summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/62728-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/62728-8.txt')
-rw-r--r--old/62728-8.txt17802
1 files changed, 0 insertions, 17802 deletions
diff --git a/old/62728-8.txt b/old/62728-8.txt
deleted file mode 100644
index cff569f..0000000
--- a/old/62728-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,17802 +0,0 @@
-Project Gutenberg's Robbert Roodhaar, by Walter Scott and Gerard Keller
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Robbert Roodhaar
-
-Author: Walter Scott
- Gerard Keller
-
-Release Date: July 22, 2020 [EBook #62728]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBBERT ROODHAAR ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-
-
-
-
-
-
-
-
- Walter Scott's Werken.
-
- OPNIEUW VERTAALD EN BEWERKT
-
- DOOR
-
- GERARD KELLER.
-
-
- ROBBERT ROODHAAR.
-
-
- Geïllustreerd met de gravures der oorspronkelijke
- Engelsche uitgave van MARCUS WARD & Co.
-
-
- Arnhem--Nijmegen.
- GEBRs. E. & M. COHEN.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-ROBBERT ROODHAAR.
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
- Wat was mijn fout, dat thans zoo bittre smart
- Zoo zwaar mij drukt? Geen zonen heb ik meer!
- Die daar hield op, 't te zijn.--Vervloekt
- In eeuwigheid de oorzaak van uw' omkeer.--Reizen?
- 'k Kan evengoed mijn paard uit reizen zenden....
-
- MONSIEUR THOMAS.
-
-
-Gij beste vriend! wenschtet, dat ik eenige uren van de rust, die mij
-zoo goed doet en waarmede eene liefderijke Voorzienigheid den avond van
-mijn leven gezegend heeft, er aan wijdde, die vele wederwaardigheden
-en gevaren, waartegen ik in vroeger tijd zoo strijden en worstelen
-moest, in geschrifte te verhalen.
-
-Het is waar, de herinnering aan die avonturen, zooals gij ze verkiest
-te noemen, heeft bij mij een zeker gemengd gevoel van smart en
-vreugde achtergelaten. Maar daarnaast leeft in mij eene innige
-dankbaarheid en een diepe eerbied jegens den grooten Bestuurder van
-het lot der menschen. Hij heeft de loopbaan mijner jeugd met doornen
-en distelen bezaaid, opdat ik het geluk in later dagen, wanneer ik,
-terugblikkend op het verledene, het tegenwoordige genietende, des te
-beter zou beseffen en waardeeren. Nu hebt gij mij dikwerf verzekerd,
-dat de avonturen die ik beleefde onder een volk, zoo eigenaardig en
-eenvoudig naar regeeringsvorm en zeden, wel iedereen moeten boeien, die
-gaarne luistert naar een oud man, als deze vertelt van vroeger dagen.
-
-Ik wil het gaarne gelooven. Maar vergeet vooral niet, dat een
-geschiedenis, waarnaar een belangstellend vriend aandachtig en
-deelnemend luisteren mocht, veel van hare bekoorlijkheid verliest, als
-zij geschreven wordt. Hoe belangwekkend gij ook die avonturen vondt,
-toen de stem van hem, die ze beleefde, ze u verhaalde, zij zullen
-veel minder de aandacht boeien, als zij in de eenzame kamer gelezen
-worden. Jeugdiger levenskrachten en eene krachtiger gezondheid beloven
-u een langer leven, dan mij. Sluit dus, bid ik u, deze papieren in de
-eene of andere geheime lade van uw lessenaar zorgvuldig weg, tot dat
-de scheiding tusschen ons komen zal, die elk oogenblik komen kan, maar
-die zeker binnen weinige jaren komen moet. Wanneer wij dan voor deze
-wereld gescheiden zijn--om eenmaal naar ik hoop, in betere gewesten
-elkaar weer te zien,--dan zal u, dat weet ik zeker, de nagedachtenis
-van uw ontslapen vriend u dierbaarder zijn, dan hij het verdient. Maar
-dan zal u ook dat verhaal, dat ik thans nederschrijven wil, wel
-weemoedige maar geenszins onaangename overdenkingen brengen. Sommige
-menschen laten hun geliefden vrienden een beeld hunner gestalte na. Ik
-bied u een afschrift mijner gedachten, een beeld mijner deugden en
-gebreken. Doch ik hoop, dat gij de dwaasheden en buitensporigheden
-mijner jeugd met dezelfde liefderijke verschooning zult beoordeelen,
-die gij aan de dwalingen van den volwassen man steeds hebt verleend.
-
-Dat ik mijne gedenkschriften--zoo ik ten minste aan dit stuk zulk
-een weidschen titel mag geven--aan een dierbaren getrouwen vriend
-wijd, verschaft mij ook het voordeel, van hier eenige omstandigheden
-met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan, die ik aan een vreemdeling
-noodzakelijk vooraf zou moeten mededeelen. Doch waarom toch zou ik,
-al heb ik u nu geheel in mijne macht, al heb ik inkt, papier en
-tijd in overvloed, waarom zou ik u al dadelijk op de pijnbank der
-verveling brengen? Toch durf ik u niet stellig beloven, dat ik van
-eene zoo verleidelijke gelegenheid, om van mij en mijne lotgevallen
-te spreken, nooit misbruik maken zal, om omstandigheden te vermelden,
-die u bijna even goed als mij bekend zijn. De booze neiging om toch
-vooral die voorvallen uitvoerig te verhalen, waarvan wij zelf de
-helden zijn, doet ons vaak uit het oog verliezen, wat wij aan den
-tijd en het geduld van onze toehoorders schuldig zijn. Die neiging
-heeft menigen, anders flinken schrijver tot een vervelenden babbelaar
-gemaakt. Ik behoef u in dit opzicht slechts te herinneren aan de
-zeldzame eerste uitgave van Sully's »Gedenkwaardigheden." [1] Gij,
-met de dwaze ijdelheid van een echten boekverzamelaar, verkiest
-die uitgave boven alle anderen, die in gewonen bruikbaren vorm in
-den handel werden gebracht. Maar voor mij is ze alleen merkwaardig,
-omdat ze mij een treurig bewijs levert, dat ook een groot man, als
-de schrijver inderdaad was, zwak en kleingeestig genoeg kan zijn,
-om aan zijn eigen ik eene onzinnige hooge waarde te hechten. Als ik
-mij goed herinner, dan had die beroemde staatsdienaar niet minder dan
-vier geheim-secretarissen met de taak belast, om de gebeurtenissen van
-zijn leven op te teekenen, onder den titel: Gedenkwaardigheden van de
-wijze en koninklijke staathuishouding, betreffende de binnenlandsche
-staats- en krijgskundige aangelegenheden van Hendrik den Vierden enz.
-
-Toen nu deze heeren hunne bouwstoffen voor dat werk verzameld
-hadden, werden deze »Gedenkwaardigheden", waarin alles voorkwam, wat
-maar eenigszins belangrijk was uit de lotgevallen van hun meester,
-opgeschreven in den vorm van een aan hem zelven gericht verhaal. Hij
-schreef niet zooals Julius Cesar, zijne geschiedenis eenvoudig in den
-derden persoon. Ook deed hij niet als de meesten die als sprekers of
-schrijvers het wagen de helden van hun eigen verhaal te zijn. Neen,
-Sully genoot het meer verfijnde, hoogst zeldzame genoegen, dat hij
-zich zijne levensgeschiedenis door zijne secretarissen liet voordragen,
-terwijl hij zelf de toehoorder, zoo als hij tevens de held, en hoogst
-waarschijnlijk de steller van het gansche boek was. Het moet een
-kostelijk tooneel geweest zijn, als de voormalige minister, gehuld in
-een tabbaart, met kostbaar bont omzoomd, met een breeden halskraag
-om, stijf en fraai geplooid, zoo recht als een kaars, met de meeste
-deftigheid onder zijn troonhemel gezeten, naar het verhaal van zijne
-secretarissen luisterende; als dan die heeren met ongedekt hoofd
-voor hem stonden, en met den meesten ernst voorlazen: »Zoo sprak de
-hertog--zoo eindigde de hertog zijne rede."--»Dit was het gevoelen van
-zijne Excellentie over deze gewichtige zaak--dit was de welgemeende
-raad, dien zijne Excellentie den Koning bij deze gelegenheid gaf,--"
-louter omstandigheden, die den eenigen toehoorder veel beter bekend
-waren dan hun, ja, die zij meestendeels slechts uit zijn eigen mond
-konden weten.
-
-Nu ben ik lang zulk een verheven personage niet als de groote hertog
-Sully. Ik heb ook geen vier geheim-secretarissen. Maar toch zou het
-vrij dwaas zijn, wanneer Frans Osbaldistone zijn vriend, Willem
-Tresham, een breed verhaal ging doen van zijn afkomst, opvoeding
-en betrekkingen op dit ondermaansche. Ik zal derhalve den boozen
-geest der verleiding bekampen, zoo dapper als ik maar kan, en u niet
-vermoeien met bekende dingen. Alleen moet ik u vluchtig het een en
-ander in het geheugen terugroepen wat gij trouwens reeds vroeger
-geweten hebt, doch door verloop van tijd kunt vergeten hebben, doch
-wat van beslissenden invloed op mijn lot is geweest.
-
-Gij herinnert u zeker mijn vader nog, dien gij in uwe jonge jaren
-gekend hebt, toen uw vader zijn compagnon was. Wel zaagt gij hem
-niet in zijne beste dagen, vóór dat ouderdom en zwakte zijn vurigen,
-ondernemingslustigen geest bijna geheel uitgedoofd hadden. Had hij
-dien geest, die schranderheid, dat doorzicht, die hij nu slechts in
-koopmansspekulatiën aanwendde, aan de wetenschappen willen wijden,
-hij zou hoogstwaarschijnlijk niet zoo rijk, maar niet minder
-gelukkig, ja, gelukkiger geweest zijn. Maar de koophandel en de
-velerlei afwisselingen daaraan verbonden, hebben, behalve de hoop
-op winst, nog iets, wat hem, die wagen durft, vooral bekoort. Wie
-deze onstuimige zee bevaren wil, moet aan de bekwaamheid van den
-stuurman ook de standvastigheid van den echten zeeman paren. Hij
-kan ook dan nog schipbreuk lijden en verongelukken, als de stormen
-der fortuin hem niet gunstig zijn. Die gestadige oplettendheid,
-dat gevaar, de telkens zich hernieuwende pijnlijke onzekerheid,
-of schranderheid de fortuin zal dwingen, dan wel de fortuin alle
-plannen der schranderheid verijdelen zal, dit alles geeft aan de
-geestvermogens bezigheid, houdt de hartstochten gespannen. De handel
-heeft in zekeren zin al het bekoorlijke en boeiende van het spel,
-zonder evenwel zoo onzedelijk te zijn.
-
-Ik was in die dagen, in het begin dezer achttiende eeuw, te
-Bordeaux. Ik was ruim twintig jaar oud. Op zekeren dag kreeg ik
-van huis het onverwachte bevel, om Bordeaux te verlaten en wegens
-eene gewichtige aangelegenheid naar Londen tot mijn vader terug te
-keeren. Onvergetelijk is mij het oogenblik van dat wederzien. Gij
-herinnert u zeker nog den korten, afgebroken, min of meer strengen
-toon, waarop hij gewoon was zijn wil te kennen te geven. Mij dunkt,
-ik zie hem nog voor mij. Ik zie nog zijne rijzige, indrukwekkende
-gestalte. Ik hoor nog zijn snellen, vasten tred. Nog ziet mij aan
-zijn scherp, doordringend oog, zijn echt mannelijk gelaat, waarop
-zorgen reeds rimpels hadden gegrift. Ja, ik hoor hem nog spreken. Voor
-hetgene hij zeggen wilde, nam hij nooit meer woorden dan volstrekt
-noodig was. Maar elk woord was juist gekozen, al werd dan ook zijn
-spreektoon onwillekeurig soms wat hard en onaangenaam....
-
-Nauwelijks afgestegen, ijlde ik naar mijn vader. Hij wandelde in
-zijne kamer op en neer. Zijn gelaat verried ernstig, kalm, diep
-nadenken. Zelfs het wederzien van zijn zoon, na een vierjarige
-afwezigheid kon dien ernst niet storen. Ik omhelsde hem. Hij was een
-goed, maar geen weekhartig vader. Eene sekonde slechts zag ik een
-traan in zijn donker oog.--»Dubourg schrijft mij", dus begon hij,
-»dat hij over u tevreden is, Frans!"
-
-»Dit verheugt mij, vader."
-
-»Maar ik heb daarentegen minder reden het te zijn," voegde hij er
-kortaf bij en ging aan zijn lessenaar zitten.
-
-»Dat spijt mij, vader."
-
-»Vreugd of spijt, Frans, dat zijn een paar woorden, die in de meeste
-gevallen weinig of in het geheel niets beteekenen. Hier is uw laatste
-brief."
-
-Hij nam dien uit een dik pakket papieren, die met een rooden band
-samengebonden en nauwkeurig genummerd waren. Mijn arme brief! Hij
-handelde over iets dat mij toen diep ter harte ging. Hij was met
-zorg geschreven, en wel zoo, dat hij, naar ik dacht, zoo al geene
-volkomene toestemming, ten minste deelneming moest opwekken. En daar
-lag hij nu, onder allerlei brieven over zaken. Nu moet ik glimlachen,
-als ik mij herinner, hoe gekrenkt in mijn eigenliefde, hoe jammerlijk
-teleurgesteld ik was, toen ik mijn brief, die mij zoo veel moeite
-had gekost, uit dat akelige pak van advies-brieven, aanbevelingen
-en dergelijke prullen, zoo als ik ze destijds geliefde te noemen,
-voor den dag zag komen. Neen! dacht ik. Een zoo gewichtige en zoo
-goed geschreven brief had toch wel eene afzonderlijke plaats, wat
-zorgvuldiger behartiging verdiend!
-
-Mijn vader bemerkte mijn misnoegen niet. Trouwens, al had hij het
-bemerkt, hij zou zich er toch niet aan gestoord hebben. Hij vouwde
-den brief open en ging voort: »Dat is uw brief van den 21sten der
-vorige maand, Frans. Gij bericht mij dat »bij de gewichtige keus
-van een beroep voor uw volgend leven, mijne vaderlijke goedheid
-u ten minste eene opponeerende stem zal willen vergunnen," dat
-gij on.... on.... onoverwinnelijke--(in het voorbijgaan moet ik
-u verzoeken, in het vervolg duidelijker te schrijven, en niet te
-vergeten, door de t eene dwarsstreep te halen en aan de l van boven de
-behoorlijke opening te geven) dus onoverwinnelijke bezwaren tegen het
-plan hebt, dat ik u heb voorgesteld. Ditzelfde is in allerlei woorden
-op deze vier vol geschreven bladzijden te lezen. Als gij u slechts
-meer moeite gegeven hadt, u duidelijk en kort uit te drukken, hadt
-gij het zeer goed in vier regels kunnen zeggen. Kortom, Frans! alles
-komt daarop neer, dat gij niet doen wilt, wat ik verlang."
-
-»Dat ik het, in dit geval, niet doen kan, vader! Niet, dat ik het
-niet wil."
-
-»Woordenkeus heeft weinig vat op mij, jonge heer," antwoordde mijn
-vader, die zijn onbuigzamen wil steeds met de grootste bedaardheid en
-zelfbeheersching te kennen gaf.--»Ik kan niet, klinkt wat beleefder
-dan ik wil niet, maar beide uitdrukkingen beteekenen hetzelfde, als
-er geene zedelijke onmogelijkheid bestaat. Ik houd er echter niet van,
-zaken overijld af te doen. Na tafel spreken wij er nader over.--Owen!"
-
-Owen kwam. Hij was toen niet de grijsaard met de zilveren lokken,
-dien gij gekend en geëerd hebt, mijn vriend. Hij telde toen niet
-meer dan vijftig jaren. Maar hij droeg denzelfden lichtbruinen rok,
-dezelfde parelkleurige zijden kousen, dezelfde das met de zilveren
-gesp, dezelfde fijn geplooide kanten lubben die in onze huiskamer bijna
-tot aan zijne nagels kwamen, doch die hij in het kantoor zorgvuldig
-onder de opslagen van zijne mouwen verborg, opdat er geen inktvlak
-op vallen zou. Het ernstige, deftige, maar goedige gelaat van den
-eersten boekhouder van het aanzienlijke handelshuis Osbaldistone en
-Tresham knikte mij toe.
-
-»Owen," zeide mijn vader, toen de goede man mij liefderijk de hand
-bood, »gij moet heden met ons eten. Dan kunt ge het nieuws vernemen,
-door Frans van onze vrienden te Bordeaux medegebracht."
-
-Met eene buiging gaf Owen zijn eerbiedigen dank te kennen. In die
-dagen, toen de afstand tusschen heeren en bedienden nauwkeuriger dan
-thans in acht werd genomen, was zulk eene uitnoodiging geen gering
-gunstbewijs.
-
-Dat middagmaal vergeet ik nimmer! Moedeloos, en zelfs misnoegd,
-was ik niet in staat, aan het onderhoud zoo levendig deel te nemen,
-als mijn vader zeker verwachtte. Dikwijls gaf ik hem op de vele
-vragen, waarmede hij mij bestormde, vrij onvoldoende en verwarde
-antwoorden. De goede Owen spande zich in, om zijn eerbied jegens zijn
-heer met zijne liefde voor den jongeling, dien hij vroeger op zijn
-knie had laten rijden, te vereenigen. Hij trachtte elken misslag in
-mijne antwoorden te verklaren; zeide datgene wat ik eigenlijk niet
-had gezegd--steeds om mij te dekken. Doch deze manoeuvre joeg mijn
-vader nog meer in 't harnas. In plaats van mij voldoende te dekken,
-kreeg hij nu menig hard en scherp woord van zijn patroon. Gedurende
-mijn verblijf te Bordeaux had ik, wel is waar, het koopmansberoep niet
-zoo erg veronachtzaamd, dat ik mij alleen aan sonetten en stanza's,
-en in 't geheel niets aan grootboeken, kasboeken, journalen enz. had
-gedaan; maar ik was toch, om de waarheid te zeggen, niet verder gegaan,
-dan volstrekt noodzakelijk was, om den ouden Franschen handelsvriend
-van ons huis, die mij in de geheimen van den koophandel zou inwijden,
-in staat te stellen, gunstige berichten omtrent mij te geven. Mijn
-hoofdbezigheid bestond voor mij in de taak mij in de letterkunde
-en in lichaamsoefeningen te bekwamen. Nu was mijn vader wel geen
-verklaarde vijand van dergelijke studiën, want met zijn gezond verstand
-begreep hij wel dat zij ieder tot sieraad kunnen zijn en het beroep,
-waartoe ik mij, volgens zijn wensch, moest vormen, kon daardoor wel
-versierd en veredeld worden. Maar zijn hoofddoel en streven was,
-mij niet alleen zijn vermogen na te laten, maar ook de middelen,
-om het handelshuis, waardoor de rijke erfenis nog veel vermeerderd
-en eenmaal op het nageslacht zou kunnen overgebracht worden.
-
-Geestdrift voor zijn stand was zijn hoofdrust en hoofdeigenschap. Deze
-vooral deed hem bij mij aandringen dezelfde loopbaan te kiezen. Maar
-hij had nog andere drijfveeren, die ik eerst later vernam. Voortvarend,
-bekwaam en ondernemend in zijne handelsplannen, vond hij in het
-geluk van elk waagstuk een nieuwen prikkel en ook nieuwe middelen
-tot verdere ondernemingen. Hij was als een eerzuchtig veroveraar,
-die meende altijd voorwaarts te moeten gaan, zonder met het reeds
-verkregene tevreden te zijn. Hij dacht er niet aan op te houden om
-slechts dat, wat hij verworven had, in veiligheid te genieten. O
-neen! Gewoon om zijn gansche vermogen in de weegschaal zijner plannen
-te werpen, en daarbij vindingrijk in de middelen, die weegschaal in
-zijn voordeel te doen overhellen, schenen de gevaren, waaraan hij
-zijn schatten blootstelde, hem steeds nieuwe levenskracht te geven,
-tot nieuwe werkzaamheid, tot nieuwe plannen uit te lokken. Hij was
-als een zeeman, die de golven en den vijand leerde trotseeren,
-en daarom den storm of den slag steeds met vertrouwen tegemoet
-ging. Toch bedacht hij opmerkzaam de veranderingen die ouderdom of
-ziekte bij hem zouden kunnen te weeg brengen. Daarom wilde hij bij
-tijds zich van eene hulp verzekeren, die van zijne vermoeide hand het
-roer overnemen en volgens zijn raad en zijne aanwijzingen het schip
-sturen kon. Zoowel zijn vaderliefde als de wensch, zijne ontwerpen
-te bevorderen, brachten hem tot dat besluit. Wel is waar, had uw
-vader, waarde Tresham, zijn vermogen in onze zaak belegd. Maar hij
-was, zoo als gij weet, een zoogenaamde »stille compagnon." Wat Owen
-betreft, deze kon zeker als man van beproefde eerlijkheid en knap
-boekhouder, het kantoor belangrijke diensten bewijzen. Maar hij bezat
-geen handelstalent genoeg, om hem het oppertoezicht over de zaken te
-kunnen toevertrouwen. Als de dood mijn vader onverwachts verraste, wat
-zou er dan van die vele plannen worden, waarmede zijn hoofd vervuld
-was, zoo niet zijn zoon een handels-Herkules werd, sterk genoeg, om
-den last te dragen, welken de vallende Atlas achterliet! Ja, wat zou
-er van den zoon zelven worden, indien hij, vreemd in handelszaken,
-zich plotseling in den doolhof van koopmansaangelegenheden had
-verplaatst gezien, zonder den draad van Ariadne te bezitten, die
-hem in den doolhof den weg kon doen vinden. Al deze redenen, deels
-openlijk erkend, deels verborgen, hadden mijn vader doen besluiten,
-dat ik zijn beroep zou kiezen; en wanneer hij iets vast besloten had,
-dan was er geen onverzettelijker man dan hij. Maar ik moest toch
-ook gevraagd worden. En nu had ik, die ook nog al stijfhoofdig was,
-juist een tegenovergesteld besluit genomen.
-
-Tot verontschuldiging van mijn verzet, tegen den wensch mijns vaders,
-moge strekken, dat ik niet goed begreep, waarom hij juist dien wensch
-koesterde, en in hoever zijn geluk daarmede gemoeid was. Ik geloofde
-immers voor het heden van een ruim jaargeld, voor de toekomst van
-eene rijke erfenis verzekerd te zijn. Het kwam niet bij mij op, te
-vermoeden dat ik tot bevestiging van dat geluk mij daarenboven aan
-allerlei arbeid en dienst zou moeten wijden, zoo geheel in strijd
-met mijn smaak en neiging. In het voorstel van mijn vader, om zijn
-beroep te kiezen, zag ik niets dan den wensch, dat ik nog iets zou
-voegen bij de schatten, welke hij zelf opgehoopt had. Maar ik meende
-dat ik over den weg tot mijn geluk zelf 't best kon oordeelen, en dat
-het mij zeer zeker niet gelukkiger zou maken, wanneer ik een vermogen
-trachtte te vermeerderen, dat reeds meer dan toereikend was, om mij
-elke mogelijke behoefte, ja elk mogelijk levensgenot te verschaffen.
-
-Geen wonder dan ook, dat ik--ik erken het ridderlijk--mijn tijd in
-Bordeaux niet zóó doorbracht, als mijn vader wenschte. Wat hij als
-het hoofddoel van mijn verblijf aldaar beschouwde, nam ik als bijzaak
-op. Ja, ik zou het, als ik gedurfd had, geheel verwaarloosd hebben.
-
-Dubourg, die met ons kantoor in voordeelige betrekking stond, was
-veel te slim, om in zijne correspondentie over mijn persoon iets
-te berichten, wat mijn vader of mij kon mishagen. Ook was het hem
-uit baatzucht, zoo als gij later vernemen zult, niet onaangenaam,
-dat ik het eigenlijk doel van mijn verblijf ten zijnen huize minder
-voor oogen hield. Overigens was mijn gedrag steeds onberispelijk. In
-zoo ver kon hij derhalve niets nadeeligs berichten, al ware hij
-ook daartoe geneigd geweest. Maar ik mag misschien vermoeden, dat
-de geslepen Franschman het ook door de vingers gezien zou hebben,
-als ik mij aan iets ergers dan enkel aan lusteloosheid en tegenzin in
-handelszaken had schuldig gemaakt. Een gedeelte van mijn tijd wijdde ik
-natuurlijk wel aan de beroepsbezigheden. Maar hij liet mij ongestoord
-de overige uren bij mijn geliefkoosde studiën doorbrengen. Hij had
-er volstrekt niets tegen, dat ik mij liever met Corneille en Boileau,
-dan met Postlethwayte's Handelswoordenboek--indien althans die foliant
-destijds reeds in de wereld ware geweest, en de heer Dubourg dien
-naam had kunnen uitspreken--met Savary, of eenigen anderen schrijver
-over den koophandel, bezighield. Elke brief, dien hij over mij aan
-mijn vader schreef, eindigde met de verzekering dat ik alles deed
-wat een vader van een zoon maar kon wenschen.
-
-Mijn vader was steeds ingenomen met een spreekwijze, hoe dikwijls
-ze ook herhaald werd, als ze maar helder en duidelijk was; Addison
-zelf zou voor hem geen zoo aangename en veelbeteekenende uitdrukking
-hebben kunnen vinden, als deze: »uwen laatsten heb ik ontvangen en
-inliggende wisselbrieven behoorlijk gehonoreerd."
-
-Daar nu mijn vader zeer goed wist wat ik volgens zijn wensch moest
-zijn, liet Dubourg's steeds herhaalde lievelingsuitdrukking hem
-volstrekt geen twijfel over, dat ik wezenlijk was wat hij wenschte,
-totdat hij in een noodlottig oogenblik mijn brief ontving, waarin
-ik met alle mogelijke welsprekendheid er voor bedankte, in mijns
-vaders somber kantoor te zitten, zeker hooger dan Owen en de andere
-kantoorbedienden, maar nog iets lager dan zijn eigen kantoorstoel. Van
-dat oogenblik af was alles bedorven. En Dubourg's berichten werden
-evenzoo verdacht, alsof de betaling der op hem getrokken wissels
-geweigerd ware geworden.
-
-Ik werd dus in allerijl naar huis ontboden en ontvangen, zooals ik
-u beschreven heb.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
- Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat deze
- jonge man met eene akelige kwaal behebt is--met
- de zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,
- dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuin
- zal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.
- Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichten
- smeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.
-
- Ben Jonson's Bartholomaeus-nacht.
-
-
-Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen
-iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren
-drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte
-hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles
-ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoonte steeds
-het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter
-glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand
-van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij
-mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra
-en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op
-zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag,
-dat ik niet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der
-agio van het Fransche goud op den wisselkoers.
-
-»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd
-heb," zeide mijn vader, die toch onze revolutie [2] had beleefd;
-»en de jongen weet er zooveel van als een kruier."
-
-»De jonge heer Frans," merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden
-toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van
-den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van
-een wissel binnen tien dagen"...
-
-»De jonge heer Frans," viel mijn vader hem in de rede, »zal alles
-weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het
-mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van
-jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?"
-
-»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren
-een buitengewoon knap mensch!" antwoordde Owen, wiens hart de jonge
-Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd
-had.
-
-»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg
-wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de
-zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten,
-dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het
-kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn
-oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren."
-
-»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer
-Osbaldistone?" vroeg Owen met bevende stem.
-
-»Ja, en wel terstond, zeg ik!" hernam mijn vader. »Het is al genoeg
-dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van
-wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen
-Franschman er bij, die daarvan profiteert."
-
-Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle
-willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik
-voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een
-verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in
-bekwaamheden, die ik niet bezat.
-
-»Beste vader," dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten,
-niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den
-heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid
-om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij
-moeten trekken. Maar Clement Dubourg..."
-
-»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige
-maatregelen weten te nemen," viel mijn vader mij in de rede. »In elk
-geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen;
-dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.--Maar den ouden Dubourg,"
-vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergeven
-dat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft
-gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt,
-en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge
-ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid
-heeft, zoo als het een Engelschen koopman past."
-
-»De jonge heer Frans," zeide de boekhouder, even deftig het hoofd
-neigend, terwijl hij de rechter hand een weinig ophief--die laatste
-beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets
-zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt
-het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel
-van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil,
-dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit."
-
-Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde
-mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd
-jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een
-man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen,
-om het verzuimde weder in te halen."
-
-Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens
-waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg.
-
-»En laat ons dan," ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief
-van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd
-en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar
-schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan."
-
-Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.--
-
-»Het spijt mij," antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende
-voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het
-voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig
-leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag."
-
-Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen
-de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik
-te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem,
-terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.
-
-»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel
-hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de
-uwe niet."
-
-»Wezenlijk?"
-
-»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der
-menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche
-beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke
-leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn."
-
-»Is het waar?"
-
-»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor
-ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit."
-
-»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige
-geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg's gast
-en kweekeling."
-
-»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht,
-maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te
-maken."
-
-»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?"
-
-»Ja vader."
-
-»Welnu, haal het eens hier."
-
-Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns
-vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel
-opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage
-van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er
-op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen,
-welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch
-al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel
-aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de
-hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband
-stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop,
-dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn
-misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns
-vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig
-antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk,
-toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag--lang folio in
-ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,--uit
-mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette
-handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe
-genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende,
-eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen
-mompelde.--Brandewijn--op fust. Te Nancy. 29. Cognac en Rochelle
-27. Bordeaux 52.--»Bravo, Frans, zeer juist!"--»Impost en tolgelden,
-zie Saxby's Tabellen."--»Niet goed, wat bij Saxby staat, had
-hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen."--Uitvoer en
-invoer--lijnwaad--stokvisch--middelvisch--klipvisch.--»Hierbij had ge
-moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten als stokvisch ingevoerd
-worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?"
-
-Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe
-te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,"
-antwoordde ik dadelijk.
-
-»En een klipvisch?--Vier en twintig--»Zeer juist," hernam mijn
-vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat
-staat hier?--»Bordeaux gesticht in het jaar.--Chateau Trompette--Paleis
-van Gallienus."--Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo'n
-soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop,
-orders, betalingen, wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen,
-kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden."
-
-»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,"
-hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is."
-
-Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen,
-en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij
-tot koopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds
-niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde
-te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een
-blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men
-losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest
-vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu:
-»»De zwarte Prins!" Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt
-nog grooter domkop dan ik dacht!"
-
-Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten
-neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan,
-hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel
-hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters
-op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot
-welke mijn vader behoorde, had--ten minste zij zeide dit--even als
-de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename
-verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige
-verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds
-droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen
-rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want
-overstelpend was Owen's verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als
-de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene
-in het net geschreven rekening ontdekt ware--het zou hem niet zoo
-getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en
-stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen,
-soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie,
-die den dichter diep moest vernederen.
-
-
- Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,
- Die Fontarabie's weerklank wijd doet hooren,
- Die 't sneuvelen des krijgsmans meldt?
- Die aan den grooten Karel droef verkonde:
- Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwondde
- Op Spaanschen grond den eed'len Franschen held?
-
-
-»Fontarabie's weerklank," mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd
-schudde: »Fontarabie's jaarmarkt had je moeten schrijven! Verkonde met
-één d op verwondde met twee d's te laten rijmen, is ook niet fraai.--En
-of meldt op held goed rijmt is evenzoo de vraag... En dan Paynims? Wat
-is Paynims? Kondet gij niet gezegd hebben Heidenen? Schrijf ten minste
-in 't Engelsch, als gij onzin schrijven moet!"
-
-
- 't Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,
- Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,
- Voortijlend angsten zaait en schrik:
- Brittannie's zwaard dat Frankrijk's trots deed bukken.
- Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukken
- De held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.
-
-
-»Precies! »Vleugelen des winds", dat is prachtig!"
-
-
- »»Heft op--mijn stervend hoofd,"--zoo spreekt, naar adem hijgend,
- De eedle prins, met moeite zich nog nijgend
- Tot 't riddertal in breeden kring geschaard.
- »Richt mij nog even op--dat ik den glans der zonne
- --Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,
- Nog even zie,--voor 'k scheide van deze aard!"
-
-
-»Maar dat is glad mis, dat gij Garonne op zonne laat rijmen. Weet
-ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans;
-je verstaat je ellendig ambacht niet eens!"
-
-
- »»O ziet!--als ik--ook zij--slaapt zachtkens in.
- Omhult--het hoofd zich nog, met zorgenvollen zin
- Van avonddauw omgeven.....
- Zoo zullen--als drupplendauw--de tranenpaarlen schittren
- Als Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:
- Haar Zwarte Prins liet hier het leven!"
-
- De zonne zinkt!... De zon ook van mijn roem!
- Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,
- In 't land der Britten en der Franschen,
- Dan zal 't ons Albion aan Helden nooit ontbreken.
- Als sterren talloos aan de hemelstreken
- Heldhaftig schittrend in haar glanzen."
-
-
-»»Heldhaftig schitterende sterren!" dat is wat nieuws! Waarachtig,
-Frans! de nachtwacht doet het mooier!"
-
-
-
-En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde
-het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter
-domkop dan ik dacht!"
-
-Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis,
-terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De
-goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht,
-alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in
-de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik
-bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem
-zou niet verraden wat in mij omging.
-
-»Vader! ik zie maar al te goed," begon ik, »hoe weinig ik in staat
-ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te
-vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij
-daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere
-hulp zijn."--Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde,
-dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had.
-
-»Owen?" viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol,
-razend! Maar--welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig
-naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied
-verwacht.--Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk
-uwe wijze plannen?"
-
-»Met uw goedvinden," zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een
-paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is,
-een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!"
-
-»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou
-het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En
-nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer
-gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton,
-om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe
-les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen."
-
-»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor
-mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren."
-
-»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild."
-
-»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen."
-
-»Den duivel zoudt gij kiezen!" riep mijn vader driftig uit. Maar
-zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek,
-als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?"
-
-Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.--
-
-»Hoor eens, Frans," begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had
-uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik
-mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur
-en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden
-afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel
-Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van
-het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of
-mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds
-heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft
-kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij
-nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen."
-
-»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden
-handelen," zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig.
-
-»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren
-vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit
-te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel
-zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb,
-is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!"
-
-»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!" riep Owen, en de
-tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet,
-gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf
-de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en
-als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op de creditzijde plaatst,
-dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen."
-
-»Meent gij dan," vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal
-moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wil
-zijn--of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen,
-ik dacht, dat gij mij beter kendet!"
-
-Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde
-zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste
-woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan
-de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien
-hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij
-misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.
-
-Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders
-halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik
-in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang
-van mijn misslag.--Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen
-op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan,
-alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op
-zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te
-bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer
-Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een
-jong mensch!--Om 's Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en
-credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk
-vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem
-bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder
-de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans,
-gij kunt u rollen in het goud! Is er," vervolgde hij zachtkens,
-»misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor,
-dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen,
-wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch;
-herinner u, wat er geschreven staat: eert uwen vader, opdat het u
-wel ga, en uwe dagen verlengd worden."
-
-»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht," zeide ik, »maar mijn
-vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt
-van een mijner neven--welnu, hij moge met zijne schatten doen,
-wat hem goed dunkt--ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud
-te verkoopen."
-
-»Wat zegt ge? Wat goud?--Ge moest de balans van het laatste kwartaal
-eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers
-uitgedrukt--vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist
-ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan
-iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek
-geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch,
-neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens,
-hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone,
-of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham;
-want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!"
-
-»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone,
-en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken."
-
-»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw
-neef--ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en
-natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis--dat is heel
-iets anders!"
-
-»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,"
-hernam ik.
-
-Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader
-weder binnentrad.--»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!" zeide
-hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans,
-heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over
-deze gewichtige zaak. Denk er over na."
-
-Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden,
-dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had.
-
-De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik
-ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn
-vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd
-eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden;
-bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar
-aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou
-geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en
-andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende
-gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent
-een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het
-mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij
-willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij
-niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen,
-dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke
-omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde
-mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de
-goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van
-allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht
-niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn,
-zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar
-zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan
-zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij
-wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou
-eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg
-der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten
-voor eenige weken. Dit laatste--zoo dacht ik verder--zou mij zelfs
-aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog
-onvoltooide vertaling van Ariosto's Razende Roeland te voltooien,
-welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die
-gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen
-zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer's versmaat, waarin hij zijne
-Tooverkoningin bezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne
-kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!" trad Owen in het vertrek. In
-zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij
-thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping
-van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog
-kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.
-
-»Mijnheer Frans," aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename
-verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat,
-wat ik doe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt,
-moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den
-pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar--de jonge
-Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee
-dagen weder terug."
-
-»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?"
-
-»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene
-geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want
-zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij
-geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is."
-
-»Gelooft gij dat waarlijk?" vroeg ik, min of meer onthutst.
-
-»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne
-nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te
-York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach,
-mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk
-een man en een koopman!"
-
-Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te
-onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht
-geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te
-vervullen. Maar trots--die bron van zoo veel goed en kwaad in ons
-leven,--mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij
-niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf
-om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen
-riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid
-was voorbij.
-
-In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden
-dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren,
-herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden,
-en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu
-eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve
-manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding
-te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij
-door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar
-onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig,
-als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan
-zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man
-onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof,
-dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel
-tot een veranderd besluit verwachtte.
-
-Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm
-tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat
-het zoo zou afloopen?"--En nu wendde hij zich even bedaard tot mij:
-»Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans
-even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te
-beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer
-hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot
-uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen,
-moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt,
-waarbij gij op mijne hulp rekent?"
-
-Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen
-eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk
-door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer
-matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak,
-waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij
-zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.
-
-»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch
-uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop,
-op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor
-zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn."
-
-Ik wilde spreken.--
-
-»Wees zoo goed en zwijg!" hernam mijn vader.--»Ik verzoek u naar
-Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne
-zonen--ik meen, dat hij er zes heeft--heb ik dengenen uitgekozen,
-die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op
-mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter
-nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid
-misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op
-het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder
-van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed."
-
-En hiermede verliet mijn vader de kamer.
-
-»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?" vroeg ik den deelnemenden
-vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.
-
-»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans--dat is de
-historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er
-van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit
-te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening."
-
-Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik,
-met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg
-naar York in. Ik begon--zooals het scheen--den eersten stap te doen,
-en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf
-te ontnemen en aan een ander weg te schenken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
- Hoe klapperen de zeilen,
- Hoe zinkt en rijst de boot!
- Het roer en riem verdwenen!
- In eenen stormwind stoot
- Een speelbal van de golven
- Een lek! de kiel in nood!
-
- Gay's Fabelen.
-
-
-Waarde vriend! als ge boven de hoofdstukken van dit belangrijk
-geschrift versjes of spreuken leest, dan dienen deze, om u opmerkzaam
-te maken op den inhoud van mijn verhaal. Wat nu hierboven staat,
-spreekt van een ongelukkigen zeeman, die onvoorzichtig met zijne boot,
-zonder tegen stroom in te kunnen sturen, in zee was gestoken. Een
-schooljongen, die zulk een waagstuk, in scherts of uit overmoed,
-ondernomen had, kon, door den stroom voortgesleept, in geen grootere
-verlegenheid zijn, dan ik mij bevond, toen ik zonder kompas op den
-levensstroom ronddreef. De kalme bijna onbegrijpelijke gemakkelijkheid
-waarmee mijn vader een band, dien men doorgaans als den allersterksten
-beschouwt, verbroken had, de minachtende wijze waarop hij mij als het
-ware uit zijn huis had gebannen--dit alles maakte, dat de gunstige
-dunk, dien ik omtrent mijne persoonlijke hoedanigheden koesterde,
-werkelijk begon te verminderen. Prins Mooi, in het bekende sprookje,
-nu eens prins, dan weder een visscherszoon, kon door zijne vernedering
-niet zoo deerlijk uit het veld zijn geslagen, als ik het was. Ach! Onze
-eigenliefde doet ons zoo gaarne al die bijzaken, welke ons in onze
-welvaart omgeven, als ons wettig eigendom beschouwen, en als dan
-de ontdekking komt van onze nietigheid, wanneer wij geheel aan onze
-eigen hulpmiddelen overgelaten zijn, dan voelen we ons zoo vernederd.
-
-Het gedruisch der bedrijvige hoofdstad werd al flauwer en
-flauwer. Het verwijderde gelui der klokken scheen mij meer dan eens een
-waarschuwend: »keer terug!" toe te roepen. Van de hoogte van Highgate
-zag ik op de in nevels gehulde pracht der hoofdstad neder. En het
-was mij te moede, alsof ik aan rijkdom, levensvreugde, ja aan al de
-genoegens en genietingen van het gezellige leven daar ginds in mijn
-beminde vaderstad, voor eeuwig vaarwel had gezegd.
-
-Maar het lot was beslist. Ik kon onmogelijk omkeeren! Hoe zou ik ook
-mogen verwachten, dat eene zoo late en half gedwongen onderwerping mij
-nu zou weergeven wat ik reeds had opgegeven. Integendeel, dacht ik,
-de onbuigzame wil van mijn vader zou door eene onwillige toetreding tot
-zijne wenschen meer vertoornd dan verzoend worden. En mijne trotschheid
-fluisterde: wat armzalige figuur zoudt ge maken, als reeds nu, vier
-mijlen van Londen, een windje van frissche landlucht een ernstig
-overleg van vier weken had weggewaaid. Bovendien, de hoop, die den
-jongeling en den moedigen man nooit verlaat, deden mij mijne uitzichten
-schitterend opsieren. Het was immers onmogelijk, dat mijn vader
-voornemens zou zijn, mij voor altijd van zich te verwijderen? Neen,
-het was slechts eene beproeving van mijne gezindheid. Als ik mij in
-deze beproeving maar geduldig en standvastig gedroeg, dan zou ik
-in mijns vaders achting rijzen, en dan zou er juist zeer licht de
-hartelijkste verzoening op volgen. Reeds overlegde ik, in hoe verre
-ik hem toegeven, en welke voorwaarden van ons verdrag ik als stellig
-en volstrekt onveranderlijk bepalen zou. Naar mijne berekeningen zou
-het gevolg dan eindelijk zijn, dat ik in al de rechten eens zoons
-hersteld werd. De eenige lichte straf, voor mijne weerspannigheid,
-zou zijn dat ik op enkele punten schijnbaar de minste zou moeten zijn.
-
-En zie! in afwachting van die aangename toekomstige verzoening,
-was ik nu mijn eigen heer en meester. Ik smaakte het genot van eene
-volkomen onafhankelijkheid; iets dat het hart van een jongeling steeds
-met vreugde ofschoon tegelijk met vrees vervult. Mijne beurs was
-weliswaar niet al te goed voorzien; maar ik kon toch de wenschen en
-behoeften eens reizigers ongeveer bevredigen. Ik had mij in Bordeaux
-reeds eraan gewend zonder bediende te zijn. Mijn paard was gezond,
-jong en levendig. Mijne opgewekte gemoedsstemming verdreef dan ook
-spoedig de sombere beschouwingen, waarmede ik mijne reis aanvaard had.
-
-Opwekkender ware het zeker geweest, indien ik op mijn weg meer
-afleiding had gevonden. Maar het noorden van Engeland leverde
-toenmaals, en misschien ook thans nog, niets bekoorlijks voor een
-reiziger op. Ja, ik geloof, waar men ook door het Britsche rijk
-reist, men overal meer afwisseling vindt dan hier. Evenwel, hoeveel
-luchtkasteelen ik in mijne ijdelheid voor de toekomst bouwde,
-mijne gelukkige stemming werd steeds minder. Zelfs de Muze, de
-beminnelijke, die mij naar deze woestenij gelokt had, verliet mij,
-even als hare zusters plegen te doen, in het oogenblik van nood. Ik
-zou volslagen mismoedig zijn geworden, als niet van tijd tot tijd
-een gesprek met reizigers, die denzelfden weg gingen, mij had
-afgeleid. Overigens waren de menschen die mij ontmoetten, over het
-geheel vrij onbeteekenend: dorpsgeestelijken, die van een bezoek in
-de stad huiswaarts keerden; pachters of veehandelaars, die van deze
-of geene jaarmarkt terugkwamen; kantoorbedienden, die in de kleine
-steden uitstaande schulden hadden ingevorderd, of soms een officier,
-die op werving uitging. Ons gesprek liep dus meestal over tienden,
-geloofszaken, rundvee, graan, natte en droge waren, slechte betaling
-van kleine winkeliers, soms zelfs kwam een beschrijving van een beleg
-of van een veldslag in de Nederlanden, die de verhaler misschien
-ook slechts uit de tweede hand had. Rooversgeschiedenissen, eene zoo
-vruchtbare en belangrijke stof, vulden elke gaping. Met de namen van
-den »Gouden Pachter," den »vliegenden straatroover Jack Needham" en
-van andere helden uit de Bedelaars-Opera werd ik even familiaar als
-met allerlei van de meest gewone onderwerpen uit het dagelijksche
-leven. Kinderen schuiven gewoonlijk dichter bij den haard, als een
-spookgeschiedenis haar toppunt bereikt. Zoo reden ook mijne reizigers
-bij zulke rooververhalen dichter naast elkander, onderzochten het
-slot hunner pistolen, en beloofden elkander bijstand in elk gevaar,
-eene belofte die gelijk zoo menige offensive en defensive alliantie,
-glad vergeten wordt, als het gevaar werkelijk komt.
-
-Onder hen, die door zulke schrikbeelden 't allermeest vervolgd werden,
-verschafte een, die anderhalven dag lang mijn reisgenoot was, mij
-het grootste vermaak. Achter op zijn zadel had hij een zeer klein,
-maar naar het scheen zeer zwaar valies, waarvoor hij zoo bezorgd was,
-dat hij het nooit uit de handen gaf. Voor den dienstvaardigen ijver
-der knechts uit de herbergen, die zich aanboden om het in huis te
-dragen, had hij steeds het antwoord: »Ik zal het zelf wel dragen." Even
-voorzichtig trachtte hij niet alleen het doel zijner reis, maar zelfs
-den weg, welken hij inslaan wilde, te verbergen. Niets maakte hem meer
-verlegen, dan wanneer men hem vroeg, of hij links of rechts moest,
-en waar hij zijn paard dacht te voeren. Zijn nachtverblijf onderzocht
-hij met de meest angstige zorgvuldigheid. Hij vermeed alle eenzame en
-andere huizen, die hij voor gevaarlijk hield. In Grantham waakte hij,
-geloof ik, een ganschen nacht, omdat in de kamer naast de zijne een
-zwaarlijvig, scheel ziende reiziger sliep met eene zwarte pruik en een
-verbleekt rood kamizool met gouden galon bezet. Ondanks dien angst,
-was mijn reisgenoot, naar zijne forsche gestalte en gespierde leden
-te oordeelen, een man, die elk gevaar wel onder de oogen zou kunnen
-zien. Uit zijn hoed met goud en de kokarde maakte ik op dat hij een
-voormalig officier was, of ten minste iemand, die tot de krijgsmacht
-in betrekking stond. Zijne taal en vorm waren overigens vrij plat,
-maar toch niet onverstandig; vooral als de schrikbeelden, die zijne
-verbeelding verontrustten, voor een oogenblik geweken waren. Maar
-iedere toevallige aanleiding riep ze hem terstond voor den geest. Eene
-kale heide, of wat dicht struikgewas, gaf hem dadelijk bezorgdheid. Als
-een herder vroolijk floot, meende hij het sein van eene rooversbende
-te hooren. Zelfs het gezicht van eene galg bewees hem, wel is waar,
-dat de gerechtigheid ten minste één roover onschadelijk had gemaakt,
-maar herinnerde hem tevens, hoe vele er nog onopgehangen rondzwierven.
-
-Het gezelschap van dien man zou mij ten slotte lastig zijn geworden,
-zoo niet mijne eigene gedachten mij nog veel lastiger waren
-geweest. Sommige van zijne zonderlinge verhalen hielden mij bezig,
-en eene andere gril, die hij had, gaf mij soms gelegenheid, om mij
-op zijne kosten te vermaken. Onder de ongelukkige reizigers, die
-volgens zijne vertellingen, in de handen van roovers waren gevallen,
-hadden vele hun droevig lot aan de onvoorzichtigheid te wijten,
-waarmede zij zich op den grooten weg bij welgekleede reizigers
-voegden, van wie zij bescherming en een gezellig onderhoud hoopten
-te zullen genieten. Die sluwe schelmen hadden dan de argeloozen met
-allerlei verhalen en liedjes gerustgesteld, hen in de herbergen voor
-bedrog en valsche rekeningen bewaard, tot zij eindelijk, onder het
-voorwendsel van een naderen weg over eene eenzame heide te willen
-aanwijzen, hunne slachtoffers van den grooten weg af op een zijpad
-lokten, waar, op het geluid van een fluitje, de overige roovers
-uit hunne schuilhoeken te voorschijn snelden, en de zoogenaamde
-reisgezel zich als de kapitein eener bende bekend maakte, aan welke de
-onvoorzichtige reiziger zijne goederen, misschien zelfs zijn leven,
-moest offeren. Als nu mijn reismakker bij het einde van zulk een
-vertelseltje het angstzweet op het voorhoofd parelde, dan keek hij
-mij gewoonlijk met een oog vol twijfel en argwaan aan, als vreesde
-hij dat hij zelf in het gezelschap van zulk een gevaarlijk wezen was
-geraakt. Werden dergelijke vermoedens dan wakker in hem, dan reed hij
-terstond aan den anderen kant van den weg, keek voor zich, achter zich,
-rondom zich, onderzocht zijne pistolen, en scheen zich tot de vlucht
-of tot verdediging voor te bereiden, naarmate de omstandigheden het
-een of het ander mochten vereischen. Ik voor mij amuseerde mij.
-
-Bij zulke gelegenheden scheen echter zijn verdenking jegens mij niet
-lang te duren. Ze kwam mij trouwens veel te koddig voor, dan dat ik
-mij daardoor beleedigd achtte. Er was wel, noch in mijne kleeding,
-noch in mijne houding iets, dat in mij een roover had kunnen doen
-vermoeden. Maar in die tijden kon iemand best het voorkomen van een
-fatsoenlijk man hebben en toch een struikroover zijn. De verdeeling
-der werkzaamheid in de verschillende middelen van bestaan was toen
-nog zoo regelmatig niet als thans. De sluwe, welopgevoede avonturier,
-die bij het dobbelspel of in de kegelbaan den goeden lieden het
-geld afwon, was niet zelden tevens struikroover, die den reiziger
-op de heide of op een eenzamen weg aanrandde, en hem zijn beurs
-afvorderde. Ook heerschte in die tijden nog veel ruwheid van zeden,
-later meer verzacht en beschaafd. Ja, het komt mij voor, dat drieste
-lieden destijds veel minder afkeer ervan hadden dan thans, om door
-een stouten roof hunne vervallen zaken te herstellen. De tijden
-waren voorbij, toen Anthony-A-Wood treurde over de doodstraf van
-twee welopgevoede mannen, mannen van moed en gevoel van eer, maar die
-toch te Oxford zonder genade opgehangen werden, omdat de nood hen had
-gedwongen struikroovers te worden. Op de wijd uitgestrekte heivlakten
-in den omtrek der hoofdstad en zeker in de minder volkrijke, afgelegen
-oorden, vond men vele roovers te paard. Zij dreven hun handwerk met
-zekere wellevendheid. Zij lieten er zich, zoo als Gibbet in het bekende
-blijspel zegt, nog heel wat op voorstaan, de beschaafdste lieden op
-'s heeren wegen te zijn, en in de uitoefening van hun beroep zich
-met alle mogelijke kieschheid te gedragen. Een jongman in mijne
-toenmalige omstandigheden kon wezenlijk over het misverstand, voor
-een dezer hoogaanzienlijke roovers te worden aangezien, in de verste
-verte niet beleedigd zijn.
-
-Ik was dan ook niet boos, ik vond er pleizier in, den argwaan van
-mijn vreesachtigen reismakker nu eens op te wekken, dan weder in
-slaap te wiegen. Opzettelijk deed ik soms dingen die dienen konden,
-zijn verstand in de war te brengen, dat van natuur niet tot het
-sterkst behoorde en door den angst nog verzwakt werd. Had ik hem door
-een vertrouwelijk en openhartig gesprek volkomen gerustgesteld, dan
-behoefde ik slechts, als ter loops, te vragen, hoe ver hij dien dag
-voornemens was te reizen, of wat het doel zijner reis was, om zijn
-argwaan terstond weder gaande te maken. Zelfs een geheel onverschillig
-gesprek nam soms eene voor hem hoogst verontrustende wending. Zoo
-praatten wij eens over de kracht en snelheid van onze paarden.
-
-»Wel zeker," zeide mijn reisgenoot, »wat den galop betreft, dat erken
-ik gaarne, daartoe is uw paard bij uitstek goed. Het is inderdaad een
-fraaie ruin. Maar een harddraver is hij niet; daartoe staat hij niet
-hoog genoeg op zijne pooten. De draf, mijn waarde heer, de draf is de
-ware gang voor een rijpaard. Als wij hier dicht bij eene stad waren,
-zou ik het bruintje op een effen weg wel eens willen toetsen--ja,
-om eene flesch wijn, in de naaste herberg te drinken, zou ik mijn
-paard durven wedden."
-
-»Top, mijnheer!" antwoordde ik; »de weg is hier effen genoeg."
-
-»Ja, ja,"--hernam mijn reisgezel aarzelende, »maar eens voor altijd
-heb ik het mij op reis tot eene vaste wet gemaakt, mijn paard tusschen
-twee pleisterplaatsen nooit in het zweet te jagen: men kan niet weten
-wat er gebeuren kan. Men kan onverwachts zich genoodzaakt zien, van
-het goede beest wat meer te moeten vergen. En als het afgereden is,
-dan helpen zweep en sporen niet. Daarenboven dienen de beide paarden
-even veel te dragen, en het uwe draagt ten minste tachtig pond minder,
-dan het mijne."
-
-»Goed; gaarne wil ik het ontbrekende gewicht opnemen. Hoe zwaar zou
-uw valies wel wegen?"
-
-»Mijn va--va--valies?" hernam de arme man sidderende,--»och, dat heeft
-eigenlijk volstrekt geen gewicht--het is zoo licht als een veer--een
-paar hemden, twee paar kousen--"
-
-»Het ziet er echter vrij zwaar uit. Ik wed om eene flesch besten
-portwijn, dat het juist even zwaar weegt, als ons beider gewicht
-verschilt."
-
-»Gij vergist u, mijn waarde vriend, waarachtig, gij vergist
-u!" hervatte mijn reisgezel en stak dadelijk met zijn paard naar den
-anderen kant van den weg, zooals hij steeds deed als hij angstig werd.
-
-»Welnu, gaat onze weddingschap door?" vroeg ik, om hem te plagen. »Tien
-tegen vijf pond: Ik neem uw valies op mijn paard, en gij zult mij
-toch niet bijhouden."
-
-Dit voorstel deed zijn angst ten toppunt stijgen. De natuurlijke
-koperkleur van zijn neus, gevolg waarschijnlijk van rooden wijn
-of sterken drank, veranderde in een vaal bleek. Hij klappertandde
-van schrik over mijn voorstel, waarin hij den vermetelen roover
-in al diens onbeschaamdheid meende te ontdekken. Toen hij met zijn
-antwoord aarzelde, deed ik hem spoedig weder wat ruimer ademhalen,
-door hem naar een kerktoren te vragen, dien wij in het gezicht kregen,
-en door tevens de aanmerking te maken, dat wij nu, in de nabijheid
-van een dorp, geen gevaar meer liepen, om in onze reis op den grooten
-weg gestoord te worden. Zijn gelaat helderde toen wat op. Ik bemerkte
-echter duidelijk, dat het lang duurde eer hij een zoo verdacht voorstel
-kon vergeten. Gij vraagt, denk ik, waarom ik zoo uitvoerig van al zijn
-eigenaardigheden spreek? Welnu de kennismaking met dezen reiziger en de
-daarmede gepaard gaande omstandigheden hadden, ofschoon onbelangrijk
-op zich zelf, een gewichtigen invloed op mijne latere lotgevallen
-uitgeoefend. Zijne houding wekte nu slechts mijn spot. Zij bevestigde
-mij in mijne meening, dat onder alle zaken waarmede de menschen zich
-zelven kwellen, geene is, zoo lastig, zoo pijnlijk voor zichzelf en
-anderen als ongegronde angst.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
- "De Schot is een arme zot", zegt trotsch de Engelschman.
- 't Mag zijn.--De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.
- Maar waarom zijt gij dan nog boos,
- Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?
-
- Churchill.
-
-
-Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het
-reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd
-is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in
-zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk, des
-Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de
-reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de
-weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze
-medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van
-deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid
-was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op
-dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn
-dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch
-en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door
-allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen
-gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op
-kosten van zijn waard te genieten.--Gewoonlijk was dan het bestellen
-van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer
-te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.
-
-Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke
-tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens
-de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te
-zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in den
-Kouseband, in den Leeuw of in den Beer dankbaar aan te nemen. Het
-was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer
-aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was
-te bedienen,--hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom
-welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van
-gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten
-uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de
-predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te
-verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende
-beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige
-tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof
-te vinden was.
-
-Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker
-onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer" te Darlington,
-in het bisdom Burham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die
-als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit
-Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.
-
-»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?" vroeg mijn reisgenoot snel;
-hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,"
-alias straatroovers.
-
-»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb," hernam de
-waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis
-voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man,
-een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland
-kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is."
-
-»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn," zeide mijn reismakker,
-zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in
-hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin
-en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maar bij mij
-heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven
-een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde
-is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de
-oudste tijden af, ten eenen male onbekend is."
-
-»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets
-te stelen," viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne
-eigen geestigheid.
-
-»O neen, kastelein!" riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je
-Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt,
-verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een
-monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer
-te verdienen valt."
-
-»Best geantwoord, vriend Campbell!" hernam de kastelein. »Ik dacht
-waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en
-weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat
-me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?"
-
-»Zoo als gewoonlijk," antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen
-en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht."
-
-»Maar verstandige lieden en gekken willen 's middags ook wel wat eten,"
-merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch,
-waarvan ge de weêrga niet vinden zult!"
-
-En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn
-gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner
-gasten flink te vullen.
-
-Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het
-was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van
-mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de
-Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op
-dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De
-oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard
-geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit
-noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan
-familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als
-William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste
-bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte
-lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben,
-dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans
-onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij
-dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne
-verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit
-opzicht zouden overeenstemmen. Maar,--zooals het den verstandigsten
-mensch wel eens gaat,--zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans,
-verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was,
-dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster,
-de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit
-Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin
-hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde
-hij voor de oude Margaretha Rickets een kamertje in zijn huis in. Na
-den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen,
-mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit
-met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over
-de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te
-spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen
-harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen,
-die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde
-veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die
-goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende,
-en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol
-rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan
-hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog,
-hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze
-vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede
-zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,--ik wil het wel gul
-bekennen--dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste
-gezangen uit een Opera. Ik herinner mij nog die woorden:
-
-
- »Ja, de eik en de esch, en het groene klimop
- In Northumberland groeien zij zoo weelderig op!"
-
-
-In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de
-verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De
-bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de
-rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens
-die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas
-uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone's,
-een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een
-feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd
-de Schotsche Duivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle
-jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen
-van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die
-woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van
-dien naam, had, even als Achilles de maagden Chryseïs en Briseïs,
-de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had
-hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die
-door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de
-eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden,
-waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht,
-maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die
-Noordsche roovers voortgekomen.
-
-Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne
-kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke
-landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt
-door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond
-namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche
-eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel
-geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen
-te sluiten, en ook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout
-te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door
-hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten,
-die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne
-verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan
-het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom,
-de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden,
-en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten
-beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een
-bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was
-in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig,
-gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede
-hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene
-oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden
-zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden
-even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze
-hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van
-wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het
-waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander,
-twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens
-elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.
-
-Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik
-ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte
-ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat
-volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de
-rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn,
-en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende
-manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat,
-om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook
-meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele
-aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk
-te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste,
-was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die
-hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had,
-wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel
-fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen
-van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden,
-was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden,
-zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in
-vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En
-toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij
-het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid
-behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of
-vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over
-het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den
-ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen,
-die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich
-in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij
-zeggen, noch betwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en
-zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te
-doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te
-opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell's
-gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit
-kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het,
-hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van
-de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo
-tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij
-goede opvoeding verkregen. Ten opzichte der laatstgenoemde scheen
-hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken,
-dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel
-beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van
-Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist
-het bestuur van dat land was opgedragen [3], en van al de overige
-Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen
-verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.
-
-Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep
-stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest,
-geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en
-gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de
-Whig's en Tory's zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor
-het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde
-Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in
-den persoon van koning George den troon had bestegen [4]. Elke kroeg
-weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard
-uit den »Zwarten Beer" veel te wellevend, om zijne goede klanten door
-tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun
-stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten
-kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende
-staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein
-mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch
-aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat
-hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke
-kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn
-kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een
-winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op
-te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche
-troonsopvolging.
-
-Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook
-de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij
-zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk,
-dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.--»Gij zijt een
-Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het
-erfelijke recht optreden!" riep de eene partij.--»Gij zijt immers
-een Presbyteriaan," schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een
-verdediger van willekeur zijn!"
-
-»Mijne heeren," zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite
-deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning
-George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank,
-welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den
-ontvanger der belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend
-Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets
-tot belooning overschieten voor dien heer dáár, die liever op zijn
-valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar
-vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het
-goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen
-apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard
-aan onzen vriend dáár toevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert
-Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn
-zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan
-onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder
-de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch
-hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben."
-
-Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein
-mengde er zijn »bravo!" ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde
-tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij,
-dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil
-van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was,
-ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die
-hem eens op weg overvallen hadden.
-
-»Hola, vriend Jonathan!" viel Campbell hem in de rede: »gij vergist
-u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards,
-tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou
-hebben durven wagen."
-
-»En hebt gij dan," vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij
-steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,--»en hebt gij
-dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?"
-
-»Nu ja!" antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad,
-om er zooveel ophef van te maken!"
-
-»Waarlijk," hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van
-uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar
-het noorden?"
-
-Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij
-iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even
-vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.--»Wij
-kunnen wel niet met elkander reizen," antwoordde hij kortaf; »gij
-hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een
-Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft."
-
-Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen
-hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij
-afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe,
-vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde,
-dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze
-van hem poogde te ontslaan.
-
-»Ik wil al uwe reiskosten betalen," zeide hij op een toon, als hield
-hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen
-van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.
-
-»Ik bedank u hartelijk!" hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik
-kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier
-en daar misschien lang moeten ophouden."
-
-»Och, ik heb ook volstrekt geen haast," antwoordde mijn makker: »gij
-kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest. In zulk aangenaam
-gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten."
-
-»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen
-schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen," zeide Campbell. »Ik reis,"
-voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden
-raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden,
-en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt."
-
-En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van
-zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij
-toe. »Uw vriend," zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk
-te verrichten heeft, veel te openhartig."
-
-»Gij vergist u," antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner
-vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik
-ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt
-zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik."
-
-»Och," hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig
-toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er
-niet van gediend willen zijn."
-
-»Waarschijnlijk weet die mijnheer," antwoordde ik, »zelf het best
-wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over
-te vellen."
-
-De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en
-het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.
-
-Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik
-verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts
-in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich
-verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne
-bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij
-zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
- Mij klopt het hart, als ik de schoone fee,
- Des eilands trots en roem aanschouwe,
- Voort, in galop, op 't fiere ros.
-
- De Jacht.
-
-
-Al dichter het noorden van Engeland naderend, gevoelde ik iets als
-liefde tot dezen mijn geboortegrond in mij opkomen. En daarbij voegde
-zich de geestdrift, waarmede eene schoone natuur den opgewekten mensch
-bezielt. De bergstroomen, die nu dien naam zeker verdienden, kropen
-niet meer voort tusschen riet en wilgeboomen, maar stortten zich van
-de hoogten naar beneden, nu eens sneller, dan weer langzamer vloeiend,
-door eenzame valleien, die den reiziger schenen uit te lokken af te
-dalen in haar verborgen plekjes.
-
-Donker en trotsch, verhieven zich voor mij de Cheviot-bergen, wel
-boden zij niet die afwisseling der primaire rotsen en klippen-vorming,
-maar zij waren grootsch, met afgeronde koppen, gehuld in roodachtig
-bruine kleuren. Door hunne uitgestrektheid en woestheid grepen zij
-met eigenaardigen indruk in het gemoed.
-
-Mijn voorvaderlijk landgoed, dat ik naderde, was in een eng dal gelegen
-tusschen deze heuvels. Uitgestrekte landerijen, die vroeger tot het
-geslacht der Osbaldistones behoord hadden, waren door de verkwisting
-mijner voorvaderen verloren gegaan, maar er bleef nog genoeg over om
-mijn oom den naam te geven van groot landbezitter. Zijn vermogen werd
-besteed, zoo als ik onderweg vernam, grootendeels om de onbekrompen
-gastvrijheid van die dagen te handhaven. Hij achtte dit voor het
-aanzien van zijne familie een noodzakelijke plicht.
-
-Uit de verte van den top van een heuvel had ik reeds een blik kunnen
-werpen op het kasteel Osbaldistone. Het was een groot, ouderwetsch
-gebouw, midden in een woud van overoude eiken gelegen. Langs een
-slechten, kronkelenden weg reed ik er op af, toen mijn paard op eens de
-ooren opzette. Ik hoorde het vroolijk geblaf van een paar jachthonden,
-nu en dan aangemoedigd door het geluid van een horen. Die was toen
-onmisbaar op de jacht. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of het waren
-honden van mijn oom. Ik hield stil om de jagers voorbij te laten gaan,
-want op het jachtterrein moet men geen jachtliefhebbers ophouden. Ik
-nam dus het besluit, zoodra de stoet voorbij was, naar het huis te
-rijden en den terugkeer van den eigenaar af te wachten.
