naar de oorzaak van den twist tusschen mij en mijn knecht. Toen ik
-hem de zaak had verteld, riep hij den weerspannigen Andries toe, het paard onverwijld
-terug te bezorgen, onder bedreiging, als hij zich langer verzette, hem in de gevangenis
-te zetten, en de helft van zijn loon als boete te doen betalen. »Mijnheer Osbaldistone,&#x201d;
-zeide hij, »heeft u en uw paard gehuurd, twee beesten tegelijk. Vooruit, ik zal u
-onderweg op de vingers zien! Gauw wat, mannetje!&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe! gij wilt mij beboeten?&#x201d; zeide Andries stoutmoedig. »Ik bezit immers geen duit.
-Ge zoudt even goed een Hooglander zijn broek kunnen ontnemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Genoeg, praatjes! Zoo gemakkelijk laat de justitie zich niet afschepen. Wie geen
-geld heeft, betaalt met zijn rug: dat staat vast,&#x201d; hernam Jarvie. »Op de eene of andere
-wijze zullen wij met u wel afrekenen.&#x201d;
-</p>
-<p>Er bleef voor Andries niets over dan te gehoorzamen. Hij mompelde slechts tusschen
-de tanden; »al te veel heeren! al te veel heeren! zei het veld tot de egge, toen al
-de pennen haar staken.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij had blijkbaar weinig moeite, om weder in het bezit van zijn verkocht paard te
-geraken, want een paar minuten daarna keerde hij op zijn ouden Bucephaal terug. Van
-den rouwkoop werd zelfs geen enkel woord gerept.
-</p>
-<p>Wij begaven ons nu op weg, maar nauwelijks waren wij aan den hoek van de straat, of
-wij hoorden achter ons luidkeels: »halt! halt!&#x201d; roepen. Jarvie&#x2019;s beide leerjongens
-haalden ons in. De een stelde zijn heer, uit naam van Matje, een zijden doek ter hand,
-met hare aanbeveling, dien toch vooral om den hals te slaan, terwijl de ander hem,
-ook uit naam van Matje, onder een schalkschen glimlach, waarschuwde, toch met water
-drinken voorzichtig te zijn.&#x2014;»Ei wat!&#x201d; zeide Jarvie, »laat zij daaromtrent maar gerust
-wezen.&#x201d; Maar zich tot mij wendend zeide hij: »het is toch een bewijs van een goed
-hart, van eene hartelijke zorg voor haar heer, niet waar? Ja, ja, mijn Matje is een
-best meisje, zoo zorgzaam en trouw!&#x201d;
-</p>
-<p>Met die woorden gaf hij zijn paard de sporen, en zonder verder opgehouden te worden,
-geraakten wij buiten de stad. Terwijl wij langs den straatweg in matigen draf voortreden,
-had ik gelegenheid, de voortreffelijke eigenschappen van mijn nieuwen vriend nog nader
-te leeren kennen en waardeeren. Weliswaar beschouwde hij, even als mijn vader, den
-handel als de gewichtigste bestemming van den mensch, maar hij was tevens onbevooroordeeld
-genoeg, om ook de waarde van andere algemeene kennis op prijs te stellen. Niettegenstaande
-zijne zonderlinge grillen, zijn ongemanierd gedrag, zijne ijdelheid, die juist dan
-het grappigst was, wanneer hij ze onder den sluier der nederigheid verborg, ja, ondanks
-zijn volslagen gebrek aan wetenschappelijke vorming, liet Jarvie in den loop van het
-gesprek helder oordeel, juiste inzichten en vlug begrip blijken, meer dan men van
-hem verwacht zou hebben.
-</p>
-<p>Met de oudheden van het land was hij goed bekend. Hij wist mij aangenaam bezig te
-houden met het verhalen van gebeurtenissen, die in <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227">227</a>]</span>de oorden, welke wij doortrokken, voorgevallen waren. Ook in de oudere geschiedenis
-van zijne geboorteplaats was hij vrij goed te huis. En hij zag met het vooruitziend
-oog van een schranderen vaderlander reeds zeer vele voordeelen in kiemen, die later
-tot bloei en rijpheid gekomen zijn. Ofschoon een echt Schot en uiterst bezorgd voor
-den roem en de eer van zijn vaderland, koesterde hij toch geen bekrompen denkbeelden
-en kinderachtige vooroordeelen omtrent het naburige land. Dit merkte ik met genoegen;
-toen Andries dan ook het verlies van een hoefijzer aan den alles bedervenden invloed
-der Unie toeschreef, kreeg hij een scherpe vermaning.
-</p>
-<p>»Zwijg!&#x201d; riep hij; »wie zoo spreekt, lastert en hitst buren tegen buren, volken tegen
-volken op. Niets ter wereld is volmaakt, dat geldt ook van de Unie. Niemand was sterker
-tegen de Unie, dan onze Glasgowers. Hun razen en tieren was toen misschien goed. Maar
-ik zou wel eens willen weten, of er, sinds den tijd, toen St. Mungo haringen in de
-Clyde ving, wel iets geweest is, dat ons zoo veel voordeel heeft aangebracht als de
-handel in suiker en tabak? En heb ik gelijk, dan heeft ieder ongelijk, die het verdrag
-afkeurt, dat ons den weg naar West-Indië geopend heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>Andries Fairservice, wilde dit niet toestemmen. Ja, hij waagde het grommend daartegen
-te protesteeren. »Het was een groote verandering voor Schotland,&#x201d; zeide hij, »dat
-&#x2019;s lands wetten nu in Engeland gemaakt werden. Wat hem betrof, hij zou om alle haringen
-in Glasgow en om alle tabaksvaten bovendien, nooit zijne toestemming verleend hebben
-tot het afschaffen van het Schotsche Parlement, of het zenden van de Schotsche kroon
-en schepter naar Engeland, om bewaakt te worden door die Engelsche kerels in den Tower
-te Londen &#x2026; Wat zouden Sir William Wallace, of de oude David Lindsay wel van die mooie
-Unie gezegd hebben?&#x201d; vroeg hij. Jarvie gaf geen verder antwoord. Hij hield niet van
-Andries.
-</p>
-<p>Wij kwamen op eene uitgestrekte vlakte, die steeds woester werd, naarmate wij ons
-van Glasgow verwijderden. Eindelijk zagen wij rondom ons niets dan groote, eenzame,
-hopeloos kale heiden, die nu en dan afgewisseld door moerassen, met een bedriegelijk
-groen overdekt, uit zwarte veengronden bestaande, of door kleine eentoonige hoogten,
-die den naam van heuvel niet verdienden. Geen boom, geen struikgewas gaf eenige afwisseling.
-Het oog werd moede door het eenvormige van dezen onvruchtbaren bodem, waar slechts
-hier en daar een enkel heidebloempje opschoot. Wij zagen geen ander levend schepsel,
-dan somwijlen eenige ronddolende schapen van eene bonte kleur, meestal met pikzwarten
-kop en pooten. Zelfs de vogels schenen deze woestenij te vermijden, trouwens, geen
-wonder, daar zij ze zoo gemakkelijk ontvluchten konden. Ik hoorde niets dan het eentonig
-geluid van den kemphaan en den kievit. Toch bleek bij ons middagmaal, dat wij in eene
-armzalige kroeg namen, dat hier en daar andere dieren rondzwierven. De waardin dischte
-ons de opbrengst der laatste jacht van haar man op, en deze bestond uit eenige korhoenders
-en ander soortgelijk wild. Daarbij <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228">228</a>]</span>kregen wij schapenkaas, gedroogden zalm, haverbrood, slecht bier en uitmuntenden brandewijn,
-terwijl onze paarden goed verzorgd werden.
-</p>
-<p>Een korte poos bleven wij daar. Toen vervolgden wij onze reis. De versterking, welke
-ons middagmaal mij gaf, diende ook een weinig, om een aanval van neerslachtigheid
-af te wenden, die mij ongemerkt bekroop, toen ik de zonderlinge onzekerheid van mijn
-avontuur en het woeste oord naging, waardoor heen het mij voerde. Onze weg werd al
-akeliger. De weinige ellendige hutten, die nog eenige sporen van menschelijke bewoning
-verrieden, werden zeldzamer, en verdwenen eindelijk geheel en al, naarmate het terrein
-zacht hellend opwaarts liep. Gedachteloos reed ik voort, toen opeens een bocht van
-den weg ons eene reeks donkerblauwe bergen deed aanschouwen, die zich noordwestelijk
-in de verte uitstrekten. De toppen dezer bergen waren schilderachtiger dan de kale
-en wanstaltige heuvels, welke wij tot dusver gezien hadden. Ik deed mijn geleider
-verscheidene vragen omtrent de namen en de ligging van die zonderlinge bergen; maar
-hij scheen er òf niets van te weten, òf geen lust te hebben, om mij er veel van mede
-te deelen.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p228width"><img src="images/p228.png" alt="" width="461" height="236"></div><p>
-</p>
-<p>»Ja, kort gezegd, dat zijn de Hooglandsche bergen,&#x201d; antwoordde hij; »ge zult nog genoeg
-daarvan zien en hooren, eer gij weder te Glasgow komt. Ik wil er niet naar zien. Ik
-ril als ik ze zie. Vrees is dat niet&#x2014;neen, geene vrees, maar medelijden met de arme,
-verblinde, half verhongerende menschen, die daar wonen. En vraag mij nu niets meer.
-Het is niet goed over de Hooglanders te spreken, als men zoo dicht bij hunne grenzen
-is. Menigen eerlijken kerel heb ik gekend, die zulk een reisje niet zou ondernomen
-hebben, zonder vooraf zijn testament te maken. Mijn Matje had er ook vrij wat tegen,
-dat ik mij zoo noodeloos ging wagen. Zij schreide zelfs; maar aan dat oor ben ik doof,
-want vrouwen hebben hare tranen altijd gereed.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik wilde het gesprek weder op den man brengen, dien wij bezoeken wilden. Maar Jarvie
-was ook aan dat oor doof, misschien wel voornamelijk daarom, omdat Andries zoo dicht
-bij ons was, dat hij elk <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229">229</a>]</span>woord kon opvangen en zich ook de vrijheid veroorloofde, telkens deel aan ons gesprek
-te nemen. Eindelijk begon dit Jarvie te vervelen, die hem toeriep: »Blijf achter ons
-kerel, zoo al u betaamt. Ge wilt u overal mee bemoeien. Blijf dáár, waar ge t&#x2019;huis
-behoort, zeg ik!&#x201d; Toen nu Andries niet meer hooren kon, wendde Jarvie zich weder tot
-mij en zeide: »Het staat u zeker vrij mij zooveel te vragen als gij verkiest, mijnheer
-Osbaldistone, maar mij staat het evenzeer vrij u al of niet te antwoorden. Veel goeds
-kan ik van Robbert niet zeggen, en kwaad wil ik van hem niet spreken. Hij is nu eenmaal
-mijn neef; daarbij zijn wij thans dicht bij zijn landstreek, en achter elken struik
-kon een van zijne lieden op den loer liggen. Laat u door mij raden; hoe minder gij
-over hem spreekt, hoe minder gij laat blijken, waarheen wij gaan, of wat wij doen
-willen, des te meer hoop mogen wij koesteren, onze zaken spoedig in orde te brengen.
-Want het zou ook wel kunnen gebeuren, dat wij onder vijanden van hem vielen&#x2014;hij heeft
-vele vijanden. Toch zit zijn hoofd nog vrij vast op zijne schouders, hoewel ik bijna
-begin te gelooven, dat zij het hem eindelijk te benauwd zullen maken en hij voor hen
-zal moeten zwichten; de rat loopt eens in den val, is het niet vroeg, dan laat.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal mij geheel door uwe meerdere ondervinding laten leiden,&#x201d; antwoordde ik.
-</p>
-<p>»Daaraan zult gij zeer verstandig doen, mijnheer Osbaldistone. Doch dien babbelaar
-daar moet ik den mond snoeren. Andries! Andries! hoe heet ge ook? Kom eens hier!&#x201d;
-</p>
-<p>Maar Andries, die sedert de laatste ernstige vermaning ver achtergebleven was, kwam
-slechts stapvoets en brommende bij ons.
-</p>
-<p>»Andries! Schelm! Hier!&#x201d; riep weêr de heer Jarvie.
-</p>
-<p>»<span class="ex">Hier</span>!&#x201d; zeide hij. »Zoo roept men een hond!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zal je als een hond behandelen, als je niet let op hetgeen ik je zeg!&#x2014;We gaan
-nu naar de Hooglanden.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat dacht ik al.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Zwijg, zeg ik! We gaan naar de Hooglanden.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat hebt ge al gezegd,&#x201d; hernam Andries.
-</p>
-<p>»Houd je mond, zeg ik, of.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Mond houden?&#x201d; herhaalde Andries. »Ge hebt.&#x2026;&#x201d; Hier kwam ik tusschenbeide en gebood
-hem te zwijgen.
-</p>
-<p>»Ik zwijg immers al lang,&#x201d; hernam Andries. »Wat gij mij beveelt doe ik zonder tegenspreken.
-Mijne lieve overledene moeder zeide altijd: »kind, wie geld heeft, kan bevelen, en
-dan gehoorzaamt men gaarne het geld.&#x201d; Dus praat maar toe, alle beide!&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoor eens, Andries,&#x201d; viel Jarvie hem in de rede. »Is uw leven u lief&#x2014;hoewel het misschien
-niet veel waard is&#x2014;denk dan aan hetgeen ik u thans zeg! De herberg, waarheen wij thans
-gaan, en waar wij waarschijnlijk den nacht zullen doorbrengen, wordt vrij druk door
-lieden van al de clans bezocht, uit het Hoogland en uit de Laaglanden. Daar ziet men
-meer bloote dolken dan open bijbels; vooral als de drank de hoofden warm maakt. Bemoei
-u met niets. Beleedig niemand met <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230">230</a>]</span>uwe veel te vlugge tong. Houd u stil en laat elk zijn twist zelf beslechten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, was dat de moeite waard, mij dat onder het oog te brengen!&#x201d; antwoordde Andries
-minachtend. »Alsof ik nog nooit Hooglanders gezien had, en niet wist hoe men met hen
-moet omgaan! Wees maar gerust: ik ken hen beter dan gij. Ik heb van hen gekocht, aan
-hen verkocht, met hen gegeten, met hen gedronken.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Misschien ook met hen gevochten?&#x201d; vroeg Jarvie.
-</p>
-<p>»Dat niet! Waarachtig niet!&#x201d; antwoordde Andries. »Daarvoor heb ik mij wel gewacht.
-Bovendien, daar ik een kunstkenner, een halve geleerde in mijn vak ben, past het niet,
-met lieden te vechten, die geen enkele plant of bloem in het Schotsch weten te noemen,
-veel minder in het Latijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Best, maar hoor eens, wilt gij de tong in uw mond en de ooren aan uw hoofd behouden,&#x2014;want
-gij zoudt onder dat woeste volk zeer licht het een en het ander kwijt kunnen raken&#x2014;spreek
-dan geen enkel woord, hetzij ten goede, hetzij ten kwade, met iemand, dien gij in
-de herberg mocht aantreffen. En wees vooral bedacht, dat gij daar noch mijn naam,
-noch dien van uw meester noemt. Het kon u eens invallen te gaan pochen en te roepen:
-die daar is de heer Nikolaas Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow, zoon
-van den ouden Nikolaas Jarvie, voorheen wijkmeester en ook lid van den stedelijken
-raad, een man bij oud en jong met roem bekend en bij allen bemind; die andere heer
-is de heer Frans Osbaldistone, zoon van het hoofd van het beroemde kantoor Osbaldistone
-en Tresham in Londen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Houd maar op! Al genoeg!&#x201d; riep Andries. »Denkt ge dat ik uwe namen noemen zal, zoo
-lang het niet noodig is? Ik heb wel over wat anders, van veel meer belang te spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Daar hebt ge &#x2019;t al&#x2014;<span class="corr" id="xd29e3381" title="Bron: waargaêsche">weergaasche</span> snapper! Gij hebt over niets, noch over het een, noch over het ander te spreken,
-maar u stil te houden, stil als eene muis, hoort gij!&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel mijnheer, als gij meent, dat ik niet in staat ben om te spreken of te zwijgen,
-waar ik spreken of zwijgen moet,&#x201d; hernam Andries, »geef mij dan mijn loon en kostgeld,
-en ik keer naar Glasgow terug. Het scheiden zal mij niet moeilijk vallen, zei de oude
-merrie tegen den gebroken wagen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik vreesde dat de lastige onhandelbaarheid van den tuinman aanleiding tot nieuwe onaangenaamheden
-zou geven. Ik zeide dus, dat hij, als hij het goedvond, terug kon keeren, maar dan
-geen enkelen duit voor zijn dienst ontvangen zoude. Zulke geldbeurs-argumenten, hebben
-bij de meeste menschen nog al invloed en gewicht. Onze Andries maakte in dit opzicht
-geen uitzondering op de meeste menschen. Hij begon terstond op een anderen toon te
-praten, betuigde, dat hij geenszins voornemens was, mijn misnoegen tegen zich op te
-wekken, maar integendeel in alles aan mijne bevelen te gehoorzamen.
-</p>
-<p>Zoo was de vrede weer hersteld. Wij vervolgden onzen weg, bergaf, door een oord, dat
-noch vruchtbaarder, noch bekoorlijker was dan dat, <span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231">231</a>]</span>hetwelk reeds achter ons lag. Slechts nu en dan bracht het gezicht van een uit den
-achtergrond oprijzenden bergtop eenige afwisseling. Zonder stoornis reden wij verder,
-maar toen de avond begon te vallen en deze woeste streken in schaduw begon te hullen,
-bevonden wij ons, volgens de verzekering van den heer Jarvie, nog meer dan een uur
-gaans van onze herberg.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXVIII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd29e412">O, gij, baron van Kalen!
-</p>
-<p class="line xd29e412">Jou zal de drommel halen,
-</p>
-<p class="line xd29e412">En jou tot korrels malen!
-</p>
-<p class="line xd29e412">Jij hebt hier een mooi kasteel in de stad?
-</p>
-<p class="line">Geen mensch en geen beest vreet er ooit zich zat,
-</p>
-<p class="line">En men vindt er niet eens een stoel voor zijn g.&#x2026;
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>Schotsch liedje.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1642"><span class="xd29e1642init">D</span>e avond was wezenlijk mooi. Bij het heldere maanlicht deed de streek zich veel gunstiger
-voor dan bij dag. Het ineensmelten van licht en schaduw gaf aan de woestenij iets
-bekoorlijks, wat ze anders eigenlijk geheel miste. Even als een sluier, over een alledaagsch
-vrouwengelaat, wekte het nieuwsgierigheid naar iets, dat op zich zelf niet belangwekkend
-was.
-</p>
-<p>De weg liep nog steeds naar beneden, en voerde ons van de heivlakte af naar kloven
-met steile randen en, na vele krommingen, naar den oever eener rivier, die veel meer
-naar de stroomen van mijn vaderland geleek, dan naar die, welke ik tot dusver in Schotland
-gezien had. Het was een smal, diep, stil water, ofschoon het flauwe licht, dat over
-de kale oppervlakte scheen, ons tegelijk aan beide zijden de hooge gebergten, waaruit
-het ontstond, deed bemerken.
-</p>
-<p>»Dat is de Forth!&#x201d; zeide Jarvie op den eerbiedigen toon, waarop de Schotten doorgaans
-van hunne voornaamste rivieren spreken. De Clyde, de Tweed, de Forth, de Spey worden
-door hen, die aan de oevers daarvan wonen, steeds met zekeren trots en fierheid genoemd.
-Zelfs heb ik gezien, dat een enkel woord van minachting tweegevechten ten gevolge
-had. Wie zou deze onschuldige geestdrift willen afkeuren! Gaarne beantwoordde ik dus
-den uitroep van mijn vriend met dezelfde levendige belangstelling, die hij had laten
-blijken. Inderdaad was ik ook blij, na zulk een vervelenden tocht, eindelijk in een
-streek te komen, die afwisseling bood en den geest bezig hield.
-</p>
-<p>Mijn getrouwe schildknaap Andries scheen geenszins van dat gevoelen <span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232">232</a>]</span>te zijn. De plechtige aankondiging: »dat is de Forth!&#x201d; beantwoordde hij met een tamelijk
-onverschillig »hm!&#x201d; als wilde hij te kennen geven, dat het gezicht van de herberg
-hem oneindig meer welkom zou geweest zijn.
-</p>
-<p>Inderdaad, de rivier verdiende, voor zoo ver ik bij het flauwe licht dat over haar
-gespreid lag, het kon beoordeelen, die bewondering, die haar geschonken werd. Een
-schoone, ronde heuvel, bekleed met kreupelhout van hazelnootboomen, esschen, dwergeiken,
-waartusschen eenige statige boomen met hunne trotsche kruinen in het maanlicht uitstaken,
-beschermde als het ware de bron der rivier. Volgens het verhaal van mijn reismakker,
-dat hij met gedempte stem deed, hoewel hij verklaarde niets te gelooven van hetgeen
-hij vertelde, bevatte deze bekoorlijke heuvel in zijne onzichtbare holen de paleizen
-der toovergodinnen, die weliswaar niet bepaald vijandinnen van het menschelijk geslacht
-zijn, doch wegens haar grilligen, wraakzuchtigen aard vermeden en gevreesd zijn.
-</p>
-<p>»Die toovergodinnen,&#x201d; zeide hij fluisterend, »heeten hier: »Daoine Schie&#x201d;. Naar ik
-mij herinner, beteekent dit: »vrouwen des vredes.&#x201d; Men meent, haar door dezen titel
-zich genegen te maken. En waarom zouden ook wij haar zoo niet noemen? Het is toch
-nooit raadzaam, van den heer des huizes binnen zijne eigen muren kwaad te spreken.
-Op de keper beschouwd, is dat, wat ik u daar vertel, natuurlijk een sprookje.&#x2014;Dit
-durf ik wel ronduit verklaren,&#x201d; voegde hij er met eenigen nadruk bij, toen wij op
-een kleinen afstand van ons in een huis licht zagen schemeren.&#x2014;»Wij zijn thans dicht
-bij de herberg van Aberfoil,&#x201d; vervolgde hij: »daar ginder, waar dat licht brandt.&#x201d;
-</p>
-<p>Met veel genoegen vernam ik dit, niet zoozeer omdat mijn reisgenoot-zich nu vrijmoediger
-over de toovergodinnen kon uiten, als wel, omdat ik mij thans eenige uren rust mocht
-beloven, die wij, niet minder dan onze paarden, na zulk eene moeielijke dagreis, meer
-dan noodig hadden.
-</p>
-<p>Eene oude, zeer hooge, smalle steenen brug bracht ons over de Forth, dicht bij den
-oorsprong der rivier. De gewone weg uit het Hoogland naar Zuid-Schotland liep echter,
-zoo als ik van mijn reisgenoot hoorde, door de Forth van Firth, waar de stroom steeds
-zeer diep en moeielijk over te trekken, ja niet zelden volstrekt ondoorwaadbaar is.
-Van deze plaats tot verder oostwaarts naar de brug van Stirling, bevindt zich nergens
-een overgang. Zoo vormt dan de Forth, van hare bron tot aan de Firth&#x2014;dat is de zeearm
-die haar omvangt,&#x2014;eene gemakkelijk te verdedigen grensscheiding tusschen het Hoogland
-en Zuid-Schotland. De gebeurtenissen, waarvan ik naderhand getuige was, herinnerden
-mij vaak de aanmerking, die Jarvie, volgens zijne gewoonte, in den vorm van een spreekwoord
-maakte: »de Forth is voor de woeste Hooglanders, een toom, die hen in bedwang houdt.&#x201d;
-</p>
-<p>Na een korten rit aan gene zijde van de brug, bevonden wij ons eindelijk voor een
-herberg, waar wij den nacht zouden doorbrengen. Haar voorkomen was nog veel armzaliger
-dan van die, waar wij des middags gegeten hadden. Door de kleine vensters zagen wij
-echter veel licht en <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233">233</a>]</span>hoorden weldra ook verscheidene stemmen, wat een gul onthaal scheen te beloven, waaraan
-wij ook groote behoefte gevoelden. Intusschen had Andries al spoedig ontdekt, dat
-een dikke, afgeschilde wilgentak dwars vóór de half geopende deur lag. Hij bleef dralende
-staan en ried ons aan niet binnen te treden.&#x2014;»Buiten twijfel zijn daar eenige van
-hunne hoofden bijeen, die in hun drinkgelag niet willen gestoord worden,&#x201d; zeide hij.
-»Stappen wij nu maar zoo zonder komplimenten binnen, dan zullen zij ons zeer zeker
-met een geducht pak stokslagen verwelkomen, of ons met hunne scherpgepunte dolken
-een prikje geven, dat ons dergelijke onwellevendheid voor altijd zou afleeren.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik keek vragend mijn reisgenoot aan, die mij toefluisterde: »de ezel heeft daar een
-verstandig woord gesproken!&#x201d;
-</p>
-<p>Nu kwamen er op het hooren van den hoefslag onzer paarden, eenige half gekleede meiden
-uit de herberg en de omliggende hutten. Maar niemand heette ons welkom; niemand gaf
-zich de moeite, toen wij afgestegen waren, om onze paarden vast te houden, en op alle
-onze vragen ontvingen wij slechts het troostelooze antwoord: »<i>ha niel Sassenach!</i>&#x201d; (»<i>kan geen Saksisch<span class="corr" id="xd29e3430" title="Niet in bron">!</span></i>&#x201d;<a id="xd29e3432"></a>)<a class="noteref" id="xd29e3434src" href="#xd29e3434">1</a>.
-</p>
-<p>Jarvie wist hun echter de tong los te maken en Engelsch te doen spreken.
-</p>
-<p>»Als ik u,&#x201d; zeide hij tegen een tienjarigen knaap in een haveloozen plaid, »een stuiver
-geef, wilt gij dan Saksisch verstaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja, dat wil ik!&#x201d; antwoordde de knaap in redelijk goed Engelsch.
-</p>
-<p>»Nu ga dan heen, en zeg uwe moeder,&#x201d; vervolgde Jarvie, »dat hier een paar vreemde
-heeren zijn, die haar wenschen te spreken.&#x201d;
-</p>
-<p>Terstond daarop verscheen de waardin met een brandenden spaander in de hand, dien
-de Hooglanders van het in de turfmoerassen gevonden pijnboomhout snijden, en niet
-zelden in plaats van eene kaars of lamp gebruiken. De heldere vlam verlichtte de woeste
-gelaatstrekken eener bleeke, magere vrouw van buitengewone grootte, wier slordige
-en gescheurde kleeding haar ternauwernood naar behooren bedekte. Haar zwart haar,
-dat in ongekamde lokken uit hare morsige muts nederhing, en de zonderling verlegen
-blik waarmede zij ons beschouwde, gaven haar geheel het voorkomen eener tooverkol,
-die in hare werken der duisternis gestoord wordt. Zij weigerde bepaald ons in de herberg
-toe te laten. Vruchteloos waren al onze vertoogen. Te vergeefs verzekerden wij haar,
-dat wij en onze paarden te veel afgemat waren om de naastvolgende, omtrent zeven Schotsche
-mijlen verwijderde herberg nog vóór den nacht te bereiken.&#x2014;»Beter verder gegaan, dan
-hier de pot verteerd!&#x201d; antwoordde de onverbiddelijke waardin in het Nederschotsch.
-»Binnen zijn lieden, die niet gestoord willen worden door vreemdelingen. Wie zij zijn,
-weet ik niet. Misschien wel roodrokken van het garnizoen,&#x201d; voegde zij er zachter,
-doch met een bijzonderen nadruk bij. »Het is goed weer; <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234">234</a>]</span>laat de heide ditmaal uw bed zijn, dat zal uw bloed verkoelen. Slaap in uwe kleederen,&#x201d;
-voegde zij er bij, »zooals een goed zwaard in de scheede. De hei is niet al te vochtig,
-als ge maar een geschikt plekje uitzoekt, en ge kunt gerust de paarden op den heuvel
-laten grazen; geen mensch zal het je kwalijk nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl Jarvie besluiteloos zuchtte, betuigde ik de waardin, dat ik sinds zes uren
-niets gegeten had, en den nacht niet hongerend in het gebergte kon doorbrengen. »Ik
-moet volstrekt onder dak,&#x201d;&#x2014;voegde ik er bij. »Zie het met uwe gasten voor ons zoo
-wat ten goede te schikken.&#x2014;Beduid hun, dat twee vermoeide vreemdelingen de eer van
-hun gezelschap wenschen te genieten. Andries, zorg voor de paarden!&#x201d;
-</p>
-<p>De oude heks staarde mij met verbazing aan.&#x2014;»Nu, het zij dan zoo!&#x201d; zeide zij eindelijk;
-»maar ik vrees, ik vrees, dat het u berouwen zal, met mijne gasten kennis gemaakt
-te hebben. Evenwel, wie niet naar goeden raad wil hooren, moet zijn eigen zin volgen!
-Intusschen kan ik wel zien, dat gij echte Engelschen zijt. De buik is uw afgod. Gij
-hebt heden eenmaal gegeten. En toch wilt gij nog liever vrijheid en leven wagen, dan
-een avondmaal missen. Maar ik wasch de handen in onschuld. Kom,&#x201d; zeide zij tegen Andries,
-»ik zal de plaats voor de paarden wijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>Over deze uitdrukkingen der waardin, die mij een dreigend gevaar schenen aan te duiden,
-was ik min of meer onthutst. Evenwel, ik had haar nu eenmaal mijn besluit te kennen
-gegeven. Ik wilde nu niet angstvallig terugtreden, maar stapte moedig het huis binnen.
-Toen wij een smallen gang, waar ik mijne schenen tegen een hoop turf en eene vleeschkuip
-bijna stuk stiet, doorgegaan waren, opende ik eene gebrekkig uit wilgentwijgen gevlochten
-deur, en trad nu met Jarvie in de gelagkamer van deze Schotsche herberg.
-</p>
-<p>Hier zag het er, voor de oogen van een Engelschman, al zeer zonderling uit. Het vuur,
-dat uit turf en dorre takken bestond, brandde helder in het midden van het vertrek;
-maar de rook, die geen anderen uitweg had dan door een gat in het dak, bleef grootendeels
-in donkere wolken vijf of zes voet van den bodem aan de zoldering hangen. Beneden
-deze rookwolken was het echter tamelijk licht, dewijl de tocht, die door het jammerlijk
-gehavende vlechtwerk der deur en door eenige met lompen behangen gaten, die tot vensters
-dienden, als ook door tallooze scheuren en spleten der van steenen en turf opgetrokken
-wanden rijkelijk henendrong, de vlam van het vuur wakker aanblies.
-</p>
-<p>Aan eene oude eikenhouten tafel nabij het vuur zaten drie mannen. Het waren gasten,
-die men onmogelijk met een onverschillig oog beschouwen kon. Twee van hen waren als
-Hooglanders gekleed. Maar de een, een klein, zwartachtig mannetje, met levendige,
-min of meer driftige uitdrukking op zijne gelaatstrekken, droeg eene eng sluitende
-lange broek, »trews&#x201d; genaamd, van eene fijne, wolachtige stof. Jarvie fluisterde mij
-in, dat deze man zeer zeker een persoon van eenigen rang moest zijn, want dat alleen
-aanzienlijke lieden zulke broeken droegen, die, naar de mode der Hooglanders, zeer
-moeielijk te weven waren.
-<span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235">235</a>]</span></p>
-<p>De andere gast was bijzonder groot en sterk gespierd, met dik rood haar, een gezicht
-vol zomersproeten, bolle wangen en eene lange kin, eene soort van karikatuur der eigenaardige
-Schotsche physionomie. Zijne tartan was rijk met rood gekleurd, terwijl in het gewaad
-van den anderen, zwart en donkergroen de heerschende kleuren waren. De derde gast,
-in Nederschotsch costuum, was een man van een onversaagd, ja, vermetel voorkomen;
-zijn oog en zijne houding teekenden den krijgsman. Sierlijk en rijk met koorden en
-galon was zijn reisrok bezet, en zijn opgetoomde hoed was van eene vervaarlijke grootte.
-Zijn kort zijdgeweer en een paar pistolen lagen voor hem op de tafel. Elk der beide
-Hooglanders had zijn ontblooten dolk naast zich in de tafel gestoken, wat, zoo als
-ik naderhand vernam, een teeken was, dat hun drinkgelag door geen twist mocht gestoord
-worden. Voor de drie gasten stond eene groote tinnen kan met Usquebaugh, een sterken,
-geestrijken drank, dien de Hooglanders van mout brouwen en onverdund in onmatige hoeveelheid
-zwelgen. Een gebroken glas met een houten voet, het eenige drinkgereedschap, waarvan
-zij zich gemeenschappelijk bedienden, ging zoo vaak rond, dat het mij, met het oog
-op den krachtigen drank, inderdaad verbaasde. Zij spraken luid en vrij levendig met
-elkander, dan eens in het Engelsch, dan weder in het <span class="corr" id="xd29e3461" title="Bron: Gaelsch">Gaelisch</span>. Een andere, in zijn plaid gewikkelde, Hooglander, lag uitgestrekt te slapen, zonder
-zijn hoofd op een bos stroo, en sliep, of scheen ten minste te slapen, zonder op hetgeen
-rondom hem gebeurde in het minst acht te slaan. Intusschen scheen hij insgelijks een
-der gasten te zijn, want hij was geheel gekleed, met zijn zwaard en schild, de gewone
-wapens der Hooglanders, wanneer zij zich op reis bevinden, naast hem. Kribben van
-onderscheidene grootte bevonden zich op eenige hoogte langs de wanden, sommige van
-oude planken, andere van slordig ineengevlochten wilgentwijgen, die den huisgenooten,
-mannen, vrouwen en kinderen, tot slaapplaatsen dienden, maar door de donkere rookwolken,
-die haar omringden, genoegzaam onzichtbaar waren.
-</p>
-<p>Wij traden het vertrek zoo stil binnen, dat de drie in hun gesprek geheel verdiepte
-drinkebroers ons gedurende eenige minuten volstrekt niet bemerkten. Het ontsnapte
-mij echter niet, dat de Hooglander, die op den grond, niet ver van het vuur lag, zich,
-toen wij binnenkwamen, een weinig oprichtte, op zijn elleboog leunende en het gezicht
-met zijn plaid half bedekkende, ons eenige oogenblikken aanzag en daarna zich weder
-te slapen legde.
-</p>
-<p>Wij begaven ons naar het vuur, dat ons, na een zoo laten rit in een kouden herfstavond,
-eene aangename verkwikking beloofde, en trokken nu eindelijk de opmerkzaamheid der
-gasten tot ons, toen wij de waardin riepen. Zij kwam, zag weifelend en vreesachtig
-dan ons dan de andere gasten aan, en maakte, toen wij haar verzochten ons het een
-en ander voor ons avondmaal te brengen, allerlei nietsbeduidende verontschuldigingen.
-In het eerst betuigde zij volstrekt niets eetbaars in huis te hebben. Toen verzekerde
-zij ons weder, dat zij, ja, wel iets had, maar dat het geenszins aan lieden van onzen
-stand kon voorgezet worden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236">236</a>]</span></p>
-<p>Ik antwoordde haar, dat wij met elk gerecht, hoe gering ook, tevreden zouden zijn.
-En nadat ik naar stoelen voor ons had rondgezien, die echter nergens te vinden waren,
-bood ik Jarvie een ouden hoenderkorf tot zitplaats aan, en ging zelf op een gebroken
-tobbe zitten. Nu trad Andries insgelijks binnen, en plaatste zich zwijgend achter
-ons. De gasten staarden ons onafgewend aan, als had onze vrijmoedigheid hen min of
-meer in verlegenheid gebracht; en&#x2014;ik ten minste&#x2014;trachtte, zoo goed als het gelukken
-wilde, onder den schijn van onverschilligheid de heimelijke vrees te verbergen, dat
-wij van deze onbekende heeren juist niet de aangenaamste ontvangst te wachten hadden.
-</p>
-<p>Eindelijk keerde de kleine Hooglander zich naar mij en zeide op trotschen toon in
-zeer goed Engelsch: »naar ik merk, gedraagt gij u hier als of gij te huis waart.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat doe ik gewoonlijk als ik mij in eene herberg bevind,&#x201d; antwoordde ik.
-</p>
-<p>»En hebt gij dan aan den dwars voor de deur liggende wilgentak niet gezien, dat de
-herberg reeds door andere gasten bezet was?&#x201d; vroeg de lange Hooglander.
-</p>
-<p>»Ik ken de gewoonten van dit land niet,&#x201d; hernam ik; »maar ik zou toch wel eens willen
-weten, hoe drie menschen het recht zouden hebben, om ieder ander reiziger van eene
-herberg, die de eenige binnen den omtrek van verscheidene mijlen is, uit te sluiten.
-</p>
-<p>»Daartoe heeft niemand het recht, mijne Heeren!&#x201d; zeide Jarvie. »Wij willen niemand
-beleedigen. Doch niemand, wie hij ook zij, mag ons verdrijven. Evenwel, is eene flesch
-goede brandewijn in staat, om een einde aan deze onaangename ontvangst te maken&#x2014;wij
-zijn vredelievend, en.&#x2026;..&#x201d;
-</p>
-<p>»Naar den Satan met uw brandewijn!&#x201d; zei de Laaglander en zette zijn ontzaggelijk grooten
-hoed met eene zekere fierheid op het hoofd. »Wij hebben uw brandewijn evenmin noodig,
-als uw gezelschap.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden sprong hij op. Zijne metgezellen volgden zijn. voorbeeld, mompelden
-tegen elkander, trokken hunne plaids op en snoven en bliezen, zoo als zij gewoonlijk
-doen, wanneer zij zich driftig willen maken.
-</p>
-<p>»Heb ik het u niet gezegd?&#x201d; riep de waardin. »Weg met u uit mijn huis! Ik wil hier
-geen twist, en niemand moet ten mijnent gestoord worden, ten minste, zoo lang ik het
-beletten kan. Het zou waarlijk wat fraais zijn, als bij nacht en ontij de rondzwervende
-Engelschen zoo maar tegen wil en dank in de huizen mochten indringen en ordentelijke,
-vreedzame lieden storen, die in rust hun glaasje drinken!&#x201d;
-</p>
-<p>Op een anderen tijd, zou ik mij het oude Latijnsche spreekwoord herinnerd hebben:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line"><i lang="la">Dat veniam corvis, vexat censura columbas.</i></p>
-</div>
-<p class="first">(<a id="xd29e3485"></a><i>De kleine dieven hangt men, de groote laat men loopen.</i>) Maar ik had geen tijd, om mijne geleerdheid uit te kramen, want alles scheen hier
-<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237">237</a>]</span>op een gevecht te zullen uitloopen. Verontwaardigd over de ongastvrije ruwheid, waarmede
-men mij behandelde, was mij dit volmaakt onverschillig, hoewel ik medelijden met den
-goeden Jarvie had, die bij zulk eene gelegenheid zeer zeker eene zeer slechte figuur
-zou maken. Toen ik dus de andere gasten zag opstaan, sprong ik insgelijks op en sloeg
-mijn mantel terug om ter verdediging bereid te zijn.
-</p>
-<p>»Drie tegen drie,&#x201d; zei de kleine Hooglander. »Als gij dappere kerels zijt, trekt dan
-van leer!&#x201d;
-</p>
-<p>En nu ging hij met het ontbloote zwaard op mij los. Ik had mijn degen getrokken en
-op het overwicht van mijn wapen vertrouwende, vreesde ik de uitkomst van het gevecht
-niet. Jarvie betoonde meer moed dan ik verwacht had. Toen hij den reusachtigen Hooglander
-met het blanke zwaard tegenover zich zag, trok hij eenige oogenblikken aan zijne spies,
-zoo als hij het noemde; maar de verroeste kling wilde uit zuivere getrouwheid, de
-scheede niet verlaten, en nu greep hij met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van
-geest het gloeiende ploegijzer, dat men in plaats van een pook gebruikte, en zwaaide
-het met zulk een goed gevolg, dat hij dadelijk den plaid van den Hooglander vuur deed
-vatten, waarop deze retireeren moest, ten einde zijn brandend gewaad te blusschen.
-</p>
-<p>Andries, die met den Laaglander had moeten kampen, was, tot mijn leedwezen moet ik
-zeggen, reeds terstond bij den aanvang van het gevecht heimelijk weggeslopen.&#x2014;»Eerlijk
-spel! eerlijk spel!&#x201d; riep zijne tegenpartij en scheen ongeneigd om thans deel aan
-den strijd te nemen. Wij waren dus weder twee tegen twee. Mijn oogmerk was, mijne
-tegenpartij, indien ik het kon, te ontwapenen; maar ik waagde het niet hem te na te
-komen, uit vrees voor zijn dolk, dien hij in de linkerhand hield, en waarmede hij
-de stooten van mijn degen afweerde.
-</p>
-<p>Intusschen geraakte Jarvie, in weerwil van zijn in het begin behaald voordeel, spoedig
-deerlijk in het nauw. De zwaarte van zijn wapen en het opbruisen van zijne drift,
-putten de krachten van den zwaarlijvigen man genoegzaam geheel uit, en hij zou zeker
-voor zijn vijand bezweken zijn, toen de slaper plotseling van den grond opsprong en
-zich met het bloote zwaard tusschen de strijders wierp.&#x2014;»In Glasgow heb ik zijn brood
-gegeten, en ik vecht voor den Glasgower Jarvie&#x2014;ja, dat doe ik!&#x201d;
-</p>
-<p>En dit deed hij ook zonder dralen; want in hetzelfde oogenblik suisde zijn zwaard
-zoo duchtig om de ooren van zijn landsman, dat die moeite genoeg had om zich tegen
-dezen ongeroepen kampioen te verdedigen, hoewel hij&#x2014;dit zij te zijner eere gezegd,&#x2014;hem
-volstrekt niets schuldig bleef. Maar beiden hadden ronde, houten, met koperen spijkers
-beslagen en met leer overdekte schilden, waarmede zij de slagen behendig afweerden,
-en aldus veroorzaakte het gevecht eigenlijk veel meer rumoer dan wezenlijk gevaar.
-En inderdaad scheen men het er meer op toegelegd te hebben, om ons schrik aan te jagen,
-dan wel om ons eenig leed toe te brengen; want de Laaglander, die een tijdlang werkeloos
-getuige van het gevecht was geweest, nam al spoedig de taak van vredestichter op <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238">238</a>]</span>zich: »houdt op! houdt op!&#x201d; riep hij; »al genoeg! al genoeg! het gaat hier immers
-niet op leven en dood! De vreemde heeren hebben getoond, dat zij moed hebben, en ons
-genoegzame voldoening gegeven. Als het er op aankomt, en men mij beleedigt, ben ik,
-zoo als gij weet, gansch niet gemakkelijk; maar nutteloos bloedvergieten haat ik.&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p238width"><img src="images/p238.png" alt="" width="499" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>Natuurlijk had ik geen lust om het gevecht nog langer te doen voortduren; <span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239">239</a>]</span>ook scheen mijne tegenpartij niet ongeneigd, om zijn zwaard in de schede te steken.
-Jarvie, die naar adem hijgde, was reeds als overwonnen te beschouwen, en de beide
-Hooglandsche kampioenen met de beide schilden, staakten hun gevecht even onverschillig,
-als zij het aangevangen hadden.
-</p>
-<p>»En nu, mijne Heeren,&#x201d; hernam onze vredemaker, »laat ons als brave kerels thans eens
-met elkander drinken en elkander leeren verdragen. Dit huis is groot genoeg voor ons
-allen. Hoort dus mijn voorstel. Deze kleine, dikke heer, die bij het gevecht wel het
-meest geleden heeft, laat eene kan brandewijn komen; ik betaal eene tweede kan om
-den vrede te bevestigen, en zoo verdrinken wij, als broeders, ons zakgeld.&#x201d;
-</p>
-<p>»En wie betaalt mij mijn nieuwen plaid?&#x201d; vroeg de lange Hooglander. »Er is een gat
-in gebrand, zoo groot, dat men er een emmer doorheen kan steken. Heeft men ooit een
-fatsoenlijk man met een gloeiend ploegijzer zien vechten!&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees daaromtrent onbezorgd, vriend!&#x201d; zeide Jarvie, die nu weder bij adem was, en
-wien het verheugde zooveel moed betoond te hebben, en niet genoodzaakt te zijn, nog
-eens een gevaarlijken en alleszins twijfelachtigen strijd te wagen;&#x2014;»voor die wond
-zullen wij wel eene pleister vinden. Gij zult een nieuwen plaid hebben, en wel een
-allerbesten, van de kleuren van uwen clan. Zeg mij maar, waar ik het u uit Glasgow
-moet toezenden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik behoef mijn clan niet te noemen,&#x201d; antwoordde de Hooglander: »ik ben van een konings-clan,
-en die is bekend genoeg. Maar gij kunt tot staal een stukje van mijn plaid krijgen;
-een mijner neven, een edelman, die eieren ter markt brengt, uit Glencroe, komt binnen
-kort te Glasgow, en die zal het dan wel bij u afhalen, als gij mij maar uwe woonplaats
-opgeeft. Maar goede man, als gij ooit weder vechten wilt, vecht dan toch met uw zwaard,
-want gij hebt er een, maar niet met ploegijzers of brandhouten, als een wilde Indiaan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu ja,&#x201d; hernam Jarvie; »men moet in deze wereld wel eens van den nood eene deugd
-maken. Sedert den slag aan de Bothwel-brug heeft mijn degen het daglicht niet gezien;
-toen had mijn overleden vader hem op zijde; en zelfs weet ik niet recht, of hij bij
-die gelegenheid wel eens uit de scheede is geweest, want het gevecht duurde niet lang.
-Kortom, hoe het daarmede ook zij, thans zit die zoo onmanierlijk vast in de scheede,
-dat ik er hem maar volstrekt niet uit kan krijgen, en toen ik dat bemerkte, nam ik
-het eerste het beste ding, dat mij voor de hand kwam, en behielp mij daarmede zoo
-goed ik kon. Eigenlijk wil ik wel gelooven, dat vechten mijne zaak niet is, maar in
-elk geval laat ik mij niet ongestraft op de teenen trappen. Maar, eer ik het vergeet,
-waar is de dappere man, die mij zoo moedig verdedigde? Ik geef hem eene kan brandewijn;
-al zou het mij ook mijn laatsten stuiver kosten.&#x201d;
-</p>
-<p>Maar den kampioen, naar wien men rondzag, kon men nergens vinden. Terstond na den
-afloop van het gevecht was hij weggeslopen, maar aan zijne woeste gelaatstrekken en
-haveloos rood haar had ik in hem <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240">240</a>]</span>dadelijk onzen Dugald herkend, den vluchteling uit de gevangenis te Glasgow. Deze
-ontdekking deelde ik mijn reisgenoot fluisterend mede, en op dezelfde wijze antwoordde
-hij mij: »ja, ja, ik zie het wel, die bewuste vriend van ons had wel gelijk: Dugald
-is zoo dom niet. Ik moet er intusschen over denken, hoe ik hem dezen gewichtigen dienst
-vergelden kan.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden ging hij zitten en riep, toen hij weder geheel op adem was gekomen,
-de waardin.&#x2014;»Moedertje,&#x201d; zeide hij, <span class="corr" id="xd29e3517" title="Niet in bron">»</span>met genoegen bespeur ik, dat mijn lichaam gaaf en ongedeerd is gebleven, wat ik, bij
-het zoo even hier gebeurde, schier als een wonder beschouw&#x2014;nu zal het, dunkt mij,
-het best zijn, de ledige ruimte daarin met iets smakelijks aan te vullen.&#x201d;
-</p>
-<p>De waardin, die zich, zoodra de storm voorbij was, ongemeen dienstvaardig betoonde,
-maakte terstond toebereidselen, om ons met een avondmaal te verkwikken. Niets was
-mij echter gedurende het gevecht zonderlinger voorgekomen, dan de buitengewone koelbloedigheid,
-waarmede zij en hare huisgenooten ons hadden zien vechten. »De deur dicht! de deur
-dicht!&#x201d; riep zij uit al hare macht tegen de haren: »zij mogen doodslaan, of doodgeslagen
-worden, niemand komt er uit, voordat het gelag betaald is.&#x201d;&#x2014;De kinderen, die in de
-kribben langs den wand sliepen, richtten zich even onverschillig op, wreven zich bedaard
-de oogen, riepen, terwijl zij hunne naakte lichamen over den rand der kribben bogen,
-half grijnzende uit: »oho! oho!&#x201d; en waren geloof ik, eer wij den vrede gesloten hadden,
-ook weder ingesluimerd.
-</p>
-<p>Terwijl de waardin tot mijne verbazing een smakelijk gerecht van wildbraad voor ons
-gereed maakte, liet zij ons den brandewijn brengen, dien de Hooglanders, in weerwil
-van hunne vooringenomenheid met hunne sterke inheemsche dranken, geenszins versmaadden.
-Toen de eerste beker de ronde had gedaan, vroeg de gast uit de Laaglanden naar ons
-bedrijf en het doel van onze reis.
-</p>
-<p>»Wij zijn uit Glasgow,&#x201d; antwoordde Jarvie met geveinsde nederigheid, »en begeven ons
-naar Stirling, om daar eenige gelden te innen, die men ons schuldig is.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik moet bekennen, dat ik dom genoeg was, om mij door de bescheidenheid waarmede Jarvie
-van ons sprak, min of meer boos te laten maken; maar ik herinnerde mij mijne belofte
-van te zwijgen en mijn reisgenoot de zorg over te laten, om onze aangelegenheden op
-zijne wijze te beredderen. Kon ik den braven man deze inschikkelijkheid weigeren?
-Immers, mij ten gevalle, had hij den langen tocht ondernomen. Dat hij zeer vermoeid
-was, zag ik aan de pijnlijke houding, waarmede hij zich nederzette en opstond. Bovendien
-was hij zelfs in levensgevaar geweest.
-</p>
-<p>De spreker der andere partij haalde snuivende den adem in en zeide op hoonenden toon:
-»gij, kooplieden uit Glasgow, hebt niets anders te doen, dan West-Schotland van het
-eene einde tot het andere door te trekken om brave lieden te plagen, dien het even
-als mij juist aan het noodige geld ontbreekt.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241">241</a>]</span></p>
-<p>»Hoor eens, wanneer onze schuldenaars zulke eerlijke lieden waren als gij, vriend
-Garschattachin,&#x201d; antwoordde Jarvie, »dan zouden wij ons de moeite van rond te reizen
-wel kunnen besparen; want zij zouden zelven tot ons komen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ei, ei, wat hoor ik daar!&#x201d; riep de aangesprokene. »Ja, zoo waar ik van brood en water
-leef&#x2014;onder dien verstande, dat ik er ook wat rundvleesch en brandewijn bij gebruik&#x2014;gij
-zijt mijn oude vriend Nikolaas Jarvie, de beste vent dien ik ken, en die geen eerlijk
-man geld ter leen weigert op zijn woord. Denkelijk komt gij mijn kant uit,&#x2014;de Endrick
-op naar Garschattachin?&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarlijk niet!&#x201d; hernam Jarvie. »Ik heb heel iets anders te doen. Maar ik dacht wel
-dat gij meenen zoudt, dat ik wegens de verschenen renten van het bewuste kapitaaltje
-kwam.&#x201d;
-</p>
-<p>»De duivel hale de renten!&#x201d; zei de laird, naar het scheen uit den grond van zijn hart.
-»Geen enkel woord meer over geldzaken tusschen ons beiden, daar gij thans zoo dicht
-bij mijne woning zijt. Het kleed maakt den man! dat is maar niet anders. Wie zou u,
-in deze reiskleeding herkend hebben! Wie zou vermoed hebben, dat in dien mallen rok
-de wijkmeester Jarvie zat!&#x201d;
-</p>
-<p>»Lid van den raad, als ik u verzoeken mag!&#x201d; hernam mijn reisgenoot. »Maar ik merk
-al waaruit dit misverstand zijn oorsprong heeft. De schuldbekentenis werd bij mijns
-vaders leven door u gepasseerd, en de brave man, zijne ziel zij bij God in den hemel,
-was wijkmeester: en voor zoo ver ik mij herinneren kan, zijn er na zijn dood geen
-renten betaald&#x2014;ja, ja, daaruit ontstaat dit misverstand!&#x201d;
-</p>
-<p>»De duivel hale het misverstand en alles, waaruit het ontstaan is!&#x201d; zeide Duncan Galbraith
-van Garschattachin. »Evenwel, het verheugt mij, dat gij lid van den raad zijt; dat
-is nog al iets, niet waar? ten minste houdt gij het daarvoor. Kom aan, heeren, eens
-ingeschonken! Op de gezondheid van mijn voortreffelijken vriend, den heer Nikolaas
-Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow! Hem en zijnen zaligen vader ken
-ik reeds sedert twintig jaren! Nog eens, op den aanstaanden hoofdschout, Nikolaas
-Jarvie. Niemand in geheel Glasgow is beter tot dien post geschikt dan hij, en wie
-hierover anders denkt, die heeft met mij te doen,&#x201d; voegde hij er op hoogen toon bij,
-en zette met vrij wat fierheid den hoed op.
-</p>
-<p>De brandewijn was hoogst waarschijnlijk bij de Hooglanders de beste aanbeveling voor
-deze vleiende toosten; zij deden dan ook gaarne bescheid, zonder zich eenigszins om
-den eigenlijken inhoud daarvan te bekommeren.
-</p>
-<p>Terwijl zij zich met <span class="corr" id="xd29e3536" title="Bron: Galbrait">Galbraith</span> in hunne landtaal onderhielden, die de man uit het Laagland, als hun nabuur, zeer
-vlug sprak, fluisterde Jarvie mij toe: »Ik herkende dien knaap al terstond op het
-eerste gezicht. Maar met zijn verhit bloed en ontbloot zwaard, dacht ik, wie weet,
-op welke wijze hij mij zijne schuld zou hebben kunnen betalen! Want het zal, vrees
-ik, vrij lang duren, eer hij ze mij op de gewone manier betaalt. Toch is hij overigens
-een eerlijke kerel en hij heeft ook een goed hart. <span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242">242</a>]</span>Zelden komt hij te Glasgow, maar dikwerf zendt hij een ree of korhoen uit het gebergte.
-Ook kan ik het geld nog wel missen, en mijn vader, de wijkmeester, had steeds zeer
-veel op met de familie Garschattachin.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen wij ons avondmaal geëindigd hadden, vroeg ik naar Andries; maar mijn getrouwe
-volgeling was, sinds den aanvang van het gevecht, nergens te vinden. De waardin meende,
-dat hij zich in den stal had verscholen, en bood aan, mij derwaarts te geleiden en
-mij voor te lichten. Noch door hare kinderen, noch door haar zelve, zeide zij, was
-hij te bewegen geweest, om op hare vragen te antwoorden, en zij had waarlijk ook niet
-veel lust, om zich op dit ongelegen uur nog eenmaal in den stal te begeven; want het
-spookte er geweldig en dat was dan ook de reden, waarom zij geen stalknecht in haar
-dienst kon houden.
-</p>
-<p>Terwijl zij mij naar de armzalige schuur voorlichtte, waar onze paarden zich met een
-weinig grof hooi moesten vergenoegen, verried zij duidelijk genoeg, dat zij mij met
-een geheel ander doel dan zij eigenlijk voorgaf, van de overige gasten had afgetroond.&#x2014;»Lees
-dit!&#x201d; zeide zij, en stopte mij, toen wij ons voor den stal bevonden, een papier in
-de hand. »God dank, dat ik het kwijt ben! Onder soldaten en Saksers, roovers en veedieven,
-onder plunderen en moorden te leven&#x2014;waarachtig! eene eerlijke vrouw geniet meer rust
-in de hel dan op de grenzen van het Hoogland!&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende gaf zij mij haar brandende spaander over en keerde naar de gelagkamer
-terug.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e3434" href="#xd29e3434src">1</a></span> De Hooglanders noemen de zuidelijke Britten naar hunne voorouders, de Angelsaksen,
-nog steeds <i>Saksen</i>, <i>Saksenach</i>, en de Engelsche en Nederschotsche taal de <i>Saksische</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e3434src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXIX.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wat hoort ge in het Hoogland?
-</p>
-<p class="line">Den horen Mac-Gregor&#x2019;s, <span class="corr" id="xd29e3552" title="Bron: Mac-hane&#x2019;s">Mac-Lean&#x2019;s</span> krijgsgetier,
-</p>
-<p class="line">Een groven doedelzak, nooit tonen eener lier.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">John Cooper&#x2019;s</span> Bescheid aan <span class="sc">Allan Ramsay</span>.</p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1839"><span class="xd29e1839init">I</span>k bleef eenige oogenblikken stilstaan voor den stal. Die naam was te fraai voor een
-ruimte, waar zich paarden met geiten, pluimgedierte, varkens en koeien onder één dak
-met het woonhuis bevonden, toch was het een zekere mate van beschaving, waarmede de
-overige dorpelingen nog niet bekend waren, doch dien men, zoo als ik naderhand hoorde,
-aan den overdreven trots van onze waardin Jeany Mac-Alpine toeschreef, die haar bewogen
-had dezen stal een anderen <span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243">243</a>]</span>ingang te geven dan die, welke voor hare tweebeenige klanten bestemd was. Bij het
-licht van mijn fakkel las ik met moeite den brief, die op een vochtig, verfrommeld
-en morsig blad papier geschreven en van den volgenden inhoud was:
-</p>
-<blockquote>
-<p class="first salute"><i>Mijnheer!</i>
-</p>
-<p>»<i>Er zweven nachtuilen buiten. Daarom kan ik u en mijn waarden neef</i> N.&nbsp;J. <i>heden niet, zoo als mijn voornemen was, in de herberg van</i> Aberfoil spreken. <i>Wacht u vooral, om u noodeloos met de lieden, welke gij daar vinden zult, op eenige
-wijze in te laten; want daaruit zouden in het vervolg vele onaangenaamheden kunnen
-ontstaan. De persoon die u dezen ter hand stelt, is mij toegedaan, en gij kunt u veilig
-aan haar vertrouwen. Zij zal u naar eene plaats brengen, waar ik u, als het God behaagt,
-veilig zien kan, zoo gij en mijn neef mijne schamele woning wilt bezoeken, waarin
-ik, mijne vijanden ten spijt, mijne vrienden als een echt Hooglander onthalen kan.
-Daar zullen wij dan plechtig op de gezondheid van zekere</i> D.&nbsp;V. <i>drinken en over de zaak spreken, waarin ik u waarschijnlijk van dienst zal kunnen
-zijn. In afwachting blijf ik, zoo als het onder fatsoenlijke lieden heet</i>:
-</p>
-<p class="signed"><i>Uw dienstvaardige</i>
-<br>R.&nbsp;M. C.&#x201d;</p>
-</blockquote><p>
-</p>
-<p>De inhoud van dezen brief maakte mij knorrig. Het kwam mij voor, dat die Campbell
-den dienst, welke ik van hem verwacht had, min of meer op de lange baan wilde schuiven.
-Toch deed het mij goed, te vernemen, dat hij zich aan mij voortdurend liet gelegen
-zijn, daar ik toch zonder hem volstrekt geen hoop kon koesteren, mijns vaders papieren
-weder machtig te worden. Ik besloot dus zijne wenken te volgen en ten opzichte van
-de overige gasten alle mogelijke omzichtigheid en terughouding in acht nemende, van
-de eerste gunstige gelegenheid gebruik te maken, om van de waardin te hooren waar
-ik den geheimzinnigen man kon aantreffen.
-</p>
-<p>Nu was mijne eerste bezigheid, den vermisten Andries op te zoeken. Ik riep hem herhaalde
-malen bij zijn naam, zonder eenig antwoord te ontvangen. Ik ging toen den stal in,
-waar een menigte nat stroo en modder mij voor het gevaar waarborgde, van hier soms
-met mijne spaanfakkel onwillekeurig brand te stichten. Eindelijk volgde op mijn geroep
-een klagend: »<span class="ex">hier</span>!&#x201d; en wel op een even akeligen toon, alsof het uit den mond van een spook kwam. Op
-dit geluid afgaande, kwam ik in een hoek van de schuur, waar ik den dapperen Andries
-achter eene groote kuip vond, die de vederen van misschien al het gevogelte bevatte,
-dat sedert eene maand aan het algemeen welzijn was geofferd. Deels door geweld, deels
-door bevelen en vermaningen, deed ik hem uit zijn schuilhoek te voorschijn komen,
-en zijne eerste woorden waren: »Waarde heer, ik ben een eerlijke kerel!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244">244</a>]</span></p>
-<p>»Wie drommel vraagt thans naar uwe eerlijkheid!&#x201d; hernam ik. »Denk liever aan uw plicht
-en kom ons aan tafel bedienen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja,&#x201d; antwoordde Andries, zonder, naar ik geloof, mijne woorden goed verstaan
-te hebben. »Ik ben een eerlijke kerel, wat mijnheer Jarvie daartegen in te brengen
-heeft. Het is waar, mijne ziel hangt zeer aan het wereldsche, maar lieve hemel! dat
-heb ik immers met zoo vele, veel verstandiger lieden gemeen. Maar ik ben een eerlijke
-kerel, en al heb ik u ook eens gezegd, dat ik u verlaten wilde, was het slechts mijne
-tong die dat zeide, en waarlijk niet mijn hart. Ach, het was zoo bij wijze van spreken,
-zoo als men wel meer doet, wanneer men op een voordeeligen handel bedacht is. Neen,
-u, mijn braven jongenheer, u, dien ik zoo innig liefheb, zal ik niet verlaten, neen
-nooit!&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar voor den duivel wat wilt gij toch?&#x201d; vroeg ik half boos. »Die zaak is reeds vereffend.
-Wat praat gij toch elk oogenblik van dat wegloopen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja, tot nu toe was het ook maar een praatje,&#x201d; antwoordde Andries; »maar thans
-zou het wel ernstige ernst kunnen worden. Ik moge er bij verliezen of winnen, dat
-is mij onverschillig; maar verder ga ik niet met u. En wilt gij naar mijn eenvoudigen,
-welgemeenden raad luisteren, dan breekt gij liever uw woord, dan dat gij verder gaat.
-Ik houd machtig veel van u, en er is, dunkt mij, volstrekt geen twijfel aan, of gij
-zult een man van hooge eer worden, als ge de wilde haren maar eerst kwijt zijt en
-wat bedaarder en verstandiger geworden zijt. Maar zoo als ik zeg, verder ga ik niet
-met u, al moest gij ook zonder leidsman en raadgever onder weg verzinken, of op eene
-andere wijs omkomen. Wie zich in het land waagt waar Robbert Roodhaar heer en meester
-is, die spot met onzen lieven Heer, en berokkent zich niets dan kwaad.&#x201d;
-</p>
-<p>»Robbert Roodhaar?&#x201d; vroeg ik verwonderd; <span class="corr" id="xd29e3600" title="Niet in bron">»</span>dien ken ik niet. Wat zijn dat weer voor grappen, Andries?&#x201d;
-</p>
-<p>»Kijk nu eens, het is toch hard,&#x201d; antwoordde Andries, »dat men een mensch niet gelooven
-wil, wanneer hij de zuivere waarheid spreekt, omdat hij zich soms met een enkel logentje
-behelpt, als hij zich niet anders weet te redden. Gij behoeft niet te vragen, wie
-Robbert Roodhaar is&#x2014;die aartsroover&#x2014;die.&#x2026; God vergeve mij de zonde! Ik hoop toch,
-dat niemand ons hooren kan. Gij hebt immers zelf een brief van hem op zak. Ik hoorde,
-dat een van zijne bende de oude waardin verzocht, u dien ter hand te stellen. Zij
-dachten, dat ik hunne gauwdieventaal niet verstond. Maar ofschoon ik die taal wel
-niet spreken kan, is het niet heelemaal Spaansch voor me, en ik weet er, als ze gesproken
-wordt, nog al het een en ander van op te vangen en aaneen te knoopen. Eigenlijk had
-ik u dit niet moeten zeggen, maar als men in angst is, ontvalt ons wel eens iets,
-dat, op de keper beschouwd, veel beter verzwegen ware. Ach, beste mijnheer Frans,
-al de dwaasheden van uw oom en al de dolle streken van uwe neven zijn hier volstrekt
-niets bij. Drink een vollen beker als ridder Hildebrand; begin uw ochtend met brood
-en brandewijn, als jonker Percival; bluf, als jonker Thorncliff; <span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245">245</a>]</span>loop de meisjes na, als jonker John; ga weddingschappen aan, als jonker Richard; kaap
-den paus en den duivel zieltjes weg, als jonker Rashleigh. Maak alarm, raas, tier,
-ontheilig den Sabbath of gehoorzaam den paus, zooals zij allen onder elkander doen.&#x2014;Maar
-bij den barmhartigen hemel! spaar uw jeugdig leven en kom Robbert Roodhaar niet te
-na!&#x201d;
-</p>
-<p>De angst van den goeden Andries was te ongeveinsd, dan dat ik eenig wantrouwen daarin
-zou hebben mogen stellen. Ik liet het echter daarbij blijven, dat ik hem zeide, voornemens
-te zijn dien nacht in de herberg door te brengen, en ik gelastte hem tevens, voor
-onze paarden te zorgen. Voor het overige beval ik hem ten ernstigste, omtrent de oorzaak
-van zijne vrees het diepste stilzwijgen in acht te nemen. Ik verzekerde hem ook, dat
-hij er zich op kon verlaten, dat ik mij niet noodeloos aan gevaar zou blootstellen.
-Hij volgde mij met een bedrukt gelaat en mompelde bij zich zelven: »Redelijke menschen
-behooren toch eerder verzorgd te worden, dan het redelooze vee. Den ganschen dag heb
-ik niets te eten gekregen, dan een paar afgekloven vleugels van een taai korhoen.&#x201d;
-</p>
-<p>De goede verstandhouding tusschen de gasten in de herberg scheen, sedert ik hen verlaten
-had, min of meer gestoord te zijn. Althans Galbraith en mijn vriend Jarvie waren in
-eene vrij luidruchtige woordenwisseling met elkander gewikkeld.
-</p>
-<p>»Zulke taal over den hertog van Argyle en den naam Campbell duld ik volstrekt niet!&#x201d;
-zeide Jarvie, toen ik binnentrad. »Hij is een braaf edelman, die het wel met ons land
-meent; ook is hij een man van aanzien en gewicht, en beschermt Glasgow&#x2019;s handel op
-alle mogelijke wijzen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik zeg immers niets ten nadeele van Mac-Callumore noch van den Sliochnan Diarmid!&#x201d;
-antwoordde de kleine Hooglander glimlachende. »Ik woon te dicht bij Glencroe om met
-den heer van het land, tot Inverrary toe, twist te zoeken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ons meer zag nooit de galei<a class="noteref" id="xd29e3613src" href="#xd29e3613">1</a> der Campbell&#x2019;s,&#x201d; zei de lange Hooglander. »Ik spreek ronduit en vrees niemand. Een
-Cawmil<a class="noteref" id="xd29e3616src" href="#xd29e3616">2</a> acht ik volstrekt niet hooger dan een ander mensch, en gij moogt het Mac-Callumore
-vrij verhalen, dat Allan-Iverech dat gezegd heeft. Men heeft ver te schreeuwen van
-hier tot Lochow<a class="noteref" id="xd29e3619src" href="#xd29e3619">3</a>.&#x201d;
-</p>
-<p>Galbraith, bij wien de brandewijn, dien hij in ruime teugen gebruikt had, begon te
-werken, sloeg driftig en heftig met zijne hand op de tafel en riep met schorre stem:
-»dat geslacht heeft eene bloedschuld op zich geladen en zal die vroeg of laat moeten
-betalen. De beenderen van een dappere Grahame rammelen sedert lang in de kist en eischen
-wraak op de hertogen van Argyle en de heeren van Lorn. Nooit werd <span class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246">246</a>]</span>er in Schotland verraad gesmeed, of een der Campbell&#x2019;s speelde daarin eene hoofdrol,
-en nu het onrecht den boventoon heeft, zijn het alweder de Campbell&#x2019;s die de stem
-van het recht weten te smoren. Maar die vervloekte onzin zal niet lang meer duren;
-het wordt tijd, dat men den bijl scherpt en hier en daar eenige van de belhamels een
-kop kleiner maakt. Ik hoop het ten minste nog te beleven, dat de oude roestige bijl
-eens weder aan het maaien komt en een bloedigen oogst maakt!&#x201d;
-</p>
-<p>»Schaam u, Galbraith!&#x201d; riep Jarvie; »foei, schaam u, zoo iets te zeggen in de tegenwoordigheid
-van een overheidspersoon, en u zelven in ongelegenheid te brengen! Hoe zult gij de
-uwen kunnen onderhouden en uwe schuldeischers voldoen&#x2014;mij en anderen&#x2014;als gij steeds
-op dezen onbesuisden toon voortgaat? Gij zult de straf der wet op den hals halen op
-u en op allen, die met u in betrekking staan!&#x201d;
-</p>
-<p>»De Satan hale mijne schuldeischers en u er bij, als ge er toe behoort!&#x201d; hernam Galbraith.
-»Ja, zeg ik u nog eens: de poppen gaan spoedig aan het dansen; het zal dan anders
-in de wereld toegaan. Dan zal geen Campbell den neus zoo trotsch in den wind steken,
-noch zijne honden op menschen aanhitsen, met wie hij zich zelf niet durft meten, noch
-dieven en moordenaars beschermen, noch brave lieden uitplunderen en van hun wettig
-eigendom berooven.&#x201d;
-</p>
-<p>Jarvie zou misschien dezen woordentwist voortgezet hebben. Maar de welriekende geuren
-van het door de waardin opgedischte wildbraad werd zulk een veelvermogenden bemiddelaar,
-dat hij zich tegenover den uitlokkenden schotel plaatste, en den anderen gasten het
-veld ruimde.
-</p>
-<p>»Ja, dat is maar zoo en niet anders!&#x201d; zei de lange Hooglander, die Steedart heette:
-»men zou ons zoo onmanierlijk niet plagen en ons hier niet bijeen doen komen om Robbert
-Roodhaar te vangen, als de Cawmil&#x2019;s hem geene bescherming verleenden. Wij waren eens
-met ons dertigen en joegen het volkje van den stam Mac-Gregor als hazen voor ons uit,
-tot wij in den omtrek van Glenfollich kwamen. Daar stonden de Cawmil&#x2019;s op en beletten
-ons om hen verder te vervolgen: vergeefs was toen al onze aangewende moeite! Doch
-ik zou er, ik weet niet wat om geven, als ik dien Robbert weder zoo dicht op de hielen
-kon komen, als op dien bewusten dag!&#x201d;
-</p>
-<p>Ongelukkig vond mijn vriend Jarvie in elke uitdrukking van den Hooglander iets dat
-hem mishaagde.
-</p>
-<p>»Neem het mij niet kwalijk,&#x201d; zeide hij, »dat ik spreek zoo als ik denk, mijn beste
-Heer: maar gij zoudt er zeker, wie weet wat om gegeven hebben, als gij dan zoo ver
-van Robbert verwijderd kondet zijn, als thans. Mijn gloeiend ploegijzer zou, in vergelijking
-met zijn zwaard, niets geweest zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik raad u, welmeenend, geen woord meer van uw vervloekt ploegijzer te reppen! Gij
-zult en moet daarover zwijgen, dat eisch ik of ik zal mij, om u daartoe te noodzaken,
-van een middeltje bedienen, dat nog nooit gefaald heeft!&#x201d;&#x2014;Dit zeggende, greep hij
-met een dreigenden blik naar zijn dolk.
-</p>
-<p>»Halt! Geene vechtpartij meer, Allan!&#x201d; riep de kleine Hooglander. »Is <span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247">247</a>]</span>die mijnheer uit Glasgow zulk een boezemvriend van Robbert, welnu, dan kan hij hem
-misschien nog heden nacht in boeien en morgen aan de galg zien. Lang genoeg heeft
-hij het land geplaagd, en nu delft zijn stam eindelijk het onderspit: dat behoort
-zoo.&#x2014;Maar het wordt tijd: wij moeten ons naar onze lieden begeven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Toch niet, <span class="corr" id="xd29e3640" title="Bron: Inverashallogh">Inverashalloch</span>!&#x201d; riep Galbraith. »Zouden wij nu voor eene enkele flesch opdraaien! Gekheid! Toon
-u een man!&#x201d;
-</p>
-<p>»Alles goed en wel. Gij weet, dat ik mijne flesch sta en, als het er op aan komt,
-geen kniesoor ben. Maar de duivel hale elken droppel, dien ik te veel drink, als ik
-&#x2019;s morgens iets van belang te doen heb. En naar mijne domme meening zoudt gij, Galbraith,
-veel beter doen, als gij uwe ruiters vóór het aanbreken van den dag hierheen bracht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarvoor die haast?&#x201d; antwoordde Galbraith. »Met eten en drinken moet men lichaam
-en ziel bij elkander houden: met vasten komen wij er waarachtig niet! En had ik iets
-te zeggen gehad, dan zou ik u zeker niet met uw volk te hulp geroepen hebben. Het
-garnizoen en onze ruiters zouden best alleen in staat zijn geweest, om Robbert te
-knippen. Hier is de hand, die hem in het gras zal doen bijten en die geen hulp van
-een uwer Hooglanders behoeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, dan hadt gij ons maar moeten laten blijven, waar wij waren!&#x201d; hernam Inverashalloch.
-»Ik ga waarlijk geen twintig uren ver, als men mij niet oproept. Wil ik u eens zeggen,
-hoe ik over u denk. Gij zijt een groote babbelaar, en als gij wat minder in den mond
-en wat meer in het hoofd hadt, zou het met uwe onderneming veel beter gelukken. Wie
-nog een steun heeft, kan zich lang staande houden, en zoo is het geval met onzen man.
-Wil men een vogel vangen, dan moet men niet met de muts naar hem smijten. En die lieden
-daar ginder hebben ook het een en ander gehoord, wat zij niet zouden gehoord hebben,
-als gij den brandewijn niet zoo druk aangesproken hadt, majoor Galbraith. Nu, nu!
-gij behoeft uw hoed niet zoo uitdagend op het ééne oor te zetten, en den menschenvreter
-uit te hangen. Ik ken u immers, vriendje: gij zijt zoo gevaarlijk niet!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb het reeds gezegd,&#x201d; hernam de beschonken Galbraith met belachelijke deftigheid;
-»ik twist heden nacht met niemand, hij moge laken of tartan dragen. Maar buiten den
-dienst twist ik met u en met ieder uit het Hoogland en uit de Laaglanden. Zoo lang
-ik mij in dienst bevind, gebeurt dit echter niet!&#x2014;Neen, zeg ik u, neen! Ik wenschte
-wel, dat de roodrokken er reeds waren. Was er iets tegen koning Jakobus te ondernemen,
-dan zouden zij wel bij de hand zijn; maar om de rust in het land te bewaren, zijn
-zij even traag als hunne buren.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl hij dit zeide, hoorden wij de regelmatige stappen van eene bende voetvolk,
-en kort daarop trad een officier met eenige soldaten de kamer binnen. Zijn Engelsch
-luidde als aangename muziek in mijne ooren, die reeds zoo lang niets dan het Schotsche
-dialekt gehoord hadden.
-</p>
-<p>»Waarschijnlijk zijt gij de majoor Galbraith van de ruiterij uit <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248">248</a>]</span>Lennox,&#x201d;&#x2014;vroeg hij&#x2014;»en deze heeren zullen, denkelijk, de Hooglanders zijn, die ik
-hier zou vinden?&#x201d;
-</p>
-<p>De gasten beantwoordden deze vragen toestemmend en noodigden den officier eenige ververschingen
-te gebruiken. Hij weigerde echter, en ging voort: »Ik ben wat te lang opgehouden,
-mijne heeren, en wensch nu den verloren tijd weder in te halen. Onder anderen luiden
-mijne bevelen om twee personen te arresteeren, die van verraderlijke aanslagen beschuldigd
-worden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, wat dat betreft, daarmede hebben wij niets te maken, en kunnen er ons dus ook
-niet mede bemoeien,&#x201d; zeide Inverashalloch. »Ik ben met mijne lieden herwaarts gekomen,
-om tegen den roover Mac-Gregor, die mijn neef in den zevenden graad vermoord heeft,
-te vechten. Maar mij raakt het volstrekt niet, wat brave lieden, die voor hunne zaken
-reizen, doen of laten willen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, dat raakt mij ook niet!&#x201d; zeide Iverach, de andere Hooglander.
-</p>
-<p>Galbraith nam de zaak ernstiger op en begon dadelijk: »Ten nadeele van koning George
-wil ik geen enkel woord zeggen, kapitein, want het kan zeer wel wezen dat ik van hem
-mijne aanstelling heb. Maar wanneer de eene aanstelling goed is, is de andere daarom
-niet slecht, en voor sommige lieden klinkt de naam Jakobus even goed als de naam George.
-De een is koning, de ander behoorde het te zijn. Naar mijn oordeel kan een eerlijk
-man het goed met beiden meenen. Ik verklaar mij voor de bestaande machten, zoo als
-het een officier betaamt. Maar om verder van verraad en dergelijke dingen te spreken,
-dat is slechts tijd verspillen!&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p248width"><img src="images/p248.png" alt="" width="497" height="231"></div><p>
-</p>
-<p>»Met leedwezen bespeur ik, hoe gij uw tijd hier hebt doorgebracht!&#x201d; zei de Engelsche
-officier, die begreep hoe sterk Galbraith&#x2019;s argumenten den genoten brandewijn verrieden.
-»Ik wenschte wel, dat zoo iets bij zulk eene gewichtige gelegenheid niet gebeurd ware!
-Ik raad u welmeenend, uw roes een uurtje uit te slapen. Behooren deze heeren tot uw
-gezelschap?&#x201d; vervolgde hij, op Jarvie en mij wijzende, die beiden nog met ons avondmaal
-bezig waren en weinig op den officier gelet hadden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249">249</a>]</span></p>
-<p>»Reizigers,&#x201d; zeide Galbraith, »eerzame reizigers te water en te land, zoo als in het
-kerkboek staat.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb bevel,&#x201d; hernam de kapitein, terwijl hij ons bijlichtte, »een bejaard en een
-jong man te arresteeren en het signalement komt met deze beide heeren vrij goed overeen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bedenk wel wat gij zegt, mijnheer!&#x201d; zeide Jarvie: »noch uw roode rok, noch uw <span class="corr" id="xd29e3667" title="Bron: gegalonneerde">gegaloneerde</span> hoed kan u beschermen, zoo gij mij zelfs de geringste beleediging aandoet. Ik ben
-een gezeten burger, en bovendien een overheidspersoon uit Glasgow. Nikolaas Jarvie
-is mijn naam, en zoo heette ook mijn vader zaliger. Ik ben lid van den stedelijken
-raad&#x2014;een groote eer voor mij&#x2014;en mijn vader was wijkmeester.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hij was een oude schoelje!&#x201d; viel Galbraith hem in de rede; »en vocht bij de Bothwell-brug
-tegen zijn wettigen koning.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat hij kocht betaalde hij eerlijk, mijnheer Galbraith!&#x201d; zeide Jarvie; »en hij was
-een veel braver man dan op uwe been en staat.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb geen tijd om mij hiermede verder in te laten,&#x201d; hernam de officier. »Kunt gij,
-heeren, geene genoegzame bewijzen geven, dat gij getrouwe onderdanen zijt, dan moet
-ik u in hechtenis nemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik verlang voor den burgerlijken rechter gebracht te worden,&#x201d; hernam Jarvie; »want
-ik ben niet verplicht, iederen roodrok te antwoorden, die mij met zijne onbescheidene
-vragen lastig valt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, mijnheer! wilt gij mij niet antwoorden, dan zal ik wel weten wat ik met u te
-doen heb. En gij,&#x201d; aldus sprak officier mijn aan; »uw naam!&#x201d;
-</p>
-<p>Toen ik mijn naam genoemd had, vervolgde hij: »hoe, een zoon van Hildebrand Osbaldistone
-in Northumberland?&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen,&#x201d; viel Jarvie hem in de rede, »een zoon van den beroemden Willem Osbaldistone,
-van het vermaarde kantoor Osbaldistone en Tresham in Londen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik vrees, dat uw naam de verdenking tegen u slechts vermeerderen moet,&#x201d; hernam de
-officier. »Ik moet u verzoeken, mij al de papieren, welke gij bij u hebt, ter hand
-te stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen hij dit verzocht, bemerkte ik dat de Hooglanders elkander angstig aanzagen.
-</p>
-<p>»Ik heb u niets ter hand te stellen!&#x201d; was mijn antwoord.
-</p>
-<p>De officier beval mij te ontwapenen en te onderzoeken. Tegenstand zou razernij zijn
-geweest. Ik gaf mijne wapens over, en onderwierp mij aan dat onderzoek, dat met alle
-mogelijke kiesheid geschiedde. Men vond echter niets dan den brief, dien ik van de
-waardin had ontvangen.
-</p>
-<p>»Ik had iets anders verwacht,&#x201d; zei de officier, »maar ook dit is voor mij reden genoeg
-om u gevangen te houden. Ik vind u in briefwisseling met den gebannen en voor vogelvrij
-verklaarden roover Robbert Mac-Gregor Campbell, die zoo lang eene plaag van deze streken
-is geweest. Wat moet ik daarvan denken?&#x201d;
-</p>
-<p>»Spionnen van Robbert!&#x201d; riep <span class="corr" id="xd29e3685" title="Bron: Invershallogh">Inverashalloch</span>; »kort en goed recht over hen! Men hange hen op aan den eersten den besten boom!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250">250</a>]</span></p>
-<p>»Wij zijn van huis gegaan om eenige goederen terug te halen, die ons behooren, en
-toevallig in zijne handen zijn geraakt,&#x201d; zeide Jarvie. »Mij dunkt toch, dat er geen
-wet bestaat, die ons verbiedt voor het behoud van ons eigendom te zorgen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe zijt gij aan dezen brief gekomen?&#x201d; vroeg mij de officier.
-</p>
-<p>Ik wilde de waardin niet verraden en zweeg.&#x2014;»Weet gij er niets van?&#x201d; vroeg de officier
-thans aan Andries, die, zoodra hij het vonnis had gehoord, dat de Hooglander over
-ons velde, van schrik <span class="corr" id="xd29e3694" title="Bron: klappertande">klappertandde</span>.&#x2014;»O ja, ja, ik weet er alles van&#x2014;het was&#x2014;het was een slungel uit het Hoogland&#x2014;die
-gaf den brief aan de vrouw van dezen huize. Mijnheer wist er echter niets van, daarop
-wil ik des noods een eed doen! Maar hij wil zich naar het gebergte begeven en met
-Robbert spreken. Ach, mijnheer! verricht hier eens een werk van barmhartigheid en
-laat een paar van uwe roodrokken hem veilig naar Glasgow terugbrengen: hij moge willen
-of niet. De heer Jarvie kunt gij bij u houden, zoo lang gij verkiest: die man is goed
-voor iedere geldboete, welke gij hem zoudt willen opleggen. Mijnheer is het trouwens
-ook, wat dat betreft&#x2014;en ik&#x2014;ik ben een arm tuinier en niet waardig dat gij u een enkel
-oogenblik om mij bekommert.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het zal wel &#x2019;t best zijn deze lieden onder bedekking naar het fort te zenden,&#x201d; zei
-de officier. <span class="corr" id="xd29e3699" title="Niet in bron">»</span>Zij schijnen met den vijand in verstandhouding te zijn, en ik durf het niet op mij
-nemen, hen in vrijheid te laten.&#x2014;Gij zijt mijne gevangenen. Met het aanbreken van
-den dag wordt gij van hier vervoerd. Zijt gij inderdaad degenen welke gij zegt te
-zijn, dan zal dat spoedig blijken, en een paar dagen oponthoud zal u juist zooveel
-schade niet veroorzaken. Verschoon mij van alle tegenbedenkingen,&#x201d; vervolgde hij,
-zich van Jarvie afwendende, die hem wilde aanspreken: »de dienst duldt niet dat ik
-mij met een nutteloos onderzoek inlate.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer wel, zeer wel!&#x201d; hernam Jarvie. »Wij zullen dan eens naar uwe pijpen dansen.
-Maar pas op. Ik zal, als mijne beurt komt, u een nog moeielijker dansje voorspelen
-en dan zult gij dansen dat gij omvalt.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu had er eene ernstige beraadslaging tusschen den officier en de Hooglanders plaats,
-maar zoo zacht en geheimzinnig, dat men er volstrekt niets van kon verstaan.&#x2014;Eindelijk
-gingen zij allen naar buiten.&#x2014;»Deze Hooglanders,&#x201d; zeide Jarvie tot mij, »zijn van
-de westelijke stammen. Zij hebben, zooals men zegt, even lange vingers als hunne naburen.
-Maar gij ziet, dat zij herwaarts zijn gekomen om den ongelukkigen Robbert te vervolgen,
-omdat zij een ouden haat tegen hem en zijn stam voeden, en nu komen zij uit alle oorden
-gewapend opdagen. Men weet eigenlijk wel waarom zij vechten, en ik kan het hun niet
-kwalijk nemen; want wie wil gaarne zijn vee verliezen. En dan zijn er ook nog soldaten
-uit de vesting bij! Ja, de arme Robbert zal morgen de handen vol hebben, dat voorzie
-ik! Het is waar, een overheidspersoon, een lid van den stedelijken raad van Glasgow
-mag niets wenschen, wat tegen den gang der gerechtigheid indruischt. Maar toch <span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251">251</a>]</span>zeg ik u, dat ik mij de haren niet uit het hoofd rukken zou, als ik hoorde, dat Robbert
-zijne vijanden eens aardig om den tuin had geleid.&#x201d;
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e3613" href="#xd29e3613src">1</a></span> Het wapen van den hertog van Argyle en anderen van den clan Campbell.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e3613src">&#x2191;</a></p>
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e3616" href="#xd29e3616src">2</a></span> De Hooglandsche naam voor Campbell.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e3616src">&#x2191;</a></p>
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e3619" href="#xd29e3619src">3</a></span> Lochow en de omstreken waren het oorspronkelijke verblijf van den stam Campbell. Deze
-uitdrukking was een spreekwoord.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e3619src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXX.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Hoor mij! Kapitein, zie, bid ik, mij aan,
-</p>
-<p class="line">Zie mij in &#x2019;t gelaat, het gelaat eener vrouwe,
-</p>
-<p class="line">Zie of iets anders dan vrees of dan schrik,
-</p>
-<p class="line">En bleekheid en angst zich vertoont in mijn blik,
-</p>
-<p class="line">Ik smeek u genade in rouwe.&#x2026;
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Bonduca.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1642"><span class="xd29e1642init">D</span>e overige uren van den nacht liet men ons slapen, zoo goed als dit bij den armzaligen
-toestand der herberg mogelijk was. Jarvie was door de vermoeienissen van de reis en
-de daarop gevolgde gebeurtenissen zeer afgemat. Onze gevangenneming, die trouwens
-voor hem slechts eene voorbijgaande onaangenaamheid kon zijn, deerde hem niet veel.