-
-Op eene kleine hoogte hield ik mijn paard in, daar niet zonder
-belangstelling uitziende naar de jacht, hoewel ik in dien tijd nog
-weinig zin voor dat genot bezat. Dat ik evenwel met eenig ongeduld
-de aankomst der jagers afwachtte, spreekt van zelf.
-
-Het eerste wat ik zag, was de vos, vermoeid en haast uitgeput. Hij kwam
-uit het kreupelhout aan de rechterhelling van het dal. De hangende
-staart, de bezoedelde huid en de wankelende gang kondigden zijn
-naderend lot aan, en de kraai die reeds boven hem zweefde, scheen het
-arme dier reeds als zijn zekeren buit te beschouwen. De vos trok over
-de beek, die onder in het dal vloeide. Juist sleepte hij zich door een
-rotskloof aan den anderen kant van het water, toen de voorste honden
-verschenen, gevolgd door al de overigen, daarna door den jagermeester
-en drie of vier ruiters. De honden vervolgden dadelijk het spoor van
-den vos. De jagers zetten hen snel en moedig achterna, zonder te letten
-op het oneffen en steile terrein. Het waren groote flinke jonge mannen,
-goed bereden, en in groen en rood gekleed; dit waren de kleuren eener
-jachtvereeniging door den ouden sir Hildebrand Osbaldistone gesticht.
-
-»Zoo zoo," dacht ik, toen zij voorbijvlogen. »Dat zijn nu mijne
-heeren neven! Hoe zullen deze waardige opvolgers van Nimrod mij
-wel ontvangen? Waarschijnlijk zal ik, die niets van die soort van
-genoegens weet, mij niet op mijn gemak noch gelukkig gevoelen in het
-huis van mijn oom!" Eene nieuwe verschijning stoorde hier eensklaps
-dien gedachtengang.
-
-Het was eene jonge dame, aan wier liefelijke gelaatstrekken het
-jachtvermaak en de gloed, waarmede de vermoeienis hare wangen kleurde,
-dubbele bekoorlijkheid schonk. Zij bereed een prachtig pikzwart
-paard, welks borst bedekt was met sneeuwwit schuim, afdruipend van
-het gebit. Hare eenigszins zonderlinge kleeding bestond in een rok,
-vest en hoed, geheel naar het fatsoen van een heeren-costuum. Die
-dracht, was gedurende mijn verblijf in Frankrijk ingevoerd en dus
-mij wel bekend. Haar lang donker haar, dat onder het rijden uit den
-band, die het samenhield, was los geraakt, fladderde in den wind. De
-oneffen grond, waarover zij met bewonderenswaardige bedrevenheid
-en tegenwoordigheid van geest haar paard wist te leiden, stremde
-min of meer haar snelle vaart, en zoo kwam zij dichter bij mij, dan
-een der overige jagers. Ik kon dus van nabij hare schoone gestalte
-beschouwen. Door de opgewektheid van de jacht, door het romantische van
-haar kostuum maakte hare plotselinge verschijning sterken indruk op
-mij. Zie! op het oogenblik, dat zij mij voorbijvloog, deed haar wild
-paard een zijsprong, doordien zij op vlakken bodem sneller vooruit
-wilde rennen. Dit toeval strekte mij tot aanleiding naar haar toe te
-rijden, om haar, desnoods, hulp te kunnen bieden. Intusschen was er
-volstrekt geen gevaar; het paard herstelde zich terstond en hernam zijn
-gewonen draf. Zij dankte mij echter met een bevallig glimlachje voor
-mijn goeden wil, en hierdoor voelde ik mij aangemoedigd, om mijn paard
-in denzelfden stap te brengen en naast haar te rijden. Het geschreeuw:
-»Hoezee! hij is dood!" en de tonen van den waldhoorn, kondigden
-ons weldra aan, dat er thans geene reden meer bestond tot spoed,
-daar de jacht geëindigd was. Een der jongelieden, die ik gezien had,
-kwam naar ons toe, en zwaaide zegepralend met den staart van den vos,
-als of hij mijn schoone geleidster haar achterblijven wilde verwijten.
-
-»Ik zie het wel!" antwoordde zij; »ik zie het immers wel! Maak er maar
-zoo veel drukte niet van!--Was Phoebe," vervolgde zij, terwijl zij op
-den hals van haar fraai paard klopte, »niet onder de rotsen gekomen,
-dan zoudt gij thans niet zoo kunnen juichen."
-
-Terwijl zij dit zeide, naderden beiden elkander. Ik bemerkte dat
-zij naar mij keken, en eenige oogenblikken zacht met elkander
-spraken. Duidelijk was het, dat de jonge dame bij den jager op
-iets aandrong, terwijl hij met eene zekere onnoozele blooheid
-weigerde. Daarop wendde zij op eens haar paard naar mij toe, terwijl
-zij min of meer boos en tamelijk luid zeide: »Het is goed, Torncliff,
-het is goed! Wilt gij niet, dan zal ik het zelve doen! Mijnheer,"
-vervolgde zij nu tegen mij, »ik trachtte dezen onwilligen jongenheer
-over te halen, om u te vragen, of gij op uwe reis herwaarts, niet
-iets van een onzer vrienden, zekeren heer Frans Osbaldistone, hebt
-vernomen, die sedert eenige dagen hier verwacht wordt."
-
-Met wezenlijke vreugde stelde ik mij zelven als den verwachten
-gast voor, terwijl ik voor de belangstelling der jonge dame in mijn
-persoon dankte.
-
-»Welnu," hernam zij, »daar de wellevendheid van mijn neef nog steeds
-schijnt te sluimeren, zult gij mij wel vergunnen, al is het minder
-gepast, de rol van ceremoniemeesteres op mij te nemen. Ik heb de
-eer u uw neef Thorncliff Osbaldistone en mij zelf, Diana Vernon,
-voor te stellen, die tevens de eer heeft de nederige bloedverwante
-van uw voortreffelijken neef te zijn."
-
-De toon, waarop zij dit zeide, was vrijmoedig, spotachtig, maar tevens
-hartelijk. Ik bezat wereldkennis genoeg, om denzelfden toon te treffen,
-toen ik haar mijn kompliment maakte, en haar mijne blijdschap wegens
-deze ontmoeting te kennen gaf. Mijne vriendelijke woorden waren
-zoo, dat de schoone jageres zich het grootste gedeelte daarvan
-kon toeëigenen. Want mijn waarde neef scheen een onnoozele hals,
-daarbij kinderachtig bloode, ook min of meer norsch van aard. Hij
-reikte mij wel de hand, verklaarde echter dadelijk daarop dat hij mij
-moest verlaten, om zijn broeders en de andere jagers bij het koppelen
-der honden de behulpzame hand te bieden. Het scheen evenwel meer een
-kennisgeving aan freule Vernon, dan wel eene verontschuldiging tot
-mij gericht.
-
-»Ga maar heen!" zeide Diana en zag hem met spottende minachting
-na: »Daar gaat hij, de prins der stalknechts; der hanengevechten
-en roskammers! Maar dat moet gezegd worden: knap is hij in die
-vakken.--Hebt gij Markham gelezen?"
-
-»Markham, schoone dame? Ik ken niet eens den naam van dezen schrijver."
-
-»O hemel, waar zijt gij aangeland? Gij, arme onkundige vreemdeling,
-kent gij den waren Bijbel niet van dezen wilden stam, waaronder
-gij uwe woning moet opslaan? Hebt gij nooit van Markham gehoord,
-van den beroemdsten schrijver over de geneeskundige behandeling van
-paarden? En dus ook misschien nooit iets van de latere schrijvers
-Gibson en Bartlett?"
-
-»Nooit!" antwoordde ik.
-
-»En dit kunt gij, zonder van schaamte te blozen, bekennen?" vervolgde
-Diana. »Nu, dan moeten wij de verwantschap met u wel
-afzweren. Vermoedelijk kunt gij evenmin een paard eene pil ingeven
-of een meelpap voor het dier gereed maken?"
-
-»Al zulke dingen laat ik aan mijn rijknecht over."
-
-»Onbegrijpelijke zorgeloosheid! Gij verstaat dan waarschijnlijk ook
-de kunst niet, een paard te beslaan, het de manen en den staart te
-knippen, een hond van den worm te snijden, hem de ooren of nagels te
-korten, of een valk terug te lokken, of hem, wanneer hij de kap op
-heeft, te voederen, of..."
-
-»Neen! Neen. Om u met één woord te zeggen, welk nietsbeduidend wezen
-ik ben, ik bezit geene enkele van al deze edele gaven."
-
-»Maar om 's hemels wil, mijnheer Frans Osbaldistone, wat komt gij
-dan toch hier doen?"
-
-»Bitter weinig! Evenwel ben ik niet geheel en al onkundig; als mijn
-rijknecht mijn paard goed gezadeld heeft, kan ik er op rijden, en
-als mijn valk zich in het open veld bevindt, kan ik hem opzenden."
-
-»Kunt gij dat?" vroeg Diana, en zette haar paard in korten galop.
-
-Nu kwamen wij aan een van ruwe boomstammen vervaardigd vrij hoog
-hek, dat dwars over den weg liep. Op eenigen afstand daarvan wilde ik
-afstijgen, ten einde het te openen; maar in hetzelfde oogenblik was de
-koene Amazone er met haar paard reeds overgesprongen. Voor mijn eigen
-eer moest ik haar wel volgen en was dan ook dadelijk weder naast haar.
-
-»Gij geeft ons ten minste nog eenige hoop!" hernam zij. »Ik begon
-waarlijk al te vreezen, dat gij een ontaarde tak van den stamboom
-der Osbaldistones waart. Maar, ik bid u, zeg mij toch eens wat is
-de reden van uwe komst op Vossenburg? Weet ge, zoo noemen de lieden
-in dezen omtrek ons kasteel. Mij dunkt, dat gij liever stilletjes
-weggebleven waart."
-
-Ik bemerkte, dat ik met het schoone meisje reeds vrij vertrouwelijk
-praatte. Ik antwoordde dan ook op gullen toon: »ge hebt gelijk. Het
-zou eene opoffering voor mij zijn, mij op het kasteel Osbaldistone op
-te; houden, indien de bewoners er van allen wezenlijk zoodanig zouden
-zijn, als gij ze mij hebt afgeschilderd. Maar ik durf mij vleien,
-ja, bijna zeker zeggen, dat er zich ééne uitzondering bevindt, die
-al de overige gebreken dubbel vergoeden zal."
-
-»O, zoo, gij bedoelt misschien Rashleigh?"
-
-»Waarlijk niet; ik bedoelde iemand, die wat dichter bij mij is."
-
-»Het beste is, geloof ik, uw kompliment niet te willen verstaan. Doch
-dat kan ik niet. Excuseer, dat ik geene beleefde neiging maak,
-ge ziet, ik ben te paard. Maar, in ernst gesproken, ik verdien uwe
-uitzondering; want ik ben het eenige gezellige wezen in het gansche
-kasteel, behalve de oude geestelijke en Rashleigh."
-
-»Maar zeg, wie is dan die Rashleigh?"
-
-»Rashleigh is iemand, die om zijn eigen wil gaarne zou hebben, dat
-iedereen was, zoo als hij. Hij is de jongste zoon van uw oom, ongeveer
-van uwe jaren, maar niet zoo.... met een woord, hij ziet er niet heel
-goed uit. De natuur heeft hem nog al gezond menschenverstand gegeven
-en de pastoor heeft er een handvol geleerdheid bijgevoegd. Wij allen
-noemen hem een bizonder knap mensch, wel te verstaan, hier in dit land,
-waar knappe lui tot de zeldzaamheid behooren. Hij is voor de kerk
-bestemd, maar schijnt juist geen haast te maken met het priesterkleed
-aan te trekken."
-
-»Voor de Katholieke kerk?" vroeg ik.
-
-»Natuurlijk de Katholieke kerk! Voor welke kerk anders? Maar, het
-is waar, ik vergeet waarlijk, dat men mij gezegd heeft, dat gij een
-ketter zijt. Is dat waar, mijnheer Osbaldistone?"
-
-»Ik kan het niet ontkennen."
-
-»En gij waart toch in vreemde landen, en wel in echt-Katholieke
-landen?"
-
-»Bijna vier jaren."
-
-»Hebt gij kloosters gezien?"
-
-»Dikwijls; maar ik heb er, helaas, niet veel in gezien, wat mij het
-Katholieke geloof zou aanbevelen."
-
-»Zijn de kloosterlingen niet gelukkig?"
-
-»Waarschijnlijk eenigen wel, althans diegenen, die door innerlijke
-vroomheid, of om vervolgingen en rampen, welke zij in de wereld
-geleden hebben, of ook uit natuurlijke luiheid het kloosterleven
-omhelsden. Maar diegenen, die in eene plotselinge, overspannen
-geestdrift, of in eene vlaag van wrevel wegens ondervonden
-teleurstellingen en vernederingen tot zulk een afgezonderd leven
-zijn overgegaan, zijn inderdaad zeer ongelukkig. Het verlangen naar
-de samenleving is spoedig weer ontwaakt. Zij zijn als wilde dieren
-in gevangenschap. Zij dulden onwillig den dwang. Anderen geven zich
-in hunne cellen aan allerlei dweperijen over, sommigen gaan zich
-vet mesten."
-
-»Maar wat wordt er dan wel van de vrouwen, die door den wil van anderen
-tot het kloosterleven veroordeeld zijn? Naar wat gelijken zij? Vooral,
-wanneer zij naar het leven en de levensvreugde daarbuiten smachten
-uit aanleg en natuur."
-
-»Zij zijn als opgesloten zangvogels, veroordeeld om haar leven in een
-kerker door te brengen. Zij trachten soms in hare talenten verstrooiing
-te vinden. Maar had men haar niet van hare vrijheid beroofd, dan zouden
-zij door haar aanleg sieraden der maatschappij kunnen geweest zijn."
-
-»Eer zal ik,--" zeide zij, doch schielijk zich verbeterend, hernam
-zij: »eer zoude ik een wilden havik gelijken.--Als men dezen de vrije
-vlucht door het luchtruim belet, stoot hij zich tegen de traliën van
-zijne gevangenis den kop te pletter. Maar, om weder op Rashleigh
-te komen," vervolgde zij eenigszins levendiger: »gij zult in hem
-den aangenaamsten man vinden, dien gij ooit ontmoet hebt, tenminste
-gedurende eene week. Kon hij slechts eene blinde minnares vinden,
-niemand zou zoo zeker van zijne verovering zijn als hij. Maar het oog
-doet de betoovering ophouden, welke het oor bewerkt heeft. Genoeg
-daarover. Hier zijn wij op het voorplein van het oude kasteel,
-dat er even ouderwetsch uitziet, als zijne bewoners. Aan opschik
-wordt hier niet veel ten koste gelegd: dit zult gij weldra zien en
-ondervinden. Maar mijn hoed is mij lastig: hij klemt mij. Excuseer,
-dat ik het mij wat gemakkelijk maak."
-
-En het opgeruimde meisje nam den hoed af, en streek met de blanke
-vingers half lachend, half blozend, de verwarde lokken van hare
-doordringende grijze oogen weg. Liep hier misschien een weinigje
-behaagzucht onder? Het is mogelijk, maar dan wist zij die uitmuntend
-achter zekere achtelooze onverschilligheid te verbergen. Ik kon niet
-nalaten op te merken, dat ik den opschik als iets geheel overtolligs
-moest beschouwen, wanneer men over de familie oordeelen mocht naar
-haar, die ik thans voor mij zag.
-
-»Waarlijk aardig gezegd!" antwoordde zij; »maar misschien behoorde
-ik het eigenlijk in het geheel niet te verstaan. Overigens zult gij
-ondervinden, dat een weinig achteloosheid hier juist op de rechte
-plaats is, wanneer gij maar eerst uw aanstaande omgeving hebt gezien,
-aan wie elke opschik, elke nieuwe mode totaal verspild zou zijn. Maar
-de oude etensklok zal dadelijk luiden, of liever piepen. Haar geluid
-is thans slechts een wanklinkend gepiep. In vroeger tijd moet ze
-mooi gegonsd hebben. Maar ze sprong juist op denzelfden dag, toen
-koning Willem hier voet aan land zette. Wegens deze bijzondere gave
-van profetie heeft mijn oom haar niet willen laten herstellen. Maar
-wees zoo goed, gelijk het een getrouwen ridder betaamt, mijn paard
-even bij den teugel te houden, tot ik een nederigen schildknaap zend,
-om u af te lossen."
-
-Met deze woorden wierp zij mij den teugel toe, alsof wij reeds van
-onze eerste kindsheid af met elkander bekend waren geweest, sprong uit
-den zadel, huppelde het plein over en ging eene zijdeur binnen. Ik
-staarde haar na, hare schoonheid bewonderende en verbaasd over hare
-vrijmoedige manieren. Het was dubbel te verwonderen in een tijd, toen
-de voorschriften der wellevendheid, die wij van het hof van Lodewijk
-XIV ontvingen, het schoone geslacht eene zeer deftige houding geboden.
-
-Ik zat daar midden op het plein van het oude kasteel op een paard,
-en hield een ander bij den teugel; zeker maakte ik een zonderling
-figuur. De gebouwen in het rond hadden voor een vreemdeling weinig
-merkwaardigs. Trouwens ik was geenszins in eene stemming, om ze
-met eenige opmerkzaamheid te beschouwen. De zijden van het vierkant
-waren alle van verschillende bouworde, en geleken, met hare steenen
-en getraliede vensters, hare vooruitspringende torentjes en hare
-zware balken op het binnenplein van een klooster. Vruchteloos riep
-ik om een bediende, wat mij des te pijnlijker was, daar ik zag, dat
-ik een voorwerp van de nieuwsgierigheid van verscheidene mannelijke
-en vrouwelijke dienstboden werd, die het hoofd uit verschillende
-gedeelten van het gebouw staken, maar het, even als konijnen
-tusschen struiken, dadelijk weder terugtrokken, zoodra ik naar hen
-opzag. De terugkomst der jagers en honden hielp mij eindelijk uit de
-verlegenheid. Niet zonder moeite verkreeg ik van een boerenknaap dat
-hij mij de paarden afnam, en van een anderen mij naar het kasteel
-te brengen, waar ik mij aan mijn oom wilde voorstellen. Deze knaap
-nam daarbij het voorkomen aan, alsof hij door mij gedwongen werd,
-mij naar een vijandelijken voorpost te vergezellen. Ik had werk,
-om hem het ontsnappen te beletten.
-
-Verscheidene gewelfde gangen, die naar de »steenen zaal," zoo als hij
-het noemde, leidden, moesten wij doorloopen, tot wij ons eindelijk
-in een ruim, gewelfd vertrek met een steenen vloer bevonden. Eene
-rij van eikenhouten tafels, allen zoo zwaar en zoo groot, dat
-zij nauwelijks verplaatst konden worden, was reeds gedekt. Deze
-eerbiedwekkende zaal, sedert eeuwen het tooneel der tafelgenoegens van
-mijne voorvaderen, bevatte ook nog vele bewijzen van hunne voormalige
-jachtbedrijven. Talrijke geweien van herten en reeën versierden de
-wanden, en daartusschen prijkten opgezette dassen, otters, bunsings
-en dergelijke roofdieren. Te midden van oud wapentuig, dat misschien
-eens tegen de Schotten gediend had, zag men ook allerlei wapenen
-van de edele jacht. Handbogen, geweren met enkele en dubbele loopen,
-weitasschen, netten, otterspiesen en vele andere werktuigen om het
-wild te vangen en te dooden. Eenige oude, dik berookte en met bier
-bevlekte schilderijen hingen hier en daar in het rond. Men zag er
-ridders en dames, zonder twijfel in hun tijd zeer geëerd en beroemd;
-de eerste met vreeselijke knevelbaarden en grimmige gezichten, de
-laatste met een zoet lachje op het beminnelijke gelaat, en wangen
-bloeiend als de rozen, die zij in hare hand hielden.
-
-Ik had juist even tijd gehad, om deze merkwaardigheden vluchtig
-te bezien, toen een twaalftal bedienden in blauwe kleeding, onder
-veel geraas en gekakel binnenstormden, ieder nog meer bezig met
-zijn makkers te beduiden wat zij doen moesten, dan zelf iets te
-verrichten. Sommigen brachten blokken hout en spaanders voor het vuur,
-dat sterk rookte op den haard. De schoorsteenmantel was zoo groot,
-dat er een steenen bank onder kon staan. Boven den haard was in roode
-steen, tot sieraad, op vrij plompe manier het geslachtswapen mijner
-familie uitgehouwen. Het kunstwerk had echter deels door den invloed
-van den rook, deels door den tand des tijds, zeer geleden. Andere
-bedienden, zeer ouderwetsch gekleed, brachten dampende, met voedzame
-spijzen beladen schotels op. Weer anderen droegen bekers, kannen en
-flesschen aan met allerlei soorten van drank. Toen nu eindelijk,
-na veel gehaspel en gedruisch, het ruime maal opgedischt was,
-hoorde ik plotseling een luid geschreeuw en gepraat van menschen,
-en een geweldig geblaf van honden, vermengd met het klappen van
-zweepen en het dreunen van zware laarzen, die mij aan den Steenen
-Gast herinnerden. Dit alles kondigde de komst der jagers aan, voor
-wie het feest bereid was. Nu begon de drukte, het geroep en geraas der
-dienstboden op nieuw, en wel nog erger dan te voren. Sommigen spoorden
-hunne makkers tot spoed aan. Anderen waarschuwden hen, vooral bedaard
-en voorzichtig te zijn. Weer anderen stieten elkander telkens terug
-of op zijde, om den binnenkomenden gasten plaats te maken. Sommigen
-omringden de tafel; anderen plaatsten zich bij de vleugeldeuren,
-die de zaal van een zwart geverfd zijvertrek scheidden. Eindelijk
-werden die vleugeldeuren opengerukt, en nu stormden honden en menschen
-binnen.--Ik zag acht honden, den huiskapelaan, den dorpsgeneesheer,
-mijne zes neven en mijn oom, achtereenvolgens binnenkomen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
- Het dreunt in 't oud en ruim gewelf.
- Een bonte rij van krachtige gestalten,
- In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,
- Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.
- Met krijgsmans zelfbewustheid--zoo schreden zij naar binnen.
-
- (Penrose.)
-
-
-Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de
-gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden,
-om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht
-had ontvangen.--»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen,"
-zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene
-u"! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op
-stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival,
-uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred
-en--waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg
-met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig
-van uw broeder zien--zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader
-dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den
-ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen,
-en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat
-is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste
-meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien."
-
-Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham,
-moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger
-was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was
-geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren
-had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote
-garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij
-ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling
-diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus
-II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot
-den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende
-vooruitzichten schenen geopend te zijn--zij verdwenen geheel en al met
-de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon
-stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op
-zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch
-had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen
-zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide
-Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen
-de ruwe steenklompen van Stonehenge. Want zijne zonen waren logge
-wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeelden kan. De vijf
-oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het
-ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle
-uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men
-in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet
-aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid
-was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne
-plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op
-kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die
-van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.
-
-Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare
-voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had
-willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten
-opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later
-ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken
-aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij
-zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had,
-allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig
-geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats
-van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad
-Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman
-teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In
-vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen
-af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen
-wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd,
-jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten
-hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste
-kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden,
-dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als
-men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat,
-die met het een of ander lichaamsgebrek behept is. Anderen waren van
-een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade
-gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag,
-om hem het priesterambt te ontzeggen.
-
-De trekken van Rashleigh's gelaat waren van dien aard, dat men ze,
-als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen:
-telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid,
-ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het
-was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan
-wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins
-gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets
-belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en
-sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig
-getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest
-gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel,
-waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor
-deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en
-welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en was tevens nooit om
-woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij
-zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana's opmerking,
-dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade
-ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.
-
-Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die
-als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke
-tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in
-te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik
-voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne,
-om deze aangename schikking te bevorderen.
-
-»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken," zeide
-zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen
-Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen
-vestingmuur en vijandelijk geschut."
-
-»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde
-ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen."
-
-»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch,
-bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind."
-
-»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen
-er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden,
-kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking
-vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het
-noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en
-klassificeeren."
-
-»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en
-dezelfde soort te zijn."
-
-»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor,
-jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen
-gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke
-hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor
-iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel
-eene aangename variatie."
-
-»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie
-vragen."
-
-»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot
-vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan
-weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een
-domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde
-Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek;
-John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de
-meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer:
-dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van
-dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men
-hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan."
-
-»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk tot
-een merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor
-sir Hildebrand?"
-
-»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom," antwoordde Diana:
-»ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die
-ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren
-kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken."
-
-Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten
-minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij
-een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!
-
-»Gij denkt zeker over mij," zeide Diana, terwijl zij haar donker oog
-op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.
-
-»Dat deed ik ook," antwoordde ik, een weinig verlegen over de
-onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende
-wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan
-iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik
-zoo dicht naast mij is!"
-
-Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar
-gelaat eigen was.--»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer
-Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus
-aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge
-heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de
-glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de
-gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw
-voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie
-gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij
-zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed."
-
-Ik zweeg beschaamd.
-
-»Gij herinnert mij," vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon,
-»aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld,
-dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag
-veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad
-van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene
-zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige
-onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze
-dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen,
-alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken
-zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel
-beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik
-een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als
-met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik
-van u houden zal!"
-
-»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan
-uw wil te doen gehoorzamen," antwoordde ik.
-
-»Daar hebt ge het al weder!" hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik
-heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van
-vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollen
-beker--dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan,
-zal ik u zeggen wat gij van mij denkt."
-
-Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene
-tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich
-het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne
-rechterhand, en Richard aan Diana's linkerhand, wijdden zich zoo geheel
-aan de ontzaglijke massa's, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden,
-dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk
-konden praten.
-
-»Mag ik nu,"--zoo begon ik--»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt,
-dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle
-loftuitingen verboden."
-
-»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs
-uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw
-hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij
-houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje
-behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne
-vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl
-ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer
-sekse" noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb,
-om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt
-mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of
-gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid,
-die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar
-weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie
-even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra
-Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid
-tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan
-gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets
-verteld hebben."
-
-»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle
-kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze
-ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens,
-waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?"
-
-Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij
-antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van
-Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde
-geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed
-lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt."
-
-»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot
-heen, dat ons scheidt," antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh's
-stoel ledig was; hij is reeds vertrokken."
-
-»Wees daarvan nog niet zoo zeker," zeide Diana. »Luister naar mijn
-raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel
-waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten
-top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog
-niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister
-niet over zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester:
-thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als
-wij binnen kort van elkander scheiden."
-
-»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?"
-
-»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw
-vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn
-broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast
-zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde,
-om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door
-uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al
-de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen,
-waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten
-tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering
-niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan
-te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan
-Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat,
-dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te
-rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke
-priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou,
-dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige
-tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van
-vernedering verleende."
-
-»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer
-wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?"
-
-»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten
-minste ik houd het daarvoor," antwoordde Diana. »Hij is de jongste
-van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte
-heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en
-toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te
-onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar
-verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen
-dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben."
-
-»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen," antwoordde ik
-glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak
-van zijne veranderde positie!"
-
-»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel,
-of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat
-vergelden.--Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor
-kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om
-zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het
-vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort,
-moet ik mij dus verwijderen."
-
-Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd
-over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en
-vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die
-gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor
-zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woorden
-overgebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid
-en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En
-door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit
-gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd
-en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een
-jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem
-ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen,
-geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig
-meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene
-stijfheid behandelde. Integendeel, Diana's vertrouwelijkheid was
-even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat
-zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist
-geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch
-gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf
-in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van,
-dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte,
-die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de
-vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne
-ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid,
-door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd,
-gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare
-bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd
-door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus
-van een vriend nog sterk verhoogd.
-
-Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk
-rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van
-onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone
-ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het
-drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht
-van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan
-de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal
-uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van
-de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen,
-zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.
-
-Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het
-heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne
-vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter
-mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar
-ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet
-naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster,
-dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan
-zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een
-oogenblik te bedenken, moedig uit.
-
-»Hij is ons ontsnapt!" riepen mijne vervolgers achter mij. Nu
-liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid
-zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij
-bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne
-overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.
-
-Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof,
-ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn
-arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!"
-
-»Goeden avond, mijnheer!" antwoordde hij, zonder op te zien, met een
-accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.
-
-»Gij hebt mooi weder voor uw werk."
-
-»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!" hernam
-de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder
-doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te
-zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig
-voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een
-geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij
-vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om
-van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den
-rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!"
-
-»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust
-te hebben, lang er voor op te blijven."
-
-»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het
-waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en
-gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij
-leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken
-en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken,
-van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk
-honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen--zij noemen het
-vastendagen, wanneer zij de beste visschen, forellen, zalm en tarbot
-oppeuzelen--zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel
-tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen
-en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken,
-want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?"
-
-»Ik niet, vriend," luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche
-Presbyteriaan."
-
-»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!" riep
-de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken
-slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts
-in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach
-een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.
-
-Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang
-op het kasteel Osbaldistone diende?
-
-»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de
-vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,"
-antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.
-
-»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven
-hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien
-langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt
-licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult
-en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrek aan bekwaamheid heeft
-u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden."
-
-»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken," antwoordde
-Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van
-het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspel
-Dreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste
-groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze
-vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar
-was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat
-ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde
-plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met
-Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu
-reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier,
-en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens,
-dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij
-wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren
-prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief
-tuintje en ongeveer tien pond 's jaars had, en waar geene vrouw was,
-die mij de appelen natelde--ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig
-dankbaar zijn."
-
-»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge
-die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult."
-
-»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De
-tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen
-iemand uit waardeering komen opzoeken."
-
-»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?"
-
-»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij
-heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen,
-dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en
-zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib
-van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens
-op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen
-drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng."
-
-»Gij vergeet uwe jonge meesteres."
-
-»Welke meesteres?"
-
-»Freule Vernon."
-
-»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede
-heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van
-een ander. Het is een wild, woest schepsel!"
-
-»Meent ge dat inderdaad!" vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman
-verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de
-geheimen van deze familie zeer goed bekend?"
-
-»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen
-bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule
-Diana is--maar wat gaat mij dat aan!"
-
-En nu begon hij weder ijverig te spitten.--»Wat is Freule
-Vernon?" vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en
-zou het dus gaarne weten."
-
-»Goed is anders, vrees ik," hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog
-dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo'n beetje
-schuin--gij verstaat mij wel, denk ik."
-
-»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij
-inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker
-wildet verklaren."--Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne
-ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig
-grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl
-hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop
-hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige
-plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn
-goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is...."
-
-Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken
-en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij
-nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen
-te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had,
-wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.
-
-»Goede hemel!" zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg
-verloren!"
-
-»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam
-en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik,
-is zij..."
-
-Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.
-
-»Wat is zij?" vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit
-alles eigenlijk moet verstaan."
-
-»Nu dan--zij is de allerheftigste Jacobietische van het gansche
-Graafschap."
-
-»Wat zou dat! eene Jacobietische? Is dat alles?"
-
-Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne
-gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.--
-
-»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen
-kan," mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging
-voort met spitten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
- Voor de deur de Sheriff wacht,
- Met dreigende soldaten-macht.
-
- Shakespeare.
-
-
-Het kostte mij bepaald moeite de kamer te vinden, die voor mij bestemd
-was. Ik moest mij zelf daartoe van de gewilligheid der dienstboden van
-mijn oom door de gewone onfeilbare middelen verzekeren. Eindelijk had
-ik ze gevonden. En ik sloot mij op, om voor het overige van den avond
-alleen te zijn. De toestand waarin ik mijne bloedverwanten verlaten
-had, en waarvan het gedruisch en gejoel van uit de eetzaal getuigde,
-deed mij begrijpen, dat die goede lieden thans geen passend gezelschap
-voor een nuchter mensch konden wezen.
-
-Waarom had mijn vader mij naar dit zonderlinge verblijf gezonden? Dit
-was natuurlijk de eerste vraag, die zich aan mij opdrong. De manier,
-waarop mijn oom mij in zijn huis ontvangen had, bewees duidelijk dat
-ik, naar zijne veronderstelling, een tijdlang zijn gast zou zijn. Maar
-het was even duidelijk, dat het hem totaal onverschillig was, of ik, of
-een van de blauw gerokte bedienden, bij hem was. In het gezelschap van
-mijne ongemanierde neven zou ik slechts kunnen afleeren, wat ik mij aan
-goeden toon en hoffelijke manieren had eigen gemaakt. In plaats daarvan
-zou ik mij kunnen oefenen in de kunst honden van den worm te snijden,
-paarden van den droes te genezen, vossen te jagen--anders niets.
-
-Slechts één motief voor de handelwijze mijns vaders kon ik mij als
-mogelijk voorstellen. Maar dit was buiten twijfel ook het eenige
-ware. Eene levenswijze, waartoe naar mijns vaders begrip iedere
-landjonker onvermijdelijk verviel, wilde hij mij duidelijk laten
-zien. En ik moest daarvan, zoo als hij vooruitzag, al spoedig afkeerig
-worden. Dan zou ik, kon het zijn, wel lust opvatten voor zijn eigen
-beroep. Rashleigh Osbaldistone moest intusschen ten onzent werkzaam
-zijn. Mijn vader had middelen genoeg bij de hand, om dezen, als hij
-weder van hem ontslagen wilde zijn, elders voordeelig te plaatsen. Wel
-maakte ik mij eenig verwijt, dat ik aanleiding gegeven had, dat
-een man, door Diana zoo ongunstig afgeschilderd, met mijns vaders
-zaken bekend zou worden, ja, misschien zelfs in diens vertrouwen
-zou deelen. Maar ik stelde mij weer gerust door de gedachte, dat
-mijn vader zich niet licht door iemand in de kaart liet kijken. Hij
-was niet gemakkelijk te bedriegen en evenmin te leiden op een weg,
-dien hij niet verkoos te gaan. En van wien had ik dan eigenlijk
-al het nadeelige, wat mij van den jongeling bekend was geworden,
-gehoord? Van een zonderling, opgewonden meisje dat zich tegen mij
-met zooveel onbezonnen vrijmoedigheid had geuit dat ik reden had te
-vermoeden, dat hare berichten volstrekt niet overdacht waren; niets
-anders dan lichtzinnig gebabbel misschien.
-
-Als van zelf begon ik nu over Diana na te denken, en over den
-zonderlingen toestand waarin zij slechts haar eigen overleg, haar eigen
-geest, tot leidsman en beschermer had. Ik stelde mij haar voor, met
-al hare moedwillige levendigheid, waardoor zij mijne nieuwsgierigheid
-opgewekt en mijne opmerkzaamheid geboeid had. Ik kon het mij niet
-ontveinzen, dat de nabijheid van dit vreemde meisje en de gemeenzame
-omgang met haar, mijn verblijf in het kasteel, wel is waar, aangenamer,
-maar ook des te gevaarlijker deed zijn. Wat intusschen het koele
-verstand mij ook voorhield, ik kon het maar volstrekt niet over mij
-verkrijgen, mij over het gevaar, waaraan ik bloot gesteld zou worden,
-ernstig te beklagen. Alle bedenkingen die zich aan mij opdrongen,
-wist ik op de gewone manier, zoo als meest alle jongelieden in zulke
-gevallen doen, uit den weg te ruimen: ik zou zeer voorzichtig, altijd
-op mijne hoede zijn; ik zou Diana meer als een goede bekende dan als
-eene vriendin beschouwen. Alles zou zich, naar het mij toescheen,
-zeer goed schikken. Onder deze overdenkingen sliep ik in, en Diana
-was natuurlijk mijne laatste gedachte.
-
-Of zij mij ook in den droom bezig hield, weet ik niet. Daar ik zeer
-vermoeid was, sliep ik vrij vast. Maar zij was weder mijn eerste
-gedachte, toen met het krieken van den dag de vroolijke tonen der
-jachthoorns mij uit den slaap wekten. Ik sprong op, liet mijn paard
-zadelen, en was binnen weinige minuten op het voorplein van het
-kasteel, waar ik menschen, honden en paarden in drukke beweging
-zag. Mijn oom scheen in zijn buitenlands opgevoeden neef geen zeer
-wakkeren Nimrod te veronderstellen. Althans hij zag mij min of
-meer verrast aan. Het kwam mij voor alsof zijn morgengroet niet zoo
-hartelijk en gastvrij was, als zijne eerste verwelkoming.
-
-»Reeds hier, jonge heer? Nu ja! op uwe jaren liet ik ook niet naar mij
-wachten. Maar neem u in acht en pas op, dat gij geen zandruiter wordt!"
-
-Welk jongmensch zou zich niet liever alles laten verwijten, dan te
-dulden, dat men hem voor een stumper in de edele rijkunst houdt! Ik
-wist, dat ik vrij goed in den zadel zat, en een weinig gevoelig over
-mijns ooms uitdrukking, verzekerde ik hem, dat hij mij steeds met de
-jachthonden vooraan zou vinden.
-
-»Wel, daaraan twijfel ik niet, mijn beste jongen!" antwoordde hij:
-»gij zijt zeker een knap ruiter, dat geloof ik gaarne; maar toch--wees
-op uwe hoede! Uw vader zendt u aan mij, opdat ik u aan den toom zou
-gewennen. Maar ik zal u wel op de stang moeten rijden; want anders
-zoudt gij misschien al heel licht doorslaan, eer ik er erg in had."
-
-Ik begreep niets van zijn woorden. Ze schenen echter niet als dadelijke
-waarschuwing, maar slechts in het voorbijgaan, zonder eenig bepaald
-doel, gesproken te zijn. Mijn oom zei eenvoudig luide, wat hij op
-dat oogenblik, zich zelven onbewust, dacht. Ik vermoedde, dat hij
-of op mijne vlucht uit zijn drinkgezelschap zinspeelde, of wel,
-dat de gevolgen van den nachtelijken roes hem min of meer ontstemd
-hadden.--Wil hij onvriendelijk als gastheer zijn, dan zal ik ook
-des te korteren tijd zijn gast blijven, dacht ik. Ik haastte mij om
-Diana mijn morgengroet te brengen, daar zij mij met veel hartelijkheid
-naderde. Ook tusschen mijne neven en mij had eene soort van begroeting
-plaats. Maar toen ik bespeurde, dat zij mijn gansche jachtkostuum, van
-den hoed af tot de stijgbeugels toe, boosaardig monsterden, en alles
-bespotten, wat voor hen een vreemd aanzien had, meende ik mij van de
-moeite te mogen ontslaan, om hun eenige bijzondere oplettendheid te
-bewijzen. Ik beantwoordde hun grijnzen en fluisteren met een blik van
-de grootste onverschilligheid en verachting, en wendde mij geheel tot
-Diana, als de eenige in het gansche gezelschap, in wier onderhoud ik
-belang stelde. Aan hare zijde reed ik naar het aangewezen jachtterrein,
-een dichtbegroeid bosch, dat langs uitgestrekte weiden liep. Onderweg
-betuigde ik haar mijne verwondering, dat ik neef Rashleigh niet in
-het gezelschap zag.
-
-»Och, hij is anders een geweldig jager," antwoordde zij; »een jager
-à la Nimrod, maar zijn wild is--de mensch."
-
-Door het geschreeuw der jagers aangemoedigd, renden de honden het bosch
-in.--Alles rondom mij was leven en beweging. Mijne neven, waren thans
-in hun waar element en hadden het veel te volhandig, dan dat zij zich
-met mij konden bemoeien. Slechts hoorde ik Richard, den roskammer,
-zacht tegen Wilfred, den gek, zeggen: »Let eens op, hoe spoedig onze
-Fransche neef zandruiter zal worden, zoodra het er op losgaat!"
-
-»Dat zou me ook niet verwonderen," antwoordde Wilfred; »kijk maar eens
-hoe mal zit hem de hoed op het hoofd, en wat is die raar opgetoomd!"
-
-Thorncliff, die, ofschoon op zijne eigene ruwe wijze, voor
-de bevalligheden zijner nicht misschien niet ongevoelig was,
-scheen daarentegen besloten te hebben, ons meer dan zijne broeders
-gezelschap te houden. Hij wilde zeker het oog houden op hetgeen er
-tusschen Diana en mij voorviel. Wellicht dacht hij ook zich met mijne
-verwachte jachtrampen te kunnen vermaken. Intusschen werden die hoop
-en verwachting geheel te leur gesteld. De vos werd opgejaagd. Maar
-ondanks Richard's ongunstige voorspelling, en Wilfred's schrandere
-aanmerking, dat mijn hoed mij mal op het hoofd en ik jongensachtig
-in den zadel zat, bewees ik mijne bedrevenheid in de rijkunst, tot
-groote verwondering van mijn oom en van de schoone Diana, en tot
-bittere ergernis van mijne neven. Men had den vos een vrij groot eind
-weegs hevig nagezet, doch hij wist zijne vervolgers te misleiden,
-en de honden verloren het spoor. Diana's gelaat verried, dat zij
-over Thorncliff's aanhoudende begeleiding ongeduldig werd; maar het
-levendige en driftige meisje was spoedig gereed, een wensch van het
-oogenblik door het eerste het beste middel te bevredigen. Zij zeide
-verwijtend: »Ik begrijp niet, Torncliff, dat gij den ganschen morgen
-achter mijn paard sukkelt. Gij weet toch wel, dat het vossenhol bij
-den molen niet gestopt is."
-
-»Daar weet ik geen woord van, ik zweer het u bij mijn ziel,
-nichtje! Integendeel, de molenaar heeft mij bij kris en bij kras
-verzekerd, dat hij het hol dezen nacht om twaalf ure gestopt heeft."
-
-»Och! wat ben je toch een goedgeloovige jongen! U op het woord van
-een molenaar te verlaten! En dan juist dit hol! Is de vos ons dit
-jaar niet reeds driemaal daar ontsnapt? Op uw schimmel kunt gij in
-tien minuten heen en weer zijn."
-
-»Goed, ik rijd naar den molen. Als de molenaar het hol niet gestopt
-heeft, dan zal ik den logenachtigen schurk doodranselen."
-
-»Niets meer? Welnu, dan komt hij er nog al genadig af. Maar haast u
-dan; er is geen tijd te verliezen!"
-
-Torncliff rende weg.--»Als de molenaar u eens duchtig afranselde, zou
-er waarlijk niet veel aan verbeurd zijn!" zeide Diana. »Intusschen
-moet ik den een zoowel als den ander onder behoorlijke subordinatie
-houden. Gij moet weten, dat ik hier een soort van regiment
-opricht. Torncliff wordt mijn opperwachtmeester, Richard mijn pikeur,
-en Wilfred met zijne holle afgebrokene tonen, die slechts drie
-lettergrepen achter elkaar kan laten hooren, mijn paukenslager."
-
-»En Rashleigh?" vroeg ik.
-
-»Rashleigh wordt mijn spion."
-
-»En is er voor mij geen ambt, schoone overste?"
-
-»Gij moogt kiezen, of gij betaalmeester of prijsrechter van het korps
-wilt worden. Maar zie eens, hoe de honden ronddwalen: kom, zij zijn
-het spoor geheel en al bijster, en zullen den vos zoo spoedig niet
-wedervinden. Volg mij, ik moet u een mooi uitzicht laten zien."
-
-Nu reden wij spoorslags een heuvel op, van welks top een zeldzaam
-fraai vergezicht zich voor ons uitbreidde. Zij zag rondom zich, of
-er ook iemand in onze nabijheid was, en toen zij hieromtrent gerust
-was, reed zij onder eenige berken, die ons voor de overige jagers
-verborgen.--»Ziet gij daar dien spitsen, bruinen, met heide bewassen
-heuvel, met eene witachtige vlek op de zijde?" vroeg zij.
-
-»Recht over die lange streek laagland? Zeer duidelijk."
-
-»Die witachtige vlek is eene rots, de Hawkesmore-rots genoemd, en
-die ligt reeds in Schotland."
-
-»Inderdaad? Ik had waarlijk niet gedacht, dat wij ons zoo dicht bij
-Schotland bevonden."
-
-»Zeer dicht bij: binnen twee uren brengt uw paard er u heen."
-
-»Wel mogelijk. Maar ik zal van het goede dier die moeite niet vergen,"
-antwoordde ik. »Naar het mij toeschijnt, zijn we er wel een uur of
-zes vandaan."
-
-»Ik geef u mijn paard, als gij het uwe soms niet sterk genoeg acht,"
-begon Diana weder. »Ik verzeker u nogmaals, dat gij binnen twee uren
-in Schotland zijt."
-
-»Maar ik heb volstrekt geen lust er te zijn. Ik zou den staart van
-mijn paard niet dwingen mij te volgen, als zelfs zijn kop reeds over
-de grenzen was. Wat zou ik in Schotland doen?"
-
-»Om het u ronduit te zeggen: voor uwe veiligheid zorgen. Verstaat
-gij mij nu?"
-
-»Volstrekt niet: uwe woorden luiden altijd raadselachtiger."
-
-»Waarlijk? Dan voedt gij of een zeer onbillijk wantrouwen tegen mij,
-en kunt beter huichelen dan Rashleigh Osbaldistone zelf; of gij weet
-in het geheel niet, waarvan men u beschuldigt. Gij kijkt mij zoo
-gemaakt ernstig aan, dat ik nauwelijks mijn lachen kan bedwingen."
-
-»Maar op mijn woord van eer, Freule Vernon," antwoordde ik, min of
-meer geraakt door haar kinderachtigen lachlust, »ik begrijp volstrekt
-niet wat gij meent of bedoelt. Het is mij aangenaam, dat ik u zulk een
-vroolijk tijdverdrijf verschaf, ofschoon ik niet weet hoe en waarom."
-
-»Hoor eens, het is hier waarlijk geen scherts, maar wel degelijk
-ernst!" zeide zij op een, haar zeker niet gewonen, ernstigen
-toon. »Het kan zijn, dat mijn gelaat dit tegenspreekt, doch in dat
-geval bedriegt het. Want ik ben wezenlijk zeer om u bekommerd. Antwoord
-mij openhartig: kent gij een en zekeren Morris, of hoe heet hij?"
-
-»Morris, Morris? Dien naam ken ik niet."
-
-»Bezin u wel. Hebt gij onlangs niet met iemand gereisd, die zoo
-heette?"
-
-»De eenige man, met wien ik eenigen tijd gereisd heb, was een kerel,
-wiens gansche ziel in zijn valies scheen te liggen."
-
-»Nu ja, even als de ziel van den licentiaat Pedro Carcias, die onder
-de dukaten van zijne lederen goudbeurs lag. Kortom, uw voormalige
-reisgenoot is van zijn valies beroofd, en heeft u als medeplichtige
-van den roof bij het gerecht aangegeven."
-
-»Gij schertst, maar op een heel zonderlinge manier."
-
-»Nogmaals herhaal ik, dat ik in vollen ernst spreek."
-
-»Hoe! gij, Freule Vernon," riep ik met eene opwelling van drift,
-welke ik niet onderdrukken kon--»gij kunt gelooven, dat ik zulk eene
-beschuldiging verdien?"
-
-»Kijk! als ik nu een man was, dan zoudt gij mij, op dit vermoeden,
-zeer zeker op den degen of het pistool uitdagen. Maar wilt ge zoo
-iets, ga uw gang. Ik neem uwe uitdaging aan; want ik kan even goed
-eene zwaluw in de vlucht schieten, als te paard over een hek springen."
-
-»Mooi zoo, ge zijt immers daarenboven overste van een regiment
-kavalerie?" antwoordde ik, daar het mij toch volstrekt niet baatte,
-dat ik op het ondeugende meisje boos werd.--»Maar, ik bid u, wat moet
-nu uwe scherts beteekenen?"
-
-»Moet ik het u dan honderd maal herhalen? Ik scherts niet. Men
-beschuldigt u van dezen man beroofd te hebben; mijn oom gelooft het
-stellig; en ik--mag ik er aan twijfelen?"
-
-»Waarachtig, ik ben mijne vrienden zeer verplicht voor den goeden dunk,
-dien zij omtrent mij koesteren!"
-
-»Nu, nu! kijk maar niet zoo boos--ik heb nog geen order om u te
-arresteeren. Intusschen is de gepleegde roof geen gewone--laat mij
-zeggen: geen gemeene diefstal. De man had geld van de regeering
-bij zich, in contanten en in wissels, tot betaling der troepen in
-Schotland. Ja, men zegt, dat men hem ook zeer gewichtige depèches
-ontnomen heeft."
-
-»Ik word derhalve niet van enkel diefstal of roof, maar van hoogverraad
-beschuldigd?"
-
-»Geraden! Maar gij weet ook dat deze misdaad ten allen tijde door zeer
-fatsoenlijke lieden gepleegd werd. Hier te lande zult gij zeer vele
-menschen vinden, bij voorbeeld iemand, die niet ver van uw elleboog
-verwijderd is, die het als een verdienstelijk werk zou beschouwen,
-de regeering van het huis van Hannover op alle mogelijke wijzen
-te benadeelen."
-
-»Laat mij u zeggen, dat noch mijne staatkunde, noch mijne eerlijkheid,
-zulke daden zouden vergoêlijken."
-
-»Ik begin waarlijk te gelooven, dat gij in vollen ernst een
-Presbyteriaan en Hannoveraan zijt.--Maar wat zult gij nu doen?"
-
-»Wel, ik zal dadelijk den afschuwelijken laster wederleggen. Bij wien
-is de zonderlinge aanklacht ingediend?"
-
-»Bij den ouden rechter Inglewood, die ze ongaarne
-aannam. Waarschijnlijk heeft hij mijn oom onder de hand laten weten,
-dat men u naar Schotland moest zien weg te helpen, opdat gij het bevel
-tot uwe gevangenneming ontloopen zoudt. Doch mijn oom weet zeer goed,
-dat hij, wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan het oude, bij
-de nieuwe regeering in geen goed blaadje staat. Zoo het ontdekt werd
-dat hij u in uwe vlucht behulpzaam was geweest, zou hij bepaald gevaar
-loopen, om als Jakobiet, papist en verdacht persoon ontwapend, en--wat
-het allerergste voor hem zoude zijn!--van zijne paarden beroofd te
-worden [5].
-
-»Dan begrijp ik zijn vrees. Liever dan zijne jachtpaarden verliezen,
-zou hij zijn neef opofferen."
-
-»Een neef! Tien neven, nichten, zonen, dochters indien hij ze had,
-ja, zijne gansche familie. Vertrouw niet op hem, geen enkel oogenblik,
-maar maak, dat ge weg komt, vóór dat de machtige arm der gerechtigheid
-u achterhaalt."
-
-»Wegsnellen? Welzeker, maar--regelrecht naar de woning van den ouden
-Inglewood. Waar ligt ze?"
-
-»Omtrent twee uren van hier, beneden in 't gindsche dal, achter het
-bosch. Daar ziet gij het torentje."
-
-»Binnen weinige minuten ben ik er," antwoordde ik en maakte mij gereed,
-om spoorslags weg te rennen.
-
-»Goed, maar ik zal u vergezellen, ik zal u den weg wijzen!" zei Diana
-met drift, en zette haar paard dadelijk aan.
-
-»Neen!" riep ik, »dat niet! Vergeef een oud vriend zijne vrijmoedige
-aanmerking. Maar het zou met alle welvoegelijkheid, ja zelfs met alle
-vrouwelijke kieschheid strijden, indien gij mij bij deze gelegenheid
-vergezeldet."
-
-»Ik versta zeer goed, wat gij zeggen wilt," antwoordde Diana en
-een zacht rood vloog over haar trotsch voorhoofd. »Het is openhartig
-gesproken en"--voegde zij er na een poos zwijgens bij--»naar ik geloof,
-ook goed gemeend."
-
-»O, freule, denk niet dat ik gevoelloos of ondankbaar ben voor de
-deelneming, welke gij mij bewijst!"--hernam ik, met meer warmte dan
-ik eigenlijk wenschte te verraden: »uwe aanbieding spruit uit ware
-welwillendheid voort, welke men 't best in nood leert kennen. Maar om
-u zelve, en daar men het ten kwade, ja zeer boosaardig, zou kunnen
-uitleggen, mag ik niet toestaan, dat gij, in dit geval, in eene
-zoo leelijke aangelegenheid den drang van uw edelmoedig hart gehoor
-geeft. Het zou immers bijna precies zijn, alsof gij voor het gerecht
-aan mijn zij gingt staan."
-
-»En als het nu eens niet bijna, maar volkomen zoo ware, meent gij dan,
-dat ik niet zou medegaan, zoodra ik dat voor plicht hield, als ik een
-vriend wilde beschermen? Gij hebt niemand, die u verdedigt. Gij zijt
-een vreemdeling, en hier aan de grenzen van Engeland, veroorloven de
-landrechters zich vaak ongehoorde dingen. Mijn oom heeft geen lust om
-zich met uwe zaak te bemoeien; Rashleigh is afwezig, en al ware hij
-ook hier, wie weet welke partij hij zou kiezen? Wat de overige leden
-van onze familie betreft, de een is al dommer dan de ander. Ik ga met
-u. Ik ben niet bang. Ik ben blij, dat ik in staat ben, u van dienst
-te zijn. Waarlijk, mijnheer Osbaldistone, ik ben zulk een overdreven
-teergevoelig meisje niet, dat ik voor wetboeken, norsche woorden en
-rechterspruiken terugdeinzen zou."
-
-»Maar, waarde freule Vernon."
-
-»Maar, waarde mijnheer Frans! Wees nu geduldig en bedaard. En laat
-mij mijn eigen gang gaan. Als ik mij dat eenmaal voorgenomen heb,
-dan blijft het zoo."
-
-Dat dit beminnelijke meisje zoo in mijn lot deelnam, was voor mij zeer
-vleiend. Maar ik besefte tevens, welk eene bespottelijke figuur ik
-maken zou, als ik een achttienjarig meisje als advokaat medebracht. Ik
-was zeer bezorgd, dat men hare beweegredenen verkeerd uitleggen zou. Ik
-trachtte haar met alle mogelijke welsprekendheid het besluit, om mij
-te vergezellen, te ontraden. Maar het eigenzinnige meisje verklaarde
-ronduit, dat al wat ik aanvoerde niets baatte. Geen bezwaar ter wereld
-zou haar bewegen, een in nood verkeerenden vriend te verlaten; zelfs
-niet, wanneer hij meende, dat zij hem weinig hulp kon brengen. Al,
-wat ik haar zeggen kon, voegde zij op zeer stelligen, maar hartelijken
-toon er bij, mocht zeer goed zijn voor teergevoelige dametjes, fijn
-gevormd, in eene kostschool in de stad naar al de regels der meeste
-kieschheid opgevoed. Voor haar beteekende dat alles niets en zij had
-zich reeds sinds lang gewend, haar eigen zin te volgen. En dat zou
-zij nu ook doen....
-
-Terwijl wij spraken, kwamen wij de woning van den rechter Inglewood
-al naderbij. Om mij van alle verdere tegenbedenkingen af te leiden,
-begon zij een grappig portret van den rechter en zijn klerk te
-maken. Inglewood was, volgens hare beschrijving, een schoon gewasschen
-aanhanger van den onttroonden koning. Hij had, evenals de meeste
-landedellieden, langen tijd den eed van getrouwheid geweigerd. Maar
-nu onlangs had hij aan de tegenwoordige regeering dan toch trouw
-gezworen, en was kort daarop vrederechter geworden. Tot dezen stap
-had hem het dringende aanzoek der overige landjonkers bewogen,
-die met leedwezen zagen, dat hun jachtrecht in verval zou geraken,
-wanneer een rijksambtenaar het niet behoorlijk handhaafde. Want
-de naaste vrederechter, die in Newcastle woonde, at het gedoode en
-lekker toebereide wild veel liever op, dan dat hij voor het behoud
-van het levende zorgde, zoodat hij de wilddieven meer hielp dan de
-jagers. Zij besloten dus, dat iemand uit hun midden zijn Jakobitisme
-aan het algemeene welzijn ten offer moest brengen, en daartoe werd
-met eenparige stemmen Inglewood gekozen. Daar hij van vrij lauwe
-politieke gevoelens was, vond men hem zonder veel stribbeling gereed
-van politiek geloof te veranderen. Tot zijn handlanger had hij, als
-griffier, een sluwen rechtsgeleerde, Jobson, die in zijn naam met
-de gerechtigheid een aardigen kleinhandel dreef. Want zijn inkomen
-had hij geheel uit de rechtszaken, welke van tijd tot tijd voor zijns
-meesters rechtbank dienden. Geen wonder dus, dat hij dag en nacht zich
-beijverde om de boeren tegen elkander in het harnas te jagen, en met
-Argus-oogen te loeren, of er niet hier of daar iets voorviel, waarbij
-de wet tusschenbeide kon komen. Ja, in den omtrek van tien mijlen kon
-geen rekening gesloten worden, zonder dat debiteur of crediteur voor
-den vrederechter verscheen. Maar de allerbespottelijkste tooneelen
-hadden plaats, wanneer deze of gene zaak te beslissen was, waarin
-men iets staatkundigs vermoedde.--»Jobson," vervolgde Diana, »ijvert
-allergeweldigst voor het Protestantsche geloof;--ook is hij een groot
-vriend van de tegenwoordige orde van zaken met betrekking tot de kerk
-en den staat. Nooit zit de arme jonker in grootere verlegenheid,
-dan wanneer de ijver van zijn handlanger hem in gerechtelijke
-handelingen wikkelt, die met zijne vroegere politieke gevoelens in
-verband staan. Wel heeft hij die openlijk afgezworen, om de kracht
-der wet tegen onrechtmatige dooders van veldhoenen, korhoenen,
-patrijzen en hazen te handhaven, maar hij is er nog onwillekeurig
-steeds aan gehecht. In zulke gevallen behelpt de goede Inglewood zich
-doorgaans daarmede, dat hij aan zijn aangeboren eigenschap: luiheid
-en afkeer van elken arbeid, toegeeft. Evenwel moet gij niet gelooven,
-dat deze werkeloosheid uit sufheid van geest ontstaat. Volstrekt
-niet, want voor een man, die zijn hoogste geluk in eten en drinken
-vindt, is de oude heer al zeer opgeruimd en levendig. Dat vormt
-met den tragen gang zijner verrichtingen, een inderdaad zonderling
-contrast. Bij zulke gelegenheden gedraagt Jobson zich als een paard,
-dat veroordeeld is om eene zwaar beladen kar te trekken. Het geeft
-zich wel alle moeite om met zijn last voort te komen, doch de kar,
-die zelve niet medewerkt, is niet te bewegen. Ja, men heeft het oude
-paard, naar men vertelt, wel hooren klagen, dat dezelfde wagen der
-gerechtigheid, die bij zekere gelegenheden zoo moeilijk in beweging is
-te brengen, bij andere gelegenheden van zelf snel genoeg voortrolt en
-hem zijns ondanks mede voorttrekt: wanneer namelijk een ouden vriend
-een dienst bewezen moest worden. O ja! Dan heeft men den eerlijken
-Jobson wel eens onder een bedenkelijk hoofdschudden hooren zeggen:
-»Als ik zooveel achting niet had voor den jonker, ik zou hem, door
-een enkel woordje aan de regeering, een leelijke kool kunnen stoven.""
-
-De schoone Diana had juist met deze woorden hare beschrijving voltooid,
-toen wij voor de woning van den vrederechter Inglewood stonden. Het
-was een ouderwetsch, maar toch fraai en ruim gebouw.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
- »Gij kent de kunst van 't vechten,"
- Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten.
- »Hoor," sprak de pleiter, »op mijn eer,
- Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer!
- Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen
- Den stoutsten kamphaan hier te dagen."
-
- Butler.
-
-
-Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms
-liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis
-binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijne schoone
-reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen;
-terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.
-
-»Rashleigh,"--dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene
-vraag te doen--»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds
-met den rechter daarover gesproken?"
-
-»Ja!" hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de
-reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,"--met eene buiging tegen
-mij--»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij
-inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak."
-
-»Als vriend en bloedverwant," antwoordde ik, »moest het u integendeel
-spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet
-spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren."
-
-»Volkomen waar," hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders
-uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf
-in Schotland--slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware..."
-
-Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige
-voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte
-afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was,
-een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar
-beschamend te wederleggen.
-
-»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh," zeide Diana
-hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging
-onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn."
-
-»Gij, lieve nicht?" vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef
-even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund
-worden."
-
-»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer
-zien dan twee."
-
-»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!" hernam
-Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke
-teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag,
-dan de natuur hem geschapen had.
-
-Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en
-het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of
-wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van
-twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood;
-zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en
-scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren,
-welke hij--zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn
-bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest--met
-alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling
-van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed,
-ik wil het zoo hebben!"
-
-»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt
-onmogelijk," hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er
-bij voegde: »denk eens neef..."
-
-»Zijt gij razend?" viel Diana hem in de rede.
-
-»Denk eens," vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te laten
-storen, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe
-onschuld erken--waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn
-dan ik,--maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de
-gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene
-misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?"
-
-»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden,
-Rashleigh," hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat
-namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer
-uitgebreid is."
-
-»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan
-maken!" antwoordde Rashleigh.
-
-»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig,
-en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid."
-
-»Gij zijt eene dwingelandes, Diana," hernam hij met eene soort van
-zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden
-met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij
-moest echter niet hier zijn; gij weet het immers--gij moest niet! Keer
-dus met mij terug."
-
-En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij
-naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem
-in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te
-waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed
-op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare
-tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel
-strekken."
-
-»Gij moogt u verzekerd houden," was mijn antwoord, »dat ik daarvan
-evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde
-malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven."
-
-»Ik heb er over nagedacht," zeide Diana, na eene lange poos
-zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen
-der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen,
-maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!--Ik weet,"
-voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij,
-als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn."
-
-»Blijf dan, onbezonnen meisje!" riep Rashleigh; »gij weet maar al te
-wel, wien gij vertrouwt."
-
-En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken
-daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.
-
-»God dank, hij is weg!" zeide Diana; »nu dadelijk naar den
-vrederechter!"
-
-»Willen wij niet liever een bediende roepen?" vroeg ik.
-
-»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling
-overvallen. Kom!"
-
-Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een
-lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin
-zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan
-den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den
-jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed
-moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied.
-
-»De goede man moet reeds gegeten hebben," zeide Diana; »ik dacht
-waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was."
-
-Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden
-nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur,
-den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel
-begeven. »Wacht hier," vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu
-moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht
-den ouden heer al te zeer verrassen."
-
-En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen
-of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren,
-wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die
-mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen.
-
-»Gij wilt niet zingen, vriendje!" riep de vrederechter, »gij
-moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met
-echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen
-zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs
-aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet
-af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende
-verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!"
-
-»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!" hernam eene
-andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren;
-»mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan
-twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven: canet,
-dat is: dat hij zinge!"
-
-»Welaan, er uit met je lied!" viel de rechter in. »Of, bij
-St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg
-drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de
-vaste boete."
-
-Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door
-deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke
-jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het
-schavot zingt, hief hij aan:
-
-
- Verneemt, o menschen! thans mijn lied,
- Een droevig, allerdroevigst lied,
- Van den beruchten straatbandiet,
- Der reiz'gers schrik en zwaar verdriet.
- Tralali, Tralala, enz.
-
- Er gingen zes mannen zoo al te gaar
- Naar Kensington, van Brentfort maar.
- En plotseling stond de roover daar,
- Van dolken en pistolen zwaar.
- Tralali, Tralala, enz.
-
- De mannen, die zes, ze waren zat,
- Want ze hadden te Brentfort wijn gehad.
- De roover brult: Je geld hier! Wat?...
- En ze beefden als een espenblad.
- Tralali, Tralala, enz.
-
-
-Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de
-verschijning van den roover zóó ontsteld zijn geweest, als de
-zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer
-binnengetreden, en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot
-Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven
-weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even
-gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde
-mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa
-op mijn schouders had.
-
-De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang
-reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen
-hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden
-zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier,
-die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de
-ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom.
-
-Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden
-veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte
-af. »Mijnheer Inglewood," zeide ik overluid, »mijn naam is Frans
-Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling
-eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan
-een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben,
-deelgenomen hebben."
-
-»Mijnheer," antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken,
-waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een
-vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in
-vrede te eten."
-
-Inglewood's weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht,
-noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn.
-
-»Vergeef mij, mijnheer," als ik eenigszins ongelegen kom. »Maar daar
-het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt...."
-
-»Gij vergist u zeer, mijnheer," viel Inglewood mij in de rede;
-»de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank
-voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de
-spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze
-niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust
-te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje
-wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie."
-
-»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer," begon de griffier Jobson
-thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag
-had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer
-is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der
-publieke veiligheid betreft--"
-
-»De duivel hale de publieke veiligheid!" riep de vrederechter ten
-hoogste misnoegd. »Ik hoop," voegde hij er schielijk bij, »dat niemand
-mij zoo'n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou
-dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik
-mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën,
-arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën,
-enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met
-het gansche vrederechterschap naar den Satan."
-
-»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te
-verliezen," hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat
-er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter,
-wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde
-rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt."
-
-»Nu dan," zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de
-waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn
-misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen,
-zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij
-ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone,
-dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?"
-
-»Ik, Mijnheer?" hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks
-eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan--ik heb volstrekt niets
-tegen dezen heer."
-
-»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en
-daarmede uit.--Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom,
-de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!"
-
-Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop
-vrij te laten.--»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?" zeide
-hij. »Hier is uwe eigene verklaring--de inkt is nauwelijks droog--en
-gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!"
-
-»Gij hebt goed praten!" hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik,
-hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van
-zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja,
-waarachtig, de deur..."
-
-De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.--
-
-»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!" zeide
-zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!"
-
-»Ei! Freule Diana!" riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen
-verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de
-schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste
-bloempje op Schotland's grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude
-vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom,
-als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij."
-
-»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open
-huis genoemd te worden," vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel,
-om uwe gasten te ontvangen!"
-
-»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben
-het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft
-hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde
-hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu,
-dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo
-zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden."
-
-»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!" antwoordde
-Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik
-ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem
-ook op den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders
-verdwaalt hij op de wijde vlakten."
-
-»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?" hernam de vrederechter,
-en neuriede:
-
-
- En zij wees hem den weg, en zij wees hem den weg
- En zij wees hem den weg door het veld!
-
-
-»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken
-is, mijn rozenknopje!"
-
-»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf,
-menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu
-maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen,
-dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen
-eens recht vroolijk zijn."
-
-»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen
-lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van
-uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met
-de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben
-ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij
-gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd
-hebben."
-
-»Met uw verlof, mijnheer Inglewood," zeide ik thans. »Ik weet immers
-nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht
-heeft."
-
-De griffier, die bij Diana's verschijning de zaak reeds had opgegeven,
-kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het
-allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.--»Gij weet," zeide hij
-tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd,
-niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet
-zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den
-griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen."
-
-De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door
-mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij
-onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk
-op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die
-plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed,
-als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij
-van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op
-een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard
-aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was,
-naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs
-in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord
-hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke,
-bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en
-gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten
-waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij
-van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem
-van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds
-beroofd had, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar
-in Schotland had moeten afgeven.
-
-Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de
-omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het
-recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik
-erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek
-had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of
-meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst
-van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid
-op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van
-elkander afscheid hebben genomen," voegde ik er bij, »heb ik mijn
-reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij
-toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk,
-dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand
-geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook,
-dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men
-een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam
-slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de
-ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen
-van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen,
-dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een
-getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben,
-en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis
-bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep."
-
-De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene
-snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te
-bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens
-welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in
-hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen
-mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens
-mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat
-ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik
-nu klaagde.
-
-Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet
-daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier
-diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van
-mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren.
-
-Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen
-het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij
-gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet
-hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef.
-
-Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij
-dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te
-ergeren. »Lieve Hemel!" riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan
-ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen
-uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!"
-
-»Dankje!" mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer
-dan genoeg!"
-
-»Maar het is een zaak van leven en dood!" riep de griffier.
-
-»In 's Hemels naam, als het dan niet anders kan!--Evenwel hoop ik,
-dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er
-niets mede te maken heb?" vroeg de heer Inglewood min of meer beangst.
-
-En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de
-nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem
-ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen.
-
-»Ga dan, ga dan!" riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut
-langer hier blijven."
-
-»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht
-zijn," zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur
-begaf;--»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en
-de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer
-Rashleigh aanmerkte,"--vervolgde hij veel zachter, maar het overige,
-wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren.
-
-»Neen, zeg ik u, vriendje!" antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en
-moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een
-rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!--Welaan!" vervolgde hij,
-zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees
-niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje,
-voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te
-verfrisschen."
-
-Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin
-zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.--»Neen, mijnheer
-Inglewood," antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen
-liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil
-ik u gaarne bescheid doen," voegde zij er bij, terwijl zij een glas
-met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare
-schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was.
-
-Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade
-te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der
-hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was
-niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van
-den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig
-houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid,
-als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij
-vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot
-zoo iets gestemd waren.--
-
-»Maar voor den drommel, vriend Morris!" riep hij, »laat het hoofd
-niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste
-niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij
-niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij,
-mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet,
-die een eerlijk man zijn: »sta!" heeft toegeroepen. Ik herinner
-mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette
-hij--een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en
-gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijen tegenwoordig--wij
-waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens,
-mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat
-ik ook zeggen wilde--menige flesch heb ik met dien goeden jongen
-geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een
-gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen;
-overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in
-dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in,
-Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel
-zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte
-geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk
-spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen--de
-wet is gestreng--zeer gestreng--de ongelukkige Winterfield kwam aan
-de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van
-vrienden, van alle familiebetrekkingen--hij moest hangen, omdat hij
-een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja,
-gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en
-zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder,
-en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken."
-
-Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder
-op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar
-menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne
-verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters,
-die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had,
-en waarvan ik wilde vrijgesproken worden.
-
-Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een
-vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel
-komplimenten, de kamer binnen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
- Daar komt er een terug, zoo'n roover. Hier blijf 'k staan.
- Blijf ik zoo dicht bij 't huis, dan zal hij wel weer gaan,
- En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.
-
- De Weduwe.
-
-
-»Wat voor vreemdeling!" had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch
-niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders--"
-
-In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den
-Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had
-gesproken.--»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van
-belang, mijnheer de rechter," zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend
-verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer
-Morris," voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den
-man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten
-wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten."
-
-Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige
-ontroering.
-
-»Kom! wees toch een man, vriend!" vervolgde Campbell, »beef niet
-als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien,
-mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij
-gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer
-kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap
-zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn,
-u goede diensten te bewijzen."
-
-»Mijn--heer--Mijn--heer--," stamelde Morris, »ik geloof, dat gij
-een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja,
-mijnheer Inglewood," voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof
-waarlijk, dat die heer het is."
-
-»Maar wat wil die heer dan toch van mij?" vroeg de vrederechter
-eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg
-een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord
-laat komen."
-
-»Gij zult beiden verkrijgen," hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik
-kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u
-lastig te vallen."
-
-»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een
-Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij
-zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt."
-
-»Denkelijk heeft deze man," vervolgde Campbell, »u reeds verhaald,
-dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had,
-zijn valies kwijt te raken?"
-
-»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd," antwoordde
-de vrederechter.
-
-»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!" hernam Campbell; »dit was eene kiesche
-onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar
-ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven
-man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht
-te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze
-zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen,
-dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op
-uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde,
-maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik,
-door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te
-gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben."
-
-»Helaas, helaas! alles waarheid!" antwoordde Morris op die lange vraag,
-met neergebogen hoofd en op klagenden toon.
-
-»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken,
-dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te
-geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?"
-
-»Dat niemand daartoe beter in staat is--o ja, dat is ook al
-waar!" zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht.
-
-»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?" vroeg
-de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee
-roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij
-zijt beide sterke en flinke kerels."
-
-»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer," hernam Campbell, »als ik u zeg,
-dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en
-vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik
-hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben
-kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som
-gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen,
-en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor
-aan levensgevaar bloot te stellen."
-
-Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen,
-nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was
-tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken,
-en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner
-woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn
-mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven
-de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde
-aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij
-bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was
-dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.
-
-Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik
-een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit:
-»dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig."
-
-De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij
-veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken
-iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid
-verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen
-ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens,
-het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of
-plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en
-kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet,
-toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En
-nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt
-zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben,
-dit papier in te zien."
-
-De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt
-verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van--(den naam kan ik
-niet lezen) een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag
-is; dat hij voor zijne eigen zaken reist--enz. Gegeven in ons kasteel
-te Inver--Invera--rara. Argyle."
-
-»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,"--zeide
-Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij
-den hoed afnemen--»van Mac-Callum More zelven."
-
-»Mac-Callum--wie is dat?" vroeg de vrederechter.
-
-»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle."
-
-»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en
-een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714,
-toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik
-wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds
-een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de
-nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust
-en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden,
-dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen
-heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige
-lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende,
-mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die
-rooverhistorie weet!"
-
-»Met twee woorden, mijnheer," hernam Campbell, »zal ik u alles
-verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij
-zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd
-heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer
-heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig
-zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer
-Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn
-masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet," voegde hij er bij,
-terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde,
-»dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere
-gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er
-eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm,
-maar mijn reisgenoot volstrekt niet."
-
-»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen
-toe!" antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell
-met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb
-vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te
-herroepen,"--vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u,
-hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij
-insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij
-met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb
-groote haast."
-
-»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!" zei de vrederechter en wierp het
-papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij,
-mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest."
-
-»Ja," zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met
-een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide;
-»ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd,
-Morris, wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt,
-hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;--veilig,
-meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander
-afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden
-wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn."
-
-Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld
-misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen
-geheel besluiteloos.
-
-»Wees toch niet bang, zeg ik u!" herhaalde Campbell. »Ik zal woord
-houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of
-ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar
-goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den
-heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid
-bezit."
-
-Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok
-onder Campbell's geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw
-door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want
-ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming
-herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel,
-vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot,
-dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een
-eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind."--Meer
-hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan,
-dat beiden vertrokken waren.
-
-Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem
-met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige
-ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze,
-waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou.
-
-»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat
-last krijgen wegens de papieren!" zeide hij. »Eigenlijk had ik ze
-niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper
-beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen;
-heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar
-nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben,
-wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen
-en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster
-over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven
-halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben
-wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar
-flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven."
-
-»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod," antwoordde Diana; »maar
-zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel
-terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden
-is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij
-houdt van hem als van een zijner eigen zonen."
-
-»Ik wil het wel gelooven," zei Inglewood, »want toen zijn oudste
-jongen, Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak
-met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf
-als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij
-zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt
-had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar
-luister eens, heidebloempje," vervolgde hij en trok het meisje bij de
-hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden
-raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors
-uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van
-rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral,
-laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids,
-mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende,
-zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje."
-
-Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede
-Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij
-uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens
-jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den
-draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet
-iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met
-crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te
-steken. En deze goede Diana Vernon--zij is, om zoo te zeggen, op
-Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden,
-loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak
-deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf
-weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel
-moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in
-'sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins
-over. Ge kent immers 't versje wel:
-
-
- »In korten tijd verteert tabak,
- Zoo ook de mensch wordt oud en zwak
- Als 't vuur--der jeugd verdooft.
- En zoo ge 't niet gelooft,
- Dan zie die witte, droge asch
- Der grijsheid--op zijn hoofd."
-
-
-Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de
-vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet
-doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen,
-en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning.
-
-Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook
-iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom,
-die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn
-zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te
-vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd
-voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag,
-om het zwijgen dadelijk te willen afbreken. Eindelijk zeide Diana,
-hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet
-Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;--beminnen kan men
-hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen
-tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een
-acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden,
-dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is."
-
-»Gij gelooft dus," zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij
-zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo
-juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de
-valk de patrijs meevaart--dat die Campbell ook al een werktuig was
-van onzen neef Rashleigh?"
-
-»Ja, dat geloof ik inderdaad," hernam Diana. »Ik vermoed zelfs,
-misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik
-volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het
-huis van den vrederechter ontmoet had."
-
-»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone
-redster?"
-
-»Juist," antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die
-dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val
-mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen,
-dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen;
-gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt
-niet, dat gij er verder over spreekt.--Maar wie komt ons daar te gemoet
-rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!"
-
-Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij
-spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en
-hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden.
-
-»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!--ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie
-al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld
-gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten,
-wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als
-mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen
-neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank
-voor de klucht en neem mijn ontslag."
-
-»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet
-vasthechten, zou dat niet even goed zijn?" zeide Diana. »Maar hoe
-hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament
-te maken en te onderteekenen?"
-
-Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana
-zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne
-karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat
-ik hem te nietig achtte.
-
-»Wat? Rutledge?"--riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken
-vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloekte
-streken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien
-hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu."
-
-»Was het een logen, mijnheer Jobson!" vroeg Diana met gemaakte
-onnoozelheid. »Het is onmogelijk!"
-
-»En ik zeg het u, en herhaal het!" hernam de vertoornde griffier,
-»en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een' beunhaas
-noemde, ja, een' beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld
-te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar
-ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets
-behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn
-beroep--te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne
-bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste
-regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning
-Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie--onzen onsterfelijken
-redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen
-en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!"
-
-»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!" hernam
-Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te
-prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt,
-mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid
-niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien...."
-
-»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel
-moet mij zelfs durven dreigen--dat verzeker ik u, freule!"
-
-»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient," viel
-ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is
-zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel
-eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten
-met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven."
-
-»Hoe, mij--mij--mijnheer--mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?"
-
-»O ja, mijnheer!" hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den
-vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in
-geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene
-fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen."
-
-Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!" zeide zij; »de heer
-Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild
-niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit
-zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd
-van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem
-een onbeschoft mensch te noemen."
-
-»Zijne woorden raken mij niet," zeide Jobson eenigszins
-bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend
-scheldwoord--maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste
-soort: daarvoor zal de boer boeten;--boeten zal hij, even als iedereen,
-die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten
-einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven."
-
-»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!" zeide Diana. »Gij weet
-toch best, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is,
-zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen
-goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt,
-en wensch u van harte geluk met het verlies."
-
-»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik
-heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de
-Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter
-behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob
-I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken,
-gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in
-eigendom hebben:--de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed
-van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft--ik zeg het
-slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd
-zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde
-weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en
-wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens
-den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo
-spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan
-gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op
-die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te
-beproeven, tot aan de knieën door het water waden." [6].
-
-»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne
-Katholieke dwalingen!" zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw
-onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar
-huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson,
-gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!"
-
-»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!"
-
-Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.
-
-»Daar gaat hij heen, die stokebrand!" zei Diana, terwijl zij hem
-nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en
-hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen
-deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat
-voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde--want wat
-men ook zeggen moog', in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke
-geloof den voorrang."
-
-»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling
-te geven, die hij voelen zou!" antwoordde ik.
-
-»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!" hernam
-Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger
-geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben
-laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie
-dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de
-moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren."
-
-»En welke drie dingen zijn dat, freule?" vroeg ik zeer nieuwsgierig.
-
-»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?"
-
-»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?" antwoordde ik, haar wat dichter
-naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking
-volstrekt niet trachtte te verbergen.
-
-»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets,
-medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik
-een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten
-als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel
-lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u
-behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen
-volgden en toejuichten."
-
-»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet
-schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat
-het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft..."
-
-»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne
-voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere
-helft behoort."
-
-Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!" viel zij mij in de rede;
-»dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene
-aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon,
-dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om
-die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of
-gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht,
-zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot
-eene onderdrukte sekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan
-ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave,
-godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het
-mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in
-een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner
-voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene
-ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg:
-»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!""
-
-»Dit kwaad is te genezen!" zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden,
-raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer
-zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed
-werdt, en..."
-
-»Stil!" zeide Diana, den vinger op den mond leggende;
-»geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen
-verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste
-oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot
-den zegepralenden vijand overloopen."
-
-»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden
-bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten
-ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht."
-
-»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u,
-bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas
-moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een
-vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik
-mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak
-van mijn kommer mede te deelen."
-
-»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u,
-al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te
-wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is,
-hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al
-de Katholieken in Engeland, wier aantal hier--God zij met ons!--steeds
-nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk
-en staat, eigenlijk wenschen."
-
-»Welnu, luister!" hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien
-had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van
-nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een
-gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd
-en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten
-en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel
-woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij,
-maar voor anderen."
-
-»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat
-ik tevens nauwelijks zou geraden hebben."
-
-»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist--indien iemand wist, hoe
-moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd
-te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het
-niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel. Maar
-als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn,
-zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen,
-omtrent Rashleigh's deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en
-omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid
-opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over
-mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk
-wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik
-zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al
-verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt
-niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden."
-
-Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd
-daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde
-te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen,
-ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke
-vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich,
-voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij
-verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had,
-om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou
-willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne
-diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.
-
-»Ik dank u, ik dank u!" antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den
-logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe
-hij zich verplicht. Als ooit--ja hoe zou dat mogelijk zijn!--doch als
-ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of
-gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet
-boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij
-genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid
-kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik
-u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana's broeder waart."
-
-»En als ik uw broeder ware," zeide ik, »ik zou niet sterker dan
-nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen,
-of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?"
-
-»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op
-verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij
-laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist
-bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet
-liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd
-geplaatst."
-
-»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is
-geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook
-niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was,
-om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling
-niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen..."
-
-»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!" viel Diana mij in
-de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te
-veronderstellen. Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en
-nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks
-ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak,
-dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist
-bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken,
-om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn
-vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne
-omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen."
-
-»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!" zeide ik
-glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw
-vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn."
-
-Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde
-bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit
-stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze
-geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren.
-
-»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de
-boekenkamer," zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel
-over u ontfermen," voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken
-toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van
-den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met
-mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De
-boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel,
-waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar
-komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten,
-met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel
-verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne
-hoofden niet in aanraking."
-
-En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij
-het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
- Ik vond in 't groote huis een somber, kil vertrek,
- Waar niemand kwam--voor haar een heilig-stille plek.
- Want langs de breede wanden, stond plank bij plank, bevracht
- Met dat wat geesteshonger en zielepijn verzacht.
-
- Anonymus.
-
-
-Het was een groot, somber vertrek, de bibliotheek in kasteel
-Osbaldistone. Langs de wanden bogen oude eiken planken onder den
-last van zware boeken. Het waren meest dikke, aan de zeventiende
-eeuw zoo dierbare folianten. Daaruit hebben wij het grootste deel der
-wijsheid voor onze kwartijnen en octavo's getrokken, en wanneer onze
-zonen in nog hoogere mate tot het pygmeëngeslacht mochten behooren
-dan wij, dan zal die wijsheid, opnieuw gedistilleerd, zich ook nog
-verder tot duodecimo's en octodecimo's laten inkorten. De verzameling
-bestond grootendeels uit Grieksche en Romeinsche schrijvers, algemeene
-geschiedenis, en verder uit werken over de godgeleerdheid. Alles bevond
-zich echter in zeer groote wanorde. De priesters, die achtereenvolgens
-als kapelaans hadden dienst gedaan, waren verscheidene jaren lang
-de eenige menschen geweest, die dit eenzame verblijf betraden,
-tot eindelijk Rashleigh, door zijne zucht naar kennis gedreven,
-de eerbiedwaardige spinnewebben verwoestte, welke de boekenkasten
-bedekten. Dat deze jongman zich aan den geestelijken stand wilde
-wijden, was in zijns vaders oogen niet zoo erg dwaas, als wanneer
-een der andere afstammelingen zulk eene zonderlinge neiging had doen
-blijken. De oude sir Hildebrand gaf dan ook gaarne zijne toestemming,
-om de ouderwetsche kamer eenigszins meer bewoonbaar te maken. Evenwel
-zag ze er nog steeds zeer vervallen uit en verried in alle opzichten
-eene onvergeeflijke verwaarloozing, waartegen de diepe geleerdheid,
-welke hare wanden bekleedde, haar niet had kunnen beschermen. De
-behangsels gescheurd, wormstekige boekenplanken; de tafels en
-stoelen waren ontzaglijk groot, maar lomp bewerkt en waggelende,
-de vuurhaard door roest bijna geheel verteerd, terwijl zelden of
-nooit een steenkolen- of takkenbossenvuurtje er op flikkerde; al
-die dingen waren zoo vele overtuigende bewijzen van de minachting,
-met welke de eigenaars en bewoners van het kasteel Osbaldistone de
-schatten van geleerdheid beschouwden.
-
-»Waarschijnlijk zal u deze kamer niet erg bevallen?" zeide Diana,
-toen ik in het eenzame vertrek min of meer verwonderd rondzag. »Maar
-ik voor mij gevoel mij hier als in een klein paradijs; want ik noem
-het mijn eigendom en behoef niet te vreezen in deze stille afzondering
-gestoord te worden. Rashleigh deelde vroeger met mij dat bezit. Zoolang
-wij nog vrienden waren."
-
-»Zijt gij thans geene vrienden meer?" was natuurlijk mijne vraag.
-
-Met een schelmsch verbiedenden blik legde zij haren wijsvinger
-aan het kuiltje in hare kin.--»Wij zijn nog steeds bondgenooten,"
-zeide zij na eenig zwijgen, »even als andere verbonden mogendheden,
-door wederzijdsche belangen vereenigd. Maar ik vrees, dat het ook
-hier gaan zal als in andere dergelijke gevallen; het verbond heeft de
-vriendschappelijke gezindheden overleefd, waaraan het zijn oorsprong
-te danken had. Zoo veel is zeker, dat wij thans veel minder omgang
-met elkander hebben, en komt hij soms door die deur binnen, dan ga ik
-door deze er uit. Kortom, wij hebben bemerkt, dat wij in deze kamer,
-hoe ruim ze ook zijn moge, niet tegelijk plaats kunnen vinden, en
-Rashleigh, wien zijne zaken dikwerf elders roepen, heeft mij eindelijk
-grootmoedig zijne rechten afgestaan, zoo dat ik nu geheel alleen het
-werk voortzet, waarbij hij te voren mijn leidsman was."
-
-»En welk werk is dat, indien ik het vragen mag?"
-
-»Wees maar niet bang dat ik mijne kin zal aanraken. Zeer zeker
-moogt gij dat vragen. Wetenschappen en geschiedenis zijn mijne meest
-geliefkoosde studiën, ofschoon ook de dichtkunst en de oude schrijvers
-geenszins door mij veronachtzaamd worden."
-
-»De oude schrijvers? En gij leest die in het oorspronkelijke?"
-
-»O ja. Rashleigh, die vele kennis bezit, onderwees mij in het Grieksch
-en Latijn, en in de meeste talen van het beschaafde Europa. Gij moogt
-vrij gelooven, dat men zich ten opzichte van mijne opvoeding nog al
-eenige moeite heeft gegeven. Maar daarentegen versta ik niets van
-kantwerken, noch van borduren, noch zelfs van een pudding te maken. Ik
-kan, zoo als de dikke vrouw van onzen predikant onlangs zeer juist
-en beleefd opmerkte, niets nuttigs verrichten."
-
-»En wie heeft dan deze studiën voor u gekozen--Rashleigh, of gij
-zelve?"
-
-»Och! hm!" zeide zij, alsof zij weifelde mijne vraag te beantwoorden;
-»maar eigenlijk is het de moeite niet waard, mijn vinger op te
-heffen--gedeeltelijk hij, gedeeltelijk ik. Buiten 's huis leerde ik
-rijden, des noods een paard optoomen en zadelen, een geweer, zonder
-te knipoogen, afschieten, en alle dergelijke manhaftige oefeningen,
-die mijne ongepolijste heeren neven als het eenige doel van hunne
-bestemming beschouwen. Maar nu moest ik ook in huis, even als mijn
-eenige verstandige neef, Grieksch en Latijn leeren verstaan. Van den
-boom der kennis wilde ik plukken, welken gij, mannelijke geleerden,
-zeer gaarne voor u alleen zoudt willen behouden, ik denk uit wraak
-tegen onze gemeenschappelijke moeder, wegens haar aandeel aan de
-erfzonde."
-
-»Moedigde Rashleigh gaarne uwe neiging tot geleerdheid aan?"
-
-»Nu, hij wenschte mij tot zijne leerling te hebben, en kon mij
-trouwens, slechts die kundigheden mededeelen, welke hij zelf bezat. Het
-geheim om kanten lubben te wasschen of een zakdoek te zoomen, kon ik
-natuurlijk van hem niet leeren."
-
-»Nu, dan vermoed ik wel, dat de wensch, om zulk eene leerling te
-hebben, bij den leermeester zich vrij sterk gelden liet!"
-
-»Hoor eens, zoo gij naar Rashleigh's beweegredenen wilt beginnen
-te vorschen, dan zal ik mijne vinger weder aan de kin moeten
-leggen. Ik kan slechts dan openhartig zijn, wanneer er naar mijne
-eigen beweeggronden gevraagd wordt. Rashleigh heeft mij de boekenkamer
-afgestaan, en komt er nooit in, zonder mij vooraf verlof te vragen. Ik
-heb derhalve de vrijheid genomen, om die kamer tot eene bewaarplaats
-voor mijne eigen goederen te maken, zoo als gij zien kunt, als gij
-uwe blikken slechts eens in het rond wilt slaan."
-
-»Vergeef het mij, freule; ik vind inderdaad binnen deze vier muren
-volstrekt niets, wat ik, op het eerste gezicht, voor uw eigendom
-zou houden."
-
-»Waarschijnlijk, omdat gij geen herder of geen herderin op een
-borduurraam ziet, of een opgezetten papegaai, of een kooi met
-kanarievogels, of een werktafeltje, of een toiletdoos, of een gitaar,
-of een schoothondje met nog blinde jongen. Ja, van al die schatten
-bezit ik volstrekt niets," vervolgde zij na eenig zwijgen, toen zij,
-na deze lange optelling, weder adem had gehaald. »Maar daar staat
-het zwaard van mijn voorvader Richard Vernon, die bij Shrewsbury
-sneuvelde, doch naderhand erg belasterd werd door een moedwilligen
-knaap, met name William Shakespeare, die, bij zijne partijdigheid voor
-het heerschende huis van Lancaster en bij een zekere hebbelijkheid om
-alles levendig voor te stellen, in de geschiedenis alles het onderste
-boven, of liever het binnenste buiten gekeerd heeft. Naast het geduchte
-zwaard hangt het pantser van een nog ouderen Vernon: hij was page van
-den Zwarten Prins. Zijn lot was juist het tegenovergestelde van dat
-van zijn nakomeling, want hij mocht den zanger, die de moeite nam,
-hem in een gedicht te vereeren, meer voor den goeden wil, dan voor
-wezenlijke talenten, danken--
-
-
- »Aanschouw daar in den drom dien ridder, woest en wild,
- Die Vernon heet en 'n doedelzak voert in zijn schild.
- Hij schettert over 't stuivend slagveld heen.
- Hij schreeuwt met fluit en keel, terwijl zijn makkers rennen."
-
-
-»Zie hier eens het model van een nieuwen springriem, dien ik zelve
-heb uitgevonden. Daar hebt ge de kap en de schellen van mijn valk
-Cheviot, die zich zelf aan den snavel van een reiger spietste. Arme
-Cheviot! bij u vergeleken zijn alle overige valken slechts gieren
-en gemeene roofvogels. Ginds staat mijn jachtgeweer met een nieuw
-uitgevonden slot, en daar verder vindt gij nog meer dergelijke fraaie
-dingen. Maar waarom zou ik een en ander aanprijzen? Alles prijst hier
-zichzelf aan; vooral dit hier!"
-
-Bij die woorden wees zij op eene ouderwetsch gebeeldhouwde eikenhouten
-lijst, die een levensgroot portret omsloot, door van Dijck geschilderd,
-waarop met groote Gothische letters te lezen stond »Ver Non Semper
-Viret." [7] Ik keek haar aan. Zij las op mijn gelaat dat ik er niets
-van begreep.
-
-»Hoe," vroeg zij een weinig verrast, »is u de dubbelzinnige spreuk
-van ons geslacht niet bekend, en ons wapen, waarin de doedelzak
-prijkt?" vervolgde zij, terwijl zij het in de lijst gebeeldhouwde
-wapen wees, rondom hetwelk die woorden stonden.
-
-»Een doedelzak!" zeide ik; »daarvoor zou ik de figuur waarlijk
-niet aangezien hebben! Maar wordt niet boos over mijne onkunde,"
-vervolgde ik, toen ik zag, dat hare wangen min of meer begonnen te
-gloeien. »Het kan toch waarlijk mijn oogmerk niet zijn, uw wapen te
-bespotten; want ik ken niet eens mijn eigen wapen."
-
-»Wat? Gij zijt een Osbaldistone, en durft iets dergelijks
-bekennen!" riep zij uit. »Percival, Thorncliff, John, Richard, zelfs
-Wilfred zou hier uw leermeester kunnen zijn! Ja, de domste domheid
-zou u in dit opzicht beschaamd maken."
-
-»Met leedwezen beken ik, dat de geheimen, welke de grillige
-hieroglyphen der wapenkunde bedekken, voor mij even onverstaanbaar
-en onoplosbaar zijn, als het beeldschrift op de Egyptische pyramiden."
-
-»Hoe is het mogelijk!" riep Diana uit. »Zelfs mijn oom leest in de
-winteravonden een enkelen keer in Gwillyns Wapenboek. De heraldieke
-figuren niet te kennen! Waaraan heeft uw vader dan toch gedacht?"
-
-»Aan cijfers," antwoordde ik. »De minstbeduidende handelsrekening vindt
-hij belangrijker dan den ganschen wapentooi der ridderschap. Maar hoe
-diep onkundig ik ook in die edele kunst ben, bezit ik kennis en smaak
-genoeg, om deze heerlijke schilderij te bewonderen. Ik vind daarin uwe
-trekken weder. Welk eene vrije, edele houding! welk een rijke gloed
-van kleuren, welke onovertreffelijke vermenging van licht en schaduw!"
-
-»Is het wezenlijk eene fraaie schilderij?" vroeg Diana.
-
-»Ik heb," antwoordde ik, »van den beroemden meester zeer vele
-portretten gezien, maar niet één, dat mij zóó beviel."
-
-»Nu, ik versta even weinig van de schilderkunst, als gij van de
-heraldiek. Ik geloof echter hooger te staan dan gij, nu ik deze
-schilderij, zonder de eigenlijke waarde er van te kennen, toch heb
-kunnen bewonderen en lief krijgen."
-
-»Ja, ik erken dat ik mij nooit om doedelzakken en dergelijke
-wonderlijke afbeeldingen op ridderlijke wapens bekommerde, al weet
-ik, dat ze eens op het veld van eer en roem schitterden. Maar hun
-afbeelding, dit zult gij mij toch wel willen toestemmen, is voor
-den onkundige op verre na zoo aantrekkelijk niet, als eene fraaie
-schilderij. Wien stelt dit portret voor?"
-
-»Mijn grootvader," antwoordde Diana. »Hij werd in het ongelukkige
-lot van Karel I gewikkeld. Hij nam ook, helaas! deel aan Karels
-buitensporigheden. Het vermogen van onze familie onderging door zijne
-verkwisting eene aanmerkelijke vermindering en geraakte, onder het
-beheer van zijn zoon, mijn ongelukkigen vader, geheel verloren. Doch
-vrede zij met hen, die het verkregen hebben--het werd voor een edele
-zaak opgeofferd!"
-
-»Uw vader leed vermoedelijk door de burgeroorlogen van dien tijd?"
-
-»Juist, en hij verloor alles. Daarom is zijn kind eene afhankelijke
-wees. Zij moet bij vrienden haar brood zoeken, zich naar hunne
-luimen voegen en hunne neigingen in acht nemen. Evenwel ben ik er
-veel trotscher op, zulk een vader gehad te hebben, dan wanneer hij
-door een voorzichtiger, maar minder eerlijk gedrag, mij in het bezit
-van al de schoone heerlijkheden gelaten had, die eens het eigendom
-van zijn geslacht waren."
-
-Terwijl zij deze woorden zeide, kwamen de dienstboden met het eten,
-en ons gesprek ging tot onbeduidende onderwerpen over. Nadat wij vrij
-spoedig den maaltijd geëindigd hadden, berichtte ons de knecht, die
-den wijn op tafel zette, dat de heer Rashleigh wenschte te vernemen,
-wanneer wij hem konden ontvangen.
-
-»Zeg hem," antwoordde Diana den bediende, »dat het ons aangenaam zal
-zijn, hem terstond hier te zien. Geef nog een glas, zet een stoel en ga
-dan heen.--Gij moet met hem gaan, als hij weder vertrekt," vervolgde
-zij tegen mij. »In weerwil van al mijne mildheid, kan ik van de vier
-en twintig uren van elken dag niet meer dan acht aan één man vergunnen,
-en naar ik geloof, zijn wij reeds zoo lang bij elkander geweest."
-
-»O freule," zeide ik, »de tijd, die oude man met zijn zeis, is zoo
-snel voortgegaan, dat ik zijne schreden niet heb kunnen tellen."
-
-»Stil! Rashleigh komt!" zeide Diana, en schoof haar stoel van mij af,
-want ik had den mijnen langzamerhand nader bij haar geschoven.
-
-Een bescheiden kloppen aan de deur, een zacht openen op Diana's:
-binnen! en eene gemaakte zachtheid en nederigheid in gang en houding
-verrieden mij, dat de opvoeding, welke Rashleigh in het kollegie te
-St. Omer ontvangen had, volkomen overeenstemde met de manieren van
-een echten Jezuïet, zoo als ik mij die voorstelde. Ik behoef er niet
-bij te voegen, dat ik, als protestant, dit slag van lieden juist niet
-in de aangenaamste kleuren voor mij zag.
-
-»Waartoe aankloppen?" vroeg Diana. »Gij wist immers, dat ik niet
-alleen was."
-
-Dit zeide zij op eenigszins wreveligen toon, alsof zij gevoeld had,
-dat Rashleigh's voorzichtigheid en bescheidenheid een beleedigenden
-argwaan verried.--
-
-»Lieve nicht," antwoordde Rashleigh, zonder zijne stem of houding
-eenigszins te veranderen, »gij hebt mij zoo volkomen onderricht,
-hoe ik aan deze deur moet kloppen, dat de gewoonte bij mij tot een
-tweede natuur is geworden."
-
-»Oprechtheid acht ik hooger dan hoffelijkheid, dit weet gij!" was
-Diana's antwoord.
-
-»Hoffelijkheid is kiesch en aangenaam: zij ontleent haren naam van
-den hoveling en past daarom 't best voor een vrouwenvertrek."
-
-»Maar oprechtheid is eene ridderdeugd, en daarom mij veel aangenamer,"
-hernam Diana. »Maar laat ons een woordentwist afbreken, die voor
-uw neef hier volstrekt niets behagelijks kan hebben. Neem plaats,
-Rashleigh, en drink eens. Aan tafel heb ik de eer des huizes
-opgehouden; doe gij het nu."
-
-Toen Rashleigh ging zitten en zijn glas vulde, wendde hij zijne oogen
-van Diana af op mij. Hij kon, welke pogingen hij daartoe ook aanwendde,
-zijne verlegenheid niet geheel verbergen. Het scheen mij toe alsof
-hij onzeker, ongerust was, in hoe verre Diana mij haar vertrouwen
-had geschonken. Ik haastte mij dan ook, aan het gesprek zulk eene
-wending te geven, dat hij zijn argwaan, dat Diana mij soms iets van de
-geheimen mocht ontdekt hebben, welke tusschen haar en hem bestonden,
-spoedig zou laten varen.
-
-»Freule Vernon," begon ik, »heeft mij bevolen u, neef, mijn dank
-te betuigen, voor mijne spoedige bevrijding van die bespottelijke
-beschuldiging. Ten onrechte vreesde zij, dat mijne dankbaarheid
-niet warm genoeg zou zijn. Zij maakte ook mijne nieuwsgierigheid
-gaande, toen zij mij naar u verwees voor ophelderingen aangaande de
-gebeurtenissen van dezen dag."
-
-»Inderdaad?" antwoordde Rashleigh, en vervolgde, terwijl hij een
-zijdelingschen blik op Diana wierp; »ik had gedacht, dat freule Diana
-hier zelve de noodige verklaringen wel zou hebben gegeven."
-
-Nu vestigde hij zijne oogen wederom op mij, alsof hij op mijne
-gelaatstrekken had willen lezen of Diana's mededeelingen zoo beperkt
-waren geweest, als mijne woorden te kennen gaven. Uit Diana's
-oogen sprak onverholen verachting, toen zij zijn uitvorschenden
-blik ontmoette. Ik wist niet, of ik wel goed deed, zijn argwaan te
-wederleggen of te berispen. Ik zeide: »Als freule Diana goedvindt mij
-onkundig te laten, dan moet ik mij dit laten welgevallen. Maar gij,
-waarde neef, zult mij toch uwe inlichtingen niet willen onthouden, in
-de onjuiste veronderstelling, dat ik reeds iets van de zaak weet. Ik
-verzeker u op mijn woord van eer, dat ik evenmin als dit beeld,
-iets van het voorgevallene van dezen dag begrijp, behalve datgene,
-wat freule Vernon mij van uwe vriendelijke bemoeiingen gezegd heeft."
-
-»Die bemoeiingen heeft mijne lieve nicht zeer zeker veel te hoog
-gewaardeerd," hernam Rashleigh; »maar van mijn ijver om u behulpzaam
-te zijn, kunt gij trouwens geen te hoog denkbeeld koesteren. Ik zal u
-de eenvoudige waarheid zeggen. Ik reed spoorslags terug, om iemand van
-mijne bloedverwanten te ontmoeten, die met mij den borgtocht voor u kon
-op zich nemen. Dit was het natuurlijkste, of liever het eenige middel
-om u te helpen, dat mij op dat oogenblik voor den geest kwam. Toen
-ontmoette ik Cawmil--Colville--Campbell, of hoe hij anders heeten
-moge. Hij was, zoo als ik van Morris gehoord had, bij de aanranding
-tegenwoordig geweest. Ik bewoog hem, hoewel niet zonder veel moeite,
-zijn getuigenis tot uwe bevrijding af te leggen en daardoor zijt gij
-vermoedelijk uit uw onaangenamen toestand gered geworden."
-
-»Zoo? Dan ben ik u wel zeer verplicht, dat gij mij dien getuige zoo
-juist ter rechter tijd bezorgd hebt. Maar daar hij, zoo als hij zeide,
-een ongeluksmakker van Morris is geweest, begrijp ik waarlijk niet,
-waarom het u zoo veel moeite gekost heeft, om hem tot het afleggen
-van zijn getuigenis te bewegen. Het was toch zijn plicht zoowel om
-den waren dader aan den dag te brengen, als om een onschuldige van
-verdenking te bevrijden."
-
-»Gij kent den volksgeest niet van het land, waar die man geboren is,"
-hernam Rashleigh. »Geheimhouding, schranderheid en voorzichtigheid zijn
-daar de hoofdeigenschappen. Zij staan slechts onder den invloed van
-eene bekrompen denkende, maar vurige vaderlandsliefde. Dit gevoel is
-een soort van bolwerk, waarmede een Schot zich tegen alle aanvallen
-van een edel, menschlievend beginsel weet te beveiligen. Hebt gij
-dat bolwerk beklommen, dan vindt gij van binnen nog een andere, hem
-veel dierbaarder sterkte: de liefde voor zijn stadje, zijn dorp, of
-zijn geslacht. Bestorm dezen wal, en gij komt aan een derden: zijne
-genegenheid voor zijne bloedverwanten, vader, moeder, zonen, dochters,
-ooms, moeien, neven en nichten, tot in den negenden graad. Binnen deze
-grenzen beperken zich de maatschappelijke neigingen van een Schot. Zij
-gaan nooit tot andere voorwerpen over, totdat alle middelen, om in de
-binnenste kringen bevrediging te vinden, geheel uitgeput zijn. In deze
-kringen klopt zijn hart, en al zwakker en zwakker wordt elke polsslag,
-tot hij eindelijk op de uiterste grenzen bijna onmerkbaar wordt. Maar
-het ergste is, dat gij, na al deze geconcentreerde buitenwerken
-beklommen te hebben, aan eene veel hoogere en sterkere vesting in
-het binnenste komt, en dat is de eigenliefde van den Schot."
-
-»Gij hebt u zeer welsprekend en beeldrijk uitgedrukt!" zeide Diana,
-die hem blijkbaar met ongeduld had aangehoord; »maar tegen uwe
-redeneering zijn, meen ik, twee tegenwerpingen te maken. Vooreerst
-is ze niet waar, en ten tweede dient ze, zoo ze al waar mocht zijn,
-hier volstrekt niets ter zake."
-
-»Ik zeg u, schoone Diana," hernam Rashleigh, »dat mijne verklaring waar
-en bovendien hier geheel van toepassing is. Zij is waar: want gij zult
-mij toch wel willen toestemmen, dat ik land en volk nauwkeurig ken,
-en dat mijne schildering de vrucht van eene scherpe en aandachtige
-opmerkzaamheid is. Zij dient ter zake: want zij beantwoordt de vraag
-van mijn neef, en toont aan, waarom deze voorzichtige Schot aarzelde,
-daar onze bloedverwant noch zijn landsman, noch zijn stamgenoot is,
-noch tot een van de tallooze zijtakken behoort, waaruit de stamboomen
-aldaar bestaan. En omdat hij er bovendien geen persoonlijk voordeel
-van te wachten heeft, maar integendeel veel tijdverlies in zijne
-beroepsbezigheden moet vreezen--"
-
-»En andere onaangenaamheden, die misschien nog meer te duchten
-zijn!" viel Diana hem in de rede.
-
-»Welzeker, er kunnen allerlei lastige zaken uit ontstaan," hernam
-Rashleigh op denzelfden bedaarden toon. »Kortom, mijne ophelderingen
-toonen aan, waarom deze man, daar hij volstrekt geen voordeel te
-verwachten, maar wel degelijk eenige onaangenaamheden te duchten had,
-zich alleen na veel moeite van mijne zijde overhalen liet, om zijn
-getuigenis ten gunste van onzen neef af te leggen."
-
-»Ik heb de verklaring van den goeden Morris vluchtig ingezien," begon
-ik weder. »Het heeft mij zeer verwonderd, dat met geene enkele letter
-gewag er van gemaakt is, dat Campbell bij hem is geweest, toen hij
-door de roovers aangevallen werd."
-
-»Campbell had, zoo als ik van hem gehoord heb, zich door Morris
-plechtig doen beloven, van deze omstandigheid niet te zullen reppen,"
-antwoordde Rashleigh. »Waarom hij hem deze belofte afgedwongen heeft,
-kunt gij uit mijne gegeven wenken licht gissen. Hij wenschte op zijne
-terugreis naar huis door geen gerechtelijk onderzoek opgehouden
-te worden. Als het bekend geworden was, dat hij bij de aanranding
-tegenwoordig was geweest, zou hij in dat onderzoek gemengd zijn
-geworden, zoo lang hij zich nog in Engeland bevond. Maar laat hem
-maar eerst over de grenzen zijn, dan zal Morris zeker terug komen en
-alles zeggen, wat hij van hem weet, en misschien nog veel meer. Er
-komt nog eene andere omstandigheid bij. Campbell, die een vrij
-aanzienlijken handel in vee drijft, zendt dikwerf groote kudden
-naar Northumberland. Bij zulke belangrijke verzendingen zou hij
-zeer onvoorzichtig handelen, met de dieven hier te lande, die de
-wraakzuchtigste wezens ter wereld zijn, een oorlog te beginnen."
-
-»Dat wil ik bezweren," zeide Diana op een toon, die iets meer scheen
-te kennen te geven dan eene eenvoudige toestemming.
-
-»Ik wil gaarne gelooven," begon ik weder, »dat Campbell gegronde
-redenen gehad heeft, om van Morris geheimhouding te vorderen. Maar ik
-kan niet begrijpen, hoe hij zoo veel invloed op den man heeft kunnen
-verkrijgen, om hem tot het terughouden van zijn getuigenis in dit
-voorval te bewegen. Immers, Morris liep gevaar wantrouwen omtrent
-zijne eigen geschiedenis te verwekken."
-
-Rashleigh stemde toe, dat dit zeer zonderling was. Ja, het scheen hem
-nu te spijten, dat hij den Schot over deze omstandigheid, die hij
-zelf geheimzinnig vond, niet nader ondervraagd had. »Maar," voegde
-hij er schielijk bij, »zijt gij wel volkomen zeker, dat Morris in
-zijne verklaring volstrekt niets van Campbell gezegd heeft?"
-
-»Ik doorliep het papier wel is waar slechts vluchtig," antwoordde ik;
-»maar ik herinner mij nog levendig, dat ik er niets van dien aard
-in gelezen heb; of het moest zoo flauwtjes aangeroerd zijn, dat het
-mijne opmerkzaamheid ontsnapt is."
-
-»Juist, juist!" hernam Rashleigh, mij dadelijk bij het woord
-vattende, »dit zal het wezen. Er zal van die omstandigheid wel
-degelijk gewag gemaakt zijn, maar zoo ter loops, zoo vluchtig, dat
-het uwe opmerkzaamheid moest ontgaan. Voor het overige vermoed ik, dat
-Campbell van de vreesachtigheid van Morris partij heeft getrokken, om
-hem op zijne zijde te krijgen. De lafhartige man moet, zooals ik hoor,
-naar Schotland, om zekere kleine aangelegenheden voor de regeering
-te bezorgen, en onder zulke omstandigheden zou hij zeker niet gaarne
-met den geduchten Campbell op een onaangenamen voet willen komen. Op
-het gezicht alleen van dezen Herkules, moet hem het weinigje moed,
-dat hij bezit, geheel en al in de schoenen zinken. Gij zult toch wel
-opgemerkt hebben, dat Campbell in zijn voorkomen iets krijgshaftigs
-en in zijn toon en houding zelfs iets woests heeft."
-
-»Ik moet bekennen," hernam ik, »dat zijne houding mij wezenlijk vreemd
-toescheen. Zijn geheele voorkomen was in strijd met de bedaarde en
-erg vredelievende uitdrukkingen die hij bezigde. Is hij vroeger in
-krijgsdienst geweest?"
-
-»Ja--neen--Juist niet in krijgsdienst, maar hij heeft toch, meen ik,
-zoo als de meeste van zijne landslieden, de wapenen gevoerd. In het
-gebergte gaat men, schier van kindsbeen af tot aan het graf toe, met
-wapenen om. Nu gij toch uw reisgenoot kent, zult gij licht beseffen,
-dat hij, voornemens zijnde in zulk een land te reizen, elken twist
-met een inboorling zoo veel mogelijk tracht te vermijden. Maar ik
-zie, dat de wijn u niet meer smaakt. Och, ik ben eigenlijk ook een
-ontaarde telg van het geslacht Osbaldistone, voor zoover het de
-wijnflesch betreft. Gaat gij met mij naar mijne kamer, dan spelen
-wij een partijtje piket?"
-
-Wij stonden op om Diana te verlaten, die met in het oog loopende moeite
-zich telkens bedwongen had, om Rashleigh niet driftig in de rede te
-vallen. Toen wij wilden heengaan, barstte haar wrevel toch even los.
-
-»Uwe eigen scherpzinnigheid," riep zij mij luide toe, »zal u in staat
-stellen te beoordeelen, of dat, wat Rashleigh van Campbell en Morris
-gezegd heeft, waar of onwaar is. Maar in zijne honende uitdrukkingen
-tegen Schotland, heeft hij een valsch getuigenis tegen een geheel
-land gesproken, en ik bid u aan zijne verklaringen volstrekt geen
-gewicht te hechten."
-
-»Ik vrees, dat het mij misschien moeilijk zal vallen aan uwen raad
-te gehoorzamen," hernam ik, »want ik moet bekennen, dat mij bij mijne
-opvoeding juist geen te gunstig denkbeeld van onze noordelijke naburen
-werd ingeprent."
-
-»Vergeet dan in dit opzicht uwe opvoeding, en laat de dochter van
-een Schot u bewegen, het vaderland van hare moeder te eerbiedigen,
-tot eigen ondervinding u zal overtuigd hebben, dat het uw goeden dunk
-niet verdient. Maar bestraf huichelarij, laaghartigheid en valschheid,
-waar gij ze ook mocht vinden, met haat en verachting. Zonder Engeland
-te verlaten, kunt gij die schandelijke ondeugden talrijk genoeg
-aantreffen. En hiermede, mijne heeren, goeden nacht!"
-
-En ze wees naar de deur, als eene vorstin, die haar gevolg wegzendt.
-
-We begaven ons naar Rashleigh's kamer, waar een bediende ons
-koffie en kaarten bracht. Ik had besloten, met betrekking tot
-het voorgevallene van dezen dag, niet verder bij Rashleigh na te
-vorschen. Een geheim--en, naar ik geloofde, niet van den aangenaamsten
-aard--scheen zijn gedrag te omsluieren. Maar wilde ik mij overtuigen of
-mijn argwaan gegrond was, dan moest ik hem volkomen geruststellen. Wij
-begonnen te spelen, en waren weldra geheel in ons spel verdiept. Ik
-meende zelfs in dit onbeduidende tijdverdrijf--want de inzet, volgens
-Rashleigh's voorstel bepaald, was inderdaad eene kleinigheid--het
-heftige, eerzuchtige karakter van mijne tegenpartij te herkennen. Hij
-scheen het spel volkomen te verstaan. En evenwel, als ware het uit
-beginsel, gaf hij aan koene en gewaande slagen de voorkeur boven het
-in acht nemen der gewone regels van het spel; zoodat hij geringere,
-voor de hand liggende voordeelen verwaarloosde, en alles waagde om
-een zestiger of negentiger te krijgen, of alle trekken te maken. Maar
-nadat eenige spellen ons gesprek hadden afgebroken, scheen Rashleigh
-dit tijdverdrijf moede te zijn, en legde hij de kaarten ter zijde,
-om het gesprek weder aan te knoopen.
-
-Hij was eigenlijk meer geleerd dan wezenlijk verstandig. Hij kende het
-menschelijk gemoed uitmuntend, maar hij was eenigszins vreemd aan de
-zedelijke beginselen, welke de menschen behooren te leiden. Hij bezat
-de gave van onderhoudend te zijn, en wel zoo, als ik het zelden door
-iemand geëvenaard en zeker door niemand overtroffen heb gevonden. Hij
-scheen zich van dit voorrecht wel bewust; ten minste het kwam mij voor,
-dat hij zich zeer veel moeite had gegeven tot ontwikkeling van zijne
-natuurlijke gaven; zijn welluidende stem, zijn vloeiende, boeiende
-wijze om zich uit te drukken, zijn gepaste keuze en ontwikkeling
-van denkbeelden en zijn licht bewegelijke fantasie. Nooit was hij
-luidruchtig, nooit opvliegend, nooit zoo zeer met zijne eigen gedachten
-vervuld, om het geduld of het bevattingsvermogen van hen, met wie hij
-sprak, af te matten. Zijne denkbeelden vloeiden onafgebroken kalm
-voort. De spreekwijze van anderen, die in het gezellig onderhoud
-zeer aangenaam meenden te zijn, was evengoed te vergelijken bij
-zijne prettige manier van mededeelen, als een traag en troebel
-stroomend water, dat ten slotte verzandt, bij een volle rijke bron,
-waaruit steeds frisch water welt. Eerst laat in den avond kon ik van
-zulk een inderdaad boeiend gezelschap scheiden. Toen ik alleen op
-mijne kamer was, kostte het mij niet weinig moeite, mij het beeld,
-dat ik mij te voren van Rashleigh's karakter gemaakt had, weer voor
-den geest te brengen.
-
-Waarlijk, onze gave, om vreemde karakters waar te nemen en te
-beoordeelen, wordt steeds verzwakt door de bekoorlijkheid van het
-genoegen en het onderhoud. Vruchten, die zoet en prikkelend zijn,
-streelen ons verhemelte dikwijls zoo zeer, dat wij den waren goeden
-smaak van eenvoudige spijs niet meer weten te waardeeren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
- Wat scheelt er aan, o mannen,
- Wat drukt uw ziele weder?
- Wat buigt in 't Balwieries veste
- Uw hoofden diep ter neder.
-
- Oud-Schotsche Ballade.
-
-
-De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op
-het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage
-uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige
-morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde,
-kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana
-uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal
-van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis
-ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer
-ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te
-springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.
-
-»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!" zeide hij; »maar waag
-niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor
-iedereen, tot welke partij hij ook behoort?--"
-
-»Ik moet zeggen oom," viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig
-hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat
-ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou
-de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan."
-
-»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar
-niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk
-en klaar."
-
-Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo
-zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk
-geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen
-vertrouwde.
-
-»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen
-huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem
-zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd
-mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst
-hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen
-hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden,
-en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor
-mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel,
-eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen
-iedereen die onschuld handhaven."
-
-»Rashleigh", zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een
-sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel
-te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven
-niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de
-regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens
-een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding."
-
-Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij
-evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen
-gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een
-of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer
-eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff
-zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede
-te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de
-rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich
-in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot
-het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.
-
-Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl
-de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons
-ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de
-wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik
-zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven,
-zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.
-
-»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?" antwoordde hij. »Als een
-verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat--iets, dat, om u de
-waarheid te zeggen, niet licht gebeurt--dan is hij zoo hardnekkig,
-dat ik het steeds 't best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over
-zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen
-uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien,
-ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het
-eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig,
-met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor
-overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne
-eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den
-heiligen Vader."
-
-»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een
-man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk
-genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt."
-
-»Beste neef, eene dwaze opvatting--als ik mijns vaders opvatting zoo
-zou mogen noemen--kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat
-hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar
-uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks
-houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der
-Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien,
-in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting
-rijzen."
-
-»Maar dat wensch ik niet," antwoordde ik; »ik begeer niemand's achting,
-onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven
-moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede
-reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten, Zoodra ik
-daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden."
-
-Rashleigh's gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te
-verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar
-terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.--»Hoe
-gelukkig zijt gij, neef Frans!" zoo begon hij; »gij gaat en komt,
-als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid,
-bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden,
-waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme
-bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen...."
-
-Hij zweeg.--
-
-»Hoe? Wat bedoelt ge?" vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit
-mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?"
-
-»Wel voor een tijdelijke opoffering,--want meer zal het toch niet
-zijn--" hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk
-leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste
-bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo
-als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u,
-zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door
-een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer
-het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap
-moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans
-geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen."
-
-Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik
-weet niet," zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner
-ledige uren zoo goed kent."
-
-»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een
-jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen
-offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen
-zeer geroemd en bewonderd hebben."
-
-Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester
-in Apollo's tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die
-in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar,
-die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn
-bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door
-smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten
-te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon
-niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen
-te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte
-het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij,
-door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem
-eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.
-
-»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid
-mededeelt, op een avond op mijne kamer," voegde hij er bij;
-»zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang
-met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van
-handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns
-vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng
-ik bepaald een offer. En als ik bedenk, tot welk stil en vreedzaam
-beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het
-offer groot is."
-
-Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch
-geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen," antwoordde ik, »dat het u
-wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden
-Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom,
-de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen."
-
-Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaakte nederigheid met wat al
-te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en
-scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht
-jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.
-
-»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen," zeide hij,
-»op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft
-uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming
-hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester--nu ja--;
-maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone
-zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn,
-dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker
-dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten
-zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof,
-en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne
-natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet
-geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde
-berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner
-verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet,"
-voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon,
-afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon
-aan te slaan--»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne
-goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd
-hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den
-Italiaanschen tuinierszoon?"
-
-»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen," hernam
-ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis
-aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige
-waarde is."
-
-»Dit zou ook ik niet doen," antwoordde hij weder. »Als ik maar
-overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder
-zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen
-latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de
-gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken."
-
-»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets
-omtrent hem vernemen?"
-
-»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder
-Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets
-van uw vader!"
-
-»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden,
-die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen
-te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin
-die slechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen
-voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening
-bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven
-gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred
-met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt
-hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder
-het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte
-is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer
-spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is,
-juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is
-zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof,
-maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw
-geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid
-een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer
-gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor
-de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke
-gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene
-onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de
-pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem
-staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij
-zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem
-verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer
-brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne
-grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene
-zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet
-eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid
-onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat."
-
-»Een uitmuntend portret!" riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was,
-met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij
-in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als
-eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener
-kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog,
-omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert
-hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld."
-
-»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar
-voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens
-een beschrijving van de streken hier, waar...."
-
-»Waar gij schipbreuk hebt geleden?" viel Rashleigh mij in de
-rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso,
-vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene
-nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid
-aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan
-zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik,
-volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had."
-
-»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins
-verdient!" hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet een
-bekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom
-haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?"
-
-Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan
-te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige
-mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot
-hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne
-uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol
-hier goed te spelen.
-
-»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend
-dan voorheen het geval was," begon hij. »In hare jeugd was ik haar
-leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne
-vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was,
-door hare geheel bijzondere betrekkingen--kortom, onze wederzijdsche
-omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en
-onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek
-aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te
-trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven,
-dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar
-zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon
-en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een
-bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar."
-
-»Het klooster of een bruidegom?" herhaalde ik. »Moet Diana tusschen
-deze beide uitersten kiezen?"
-
-»Ja!" antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te
-zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot
-vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij
-zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder
-uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te
-worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw
-onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over
-haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het
-voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid
-is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt."
-
-Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking
-lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen
-recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik
-Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen
-doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!" dacht ik bij mij zelven. »Mij
-wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is,
-ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om
-haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?" Ik nam mij voor,
-zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook
-met geweld afpersen.
-
-Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik
-zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond
-verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins
-onbezonnen en ruw was.
-
-»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste
-voorzichtigheid," antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft
-een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in
-haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom
-volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus
-mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer
-ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen
-en wat ik bezit, met Diana te deelen."
-
-»O, Rashleigh! akelige kerel!" dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe
-lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de
-hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet."
-
-»Maar aan de andere zijde," vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot
-zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen."
-
-»Thorncliff verdringen?" herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw
-broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?"
-
-»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige
-bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst
-hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning
-welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts
-de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone,
-enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de
-vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats
-moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is,
-zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het
-best geschikt is, om den stam voort te planten."
-
-»Ha, ha!" lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te
-nemen, maar het ging mij slecht af.--»Diana zou misschien liever
-wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou
-kunnen verbinden."
-
-»Dat kan ik juist niet zeggen!" antwoordde hij. »In onze familie
-is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en
-Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de
-arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft."
-
-»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!" viel ik
-hem in de rede.
-
-»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet
-in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men
-anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn
-oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben,
-om Diana te onderwijzen en te leiden."
-
-»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over
-denkt....?"
-
-»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen," hernam Rashleigh,
-maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen
-ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan
-scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den
-band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich
-gul ontsluitend hart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde
-heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd,
-dat ik bijtijds verstandig was."
-
-Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte
-mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne
-kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen,
-die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde! Diana
-Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op
-zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen
-Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel
-gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij
-haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en
-vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere
-verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem,
-gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer
-sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat
-gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon
-het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd
-heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft
-of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij
-daarover bekommeren? Ze is Katholiek--ze is eene Jacobietin....--Ja! ze
-is een woest schepsel daarenboven--ik zou wel dol moeten zijn om er
-aan te denken!"
-
-Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar
-ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde
-stemming, dat ik aan tafel verscheen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
- Zuipen--zwetsen--kijven--vloeken!
- Met d' eigen schaduw ruzie zoeken!
-
- Othello.
-
-
-Mijn waarde Tresham, het was zeker niets nieuws voor u, toen ik u
-eens zeide, dat mijn voornaamste gebrek van ouds eene ontembare
-hooghartigheid was, die mij tallooze onaangenaamheden heeft
-berokkend. Zelfs niet half luid, zelfs niet in mijne gedachten had
-ik tot dusver durven wagen te bekennen, dat ik Diana beminde. Maar
-nauwelijks had Rashleigh van haar gesproken, als van een prooi,
-die hij nog wel eens kon medenemen of die hij, als hij er lust in
-had, ook naar welgevallen, kon laten liggen, zie! toen blies mijn
-trots mij in, dat elke stap door het lieve meisje in alle onschuld en
-openhartigheid gedaan, om een vriendschappelijken band met mij aan te
-knoopen, niets dan beleedigende coquetterie was. »Ha! zij zou zich
-dan maar met mij behelpen, als het den heer Rashleigh niet behaagt
-zich over haar te ontfermen? Maar ik zal haar toonen, dat ik de man
-niet ben, die zich zoo in den val laat lokken. Zij moet begrijpen,
-dat ik haar spel doorzie en veracht!"
-
-Ik dacht er aan, dat die ergernis die ik zonder het minste recht
-voedde, juist duidelijk bewees, dat Diana mij minder dan ooit
-onverschillig was....Innig vergramd op haar en alle dochters van
-moeder Eva, zette ik mij naast haar neder.
-
-Diana was verrast, toen ik op eenige plagerijen en spottende uitvallen,
-welke zij met hare gewone vrijmoedigheid waagde, onvriendelijke
-antwoorden gaf. Maar zonder in het minst vermoeden, dat het van
-mijne zijde kwaad gemeend was, beantwoordde zij mijne vrij ruwe
-woorden met scherts, die door hare vroolijke luim wel getemperd, maar
-tevens gescherpt werd. Eindelijk merkte zij, dat ik wezenlijk niet
-goed gemutst was. »Men is gewoon te zeggen, mijnheer Osbaldistone,"
-zeide zij op eenigszins spijtigen toon, »dat men zelfs van gekken
-iets verstandigs leeren kan. Onlangs wilde neef Wilfred niet langer
-»handjeklap" met neef Thorncliff spelen, omdat neef Thorncliff
-veel harder toesloeg, dan de wetten van een vriendschappelijk spel
-veroorloofden. Wilde ik ook zoo toeslaan, zei de goede Wilfred, dan
-zou het mij weinig moeite kosten uwe hand in weinige oogenblikken
-verschrikkelijk te doen opzwellen. Maar dat wil ik niet; en nu vraag
-ik, of het niet heel onbillijk van u is, mij zulke harde slagen toe
-te brengen, terwijl ik slechts in den wind sla? Kunt gij de toepassing
-hiervan vinden, mijnheer Frans?"
-
-»Dank u, freule. Ik zie de noodzakelijkheid niet om mij in het weinigje
-vernuft, waarmede men hier het gezellige onderhoud tracht te kruiden,
-nader te verdiepen."
-
-»Noodzakelijkheid? Gij verbaast mij, mijnheer Osbaldistone!"
-
-»Dat spijt mij zeer!" gaf ik ten antwoord.
-
-»Moet ik dezen stijven toon als ernst beschouwen? Of neemt gij dien
-slechts aan, om uwe goede luim des te meer waarde bij te zetten?"
-
-»Gij hebt op de opmerkzaamheid van zoo vele heeren in dit huis eene
-rechtmatige aanspraak, freule Vernon, dat het voor u wezenlijk niet
-de moeite waard kan zijn, u om mijne onbevattelijkheid of sombere
-gemoedsstemming verder te bekommeren."
-
-»Hoe? ik moet dus gelooven, dat gij mijne partij verlaten hebt en
-tot den vijand zijt overgeloopen?"
-
-Dit zeggende, keek zij over de tafel heen. Op eens bemerkte zij,
-dat Rashleigh, die tegenover ons zat, met eene geheel eigenaardige
-uitdrukking van belangstelling op zijne leelijke trekken ons
-aankeek. Half schertsend, alsof zij een versje reciteerde, ging
-zij voort:
-
-
- O, aaklige gedachte! Ik zie het, het is waar!
- Rashleigh de leelijke, hij knikt mij lachend toe,
- En wijst op u, als waart gij....
-
-
-»Maar neen! Goddank! Mijn weerlooze toestand heeft mijn geduld
-geoefend. Ik word niet zoo licht boos. Maar tot twisten wil ik ook
-niet gedwongen worden. Ik heb dus de eer u, vroeger dan gewoonlijk,
-goeden avond en een spoedig herstel van uw kwade luim toe te wenschen."
-
-Zij verliet de kamer. Toen zij vertrokken was, deed ik mij al spoedig
-verwijten over mijn gedrag. Ik had de welwillendheid, die mij te
-gemoet kwam, en welker gulle oprechtheid ik eerst kort geleden
-had leeren kennen, moedwillig teruggestooten. Ik was zelfs op het
-punt geweest, het lieve meisje te beleedigen. Niet zonder eenigen
-nadruk had zij mij aan haar weerloozen toestand herinnerd. Om de
-grievende gewaarwordingen, welke het berouw over mijn ruw gedrag mij
-veroorzaakte, te bestrijden, of wel om ze te vergeten, sprak ik vaker
-dan gewoonlijk de flesch aan, die rondging.
-
-Ik verkeerde in eene opgewonden stemming. Bovendien, ik was
-geen wijndrinker. Des te spoediger ondervond ik de uitwerking
-van den drank. Geoefende drinkers mogen in staat zijn een zee
-van bedwelmende dranken naar binnen te gieten, zonder daarvan
-eenige bedwelming te gevoelen. Wie nuchteren reeds opgewonden is,
-wachte zich voor dergelijke gevaarvolle proef, en vooral iemand,
-die de dronkenschap slechts bij naam kent. Toen die geesten eenmaal
-opgewekt waren, liet ik mij spoedig door de bedwelming meesleepen. Ik
-praatte onophoudelijk door, twistte over dingen waarvan ik volstrekt
-niets wist, verhaalde historietjes, welker einde ik er vergat bij
-te voegen, lachte om mijne eigen vergeetachtigheid, wedde, zonder
-de minste kennis van het voorwerp der weddingschap te hebben, en
-waagde het zelfs, den reusachtigen John tot eene vechtpartij uit te
-dagen. Mijn oom was zoo verstandig, om deze dolheid te voorkomen,
-die anders hoogst waarschijnlijk vrij erg voor mij zou afgeloopen
-zijn. Lastertongen beweerden zelfs, dat ik in dien toestand een
-liedje had gezongen. Maar omdat ik mij in het geheel niets daarvan
-herinner, en noch voor, noch na dien tijd ooit een enkele zangnoot
-uit mijne keel gehaald heb, zal deze laster, vertrouw en hoop ik,
-wel van allen grond ontbloot zijn: Trouwens vrees ik, dat mijn gedrag,
-ook zonder deze overdrijving, onbehoorlijk genoeg zal zijn geweest. Ik
-verloor mijne bewustheid niet, maar wel alle zelfbeheersching; mijne
-onstuimige driften sleurden mij heen en weder. Onvergenoegd, gemelijk,
-boos en met het vaste voornemen om een diep stilzwijgen te bewaren,
-was ik gaan zitten; maar in de praatzieke, twistachtige stemming,
-waarin mijn roes mij gebracht had, sprak ik ieder tegen, die zich
-liet hooren, en, zonder eenig ontzag voor den persoon, verschoonde
-ik zelfs mijns ooms beginselen en geloofsmeeningen niet. Ik werd
-woedend door Rashleigh's gemaakte ingetogenheid. Zijne bedaarde
-tergende spot prikkelde en ergerde mij veel meer dan de woeste en
-bulderende taal van zijne broeders. Mijn oom wendde--dit bemerkte
-ik, en moet het hier tot zijn eer getuigen--zijn beste pogingen aan,
-om ons tot bedaren te brengen, maar zijn gezag vermocht niets tegen
-de bedwelming van den roes en de hitte der driften. Woedend over
-eene wezenlijke of ingebeelde beleedigende uitdrukking, lichtte
-ik eindelijk mijne hand tegen Rashleigh op. Geen stoïcijn, boven
-eigen en vreemde hartstochten verheven, zou zulk eene beleediging
-met een hoogeren graad van verachting hebben kunnen beantwoorden,
-dan hij deed. Het scheen alsof hij het niet de moeite waard achtte
-zich eenigszins gevoelig te toonen, maar zijn broeder Thorncliff nam
-terstond den handschoen voor hem op. De degens werden getrokken en
-wij hadden reeds een paar stooten gewisseld, toen de andere broeders
-ons met geweld scheidden. Nooit vergeet ik den duivelschen grijns,
-die Rashleigh's hatelijk gelaat vertrok, toen ik door de vereenigde
-kracht van twee jonge reuzen uit de zaal werd gesleept. Zij brachten
-mij op mijne kamer, welker deur zij dicht sloten, en ik werd razend om
-het luide gelach, waarmede zij de trap afgingen. In mijne machtelooze
-woede trachtte ik hen na te snellen, de traliën van de vensters
-uit te rukken, de vast gegrendelde deur open te breken; maar te
-vergeefs. Eindelijk wierp ik mij op het bed en sliep in onder het
-stellige voornemen, om mij den volgenden dag vreeselijk te wreken.