-Hij was misschien ook minder verwend dan ik, minder aan zindelijkheid gewoon, en ging
-dus in eene der langs den wand zich bevindende kribben liggen en begon spoedig geducht
-te snurken, terwijl ik, met het hoofd op de tafel liggende, slechts weinige oogenblikken
-een zeer onrustigen slaap genoot. Gedurende den nacht had ik gelegenheid den twijfel
-en besluiteloosheid der soldaten op te merken, door de maatregelen welke zij namen.
-Er werden enkele soldaten uitgezonden, alsof zij op verkenning gingen. Doch telkens
-kwamen zij terug, zonder, naar het scheen, hun officier geruststellende berichten
-te brengen. Duidelijk was het zichtbaar, dat de aanvoerder in angstige verwachting
-verkeerde. Van tijd tot tijd zond hij twee of drie man uit, van wie sommigen, zoo
-als ik uit het gefluister der overigen vernam, in het geheel niet terugkwamen.
-</p>
-<p>Toen de dag aanbrak, kwamen een korporaal en twee soldaten juichende binnen met een
-gevangen Hooglander, in wien ik op het eerste gezicht den ontvluchten cipiersknecht
-uit Glasgow, Dugald, herkende. Jarvie, die door dit gejuich ontwaakt was, begreep
-dit ook al spoedig en riep uit: »de Hemel ontferme zich! daar hebben zij den armen
-Dugald gekregen! Kapitein, ik blijf borg voor hem, ik blijf borg voor dezen Dugald!&#x201d;
-</p>
-<p>Op die betuiging, welke de dankbare herinnering aan de laatste dienstbetooning van
-den Hooglander hem ingaf, antwoordde de kapitein, »dat <span class="pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252">252</a>]</span>Jarvie liever aan zijne eigene belangen moest denken, en niet moest vergeten, dat
-hij zelf een gevangene was.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijnheer Osbaldistone, ik roep u op als getuige,&#x201d; zeide Jarvie, die zeer waarschijnlijk
-de burgerlijke rechtspleging beter kende dan de krijgswetten: »gij kunt verklaren,
-dat deze officier een goeden borgtocht geweigerd heeft. Dugald kan eene aanklacht
-tegen hem inleveren wegens onwettige gevangenneming, en dan nog een eisch tot schadevergoeding
-doen. Ik zal den braven man voor het gerecht bijstaan.&#x201d;
-</p>
-<p>De officier, dien ik Thornton hoorde noemen, sloeg geen acht op Jarvie&#x2019;s bedreigingen.
-Hij begon Dugald streng te verhooren en bracht hem daardoor zoo zeer in het nauw,
-dat de gevangene ten laatste, ofschoon met zichtbaren tegenzin, langzamerhand bekende,
-dat hij wel wist wie Robbert Mac-Gregor was. Ja, dat hij hem nog geen jaar geleden&#x2014;nog
-geen half jaar&#x2014;nog geen maand&#x2014;nog geen week geleden&#x2014;had gezien&#x2014;en eindelijk, dat hij
-hem pas voor een uur verlaten had. Alle deze bekentenissen werden den gevangene als
-bloeddruppels door Thornton afgeperst, die telkens dreigde, hem aan den eersten den
-besten boom te zullen ophangen, als hij zich maar eene enkele logen veroorloofde.
-</p>
-<p>»En nu,&#x201d; vervolgde de kapitein, »moet gij mij ook zeggen, hoe veel man die Robbert
-thans bij zich heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>Dugald keek angstig rond zonder den vrager aan te zien, en zeide met eene flauwe stem:
-»dat weet ik niet juist.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zie mij aan,&#x201d; hernam Thornton, »en bedenk, gij Hooglandsche hond, dat uw leven van
-uw antwoord afhangt. Hoe vele schelmen had de vogelvrij verklaarde schurk bij zich,
-toen gij hem verliet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Niet meer dan zes schelmen,&#x201d; antwoordde Dugald.
-</p>
-<p>»En waar waren de overige roovers?&#x201d;
-</p>
-<p>»Met den luitenant tegen de kerels in het Westland opgetrokken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Tegen de westelijke clans? Hm! zeer waarschijnlijk. En op welke schurkachtige expeditie
-waart gij uitgezonden?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik moest eens zien, wat gij, mijnheer, en de overige heeren roodrokken hier in het
-dorp uitvoerdet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Weet ge wel dat die kerel, op de keper beschouwd, een gemeene verrader is,&#x201d; fluisterde
-Jarvie, die dicht achter mij stond, mij toe. »Het is maar goed, dat men mij, toen
-ik borg voor hem wilde blijven, niet bij mijn woord heeft gehouden; hij is, waarachtig!
-geen knip voor den neus waard!&#x201d;
-</p>
-<p>»En nu, mijn goede vriend,&#x201d; hernam de kapitein, »zullen wij eens zien, wat wij met
-u te doen hebben. Gij hebt bekend, dat gij een spion zijt, en moest dus van rechtswege
-aan den eersten den besten boom opgeknoopt worden. Maar luister! wilt gij mij een
-dienst bewijzen, dan bewijs ik u wederkeerig een dienst. Breng mij en eenige van mijne
-manschappen naar de plaats, waar gij Robbert verlaten hebt; want ik moet hem over
-zeer gewichtige zaken spreken. Doet gij dit, dan stel ik u in vrijheid, en geef u
-nog vijf guinjes op den koop toe.&#x201d;
-</p>
-<p>»Neen, dat niet! Ach neen!&#x201d; riep Dugald in de uiterste vrees en verwarring; <span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253">253</a>]</span>»dat kan ik niet doen, dat kan ik, waarachtig, niet doen! Hang mij liever op!&#x201d;
-</p>
-<p>»Nu, dat kan terstond geschieden! Korporaal Cramp, vervul hier de taak van beul, laat
-dezen spion dadelijk aan den een of anderen boom opknoopen.&#x201d;
-</p>
-<p>De korporaal stond tegenover den armen Dugald en maakte met vrij wat vertoon en heel
-langzaam een strop gereed, dien hij den veroordeelde om den hals wierp en hem toen,
-met behulp van twee soldaten, naar de deur sleurde, waar Dugald, door doodsangst overmand,
-uitschreeuwde: »houdt op! mijne heeren, houdt op, laat mij los! Ik wil den kapitein
-den gevraagden dienst bewijzen! Laat mij los!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ellendige kerel!&#x201d; riep Jarvie. »Hij verdient thans de galg meer dan ooit. Weg met
-hem, korporaal! Waarom gaat gij niet?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik geloof, mijn beste heer,&#x201d; antwoordde de korporaal, »dat, zoo gij zelf moest opgehangen
-worden, gij zooveel haast niet zoudt maken.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit tusschengesprek belette mij, alles te hooren, wat er tusschen den kapitein en
-den gevangene verhandeld werd; maar ik verstond zeer duidelijk, dat deze den officier
-snikkende vroeg: »Maar gij zult toch niet begeeren, dat ik één voetstap verder ga,
-als ik u eens gewezen heb, waar Mac-Gregor zich bevindt?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn woord daarop,&#x201d; hernam de kapitein, »schei nu uit met uw gehuil! Korporaal, laat
-de manschappen voor het huis aantreden en de paarden van onze beide gevangenen voorbrengen.
-Wij moeten de heeren medenemen, want ik heb geen volk genoeg bij mij, om hen hier
-te laten bewaken. Allen dadelijk marsch-klaar!&#x201d;
-</p>
-<p>De soldaten spoedden zich naar buiten, en waren weldra marschvaardig. Wij werden met
-Dugald als gevangenen uitgeleid, en terwijl wij de herberg verlieten, hoorde ik, dat
-Dugald den kapitein aan de vijf guinjes herinnerde.
-</p>
-<p>»Daar zijn ze!&#x201d; zei de officier. »Maar waagt gij het mij te bedriegen, door mij op
-een verkeerden weg te brengen, dan jaag ik u zelf een kogel door den kop!&#x201d;
-</p>
-<p>»De kerel is nog sluwer en slechter dan ik gedacht had!&#x201d; zeide Jarvie. »Hij is een
-verrader, die alleen om geld geeft! Ja mijn vader zaliger, de wijkmeester had wel
-gelijk, als hij zeide&#x2014;en dat zeide hij dikwijls&#x2014;dat het geld meer zielen doodde, dan
-het zwaard lichamen.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu verscheen de waardin en vroeg om betaling van het gelag, daaronder begrepen al
-wat Galbraith en zijne vrienden, de Hooglanders, verteerd hadden. De kapitein maakte
-tegenwerpingen. Doch de waardin verklaarde, dat, zoo zij geen krediet had gegeven
-voor den naam van den edelen heer, op wien het gezelschap zich beriep, zij geen enkelen
-droppel brandewijn zou geschonken hebben; en dat, of zij den majoor Galbraith wederzag
-of niet, zij van hem toch nooit een penning zou krijgen.<a id="xd29e3754"></a>
-</p>
-<p>Kapitein Thornton gaf eindelijk toe en betaalde met eenige shillings het kleine gelag,
-dat slechts in Schotsche munt zoo geweldig hoog scheen te zijn. Edelmoedig wilde hij
-ook voor Jarvie en mij voldoen; <span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254">254</a>]</span>doch niettegenstaande de waardin ons toefluisterde, van die Engelschen maar zooveel
-te halen als wij krijgen konden, omdat zij ons toch genoeg kwelden en vilden, vroeg
-Jarvie eene afzonderlijke rekening van hetgeen wij verteerd hadden en betaalde die.
-Bij deze gelegenheid bood de kapitein ons zijne verontschuldigingen aan over onze
-gevangenneming. Hij herhaalde zijne verzekering, dat wij als getrouwe en vreedzame
-onderdanen, geen berouw over een kort oponthoud zouden hebben, wanneer dit voor &#x2019;s
-konings dienst noodzakelijk was. Had hij zich echter in deze veronderstelling omtrent
-ons vergist, dan vervulde hij slechts zijn plicht. Met deze verontschuldiging moesten
-wij ons tevreden stellen. En zoo moesten wij met hem op weg.
-</p>
-<p>Nooit vergeet ik de aangename gewaarwording, toen ik uit de sombere, berookte, morsige
-Hooglandsche kroeg, waar wij den nacht doorgebracht hadden, in de frissche morgenlucht
-kwam. De stralen der opgaande zon schoten uit zacht roode wolken met goud omzoomd,
-terwijl zij een landschap verlichtten, bekoorlijker dan mijn oog ooit vroeger gezien
-had. Links lag het dal, waarin de Forth in eene oostelijke richting neerstroomde,
-aan den voet van den zacht rijzenden heuvel, welks hellingen door bosschen bedekt
-werden. Reeds strekte zich, midden tusschen bosschaadje, heuvels en rotsen, het bed
-van een groot bergmeer uit, op welks oppervlakte de morgenwind lichte golfjes krulde,
-schitterend in de zonnestralen. Hooge heuvels en rotsachtige oevers, met berken- en
-eikenbosschen gekroond, omkransten deze bekoorlijke watervlakte. Het loof dat in den
-wind ruischte en in de zon schitterde, schonk aan de eenzaamheid leven en beweging.
-De eenigen, die te midden van dit landschap, waar de gansche natuur zoo grootsch,
-zoo verheven was, storend werkten, waren de menschen. De schamele hutten, wier aantal
-in het dorpje Aberfoil een dozijn zal bedragen hebben, bestonden uit losse, met klei
-aaneengevoegde steenen, en waren met zoden gedekt, die op balken van ruwe boomstammen
-rustten. De daken waren zoo laag bij den grond, dat Andries opmerkte, dat wij den
-vorigen nacht, zonder het te bespeuren, over het dorp heen zouden hebben kunnen rijden,
-tot de voeten onzer paarden door de daken gedrongen waren.
-</p>
-<p>Voor zoover wij zien konden, was de herberg, die wij pas verlaten hadden, het fraaiste
-gebouw van het gehucht. Als ge heden ten dage het dorp bezocht, zoudt ge het weinig
-veranderd vinden. Dit denk ik tenminste. Want de Schotten houden niet van nieuwigheden,
-ook al zijn het verbeteringen.
-</p>
-<p>Het gedruisch van onzen afmarsch wekte de bewoners der hutten uit hun slaap. Terwijl
-de soldaten, twintig in getal, zich vóór den aftocht in het gelid plaatsten, werden
-wij door verscheidene oude vrouwen door de half geopende deuren begluurd. Toen die
-grijze hoofden, met nauw sluitende flanellen nachtmutsen bedekt, vooruit staken, die
-rimpelige voorhoofden, die lange, magere armen met allerlei gebaren en schouderophalen
-zich vertoonden, en die oude wijven met elkander in de <span class="corr" id="xd29e3764" title="Bron: Gaelsche">Gaelische</span> taal mompelden, was het waarlijk als zag ik Macbeths heksen <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255">255</a>]</span>voor mij, terwijl hare gelaatstrekken de boosaardigheid der tooverkollen verried.
-De kleine kinderen, die nog nauwelijks gaan konden, kwamen insgelijks te voorschijn,
-deels geheel naakt, deels uiterst armoedig met eenige lompen bedekt. Zij klapten in
-de handjes en lieten den Engelsche soldaten de tanden zien, met eene uitdrukking van
-haat en kwaadaardigheid, die hun leeftijd ver te boven ging. Wat mij zeer verwonderde,
-was, dat ik geen volwassen man, zelfs geen knapen van tien tot twaalf jaren, onder
-de bewoners van het dorp zag. Toch scheen het, naar evenredigheid van zijne grootte,
-vrij bevolkt te zijn. Ik begon te vreezen, dat wij op onzen tocht nog veel duidelijker
-bewijzen van die vijandige gezindheid zouden ontvangen, die op het gelaat der vrouwen
-en kinderen te lezen en uit hun gemompel duidelijk te hooren was.
-</p>
-<p>Nauwelijks was er echter door den kapitein »marsch!&#x201d; gekommandeerd, of de wrevel der
-vrouwen barstte eerst recht uit. En toen het laatste gelid onzer manschap het dorp
-verlaten had, langs een smal spoor, gegraven door de sleden, waarmede de bewoners
-van deze streken zoden en turf vervoeren, verhief zich plotseling een luid gegil der
-vrouwen en een oorverdoovend geschreeuw en handgeklap der kinderen. Het akelig geschreeuw
-bleef langen tijd voortduren. Ik vroeg den doodsbleeken Andries wat dat geschreeuw
-beduidde.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p255width"><img src="images/p255.png" alt="" width="470" height="316"></div><p>
-</p>
-<p>»Wat dat zeggen wil,&#x201d; antwoordde hij, »zullen wij spoedig genoeg ondervinden. Het
-beteekent, dat de Hooglandsche vrouwen de roodrokken vervloeken en in het diepste
-der hel wenschen. Zoo verwenschen zij iedereen, die Saksisch spreekt. Vaak heb ik
-in Engeland en Schotland vrouwen hooren kijven&#x2014;en ik verzeker u op mijn woord, dat
-zij mondjes hadden als hooischuren!&#x2014;Maar zulke venijnige tongen als van <span class="ex">deze</span> wijven, zulke ijselijke vervloekingen als van <span class="ex">deze</span> heksen, bah! de haren rijzen iemand te berge! Zij wenschen, dat de roodrokken als
-schapen mogen geslacht en gevild worden; dat zij hare armen tot aan de ellebogen <span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256">256</a>]</span>in hun bloed mogen dompelen, en dat er van al, wat roodrok heet en Saksisch spreekt,
-niet zoo veel moge overblijven, als een hond voor zijn avondeten noodig heeft. Ik
-vertaal u maar een paar staaltjes.&#x2026; Het is waarachtig al te erg! het is ijselijk!
-Als zij bij den duivel waren school gegaan, zij zouden niet verschrikkelijker hebben
-kunnen leeren vloeken. Ook zij hebben ons toegeroepen, dat wij maar langs het meer
-moesten gaan, dan zouden wij eens zien, waar wij te recht komen.&#x201d;
-</p>
-<p>Het kwam mij voor, uit een en ander wel te mogen opmaken, dat men voornemens was een
-aanval op ons te wagen. De weg waarlangs wij trokken, scheen zulk eene onderneming
-bij uitstek te begunstigen. Het pad liep in het begin van het meer af, door moerassig
-en met struiken bewassen weiland, vervolgens door kreupelhout, waarin zich licht eene
-hinderlaag kon bevinden. Vaak moesten wij bergstroomen doorwaden, waarin de soldaten
-tot aan de knieën door het water gingen. Zoo hevig bruisten en kookten die stroomen,
-dat de soldaten de kracht van den stroom op geene andere wijs weerstand konden bieden,
-dan door elkander, twee of drie te zamen, vast onder den arm te houden. Hoe weinig
-ik ook van de krijgskunst wist, kwam het mij toch voor, dat half woeste krijgslieden,
-zoo als men de Hooglanders afschilderde, in zulke bergpassen eene vijandelijke bende
-met zeer veel voordeel zouden kunnen aantasten. Van die meening scheen Jarvie insgelijks
-te zijn. Althans vermoedde ik dit uit zijn verlangen om den kapitein te spreken. »Ik
-wensch mij niet bij u in te dringen, dat zou verachtelijk zijn. Ik betuig u nogmaals,
-dat ik mij mijne aanklacht wegens onwettige gevangenneming in allen geval voorbehoud.&#x2014;Maar
-vergun mij, als een vriend des konings en zijner soldaten, ééne vraag. Dunkt u niet,
-dat gij een veel geschikter tijd zoudt kunnen kiezen, om in dit dal op te trekken?
-Zoekt gij Robbert, laat mij u dan waarschuwen, dat zijne bende, naar men zegt, minstens
-vijftig man sterk is, als hij slechts zijn gewoon getal bij zich heeft. Heeft hij
-echter nog daarenboven versterking van zijne vrienden ontvangen uit Glencyle en Glenfinles
-met de menschen uit Balguidder, dan kan hij het u benauwd genoeg maken. Mag ik dus,
-als vriend des konings, u een goeden, welmeenenden raad geven, keer dan liever naar
-het dorp terug. De vrouwen in Aberfoil zijn als zeemeeuwen: »als zij schreeuwen, komt
-er storm.&#x201d;<span class="corr" id="xd29e3786" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Stoor u aan dit alles niet,&#x201d; antwoordde kapitein Thornton. »Trouwens, ik moet als
-krijgsman zonder eenige bedenking aan de mij gegeven orders gehoorzamen. Maar dewijl
-gij een vriend van koning George wilt zijn, zult gij zeker met genoegen hooren dat
-deze rooverbende, wier teugelloosheid het land sedert zoo langen tijd verontrust heeft,
-onmogelijk aan de maatregelen kan ontsnappen, die men thans tot hare verdelging heeft
-genomen. De landweer, onder bevel van den majoor <span class="corr" id="xd29e3790" title="Bron: Galbrait">Galbraith</span>, heeft zich reeds met twee andere ruiterbenden vereenigd, en zullen alle passen van
-deze woeste streek bezetten. Driehonderd Hooglanders, onder aanvoering van de beide
-heeren, die gij in de herberg hebt gezien, hebben zich thans op de heuvels geschaard,
-terwijl eenige sterke afdeelingen <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257">257</a>]</span>de dalen in verscheidene richtingen doorkruisen. De laatste tijdingen, welke wij omtrent
-Robbert ingewonnen hebben, stemmen met de verklaringen van dien knaap overeen, namelijk
-dat hij van alle kanten ingesloten, het grootste gedeelte van zijne bende weggezonden
-heeft, hetzij met het oogmerk om zich te verschuilen, of om van zijne plaatselijke
-kennis der bergpassen voor zijne ontvluchting partij te trekken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar ik weet dan wel,&#x201d; hernam Jarvie, »dat die majoor Galbraith vandaag meer brandewijndampen
-dan hersens in zijn hoofd heeft. In uwe plaats, kapitein, zou ik mij op die Hooglanders
-zoo vast niet verlaten. Gij kent immers het oude spreekwoord wel: »de eene kraai pikt
-de andere de oogen niet uit.&#x201d; Zij twisten vaak onder elkander, trekken zelfs tegen
-elkander het zwaard. Maar ten slotte, als zij zich tegenover een fatsoenlijk man bevinden,
-die geld op zak heeft, dan helpen ze elkaar weer.&#x201d;
-</p>
-<p>Thornton scheen deze waarschuwingen niet geheel en al in den wind te slaan. Hij maakte
-terstond eenige veranderingen in onzen optocht, door te bevelen, dat de soldaten hunne
-geweren in den arm nemen en de bajonetten opzetten zouden. Hij vormde ook eene voor-
-en achterhoede, ieder uit twee man en een onderofficier, die strenge bevelen ontvingen,
-om op alles een waakzaam oog te houden. Ook werd Dugald nogmaals scherp ondervraagd.
-Maar hij bleef standvastig bij zijne reeds afgelegde bekentenis. En toen men hem wegens,
-het verdachte en gevaarlijke van den weg, langs welken hij ons leidde, een verwijt
-deed, antwoordde hij met eene gemelijkheid, die inderdaad natuurlijk scheen te zijn,
-dat hij den weg niet had aangelegd, en dat, als de heeren gemakkelijker wegen verkozen,
-zij liever in Glasgow hadden moeten blijven.
-</p>
-<p>Na dit korte oponthoud begaf onze bende zich weder op marsch. De weg helde schuin
-naar het meer af, maar was tot hiertoe door zwaar geboomte zoo dicht belommerd, dat
-wij slechts van tijd tot tijd de uitgestrekte watervlakte bemerkten. Thans echter
-nam hij eene andere richting en liep zoo nabij den oever van het meer, dat wij den
-ganschen waterspiegel overzagen. Er was volstrekt geen wind. In stille pracht weerkaatsten
-zich in het fraaie watervlak de hooge donkere heuvels en grijze rotsen in het rond.
-Ook liepen de heuvels zoo dicht langs den oever neer en waren zoo steil, dat er bijna
-geen andere weg overbleef dan het smalle pad, langs hetwelk wij marcheerden. Rotsen
-hingen dreigend over ons. Door zware steenen op ons neder te laten rollen, zou men
-ons allen hebben kunnen doen omkomen, zonder dat wij in staat waren geweest, eenigen
-wederstand te bieden. Daarenboven konden wij, wegens de vele bochten van ons pad,
-nauwelijks meer dan honderd schreden vóór ons zien. Onze aanvoerder scheen over den
-hachelijken weg, dien men hem gewezen had, ongerust te worden. Hij verried dit onwillekeurig,
-door zijne soldaten telkens te bevelen, toch vooral op hunne hoede te zijn, en door
-Dugald te dreigen, dat, zoo hij hen in gevaar had gebracht, een oogenblikkelijke dood
-zijne straf <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258">258</a>]</span>zou wezen. Dugald hoorde echter deze bedreigingen aan met eene koele onverschilligheid,
-die òf uit bewustheid van onschuld of uit hardnekkigheid voortkwam.&#x2014;»Willen de heeren
-Robbert Roodhaar zoeken en vinden,&#x201d; zeide hij, »dan moeten zij voor een weinigje gevaar
-niet bang zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Nauwelijks had de Hooglander dit gezegd, of de onderofficier, die de voorhoede kommandeerde,
-maakte plotseling halt. Hij zond een van zijne manschappen naar den kapitein, om dien
-te berichten, dat zich Hooglanders vertoonden op een vooruitstekend, den ganschen
-weg bestrijkend punt. Op hetzelfde oogenblik berichtte een soldaat van de achterhoede,
-dat men in het bosch, dat wij zoo even doorgetrokken waren, het geluid van een Hooglandschen
-doedelzak had gehoord. Thornton, even krijgshaftig als dapper, besloot terstond den
-voor ons liggenden pas te bestormen, eer hij in den rug kon aangevallen worden. Zijne
-soldaten stelde hij door de verzekering gerust, dat het geluid der doedelzakken, dat
-zij gehoord hadden, de nabijheid der Hooglanders aankondigde, die hen ter hulpe kwamen.
-Hij bracht hun tevens onder het oog, van hoeveel belang het was, voorwaarts te trekken
-en zich van Robbert meester te maken, voordat de hulptroepen aankwamen. Want dan zouden
-zij alleen den roem oogsten en ook den prijs, die op het hoofd van den roover was
-gesteld. De achterhoede vereenigde hij met het hoofdkorps en beval beiden de voorhoede
-snel te volgen. De twee gelederen deed hij naast elkander marcheeren, om met zijne
-bende de gansche breedte van den begaanbaren weg te bezetten.&#x2014;<span class="corr" id="xd29e3803" title="Niet in bron">»</span>Hebt gij mij bedrogen, schurk, dan zult gij terstond sterven!&#x201d; zeide hij zacht tegen
-Dugald en gaf bevel, den verdachten gevangene in het midden tusschen twee grenadieren
-te plaatsen, die hem bij de eerste poging om te ontvluchten dadelijk moesten neerschieten.
-Jarvie en ik werden insgelijks, tot meerdere zekerheid, in het midden der bende genomen.
-Nu plaatste Thornton zich aan het hoofd van zijne dapperen en riep op vasten toon:
-»voorwaarts!&#x201d;
-</p>
-<p>Moedig rukten de soldaten vooruit. Maar de arme Andries was van angst schier half
-dood. En om u de waarheid te zeggen, waren Jarvie en ik weliswaar niet zoo vreesachtig
-en bang als hij, maar we konden toch niet met onverschilligheid het gevaar te gemoet
-gaan, om ons leven te verliezen in een strijd, die ons volstrekt niet aanging. Maar
-bedenkingen noch tegenstand kon hier helpen. We moesten meê.
-</p>
-<p>Wij waren op een afstand van ruim twintig pas van de plaats, waar onze voorhoede den
-vijand beweerde gezien te hebben. Het was een van die in het meer uitloopende voorgebergten,
-aan welks voet de weg zich kromde. Het ongebaande pad, van den oever afwijkende, nam
-hier eene zig-zag richting en liep ter zijde van eene steile rots op, die langs geen
-anderen weg te beklimmen was. Op den top van die rots, waarheen alleen dat smalle
-pad leidde, meende de korporaal de mutsen en lange geweren van eenige Hooglanders
-gezien te hebben, die zich waarschijnlijk verscholen hadden in het hooge heikruid
-en de bosschaadjes, waarmede de top bedekt was. Thornton beval hem, met drie man vooruit
-te rukken, ten einde <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259">259</a>]</span>den vijand uit de vermeende hinderlaag te verjagen, terwijl hij zelf met langzame,
-maar vaste schreden tot ondersteuning der vooruittrekkenden, volgde.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p259width"><img src="images/p259.png" alt="" width="500" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>De aanval, dien hij voornemens was te doen, werd door de plotselinge verschijning
-van een vrouw op den top der rotsen verhinderd.
-<span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260">260</a>]</span></p>
-<p>»Staat!&#x201d; riep zij met gebiedende stem, »en zegt mij, wat gij zoekt in het land van
-Mac-Gregor?&#x201d;
-</p>
-<p>Eene zoo verhevene en gebiedende gestalte zag ik zelden, als van deze vrouw. Zij mag
-tusschen de veertig en vijftig jaar zijn geweest. Haar gelaat droeg nog de sporen
-van buitengewone schoonheid, doch de invloed van het weer, misschien ook van kommer
-en hartstocht, had er zijn stempel op gedrukt. Zij zag er nu alleen ruw en krachtig
-uit. Haar plaid droeg zij niet om hoofd en schouders, zoo als de andere Schotsche
-vrouwen gewoon zijn, maar zij had hem, als de Schotsche soldaten, om haar lijf gewonden.
-Haar hoofd was met eene nachtmuts gedekt, waarop eene pluim stak. In hare hand hield
-zij een ontbloot zwaard en in haar gordel staken twee pistolen.
-</p>
-<p>»Het is Helena Campbell, Robberts vrouw!&#x201d; fluisterde Jarvie, geheel onthutst, mij
-toe; »ach, nu zal het bloed kosten, dat zult gij zien!&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zoekt gij hier?&#x201d; herhaalde zij, toen kapitein Thornton nader gekomen was, om
-haar zelf van nabij te zien.
-</p>
-<p>»Wij zoeken den vogelvrij verklaarden Robbert Mac-Gregor Campbell,&#x201d; antwoordde Thornton,
-»maar voeren geen oorlog tegen vrouwen. Bied dus geen vruchteloozen weerstand aan
-&#x2019;s konings krijgsmacht. U wordt eene welwillende behandeling beloofd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik ken uwe zachtmoedige welwillendheid!&#x201d; hernam de Amazone. »Gij hebt mij mijn
-naam en eer ontroofd. Mijn moeders gebeente, zal zich in het graf omkeeren, als men
-mijn gebeente bij het hare legt. Gij hebt mij en de mijnen huis en hof, bed en huisraad,
-kleederen, vee, alles, alles ontnomen&#x2014;zelfs den naam van onze vaderen hebt gij ons
-ontroofd, en nu staat gij ons ook naar het leven!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dooden wil ik niemand,&#x201d; antwoordde de kapitein, »maar ik gehoorzaam aan de bevelen
-die mij gegeven zijn. Zijt gij alleen, goede vrouw, dan hebt gij niets te vreezen!
-zijn er echter roekeloozen bij u, die vergeefschen wederstand willen wagen, dan kome
-hun bloed over hen! Sergeant! voorwaarts!&#x201d;
-</p>
-<p>»Voorwaarts!&#x201d; herhaalde de onderofficier. »Hoera! kameraden! Robberts hoofd en eene
-beurs vol goud!&#x201d;
-</p>
-<p>In stormpas liep hij vooruit, gevolgd door zes man, maar nauwelijks hadden de soldaten
-het steile pad begonnen te bestijgen, of er vielen schielijk achter elkander geweerschoten
-van verscheidene kanten. De aanvoerder der voorhoede, de sergeant, gevaarlijk gekwetst,
-trachtte nog op handen en voeten de rots te beklauteren. Doch na eene wanhopige poging,
-liet hij krachteloos los en van den rand der rotsen stortte hij in de diepte van het
-meer en verdronk. Drie zijner wapenbroeders vielen insgelijks, en de overigen, allen
-min of meer zwaar gekwetst, trokken op het hoofdkorps terug.
-</p>
-<p>Thornton liet zijne grenadiers aanrukken, die, naar het toenmalige gebruik, hunne
-verwoestende granaat-bommen bij zich droegen. De kapitein beval den overigen, den
-aanval dezer dapperen te ondersteunen. Mij en mijne lotgenooten riep hij toe: »zorgt
-voor u zelven.&#x201d;
-</p>
-<p>En <span class="corr" id="xd29e3830" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</span> daarop gaf hij het bevel tot den aanval. Onder een <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261">261</a>]</span>luid »hoera!&#x201d; rukten de soldaten voort. De grenadiers maakten zich gereed hunne granaten
-in het bosch te werpen, waar zich de hinderlaag bevond. Dugald, die in het gewoel
-van het gevecht vergeten werd, ontsnapte in de struiken, die een gedeelte van den
-rotsweg overdekten, waar wij eerst halt gemaakt hadden, en klauterde toen met de behendigheid
-van eene wilde kat naar boven. Onwillekeurig volgde ik zijn voorbeeld, daar ik begreep
-dat het open pad door het vuur der Hooglanders bestreken zou worden. Ik klauterde
-voort, tot ik geheel buiten adem was. Het onafgebroken schieten&#x2014;elk schot werd door
-de echo&#x2019;s in de bergen duizendvoudig weerkaatst&#x2014;het sissen der brandende granaten,
-het losspringen ervan, het geschreeuw der beide vechtende partijen&#x2014;dit alles,&#x2014;ik schaam
-mij niet het te bekennen,&#x2014;joeg mij naar boven, om eene veilige wijkplaats te bereiken.
-Het steil opgaand pad werd echter spoedig zoo moeielijk, dat ik bijna wanhoopte Dugald
-in te halen, die van de eene rots sprong op de andere, van den eenen boomstronk op
-den anderen, zoo vlug als een eekhoren. Ik keek even achter mij, om te ontdekken,
-wat er van mijne beide metgezellen geworden was.
-</p>
-<p>Ik moest ondanks mijn ernstigen toestand even glimlachen. En toch had ik angst voor
-hen, want ik zag beiden in een staat van gedwongen rust, die lang niet benijdenswaard
-was, maar waarin zij eene allerzonderlingste vertooning maakten. Jarvie, aan wien
-de vrees waarschijnlijk voor een oogenblik de noodige vlugheid had verleend, was eerst
-een dertig voet boven het pad opgeklauterd. Doch toen hij van de eene rotspunt op
-de andere wilde stappen, gleed hij uit. En zijn ziel zou zich toen zeker hebben vereenigd
-met die van zijn vader den wijkmeester, wien hij zich zoo gaarne herinnerde, zoo niet
-een stevige tronk van een doornstruik, waaraan hij met het eene pand van zijn rok
-bleef hangen, hem zwevende in de lucht had gehouden. Zoo bleef hij als het uithangbord
-van »Het gulden vlies&#x201d;, in de lucht bengelen. Andries was in zijn klimmen gelukkiger
-geweest, tot hij eindelijk den top van eene kale rots bereikte. Maar ze stak zoo hoog
-boven het bosch uit, dat hij vast geloofde, aan al de gevaren van het meer en meer
-naderend gevecht blootgesteld te zijn. Daarbij was ze tevens zoo steil en ontoegankelijk,
-dat hij noch voor- noch achterwaarts zich waagde. Op de smalle rotsvlakte op en neder
-gaande als een kunstenmaker op de kermis, riep hij beurtelings in de Gaelische en
-Engelsche taal om genade, naarmate de overwinning zich voor deze of gene partij scheen
-te zullen verklaren. Maar zijne jeremiaden werden slechts begroet door de kreten der
-beklagenswaardige Jarvie, wien de vrees, evenzeer als zijn gevaarlijke toestand, het
-angstzweet deed uitbreken.
-</p>
-<p>Toen ik Jarvie in dezen dringenden nood zag, besloot ik terstond hem hulp te verleenen.
-Het was echter onmogelijk, zoo niet Andries insgelijks behulpzaam wilde wezen. Maar
-ik kon dezen noch door vriendelijke uitnoodiging, noch door ernstige bevelen, noch
-door scheldwoorden, noch door bedreiging van ongenade, den moed inboezemen, om van
-zijne gevaarlijke hoogte af te dalen. Hij stond daar als een onbekwaam minister, die
-niet met fatsoen van de verheven plaats kan <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262">262</a>]</span>dalen, die hij zich vermeten heeft te beklimmen. Onophoudelijk riep hij om genade,
-liep heen en weder en kromde zich in allerhande zonderlinge bochten, om de kogels
-te ontwijken.
-</p>
-<p>Gelukkig duurde de oorzaak van zijn angst niet lang, daar het schieten, dat eerst
-zonder eenige tusschenpoozen had voortgeduurd, plotseling ophield. Want het gevecht
-was opeens geëindigd. Snel zocht ik een plek, waar ik het gevolg en den uitslag van
-den strijd zien kon. Ik wilde het medelijden der overwinnaars inroepen voor den goeden
-Jarvie. Ze zouden hem toch niet als Mahomed&#x2019;s kist tusschen hemel en aarde laten zweven.
-Eindelijk vond ik, na een moeielijk klauteren, een plekje, vanwaar ik het slagveld
-kon overzien. Het gevecht was geëindigd, en, zoo als ik reeds vermoed had, ten nadeele
-van kapitein Thornton. Ik zag eene bende Hooglanders, die bezig waren, den kapitein
-en het geringe overschot van zijn korps te ontwapenen. Er waren slechts een twaalftal
-manschappen over, meest allen gewond. Aan het moorddadig en goed gericht vuur der
-vijanden waren zij blootgesteld geweest, zonder het met eenig goed gevolg te kunnen
-beantwoorden. Ten laatste hadden zij hunne wapens neergelegd, toen hun aanvoerder
-zag, dat hij ook in den rug bedreigd werd en door een langeren weêrstand slechts nutteloos
-het leven zijner dappere soldaten zou opofferen. Den Hooglanders, die eigenlijk uit
-eene hinderlaag vochten, had de overwinning weinig of niets gekost. Zij hadden slechts
-één doode en twee gekwetsten, en wel, zoo als ik later vernam, door de in hunne hinderlaag
-geworpen granaten. De woeste, krijgshaftige mannen omringden den Engelschen officier,
-wiens gelaat met bloed bedekt was, terwijl hij van hoed en wapens was beroofd. Zijne
-soldaten zwegen in diepe smart, terwijl de overwinnaars, in wier midden zij zich bevonden,
-maatregelen namen om hun eigen veiligheid te verzekeren, naar de ruwe wetten en gebruiken
-van den oorlog.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXI.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">&#x201e;Wee den overwonnenen!&#x201d; riep Brenno trotsch en woest,
-</p>
-<p class="line">Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,
-</p>
-<p class="line">En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalen
-</p>
-<p class="line">En doet door dat gewicht den prijs van &#x2019;t losgeld dalen.
-</p>
-<p class="line">Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woord
-</p>
-<p class="line">Drijft op het slagveld ijzeren wetten voort.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>De Galliade.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e767"><span class="xd29e767init">A</span>llerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald onder de overwinnaars
-te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, of <span class="pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263">263</a>]</span>hij had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in den engen bergpas
-te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen, waarmede de onwetende, zelfs half
-woeste, geheel onbeschaafde kerel dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen,
-toen hij zich dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds
-terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet zonder gevaar
-de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de eerste opwelling waren hunner
-woeste vreugde over de behaalde zege, waarin zij wreedheden begingen, die mij nog
-doen ijzen. Ik zag, dat een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan,
-door de overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche jongens,
-die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt werden. Ik oordeelde het dan
-ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert
-nergens kon ontdekken, wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen.
-</p>
-<p>Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk terug, om te zien,
-of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte
-ik, dat hij reeds uit zijn gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel
-zat hij aan den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren in
-de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met zijne redding geluk
-te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in het eerst niet zoo hartelijk, als
-ik ze hem bracht. Een hoestaanval liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel
-ten opzichte van mijne oprechtheid te kennen te geven.&#x2014;»Een vriend, zegt men, is ons
-vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.&#x2014;Ik kwam herwaarts, mijnheer
-Osbaldistone, in dit land, dat van God en menschen vervloekt is&#x2014;de Heere vergeve het
-mij, dat ik mij zoo sterk uitdruk,&#x2014;ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij&#x2014;gij
-meent u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek schuurt en
-mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van tusschen die ruwe Hooglanders
-en Engelsche roodrokken doodgeschoten te worden of te verdrinken. En gij laat mij
-daar tusschen hemel en aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging
-aan te wenden om mij te helpen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze verontschuldigingen. Ik trachtte
-hem op alle mogelijke wijzen te overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest,
-hem eenige hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die, wel
-wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken handdruk en op even
-hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u gaarne! laat alles vergeven en vergeten
-zijn!&#x201d;
-</p>
-<p>Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken?
-</p>
-<p>»Mij los te maken?&#x201d; hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar hebben kunnen hangen,
-als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing immers met het hoofd naar den eenen kant
-en met de beenen naar den <span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264">264</a>]</span>anderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom, even als gisteren,
-uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de pand van mijn rok af, en hij en een
-andere knaap hielpen mij op de been. Toch heb ik door die anders akelige historie
-de deugdzaamheid van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische
-Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd, en ik zou jammerlijk
-om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever, die dat laken geweven heeft, verstaat
-zijne kunst. Ik bengelde en schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als
-eene boot, die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden?
-</p>
-<p>»Dat heer zeide,&#x201d; antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was, mij terstond naar de
-dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans
-naar u zoekt. Want hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven
-zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt, volkomen gelijk
-heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat om zonder handschoenen aan te
-pakken. En als vrouw is zij er niet op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat
-Robbert bang voor haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben
-elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij het nader hooren.
-Laat ons maar op hem wachten.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des noodlots geschreven,
-dat Jarvie&#x2019;s schranderheid dien dag noch hem, noch een ander veel zou baten.
-</p>
-<p>Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den top der rots heen
-en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo bang was, ophield. Maar hij was op
-dit standpunt een veel te sterk in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende
-blikken der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens rond te kijken.
-Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons vermoeden, dat men hem ontdekt
-had; dit was ook zoo. Terstond snelden eenigen hunner in het bosch en klauterden van
-onderscheidene kanten de rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning
-gezien hadden. Zij, die den armen Andries &#x2019;t eerst op den afstand van een geweerschot
-naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om hem in zijn hachelijken toestand
-hulp te bieden. Zij legden eenvoudig hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem
-door vrij ondubbelzinnige teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden
-te komen en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk wilde
-doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries niet langer dralen het
-waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar maakte hem onverschilliger omtrent dat,
-wat minder onvermijdelijk scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de
-rots af te klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met koortsachtigen
-angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene hand <span class="corr" id="xd29e3869" title="Bron: vrijhad">vrij had</span>, richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te smeeken, de op
-hem aangelegde geweren <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265">265</a>]</span>niet los te branden. Eindelijk kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen,
-die zich met den onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten
-zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en zijn inspanning
-van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek gleed zijn voet uit en hij
-viel, zoo lang hij was, op den grond, waar de Hooglanders zich van hem meester maakten,
-en hem niet alleen al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk
-eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding afnamen, dat de
-arme man, die als een welgekleede knecht op den rug was gevallen, geheel naakt en
-met een kaal hoofd weder opstond. Toen sleepten zij hem over de scherpe rotspunten
-naar den straatweg.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p265width"><img src="images/p265.png" alt="" width="489" height="392"></div><p>
-</p>
-<p>Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt, of eenigen van
-hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en zwaarden en hielden ons hunne
-pistolen voor. Aan tegenweer viel niet te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk
-eene bedreiging te kunnen beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de
-ongastvrije handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand brengen,
-waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond, toen er onverwachts redding
-kwam opdagen. Reeds had men mij mijn met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot
-van zijn reisrok ontnomen, of zie&#x2014;daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon,
-onder vloeken en razen&#x2014;wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet, maar ik giste het
-uit zijne hevige gebaren&#x2014;dwong hij de plunderaars hun werk te staken en het reeds
-geroofde terug te geven. Mijn halsdoek <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266">266</a>]</span>rukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij dien in zijn ijver
-zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij, gedurende zijn verblijf in Glasgow,
-niet alleen den cipier gediend, maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen
-nu nog meer Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval den
-overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de noodige hulp te bewijzen.
-Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming
-te erlangen. Hij had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen.
-</p>
-<p>»Waarachtig niet!&#x201d; antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge zijt zoo ver ik
-weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben ook wel eens barrevoets geloopen.&#x201d;
-</p>
-<p>Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was geleverd, om ons
-als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende bende te brengen.