-
-Maar met den volgenden morgen kwam een innig berouw over mij en keerde
-mijne bezinning terug. Met smart gevoelde ik het onwelvoegelijke en
-belachelijke van mijn gedrag. Ik moest aan mij zelven de bekentenis
-afleggen, dat de roes en mijne driften mij vernederd hadden, diep
-beneden Wilfred Osbaldistone, dien ik zoo zeer verachtte. Bij mijne
-troostelooze overdenkingen kwam een nederdrukkend gevoel, toen
-ik de noodzakelijkheid overwoog, mijn gedrag te verontschuldigen,
-toen ik bedacht, dat Diana de getuige van mijne vernedering moest
-zijn. De door mij tegenover haar aangenomen houding en gebezigde
-uitdrukkingen droegen niet weinig bij, om de kwellingen van mijn
-toestand te vermeerderen. En daarvoor kon ik niet eens de armzalige
-verontschuldiging van een roes aanvoeren!
-
-Zoo gepijnigd door schaamte en vernedering, ging ik naar beneden
-ontbijten, als een misdadiger naar zijne rechters om zijn vonnis
-te hooren uitspreken. Eene harde vorst maakte het juist ondoenlijk
-de honden buiten te laten. Ik ondervond ook nu nog de vernedering,
-de gansche familie, Rashleigh en Diana uitgezonderd, vergaderd te
-vinden rondom eene koude wildpastei en een stuk rundvleesch. Toen ik
-binnentrad waren allen aan het lachen, en ik kon licht bemerken dat
-zij zich ten mijnen koste vroolijk maakten. Maar boos gemeend was het
-niet. Wat mij een zelfvernedering scheen, beschouwden mijn oom en de
-meeste mijner neven als een heel aardig grapje. Hij schertste over het
-gebeurde van den vorigen avond, en beweerde, dat het veel beter was
-dat een jongeling zich driemaal daags een roes dronk, dan dat hij, als
-een Presbyteriaan, nuchter naar bed sloop en een gezelschap vroolijke
-gasten bij de volle flesch verliet. Tot bevestiging dezer troostvolle
-woorden, vulde hij een grooten beker met brandewijn, en ried mij aan
-»een haar in te slikken, van den hond die mij gebeten had."
-
-»Laat de jongens maar lachen, neefje!" vervolgde hij; »zij zouden
-juist zulke melkbaarden zijn als gij, zoo ik hen niet met de flesch
-in de hand tot stevige drinkers gevormd had."
-
-Over het algemeen ontbrak het mijn neven niet aan goedhartigheid. Toen
-zij zagen, dat de herinnering aan den vorigen avond mij lastig,
-ja pijnlijk was, poogden zij met eene lompe vriendelijkheid den
-onaangenamen indruk uit te wisschen. Thorncliff alleen zag er knorrig
-en onverzoenlijk uit. Reeds dadelijk na mijne komst op het kasteel
-kon hij mij niet verdragen. Aan de bewijzen van welwillendheid,
-welke ik nu en dan van zijne broeders ontving, hoe ruw en ongemanierd
-die dan ook waren, had hij nooit deel genomen. Werd hij wezenlijk,
-waaraan ik echter begon te twijfelen, door de overigen als Diana's
-bruidegom beschouwd? Of hield hij zich zelven daarvoor? In ieder
-geval kon er licht eene opwelling van jaloezie in hem ontstaan zijn,
-toen hij hare bijzondere vriendelijkheid jegens mij bemerkte. Een
-gevaarlijken medeminnaar vreesde hij zeker in mij.
-
-Eindelijk trad Rashleigh binnen. Zijn gelaat was somber als een
-rouwkleed. Ik kon er niet aan twijfelen, dat hij over de onvergeeflijke
-en smadelijke beleedigingen, welke ik hem had aangedaan, wrok
-koesterde. Ik was het reeds met mij zelven eens, hoe ik mij bij deze
-gelegenheid moest gedragen. Ik was vast overtuigd, dat de ware eer
-daarin bestaat, om zich wegens eene beleediging, welke met deze of
-gene vermeende uittarting in geene verhouding staat, bescheiden te
-verontschuldigen, maar om ze niet te verdedigen.
-
-Ik ijlde hem te gemoet, en betuigde mijn innig leedwezen over de
-onbetamelijke drift, waaraan ik mij den vorigen avond had schuldig
-gemaakt.
-
-»Niets," zeide ik, »zou mij een enkel woord van verontschuldiging
-afgedwongen hebben, maar ik heb de overtuiging, dat mijn gedrag
-onvoegzaam is geweest. Ik hoop dat mijn neef met mijn oprecht berouw
-genoegen zal nemen en tevens bedenken, dat het tusschen hem en mij
-voorgevallene aan de overvloedige gastvrijheid van zijn vaderlijk
-huis te wijten is."
-
-»Gij moet weder vrienden met elkander worden, jongens! ja, dat
-moet gij!" riep de wakkere ridder in de opwelling zijns harten;
-»en gebeurt dat niet, dan noem ik Rashleigh, zoo waar ik leef, niet
-meer mijn zoon! Waarom staat gij dan daar, Rashleigh, zoo stijf en
-onbewegelijk als eene marmeren beeld? Het doet mij leed! ziedaar alles,
-wat een man van eer in zulke gevallen zeggen kan, voornamelijk, als
-de door hem aangedane beleediging bij de flesch is geschied. Ik ben
-ook soldaat geweest, en weet zoo tamelijk, hoe men zich in zaken van
-eer moet gedragen. Laat mij er dus geen woord meer van hooren. Alles
-is vergeten en nog heden gaan wij met elkander op de dassenjacht in
-het berkenbosch."
-
-Zooals ik reeds gezegd heb, was Rashleigh een zeldzaam wezen. Niemand
-heb ik ooit gekend, die op hem geleek.
-
-Het zonderlinge van zijn gelaat lag niet alleen in de trekken, maar ook
-in de afwisselende uitdrukking. Wanneer op andere gezichten droefheid
-in vreugde, of misnoegen in tevredenheid verandert, dan heeft er een
-zekere overgang plaats, voor dat de uitdrukking van de heerschende
-stemming de vroegere geheel verdringt. Tusschen het wegtrekken van
-de duisternis en het opgaan der zon heerscht schemering. Bij ieder
-ander mensch ziet men de verandering--terwijl de opgezwollen aderen
-verdwijnen, het donkere oog opheldert, het voorhoofd zich ontrimpelt,
-en al de overige trekken hunne sombere schaduwen verliezen allengs
-kalm en opgeruimd worden. Niets van dien aard was er op Rashleigh's
-gelaat te bespeuren. Bijna plotseling veranderde de eene uitdrukking
-van hartstocht in de tegenovergestelde. Ik kan inderdaad geene meer
-passende vergelijking vinden, dan de snelle tooneelverwisselingen,
-wanneer op het geluid van het fluitje achter het tooneel, een akelig
-hol verdwijnt en een heerlijk bosch uit den grond oprijst.
-
-Ik had dit reeds meermalen waargenomen, maar nu vooral werd op deze
-bijzonderheid mijne opmerkzaamheid onwederstaanbaar gevestigd. Donker,
-als de nacht, zag Rashleigh er uit bij zijn binnentreden. Met een
-somberen blik hoorde hij mijne verontschuldigingen en zijns vaders
-vermaning aan; doch nauwelijks had deze geëindigd, of plotseling
-verdween de zwarte wolk, en het minzaamste, hoffelijkste antwoord
-volgde.--»Beste neef! Ik heb u niets te vergeven. Waarlijk," dus
-begon hij, »als ik meer drink dan mijne gewone drie glazen, dan
-wordt mij het hoofd al dadelijk zoo licht, dat ik, als de goede
-Cassio, mij slechts een verward denkbeeld van den verloopen nacht
-kan vormen. Ik herinner mij eene menigte dingen, doch niets bestemds;
-wel deze of gene woordenwisseling en twist, maar niet de aanleiding
-daartoe. Gij kunt derhalve wel denken, waarde neef," vervolgde hij,
-mij vriendelijk de hand drukkende, »hoe warm het mij om het hart
-wordt, nu ik hoor dat ik eene verontschuldiging van u ontvang,
-in plaats van u mijne verontschuldiging te moeten maken. Kom, kom,
-geen woord meer over het gansche geval! Ik zou al zeer dwaas moeten
-zijn, wilde ik de rekening nog nader onderzoeken. Ik was bang dat de
-balans nadeelig was. En nu is zij zoo geheel onverwacht en aangenaam
-in mijn voordeel uitgevallen.--Gij ziet neef, dat ik mij reeds oefen
-in de taal van mijn toekomstig beroep."
-
-Juist wilde ik hem antwoorden en sloeg de oogen op, toen ik Diana
-ontdekte, die gedurende ons gesprek ongemerkt binnengetreden was en
-aandachtig geluisterd had. Beschaamd en ontsteld zag ik voor mij neer
-en spoedde mij naar tafel, waar ik mij tusschen mijne neven plaatste,
-die reeds druk aan den maaltijd waren.
-
-Mijn oom wilde aan het gebeurde van den vorigen dag eene nuttige
-waarschuwing ontleenen. Hij gaf zijn zoon Rashleigh en mij den raad,
-om onze »melkpapgewoonte," zoo als hij het noemde, te veranderen,
-en er ons van lieverlede aan te gewennen, een flink glas goeden wijn
-te gebruiken, zonder daarbij in twist of vechterij te geraken. Hij
-beval ons, dagelijks met een flesch rooden wijn te beginnen, met
-eene behoorlijke dosis Maartsbier en brandewijn was dat voor een
-leerling in de edele drinkkunst eene aardige inleiding. Tot onze
-aanmoediging voegde hij er nog bij, dat hij mannen gekend had, die
-op onze jaren niet eene enkele flesch konden verdragen, maar later
-in goede omgeving spoedig geleerd hadden, vijf, ja zes te ledigen,
-zonder den volgenden morgen ziek of maar eenigszins ongesteld te zijn.
-
-Ik behoef wel niet te zeggen, dat al deze troost en bemoediging
-aan mij totaal verkwist waren. Ik volgde zijne vermaningen weinig,
-misschien ook, omdat ik telkens als ik opzag, Diana's oogen ontmoette
-waarin ik ernstig medelijden, aan misnoegen en teleurstelling gepaard,
-meende te lezen. Ik overlegde hoe ik mij ook jegens haar onder vier
-oogen verklaren en verontschuldigen zou. Maar zij begreep mijne
-verlegenheid en verloste mij van den moeilijken plicht haar om een
-onderhoud te moeten vragen.
-
-»Neef Frans," zeide zij, en gaf ook mij eenigszins oneigenaardig
-den naam, waarmede zij de zonen van mijn oom placht aan te spreken,
-»heden ochtend heb ik in Dante's verzen eene vrij moeielijke plaats
-gevonden. Wilt gij wel zoo goed zijn een oogenblik in de boekenkamer
-te komen om mij in te lichten en hulp te verleenen? Zoodra gij den zin
-van den duisteren Florentijner voor mij opgehelderd hebt, zullen wij
-deze heeren naar het berkenbosch volgen, en zien of zij zoo gelukkig
-zijn geweest om den das op te jagen."
-
-Hoe blijde was ik en ik stond dan ook op, gereed haar te
-volgen. Rashleigh bood aan ons te vergezellen. »Ik houd mij eigenlijk
-liever bezig," zeide hij, »met Dante's gedachten in de beelden van
-zijne woeste en sombere poëzie op te sporen, dan het wild gedierte
-uit zijn hol op te jagen."
-
-»Vergeef mij, Rashleigh," antwoordde Diana. »Maar daar gij uw neef
-op het kantoor zult vervangen, moet gij hem de taak overlaten, om de
-opvoeding van uwe leerling hier voort te zetten. Evenwel, als wij uwe
-hulp noodig hebben, zullen wij zoo vrij zijn om u te roepen. Kijk nu
-maar zoo ernstig niet! Het is buitendien schande genoeg dat gij niets
-van het edele jachtvermaak verstaat! Wat zoudt gij toch zeggen, hoe
-zoudt gij u uit de verlegenheid redden, als uw oom in Londen u eens
-mocht vragen, hoe men op de jacht het spoor van een das kan vinden?"
-
-»Heel waar, Diaantje! heel waar!" zei oom Hildebrand met een
-zucht. »Rashleigh zou dom staan kijken als men hem zoo iets vroeg. Even
-als zijne broeders, had hij ook nuttige kundigheden kunnen verzamelen;
-want hij is in alle eer, deugd en wijsheid opgevoed. Maar Fransche
-zotheden, dat drommelsche boekenlezen en de malle denkbeelden
-die daaruit voortspruiten hebben hem, zooals geheel Oud-Engeland,
-ten eenenmale verbasterd.--Kom Rashleigh, ga met ons en draag mijn
-jachtspies. Uwe nicht schijnt uw gezelschap heden zeer wel te kunnen
-ontberen, en men moet niemand tot last wezen; dat duld ik niet. Vooral
-moet er niet kunnen gezegd worden, dat de eenige vrouw in Osbaldistone
-gestorven is, omdat zij haar zin niet kreeg."
-
-Rashleigh volgde zijn vader, maar onder het heengaan zeide hij zacht
-tot Diana: »ik moet dus zeker in het gezelschap van de wellevende
-mevrouw Hoffelijkheid komen en aankloppen, als ik voor de deur van
-de boekenkamer sta?"
-
-»O neen, Rashleigh!" zeide Diana. »Dat is niet noodig. Verban slechts
-uit uw gezelschap den aartsbedrieger de Huichelarij. Dan zult gij u het
-best den toegang tot onze geleerde bijeenkomsten weten terwerven..."
-
-Met deze woorden nam zij den weg naar de boekenkamer. Ik volgde
-haar--ja, als een misdadiger, die naar de gerechtsplaats gaat, zou
-ik zeggen, zoo ik die gelijkenis niet reeds een paar malen gebezigd
-had.--Dus in het kort gezegd, ik volgde haar in de overtuiging, dat ik
-een vrij zot figuur zoude maken, en gaarne van een tête-à-tête bevrijd
-zou zijn geweest. Het kwam mij eigenlijk vernederend voor, onder zulke
-omstandigheden haar te volgen. Ik had zulk een geruimen tijd op het
-vaste land doorgebracht, dat ik wel wist, dat vrijmoedigheid en een
-zeker betamelijk zelfvertrouwen den man moeten onderscheiden, dien
-eene schoone vrouw tot haar gezelschap kiest. Maar mijne Engelsche
-gevoelens zegepraalden over mijne Fransche opvoeding, en ik zag er
-zeer waarschijnlijk jammerlijk uit, toen Diana, trotsch als een
-rechter, die in eene gewichtige zaak moet vonnissen, zich in een
-leuningstoel nederzette, en mij een teeken gaf om tegenover haar
-plaats te nemen. Als een arm zondaar, die zijn vonnis moet aanhooren,
-zette ik mij neder op den zetel, die zij mij aangewezen had.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
- Des duivels was de vondst van hem, die in het gif
- Den dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was 't helsche plan
- Van den verrader, die het doodelijk vergif
- In 't glas goot, gewijd aan vriend'lijk zamenspreken,
- Den dood in de ad'ren stortte, in plaats van 't frissche leven.
-
- Anonymus.
-
-
-»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone," zeide freule Diana op een
-toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende
-verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons
-te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg
-bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u
-onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t'huis te gevoelen,
-en--ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht..."
-
-»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst
-ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne
-verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen,
-waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn
-gedrag was onbetamelijk en belachelijk."
-
-»Doe u zelf geen onrecht!" zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na
-alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen
-avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor
-uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid
-van den welwillenden Rashleigh--Percivals matigheid--Thorncliffs
-moed--Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van
-honden--Richards handigheid in het wedden--dit alles toonde neef Frans
-in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en
-omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen
-Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben."
-
-»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule
-Vernon!" antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze
-hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.--»Laat mij,
-tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer
-schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins
-wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn
-is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een
-enkelen keer laten verleiden."
-
-»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den
-ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd
-heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene
-partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio
-tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met
-leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige
-vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis
-zich elken avond, als zwijnen, wentelen."
-
-»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt,
-maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij
-verder in zou begeven."
-
-»Dat is een verstandig besluit!" hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren,
-is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan
-de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij,
-alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald
-was. Mag ik u vragen, wat dat was?"
-
-Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag
-geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den
-anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt
-over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende
-behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking
-of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren
-stand zoodanige zaken behandeld worden.
-
-Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh's
-mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot
-een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar
-als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond,
-moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen,
-wat voor Diana's gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn.
-
-Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog
-steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik,
-toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik
-heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij
-zelve beschermen."
-
-Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op
-ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij
-liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten,
-tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig
-glimlachje aan.
-
-»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen
-hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen
-eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij
-te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien," zeide zij. »Kortom,
-laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het,
-die hier alle machines in beweging brengt."
-
-»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,--ware het
-dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen
-te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet
-uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was."
-
-»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te
-hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh
-kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat
-ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen
-tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen
-betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook
-niets gemeen."
-
-Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van
-al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te
-ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De
-mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken
-en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig,
-dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek
-over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat
-geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij
-had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik
-van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen.
-
-Toen sprong Diana op.--»Dat helpt niets!" riep zij. »Ik moet een
-ander antwoord van u hebben!" Haar voorhoofd gloeide en haar oog
-vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring," ging zij luid
-en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man
-mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen
-zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die
-zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen
-vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.--Ik vorder
-het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te
-genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren,"
-voegde zij er bij, terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering
-zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor
-gepleegd onrecht te vinden is."
-
-Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die
-plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking
-ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar
-duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord.
-
-Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn
-verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende
-uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen:
-»Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is
-zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne
-gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen
-derden persoon, zoudt spreken."
-
-Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg
-opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van
-de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou
-ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog
-iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof.
-
-»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te
-vertellen!" zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje,
-die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd
-was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren
-steeds de »beerenbruid" genoemd werd.--Maar Rashleigh zeide toch ook
-iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?"
-
-»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te
-verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in
-de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff,
-zou ingevuld zien."
-
-»Zoo? Inderdaad?" antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen
-vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana
-Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt
-hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!"
-
-»Ik kan het niet ontkennen--hij liet zoo iets merken, en gaf verder
-te kennen...."
-
-»Wat? laat mij alles hooren!" viel zij mij driftig in de rede.
-
-»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen
-eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot
-den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden."
-
-»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste
-verplicht!" antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon
-gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde
-toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor,
-verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd,
-is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan
-een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er
-in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is
-de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleigh maar al te goed ken,
-door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen,
-om mijn lot met hem te deelen. Neen," vervolgde zij met een soort van
-rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;--»neen,
-liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de
-roskammer--allen duizendmaal liever dan Rashleigh.--Maar het klooster,
-de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een
-van hen allen!"
-
-Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste
-bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het
-diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve
-overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming
-van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die
-de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen
-eene vrouw bejegent--dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag
-zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting
-van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel
-in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare
-beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde
-bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin,
-verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds
-de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van
-geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden
-fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en
-op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar
-die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij
-opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken.
-
-»Stil," zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat
-ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen
-medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij;
-wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,--zoo goed ik kan. Geen meewarig
-woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene
-veer lichter te maken. Er bestaat slechts een menschelijk wezen, dat
-mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij
-heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik
-zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.--Maar, rechtvaardige
-Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje,
-dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende
-ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel
-oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen,
-waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde
-veranderen--goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn
-in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de
-strikken van dien ellendeling gevallen ware!"
-
-Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over
-den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer
-machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen,
-om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna
-ademloos en met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten
-angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af.
-
-»Blijf!" zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten
-volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke
-gevangenis,"--zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend
-er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne
-gemoeid!" en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer
-dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder
-uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou
-hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze
-zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u"--vervolgde zij,
-terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,--»dat ik geen trooster
-behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb."
-
-Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende,
-en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had,
-daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana's kampvechter
-op te treden.
-
-Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen
-op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een
-allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig
-hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid
-overtuigd, voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met
-hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook
-gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten
-te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen
-vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer
-gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing
-wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst,
-welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt
-dan eigenlijk mijn voornemen was."
-
-Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken.
-
-»Dat geloof ik gaarne," hernam zij; »gij hebt iets in uwe
-gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen
-inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te
-vreezen"--vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde,
-doch op innig hartelijken toon--»dat vriendschap bij ons slechts
-een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn
-denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede
-ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de
-noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier
-kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan
-verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is
-nog niet gekomen," voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met
-andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht
-zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde
-dezes levens te genieten. En nu--de plaats in Dante is genoegzaam
-toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers
-geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel."
-
-Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat
-ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren
-te komen, eer ik mij in Rashleigh's gezelschap durfde wagen, wiens
-koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was
-afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige
-geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder
-hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van
-het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier
-regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden
-is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten
-wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen,
-met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo
-als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was
-voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen,
-die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn
-zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij
-inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens
-den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat
-ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven.
-
-Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh's veinzerij zoo veel
-mogelijk met gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met
-elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen
-wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van
-zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid
-over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht,
-meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh's karakter eene even
-groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk
-genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen
-te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al
-spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een
-hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker
-geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven
-vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral
-in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer
-licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in
-mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald
-noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan
-den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij
-van de kennis van Rashleigh's waren aard wilde trekken. Ik deed dit
-en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg.
-
-Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even
-gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist
-vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana
-mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik
-zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had
-gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste
-omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn
-verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar
-in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was
-de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte
-kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk
-bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een
-last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid
-had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid,
-dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen
-beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen
-had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens
-elkander gedroegen.
-
-Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem
-zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide,
-maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste
-schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en
-niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik
-nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij
-naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met
-een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij
-hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede,
-dat gij mij bewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens
-waart te doen!"
-
-»Amen! lieve nicht!" antwoordde hij met een schijnvroom gelaat,
-hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer
-had behouden.--»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede
-daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!"
-
-Dit waren zijne afscheidswoorden.--
-
-»Die volleerde huichelaar!" zeide Diana tegen mij, toen hij de deur
-achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en
-verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren
-en eerbiedigen."
-
-Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen
-medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien
-ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest
-zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had,
-dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan
-alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in
-het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle
-nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou
-even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder
-menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen
-hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de
-dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last,
-ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten
-was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst
-van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van
-dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk
-zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat
-sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig
-hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een
-ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.
-
-Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer
-verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam
-wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste
-werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten
-einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En
-toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet
-een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone
-een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door
-wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven,
-had ik niet sterker kunnen toonen.
-
-Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde
-Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje
-van het vuur der jeugd in u hebt. Diana's buitengewone schoonheid,
-waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en
-geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld;
-de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag,
-veel vrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen,
-slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en
-vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven
-ieder ander betoonde--dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne
-nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld,
-mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen,
-welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne
-gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander,
-reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren,
-welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij
-thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel
-geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had.
-
-Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting
-van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met
-Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke,
-maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen,
-met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare
-schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon
-op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde
-en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om
-haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide
-geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij
-haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te
-gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven.
-
-Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den
-verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden
-kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te
-veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met
-vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid
-noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij
-met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor
-recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige
-gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde,
-nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in
-de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken
-der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen
-op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.
-
-Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die
-bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd
-opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden,
-is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording
-geroepen.
-
-Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving
-was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen
-belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene
-talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed
-vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komen dikwijls 't
-verste, daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet
-in 't oog hield, zouden Diana's snelle vorderingen in verscheidene
-takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij
-des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken
-verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven
-vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat,
-wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke
-beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden
-zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk
-den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met
-aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit
-vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad,
-de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou
-aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn
-leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling
-van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een
-beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om
-te gaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
- Uit 't slaapvertrek van hartelief
- Schijnt licht. Wat straalt het fel!
- Waarom toch brandt mijns liefjes lamp
- In 't nachtelijk uur zoo hel?
-
- Uit eene oude Ballade.
-
-
-Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig,
-ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana
-en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De
-overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken,
-al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook
-deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte
-werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer
-vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik
-gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe
-zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich
-bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende,
-had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen
-toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen
-en rekenkunde, zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven
-of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik
-hem inderdaad van meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde
-evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te
-nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is
-een knappe, vlijtige jongen!" Maar zelden vergat hij, er in één adem
-bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen."
-
-Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een
-huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een
-goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan,
-den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij
-duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging
-ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over
-mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had,
-steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke
-ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker,
-dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht
-mij in de beste verstandhouding met allen,--behalve met Thorncliff.
-
-Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden
-mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een
-veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij
-mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige,
-jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana,
-die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat
-hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat
-woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar
-hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde
-hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist,
-dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden
-beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde
-mijne minzame vriendelijkheid ongeveer als een knorrige hofhond,
-wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik
-hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne
-norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.
-
-Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een
-anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.
-
-Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was,
-mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze
-wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was
-ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte
-zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden
-was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te
-rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij,
-om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen
-humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten.
-
-»Ja, ja, mijn beste mijnheer," zeide hij op zekeren avond met
-bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest."
-
-»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?" vroeg ik.
-
-»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere
-goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de
-kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende
-penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk
-iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar
-manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol
-niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens,
-wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman..."
-
-»Den marskramer, meent gij?" viel ik hem in de rede.
-
-»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes
-gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht
-blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten."
-
-»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier
-te drinken. Maar om 's Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis,
-en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag."
-
-»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland
-zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel
-u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou,
-vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen,
-Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare
-dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen,
-dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!--Maar hoe het zij,
-wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes."
-
-»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het
-ten minste de moeite waard is!" riep ik ongeduldig, »want ik kan den
-ganschen dag niet hier blijven."
-
-»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen
-maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje."
-
-»Welk stukje? Wat bedoelt gij?"
-
-»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!" hernam Andries met
-een sluwen blik.
-
-»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?"
-
-»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren
-hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den
-kostbaren tijd niet om verspillen."
-
-Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof
-hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had.
-
-De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en
-nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe
-vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak
-verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem
-nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op
-te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan 't spitten en sprak nu en
-dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos,
-hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne
-halsstarrigheid zijn verlangen zou bedwingen om over eene zaak te
-spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.
-
-»Zie zoo!" begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar
-staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch
-hebben;--wel bekome het hun!... Wat is dat toch slechte mest, zoo hard
-als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft
-zeker al de goede mest verkocht... daar sta ik u borg voor... Ja,
-ik moet maar doorwerken op zoo'n schoonen Zaterdag-avond, want met
-het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt
-ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder
-is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen
-Maandag.--Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar
-het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude
-ding noemen."
-
-En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij
-terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij
-wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk
-stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank,
-waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den
-stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen,
-mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg
-ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef,
-de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?"
-
-»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest;
-zoo'n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden
-zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar
-hebt ge het koninkrijk [8] Fife, van het eene einde tot het andere
-bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken
-met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede
-stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland."
-
-»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar
-om weder op het nieuws van Londen terug te komen..."
-
-»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel
-aan gelegen was," hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft
-mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over
-dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag."
-
-»In het Parlement?" vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter
-sprake?"
-
-»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord
-zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard,
-er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords
-en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen
-wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje--de duivel hale
-hen, die het ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement
-bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich
-met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te
-worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens
-in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan
-beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna
-net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers:
-die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij
-dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen
-zes pond zwaar is!"
-
-»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch
-uw neef?"
-
-»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen--die
-poddingeters,--verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris--nu
-ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een
-onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van
-Engeland wemelt van Jakobieten--nu, hij kan wel gelijk hebben--en
-dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den
-publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van
-Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele
-belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen
-krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal
-gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook
-dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander
-heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl
-de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was,
-nog heelhuids uit dat land weg te komen."
-
-»Zou dat wezenlijk waar zijn?" vroeg ik verwonderd.
-
-»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el
-heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen
-die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling
-zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen
-moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent
-Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere
-lieden bovendien," voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik
-op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het
-Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het
-land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als
-deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen
-en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker
-met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel
-nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen,
-zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het
-koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor
-het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk
-in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al
-zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had,
-zoo breed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op
-een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord
-konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en
-dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel
-moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen
-schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!"
-
-»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen,
-vriend Andries?"
-
-»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent
-eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam
-zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik
-u maar zeggen dat degeen, die het historietje 't eerst op het tapijt
-bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon
-ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de
-eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond de
-andere vent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of
-men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen
-brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid
-in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar
-behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak
-uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan
-zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang
-en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk
-misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog
-iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde
-mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding
-niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen
-zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook
-heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat
-plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar
-tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van
-Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur
-en vlam--nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!--Hij maakte
-vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen,
-ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en
-verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen
-druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit,
-wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan
-wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk."
-
-Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht
-behoorde.
-
-»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van
-de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere
-menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle--van hem zijn er zeer
-zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar
-hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen,
-welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van
-het lied was, dat zij verklaarden, dat de gansche historie enkel laster
-was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had,
-zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen."
-
-Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp
-het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar,
-eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde
-het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet
-aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er
-aan hechten zou.
-
-»Andries," zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om
-al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk
-gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen
-last heb gehad." Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu
-vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste
-wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken
-te komen praten."
-
-Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn
-neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die
-niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen.
-
-»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden,
-en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin
-blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng
-uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht
-van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren."
-
-»Best! heel goed!" hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen
-en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene
-mooie vrouw in diamanten."
-
-En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langen
-weg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein
-voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om
-hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman
-zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik
-wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm,
-waarmede de gansche tuin doorsneden was.
-
-Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van
-de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde,
-verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in
-die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid,
-het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd,
-waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek
-bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen
-zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen
-in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een
-van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat
-dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen,
-tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om
-ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit
-loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit
-als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar
-men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer
-hechtte, gevoelde ik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op
-het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan
-ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen,
-dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid
-van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.
-
-In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt
-boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde:
-»Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg,
-om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee
-omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen."
-
-Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al
-de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom
-geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid,
-dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door
-groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet
-minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en
-boter--door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons
-gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de
-avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel
-van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding,
-spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien,
-ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten
-sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden,
-niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in
-dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.
-
-De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd
-verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam
-gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had,
-vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende
-zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis
-van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij
-nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de
-domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen,
-om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond
-immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als
-zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels,
-noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem
-in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het
-kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei
-spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van,
-zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den
-dag de honden naar buiten te volgen.
-
-Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken
-uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden
-glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer
-'s avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen,
-als zij daar den avond doorbracht.
-
-Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer
-zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters
-vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor
-het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel
-verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien
-heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en
-Diana's gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen,
-bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee
-gestalten! Nu verdwenen zij--nu weder aan het derde--eindelijk ook
-aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de
-vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen
-dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd.
-
-Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde
-niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met
-een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe
-onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke
-bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het
-onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar
-zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas,
-lichtzinnig meisje!" zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen
-welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare
-ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij
-even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet,
-door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens,
-zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haar
-kaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto
-zelf, wanneer hij uit het graf verrees."
-
-Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden
-dag mijne vertaling van Ariosto's eersten zang getoond, en haar
-verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl
-zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit
-bepaald geweigerd had.
-
-Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept,
-toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef,
-die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de
-laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging
-en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij
-kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins
-uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide
-Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris
-als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement
-uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het
-vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis
-te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke
-personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de
-getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven
-bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het
-geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een
-nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen
-van het Parlement--in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek
-der hoofdstad--en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle
-op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de
-uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man
-te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer
-magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel
-meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de
-zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was
-grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn
-stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige
-vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve
-wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt,
-kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg,
-dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja,
-dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij
-die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al
-te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben
-verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde
-met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell
-gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter
-zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge
-geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman
-iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne
-eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede
-naam was openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was,
-naar herstel van eer te streven.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-
- Van waar komt gij? wie zijt gij?
-
- Milton.
-
-
-Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij
-aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar
-Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen,
-waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan
-terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel,
-zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral
-waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne
-ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten
-behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamste
-Whig-ministers bekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten,
-wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus 't veiligst,
-mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te
-leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk
-op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad
-te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.
-
-Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene
-weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had,
-ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in
-Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld
-had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns
-vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te
-verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in
-mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik
-in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige
-regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om
-in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe
-ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn
-raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen,
-er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar
-Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene
-voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven
-die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn
-vertrek uit het kasteel aan te dringen, geloofde ik dat mijn vader het
-insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen
-naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om
-den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te
-mijnen opzichte verspreid had.
-
-Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te
-redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier
-te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor
-van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen,
-dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:
-
-
- Waarde mijnheer Frans!
-
- »Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer
- R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij
- zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen,
- die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het
- Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam
- jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken
- en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel
- gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar
- Gods wil geschiede! Uit hoofde a costi cassa misschien zeldzaam
- mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u
- inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de
- Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die,
- twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.
-
- »Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachting
-
- UEds. dw. dienaar,
- Joseph Owen.
-
-
- P.S. »Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult
- gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te
- hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn,
- maar ziet er niet best uit."
-
-
-Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van
-den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met
-Rashleigh's karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien
-toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone
-gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor
-mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren
-raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen,
-waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn
-vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht,
-mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl
-ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde,
-dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn
-boekhouder in mijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens,
-misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was
-Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen,
-dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te
-zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven,
-zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen
-zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje,
-dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag
-van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik
-op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de
-inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd,
-was bijna geheel uitgeput.
-
-Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het
-dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich
-uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven
-te zien vechten.
-
-»Een wreed vermaak!" zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik,
-niet!"
-
-»Neen, neen!" hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond
-weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel
-beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen
-doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets
-in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat
-torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken;
-die kan er dus niet zijn."
-
-Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit
-aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh's kamers leidde,
-terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een
-donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur,
-vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge
-steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in den
-tuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne
-nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of
-terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd
-van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en
-deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans
-aanmerking bij.
-
-»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?" vroeg ik.
-
-»Niet dikwijls," antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar
-maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan,
-zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap:
-die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere
-wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen
-doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in
-Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met
-zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet,
-dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks,
-als ik hem de geleerde namen der planten noem."
-
-Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen
-van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der
-zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts
-zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen,
-uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins
-onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als
-een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige,
-waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets
-geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog
-geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer
-vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.
-
-Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde:
-want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar
-veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten
-opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het
-bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan
-toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk
-den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen
-is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking
-van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd,
-is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna
-vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met
-lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en
-vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door
-zijne slimheid ook meestal gelukt.
-
-Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij
-zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze
-omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem
-te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg,
-bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig
-ontmoetten, tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer
-waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het
-kasteel, Rashleigh's kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht
-men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets
-natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond
-mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal,
-dat Diana's omgang met den priester even geheimzinnig was als hare
-betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan's naam genoemd,
-zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting,
-toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in
-het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig
-zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters
-komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde
-dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken
-gewisseld hadden.
-
-Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone,
-aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester
-daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te
-brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de
-hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst
-zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met
-elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad
-een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst,
-die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig
-hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij
-elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over
-het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik
-had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde
-en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te
-handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer
-gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met
-Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En
-als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den
-vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken?
-
-Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker,
-naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te
-lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap
-voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels
-der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op
-den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige
-pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk
-verdiende. Maar nu begon ik Diana's gedrag met zoo scherpe blikken
-na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid
-trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik
-verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede
-standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene
-neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer,
-die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan
-eigenzinnig beweerde, dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou
-kennen en verdwaald zijn. »Neen"--zeide ik--»ik ben niet verdwaald"
-... Toch was het zoo.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVI.
-
-
- Op zekeren dag, tegen den middag toen
- ik naar mijn boot ging, ontdekte ik
- met groote verassing het spoor van
- een naakten menschenvoet, zeer duidelijk
- in het zand van den oever afgedrukt.
-
- Robinson Crusoe.
-
-
-Diana's zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming
-en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen
-opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel
-ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik
-haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels
-in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te
-zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht
-om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die
-haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den
-moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere
-oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond
-daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder
-een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij
-stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een
-groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch
-verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl
-ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld
-werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen;
-aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid
-zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen
-kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch
-ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend
-door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf
-onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken,
-niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot
-elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg
-ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana's
-tegenzin in het klooster vermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op
-eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen
-van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana
-dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar
-plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek
-dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien.
-
-Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene
-uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit
-viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk
-oprapen, maar zij voorkwam mij.
-
-»Verzen?" zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het
-ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn
-antwoord afwachtte.--»Mag ik zoo vrij zijn?--o, als gij bloost
-en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en
-veronderstellen, dat het mij vergund is."
-
-»Het is het lezen niet waard!" viel ik haar in de rede; »slechts een
-losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te
-gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo
-goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden."
-
-»Beste vriend," hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij
-aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen
-een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat
-ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou
-van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen."
-
-Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto's lied:
-
-
- »Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ik
- Van 't hoofsch bedrijf, van 't koen en heldenmoedig hand'len
- Van koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,
- Uit Afrika, 't Barbarenland, kwam wand'len.
- Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,
- Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.
- Het gold Trojano's moord. Hij kwam van verre stranden,
- Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fier
- Den grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen ....
- Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.
- Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en groot
- Tot razernij verviel, om bittren liefde nood ....
-
-
-»O, o! Er staat nog veel meer!" zeide zij, het papier overziende. Ik
-had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden
-streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde
-lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.
-
-»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,"
-zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand,
-die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid," vervolgde ik
-na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig
-houden, dan wanneer ik--het spreekt van zelf, slechts tot mijne
-eigen uitspanning--de vertaling van den heerlijken dichter weder
-opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er
-mede begonnen."
-
-»Maar het zou de vraag zijn," zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd
-niet tot iets beters kondt besteden?"
-
-»Gij meent misschien tot eigen werk?" antwoordde ik en gevoelde mij
-ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is
-vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke
-gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat
-Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft ...."
-
-»Vergeef mij waarde neef, ik geef geene aanmoediging; gij neemt
-ze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende
-dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het
-een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik,
-over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding
-heb gegeven."
-
-»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!" hernam ik, en
-trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet
-wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij
-mij bewijst."
-
-»Neen, neen!" vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon
-uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word
-niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk,
-wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen."
-
-Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare
-meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te
-vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend
-was, boos zoude worden.
-
-»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en
-gesproken!" antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der
-dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig
-zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!"
-
-»Van mijn vader? Volstrekt niets!" hernam ik. »Sedert eene scheiding
-van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd."
-
-»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij
-heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat
-hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne
-tegenwoordigheid eischten?"
-
-»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen."
-
-»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename
-verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst,
-bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige
-beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?"
-
-Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet
-verbergen.
-
-»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!" zeide Diana zeer
-ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk
-een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk
-zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen."
-
-»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?"
-
-»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!" zeide zij
-met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de
-riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een
-hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den
-vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk
-schijnt," voegde zij er bij.
-
-»Maar wat raadt gij mij dan?" vroeg ik, haar antwoord wenschende
-en vreezende.
-
-Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij
-onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien
-zijt gij reeds veel te lang hier geweest," voegde zij er eenigszins
-zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van
-nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik
-moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in
-Rashleigh's handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast
-en zeker overtuigd kunt zijn."
-
-»Ondergang, hoe is dat mogelijk?"
-
-»Geen vragen!" vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh's oogmerken
-reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur
-van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van
-zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader in
-Engeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid
-zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke
-blijven er partij van te trekken."
-
-»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle
-toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar
-kunnen afwenden?"
-
-»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw
-aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand
-kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en
-van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is,
-Rashleigh's plannen zijn van dien aard, dat ..." Plotseling bedwong
-zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,"
-hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze
-plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen,
-bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet
-immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:
-
-
- »Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!"
-
-
-Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe:
-»O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja,
-dan ben ik er zeker al te lang gebleven!" Zij bloosde, maar ging
-standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen
-het kasteel verlaten,--maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier
-slechts één wezen terug dat u genegen is;" ging zij voort, zich tot
-een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om
-hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van
-anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden,
-wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger,
-veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel
-minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden."
-
-»Nooit!" riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden,
-wat ik hier moet achterlaten!"--Ik vatte hare hand en drukte die aan
-mijne lippen.
-
-»Dat is dwaasheid!" riep zij; »dat is krankzinnigheid!" En zij
-deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met
-zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel
-eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,"
-begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting
-van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid
-des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh
-Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen
-wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan
-het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en
-betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk
-het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste."
-
-Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening
-overweldigd en zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij
-terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor
-de allerlaatste maal."
-
-Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der
-hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur
-van den geheimen gang naar Rashleigh's kamer bedekte, bewogen
-werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden,
-uitvorschenden blik op Diana.
-
-»Het is niets," zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter
-het behangsel."
-
-Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden,
-verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna
-op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien,
-keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik
-besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana's
-herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!" te gehoorzamen. Zeker
-werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde
-mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik
-mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren.
-
-Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne
-ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in
-bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger
-door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere,
-onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh's kuiperijen
-voor mijn vader ontstaan kon--de onmiskenbaar moeielijke toestand van
-het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht
-was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te
-gaan--dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was
-volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen
-en te toetsen.
-
-Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze,
-waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare
-houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen
-te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele
-sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen,
-die zich tegen de bekentenis van hare neiging verzetten. De blik,
-waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur
-had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las
-daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond
-moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van
-vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke
-reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn,
-die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten
-en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?
-
-Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over
-de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken
-en in plaats daarvan Diana's houding na te vorschen. »Welaan," zeide
-ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil
-ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel
-te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de
-heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en
-gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel."
-
-Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en
-een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime
-jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed,
-welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden,
-scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe,
-zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer
-ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks,
-innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet
-uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere
-argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene
-andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en
-meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik
-nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVII.
-
-
- Een stemme spreekt, gij hoort haar niet.
- Mij roept zij toe: o, vlied toch, vlied!
- Een hand zie ik.--Gij ziet haar niet.
- Mij wenkt zij toe: "O, blijf hier niet."
-
- Tickell.
-
-
-Beste vriend Tresham! Gij zult u wel herinneren, dat mijne
-avondbezoeken in de boekenkamer zelden anders dan na afspraak,
-en dan nog slechts in de tegenwoordigheid der oude Martha, plaats
-hadden. Dit was eene stilzwijgende overeenkomst, door mij zelf
-ingesteld. Sedert het vertrouwelijke verkeer tusschen Diana en mij
-door al meer bezwaren gestoord werd, waren wij des avonds nooit in die
-boekenkamer bijeen geweest. Diana kon dus ook niet veronderstellen,
-dat ik eene hernieuwing van die bijeenkomsten zou zoeken, nog minder,
-dat ik verzuimen zou, het te voren af te spreken, opdat de oude Martha,
-naar gewoonte haar post zou kunnen waarnemen: Die maatregel was echter
-alleen op eene soort van wederzijdsche schikking, volstrekt niet
-op een uitdrukkelijk bevel gegrond. De boekenkamer stond voor mij,
-even als voor ieder ander huisgenoot, elk uur van den dag open. Het
-kon dus geenszins als een ongeoorloofd, vermetel indringen beschouwd
-worden, zoo ik van dien toegang gebruik maakte, hoe onverwacht soms
-mijne verschijning dáár mocht zijn. Stellig geloofde ik, dat Diana
-in die kamer den priester, of iemand anders, door wiens oordeel zij
-gewoon was haar gedrag te laten besturen, nu en dan zag, en wel op
-een tijd, dat zij de minste stoornis behoefde te vreezen. Het licht,
-hetwelk de vensters der kamer op ongewone uren verlichtte; de voorbij
-zwevende schaduwen, welke ik zelf had opgemerkt; de voetstappen in
-den morgendauw, die men van het torenpoortje tot aan de achterdeur van
-den tuin ontdekte; de geluiden en gedaanten, welke eenige dienstboden,
-vooral de tuinman, gehoord en gezien en naar hunne meening verklaard
-hadden,--dit alles bewees voldoende, dat die plaats door iemand bezocht
-werd, die niet tot de gewone huisgenooten behoorde. Deze onbekende
-bezoeker moest, naar ik geloofde, tot Diana's lot in nauwe betrekking
-staan. Ik vatte het plan op, om te ontdekken wie of wat hij was,
-en in hoe verre zijn invloed goede of kwade gevolgen voor haar zou
-kunnen hebben. Mijn hoofddoel echter, ofschoon ik mij zelven trachtte
-te overreden, dat het slechts eene zeer ondergeschikte beweegreden was,
-om uit te vorschen, door welke middelen deze onbekende zijn invloed op
-Diana verkregen had, hoe hij dien voortdurend handhaafde, of haar door
-vrees, of door wezenlijke genegenheid en welwillendheid leidde. Deze
-jaloersche nieuwsgierigheid was natuurlijk thans mijn hartstocht. Mijne
-verbeelding wilde Diana's gedrag steeds uit den invloed van één enkelen
-persoon verklaren, ofschoon ook, naar hetgeen ik van de zaak wist,
-hare raadgevers meerderen konden zijn. Dit hield ik mij zelven dikwijls
-voor. Doch telkens kwam ik tot het eerste vermoeden terug, dat één
-enkel wezen, en wel een man, en waarschijnlijk een jong, schoon man,
-op den achtergrond de rol van Diana's bestuurder speelde. Brandend van
-verlangen om zulk een mededinger te ontdekken, of liever te betrappen,
-begaf ik mij naar den tuin, ten einde op het oogeblik te loeren,
-waarop de vensters der boekenkamer zouden verlicht worden.
-
-Mijn ongeduld was zóó groot, dat ik lang voor het donker was, wel
-een uur vóór schemeravond, in den tuin reeds de wacht hield. Het was
-op een Zondag; al de paden waren stil en verlaten. Ik wandelde een
-poos op en neder, en terwijl de zachte avondkoelte mij goed deed,
-dacht ik wat kalmer na over de waarschijnlijke gevolgen van mijne
-onderneming. De frissche, met de geuren van allerlei planten gekruide
-lucht, deed de koortsachtige hitte bedaren, die mijn binnenste scheen
-te verteren. Toen mijne ziel nu van lieverlede tot eene rustiger
-stemming was teruggekeerd, vroeg ik mij zelven af, wat mij eigenlijk
-het recht gaf, in de geheimen van Diana, of in die van mijn oom,
-mij nieuwsgierig in te dringen? Wat ging het mij aan, wien mijn oom
-in zijn huis wilde verbergen, waar ik immers zelf slechts als gast
-geduld werd? Welk recht had ik, om Diana's gangen na te sporen. Zij
-had mij zelve immers bekend, dat zij in een geheim gewikkeld was,
-dat zij volstrekt niet wilde uitgevorscht hebben.
-
-Maar mijn hartstocht en eigenzinnigheid hadden het antwoord op deze
-vraag gereed. Ontdekte ik den geheimen, onbekenden bezoeker, dan bewees
-ik mijn oom misschien een niet onbelangrijken dienst. Vermoedelijk
-wist hij niet, welke tooneelen er in zijn huis plaats hadden. En
-een nog veel belangrijker dienst kon ik Diana bewijzen, die, wegens
-hare openhartige en argelooze eenvoudigheid in het vertrouwelijke
-verkeer met een man, die wellicht van een dubbelzinnig of wel zelfs
-gevaarlijk karakter was, zich aan zoovele gevaren blootstelde. Ik
-trachtte weliswaar in haar geheimen door te dringen, maar ik had
-immers het grootmoedige, ja, zeide ik, het onbaatzuchtige oogmerk, om
-haar te leiden en te verdedigen, haar te beschermen tegen list, tegen
-boosheid, en bovenal tegen den geheimen raadgever, dien zij tot haren
-vertrouweling had gekozen. Dit waren de gronden. Mijne eigenzinnigheid
-nam die redeneeringen als echte munt aan. Mijn geweten deed als een
-koopman, die, hetzij dan gaarne of ongaarne, maar met elke betaling
-tevreden moest zijn, om niet in onmin met een goeden klant te geraken,
-ofschoon er sterke twijfel bestond, dat het valsch geld was.
-
-Ik wandelde de groene paden op en neer, over dit alles
-nadenkend. Plotseling zag ik den tuinman, voor een rij bijenkorven,
-als een standbeeld, in diepe beschouwing verzonken. Met het ééne oog
-sloeg hij het nijvere volkje gade, dat in zijne strooien woningen
-gedurende den naderenden nacht eene schuilplaats zocht, maar met het
-andere oog keek hij in een gebedenboek, dat door langdurig gebruik
-zijne hoeken verloren had, welke rond of afgesleten waren, zoodat
-het er als een antiquiteit uitzag.
-
-»Ik las daar juist een paar heilzame spreuken," dus begon hij. »Het
-boek is van den eerwaarden heer Quackleven, en heet: »Welriekende
-bloemen op den mesthoop van het leven gezaaid.""--Hij sloeg het boek
-dicht, na alvorens zijn bril tusschen de bladzijden gelegd te hebben,
-dáár waar hij in zijne aandacht door mij gestoord was.
-
-»Maar de bijen hebben u van uwe stichtelijke bezigheid toch min of
-meer afgetrokken, niet waar, vriend Andries?"
-
-»Ja, dat is een erg volkje!" antwoordde hij. »Zes dagen in de
-week kunnen zij arbeiden, en toch zwerven zij ook des Zondags,
-op den heiligen Sabbatdag, rond, en beletten niet zelden vrome
-Christenmenschen Gods woord te hooren. Maar heden werd er in onze
-kapel juist geene predikatie gehouden."
-
-»Ja, wanneer gij, als ik, in de dorpskerk geweest waart, dan zoudt
-gij eene voortreffelijke predikatie gehoord hebben," hernam ik.
-
-»Dank u, niets dan ijskoude soep--ijskoude soep!" riep Andries
-op minachtenden toon; »goed voor honden die ze willen opslorpen;
-neem het mij niet kwalijk! Jawel, een predikant in zijn witten kiel
-zijne preek hooren opdreunen en de muzikanten op den koop toe! Neen,
-dat is geen preken, dat is een boerenbruiloft houden. Dan kan ik even
-goed vader Docharty zijne mis hooren prevelen."
-
-»Docharty?" herhaalde ik--het was de naam van een ouden Ierschen
-priester, die soms in het kasteel de mis las.--»Ik meende dat pater
-Vaughan nog in het kasteel was. Gisteren was hij er ten minste."
-
-»Ja, maar hij is ook reeds gisteren weder vertrokken, om naar
-Greystock, of ergens die kanten uit, te gaan. Er is wat een
-beweging onder die lieden. Alles is ijverig bezig, even als
-mijne bijen. God vergeve het mij, dat ik die brave diertjes met de
-Papisten vergelijke. Zie eens, daar komt de tweede zwerm! Nu zullen
-zij denkelijk allen wel in rust zijn, en dus wensch ik u insgelijks
-goeden nacht, waarde heer. Gods genade zij met u!"
-
-Na dit gezegd te hebben, verwijderde de tuinman zich en wierp nog
-een afscheidsblik op zijne bijen. Ik had hem een voor mij belangrijk
-bericht te danken. Pater Vaughan was niet meer op het kasteel. Brandde
-er dus dien avond licht in de boekenzaal, dan kon het zeker het
-zijne niet wezen, of zijn gedrag was zeer geheimzinnig en ten hoogste
-verdacht. Met klimmend ongeduld verbeidde ik de schemering. Nauwelijks
-stond ik tegenover de vensters, toen er een flauw schijnsel in
-de boekenzaal zichtbaar werd. Wel was het wegens den nog niet
-geheel onder de kim gezonken gloed van het avondrood nauwelijks
-te onderscheiden, maar ik ontdekte het schijnsel zoo snel als een
-schipper het nog verre licht van een vuurtoren, waarheen hij zijn
-koers richt. Alle twijfel, elk opkomend gevoel van welvoegelijkheid,
-die tot dusver mijne nieuwsgierigheid en jaloezie bestreden hadden,
-verdwenen, toen zich de gelegenheid opdeed, om de beide genoemde
-driften te bevredigen. Ik keerde naar het kasteel terug. Ik kwam,
-de meer bezochte gangen en kamers vermijdende, aan de deur van de
-boekenzaal. Met den sleutel, om de deur te openen, reeds in de hand,
-toefde ik nog een oogenblik. Ik hoorde zachte voetstappen. Eindelijk
-opende ik de deur en vond--Diana alleen.
-
-Zij was verrast over mijne plotselinge verschijning; misschien ook
-over iets anders, ik kon het niet bepalen. Maar in haar geheele
-voorkomen heerschte eene zoo zichtbare onrust, als ik nog nooit bij
-haar opgemerkt had. Naar mijn oordeel, kon die slechts het gevolg van
-eene ongewone gemoedsbeweging zijn. In een oogwenk bedaarde zij echter,
-terwijl ik, zoo sterk is het geweten, ik, die haar wilde verrassen,
-ten uiterste verrast en het meest verlegen voor haar stond.
-
-»Wat nieuws brengt gij?" vroeg zij. »Is er iemand op het kasteel
-gekomen?"
-
-»Voor zoo ver ik weet, niemand," antwoordde ik een weinig verward;
-»ik zocht slechts mijn Ariosto."
-
-»Daar ligt hij," zei Diana, op tafel wijzende.
-
-Terwijl ik eenige boeken ter zijde schoof, om te vinden wat ik
-voorwendde te zoeken, overlegde ik, op welke wijze ik mij met goed
-fatsoen uit dezen neteligen toestand zou kunnen redden. Ik moest
-van eene kampplaats, waarop mijne krachten te kort schoten, mij maar
-terugtrekken. Daar zag ik plotseling een manshandschoen op de tafel
-liggen. Mijn oog ontmoette Diana's oog, en haar gelaat werd vuurrood.
-
-»Het is een van mijne reliquiën," zeide zij met een vaste stem,
-terwijl zij niet mijne woorden, maar alleen den op haar geworpen
-blik beantwoordde; »het is een der handschoenen van mijn grootvader,
-het origineel dier fraaie schilderij van Van Dijck, die gij zoo
-zeer bewondert."
-
-Zij scheen zelve te gelooven, dat meer dan eene bloote verzekering
-noodig was om mij te overtuigen, en eene schuiflade openende, nam zij
-daaruit een anderen handschoen, dien zij mij toewierp. Wanneer een van
-natuur geheel openhartig gemoed zich tot dubbelzinnigheid en veinzerij
-laat verleiden, gebeurt het niet zelden dat de angstvallige onrust,
-waarmede de ongewone arbeid verricht wordt, den toehoorder aan het
-twijfelen brengt. Ik wierp een snellen blik op de beide handschoenen
-en antwoordde ernstig: »De handschoenen gelijken elkander in vorm
-en bewerking vrij goed, maar zij zijn geen paar; het zijn beide
-rechtsche."
-
-Diana beet zich op de lippen en kleurde nogmaals sterk.
-
-»Gij hebt gelijk dat gij mij volstrekt niet verschoont," zeide zij met
-bitterheid. »Andere vrienden zouden uit hetgeen ik gezegd heb slechts
-geoordeeld hebben, dat ik geen lust had, om verklaringen wegens eene
-omstandigheid te geven, die geene verklaring behoeft, ten minste niet
-voor een vreemde. Gij hebt intusschen beter geoordeeld, en mij doen
-gevoelen, dat dubbelhartigheid laag, en veinzerij voor mij eene zeer
-moeielijke zaak is. Thans zeg ik u stellig, dat deze handschoen niet
-tot dien anderen behoort, zoo als gij scherpzinnig op- en aangemerkt
-hebt. Hij behoort een vriend, die mij nog dierbaarder is dan het
-oorspronkelijke van dit portret--een vriend, wiens raadgevingen mij
-geleid hebben en nog verder zullen leiden--een vriend, dien ik eer,
-dien ik....."
-
-Zij zweeg. Ik was door deze gedeeltelijke bekentenis niet weinig
-verstoord en vulde terstond hare afgebroken woorden op mijne manier
-aan; »dien zij bemint, wilde freule Vernon zeggen?"
-
-»En al wilde ik dit zeggen," antwoordde zij op fieren toon, »wie zou
-dan het recht hebben om mij wegens mijne genegenheid ter verantwoording
-te roepen?"
-
-»Ik niet freule, ik niet! zooveel vermetelheid bid ik u mij vooral
-niet toe te schrijven. Maar," vervolgde ik met nadruk, want ik was
-nu insgelijks min of meer boos geworden, »ik hoop, dat freule Vernon
-een vriend vergiffenis zal willen schenken, al schijnt zij hem dezen
-naam te willen ontnemen, wanneer hij opmerkt dat...."
-
-»Hij merkt niets op, mijnheer Osbaldistone!" viel zij mij in de
-rede. »Want ik wil noch verdacht noch ondervraagd worden. In de gansche
-wereld leeft niemand, door wien ik mij wil laten beoordeelen. Hebt gij
-dezen ongewonen tijd uitgekozen, om mijne geheimen op het spoor te
-komen, dan is de vriendschap of deelneming, welke gij voor mij zegt
-te gevoelen, slechts de verachtelijke dekmantel van uwe onbeleefde
-nieuwsgierigheid."
-
-»Ik dank u en ik zal u ontslaan van mijne tegenwoordigheid!" hernam
-ik, even trotsch als zij, »ik ontwaak uit een aangenamen, maar
-bedriegelijken droom, en--maar wij verstaan elkander thans!"
-
-Met deze woorden stond ik aan de deur der zaal, toen Diana, wat niet
-zelden gebeurde, door eene plotselinge aandoening overweldigd, naar
-mij toe snelde, mijn arm vatte en mij tegenhield, terwijl zij daarbij
-die gebiedende houding aannam, van welke zij zich soms zoo goed wist te
-bedienen, en die dan, in tegenoverstelling met de gulle eenvoudigheid
-van haar gewone houding, zulk een krachtigen invloed kon oefenen.
-
-»Blijf, neef Frans, blijf!" zeide zij. »Op deze wijze moet gij niet
-van mij scheiden. Ik ben volstrekt niet zoo rijk aan vrienden, dat ik
-zelfs de ondankbaren en baatzuchtigen zou kunnen verstooten. Hoor
-naar hetgeen ik u zeg, mijnheer Frans Osbaldistone! Van dezen
-geheimzinnigen handschoen zult gij niets vernemen,--dit zeggende
-hield zij den handschoen in de hoogte--»volstrekt niets: neen,
-geen woord meer dan gij reeds weet, en nochtans zal hij tusschen
-ons geen veetehandschoen worden. Mijn verblijf hier," vervolgde zij,
-tot een zachteren toon overgaande, »kan niet lang meer duren; het uwe
-moet nog korter zijn. Wij zullen spoedig scheiden en elkander nooit
-wederzien. Laat ons niet twisten. Laat mijn geheimzinnig ongeluk
-het voorwendsel niet worden, om de weinige uren te verbitteren,
-welke wij aan deze zijde van het graf nog bij elkander zullen zijn."
-
-Ik weet niet door welke macht dit betooverend wezen eene zoo volkomene
-heerschappij over een gemoed erlangde, dat ik zelf niet altijd in
-staat ben te beheerschen. Bij het binnentreden der boekenzaal had ik
-besloten, Diana te dwingen tot eene verklaring die mij bevredigde. Zij
-had mij die met bitse fierheid geweigerd, mij onbewimpeld bekend,
-dat een medeminnaar bij haar boven mij de voorkeur had.--Hoe toch
-kon ik de voorrechten, welke de geheimzinnige vertrouweling genoot,
-anders verklaren? En ondanks dit alles, toen ik de kamer verlaten en
-met haar voor altijd breken wilde, behoefde zij slechts van toon te
-veranderen, een eenigszins vriendelijker oog op mij te werpen, en, in
-plaats van eene trotsche gevoeligheid, een minzame en, als ware het,
-schertsende macht te toonen, waarbij ernst en weemoed samensmolten. Ik
-liet mij gewillig en onderdanig weder naar mijn stoel leiden.
-
-»Wat baat het?" zeide ik, toen ik ging zitten. »Wat kan het
-baten? Waarom zou ik getuige van moeielijkheden zijn, waarvan ik u
-niet kan ontheffen, van geheimen, welke ik niet eens mag trachten te
-onthullen, zonder u te beleedigen! Hoe weinig ondervinding gij ook
-hebben moogt, het kan u toch niet onbekend zijn, dat eene schoone jonge
-vrouw slechts één vriend kan hebben. Zelfs bij mijn vriend zoude ik
-jaloersch zijn op een onbekenden, geheimzinnigen vertrouweling maar
-bij u...."
-
-»Gij lijdt dus aan jaloezie--aan al de kwellingen van dezen
-beminnelijken hartstocht? Zeg eens, gedurende den ganschen tijd hebt
-gij vaak niets anders uitgebracht dan die praatjes, die domkoppen
-in tooneelspelen en romans vinden, en dan zoolang napraten, tot die
-wartaal hen heelemaal in haar macht heeft? Knapen en meisjes babbelen
-op die wijze voort, tot zij echt verliefd worden. En als hunne liefde
-slaperig wordt, babbelen zij op dezelfde wijs al weder tot zij heusch
-jaloersch worden en aan het twisten geraken. Gij en ik moeten toch
-verstandig genoeg zijn om ons niet aan deze kinderachtigheden schuldig
-te maken. Wij mogen voor elkander niets anders dan vriendschap, gulle,
-vertrouwelijke, onbaatzuchtige, ware vriendschap koesteren. Elke andere
-betrekking tusschen ons is onmogelijk. Laat mij openhartig spreken--"
-voegde zij er na eenig stilzwijgen bij-- --»hoewel ik daarbij iets te
-kort moet doen aan hetgeen de vrouw betaamt en over mijne oprechtheid
-een weinig moet blozen. Wij kunnen nooit met elkander huwen, al zouden
-wij het ook willen. En wij zouden het niet mogen, al konden wij het."
-
-En toen zij deze wreede verklaring deed, overtoog het liefelijkste
-rood haar gelaat. Ik wilde hare beide stellingen bestrijden,
-zonder aan het vermoeden te denken, hetwelk zich dien avond zoo zeer
-bevestigd had. Doch zij vervolgde met ijskoude bedaardheid, die bijna
-strengheid mocht heeten: »Wat ik zeg, is eene eenvoudige, onbetwistbare
-waarheid, waarheid, waarover ik noch vragen noch verklaringen wil
-hooren.--Wij zijn dus vrienden, mijnheer Osbaldistone, niet waar? Wij
-zijn vrienden?--" Zij reikte mij de hand toe, en de mijne vattende,
-voegde zij er op denzelfden toon bij: »voor heden en in de toekomst
-volstrekt niets anders voor elkander dan vrienden!"
-
-Zij liet mijne hand los, die neerzonk, terwijl mijn hoofd insgelijks de
-onwillekeurige beweging mijner hand volgde. Ik was door hare goedheid
-en haar ernstigen wil geheel overweldigd.
-
-Schielijk gaf Diana aan het gesprek eene andere wending.--»Hier is een
-brief," zeide zij. »Het adres luidt duidelijk aan u. Maar in weerwil
-van al de voorzichtigheid waarmede de afzender hem verzonden heeft,
-zou hij u misschien niet ter hand zijn gekomen, indien hij niet een
-betooverden dwerg in handen ware gevallen, dien ik, even als alle
-met rampen worstelende prinsessen uit de sprookjes, in mijn geheimen
-dienst heb."
-
-Ik opende den brief, liep hem schielijk door, het papier ontviel mijne
-hand. »O God!" riep ik uit: »door mijne dwaasheid en ongehoorzaamheid
-heb ik mijn vader ongelukkig gemaakt!"
-
-Diana sprong op, zichtbaar bewogen en bekommerd.--»Gij wordt bleek,
-gij valt in onmacht. Zal ik u water geven? Verman u, mijnheer
-Osbaldistone! herstel u! Wat is er gebeurd? Uw vader--leeft hij
-niet meer?"
-
-»Hij leeft, God zij dank!" hernam ik, »maar in welken bitteren nood!"
-
-»Is het anders niet, dan behoeft gij waarlijk nog niet te wanhopen. Mag
-ik den brief lezen?" vroeg zij, het schrijven opnemende.
-
-»O ja," zeide ik, zonder inderdaad te weten wat ik zeide. Zij las
-den brief met zeer veel aandacht.--»Wie is die Tresham, die den brief
-onderteekend heeft?"
-
-»Mijns vaders compagnon, die zich echter weinig met de handelszaken
-van ons huis bemoeit."
-
-»Hij spreekt hier van verscheidene brieven, welke vroeger aan u
-verzonden zijn," vervolgde Diana.
-
-»Ik heb tot nu toe nog volstrekt geen anderen brief dan dezen
-ontvangen," antwoordde ik.
-
-»En Rashleigh, die sedert uws vaders vertrek naar Holland de zaken
-bestuurde, zou sedert eenigen tijd met eene aanzienlijke som gelds
-van Londen naar Schotland zijn vertrokken, om daar eenige wissels te
-betalen en men heeft na dien tijd niets meer van hem vernomen?"
-
-»Alles maar al te waar!"
-
-»En dan heeft men,"--vervolgde Diana, den brief inziende, »een
-boekhouder, of zoo iets--Owen heet hij--naar Glasgow gezonden, om
-Rashleigh, zoo mogelijk, op te sporen, en men verzoekt u, insgelijks
-derwaarts te vertrekken, ten einde hem in zijne nasporingen behulpzaam
-te zijn."
-
-»Zoo is het, en ik moet oogenblikkelijk afreizen."
-
-»Maar één enkel oogenblik geduld!" viel Diana mij in de rede. »Het
-schijnt, dat het ergste wat er in staat, het verlies van eene som
-geld is. Kan dat u tranen doen storten, mijnheer Osbaldistone? Schaam
-u! Over een som geld!"
-
-»Gij doet mij onrecht," antwoordde ik. »Dat verlies is volstrekt
-niet de reden van mijne hevige ontroering. Mij treft het besef van de
-uitwerking, welke dit ongeval op mijns vaders zwakke gezondheid zal
-hebben. Het vertrouwen van den handel staat bij hem op even hoogen
-prijs, als de eer. Als deze gebeurtenis oorzaak is, dat de op hem
-getrokken en door hem geaccepteerde wissels door dit verlies niet
-op den vervaltijd betaald worden, dan weet ik zeker, dat met het
-eerste protest van zulk een wissel ook zijn doodvonnis zal geteekend
-zijn. En dit alles had ik kunnen voorkomen door een gering offer
-van mijne dwaze trotschheid, door het bedwingen van mijn tegenzin
-in nuttige werkzaamheden, die mij weerhield, om mijn vader in zijn
-eervol beroep behulpzaam te zijn. O God! hoe zal ik de gevolgen mijner
-dwaling herstellen!"
-
-»Gij moet terstond naar Glasgow vertrekken, zoo als uw vriend u
-verzoekt," hernam Diana.
-
-»Maar als Rashleigh wezenlijk het schandelijke en gewetenlooze oogmerk
-heeft, om zijne weldoeners te berooven, hoe zou ik dan middelen kunnen
-vinden om zulk een listig ontworpen plan te verijdelen?"
-
-»De uitslag is trouwens onzeker, maar het zou u volstrekt onmogelijk
-wezen, uw vader van eenig nut te zijn, als gij hier bleeft. Bedenk
-dit wel. Hadt gij u op de plaats bevonden die voor u bestemd was,
-dan zou dit ongeluk niet hebben kunnen gebeuren. Maar spoed u nu
-daarhenen, waar men u verwacht, en misschien kan alles nog hersteld
-worden. Doch wacht een oogenblik en blijf hier, tot ik terugkom."
-
-Zij liet mij alleen in hevige verwarring en ontroering. En te midden
-daarvan bleef ik de vastberadenheid en tegenwoordigheid van geest
-bewonderen, welke Diana zelfs bij de meest verrassende ongevallen
-scheen te behouden.
-
-Weldra kwam zij terug en had een papier in de hand, dat als een
-brief gevouwen en gezegeld, maar zonder opschrift was. »Dit bewijs
-van mijne vriendschap zal ik u toevertrouwen," zeide zij, »daar ik
-mij met zekerheid op uw eergevoel verlaat. Begrijp ik het wel, hoe
-het eigenlijk met die netelige zaak gelegen is, dan moeten die gelden,
-welke Rashleigh medegenomen heeft, voor wissels op zekeren dag, ik meen
-den 12den September, uitbetaald worden. Kan men nu vóór dien tijd eene
-voldoende som daarvoor vinden, dan is uws vaders krediet behouden?"
-
-»Juist, zoo begrijp ik den inhoud van den brief eveneens," antwoordde
-ik, en voegde, toen ik het schrijven zelf nog eens had ingezien,
-er bij: »het is zoo, het kan niet anders zijn."
-
-»Welaan, in dat geval kan mijn gedienstige geest u van nut worden,"
-vervolgde Diana. »Ik heb u gezegd, dat er eene tooverkracht in den
-brief is. Neem hem, open hem echter niet eerder, dan wanneer andere
-gewone middelen tot redding vruchteloos blijken te zijn. Wanneer gij
-door uwe eigen pogingen uw doel bereikt, dan vertrouw ik op uwe eer,
-dat gij den brief verbranden zult, zonder hem te openen of te laten
-openen. Gebeurt dit echter niet, dan moogt gij hem ontzegelen,
-maar slechts tien dagen vóór den noodlottigen tijd, en dan zult
-gij aanwijzingen vinden, die u voorzeker van nut zullen kunnen
-worden. Vaarwel Frans, wij zien elkander nooit weder, maar denk
-somwijlen aan uwe vriendin Diana Vernon!"
-
-Zij reikte mij de hand toe, maar ik drukte haar aan mijn hart. Zij
-vergunde mij gelaten deze omarming. Zij zuchtte, toen zij zich
-losmaakte. Een oogenblik later was zij verdwenen door de deur, die
-naar hare eigene kamer leidde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XVIII.
-
-
- Voort ging 't! voort maar! hop, hop, hop!
- Al voort! in bruisenden galop,
- Dat ros en ruiter snoven,
- En stof en vonken stoven.
-
- Bürger.
-
-
-Het is hard, als op den mensch allerlei ongelukken van verschillenden
-aard tezamen instormen. En toch ligt daarin het voordeel dat door
-de verstrooiing, die hunne tegenstrijdige werking op het gemoed doet
-ontstaan, geen der onheilen hem geheel en al overweldigt. Het scheiden
-van Diana smartte mij diep; maar nochtans niet zoo zeer, dat ook
-het ongeluk, hetwelk mijn vader dreigde, mijn geest niet zou hebben
-bezig gehouden, terwijl weder die Jobstijding mij minder bekommerde,
-omdat ze niet het eenige voorwerp van bezorgdheid voor mij was.
-
-Niet dat ik een wuft minnaar, of een gevoellooze zoon was. Maar
-een mensch wijdt slechts een zeker deel van zijne smartelijke
-gewaarwordingen aan de oorzaak, waardoor zij verwekt worden. En wanneer
-twee daarvan tegelijk werken, dan moet onze deelneming noodzakelijk,
-even als de percent's gewijze betaling van een bankroetier, tusschen
-allen verdeeld worden. Met zulke gedachten kwam ik in mijne kamer. Het
-was alsof ik reeds op weg was naar de koopmansberekeningen.
-
-Ik begon mijns vaders brief ernstig te overwegen. De inhoud was
-mij nog niet zeer duidelijk. Ik werd ten opzichte van verscheidene
-omstandigheden naar Owen verwezen, dien ik te Glasgow aan het kantoor
-van de heeren Mac-Vittie, Mac-Fin en Compagnie moest zoeken. Bij
-de vermelding van verscheidene vroeger aan mij afgezonden brieven,
-die verloren of onderschept moesten zijn, klaagde men over mijn
-halsstarrig zwijgen in uitdrukkingen, die zeer onbillijk zouden zijn
-geweest, wanneer mijne brieven ter plaatse van hunne bestemming waren
-gekomen. Ik was schier buiten mij zelven van verbazing. Ik twijfelde
-er geen oogenblik aan, dat Rashleigh's geest rondom mij zweefde,
-en dat hij de zwarigheden, die mij omringden, als spoken opriep. Ik
-schrikte voor de gedachte, toen ik overwoog hoe veel laaghartigheid
-en macht hij tot de uitvoering van zijne ontwerpen moest gebruikt
-hebben. Om mij ten minste in één opzicht recht te laten wedervaren,
-wil ik niet verzwijgen dat het scheiden van Diana Vernon, hoe het
-mij ook op een anderen tijd zou ter neer geslagen hebben, mij thans
-minder trof, dan de gedachte aan de gevaren die mijn vader dreigden. Ik
-zelf hechtte weinig aan rijkdom, en meende, even als de meeste jonge
-lieden van levendige fantasie, dat ik gemakkelijker het bezit van
-geld ontberen kon, dan mijn tijd en mijne bekwaamheden opofferen voor
-de werkzaamheden, waardoor het moest verkregen worden. Maar ik wist
-dat mijn vader het verlies van zijn vermogen voor een onherstelbaar
-ongeluk zou houden, waarvoor het leven hem geen troost verschaffen
-en de dood alleen het eenige redmiddel zijn kon.
-
-Mijn geest ontwikkelde, bij de overweging hoe dit ongeluk af te
-weren, eene kracht, welke het eigenbelang nooit zou opgewekt hebben,
-wanneer het mijn eigen vermogen gegolden had. Ik nam het besluit,
-reeds den volgenden dag het kasteel te verlaten en Owen in Glasgow
-op te zoeken. Ik oordeelde het raadzaam, dit besluit aan mijn oom
-eenvoudig bekend te maken door een brief, waarin ik hem voor de bij
-hem genoten gastvrijheid mijn dank betuigde, en hem tevens verzekerde
-dat eene dringende en zeer gewichtige aangelegenheid mij belette,
-hem mondeling daarvoor te danken. Ik wist wel, dat de oude eenvoudige
-ridder mij gemakkelijk verontschuldigen zou, en ik geloofde zoo vast
-aan Rashleigh's wijd uitgebreide en vermetele macht, dat ik inderdaad
-vreesde dat hij, als ik mijn vertrek openlijk zou hebben aangekondigd,
-middelen zou gevonden hebben, om deze reis te verhinderen. Zijne
-verdere plannen zouden immers door mijne reis worden belemmerd.
-
-Ik besloot, mij met het aanbreken van den dag te verwijderen, ten einde
-ongehinderd over de naburige Schotsche grenzen te komen, waarvan het
-welgelukken mijner onderneming afhing. Ik kende noch den kortsten,
-noch over het geheel eenigen weg naar Glasgow. In deze verlegenheid,
-daar spoed thans van het hoogste belang was, viel mijne gedachte op
-den tuinman Andries, van wien ik eenige inlichting kon verwachten. Hoe
-laat het ook reeds was, ik begaf mij terstond naar zijne woning, die
-niet ver van den buitenmuur van den tuin lag. Het was een aardig,
-van ruwe steenen gebouwd en door groote berkeboomen overschaduwd
-huis; een beekje kronkelde erlangs, terwijl het ook een bloemperk
-en moestuintje had; uit dit laatste verschafte zich de bewoner de
-behoeften voor zijne tafel; eene koe, die hem boter en melk verstrekte,
-had ook hare behoorlijke stalling.
-
-Toen ik deze woning naderde, hoorde ik een geluid, dat zich in
-langgerekte neustonen oploste. Mijne eerste gedachte was, dat Andries,
-volgens de goede gewoonte zijner landslieden, eenige buren tot eene
-avondoefening, zoo als zij het noemden, bij zich vereenigd had. Hij had
-vrouw noch kinderen, noch andere vrouwelijke huisgenooten. »De eerste
-man," zeide hij doorgaans, »had al genoeg van dat vee gehad." Maar soms
-wist hij toehoorders uit de rondom wonende Katholieken en aanhangers
-der bisschoppelijke kerk bij zich te verzamelen--»brandhouten uit het
-vuur weggerukt," zoo als hij ze noemde--en dan oefende hij aan hen
-zijne geestelijke gaven, in spijt van pater Vaughan, pater Dotharty,
-Rashleigh en alle naburige Katholieken die hem, wegens deze onwettige
-uitoefening van hunne ambtsbediening, voor eene soort van ketterschen
-beunhaas verklaarden. Ik dacht, dat ook nu zijne woning tot een
-bedehuis voor zulk een gezelschap diende. Maar bij aandachtiger
-luisteren scheen mij het geluid uit de longen van den tuinman alleen
-te komen. Toen ik het door mijn binnentreden afbrak, vond ik hem
-werkelijk geheel alleen. Tot zijne stichting las hij een godgeleerd
-twistschrift en raffelde, zoo goed als hij kon, al de lange woorden
-en moeielijke namen achter elkander af.
-
-»Juist zocht ik een zalvende plaats of spreuk op bij den eerwaarden
-doctor Lichtfoot," zeide hij, terwijl hij den foliant ter zijde legde.
-
-»Lichtfoot?" hernam ik, met verwondering op den foliant ziende. »Uw
-schrijver heeft een vrij ongepasten naam."
-
-»Ja, Lichtfoot heet hij, waarde heer, maar hij was een heel ander
-godgeleerde, dan die van onzen tegenwoordigen tijd. Nu neem het mij
-niet kwalijk dat ik u zoo lang voor de deur liet staan, maar ik had
-heden avond een heel spul met een spook--God behoede ons!--en toen
-wilde ik niet gaarne opendoen, voor dat ik mijne avondoefening verricht
-had. Juist had ik het vijftiende kapittel van Nehemiah geëindigd. Als
-dat geen spook kan bedwingen, dan weet ik er niets van."
-
-»Met een spook hadt ge te doen?" vroeg ik, »hoe moet ik dat verstaan,
-Andries?"
-
-»Nu ja, het wilde op mij los, God bewaar me!"
-
-»Op u los? Wat beteekent dat toch?"
-
-»Nu ja, ik meen eigenlijk niet, dat het mij te lijf wilde--maar het
-verschrikte mij geweldig."
-
-»Nu, mij is het wel. Genoeg daarvan! Ik wenschte gaarne te weten,
-of gij mij den naasten weg naar een zekere plaats van uw land,
-Glasgow genaamd, kunt wijzen?"
-
-»Eene plaats, Glasgow genaamd?" herhaalde Andries. »Glasgow is een
-zeer groote stad, waarde Heer. Of ik den weg naar Glasgow ken? Wat
-een vraag? Die stad ligt dicht bij mijne geboorteplaats; mijne
-geboorteplaats ligt alleen een beetje meer westelijk. Maar wat hebt
-gij toch in Glasgow te zoeken?"
-
-»Bijzondere zaken roepen mij daarheen."
-
-»Dat is met andere woorden: vraag mij niet verder. Nu, ik zal u
-niet lastig vallen. Naar Glasgow?" vervolgde hij, na eene poos
-zwijgens. »Mij dunkt, gij deedt beter, als gij een gids medenaamt."
-
-»Ja, kon ik er maar een vinden, die den weg kent."
-
-»En gij zoudt dan zeker voor verzuimden tijd en genomen moeite goed
-schadeloos stellen?"
-
-»Welzeker. Ik heb groote haast, en wanneer gij voor mij een knaap
-opsporen kunt, die mij vergezellen wil, kunt gij hem tevens verzekeren
-dat ik hem goed zal betalen."
-
-»Hoor eens, mijnheer, heden is het Zondag," vervolgde Andries, naar mij
-opziende, »en dan mag men zich met geene wereldsche zaken bezig houden,
-anders zou ik u wel eens willen vragen, wat gij er voor over hebt,
-als ik u een flinken gids bezorg, die de namen der kasteelen van al
-de edellieden langs dien weg weet op te noemen, en met de betrekkingen
-van die edellieden even goed als met zijne eigen familie bekend is."
-
-»Ik zeg u immers, dat ik alleen den weg behoef te weten. De gids zal
-met mijne betaling tevreden zijn."
-
-»Dat doet er niets toe!" hernam Andries. »De man, dien ik bedoel,
-kent alle zijpaden, alle voetpaden door het gebergte."
-
-»Ik heb geen tijd om thans langer te praten of u te hooren praten,
-mijn beste Andries. Breng de zaak maar voor mij in orde zoo als gij
-wilt, en gij zult mij een grooten dienst bewijzen."
-
-»Nu, dat laat zich hooren," hernam Andries. »Als het zoo is, en niet
-anders, dan zal ik, om alle verdere moeite te besparen, u maar zelf
-den weg wijzen."
-
-»Gij, Andries? Maar hoe kunt gij zoo plotseling uw dienst verlaten?"
-
-»Ik heb u immers gezegd," antwoordde de tuinman, »dat ik reeds sedert
-lang dit voornemen gekoesterd heb, reeds sedert het eerste jaar van
-mijn dienst; en nu zal het daarmede eindelijk eens ernst worden. Beter
-laat dan nooit."
-
-»Dus wilt gij uw dienst vaarwel zeggen en uw loon in den steek
-laten?" vroeg ik.
-
-»Nu ja, er zal iets aan moeten opgeofferd worden, dat spreekt van
-zelf. Maar ik heb nog eenig geld van onzen heer onder mij, van de
-appelen, weet ge, uit dien ouden boomgaard.--Ja, de lieden, die dat
-onrijpe goed gekregen hebben, zijn er leelijk mede gefopt! En toch is
-onze heer zoo happig naar dat geld, en onze rentmeester maant er mij
-zoo dringend om, alsof het voor gouden pippelingen ontvangen was. Ook
-heb ik nog eene kleinigheid in geld voor verkochte zaden in handen,
-en zoo denk ik, zal ik mijn loon wel kunnen vinden. Maar wanneer wij
-naar Glasgow gaan, zult gij toch wel in aanmerking gelieven te nemen,
-dat ik gevaar loop eenig verlies te lijden. Gij zult waarschijnlijk
-spoedig vertrekken?"
-
-»Met het krieken van den dag."
-
-»Dat is toch wat al te vlug! Van waar krijg ik een paard? Maar stil,
-ik weet er al een, dat juist voor mij geschikt is."
-
-»Dan vinden wij elkander morgen vroeg te vijf ure heel aan het
-vooreinde van de laan."
-
-»Ik zal er zijn, gij kunt er u gerust op verlaten!" zeide Andries
-welgemoed. »Maar wilt gij mijn raad volgen, laat ons twee uren vroeger
-vertrekken, ik ken den weg bij dag en bij nacht."
-
-Gaarne gaf ik mijne toestemming tot dat voorstel, en wij maakten
-afspraak om elkander den volgenden morgen te drie ure op de bestemde
-plaats te ontmoeten.
-
-Plotseling herinnerde zich mijn aanstaande reisgenoot zijn
-spook. »Maar, maar," zeide hij, »dat spook, dat spook zou ons kunnen
-overvallen, en niet gaarne zou ik tweemaal in de vier en twintig uren
-daarmede opgescheept zijn."
-
-»Gekheid!" riep ik in het heengaan. »Vrees toch niet voor wezens
-uit de andere wereld! Hier op aarde zijn booze geesten genoeg, die
-zonder bijstand van den Satan en zijne booze geesten, al erg genoeg
-klaar spelen."
-
-Met deze woorden keerde ik naar het kasteel terug, maakte schielijk
-de noodige toebereidselen tot mijne reis, laadde mijne pistolen
-en wierp mij toen op 't bed, om, zoo het zijn kon, nog eene korte
-rust te genieten, voor dat ik de lange reis ondernam, die niet
-zonder moeielijkheden en onaangenaamheden zou zijn. Uitgeput door
-de hevige aandoeningen, welke mij geschokt hadden, viel ik weldra in
-een diepen slaap, maar toen de klok van het kasteel twee ure sloeg,
-werd ik wakker, stond schielijk op, ontstak het licht, schreef den
-voor mijn oom bestemden brief, en nadat ik de allernoodigste kleederen
-in mijn valies had gepakt, begaf ik mij naar beneden en kwam, zonder
-eenige hindernis te ontmoeten, in den stal. Ofschoon ik nu wel geen
-volmaakte stalknecht was, zoo als mijne neven, had ik toch gedurende
-mijn verblijf op het kasteel Osbaldistone geleerd mijn paard te tuigen
-en te zadelen, ik was dan ook in weinige minuten daarmede gereed.
-
-Toen ik nu de oude laan, waarop de afnemende maan haar flauw schijnsel
-wierp, opreed, zag ik met een diepen zucht terug naar het gebouw
-waar Diana woonde, en het denkbeeld, dat wij misschien voor altijd
-van elkander gescheiden waren, deed mij onbeschrijfelijk leed.
-
-»Zij is reeds voor mij verloren!" zeide ik in mij zelf, terwijl mijn
-oog te vergeefs uitzag naar het venster van hare kamer in den langen
-Gothischen muur van het kasteel, waarvan de tinnen spookachtig wit
-in den maneschijn uitstaken.--»Zij is reeds voor mij verloren, eer
-ik nog uit hare nabijheid ben! Hoe zou ik kunnen hopen, als er mijlen
-afstand tusschen ons liggen, haar te herwinnen."
-
-In deze sombere droomerijen verdiept, hoorde ik de klok van het
-kasteel drie uren slaan.
-
-Dicht tegen den tuinmuur zag ik een man te paard wachten, doch ik moest
-wel driemaal hoesten en Andries roepen, eer de kerel antwoordde: »ja,
-ja, het is Andries!"
-
-»Vooruit dan!" zeide ik, »en zwijg, zoo gij kunt, tot wij door het
-dorp in het dal zijn."
-
-Andries reed nog veel sneller dan ik eigenlijk wenschte. Hij nam
-mijn bevel om stil te zwijgen zoo stipt in acht, dat hij mij zelfs
-met geen enkel woord antwoordde, toen ik hem herhaalde malen naar
-de oorzaak van dezen noodeloozen spoed vroeg. Eindelijk hadden wij
-langs allerlei zijpaden, welke Andries zeer goed kende, een goed eind
-wegs afgelegd, en kwamen nu over een wijduitgestrekte heide spoedig
-aan de kale heuvels, die Engeland van Schotland scheiden. Het pad,
-of liever het spoor, dat wij thans volgden, was steenachtig en vrij
-ongemakkelijk, maar desniettemin reed Andries steeds op een fikschen
-draf vooruit. Ik was verwonderd en misnoegd over zijne eigenzinnigheid,
-daar wij hier wegens den oneffen bodem telkens gevaar liepen, om
-langs de steile afgronden, die ons links en rechts aangrijnsden,
-door het struikelen van onze paarden een ernstig ongeluk te krijgen,
-of misschien zelfs het leven te verliezen. De maan scheen nog zeer
-flauw. Soms reden wij onder de schaduw van hooge bergruggen in eene
-zoo dichte duisternis, dat ik mijn voorrijder niet meer zien kon,
-en slechts de hoefslag van zijn paard en de vonken, welke het uit
-de steenen sloeg, mij zijn spoor aanduidden. De snelle beweging
-en de oplettendheid, die ik wegens mijne eigen veiligheid aan mijn
-paard moest wijden, hadden eerst de weldadige uitwerking, dat zij
-mijn geest van mijn vele smartelijke overdenkingen afleidden. Toen
-ik echter den tuinman eene geruime poos vruchteloos toegeroepen had,
-werd ik innig boos over zijne halsstarrigheid, daar hij mij noch wilde
-gehoorzamen, noch eenig antwoord geven. Maar mijn toorn was, helaas,
-machteloos. Een paar maal trachtte ik hem in te halen, om hem mijn
-misnoegen eens ernstig te doen gevoelen, maar zijn paard was veel
-beter dan het mijne. Hij raadde mijn doel en reed steeds sneller,
-zoodra hij merkte dat ik hem naderbij kwam. Van boosheid kwam ik bijna
-buiten mij zelven, en eindelijk dreigde ik hem, mijne pistolen op hem
-te zullen losbranden. Dit maakte meer indruk, dan alle vriendelijke
-beden. Hij reed langzamer. Maar toen ik dicht bij hem was, begon hij:
-»het is waarachtig wat te zeggen, langs zulk een ellendigen weg te
-moeten rijden!"
-
-»Maar zeg eerst waarom zijt gij zoo snel gereden?" antwoordde ik
-driftig. Men wordt in den regel driftiger, als men even te voren
-eerst een weinig vrees gevoeld heeft.
-
-»Maar wat wenscht u dan, waarde heer?" vroeg Andries met onwrikbaren
-ernst.
-
-»Wat ik wensch, schelm? Heb ik u niet reeds een geheel uur toegeroepen
-langzamer te rijden, en gij hebt mij niet eens geantwoord! Zijt gij
-dronken of gek?"
-
-»Ja, waarde heer," hernam Andries; »ik heb eigenlijk, eer ik mijn
-huisje, waar ik zoo lang gewoond had, verliet, een klein slokje
-genomen tot afscheid. Zie, ik wil met de zuivere waarheid voor den
-dag komen, want liegen is een groote zonde. Ik had niemand, die mij
-bescheid kon doen, en dus moest ik dat wel zelf doen, of het restje
-brandewijn voor de Papisten achterlaten, en dat zou ik toch voor
-onzen lieven Heer niet hebben kunnen verantwoorden. Ik heb het dus
-maar heelemaal opgedronken."
-
-Ik liet zijne verontschuldiging gelden. Hij was mijn gids in wiens
-macht ik in zeker opzicht was. Ik vergenoegde mij dus, met hem onder
-het oog te brengen, dat hij zich voortaan naar mijne bevelen te
-richten had.
-
-Toen hij uit mijne vriendelijkheid zag, dat mijn toorn was bedaard,
-nam hij weer het woord, eigenlijk op min of meer schoolmeesterachtigen
-beslissenden toon. »Gij zult het mij niet tegenspreken, gij noch
-iemand anders, dat men wel degelijk voor zijne gezondheid moet zorgen,
-wanneer men 's nachts over heidevelden en in het gebergte reizen moet,
-en het best is, dan vooraf een slokje brandewijn of iets dergelijks tot
-versterking te nemen. Dan heeft de nadeelige nachtlucht geen invloed op
-ons zwak gestel, en men is daarenboven veel moediger. Wel honderdmaal
-ben ik, bij dag en bij nacht, den Otterscopeheuvel overgetrokken,
-maar nooit kon ik den weg vinden, als ik niet vooraf behoorlijk mijn
-morgenslokje genomen had. Soms had ik een paar vaatjes brandewijn
-aan iederen kant van mijn paard."
-
-»Met andere woorden Andries, gij waart een smokkelaar? Hoe kan een man
-van uwe strenge grondbeginselen er ooit toe overgaan om de regeering
-te bestelen?"
-
-»De regeering? Neen, dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het een
-echte regeering was. Maar het is immers hier slechts eene berooving
-van tollenaren en zondaren!" antwoordde Andries. »Het arme Schotland
-lijdt erg van die liederlijke ontvangers en nog liederlijker kommiezen,
-die sedert de rampzalige unie als sprinkhanen tot ons overgewaaid
-zijn. Daarom moet een braaf mensch zijn vaderland nu en dan eene
-hartsterking bezorgen en dat satansche dievenras zijn buit ontnemen."
-
-Bij nadere bespreking bleek, dat Andries, vóór en na zijne aanstelling
-als tuinman op het kasteel Osbaldistone, dikwijls als smokkelaar op dit
-bergpad was geweest. Voor mij was deze omstandigheid in zoo verre van
-belang, als ik daarin een bewijs vond, dat de tuinman tot gids zeer
-bruikbaar was, ondanks den poets, dien hij mij in het begin gespeeld
-had. Hij reed nu wel is waar langzamer, maar nog steeds scheen het
-afscheidsglaasje, dat hem zoo zonderling opgewonden had, zijn invloed
-niet verloren te hebben. Dikwijls keek hij angstig om. Zoo vaak de
-weg effen werd, kwam hij in verzoeking om weder sneller te rijden,
-als vreesde hij den een of ander die hem vervolgde. Intusschen scheen
-zijne bezorgdheid meer en meer te verminderen, toen wij den rug van
-eene keten heuvels bereikte, die zich westelijk uitstrekten en aan
-beide kanten steil afliepen. Nu begon ook de dag aan te breken. En
-toen Andries eindelijk nogmaals omziende op de geheele eenzame heide
-geene menschelijke gedaante ontdekte, helderde zijn gelaat op. Hij
-begon te fluiten en zong eindelijk met ruwe, leelijke stem, maar
-vroolijk het einde van een Schotsch liedje:
-
-
- »Jenny, ik heb je meisje lief!
- Achter 't veen, in bosch en hei
- Blijft mijn meisje aan mijn zij."
-
-
-En daarbij klopte hij het dier, dat hem zoo welgemoed en vroolijk
-tot hiertoe gedragen had, vriendelijk op den hals. Maar toen
-ik het nu van naderbij bezag, herkende ik terstond Thorncliff's
-lievelingspaard.--»Wat is dat?" vroeg ik min of meer norsch; »hoe
-komt gij aan het paard van mijnheer Thorncliff?"
-
-»Ja, eens was het zeker het paard van den jongenheer Thorncliff,
-maar thans is het zeker het mijne."
-
-»Hebt gij het gestolen, schurk?"
-
-»Gestolen? Wel waarachtig niet, mijnheer! niemand kan mij een
-dief noemen. Ik zal u zeggen hoe het eigenlijk met de zaak gelegen
-is. Mijnheer Thorncliff leende van mij tien pond, toen hij naar de
-harddraverij te York ging, en toen ik hem naderhand om mijn geld
-maande, snauwde hij mij toe, dat als ik nog eens op dien toon durfde
-zingen, hij onze rekening met zijn knuppel zou vereffenen. Nu heb ik
-het hecht in handen. Wil hij zijn paard weer hebben, dan moet hij mij
-tot den laatsten duit betalen, of hij krijgt geen haar van den staart
-meer van zijne merrie te zien. Ik ken een zaakwaarnemer in Loughmaben,
-die verstaat het recht. Een paard stelen! Neen! God beware mij voor die
-gruwelijke zonde! Ik heb het slechts in beslag genomen. Juridictionis
-fendendie causa of hoe ze dat met een Latijnschen of Griekschen
-naam heeten. Ja, die namen hebben veel van de plantennamen bij
-ons tuinlieden en andere geleerde mannen. Die drie woorden heb ik
-geleerd. Jammer maar dat die studie zoo weergaas duur was. Het is al
-wat Andries uit een langdurig proces overgehouden heeft. Het was om
-drie vaatjes brandewijn. Ja, het recht is al een zeer kostbaar ding!"
-
-»Het zou u wel duurder te staan kunnen komen dan gij denkt," viel
-ik hem in de rede; »als gij onvoorzichtig genoeg zijt, om zonder de
-rechterlijke hulp in te roepen, uw eigen rechter te willen zijn."
-
-»Oho, beste mijnheer! Wij zijn thans in Schotland," antwoordde hij,
-»dank zij den Hemel! Daar zal ik wel goede vrienden vinden en rechters
-bovendien, zoo knap als een Osbaldistone denken durft. De neef van
-mijn ooms schoonbroeder is een neef van den schout te Dumfries, en
-die zal niet dulden, dat iemand van de familie verongelijkt wordt
-of schade lijdt. Hier krijgt iedereen recht, die recht heeft. Het
-gaat hier niet zoo als daar, waar de griffier Jobson, eer men er om
-denkt, een eerlijk man in de gevangenis werpt. Ook geloof ik stellig,
-dat recht en wet daar spoedig uitverkocht zullen zijn. Ik ben blij,
-dat ik maar bijtijds naar eene andere markt op weg ben, waar het een
-en ander nog wat ruimer en van beter allooi te vinden is."
-
-Ik was zeer geërgerd over de handelwijze van den zoogenaamden eerlijken
-tuinman. Het verdroot mij geweldig, dat mijn noodlot mij voor de
-tweede maal met een mensch van zoo slechte beginselen in aanraking had
-gebracht. Ik besloot hem, zoodra wij het doel van onze reis bereikt
-hadden, het paard af te koopen en het mijn neef terug te zenden. Aan
-mijn oom wilde ik echter van het naaste posthuis voorloopig bericht van
-mijne plannen geven. Met Andries nog langer te twisten, oordeelde ik
-nutteloos. Misschien had hij, op de keper beschouwd, voor een mensch
-van zijn stand en opvoeding niet geheel onnatuurlijk gehandeld. Mijn
-misnoegen bedwingend, vroeg ik hem, waarom hij geloofde, dat er binnen
-kort in Northumberland geen recht meer te krijgen zou zijn.
-
-»Recht?" antwoordde Andries. »Nu ja, het knuppelrecht zal daar al
-spoedig alleen gelden. De priesters, de Iersche officieren en al de
-Papisten, die buiten 's lands soldaat zijn geweest, omdat zij niet
-langer te huis durfden blijven, die zwerven thans talrijk genoeg
-door geheel Northumberland. De kraaien komen altijd daar bijeen, waar
-zij aas rieken. Gij moogt mij gelooven, de oude ridder Osbaldistone
-heeft zich ook al daarmede ingelaten. In het kasteel ziet men niets
-anders dan geweren, pistolen, degens en dolken. Ik wed dat zijne
-lieve zoontjes, die zelfs den duivel niet vreezen, er ook spoedig
-bij zullen zijn. Neem het mij niet kwalijk, waarde Heer! Ik spreek,
-zoo als ik denk."
-
-Deze verzekering van den tuinman herinnerde mij het vermoeden,
-hetwelk ook in mij was opgerezen, dat namelijk de Jacobieten de eene
-of andere wanhopige onderneming op het oog hadden. Ik had, daar ik
-zeer goed gevoelde, dat het mij niet paste mijns ooms woorden en
-daden te bespieden, elke gelegenheid, die zich voor mij aanbood om op
-die teekenen van eenige bijzondere voorbereiding te letten, eerder
-vermeden, dan daar partij van getrokken. Andries, die hieromtrent
-niet zoo nauwgezet behoefde te zijn, had nauwkeuriger opgelet. De
-nabijzijnde uitbarsting van oproerige bewegingen had hij met grond
-vermoed.--
-
-»Zij hebben de dienstboden en al wat tot het kasteel behoort, geregeld
-gemonsterd," voegde hij er bij op geheimzinnigen toon. »Ik zou ook
-gewapend zijn geworden. Maar onder zulke lieden te dienen--neen,
-dan kennen zij Andries niet! Vechten wil ik, als ik er lust in heb,
-doch niet voor de »hoer van Babel," en zeker niet voor zoo eene
-in Engeland."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIX.
-
-
- Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur,
- Verweerd, gebrokkeld en gebogen,
- Daarachter slaapt des dichters geest,
- Des krijgsmans moed en menig minnend harte.
-
- Langhorne.
-
-
-Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen,
-of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te
-overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn
-wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo
-geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij
-zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige
-blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend,
-jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had,
-was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze
-had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een
-voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden,
-tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou
-zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd,
-doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af
-en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot
-het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor
-moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff's paard
-geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat
-deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de
-halster van het paard zou overblijven. Daarbij verried Andries, toen
-ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne
-bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden
-overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar
-beter was dan de griffier Jobson.
-
-»Had men hem," zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat
-hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die
-afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te
-zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de
-andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen
-bedroog. Maar wat zal ik er van zeggen!" voegde hij er op droevigen
-toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die
-ongelukkige Unie!"--Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk
-elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne
-landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen
-in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden,
-waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden
-geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef,
-hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid,
-of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de
-vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche
-griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik
-heb het ook niet onderzocht.
-
-Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene
-noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels
-achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de
-Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de
-laatste tijden den naam van groote stad, die mijn gids, als door een
-profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een
-uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische
-en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart
-gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop
-voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van
-handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het
-morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den
-Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch
-deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen
-te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog
-van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig
-verdrag hun verleend. Glasgow's ligging begunstigde geenszins de
-deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den
-weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd,
-dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds
-gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich
-thans schijnt te kunnen verheffen,--het was toch als hoofdplaats
-in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en
-gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen,
-bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat
-hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggende vruchtbare vlakte,
-als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken
-brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden
-en allerlei voorwerpen.
-
-De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf
-hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde,
-ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid,
-die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in
-talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de
-ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar
-de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders--zelfs
-onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool,
-dolk en schild gewapend--met verbazing de voorwerpen van weelde
-aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier
-verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks
-kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne
-zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder
-een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch
-reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door
-hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer
-vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar
-met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot
-vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.
-
-Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze
-veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat
-had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder
-zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge,
-steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk
-was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat
-men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen
-waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.
-
-Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad
-binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen,
-die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij
-stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend
-ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne
-navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke
-poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids
-verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie,
-Mac-Fin en Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou
-te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op
-Zondag betaamt te zijn.
-
-Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich
-gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond
-uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in
-de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met
-de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was,
-dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om
-iets omtrent Owen te vernemen dan omdat ik bijzonder veel stichting
-verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer
-Ephraim Mac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk
-zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was,
-daarheen moest medegenomen hebben.
-
-Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik
-zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte
-drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den
-beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij
-den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige
-kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk
-van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer
-fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is
-over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij
-hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt,
-in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk
-getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de
-kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den
-buitenkant met aandacht te beschouwen.
-
-Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van
-den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan
-den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna
-onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om
-de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan
-gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte,
-die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op
-het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig
-gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is
-ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsen
-bekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast
-elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld,
-gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude
-Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der
-vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen;
-de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche
-geven; de wijde vlakte, welke zij dekken--alles herinnerde mij die rol
-van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was,
-en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!
-
-Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met
-al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch
-men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien
-het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk
-Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland,
-die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries,
-die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw
-op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem
-bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het
-lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.--»Ja," zeide
-hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen,
-geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw
-vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende
-buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna
-zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas,
-Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men
-wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere
-lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit,
-alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien
-morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen,
-en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon
-vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene
-sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen
-luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen,
-en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen,
-dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit
-liefde voor de Papisterij--neen, dat kan niemand Glasgow's burgers
-nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden
-der zoogenaamde Heiligen--God behoede er ons voor!--er uit zouden
-gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen,
-gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En
-de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat,
-wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen
-was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen
-dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had,
-de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij
-alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja,
-ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet,
-dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig
-Godshuis in Schotland."
-
-En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XX.
-
-
- ...... Mijn ziel ontroert,
- Van schrik verbijsterd.
- Want graven zie 'k en lijkgesteenten,
- Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.
-
- De treurende Bruid.
-
-
-Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik
-bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het
-gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het
-omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra
-de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was,
-zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in
-het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen,
-die, op een afstand, in eene enkele harmonie samenvloeiden, vrij van de
-ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende
-met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude
-pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche
-natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep,
-scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine
-vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In
-Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien
-toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden
-konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel
-flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier
-werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar
-bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig
-opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur....
-
-»Kom, mijnheer, kom toch!" riep de ongeduldige Andries mij toe en trok
-mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden,
-veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan,
-dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder
-kerktijd, naar de wacht gebracht te worden."
-
-Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik
-gemeend had, naar de hoofddeur.--»Hierheen! hierheen!" riep hij,
-mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat,
-alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer
-verkondigd."
-
-En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist
-wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een
-grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche
-kerk--om welke reden is mij onbekend,--werd eene zonderlinge
-godsdienstoefening gehouden.
-
-Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats
-gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter
-gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken
-voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten,
-maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons
-rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen
-in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden
-ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid
-vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was
-als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden
-uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd
-door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar
-gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien
-meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken
-af te wijken, dan om eenige andere reden.
-
-Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke
-godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden,
-de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden
-dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de
-mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar
-het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist
-uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik
-in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening,
-en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten,
-vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.
-
-Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries
-en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren
-gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom
-de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de
-vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch
-venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne
-gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van
-hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna
-allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene
-moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte,
-of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder
-door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der
-Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden
-daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstiger bij hunne
-godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid
-staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.
-
-De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende
-gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is
-waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte
-en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer
-duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede
-begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger,
-vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte,
-die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare,
-zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken
-godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke
-bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid,
-om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of
-ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender
-zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den
-braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de
-uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer
-door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid
-van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen
-boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven
-die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor
-elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.
-
-Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene
-gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: "de prediking
-van den apostel Paulus te Athene" herinnerden. Hier zat een ijverig,
-verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht
-verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar
-gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de
-zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl
-de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand
-aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo
-tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog
-fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die
-aan 's predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde
-over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken
-werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde,
-en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een
-en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn
-hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor
-geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden
-gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op
-lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij
-ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden
-meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring
-der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en
-dan bescheiden in de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid
-niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest
-betreft--sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen,
-de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was
-om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die
-naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot
-aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door
-hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht der Laaglanders,
-uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig
-Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn
-zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende,
-terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt
-geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden
-zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders
-niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat
-er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.
-
-Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters
-heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen,
-zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene
-flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister
-lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.
-
-Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den
-leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor
-echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht
-geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig
-herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de
-scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden
-dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo
-terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren
-achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in
-die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier
-geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar
-te vestigen.
-
-Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn
-vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit
-eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet
-kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik
-aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze
-herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij
-zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht
-ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van
-Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend
-aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een
-elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even
-weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik
-zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun
-uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te
-vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen,
-noch onder de mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets
-ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de
-stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde
-mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen
-alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht
-bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten
-en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als
-op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het
-eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat
-ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen
-der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert
-het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte
-woorden vrij knorrig toegefluisterd had, keerde hij zich weder
-naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden,
-scherpbeoordeelenden toehoorder aan.
-
-Ik moest van den nood eene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid
-weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge
-gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij
-fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad
-in gevaar!"
-
-Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden
-stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de
-kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp,
-overtuigde mij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde
-reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer
-opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden
-mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon
-den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne
-oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze
-plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen
-mocht,--dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte
-en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat
-men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend
-op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen,
-zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste
-maal niet goed gehoord of begrepen had.
-
-Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd,
-of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet
-om."--Ik keek onafgewend naar den preekstoel.--»Gij zijt in deze
-stad in gevaar," vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden
-nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf
-overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen."
-
-De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had
-de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem,
-zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der
-toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond
-niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde
-gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den
-geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond
-verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet
-ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel,
-toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en
-viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had,
-dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar--men was zeer streng
-in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening--zijne rede
-afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder
-in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd,
-volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats
-naast den tuinman hernemen.
-
-Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen
-ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter
-benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd
-was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer
-goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe
-gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één
-woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik
-herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man
-aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon,
-wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen
-voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreek hem
-aan," herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog
-geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt,
-zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen
-geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij
-zijn beurs uit--zeggen de lui."
-
-Als de koopman wezenlijk zoo gierig is--dacht ik--als Andries beweert,
-dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening
-tusschen hem en mijn vader staat.... Die overweging versterkte den
-indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook
-den afkeer, door 's mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot
-mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen
-was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie
-naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die
-boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries
-beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den
-avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen
-bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven
-staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden
-wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk...."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXI.
-
-
- In 't middernacht'lijk uur op de Rialto,
- Volbreng ik, peinzende mijn avondgang ...
- Daar dan ontmoeten wij elkander ...
-
- Venetië gered.
-
-
-Een angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende
-reden er voor geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg
-op. Want mijn geleider, die er op aandrong, dat ik met hem de
-St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig geestelijke zou
-prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn
-toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig
-was ik niet, maar ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden
-toestand al de hulpmiddelen van zijn verstand vruchteloos uitgeput
-heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid kan worden om
-zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan
-geheel aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in
-hem opkomen en hem, ondanks zich zelven, medesleepen. Er lag iets
-zoo zonderling terugstootends in de onaangename gelaatstrekken van
-den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem te
-vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer, die als een vluchtig
-spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen"
-zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die,
-zoo als gij u wel zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in
-de omgeving paste.
-
-Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er
-slechts één weg om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te
-ontwijken. Ik moest dan mijn onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien
-ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht veronderstellen. Ik
-dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne reis
-was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat
-hij reeds van mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon
-zijn, een aanslag tegen mij te wagen. Het ontbrak mij dan ook niet
-aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht, en had mij,
-even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel
-geoefend. Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die
-dagen zeldzaam. Ook was de opgegeven plaats van bijeenkomst te open,
-om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden. Kortom, ik besloot
-mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door
-de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen,
-waarde Tresham, wat ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te
-verbergen--de onderdrukte, heimelijk gevoede hoop, dat Diana Vernon,
-ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke middelen, bij de
-zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke
-verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest
-hebben. Haar alleen--fluisterde de bedriegelijke hoop mij in--haar
-alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare eigen bekentenis,
-vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven,
-dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus
-dan Diana, bezat de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren
-af te wenden, die, naar het scheen, mij op den voet volgden. Deze
-vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan mij op. In het
-eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd
-vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik
-mijn sober maal nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien
-eenige glazen goeden rooden wijn haar aanwakkerden, was het denkbeeld
-»Diana roept u" zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een
-bedriegelijke verleidster te ontsnappen, welker gevaarlijken invloed
-ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof en mij naar buiten
-spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging--hoe
-welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat
-gij twijfeldet--bewerkte juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken
-moest. Want onwillekeurig nam ik mijn weg naar de brug over de Clyde,
-waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij te zullen ontmoeten.
-
-Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en
-namiddagspredikatie, om den Sabbath niet te schenden, volstrekt
-geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom had ik mijn
-middagmaal eerst na het eindigen van de namiddagsgodsdienstoefening
-gehouden en aldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan
-schemeravond te huis te blijven, in acht genomen. Toch moesten nog
-verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd van onze bijeenkomst
-daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik kan u
-bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den
-oostelijken oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide,
-die zoowel tot bleekveld als tot wandelplaats diende, talrijke
-groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers, terwijl anderen
-met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en
-oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden,
-aan de heiligheid van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen
-indruk. Al was ook de vrome stemming bij sommigen slechts eene
-onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen masker,
-bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron,
-uit het hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan,
-ik hoorde nooit meer dan één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer
-weinigen kwamen terug om nog eenige minuten te wandelen. Hoe ook het
-schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch op dezen dag
-van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden
-zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten's lands,
-zelfs onder de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt,
-moet zeker iets Joods, maar tevens iets bijzonder treffends vinden in
-deze wijze van den Sabbath te vieren. Terwijl ik zoo langs den oever
-heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts keerden,
-tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot
-een voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen
-maken kon. Ik koos dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij
-in zekeren zin een afleiding, al wandelende er op te letten, om de
-aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der vlakte,
-welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij
-dicht bezet zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk.
-
-Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne
-verrassing de scherpe stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het
-besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid een weinig luider sprak,
-dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten. Er
-bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die
-wijze de lastige praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van
-mijn reisgenoot te ontgaan, niets anders over dan mij schielijk
-achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een man met een
-ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok,
-een neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel
-bestond. Ik hoorde--mijne eigen karakterbeschrijving. Weliswaar,
-mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur, die beleedigend was,
-maar innerlijk moest ik bekennen--dat de schets gelijkend was.
-
-»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan," zeide Andries tot zijn
-geleider, »zoo is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan
-verstand. Hij beseft wel zoo wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam
-is in elk geval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder
-vergeten. Dat komt voornamelijk daar van daan, dat hij zich altijd
-met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem het hoofd geheel op
-hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling
-aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een
-kale rots, waarvan eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan
-de weligste moestuin. Ook babbelt hij veel liever met een zeker
-halfgek meisje, Diana Vernon--ja, men moest haar liever Diana van
-Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin--wat
-zeg ik, beter, zij is veel erger, want zij is eene Papiste!--Ja,
-met die, of met andere ledigloopers, loopt en babbelt hij veel
-liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige
-lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut
-zou kunnen zijn. Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem
-spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat niets. Alles is wildzang bij
-hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt u? Onlangs had
-hij de onbeschaamdheid om te zeggen--die arme verblinde zondaar!--dat
-Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist
-een rijmelaar geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!"
-
-Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard
-en letterkundige bezigheden, dacht ik in mijn rechtmatigen toorn
-den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste, met eene voelbare
-antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden,
-zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!" eenige opmerkzaamheid blijken,
-tot hij eindelijk eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik
-slechts uit de antwoorden van mijn reisgenoot kon gissen.--»Wat! Ik
-zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan moest Andries
-gek zijn! Hij vliegt op als buskruit," en »Ik zou geduld met hem
-hebben? Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens,
-de jongen is niet kwaad: hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op
-hem past. Het goud loopt hem tusschen de vingers door als water. Ja,
-wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken heeft, die
-is er zoo slecht niet aan toe."
-
-Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn
-metgezel verwijderde. De opwelling van mijn misnoegen bedaarde
-spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen ongelijk zou hebben, als
-hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne eigen
-schande." Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf,
-zooals dit in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich
-wel degelijk op voorbereiden, om ongenadig gehavend te worden. Als
-ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn beoordeelaar misschien
-nog zeer tevreden zijn.
-
-Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het
-mij voor eenige oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De
-nacht begon intusschen te vallen, en de langzamerhand toenemende
-duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere tint over de breede,
-stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg en hier
-en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte
-oude brug over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij
-aan de brug uit het sprookje, die in Mirza's droomgezicht over het dal
-van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als de rivier waaruit zij zich
-verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water verslonden,
-dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht
-werd het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een
-schemerend licht, als kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na
-den dag des Heeren plichtmatig door het bijwonen van den openbaren
-godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken gevierd te
-hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat
-de Presbyterianen zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men
-ook den hoefslag van een paard, dat dezen of genen landman, die den
-Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn dorpje terugvoerde. Van
-lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer. Ze hielden
-weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der
-rivier, en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den
-klokslag afgebroken, die van den kerktoren helder door de stilte klonk.
-
-Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid,
-waarin ik mij bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk
-bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg ik mij zelven af, of de laffe grap
-van een gek, of de sluwheid van een schelm, of het overlegde plan van
-een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid
-en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der
-hoofdkerk twaalf ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten
-slag verdwenen, of eene menschelijke gedaante, de eerste, welke ik
-sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken oever de brug
-over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het
-gevolg dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne
-gespannen verwachting mijne bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik den
-onbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte
-en vrij gezet was. Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde
-mijne schreden en bleef, toen ik nabij hem was, bijna stilstaan,
-in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag mij zeer
-onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets
-te zeggen. Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst
-aan te spreken. Ofschoon hij op het tot onze bijeenkomst bepaald
-uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn. Hij ging mij
-voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen
-zou. De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar
-staan, keek om, keerde terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep,
-dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd zou kunnen vinden, als ware
-hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag te spreken,
-voordat hij aangesproken wordt.
-
-»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!" sprak ik, toen hij bij mij stond.
-
-»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer
-Osbaldistone!"
-
-»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone
-uur te ontmoeten?"
-
-»Die ben ik!" hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen
-waarom."
-
-»Voor dat ik u volg," hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend
-zijn."
-
-»Ik ben een mensch," was het antwoord; »en mijn doel is goed."
-
-»Een mensch?" herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort."
-
-»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft," antwoordde
-de onbekende. »Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is,
-is ten minste nog altijd een mensch. En zelfs wie al dat genoemde
-bezit, wat is die dan meer?"
-
-»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw
-persoon, dan dat een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen."
-
-»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt
-gij mij volgen. Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te
-erlangen welke ik u wensch te verstrekken, welnu, dan moet gij dit
-zelf weten."
-
-»Kunt gij mij die hier niet geven?" vroeg ik.
-
-»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door
-middel van mijn mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die
-belangrijke mededeelingen aangaande het bericht, dat ik u wil geven."
-
-Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs,
-ja iets min of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een
-onbepaald vertrouwen in te boezemen.
-
-»Wat vreest gij dan toch?" vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw
-leven van zooveel belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?"
-
-»Ik vrees niets," antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins
-haastig. »Welaan, vooruit maar, ik volg u."
-
-Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en
-slopen als spoken door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht
-der maan de hooge, sombere voorgevels der huizen met hunne sieraden,
-nog hooger en somberder schenen.
-
-Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt
-gij bevreesd?"
-
-»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?"
-
-»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand,
-en wel op eene plaats, waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt."
-
-»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend."
-
-»En ik ben integendeel niet gewapend," antwoordde mijn geleider. »Maar
-dat doet er niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan
-kracht tot tegenweer. Gij verzekert mij, dat gij niets vreest. Maar
-zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het u, geloof ik,
-wel eenigszins anders om het hart worden."
-
-»En waarom dat?" vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u."
-
-»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die
-het zou kunnen hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam
-men in deze eenzame straten slechts fluisterend behoeft te noemen,
-om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?--bij een man,
-door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun
-fortuin zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te
-pakken?--bij een man, wiens gevangenneming een even welkome boodschap
-in Edinburg zou zijn, als ooit een gewonnen slag in Vlaanderen zou
-kunnen wezen?"
-
-»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?" vroeg ik.
-
-»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij
-herkende, een ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk
-mijn lot zouden worden."
-
-Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo
-nauwkeurig kon opnemen, als in de schemering mogelijk was, terwijl
-ik mij tevens tegen elken plotselingen aanval nu veilig achtte.--»Gij
-hebt òf te veel òf te weinig gezegd!" antwoordde ik. »Te veel, dan dat
-ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent,
-dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt;
-te weinig, zoo gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten
-onrechte geschiedt."
-
-Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week
-onwillekeurig terug en legde de hand aan mijn degen.
-
-»Wat is dat?" zeide hij; »tegen een weerlooze, tegen uw vriend?"
-
-»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit
-gesproken, uwe woorden en uw gedrag geven mij alleszins recht, om
-aan beide te twijfelen.
-
-»Dat noem ik moedig gesproken!" hernam mijn geleider. »Ik heb achting
-voor den man, wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd
-te verdedigen. Dus zonder omwegen, mijn vriend! Ik breng u naar
-de gevangenis."
-
-»Naar de gevangenis?" riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke
-misdaad? Mijn leven eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle
-pogingen en volg geen stap verder!"
-
-»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als
-gevangene!" antwoordde hij, en voegde er op fieren toon bij: »ik
-ben geen gerechtsdienaar--waarvoor ziet gij mij aan? Neen, ik breng
-u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult
-vernemen, waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit
-bezoek, geen gevaar, maar de mijne wel degelijk. Maar ik waag het
-onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk geen gevaren,
-en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer
-kent dan zijn degen."
-
-Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden
-voor een groot steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te
-ontwaren, met ijzeren staven voorzien waren.
-
-»Wat zouden zij er niet om geven,"--zoo begon de onbekende weder,
-wiens langzame uitspraak, wanneer hij in den toon van vertrouwelijk
-gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats verried,--»wat zouden
-de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven, als zij
-hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder
-Gods vrije lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het
-zou hun toch luttel baten, al hadden zij mij ook van het hoofd tot
-de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden, eer de morgen aanbrak,
-eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.--Kom dan, wat draalt
-gij toch?"
-
-Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een
-droom scheen te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat--is
-het? Wat Satan! Op dezen tijd?--Tegen alle orde...."
-
-De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder
-insluimerde.--»Dugald, vriend Dugald!" zeide mijn geleider vrij luid
-fluisterende: »hebt gij dan vergeten--ha num Gregarach?"
-
-»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!" was
-het vlugge antwoord, en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich
-spoedde om de deur te openen, terwijl mijn geleider en hij nog eenige
-woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare taal, wisselden. De
-grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die de
-vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden
-in het nauwe voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede
-verdieping en een paar lage deuren naar vast gegrendelde vertrekken
-leidden. De kale muren waren met boeien en andere, tot gruwzamer
-doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden
-en verdere oude wapentuigen prijkten.
-
-Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk
-geheim, in eene der gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwam
-mij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte
-de zonderlinge omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het
-door eigene schuld verdiend had, in hoogst onaangename aanraking
-met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik was slechts als
-vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXII.
-
-
- Astolfo! mijn jongling, zie om u. Want hier is de plaats,
- Waar menschen verhong'ren, uit armoê tot misslag gekomen.
- Hier bluscht elke hoop hare lichten, verstikkend de laatste
- der vonken
- In smeulenden walm en smook, maar vóór die vonk gansch'lijk sterft,
- Komt bittere wanhoop, krankzinnig door woeste vertwijfling,
- Doet vlammen de aaklige fakkels van zelf-beschuldiging en rouwe
- Dat hij zijn verstand en zijn ziele zoo diep in den afgrond
- deed zinken...
- Dit licht, dat is schriklijker nog dan het duister des kerkers.
-
- (De Gevangenis.)
-
-
-Ik was nauwelijks binnengetreden, of vol levendige nieuwsgierigheid
-zag ik naar mijn geleider. Maar de lamp in het voorportaal brandde zoo
-flauw, dat ik zijne gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Het voor
-mij veel minder belangrijke gelaat van den gevangenbewaarder, zag
-ik daarentegen des te duidelijker bij het licht van de lamp, welke
-hij in de hand hield. Hij was een kerel met een woest voorkomen,
-wiens ordeloos loshangende roode haren zijne gelaatstrekken
-overschaduwden. Maar treffend was in die trekken op dit oogenblik de
-uitdrukking van vreugde bij den aanblik van mijnen geleider. Nooit
-had ik iets ontmoet, dat mij zoo zeer herinnerde aan hetgeen ik vaak
-gelezen had omtrent een ruwen, afzichtelijken wilde, die den afgod van
-zijn stam aanbidt. Hij knarste met de tanden, hij beefde, hij lachte
-en weende bijna, zoo hij niet werkelijk weende.--»Wat kan ik voor u
-doen? Wat wilt gij dat ik voor u onderneem?" sprak uit elken trek, en
-tevens eene angstvallige, slaafsche onderdanigheid uit elke spier van
-zijn gelaat. »O! in welken langen tijd heb ik u niet gezien!" riep hij
-daartusschen met eene van verrukking schier verstikte stem. Hij liet
-er nog eenige andere korte uitroepingen in de onverstaanbare taal op
-volgen, waarin hij met mijn geleider gesproken had, terwijl wij nog
-altijd aan de deur der gevangenis stonden. Laatstgenoemde gedroeg
-zich bij al deze ontboezemingen van vreugde, als een vorst, die te
-zeer aan de hulde zijner onderdanen gewend is, om daardoor eenigszins
-getroffen te zijn, maar ze met trotsche minzaamheid ontvangt. Hij
-reikte den gevangenbewaarder met een genadig glimlachje de hand toe
-en zeide vrij vriendelijk: »Hoe gaat het, Dugald?"
-
-»O, ik dank u, o!" riep Dugald, doch matigde tegelijk, terwijl
-hij behoedzaam rondzag, den vrij luiden toon zijner stem. »O! u
-hier te zien--hier te zien! ach, wat zou er van u worden, zoo de
-gerechtsdienaars, die liederlijke schurken, er lucht van kregen!"
-
-Mijn geleider legde den vinger op den mond.--»Wees onbezorgd, Dugald:
-mij zal uwe hand niet opsluiten."
-
-»Neen, neen! dat zal ze nooit!" riep Dugald uit. »Waarachtig
-niet! Eer zou men haar--ja, eer liet ik haar afkappen tot aan den
-elleboog toe! Maar wanneer gaat gij weder op reis?--Gij verstaat mij
-wel? Daarheen? en zult gij het mij toch laten weten. Want ik ben toch
-uw neef, al is het ook slechts in den zevenden graad."
-
-»Welzeker, ik zal het u laten weten, Dugald; ik zal het u laten weten,
-zoodra ik mijne zaken behoorlijk geregeld heb."
-
-»Zoodra ik uw bericht ontvang--bij mijne zondige ziel!--al ware het
-ook Zaterdagsnachts, ik smijt den hoofdschout de sleutels naar den
-kop, eer ik ze nog ééns omdraai, ja, eer het Zondagmorgen wordt--ja,
-dat zal ik!"
-
-De geheimzinnige vreemdeling matigde de verrukking van zijnen bekende
-nog eenmaal en sprak hem in die vreemde taal aan,--later vernam ik,
-dat het de oude Gaelische taal was--vermoedelijk om hem te zeggen,
-wat hij van hem begeerde.--Met een: »van harte gaarne! o, van harte
-gaarne!" betuigde de gevangenbewaarder, onduidelijk mompelende,
-zijne bereidwilligheid. Hij draaide de bijna uitgedoofde lamp wat op
-en gaf mij een wenk om hem te volgen.
-
-»Gaat gij niet met ons?" vroeg ik mijn geleider.
-
-»Neen! dat is niet noodig," antwoordde hij. »Mijne tegenwoordigheid
-zou u zelfs lastig kunnen zijn. Beter dat ik hier blijf om den aftocht
-te dekken."
-
-»Ik kan niet denken, dat gij mij in gevaar wilt brengen?"
-
-»Volstrekt niet.--Zoo dit het geval was, zou ik voor mij er ten
-minste dubbel in deelen!" hernam de onbekende op een vasten toon,
-die mij alle wantrouwen benam.
-
-Ik volgde den gevangenbewaarder. Hij liet het binnenpoortje achter
-zich open, steeg een wenteltrap op, ging een nauwe gang door, en toen
-hij eene van eene lange rij deuren geopend had, bracht hij mij in een
-klein kamertje, waar hij de lamp op een houten tafeltje zette, op een
-bed van stroo in een hoek wees en zachtkens zeide: »Het mensch slaapt!"
-
-»Wie?" vroeg ik; »wie?"--Plotseling rees in mij het denkbeeld op:
-zou Diana Vernon zich in dit verblijf der ellende bevinden?
-
-Ik zag op het strooleger neer. Met eene gewaarwording, waarin
-teleurgestelde verwachting met vreugde zich mengde, ontdekte ik,
-dat mijn eerste vermoeden belachelijk was geweest. Ik zag een hoofd,
-dat noch jong, noch schoon was, met een tamelijk langen baard en
-eene roode nachtmuts. De eerste blik stelde mij omtrent Diana Vernon
-gerust. Maar bij den tweeden, toen de gevangene uit een diepen slaap
-ontwaakte en geeuwende zich de oogen wreef, ontdekte ik geheel andere
-trekken--het was mijn vriend Owen. Ik trad een stap terug, om hem den
-tijd te laten zich te herstellen, daar ik mij, bij geluk herinnerde,
-dat ik slechts een vreemdeling in dit verblijf der ellende was,
-en elk gerucht noodlottige gevolgen zou kunnen hebben.
-
-Owen had zich intusschen op zijn strooleger opgericht en zeide,
-terwijl hij met de eene hand zijn nachtmuts verschoof en zich met de
-andere over het gezicht streek, op vrij knorrigen toon en nog half
-slaapdronken: »hoor eens, mijnheer Dugald, of hoe gij heeten moogt,
-als gij mij weer zoo in mijne rust stoort, zal ik u bij den hoofdschout
-moeten aanklagen."
-
-»Er is hier een heer, die met u spreken wil," antwoordde de
-gevangenbewaarder op knorrig gebiedenden toon, die geheel anders
-klonk, dan de gillende Hooglandsche vreugdetoon, waarmede hij mijn
-geheimzinnigen geleider verwelkomd had. En met deze woorden verliet
-hij ons.
-
-Het duurde eenige oogenblikken, voor dat ik den ongelukkigen slaper
-in zoo verre kon doen ontwaken, dat hij mij herkende. Maar toen
-mij dit gelukte, was ook de droefheid van den braven man, die in
-het eerst veronderstelde, dat ik zijn medegevangene was geworden,
-onbeschrijfelijk groot.
-
-»O, mijnheer Frans!" riep hij uit, »waartoe hebt gij u en ons huis
-gebracht! Aan mij zelven denk ik niet eens.--Ik ben, zoo te zeggen,
-niets meer dan eene nul in 't cijfer; maar gij waart uws vaders
-hoofdsom: gij zoudt de eerste man in het eerste huis in de eerste van
-alle steden kunnen zijn--en zit ge nu in een liederlijke Schotsche
-gevangenis, waar men niet eens het stof van zijne kleederen kan
-laten borstelen!"
-
-Dit zeggende, wreef hij, met zichtbaar misnoegen, den eens zoo
-vlekkeloos bruinen rok, die thans door den morsigen grond besmet was,
-met den arm af. Zijne gewone overdreven zindelijkheid droeg er nog
-bij om zijn verdriet te verhoogen.
-
-»Ach, lieve hemel!" vervolgde hij, »hoe vreeselijk zal dat op de
-beurs den kooplieden in de ooren klinken! Zoo iets is niet gehoord
-sedert den slag van Almanza, toen het verlies der Britten op 5000
-dooden en gekwetsten, en een onbepaald aantal van vermisten geschat
-werd.--Ja, wat beteekent dat, vergeleken bij de ontzettende tijding,
-dat Osbaldistone en Tresham opgehouden hebben te betalen!"
-
-Hier brak ik zijn klaaglied af, om hem te zeggen, dat ik geen gevangene
-was, maar ook niet wist hoe ik op zulk een uur in de gevangenis was
-gekomen. Aan zijn nieuwsgierige vragen kon ik daardoor alleen een
-einde maken, dat ik dringend naar zijne eigen omstandigheden vroeg,
-en eindelijk zoo veel van hem vernam, als hij mij wist te zeggen. Wel
-was zijn verhaal vrij duister, want hoe duidelijk, schrander en bondig
-Owen ook over alles redeneerde, wat tot den handel betrekking had,
-zoo verward en onverstaanbaar praatte hij over dingen, die buiten den
-handelskring lagen. Zijne berichten verschaften mij echter meer licht,
-dan ik tot hiertoe erlangd had. Onder de correspondenten van mijns
-vaders kantoor in Glasgow, met welke stad hij, wegens zijn handel op
-Schotland, vrij aanzienlijke zaken deed, had het huis Mac-Vittie,
-Mac-Fin en Comp. zich steeds het dienstvaardigst betoond, bij elke
-gelegenheid de ondubbelzinnigste bewijzen van inschikkelijkheid jegens
-het Engelsche huis gegeven. Bij alle ondernemingen, had het zonder
-te morren, de rol van den jakhals op zich genomen, die zich met de
-overblijfselen vergenoegt, welke de leeuw hem overlaten wil. Hoe gering
-ook het voordeel mocht zijn, dat men hun gunde, het was volgens hunne
-betuiging nog altijd genoeg voor lieden van hun stand. Hoe veel moeite
-en werkzaamheden hun ook ten deel vielen, zij verzekerden steeds, dat
-zij levendig gevoelden niet genoeg te kunnen doen, om zich voortdurend
-de bescherming en den goeden dunk van hunne hooggeachte Londensche
-vrienden waardig te maken. Mijns vaders orders waren voor de heeren
-Mac-Vittie, Mac-Fin en Comp. wetten der Perzen en Meden, die niet
-veranderd, niet vernieuwd, zelfs niet eens opgehelderd mochten worden,
-en de overdreven nauwkeurigheid, waarop Owen in handelszaken gesteld
-was, scheen hun niet minder heilig te zijn. Dezen toon van diepen
-eerbied hield Owen voor echte munt. Maar mijn vader, die een weinig
-dieper in het menschelijke hart zag, en òf omtrent die bovenmatige
-inschikkelijkheid argwaan koesterde, of, als een vriend van het
-korte en eenvoudige in handelszaken, de langwijlige betuigingen van
-onbegrensde hoogachting dier heeren hartelijk moede was, had het
-verzoek van dit kantoor te Glasgow, om zijn eenige hoofdcorrespondent
-in Schotland te zijn, stellig geweigerd. Integendeel, hij liet vele
-zaken door een ander kantoor aldaar verrichten. Aan het hoofd daarvan
-stond een man van geheel anderen aard. Hij was den Engelschen over
-het algemeen even ongenegen als mijn vader den Schotten. Hij wilde
-slechts op een voet van volkomen gelijkheid zaken doen. Daarenboven
-was hij jaloersch, bij sommige gelegenheden ook twistziek, en even
-halsstarrig aan zijne gevoelens omtrent formaliteiten gehecht,
-als Owen. Bovendien was het hem volkomen onverschillig, of alle
-aanzienlijke Londensche kooplieden zijne gevoelens goed- of afkeurden.