-</p>
-<p>Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen raakte. Eenigen
-wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan hen te danken had, doch met groote
-bedreigingen antwoordde hij hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin,
-wier uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de woeste, ruwe
-of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet, of Helena Mac-Gregor werkelijk
-deel aan het gevecht had genomen,&#x2014;later vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken
-op hare handen en naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield;
-haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode, gepluimde muts golfden&#x2014;alles
-scheen te kennen te geven, dat zij zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog
-en hare gelaatstrekken verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van
-bevredigde wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs of
-wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was, herinnerde zij mij
-aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in de Katholieke kerken van Frankrijk
-had gezien. Zij was echter niet schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare
-gelaatstrekken geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber,
-den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die in het Heidensch
-Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar toch deed de hooge graad van
-geestdrift, waarmede zij bezield was, en haar gelaat en geheel haar voorkomen mij
-denken aan de afbeeldingen van de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig
-schilderstuk had gezien.
-</p>
-<p>Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar Jarvie, wien
-de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht, begon na een voorbereidend
-hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de aangename gelegenheid,&#x201d;&#x2014;zijne bevende
-stem logenstrafte den nadruk, dien hij op het woord <span class="ex">aangename</span> trachtte te leggen&#x2014;»in de aangename gelegenheid,&#x201d;&#x2014;hernam hij en poogde het bijvoegelijk
-naamwoord nog beter te doen uitkomen&#x2014;»te zijn, mijne waarde <span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267">267</a>]</span>nicht goeden morgen te wenschen. Hoe gaat het u?&#x201d; vervolgde hij en scheen nu weder
-van lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al dien tijd
-gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor Campbell? Nu, gij zult
-u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren, Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op
-de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was een braaf man, een man, op wien men staat kon maken,
-en hij hield bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer
-u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u, schuldig en plichtmatig,
-als mijne bloedverwante omhelsd hebben, indien slechts uw volk mij de armen niet zoo
-vasthield; en mag ik, zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering,
-aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te gebruiken, om de bloedige
-sporen van den oorlog af te wisschen.&#x201d;
-</p>
-<p>In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de overprikkelde
-gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was nog in den vollen roes harer
-vreugde over de zege in een gevaarlijken strijd. Zij was bezig over leven en dood
-uitspraak te doen. Dat stemde niet met Jarvie&#x2019;s gemoedelijk praten.
-</p>
-<p>»Wie zijt gij,&#x201d;&#x2014;begon zij&#x2014;»die u vermeet, aanspraak op de verwantschap met Mac-Gregor
-te maken, maar noch zijne kleeding draagt, noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij,
-die de taal en de gewoonten van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Of men u,&#x201d; antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap duidelijk genoeg verklaard
-heeft, weet ik niet, maar ze bestaat, en kan in elk geval bewezen worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter van een Hooglander was
-geweest, wiens nog levende dochter in <span class="corr" id="xd29e3897" title="Bron: Stuckarrallachan">Stuckavrallachan</span> woonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden graad was vermaagschapt. Maar de
-heldin tot wie hij sprak, besnoeide den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche
-vraag in de rede te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen
-erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot geringe huiselijke
-behoeften afgeleid hadden?
-</p>
-<p>»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!&#x201d; antwoordde Jarvie. »Maar kijk eens, de stroom
-zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer, als zijn kiezel door de zonnestralen
-gebleekt is, een gedeelte van dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders
-acht ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook eene andere
-taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als kind geleerd heeft. Ik zou er
-vrij gek uitzien, als mijn ronde buik in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne
-korte beenen onder de knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige
-jongens. Maar nog eens,&#x201d; vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds wenken hem scheen
-aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar misnoegen over zijne praatzucht
-duidelijk liet blijken&#x2014;»gij moet u toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een
-eenvoudigen daglooner het een of ander kan te <span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268">268</a>]</span>verhandelen hebben, wat voor zijne majesteit van zeer veel belang is. Hoe hoog gij
-uwen man ook boven mij moogt verheven achten&#x2014;het is niet meer dan billijk, dat eene
-vrouw den man eert, want Gods woord beveelt het&#x2014;maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen dunk
-gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben, kan ik u echter verzekeren,
-dat er tijden zijn geweest, waarin hij mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne
-hulp gaarne erkend zou hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt
-treden, een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke veehandelaar
-en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen ontwapende hij nog niet &#x2019;s
-konings soldaten, en stoorde nog niet de rust van den staat.&#x201d;
-</p>
-<p>Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd, iets wat zijne
-nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte zij zich op en verried de hevigheid
-harer gewaarwordingen door een luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.&#x2014;»Ja,&#x201d;
-zeide zij, »gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij ons
-vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven, als houthakkers
-en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor uwe gastmalen te leveren, om
-als slaven door uwe wetten onderdrukt en door u met voeten getreden te worden. Maar
-neen! wij zijn vrij; wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel
-en deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er aan denk, dat
-ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op de aarde kan zijn. Welaan! Het
-werk, dat heden zoo goed begonnen is, wil ik door eene daad voortzetten, die elken
-band tusschen Mac-Gregor en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken!
-Hier Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het Hooglandsche
-meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten zoeken!&#x201d;
-</p>
-<p>Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou daarmee de hevige
-drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald
-tusschen beide. Dezelfde man, die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte,
-liet zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik uit alles
-merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen.
-</p>
-<p>Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als wilde zij ons den doodsangst
-in al zijne bitterheid reeds vooraf doen gevoelen.&#x2014;»Ellendige hond!&#x201d; riep zij; »durft
-gij u tegen mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong uit
-den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen, om te zien wie daarmede
-het best Saksisch sprak; of den eenen het hart uit te rukken en het in de borst van
-den ander te plaatsen, om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor
-ontwerpen kon&#x2014;want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te handelen, als
-onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.&#x2014;Zie, al wilde ik u zoo iets <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269">269</a>]</span>bevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige tegenwerping mijn wil ootmoedig te
-gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer, zeer zeker!&#x201d; antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden; dat zou niets
-meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel meer voldoening zou verschaffen,
-dien leelijken kapitein met zijn korporaal en nog een paar van die roodrokken in het
-meer te laten werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn goede
-vrienden van <span class="corr" id="xd29e3913" title="Bron: Gregerach">Gregarach</span>. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken
-aan geen verraad, dat durf ik zweren.&#x201d;
-</p>
-<p>Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige tonen van een doedelzak
-op den weg naar Aberfoil deden hooren, waarschijnlijk dezelfde, die Thornton&#x2019;s achterhoede
-gehoord had. Het gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat
-krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen, om deel aan den
-strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast hadden, toen het schieten hun
-in de ooren klonk. Thans verschenen zij slechts om de overwinning hunner landslieden
-te helpen vieren.
-</p>
-<p>De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en zeer ten hunnen voordeele
-van diegenen, die over de manschappen van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders,
-die tot het gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen, nauwelijks
-in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen, kortom, menschen, die alleen in
-dringenden nood gewapend werden. De neerslachtigheid, welke Thornton&#x2019;s manhaftige
-gelaatstrekken benevelde, werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen
-hij zag, dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht en door
-eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te overwinnen. Maar de dertig
-of veertig Hooglanders, die nu aankwamen en zich met de overigen vereenigden, waren
-allen deels in den bloei hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige,
-goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en onder den omgegorden
-plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij beter gewapend dan de andere bende.
-De volgelingen der Amazone hadden deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei
-oude wapens; zelfs hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen.
-De naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna allen dolken
-naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had een goed geweer, een zwaard
-op zijde; daarbij een sterk rond schild, dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken
-en sierlijk met koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het
-midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand schoten, op
-den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden, werd het op den linkerarm
-gebonden.
-</p>
-<p>Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene overwinning
-terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten hadden. De doedelzak liet
-van tijd tot tijd eenige klagende tonen hooren, die geheel iets anders uitdrukten
-dan vreugde over eene <span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270">270</a>]</span>behaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen zij voor de
-vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden, klonken, na eene korte stilte,
-nog eenmaal de woeste weemoedige tonen van den doedelzak.
-</p>
-<p>Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid te lezen.
-</p>
-<p>»Wat beduidt dit, Alaster?&#x201d; zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze klaagtonen in
-het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is Mac-Gregor, uw vader?&#x201d;
-</p>
-<p>Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame, dralende schreden. Zij
-mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de moeder eensklaps een luiden gil gaf,
-een schrillen schreeuw door de rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald,
-terwijl deze de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen was.
-En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel van het gevecht ophield,
-gezwegen had, werd weder gehoord. Het was een vreeselijk jammergeschrei; het joeg
-zelfs de nachtvogels uit hunne rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger
-en van nog droeviger voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren.
-</p>
-<p>»Gevangen?&#x201d; herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk bedaarde. »Gevangen? En
-gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat
-gij uw bloed tegen uws vaders vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen
-zien nemen en terugkeeren?&#x201d;
-</p>
-<p>Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren jongelingen, de
-oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren bereikt. Hamisch, of Jakob heette
-de oudste der beiden; hij was een hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder.
-Zijne lichtblauwe oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie
-blauwe muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen Hooglandschen
-jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem van zijn vader te onderscheiden,
-noemden de Hooglanders hem »Oig&#x201d;, dat wil zeggen »de jonge&#x201d;. Donker haar en een gelaatskleur
-die van gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen bergbewoner
-tot eene aangename verschijning.
-</p>
-<p>Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen zij daar voor
-hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid ontvingen zij de verwijten,
-waarmede zij overladen werden. Toen eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins
-scheen te bedaren, beproefde de oudste in de Engelsche taal&#x2014;waarschijnlijk om door
-de overigen niet verstaan te worden&#x2014;zich en zijn broeder tegenover hunne moeder te
-rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel van hetgeen hij zeide
-verstond. Daar het voor mij van groot belang was, omtrent deze gewichtige gebeurtenis
-nauwkeurig onderricht te worden, luisterde ik met opmerkzaamheid.
-</p>
-<p>Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren Laaglander, die
-een teeken bracht van&#x2014;de naam werd zeer zacht <span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271">271</a>]</span>uitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone&#x201d; te hooren&#x2014;tot eene samenkomst uitgenoodigd.
-Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen, maar tevens bevolen, den man, die de boodschap
-overgebracht had, als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen zijn,
-van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de plaats der samenkomst begeven&#x2014;den
-Hooglandschen naam kon ik niet verstaan,&#x2014;slechts door twee mannen uit zijn gevolg,
-Angus Breek en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild; meer
-mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur was een der beide
-geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun opperhoofd door eene bende soldaten,
-onder aanvoering van Galbraith van Garschattachin, overvallen en gevangen genomen
-was. Naar de verzekering van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming
-gedreigd, zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met minachting
-geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen den dief op en gij den tollenaar,
-dan wordt het land op eens van twee plagen bevrijd.&#x201d; De terugkeerende geleider, Angus
-Breek, dien men niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt,
-om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen.
-</p>
-<p>»En dat hoordet gij, ellendige verraders!&#x201d; riep Helena, »en gij spoeddet u niet terug
-om uw vader te redden, om hem te verlossen, of te sterven?&#x201d;
-</p>
-<p>De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des vijands groote overmacht.
-Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen voorbereidselen maakte, om weder op te
-breken, hij zich terstond naar het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen
-te verzamelen, ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag
-te kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de nabijheid
-van het huis <span class="corr" id="xd29e3936" title="Bron: Gasstartan">Gartartan</span>, of in het oud aan zee liggend kasteel bij <span class="corr" id="xd29e3939" title="Bron: Monveith">Monteith</span> overnachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar, maar wanneer men het met eene
-talrijke bende waagde, dan kon het wel genomen worden.
-</p>
-<p>Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd in twee sterke benden
-verdeeld waren, van welke de eene de bezetting van Inversnaid met kapitein Thornton
-gadesloeg, en de andere tegen de vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich
-met de koninklijke soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in
-de woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard, toenmaals
-Robbertsland genoemd.
-</p>
-<p>Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde, de hier en daar
-verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde de Laaglanders aan te tasten.
-De smart, de droefheid en vertwijfeling, die in het eerst op aller gelaat te lezen
-waren, wisselden af met de streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak
-te bevredigen.
-</p>
-<p>Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als gijzelaar voor Mac-Gregor&#x2019;s
-veiligheid teruggebleven was, voor zich <span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272">272</a>]</span>brengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen vreezende, den ongelukkige
-buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat inderdaad het geval geweest, dan vermocht
-hunne menschlievende voorzorg zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen.
-Op haar bevel sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar.
-Tot mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne door doodsangst
-reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris.
-</p>
-<p>Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad terug alsof zijne
-aanraking eene heiligschennis ware. In diepen ootmoed kon hij slechts den zoom van
-haar plaid kussen. Nooit heb ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken.
-Die angst was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans, de tong te
-verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met doodsbleeke wangen, met krampachtig
-samengevouwen handen, en oogen, die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen
-te vestigen, betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van een
-aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad en eerbiedigde, geweten
-had. Zich zelven echter in zijne angst tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat
-hij slechts het werktuig van anderen was, en mompelde Rashleigh&#x2019;s naam. Hij smeekte
-slechts om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld bezat.
-Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder kwellingen en ontberingen,
-als gevangene, als slaaf, voortsleepen, al moest het akeligste berghol zijn verblijf
-zijn.
-</p>
-<p>Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw van Mac-Gregor
-op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige geschenk van verlenging zijns
-levens begeerde.&#x2014;»Ik zou u het leven hebben laten behouden,&#x201d; zeide zij, »als het voor
-u een zoo zware, ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke
-edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij zoudt door uwe schande,
-door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde misdaden niet in het minst zelfs gekweld,
-zeker niet gefolterd worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven
-en uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken zonder naam,
-zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op den nek trappen. Gij zoudt
-uw leven genieten als een slachtershond, die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen
-geslacht worden! Neen, dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij,
-en wel vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!&#x201d;
-</p>
-<p>Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal hare bevelen.
-Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op de knieën lag, en sleurden hem
-naar den rand der klip, die over het meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende
-wijze. Toen de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij mij
-sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van hem hoorde, waren:
-»O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273">273</a>]</span></p>
-<p>Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik, ofschoon zelf eigenlijk
-nog een dergelijk lot verwachtende, voor hem poogde te spreken. Zoo als men denken
-kan, werd mijne voorspraak met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door
-eenige kerels vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij
-hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte zijner kleederen
-beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half vastgebonden lichaam in het meer,
-dat op die plaats omtrent twaalf voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over
-hunne gekoelde wraak, trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat
-nochtans duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft was,
-hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden gereed, om, indien
-het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en den steen te bevrijden en den oever
-te bereiken, hem terstond af te maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige
-dadelijk in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige oogenblikken
-in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had daar beneden zijn graf gevonden.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p273width"><img src="images/p273.png" alt="" width="490" height="307"></div><p>
-<span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274">274</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Als ik niet voor de avond valt,
-</p>
-<p class="line">Den stap hier weêr hoor van zijn voeten,
-</p>
-<p class="line">Dan zweer ik bij de wraak van &#x2019;t diep gefolterd harte
-</p>
-<p class="line">En bij de kracht tot wraak van ijzig wreede smarte
-</p>
-<p class="line">&#x201e;Zwaar zal uw land die misdaad boeten!&#x201d;
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>Uit een oud Tooneelspel.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e643"><span class="xd29e643init">O</span>pmerkelijk, dat eene enkele wreede daad ons sterker treft, dan wanneer woeste barbaarschheid
-talrijke offers eischt? Ik had dien dag velen van mijne dappere landslieden zien sneuvelen,
-maar zij schenen mij slechts in het gewone lot der menschheid te deelen. Wel kwam
-er eene weemoedige aandoening in mij op, maar ik gevoelde geenszins die onbeschrijfelijk
-smartelijke ontroering, die mij aangreep toen ik den ongelukkigen Morris, onmachtig
-om zijn ontmenschten beulen zelfs den minsten tegenstand te kunnen bieden, den ijselijken
-marteldood zag ondergaan. Ik wierp een oog op mijn reisgenoot, en las op zijn gelaat
-de gewaarwordingen, die zich op het mijne uitdrukten. Diep verontwaardigd over de
-zoo even gepleegde gruweldaad mompelde hij, hoewel verstaanbaar genoeg, in zich zelven:
-»Het is een moord, een gruwzame moord! God zal die eenmaal wreken!&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij vreest dus niet, dat hetzelfde lot u overkomen kan?&#x201d; vroeg Helena met dien akelig
-dreigenden blik, waarmede een havik op zijn prooi neerziet, voordat hij zijne klauwen
-uitstrekt.
-</p>
-<p>»Nicht,&#x201d; antwoordde Jarvie, »niemand zal gaarne zijn levensdraad afknippen, eer het
-einde van het kluwen behoorlijk om den haspel zit. En ik heb op deze drukke wereld
-nog veel te verrichten, niet alleen in mijne particuliere zaken, maar ook in mijn
-ambt tot welzijn van stad en land. Daarenboven heb ik nog voor deze en gene tot mij
-in betrekking staande, hulpbehoevende personen te zorgen; bijvoorbeeld voor het arme
-Matje, een verlaten wees. Zij is nog eene verre nicht van den heer van Limmerfield.
-En zie, als men over dat alles bedaard nadenkt, dan zou ieder voor het behoud van
-zijn leven gaarne alles geven wat hij bezit.&#x201d;
-</p>
-<p>»En als ik u in vrijheid stelde,&#x201d; hernam de Amazone, »met welken naam zoudt gij dan
-het verdrinken van dien ellendigen Sakser bestempelen?&#x201d;
-</p>
-<p>Op deze onverwachte en vrij netelige vraag had de brave Jarvie niet zoo terstond zijn
-antwoord gereed. Hij <span class="corr" id="xd29e3977" title="Bron: kuchtte">kuchte</span> eenige malen, liet eenige afgebroken woorden voorafgaan, en zeide toen: »Ik zou er
-zoo min mogelijk over spreken; want wie niet veel praat, heeft ook niet veel te verantwoorden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar als gij door het een of ander gerechtshof, zoo als gij het noemt, daarover ondervraagd
-werdt, wat zoudt gij dan antwoorden?&#x201d; vroeg Helena nogmaals.
-<span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275">275</a>]</span></p>
-<p>Jarvie keek rechts en links om zich heen, als zocht hij eene uitvlucht, die hij niet
-scheen te kunnen vinden. Eindelijk, als iemand, die geene kans tot een eerlijken terugtocht
-ziende, besluit den strijd te wagen, antwoordde hij moedig: »Ik merk wel, waar gij
-met mij heen wilt. Maar ik zeg het u ronduit, nicht, ik moet spreken naar plicht en
-geweten. Uw eigen man&#x2014;om zijn en mijn wil wenschte ik wel, dat hij hier ware&#x2014;en ook
-Dugald weten het beide, dat Nicolaas Jarvie de gebreken en fouten van een vriend even
-goed door de vingers kan zien, als iemand anders. Maar dat moet ik u ook zeggen, nicht,
-over mijne tong komt nooit een leugen. Eer ik zeggen zou, dat die arme schelm daar
-wettig om het leven is gebracht, zou ik veel liever naast hem in de diepte van het
-meer liggen. Maar gij zoudt toch, in elk geval, de eerste Hooglandsche vrouw zijn,
-die aan den bloedverwant haars mans in den vierden graad zulk eene daad zou plegen!&#x201d;
-</p>
-<p>Waarschijnlijk was de vrijmoedige en stellige toon, waarop Jarvie deze woorden sprak,
-beter geschikt om op het harde hart zijner nicht indruk te maken, dan de smeekende
-toon, dien hij te voren had aangenomen. Men snijdt edelgesteenten met staal, maar
-niet met weeker metalen. Beiden moesten wij voor haar komen.&#x2014;»Uw naam is Osbaldistone?&#x201d;
-zeide zij tegen mij. »De ellendeling, dien gij hebt zien sterven, noemde u zoo.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ik heet Osbaldistone!&#x201d; antwoordde ik.
-</p>
-<p>»Dan is uw voornaam misschien Rashleigh!&#x201d; vervolgde zij.
-</p>
-<p>»Neen! <span class="corr" id="xd29e3990" title="Bron: ik">Ik</span> heet Frans,&#x201d; luidde mijn antwoord.
-</p>
-<p>»Maar gij kent Rashleigh Osbaldistone toch?&#x201d; hernam zij. »Vermoedelijk is die uw broeder,
-of ten minste uw bloedverwant en vriend?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mijn bloedverwant, ja, maar geenszins mijn vriend,&#x201d; antwoordde ik. »Nog onlangs stonden
-wij tegenover elkander met den degen, toen iemand ons scheidde. Die iemand was uw
-man. Mijn bloed is aan zijn degen nog nauwelijks droog, de wond in mijne zijde nog
-niet volkomen geheeld. Ik heb geen reden, hem mijn vriend te noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Als gij dus niets met zijne listen en streken hebt te maken,&#x201d; hernam zij, »kunt gij
-u veilig en zonder voor uw vrijheid te vreezen naar Galbraith Garschattachin en diens
-bende begeven en hun eene boodschap van Mac-Gregors vrouw overbrengen?&#x201d;
-</p>
-<p>Ik antwoordde, dat ik niet wist, waarom dat krijgsvolk mij gevangen zou houden, en
-dat ik van hen zeker niets te vreezen had. Gaarne, voegde ik er bij, zou ik die boodschap
-verrichten, zoo ik hare gevangenen, mijn vriend en mijn bediende, daardoor bescherming
-kon verschaffen. Ik was toch in dit oord gekomen, alleen op uitnoodiging van haar
-man en op zijne verzekering, dat hij mij in zekere gewichtige zaak hulp zou verleenen.
-Mijn reisgenoot Jarvie had mij, ook al om mij in die zaak van dienst te zijn, herwaarts
-vergezeld.
-</p>
-<p>»En ik wenschte wel,&#x201d; viel mijn vriend mij in de rede, »dat er in Jarvie&#x2019;s laarzen,
-toen hij ze aantrok, kokend water ware geweest!&#x201d;
-</p>
-<p>»Hebt gij gehoord, wat de jonge Sakser ons daar heeft gezegd?&#x201d; vroeg Helena haren
-zonen. »Daarin kunt gij uw vader herkennen! Dan alleen <span class="pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276">276</a>]</span>bezit hij verstand, wanneer hij de muts op het hoofd en het zwaard in de hand heeft.
-Maar nauwelijks heeft hij den tartan met het lakensche kleed verwisseld, of hij wordt
-een slachtoffer van de ellendige streken der Laaglanders. Zie! na alles wat hij reeds
-geleden heeft, wordt hij op nieuw hun zaakwaarnemer, hun werktuig, hun slaaf!&#x201d;
-</p>
-<p>»Voeg er dan bij,&#x201d; zeide ik, »hun weldoener.&#x201d;
-</p>
-<p>»Mij goed!&#x201d; antwoordde zij; <span class="corr" id="xd29e4005" title="Niet in bron">»</span>dat is de ijdelste titel van alle. Talloos heeft hij weldaden bewezen. Waartoe? Om
-lage, schandelijke ondankbaarheid te oogsten. Maar genoeg! Ik zal u naar de vijandelijke
-voorposten laten geleiden. Vraag daar om het opperhoofd, den bevelhebber, of hoe hij
-zich noeme, te spreken. Breng hem de boodschap van mij, van Helena Mac-Gregor, zeg
-hem: Indien zij van Mac-Gregor&#x2019;s hoofd slechts een enkel haar krenken en hem binnen
-den tijd van twaalf uren niet in vrijheid stellen, dan zal er in Lennox, vóór Kerstmis,
-geene vrouw zijn, die geen jammerklacht aanheft over hem, die haar dierbaar is&#x2014;geen
-pachter, die niet wee roept over eene afgebrande schuur, of een ledigen stal&#x2014;geen
-laird, die des avonds zijn hoofd ter ruste zal leggen, met de zekerheid den volgenden
-morgen veilig te zullen opstaan! En namens mij eindigt ge met te zeggen: Zoodra de
-bepaalde tijd verstreken is, dan zend ik hun dit lid van den Glasgowschen raad, en
-dezen Saksischen kapitein, en al de overige gevangenen, elk in een plaid gebonden,
-maar in zoo vele stukken gehouwen, als er ruiten in een Tartan zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze vreeselijke bedreiging zweeg zij. Thornton had alles verstaan. Hij richtte
-zich op en sprak met koelbloedigheid: »Breng den bevelvoerenden officier de groeten
-van den kapitein Thornton en zeg hem, dat hij zijn plicht zal doen zonder zich om
-mij te bekommeren, of, om mijnent wil, zelfs een haarbreed van zijn plicht af te wijken.
-Ik ben dwaas genoeg, geweest, mij door deze listige wilden in eene hinderlaag te laten
-lokken, maar ik ben toch nog verstandig genoeg, om te weten hoe ik sterven moet, zonder
-den dienst oneer aan te doen. Ik beklaag alleen mijne dappere kameraden, dat zij in
-zulke wreede handen gevallen zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Stil! stil!&#x201d; fluisterde Jarvie hem toe. »Zijt gij uw leven moede? Groet den bevelhebber
-ook van mij, Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow, zoon van mijn overleden
-vader, den wijkmeester, die insgelijks eens denzelfden post, als ik thans, bekleedde.
-Zeg hem, dat hier een paar brave mannen deerlijk in het nauw zitten, en dat het nog
-veel erger met hen kan afloopen. Hij kan voor het algemeene welzijn niets beters doen,
-dan Robbert ten spoedigste in vrijheid te stellen. Want dat hier reeds iets verschrikkelijks
-gebeurd is; maar daar dit eigenlijk slechts den kommies getroffen heeft, is het haast
-niet de moeite waard, er veel leven over te maken.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze zoo lijnrecht tegen elkander inloopende boodschappen van Thornton en Jarvie,
-voor welke beiden evenwel de uitslag mijner zending van zoo veel belang was, en met
-Helena&#x2019;s herhaalde vermaning, om hare bevelen stipt en letterlijk over te brengen,
-werd ik eindelijk <span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277">277</a>]</span>weggezonden. Andries kreeg verlof mij te vergezellen, denkelijk om van zijn lastig
-gejammer en gehuil bevrijd te worden. Men scheen echter te vreezen, dat ik met behulp
-van mijn paard aan mijne geleiders ontsnappen zou. Misschien wilde men ook een onderpand
-van eenige waarde behouden, opdat ik terug zou komen, en men gaf mij dus te verstaan,
-dat ik te voet moest reizen. Jakob, de oudste zoon van Mac-Gregor, benevens twee van
-zijne makkers, begeleidden mij, zoo wel om mij den weg te wijzen, als voornamelijk
-om de sterkte en stelling van den vijand te verkennen. Eerst werd Dugald dit mede
-opgedragen, maar zeer sluw wist hij zich daarvan te verschoonen, hij deed dit, zoo
-als wij naderhand vernamen, om in persoon voor Jarvie&#x2019;s veiligheid te kunnen zorgen,
-wien hij, volgens zijne onbeschaafde begrippen van trouw en dankbaarheid, hulp meende
-verschuldigd te zijn, omdat het lid van den achtbaren stedelijken raad eens zijn beschermer,
-of ten minste zijn gebieder geweest was.
-</p>
-<p>Bijna een uur waren wij vrij snel voortgestapt, toen wij op een met hout bedekten
-heuvel kwamen, van waar we een vrij uitzicht over het dal hadden en de stelling van
-het krijgsvolk nauwkeurig in oogenschouw konden nemen. Het korps, dat grootendeels
-uit ruiterij bestond, had zich, zeer verstandig, niet in den engen pas gewaagd, die
-den kapitein Thornton zoo noodlottig was geweest. Het had zijne stelling vrij doelmatig
-ingericht op eene hoogte, in het midden van het kleine dal van Aberfoil, dat, door
-de Forth, die hier nog zeer nabij hare bronnen heeft, doorstroomd, door twee rijen
-heuvels van kalksteenrotsen, die van den oever opstijgen, ingesloten en in het verschiet
-door hooge bergen begrensd wordt. Het dal is zoo breed, dat de ruiters tegen een plotselingen
-aanval der Hooglanders volkomen beveiligd waren; ook waren op een behoorlijken afstand
-van het hoofdkorps naar alle kanten schildwachten uitgezet, ten einde bij het minste
-alarm tijds genoeg te hebben, om op te zitten en zich tot den strijd gereed te maken.
-Toenmaals vreesde men namelijk niet, dat de Hooglanders eene ruiterbende op het open
-veld zouden aantasten; ofschoon latere gebeurtenissen bewezen hebben, dat zij dit
-met goed gevolg wagen konden. De Hooglanders voedden, toen ik hen leerde kennen, eene
-bijna onbegrijpelijke vrees voor paardenvolk, omdat de Laaglandsche paarden een veel
-woester voorkomen hadden, dan de kleine paarden van hunne gebergten. Het gemeene volk
-geloofde, dat men die dieren afgericht had, om ook met hunne pooten en tanden te vechten.
-</p>
-<p>De grazende paarden der ruiterij in het dal; de militairen, die in allerlei groepen
-aan den oever der heerlijke rivier zaten, stonden, of op en neer wandelden; de kale
-en toch schilderachtig schoone rotsen aan beide oevers&#x2014;dit alles vormde een bekoorlijken
-voorgrond, terwijl aan de oostzijde het meer Menteith zich uitstrekte, en het kasteel
-Stirling in de schemerende verte met het blauwachtige Ochill-gebergte den achtergrond
-afsloot.
-</p>
-<p>De jonge Mac-Gregor wierp een snellen, onderzoekenden blik op het dal. Daarop gaf
-hij mij te kennen, dat ik naar het krijgsvolk afdalen <span class="pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278">278</a>]</span>en mij van mijne opdracht bij den aanvoerder kwijten moest, terwijl hij mij tevens
-met dreigende gebaren verbood te verraden, wie mijn wegwijzer was geweest, en waar
-ik mijn geleide achtergelaten had.
-</p>
-<p>Zoo begaf ik mij dan op weg, vergezeld door Andries, die van zijne Engelsche dracht
-alleen nog broek en kousen had, maar van zijn hoed beroofd was en sandalen droeg,
-welke Dugald hem uit medelijden gegeven had. Voor het overige had, hij zijne naaktheid
-vrij armzalig met een ouden gescheurden plaid bedekt. Wij waren intusschen nog niet
-ver gegaan, toen een ruiter, die op schildwacht stond, ons in het oog kreeg, terstond
-op ons toereed en met aangelegde karabijn ons: »staat!&#x201d; toeriep. Ik gehoorzaamde en
-gaf hem mijn verlangen te kennen, om bij zijn bevelhebber gebracht te worden. Terstond
-toonde hij zich daartoe bereid en bracht mij in een kring van officieren, die in het
-gras zittende, een man van hoogen rang omringden, die een zeer fraai gepolijst stalen
-kuras droeg, waarop de teekens van de aloude distelorde hingen. Mijn bekende, Garschattachin,
-en verscheidene anderen, deels in uniform, deels in gewone kleeding, maar allen gewapend,
-schenen hunne bevelen van dien edelman te ontvangen. Zeer vele bedienden in prachtige
-livrei, hoogst waarschijnlijk tot zijn gevolg behoorende, verbeidden insgelijks zijne
-wenken.
-</p>
-<p>Na eene eerbiedige begroeting verhaalde ik den bevelhebber, dat ik onwillekeurig getuige
-was geweest van de neêrlaag, welke de soldaten in den engen pas van Loch-Ard door
-de Hooglanders geleden hadden, en dat de overwinnaars hunne gevangenen, als ook het
-gansche Lageland, met het ergste bedreigden, tenzij hun dien morgen gevangen aanvoerder
-ongekrenkt in vrijheid werd gesteld. De hertog,&#x2014;want de opperbevelhebber was iemand
-die dezen titel voerde&#x2014;hoorde mij zeer bedaard aan, en antwoordde toen, dat het hem
-leed zou doen, de ongelukkige gevangenen den wreeden wilden, in wiens handen zij gevallen
-waren, te moeten prijs geven; maar dat het eene dwaze veronderstelling was, dat hij
-den hoofdbewerker van al deze rampen en misdaden uit zijne gevangenis zou ontslaan,
-om daardoor diens aanhangers nog vermeteler te maken.&#x2014;»Keer terug,&#x201d; voegde hij er
-met mannelijke vastberadenheid bij, »en zeg hun, die u gezonden hebben, dat ik Robbert
-Campbell, dien zij Mac-Gregor noemen, onfeilbaar met het krieken van den volgenden
-dag zal doen ter dood brengen als een vogelvrij verklaarde, die met de wapens in de
-hand gevangen genomen werd en voor zijne tallooze gruweldaden duizendvoudig den dood
-heeft verdiend, dat ik mij voor het oog der wereld diep zou vernederen, wanneer ik
-ten zijnen opzichte anders handelde; dat ik het land tegen hunne onbeschaamde bedreigingen
-zal weten te beschermen, en dat, als zij de beide ongelukkige heeren, die zich thans
-in hunne macht bevinden, een enkel haar krenken, ik zulk eene geduchte wraak zal nemen,
-dat de steen en in hunne dalen jaren lang daarover wee zullen roepen!&#x201d;
-</p>
-<p>Ik veroorloofde mij bescheiden eene ernstige aanmerking betrekkelijk mijne zending,
-en sprak van de gevaren, waaraan ik mij bloot stelde; <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279">279</a>]</span>maar de hertog antwoordde, dat ik in dat geval mijn bediende kon terugzenden.
-</p>
-<p>»Wel ja, waarom niet!&#x201d; barstte Andries plotseling uit, zijn eerbied vergetende voor
-den hertog en zonder mijn antwoord af te wachten: »den bediende terugzenden! Denkt
-men dan dat ik, als de Hooglanders mij deze keel afsnijden, nog een andere tot plaatsvervangster
-op zak heb? Of dat ik, als een wilde eend, aan het eene einde van het meer onderduiken
-en aan het andere weder boven komen kan? Neen, neen! daarvan komt niets! Ieder voor
-zich, en onze lieve Heer voor ons allen, dat is mijne spreuk. Ieder doe zijne eigen
-boodschap, dan weet hij zeker, dat ze goed gedaan wordt. En buitendien, Robbert Roodhaar
-heeft nooit het kerspel van Dreepdaily bezocht, veel minder een enkelen appel of peer
-uit mijn tuin gestolen.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen ik den heilloozen babbelaar niet zonder moeite tot zwijgen had gebracht, schilderde
-ik den hertog het groote gevaar, waaraan kapitein Thornton en mijn vriend Jarvie blootgesteld
-waren, en smeekte hem, mij in antwoord eenige gematigde en aannemelijke voorwaarden
-mede te geven, waardoor het leven der gevangenen zou kunnen gered worden. Ik betuigde
-hem, dat ik voor mij volstrekt geen gevaar zou schuwen, zoo ik slechts de hoop kon
-koesteren van dienst te kunnen zijn. Ik voegde er nog bij, dat ik, na al hetgeen ik
-gehoord en gezien had, geen oogenblik twijfelde, dat men de gevangenen terstond zou
-vermoorden, als men wist dat Robbert Campbell de doodstraf moest ondergaan.
-</p>
-<p>De hertog was zichtbaar getroffen.&#x2014;»Het is een netelig, een allerneteligst geval!&#x201d;
-zeide hij; »ik besef het zeer goed. Doch ik heb hoogere plichten jegens mijn vaderland
-te vervullen. Robbert moet sterven!&#x201d;
-</p>
-<p>Gaarne beken ik, dat ik niet gevoelloos bleef, toen ik hoorde welk lot den man te
-wachten stond, die zich zoo dikwerf dienstvaardig en welwillend jegens mij getoond
-had. Verscheidene lieden onder &#x2019;s hertogs gevolg waren insgelijks getroffen en waagden
-het voor Robbert te spreken. Het zou, zeiden zij, raadzamer zijn hem naar het kasteel
-van Stirling te zenden en hem aldaar in strenge bewaring te houden, als onderpand
-voor de volkomen onderwerping van zijne bende. Het zou eene onberekenbare ramp zijn,
-het land aan eene plundering bloot te stellen, welke men in de lange nachten van den
-op handen zijnden winter niet zou kunnen beletten, omdat het niet mogelijk was elk
-punt te bewaken, en de Hooglanders zeer zeker de onbewaakte toegangen zouden weten
-te vinden. Het zou, voegde hij er bij, zeer hard zijn, de ongelukkige gevangenen aan
-de gruwzaamste martelingen ten prooi te geven, welke zij onfeilbaar zouden ondergaan,
-wanneer men door al te strenge maatregelen de wraakzucht der barbaren tergde. Garschattachin
-ging nog verder en pleitte voor in vrijheid-stelling, ofschoon hij zeer wel wist,
-dat de hertog om bijzondere redenen den gevangen Robbert geenszins genegen was. »Robbert
-Roodhaar&#x201d;&#x2014;zeide hij&#x2014;»is, weliswaar, een gevaarlijk buurman voor de Laaglanden, en
-in het oog van <span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280">280</a>]</span>den hertog alleszins strafschuldig, doch voor het overige een knappe, schrandere kerel.
-Misschien zouden er nog wel middelen te vinden zijn, om hem tot eene betere zienswijze
-te brengen. Maar zijne vrouw en zijne zonen, dat zijn vermetele vijanden, zonder vrees,
-zonder medelijden. Die zouden aan het hoofd van zijne bende eene erger landplaag worden,
-dan hij ooit zelf geweest was.&#x201d;
-</p>
-<p>»Volstrekt niet!&#x201d; antwoordde de hertog. »Hij alleen heeft door zijne schranderheid
-en listen zijne heerschappij zoo lang gehandhaafd. Een gewone Hooglandsche roover
-zou in even vele weken ten onder gebracht zijn, als hij jaren geheerscht heeft. Zijne
-bende, met hem niet meer tot aanvoerder, zal ons niet lang meer verontrusten. Als
-eene wesp zonder kop, die wel eens steken kan maar dan ook weldra ophoudt te leven,
-zal zij spoedig vernietigd zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>Garschattachin liet zich niet zoo licht tot zwijgen brengen. »Uwe hoogheid,&#x201d; zeide
-hij, »ik verklaar volstrekt geene vriendschap voor Robbert te koesteren en hij zeker
-evenmin voor mij. Immers, hij heeft tweemaal mijne stallen geplunderd, en mijnen pachters
-onberekenbaar veel schade berokkend, maar.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar,&#x201d; viel de hertog hem met een veelbeteekenend glimlachje in de rede; »gij meent,
-geloof ik, dat men zulk eene vrijheid aan den vriend van een vriend wel vergeven kan,
-en Robbert is immers, zoo als men vermoedt, geen vijand van uwe vrienden aan gene
-zijde van de zee?&#x201d;
-</p>
-<p>»Welnu, al ware dat eens zoo,&#x201d; antwoordde <span class="corr" id="xd29e4039" title="Bron: Galbrait">Galbraith</span> op denzelfden schertsenden toon, »dan is dat toch het ergste niet wat ik van hem
-gehoord heb. Maar ik wenschte wel, dat wij al tijding van de stammen hadden, op wier
-komst wij reeds zoo lang wachten. Zij zullen denkelijk hun woord houden als&#x2014;Hooglanders.
-Maar ik ken hunne wijze van handelen. Zij vechten niet gaarne tegen elkaar!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat geloof ik niet!&#x201d; hernam de hertog. »Zij zijn als mannen van eer bekend, en ik
-mag op goeden grond vertrouwen dat zij hunne belofte gestand zullen doen. Er kunnen
-zich toch eens paar ruiters op weg begeven, om hen te gemoet te rijden. Vóór hunne
-aankomst kunnen wij het niet wagen, den engen pas aan te tasten, waar kapitein Thornton
-zich liet verschalken. Tien man voetvolk kunnen zich daar tegen het beste regiment
-ruiterij handhaven, dat weet ik best! Laat intusschen aan de manschappen eenige ververschingen
-geven.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ook ik genoot het voordeel van dit laatste bevel, en dit was mij zeer welkom, daar
-ik sinds onzen overhaasten maaltijd te Aberfoil volstrekt niets genuttigd had. De
-uitgezonden ruiters kwamen terug, maar zonder naricht aangaande de verwachte hulptroepen,
-en de zon was reeds vrij diep aan de kimmen gezonken, toen een Hooglander, die tot
-de verbonden stammen behoorde, een brief bracht, dien hij den hertog met eene diepe
-buiging aanbood.
-</p>
-<p>»Ik wed om een okshoofd wijn,&#x201d; zeide <span class="corr" id="xd29e4046" title="Bron: Galbrait">Galbraith</span>, »dat deze brief de tijding behelst, dat die satansche Hooglanders, die wij hier
-onder zoo vele plagen en ongemakken verbeid hebben, terugtrekken en ons aan ons lot
-overlaten zullen.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281">281</a>]</span></p>
-<p>»Zoo is het ook!&#x201d; riep de hertog, gloeiende van verontwaardiging, toen hij den brief
-gelezen had, die op een morsig stuk papier geschreven, maar met het aan &#x2019;s hertogs
-hoogen rang verschuldigde opschrift voorzien was. »Onze bondgenooten hebben ons verlaten
-en een afzonderlijken vrede met den vijand gesloten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is de gewone loop van alle verbonden!&#x201d; hernam <span class="corr" id="xd29e4053" title="Bron: Gailbraith">Galbraith</span>. »De Hollanders wilden onlangs even zoo met ons handelen, toen wij hun te Utrecht
-de kans afkeken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik vind u erg vroolijk gestemd,&#x201d; zei de hertog eenigszins geërgerd, te kennen gevend,
-dat hij nu niet tot schertsen geneigd was. »Onze tegenwoordige toestand vereischt
-allen mogelijken ernst. Ik geloof niet, mijne heeren,&#x201d; vervolgde hij, zich tot de
-overige officieren wendende, »dat iemand uwer in de tegenwoordige omstandigheden van
-gevoelen zal zijn, dat wij verder in het land moeten doordringen, zoolang wij noch
-door vriendschappelijke Hooglanders, noch door voetvolk ondersteund worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Allen waren van gevoelen, dat zulk eene onderneming de grootste en onvergefelijkste
-dwaasheid zou zijn.
-</p>
-<p>»En even dwaas zou het wezen,&#x201d; hernam de hertog, »als wij ons hier aan het gevaar
-blootstellen van gedurende den nacht overvallen te worden. Ik stel u dus voor, naar
-Duchray en Gartartan terug te trekken en onze wachtposten tot den morgen uit te zetten.
-Maar voor dat wij scheiden, wil ik Robbert in uwer aller tegenwoordigheid verhooren,
-ten einde gij u met uwe eigen oogen en ooren kunt overtuigen, hoe ongeraden het zijn
-zou, hem weder gelegenheid tot nieuwe daden van geweld te geven.&#x201d;
-</p>
-<p>Op bevel van den hertog werd de gevangene voorgebracht. Zijne handen waren samengebonden
-en met een buikriem op den rug gekneveld. Twee onderofficieren hielden hem van weerskanten
-vast, en twee mannen met geladen karabijnen en opgezette bajonetten stonden achter
-hem.
-</p>
-<p>Ik had dezen man nog nooit in zijne landskleeding gezien, die het eigendommelijke
-van zijne gestalte nog meer deed uitkomen. Zijn gekroesd rood haar, dat de hoed en
-pruik der Laaglandsche dracht grootendeels verborgen had, stak onder de Hooglandsche
-muts uit, en billijkte den bijnaam Roodhaar, onder welken hij in het Laagland &#x2019;t best
-bekend was. Trouwens, zoo deze naam, niet bijzonder op zijn hoofdhaar toepasselijk
-ware, had men hem dien ook met het oog op zijn beenen kunnen geven. Van den zoom zijns
-roks tot aan den rand der slobkousen, volgens de Hooglandsche gewoonte naakt, waren
-die met rood haar, inzonderhand rondom de knie, bedekt. Daardoor en ook wegens hunne
-krachtige spieren, zagen ze er uit als de schenkels van een rooden Hooglandschen stier.