-
-Het onhandelbare karakter van den heer Nikolaas Jarvie maakte hem
-eigenlijk tot den handel niet zeer geschikt. Het was eigenlijk moeilijk
-zaken met hem te doen. Er ontstonden dan ook niet zelden tusschen hem
-en het Engelsche kantoor allerlei lastige twisten, die slechts alleen
-uit besef van het wederzijdsche voordeel weder bijgelegd werden. Daar
-Owen's eigenliefde bij de verklaringen, die daaruit ontstonden, soms
-een weinig gekrenkt werd, was het geenszins te verwonderen, dat de
-goede oude man zijn invloed steeds ten gunste van de zoo wellevende,
-bescheidene en gedienstige heeren Mac-Vittie en Mac-Fin deed gelden, en
-Jarvie als een trotschen, waanwijzen Schotschen handelaar afschilderde,
-met wien volstrekt geen land te bezeilen was.
-
-Onder deze omstandigheden, welke ik eerst later nauwkeuriger vernam,
-was het alleszins natuurlijk, dat Owen, in den neteligen toestand
-waarin het kantoor na mijns vaders afwezigheid en bij Rashleigh's
-verdwijning geraakte, terstond na zijne komst in Glasgow, waar hij
-twee dagen vóór mij aankwam, zijne toevlucht bij die correspondenten
-zocht, welke zich jegens zijn patroon zoo dienstvaardig, dankbaar
-en genegen betoond hadden. Bij zijn binnentreden in het kantoor
-dezer heeren, werd hij schier met denzelfden eerbied ontvangen,
-als een Katholiek aan zijn beschermheilige bewijst. Maar helaas! hoe
-schielijk veranderde het tooneel, toen hij door deze allerminzaamste
-ontvangst aangemoedigd en met de beste hoop bezield, aan de beiden
-heeren den benarden toestand van het huis Osbaldistone en Tresham
-openbaarde, en om raad en hulp verzocht. Mac-Vittie ontstelde hevig
-op deze noodlottige tijding. Mac-Fin spoedde zich, voor dat Owen nog
-uitgesproken had, om in het grootboek het aanzienlijke debet en credit
-eens na te slaan, en uit te rekenen, aan wiens zijde het batig saldo
-was. De balans helde, helaas! vrij aanmerkelijk ten nadeele van het
-Engelsche huis over. Op het gelaat van den Schotschen correspondent,
-dat, langzaam bleek geworden, eerst onrustigen twijfel verried,
-verspreidde zich nu eene sombere norschheid. Owen's dringend verzoek
-om ondersteuning en hulp, beantwoordden de heeren met den eisch van
-een spoedigen borgtocht tegen het dreigend verlies. Zij verlangden
-eindelijk met vrij scherpe woorden, dat hun daartoe zekere som gelds,
-die een andere bestemming had, als onderpand zou gegeven worden. Met
-verontwaardiging weigerde Owen aan dezen eisch te voldoen. Dit was,
-zeide hij, even onteerend voor zijn kantoor, als onrechtvaardig
-ten opzichte van de andere crediteuren. Ja, hij zou het als een
-bewijs van ondankbaarheid moeten beschouwen van hen, die zulk een
-onteerenden eisch stelden. Mac-Vittie en Mac-Fin hadden, wat lieden
-die ongelijk hebben steeds welkom is, gedurende deze niet zeer
-vriendelijke woordenwisseling eene goede gelegenheid, om in hevigen
-toorn te geraken. Onder het voorwendsel, dat men hen getergd had,
-konden zij maatregelen nemen, die, zoo niet gemoedelijkheid, dan het
-besef van welvoegelijkheid hun anders zou hebben verboden.
-
-Owen had, wat wel meermalen het geval is, een klein aandeel aan de
-onderneming van het kantoor, welks eerste boekhouder hij was. Hij
-moest dus voor de verplichtingen ervan mede persoonlijk borg
-blijven. Mac-Vittie en Mac-Fin wisten dit. Om hem hunne macht te
-doen gevoelen, en hem tevens tot de voor hen voordeelige maatregelen,
-waartegen hij zich zoo stellig verzette, te dwingen, lieten zij hem in
-hechtenis nemen, wat de Schotsche wetten den schuldeischer vergunnen,
-die een eed aflegt, dat zijn schuldenaar voornemens is het land te
-verlaten. Uit kracht van dit recht, dat tot vele misbruiken aanleiding
-geeft, had Owen, vóór dat ik zoo geheimzinnig in zijn kerker werd
-gebracht, zijne vrijheid verloren.
-
-»Wat nu te doen?" vroeg ik mij zelven, toen ik van den neteligen staat
-der zaken onderricht was. Ik zag de gevaren, waardoor wij omringd
-waren, doch des te moeielijker was het, hulpmiddelen te vinden. De
-waarschuwing, die ik ontvangen had, scheen aan te duiden, dat mijne
-persoonlijke vrijheid gevaar kon loopen, als ik mij openlijk voor Owen
-in de bres wilde stellen. Owen koesterde dezelfde vrees, en in zijne
-bezorgdheid voor mij niet minder overdreven dan in zijne stiptheid in
-den handel, verzekerde hij mij, dat een Schot, eer hij een enkelen
-duit aan een Engelschman zou willen verliezen, wel recht zou weten
-te vinden, om zelfs zijn schuldenaars vrouw, kinderen en dienstboden
-in hechtenis te doen nemen. De wetten tegen schuldenaars zijn in
-de meeste landen zoo onbarmhartig streng, dat ik hetgeen hij zeide
-niet geheel en al in den wind kon slaan. Mijne gevangenneming zou,
-onder de toenmalige omstandigheden, aan de belangen van mijn vader
-den doodsteek gegeven hebben. In deze benardheid vroeg ik mijn ouden
-vriend, of hij zich ook niet tot mijns vaders tweeden correspondent,
-Nikolaas Jarvie, vervoegd had?
-
-»Ik heb hem heden geschreven," antwoordde Owen; »maar nu die wellevende
-en dienstvaardige heeren Mac-Vittie en Mac-Fin in Gallowgate ons reeds
-zoo ondankbaar behandeld hebben, kunnen wij ons waarlijk niet veel
-van dien ongelikten beer op de Zoutmarkt beloven.--Even goed zoudt
-gij van een makelaar kunnen begeeren, dat hij zijne courtage liet
-varen, als van dien man een dienst te verwachten, zoo lang hij niet
-verzekerd is, een driedubbelen dienst van u te zullen erlangen. Mijn
-brief, die hem toch heden, toen hij naar de kerk ging, terstond ter
-hand is gesteld, heeft hij niet eens beantwoord. O, mijn ongelukkige
-patroon!" vervolgde de troostelooze boekhouder en wierp zich op
-zijn stroozak. »Mijn waarde, goede patroon! O, Frans, Frans! dat
-komt van uwe eigenzinnigheid! God vergeve het mij, dat ik het u in
-uwe tegenwoordige omstandigheden zeg! Maar, hoe het ook zijn moge:
-de Heere heeft het zoo beschikt; de zondaar moet zich aan 's Heeren
-wil onderwerpen."
-
-Ik deelde innig in de smart van den braven ouden man. Ik was
-aangedaan. Ik schreide en de tranen die ik weende, brandden mij des
-te smartelijker, daar ik mijne koppigheid jegens mijn vader, welke
-de goedhartige Owen mij niet wilde verwijten, als de eenige oorzaak
-van al dezen jammer en ellende moest beschouwen.
-
-Terwijl wij ons zwijgende in onze treurige gedachten verdiepten,
-werden wij plotseling door een vrij sterk kloppen op de groote poort
-der gevangenis in onze mijmering gestoord. Terstond begaf ik mij
-naar de wenteltrap, om te luisteren, maar ik kon volstrekt niets
-dan de stem van den gevangenbewaarder hooren, die afwisselend luide
-sprak tegen iemand, die buiten stond, en zacht met den man, die mij
-herwaarts had geleid.--»Ik kom, ik kom!" riep hij en fluisterde dan
-weder: »o, mijn hemel! wat zal daarvan worden? Spoed u en verberg u
-achter de krib van den gevangene.--Ja, ja, ik kom immers al--het is
-de schout en de raadsheeren met eenige gerechtsdienaars. Daar komt de
-kommandant ook de trap af. De hemel neme ons in zijne hoede! Ga toch,
-ga toch, of hij ziet u! Nu, ik kom--de grendel is zoo verroest."
-
-Terwijl Dugald, zóó langzaam als hem slechts mogelijk was, de sloten
-opende en de grendels wegschoof, om de aankloppenden, wier ongeduld
-al grooter werd, binnen te laten, snelde mijn geleider de wenteltrap
-op en in Owens kamer, werwaarts ik hem volgde. Schielijk zag hij in
-het rond, als wilde hij eene plaats zoeken, waar hij zich zou kunnen
-verbergen. Daarbij riep hij mij toe: »Leen mij uw pistool!--Doch neen,
-ik zal mij wel redden. Wat gij hier ook zien moogt, bekommer u om
-niets en bemoei u volstrekt niet met eens anders twisten. Laat alles
-aan mij over: ik moet alles zelf klaar spelen. Ik heb wel erger in
-de klem gezeten dan nu!"
-
-Dit zeggende wierp de onbekende zijn zwaren mantel af, plaatste zich
-tegenover de deur, waarop hij zijn starend oog vestigde, en trad toen
-een paar schreden terug, om zijne krachten te verzamelen, als een
-moedig paard, dat over een slagboom springen zal. Zonder twijfel was
-hij voornemens bij het openen van de deur, de binnentredenden op het
-lijf te vallen, en zich, allen tegenstand trotseerende, een weg naar
-buiten te banen. In zijne gestalte vertoonde zich zoo veel kracht en
-behendigheid, en in zijn geheel voorkomen straalde zooveel vastberaden
-moed door, dat ik hem in mijne gedachte reeds als overwinnaar zag,
-zoo zijne tegenpartij zich niet met de wapens tegen hem verzette.
-
-Na eenige oogenblikken van angstige verwachting ging de deur open. Maar
-er verscheen--geene wacht met snaphanen en bajonetten, geene bende
-gerechtsdienaars met hellebaarden en knuppels, maar een heel aardig
-meisje, in een wollen, opgeschort rokje, en met eene lantaren in
-de hand. Haar volgde eene gestalte, welke men reeds op het eerste
-gezicht voor een persoon van meer gewicht moest houden: een klein,
-vrij gezet man, met eene tamelijk groote pruik, en, zoo als het
-alras bleek, een lid der stedelijke regeering. Hij kwam binnen,
-half grommend en brommend en bijna buiten adem. Mijn geleider trad
-bij het binnenkomen van dezen man terug, alsof hij zich aan diens
-gezicht wilde onttrekken. Doch aan den doordringenden blik, waarmede
-het regeeringslid de gansche kamer overzag, kon hij niet ontsnappen.
-
-»Zoo, zoo, dat is hier eene lieve gewoonte, kapitein Stanchell!" zeide
-hij tot den kommandant der gevangenis, die zich thans in deemoedige
-houding aan de deur vertoonde; »een half uur heb ik aan de poort
-moeten wachten, hoewel ik zoo hard geklopt heb om in de gevangenis
-te komen, als menigeen doen zou om er uit te komen. En wat moet dit
-beteekenen? Bezoek hier, na sluitenstijd? Dat zal onderzocht worden,
-Kapitein Stanchells, daarop kunt gij staat maken! Sluit de deur, ik
-heb met deze heeren een woordje te spreken. Maar eerst met mijn ouden
-bekende. Welnu mijnheer Owen, mijnheer Owen! hoe gaat het u, vriend?"
-
-»Ja, ja, ik dank u mijnheer Jarvie, met de gezondheid zoo tamelijk;
-maar naar den geest zeer bedrukt en terneergeslagen."
-
-»Dat zal wel zoo zijn, dat heeft ook zijne reden. Het is inderdaad eene
-verschrikkelijke historie--het is wat te zeggen man; en vooral voor
-iemand, die het hoofd zoo hoog droeg. Zwakke menschenkinderen! Zwakke
-menschenkinderen! Ja, ja, tot een val kunnen wij allen
-komen. Osbaldistone is een braaf, eerlijk man. Maar ik heb altijd
-gezegd, hij behoort tot die menschen, die het spreekwoord bevestigen:
-»hoogmoed komt voor den val!" En daarom zeide mijn overleden vader,
-de oud-ouderling, zoo dikwijls tegen mij: »Nikolaas--Nikolaas," zeide
-hij, hij heette Nikolaas, even als ik--»Nikolaas, jongen vlieg vooral
-niet hooger dan uwe wieken u kunnen dragen. Strek uw arm nooit zoo ver
-uit, dat gij hem niet gemakkelijk terug kunt trekken." En datzelfde
-heb ik den heer Osbaldistone menigmaal gezegd; maar hij scheen er geen
-ooren voor te hebben. Ja, hij nam het zelfs niet eens vriendelijk op,
-ofschoon het van mijn kant welgemeend was--ja, welgemeend!"
-
-Bemoedigend was die toespraak niet. Zij werd met eene bijzondere
-vlugheid van tong, en bij de herinnering aan zijne waarschuwingen en
-voorspellingen met zichtbaar zelfbehagen voorgedragen en gaf ons luttel
-hoop, om van Jarvie eenige hulp te erlangen. Maar spoedig bleek het,
-dat niet zoo zeer gebrek aan welwillendheid, dan wel aan kieschheid hem
-deze harde woorden deed spreken. Toen Owen zijne gevoeligheid daarover
-te kennen gaf, dat men hem in zijn ongelukkigen toestand dergelijke
-dingen herinnerde, vatte Jarvie hem bij de hand en zeide op gullen,
-vertrouwen inboezemenden toon: »Wees goeds moeds! Denkt gij dan,
-dat ik te middernacht herwaarts gekomen ben en bijna den Sabbath zou
-geschonden hebben, om een gevallen medemensen zijn val te verwijten
-en hem zijne misstappen onder den neus te wrijven? Neen, dat doet
-Nikolaas Jarvie niet. Zoo handelde ook nooit zijn overleden vader,
-die brave, nu godzalige, man! Luister eens vriend, het is bij mij een
-stalen regel, op den Sabbath nooit aan wereldsche zaken of bezigheden
-te denken. Ik heb mij alle mogelijke moeite gegeven, om mij uw brief,
-dien ik heden morgen ontving, uit het hoofd te zetten. Toch heb ik
-er den ganschen dag meer aan gedacht dan aan de preek, die ik in de
-kerk gehoord heb. Verder is het bij mij een niet minder vaste regel
-precies te tien ure in mijn bed met de gele gordijnen te stappen,
-tenzij ik eens een schelvischje met een buurman eet, of een buurman
-bij mij soupeert. Vraag het maar dat meisje daar, of dat mijne gewone
-manier van doen niet is. En denk nu eens, daar heb ik te huis gezeten
-met een stichtelijk boek in de hand en intusschen geluisterd en naar
-buiten gezien, en weer geluisterd, en weer naar buiten gezien, en
-gegaapt, alsof ik den kerktoren wilde verslinden, tot het eindelijk
-twaalf ure sloeg. Toen was het mij geoorloofd, mijn grootboek eens
-in te zien, om te weten, hoe de zaken tusschen ons stonden. En toen
-moest het meisje de lantaarn opsteken, en zoo begaf ik mij herwaarts,
-om te overleggen, wat er in uwe zaak kon gedaan worden. Nicolaas
-Jarvie kan als lid van den stedelijken raad, elk uur de gevangenis
-bezoeken, en datzelfde voorrecht had ook mijn vader, die insgelijks
-in zijn tijd lid van den stedelijken raad was. Die brave man--ach,
-hij is nu dood, maar zijne nagedachtenis blijft eeuwig in eere."
-
-Een diepe zucht, welken Owen bij het noemen van het grootboek slaakte,
-deed mij vermoeden en vreezen, dat het ook hier met de rekening
-niet zeer voordeelig stond. Bovendien, de woorden van het achtbare
-regeeringslid gaven zeer veel zelfbehagen en min of meer trotschheid
-op het overwicht van zijn oordeel te kennen. Doch aan den anderen kant
-spraken daaruit tevens eene gulheid en ongeveinsde goedhartigheid,
-die mij weder met nieuwe hoop bezielden. Hij verlangde eenige papieren
-te zien, welke hij opnoemde. Owen gaf ze hem; schielijk rukte hij ze
-hem uit de hand, ging op den rand der krib zitten, om, zoo als hij
-zeide, wat uit te rusten, liet zich door het meisje met de lantaren
-bijlichten, en terwijl hij nu eens over het flauwe licht, dan weder
-over het slechte, onleesbare schrift klaagde, las hij toch de papieren
-met zeer veel ijver en aandacht door.
-
-Van dit gunstige oogenblik scheen mijn geleider partij te willen
-trekken om te ontsnappen. Hij gaf mij een wenk om mij stil te houden,
-en begon langzaam van plaats te veranderen. Zijn voornemen was
-natuurlijk om onopgemerkt naar de deur te sluipen. Maar de waakzame
-Jarvie,--geheel anders dan mijn vroegere kennis de vrederechter
-Inglewood,--werd het oogenblikkelijk gewaar. Hij riep terstond:
-»Kommandant Stanchells! pas op de deur! Toegesloten, zeg ik u. Buiten
-wachthouden!"
-
-De onbekende fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik scheen hij op
-gewelddadige middelen tot zijne bevrijding te denken. Maar eer hij
-een besluit had genomen, was de voordeur gesloten en de zware grendel
-daar voor geschoven. Hij mompelde een paar driftige woorden in zijne
-moedertaal, deed eenige stappen heen en weder, ging toen, als ware
-hij volkomen bereid om het gevolg af te wachten, met wrevelige
-vastberadenheid op de eikenhouten tafel zitten en floot een liedje.
-
-Jarvie, die in handelszaken vrij vlug van bevatting scheen te zijn,
-had den inhoud der papieren spoedig begrepen.
-
-»Ja, mijnheer Owen," zeide hij, »ik zie hoe de zaken staan. Uw
-kantoor is aan dat van Mac-Vittie en Mac-Fin en Co. eene zekere
-som schuldig. Waarachtig! zij moesten zich schamen, die zoogenaamde
-wellevende en vriendelijke heeren! Immers, zij hebben zoo veel, ja
-vrij wat meer, bij die negotie met het eikenhout uit de bosschen
-van Clen-Cailziechat gewonnen, die zij mij door den neus hebben
-geboord. Dat was toch voornamelijk door uw lieve voorspraak, mijnheer
-Owen. Maar daarover zullen wij thans niet haspelen. Gedane zaken
-hebben geen keer, placht mijn overleden vader Nicolaas Jarvie te
-zeggen. Dus kort en goed, uw kantoor is hun die som schuldig, en
-voor eene andere som, welke zij voor uwe firma overgenomen hebben,
-heeft men u hier achter de traliën gezet. Gij zijt hun schuldig man,
-en misschien ook nog wel iets aan iemand anders schuldig--misschien
-nog wel iets aan mij."
-
-»Ik kan het niet ontkennen, mijnheer Jarvie," antwoordde Owen; »de
-balans zou tegen ons kunnen zijn; maar bedenk toch...."
-
-»Hoor eens, mijn goede vriend, ik heb thans weinig tijd om te
-bedenken. Het is nog zoo kort na den Sabbath en op een tijd van
-de nacht, waarop iemand, als ik, zoo gaarne in zijn bed ligt! En
-als men zich dan nog daarenboven aan de ongezonde nachtlucht moet
-blootstellen--neen, dan is er geen tijd noch lust om zich lang te
-bedenken! Maar, zoo als ik zeg, gij zijt mijn schuldenaar--dat is
-niet te loochenen--gij zijt mijn schuldenaar; of de schuld groot of
-klein is, zie, dat moet nader blijken. Maar mijnheer Owen, hoe knap
-gij ook zijt, hoe volkomen gij u op den handel verstaat, de zaak,
-waarvoor gij hier zijt gekomen, zult gij nooit in orde krijgen, als
-gij hier in de gevangenis moet blijven. Derhalve, manlief, kunt gij
-nu iemand vinden, die borg voor u wil spreken, dat gij het land niet
-verlaten, maar voor ons gerecht verschijnen en alzoo behoorlijk uw
-borg ontslaan zult--dat is dan, zoo als de rechtsgeleerden het noemen,
-judicio sisti--zie, dan komt gij morgenochtend weder op vrije voeten."
-
-»Ach, mijnheer Jarvie! Was er maar een braaf mensch, die op deze wijs
-borg voor mij wilde blijven, dan zou ik zeker mijne herkregen vrijheid
-thans zeer nuttig kunnen besteden, niet alleen voor onze firma, maar
-ook voor al de vrienden, met wie wij in handelsbetrekkingen staan."
-
-»Juist, dat geloof ik gaarne! En zulk een goed mensch zou dan ook
-buiten twijfel zeker moeten zijn, dat gij op de eerste dagvaarding
-behoorlijk verschijnen zoudt om hem van zijne op zich genomen
-verplichting te ontheffen."
-
-»Zeer zeker zou ik dat doen, zoo zeker als tweemaal twee vier is,
-wel te verstaan, met uitzondering van onverhoopt tusschenkomende
-ziekte of dood."
-
-»Nu ja, dat spreekt van zelf. Hoor eens, mijnheer Owen, ik voed
-volstrekt geen wantrouwen omtrent u. Dat zal ik u bewijzen--ja,
-bewijzen zal ik het u! Ik ben een voorzichtig man, dat is bekend. Ik
-schuw geen arbeid en laat het mij om mijn stukje brood zuur genoeg
-worden, dat kan de gansche stad getuigen. Ik weet mijn geld te winnen,
-mijn geld te tellen en mijn geld te bewaren, even goed als de beste
-financier van geheel Glasgow.--Ook durf ik zeggen, dat ik mij niet
-spoedig tot het een of ander laat bepraten of overhalen, maar doorgaans
-mijne eigen meening volg, van welke ik dan ook geen haarbreed afwijk,
-even als mijn vader, die op dat punt ook onverzettelijk was.--Maar
-een braaf man, die den handel verstaat, door en door, die gaarne als
-eerlijk man ieder het zijne wil geven, hier in de gevangenis te laten
-versmachten, buiten staat om zich zelven of anderen te helpen--neen,
-dat kan ik niet van mij verkrijgen! Kortom vriend Owen, ik zelf zal
-uw borg zijn. Maar neem het wel in aanmerking, het is een borgtocht
-judicio sisti, zoo als onze rechtsgeleerde stadssecretaris zegt,
-en geen judicatum solvi, want dat is heel iets anders."
-
-Owen verzekerde, dat hij in de tegenwoordige omstandigheden natuurlijk
-niet hopen kon een borg voor de werkelijke betaling te zullen vinden,
-maar dat niemand behoefde te vreezen, dat hij in gebreke zou blijven
-om op de eerste dagvaarding te verschijnen.
-
-»Ik geloof u, ik geloof u, en daarmede basta! Morgen, of eigenlijk
-heden ochtend, tegen den tijd van het ontbijt zijt gij weêr op vrije
-voeten. Maar nu zullen we eens onderzoeken wat uw gezelschap hier
-doet, en hoe het tegen alle orde en regel des nachts in de gevangenis
-is gekomen?"
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIII.
-
-
- De man kwam bij nachttijd,
- Bij nachttijd te huis;
- Dáár vond hij zoo'n heerschap,
- Dat leek hem niet pluis.
- "Zeg! vrouwtje, hoe 's dat zoo?
- Hoe 's dat zoo?" Zeg vrouw,
- Wat hier toch die kerel
- Die kerel hier woû?
-
- Oud liedje.
-
-
-Met de meest mogelijke bedaardheid nam Nikolaas Jarvie zijne
-dienstmaagd de lantaren af. Hij begon zijn onderzoek zooals Diogenes
-in de straten van Athene; vermoedelijk met even geringe verwachting
-als deze, om iets te vinden, wat de moeite van het navorschen waard
-zou zijn. De eerste, welke hij naderde, was mijn geheimzinnigen
-geleider. Deze zat nog steeds op de tafel, de oogen onafgewend op
-den muur gevestigd, terwijl zijne gelaatstrekken eene halsstarrige
-onverschilligheid teekenden, en zijn gansche voorkomen zorgeloosheid
-en trots verried. Met de hakken zijner schoenen sloeg hij tegen de
-tafel de maat van het liedje, hetwelk hij onafgebroken bleef fluiten,
-en onderwierp zich aan Jarvie's onderzoek met zooveel vermetele
-onbeschaamdheid, dat het achtbaar lid van den stedelijken raad voor
-eenige oogenblikken min of meer van zijn stuk geraakte.
-
-»Wat zie ik! Wat zie ik?" riep Jarvie nu. »Waarachtig het is
-onmogelijk!--En toch--Neen, het kan niet zijn--en toch--Neen, het
-kan niet zijn--en toch! Wat drommel--Ja! gij zijt het! Gij roover,
-gij gevleeschte satan--gij, voor alle kwaad en tot niets goeds
-geschikt--zijt gij het waarlijk?"
-
-»Zoo als gij ziet, mijnheer Jarvie!" was het droge antwoord.
-
-»Waarachtig--het schemert mij voor de oogen, zoo ben ik
-ontsteld. Spreek, aartsschelm! Durft gij u in de gevangenis van
-Glasgow wagen? Wat meent gij wel, dat uw rooverskop waard is?"
-
-»Wel! laat eens zien!" hernam de onbekende; »eerlijk gewogen
-en met goed geijkt gewicht, zal hij, dunkt mij, wel tegen een
-burgemeesterskop, vier schepenskoppen, één secretariskop en zes
-vroedmanskoppen kunnen opwegen."
-
-»O, gij satanskind," begon Jarvie weder. »Maar beken uwe zonden en
-bereid u voor om te sterven. Want ik behoef slechts een enkel woord
-te spreken ..."
-
-»Dat is waar," antwoordde de onbekende en legde de handen achteloos
-op zijn rug. »Maar dat woord zult gij toch wel nooit spreken!"
-
-»En waarom zou ik niet?" riep Jarvie. »Waarom zou ik niet? Antwoord
-mij, waarom niet?"
-
-»Om drie gegronde redenen, mijnheer Jarvie! Vooreerst om den wille
-van vroegere dagen, ons beiden zeer goed bekend. Ten tweede om de
-oude vrouw daar ginder in Stuckavrallachan, door wie wij, God zij het
-geklaagd! min of meer met elkander verwant zijn, en die een zekeren
-neef heeft, welke van zijn ambacht slechts een eenvoudig handwerksman
-is. En eindelijk, mijn waarde neef Jarvie, wanneer ik slechts het
-minste teeken bespeurde, dat gij mij zoudt willen verraden, zouden uwe
-hersens dadelijk aan dezen muur kleven,--lang eer eene menschenhand
-u redden kon."
-
-»Weet ge wat gij zijt? Een vermetele, onbeschaamde galgebrok!" hernam
-Jarvie onverschrokken. »Ge weet ook zeer goed, dat ik u als zoodanig
-ken, ja, dat ik, voor mij zelf geen enkel oogenblik aarzelen zou
-om ..."
-
-»Wel zeker, ik weet wel," hernam de onbekende, »dat er bloed van ons
-bloed door uwe aderen vliet. Het zou mij waarachtig leed doen, mijn
-eigen vleeschelijken neef voor den kop te moeten schieten. Maar in elk
-geval zal en wil ik zoo vrij en ongehinderd van hier vertrekken, als
-ik gekomen ben, of anders zeg ik u, dat de muren van deze gevangenis
-nog jaren ervan zouden weten te vertellen."
-
-»Nu ja, nu ja!" zeide Jarvie: »bloed is dikker dan water. En
-bloedverwanten behoeven den splinter in elkanders oogen niet zoo
-scherp aan te zien en te openbaren, wanneer vreemde oogen daarvoor
-blind zijn. Het zou voor de oude vrouw in Stuckavrallachan een treurig
-nieuws zijn, als zij vernam, dat gij mij de hersens ingeslagen, of
-ik u aan de galg geholpen had. Maar was dit het geval niet, dan zou
-ik den stoutsten schurk in het Hoogland best aandurven:--dat zult
-gij toch zelf wel inzien."
-
-»Gij zoudt wel durven neefje, dat weet ik;" antwoordde mijn geleider;
-»maar de vangst zou u zoo licht niet gelukken! Wij Hooglanders zijn
-een onhandelbaar volkje, wanneer men tegen ons van boeien en stroppen
-spreekt. Wij, die niet eens een stuk linnen om onze lendenen begeeren,
-willen vooral van geene ijzeren kousebanden weten."
-
-»Maar die ijzeren kousebanden zullen toch vroeg of laat uw lot
-worden, en dan krijgt ge nog wat hennepdraad op den koop toe!" hernam
-Jarvie. »Nooit heeft iemand zich in een beschaafd land aan zulke
-schandelijke en strafwaardige streken schuldig gemaakt als gij! Wees
-op uwe hoede, ik heb u gewaarschuwd."
-
-»Dank u neef! Intusschen zult gij bij mijne begrafenis, als lid van
-de familie, den rouw moeten dragen."
-
-»Vlei u daar niet mede, Robert," hernam Jarvie. »Alleen uwe wettige
-erfgenamen, dat zijn de kraaien en de raven, zullen de rouwdragers
-wezen. Maar waar zijn mijn duizend pond Schotsch, die ik u geleend heb,
-en wanneer zal ik ze wederzien?"
-
-»Waar dié zijn?" antwoordde mijn geleider, nadat hij zich eenige
-oogenblikken gehouden had, alsof hij daarover nadacht; »waar die
-zijn?--ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen; vermoedelijk waar de
-laatste sneeuw is."
-
-»Die ligt op den top van den Schehallion, schurk!" riep Jarvie toornig;
-»maar ik verlang mijn geld, hier op deze plaats!"
-
-»Ik heb geen sneeuw en ik heb geen geld bij mij!" hernam de
-Hooglander. »Gij vraagt mij wanneer gij het zult wederzien? Wel,
-zoodra ik mijn algemeenen betaaldag aankondig."
-
-»En het ergste van alles is, Robert, dat gij, trouwelooze landverrader,
-die ge zijt, ons het afschuwelijke pausdom weder op den hals wilt
-halen, dat ge ons onder het juk van een eigenmachtige heerschappij
-wilt doen bukken, met al den aankleve van die vervloekte papisterij,
-die misboeken, koorhemden, wierrookvaten en wijwaterbakjes! Loop dan
-liever weder naar uwe dievenbenden. Steel en bedrieg, dat het hagelt
-en kraakt. Beter te stelen, dan een land ongelukkig te maken!"
-
-»Hoor eens neefje, schei uit met zulke beuzelpraatjes. Laat die
-dingen voor de heeren van Whigs over," antwoordde Robert; »wij kennen
-elkander immers sedert lang. Ik zal wel zorg dragen, dat uw kantoor
-door onze Hooglanders onaangeroerd blijft, als zij eenmaal bezig zijn
-met de Glasgowsche winkels en magazijnen schoon te vegen. En als uw
-beroepsplicht het niet volstrekt van u vordert, moet gij mij niet
-vaker zien, Nikolaas, dan ik gezien wil wezen."
-
-»Je bent een uitgeslapen schelm, Robert," hernam Jarvie; »de galg
-heeft reeds te lang op u gewacht. Hangen zult ge, hangen moet ge,
-dat is niet anders! Maar ik voor mij zal mij maar aan de oude spreuk
-houden: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Als ik u zie,
-zal ik blind zijn, tenzij de noodzakelijkheid mij dwingt, of de plicht
-gebiedt, dien kan niemand ongehoorzaam zijn.--Maar voor den weerga! wie
-is die knaap?" vervolgde hij, zich naar mij keerende. »Hebt gij een
-rekruut voor uw eerlijk handwerk opgedaan? Hij schijnt mij moed genoeg
-voor de straatrooverij te hebben, en een langen hals voor den strop."
-
-»Ach neen, waarde mijnheer Jarvie!" riep Owen, wien de vreemde
-herkenning en het even vreemde gesprek tusschen de zonderlinge neven
-evenzeer bevreemdde als mij,--»dat is de jongeheer Frans Osbaldistone,
-de eenige zoon van mijn patroon. Hij was eigenlijk bestemd om op ons
-kantoor te komen, eer zijn neef Rashleigh Osbaldistone zoo gelukkig
-was, om in zijne plaats aangenomen te worden," voegde hij er met een
-diepen zucht bij--»maar desniettemin...."
-
-»O ja, ik heb van dien jongenheer gehoord. Hij is dan zeker dezelfde,
-dien uw patroon in zijne eigenzinnigheid tot koopman wilde maken;
-maar die toen een rondreizende komediant geworden is, omdat hij het
-handwerk schuwde, waarvan een eerlijk man leven moet. Wel vriendje,
-wat dunkt u van de zaak? Zal de Deensche prins Hamlet, of misschien
-wel de geest van Hamlet voor den heer Owen borg blijven?"
-
-»Ik verdien uw spot niet," hernam ik; »maar eerbiedig uwe
-handelwijze. Ik ben te oprecht dankbaar voor de hulp, welke gij
-den heer Owen bewezen hebt, om gevoeligheid te toonen over uwe
-onwillekeurig scherpe uitdrukkingen. De eenige reden van mijne komst
-hierheen was, om dat weinige te doen wat ik kon, ten einde mijn vriend
-Owen in de zorg voor mijns vaders belangen behulpzaam te zijn. Mijn
-tegenzin in den koophandel is echter eene zaak, waarover ik zelf
-'t best meen te kunnen oordeelen."
-
-»Waarachtig," hernam de Hooglander, »ik achtte dezen jongen al,
-eer ik recht wist hoe hij dacht; maar nu rijst hij bij mij niet
-weinig in waarde, nu ik zie, dat hij wevers en spinners en al zulk
-volkje veracht."
-
-»Praat niet als een gek, Robbert!" zeide Jarvie. »Gij spreekt van
-wevers? De duivel zelf kan u immers niet uit het weefsel ontwarren,
-waarin gij u verstrikt hebt. En spinners? Gij hebt u zelf al een
-fraai web gesponnen! En deze jongeling, dien gij regelrecht naar de
-galg, en dus naar de hel leidt--met al zijne theatergrappen en zijn
-rijmelarijen kan hij evenmin hulp bewijzen, als gij met uwe vloeken en
-dolken? Zal hij zijn Tityre te patulae zingen, waar zich een Rashleigh
-Osbaldistone bevindt? Kan Macbeth met al zijne krijgshelden, en gij
-Robbert er bij, hem de vijf duizend pond bezorgen, welke hij behoeft,
-om de wissels te betalen, die binnen tien dagen vervallen zijn?"
-
-»Binnen tien dagen?" viel ik hem in de rede en haalde onwillekeurig
-Diana's pakketje te voorschijn. De tijd, gedurende welken ik het zegel
-moest eerbiedigen, was verloopen. Ik brak het dus dadelijk open. Een
-verzegelde brief viel uit den omslag, toen ik dien met bevende
-hand ontvouwde. Een tochtwind, die door eene gebroken vensterruit
-drong, woei den brief voor Nikolaas Jarvie's voeten. Hij nam hem
-terstond op, en gaf hem, toen hij, zonder eenige komplimenten, het
-opschrift nieuwsgierig gelezen had, tot mijne groote verbazing aan
-zijn Hooglandschen neef over. »De wind heeft den brief juist aan
-het adres besteld!" zeide hij, »ofschoon het duizend tegen één was,
-dat hij in uwe handen zou komen."
-
-De Hooglander las het opschrift en brak den brief haastig open. Ik
-wilde hem dit beletten, en zeide: »ik moet overtuigd zijn, dat de
-brief aan u gericht is, voordat ik u vergunnen kan, hem te lezen."
-
-»Wees onbezorgd, mijnheer Osbaldistone!" antwoordde hij. »Denk aan
-den vrederechter Inglewood, aan den griffier Jobson, aan Morris,
-en vooral aan uw gehoorzamen dienaar Robbert Campbell, die hier voor
-u staat, als ook aan de schoone Diana Vernon. Herinner u dit alles,
-en twijfel niet langer of de brief aan mij is gericht."
-
-Ik zou mij wel voor het hoofd hebben willen slaan om mijne
-onnoozelheid! De stem, zelfs de gelaatstrekken van dezen man,
-hoe onvolkomen ik ze ook bij het flauwe licht kon onderscheiden,
-hadden gedurende den ganschen nacht vermoedens en herinneringen in
-mij opgewekt, die ik vruchteloos met plaatselijke of persoonlijke
-omstandigheden trachtte te verbinden. Nu werd mij eensklaps alles
-zonneklaar. Campbell stond vóór mij met alle zijne eigenaardigheden. De
-diepe, krachtige stem, het gelaat, waaruit strengheid naast sluwe
-bedachtzaamheid sprak, de Schotsche tongval, zijn beeldrijke stijl,
-die hij echter, wanneer hij wilde, zeer wel vermijden kon, maar,
-die zich in onbewaakte oogenblikken terstond weder verried en
-aan zijne spotternij een zekeren klem, aan zijne redenen eene
-bijzondere levendigheid bijzette--het kwam mij alles helder voor
-den geest. Zijne gestalte was eerder beneden dan boven middelbare
-grootte. Maar zijne leden waren zoo krachtig mogelijk, zonder dat de
-vlugheid daardoor eenigszins benadeeld werd. En vlug was hij, naar
-de losheid zijner bewegingen te oordeelen, in hoogen graad. Eene
-minder volkomen evenredigheid heerschte echter in zijne gestalte,
-want zijne schouders waren eigenlijk te breed en maakten hem daardoor
-min of meer vierkant. Zijne armen, ofschoon rond en goed gespierd,
-waren veel te lang; hoewel ik naderhand vernam, dat hij zich op
-die lengte vrij wat liet voorstaan, daar zij hem, wanneer hij zijn
-Hooglandsch kostuum droeg, bij het aangespen der kousenbanden--wat
-hij zonder te bukken doen kon--en ook bij het hanteeren van de sabel,
-waarmede hij behendig wist om te gaan, van wezenlijk voordeel was. Dit
-gebrek aan evenredigheid, hetwelk hem alle aanspraak op den naam van
-mannelijk schoon benam, gaf aan zijn uiterlijk iets woests, iets
-onregelmatigs. Het herinnerde mij onwillekeurig aan de sprookjes
-onzer kindermeid. Daarin waren de Pieten, die in vroegere tijden
-Northumberland verwoestten, als wezens afgeschilderd, die half spook
-half mensch waren, en zich, even als deze Hooglander, door moed,
-list, woestheid, lange armen en breede schouders onderscheidden.
-
-Ik riep de omstandigheden in mijn geheugen terug, waaronder wij
-elkander vroeger gezien hadden. Ik kon er niet aan twijfelen, dat
-de brief hem toebehoorde. Hij was een van de belangrijkste onder de
-geheimzinnige wezens, op welke Diana invloed scheen te hebben, en die
-wederkeerig op haar invloed hadden. Het denkbeeld smartte mij, dat het
-lot van zulk een beminnelijk meisje aan dat van zulk een gevaarlijk
-mensch verbonden was; en dit was toch ontwijfelbaar. Maar van welk nut
-kon deze man voor mijns vaders zaken en belangen zijn? Ik zag slechts
-één voordeel. Zooals Rashleigh, op Diana's aansporing, den Hooglander
-had doen optreden, toen diens tegenwoordigheid noodzakelijk was om
-mij te rechtvaardigen, zoo was het zeker nu mogelijk, dat zij door
-haren invloed op gelijke wijze Campbell wist te bewegen, Rashleigh
-thans evenzoo te voorschijn te doen komen. In deze onderstelling
-verlangde ik van hem te weten, waar mijn gevaarlijke neef zich bevond,
-en wanneer Campbell hem gezien had.
-
-De Hooglander antwoordde niet stellig, maar in algemeene
-uitdrukkingen. »Het is eene netelige zaak, welke zij mij opdraagt,"
-zeide hij; »maar eene eerlijke zaak, en daarom wil ik haar ook haar zin
-geven. Mijnheer Osbaldistone, ik woon niet ver van hier. Mijn neef zal
-u den weg wijzen. Intusschen moet mijnheer Owen hier in Glasgow doen,
-wat hij kan. Maar gij moet mij in het dal bezoeken. Waarschijnlijk
-kan ik u van dienst zijn, en uw vader in zijn benarden toestand hulp
-verleenen. Ik ben trouwens slechts een arm man, maar verstand is
-beter dan rijkdom. En wanneer gij, neef,"--vervolgde hij, zich tot
-Jarvie richtende--»het wagen durft, een eenvoudig Schotsch middagmaal
-bij mij te gebruiken, dan vergezelt gij dezen jongenheer naar Drymen
-of Bucklivie, of liever naar de herberg van Aberfoil. Daar laat ik u
-door iemand afhalen, die u den weg naar de plaats zal wijzen, waar ik
-mij bevinden zal. Wat zegt gij hiervan, Nicolaas? ziedaar mijne hand;
-ik zal u niet bedriegen, gij kunt mij vertrouwen...."
-
-»Dat kan ik niet doen, neen, Robbert, neen," zei de voorzichtige
-Jarvie. »Het past mij niet, mij in uwe woeste gebergten onder uwe
-kortrokken te begeven; dat duldt de waardigheid van mijn ambt in
-geenen deele."
-
-»De duivel hale uw ambt en u daarbij!" hernam Campbell. »De eenige
-droppel edel bloed, dien gij in de aderen hebt, is van onzen oudoom,
-die te Dumbarton opgehangen werd, en gij durft zeggen, dat uw ambt
-u niet toelaat dat gij mij bezoeken zoudt? Hoor eens, vriendje, in
-den herfst moet ik u betalen, dat weet ik. Welnu, ik zal uwe duizend
-pond, tot den laatsten stuiver toe eerlijk betalen, zoo gij thans
-eens handelt gelijk het behoort, en dezen jongen man begeleidt."
-
-»Spreek mij toch niet meer van uw edel bloed," zeide Jarvie. »Breng
-uw edel bloed eens op de markt, en zie wat men er voor biedt. Maar
-als ik nu aan uw verzoek voldeed en ten uwent kwam, zoudt gij mij
-dan werkelijk betalen?"
-
-»Dat zweer ik u!" zeide de Hooglander, »ja, dat zweer ik u bij het
-heilige gebeente van hem, die onder den grauwen steen te Juch-Calleach
-sluimert!"
-
-»Al wel, Robbert, al wel! Wij zullen zien wat wij doen
-kunnen. Verbeeld u evenwel niet, dat ik de grenzen van het Hoogland
-zal overschrijden. Neen, waarachtig niet! Geen enkelen stap doe
-ik verder! Gij moet mij te Bucklivie, of in de herberg te Aberfoil
-wachten, en vooral het noodige niet vergeten."
-
-»Wees onbezorgd!" hernam Campbell: »gij kent mij immers? Mijn woord
-is mij heilig. Maar het wordt tijd dat ik ga, neefje. Want de lucht
-eener gevangenis is voor een Hooglander zeer ongezond."
-
-»Waarachtig!" zeide Jarvie, »als ik mijn plicht deed, dan zoudt
-gij nooit meer eene andere lucht inademen. O, dat ik een booswicht
-behulpzaam moet zijn, om aan de gerechtigheid te ontsnappen! Welk
-eene schande voor mij en de mijnen en voor mijns vaders nagedachtenis
-voor altijd!"
-
-»Stil toch, stil toch, mannetje!" hernam de Hooglander. »Laat de dooden
-rusten! Uw vader wist bij zijn leven voor de fouten en gebreken van
-een goed vriend even knap een oog toe te drukken, als een ander."
-
-»Nu ja, daarin hebt gij gelijk, Robbert," antwoordde Jarvie. »Mijn
-vader was een verstandig, inschikkelijk man. Hij wist dat wij allen
-arme zondaren, zwakke vaten zijn, en hield steeds zeer veel van
-zijne vrienden. Gij herinnert u hem toch nog wel, Robbert?"--Deze
-vraag deed hij op een zachten toon, die misschien iets belachelijks,
-maar zeker iets aandoenlijks had.
-
-»En waarom zou ik mij hem niet herinneren?" vroeg Robbert. »Waarom
-niet? Hij was een fiksche wever, en heeft mij mijne eerste kousen
-geweven. Maar laat mij gaan, neef!"
-
-
- Een glas nog maar,
- Dan zijn we klaar.
- En dan naar huis, de tijd is daar.
-
-
-»Stil, stil, vriendje!" zeide Jarvie ernstig. »Nauwelijks is de
-dag des Heeren voorbij, en nu reeds liedjes te zingen! Het zou wel
-kunnen gebeuren, dat men u hier naar eene geheel andere wijs leerde
-zingen. Maar genoeg! Wij struikelen allen, en een mensch is juist
-geen engel; dus--Stanchells, doe de deur open!"
-
-De gevangenbewaarder gehoorzaamde, en wij gingen allen heen. Met
-eenige verwondering keek nog de eerstgenoemde beide vreemdelingen
-na. Hij scheen maar niet te kunnen begrijpen, hoe zij buiten zijn
-weten in de gevangenis gekomen waren. Jarvie's verzekering: »Een
-paar goede vrienden van mij, Stanchells! een paar goede vrienden
-van mij!" voorkwam de nieuwsgierige vraag, die reeds op zijne lippen
-zweefde. Wij stegen den trap af en riepen, in het voorportaal gekomen,
-herhaalde malen Dugald's naam, zonder eenig antwoord te ontvangen. Met
-een spotachtig glimlachje merkte Campbell op, dat Dugald, zoo hij zich
-in dien knaap niet bedrogen had, hoogst waarschijnlijk zou blijken
-verkozen te hebben naar de belooning, voor den door hem dezen nacht
-bewezen dienst, te wachten, dat hij zeker reeds in vollen ren naar
-de grenzen van het Hoogland was.
-
-»En nu heeft hij ons, en zelfs mij, mij zelven in de gevangenis
-opgesloten gelaten!" riep Jarvie toornig en ontsteld uit. »Schielijk,
-hamers en beitels, mokers en dommekrachten! Roep den smid. Zeg hem,
-dat het lid van den raad Jarvie in de gevangenis is opgesloten door
-een Hooglandschen schurk, dien hij zal doen ophangen, zoo hoog als
-Haman eens gehangen heeft!"
-
-»Wel te verstaan, als gij hem eerst gevangen hebt!" zeide
-Campbell. »Maar wacht eens! De deur is zeker niet gesloten."
-
-En zoo bevonden wij het ook. De deur was niet alleen open, maar
-Dugald had tevens bij zijne vlucht de sleutels medegenomen, opdat
-niet deze of gene hem te spoedig in zijn ambt van sleutelbewaarder
-zou kunnen opvolgen.
-
-»Die Dugald is zoo gek niet!" zeide Campbell. »Hij wist zeer goed, dat
-eene opene deur mij, als ik in de klem zat, van nut zou kunnen zijn."
-
-»Hoor eens Robbert," zeide Jarvie, toen wij op straat waren; »wilt
-gij op dezen voet voortleven, dan moest gij, naar mijne bescheiden
-meening, in elke gevangenis van Schotland een van uwe vertrouwelingen
-tot portier hebben, voor het geval dat de nood aan den man kwam."
-
-»Och neef Nicolaas, een van mijne bloedverwanten, als regeeringslid
-in iedere plaats, zal ook wel goed zijn! En nu: goeden nacht of goeden
-morgen! Vergeet de herberg te Aberfoil niet."
-
-Met die woorden sprong Campbell, zonder het antwoord af te wachten,
-naar de overzijde der straat en verdween in de duisternis. Terstond
-daarna hoorden wij hem zachtjes, maar op eene geheel bijzondere wijze
-fluiten, waarop ook dadelijk geantwoord werd.
-
-»Kijk me nu eens die Hooglandsche duivels aan!" zeide Jarvie. »Zij
-denken dat zij reeds aan den voet van den Ben-Lomond zijn, waar zij
-vrij fluiten kunnen, zonder zich aan den Zondag of Zaterdag te storen."
-
-Hij werd gestoord door iets, dat ratelend voor onze voeten
-nederviel. »Wat is dat?" riep Jarvie. »Mathilde, licht
-eens! Waarachtig, het zijn de sleutels! Nu, dat is wel, dat is
-goed! Zij hebben onze stad toch geld gekost, en waren ze verloren
-geraakt, dan zou er heel veel praats over geweest zijn. En zoo men in
-onze raadsvergadering iets van het gebeurde van heden nacht vernam,
-zou ik al vrij wat gehaspel hebben."
-
-Voordat wij verder gingen, brachten wij de sleutels naar de gevangenis
-terug, waarvan we slechts eenige schreden verwijderd waren. Wij
-stelden ze den gevangenbewaarder ter hand, die nog in het voorportaal
-op en neer wandelde, en op iemand wachtte die den ontvluchten Dugald
-vervangen moest.
-
-Daar ik denzelfden weg als Jarvie ging, kon ik mij ook van
-zijn lantaren bedienen. Ik gaf hem mijn arm, om hem alzoo des te
-gemakkelijker door de donkere en slecht bestrate stad te geleiden. Oude
-lieden zijn meestal erkentelijk voor de oplettendheden van jonge
-lieden. Jarvie betuigde mij zijne deelneming in mijne onaangename
-omstandigheden, en voegde er bij, daar ik toch niet tot het
-comediantenvolk behoorde, waarvan hij een verklaarden afschuw had,
-het hem aangenaam zou zijn als ik, in gezelschap van mijn vriend Owen,
-die den volgenden ochtend vroeg in vrijheid zou wezen, ten zijnent
-ontbijten wilde.
-
-Deze uitnoodiging nam ik dankbaar aan, maar vroeg hem tevens hoe hij
-aan het denkbeeld was gekomen, dat ik tot het tooneel behoorde?
-
-»Dat zal ik u zeggen," hernam Jarvie. »Gisteren avond kwam er een
-praatzieke kerel bij mij--Andries Fairservice, heette hij, naar ik mij
-herinner--die mij verzocht, den openbaren omroeper bevel te geven,
-om morgen vroeg naar u te zoeken. Hij zeide mij wie gij waart,
-en hoe men u uit uws vaders huis had weggezonden, omdat gij geen
-koopman wildet worden, en nu moest men trachten te voorkomen, dat
-gij uwe familie de schande aandeed, van comediant te worden. Onze
-voorzanger Hammorgan bracht dien knaap bij mij, en zeide mij dat
-hij, namelijk die Andries, een oud bekende van hem was. Maar ik
-wilde hun volstrekt niet te woord staan en las hun nog daarenboven
-geducht de les, dat zij mij op Zondagavond met zulke dingen lastig
-vielen. Maar nu zie ik wel, dat die Andries een groote gek en ten
-uwen opzichte het spoor geheel bijster is. Gij bevalt mij, vriend,"
-vervolgde Jarvie. »Wie zijn vrienden in nood bijstaat, is mijn man. Ik
-doe dat ook, en mijn overleden vader deed insgelijks. God schenke
-hem daarvoor de eeuwige rust en zijn besten zegen! Maar gij moet u
-vooral niet met die woeste Hooglanders inlaten. Wie met pek omgaat,
-wordt er door besmet. Denk daaraan. Ja, de braafste, de verstandigste
-menschen kunnen dwalen. Een-, twee-, driemaal ben ik zelf gestruikeld,
-waarde vriend. Heden nacht bijvoorbeeld heb ik drie erge dingen
-gedaan--waarachtig! Had mijn vader hiervan getuige kunnen wezen,
-hij zou zijne eigen oogen niet vertrouwd hebben."
-
-Juist waren wij aan Jarvie's woning gekomen. Hij bleef op den
-drempel en zei op berouwvollen toon: »Ten eerste heb ik mij op
-den dag des Heeren met wereldsche zaken bemoeid. Ten tweede ben ik
-voor een Engelschman borg gebleven, en ten derde heb ik, helaas! een
-misdadiger uit de gevangenis laten ontsnappen. Maar voor alles bestaat
-balsem! Mathilde, ik kan den weg wel vinden, licht gij dus mijnheer
-naar de herberg, daar op den hoek.--Mijnheer Osbaldistone," fluisterde
-hij mij in: »laat het meisje ongemoeid. Het is een zedig kind van
-brave ouders en een eigen nichtje van den heer van Limmerfield."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIV.
-
-
- Zoo ik u eenigen dienst kan bewijzen,
- beschik over uw nederigen dienaar.
- O, een zaak bid ik slechts, dat het mij
- vergund zij, om uw brood te eten, ook
- al ware het zwart, en uw drank te
- drinken, ook al ware die dun. Kijk,
- voor veertig shillings zal ik u even
- vele diensten bewijzen, als anderen voor
- drie pond.
-
- Greene's "Tu Quoque."
-
-
-Wel nam ik de opmerking, bij het afscheid door den heer Jarvie
-gemaakt, dankbaar aan, maar ik meende toch, dat het geenszins iets
-onbetamelijks zijn zou, wanneer ik bij het geldstuk, waarmede ik
-Mathilde's voorlichten beloonde, een kus voegde. En haar zacht:
-»foei, schaam u, mijnheer!" scheen juist geen erg misnoegen over mijne
-vrijpostigheid te kennen te geven. Mijn herhaald kloppen aan de deur
-der herberg maakte eerst een paar rondzwervende honden gaande, die
-allergeweldigst begonnen te blaffen. Eenige hoofden met nachtmutsen
-kwamen uit de naburige vensters te voorschijn en riepen mij wegens mijn
-onchristelijk geweld op Zondagnacht--zoo als zij het noemden--allerlei
-onchristelijke scheldwoorden toe. Toen eindelijk de kasteleines ook
-ontwaakte, vreesde ik, dat dit onweder van woorden, door een stortregen
-als die van Xantippe's hand zou gevolgd worden. Maar--overigens op
-een toon, die de lieve wederhelft van den wijzen Socrates zeer goed
-zou gestaan hebben--kwam de bui op een paar lieden in de gelagkamer
-neder, omdat zij zich niet spoedig genoeg gehaast hadden de deur te
-openen en dus de herhaling van mijne gewelddadigheid te voorkomen.
-
-Die menschen in de gelagkamer, wier traagheid aldus bestraft werd,
-waren geene andere dan de getrouwe Andries, zijn vriend de voorzanger,
-en een derde, de stadsomroeper, zoo als ik naderhand vernam. Zij
-zaten bij een glas bier, trouwens op mijne kosten, zooals mij bij
-het betalen mijner rekening overtuigend bleek, en zij overlegden
-met elkander de bewoordingen, waarin de omroeper den volgenden dag
-door de straten der stad den ongelukkigen jongeling, zoo als zij mij
-geliefden te noemen, zouden oproepen, om zonder verder dralen naar
-zijne bekommerde vrienden terug te keeren. Natuurlijk kon ik mijn
-toorn over deze onbescheiden bemoeiing met mijne aangelegenheden
-niet onderdrukken. Maar het baatte mij niets. Want Andries gaf zich
-bij mijne komst aan zulke luide ontboezemingen van vreugde over, dat
-hetgeen ik zeide om hem en de zijnen mijne ontevredenheid te kennen te
-geven, door hem als het ware overschreeuwd werd. Het spreekt van zelf,
-deze uitbundige vreugde was maar geveinsd, en zijne tranen ontsprongen
-uit geene andere bron dan uit de bierkan. Voorloopig beveiligde de
-luide vroolijkheid, welke hij over mijne terugkomst gevoelde, of
-ten minste voorwendde te gevoelen, hem nagenoeg voor de tuchtiging,
-welke ik hem reeds eenmaal had toegedacht; eerst voor zijn gesprek
-met den voorzanger over mijne zaken, en dan voor zijn ongerijmd
-vertelseltje bij den heer Jarvie. Thans kwam hij er zoo genadig af,
-dat ik hem slechts de deur voor den neus dicht wierp, toen hij mij
-naar mijne kamer volgde, brutaal genoeg mij de vermaning toevoegde,
-om in het vervolg voorzichtiger te zijn, als ik alleen uitgaan wilde.
-
-Den volgenden morgen was mijne eerste zorg mij van den lastigen,
-eigenwijzen man te ontslaan, die eigenlijk meer mijn meester dan
-mijn knecht trachtte te zijn. Toen ik hem op mijne kamer had laten
-roepen, en hij binnentrad, vroeg ik hem wat ik hem voor zijn geleide
-naar Glasgow schuldig was. Deze vraag deed hem verbleeken: want hij
-beschouwde ze niet zonder reden, als de voorbode van zijn ontslag.
-
-»Gij zult toch"--zeide hij stamelende--»gij zult toch, hoop ik,
-mij niet...."
-
-»Antwoord mij!" riep ik driftig, »of ik sla je de hersens in!"
-
-Andries aarzelde tusschen het dubbele gevaar, om òf alles te verliezen,
-als hij te veel, òf een gedeelte kwijt te raken, als hij minder
-eischte dan ik hem waarschijnlijk zou geven, en gaapte mij zwijgend
-aan. Eindelijk echter stiet hij uit, alsof hij plotseling een slag
-op den rug had gehad: »achttien stuivers daags--dat zal toch niet te
-veel wezen!"
-
-»Tweemaal zoo veel als men gewoonlijk betaalt, en driemaal meer dan
-gij verdient!" hernam ik. »Maar ziedaar een guinje, en ga nu waarheen
-gij verkiest. Ik kan u verder missen."
-
-»Maar goede Hemel! Zijt gij wel bij uw zinnen, beste mijnheer?" riep
-Andries.
-
-»Kerel! ge zoudt mij waarlijk zoover kunnen brengen!" viel ik hem
-in de rede. »Nu wat wilt ge nog? Ik geef u een derde meer dan gij
-eischt. En gij staat daar nog en kijkt mij aan, of meen je, dat ik
-je te kort heb gedaan. Neem uw geld en maak dat je weg komt."
-
-»O, goede Hemel!" hervatte Andries. »Waardoor heb ik u dan beleedigd,
-mijnheer? Zeker, alle vleesch is gelijk de bloemen des velds. En
-even als een handvol kamillen voor den geneesheer zijne waarde heeft,
-zoo kan ook Andries u van nut zijn. Dat ik bij u blijve, moet u wat
-waard zijn, ja veel waard, zooals u uw leven waard is."
-
-»Waarlijk? Nu, het is inderdaad moeielijk te beslissen, of gij grooter
-schurk dan gek zijt. Gij wilt dus bij mij blijven, of ik wil of niet!"
-
-»Juist, zoo dacht ik er over!" antwoordde Andries op vrij stelligen
-toon. »Weet gij al niet, dat gij in mij een braven knecht hebt, dan
-weet ik ten minste, dat ik in u een braven meester heb. Nooit zou ik
-rust of duur kunnen hebben, als ik u zoo aan uw lot overliet. En om
-u nu maar ronduit te zeggen, waar het op staat: mijn dienst is mij
-niet behoorlijk opgezegd."
-
-»Uw dienst?" vroeg ik. »Ik heb u slechts als gids medegenomen en,
-dat wil ik erkennen, tot mijn genoegen ondervonden, dat gij daartoe
-bruikbaar zijt."
-
-»Zeker, het is waar, ik ben geen gewone dienstbode," hernam
-Andries. »Maar gij weet toch wel, dat ik om uwentwil, alleen op
-uw dringend aanzoek, een goeden dienst opgeofferd heb, en dat
-ik het slechts één uur te voren wist. Als tuinman van het kasteel
-Osbaldistone, kon ik het eerlijk en met een zuiver geweten jaarlijks
-tot twintig pond brengen. Zou ik dat inkomen voor eene enkele guinje
-weggeworpen hebben! Ik rekende er op, dat ik tenminste het kwartaal uit
-bij u zou blijven. Tot zoo lang zou ik toch meenen wettige aanspraak
-op loon, kost en drinkgeld te kunnen hebben. Dat is toch duidelijk."
-
-»Kom, kom! Uwe onbeschaamdheid zal u niet baten," riep ik. »Verstout u
-niet, daarmede voort te gaan, of gij zult ondervinden, dat Thorncliff
-Osbaldistone de eenige niet is van de familie, die zijne handen weet
-te gebruiken!"
-
-De gansche zaak kwam mij, toen ik dit zeide, zoo bespottelijk voor,
-dat ik, in weerwil van mijn billijk misnoegen, mij echter nauwelijks
-bedwingen kon, om over den ernst, waarmede Andries zijn vermeend recht
-op mijne beurs verdedigde, in een luid lachen uit te barsten. De schelm
-bemerkte den indruk, dien hij op mijne lachspieren gemaakt had. Hij
-liet nu nog minder los, hoewel hij het toch raadzaam oordeelde zijn
-overdreven eisch een weinig te matigen, om mijn geduld niet te tergen,
-en ook misschien langs dien weg zijn doel te bereiken.
-
-»Ik erken gaarne, dat gij het in uwe macht hebt, mijnheer,"--zoo
-begon hij weder--»een ouden getrouwen dienstknecht, die u en de
-uwen twintig jaren lang bij dag en bij nacht ijverig gediend heeft,
-plotseling uit uw dienst te ontslaan. Maar ik ben ook verzekerd, dat
-gij, evenmin als ieder ander braaf en weldenkend man, het over u zult
-kunnen verkrijgen, om een armen drommel als ik, die veertig, vijftig,
-ja honderd mijlen ver is gereisd, alleen om u gezelschap te houden, en
-die niets dan zijn dagloon bezit, in den uitersten nood weg te zenden."
-
-Waarde Tresham, als ik mij wel herinner, hebt gij eens de opmerking
-gemaakt, dat ik, ondanks mijne eigenzinnigheid, toch in zekere gevallen
-veel lichter dan eenig ander mensch te bepraten en om den tuin te
-leiden was. Tegenspraak alleen maakt mij halsstarrig. Maar zoodra ik
-niet gesard en daardoor opgewekt word om een voorstel te bestrijden,
-ben ik steeds meer geneigd om toe te stemmen. Inderdaad, ik heb mij
-daardoor soms veel moeite en kwelling veroorzaakt. Ik kende mijn
-gids als een hebzuchtigen, lastigen gek. Maar alles wel overwogen,
-had ik behoefte aan iemand als wegwijzer en bediende. Daarenboven
-was ik aan de luimen en grillen van dezen Andries zoo gewoon, dat
-ik er wel eens pleizier in vond. Nog besluiteloos, vroeg ik hem,
-of de wegen en steden in het noorden van Schotland hem bekend
-waren, daar mijns vaders handelsbetrekkingen met de Hooglandsche
-boscheigenaars mij waarschijnlijk noodzaken zouden, mij derwaarts te
-begeven. Gaarne geloof ik, dat, als ik hem naar den weg had gevraagd,
-die naar het Paradijs leidt, hij evenzeer op zich zou genomen hebben,
-om mij dien te wijzen en er mij heen te brengen. Ook had ik naderhand
-alle reden om verheugd te zijn, dat zijne wezenlijke kennis van den
-weg niet te ver beneden het peil was, waarop hij zich beroemde. Ik
-bepaalde zijn loon, mij voorbehoudende, hem, zoodra ik het verkiezen
-mocht, met eene week extra-betaling zijn ontslag te geven, en las
-hem nu ook eens geducht, de les over zijne houding van den vorigen
-dag. Dit stemde zijn zoo even nog vrij hoogen toon merkelijk lager,
-hoewel hij overigens betuigde met mijne schikking volkomen tevreden
-te zijn. Met een opgeruimd hart ging hij heen. Ik kon echter hooren,
-dat hij zijn vriend, den voorzanger, die in de gelagkamer bij zijn
-morgenslokje zat, vertelde, hoe hij den dwazen jongen Engelschman
-eens goed de waarheid had gezegd en tot rede gebracht.
-
-Ik verliet de herberg en begaf mij naar het huis van Jarvie, waar mij
-in het spreekvertrek, dat voor allerlei gebruik diende, een flink
-ontbijt wachtte. De welwillende man had stipt woord gehouden. Ik
-vond mijn vriend Owen in vrijheid. En na zich behoorlijk gewasschen,
-zijne pruik gekamd en zijne kleederen afgeborsteld te hebben, was
-hij thans weder een geheel ander man geworden, dan de onzindelijke,
-neêrslachtige, schier wanhopende gevangene. Maar het besef van
-zijne dringende geldverlegenheid had hem geheel moedeloos gemaakt,
-en de bijna vaderlijke omhelzing, waarmede hij mij ontving, werd
-door een diepen, smartelijken zucht verbitterd. Toen hij weder was
-gaan zitten, verried mij zijn somber oog en peinzend gelaat, zoo
-verschillend van zijne gewone kalmte en innige tevredenheid, dat
-hij in zijne gedachten de dagen, de uren, ja de minuten berekende,
-na verloop waarvan bij niet-betaling der geaccepteerde wissels, het
-zoo beroemde huis Osbaldistone en Tresham vallen moest. Het bleef
-dus alleen mij overgelaten, mijne dankbaarheid voor het onthaal van
-onzen gastheer te betuigen, en zijne thee, die hij rechtstreeks uit
-ons China had ontvangen, als ook zijne koffie, die op zijne eigen
-plantaadje in Jamaica, Salt-Market-Grove genaamd, gegroeid was,
-zoo als hij met een knipoogje te kennen gaf--zijne heerlijke »ale",
-zijne gerookte Schotschen zalm, en zelfs zijn damasten tafellaken,
-dat niemand anders dan zijn overleden vader, het voormalig lid van
-den raad der stad, had geweven, naar behooren te prijzen.
-
-Toen ik door deze en dergelijke kleine attenties, die voor veel
-menschen van hoog gewicht zijn, onzen gastheer tot welwillendheid
-gestemd had, poogde ik van hem eenige berichten te erlangen, die
-mij op mijn verderen weg van nut konden zijn, of ten minste mijne
-nieuwsgierigheid bevredigen konden. Nog hadden wij geen enkel
-woord over het gebeurde van den vorigen nacht gesproken, en dus
-was mijne vraag zoo tamelijk onverwacht, toen ik van het zwijgen,
-dat na de geschiedenis van het tafellaken volgde, partij trekkende,
-plotseling aldus begon: »Maar zeg mij toch eens, mijnheer Jarvie,
-wie is die Robbert Campbell, dien wij dezen nacht ontmoetten?"
-
-Deze vraag scheen den goeden man geheel van zijn stuk te brengen.--»Wie
-Robbert Campbell is?" zeide hij, en herhaalde, na een zeer verlegen
-hm! hm!--»wie hij is?"
-
-»Dat veroorloof ik mij, u te vragen, wie en wat hij is?" hernam ik.
-
-»Hij is.... Maar waar hebt gij dan dezen Robbert Campbell, zoo als
-gij hem noemt, ontmoet?"
-
-»Bij toeval in het noorden van Engeland, nu eenige maanden geleden,"
-was mijn antwoord.
-
-»Welnu, mijnheer Osbaldistone," hernam Jarvie, min of meer gemelijk;
-»dan weet gij even veel van hem, als ik."
-
-»Ik vraag u verschooning. Dit schijnt toch geenszins het geval te zijn,
-mijnheer Jarvie!" antwoordde ik. »Gij zijt immers, zoo als hij ten
-minste beweerde en gij niet ontkendet, zijn bloedverwant, zijn neef."
-
-»Nu ja, er bestaat tusschen ons zoo wat neefschap," zeide Jarvie met
-zichtbaren tegenzin. »Maar sedert Robbert den handel in vee heeft
-gedreven, hebben wij elkander zelden gezien. Die arme drommel! door
-menigeen, die hem voor gewichtige diensten grooten dank schuldig was,
-is hij allerondankbaarst behandeld. Zijn geld heeft men hem listig
-ontstolen. Ja, ja, menigeen wenschte nu wel, dat men hem nooit uit
-Glasgow gejaagd had, en men zou hem thans veel liever weder achter
-drie honderd ossen, dan aan het hoofd van dertig wezens zien, die
-nog veel erger dan dieren zijn."
-
-»Maar, mijnheer Jarvie, dit alles geeft mij nog niet de minste
-inlichting omtrent zijn rang en stand en zijne middelen van bestaan,"
-hernam ik.
-
-»Zijn rang?" antwoordde Jarvie. »Wel, hij is een Hooglandsch gentleman;
-welken stand zou hij meer behoeven? Zijne middelen van bestaan? Wat
-is ons daaraan gelegen, zoo lang hij niets van ons begeert? Maar ik
-heb thans geen tijd om langer over hem te praten. Er is hier iets
-anders te doen, wat voor u, of ten minste voor uw vader, van meer
-belang moet zijn."
-
-Na dit gezegd te hebben, zette hij zijn bril op en ging zitten,
-om den staat van mijns vaders zaken te onderzoeken, dien Owen noodig
-achtte hem zonder eenige achterhoudendheid mede te deelen. Ik verstond
-intusschen genoeg van den handel, om te kunnen opmerken met hoeveel
-scherpzinnigheid Jarvie elke zaak beoordeelde, die aan zijn oordeel
-onderworpen werd. En ik ben hem tevens de volle eerlijke erkentenis
-schuldig, dat hij zich in alles niet alleen zeer billijk, maar zelfs
-zeer edelmoedig betoonde. Wel krabde hij zich achter het oor, toen
-hij bevond, dat Osbaldistone en Tresham per saldo nog zeer hoog bij
-hem in debet stonden.--
-
-»Nu, in 's Hemels naam!" zeide hij eindelijk; »ik moet het dan maar
-voor een verloren post rekenen. Intusschen, wat uwe goudmakers in
-Londen er ook van zeggen mogen, bij ons in Glasgow is dit geene
-kleinigheid. Het zal een geweldig groot gat in mijn kas maken;
-dat is niet anders. Evenwel, uw kantoor zal er niet door vallen,
-hoe veel dan ook reeds weg moge zijn:--en moet het wezen, welnu, in
-'s Hemels naam. Ik denk er in elk geval zoo onbarmhartig niet over
-als die roofvogels daar ginder in de Hoogstraat. Moet ik thans door
-u een verlies lijden, dan zal ik toch nooit ontkennen, dat ik door u
-menig aardig pondje sterling gewonnen heb. Loopt het dus heel erg,
-dan leg ik den kop van het zwijn bij den staart van het varken,
-en zal wel zien uit te komen."
-
-Wel begreep ik den eigenlijken zin van dit zonderlinge spreekwoord,
-waarmede Jarvie zich troostte, niet best. Maar dit begreep ik wel,
-dat hij met welwillende deelneming mijns vaders aangelegenheden
-behandelde, ja, dat hij zulken welgemeenden en verstandigen raad gaf,
-dat de rimpels op Owen's voorhoofd van lieverlede nagenoeg verdwenen.
-
-Ik zat er evenwel bij als een werkeloos aanschouwer en toehoorder
-van al die onderhandelingen. Nu en dan toonde ik mijne neiging, om
-den zoo plotseling afgebroken draad van ons gesprek over Campbell
-weder aan te knoopen. Eindelijk zeide de heer Jarvie mij zonder
-veel komplimenten, dat ik maar eens naar het »collegie" zou gaan,
-waar ik eenige lieden zou vinden, die Grieksch en Latijn spraken,
-ten minste er geld genoeg voor ontvingen om het te doen. Daar zou ik
-tevens iets van Boyd's vertaling der H. Schriften kunnen lezen. Dit
-was naar zijne meening veel betere poëzie dan eenige andere, zoo als
-hij van menschen gehoord had, die dit konden en moesten weten. Hij
-verzachtte het harde van dit afscheid, door mij dien middag bij zich
-te gast te noodigen, mits ik precies met klokslag van één ure ten
-zijnent was, want later ging hij niet aan tafel; dit was reeds bij
-het leven van zijnen vader de vaste gewoonte van zijn huis geweest,
-»en daarvan werd niet afgeweken, voor wien ook ter wereld." Ik moest
-dus er voor zorgen, klokslag één uur er te zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXV.
-
-
- De jachthond blaft, de herder wacht,
- Gewapend met den lansenschacht,
- Den beer, die nadert door het woud ...
- Hij hoort hem aan het buigend hout,
- Aan 't krakend loof en 't ritslend blad,
- Hij komt, mijn vijand, langs dit pad,
- Een van ons beiden moet ten onder ...
-
- Palamon en Arcite.
-
-
-Ik stond op en ging overeenkomstig Jarvie's raad naar de hoogeschool,
-gewoonlijk »het Collegie" genoemd, minder met het oogmerk om afleiding
-te zoeken, dan wel om mijne gedachten te regelen en over het door
-mij van nu af te houden gedrag na te denken. Ik ging langs het oude
-schoolgebouw en kwam eindelijk in den tuin van het College, waar
-ik, daar het juist in de leeruren was, eenzaam op en neer wandelde,
-geheel verdiept in bespiegelingen over mijn zonderling lot.
-
-De omstandigheden aan mijne eerste ontmoeting met Robbert Campbell
-verbonden, lieten mij geen twijfel over, dat hij zonder schroom de
-eene of andere koene onderneming zou wagen. De tegenzin, waarmede
-Jarvie over dezen man en diens betrekkingen, als ook over het
-gebeurde van den vorigen nacht sprak, versterkte mij niet weinig
-in mijn vermoeden. Tot dezen mensch had zich echter Diana Vernon,
-naar het scheen, ten mijnen voordeele gewend, en in de handelwijze
-van den heer Jarvie jegens hem waren goedheid, ja zelfs hoogachting,
-met medelijden en afkeuring op vreemde wijze vereenigd. Er moest toch
-iets zeer buitengewoons in Campbells toestand en denkwijze wezen,
-en wat mij nog zonderlinger voorkwam, zijn noodlot scheen invloed
-op het mijne te hebben, en daarmede in verband te staan. Ik nam het
-besluit, om bij de eerste voegzame gelegenheid, bij Jarvie nader aan
-te dringen, ten einde zoo veel mogelijk aangaande den geheimzinnigen
-man uit te vorschen. Ik wilde beoordeelen, of ik, zonder nadeel voor
-mijn goeden naam, mij in eenige betrekking tot hem zou kunnen stellen,
-waartoe hij mij scheen uit te noodigen.
-
-Zoo peinzende, wandelde ik verder. Plotseling toevallig opziende,
-ontwaarde ik aan het einde van de laan, waarin ik slenterde, drie
-mannen, die met elkander in ernstig gesprek schenen te zijn. De
-levendige indruk, die ons vaak de nabijheid van iemand, die wij
-liefhebben of haten, op onverklaarbare wijze aankondigt, lang voordat
-een onverschillig oog hem herkennen kan, deed in mij de overtuiging
-ontstaan, dat de middelste van die drie mannen Rashleigh Osbaldistone
-moest wezen. Mijn eerste voornemen was, hem aan te spreken; mijn
-tweede, hem gade te slaan, tot hij alleen zou zijn, of ten minste
-degenen, die zich bij hem bevonden, eens op te nemen, eer ik naar
-hem toeging. Zij waren nog zoo ver verwijderd en zoo verdiept in
-hun gesprek, dat ik tijd genoeg had, om onbemerkt achter eene heg
-te sluipen.
-
-Deftige jonge lieden droegen in dien tijd op hunne morgenwandelingen,
-dikwijls een scharlaken mantel, meestal met goudgalon
-bezet. Modeheertjes hadden daarbij de gewoonte, op coquette manier
-daarmede hun gelaat gedeeltelijk te verbergen. Op dezelfde wijze
-bedekt en achter de heg verborgen, kon ik mijn neef voorbijgaan,
-zonder door hem of de anderen gezien, of ten minste voor iets meer
-dan een vreemdeling gehouden te worden. Intusschen was ik niet weinig
-onthutst, toen ik in Rashleigh's gezelschap mijn voormaligen aanklager
-Morris herkende, en--den koopman Mac-Vittie, wiens stroef en streng
-gelaat den vorigen dag zulk een onaangenamen indruk op mij had gemaakt.
-
-Dit was wel een slecht teeken voor mijne en mijns vaders
-aangelegenheden. Ik herinnerde mij de valsche aanklacht, welke
-Morris tegen mij ingebracht had. Hij kon zich misschien tot eene
-nieuwe aanklacht even gemakkelijk laten verleiden, als hij door
-vrees tot het herroepen van de eerste was gedwongen. Ik dacht aan
-den heilloozen invloed, dien Mac-Vittie op mijns vaders zaken had,
-zoo als uit Owen's gevangenneming genoegzaam bleek. Nu zag ik deze
-beide lieden in gesprek met hem, wiens duivelsche bekwaamheid om
-onheil te stichten ik door en door kende, dien ik diep verfoeide,
-ja zelfs bijna vreesde.
-
-Toen zij eenige schreden verder waren gegaan, keerde ik om en volgde
-hen ongemerkt. Aan het andere einde der laan scheidden zij. Morris en
-Mac-Vittie verlieten den tuin, Rashleigh kwam geheel alleen de laan
-af. Ik besloot hem te gemoet te gaan, hem aan te spreken en vergoeding
-voor de schade te eischen, welke hij mijn vader had aangedaan,
-ofschoon ik nog niet zag op welke wijze die vergoeding van hem zou
-kunnen verkregen worden. Maar dit zou van later zorg zijn. Na mijn
-mantel teruggeslagen te hebben, trad ik door eene opening in de heg,
-Rashleigh, die in gepeins verdiept scheen, te gemoet.
-
-Rashleigh liet zich door onverwachte gebeurtenissen niet licht
-verrassen, nog minder schrik aanjagen. Toch was hij, toen hij mij
-zoo vlak voor zich zag en op mijn gelaat diepe verontwaardiging las,
-blijkbaar onthutst. Mijne verschijning kwam hem onverwacht.
-
-»Goed, dat ik u aantref!" zeide ik. »Juist wilde ik eene verre reis
-ondernemen, om u op te sporen."
-
-»Dan kent gij hem, dien gij zocht, in het geheel niet!" antwoordde
-Rashleigh, met zijne gewone, onwrikbare bedaardheid. »Mijne
-vrienden weten mij gemakkelijk te vinden en mijne vijanden nog
-gemakkelijker. Uwe zonderlinge wijze van u bij mij aan te melden,
-noodzaakt mij u te vragen, onder welke rubriek ik Frans Osbaldistone
-moet plaatsen?"
-
-»Onder die van uwe vijanden," hernam ik, »ja, van uwe doodvijanden,
-zoo gij niet terstond jegens mijn vader, uw weldoener, als eerlijk man,
-rekenschap afleggen en uw plicht wilt doen."
-
-»En aan wien, mijnheer Osbaldistone, aan wien zou ik, deelhebber in
-uws vaders zaak, van mijne handelwijze en doen, welke ik in alle
-opzichten mijne eigene mag noemen, gedwongen worden rekenschap te
-geven? Toch niet aan een jongeling, die zoo veel smaak voor de fraaie
-letteren bezit, dat dergelijke koopmanszaken hem allergeweldigst zouden
-vervelen, daar ze voor hem volstrekt onverstaanbaar zouden zijn."
-
-»Uwe spotternij is geen antwoord op mijn eisch! Ik laat u niet los,
-voor ik volkomen inlichtingen heb erlangd aangaande het bedrog, dat gij
-voornemens zijt te plegen. Anders zult gij met mij voor den rechter!"
-
-»Ook al goed," zeide Rashleigh en deed een paar schreden, alsof hij mij
-vergezellen wilde: doch plotseling bleef hij staan en vervolgde: »Wilde
-ik thans doen wat gij beweert, dan zoudt gij ras ondervinden, wie
-van ons beiden de meeste reden heeft om het gerecht te vreezen. Maar
-ik wil uw ongeluk niet verhaasten. Ga, jongeling, vermaak u in uwe
-dichterlijke wereld en laat de behandeling van ernstiger zaken aan
-lieden over, die zich daarop verstaan en aan wie die behandeling best
-toevertrouwd is."
-
-Zijn oogmerk was, naar ik geloof, mij boos te maken, en het gelukte
-hem.--»Deze toon van ijskoude onbeschaamdheid zal u niet baten!" zeide
-ik. »Beter ware het dat gij u herinnerdet, dat de naam dien wij beiden
-voeren, nooit beleediging duldde, en dat hij ook in mijn persoon aan
-geene beleediging zal blootgesteld zijn."
-
-»Gij herinnert mij," zeide Rashleigh, terwijl hij een dreigenden blik
-op mij wierp, »dat de naam in mij beleedigd is, en gij herinnert mij
-tevens door wien. Verbeeldt ge u dan, dat ik den avond vergeten heb,
-toen gij zoo goedkoop, ten mijnen koste en ongestraft, den pocher
-speeldet? Voor deze beleediging--ze kan slechts door bloed afgewasschen
-worden,--en daarvoor, dat gij meer dan eens, en steeds tot mijn nadeel,
-mij in den weg zijt getreden; daarvoor, dat gij met eene halsstarrige
-dwaasheid mijne plannen tracht te verijdelen, welker hoog belang gij
-noch kent, noch in staat zijt te waardeeren--voor dat alles zijt gij
-mij eene geweldig groote voldoening schuldig. Weldra zal de dag der
-afrekening aanbreken."
-
-»Hoe eerder hoe liever!" gaf ik ten antwoord; »ik zal bereid zijn
-om mij te verantwoorden. Maar gij schijnt het belangrijkste punt
-van aanklacht vergeten te hebben: dat ik het genoegen heb gesmaakt,
-freule Diana Vernon behulpzaam te zijn, zich uit uwe schandelijke
-strikken te redden."
-
-Vlammen schoten plotseling uit zijn somber oog op deze hem diep
-treffende woorden. Toch behield zijne stem den bedaarden toon,
-waarop hij tot dusver tegen mij gesproken had.--»Ik had eigenlijk
-geheel andere oogmerken met u, jongeling," antwoordde hij; »oogmerken,
-minder gevaarlijk voor u en meer overeenkomstig met mijn karakter en
-mijne vroegere vorming. Maar ik merk, dat gij volstrekt de tuchtiging
-wilt ontvangen, welke uwe jongensachtige onbeschaamdheid zoo zeer
-verdient. Zoo ga met mij naar eene meer afgelegen plaats, waar wij
-geen stoornis behoeven te vreezen."
-
-Ik volgde hem, zorgvuldig zijne bewegingen gadeslaande, omdat
-ik hem tot de laaghartigste en vuigste daad volkomen in staat
-achtte. Wij kwamen op een ruime plek in eene soort van tuin, naar
-Hooglandschen smaak aangelegd, met geschoren heggen en eenige gipsen
-standbeelden. Gelukkig voor mij dat ik op mijne hoede was. Want
-Rashleigh had zijn degen getrokken en viel op mij aan, eer ik mijn
-mantel afleggen en insgelijks den degen trekken kon. Ik sprong een
-paar schreden achteruit, en redde daardoor mijn leven. Het verschil
-van onze wapenen verschafte hem intusschen eenig voordeel, daar zijn
-degen langer en driehoekig was, de mijne daarentegen eene vlakke en
-tweesnijdende kling had, en bovendien niet zoo licht als de zijne
-te hanteeren was. Overigens waren wij tamelijk gelijk. Het voordeel,
-dat mijne meerdere bekwaamheid en vaardigheid mij gaven, werd tegen
-Rashleigh's groote sterkte en vooral door zijne koelbloedigheid
-genoegzaam opgewogen. Hij vocht meer als een duivel dan als een mensch,
-met eene verwoede verbittering, slechts bedwongen door die ijskoude
-kalmte, die aan zijne slechtste daden een nog slechter voorkomen gaf,
-den schijn namelijk van bedaard overleg. Zijn boosaardig doel deed
-hem geene onvoorzichtigheid begaan. Alle listen en kunstgrepen werden
-door hem beproefd. Dat hij aan het gevecht het schrikkelijkste eind
-poogde te geven, was mij spoedig duidelijk.
-
-In het eerst vocht ik met de meest mogelijke kalmte. Ik was,
-weliswaar, in hevigen toorn ontstoken, doch volkomen mij zelven
-meester. Gedurende een gang van twee of drie minuten, had ik tijd
-genoeg om te overwegen, dat Rashleigh mijn bloedverwant, de zoon van
-een oom was, die zich op zijne wijze vriendelijk en welwillend jegens
-mij betoond had, en dat zijn dood door mijne hand, groote droefheid
-onder mijne nabestaanden zou veroorzaken. Mijn eerste besluit was,
-mij op het ontwapenen van mijne tegenpartij toe te leggen, wat ik,
-op mijne meerdere bekwaamheid en geoefendheid vertrouwende, niet
-moeielijk achtte. Ik merkte echter weldra, dat ik mijn man gevonden
-had. Een paar stooten, welker gevaarlijke gevolgen ik ter nauwernood
-ontging, noodzaakten mij voorzichtiger te zijn. Meer en meer werd
-ik echter verbitterd door de zichtbaar verraderlijke pogingen, welke
-Rashleigh aanwendde om mij het leven te benemen, zoodat het weldra een
-gevecht op leven en dood scheen te zijn. Ja, bijna zou ik daarvan het
-slachtoffer zijn geworden, want bij een te driftigen uitval op mijne
-partij, gleed ik uit, en kon mij niet spoedig genoeg herstellen,
-om den tegenstoot af te weren. Tot mijn geluk had zijn uitval het
-bedoelde gevolg niet; de degen drong slechts door mijn rok en vest,
-en gleed langs mijne ribben neer; maar Rashleigh stiet met zulk eene
-hevigheid, dat het gevest van zijn degen tegen mijne borst trof, en ik
-in het eerst wezenlijk meende doodelijk gekwetst te zijn. Naar wraak
-dorstende, begon ik met hem te worstelen, hield met mijne linkerhand
-den greep van zijn degen vast en nam mijn degen korter, om hem alzoo
-te doorboren. Maar ons woedend gevecht werd afgebroken door een man,
-die plotseling tusschen ons trad, ons van elkander scheidde en op
-gebiedenden toon riep: »Hoe, gij zonen van hen, die dezelfde borst
-gezoogd heeft, gij wilt uw bloed vergieten, alsof het vreemd bloed
-ware? Bij de hand van mijn vader! hem, die nogmaals een uitval waagt,
-klief ik den kop tot op de borst!"
-
-Ik keek verbaasd op. Het was Campbell. In de hand hield hij zijn
-ontbloot Hooglandsch zwaard, dat hij, terwijl hij sprak, over zijn
-hoofd zwaaide, als wilde hij daardoor aan zijne bemiddeling nog
-meer nadruk geven. Rashleigh en ik zwegen, verrast bij het gezicht
-van dezen ongeroepen bemiddelaar. »Denkt gij, mijnheer Frans,--ging
-hij voort--dat gij uws vaders crediet herstellen kunt door uw neef
-te vermoorden, of u door hem te laten vermoorden? Of gelooft gij,
-mijnheer Rashleigh, dat de menschen hun leven en vermogen aan iemand
-zullen toevertrouwen, die, wanneer 's lands belangen hem roepen,
-als een dronkaard nutteloos twist zoekt? Nu, nu! Kijk mij maar zoo
-woest en grimmig niet aan, mijn goede man! Zijt gij boos, dan weet
-gij immers wel, tot wien gij u te wenden hebt?"
-
-»Mijn tegenwoordige toestand alleen maakt u zoo vermetel," hernam
-Rashleigh, »anders zoudt gij het zeker niet gewaagd hebben, u met
-eene zaak te bemoeien, waarbij mijne eer op het spel staat."
-
-»Zoo, zoo, zie eens aan! Vermetel? En waarom is dat zoo vermetel? Gij
-moogt rijker zijn dan ik, mijnheer Osbaldistone; dat is zelfs zeer
-waarschijnlijk. Gij moogt ook veel geleerder zijn, dat wil ik vooral
-niet betwisten. Maar gij zijt, dat durf ik bezweren, noch dapperder
-noch van betere afkomst, dan ik. Ook zou het voor mij wezenlijk iets
-nieuws zijn te hooren, dat gij zoo braaf waart. Voorts spreekt gij van
-durven? Ik heb wel andere dolkoppen, dan gij beiden zijt, in stukken
-gehouwen en dacht aan dergelijke wissewasjes, als zij voorbij waren,
-volstrekt niet meer dan aan de vlieg, die ik me thans van den neus
-knip. Als wij in 't vrije veld waren, in plaats van tusschen deze
-twee muren, zou ik u wel aandurven!"
-
-Rashleigh had zich geheel hersteld. »Mijn neef," zeide hij, »kan niet
-ontkennen, dat hij mij tot dit tweegevecht gedwongen heeft. Ik heb geen
-twist gezocht. Intusschen is het mij zeer aangenaam, dat wij gestoord
-zijn geworden, eer ik zijne voorbarigheid strenger getuchtigd had."
-
-»Zijt gij gekwetst?" vroeg Campbell mij met deelneming.
-
-»Slechts een schram," antwoordde ik, »en mijn waarde neef zou zich niet
-lang verhoovaardigd hebben, als gij niet tusschenbeiden gekomen waart."
-
-»Dat geloof ik gaarne. Mijnheer Rashleigh, ik heb het gezien!" zeide
-Campbell. »Zijn koud staal en uw warm bloed zouden weldra met elkander
-in aanraking zijn gekomen, als ik hem niet juist bij tijds bij den
-arm gevat had. Maar kijk daarom zoo knorrig niet! Kom vriendje, gij
-gaat met mij. Ik heb u wat nieuws te vertellen, dat u wel bekoelen
-en tot bedaren brengen zal."
-
-»Houd het mij ten goede," zeide ik tot Campbell. »Bij meer dan ééne
-gelegenheid hebt gij u dienstvaardig, welwillend, ik zou bijna zeggen,
-vriendschappelijk jegens mij betoond. Maar dezen man laat ik niet
-los, voordat hij mij dat, waarvan hij zich op eene trouwelooze wijze
-meester heeft gemaakt, weder in handen heeft gegeven, opdat mijn
-vader als eerlijk man zijne verplichtingen kan gestand doen."
-
-Ik vatte Rashleigh in de borst. Hij bood geen tegenstand, maar zeide
-met een spottend glimlachje: »Nu ziet gij het zelf, Mac-Gregor,
-dat hij roekeloos zijn ongeluk wil. Is het mijne schuld, als hij
-het slachtoffer zijner dolzinnigheid wordt? De bevelen tot zijne
-gevangenneming zijn reeds gegeven, en alles is gereed."
-
-De Schot geraakte blijkbaar in verlegenheid. Hij zag naar alle kanten
-om en zeide eindelijk: »Ik duld het toch niet, dat men hem mishandelen
-zal, omdat hij voor den vader, die hem het leven gaf, ook zijn leven
-veil heeft. Vervloekt zijn al de rechters, schouten, gerechtsdienaars,
-en hoe dat satansche vee, dat ons arm Schotland sinds eene eeuw plaagt
-en kwelt, al heeten moge! Dat waren andere tijden, toen ieder zijn
-eigen have en goed met eigen vuist beschermde. Toen werd men hier
-te lande met geen bevelen van gevangenneming en dergelijk lastig
-geschrijf bedrogen. Ja, ik zeg het nog eens: mijn geweten duldt niet,
-dat men dezen armen jongen iets kwaads zal aandoen en dan nog wel op
-zulk eene verachtelijke wijze. Liever wilde ik, dat gij samen nog
-eens van leer trokt en de zaak, als wakkere mannen en fatsoenlijke
-lieden, vereffendet."
-
-»Zoo, zoo, Mac-Gregor, gij spreekt daar van een geweten," viel
-Rashleigh hem in de rede, »gij schijnt dus vergeten te hebben, sedert
-hoe lang wij elkander reeds kennen."
-
-»Ja, ik spreek van mijn geweten!" herhaalde Campbell of Mac-Gregor,
-of hoe hij zich anders noemen mocht. »Ik bezit waarachtig zulk een
-ding. Misschien heb ik hierin iets op u voor. Als gij weet wie ik
-ben, dan weet gij ook, door welke behandeling ik dat ben geworden,
-wat ik ben, en hoe gij daarover ook denken moogt, ik ruil met den
-hoogmoedigsten der onderdrukkers niet, die mij gedwongen hebben in de
-bosschen eene schuilplaats te zoeken. Wat gij zijt, mijnheer Rashleigh,
-en welke verontschuldigingen gij kunt aanvoeren voor datgene wat
-gij zijt, dit is eene zaak tusschen uw hart en Gods oordeel. En nu,
-mijnheer Frans, laat hem los. Hij heeft gelijk met te zeggen, dat
-gij het gerecht meer te vreezen hebt dan hij. Al ware uwe zaak zoo
-recht als een pijl, hij zou wel middelen weten te vinden om ze krom
-te maken. Laat hem los, zeg ik!"
-
-Deze laatste woorden ondersteunde hij met zulk een plotselingen
-en tevens krachtigen ruk, dat hij Rashleigh aan mij ontweldigde,
-en mij tevens, in weerwil van mijn tegenstand, zóó vasthield, dat
-ik mij volstrekt niet verroeren kon. »Ga heen, Rashleigh!" zeide
-hij. »Gebruik thans uwe beenen nog eens zoo knap, als gij uwe handen
-gebruikt hebt. Het zal de eerste maal niet zijn. Laat zien hoe vlug
-gij loopt."
-
-»Dank het dezen man, dat ik u thans niet geheel betaald heb," zei
-Rashleigh. »Ik verlaat u, maar ik hoop, dat wij elkander spoedig weder
-zullen ontmoeten, en dan niet op dergelijke wijze gestoord worden."
-
-Met deze woorden nam hij zijn degen op, stak hem in de scheede en
-verdween tusschen de heggen. De Schot belette mij, deels door geweld,
-deels door zijne krachtige taal, om mijn neef te volgen. Ik begon
-meer en meer te begrijpen, dat het mij ook weinig baten zou.
-
-»Wel, wel!" zeide Campbell, toen hij zag, dat ik na eenige vruchtelooze
-pogingen stil bleef staan; »nooit zag ik zulk een dollen knaap als
-u! Als iemand anders mij zoolang getergd had, zou ik hem plat op den
-grond gesmeten hebben! Wat duivel wildet gij toch? Den wolf in zijn hol
-volgen? Weet gij wel, jongen, dat hij den ouden val weder opengezet
-heeft? Hij heeft dat wezen Morris overgehaald, de oude historie op
-te warmen, en thans kunt gij van mij geen hulp verwachten, als bij
-den vrederechter Inglewood. Het is niet goed voor mijne gezondheid,
-dat ik met de trawanten van de gerechtigheid, alle vervloekte Whigs,
-zoo familiaar word. Gij kunt nu ongehinderd huiswaarts keeren,
-als een brave jongen. Ga dus heen en blijf bedaard. Maar vooral
-moet gij uw neef en Morris wat ontwijken, alsmede dien ellendigen
-Mac-Vittie. Herinner u de herberg te Aberfoil, zoo als ik u
-reeds gezegd heb, en vertrouw op het woord van een man van eer,
-er zal u geen leed geschieden. Maar blijf bedaard tot wij elkander
-wederzien. Ik moet u verlaten om Rashleigh de stad uit te brengen,
-voordat er iets ergers gebeurt; want waar hij eene rol speelt, loopt
-het altijd slecht af. Denk aan Aberfoil."
-
-Met deze woorden verliet hij mij. Mijne eerste zorg was thans,
-mijne min of meer gehavende kleeding weder in orde te brengen en mij
-zoo in mijn mantel te wikkelen, dat men het uit mijne rechter zijde
-druppelende bloed niet zien kon. Nauwelijks was dit geschied, of de
-kweekelingen van het College verschenen, daar de leeruren geëindigd
-waren, in den tuin. Ik verwijderde mij spoedig. Op mijn weg naar
-Jarvie's woning, waar het nu bijna tijd moest zijn om het middagmaal
-te houden, trad ik een stillen winkel binnen, welks uithangbord
-aankondigde, dat daar Christopher Neilson, chirurgijn en apotheker,
-woonde. Een kleinen jongen, die iets in een vijzel stampte, verzocht
-ik, mij gehoor bij zijn patroon te verschaffen. De jongen opende de
-deur der achterkamer, waar een opgeruimd oud man zat, die mij naar
-mijn verlangen vroeg. Hij schudde ongeloovig het hoofd, toen ik hem
-overtuigen wilde, dat ik door het afbreken van den knop van een floret,
-bij eene les in het schermen, gekwetst was geworden. Hij legde iets
-op de weinig beteekenende wond, en zeide: »Deze wond is nooit door
-een afgebroken kling toegebracht. Ja, ja, die jeugd, die jeugd! Maar
-wij, heelmeesters, zijn aan geheimhouding gewend. Als er geen driftig
-bloed en geen al te vurig bloed was, wat zou er van de beide geleerde
-faculteiten worden?"
-
-Met deze wijsgeerige opmerking liet hij mij vertrekken. Mijne wond
-deed mij zeer weinig pijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVI.
-
-
- Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,
- Hij hoont den zachten aard van 't vlakland, hoont die dwergen.
-
- Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,
- Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:
- Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.
- Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.
-
- Gray.
-
-
-»Ge komt laat?" vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn
-vriendelijken gastheer binnentrad. »Reeds vijf minuten geleden heeft
-het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met het opdisschen
-gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn
-overleden vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte."
-
-Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven
-en zette mij aan tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn
-vriend Owen en mij aanhoudend noodigde, toch toe te tasten en zijne
-Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter niet
-zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de
-gebruiken der wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende
-uitnoodigingen fatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar
-kluchtig was het te zien, hoe Owen, die veel strenger begrippen
-omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke welwillendheid
-den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met
-droevige gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond
-bracht, door zijn keel duwde, en alle gerechten hemelhoog roemde,
-ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat het roemen er van
-hem evenveel moeite kostte als het eten zelf.
-
-Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met
-brandewijn-punch gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen
-drank te bereiden, van zekeren kapitein Coffinkey had geleerd, die,
-zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf geleerd had onder de
-kapers. »Maar het is toch lekker," zeide hij, »en goede waren komen
-dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een
-braaf man, toen ik hem kende:--alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is
-nu dood.--Ik hoop dat hij genade gevonden heeft." Dezen drank, dien wij
-hier voor de eerste maal proefden, vonden wij zeer smakelijk. En toen
-Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke hij daartoe bezigde,
-op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond
-er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die
-sedert de vereeniging van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en
-de Britsche Koloniën in de West begonnen was, en over de voordeelen,
-welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche markten te
-zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte,
-om ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen,
-beantwoordde Jarvie wel wat driftig, maar vrij vaardig.--»Neen,
-neen!" zoo eindigde hij, »laat elken haring aan zijn eigen kop
-hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat
-wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet
-zouden kunnen volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig
-aangenaams, mijnheer Osbaldistone," vervolgde hij, toen hij bemerkte,
-dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar gij weet immers wel,
-dat ieder 't liefst over zijn beroep of handwerk spreekt."
-
-Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst
-moeielijken toestand aan en de voorvallen, welke mij nog voor
-weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo kreeg ik gelegenheid om
-mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen. Van mijne
-onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel
-opmerkzaamheid en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij
-met zijne kleine grijze oogen pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij
-van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen in de rede viel. Toen
-ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne ten
-hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep
-plotseling: »dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den
-degen tegen zijn bloedverwant te trekken, zie, dat is door goddelijke
-en menschelijke wetten verboden, en den degen te trekken in de straten
-van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis. De
-tuin van het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene
-plaats van rust en vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke
-die heeren daar genieten, konden zij er, dunkt mij, wel voor zorgen,
-dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet afsnijden, noch dat
-die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk, als
-ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of
-zij smijten mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?..."
-
-Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong
-Jarvie verrast op en liep in de kamer op en neer.--»Al weder die
-Robbert! Die Robbert is dol, volslagen dol! Hij zal nog opgehangen
-worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande strekken:
-dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne
-eerste kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem
-de laatste das draaien. Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar
-de galg. Maar verder, verder!"
-
-Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon,
-maar Jarvie vond nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder
-tegenzin, op mijn avontuur met Morris en mijne eerste ontmoeting
-met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam geluisterd had,
-verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.--
-
-»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om
-raad vragen," vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en
-doelmatigste middelen aan de hand doen, om voor mijns vaders belangen
-en mijne eer met goed gevolg werkzaam te zijn."
-
-»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!" hernam Jarvie. »Vraag
-steeds raad bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet
-als een tweede goddelooze Rehabeam, die met jonge baardelooze knapen
-raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die aan de voeten van
-zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer juist
-aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar van eer wil ik
-liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer
-begaat dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op
-de publieke straat; maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man,
-die stil te huis zit en vlijtig rekent."
-
-»Juist, mijnheer Jarvie!" zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak,
-en als wij deze slechts redden kunnen...."
-
-»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!" hernam Jarvie. »Gij spreekt als
-een verstandig koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne
-geloof ik, dat hij dezen jongen heer van dienst zal zijn, zoo hij er
-toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed hart, die arme Robbert,
-en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren, en al
-mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten,
-ik zeg toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!"
-
-»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?" vroeg ik.
-
-»Nu ja!" antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn
-Hooglandsch. Eerlijk op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen."
-
-»Maar gelooft gij dan," vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn,
-om mij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de
-plaats begeven, waar hij mij genoodigd heeft?"
-
-»Hoor eens, eerlijk gesproken," hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite
-wel loonen. Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven
-kunt. Die ellendige Morris heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje
-gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel, dat hij eigenlijk niets
-anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en een
-hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op
-allerlei wijzen plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen
-u hernieuwt--dan moet de overheid er zich aan laten gelegen liggen;
-en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren kunnen opsluiten,
-wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn."
-
-»Dat begrijp ik wel!" hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn
-vader een dienst zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar
-zal waarschijnlijk het hoofdtooneel van Rashleigh's streken zijn. En
-zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een man overgeven, van
-wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest,
-waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim,
-zeker gevaarlijk doel te bereiken, een nauw verbond met den man
-heeft gesloten, die waarschijnlijk de oorzaak en bewerker van ons
-ongeluk is."
-
-»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!" zeide Jarvie; »waarlijk veel
-te streng en onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen
-toegaat, in het Hoogland, zoo als wij het noemen. Dat is dáár een
-geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár zijn geene gerechtshoven,
-geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder ze ooit
-uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt,
-zijne lieden moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange
-dolken. Het zwaard is de aanklager, het schild is de aangeklaagde, en
-de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen wij Hooglandsche justitie."
-
-Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet
-veel lust om zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken,
-te bezoeken.
-
-»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen," vervolgde Jarvie,
-»omdat ze ons genoegzaam bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland
-bij Engelschen en vreemden zwart te maken en zijne maagschap te
-vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt."
-
-»Welzeker!" antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid,
-maar wezenlijk belang noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het
-mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik u om meer inlichtingen
-verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene
-landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man,
-wiens ervaring en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal
-kunnen zijn."
-
-Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.--»Wat ervaring
-betreft?" hernam Jarvie. »Ja, ervaring kan men mij zeker niet
-ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek gedaan. Andries
-Wylie, vroeger bij mij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp.,
-maar komt wel eens 's Zaterdagmiddags hier, om een slokje te drinken
-bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen wever
-laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een
-ouden handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd
-ook niet. Ja, ik heb er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor
-den hertog van Argyle te laten schijnen of voor zijn broeder, Lord
-Hay,--waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!--Maar zulke
-voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.--Wat
-zou een arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den
-persoon, die iets zegt, dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel
-jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van hem spreken. Immers staat er
-geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer: de vogelen
-des hemels zouden het overbrengen."
-
-Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen
-de noodige of liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn
-woorden dus maar af door de verzekering, dat hij Owen en mij volkomen
-vertrouwen kon.
-
-»Neen," antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees
-niemand. Waarom zou ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als
-hoogverraad zou kunnen beschouwd worden. Maar de Hooglanders hebben
-lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft, om
-dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten
-liefst in goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo
-mijne eigen opmerkingen heb gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit
-de eenige menschelijke kennis is, welke zich stellig laat bewijzen."
-
-Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en
-Jarvie vervolgde: »Dat Hoogland is eene woeste streek vol heuvels,
-bosschen, holen, meren, rivieren en bergen; ja, waarachtig! De
-duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen wilde
-vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel
-beter zijn of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en
-dertig kerspelen wezen, Of zij daar allen Gaelisch spreken of niet,
-kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw,
-geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig
-op achthonderd menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar,
-en ik tel er dan een vijfde bij voor kinderen van negen jaar, dan
-bedraagt de gansche bevolking...."
-
-»Juist 220,800 zielen," viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn
-schik was met deze statistiek.
-
-»Precies en vlug uitgerekend!" zeide Jarvie. »En daar in het Hoogland
-elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen draagt,
-hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar
-nu moet gij in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid
-is, dat landbouw, veeteelt, visscherij en andere eerlijke bedrijven
-niet aan de helft van het volk werk verschaffen, al arbeidt het ook
-nog zoo traag--en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spade
-gloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen
-bedraagt nu...."
-
-»Juist 110,400, als de helft van de geheele som."
-
-»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze
-laatste helft mogen nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die
-tot den wapenhandel bekwaam zijn en ook de wapens dragen. Zij denken
-er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen, al konden zij
-dat ook, maar zij kunnen het niet eens."
-
-»Hoe is het mogelijk!" viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad
-een treurige toestand zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der
-Britsche eilanden!"
-
-»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is," hernam
-Jarvie. »Wanneer ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen
-behoeft--wat in zulk een armzalig land reeds veel is--en tevens
-weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal koeien,
-dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van
-zes zielen, of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen,
-die arbeiden en zich daarvoor desnoods met zure melk en haverbrei
-voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven, weet geen mensch!"
-
-»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien
-toestand denkt!" riep ik uit.
-
-»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid
-leefdet!" antwoordde Jarvie. »Neem zelfs aan, dat de helft van hen
-nu en dan in de Laaglanden het een of ander vindt, waarmede zij zich
-kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi- en
-oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden,
-ja duizenden Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden
-en ook geen gebrek willen lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost
-en inwoning vinden, of ook wel daarvan leven, dat zij doen wat het
-hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht zijn. Vele
-honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat
-te halen is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is
-toch maar erg in een Christenland. En wat nog wel het allerergste is,
-zij zijn er trotsch op en achten het een dappere daad, als zij eene
-kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij zich
-gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen
-dagloon te arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij
-bevelen het stelen. Zij rooven wel niet zelf, maar verbieden het
-ook niet, en verleenen den dief bescherming en schuilplaatsen in
-hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is. Elk
-Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne
-»clan", zoo als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of,
-wat hetzelfde is, zoo vele als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke
-wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven zij met geweer en pistolen,
-met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra het den
-»heer" slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben
-zij het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij
-eene plaag voor hunne vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier
-in West-Schotland."
-
-»En is die neef van u," vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een
-van die »heeren", welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?"
-
-»Neen," hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als
-men hen noemt. Hij is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne
-familie. Hij is, zooals ik gezegd heb, een bloedverwant van mij. Want
-ons bloed is edel Hooglandsch bloed.--Hierop laat ik mij, zoo als
-gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent
-niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader,
-aan mijn vader zaliger, de hemel zij hem genadig!--allen beginnende;
-»waarde Jarvie!" en eindigende »uw liefhebbende neef." Zij handelden
-meestal over geleend geld--zoodat mijn vader, die heel voorzichtig
-was,--ze steeds bewaarde."
-
-»Maar al is hij dan," viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen,
-van wie ik zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij
-in elk geval toch in het Hoogland zeer veel invloed?"
-
-»Dat zou ik meenen!" zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent
-hem. Robbert was eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man,
-zoo als men er onder tien duizend geen beter zou hebben kunnen
-vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en in zijne
-bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in
-den gordel, wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde
-met een dozijn wakkere knapen, even ruw en woest, als de dieren die
-zij dreven. In den handel was Robbert steeds beleefd en eerlijk, en
-als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht had,
-gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij
-wel eens op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen."
-
-»Vijf en twintig procent!" riep Owen uit; »een zwaar disconto!"
-
-»Ja, die gaf hij terug," hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij
-begreep, dat de kooper een behoeftig man was, die volstrekt geen
-verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke tijden, en Robbert
-waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem
-honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een
-rijke buurman, vielen als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men
-zegt zelfs, dat men zijne vrouw het huis uitgeworpen en daarenboven
-schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak! Zie, ik
-ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had
-iemand mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt,
-dat zij Robbert's vrouw mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat
-ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde zwaard aan te gorden,
-dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt
-heeft. Toen Robbert te huis kwam--och arme! vond hij verwoesting,
-waar hij overvloed had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar
-het westen, naar alle kanten heen, maar vond nergens toevlucht, nergens
-troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts diep in de oogen, gespte
-het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons verloren!"
-
-Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goeden
-Jarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap
-met dien Hooglander heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij
-openlijk diens stamboom scheen te verachten. Van den vriend in welvaart
-sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne deelneming aan zijne
-rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker maakte.
-
-»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht
-werd,"--begon ik, toen Jarvie zweeg--»werd hij vermoedelijk een van
-die roovers, die gij ons zoo even afgeschilderd hebt?"
-
-»Neen, zoo slecht werd hij niet," hernam Jarvie, »zoo slecht niet;
-maar hij ging aan het heffen van »de zwarte belasting [9]. Ja, hij
-dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te
-voren gewaagd had."
-
-»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?" vroeg ik.
-
-»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem
-blind volgden. Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam,
-die het lang tegen den Koning, het Parlement, en zelfs tegen de Kerk
-heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe men hem ook vernederd
-heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen
-hooren.--Nu, wat ik ook zeggen wilde--ja, Robbert had weldra vele
-dappere metgezellen; en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen
-van het Hoogland zoo vele plunderingen en rooverijen gepleegd werden,
-zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch voor elke
-honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou
-houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan
-zelfs een enkelen spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar
-Robbert daarvan kennis geven, en die bezorgde hun het gestolene terug,
-of betaalde de volle waarde. En hij hield steeds getrouw woord--ja,
-dat moet ieder erkennen--Robbert houdt altijd woord."
-
-»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!" hernam
-Jarvie; »dergelijke heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk
-strafbaar. Maar wanneer de wet mijne schuren en mijn stal niet kan
-beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch akkoordje met een
-Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop."
-
-»Maar is dat contract van assurantie," vroeg ik, »zoo als de heer Owen
-het noemt, volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt
-dan, wanneer iemand weigert zich aan die belasting te onderwerpen."
-
-»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!" zei Jarvie lachend,
-terwijl hij den vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker
-iederen vriend, met Robbert zulk een akkoordje te maken; hij zal er
-zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam zijn als men wil,
-in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst
-waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zich met die
-gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar
-in den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare
-schade, dat zij dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee
-gestolen werd, en nu achten de meesten het raadzaam, met Robbert zulk
-een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten meent hij
-het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den
-duivel te doen."
-
-»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten
-min of meer verkorven?"
-
-»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt," hernam Jarvie. »Zijn
-hals zou wel ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig
-konden worden. Maar Robbert heeft zeer vele goede vrienden onder de
-grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke familie kunnen noemen,
-die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen te doen
-zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door
-zoo menig dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek
-zou kunnen schrijven, even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol
-van stoute daden en wonderbare reddingen, zoo als men des winteravonds
-gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling is het toch:
-ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want
-mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen
-op het stadhuis, waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand
-sprak, zelfs zijne vrouw, mijne lieve moeder niet. Maar gelooft gij
-wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren aan die koene
-avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is,
-soms liever hoor dan een stichtelijk woord--de Heere vergeve mij de
-zonde! Toch zijn het ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien
-strijdig met Gods woord en wet."
-
-Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed
-Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?--»Gij moet weten." vervolgde
-Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders--ik spreek hier
-immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding--sedert
-het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen
-werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe
-gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig
-duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin
-Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne
-onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo
-hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet
-in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden
-rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen
-kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden
-gekomen--doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in
-het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet
-meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij
-best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg,
-en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen
-samenfluiten kan, welke allen zijn wil volbrengen--waarachtig, zoo
-iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter
-leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet
-een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden,
-even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat
-gebeurt eer er nog één jaar verloopen is.
-
-»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders
-zaak daarmede te maken heeft."
-
-»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen," vervolgde
-Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste
-Hooglanders--want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van
-hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij
-de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden
-en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men
-dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft
-ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge
-Osbaldistone waren geweest--ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer
-Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van
-mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu,
-nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar
-ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een
-handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh
-zelf geweest, of ten minste een van uwe neven--die zijn toch allen
-van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de
-regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is
-echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt,
-tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk
-niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En
-Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan
-en redden kon door den arm der justitie."
-
-»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie," zeide ik. »Ik ben
-dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken..."
-
-»Gij hebt het vermoed?" hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar
-het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben,
-welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat
-uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig
-jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel
-beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten
-van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor
-wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden
-overal een schier onbepaald crediet. Want--ik zeg het den heer Owen,
-zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug--geen kantoor
-was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo,
-tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche
-heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet,
-maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig
-op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk de meeste hunner wissels
-disconteeren. Op deze wijze.... merkt gij dan niet, waar ik heen wil?"
-
-Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.
-
-»Welnu," vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de
-Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die
-hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang
-doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het
-u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde
-kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de
-wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo
-uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?"
-
-Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste
-mij.--»Gelooft gij dan," zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit
-ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders
-te bespoedigen?"
-
-»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest," hernam
-Jarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is
-nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig
-beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste
-wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft
-medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne
-pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er
-contanten voor wilden geven--ik heb dat uit de derde hand. Maar die
-sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun
-innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om
-honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in
-Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was
-hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig
-gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij
-wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan
-den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen
-is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof
-zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden."
-
-»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?" vroeg ik. »Is
-hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht
-om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave,
-die de ontwerpen van zijne partij zou schaden."
-
-»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen," hernam Jarvie. »De
-grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen
-denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij
-op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden,
-dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane
-aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen
-het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper
-beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het
-voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was,
-zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in
-zijne benarde omstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets,
-wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier."
-
-»Een boos dier?" vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?"
-
-»Robberts vrouw," hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van
-een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt
-niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor
-koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij
-willen ophangen."
-
-»Vreemd," merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche
-burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking
-moeten staan."
-
-»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!" hernam Jarvie. »Dat
-zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze
-Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van
-Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te
-betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke
-vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?"
-
-»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst
-bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest."
-
-»Dat zou ik denken!" zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds
-verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als
-men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals
-over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs
-te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat
-ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie
-dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook
-slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam
-kleinood in onze dagen in waarde houden."
-
-»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde
-te gaan," hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou,
-dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting
-geëvenredigd zijn."
-
-»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te
-vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen
-is," zeide Owen.
-
-»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met
-mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar
-beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen
-der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de
-rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat
-gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig
-hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt
-hebben--en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade's-Land; John
-Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen
-zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal
-zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere
-zekerheid verlangen."
-
-Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden
-hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij
-zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren
-terugkrijgen zouden.
-
-»Wanhoop niet, mijn goede man!" vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo
-veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf
-en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn
-overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan
-wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te
-paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte,
-en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik
-niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem
-en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb
-ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost,
-al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker
-wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben
-mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er
-voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden
-wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de
-wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een
-van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert
-gebannen--ik wil hun dat in het gezicht zeggen--welnu, dan bestaan er
-thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap
-te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene
-Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!"
-
-Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur
-vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch,
-om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje
-vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk
-tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en
-tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat
-hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche
-avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn
-over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon
-aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van
-zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen.
-
-Gretig nam ik dus Jarvie's aanbod aan, om hem den volgenden morgen te
-vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn
-voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om
-tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas
-te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen
-nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al
-wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken
-van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die
-ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne
-herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijk afscheid van den
-ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik
-gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij
-te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de
-laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVII.
-
-
- Geen struik, geen plant.
- Slechts roestig bruin, is d'aarde.
- Geen bij, die 'k honig zaam'len zag;
- Geen duif, die ik ontwaarde.
- Geen stroom, die lieflijk ruischt,
- Geen wind, die door 't geboomte suist.
-
- (Voorspelling van hongersnood.)
-
-
-Koel was het op dien herfstmorgen, toen ik Andries, zoo als ik hem
-gelast had, met de paarden voor Jarvie's woning vond, vlak in de
-nabijheid van mijn logement. Op het eerste gezicht bemerkte ik,
-dat Andries zijn slecht paard, het edelmoedige geschenk van zijn
-rechtsgeleerden vriend, voor een nog veel ellendiger knol verruild had,
-die slechts op drie beenen liep, en het vierde in de hoogte hield.
-
-»Wat moet dat beduiden?" vroeg ik misnoegd. »Waar is het andere paard?"
-
-»Ik heb het verkocht, mijnheer; het was zulk een vraatzuchtig dier,
-dat het zich in de herberg zelf zou opgevreten hebben. Dit heb ik
-voor uwe rekening gekocht, en het is een koopje. Elke poot kost een
-pond sterling, dat is, sumarum sumorum, netto vier pond. Weliswaar
-een beetje stijf als het van stal komt;--dat zal echter gauw slijten
-en het is een bekende harddraver."
-
-»Waarlijk," zei ik, »gij zult niet rusten tot ik u een flink pak
-slaag gegeven heb. Ga dadelijk het andere paard halen, of het zal je
-berouwen!" Maar Andries stoorde zich noch aan mijn bevel, noch aan
-mijne bedreigingen. Hij beweerde, dat hij den kooper van zijn paard
-ten minste eene guinje rouwkoop zou moeten geven. Ik merkte weer,
-dat ik met een bedrieger te doen had. Ik besloot echter als een echt
-Engelschman, geen tijd te verliezen, maar het geld te betalen. Daar
-zag ik Jarvie uit zijne woning treden. Hij was in zijn reismantel
-gebakerd, als of het een tocht naar Siberië gold. Onder geleide van
-zijne Mathilde brachten twee leerjongens het flinke paard voor, dat
-bij zulke gelegenheden gewoon was, den eerzamen heer te dragen. Vóór
-dat hij zich in den zadel zette, vroeg hij naar de oorzaak van den
-twist tusschen mij en mijn knecht. Toen ik hem de zaak had verteld,
-riep hij den weerspannigen Andries toe, het paard onverwijld terug
-te bezorgen, onder bedreiging, als hij zich langer verzette, hem in
-de gevangenis te zetten, en de helft van zijn loon als boete te doen
-betalen. »Mijnheer Osbaldistone," zeide hij, »heeft u en uw paard
-gehuurd, twee beesten tegelijk. Vooruit, ik zal u onderweg op de
-vingers zien! Gauw wat, mannetje!"
-
-»Hoe! gij wilt mij beboeten?" zeide Andries stoutmoedig. »Ik bezit
-immers geen duit. Ge zoudt even goed een Hooglander zijn broek kunnen
-ontnemen."
-
-»Genoeg, praatjes! Zoo gemakkelijk laat de justitie zich niet
-afschepen. Wie geen geld heeft, betaalt met zijn rug: dat staat
-vast," hernam Jarvie. »Op de eene of andere wijze zullen wij met u
-wel afrekenen."
-
-Er bleef voor Andries niets over dan te gehoorzamen. Hij mompelde
-slechts tusschen de tanden; »al te veel heeren! al te veel heeren! zei
-het veld tot de egge, toen al de pennen haar staken."
-
-Hij had blijkbaar weinig moeite, om weder in het bezit van zijn
-verkocht paard te geraken, want een paar minuten daarna keerde hij
-op zijn ouden Bucephaal terug. Van den rouwkoop werd zelfs geen enkel
-woord gerept.
-
-Wij begaven ons nu op weg, maar nauwelijks waren wij aan
-den hoek van de straat, of wij hoorden achter ons luidkeels:
-»halt! halt!" roepen. Jarvie's beide leerjongens haalden ons in. De
-een stelde zijn heer, uit naam van Matje, een zijden doek ter hand,
-met hare aanbeveling, dien toch vooral om den hals te slaan, terwijl
-de ander hem, ook uit naam van Matje, onder een schalkschen glimlach,
-waarschuwde, toch met water drinken voorzichtig te zijn.--»Ei
-wat!" zeide Jarvie, »laat zij daaromtrent maar gerust wezen." Maar
-zich tot mij wendend zeide hij: »het is toch een bewijs van een goed
-hart, van eene hartelijke zorg voor haar heer, niet waar? Ja, ja,
-mijn Matje is een best meisje, zoo zorgzaam en trouw!"
-
-Met die woorden gaf hij zijn paard de sporen, en zonder verder
-opgehouden te worden, geraakten wij buiten de stad. Terwijl wij
-langs den straatweg in matigen draf voortreden, had ik gelegenheid,
-de voortreffelijke eigenschappen van mijn nieuwen vriend nog nader
-te leeren kennen en waardeeren. Weliswaar beschouwde hij, even als
-mijn vader, den handel als de gewichtigste bestemming van den mensch,
-maar hij was tevens onbevooroordeeld genoeg, om ook de waarde van
-andere algemeene kennis op prijs te stellen. Niettegenstaande zijne
-zonderlinge grillen, zijn ongemanierd gedrag, zijne ijdelheid,
-die juist dan het grappigst was, wanneer hij ze onder den sluier
-der nederigheid verborg, ja, ondanks zijn volslagen gebrek aan
-wetenschappelijke vorming, liet Jarvie in den loop van het gesprek
-helder oordeel, juiste inzichten en vlug begrip blijken, meer dan
-men van hem verwacht zou hebben.
-
-Met de oudheden van het land was hij goed bekend. Hij wist mij
-aangenaam bezig te houden met het verhalen van gebeurtenissen, die in
-de oorden, welke wij doortrokken, voorgevallen waren. Ook in de oudere
-geschiedenis van zijne geboorteplaats was hij vrij goed te huis. En
-hij zag met het vooruitziend oog van een schranderen vaderlander reeds
-zeer vele voordeelen in kiemen, die later tot bloei en rijpheid gekomen
-zijn. Ofschoon een echt Schot en uiterst bezorgd voor den roem en de
-eer van zijn vaderland, koesterde hij toch geen bekrompen denkbeelden
-en kinderachtige vooroordeelen omtrent het naburige land. Dit merkte
-ik met genoegen; toen Andries dan ook het verlies van een hoefijzer
-aan den alles bedervenden invloed der Unie toeschreef, kreeg hij een
-scherpe vermaning.
-
-»Zwijg!" riep hij; »wie zoo spreekt, lastert en hitst buren tegen
-buren, volken tegen volken op. Niets ter wereld is volmaakt, dat
-geldt ook van de Unie. Niemand was sterker tegen de Unie, dan onze
-Glasgowers. Hun razen en tieren was toen misschien goed. Maar ik zou
-wel eens willen weten, of er, sinds den tijd, toen St. Mungo haringen
-in de Clyde ving, wel iets geweest is, dat ons zoo veel voordeel heeft
-aangebracht als de handel in suiker en tabak? En heb ik gelijk, dan
-heeft ieder ongelijk, die het verdrag afkeurt, dat ons den weg naar
-West-Indië geopend heeft."
-
-Andries Fairservice, wilde dit niet toestemmen. Ja, hij waagde het
-grommend daartegen te protesteeren. »Het was een groote verandering
-voor Schotland," zeide hij, »dat 's lands wetten nu in Engeland
-gemaakt werden. Wat hem betrof, hij zou om alle haringen in Glasgow
-en om alle tabaksvaten bovendien, nooit zijne toestemming verleend
-hebben tot het afschaffen van het Schotsche Parlement, of het zenden
-van de Schotsche kroon en schepter naar Engeland, om bewaakt te worden
-door die Engelsche kerels in den Tower te Londen ... Wat zouden Sir
-William Wallace, of de oude David Lindsay wel van die mooie Unie gezegd
-hebben?" vroeg hij. Jarvie gaf geen verder antwoord. Hij hield niet
-van Andries.
-
-Wij kwamen op eene uitgestrekte vlakte, die steeds woester werd,
-naarmate wij ons van Glasgow verwijderden. Eindelijk zagen wij rondom
-ons niets dan groote, eenzame, hopeloos kale heiden, die nu en dan
-afgewisseld door moerassen, met een bedriegelijk groen overdekt, uit
-zwarte veengronden bestaande, of door kleine eentoonige hoogten, die
-den naam van heuvel niet verdienden. Geen boom, geen struikgewas gaf
-eenige afwisseling. Het oog werd moede door het eenvormige van dezen
-onvruchtbaren bodem, waar slechts hier en daar een enkel heidebloempje
-opschoot. Wij zagen geen ander levend schepsel, dan somwijlen eenige
-ronddolende schapen van eene bonte kleur, meestal met pikzwarten kop en
-pooten. Zelfs de vogels schenen deze woestenij te vermijden, trouwens,
-geen wonder, daar zij ze zoo gemakkelijk ontvluchten konden. Ik hoorde
-niets dan het eentonig geluid van den kemphaan en den kievit. Toch
-bleek bij ons middagmaal, dat wij in eene armzalige kroeg namen, dat
-hier en daar andere dieren rondzwierven. De waardin dischte ons de
-opbrengst der laatste jacht van haar man op, en deze bestond uit eenige
-korhoenders en ander soortgelijk wild. Daarbij kregen wij schapenkaas,
-gedroogden zalm, haverbrood, slecht bier en uitmuntenden brandewijn,
-terwijl onze paarden goed verzorgd werden.
-
-Een korte poos bleven wij daar. Toen vervolgden wij onze reis. De
-versterking, welke ons middagmaal mij gaf, diende ook een weinig,
-om een aanval van neerslachtigheid af te wenden, die mij ongemerkt
-bekroop, toen ik de zonderlinge onzekerheid van mijn avontuur en het
-woeste oord naging, waardoor heen het mij voerde. Onze weg werd al
-akeliger. De weinige ellendige hutten, die nog eenige sporen van
-menschelijke bewoning verrieden, werden zeldzamer, en verdwenen
-eindelijk geheel en al, naarmate het terrein zacht hellend opwaarts
-liep. Gedachteloos reed ik voort, toen opeens een bocht van den
-weg ons eene reeks donkerblauwe bergen deed aanschouwen, die zich
-noordwestelijk in de verte uitstrekten. De toppen dezer bergen
-waren schilderachtiger dan de kale en wanstaltige heuvels, welke
-wij tot dusver gezien hadden. Ik deed mijn geleider verscheidene
-vragen omtrent de namen en de ligging van die zonderlinge bergen;
-maar hij scheen er òf niets van te weten, òf geen lust te hebben,
-om mij er veel van mede te deelen.
-
-»Ja, kort gezegd, dat zijn de Hooglandsche bergen," antwoordde hij;
-»ge zult nog genoeg daarvan zien en hooren, eer gij weder te Glasgow
-komt. Ik wil er niet naar zien. Ik ril als ik ze zie. Vrees is dat
-niet--neen, geene vrees, maar medelijden met de arme, verblinde,
-half verhongerende menschen, die daar wonen. En vraag mij nu niets
-meer. Het is niet goed over de Hooglanders te spreken, als men zoo
-dicht bij hunne grenzen is. Menigen eerlijken kerel heb ik gekend,
-die zulk een reisje niet zou ondernomen hebben, zonder vooraf zijn
-testament te maken. Mijn Matje had er ook vrij wat tegen, dat ik mij
-zoo noodeloos ging wagen. Zij schreide zelfs; maar aan dat oor ben
-ik doof, want vrouwen hebben hare tranen altijd gereed."
-
-Ik wilde het gesprek weder op den man brengen, dien wij bezoeken
-wilden. Maar Jarvie was ook aan dat oor doof, misschien wel
-voornamelijk daarom, omdat Andries zoo dicht bij ons was, dat hij
-elk woord kon opvangen en zich ook de vrijheid veroorloofde, telkens
-deel aan ons gesprek te nemen. Eindelijk begon dit Jarvie te vervelen,
-die hem toeriep: »Blijf achter ons kerel, zoo al u betaamt. Ge wilt u
-overal mee bemoeien. Blijf dáár, waar ge t'huis behoort, zeg ik!" Toen
-nu Andries niet meer hooren kon, wendde Jarvie zich weder tot mij
-en zeide: »Het staat u zeker vrij mij zooveel te vragen als gij
-verkiest, mijnheer Osbaldistone, maar mij staat het evenzeer vrij u
-al of niet te antwoorden. Veel goeds kan ik van Robbert niet zeggen,
-en kwaad wil ik van hem niet spreken. Hij is nu eenmaal mijn neef;
-daarbij zijn wij thans dicht bij zijn landstreek, en achter elken
-struik kon een van zijne lieden op den loer liggen. Laat u door mij
-raden; hoe minder gij over hem spreekt, hoe minder gij laat blijken,
-waarheen wij gaan, of wat wij doen willen, des te meer hoop mogen wij
-koesteren, onze zaken spoedig in orde te brengen. Want het zou ook
-wel kunnen gebeuren, dat wij onder vijanden van hem vielen--hij heeft
-vele vijanden. Toch zit zijn hoofd nog vrij vast op zijne schouders,
-hoewel ik bijna begin te gelooven, dat zij het hem eindelijk te benauwd
-zullen maken en hij voor hen zal moeten zwichten; de rat loopt eens
-in den val, is het niet vroeg, dan laat."
-
-»Ik zal mij geheel door uwe meerdere ondervinding laten leiden,"
-antwoordde ik.
-
-»Daaraan zult gij zeer verstandig doen, mijnheer Osbaldistone. Doch
-dien babbelaar daar moet ik den mond snoeren. Andries! Andries! hoe
-heet ge ook? Kom eens hier!"
-
-Maar Andries, die sedert de laatste ernstige vermaning ver
-achtergebleven was, kwam slechts stapvoets en brommende bij ons.
-
-»Andries! Schelm! Hier!" riep weêr de heer Jarvie.
-
-»Hier!" zeide hij. »Zoo roept men een hond!"
-
-»Ik zal je als een hond behandelen, als je niet let op hetgeen ik je
-zeg!--We gaan nu naar de Hooglanden...."
-
-»Dat dacht ik al...."
-
-»Zwijg, zeg ik! We gaan naar de Hooglanden...."
-
-»Dat hebt ge al gezegd," hernam Andries.
-
-»Houd je mond, zeg ik, of...."
-
-»Mond houden?" herhaalde Andries. »Ge hebt...." Hier kwam ik
-tusschenbeide en gebood hem te zwijgen.
-
-»Ik zwijg immers al lang," hernam Andries. »Wat gij mij beveelt doe
-ik zonder tegenspreken. Mijne lieve overledene moeder zeide altijd:
-»kind, wie geld heeft, kan bevelen, en dan gehoorzaamt men gaarne
-het geld." Dus praat maar toe, alle beide!"
-
-»Hoor eens, Andries," viel Jarvie hem in de rede. »Is uw leven
-u lief--hoewel het misschien niet veel waard is--denk dan aan
-hetgeen ik u thans zeg! De herberg, waarheen wij thans gaan, en
-waar wij waarschijnlijk den nacht zullen doorbrengen, wordt vrij
-druk door lieden van al de clans bezocht, uit het Hoogland en uit de
-Laaglanden. Daar ziet men meer bloote dolken dan open bijbels; vooral
-als de drank de hoofden warm maakt. Bemoei u met niets. Beleedig
-niemand met uwe veel te vlugge tong. Houd u stil en laat elk zijn
-twist zelf beslechten."
-
-»Nu, was dat de moeite waard, mij dat onder het oog te
-brengen!" antwoordde Andries minachtend. »Alsof ik nog nooit
-Hooglanders gezien had, en niet wist hoe men met hen moet omgaan! Wees
-maar gerust: ik ken hen beter dan gij. Ik heb van hen gekocht, aan
-hen verkocht, met hen gegeten, met hen gedronken...."
-
-»Misschien ook met hen gevochten?" vroeg Jarvie.
-
-»Dat niet! Waarachtig niet!" antwoordde Andries. »Daarvoor heb ik
-mij wel gewacht. Bovendien, daar ik een kunstkenner, een halve
-geleerde in mijn vak ben, past het niet, met lieden te vechten,
-die geen enkele plant of bloem in het Schotsch weten te noemen,
-veel minder in het Latijn."
-
-»Best, maar hoor eens, wilt gij de tong in uw mond en de ooren aan uw
-hoofd behouden,--want gij zoudt onder dat woeste volk zeer licht het
-een en het ander kwijt kunnen raken--spreek dan geen enkel woord,
-hetzij ten goede, hetzij ten kwade, met iemand, dien gij in de
-herberg mocht aantreffen. En wees vooral bedacht, dat gij daar noch
-mijn naam, noch dien van uw meester noemt. Het kon u eens invallen
-te gaan pochen en te roepen: die daar is de heer Nikolaas Jarvie,
-lid van den stedelijken raad van Glasgow, zoon van den ouden Nikolaas
-Jarvie, voorheen wijkmeester en ook lid van den stedelijken raad,
-een man bij oud en jong met roem bekend en bij allen bemind; die
-andere heer is de heer Frans Osbaldistone, zoon van het hoofd van
-het beroemde kantoor Osbaldistone en Tresham in Londen."
-
-»Houd maar op! Al genoeg!" riep Andries. »Denkt ge dat ik uwe namen
-noemen zal, zoo lang het niet noodig is? Ik heb wel over wat anders,
-van veel meer belang te spreken."
-
-»Daar hebt ge 't al--weergaasche snapper! Gij hebt over niets, noch
-over het een, noch over het ander te spreken, maar u stil te houden,
-stil als eene muis, hoort gij!"