-</p>
-<p>Zijne veranderde kleeding, gevoegd bij hetgeen men mij ten opzichte van zijn woest
-en wreed karakter verhaald had, gaf hem thans in mijne oogen een veel vreeselijker
-voorkomen, dan ooit te voren. Nauwelijks herkende ik hem.
-<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282">282</a>]</span></p>
-<p>Zijne houding was vrijmoedig, ongedwongen, en in zoover zijne banden hem niet hinderden,
-fier en waardig. Hij boog voor den hertog, knikte Garschattachin en de overigen toe,
-en scheen verwonderd te zijn, dat hij ook mij in dit gezelschap vond.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p282width"><img src="images/p282.png" alt="" width="499" height="720"></div><p>
-</p>
-<p>»Wij hebben elkander sinds lang niet gezien, mijnheer Campbell!&#x201d; zei de hertog.
-<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283">283</a>]</span></p>
-<p>»Dat is waar, Milord!&#x201d; antwoordde Robbert; »en ik wenschte wel, dat deze ontmoeting
-op een tijd ware voorgevallen, dat ik u beter en voegzamer mijn verschuldigden eerbied
-had kunnen bewijzen!&#x201d; voegde hij er, met een blik op zijne geboeide armen, met veel
-nadruk bij.&#x2014;»Doch die tijd zal wel eens wederkomen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Geen tijd is zoo goed als de tegenwoordige, mijnheer Campbell!&#x201d; hernam de hertog.
-»Nog slechts zeer weinige zijn de uren, die u resten, om uwe rekening met deze wereld
-te vereffenen. Dit zeg ik niet, om met uw ongelukkigen toestand te spotten. Maar gij
-zelf moet zeer goed inzien, dat gij het einde van uwe aardsche loopbaan genaderd zijt.
-Ik erken gaarne, dat gij u vaak menschelijker, grootmoediger gedragen hebt, dan anderen
-van uw heilloos beroep, ja, dat gij nu en dan bewijzen van een edelen aanleg en van
-gezindheden hebt gegeven, die iets beters van u deden hopen. Maar gij weet zelf hoe
-lang gij de schrik en plaag uwer vreedzame buren geweest zijt. Gij weet ook, door
-welke gewelddadigheden gij uwe onwettige heerschappij gehandhaafd en uitgebreid hebt.
-Kortom, gij weet, dat gij den dood verdient en u daarop voorbereiden moet.&#x201d;
-</p>
-<p>»Milord,&#x201d; hernam Robbert; »ofschoon ik u op goede gronden mijn ongeluk zou kunnen
-wijten, zal ik echter nooit zeggen, dat gij willens en wetens daarvan de oorzaak en
-bewerker zijt geweest. Had ik dit geloofd, hertog, dan zoudt gij heden niet tegenover
-mij staan. Want driemaal heb ik u onder het bereik van mijn geweer gehad, en men weet
-zeer goed, dat mijn kogel nooit mist. Maar men heeft mij bij u belasterd. Men heeft
-u tegen een man vooringenomen, die eens zoo vreedzaam was, als iemand in het gansche
-land wezen kan. Ja, men heeft uw naam misbruikt, om mij tot het uiterste te brengen.
-Maar dit alles heb ik hun vergolden. En ik zeg u, ik hoop het te beleven, hun ook
-te vergelden wat gij thans tot mij gezegd hebt!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat is mij bekend,&#x201d; zei de hertog met klimmend misnoegen, »dat gij een koene, onbeschaamde
-knaap zijt, die woord houdt, als hij zijn medemenschen onheil zweert. Maar ik zal
-zorg dragen, dat de macht daartoe u voor altijd benomen wordt. Gij hebt geene andere
-vijanden, dan uwe booze daden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Had ik Grahame geheeten in plaats van Campbell, dan zou men mij zulke taal zeker
-niet hebben doen hooren!&#x201d; hernam Robbert op wreveligen, vasten toon.
-</p>
-<p>»Gij zult wel doen, met uwe vrouw, uwe verwanten en aanhangers te waarschuwen, dat
-zij zich wachten, de personen, die thans in hunne macht zijn, eenig leed toe te voegen.
-Want duizendvoudig zal ik zelfs de geringste beleediging wreken, die de uwen zich
-verstouten getrouwen onderdanen van den koning aan te doen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Milord,&#x201d; antwoordde Robbert, »geen van mijne vijanden kan zeggen, dat ik een bloeddorstig
-man ben geweest. Bevond ik mij thans onder de mijnen, ik zou vier- of vijfhonderd
-Hooglanders even licht kunnen regeeren, als gij deze acht of tien lakeien. Maar wilt
-gij het hoofd van een stam doen vallen, dan moet gij er staat op maken, dat dit geenszins
-<span class="pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284">284</a>]</span>ongewroken zal blijven. Intusschen, hoe het ook gaan mocht, er is onder onze gevangenen
-een braaf man, mijn neef; dien mag volstrekt geen leed wedervaren. Is hier niemand,
-die voor Mac-Gregor iets goeds wil doen? Hij kan het nog wel vergelden, ofschoon zijne
-handen thans geboeid zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>De Hooglander, die den hertog den brief had gebracht, zeide: »Ik zal doen wat gij
-begeert, Mac-Gregor, en terstond naar het dal terugkeeren.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij trad voor, en de gevangene gaf hem eene boodschap aan zijne vrouw, maar daar hij
-Gaelisch sprak, kon ik van hetgeen hij zeide geen enkel woord verstaan, hoewel ik
-niet twijfelde, dat het eenige bevelen aangaande Jarvie&#x2019;s veiligheid betrof.
-</p>
-<p>»Ziet die schaamteloosheid eens aan!&#x201d; zei de hertog. »Hij waant zich veilig als afgezant.
-Hij gedraagt zich even als zijne meesters, die ons eerst uitnoodigden om gemeenschappelijk
-met hen tegen de roovers op te trekken, en ons verlaten, zoodra zij met die roovers
-omtrent de landerijen overeengekomen zijn, waarover zij met hen in twist waren. Neen,
-neen! er bestaat geen trouw onder het volk, dat de plaid en tartan draagt. Als een
-kameleon verwisselt het duizendmaal van kleur.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zoo sprak uw beroemde stamvader niet, Milord!&#x201d; antwoordde Galbraith; »en met uw welnemen,
-ook gij zoudt geen recht hebben zoo te spreken, als men maar jegens iedereen de billijkheid
-in het oog wilde houden. Laat ieder zijn eigen weg gaan en zijne eigen muts dragen
-zoo als hij verkiest. Dan zal er spoedig geen twist meer in het land zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Stil, stil, Galbraith!&#x201d; zeide de hertog op bestraffenden toon; »dat zijn gevaarlijke
-woorden, welke gij u vermeet tegen mij te spreken. Verbeeldt gij u een bevoorrecht
-persoon te zijn? Gij moet met uwe manschappen naar <span class="corr" id="xd29e4089" title="Bron: Gartaran">Gartartan</span> opbreken. Ik zelf zal den gevangene naar het kasteel Duchray laten brengen en u morgen
-mijne nadere bevelen zenden. Ik beveel u geen man van uw volk verlof te verleenen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Bevel en tegenbevel!&#x201d; mompelde Galbraith tusschen de tanden. »Maar geduld! de bakens
-zullen spoedig verzet worden: de koning komt.&#x201d;
-</p>
-<p>De beide ruiterbenden maakten zich tot den marsch gereed, om nog vóór het vallen van
-den avond het dal te verlaten en hun nachtkwartier te bereiken. Ik voor mij ontving
-een soort bevel om het krijgsvolk te vergezellen. Ik zag, dat ik zoo al niet als gevangene,
-ten minste als een verdacht persoon beschouwd werd. De omstandigheden waren in alle
-opzichten gevaarlijk. De partijgeest van de aanhangers der Jakobieten en <span class="corr" id="xd29e4095" title="Bron: Hanoveranen">Hannoveranen</span> verdeelde het land. De aanhoudende twisten en ijverzucht tusschen de Hooglanders
-en Laaglanders gaven tallooze andere aanleidingen tot twisten. De voornaamste geslachten
-in Schotland waren tegen elkander in het harnas gekomen. Dit alles verwekte zulk een
-algemeenen argwaan, dat de eenzame vreemdeling op zijne reizen steeds allerlei onaangename
-ontmoetingen te duchten had. Ik onderwierp mij geduldig aan mijn lot, en troostte
-mij met de hoop, om <span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285">285</a>]</span>van den gevangene nog eenige berichten aangaande Rashleigh en diens listen te erlangen.
-Mijne bedoeling was echter geenszins alleen eigenbelang. Ik had te veel <span class="corr" id="xd29e4100" title="Bron: symphatie">sympathie</span> voor mijn zonderlingen vriend, dan dat ik niet zou gewenscht hebben, hem van dienst
-te zijn, nu hij dit in zijn ongelukkigen toestand zoo dringend noodig had en op welke
-wijze ik maar zou kunnen.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXIII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Bestijgt de brug en spant zijn boog
-</p>
-<p class="line">En springt in &#x2019;t kille nat,
-</p>
-<p class="line">En zwemt met kracht en komt aan wal
-</p>
-<p class="line">Verdwijnt langs kronk&#x2019;lend pad.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Gil Morrice.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e767"><span class="xd29e767init">A</span>an beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten tegen de rotsen
-en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden langzaam aftrokken. Galbraith&#x2019;s
-troep wendde zich rechts en ging over de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel
-te bereiken, waar hij de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over
-de rivier leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het gezicht,
-daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.
-</p>
-<p>Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet den gevangene,
-ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter een man van zijn gevolg, met
-name Ewan en Brigglands, die zich door zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde,
-op het paard plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op &#x2019;s
-ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk te ontkomen.
-Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen rijden. Overigens waren wij dicht
-door de andere ruiters omringd, als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds
-hadden wij één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die men
-op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen &#x2019;s hertogs bedienden,
-die in grooten getale den trein volgden, zonder zich onder de geregelde troepen te
-mengen.
-</p>
-<p>Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten overtrekken. De Forth
-is, zelfs daar, waar die niet breed is, van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs
-een steil, smal pad, waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl
-de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten de daaropvolgenden aan
-<span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286">286</a>]</span>den oever stilhouden, waardoor oponthoud, en zelfs eenige verwarring ontstond, daar
-verscheidene ruiters, die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare
-plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was, insgelijks min
-of meer in wanorde brachten.
-</p>
-<p>Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik, dat Robbert den
-man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde: »uw vader, Ewan, zou een oud vriend
-waarlijk niet als een kalf ter slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen
-in het gansche Christendom dat van hem gevergd.&#x201d;
-</p>
-<p>Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen, dat hij hier niet
-vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders, maar hij kon er niets aan veranderen.
-</p>
-<p>»En als Mac-Gregor&#x2019;s stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij ziet de ledige
-schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit het dak van uwe woning slaan,
-dan zult gij zeker bij u zelven zeggen: ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd
-geweest, dan zou ik zeker dat alles niet verloren hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen enkel woord.
-</p>
-<p>»Het is toch wel jammer,&#x201d; vervolgde Robbert en fluisterde zijne vleiende woorden Ewan
-zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde,
-om hem zijn laatste hoop op ontvluchting te benemen.&#x2014;»Het is wel jammer, dat Ewan,
-wien Robbert Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft verleend,
-liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij dankbaar het leven van
-zijn vriend redt!&#x201d;
-</p>
-<p>Ewan scheen getroffen, maar zweeg.
-</p>
-<p>Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den gevangene over!&#x201d;
-</p>
-<p>Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen: »Weeg toch
-het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig losgemaakten buikriem! want hier
-en hier namaals zal van dat bloed rekenschap gegeven worden;&#x201d;&#x2014;reden zij mij snel voorbij
-en spoedden zich te water.
-</p>
-<p>»Nog niet! nog niet, mijnheer!&#x201d; riepen eenige ruiters mij toe, toen ik Ewan en Robbert
-volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij het flauwe licht van den vallenden
-avond zag ik den hertog aan den anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger,
-deels lager, aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds overgetrokken,
-anderen bevonden zich nog midden in het water, en de overigen maakten zich gereed
-om hunne kameraden te volgen, toen een plotseling gedruisch in het water mij te kennen
-gaf, dat Mac-Gregors welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog
-hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.
-</p>
-<p>»Schurk!&#x201d; riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw gevangene?&#x201d;&#x2014;En zonder
-de verontschuldiging af te wachten, die de <span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287">287</a>]</span>bedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool op hem los.&#x2014;Of hij
-hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar hij voegde er dadelijk bij, terwijl
-hij zich naar de overige ruiters keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd
-guinjes voor hem, die mij Robbert terug brengt!&#x201d;
-</p>
-<p>De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste verwarring. Robbert,
-dien Ewan buiten twijfel door den buikriem, waarmede zij samengebonden waren, los
-te maken bevrijd had, was ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het
-paard weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik naar de oppervlakte
-te komen ten einde adem te halen, verried hem weldra het scheren van zijn bonten plaid.
-Eenige ruiters stortten zich dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende,
-dan weder ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen, minder
-ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende richtingen langs beide
-oevers op en neder, om de plaatsen in het oog te houden, waar de vluchteling zou kunnen
-landen. Het luid herhaalde geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men
-eenig teeken van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank der
-pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat slechts eenigszins
-argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters, die her- en derwaarts in de rivier
-en langs den oever reden en hunne lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid
-trok; de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit alles
-in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een somberen herfstavond
-nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste tooneel, dat ik ooit aanschouwd had,
-en in deze aanschouwing bleef ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters
-zich verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop hunner nasporingen
-te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er naderhand volkomen van overtuigd, dat
-velen van degenen, die zich het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling
-te ontdekken, eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht
-worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring te vermeerderen
-en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan zijne vervolgers te ontkomen.
-</p>
-<p>Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in &#x2019;t geheel niet
-moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen, die hem nazetten, een weinig bekoeld
-was. Eens waren zij hem echter zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en
-sabelhouwen in het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die
-ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den neus boven het
-water stak om adem te halen, door de honden ontdekt werd, maar door dadelijk weder
-onder te duiken hun ontsnapte. Robbert redde zich echter veel sluwer dan de otter;
-en wel op het oogenblik, waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen
-list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid en liet dien met
-den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene opmerkzaamheid <span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288">288</a>]</span>een poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden ruiters het spoor missen en
-hij ontkwam.
-</p>
-<p>Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd het nagenoeg
-onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was op vele plaatsen te diep, de
-oever te steil en bijna overal met dichte bosschen bezet, die zoo ver over het water
-hingen, dat de ruiters dien niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten
-verscheidene dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden,
-er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen duister was geworden,
-meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen werden door de snelheid van den stroom
-medegesleept en riepen hunne kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren
-zelfs, door het verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp,
-of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs nu en dan bloedige
-gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein tot den terugtocht. De hertog had,
-hoe noode ook en vol ergernis, voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi,
-die hem zoo onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de ruiters
-zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende, te scharen. Ik zag
-hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken oever der rivier trekken. Het gedruisch
-daarvan, eerst door het veel luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd,
-hoorde ik nu te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde soldaten.
-</p>
-<p>Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige aanschouwer van
-het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep nu eene luide stem: »Waar is
-de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes, om den riem door te snijden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een paar kogels door
-den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!&#x201d; aldus brulden verscheidene stemmen door
-elkander. Ik hoorde eenige ruiters heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of
-zij waren voornemens deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke
-van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften door niets getemd
-werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en dan onderzoeken zouden, of zij
-daaraan wel goed hadden gedaan. Dit denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen,
-hetwelk ik los liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en meer
-vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen ontdekt worden. Was ik
-dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne bescherming hebben ingeroepen. Maar
-hij had zijn terugtocht reeds aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen
-één officier, wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen, als
-ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in zulke omstandigheden,
-geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven noodeloos in gevaar te stellen. Toen
-het alarm begon te verflauwen en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats
-zich <span class="pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289">289</a>]</span>zeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te zoeken, zoodra
-alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven, als een getrouw onderdaan, die
-de gerechtigheid niet vreezen, en die, als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.
-</p>
-<p>Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in het rond.
-</p>
-<p>Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige ruiters bevonden
-zich nog op den linkeroever der rivier. Van den anderen kant klonk de verwijderde
-hoefslag der paarden en het geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde,
-om de achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik had geen
-paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel, dat zoo even plaats gehad
-en haar in haren loop verontrust had, in het flauwe licht van de opkomende maan zeer
-dreigend vertoonde, noodigde waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven.
-Geenszins aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te voren
-gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om niet door den stroom
-medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den zadel in de diepte zonken. Bleef ik
-daarentegen op den linkeroever der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan,
-na alle geleden ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten
-hemel te moeten doorbrengen.
-</p>
-<p>Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de andere bedienden
-de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon was zich onbescheiden op te dringen,
-niet in gebreke zou blijven, om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten.
-Het scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om mijn goeden naam
-te redden en daarbij gevaar te loopen van in de rivier te verdrinken. Ja, als ik ook
-behouden den tegenoverliggenden oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen,
-of door een achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg terug
-te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van Robbert had ik niets te
-vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde niet, of, als ik onder eenigen van zijn
-volk mocht vallen, ik zou mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk
-maken en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen, dat het
-geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te verlaten, waarin hij
-hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk kon ik slechts langs dezen weg
-hopen, tijding aangaande Rashleigh en mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste
-aanleiding tot een reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren.
-Ik keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.
-</p>
-<p>Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief, verdeelde de nevelwolken,
-die anders tot het aanbreken van den dag het gansche dal zouden overdekt hebben; maar
-zij werden niet geheel en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa&#x2019;s,
-zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden, dàn <span class="pagenum">[<a id="pb290" href="#pb290">290</a>]</span>weder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke rotsklompen, van de
-klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De maan, die thans hoog en helder
-aan den kouden nachthemel schitterde, verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten
-en de steile ruwe wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door
-de dichtere nevelmassa&#x2019;s naar het scheen ingezogen werden, en de lichtere losse wolkjes
-in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij dit inderdaad bekoorlijke gezicht en
-den verlevendigenden invloed der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken
-toestand, mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in eene gemoedsstemming,
-die mij in staat stelde om elke zorg van mij te werpen, alle gevaar onverschrokken
-te gemoet te gaan, en ik floot onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord,
-mijne schreden verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam,
-naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen welke ik in mij
-zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met mijne gedachten en de gewaarwordingen,
-die zij in mij verwekten, bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat
-ik hen eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan mijne linkerzijde
-deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het mijne houden en sprak mij aldus in
-het Engelsch aan: »Wel vriend, waarheen zoo laat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Naar mijne herberg te Aberfoil,&#x201d; gaf ik ten antwoord.
-</p>
-<p>»Zijn de wegen veilig?&#x201d; vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.
-</p>
-<p>»Dat weet ik niet,&#x201d; hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom, zal ik dat wel vernemen.
-Maar,&#x201d;&#x2014;voegde ik er bij, toen ik mij het deerniswaardige lot van den ongelukkigen
-Morris herinnerde,&#x2014;»zoo gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag
-af te wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou er niet
-voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen veilig is.&#x201d;
-</p>
-<p>»De militairen zijn geslagen, niet waar?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met eenige weinigen
-van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Weet gij dat zeker?&#x201d; vroeg de onbekende.
-</p>
-<p>»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige van het gevecht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er geen deel aan?&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel wis en waarachtig niet!&#x201d; antwoordde ik. »Ik werd door dien officier in arrest
-gehouden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik weet inderdaad niet,&#x201d; hernam ik, »waarom ik een onbekenden vreemdeling zoo vele
-vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg gezegd, om u te overtuigen, dat gij
-u in een onrustig, gevaarlijk oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak;
-maar daar ik u <span class="pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291">291</a>]</span>noch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met dergelijke vragen
-evenmin lastig te vallen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Als mijnheer Frans Osbaldistone&#x201d;&#x2014;zei de andere persoon met eene stem, die al mijne
-zenuwen deed trillen&#x2014;»onbekend wenscht te blijven, dan moet hij zijn geliefkoosd liedje
-niet fluiten.&#x201d;
-</p>
-<p>En Diana Vernon&#x2014;want zij was het, die in een grooten ruitersmantel gehuld was&#x2014;floot,
-mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied, dat mij juist, toen zij mij inhaalden,
-op de lippen zweefde.
-</p>
-<p>»Rechtvaardige hemel!&#x201d; riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt gij het, Freule
-Vernon?&#x2014;hier in dit oord&#x2014;op zulk een uur&#x2014;in zulk een wetteloos land, gekleed&#x2014;in.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten laatste blijkt
-de filosofie van korporaal <span class="ex">Nym</span> toch de beste: de wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon helderen straal der
-maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik tot
-jaloezie geprikkeld werd, verrast als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk
-een gevaarvollen tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem
-van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon was dieper en gebiedender.
-Ook was hij hooger van gestalte dan mijn vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden
-ook niet aan een mijner overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak
-droegen geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste woorden
-den man van verstand en opvoeding herkent.
-</p>
-<p>Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.&#x2014;»Diana,&#x201d; zeide hij op een toon,
-die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef zijn eigendom terug: wij moeten
-hier niet veel tijd verspillen.&#x201d;
-</p>
-<p>Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en toen zij zich van
-haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op een toon, waarin opgeruimde ernst met
-dieper gevoel en aandoening scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben
-tot uw beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af te staan.
-Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was, het dorp Aberfoil bereikt,
-dan zou ik wel een gedienstigen geest uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze
-belangrijke papieren in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven
-overal langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen zich
-niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat ook niet, neefje!&#x201d;
-</p>
-<p>»Diana,&#x201d; hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren, dat de nacht op
-handen is, en dat wij nog ver van huis zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik kom, ik kom!&#x201d; antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende bij: »bedenk toch,
-dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen wil gewoon ben geworden. Ook heb
-ik mijn neef het pakje nog niet gegeven, noch hem vaarwel gezegd&#x2014;voor altijd! Ja,
-Frans!&#x201d; vervolgde zij&#x2014;»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden&#x2014;een <span class="pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292">292</a>]</span>onoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen wij ons ook
-begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen, moogt gij geen deel nemen.
-Vaarwel! Wees gelukkig!&#x201d;
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p292width"><img src="images/p292.png" alt="" width="501" height="348"></div><p>
-</p>
-<p>Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte haar gelaat, misschien
-niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij drukte mijne hand, terwijl de traan,
-die in haar oog glinsterde, op mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik&#x2014;onuitsprekelijk
-bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden nog eenmaal de
-gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar het was slechts voor een oogenblik.
-Zich dadelijk herstellende van de aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven,
-zeide Diana tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij gaven
-hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd, waar ik vol verbazing
-bleef staan.
-</p>
-<p>Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde, dat ik Diana&#x2019;s halve
-omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht te beantwoorden. Het woord bestierf mij
-op de lippen, zoo bedwelmd was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk,
-met het pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken wilde tellen,
-die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen spatten. Ik volgde hen met mijn
-blik, tot zij geheel uit het gezicht waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van
-den hoefslag voor mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen
-in de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar was. Ik droogde
-ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige
-opwelling in keel en borst. Ik zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste
-tranen, die ik sinds <span class="pagenum">[<a id="pb293" href="#pb293">293</a>]</span>mijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op dien eenzamen weg in het woeste
-Schotsche Hoogland.&#x2026;.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXIV.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd29e412">Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaarder
-</p>
-<p class="line">nog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dien
-</p>
-<p class="line">hij verklaart!
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>De Criticus.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e2474"><span class="xd29e2474init">N</span>iet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen loop. Weldra schaamde
-ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij, dat ik sedert eenigen tijd, wanneer
-Diana&#x2019;s beeld mij voor den geest kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen,
-aan wier welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie ik in het
-vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht aan hare met moeite onderdrukte
-teederheid in hare houding, aan de treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik
-een poos geheel aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter
-weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden nauwkeurig te
-toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was, toen die zonderlinge verschijning
-mij verraste.
-</p>
-<p>»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo ernstig roerend
-gegeven heeft,&#x201d;&#x2014;zeide ik tot mij zelven.&#x2014;»Ik wil immers mijne reis slechts langs den
-eenigen open weg vervolgen. Mijns vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen.
-Maar mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend Jarvie. Ik
-moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij om mijnentwil geraakt is.
-En waar anders dan te Aberfoil zou ik een nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár
-blijven; te paard kunnen zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien,
-en dan misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie de gelukkige
-is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te weten komen, of er in den
-neteligen toestand, waarin zij zich schijnt te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag
-uit den weg te ruimen; of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid,
-voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen.&#x201d;
-</p>
-<p>Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig verlangen om Diana
-nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken, met elk schijnbaar voorwendsel,
-dat ik maar wist te bedenken.&#x2014;Terwijl <span class="pagenum">[<a id="pb294" href="#pb294">294</a>]</span>ik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een slag op den
-schouder ontving, een »holla!&#x201d; achter mij, en de diepe stem van een Hooglander, die
-nog vlugger ging dan ik, riep mij toe: »Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone!
-wij hebben elkander wel eens vroeger om dezen tijd ontmoet.&#x201d;
-</p>
-<p>Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn vervolgers ontkomen,
-bevond hij zich thans op den terugweg naar zijne woestenij en zijne bende. Ook had
-hij zich weder gewapend, waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder
-hing een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In eene andere
-gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn geweest, met een man van
-zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo laat in den avond alleen te zijn. Want
-hoezeer ik ook gewoon was, Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen,
-dat na al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor hem was.
-</p>
-<p>En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche bergbewoners
-hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon, zoowel wegens de vele keelklanken,
-welke zij bezigen, als omdat zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken.
-Daarbij had Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed,
-dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk, plotseling of treffend
-het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon, en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid
-vertrouwende, was hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen
-waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo al de gevaren
-en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel vernietigd hadden. Daarbij kwam
-nog, dat ik eerst kort te voren getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een
-smeekende, weerlooze ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.
-</p>
-<p>Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik in het gezelschap
-van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij aan de hoop over, dat ik door
-zijne hulp een leiddraad in den doolhof zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij
-gebracht had. Hartelijk beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk
-met zijne redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen te
-zijn.
-</p>
-<p>»Nu ja,&#x201d; zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand even groot, als tusschen
-den beker en den mond. Maar mijn gevaar was geringer, dan gij u misschien verbeeld
-hebt, omdat gij hier te lande een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten
-gevangennemen, vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in
-het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was een deel te bang
-om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met een handvol volks, in &#x2019;t geheel geen
-vijftien man, te doen.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst in <span class="pagenum">[<a id="pb295" href="#pb295">295</a>]</span>de Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in de herberg en
-van Jarvie&#x2019;s heldendaad met het gloeiende rakelijzer.
-</p>
-<p>»Leve Glasgow!&#x201d; riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens willen bijwonen!
-Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde!
-Ja! neef Jarvie,&#x201d; voegde hij er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne
-aderen, ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om den moed
-van een flink mensch uit te dooven.&#x2014;Overigens zult gij licht kunnen gissen, waarom
-ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik voor een paar dagen wegens eene zaak
-van groot belang voor den koning te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen;
-maar ik verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan zullen zij
-den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien, zoo als zij gedaan hebben.
-Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke
-zaak strijden zullen.&#x2014;Nu, wat gebeurde er verder?&#x201d;
-</p>
-<p>Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en mijne reisgenooten
-als verdachte personen in hechtenis had genomen, en toen ik, op Robberts nader vragen,
-hem mededeelde wat Thornton van zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren
-gezegd had, begon hij weder luidkeels te lachen.&#x2014;»Zoo waar ik leef,&#x201d; zeide hij, »zij
-hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana Vernon gehouden.
-O, die sluwe nachtuilen!&#x201d;
-</p>
-<p>»Freule Vernon?&#x201d; vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het antwoord. »Heet zij
-nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man, die eenige macht over haar scheen
-te hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja!&#x201d; hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu, het was met dat
-wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een moedig meisje: dat moet tot hare
-eer gezegd worden. Jammer, dat zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling
-als gij, of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding, in weerwil van mijn
-verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd had! Ik had trouwens inderdaad niets
-anders te verwachten, daar ik onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die
-rechtmatige aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op zulk
-een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet minder smartelijk,
-en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden, toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal
-te vervolgen.&#x2014;
-</p>
-<p>»Gij zijt ziek,&#x201d; zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had, zonder antwoord
-te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest voor iemand, die buiten twijfel
-aan dergelijke dingen niet gewoon is.&#x201d;
-</p>
-<p>De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven, en herinnerde
-mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert
-verheugde zich innig over den gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.
-<span class="pagenum">[<a id="pb296" href="#pb296">296</a>]</span></p>
-<p>»Men zegt wel eens,&#x201d; zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is dan het koren
-van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van &#x2019;s konings soldaten niet kunnen
-zeggen. Toch hebben zij zich laten vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk
-niet meer vechten kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten,
-en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie zou gedacht hebben,
-dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken kop zat. Maar verder! Ik ben al bang
-voor hetgeen volgen zal. Mijne Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin!
-Dat arme schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!&#x201d;
-</p>
-<p>Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen, hoe men ons
-ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat mijn verhaal hem zeer pijnlijk
-was.
-</p>
-<p>»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!&#x201d; zeide hij. »Vreemdelingen
-te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef die zoo goedig, zoo welwillend jegens
-mij was! Liever wilde ik, dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden.
-Maar zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten van maat
-noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft de schuld aan alles. Hij
-bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien
-ik op eene bepaalde plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege
-den koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was, dat Galbraith
-van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich voor koning Jakobus wilden verklaren.
-Maar ik merkte al terstond, dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog
-er was. Toen zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel gissen,
-wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe knaap, met uw verlof, en
-gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij
-zelf er zich niet mede bemoeid heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen
-ik besloot, dat hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven.
-Maar ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend hebben; en nu
-zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij zal komen. Zonder losgeld niet,
-dat durf ik u wel verzekeren.&#x201d;
-</p>
-<p>»Morris,&#x201d; hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat een mensch betalen
-kan.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat zegt gij daar?&#x201d; riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het gevecht gesneuveld?&#x201d;
-</p>
-<p>»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was, mijnheer Campbell!&#x201d;
-hernam ik.
-</p>
-<p>»In koelen bloede? Vervloekt!&#x201d; mompelde Robbert. »Maar hoe kwam dat? Zeg mij alles,
-en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik sta hier weder op mijn geboortegrond,
-en mijn naam is Mac-Gregor.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn ruwen toon te storen,
-verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris vermoord was.
-<span class="pagenum">[<a id="pb297" href="#pb297">297</a>]</span></p>
-<p>Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den grond en riep uit:
-»Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan, vaderland, vrouw en kinderen afzweren!
-En toch, de schurk heeft het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk
-hetzelfde, of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met een
-strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles op verstikken uit, en
-hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als hij mij toegedacht had. Maar veel beter
-zou het mij bevallen hebben, als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere
-wereld geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd, zal veel onnut
-gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot, en waar is het, dat Helena Mac-Gregor
-zware grieven te wreken heeft!&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd te zetten. Hij vroeg,
-hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal
-was kort, en ik voegde er nog bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren
-was geraakt, maar waagde het niet Diana&#x2019;s naam te noemen.
-</p>
-<p>»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik,&#x201d; zei Mac-Gregor. »De brief, dien
-gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne Excellentie daarin toestemde,
-en zeer zeker was ook ik voornemens, u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u
-uitgenoodigd, om in onze gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh
-eerder gevonden, dan ik dacht.&#x201d;
-</p>
-<p>Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.
-</p>
-<p>»Was dan,&#x201d; vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien gij Excellentie
-noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mij dunkt,&#x201d; hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het u al tamelijk onverschillig
-moet zijn, en daarom zal ik u ook van dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja,
-ik wist dat de brief van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe
-zaak bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb met mijne eigene
-zaken.&#x201d;
-</p>
-<p>Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer had gezien; vervolgens
-al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie was opgewekt geworden: den handschoen,
-de beweging van het behangsel, dat den geheimen gang naar Rashleigh&#x2019;s verblijf bedekte.
-Ik herinnerde mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals
-geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne toevlucht moest
-zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid doorgebracht, maar aan de vleierijen
-van een vermetelen aanhanger der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk in
-<span class="corr" id="xd29e4249" title="Bron: haars">haar</span> ooms huis ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door goud
-verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde ontrouw. Maar Diana heeft
-mijne en hare liefde opgeofferd, om in het lot van een ellendigen avonturier te deelen,
-om bij nacht in woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop
-om daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en geluk, die
-het nog armzaliger <span class="pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298">298</a>]</span>hof van den naamkoning (den Pretendent) in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog
-eenmaal zien, dacht ik. Ik zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar
-onderhouden, waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk gemakkelijk
-maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den afloop der onlusten afwachten
-waarmee de bedrieger, met wien ze haar lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.
-</p>
-<p>»Het schijnt dus,&#x201d; zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben, »dat zijne Excellentie,
-zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn naam niet ken, ter zelfder tijd met
-mij in het kasteel Osbaldistone zijn verblijf hield?&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist!&#x201d; antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana, wat ook wel het
-raadzaamste was.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn ijverzuchtigen toorn.
-</p>
-<p>»Maar slechts zeer weinigen,&#x201d; vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh en de ridder Hildebrand,
-wisten, dat hij zich daar bevond. Gij mocht niets vermoeden. En de overige heeren,
-uwe neven, bezitten niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot
-kunnen wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje, met zijn
-vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er twintig of dertig man kunnen
-verbergen, en er zou eene geheele week kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen
-ontdekten. Bij sommige gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte
-wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij, arme Hooglanders,
-moeten ons met bosschen en holen behelpen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vermoedelijk,&#x201d; vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste ongeval van.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Die historie van dien Morris, meent ge?&#x201d; vroeg Robbert op koelen toon, toen ik plotseling
-zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden gewoon, dan dat de aandoening, welke
-hij in het eerst had laten, blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk,&#x201d;
-hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik, sedert die noodlottige
-historie aan het meer, dat nu niet nog eens willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie
-wist er volstrekt niets van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat
-naderhand gebeurde&#x2014;dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te wenden
-en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer genegen was,&#x2014;dat freule
-Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb weder vernietigen en u uit de klauwen der
-heilige gerechtigheid rukken zouden,&#x2014;en dat de verschrikte Morris geheel en al van
-zijn stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat hij een onschuldig
-mensch aanklaagde&#x2014;o daarover heb ik nog dikwijls moeten lachen. En wat kan ik nu voor
-den armen drommel anders doen, dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mag ik vragen,&#x201d; hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed op Rashleigh en
-zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was, om uwe plannen te verijdelen?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299">299</a>]</span></p>
-<p>»Het zijn geen plannen van mij?&#x201d; zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets mede te maken.
-Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens anders schouders heb gelegd.
-Maar, het is waar, zij heeft grooten invloed op ons beiden, wegens de genegenheid
-van zijne Excellentie, en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam
-zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan vrouwen een geheim
-toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt, om er misbruik van te kunnen maken!
-Kinderen en gekken moet men geen mes in de hand geven.&#x201d;
-</p>
-<p>Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders kwamen op ons af,
-en riepen ons dreigend toe stil te staan en op hunne vragen te antwoorden. Maar het
-enkel woord Gregarach, dat mijn reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak,
-werd eensklaps met een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen
-beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van zijn opperhoofd
-zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon ontslaan, en liet nu een stroom
-van <span class="corr" id="xd29e4267" title="Bron: Gaelsche">Gaelische</span> gelukwenschen volgen, welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief.
-De beide anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij was, als
-hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het dorp, dat door een sterke
-bende van Mac-Gregors partij bezet was, &#x2019;t eerst de tijding van Robberts ontvluchting
-en terugkomst zou brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen,
-dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen en kinderen liepen
-ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige gedruisch en het geschreeuw der uitbundig
-vroolijke menigte hoorde, oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren,
-dat ik een vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus bij
-de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen van innige genegenheid
-en hartelijke vreugde over zijne terugkomst, ons omringde. En niet eerder gaf hij
-zijnen aanhangers de hand, naar welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen
-had gegeven, dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.
-</p>
-<p>Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden gehoorzaamd. Maar
-nu werden hunne welmeenende oplettendheden mij bijna even lastig als vroeger hunne
-ruwe en onbeschofte behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen
-op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien ik in het gedrang
-niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld meester van mijn persoon en droegen
-mij op hunne armen naar de herberg.
-</p>
-<p>Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest ook in het
-Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer Mac-Gregor in de hut kon komen,
-waar hij rust en verkwikking hoopte te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne
-ontvluchting ten minste tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard
-merkte, die Robberts verhaal even vaak tot mijne <span class="pagenum">[<a id="pb300" href="#pb300">300</a>]</span>stichting vertolkte, waarnaar ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare
-aandacht te luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele
-groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te zoeken. Sommigen
-verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen betreurden het ongeluk, dat Ewan
-zich door zijne edelmoedigheid jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen
-waren het eens, dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd
-van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht, Dugald Ciar; ja dat
-ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren van dien aard bekend was.
-</p>
-<p>Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in dat rookerig
-nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij waren nergens te vinden,
-en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen
-zou verraden, welke het veel beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend
-persoon dan alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene zekere
-fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens den min aangenamen toestand,
-waarin hij zich bevond, beklaagde, en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.
-</p>
-<p>»Ik ben redelijk wel, neef,&#x201d; antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God zij dank! en ik
-dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak betreft hier,&#x2014;nu ja, men kan zijn
-eigen huis niet als een slak op zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij
-uit de handen uwer vijanden verlost zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dank u!&#x201d; hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt u toch? Kom, laat
-ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester, weigerde nooit een dronk, wanneer die
-door mij of een ander goed vriend hartelijk aangeboden werd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan ééne wijze
-geworden. Maar,&#x201d; vervolgde hij, terwijl hij langzaam een houten beker vulde, die geenszins
-tot de kleinste behoorde;&#x2014;»hij was niettemin een zeer matig man, even als ik; dat
-weet iedereen die mij kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!&#x201d;
-en hij nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van mijne
-lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch moet ik u aanstonds
-nog iets van hen zeggen.&#x201d;
-</p>
-<p>Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste deftigheid. Robbert
-knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de houding van den ouden man, die
-hier, waar Robbert zich aan het hoofd van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust
-en hooghartig praatte, als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne
-macht was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven, dat hij
-den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de rechten der gastvrijheid,
-maar nog meer om de grap, duldde.
-</p>
-<p>Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij groette <span class="pagenum">[<a id="pb301" href="#pb301">301</a>]</span>mij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al hetgeen, wat ik hem verhalen
-wilde.
-</p>
-<p>»Daarover later!&#x201d; viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet ik, zoo als billijk
-is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef spreken. Robbert,&#x201d; vervolgde hij,
-»ik hoop toch niet, dat hier iemand is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik
-u hier onder de roos zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow,
-hetzij naar elders.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wees onbezorgd!&#x201d; hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden verstaat niet eens,
-wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet naar. Ik zou ook iedereen de tong
-uitrukken, die zich verstoutte, wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders
-over te praten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!&#x201d; antwoordde Jarvie. »Den heer Osbaldistone
-ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat mij dus zonder omwegen of
-achterhoudendheid spreken en u ronduit zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij
-niet kwalijk, heel slecht opvoedt.&#x201d;&#x2014;Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk
-glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf, op welken voet
-gij met de heilige gerechtigheid staat,&#x2014;en mijne nicht Helena&#x2014;nu, hoe ze mij ontvangen
-heeft, wil ik u liefst niet verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins
-zoo als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit alleen aan
-hare ongerustheid over u&#x2014;maar wat ik u van uwe vrouw moet zeggen.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Stil! geen woord verder!&#x201d; viel Robbert hem op ernstigen toon in de rede. »Zeg mij
-volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en een echtgenoot vernemen mag.
-Van mij zelven kunt gij alles zeggen, wat u lust.&#x201d;
-</p>
-<p>»Goed, goed!&#x201d; antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat dan daar laten.
-Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid zou willen stichten. Maar
-uwe beide jongens, Robbert en Hamisch&#x2014;dat beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste
-gezegd heeft&#x2014;het zou eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want
-Hamisch, <span class="corr" id="xd29e4291" title="Bron: Echain">Eachin</span> en Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor het gerecht hoort noemen,
-als er veedieverij gepleegd is. Nu dan, uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding.
-Zij kennen niet eens de tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige
-kennis is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide, lachten
-zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig, dat zij lezen, noch schrijven,
-noch rekenen kunnen.&#x2014;Iets dergelijks van zijne bloedverwanten in een Christenland
-te gelooven&#x2014;het is wezenlijk te erg.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Als zij het konden, neef,&#x201d; antwoordde Robbert, »dan zouden zij het zich zelven hebben
-moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen een leermeester hebben kunnen krijgen.
-Moest ik misschien te Glasgow aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten
-laten aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester voor zijne
-zonen?&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb302" href="#pb302">302</a>]</span></p>
-<p>»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen moeten zenden,
-waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde lieden hadden kunnen leeren. Zij
-zijn waarachtig zoo dom als het vee, dat gij anders naar de markt dreeft, of als de
-Engelsche boerenlummels, die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!&#x201d;
-</p>
-<p>»<i>Niets goeds</i> is niet geheel juist,&#x201d; antwoordde Robbert; »Jakob kan een korhoen in de vlucht doodschieten,
-en Robbert stoot een dolk door eene plank van twee duim dikte.&#x201d;
-</p>
-<p>»Des te erger voor beiden!&#x201d; zeide Jarvie op beslissenden toon; »des te erger! Kunnen
-zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om hunnentwil, dat zij volstrekt
-niets konden. Zeg mij eens, neef, wat hebt gij toch met al dat schieten, houwen en
-steken gewonnen? Waart gij niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk
-bedrijf uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd van uwe
-Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?&#x201d;
-</p>
-<p>Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus aansprak, onaangenaam
-te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten
-heeft, geen klacht te laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar
-goed gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den zonderlingen
-man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam, zonder dat ik er mij in behoefde
-te mengen, alras van zelf een einde.
-</p>
-<p>»Gij, Robbert,&#x201d; vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het zwarte boek,
-dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu te oud om van aard te veranderen.
-Maar jammer, eeuwig jammer zou het zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de
-hel opgroeiden. Gaarne wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even
-als ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger, de wijkmeester,
-ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever van alles goeds! slechts in
-het groot handel drijf&#x2014;en.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een oogenblik. Maar toen ging
-hij voort om zijn naar het scheen minder welgevallig voorstel eenigszins te verzachten:
-»Kijk maar zoo zuur niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen;
-en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark.&#x201d;
-</p>
-<p>»Alle duivels!&#x201d; riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op en neer; »mijne
-zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van geheel Glasgow in lichtelaaie zien
-staan!&#x201d;
-</p>
-<p>Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een uitvoerig antwoord
-op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed en daarenboven gevaarlijk was, bij
-onzen gastheer op dit punt nog verder aan te dringen.
-</p>
-<p>Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel op. »Kom, het
-was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij dus de hand maar, neef Nikolaas!
-Wanneer ik mijne zonen ooit wevers wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben.
-Maar nog iets: gij spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog niet <span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303">303</a>]</span>vereffend zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!&#x201d;
-</p>
-<p>De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts luitenant scheen te
-zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen tasch van zee-ottervel te voorschijn.
-Ze was rijk met zilveren borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders
-in volle statie plegen te dragen.
-</p>
-<p>»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met het geheim bekend is,&#x201d;
-zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes en koorden losmaakte en op een stift drukte,
-waardoor het slot der tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong.
-En nu toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie wilde afbreken,
-eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan de trekker door eene vernuftige
-inrichting met het slot zoodanig in verband was gebracht, dat elken onkundige, die
-het slot wilde openen, de lading treffen moest.&#x2014;»Dit,&#x201d; zeide hij, op de pistool wijzende,
-»is mijn thesaurier-generaal.&#x201d;
-</p>
-<p>Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht was om een eenvoudige
-tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon, zonder aan het slot te komen; het
-herinnerde mij aan de verzen van de Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses,
-in nog ruwer tijden, zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist
-geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.
-</p>
-<p>Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen hij zijne nieuwsgierigheid
-bevredigd had, de tasch glimlachend terug, terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert,
-hadden alle menschen hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet
-zijn, als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Geloof mij, neef,&#x201d; antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij is steeds open
-voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld te betalen. Ziedaar uwe duizend
-mark,&#x201d; vervolgde hij, een rolletje goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult
-bevinden, dat gij tot den laatsten duit betaald zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in de hand en
-zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert; ik wil er volstrekt niets
-mede te doen hebben, want ik weet maar al te wel, langs welke wegen gij aan uw geld
-gekomen zijt. Onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik
-durf het niet aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde.&#x201d;
-</p>
-<p>»Op mijn woord!&#x201d; zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid, »het is goed Fransch
-geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit in den zak van een Schot geweest. Zie
-maar eens vriend, enkel fraaie Louis d&#x2019;or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!&#x201d; zeide Jarvie, de oogen van het
-goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers schenen te jeuken. »Oproer is erger
-dan tooverij of rooverij&#x2014;het strijdt tegen Gods woord.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb304" href="#pb304">304</a>]</span></p>
-<p>»Wees onbezorgd, neef!&#x201d; hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan dat geld. Moge
-het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder aan een anderen koning geven,
-zoo u dat namelijk behaagt. Het zal dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken,
-en juist op een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het, handen
-en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem wel ontbreken.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!&#x201d; hernam Jarvie, die zijnen bril weder
-opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje goud begon te tellen.
-</p>
-<p>»En zeker niemand uit de Laaglanden,&#x201d; zeide Robbert en trok de zware borstelige wenkbrauwen
-op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef, die, zonder Robberts spotachtig glimlachen
-te bemerken, elken Louis d&#x2019;or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.
-</p>
-<p>Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten en kapitaal,
-gaf hij drie Louis d&#x2019;or terug voor een kleed voor zijne nicht, zoo als hij zeide,
-en nog een paar, waarvoor Robberts jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen,
-buskruit alleen uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie&#x2019;s onverwachte
-grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in zijne tasch, waar
-het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn,
-op welker rugzijde hij een kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen.
-Bezorgd keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche wetten,
-zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen onderteekend is.&#x2014;
-</p>
-<p>»In den omtrek van geen drie mijlen,&#x201d; zeide Robbert, »vindt gij, als gij ons drieën
-uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat ons de zaak met minder moeite afdoen,&#x201d;
-vervolgde hij en wierp het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier
-om rekeningen te kwiteeren!&#x201d; zeide hij hierop tegen den van verbazing sprakeloozen
-Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin deze schuldbekentenissen en
-kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid zouden kunnen brengen, omdat zij met mij
-in betrekking hadden gestaan.&#x201d;
-</p>
-<p>Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit oogenblik onze
-avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en zelfs met meer weelde dan zich
-op deze plaats liet verwachten. De meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met
-recht vermoeden, dat zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige
-flesschen goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer bijzonder
-minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning, als eene pastei, of een andere
-schotel, dien men ons voorzette, reeds aangesneden was.&#x2014;»Gij moet weten,&#x201d; zeide hij
-tot Jarvie, en zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten
-in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met mijne beide jongens,
-zooals het betaamde, ook hier wezen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazone <span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305">305</a>]</span>hem recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde gevoelen
-geweest zijn. Maar Robbert&#x2019;s verontschuldiging wekte bij mij het vermoeden, dat zij
-op dat zelfde oogenblik Diana met haren reisgenoot onthaalde&#x2014;haren reisgenoot, dacht
-ik; want mij hem als haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.
-</p>
-<p>Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in mij deden ontstaan,
-en die mij onverschillig voor het goede onthaal maakten, bemerkte ik, dat Robbert&#x2019;s
-vriendelijke oplettendheid ons ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij
-den vorigen nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs den
-wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen bloei was, zoo kunstmatig
-opgevuld, dat het, daar de bloesem naar boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats
-vormde, die met mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen, overdekt
-was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie was van de geleden ongemakken
-en moeilijkheden zichtbaar afgemat en uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te
-verhalen had, tot den volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat
-hij zich aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig, opgewonden.
-Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij ook gevoelde. Dientengevolge
-bleef ik nog bij Robbert zitten praten, en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXV.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ik lijde smart, vertwijfling overmant mij.&#x2014;
-</p>
-<p class="line">Ik zie de laatste blikken van haar oogen,
-</p>
-<p class="line">Ik hoor de laatste klanken van haar lippen.
-</p>
-<p class="line">Haar engelengelaat&#x2014;het was de laatste keer.
-</p>
-<p class="line">Vaarwel mijn zielsgeluk, ik zie het nimmer weer.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Basilius.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">.&#x2026;. »Zeg mij toch, wat ik van u denken moet, mijnheer Osbaldistone,&#x201d; zeide Mac-Gregor,
-terwijl hij mij de flesch toeschoof. »Gij eet niet, gij schijnt geen lust tot slapen
-te hebben, en gij drinkt ook niet. Toch is deze Bordeaux-wijn zoo goed, alsof hij
-uit den kelder van ridder Hildebrand zelven kwam. Waart gij altijd zoo matig geweest,
-dan zoudt gij u den doodelijken haat van uw neef Rashleigh niet berokkend hebben.
-</p>
-<p>»Ware ik altijd voorzichtig geweest,&#x201d; zeide ik, blozend over het voorval <span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306">306</a>]</span>waaraan dit mij herinnerde, »dan zou ik een nog veel grooter kwaad vermeden hebben:
-de wroeging van mijn eigen geweten.&#x201d;
-</p>
-<p>Mac-Gregor wierp een snellen en bijna vertoornden blik op mij, als wilde hij uitvorschen
-of het verwijt, voor hem in die woorden gelegen, opzettelijk gedaan was. Maar hij
-merkte zeer duidelijk, dat ik aan mij zelven dacht. Diep zuchtende keek hij vóór zich
-in het vuur. Ik deed dit insgelijks. Zoo bleven wij gedurende eenige minuten in pijnlijke
-gedachten verdiept.
-</p>
-<p>Alles sliep thans in de hut, of was ten minste doodstil. Wij beiden alleen uitgezonderd.
-Mac-Gregor brak &#x2019;t eerst het stilzwijgen af, en wel op een toon, die duidelijk verried,
-dat het hem moeite kostte, over een onaangenaam en pijnlijk onderwerp te spreken.
-</p>
-<p>»Mijn neef Nikolaas,&#x201d; dus begon hij, »meent het goed, maar hij heeft een man van mijn
-karakter en in mijne omstandigheden te streng behandeld. Hij bedenkt niet wat ik geweest
-ben; wat ik, door dwang genoodzaakt, heb moeten worden, en vooral niet, wat mij gedwongen
-heeft zoo te worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij zweeg, en ofschoon ik zeer wel gevoelde, hoe netelig het onderwerp was, waarop
-het gesprek ons hoogst waarschijnlijk zou brengen, kon ik echter mijn antwoord niet
-terughouden. Ik zeide dat ik er niet aan twijfelen kon, of in Robbert&#x2019;s tegenwoordigen
-toestand moest veel zijn, wat voor zijn gevoel alleszins smartelijk was. »Ja, met
-genoegen,&#x201d; voegde ik er bij, »zou ik vernemen, dat er hier of daar een eerlijk middel
-te vinden was, om u er uit te redden.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gij praat als een kind!&#x201d; antwoordde Robbert op doffen toon, die naar het rollen van
-een verren donder geleek, »als een kind, dat waant, dat een oude knoestige eik zich
-even gemakkelijk laat buigen, als een jonge wilgentak. Kan ik vergeten, dat men mij
-onteerd heeft door mij buiten de wet te verklaren;&#x2014;dat men mij gebrandmerkt heeft
-als een verrader; dat men eene belooning op mijn hoofd heeft gesteld, als ware ik
-een verscheurende wolf; dat men de mijnen behandeld heeft als een vossenpaar met hunne
-jongen, die ieder kwellen, tergen en beschimpen mag; dat men zelfs mijn naam, dien
-ik van eene lange en waarlijk edele reeks van voorvaderen ontving, geschandvlekt en
-bespot heeft voor de gansche wereld!&#x201d;
-</p>
-<p>Onder het spreken zag ik duidelijk, hoe hij zich door het optellen van geleden beleedigingen
-opzettelijk meer en meer driftig maakte, misschien wel om in zijn eigen oogen de dwalingen
-en misstappen te rechtvaardigen, waartoe hij zich had laten verleiden. Dit gelukte
-hem volkomen. Zijne grijze oogen schenen vlammen te schieten, terwijl hij met den
-voet stampte, den greep van zijn dolk vatte, den arm uitstrekte, de vuist krampachtig
-balde en eindelijk opsprong.
-</p>
-<p>»Maar,&#x201d; vervolgde hij op denzelfden doffen toon van gesmoorde drift; »zij zullen voor
-den naam, dien zij gehoond hebben, voor den naam van Mac-Gregor, beven, sidderen!
-Van mijne wraak zullen zij hooren, die niet naar mij hooren wilden, toen ik mij bij
-hen over het mij aangedane onrecht beklaagde. De armzalige Hooglandsche veehandelaar,
-de bankroetier, <span class="pagenum">[<a id="pb307" href="#pb307">307</a>]</span>wien ze alles ontroofden, wien zij onteerd en diep ellendig gemaakt hebben, omdat
-de hebzucht van anderen meer eischte, dan de arme man betalen kon; die zelfde veehandelaar
-zal in eene vreeselijke gedaante gericht over hen houden. Zij, die den kruipenden
-worm bespotten, en onder hunne voeten traden, mogen jammeren en kermen, als zij zien,
-dat de vuurspuwende draak op hen nederschiet. Maar waarom zou ik hierover spreken!&#x201d;
-vervolgde hij op meer bedaarden toon, terwijl hij weder ging zitten. »Gij zult echter
-wel begrijpen, mijnheer Osbaldistone, dat het mijn geduld tergt, als ik gejaagd word
-als een otter, als een zalm in ondiep water, en dat wel door mijne eigen vrienden
-en buren. Een heilige zou het geduld verloren hebben, wanneer men hem met zoo vele
-zwaarden en pistolen bedreigd had, als mij heden bij den overtocht van Arondow overkomen
-is. Hoe veel te meer dan een Hooglander, die wegens zijn taai geduld juist niet zeer
-beroemd is, dat weet gij immers wel! Maar wat Nikolaas mij zeide, speelt mij nog door
-het hoofd. Het spijt mij voor mijne jongens. Mij wordt &#x2019;t wezenlijk niet best te moede,
-als ik denk, dat zij eens in de voetstappen van hun vader zullen moeten treden.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij leunde met het hoofd op de hand en verdiepte zich geheel in gepeins over het lot
-van zijne zonen, terwijl zijn eigen lot hem onverschillig scheen te zijn.
-</p>
-<p>Ik was diep geroerd. De smart van een fier, krachtig, zijner hooge waarde bewust gemoed,
-heeft mij steeds ernstiger getroffen, dan de aandoening van menschen, die lichter
-er toe bewogen werden om hun lijden te toonen. De wensch om hem te helpen kwam in
-mij op, en ik wilde die verwezenlijken, hoe moeielijk, ja zelfs onmogelijk zulks ook
-scheen.
-</p>
-<p>»Wij hebben buiten &#x2019;s lands uitgebreide betrekkingen,&#x201d; zeide ik; »en uwe zonen zouden
-met eene ondersteuning, welke zij gerechtigd zijn van mijns vaders huis te verwachten,
-licht eene eervolle loopbaan in vreemden dienst vinden.&#x201d;
-</p>
-<p>Mijn gelaat moet, naar ik geloof, innige aandoening verraden hebben. Maar Robbert
-liet mij niet verder spreken. Hij vatte mijne hand en zeide: »Ik dank u, ik dank u!
-Maar niets meer daarvan! Ik had niet gedacht, dat iemand nog een traan in Mac-Gregors
-oog zou zien.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende, wischte hij met de vlakke hand den traan uit het oog, dat door de dikke
-roode wenkbrauw overschaduwd werd.&#x2014;»Morgen vroeg,&#x201d; vervolgde hij, »zullen wij hiervan
-nader en ook over uwe aangelegenheden spreken. Want wij begeven ons vroeg op weg,
-al slapen wij hier heden nacht ook als op rozen. Nu nog een enkel glas! Gij doet mij
-toch bescheid?&#x201d;
-</p>
-<p>Ik verzocht daarvan verschoond te worden.
-</p>
-<p>»Welnu, dan moet ik mij zelf bescheid doen!&#x201d; hernam hij en ledigde den vrij grooten
-beker in één teug.
-</p>
-<p>Ik legde mij ter ruste, vast besloten mijne navorschingen uit te stellen, tot ik Robbert
-kalmer gestemd zou vinden. De zonderlinge man had mijne verbeelding dermate opgewekt,
-dat ik niet nalaten kon, hem <span class="pagenum">[<a id="pb308" href="#pb308">308</a>]</span>nog eenige minuten gade te slaan, toen ik mij reeds, als schijnbaar sluimerende, op
-mijn bed had uitgestrekt. Hij ging op en neer, sloeg van tijd tot tijd een kruis,
-en mompelde een Latijnsch gebed, tot hij zich eindelijk in zijn plaid wikkelde, zijn
-ontbloot zwaard aan zijne ééne en een pistool aan zijn andere zijde legde, en de plooien
-van zijn mantel zóó schikte, dat hij, plotseling gewaarschuwd, terstond opspringen
-en, met een wapen in elke hand, tot den strijd gereed zijn kon. Zijn zware, diepe
-ademhaling gaf mij na weinige minuten te kennen, dat hij vast ingesluimerd was. Van
-vermoeienis uitgeput en door de verrassende gebeurtenissen van den vorigen dag als
-bedwelmd, bezweek ook ik weldra voor het onwederstaanbare vermogen van den slaap,
-en ontwaakte niet vóór het aanbreken van den morgen.
-</p>
-<p>Toen ik de oogen opende en mij mijn toestand herinnerde, zag ik, dat Mac-Gregor de
-hut reeds verlaten had. Ik wekte mijn reisgenoot Jarvie, die na veel geeuwen, zuchten
-en klagen over zijne als geradbraakte leden&#x2014;de gevolgen der vermoeienissen van den
-vorigen dag&#x2014;eindelijk in staat was, om de blijde tijding te begrijpen, dat de door
-Rashleigh medegenomen papieren wederom in mijne handen waren. Zoodra hij dit vernomen
-had, vergat hij alle leed, sprong haastig op en vergeleek den inhoud van mijn pakket
-met Owen&#x2019;s inlichtingen. Onder het nakijken mompelde hij: »Juist! juist! Daar is het!
-Baillie en Whittington zeven honderd pond! Er ontbreekt niets aan! Pollock en Peelman,
-acht en twintig pond, zeven shilling: juist! Den hemel zij dank! Grule de Grind! die
-zijn best voor het geld: drie honderd en zeventig! Gliblad&#x2014;twintig! Hm! En Slipprytongae&#x2014;dat
-is mis! maar het zijn kleine sommen! al het overige is in orde.&#x2014;God zij dank! dat
-is het juist, wat wij noodig hebben. En nu hoe eer hoe liever uit dit akelige land!
-Zoo dikwerf ik aan onze lotgevallen denken zal, zal de enkele herinnering mij een
-schrik op het lijf blijven jagen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het spijt mij, neef,&#x201d; zeide Mac-Gregor, die op dat oogenblik weder binnentrad, »het
-spijt mij zeer, dat de omstandigheden mij niet vergund hebben, u te onthalen, zoo
-als ik wel zou gewenscht hebben. Maar als gij mijne geringe woning eens weder bezoeken
-wildet&#x200a;&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Zeer verplicht! zeer verplicht!&#x201d; viel Jarvie hem in de rede. »Neen, wij moeten vertrekken,
-de heer Osbaldistone en ik. Handelszaken dulden geen uitstel.&#x201d;
-</p>
-<p>»Waarde neef,&#x201d; hernam de Hooglander; »gij kent onze gewoonte. »Geef spijs en drank
-den gast, die komt; help hem, wanneer hij henengaat.&#x201d; Maar over Drymen kunt gij, in
-allen geval, niet terugkeeren: ik moet u over het meer laten roeien, en uwe paarden
-kunnen vooruitgaan langs het strand. Een verstandig man keert nooit denzelfden weg
-terug, langs welken hij gekomen is, zoo hij, namelijk, een anderen ter zijner keuze
-heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja, ja, Robbert!&#x201d; hernam Jarvie, »dat is een van de regelen, welke gij geleerd hebt,
-toen gij nog in vee handeldet. Gij hadt toen geen lust, om de landlieden weder te
-zien, wier gras door uw vee op den weg <span class="pagenum">[<a id="pb309" href="#pb309">309</a>]</span>was gegeten. Maar thans hebt gij, geloof ik, op uw weg veel erger sporen achter gelaten
-dan in dien tijd.&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist, daarom moet men, zoo min mogelijk, langs zulk een weg gaan,&#x201d; antwoordde Robbert.
-»Dugald zal uwe paarden geleiden. Wij hebben hem daartoe in uw bediende herschapen.
-Het achtbaar raadslid komt natuurlijk niet van een bezoek bij Robbert Roodhaar, maar
-doet slechts een vreedzamen tocht uit Stirling. Zie, daar komt hij reeds!&#x201d;
-</p>
-<p>De woeste Hooglander, die juist voor de deur der hut verscheen, zag er met den hoed,
-de pruik en den reisrok van onzen Andries uitgedoscht, zoo vreemd uit, dat zelfs Jarvie
-hem niet herkende. Hij besteeg diens paard en geleidde het mijne bij den toom. Nadat
-zijn meester hem bevolen had, zekere plaatsen te vermijden, waar hij argwaan zou kunnen
-verwekken, en tevens om onderweg alle mogelijke berichten in te winnen, draafde hij
-vooruit, om ons bij het veer te verbeiden. Mac-Gregor bood zich aan, om ons op onzen
-weg te vergezellen, en vermaande ons het morgenslokje niet te vergeten, daar wij vóór
-het ontbijt eenigen afstand af te leggen hadden. Jarvie merkte hier op aan, dat het
-ongepast, ja, zelfs gevaarlijk was, den dag met het gebruiken van sterken drank te
-beginnen. Alleen wanneer men de maag tegen de nevelachtige morgenlucht moet beveiligen,
-in dat geval had zijn vader, de wijkmeester, door leer en voorbeeld, een matig slokje
-goedgekeurd.
-</p>
-<p></p>
-<div class="figure p309width"><img src="images/p309.png" alt="" width="495" height="304"></div><p>
-</p>
-<p>»Zoo is het ook, neef!&#x201d; zei Robbert. »Daarom hebben wij, kinderen van den nevel, het
-onbetwistbaar recht verkregen, om van den vroegen morgen tot den laten avond brandewijn
-te drinken.&#x201d;
-</p>
-<p>Na eenige ververschingen genomen te hebben, besteeg Jarvie een Hooglandsch hitje.
-Ik bedankte echter voor een ander, hetwelk mij aangeboden werd. Zoo stapten wij vooruit
-den weg op, welken wij den vorigen dag, onder zoo geheel andere omstandigheden, gegaan
-waren. Ons geleide bestond thans uit Mac-Gregor en vijf of zes der knapste en <span class="pagenum">[<a id="pb310" href="#pb310">310</a>]</span>best gewapende, forsche Hooglanders, die hem gewoonlijk als lijfwacht vergezelden.
-</p>
-<p>Toen wij nu den nauwen pas naderden, waar het gevecht en de daarop gevolgde gruweldaad
-voorgevallen was, vatte Mac-Gregor schielijk het woord, om de gedachten te beantwoorden,
-die, gelijk hij vermoedde, in mij oprezen.&#x2014;
-</p>
-<p>»Gij moet zeker niet gunstig over ons denken, mijnheer Osbaldistone,&#x201d; zeide hij, »en
-dat kan ook niet anders. Maar neem ten minste in aanmerking, dat men ons uitgedaagd
-en getergd heeft. Wij zijn onbeschaafd, ja, misschien ook wel wat te driftig van aard,
-maar gruwelijk wreed zijn wij waarachtig niet. Nooit zou de rust van het land door
-ons gestoord zijn geworden, zoo men ons slechts met rust had gelaten. Maar wij zijn
-steeds een vervolgd volk geweest.&#x201d;
-</p>
-<p>»En vervolging brengt zelfs de verstandigste menschen tot razernij,&#x201d; zeide Jarvie.
-</p>
-<p>»En waartoe moet ze dan lieden, als wij zijn, brengen,&#x201d; vervolgde Robbert, »daar wij
-nog op bijna dezelfde wijze leven, als onze voorvaders voor duizend jaren, en waarlijk
-niet veel meer verlichting hebben dan zij? Kunnen wij bedaard blijven, wanneer men
-bloedplakkaten tegen ons uitvaardigt; wanneer men onze braafste mannen ophangt, onthoofd;
-als men aloude, eerlijke namen onteert, hoewel wij toch een betere behandeling verdienen
-dan vijanden van vijanden erlangen? Ik heb twintig gevechten bijgewoond en nooit eenig
-mensch kwaad gedaan, dan wanneer mijn bloed verhit was. Toch zouden zij mij, als een
-verachtelijken struikroover, ophangen aan de poort van het een of ander voornaam kasteel,
-wanneer men mij vangen kon&#x200a;&#x2026; Dat is schandelijk.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik erkende, dat het onteeren van iemands naam en geslacht, volgens de begrippen van
-een Engelschman, een daad van gruwelijke willekeur was. Toen ik hem door die verzekering
-min of meer tot bedaren had gebracht, hernieuwde ik mijn aanbod om hem zelven, zoo
-hij wilde, en zijne zonen eene aanstelling in vreemden krijgsdienst te bezorgen. Mac-Gregor
-drukte mij hartelijk de hand en hield mij een weinig terug, ten einde Jarvie op het
-smalle pad vooruit te laten rijden.
-</p>
-<p>»Gij zijt een goedaardig, braaf en welmeenend jongmensch,&#x201d; zeide hij, »en weet zeker
-wel, wat men den begrippen van een man van eer verschuldigd is. Maar de heide, die
-mijn voet betreden heeft, toen ik leefde, moet boven mij bloeien, wanneer ik dood
-ben. De moed zou mij ontzinken, mijn arm zou krachteloos worden en ineenkrimpen als
-varenkruid in de vorst, als ik de heuvels van mijn geboorteland niet meer zien mocht.
-De geheele wereld heeft geen plekje gronds, dat mij zou kunnen troosten, als ik deze
-rotsen en klippen, als gij hier ziet, hoe woest zij ook zijn, uit het gezicht had
-verloren. En mijne Helena&#x2014;wat zou er van haar worden, als ik haar aan nieuwe beleedigingen
-en gruweldaden blootstelde? Of hoe zou zij een oord, waar de herinneringen aan geleden
-mishandelingen alleen door de herinnering aan hare wraak verzacht worden? Eens werd
-ik zoo zeer in &#x2019;t nauw gebracht, dat ik voor den eindelijk over mij losbarstenden
-stroom moest zwichten; ik <span class="pagenum">[<a id="pb311" href="#pb311">311</a>]</span>verliet met de mijnen mijne geboorteplaats en woonde eenigen tijd in het land van
-Mac-Gallummore. Toen vervaardigde Helena een klaaglied op ons vertrek&#x2014;beter zou zelfs
-de bard Mac-Rimmon het niet kunnen maken. Het was zoo treurig en roerend, dat het
-ons de harten schier brak, toen zij het ons voorzong. Het waren de jammerklachten
-van een kind, dat om zijne moeder kermt. Ja, onzen ruwen krijgslieden biggelden de
-tranen langs de wangen, terwijl zij er naar luisterden. Neen, dat zieleleed wil ik
-niet nogmaals ondergaan! Neen! zelfs niet voor al de landerijen, die ooit Mac-Gregors
-eigendom waren<a class="noteref" id="xd29e4404src" href="#xd29e4404">1</a>.&#x201d;
-</p>
-<p>»Maar zijn uwe zonen?&#x201d; vroeg ik, »thans niet in die jaren, waarin uwe landslieden
-gaarne de wereld eens zien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Geloof mij, in den grond mijns harten zou ik er niets tegen hebben,&#x201d; antwoordde Robbert,
-»als zij hun geluk in den Franschen of Spaanschen krijgsdienst beproefden, zoo als
-de Schotsche edellieden plegen te doen. Gisteren avond kwam dat denkbeeld mij ook
-zeer aannemelijk voor. Maar eer gij heden morgen ontwaakt waart, heb ik zijne Excellentie
-gezien. Dit heeft mij van die plannen teruggebracht.&#x201d;
-</p>
-<p>»Heeft die dan zoo dicht bij ons den nacht doorgebracht?&#x201d; vroeg ik met een onrustig
-kloppend hart.
-</p>
-<p>»Hij was dichter bij dan gij vermoeddet!&#x201d; luidde het antwoord. »Maar het kwam mij
-voor, dat hij een weinig jaloersch was en ongaarne zou gezien hebben dat gij met de
-jonge dame in aanraking kwaamt. Daarom.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Dwaasheid! Er was geen reden om jaloersch te zijn,&#x201d; antwoordde ik met eenigen trots;
-»ik zou mij aan hen niet opgedrongen hebben.&#x201d;
-</p>
-<p>»Toch moogt gij niet boos op hen worden,&#x201d; hernam Robbert, »kijk van onder uw wenkbrauwen
-niet zoo kwaad als een wilde kat onder een struik. Zijne Excellentie meent het eigenlijk
-goed met u, en heeft dat ook bewezen. En daaraan is het ook gedeeltelijk toe te schrijven,
-dat de boel thans in den brand staat.&#x201d;
-</p>
-<p>»Wat staat in den brand?&#x201d; herhaalde ik. »Hoe meent gij dat?&#x201d;
-</p>
-<p>»Hoe ik dat meen! weet gij dan niet,&#x201d; zeide Robbert, »dat vrouwen en geld al het kwaad
-in de wereld brengen? Ik heb uw neef Rashleigh niet meer vertrouwd, sedert hij zag,
-dat Diana Vernon niets van hem weten wilde. Daarom koestert hij, geloof ik, ook wrok
-tegen zijne Excellentie. Nu moest hij ook zelfs uwe papieren teruggeven! Wij weten
-het immers wel. Zoodra hij tot de teruggave daarvan gedwongen was, reed hij zoo hard
-hij kon naar Stirling en ontdekte aan de regeering alles, en zelfs nog veel meer,
-wat stilletjes in onze gebergten voorviel. Daarom heeft men het krijgsvolk doen uitrukken,
-om zijne Excellentie en de jonge dame gevangen te nemen en onverhoeds een aanval tegen
-mij te wagen. De arme drommel, Morris, wien men alles <span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312">312</a>]</span>wijs kon maken, heeft zich zeker door Rashleigh en eenige edellieden in de Laaglanden
-laten gebruiken, om mij in den val te lokken. Maar al ware Rashleigh ook de laatste
-en beste van zijn geslacht, als wij elkander ooit weder ontmoeten, dan zal, dat zweer
-ik! mijn dolk met zijn hart kennis maken.&#x201d;
-</p>
-<p>Deze bedreiging sprak hij uit met een somberen, onheilspellenden blik, en greep met
-driftige gebaren naar zijn dolk.&#x2014;
-</p>
-<p>»Bijna zou ik mij daarover kunnen verheugen,&#x201d; zeide ik, »zoo ik slechts hopen durfde,
-dat door Rashleigh&#x2019;s verraad de uitvoering der vermetele aanslagen verhinderd werd,
-waarvan hij, zoo als ik reeds sedert lang vermoed heb, de eigenlijke drijver is geweest.&#x201d;
-</p>
-<p>»Geloof dat niet!&#x201d; hernam Robbert. »Nooit heeft het woord van een verrader een eerlijke
-zaak geheel bedorven. Hij was trouwens door en door met onze geheimen bekend. Ware
-dit het geval niet geweest, dan zouden de kasteelen te Stirling en Edinburg thans,
-of ten minste binnen zeer korten tijd, in onze macht zijn. Dat is nu wel niet meer
-te hopen, maar er zijn nog vele hulpmiddelen over. Onze zaak is te goed, dan dat men
-ze om een verrader zou opgeven. Men zal er van hooren, en dat wel spoedig. Doch wat
-ik zeggen wilde: ontvang mijn hartelijken dank voor uw welgemeend aanbod ten opzichte
-van mijne zonen. Gisteren avond had ik bijna besloten, het aan te nemen. Maar thans
-zie ik, dat het verraad van den ellendeling onze groote heeren overtuigen zal, dat
-zij zich <span class="corr" id="xd29e4423" title="Bron: overwijld">onverwijld</span> vereenigen en wapenen moeten, zoo zij niet in hunne woningen gevangen genomen, als
-honden gekoppeld en naar Londen gedreven willen worden, even als die brave lieden
-in het jaar zeventienhonderd en zeven. Burgeroorlog is als een slangenei. Op het aas,
-hebben wij volle tien jaren zitten broeien, en zouden er nog tien jaren op hebben
-kunnen zitten. En kijk! daar komt Rashleigh en slaat de schaal in stukken, en vlug
-kruipt het wonderdier er uit en roept: te wapen!&#x2014;In zulke omstandigheden heb ik alle
-handen noodig, die ik maar vinden kan, en&#x2014;ik zeg het niet tot schande der koningen
-van Frankrijk en Spanje, wien ik alle goeds wensch&#x2014;maar koning Jakobus is, in elk
-geval, even goed als eenig ander koning, en heeft het naaste recht op mijne zonen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik begreep wel, dat die woorden op een algemeenen volksopstand doelden. Ik begreep,
-dat het even nutteloos als gevaarlijk ware, de staatkundige gevoelens van mijn geleider
-op zulk eene plaats en in zulk een oogenblik te bestrijden. Ik vergenoegde mij met
-hem de rampen voor te houden, die uit een algemeenen opstand ten voordeele van het
-verdreven koninklijke huis noodzakelijk zouden voorkomen.
-</p>
-<p>»Volkomen waar, vriend!&#x201d; hernam Mac-Gregor. »Nooit heb ik slecht weer zonder een flinke
-bui zien opklaren. Laat maar gaan! Uit wanorde wordt orde geboren. En in de algemeene
-verwarring heeft de arme, maar eerlijke man de beste gelegenheid, om opgemerkt te
-worden en aan een stukje brood te komen.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen trachtte ik het gesprek nogmaals op Diana Vernon te brengen. Maar hoe vrij en
-onbewimpeld hij zich ook over de meeste dingen uitte, <span class="pagenum">[<a id="pb313" href="#pb313">313</a>]</span>die voor mij weinig of niets belangrijks hadden, ten opzichte van het eenige onderwerp,
-die voor mij van zooveel belang was, bleef hij achterhoudend, ja met eene aan angstvalligheid
-grenzende behoedzaamheid. Slechts gaf hij mij te kennen, dat hij hoopte, dat de jonge
-dame zich weldra in een vreedzamer land zou bevinden, dan Schotland hoogst waarschijnlijk
-gedurende eenigen tijd zijn zou. Met dit antwoord moest ik mij vergenoegen. Ik troostte
-mij met de hoop, dat het toeval mij wel eens weder begunstigen zou en mij ten minste
-het treurige genoegen zou schenken, haar vaarwel te zeggen. Ik gevoelde, dat ik haar
-beminde, in veel hoogeren graad, dan ik gemeend had. Dit gevoel trad weder sterk in
-mij op.
-</p>
-<p>Bijna zes Engelsche mijlen ver gingen wij langs den oever van het meer, op een zich
-telkens kronkelend pad, tot wij eindelijk aan eene Hooglandsche pachthoeve kwamen,
-die allertreffelijkst aan het meer lag, dat men, bedrieg ik mij niet, Lidiart noemt.
-Hier vonden wij eene talrijke bende van Mac-Gregor&#x2019;s aanhang, die ons hartelijk verwelkomde.
-De smaak, en ook de welsprekendheid van onbeschaafde volksstammen is vaak zeer zuiver,
-daar noch vooroordeel of vooringenomenheid, noch eenige gemaaktheid, een nadeeligen
-invloed daarop uitoefenen. Een bewijs daarvan verschafte mij de keus der plaats, waar
-de Hooglanders hunne gasten begroeten. Een Britsche koning zou, zegt men, de gezanten
-van dezen of genen machtigen mededinger het best in de kajuit van een geducht oorlogschip
-kunnen ontvangen. Zoo had het Hooglandsche opperhoofd een oord gekozen, waar de aan
-zijn geboortegrond eigenaardige grootsche voorwerpen een levendigen indruk op zijne
-gasten moesten maken.
-</p>
-<p>Langs den oever van eene ruischende beek gingen wij verder. De weg was stijgend. Aan
-de rechterhand lagen eenige Hooglandsche hutten, omringd door kleine stukken lands,
-die uit het omliggende boschaadje als uitgehouwen waren, en een weligen oogst van
-gerst en haver opleverden. Hoogerop werd de heuvel steiler. En op den kalen rand zagen
-wij de schitterende wapens en de in den wind fladderende plaids van ongeveer vijftig
-man uit Mac-Gregor&#x2019;s gevolg. Zij stonden op eene plek, die ik mij nog steeds met verrukking
-herinner. De beek ontmoette hier een rotswand, waarover zij in twee sprongen heen
-stortte. De eerste waterval, over welks donker water een prachtige oude eik, in den
-oever geworteld, zich schilderachtig schoon, als een gewelf boog, zal omtrent twaalf
-voet hoog geweest zijn. De gebroken stroom viel in een uit de rots gevormd en regelmatig,
-als met den beitel gehouwen bekken, en toen hij zich op den rand gebroken had, stortte
-hij loodrecht, ten minste vijftig voet diep, door een donkere, enge kloof, en spoedde
-zich dan, maar meer bedaard, naar de golven van het meer.
-</p>
-<p>Met dien bijzonderen aanleg voor smaakvolle stoffeering, die inzonderheid den Schotschen
-bergbewoners eigen is, in wier karakter ik steeds een zekeren romanesken en dichterlijken
-trek heb opgemerkt, waren Robbert&#x2019;s vrouw en vrienden tot ons onthaal bijeengekomen
-op eene plaats, die den vreemdeling een gevoel van ontzag moest inboezemen. Ook <span class="pagenum">[<a id="pb314" href="#pb314">314</a>]</span>hebben de Hooglanders van natuur iets plechtstatigs en hoogmoedigs. Hoe onbeschaafd
-zij ons ook vaak voorkomen, omtrent het in acht nemen van de wetten van het gezellig
-verkeer en der wellevendheid zijn zij zoo stipt, dat men hen waarlijk te dezen opzichte
-van overdrijving zou beschuldigen, zoo niet het gevoel van meerderheid in krachten
-daarin tevens uitgedrukt ware. Bij een landman van den gewonen stempel zou dit bespottelijk
-zijn, terwijl het bij den als krijgsman toegerusten Hooglander, iets eigenaardigs
-en indrukwekkends is.
-</p>
-<p>De Hooglanders, die langs den heuvel verstrooid waren geweest, voegden zich, toen
-wij naderden, bijeen en stonden in gelederen achter drie personen, in wie ik terstond
-Helena Mac-Gregor en hare beide zonen herkende. Robbert schaarde zijne manschappen
-insgelijks, en toen het oploopende pad steiler en steiler werd, verzocht hij Jarvie
-af te stijgen en bracht ons, langzaam aan het hoofd der zijnen voorttrekkende, naar
-de hoogte. Daar hoorden wij de woeste tonen der doedelzakken, die, met het ruischen
-van den waterval ineensmeltende, hun natuurlijken wanklank verloren. Toen wij naderden,
-kwam Helena Mac-Gregor, ons tegemoet. Hare kleeding was meer vrouwelijk dan den vorigen
-dag, maar op hare gelaatstrekken lag nog steeds de onbuigzame hoogmoed. Zij omvatte
-mijn vriend Jarvie in eene onverwachte en blijkbaar niet zeer welkome omhelzing. De
-beweging van zijne pruik, van zijn rug en van zijne beenen, deden mij zien, dat het
-hem ongeveer te moede was, als iemand, die zich plotseling door een beer omvat ziet,
-zonder dat hij juist weet of onderscheiden kan, of het dier goed of boos gestemd is.
-</p>
-<p>»Neef,&#x201d; zeide zij, »gij zijt welkom, en ook gij vreemdeling,&#x201d; vervolgde zij, zich
-tot mij wendende. Daarbij liet zij mijn reisgenoot los, die onwillekeurig terugtrad
-en zijn pruik weder terecht zette.&#x2014;»Gij kwaamt,&#x201d; zeide zij tot mij, »in ons ongelukkig
-land, toen ons bloed verhit en onze hand met bloed geverfd was. Verschoon het ruwe
-onthaal, dat u ten deel viel. Wijt het den booze tijden, niet ons.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeide zij met de houding van eene vorstin en op een ongemeen hoffelijken, alleszins
-beschaafden toon. Ook liet zij volstrekt niets van die plompheid blijken, welke wij
-doorgaans in de taal der Schotsche Laaglanders vinden. Weliswaar sprak zij met Schotschen
-tongval, maar overigens waarlijk niet onbevallig en daarenboven zeer vloeiend, hoewel
-zij blijkbaar alles uit het inderdaad dichterlijke <span class="corr" id="xd29e4442" title="Bron: Gaelsch">Gaelisch</span> in het Engelsch overzette, welke taal zij zich, even als wij de doode talen leeren,
-eigen gemaakt, doch waarschijnlijk nooit in het dagelijksch verkeer gehoord had. Haar
-man, die gedurende zijn leven zoo vele rollen had gespeeld, drukte zich minder verheven,
-minder welsprekend uit, maar zelfs zijne taal werd zuiverder, wanneer de onderwerpen,
-waarover hij sprak, zijn gemoed bewogen en van eenig belang waren. Ook bij hem vond
-ik bevestigd, wat ik meen bij sommige Hooglanders opgemerkt te hebben, dat zij, vertrouwelijk
-en gemeenzaam sprekende, zich van den Nederschotsen tongval bedienen, maar voor hunne
-woest verhevene, dichterlijke uitdrukkingen, het Engelsch bezigen. De taal van den
-hartstocht <span class="pagenum">[<a id="pb315" href="#pb315">315</a>]</span>is inderdaad steeds heftig, maar zuiver. Niet zelden hoort men een Schot, wanneer
-een zijner landgenooten hem met een rappe tong bittere verwijtingen doet, spotachtig
-zeggen: »<i>Aha, nu begint gij Engelsch te praten.</i>&#x201d;
-</p>
-<p>Helena noodigde ons tot den maaltijd, die op een grasperk opgedischt was, en alles
-aanbood, wat het onvruchtbare gebergte slechts had kunnen opleveren. De sombere, onveranderlijke
-ernst, die het voorhoofd van onze gastvrouw omwolkte, en de pijnlijke herinneringen
-der gebeurtenissen van den vorigen dag, deden geene vroolijke gewaarwordingen in ons
-opkomen. Vruchteloos poogde Robbert een opgeruimden toon aan te slaan. Er beving ons
-telkens eene onwillekeurige rilling, alsof wij aan een begrafenismaal gezeten hadden,
-en ieders hart klopte ruimer, toen het geëindigd was.
-</p>
-<p>»Vaarwel, neef!&#x201d; zeide Helena tot Jarvie, toen wij opstonden. »De beste wensch, dien
-Helena Mac-Gregor een vriend geven kan, is, dat hij haar nooit moge wederzien.&#x201d;
-</p>
-<p>Jarvie wilde dit zonderlinge kompliment op zijne manier plechtig beantwoorden en er
-zeker een paar zedespreuken invlechten. Maar de bedaarde, zwaarmoedige ernst van haar
-gelaat bracht den goeden man, met zijne ouderwetsche deftigheid, geheel van zijn stuk.
-Hij hoestte, mompelde eenige woorden, boog en&#x2014;zweeg.
-</p>
-<p>»Voor u, vreemdeling,&#x201d; vervolgde Helena, »heb ik een aandenken van.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Helena!&#x201d; viel Mac-Gregor haar op ernstig bestraffenden toon in de rede: »wat moet
-dit beduiden? Hebt gij het bevel vergeten?&#x201d;
-</p>
-<p>»Mac-Gregor,&#x201d; hernam zij; »ik heb niets vergeten, wat ik mij behoor te herinneren.
-Zulke handen,&#x201d; vervolgde zij, terwijl zij haren langen, naakten, gespierden arm uitstrekte,
-»zijn geenszins geschikt om geschenken der liefde over te brengen, zoo het geschenk
-iets anders dan smart beduidt.&#x2014;»Jongman!&#x201d; zeide zij, terwijl zij mij een ring aanbood,
-welken, zoo als ik mij wel herinnerde, Diana Vernon nu en dan gedragen had; »dit komt
-van iemand, die gij nooit zult wederzien. Is het een vreugdeloos aandenken, dan moet
-het juist door de handen van haar gaan, die de vreugde nooit weder kennen zal. Hare
-laatste woorden waren: »<i>hij vergete mij voor altijd!</i>&#x201d;&#x201d;
-</p>
-<p>»En kan zij,&#x201d; vroeg ik, schier onbewust van hetgeen ik zeide; »kan zij dit bij mij
-als mogelijk veronderstellen?&#x201d;
-</p>
-<p>»Alles kan vergeten worden,&#x201d; antwoordde de zonderlinge vrouw; »alles&#x2014;alleen niet het
-gevoel van schande, alleen niet het verlangen naar wraak!&#x201d;
-</p>
-<p>»Frisch opgespeeld!&#x201d; riep Mac-Gregor, van ongeduld stampvoetende. De doedelzakken
-klonken, en de doordringende, knetterende tonen maakten een einde aan het gesprek.
-Zwijgend namen wij door gebaren afscheid van onze gastvrouw, en toen wij vertrokken,
-was ik meer dan ooit overtuigd, dat ik door Diana bemind werd, maar voor altijd van
-haar gescheiden was.
-<span class="pagenum">[<a id="pb316" href="#pb316">316</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd29e4404" href="#xd29e4404src">1</a></span> Nog heden is die klaagzang onder het volk bekend, en wordt soms nog gezongen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd29e4404src">&#x2191;</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXVI.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,
-</p>
-<p class="line">Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;
-</p>
-<p class="line">Waar de aad&#x2019;laar zijn schreeuw huwt aan &#x2019;t ruischen der stroomen,
-</p>
-<p class="line">Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.</p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1642"><span class="xd29e1642init">D</span>oor een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien wij rechts lieten
-liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was verdiept in overpeinzingen, die
-zwaar op mijn gemoed drukten. Doch toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een
-bergpas kwamen, en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag,
-toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit landschap te beschrijven!
-Eene reeks van schilderachtig schoone eilanden van verschillende gedaante, rijst op
-uit het heerlijke meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere
-bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer en meer uitbreidt,
-en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke landstreek bespoelt. De oostkust
-was te dien tijde de hoofdplaats van Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te
-houden, had men in het fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine
-bezetting gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en had
-zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken, dat die kleine vesting
-het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat ze genoegzame bescherming daartegen verschafte.
-Reeds bij meer dan ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed
-van Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de balling
-op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad bezoedeld, wanneer
-hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als schrander, besefte hij zeer goed,
-dat het alleszins gevaarlijk was, zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam
-ik, dat hij de op den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog
-vele dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid, van dezen
-merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.
-</p>
-<p>In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die met vier kloeke
-Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze gastheer hartelijk afscheid van ons.
-Hem en Jarvie scheen de band van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne
-zoo geheel verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling vormde.
-Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van scheiden waren, verzekerde
-Jarvie met een vol hart en eene bevende stem zijn neef, dat, indien honderd pond,
-ja al ware het ook tweehonderd, hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een
-eerlijk bestaan te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te melden.
-Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijn <span class="pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317">317</a>]</span>zwaard en drukte met de andere Jarvie&#x2019;s hand, terwijl hij hem verzekerde, dat bijaldien
-iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan bericht zond, hij den beleediger,
-al ware die ook de eerste persoon van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.
-</p>
-<p>Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap en welwillendheid,
-stieten wij van den oever af en zetten koers naar den zuidwestelijken hoek van het
-meer, waaruit het riviertje de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op
-den top der rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij
-verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend gewaad en de
-enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de Hooglandsche edelman en soldaat
-zich onderscheidden, ofschoon de Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met
-eene groote menigte zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel
-afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.
-</p>
-<p>Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te verbreken. Slechts nu en
-dan klonk over het water het <span class="corr" id="xd29e4481" title="Bron: Gaelsche">Gaelische</span> gezang, dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en dan in
-een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden begeleid werd.
-</p>
-<p>Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de ongemeen fraaie
-landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In de dweepachtige stemming van
-het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik, als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op
-een der bevallige eilanden, tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een
-stille kluizenaar zou willen leven en sterven.
-</p>
-<p>Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar ik merkte, dat
-ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange stilte, gedurende welke hij
-de behoorlijke berekeningen had gemaakt, trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk
-zou zijn, het meer droog te maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden
-morgen lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens een snoek
-of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik een tamelijk onverschillig
-toehoorder was, herinner ik mij, dat het onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde,
-dat hij ook een vaart in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde
-hebben, breed en diep genoeg voor kolenschepen.
-</p>
-<p>Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen van een oud kasteel,
-waar het meer zijne wateren in de rivier de Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons
-met de paarden. Jarvie had een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even
-goed als dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer op
-de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.
-</p>
-<p>»Dugald,&#x201d; zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen toekomt. Maar
-het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het verderf storten en uwe ziel hier
-namaals reddeloos doen verloren gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in
-mijn ambt aan onze <span class="pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318">318</a>]</span>goede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, vóór
-mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed verschaft hebben, zoo dat ik,
-dunkt mij, de heeren van den raad wel zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen
-door u bedreven is, genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog
-veel grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog toegedrukt hebben.
-Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald, dan kunt gij als een fiksche,
-goedgespierde kerel, mij voorloopig in mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich
-iets beters voor u opdoet.&#x201d;
-</p>
-<p>Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van den heer Jarvie alleszins
-dankbaar was, maar volstrekt niet weer te Glasgow wilde komen, dan alleen als men
-hem, even als vroeger, in boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik
-naderhand vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als gevangene
-naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den opzichter der gevangenis
-gewonnen en zich langen tijd in diens dienst getrouw gedragen, tot eindelijk, bij
-de onverwachte verschijning van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging
-weer de overhand behaalde. Verwonderd over Dugald&#x2019;s weigerend antwoord op eene zoo
-voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening versterkt, dat de man
-een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald mijne dankbaarheid, toen ik een paar
-guinjes in zijne hand liet glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige
-sprongen, en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat hij hun
-van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke stemming bracht.
-</p>
-<p>Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen weg naar Glasgow.
-</p>
-<p>Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit het oog verloren.
-Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen van mijne bewondering van deze
-zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien
-schoone natuurtooneelen indruk maakten.&#x2014;
-</p>
-<p>»Gij zijt nog jong,&#x201d; zeide hij, »en daarenboven een Engelschman: dit is de reden,
-waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een eenvoudig man ben, hoewel ik zeer
-goed weet wat landerijen waard zijn, geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat
-het Hoogland oplevert, voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar
-eens weder te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo zonder
-eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen, naar dit verwenschte land
-op reis ga.&#x201d;
-</p>
-<p>De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink doorgedraafd te hebben,
-hadden wij zeer laat in den avond zijne woning bereikt.
-</p>
-<p>Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de zorgvuldige hoede van
-zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij naar mijne voormalige herberg, waar
-ik, zelfs op dit ongewone uur, nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende
-mij de deur dan <span class="pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319">319</a>]</span>Andries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde, en, zonder een enkel
-woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer, waarin ik het licht had zien branden.
-Ik dacht met recht, dat hij mijne komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel
-bekommerden Owen, wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet
-alleen in die kamer: naast hem zat&#x2014;mijn vader.
-</p>
-<p>Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op eenigszins gedwongen
-toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!&#x201d;&#x2014;Maar terstond daarop omvatte en omhelsde
-hij mij met liefdevolle woorden: »mijn zoon, mijn dierbare zoon!&#x201d;&#x2014;Owen vatte mijne
-eene hand, welke hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst
-gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen de tranen in mijne
-oude oogen, als ik het mij herinner.
-</p>
-<p>Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader, kort nadat Owen zich
-op reis naar Schotland begeven had, uit Holland teruggekomen was. Van voortvarenden
-aard in al zijne handelingen, vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen
-te verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn kantoor zou kunnen
-voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd
-krediet, hetwelk hij aan het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en
-zijne voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had, stelden hem
-weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder spoedig tot stand te brengen,
-wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk
-vertrok hij naar Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens
-om zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow in zulke
-onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor Mac-Vittie en diens compagnon,
-die stellig geloofd hadden, dat hij voor altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord
-over de onbetamelijke bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had,
-bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen tot een vergelijk,
-en toen hij de loopende rekening vereffend had, verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken
-voor altijd voor hen gesloten zouden zijn.
-</p>
-<p>Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde, was hij om
-mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed, dat eene reis van ongeveer
-zestig Engelsche mijlen, die, van Londen uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en
-zoo veilig te doen is, met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook
-hij werd beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land en
-het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.
-</p>
-<p>Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne terugkomst, Andries
-verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel niet weinig overdreven tijding bracht
-van den neteligen toestand, waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens
-soldaten hij <span class="pagenum">[<a id="pb320" href="#pb320">320</a>]</span>als gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor niet alleen ontslagen,
-maar hem tevens in staat gesteld, om zich ten spoedigste naar Glasgow te begeven,
-ten einde mijn wedervaren te berichten.
-</p>
-<p>Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen spreken en zich
-inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te geven, hetwelk den overbrenger
-van noodlottige tijdingen doorgaans van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd,
-zijn verhaal vooral niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke
-Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer breedvoerig sprak
-hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was, en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk
-door zijne ervaring, zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden
-was, nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt had, kon
-hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen: intusschen moest ik buiten
-twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo men mij het leven niet reeds benomen had. De
-heer Jarvie, voegde hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden
-van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne ten eenemaal verkeerde
-begrippen en door zijne verwaandheid iemand van den wal in de sloot helpen, waarom
-hij, Andries, bijna vreesde, dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren
-der soldaten en de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit
-alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.
-</p>
-<p>Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als hij alleen en
-zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door zijne groote menschenkennis
-licht in staat gesteld, om het karakter van den verhaler te doorgronden en in diens
-verhaal het ware van het verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen,
-bleef het toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf op
-weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid te verkrijgen. Ja,
-met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig, om met Owen eenige brieven te doorloopen
-en den dienstvaardigen man omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne
-afwezigheid in orde moesten gebracht worden.
-</p>
-<p>Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust te genieten,
-was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om zijn dienst bij mij waar te
-nemen. En zie, de vogelsverschrikkers gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd
-hadden, was tot mijne verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig
-in het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang mogelijk niet
-wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde, kreeg ik uit hem, dat hij het
-als passend had beschouwd, mijnentwege den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager,
-in wiens winkel hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug
-nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou naar zijn oordeel,
-noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid zoo <span class="pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321">321</a>]</span>rijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het weg te doen en dulden,
-dat zulk een arme drommel, als hij was, de schade droeg. Deze list gelukte hem, daar
-zijne klacht wegens geleden verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte
-hij aan een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde, frisch en
-gezond was.
-</p>
-<p>Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens hartelijke goedheid
-hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals hij het met eenige weinige krachtige
-woorden uitdrukte. Toen hij van den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken
-had gesproken, bood hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het
-deel in zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie wenschte
-mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen keer, en zonder met geveinsde
-nederigheid te ontkennen, dat hij zijn best had gedaan, om hun van dienst te zijn,
-toen de zaken nog geheel anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld
-had, als hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl hij de
-hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.
-</p>
-<p>»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon,&#x201d; zeide hij, »als eerlijke lui hun plichten
-waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste deze voordeelen willen genieten.
-Maar daar het tegendeel gebleken is, moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten.&#x201d;
-</p>
-<p>Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige verlegenheid het volgende
-in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al
-datgene gesproken werd, wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk
-ondervraagd, dan zal het wel &#x2019;t best zijn, geen enkel woord van de aan Morris gepleegde
-daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal geenszins roemrijk achten, dat een
-der leden van den achtbaren raad met Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had.
-Daarenboven meen ik mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn
-gewonen doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen ik zonder
-hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis van dat gevalletje hoorden,
-zou men mij dagelijks er mede plagen.&#x201d;
-</p>
-<p>Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet bedwingen. De goedhartige
-man werd een weinig verlegen. Maar hij glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende,
-zeide: »ja, ja, ik kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek
-er toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht, dat hij insgelijks
-zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben, dat mijn Matje er iets van vernam.
-Al spoedig werd het dan door de gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen
-einde zijn.&#x201d;
-</p>
-<p>De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht te verschijnen,
-werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat mijn vader voornemens was Glasgow
-terstond te verlaten. Wij hadden ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven,
-daar toch de gewichtigste <span class="pagenum">[<a id="pb322" href="#pb322">322</a>]</span>papieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze handen waren. Wat hij reeds tot
-geld gemaakt en voor zijne vermetele plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding
-teruggekregen worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.
-</p>
-<p>Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen toen afscheid
-van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van hem neemt. Hij klom in welvaart
-en aanzien, en steeg eindelijk tot de hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent
-twee jaren na onze eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief
-hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne benijders en
-vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie&#x2019;s, trachtten deze verandering
-in zijne leefwijze bespottelijk te maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap
-bedenkelijk. Doch Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij
-alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten, zooveel zij willen,&#x201d;
-zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde; »het deert mij niet. Ik doe toch wat
-ik goedvind, al blijven zij er veertien dagen lang in eens door er over praten.&#x201d;
-</p>
-<p>In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis, die eenige bijzondere
-melding verdient, dan de voorvallen, die ik van hem verhaald heb.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXVII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line xd29e412">Komt hier, mijn zestal zonen!
-</p>
-<p class="line">Dat ik op u bouwe.
-</p>
-<p class="line">Gij blijft voorzeker met mij
-</p>
-<p class="line">Den edelen graaf getrouwe.&#x2026;.
-</p>
-<p class="line">.&#x2026; En vijf der zonen spraken:
-</p>
-<p class="line">&#x201e;Wij zijn met raad en daad
-</p>
-<p class="line">U en den graaf getrouw.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p class="line">De zesde pleegt verraad.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><i>De wapenroep van het Noorden.</i></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1015"><span class="xd29e1015init">H</span>et was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof Andries plotseling
-als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel moeite kon ik hem zoo ver brengen,
-dat hij tot bedaren kwam en mij zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij
-mij dan, dat al de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar
-aan hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig uren aankomen
-zouden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb323" href="#pb323">323</a>]</span></p>
-<p>»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!&#x201d; riep ik; »en in elk geval zie ik geen reden
-om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Natuurlijk, daar heb je &#x2019;t weer,&#x201d; hernam hij onbeschoft: »dronken of dol! Een mensch
-heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets vertelt dat groote lui niet gaarne
-hooren. Maar ze komen toch,&#x2014;dat houd ik vol!&#x201d;
-</p>
-<p>Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen, die evenzeer als
-ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen, tijding over het geheel maar
-al te waar was. De opstand, die Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist
-uitgebarsten, toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der Stuarts
-opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder wie ook Rashleigh
-zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen, had koning George&#x2019;s raad met
-de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen van eene reeds lang gesmede samenzwering
-bekend gemaakt. Ze brak onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het
-rijk, om van duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor
-geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de wenken, die
-ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk, waarom de westelijke clans
-hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij wisten wel dat zij weldra tot verdediging
-hunner gemeenschappelijke zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was
-voor mij de gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die &#x2019;t ijverigst
-tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle ontberingen en gevaren
-blootgesteld was, die met haars echtgenoots roekelooze onderneming gepaard gingen.
-</p>
-<p>Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden vereischten,
-en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht naar Londen zouden begeven.
-Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden,
-den Staat te dienen. En mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde,
-maar tot verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd hebben,
-gaf gaarne zijne toestemming.
-</p>
-<p>Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland en het noorden
-van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories behoorden, manschappen en paarden
-bijeenbrachten en uitrustten, terwijl de <span class="corr" id="xd29e4549" title="Bron: Wigs">Whigs</span> zich in de groote steden verzamelden, de burgerij wapenden en zich op den burgeroorlog
-voorbereidden. Meermalen werden wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen
-maken, ten einde het krijgsvolk te ontwijken.
-</p>
-<p>Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers en aanzienlijkste
-kooplieden, die zich bereid hadden verklaard, om de regeering te ondersteunen en de
-daling der staatsfondsen te voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral
-de hoop op dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door, zoo
-als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn vader werd tot een
-der medeleden van de financieele commissie benoemd; daar men <span class="pagenum">[<a id="pb324" href="#pb324">324</a>]</span>algemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid en welwillendheid stelde.
-Hij voerde zelf de onderhandelingen met de ministers en het gelukte hem, door zijn
-geldmiddelen den prijs der staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand
-aanmerkelijk gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen.
-</p>
-<p>Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier aanstellen en
-wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man, met wie ik mij bij het korps
-van den generaal Carpenter voegde.
-</p>
-<p>De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de ongelukkige graaf van
-Derwentwater en de generaal Foster met eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten.
-Mijn arme oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting zijner zonen
-nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den heilloozen standaard te volgen.
-Maar eer hij dezen stap deed, nam hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men
-van hem nauwelijks zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk
-moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na diens dood op de jongere
-en hunne mannelijke erven overgaan. Maar Rashleigh die, door zich jegens zijne partij
-trouweloos te gedragen, den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten
-en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der andere zonen
-aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was dan ook steeds de lieveling
-van mijn oom geweest. Maar de aanblik der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die
-zich thans wapenden, gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding
-van zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode letter beschouwde,
-die alleen diende, om zijne verontwaardiging over Rashleigh&#x2019;s verraad duidelijk te
-doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana
-Vernon, thans Diana Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord
-hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens der familie
-Vernon en Osbaldistone gedreven waren.
-</p>
-<p>Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller uitstierf, dan de ongelukkige
-vader vermoeden kon. Bij de eerste monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff
-met een edelman uit Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in
-een hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers, om dien bij
-te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen, waarin mijn neef den dood vond.
-Zijn dood was een groot verlies voor ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden
-aard een paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige broeders,&#x2014;Rashleigh,
-zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd.
-</p>
-<p>Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op zijn manier op het
-bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene weddingschap aan, wie van beiden
-den grootsten beker brandewijn zou kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart
-door de oproerigen te Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezen <span class="pagenum">[<a id="pb325" href="#pb325">325</a>]</span>wedstrijd waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf, onder
-het gestadig uitroepen van: »water! water!&#x201d;
-</p>
-<p>Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot de partij der
-oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten wilde, over eene heg poogde
-te springen.
-</p>
-<p>Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog het beste lot. Hij
-sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer dapper vocht, ofschoon hij, naar
-men verzekert, niet recht wist, wat eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl
-hij zich ook niet herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed
-insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden, maar was niet zoo
-gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude oom, wien al deze rampen het hart
-gebroken hadden, werd den volgenden dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich
-aan den overwinnaar moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon
-John naar de gevangenis van Newgate gebracht.
-</p>
-<p>Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd te zijn, daar ik
-nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen verzachten. Mijn vader had veel invloed
-bij de regeering. En het lot van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek
-op twee na, al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat
-mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd zijn geworden.
-Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John stierf in de gevangenis en bad
-mij in zijn laatste oogenblikken de verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone
-en van zijn geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen.
-</p>
-<p>Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij sprak weinig, maar de
-deelneming die ik hem bewees, scheen hem te roeren. Ofschoon ik geen getuige was van
-de eerste samenkomst met mijn vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder
-zulke treurige omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg
-te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met veel verbittering
-over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven zoon. Hij verweet hem den ondergang
-van zijn geslacht en den dood zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne
-zonen tot de opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid
-had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart&#x2019;s &#x2019;t eerst verraden. Een paar maal noemde
-hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen ik op zekeren dag naast zijn bed
-zat, zeide hij tot mij: »O, beste neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet
-het mij zoo leed, dat gij haar niet hebben moogt.&#x201d;
-</p>
-<p>De woorden »Thorncliff en allen&#x201d; roerden mij diep. Het waren de gewone woorden van
-den goeden ouden man, wanneer hij &#x2019;s morgens vroolijk op de jacht ging en zijn lieveling
-Thorncliff onderscheidde van al de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde.
-Maar de luide, vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff&#x2014;en
-allen!&#x201d; verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij nu de <span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326">326</a>]</span>troostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den inhoud van zijn laatsten
-wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift mededeelde, daar hij het oorspronkelijke
-bij den rechter Inglewood had gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen,
-als een onzijdig persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van
-de helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren.
-</p>
-<p>Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige overdenkingen
-en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van het Sardinische gezantschap,
-voor wien wij met moeite de vergunning verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na
-den dood van zijn zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en
-zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren geen naam konden
-vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden te leven, dan met eenigen strijd
-te sterven.&#x2014;Het was als een door de golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en
-in de diepte verdwijnt, eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen
-ontwaren.
-</p>
-<p>Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had, gaf hij mij tot
-mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik, overeenkomstig het testament
-van mijn oom, als hoofd der familie zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht,
-dat zoo iets voor hem nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat
-hij vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest, daar hij begreep
-dat hij best deed, even als de vos in de fabel, niet dat te verlangen, wat hij toch
-niet kon verkrijgen. Daarbij kwam echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk
-dreigde zijns vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het
-verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.&#x2014;»Met het meeste recht,&#x201d;
-zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht onterfd geworden. Door het testament
-heeft de overledene eene vroegere onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen
-komen nu weer aan de wettige erfgenamen.&#x201d;
-</p>
-<p>Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De berichten,
-welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren voor het oogenblik, zoo
-gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten
-weten toe te dichten, dat hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers
-bezat. Reeds waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te
-vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen, liet het zich
-aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen veel langer dan onze leeftijd
-duren kon.
-</p>
-<p>Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn advokaat, betaalde
-eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen van Osbaldistone bezwaard waren
-en droeg al zijne eigen aanspraken aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot
-gedeelte der aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het
-dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregen <span class="pagenum">[<a id="pb327" href="#pb327">327</a>]</span>ondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen hem misschien
-op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen vast te zetten. Hoe het zij,
-ik had verwacht, dat hij mij weder naar zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne
-bereidwilligheid had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren,
-onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij mij naar Northumberland
-te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit van het kasteel Osbaldistone te nemen.
-Bij den rechter Inglewood moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten
-en de noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen.
-</p>
-<p>Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer gewenscht zijn
-geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone slechts smartelijke gewaarwordingen
-in mij opwekken. En toch, waar anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana&#x2019;s
-lot hopen te verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen vinden
-dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er van haar geworden was. Vruchteloos
-had ik getracht, door allerlei bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen
-van eenige verre bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate
-bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij een vergeeflijke
-argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der heerschende partij, en den neef
-van den ellendigen verrader Rashleigh, sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving
-niets dan koelen gedwongen dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der
-straffende gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen, wien ik
-van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden nog afkeeriger van allen, die
-zij voor aanhangers der regeering hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar
-de gerechtsplaats ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming
-aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te verkeeren. Nog lang
-zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren, die op mijn dringende vraag, of ik hem
-niet met nog iets genoegen kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof
-gaarne dat gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk, een
-mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet, dat zijne vrienden dag
-aan dag naar het moordschavot gevoerd worden, en hij weet dat de beurt spoedig ook
-aan hem zal komen.&#x201d;
-</p>
-<p>Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en Newgate en de tooneelen,
-waarvan ik daar getuige was, te kunnen verlaten, om de vrije lucht in Northumberland
-in te ademen. Andries was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne
-had, maar omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der omstreken
-van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap
-was mij niet onwelkom, terwijl ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden,
-als ik hem weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn bijzonderen
-<span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328">328</a>]</span>slag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en ziel aan zijn heer gehecht
-was, eenige gunst verworven. Hij wist deze voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen,
-dat hij mij, zijn heer, bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij
-volstrekt niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog.
-</p>
-<p>Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land, hetwelk nog kort
-te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust en vrede. Hoe meer wij het kasteel
-Osbaldistone naderden, des te enger werd het mij om &#x2019;t hart bij de gedachte, dat ik
-thans die verlaten woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik
-uit te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood te rijden.
-</p>
-<p>De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen en tegenstrijdige
-gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige betrekkingen verbonden, niet weinig
-verontrust geworden. Zeer natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij
-wat invloed op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter
-zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die hem den ganschen
-last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf was nu de handlanger van zekeren
-Standish geworden, die sedert eenigen tijd als vrederechter fungeerde in de buurt
-en zulk een blakenden ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging
-liet blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon binnen de
-perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen.
-</p>
-<p>Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns ooms testament
-ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In het eerst was de goede man zichtbaar
-verlegen, hoe hij in mijne tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij
-zag, dat ik weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering, maar
-niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich door verkeerde begrippen
-van plicht en getrouwheid tot den opstand hadden laten verleiden, werd zijn gesprek
-een vermakelijk mengelmoes van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne
-pogingen, om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te houden,
-en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen, die aan den opstand deel
-hadden genomen, begunstigd had.
-</p>
-<p>Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd, toen hij mij plotseling
-uitnoodigde, om een beker te ledigen op het welzijn der brave, lieve Diana Vernon,
-het roosje in de woestijn, het klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een
-akelig klooster stond verplant te worden.
-</p>
-<p>»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?&#x201d; vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht, dat zijne Excellentie.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Wel ja, waarom niet!&#x201d; hernam Inglewood, luidkeels lachende&#x2014;»zijne Excellentie en
-zijne Genade&#x2014;dat alles is allemaal gekheid&#x2014;ijdele titels van St. Germain! De graaf
-Van Beauchamp gezant van <span class="pagenum">[<a id="pb329" href="#pb329">329</a>]</span>Frankrijk&#x2014;en de hertog van Orleans&#x2014;weten misschien niet eens, dat er zulk een man
-bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel Osbaldistone wel
-gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan speelde?&#x201d;
-</p>
-<p>»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?&#x201d;
-</p>
-<p>»Juist!&#x201d; antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog langer geheim
-gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want anders zou mijn plicht mij gebieden,
-hem gevangen te nemen. Welnu&#x2014;uw glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene
-Diana!&#x201d;
-</p>
-<p>Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd, om in Inglewood&#x2019;s
-vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor de oogen. »Nooit,&#x201d; hernam ik, »heb
-ik geweten, dat Diana&#x2019;s vader nog leefde.&#x201d;
-</p>
-<p>»Dat hij nog leeft,&#x201d; antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet aan onze regeering
-te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel geld opgeleverd hebben, als het zijne.
-Onder koning William werd hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele
-der Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene verwante
-van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had, was zijn invloed op al
-de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk
-door Frankrijk zou hebben moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en
-in de Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen hij herwaarts
-terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed&#x2014;ik wil zeggen, ik kende hem zeer goed.
-Maar daar mij geen signalement van hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en
-zware aanvallen van jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben
-durven doen,&#x2014;dat vat je wel!&#x201d;
-</p>
-<p>»Kende men hem dan in het kasteel?&#x201d; vroeg ik.
-</p>
-<p>»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh; laatstgenoemde
-was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle dingen kwam. Maar met dat geheim
-hield hij Diana als bij een koord om den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat
-zij hem in het gezicht zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd
-had, wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem aan de regeering
-verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer Osbaldistone! de regeering is goed,
-genadig en rechtvaardig. Weliswaar, heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade
-doen ophangen, maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven,
-als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik Inglewood
-vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht, vernam ik, dat Diana stellig
-geweigerd had met een mijner neven te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh
-had te kennen gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver
-voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als de jongste <span class="pagenum">[<a id="pb330" href="#pb330">330</a>]</span>der broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen als een middel beschouwd, om
-fortuin te maken. De omstandigheid, dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik
-Vernon en van de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te geven,
-dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed hem waarschijnlijk het besluit
-nemen, om door afval en verraad zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar
-hij uitnemend van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen,
-ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als naderhand bleek,
-geenszins berekend waren voor de groote onderneming, om eene staatsomwenteling te
-bewerken. Vernon&#x2014;of zoo als hij bij de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie
-de Burggraaf Beauchamp&#x2014;had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen
-van Rashleigh&#x2019;s verraad te ontgaan. Inglewood&#x2019;s berichten waren hier gebrekkig: »Men
-heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering is gevallen&#x201d;&#x2014;voegde hij er
-bij&#x2014;»het moest hem dus wel gelukt zijn, naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens
-de wreede overeenkomst met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven.&#x201d;
-</p>
-<p>De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood niet nauwkeurig
-opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan, om den ouden Vernon de renten
-te verzekeren der overblijfsels van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige
-rechtsgeleerde kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het
-was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt, de gezindheid van
-degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn, niet meer in aanmerking had genomen,
-dan alsof zij tot het vee op het land behoord hadden.
-</p>
-<p>Groot is des menschen wankelmoedigheid!&#x2014;Ik weet niet of het ontvangen bericht mij
-vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of mijne droefheid over Diana&#x2019;s
-verlies eer vermeerderd dan verminderd was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk
-met een ander, maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden
-was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te voldoen. Ik werd
-droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om het gesprek met mijn gullen gastheer
-voort te zetten, die eindelijk zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na
-de ongemakken der reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden
-nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen vroeg naar het kasteel
-te rijden. Inglewood keurde dit goed.
-</p>
-<p>»Ik zou u aanraden,&#x201d; zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer uwe aankomst in
-de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh, zoo als men mij verzekerd heeft,
-bevindt zich in Jobson&#x2019;s woning, natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen.
-Zij behooren bij elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer
-vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui dat oppassen
-de boodschap is.&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb331" href="#pb331">331</a>]</span></p>
-<p>Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken eer ik vertrok,
-want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was bepaald ongezond voor hem, die
-zich &#x2019;s ochtens nuchteren buiten waagde.
-</p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch48" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXVIII.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">De meester is niet meer.
-</p>
-<p class="line">Het oud kasteel van Ivol&#x2014;uitgestorven,
-</p>
-<p class="line">Hij wist het wel, het gansch gezin,
-</p>
-<p class="line">Tot paard en honden toe,
-</p>
-<p class="line">Hen allen had het graf verworven.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Wordsworth.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1015"><span class="xd29e1015init">H</span>oe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten was dat tooneel van
-vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming zag ik het weder. Op den weg naar het
-kasteel zag ik dezelfde voorwerpen, welke ik aan Diana&#x2019;s zijde had aanschouwd op onze
-gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen mij te vergezellen.
-Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de eerste maal had ontmoet, meende ik
-bijna het geblaf der honden en de tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde
-geruimen tijd op de ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche
-verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef stil, alles was
-eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de deuren en vensters gesloten. Gras
-groeide tusschen de steenen op de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel
-had gezien, als de vroolijke jagers &#x2019;s morgens uitgingen of &#x2019;s avonds huiswaarts keerden.
-Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der jagers, de hoefslag der
-paarden, het luide lachen van den ouden ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders&#x2014;dit
-alles was voor altijd verstomd!
-</p>
-<p>Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan, zelfs bij
-de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op mijne toegenegenheid hadden.
-Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke jongelingen in den bloei van het leven en in
-krachtige gezondheid binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten
-dood weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen, dat mij
-van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost, dat ik als eigenaar van
-het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna als vluchteling verlaten had. Mijn toestand
-was voor mij nog zoo nieuw, <span class="pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332">332</a>]</span>dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als een indringenden vreemdeling
-beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige
-gestalten mijner overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den
-toegang betwisten zouden.
-</p>
-<p>Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was mijn geleider Andries,
-met geheel andere gedachten bezield, reeds begonnen met aan al de deuren te kloppen,
-begeerende binnengelaten te worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk
-genoeg verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als schildknaap
-des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall, mijns ooms oude hofmeester,
-zich zien. Schuw keek hij door een dicht getralied venster van de eerste verdieping,
-terwijl hij luid vroeg, wat wij begeerden.
-</p>
-<p>»Dag oude vriend! wij komen u aflossen,&#x201d; zeide Andries. »Geef maar gauw de sleutels
-over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den
-boel beheerd, mijnheer Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het
-benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft.&#x201d;
-</p>
-<p>Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider binnen betamelijke
-perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar op welk recht ik mijn aanspraak grondde,
-om in het kasteel als in mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst
-en verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij toegang te verleenen,
-ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid
-tegenover die opwelling van natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte.
-Ik drong echter ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat
-zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen.
-</p>
-<p>»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter Inglewood!&#x201d; voegde Andries er
-bij, om mijn bedreiging nog meer kracht bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid
-in het land gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij verkiezen.
-Hun rijk is uit!&#x201d;
-</p>
-<p>De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de ooren van den
-ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan zijn
-overleden meester verdacht moest zijn. Met angst en beven opende hij een zijpoortje,
-dat met vele grendels en bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid
-in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik stelde hem gerust
-door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid mij een zeer goeden dunk van hem
-had ingeboezemd.
-</p>
-<p>»Ik denk er anders over!&#x201d; zeide Andries. »Syddall is een oude schurk. Hij zou er zoo
-doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet beven als een schoothondje, als hij niet
-meer te verantwoorden had, dan hij ons zeggen wil.&#x201d;
-</p>
-<p>»God vergeve het u, Andries!&#x201d; hernam Syddall, »dat gij zoo over een <span class="pagenum">[<a id="pb333" href="#pb333">333</a>]</span>oud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten aanleggen, mijnheer?&#x201d;
-vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den gang volgde. »Ik vrees, dat gij &#x2019;t in
-het kasteel al te eenzaam, al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden
-namiddag naar den heer Inglewood terug om bij hem te eten.&#x201d;
-</p>
-<p>»Leg wat vuur aan in de bibliotheek,&#x201d; antwoordde ik.
-</p>
-<p>»Wat! In de bibliotheek?&#x201d; riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand geweest; daar
-rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den schoorsteen genesteld, en
-wij hebben geen jonge lieden in het kasteel, om hunne nesten er uit te halen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!&#x201d; viel Andries hem in
-de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te wezen; want hij wil niet, zoo
-als gij Papisten, in blinde onkunde zijn tijd doorbrengen.&#x201d;
-</p>
-<p>Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de boekenkamer,
-die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij mij verwekt hadden, zoo
-als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker en bewoonbaarder was ingericht geworden.
-Op den haard brandde een helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook
-gezegd had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever, om zijne verlegenheid
-te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed brandde, maar nog dien zelfden morgen
-verschrikkelijk gerookt had.
-</p>
-<p>Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke gewaarwordingen te herstellen,
-die alles wat mij omringde, in mij opwekte. Ik beval dus <span class="corr" id="xd29e4646" title="Bron: Syddal">Syddall</span> den rentmeester te halen, die op eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne
-scheen hij zich te verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke
-knapen op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken waren
-meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute onderneming ooit
-afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde nam Andries de uitvoering van
-dezen last op zich, en <span class="corr" id="xd29e4649" title="Bron: ver-verzekerde">verzekerde</span> tevens, dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den duivel
-en den Pretendent het hoofd durfden bieden.&#x2014;»En mij zal dat gezelschap ook zeer aangenaam
-zijn,&#x201d; voegde hij er bij; »want juist in den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel
-doorbracht, zag ik dat beeld daar&#x2014;hij wees op een levensgroot portret van Diana&#x2019;s
-grootvader&#x2014;in de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een
-spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd heb ik gemeend,
-dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij bestond, maar dien nacht heb
-ik het met eigen oogen gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ga maar heen; ga maar heen!&#x201d; viel ik hem in de rede: »haal mij die knapen, maar zie
-wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij, en niet voor hunne eigen schaduw
-sidderen.<span class="corr" id="xd29e4654" title="Niet in bron">&#x201d;</span>
-</p>
-<p>»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch gehouden, zoo
-goed als de verstandigste van mijne buren. Maar met <span class="pagenum">[<a id="pb334" href="#pb334">334</a>]</span>spoken heb ik nooit gemeenschap gehad!&#x201d; antwoordde Andries vrij nijdig en ging heen.
-</p>
-<p>Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende hem als een
-braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in staat zou zijn geweest,
-zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te houden. Hij onderzocht mijne rechten
-op het kasteel zeer nauwkeurig, en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar.
-De erfenis zou voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het landgoed
-was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze echter gedeeltelijk afgelost,
-wat hem bij de rijzing der fondsen niet veel opoffering kostte.
-</p>
-<p>De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij eten. Liefst
-wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken, ofschoon Syddall mij daartoe de
-groote zaal aanbeval, die hij volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in
-orde had laten brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als
-ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik gelastte, dat
-men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg.
-</p>
-<p>Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik wilde de reden
-weten.
-</p>
-<p>»Gij zult mijne woorden niet gelooven,&#x201d; antwoordde hij&#x2014;»dat kan ik trouwens niet anders
-verwachten&#x2014;maar wat waar is, blijft toch waar. Die eene knaap, Wingfield is door en
-door eerlijk, maar zijn broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat
-hij bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren, die in de onlusten
-gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij is Presbyteriaan, en dat alleen is
-heden ten dage eene voldoende aanbeveling.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze en dergelijke uitdrukkingen,
-waarmede de oude man, terwijl hij mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad,
-aan zijne gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging hij
-heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester zijne papieren samen,
-om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen, in die zonderlinge gemoedsgesteldheid,
-waarin men zelf niet weet, of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij
-echter geene keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige andere
-tot zwaarmoedige overdenkingen stemde.
-</p>
-<p>Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half geopende deur,
-om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever, om het mij als een maatregel van
-voorzichtigheid tegenover de spoken aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel
-van de hand, wierp mij in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden
-van den schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende vlammen,
-die ik gevoed had.
-</p>
-<p>»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En zoo als die
-vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!&#x201d; zeide ik tot mij zelven. Gevoed door kleinigheden,
-aangeblazen door verbeelding, <span class="pagenum">[<a id="pb335" href="#pb335">335</a>]</span>onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd hebben. O, mensch,
-met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en wenschen, tot een ellendigen aschhoop
-wordt ge ten slotte van binnen!
-</p>
-<p>Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne overdenkingen te
-antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en&#x2014;Diana Vernon stond voor mij, op den arm van
-een man leunende, die op de boven vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig
-naar de lijst der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was ik
-plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf opgestaan? Bij den
-tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer goed bij mijn zinnen was, dat levende
-gedaanten voor mij stonden. Het was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren.
-Naast haar stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon,
-in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij geleek. Hij brak
-&#x2019;t eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak voor zich neer. Ik zelf kon van
-verbazing geen woord uiten.
-</p>
-<p>»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!&#x201d; zeide hij. »Wij zoeken onder
-uw dak toevlucht en bescherming, tot wij eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis
-en dood ons bij elken stap bedreigen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Zou Diana,&#x201d; stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan kunnen gelooven,
-dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen hebt, toen ik mij in een aller
-neteligsten toestand bevond. Meent gij, dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden,
-en nog wel u beiden!&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik ben overtuigd van uwe goedheid,&#x201d; antwoordde Vernon; »en toch vertrouw ik u met
-angst een geheim toe, dat voor u misschien onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan
-zijn. Ik had het veel liever aan ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot,
-dat mij in zoo vele hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze
-over.&#x201d;
-</p>
-<p>Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem van Andries hooren.&#x2014;»Ik
-breng u de kaarsen,&#x201d; zeide hij; »gij kunt ze aansteken, wanneer ge verkiest.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te beletten, te zien,
-wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig duwde ik hem terug, sloot de deur
-toe en deed er de grendels op. Maar plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide
-rekruten nog beneden waren. Andries&#x2019; praatzucht kende ik. Ook Syddall&#x2019;s waarschuwing
-omtrent een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de dienstbodenkamer,
-waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was, toen ik de deur opende, vrij luidruchtig
-aan het praten, maar mijne plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen.
-</p>
-<p>»Wat deert u, domkop?&#x201d; vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit, als of gij een spook
-hadt gezien.&#x201d;
-</p>
-<p>»Nie&#x2014;niets,&#x201d; antwoordde Andries. »Maar u was zoo&#x2014;zoo driftig, mijnheer!&#x201d;
-</p>
-<p>»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat hij <span class="pagenum">[<a id="pb336" href="#pb336">336</a>]</span>geen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat het niet noodig is,
-hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens op mijne gezondheid gaan drinken
-en overigens dank ik hen voor hun goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!&#x201d;
-</p>
-<p>De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan en gingen heen,
-zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste naar het mij toescheen. Ik wachtte
-tot zij zich verwijderd hadden, zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries
-niet weder in gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen
-twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds in de rede viel.
-Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden stichten: hier kostten ze twee
-menschen het leven!
-</p>
-<p>Toen ik deze maatregelen genomen had&#x2014;het beste wat mij voor dat oogenblik inviel,
-om het geheim van Diana en haren vader te beveiligen&#x2014;keerde ik naar hen terug, om
-hun van hetgeen door mij gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik
-den ouden Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest wel vermoeden,
-dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel verborgen waren.
-</p>
-<p>Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne voorzichtigheid.&#x2014;»Gij zijt thans
-met mijn geheim bekend,&#x201d; zeide zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze
-man is, die hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer
-verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was, mij als met
-eene ijzeren roede beheerschte.&#x201d;
-</p>
-<p>Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij slechts eenige
-weinige oogenblikken tot last wilden zijn.
-</p>
-<p>Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen, en overtuigd te
-zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen was, om hun veiligheid te verschaffen.
-Dit leidde tot eene nadere mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne
-dochter bevonden.
-</p>
-<p>»Ik had steeds verdenking op Rashleigh,&#x201d; zeide hij. »Maar nu vervult mij zijn gedrag
-jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts na mijn lang aandringen bekende,
-en ook zijne trouweloosheid jegens uw vader, met den innigsten haat en de diepste
-verachting tegen hem. Bij onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid
-niet. Wat ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door de
-minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige misdaden nog zijn
-verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte ik, dat dit geene gevolgen van
-eenig belang zou hebben. De graaf van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord
-Derwentwater, Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik had
-uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom achtte ik het doelmatig,
-dat ik bij een korps Hooglanders bleef, onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de
-grenzen met de Engelschen vereenigde. <span class="pagenum">[<a id="pb337" href="#pb337">337</a>]</span>Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil van alle gevaren en ongemakken.
-</p>
-<p>»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!&#x201d; riep Diana uit, terwijl zij zich
-liefderijk aan zijn arm klemde.
-</p>
-<p>»Zoodra wij ons,&#x201d; vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden vereenigd hadden,
-zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht stond. Het getal onzer manschappen verminderde,
-in plaats van te vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers
-van ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk behoorden,
-bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet verre van Preston door
-eene macht, waartegen wij niet bestand waren, ingesloten. Gedurende een geheelen dag
-verdedigden wij ons dapper. Den volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de
-moed, en zij besloten zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen,
-dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer dertig edellieden
-waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard, en namen mijne dochter, die volstrekt
-mijn lot wilde deelen, in het midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren
-zoo verrast door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner dochter,
-dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen, dan haar achter te laten.
-Wij reden samen door eene lange straat van Preston, naar eene moerassige weide aan
-de rivier de Ribble, van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had
-deze streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten, die wij
-op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar Liverpool, waar wij scheidden,
-ten einde deze hier, gene daar, eene schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht
-mij naar Wallis, waar ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon
-echter geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en zag mij
-dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd vriend had met mij afgesproken,
-om mij op deze plaats te ontmoeten, en mij naar eene Schotsche haven te geleiden,
-waar een schip gereed lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor
-het oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel, waar de oude
-Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest, ons eene schuilplaats verleende.
-Ik koos eene kleeding, waarvan ik mij reeds te voren met goed gevolg bediend had,
-om den bijgeloovigen landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten
-wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen nieuwen leidsman,
-toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek ons noodzaakte, uwe deelneming in
-ons lot af te smeeken.&#x201d;
-</p>
-<p>Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik kon bijna niet
-gelooven, dat Diana vóór mij stond.&#x2026; Ach! hoe was zij bleek en ter nedergeslagen!
-De moed, waarmede zij alle gevaren getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare
-vastberadenheid geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel
-woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen op <span class="pagenum">[<a id="pb338" href="#pb338">338</a>]</span>mijn gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne ongerustheid
-wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag.
-</p>
-<p>»Zij heeft,&#x201d; zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis van eene martelares
-tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en dood in allerlei gedaanten met vasten
-moed onder de oogen gezien. Zij heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen
-terugdeinzen; zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en
-nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid of ontmoediging
-verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij verdient, dat ik haar voor altijd
-wijde aan mijn God,&#x201d; ging hij zich kruisende voort,&#x2014;»als het dierbaarste en kostbaarste
-kleinood, dat mij is overgebleven.&#x201d;
-</p>
-<p>Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep, volgde een
-diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana&#x2019;s vader zich er op toe te leggen, om mij
-alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij onze vluchtige ontmoeting in Schotland
-had gedaan.
-</p>
-<p>»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen,&#x201d; zeide hij tot zijne dochter:
-»hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner gasten, die hem om zijne bescherming
-smeeken, genoegzaam bekend.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de boekenkamer te verlaten.
-Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts den argwaan van mijn bediende zou opwekken,
-en dat hunne schuilplaats door <span class="corr" id="xd29e4705" title="Bron: Sydall&#x2019;s">Syddall&#x2019;s</span> zorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden voorzien was.
-</p>
-<p>»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen ontwijken en verborgen
-blijven,&#x201d; zeide hij, »maar het zou heel onbillijk zijn geweest, indien wij niet met
-de daad getoond hadden, alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Uw vertrouwen is niet misplaatst,&#x201d; hernam ik, »hoewel gij mij niet kent; doch freule
-Vernon zal gaarne getuigen, dat.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik behoef haar getuigenis niet,&#x201d; zeide hij op zeer minzamen toon, doch zichtbaar
-met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf tot zijne dochter zou wenden.
-<span class="corr" id="xd29e4712" title="Niet in bron">»</span>Ik weet, dat ik slechts goeds van den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun
-ons, dat wij ons verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij
-volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke reis zullen geroepen
-worden.&#x201d;
-</p>
-<p>Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met eene diepe buiging
-verdwenen beiden achter het behangsel.
-<span class="pagenum">[<a id="pb339" href="#pb339">339</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">HOOFDSTUK XXXIX.</h2>
-<div class="epigraph">
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Doch d&#x2019; hand van &#x2019;t ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,
-</p>
-<p class="line">Een vreemd tooneel verschijnt voor &#x2019;t oog.
-</p>
-</div>
-<p class="first xd29e164"><span class="sc">Don Sebastiaan.</span></p>
-</div>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="xd29e1839"><span class="xd29e1839init">I</span>k was alleen, maar als &#x2019;t ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het gemoed, dat gehecht
-is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan niet alleen de schoonste vormen,
-maar ook zulke, waarin zij hen het liefste ziet. Diana&#x2019;s beeld stond voor mijn geest,
-zoo als zij was, toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk,
-dat ik door Mac-Gregor&#x2019;s vrouw ontving, mij haren wensch verried, de herinnering mijner
-liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede te nemen. Ik zag haar, en hare koele
-onderwerping, die weinig meer dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja
-beleedigde mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik verweet
-haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat beiden hun goed en bloed,
-ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat, wat zij voor hun plicht hielden.
-</p>
-<p>Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng hield, dan dat
-een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana was haars vaders veiligheid
-sedert vele jaren de eenige drijfveer van haar denken, haar hopen, haar handelen.
-Zij meende nu haren plicht vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk
-eigendom, maar ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde.
-Het was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was, al die waarlijk
-eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren; maar toch kon mijne misnoegdheid
-mij tot niets onedels verleiden.
-</p>
-<p>»Zoo, zoo, men versmaadt mij,&#x201d; zeide ik tot mij zelven, toen ik Vernon&#x2019;s woorden overwoog&#x2014;»men
-versmaadt mij. Men acht mij zelfs onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo.
-Dat zal mij niet beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden,
-en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar genaken, als de
-arm van een vastberaden man in staat is, om haar te verdedigen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen Andries, die, sedert
-ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn eigen gewicht vervuld was, en besloten
-scheen te hebben, niet te verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen.
-Maar zoo als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn doel. Zijne
-oplettendheden verveelden en wekten afkeer.
-</p>
-<p>En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet, openhartig met Syddall
-te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige niet wegzenden, uit vrees van den argwaan
-te vermeerderen, dien ik misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling
-de boekenkamer deed verlaten.
-<span class="pagenum">[<a id="pb340" href="#pb340">340</a>]</span></p>
-<p>»Syddall! Ik zal hier slapen,&#x201d; zeide ik. Ik gaf hem bevel om een ouderwetsche rustbank
-wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb nog wat te doen, en zal dus eerst laat
-ter ruste gaan.&#x201d;
-</p>
-<p>Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en een bed geven.
-Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik beval hem mij den volgenden
-morgen niet vóór zeven uren te wekken.
-</p>
-<p>Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen over, wachtend
-op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou eischen. Ik wendde alle pogingen
-aan, om mijne gedachten af te trekken van den zonderlingen toestand, waarin ik mij
-bevond. Die gevoelens, die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was,
-dapper bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers dicht in de
-nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou gescheiden worden. Haar naam
-stond in elken regel van elk boek; ik trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor
-mijne ziel, zoo dikwijls ik aan iets anders wilde denken.
-</p>
-<p>Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze te bestrijden.
-Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid, dan weder wapende ik mij met
-eene zekere fierheid, des te sterker, nu zij zich door onverdiende minachting beleedigd
-gevoelde. Ik wandelde de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in
-eene koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op het bed.
-Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos hield ik mij, zonder een
-enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen,
-te verbannen, door onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig
-vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne aderen, en mijn
-pols sloeg hevig.
-</p>
-<p>Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten in den door de maan
-helder beschenen nacht. De koelte en zachte stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden
-den storm in mijne ziel eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde
-ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke gevoel van mijn toestand
-bleef mij steeds bij, ook in den diepen slaap. Verschrikkelijke droomen folterden
-mij. Een van die ontzettende droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk.
-Ik bevond mij met Diana in de macht van Mac-Gregor&#x2019;s vrouw, en wij zouden van eene
-rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot van een kanon gegeven,
-hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding, liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik
-het tooneel kunnen afschilderen&#x2014;de zwijgende, moedige onderwerping op Diana&#x2019;s gelaat,
-de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds wisselend grijnzen
-van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij
-op het gelaat des vaders: ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk,
-vele malen herhaald door de echo der omliggende rotsen, en&#x2014;ik ontwaakte uit mijn ingebeelden
-schrik, om werkelijken angst te ondervinden.
-<span class="pagenum">[<a id="pb341" href="#pb341">341</a>]</span></p>
-<p>Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom verschrikt hadden.
-Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden
-kon, dat er hevig aan de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen
-onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te beletten. Ik
-moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek niet aan de voorzijde van
-het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam, waarvan de vensters op het voorplein uitzagen.
-Daar hoorde ik <span class="corr" id="xd29e4744" title="Bron: Syddals">Syddall&#x2019;s</span> zwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen, die, krachtens
-een bevel des rechters Standish en in naam des konings, eischten binnengelaten te
-worden, en den ouden bediende met de zwaarste straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid
-weigerde. Plotseling deed zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren,
-die den ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.
-</p>
-<p>»Komen zij,&#x201d; zeide hij, »in &#x2019;s konings naam, dan hebben wij niets te vreezen. Immers
-hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk, wij behoeven ons niet schuil
-te houden als andere lieden, mijnheer Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten.&#x201d;
-</p>
-<p>Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De dienstvaardige Andries
-schoof de grendels weg, terwijl hij onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid
-jegens den koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn, eer
-ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de harde tuchtiging, die
-ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde terug naar de boekenkamer, sloot de
-deur zoo goed ik kon, en klopte, terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden,
-aan die, welke tot Diana&#x2019;s en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve:
-zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar, zij was uiterst
-kalm.
-</p>
-<p>»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar,&#x201d; zeide zij, »dat wij er steeds op voorbereid
-zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in Rashleigh&#x2019;s kamer. Wij spoeden
-ons naar den tuin, vervolgens door de achterdeur naar het bosch.&#x2014;In geval van nood,
-heb ik mij den sleutel door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen door<a id="xd29e4751"></a> het bosch beter dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans,
-nog eenmaal, vaarwel!&#x201d;
-</p>
-<p>Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg te spoeden. Men
-klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te openen, toen ik in de bibliotheek
-terugkwam.
-</p>
-<p>»Rooversgespuis!&#x201d; riep ik, opzettelijk het doel van hunne gewelddadigheid verkeerd
-uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel, of ik schiet op u, door de deur heen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Gekheid!&#x201d; riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met een gerechtelijk
-bevel.&#x2026;&#x201d;
-</p>
-<p>»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het aanhouden en arresteeren
-van zekere personen,&#x201d; hoorde ik den ellendigen rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen,
-genoemd en aangeduid in mijn bevel <span class="pagenum">[<a id="pb342" href="#pb342">342</a>]</span>van aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de verordening uit het dertiende
-jaar der regeering van koning Willem, in het derde kapittel.&#x201d;
-</p>
-<p>En hij klopte op nieuw met verdubbelde heftigheid.&#x2014;
-</p>
-<p>»Ik sta op,&#x201d; riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt toch geen geweld!
-Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik het wettig, dan zal ik mij niet verzetten.&#x201d;
-</p>
-<p>»God zegene den grooten koning George!&#x201d; zeide Andries. »Ik heb het u immers gezegd,
-dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om de deur te openen,
-die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben.
-</p>
-<p>Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik denzelfden knaap
-opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt, en die waarschijnlijk de verklikker
-was geweest. Jobson toonde mij zijn bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik
-Vernon, een overtuigden verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens
-het niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou razernij geweest
-zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had verzocht, gaf ik mij gevangen.
-</p>
-<p>Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana&#x2019;s kamer, en ik hoorde dat hij vervolgens,
-zonder zich te bedenken of te zoeken, naar de kamer ging, waarin zich haar vader bevond,
-of ten minste zich ter ruste had begeven.&#x2014;
-</p>
-<p>»Het wild is ontsnapt!&#x201d; zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze speurhonden zullen
-het wel spoedig bij den nek krijgen.&#x201d;
-</p>
-<p>Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige oogenblikken
-daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen, in de kamer.&#x2014;
-</p>
-<p>»De vos,&#x201d; zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten, dat een schrander
-jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur niet vergeten, edele lord Beauchamp,
-zoo als gij u toch gaarne hoort noemen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Rashleigh,&#x201d; antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!&#x201d;
-</p>
-<p>»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger, toen ik onder de
-leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van den burgeroorlog in een vreedzaam
-land trachtte te ontsteken. Maar ik heb mijn best gedaan,&#x201d; vervolgde hij, met een
-blik ten hemel, »om mijne dwalingen te herstellen.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend toeschouwer
-te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest, al was er de dood mee gemoeid.
-</p>
-<p>»Waarachtig!&#x201d; riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger duivelsgestalte heeft,
-dan die van laagheid en gemeenheid onder het masker van huichelarij.&#x201d;
-</p>
-<p>»Aha, mijnheer en neef!&#x201d; zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de tafel, om mij van
-het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte welkom <span class="pagenum">[<a id="pb343" href="#pb343">343</a>]</span>op het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u licht vergeven. Het is zeker
-hard, zeer hard, eene geliefde en een landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij
-zullen van dit kasteel en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam,
-Rashleigh Osbaldistone.&#x201d;
-</p>
-<p>Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak, spijt en schaamte
-gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder werd die gemoedsstemming, toen
-Diana kalm tot hem sprak: »<span class="corr" id="xd29e4781" title="Bron: Rasheigh">Rashleigh</span>, ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij mij wildet storten.
-Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik u niet zoo sterk haten als verachten.
-Wat gij thans gedaan hebt, is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult
-er uw gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het zal niet
-altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!&#x201d;
-</p>
-<p>Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en neer. Toen hij bij
-de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk hij met eene bevende hand een vol
-glas in. Hij zag dat wij zijn beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging
-onderdrukken en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde, het
-glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten.
-</p>
-<p>»Het is mijns vaders oude Bourgonje!&#x201d; zeide hij, Jobson aanziende. »Het doet me pleizier
-dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter lieden te benoemen, om in mijn
-naam voor het kasteel en mijn eigendom zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien
-Schotschen gek kunt gij de deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde
-bewaring brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen,&#x201d; vervolgde hij, »ofschoon
-ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet of te paard in de nachtlucht
-zou kunnen doen, als maar de reis meer naar haren zin was.&#x201d;
-</p>
-<p>Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar,&#x201d; stamelde hij, »dat mijnheer zeker
-met een spook in de boekenkamer gesproken had&#x2014;en die ellendeling daar gaat een oud
-vriend verraden, die zoo vele jaren elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden
-heeft!&#x201d;
-</p>
-<p>Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall het huis uit.
-Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige gevolgen. Besloten, om zich naar
-een oud bekende in het dorp te begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden,
-had hij juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen, toen
-hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar voor dien nacht gelegerd
-had. De tuinier verwonderde zich daarover niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars,
-om op deze wijze een goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken,
-was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een Hooglander opsprong,
-hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had, en hem niet verder wilde laten gaan,
-voordat hij met zijn baas zou <span class="corr" id="xd29e4789" title="Bron: geproken">gesproken</span> hebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden man in een boschje, waar hij
-nog drie of vier van zijne landslieden vond.&#x2014;»Ik zag al heel <span class="pagenum">[<a id="pb344" href="#pb344">344</a>]</span>spoedig,&#x201d; zeide Andries, »dat er voor eene kudde veel te veel mannen waren, en aan
-hunne vragen merkte ik wel, dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij
-voorwendden.&#x201d;
-</p>
-<p>Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was, en schenen zeer bekommerd,
-toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord hadden. »Waarlijk,&#x201d; bekende Andries, »ik
-verzweeg niets aan mannen, die met dolk en pistool gewapend waren.&#x201d; Daarop spraken
-zij zacht met elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan,
-zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige gevelde boomen bijeen,
-die in de nabijheid in het rond lagen, en maakten daarvan eene versperring op den
-weg.
-</p>
-<p>De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten vermengde zich met het
-meer en meer verbleekende maanlicht. Men kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden.
-Het ratelend geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes man
-te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De Hooglanders luisterden
-opmerkzaam. In de koets zat Jobson met zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond
-uit Rashleigh en eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of
-het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden, en door de boomstammen.
-Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den weg te ruimen, die zij wellicht dachten,
-dat uit slordigheid waren blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het
-vee wegjoegen.
-</p>
-<p><span class="corr" id="xd29e4797" title="Niet in bron">»</span>Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen,&#x201d; riep eene ruwe stem. »Schiet
-hem neer, Angus!&#x201d;
-</p>
-<p>»Verraad!&#x201d; riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!&#x201d; en schoot zijn pistool af op den
-man die gesproken had.
-</p>
-<p>»Met de sabel er op in!&#x201d; riep de bevelhebber der Hooglanders, en het gevecht begon
-terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door den plotselingen aanval, en over
-het algemeen niet al te dapper, verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht
-aan hun kant hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar toen
-zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle kanten vielen, verhinderd
-werden, meenden zij geheel omsingeld te zijn en vluchtten langs verschillende wegen.
-Intusschen was Rashleigh afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder
-der bende. Uit het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel Rashleigh.
-</p>
-<p>»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van Jakobus en van de
-oude vriendschap?&#x201d; riep eene stem, welke ik maar al te goed kende.
-</p>
-<p>»Neen, nooit!&#x201d; antwoordde Rashleigh op vasten toon.
-</p>
-<p>»Zoo sterf dan, verrader!&#x201d; riep Mac-Gregor en stiet den gevallene het zwaard in de
-borst.
-</p>
-<p>Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp Diana er uit en
-reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand, en rukte er toen Jobson uit,
-dien hij onder den wagen wierp.
-<span class="pagenum">[<a id="pb345" href="#pb345">345</a>]</span></p>
-<p>»Mijnheer Osbaldistone,&#x201d; zeide hij zacht, »gij hebt niets te vreezen. Ik moet waken
-over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel!
-Denk aan Mac-Gregor!&#x201d;
-</p>
-<p>Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen Diana en Vernon
-in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De koetsier had zijne paarden in
-den steek gelaten, toen het schieten begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd,
-bleven bedaard staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden zou
-zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want hij was door den
-schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was, zich zelven te helpen. Maar eerst
-riep ik hem toe, wel op te merken, en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel
-aan de bevrijding der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te
-ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel kon begeven
-en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon roepen, ten einde de gekwetsten
-bij te staan. Maar Jobson was door den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren.
-Nu besloot ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst voor
-een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze houding verkozen,
-om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die elk oogenblik in allerlei richtingen
-vielen. Het verheugde mij zeer, hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar
-gekomen was, maar hem terstond beval mij hulp te verleenen.
-</p>
-<p>De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen ik hem naderde,
-en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had, nooit weder te spreken. Wij droegen
-hem in de koets, en bewezen een anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken
-bijstand. Met moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde Rashleigh
-te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het kasteel. Eenige der vluchtelingen
-waren langs zijwegen daar al aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd
-door het bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door een hoop
-woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons als van een verontruste
-bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in het kasteel, toen wij ons in de nabijheid
-daarvan bevonden. Jobson, die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met
-luider stem aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden, daar
-een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen gestorven was, ten gevolge
-zijner wonden.
-</p>
-<p>Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht hem in het kasteel,
-waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl sommigen het bloed, dat rijkelijk
-uit de wonde vloeide, poogden te stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen.
-</p>
-<p>»Plaagt mij niet meer,&#x201d; riep de gewonde: »voor mij is geen hulp meer. Ik sterf.&#x201d;
-</p>
-<p>Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn voorhoofd bedekte,
-en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer veel inspanning scheen te kosten:
-»Neef Frans, kom bij mij!&#x201d;
-<span class="pagenum">[<a id="pb346" href="#pb346">346</a>]</span></p>
-<p>Ik naderde hem.&#x2014;»Ik wilde u alleen maar zeggen,&#x201d; vervolgde hij, »dat zelfs de doodsangst
-mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik haat u!&#x201d; riep hij met hevigheid. En wraakzucht
-deed het vuur in het reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk
-een onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen.&#x201d;
-</p>
-<p>»Ik heb u daartoe geen reden gegeven,&#x201d; hernam ik. »Om uwent wil zou ik u toewenschen,
-dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt.&#x201d;
-</p>
-<p>»Het is wel waar!&#x2014;gij hebt mij wel reden,&#x2014;gegronde reden <span class="corr" id="xd29e4821" title="Bron: ge-gegeven">gegeven</span>&#x2014;u te haten,&#x201d; hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij overal&#x2014;gedwarsboomd,&#x2014;in de liefde&#x2014;op
-den weg mijner eerzucht&#x2014;in mijn eigenbelang&#x2014;bij elke schrede&#x2014;die ik doen wilde,&#x2014;overal.&#x2014;Ik
-werd geboren&#x2014;om het sieraad&#x2014;van mijn geslacht te worden,&#x2014;Wat ben ik?&#x2014;zijne&#x2014;schande.&#x2014;Dat&#x2014;is
-uwe schuld!&#x2014;Mijne erfenis&#x2014;is de uwe&#x2014;welnu&#x2014;neem haar,&#x2014;neem haar!&#x2014;De vloek&#x2014;van een stervende&#x2014;blijve
-er&#x2014;aan verbonden&#x2014;vloek!&#x201d;
-</p>
-<p>En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak, maar op de ontzielde
-trekken zag men nog duidelijk het grijnzen van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke
-beeld af. Van Rashleigh&#x2019;s dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht
-thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht wegens het niet
-aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh&#x2019;s verlangen was gedaan, ten einde
-mij uit het kasteel te verwijderen. Ook dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij
-werd van zijn ambt ontzet, en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan
-voort.
-</p>
-<p>Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar Londen. Ik verliet
-gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke herinneringen in mij opwekte. Lang was ik
-in angstige onzekerheid omtrent Diana&#x2019;s lot, tot een Fransche koopman mij een brief
-van haar bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust werd gesteld.
-</p>
-<p>Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat de plotselinge
-verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt niet toevallig was geweest.
-De Schotsche edellieden, die aan den opstand deel hadden genomen, waren vooral er
-op bedacht, om Vernon&#x2019;s vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der
-Stuarts, zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich in
-het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men rekenen kon, werd
-gekozen, om Vernon&#x2019;s bevrijding te bewerken. Het kasteel Osbaldistone werd als de
-plaats der bijeenkomst bestemd. De onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter
-vonden op eenigen afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert&#x2019;s
-geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar Frankrijk inscheepten.
-Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon door tering was aangetast, het gevolg van
-lijden en rampspoed, ja, dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen
-leven. Zijne dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch
-later de gelofte zou afleggen.
-</p>
-<p>Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeld <span class="pagenum">[<a id="pb347" href="#pb347">347</a>]</span>den toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld, dat ik met eene
-Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij wenschte mij, voor mijn volgend leven,
-gelijk hij zich uitdrukte, op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het
-zeer op prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken, hem mijne
-neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad, en na verscheidene vragen,
-die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde, zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit
-gedroomd hebben, dat mijn zoon eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar
-nog minder, dat hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef
-mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw zijn. Gij hebt,
-mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is billijk, dat ik u vrij laat
-in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!&#x201d;
-</p>
-<p>Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep, en hoe spoedig ik het
-jawoord kreeg, dat is niet noodig u te vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat
-ik lang en gelukkig met Diana geleefd,&#x2014;gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar
-door den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die tranen verdiende,
-hoe edel zij was en hoe trouw!
-</p>
-<p>Mijne romantische avonturen zijn <span class="corr" id="xd29e4834" title="Bron: geëndigd">geëindigd</span>. De latere gebeurtenissen van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die
-met zooveel deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn leven afwisselden,
-met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander
-weder gezien, die op mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend
-had; wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn gebied aan
-de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja, dat hij zelfs zooveel toegevendheid
-van den kant der regeering genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap
-Lennox spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting, welke hij
-even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne huurpenningen. Een bestaan
-zoo als hij leidde, zou men denken, moest een gewelddadig einde genomen hebben, maar
-neen! op hoogen ouderdom is hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog
-steeds leeft hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood van
-Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij was een man, die edele,
-achtenswaardige hoedanigheden van verstand en hart bezat. Een minder dubbelzinnig
-bedrijf dan dat, waartoe het noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld
-had door hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor.
-</p>
-<p>Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone nog gekend. Die
-placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld hebben, die eigenlijk veel te
-veel slechts doen, om ze te zegenen, en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken.&#x201d;
-Robbert Roodhaar was zulk een mensch.
-</p>
-<p class="trailer xd29e4838"><span class="ex">EINDE.</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1" id="toc">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">HOOFDSTUK I.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">5</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">HOOFDSTUK II.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">12</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">HOOFDSTUK III.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">23</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">HOOFDSTUK IV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">28</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">HOOFDSTUK V.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">36</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">HOOFDSTUK VI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">44</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">HOOFDSTUK VII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">54</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">HOOFDSTUK VIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">62</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">HOOFDSTUK IX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">72</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">HOOFDSTUK X.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">84</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">HOOFDSTUK XI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">95</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">HOOFDSTUK XII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">103</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">HOOFDSTUK XIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">111</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">HOOFDSTUK XIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">121</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">HOOFDSTUK XV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">131</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">HOOFDSTUK XVI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">136</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch17">HOOFDSTUK XVII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">142</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch18">HOOFDSTUK XVIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">151</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch19">HOOFDSTUK XIX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">160</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch20">HOOFDSTUK XX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">165</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch21">HOOFDSTUK XXI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch21">171</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch22">HOOFDSTUK XXII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">179</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch23">HOOFDSTUK XXIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">189</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch24">HOOFDSTUK XXIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">199</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch25">HOOFDSTUK XXV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">205</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch26">HOOFDSTUK XXVI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch26">212</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch27">HOOFDSTUK XXVII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch27">225</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch28">HOOFDSTUK XXVIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch28">231</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch29">HOOFDSTUK XXIX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch29">242</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch30">HOOFDSTUK XXX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch30">251</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch31">HOOFDSTUK XXXI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch31">262</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch32">HOOFDSTUK XXXII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch32">274</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch33">HOOFDSTUK XXXIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch33">285</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch34">HOOFDSTUK XXXIV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch34">293</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch35">HOOFDSTUK XXXV.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch35">305</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch36">HOOFDSTUK XXXVI.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch36">316</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch37">HOOFDSTUK XXXVII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch37">322</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch48">HOOFDSTUK XXXVIII.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch48">331</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch39">HOOFDSTUK XXXIX.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch39">339</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd29e49" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd29e49" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<p>Vertaling van <i lang="en">Rob Roy</i>, ook beschikbaar bij Project Gutenberg als eboek <a class="pglink xd29e49" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/7025">7025</a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Robbert Roodhaar</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Walter Scott (1771&#x2013;1832)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/95207079/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Vertaler:</b></td>
-<td>Gerard Keller (1829&#x2013;1899)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/44291505/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Illustrator:</b></td>
-<td>André Vlaanderen (1881&#x2013;1955)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/78685487/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>[1894]</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Trefwoorden:</b></td>
-<td>Outlaws -- Fiction</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b></b></td>
-<td>Rob Roy, 1671-1734 -- Fiction</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b></b></td>
-<td>Scotland -- History -- 1689-1745 -- Fiction</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek. Inconsistente schrijfwijzen, met name het gebruik van de letters <i>c</i> of <i>k</i> en de apostrof voor de genitief of het meervoud zijn niet aangepast.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2020-07-20 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e273">11</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1223">66</a></td>
-<td class="width40 bottom">zóo</td>
-<td class="width40 bottom">zóó</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e305">12</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e329">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">recher</td>
-<td class="width40 bottom">rechter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e361">15</a>, <a class="pageref" href="#xd29e459">17</a>, <a class="pageref" href="#xd29e495">17</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1127">62</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1657">96</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2588">171</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2782">186</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2836">189</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3786">256</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4654">333</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e367">15</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e369">15</a>, <a class="pageref" href="#xd29e382">15</a>, <a class="pageref" href="#xd29e404">16</a>, <a class="pageref" href="#xd29e465">17</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1234">67</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2777">186</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2898">193</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3517">240</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3600">244</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3699">250</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3803">258</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4005">276</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4712">338</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4797">344</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e395">15</a></td>
-<td class="width40 bottom">wissellacceptatien</td>
-<td class="width40 bottom">wisselacceptatiën</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e421">16</a></td>
-<td class="width40 bottom">Fontarabies</td>
-<td class="width40 bottom">Fontarabie&#x2019;s</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e689">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">Chrysëis</td>
-<td class="width40 bottom">Chryseïs</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e692">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">Brisëis</td>
-<td class="width40 bottom">Briseïs</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e703">33</a></td>
-<td class="width40 bottom">laatsgenoemde</td>
-<td class="width40 bottom">laatstgenoemde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e728">35</a>, <a class="pageref" href="#xd29e731">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">dáar</td>
-<td class="width40 bottom">dáár</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e747">36</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ik</td>
-<td class="width40 bottom">In</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e794">39</a></td>
-<td class="width40 bottom">Barlett</td>
-<td class="width40 bottom">Bartlett</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e848">43</a></td>
-<td class="width40 bottom">geverwd</td>
-<td class="width40 bottom">geverfd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e860">44</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2959">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e873">44</a></td>
-<td class="width40 bottom">Stonhenge</td>
-<td class="width40 bottom">Stonehenge</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e880">45</a></td>
-<td class="width40 bottom">behebt</td>
-<td class="width40 bottom">behept</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e948">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">forrellen</td>
-<td class="width40 bottom">forellen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e961">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">Dreepdaly</td>
-<td class="width40 bottom">Dreepdaily</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1008">54</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2566">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1086">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hanover</td>
-<td class="width40 bottom">Hannover</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1092">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hanoveraan</td>
-<td class="width40 bottom">Hannoveraan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1176">64</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2667">177</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3207">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">«</td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1366">77</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1369">77</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1372">77</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1375">77</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1378">77</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1630">95</a>, <a class="pageref" href="#xd29e2480">161</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3485">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1482">85</a></td>
-<td class="width40 bottom">onvergeefelijke</td>
-<td class="width40 bottom">onvergeeflijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1570">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">Jezuiet</td>
-<td class="width40 bottom">Jezuïet</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1573">90</a>, <a class="pageref" href="#xd29e1730">103</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3754">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x201d;</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1590">91</a></td>
-<td class="width40 bottom">Colvib</td>
-<td class="width40 bottom">Colville</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1685">99</a></td>
-<td class="width40 bottom">nedrigheid</td>
-<td class="width40 bottom">nederigheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1747">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrienschappelijken</td>
-<td class="width40 bottom">vriendschappelijken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1752">104</a></td>
-<td class="width40 bottom">ergenis</td>
-<td class="width40 bottom">ergernis</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1810">109</a></td>
-<td class="width40 bottom">Maartbier</td>
-<td class="width40 bottom">Maartsbier</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1925">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">dikwijlst</td>
-<td class="width40 bottom">dikwijls</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1944">122</a></td>
-<td class="width40 bottom">inderderdaad</td>
-<td class="width40 bottom">inderdaad</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e1950">122</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrienddelijkheid</td>
-<td class="width40 bottom">vriendelijkheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2002">126</a></td>
-<td class="width40 bottom">angere</td>
-<td class="width40 bottom">andere</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2025">128</a></td>
-<td class="width40 bottom">goevoelde</td>
-<td class="width40 bottom">gevoelde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2054">131</a></td>
-<td class="width40 bottom">Wigh-ministers</td>
-<td class="width40 bottom">Whig-ministers</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2144">138</a></td>
-<td class="width40 bottom">Trajano&#x2019;s</td>
-<td class="width40 bottom">Trojano&#x2019;s</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2207">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">bekentis</td>
-<td class="width40 bottom">bekentenis</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2231">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">welwillenheid</td>
-<td class="width40 bottom">welwillendheid</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2236">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">zelze</td>
-<td class="width40 bottom">zelve</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2341">151</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2358">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">Macvittie</td>
-<td class="width40 bottom">Mac-Vittie</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2448">159</a></td>
-<td class="width40 bottom">Laughmaben</td>
-<td class="width40 bottom">Loughmaben</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2492">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">Macfin</td>
-<td class="width40 bottom">Mac-Fin</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2499">163</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mac-Vitte</td>
-<td class="width40 bottom">Mac-Vittie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2548">168</a></td>
-<td class="width40 bottom">Laag-landers</td>
-<td class="width40 bottom">Laaglanders</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2558">169</a></td>
-<td class="width40 bottom">toegeflluisterd</td>
-<td class="width40 bottom">toegefluisterd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2610">172</a></td>
-<td class="width40 bottom">namiddaggodsdienstoefening</td>
-<td class="width40 bottom">namiddagsgodsdienstoefening</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2675">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2763">185</a></td>
-<td class="width40 bottom">zoó</td>
-<td class="width40 bottom">zóó</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2774">186</a></td>
-<td class="width40 bottom">Stanchel</td>
-<td class="width40 bottom">Stanchell</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2788">187</a></td>
-<td class="width40 bottom">gordijen</td>
-<td class="width40 bottom">gordijnen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2863">191</a></td>
-<td class="width40 bottom">ombeschaamde</td>
-<td class="width40 bottom">onbeschaamde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2882">192</a></td>
-<td class="width40 bottom">Wighs</td>
-<td class="width40 bottom">Whigs</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2904">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">&#x201e;</td>
-<td class="width40 bottom">»</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e2956">198</a></td>
-<td class="width40 bottom">Fairserviece</td>
-<td class="width40 bottom">Fairservice</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3038">204</a></td>
-<td class="width40 bottom">Body&#x2019;s</td>
-<td class="width40 bottom">Boyd&#x2019;s</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3064">205</a></td>
-<td class="width40 bottom">zondelinger</td>
-<td class="width40 bottom">zonderlinger</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3069">205</a></td>
-<td class="width40 bottom">Plotselig</td>
-<td class="width40 bottom">Plotseling</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3091">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">halstarrige</td>
-<td class="width40 bottom">halsstarrige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3102">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">beluit</td>
-<td class="width40 bottom">besluit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3138">212</a></td>
-<td class="width40 bottom">Christopter</td>
-<td class="width40 bottom">Christopher</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3201">216</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gaëlsch</td>
-<td class="width40 bottom">Gaelisch</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3236">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">Blac-mail</td>
-<td class="width40 bottom">Black-mail</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3262">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">disonteeren</td>
-<td class="width40 bottom">disconteeren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3271">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">heram</td>
-<td class="width40 bottom">hernam</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3311">225</a></td>
-<td class="width40 bottom">hongersnoad</td>
-<td class="width40 bottom">hongersnood</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3381">230</a></td>
-<td class="width40 bottom">waargaêsche</td>
-<td class="width40 bottom">weergaasche</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3430">233</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">!</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3432">233</a></td>
-<td class="width40 bottom">!</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3461">235</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4442">314</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gaelsch</td>
-<td class="width40 bottom">Gaelisch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3536">241</a>, <a class="pageref" href="#xd29e3790">256</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4039">280</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4046">280</a></td>
-<td class="width40 bottom">Galbrait</td>
-<td class="width40 bottom">Galbraith</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3552">242</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mac-hane&#x2019;s</td>
-<td class="width40 bottom">Mac-Lean&#x2019;s</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3640">247</a></td>
-<td class="width40 bottom">Inverashallogh</td>
-<td class="width40 bottom">Inverashalloch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3667">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">gegalonneerde</td>
-<td class="width40 bottom">gegaloneerde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3685">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">Invershallogh</td>
-<td class="width40 bottom">Inverashalloch</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3694">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">klappertande</td>
-<td class="width40 bottom">klappertandde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3764">254</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4267">299</a>, <a class="pageref" href="#xd29e4481">317</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gaelsche</td>
-<td class="width40 bottom">Gaelische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3830">260</a></td>
-<td class="width40 bottom">onmiddelijk</td>
-<td class="width40 bottom">onmiddellijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3869">264</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrijhad</td>
-<td class="width40 bottom">vrij had</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3897">267</a></td>
-<td class="width40 bottom">Stuckarrallachan</td>
-<td class="width40 bottom">Stuckavrallachan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3913">269</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gregerach</td>
-<td class="width40 bottom">Gregarach</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3936">271</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gasstartan</td>
-<td class="width40 bottom">Gartartan</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3939">271</a></td>
-<td class="width40 bottom">Monveith</td>
-<td class="width40 bottom">Monteith</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3977">274</a></td>
-<td class="width40 bottom">kuchtte</td>
-<td class="width40 bottom">kuchte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e3990">275</a></td>
-<td class="width40 bottom">ik</td>
-<td class="width40 bottom">Ik</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4053">281</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gailbraith</td>
-<td class="width40 bottom">Galbraith</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4089">284</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gartaran</td>
-<td class="width40 bottom">Gartartan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4095">284</a></td>
-<td class="width40 bottom">Hanoveranen</td>
-<td class="width40 bottom">Hannoveranen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4100">285</a></td>
-<td class="width40 bottom">symphatie</td>
-<td class="width40 bottom">sympathie</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4249">297</a></td>
-<td class="width40 bottom">haars</td>
-<td class="width40 bottom">haar</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4291">301</a></td>
-<td class="width40 bottom">Echain</td>
-<td class="width40 bottom">Eachin</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4423">312</a></td>
-<td class="width40 bottom">overwijld</td>
-<td class="width40 bottom">onverwijld</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4549">323</a></td>
-<td class="width40 bottom">Wigs</td>
-<td class="width40 bottom">Whigs</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4646">333</a></td>
-<td class="width40 bottom">Syddal</td>
-<td class="width40 bottom">Syddall</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4649">333</a></td>
-<td class="width40 bottom">ver-verzekerde</td>
-<td class="width40 bottom">verzekerde</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4705">338</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sydall&#x2019;s</td>
-<td class="width40 bottom">Syddall&#x2019;s</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4744">341</a></td>
-<td class="width40 bottom">Syddals</td>
-<td class="width40 bottom">Syddall&#x2019;s</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4751">341</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4781">343</a></td>
-<td class="width40 bottom">Rasheigh</td>
-<td class="width40 bottom">Rashleigh</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4789">343</a></td>
-<td class="width40 bottom">geproken</td>
-<td class="width40 bottom">gesproken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4821">346</a></td>
-<td class="width40 bottom">ge-gegeven</td>
-<td class="width40 bottom">gegeven</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd29e4834">347</a></td>
-<td class="width40 bottom">geëndigd</td>
-<td class="width40 bottom">geëindigd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Afkortingen</h3>
-<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p>
-<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen.">
-<tr>
-<th>Afkorting</th>
-<th>Uitgeschreven</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">P.S.</td>
-<td class="bottom">Postscriptum</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-
-
-
-
-
-
-
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's Robbert Roodhaar, by Walter Scott and Gerard Keller
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBBERT ROODHAAR ***
-
-***** This file should be named 62728-h.htm or 62728-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/2/7/2/62728/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-
-</pre>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/62728-h/images/book.png b/old/62728-h/images/book.png
deleted file mode 100644
index 1825ce0..0000000
--- a/old/62728-h/images/book.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/card.png b/old/62728-h/images/card.png
deleted file mode 100644
index 784a984..0000000
--- a/old/62728-h/images/card.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/external.png b/old/62728-h/images/external.png
deleted file mode 100644
index 8300122..0000000
--- a/old/62728-h/images/external.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/front.jpg b/old/62728-h/images/front.jpg
deleted file mode 100644
index e483a0f..0000000
--- a/old/62728-h/images/front.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-a.png b/old/62728-h/images/initial-a.png
deleted file mode 100644
index 45a0c20..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-a.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-b.png b/old/62728-h/images/initial-b.png
deleted file mode 100644
index a18a520..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-b.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-d.png b/old/62728-h/images/initial-d.png
deleted file mode 100644
index e80f00e..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-d.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-e.png b/old/62728-h/images/initial-e.png
deleted file mode 100644
index 88ec7e6..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-e.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-g.png b/old/62728-h/images/initial-g.png
deleted file mode 100644
index 5e91fa8..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-g.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-h.png b/old/62728-h/images/initial-h.png
deleted file mode 100644
index 2f914bc..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-h.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-i.png b/old/62728-h/images/initial-i.png
deleted file mode 100644
index 05a4f42..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-i.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-k.png b/old/62728-h/images/initial-k.png
deleted file mode 100644
index 1062adf..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-k.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-m.png b/old/62728-h/images/initial-m.png
deleted file mode 100644
index 0f83cae..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-m.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-n.png b/old/62728-h/images/initial-n.png
deleted file mode 100644
index a67144a..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-n.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-o.png b/old/62728-h/images/initial-o.png
deleted file mode 100644
index 1557b1c..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-o.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-t.png b/old/62728-h/images/initial-t.png
deleted file mode 100644
index 03ef64a..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-t.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-w.png b/old/62728-h/images/initial-w.png
deleted file mode 100644
index 2816bcd..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-w.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/initial-z.png b/old/62728-h/images/initial-z.png
deleted file mode 100644
index 1a15bf7..0000000
--- a/old/62728-h/images/initial-z.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p027.png b/old/62728-h/images/p027.png
deleted file mode 100644
index c6a960f..0000000
--- a/old/62728-h/images/p027.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p034.png b/old/62728-h/images/p034.png
deleted file mode 100644
index 68dc507..0000000
--- a/old/62728-h/images/p034.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p053.png b/old/62728-h/images/p053.png
deleted file mode 100644
index b800c1f..0000000
--- a/old/62728-h/images/p053.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p066.png b/old/62728-h/images/p066.png
deleted file mode 100644
index 3ac5eea..0000000
--- a/old/62728-h/images/p066.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p081.png b/old/62728-h/images/p081.png
deleted file mode 100644
index 91a8852..0000000
--- a/old/62728-h/images/p081.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p088.png b/old/62728-h/images/p088.png
deleted file mode 100644
index 7c22b3c..0000000
--- a/old/62728-h/images/p088.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p097.png b/old/62728-h/images/p097.png
deleted file mode 100644
index 25aabdb..0000000
--- a/old/62728-h/images/p097.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p106.png b/old/62728-h/images/p106.png
deleted file mode 100644
index 2bd5a0d..0000000
--- a/old/62728-h/images/p106.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p108.png b/old/62728-h/images/p108.png
deleted file mode 100644
index c45e971..0000000
--- a/old/62728-h/images/p108.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p116.png b/old/62728-h/images/p116.png
deleted file mode 100644
index 1a48f6a..0000000
--- a/old/62728-h/images/p116.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p127.png b/old/62728-h/images/p127.png
deleted file mode 100644
index 49bfc4f..0000000
--- a/old/62728-h/images/p127.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p133.png b/old/62728-h/images/p133.png
deleted file mode 100644
index a973448..0000000
--- a/old/62728-h/images/p133.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p137.png b/old/62728-h/images/p137.png
deleted file mode 100644
index 332215c..0000000
--- a/old/62728-h/images/p137.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p145.png b/old/62728-h/images/p145.png
deleted file mode 100644
index 00fb5fe..0000000
--- a/old/62728-h/images/p145.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p156.png b/old/62728-h/images/p156.png
deleted file mode 100644
index 92a2cd7..0000000
--- a/old/62728-h/images/p156.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p163.png b/old/62728-h/images/p163.png
deleted file mode 100644
index e4d648b..0000000
--- a/old/62728-h/images/p163.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p169.png b/old/62728-h/images/p169.png
deleted file mode 100644
index 0d2e0de..0000000
--- a/old/62728-h/images/p169.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p175.png b/old/62728-h/images/p175.png
deleted file mode 100644
index d22d352..0000000
--- a/old/62728-h/images/p175.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p181.png b/old/62728-h/images/p181.png
deleted file mode 100644
index e90fdd5..0000000
--- a/old/62728-h/images/p181.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p190.png b/old/62728-h/images/p190.png
deleted file mode 100644
index cbb932e..0000000
--- a/old/62728-h/images/p190.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p200.png b/old/62728-h/images/p200.png
deleted file mode 100644
index 3c72ce7..0000000
--- a/old/62728-h/images/p200.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p209.png b/old/62728-h/images/p209.png
deleted file mode 100644
index fec09a8..0000000
--- a/old/62728-h/images/p209.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p228.png b/old/62728-h/images/p228.png
deleted file mode 100644
index 2611ea2..0000000
--- a/old/62728-h/images/p228.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p238.png b/old/62728-h/images/p238.png
deleted file mode 100644
index 14b773a..0000000
--- a/old/62728-h/images/p238.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p248.png b/old/62728-h/images/p248.png
deleted file mode 100644
index 1883242..0000000
--- a/old/62728-h/images/p248.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p255.png b/old/62728-h/images/p255.png
deleted file mode 100644
index eeb34f4..0000000
--- a/old/62728-h/images/p255.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p259.png b/old/62728-h/images/p259.png
deleted file mode 100644
index dc86d96..0000000
--- a/old/62728-h/images/p259.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p265.png b/old/62728-h/images/p265.png
deleted file mode 100644
index 250cb09..0000000
--- a/old/62728-h/images/p265.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p273.png b/old/62728-h/images/p273.png
deleted file mode 100644
index 9fb84ff..0000000
--- a/old/62728-h/images/p273.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p282.png b/old/62728-h/images/p282.png
deleted file mode 100644
index f560cc1..0000000
--- a/old/62728-h/images/p282.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p292.png b/old/62728-h/images/p292.png
deleted file mode 100644
index 1916d7d..0000000
--- a/old/62728-h/images/p292.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/p309.png b/old/62728-h/images/p309.png
deleted file mode 100644
index dc83504..0000000
--- a/old/62728-h/images/p309.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/62728-h/images/titlepage.png b/old/62728-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index 70c8214..0000000
--- a/old/62728-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