-
-»Wel mijnheer, als gij meent, dat ik niet in staat ben om te spreken
-of te zwijgen, waar ik spreken of zwijgen moet," hernam Andries, »geef
-mij dan mijn loon en kostgeld, en ik keer naar Glasgow terug. Het
-scheiden zal mij niet moeilijk vallen, zei de oude merrie tegen den
-gebroken wagen."
-
-Ik vreesde dat de lastige onhandelbaarheid van den tuinman aanleiding
-tot nieuwe onaangenaamheden zou geven. Ik zeide dus, dat hij, als
-hij het goedvond, terug kon keeren, maar dan geen enkelen duit voor
-zijn dienst ontvangen zoude. Zulke geldbeurs-argumenten, hebben bij de
-meeste menschen nog al invloed en gewicht. Onze Andries maakte in dit
-opzicht geen uitzondering op de meeste menschen. Hij begon terstond
-op een anderen toon te praten, betuigde, dat hij geenszins voornemens
-was, mijn misnoegen tegen zich op te wekken, maar integendeel in
-alles aan mijne bevelen te gehoorzamen.
-
-Zoo was de vrede weer hersteld. Wij vervolgden onzen weg, bergaf,
-door een oord, dat noch vruchtbaarder, noch bekoorlijker was dan dat,
-hetwelk reeds achter ons lag. Slechts nu en dan bracht het gezicht van
-een uit den achtergrond oprijzenden bergtop eenige afwisseling. Zonder
-stoornis reden wij verder, maar toen de avond begon te vallen en
-deze woeste streken in schaduw begon te hullen, bevonden wij ons,
-volgens de verzekering van den heer Jarvie, nog meer dan een uur
-gaans van onze herberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXVIII.
-
-
- O, gij, baron van Kalen!
- Jou zal de drommel halen,
- En jou tot korrels malen!
- Jij hebt hier een mooi kasteel in de stad?
- Geen mensch en geen beest vreet er ooit zich zat,
- En men vindt er niet eens een stoel voor zijn g....
-
- Schotsch liedje.
-
-
-De avond was wezenlijk mooi. Bij het heldere maanlicht deed de streek
-zich veel gunstiger voor dan bij dag. Het ineensmelten van licht
-en schaduw gaf aan de woestenij iets bekoorlijks, wat ze anders
-eigenlijk geheel miste. Even als een sluier, over een alledaagsch
-vrouwengelaat, wekte het nieuwsgierigheid naar iets, dat op zich zelf
-niet belangwekkend was.
-
-De weg liep nog steeds naar beneden, en voerde ons van de heivlakte af
-naar kloven met steile randen en, na vele krommingen, naar den oever
-eener rivier, die veel meer naar de stroomen van mijn vaderland geleek,
-dan naar die, welke ik tot dusver in Schotland gezien had. Het was een
-smal, diep, stil water, ofschoon het flauwe licht, dat over de kale
-oppervlakte scheen, ons tegelijk aan beide zijden de hooge gebergten,
-waaruit het ontstond, deed bemerken.
-
-»Dat is de Forth!" zeide Jarvie op den eerbiedigen toon, waarop de
-Schotten doorgaans van hunne voornaamste rivieren spreken. De Clyde,
-de Tweed, de Forth, de Spey worden door hen, die aan de oevers daarvan
-wonen, steeds met zekeren trots en fierheid genoemd. Zelfs heb ik
-gezien, dat een enkel woord van minachting tweegevechten ten gevolge
-had. Wie zou deze onschuldige geestdrift willen afkeuren! Gaarne
-beantwoordde ik dus den uitroep van mijn vriend met dezelfde levendige
-belangstelling, die hij had laten blijken. Inderdaad was ik ook blij,
-na zulk een vervelenden tocht, eindelijk in een streek te komen,
-die afwisseling bood en den geest bezig hield.
-
-Mijn getrouwe schildknaap Andries scheen geenszins van dat gevoelen te
-zijn. De plechtige aankondiging: »dat is de Forth!" beantwoordde hij
-met een tamelijk onverschillig »hm!" als wilde hij te kennen geven, dat
-het gezicht van de herberg hem oneindig meer welkom zou geweest zijn.
-
-Inderdaad, de rivier verdiende, voor zoo ver ik bij het flauwe licht
-dat over haar gespreid lag, het kon beoordeelen, die bewondering,
-die haar geschonken werd. Een schoone, ronde heuvel, bekleed met
-kreupelhout van hazelnootboomen, esschen, dwergeiken, waartusschen
-eenige statige boomen met hunne trotsche kruinen in het maanlicht
-uitstaken, beschermde als het ware de bron der rivier. Volgens
-het verhaal van mijn reismakker, dat hij met gedempte stem deed,
-hoewel hij verklaarde niets te gelooven van hetgeen hij vertelde,
-bevatte deze bekoorlijke heuvel in zijne onzichtbare holen de paleizen
-der toovergodinnen, die weliswaar niet bepaald vijandinnen van het
-menschelijk geslacht zijn, doch wegens haar grilligen, wraakzuchtigen
-aard vermeden en gevreesd zijn.
-
-»Die toovergodinnen," zeide hij fluisterend, »heeten hier: »Daoine
-Schie". Naar ik mij herinner, beteekent dit: »vrouwen des vredes." Men
-meent, haar door dezen titel zich genegen te maken. En waarom zouden
-ook wij haar zoo niet noemen? Het is toch nooit raadzaam, van den
-heer des huizes binnen zijne eigen muren kwaad te spreken. Op de keper
-beschouwd, is dat, wat ik u daar vertel, natuurlijk een sprookje.--Dit
-durf ik wel ronduit verklaren," voegde hij er met eenigen nadruk bij,
-toen wij op een kleinen afstand van ons in een huis licht zagen
-schemeren.--»Wij zijn thans dicht bij de herberg van Aberfoil,"
-vervolgde hij: »daar ginder, waar dat licht brandt."
-
-Met veel genoegen vernam ik dit, niet zoozeer omdat mijn
-reisgenoot-zich nu vrijmoediger over de toovergodinnen kon uiten,
-als wel, omdat ik mij thans eenige uren rust mocht beloven, die wij,
-niet minder dan onze paarden, na zulk eene moeielijke dagreis, meer
-dan noodig hadden.
-
-Eene oude, zeer hooge, smalle steenen brug bracht ons over de Forth,
-dicht bij den oorsprong der rivier. De gewone weg uit het Hoogland
-naar Zuid-Schotland liep echter, zoo als ik van mijn reisgenoot hoorde,
-door de Forth van Firth, waar de stroom steeds zeer diep en moeielijk
-over te trekken, ja niet zelden volstrekt ondoorwaadbaar is. Van deze
-plaats tot verder oostwaarts naar de brug van Stirling, bevindt zich
-nergens een overgang. Zoo vormt dan de Forth, van hare bron tot aan
-de Firth--dat is de zeearm die haar omvangt,--eene gemakkelijk te
-verdedigen grensscheiding tusschen het Hoogland en Zuid-Schotland. De
-gebeurtenissen, waarvan ik naderhand getuige was, herinnerden mij
-vaak de aanmerking, die Jarvie, volgens zijne gewoonte, in den vorm
-van een spreekwoord maakte: »de Forth is voor de woeste Hooglanders,
-een toom, die hen in bedwang houdt."
-
-Na een korten rit aan gene zijde van de brug, bevonden wij ons
-eindelijk voor een herberg, waar wij den nacht zouden doorbrengen. Haar
-voorkomen was nog veel armzaliger dan van die, waar wij des middags
-gegeten hadden. Door de kleine vensters zagen wij echter veel licht en
-hoorden weldra ook verscheidene stemmen, wat een gul onthaal scheen
-te beloven, waaraan wij ook groote behoefte gevoelden. Intusschen
-had Andries al spoedig ontdekt, dat een dikke, afgeschilde wilgentak
-dwars vóór de half geopende deur lag. Hij bleef dralende staan en
-ried ons aan niet binnen te treden.--»Buiten twijfel zijn daar eenige
-van hunne hoofden bijeen, die in hun drinkgelag niet willen gestoord
-worden," zeide hij. »Stappen wij nu maar zoo zonder komplimenten
-binnen, dan zullen zij ons zeer zeker met een geducht pak stokslagen
-verwelkomen, of ons met hunne scherpgepunte dolken een prikje geven,
-dat ons dergelijke onwellevendheid voor altijd zou afleeren."
-
-Ik keek vragend mijn reisgenoot aan, die mij toefluisterde: »de ezel
-heeft daar een verstandig woord gesproken!"
-
-Nu kwamen er op het hooren van den hoefslag onzer paarden, eenige
-half gekleede meiden uit de herberg en de omliggende hutten. Maar
-niemand heette ons welkom; niemand gaf zich de moeite, toen wij
-afgestegen waren, om onze paarden vast te houden, en op alle onze
-vragen ontvingen wij slechts het troostelooze antwoord: »ha niel
-Sassenach!" (»kan geen Saksisch!") [10].
-
-Jarvie wist hun echter de tong los te maken en Engelsch te doen
-spreken.
-
-»Als ik u," zeide hij tegen een tienjarigen knaap in een haveloozen
-plaid, »een stuiver geef, wilt gij dan Saksisch verstaan?"
-
-»Ja, ja, dat wil ik!" antwoordde de knaap in redelijk goed Engelsch.
-
-»Nu ga dan heen, en zeg uwe moeder," vervolgde Jarvie, »dat hier een
-paar vreemde heeren zijn, die haar wenschen te spreken."
-
-Terstond daarop verscheen de waardin met een brandenden spaander in
-de hand, dien de Hooglanders van het in de turfmoerassen gevonden
-pijnboomhout snijden, en niet zelden in plaats van eene kaars of
-lamp gebruiken. De heldere vlam verlichtte de woeste gelaatstrekken
-eener bleeke, magere vrouw van buitengewone grootte, wier slordige
-en gescheurde kleeding haar ternauwernood naar behooren bedekte. Haar
-zwart haar, dat in ongekamde lokken uit hare morsige muts nederhing,
-en de zonderling verlegen blik waarmede zij ons beschouwde, gaven
-haar geheel het voorkomen eener tooverkol, die in hare werken der
-duisternis gestoord wordt. Zij weigerde bepaald ons in de herberg
-toe te laten. Vruchteloos waren al onze vertoogen. Te vergeefs
-verzekerden wij haar, dat wij en onze paarden te veel afgemat waren
-om de naastvolgende, omtrent zeven Schotsche mijlen verwijderde
-herberg nog vóór den nacht te bereiken.--»Beter verder gegaan,
-dan hier de pot verteerd!" antwoordde de onverbiddelijke waardin
-in het Nederschotsch. »Binnen zijn lieden, die niet gestoord willen
-worden door vreemdelingen. Wie zij zijn, weet ik niet. Misschien wel
-roodrokken van het garnizoen," voegde zij er zachter, doch met een
-bijzonderen nadruk bij. »Het is goed weer; laat de heide ditmaal
-uw bed zijn, dat zal uw bloed verkoelen. Slaap in uwe kleederen,"
-voegde zij er bij, »zooals een goed zwaard in de scheede. De hei is
-niet al te vochtig, als ge maar een geschikt plekje uitzoekt, en ge
-kunt gerust de paarden op den heuvel laten grazen; geen mensch zal
-het je kwalijk nemen."
-
-Terwijl Jarvie besluiteloos zuchtte, betuigde ik de waardin, dat ik
-sinds zes uren niets gegeten had, en den nacht niet hongerend in het
-gebergte kon doorbrengen. »Ik moet volstrekt onder dak,"--voegde
-ik er bij. »Zie het met uwe gasten voor ons zoo wat ten goede te
-schikken.--Beduid hun, dat twee vermoeide vreemdelingen de eer van
-hun gezelschap wenschen te genieten. Andries, zorg voor de paarden!"
-
-De oude heks staarde mij met verbazing aan.--»Nu, het zij dan
-zoo!" zeide zij eindelijk; »maar ik vrees, ik vrees, dat het u berouwen
-zal, met mijne gasten kennis gemaakt te hebben. Evenwel, wie niet naar
-goeden raad wil hooren, moet zijn eigen zin volgen! Intusschen kan
-ik wel zien, dat gij echte Engelschen zijt. De buik is uw afgod. Gij
-hebt heden eenmaal gegeten. En toch wilt gij nog liever vrijheid en
-leven wagen, dan een avondmaal missen. Maar ik wasch de handen in
-onschuld. Kom," zeide zij tegen Andries, »ik zal de plaats voor de
-paarden wijzen."
-
-Over deze uitdrukkingen der waardin, die mij een dreigend gevaar
-schenen aan te duiden, was ik min of meer onthutst. Evenwel, ik had
-haar nu eenmaal mijn besluit te kennen gegeven. Ik wilde nu niet
-angstvallig terugtreden, maar stapte moedig het huis binnen. Toen
-wij een smallen gang, waar ik mijne schenen tegen een hoop turf en
-eene vleeschkuip bijna stuk stiet, doorgegaan waren, opende ik eene
-gebrekkig uit wilgentwijgen gevlochten deur, en trad nu met Jarvie
-in de gelagkamer van deze Schotsche herberg.
-
-Hier zag het er, voor de oogen van een Engelschman, al zeer zonderling
-uit. Het vuur, dat uit turf en dorre takken bestond, brandde helder
-in het midden van het vertrek; maar de rook, die geen anderen uitweg
-had dan door een gat in het dak, bleef grootendeels in donkere wolken
-vijf of zes voet van den bodem aan de zoldering hangen. Beneden
-deze rookwolken was het echter tamelijk licht, dewijl de tocht, die
-door het jammerlijk gehavende vlechtwerk der deur en door eenige
-met lompen behangen gaten, die tot vensters dienden, als ook door
-tallooze scheuren en spleten der van steenen en turf opgetrokken
-wanden rijkelijk henendrong, de vlam van het vuur wakker aanblies.
-
-Aan eene oude eikenhouten tafel nabij het vuur zaten drie mannen. Het
-waren gasten, die men onmogelijk met een onverschillig oog beschouwen
-kon. Twee van hen waren als Hooglanders gekleed. Maar de een, een
-klein, zwartachtig mannetje, met levendige, min of meer driftige
-uitdrukking op zijne gelaatstrekken, droeg eene eng sluitende lange
-broek, »trews" genaamd, van eene fijne, wolachtige stof. Jarvie
-fluisterde mij in, dat deze man zeer zeker een persoon van eenigen rang
-moest zijn, want dat alleen aanzienlijke lieden zulke broeken droegen,
-die, naar de mode der Hooglanders, zeer moeielijk te weven waren.
-
-De andere gast was bijzonder groot en sterk gespierd, met dik rood
-haar, een gezicht vol zomersproeten, bolle wangen en eene lange kin,
-eene soort van karikatuur der eigenaardige Schotsche physionomie. Zijne
-tartan was rijk met rood gekleurd, terwijl in het gewaad van den
-anderen, zwart en donkergroen de heerschende kleuren waren. De derde
-gast, in Nederschotsch costuum, was een man van een onversaagd,
-ja, vermetel voorkomen; zijn oog en zijne houding teekenden den
-krijgsman. Sierlijk en rijk met koorden en galon was zijn reisrok
-bezet, en zijn opgetoomde hoed was van eene vervaarlijke grootte. Zijn
-kort zijdgeweer en een paar pistolen lagen voor hem op de tafel. Elk
-der beide Hooglanders had zijn ontblooten dolk naast zich in de tafel
-gestoken, wat, zoo als ik naderhand vernam, een teeken was, dat hun
-drinkgelag door geen twist mocht gestoord worden. Voor de drie gasten
-stond eene groote tinnen kan met Usquebaugh, een sterken, geestrijken
-drank, dien de Hooglanders van mout brouwen en onverdund in onmatige
-hoeveelheid zwelgen. Een gebroken glas met een houten voet, het
-eenige drinkgereedschap, waarvan zij zich gemeenschappelijk bedienden,
-ging zoo vaak rond, dat het mij, met het oog op den krachtigen drank,
-inderdaad verbaasde. Zij spraken luid en vrij levendig met elkander,
-dan eens in het Engelsch, dan weder in het Gaelisch. Een andere,
-in zijn plaid gewikkelde, Hooglander, lag uitgestrekt te slapen,
-zonder zijn hoofd op een bos stroo, en sliep, of scheen ten minste
-te slapen, zonder op hetgeen rondom hem gebeurde in het minst acht te
-slaan. Intusschen scheen hij insgelijks een der gasten te zijn, want
-hij was geheel gekleed, met zijn zwaard en schild, de gewone wapens
-der Hooglanders, wanneer zij zich op reis bevinden, naast hem. Kribben
-van onderscheidene grootte bevonden zich op eenige hoogte langs de
-wanden, sommige van oude planken, andere van slordig ineengevlochten
-wilgentwijgen, die den huisgenooten, mannen, vrouwen en kinderen,
-tot slaapplaatsen dienden, maar door de donkere rookwolken, die haar
-omringden, genoegzaam onzichtbaar waren.
-
-Wij traden het vertrek zoo stil binnen, dat de drie in hun gesprek
-geheel verdiepte drinkebroers ons gedurende eenige minuten volstrekt
-niet bemerkten. Het ontsnapte mij echter niet, dat de Hooglander, die
-op den grond, niet ver van het vuur lag, zich, toen wij binnenkwamen,
-een weinig oprichtte, op zijn elleboog leunende en het gezicht met
-zijn plaid half bedekkende, ons eenige oogenblikken aanzag en daarna
-zich weder te slapen legde.
-
-Wij begaven ons naar het vuur, dat ons, na een zoo laten rit in een
-kouden herfstavond, eene aangename verkwikking beloofde, en trokken
-nu eindelijk de opmerkzaamheid der gasten tot ons, toen wij de
-waardin riepen. Zij kwam, zag weifelend en vreesachtig dan ons dan de
-andere gasten aan, en maakte, toen wij haar verzochten ons het een
-en ander voor ons avondmaal te brengen, allerlei nietsbeduidende
-verontschuldigingen. In het eerst betuigde zij volstrekt niets
-eetbaars in huis te hebben. Toen verzekerde zij ons weder, dat zij,
-ja, wel iets had, maar dat het geenszins aan lieden van onzen stand
-kon voorgezet worden.
-
-Ik antwoordde haar, dat wij met elk gerecht, hoe gering ook, tevreden
-zouden zijn. En nadat ik naar stoelen voor ons had rondgezien, die
-echter nergens te vinden waren, bood ik Jarvie een ouden hoenderkorf
-tot zitplaats aan, en ging zelf op een gebroken tobbe zitten. Nu trad
-Andries insgelijks binnen, en plaatste zich zwijgend achter ons. De
-gasten staarden ons onafgewend aan, als had onze vrijmoedigheid hen
-min of meer in verlegenheid gebracht; en--ik ten minste--trachtte, zoo
-goed als het gelukken wilde, onder den schijn van onverschilligheid
-de heimelijke vrees te verbergen, dat wij van deze onbekende heeren
-juist niet de aangenaamste ontvangst te wachten hadden.
-
-Eindelijk keerde de kleine Hooglander zich naar mij en zeide op
-trotschen toon in zeer goed Engelsch: »naar ik merk, gedraagt gij u
-hier als of gij te huis waart."
-
-»Dat doe ik gewoonlijk als ik mij in eene herberg bevind," antwoordde
-ik.
-
-»En hebt gij dan aan den dwars voor de deur liggende wilgentak niet
-gezien, dat de herberg reeds door andere gasten bezet was?" vroeg de
-lange Hooglander.
-
-»Ik ken de gewoonten van dit land niet," hernam ik; »maar ik zou toch
-wel eens willen weten, hoe drie menschen het recht zouden hebben,
-om ieder ander reiziger van eene herberg, die de eenige binnen den
-omtrek van verscheidene mijlen is, uit te sluiten.
-
-»Daartoe heeft niemand het recht, mijne Heeren!" zeide Jarvie. »Wij
-willen niemand beleedigen. Doch niemand, wie hij ook zij, mag ons
-verdrijven. Evenwel, is eene flesch goede brandewijn in staat, om een
-einde aan deze onaangename ontvangst te maken--wij zijn vredelievend,
-en......"
-
-»Naar den Satan met uw brandewijn!" zei de Laaglander en zette zijn
-ontzaggelijk grooten hoed met eene zekere fierheid op het hoofd. »Wij
-hebben uw brandewijn evenmin noodig, als uw gezelschap."
-
-Met deze woorden sprong hij op. Zijne metgezellen volgden
-zijn. voorbeeld, mompelden tegen elkander, trokken hunne plaids op
-en snoven en bliezen, zoo als zij gewoonlijk doen, wanneer zij zich
-driftig willen maken.
-
-»Heb ik het u niet gezegd?" riep de waardin. »Weg met u uit mijn
-huis! Ik wil hier geen twist, en niemand moet ten mijnent gestoord
-worden, ten minste, zoo lang ik het beletten kan. Het zou waarlijk wat
-fraais zijn, als bij nacht en ontij de rondzwervende Engelschen zoo
-maar tegen wil en dank in de huizen mochten indringen en ordentelijke,
-vreedzame lieden storen, die in rust hun glaasje drinken!"
-
-Op een anderen tijd, zou ik mij het oude Latijnsche spreekwoord
-herinnerd hebben:
-
-
- Dat veniam corvis, vexat censura columbas.
-
-
-(De kleine dieven hangt men, de groote laat men loopen.) Maar ik had
-geen tijd, om mijne geleerdheid uit te kramen, want alles scheen
-hier op een gevecht te zullen uitloopen. Verontwaardigd over de
-ongastvrije ruwheid, waarmede men mij behandelde, was mij dit volmaakt
-onverschillig, hoewel ik medelijden met den goeden Jarvie had, die
-bij zulk eene gelegenheid zeer zeker eene zeer slechte figuur zou
-maken. Toen ik dus de andere gasten zag opstaan, sprong ik insgelijks
-op en sloeg mijn mantel terug om ter verdediging bereid te zijn.
-
-»Drie tegen drie," zei de kleine Hooglander. »Als gij dappere kerels
-zijt, trekt dan van leer!"
-
-En nu ging hij met het ontbloote zwaard op mij los. Ik had mijn
-degen getrokken en op het overwicht van mijn wapen vertrouwende,
-vreesde ik de uitkomst van het gevecht niet. Jarvie betoonde meer
-moed dan ik verwacht had. Toen hij den reusachtigen Hooglander met
-het blanke zwaard tegenover zich zag, trok hij eenige oogenblikken
-aan zijne spies, zoo als hij het noemde; maar de verroeste kling
-wilde uit zuivere getrouwheid, de scheede niet verlaten, en nu
-greep hij met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest het
-gloeiende ploegijzer, dat men in plaats van een pook gebruikte,
-en zwaaide het met zulk een goed gevolg, dat hij dadelijk den plaid
-van den Hooglander vuur deed vatten, waarop deze retireeren moest,
-ten einde zijn brandend gewaad te blusschen.
-
-Andries, die met den Laaglander had moeten kampen, was, tot mijn
-leedwezen moet ik zeggen, reeds terstond bij den aanvang van het
-gevecht heimelijk weggeslopen.--»Eerlijk spel! eerlijk spel!" riep
-zijne tegenpartij en scheen ongeneigd om thans deel aan den strijd
-te nemen. Wij waren dus weder twee tegen twee. Mijn oogmerk was,
-mijne tegenpartij, indien ik het kon, te ontwapenen; maar ik waagde
-het niet hem te na te komen, uit vrees voor zijn dolk, dien hij in de
-linkerhand hield, en waarmede hij de stooten van mijn degen afweerde.
-
-Intusschen geraakte Jarvie, in weerwil van zijn in het begin behaald
-voordeel, spoedig deerlijk in het nauw. De zwaarte van zijn wapen en
-het opbruisen van zijne drift, putten de krachten van den zwaarlijvigen
-man genoegzaam geheel uit, en hij zou zeker voor zijn vijand bezweken
-zijn, toen de slaper plotseling van den grond opsprong en zich met het
-bloote zwaard tusschen de strijders wierp.--»In Glasgow heb ik zijn
-brood gegeten, en ik vecht voor den Glasgower Jarvie--ja, dat doe ik!"
-
-En dit deed hij ook zonder dralen; want in hetzelfde oogenblik
-suisde zijn zwaard zoo duchtig om de ooren van zijn landsman,
-dat die moeite genoeg had om zich tegen dezen ongeroepen kampioen
-te verdedigen, hoewel hij--dit zij te zijner eere gezegd,--hem
-volstrekt niets schuldig bleef. Maar beiden hadden ronde, houten, met
-koperen spijkers beslagen en met leer overdekte schilden, waarmede
-zij de slagen behendig afweerden, en aldus veroorzaakte het gevecht
-eigenlijk veel meer rumoer dan wezenlijk gevaar. En inderdaad scheen
-men het er meer op toegelegd te hebben, om ons schrik aan te jagen,
-dan wel om ons eenig leed toe te brengen; want de Laaglander,
-die een tijdlang werkeloos getuige van het gevecht was geweest,
-nam al spoedig de taak van vredestichter op zich: »houdt op! houdt
-op!" riep hij; »al genoeg! al genoeg! het gaat hier immers niet op
-leven en dood! De vreemde heeren hebben getoond, dat zij moed hebben,
-en ons genoegzame voldoening gegeven. Als het er op aankomt, en men
-mij beleedigt, ben ik, zoo als gij weet, gansch niet gemakkelijk;
-maar nutteloos bloedvergieten haat ik."
-
-Natuurlijk had ik geen lust om het gevecht nog langer te doen
-voortduren; ook scheen mijne tegenpartij niet ongeneigd, om zijn zwaard
-in de schede te steken. Jarvie, die naar adem hijgde, was reeds als
-overwonnen te beschouwen, en de beide Hooglandsche kampioenen met de
-beide schilden, staakten hun gevecht even onverschillig, als zij het
-aangevangen hadden.
-
-»En nu, mijne Heeren," hernam onze vredemaker, »laat ons als
-brave kerels thans eens met elkander drinken en elkander leeren
-verdragen. Dit huis is groot genoeg voor ons allen. Hoort dus mijn
-voorstel. Deze kleine, dikke heer, die bij het gevecht wel het meest
-geleden heeft, laat eene kan brandewijn komen; ik betaal eene tweede
-kan om den vrede te bevestigen, en zoo verdrinken wij, als broeders,
-ons zakgeld."
-
-»En wie betaalt mij mijn nieuwen plaid?" vroeg de lange Hooglander. »Er
-is een gat in gebrand, zoo groot, dat men er een emmer doorheen kan
-steken. Heeft men ooit een fatsoenlijk man met een gloeiend ploegijzer
-zien vechten!"
-
-»Wees daaromtrent onbezorgd, vriend!" zeide Jarvie, die nu weder
-bij adem was, en wien het verheugde zooveel moed betoond te hebben,
-en niet genoodzaakt te zijn, nog eens een gevaarlijken en alleszins
-twijfelachtigen strijd te wagen;--»voor die wond zullen wij wel
-eene pleister vinden. Gij zult een nieuwen plaid hebben, en wel een
-allerbesten, van de kleuren van uwen clan. Zeg mij maar, waar ik het
-u uit Glasgow moet toezenden."
-
-»Ik behoef mijn clan niet te noemen," antwoordde de Hooglander: »ik
-ben van een konings-clan, en die is bekend genoeg. Maar gij kunt tot
-staal een stukje van mijn plaid krijgen; een mijner neven, een edelman,
-die eieren ter markt brengt, uit Glencroe, komt binnen kort te Glasgow,
-en die zal het dan wel bij u afhalen, als gij mij maar uwe woonplaats
-opgeeft. Maar goede man, als gij ooit weder vechten wilt, vecht dan
-toch met uw zwaard, want gij hebt er een, maar niet met ploegijzers
-of brandhouten, als een wilde Indiaan."
-
-»Nu ja," hernam Jarvie; »men moet in deze wereld wel eens van den nood
-eene deugd maken. Sedert den slag aan de Bothwel-brug heeft mijn degen
-het daglicht niet gezien; toen had mijn overleden vader hem op zijde;
-en zelfs weet ik niet recht, of hij bij die gelegenheid wel eens uit
-de scheede is geweest, want het gevecht duurde niet lang. Kortom,
-hoe het daarmede ook zij, thans zit die zoo onmanierlijk vast in de
-scheede, dat ik er hem maar volstrekt niet uit kan krijgen, en toen ik
-dat bemerkte, nam ik het eerste het beste ding, dat mij voor de hand
-kwam, en behielp mij daarmede zoo goed ik kon. Eigenlijk wil ik wel
-gelooven, dat vechten mijne zaak niet is, maar in elk geval laat ik
-mij niet ongestraft op de teenen trappen. Maar, eer ik het vergeet,
-waar is de dappere man, die mij zoo moedig verdedigde? Ik geef hem
-eene kan brandewijn; al zou het mij ook mijn laatsten stuiver kosten."
-
-Maar den kampioen, naar wien men rondzag, kon men nergens
-vinden. Terstond na den afloop van het gevecht was hij weggeslopen,
-maar aan zijne woeste gelaatstrekken en haveloos rood haar had ik in
-hem dadelijk onzen Dugald herkend, den vluchteling uit de gevangenis te
-Glasgow. Deze ontdekking deelde ik mijn reisgenoot fluisterend mede,
-en op dezelfde wijze antwoordde hij mij: »ja, ja, ik zie het wel,
-die bewuste vriend van ons had wel gelijk: Dugald is zoo dom niet. Ik
-moet er intusschen over denken, hoe ik hem dezen gewichtigen dienst
-vergelden kan."
-
-Met deze woorden ging hij zitten en riep, toen hij weder geheel op
-adem was gekomen, de waardin.--»Moedertje," zeide hij, »met genoegen
-bespeur ik, dat mijn lichaam gaaf en ongedeerd is gebleven, wat ik,
-bij het zoo even hier gebeurde, schier als een wonder beschouw--nu
-zal het, dunkt mij, het best zijn, de ledige ruimte daarin met iets
-smakelijks aan te vullen."
-
-De waardin, die zich, zoodra de storm voorbij was, ongemeen
-dienstvaardig betoonde, maakte terstond toebereidselen, om ons
-met een avondmaal te verkwikken. Niets was mij echter gedurende het
-gevecht zonderlinger voorgekomen, dan de buitengewone koelbloedigheid,
-waarmede zij en hare huisgenooten ons hadden zien vechten. »De deur
-dicht! de deur dicht!" riep zij uit al hare macht tegen de haren:
-»zij mogen doodslaan, of doodgeslagen worden, niemand komt er uit,
-voordat het gelag betaald is."--De kinderen, die in de kribben langs
-den wand sliepen, richtten zich even onverschillig op, wreven zich
-bedaard de oogen, riepen, terwijl zij hunne naakte lichamen over den
-rand der kribben bogen, half grijnzende uit: »oho! oho!" en waren
-geloof ik, eer wij den vrede gesloten hadden, ook weder ingesluimerd.
-
-Terwijl de waardin tot mijne verbazing een smakelijk gerecht van
-wildbraad voor ons gereed maakte, liet zij ons den brandewijn brengen,
-dien de Hooglanders, in weerwil van hunne vooringenomenheid met hunne
-sterke inheemsche dranken, geenszins versmaadden. Toen de eerste
-beker de ronde had gedaan, vroeg de gast uit de Laaglanden naar ons
-bedrijf en het doel van onze reis.
-
-»Wij zijn uit Glasgow," antwoordde Jarvie met geveinsde nederigheid,
-»en begeven ons naar Stirling, om daar eenige gelden te innen, die
-men ons schuldig is."
-
-Ik moet bekennen, dat ik dom genoeg was, om mij door de bescheidenheid
-waarmede Jarvie van ons sprak, min of meer boos te laten maken; maar
-ik herinnerde mij mijne belofte van te zwijgen en mijn reisgenoot
-de zorg over te laten, om onze aangelegenheden op zijne wijze
-te beredderen. Kon ik den braven man deze inschikkelijkheid
-weigeren? Immers, mij ten gevalle, had hij den langen tocht
-ondernomen. Dat hij zeer vermoeid was, zag ik aan de pijnlijke houding,
-waarmede hij zich nederzette en opstond. Bovendien was hij zelfs in
-levensgevaar geweest.
-
-De spreker der andere partij haalde snuivende den adem in en zeide
-op hoonenden toon: »gij, kooplieden uit Glasgow, hebt niets anders
-te doen, dan West-Schotland van het eene einde tot het andere door
-te trekken om brave lieden te plagen, dien het even als mij juist
-aan het noodige geld ontbreekt."
-
-»Hoor eens, wanneer onze schuldenaars zulke eerlijke lieden waren
-als gij, vriend Garschattachin," antwoordde Jarvie, »dan zouden wij
-ons de moeite van rond te reizen wel kunnen besparen; want zij zouden
-zelven tot ons komen."
-
-»Ei, ei, wat hoor ik daar!" riep de aangesprokene. »Ja, zoo waar ik
-van brood en water leef--onder dien verstande, dat ik er ook wat
-rundvleesch en brandewijn bij gebruik--gij zijt mijn oude vriend
-Nikolaas Jarvie, de beste vent dien ik ken, en die geen eerlijk man
-geld ter leen weigert op zijn woord. Denkelijk komt gij mijn kant
-uit,--de Endrick op naar Garschattachin?"
-
-»Waarlijk niet!" hernam Jarvie. »Ik heb heel iets anders te doen. Maar
-ik dacht wel dat gij meenen zoudt, dat ik wegens de verschenen renten
-van het bewuste kapitaaltje kwam."
-
-»De duivel hale de renten!" zei de laird, naar het scheen uit den
-grond van zijn hart. »Geen enkel woord meer over geldzaken tusschen
-ons beiden, daar gij thans zoo dicht bij mijne woning zijt. Het
-kleed maakt den man! dat is maar niet anders. Wie zou u, in deze
-reiskleeding herkend hebben! Wie zou vermoed hebben, dat in dien
-mallen rok de wijkmeester Jarvie zat!"
-
-»Lid van den raad, als ik u verzoeken mag!" hernam mijn
-reisgenoot. »Maar ik merk al waaruit dit misverstand zijn oorsprong
-heeft. De schuldbekentenis werd bij mijns vaders leven door u
-gepasseerd, en de brave man, zijne ziel zij bij God in den hemel, was
-wijkmeester: en voor zoo ver ik mij herinneren kan, zijn er na zijn
-dood geen renten betaald--ja, ja, daaruit ontstaat dit misverstand!"
-
-»De duivel hale het misverstand en alles, waaruit het ontstaan
-is!" zeide Duncan Galbraith van Garschattachin. »Evenwel, het
-verheugt mij, dat gij lid van den raad zijt; dat is nog al iets,
-niet waar? ten minste houdt gij het daarvoor. Kom aan, heeren, eens
-ingeschonken! Op de gezondheid van mijn voortreffelijken vriend, den
-heer Nikolaas Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow! Hem
-en zijnen zaligen vader ken ik reeds sedert twintig jaren! Nog eens,
-op den aanstaanden hoofdschout, Nikolaas Jarvie. Niemand in geheel
-Glasgow is beter tot dien post geschikt dan hij, en wie hierover anders
-denkt, die heeft met mij te doen," voegde hij er op hoogen toon bij,
-en zette met vrij wat fierheid den hoed op.
-
-De brandewijn was hoogst waarschijnlijk bij de Hooglanders de beste
-aanbeveling voor deze vleiende toosten; zij deden dan ook gaarne
-bescheid, zonder zich eenigszins om den eigenlijken inhoud daarvan
-te bekommeren.
-
-Terwijl zij zich met Galbraith in hunne landtaal onderhielden,
-die de man uit het Laagland, als hun nabuur, zeer vlug sprak,
-fluisterde Jarvie mij toe: »Ik herkende dien knaap al terstond op
-het eerste gezicht. Maar met zijn verhit bloed en ontbloot zwaard,
-dacht ik, wie weet, op welke wijze hij mij zijne schuld zou hebben
-kunnen betalen! Want het zal, vrees ik, vrij lang duren, eer hij ze
-mij op de gewone manier betaalt. Toch is hij overigens een eerlijke
-kerel en hij heeft ook een goed hart. Zelden komt hij te Glasgow,
-maar dikwerf zendt hij een ree of korhoen uit het gebergte. Ook kan
-ik het geld nog wel missen, en mijn vader, de wijkmeester, had steeds
-zeer veel op met de familie Garschattachin."
-
-Toen wij ons avondmaal geëindigd hadden, vroeg ik naar Andries;
-maar mijn getrouwe volgeling was, sinds den aanvang van het gevecht,
-nergens te vinden. De waardin meende, dat hij zich in den stal had
-verscholen, en bood aan, mij derwaarts te geleiden en mij voor te
-lichten. Noch door hare kinderen, noch door haar zelve, zeide zij,
-was hij te bewegen geweest, om op hare vragen te antwoorden, en zij had
-waarlijk ook niet veel lust, om zich op dit ongelegen uur nog eenmaal
-in den stal te begeven; want het spookte er geweldig en dat was dan
-ook de reden, waarom zij geen stalknecht in haar dienst kon houden.
-
-Terwijl zij mij naar de armzalige schuur voorlichtte, waar onze
-paarden zich met een weinig grof hooi moesten vergenoegen, verried
-zij duidelijk genoeg, dat zij mij met een geheel ander doel dan
-zij eigenlijk voorgaf, van de overige gasten had afgetroond.--»Lees
-dit!" zeide zij, en stopte mij, toen wij ons voor den stal bevonden,
-een papier in de hand. »God dank, dat ik het kwijt ben! Onder soldaten
-en Saksers, roovers en veedieven, onder plunderen en moorden te
-leven--waarachtig! eene eerlijke vrouw geniet meer rust in de hel
-dan op de grenzen van het Hoogland!"
-
-Dit zeggende gaf zij mij haar brandende spaander over en keerde naar
-de gelagkamer terug.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXIX.
-
-
- Wat hoort ge in het Hoogland?
- Den horen Mac-Gregor's, Mac-Lean's krijgsgetier,
- Een groven doedelzak, nooit tonen eener lier.
-
- John Cooper's Bescheid aan Allan Ramsay.
-
-
-Ik bleef eenige oogenblikken stilstaan voor den stal. Die naam was te
-fraai voor een ruimte, waar zich paarden met geiten, pluimgedierte,
-varkens en koeien onder één dak met het woonhuis bevonden, toch was
-het een zekere mate van beschaving, waarmede de overige dorpelingen
-nog niet bekend waren, doch dien men, zoo als ik naderhand hoorde,
-aan den overdreven trots van onze waardin Jeany Mac-Alpine toeschreef,
-die haar bewogen had dezen stal een anderen ingang te geven dan die,
-welke voor hare tweebeenige klanten bestemd was. Bij het licht van mijn
-fakkel las ik met moeite den brief, die op een vochtig, verfrommeld
-en morsig blad papier geschreven en van den volgenden inhoud was:
-
-
- Mijnheer!
-
- »Er zweven nachtuilen buiten. Daarom kan ik u en mijn waarden
- neef N. J. heden niet, zoo als mijn voornemen was, in de herberg
- van Aberfoil spreken. Wacht u vooral, om u noodeloos met de
- lieden, welke gij daar vinden zult, op eenige wijze in te laten;
- want daaruit zouden in het vervolg vele onaangenaamheden kunnen
- ontstaan. De persoon die u dezen ter hand stelt, is mij toegedaan,
- en gij kunt u veilig aan haar vertrouwen. Zij zal u naar eene
- plaats brengen, waar ik u, als het God behaagt, veilig zien
- kan, zoo gij en mijn neef mijne schamele woning wilt bezoeken,
- waarin ik, mijne vijanden ten spijt, mijne vrienden als een echt
- Hooglander onthalen kan. Daar zullen wij dan plechtig op de
- gezondheid van zekere D. V. drinken en over de zaak spreken,
- waarin ik u waarschijnlijk van dienst zal kunnen zijn. In
- afwachting blijf ik, zoo als het onder fatsoenlijke lieden heet:
-
- Uw dienstvaardige
- R. M. C."
-
-
-De inhoud van dezen brief maakte mij knorrig. Het kwam mij voor, dat
-die Campbell den dienst, welke ik van hem verwacht had, min of meer op
-de lange baan wilde schuiven. Toch deed het mij goed, te vernemen, dat
-hij zich aan mij voortdurend liet gelegen zijn, daar ik toch zonder hem
-volstrekt geen hoop kon koesteren, mijns vaders papieren weder machtig
-te worden. Ik besloot dus zijne wenken te volgen en ten opzichte van
-de overige gasten alle mogelijke omzichtigheid en terughouding in acht
-nemende, van de eerste gunstige gelegenheid gebruik te maken, om van
-de waardin te hooren waar ik den geheimzinnigen man kon aantreffen.
-
-Nu was mijne eerste bezigheid, den vermisten Andries op te zoeken. Ik
-riep hem herhaalde malen bij zijn naam, zonder eenig antwoord te
-ontvangen. Ik ging toen den stal in, waar een menigte nat stroo
-en modder mij voor het gevaar waarborgde, van hier soms met mijne
-spaanfakkel onwillekeurig brand te stichten. Eindelijk volgde op
-mijn geroep een klagend: »hier!" en wel op een even akeligen toon,
-alsof het uit den mond van een spook kwam. Op dit geluid afgaande,
-kwam ik in een hoek van de schuur, waar ik den dapperen Andries
-achter eene groote kuip vond, die de vederen van misschien al het
-gevogelte bevatte, dat sedert eene maand aan het algemeen welzijn
-was geofferd. Deels door geweld, deels door bevelen en vermaningen,
-deed ik hem uit zijn schuilhoek te voorschijn komen, en zijne eerste
-woorden waren: »Waarde heer, ik ben een eerlijke kerel!"
-
-»Wie drommel vraagt thans naar uwe eerlijkheid!" hernam ik. »Denk
-liever aan uw plicht en kom ons aan tafel bedienen."
-
-»Ja, ja," antwoordde Andries, zonder, naar ik geloof, mijne woorden
-goed verstaan te hebben. »Ik ben een eerlijke kerel, wat mijnheer
-Jarvie daartegen in te brengen heeft. Het is waar, mijne ziel hangt
-zeer aan het wereldsche, maar lieve hemel! dat heb ik immers met
-zoo vele, veel verstandiger lieden gemeen. Maar ik ben een eerlijke
-kerel, en al heb ik u ook eens gezegd, dat ik u verlaten wilde, was het
-slechts mijne tong die dat zeide, en waarlijk niet mijn hart. Ach, het
-was zoo bij wijze van spreken, zoo als men wel meer doet, wanneer men
-op een voordeeligen handel bedacht is. Neen, u, mijn braven jongenheer,
-u, dien ik zoo innig liefheb, zal ik niet verlaten, neen nooit!"
-
-»Maar voor den duivel wat wilt gij toch?" vroeg ik half boos. »Die
-zaak is reeds vereffend. Wat praat gij toch elk oogenblik van dat
-wegloopen?"
-
-»Ja, ja, tot nu toe was het ook maar een praatje," antwoordde Andries;
-»maar thans zou het wel ernstige ernst kunnen worden. Ik moge er bij
-verliezen of winnen, dat is mij onverschillig; maar verder ga ik niet
-met u. En wilt gij naar mijn eenvoudigen, welgemeenden raad luisteren,
-dan breekt gij liever uw woord, dan dat gij verder gaat. Ik houd
-machtig veel van u, en er is, dunkt mij, volstrekt geen twijfel aan, of
-gij zult een man van hooge eer worden, als ge de wilde haren maar eerst
-kwijt zijt en wat bedaarder en verstandiger geworden zijt. Maar zoo
-als ik zeg, verder ga ik niet met u, al moest gij ook zonder leidsman
-en raadgever onder weg verzinken, of op eene andere wijs omkomen. Wie
-zich in het land waagt waar Robbert Roodhaar heer en meester is,
-die spot met onzen lieven Heer, en berokkent zich niets dan kwaad."
-
-»Robbert Roodhaar?" vroeg ik verwonderd; »dien ken ik niet. Wat zijn
-dat weer voor grappen, Andries?"
-
-»Kijk nu eens, het is toch hard," antwoordde Andries, »dat men een
-mensch niet gelooven wil, wanneer hij de zuivere waarheid spreekt,
-omdat hij zich soms met een enkel logentje behelpt, als hij zich
-niet anders weet te redden. Gij behoeft niet te vragen, wie Robbert
-Roodhaar is--die aartsroover--die.... God vergeve mij de zonde! Ik
-hoop toch, dat niemand ons hooren kan. Gij hebt immers zelf een brief
-van hem op zak. Ik hoorde, dat een van zijne bende de oude waardin
-verzocht, u dien ter hand te stellen. Zij dachten, dat ik hunne
-gauwdieventaal niet verstond. Maar ofschoon ik die taal wel niet
-spreken kan, is het niet heelemaal Spaansch voor me, en ik weet er,
-als ze gesproken wordt, nog al het een en ander van op te vangen
-en aaneen te knoopen. Eigenlijk had ik u dit niet moeten zeggen,
-maar als men in angst is, ontvalt ons wel eens iets, dat, op de keper
-beschouwd, veel beter verzwegen ware. Ach, beste mijnheer Frans, al de
-dwaasheden van uw oom en al de dolle streken van uwe neven zijn hier
-volstrekt niets bij. Drink een vollen beker als ridder Hildebrand;
-begin uw ochtend met brood en brandewijn, als jonker Percival;
-bluf, als jonker Thorncliff; loop de meisjes na, als jonker John;
-ga weddingschappen aan, als jonker Richard; kaap den paus en den
-duivel zieltjes weg, als jonker Rashleigh. Maak alarm, raas, tier,
-ontheilig den Sabbath of gehoorzaam den paus, zooals zij allen onder
-elkander doen.--Maar bij den barmhartigen hemel! spaar uw jeugdig
-leven en kom Robbert Roodhaar niet te na!"
-
-De angst van den goeden Andries was te ongeveinsd, dan dat ik eenig
-wantrouwen daarin zou hebben mogen stellen. Ik liet het echter
-daarbij blijven, dat ik hem zeide, voornemens te zijn dien nacht in
-de herberg door te brengen, en ik gelastte hem tevens, voor onze
-paarden te zorgen. Voor het overige beval ik hem ten ernstigste,
-omtrent de oorzaak van zijne vrees het diepste stilzwijgen in acht
-te nemen. Ik verzekerde hem ook, dat hij er zich op kon verlaten,
-dat ik mij niet noodeloos aan gevaar zou blootstellen. Hij volgde
-mij met een bedrukt gelaat en mompelde bij zich zelven: »Redelijke
-menschen behooren toch eerder verzorgd te worden, dan het redelooze
-vee. Den ganschen dag heb ik niets te eten gekregen, dan een paar
-afgekloven vleugels van een taai korhoen."
-
-De goede verstandhouding tusschen de gasten in de herberg scheen,
-sedert ik hen verlaten had, min of meer gestoord te zijn. Althans
-Galbraith en mijn vriend Jarvie waren in eene vrij luidruchtige
-woordenwisseling met elkander gewikkeld.
-
-»Zulke taal over den hertog van Argyle en den naam Campbell duld ik
-volstrekt niet!" zeide Jarvie, toen ik binnentrad. »Hij is een braaf
-edelman, die het wel met ons land meent; ook is hij een man van aanzien
-en gewicht, en beschermt Glasgow's handel op alle mogelijke wijzen."
-
-»Ik zeg immers niets ten nadeele van Mac-Callumore noch van den
-Sliochnan Diarmid!" antwoordde de kleine Hooglander glimlachende. »Ik
-woon te dicht bij Glencroe om met den heer van het land, tot Inverrary
-toe, twist te zoeken."
-
-»Ons meer zag nooit de galei [11] der Campbell's," zei de lange
-Hooglander. »Ik spreek ronduit en vrees niemand. Een Cawmil [12]
-acht ik volstrekt niet hooger dan een ander mensch, en gij moogt het
-Mac-Callumore vrij verhalen, dat Allan-Iverech dat gezegd heeft. Men
-heeft ver te schreeuwen van hier tot Lochow [13]."
-
-Galbraith, bij wien de brandewijn, dien hij in ruime teugen gebruikt
-had, begon te werken, sloeg driftig en heftig met zijne hand op de
-tafel en riep met schorre stem: »dat geslacht heeft eene bloedschuld op
-zich geladen en zal die vroeg of laat moeten betalen. De beenderen van
-een dappere Grahame rammelen sedert lang in de kist en eischen wraak
-op de hertogen van Argyle en de heeren van Lorn. Nooit werd er in
-Schotland verraad gesmeed, of een der Campbell's speelde daarin eene
-hoofdrol, en nu het onrecht den boventoon heeft, zijn het alweder
-de Campbell's die de stem van het recht weten te smoren. Maar die
-vervloekte onzin zal niet lang meer duren; het wordt tijd, dat men den
-bijl scherpt en hier en daar eenige van de belhamels een kop kleiner
-maakt. Ik hoop het ten minste nog te beleven, dat de oude roestige
-bijl eens weder aan het maaien komt en een bloedigen oogst maakt!"
-
-»Schaam u, Galbraith!" riep Jarvie; »foei, schaam u, zoo iets te
-zeggen in de tegenwoordigheid van een overheidspersoon, en u zelven in
-ongelegenheid te brengen! Hoe zult gij de uwen kunnen onderhouden en
-uwe schuldeischers voldoen--mij en anderen--als gij steeds op dezen
-onbesuisden toon voortgaat? Gij zult de straf der wet op den hals
-halen op u en op allen, die met u in betrekking staan!"
-
-»De Satan hale mijne schuldeischers en u er bij, als ge er toe
-behoort!" hernam Galbraith. »Ja, zeg ik u nog eens: de poppen gaan
-spoedig aan het dansen; het zal dan anders in de wereld toegaan. Dan
-zal geen Campbell den neus zoo trotsch in den wind steken, noch zijne
-honden op menschen aanhitsen, met wie hij zich zelf niet durft meten,
-noch dieven en moordenaars beschermen, noch brave lieden uitplunderen
-en van hun wettig eigendom berooven."
-
-Jarvie zou misschien dezen woordentwist voortgezet hebben. Maar de
-welriekende geuren van het door de waardin opgedischte wildbraad
-werd zulk een veelvermogenden bemiddelaar, dat hij zich tegenover den
-uitlokkenden schotel plaatste, en den anderen gasten het veld ruimde.
-
-»Ja, dat is maar zoo en niet anders!" zei de lange Hooglander, die
-Steedart heette: »men zou ons zoo onmanierlijk niet plagen en ons
-hier niet bijeen doen komen om Robbert Roodhaar te vangen, als de
-Cawmil's hem geene bescherming verleenden. Wij waren eens met ons
-dertigen en joegen het volkje van den stam Mac-Gregor als hazen voor
-ons uit, tot wij in den omtrek van Glenfollich kwamen. Daar stonden
-de Cawmil's op en beletten ons om hen verder te vervolgen: vergeefs
-was toen al onze aangewende moeite! Doch ik zou er, ik weet niet wat
-om geven, als ik dien Robbert weder zoo dicht op de hielen kon komen,
-als op dien bewusten dag!"
-
-Ongelukkig vond mijn vriend Jarvie in elke uitdrukking van den
-Hooglander iets dat hem mishaagde.
-
-»Neem het mij niet kwalijk," zeide hij, »dat ik spreek zoo als ik denk,
-mijn beste Heer: maar gij zoudt er zeker, wie weet wat om gegeven
-hebben, als gij dan zoo ver van Robbert verwijderd kondet zijn, als
-thans. Mijn gloeiend ploegijzer zou, in vergelijking met zijn zwaard,
-niets geweest zijn."
-
-»Ik raad u, welmeenend, geen woord meer van uw vervloekt ploegijzer
-te reppen! Gij zult en moet daarover zwijgen, dat eisch ik of ik zal
-mij, om u daartoe te noodzaken, van een middeltje bedienen, dat nog
-nooit gefaald heeft!"--Dit zeggende, greep hij met een dreigenden
-blik naar zijn dolk.
-
-»Halt! Geene vechtpartij meer, Allan!" riep de kleine Hooglander. »Is
-die mijnheer uit Glasgow zulk een boezemvriend van Robbert, welnu,
-dan kan hij hem misschien nog heden nacht in boeien en morgen aan de
-galg zien. Lang genoeg heeft hij het land geplaagd, en nu delft zijn
-stam eindelijk het onderspit: dat behoort zoo.--Maar het wordt tijd:
-wij moeten ons naar onze lieden begeven."
-
-»Toch niet, Inverashalloch!" riep Galbraith. »Zouden wij nu voor eene
-enkele flesch opdraaien! Gekheid! Toon u een man!"
-
-»Alles goed en wel. Gij weet, dat ik mijne flesch sta en, als het er
-op aan komt, geen kniesoor ben. Maar de duivel hale elken droppel,
-dien ik te veel drink, als ik 's morgens iets van belang te doen
-heb. En naar mijne domme meening zoudt gij, Galbraith, veel beter doen,
-als gij uwe ruiters vóór het aanbreken van den dag hierheen bracht."
-
-»Waarvoor die haast?" antwoordde Galbraith. »Met eten en drinken
-moet men lichaam en ziel bij elkander houden: met vasten komen wij
-er waarachtig niet! En had ik iets te zeggen gehad, dan zou ik u
-zeker niet met uw volk te hulp geroepen hebben. Het garnizoen en
-onze ruiters zouden best alleen in staat zijn geweest, om Robbert te
-knippen. Hier is de hand, die hem in het gras zal doen bijten en die
-geen hulp van een uwer Hooglanders behoeft."
-
-»Welnu, dan hadt gij ons maar moeten laten blijven, waar wij
-waren!" hernam Inverashalloch. »Ik ga waarlijk geen twintig uren
-ver, als men mij niet oproept. Wil ik u eens zeggen, hoe ik over
-u denk. Gij zijt een groote babbelaar, en als gij wat minder in
-den mond en wat meer in het hoofd hadt, zou het met uwe onderneming
-veel beter gelukken. Wie nog een steun heeft, kan zich lang staande
-houden, en zoo is het geval met onzen man. Wil men een vogel vangen,
-dan moet men niet met de muts naar hem smijten. En die lieden daar
-ginder hebben ook het een en ander gehoord, wat zij niet zouden gehoord
-hebben, als gij den brandewijn niet zoo druk aangesproken hadt, majoor
-Galbraith. Nu, nu! gij behoeft uw hoed niet zoo uitdagend op het ééne
-oor te zetten, en den menschenvreter uit te hangen. Ik ken u immers,
-vriendje: gij zijt zoo gevaarlijk niet!"
-
-»Ik heb het reeds gezegd," hernam de beschonken Galbraith met
-belachelijke deftigheid; »ik twist heden nacht met niemand, hij moge
-laken of tartan dragen. Maar buiten den dienst twist ik met u en met
-ieder uit het Hoogland en uit de Laaglanden. Zoo lang ik mij in dienst
-bevind, gebeurt dit echter niet!--Neen, zeg ik u, neen! Ik wenschte
-wel, dat de roodrokken er reeds waren. Was er iets tegen koning
-Jakobus te ondernemen, dan zouden zij wel bij de hand zijn; maar om
-de rust in het land te bewaren, zijn zij even traag als hunne buren."
-
-Terwijl hij dit zeide, hoorden wij de regelmatige stappen van eene
-bende voetvolk, en kort daarop trad een officier met eenige soldaten de
-kamer binnen. Zijn Engelsch luidde als aangename muziek in mijne ooren,
-die reeds zoo lang niets dan het Schotsche dialekt gehoord hadden.
-
-»Waarschijnlijk zijt gij de majoor Galbraith van de ruiterij uit
-Lennox,"--vroeg hij--»en deze heeren zullen, denkelijk, de Hooglanders
-zijn, die ik hier zou vinden?"
-
-De gasten beantwoordden deze vragen toestemmend en noodigden den
-officier eenige ververschingen te gebruiken. Hij weigerde echter,
-en ging voort: »Ik ben wat te lang opgehouden, mijne heeren, en
-wensch nu den verloren tijd weder in te halen. Onder anderen luiden
-mijne bevelen om twee personen te arresteeren, die van verraderlijke
-aanslagen beschuldigd worden."
-
-»Ja, wat dat betreft, daarmede hebben wij niets te maken, en kunnen
-er ons dus ook niet mede bemoeien," zeide Inverashalloch. »Ik ben
-met mijne lieden herwaarts gekomen, om tegen den roover Mac-Gregor,
-die mijn neef in den zevenden graad vermoord heeft, te vechten. Maar
-mij raakt het volstrekt niet, wat brave lieden, die voor hunne zaken
-reizen, doen of laten willen."
-
-»Neen, dat raakt mij ook niet!" zeide Iverach, de andere Hooglander.
-
-Galbraith nam de zaak ernstiger op en begon dadelijk: »Ten nadeele
-van koning George wil ik geen enkel woord zeggen, kapitein, want
-het kan zeer wel wezen dat ik van hem mijne aanstelling heb. Maar
-wanneer de eene aanstelling goed is, is de andere daarom niet slecht,
-en voor sommige lieden klinkt de naam Jakobus even goed als de naam
-George. De een is koning, de ander behoorde het te zijn. Naar mijn
-oordeel kan een eerlijk man het goed met beiden meenen. Ik verklaar
-mij voor de bestaande machten, zoo als het een officier betaamt. Maar
-om verder van verraad en dergelijke dingen te spreken, dat is slechts
-tijd verspillen!"
-
-»Met leedwezen bespeur ik, hoe gij uw tijd hier hebt doorgebracht!" zei
-de Engelsche officier, die begreep hoe sterk Galbraith's argumenten
-den genoten brandewijn verrieden. »Ik wenschte wel, dat zoo iets
-bij zulk eene gewichtige gelegenheid niet gebeurd ware! Ik raad u
-welmeenend, uw roes een uurtje uit te slapen. Behooren deze heeren
-tot uw gezelschap?" vervolgde hij, op Jarvie en mij wijzende, die
-beiden nog met ons avondmaal bezig waren en weinig op den officier
-gelet hadden.
-
-»Reizigers," zeide Galbraith, »eerzame reizigers te water en te land,
-zoo als in het kerkboek staat."
-
-»Ik heb bevel," hernam de kapitein, terwijl hij ons bijlichtte, »een
-bejaard en een jong man te arresteeren en het signalement komt met
-deze beide heeren vrij goed overeen."
-
-»Bedenk wel wat gij zegt, mijnheer!" zeide Jarvie: »noch uw roode
-rok, noch uw gegaloneerde hoed kan u beschermen, zoo gij mij zelfs de
-geringste beleediging aandoet. Ik ben een gezeten burger, en bovendien
-een overheidspersoon uit Glasgow. Nikolaas Jarvie is mijn naam, en
-zoo heette ook mijn vader zaliger. Ik ben lid van den stedelijken
-raad--een groote eer voor mij--en mijn vader was wijkmeester."
-
-»Hij was een oude schoelje!" viel Galbraith hem in de rede; »en vocht
-bij de Bothwell-brug tegen zijn wettigen koning."
-
-»Wat hij kocht betaalde hij eerlijk, mijnheer Galbraith!" zeide Jarvie;
-»en hij was een veel braver man dan op uwe been en staat."
-
-»Ik heb geen tijd om mij hiermede verder in te laten," hernam de
-officier. »Kunt gij, heeren, geene genoegzame bewijzen geven, dat
-gij getrouwe onderdanen zijt, dan moet ik u in hechtenis nemen."
-
-»Ik verlang voor den burgerlijken rechter gebracht te worden," hernam
-Jarvie; »want ik ben niet verplicht, iederen roodrok te antwoorden,
-die mij met zijne onbescheidene vragen lastig valt."
-
-»Goed, mijnheer! wilt gij mij niet antwoorden, dan zal ik wel weten
-wat ik met u te doen heb. En gij," aldus sprak officier mijn aan;
-»uw naam!"
-
-Toen ik mijn naam genoemd had, vervolgde hij: »hoe, een zoon van
-Hildebrand Osbaldistone in Northumberland?"
-
-»Neen," viel Jarvie hem in de rede, »een zoon van den beroemden
-Willem Osbaldistone, van het vermaarde kantoor Osbaldistone en Tresham
-in Londen."
-
-»Ik vrees, dat uw naam de verdenking tegen u slechts vermeerderen
-moet," hernam de officier. »Ik moet u verzoeken, mij al de papieren,
-welke gij bij u hebt, ter hand te stellen."
-
-Toen hij dit verzocht, bemerkte ik dat de Hooglanders elkander
-angstig aanzagen.
-
-»Ik heb u niets ter hand te stellen!" was mijn antwoord.
-
-De officier beval mij te ontwapenen en te onderzoeken. Tegenstand zou
-razernij zijn geweest. Ik gaf mijne wapens over, en onderwierp mij
-aan dat onderzoek, dat met alle mogelijke kiesheid geschiedde. Men
-vond echter niets dan den brief, dien ik van de waardin had ontvangen.
-
-»Ik had iets anders verwacht," zei de officier, »maar ook dit
-is voor mij reden genoeg om u gevangen te houden. Ik vind u in
-briefwisseling met den gebannen en voor vogelvrij verklaarden roover
-Robbert Mac-Gregor Campbell, die zoo lang eene plaag van deze streken
-is geweest. Wat moet ik daarvan denken?"
-
-»Spionnen van Robbert!" riep Inverashalloch; »kort en goed recht over
-hen! Men hange hen op aan den eersten den besten boom!"
-
-»Wij zijn van huis gegaan om eenige goederen terug te halen, die
-ons behooren, en toevallig in zijne handen zijn geraakt," zeide
-Jarvie. »Mij dunkt toch, dat er geen wet bestaat, die ons verbiedt
-voor het behoud van ons eigendom te zorgen."
-
-»Hoe zijt gij aan dezen brief gekomen?" vroeg mij de officier.
-
-Ik wilde de waardin niet verraden en zweeg.--»Weet gij er niets
-van?" vroeg de officier thans aan Andries, die, zoodra hij het
-vonnis had gehoord, dat de Hooglander over ons velde, van schrik
-klappertandde.--»O ja, ja, ik weet er alles van--het was--het was
-een slungel uit het Hoogland--die gaf den brief aan de vrouw van
-dezen huize. Mijnheer wist er echter niets van, daarop wil ik des
-noods een eed doen! Maar hij wil zich naar het gebergte begeven
-en met Robbert spreken. Ach, mijnheer! verricht hier eens een werk
-van barmhartigheid en laat een paar van uwe roodrokken hem veilig
-naar Glasgow terugbrengen: hij moge willen of niet. De heer Jarvie
-kunt gij bij u houden, zoo lang gij verkiest: die man is goed voor
-iedere geldboete, welke gij hem zoudt willen opleggen. Mijnheer is
-het trouwens ook, wat dat betreft--en ik--ik ben een arm tuinier en
-niet waardig dat gij u een enkel oogenblik om mij bekommert."
-
-»Het zal wel 't best zijn deze lieden onder bedekking naar het
-fort te zenden," zei de officier. »Zij schijnen met den vijand in
-verstandhouding te zijn, en ik durf het niet op mij nemen, hen in
-vrijheid te laten.--Gij zijt mijne gevangenen. Met het aanbreken
-van den dag wordt gij van hier vervoerd. Zijt gij inderdaad degenen
-welke gij zegt te zijn, dan zal dat spoedig blijken, en een paar dagen
-oponthoud zal u juist zooveel schade niet veroorzaken. Verschoon mij
-van alle tegenbedenkingen," vervolgde hij, zich van Jarvie afwendende,
-die hem wilde aanspreken: »de dienst duldt niet dat ik mij met een
-nutteloos onderzoek inlate."
-
-»Zeer wel, zeer wel!" hernam Jarvie. »Wij zullen dan eens naar uwe
-pijpen dansen. Maar pas op. Ik zal, als mijne beurt komt, u een nog
-moeielijker dansje voorspelen en dan zult gij dansen dat gij omvalt."
-
-Nu had er eene ernstige beraadslaging tusschen den officier en
-de Hooglanders plaats, maar zoo zacht en geheimzinnig, dat men er
-volstrekt niets van kon verstaan.--Eindelijk gingen zij allen naar
-buiten.--»Deze Hooglanders," zeide Jarvie tot mij, »zijn van de
-westelijke stammen. Zij hebben, zooals men zegt, even lange vingers
-als hunne naburen. Maar gij ziet, dat zij herwaarts zijn gekomen om
-den ongelukkigen Robbert te vervolgen, omdat zij een ouden haat tegen
-hem en zijn stam voeden, en nu komen zij uit alle oorden gewapend
-opdagen. Men weet eigenlijk wel waarom zij vechten, en ik kan het
-hun niet kwalijk nemen; want wie wil gaarne zijn vee verliezen. En
-dan zijn er ook nog soldaten uit de vesting bij! Ja, de arme Robbert
-zal morgen de handen vol hebben, dat voorzie ik! Het is waar, een
-overheidspersoon, een lid van den stedelijken raad van Glasgow mag
-niets wenschen, wat tegen den gang der gerechtigheid indruischt. Maar
-toch zeg ik u, dat ik mij de haren niet uit het hoofd rukken zou,
-als ik hoorde, dat Robbert zijne vijanden eens aardig om den tuin
-had geleid."
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXX.
-
-
- Hoor mij! Kapitein, zie, bid ik, mij aan,
- Zie mij in 't gelaat, het gelaat eener vrouwe,
- Zie of iets anders dan vrees of dan schrik,
- En bleekheid en angst zich vertoont in mijn blik,
- Ik smeek u genade in rouwe....
-
- Bonduca.
-
-
-De overige uren van den nacht liet men ons slapen, zoo goed als dit
-bij den armzaligen toestand der herberg mogelijk was. Jarvie was door
-de vermoeienissen van de reis en de daarop gevolgde gebeurtenissen
-zeer afgemat. Onze gevangenneming, die trouwens voor hem slechts eene
-voorbijgaande onaangenaamheid kon zijn, deerde hem niet veel. Hij
-was misschien ook minder verwend dan ik, minder aan zindelijkheid
-gewoon, en ging dus in eene der langs den wand zich bevindende
-kribben liggen en begon spoedig geducht te snurken, terwijl ik,
-met het hoofd op de tafel liggende, slechts weinige oogenblikken een
-zeer onrustigen slaap genoot. Gedurende den nacht had ik gelegenheid
-den twijfel en besluiteloosheid der soldaten op te merken, door de
-maatregelen welke zij namen. Er werden enkele soldaten uitgezonden,
-alsof zij op verkenning gingen. Doch telkens kwamen zij terug,
-zonder, naar het scheen, hun officier geruststellende berichten te
-brengen. Duidelijk was het zichtbaar, dat de aanvoerder in angstige
-verwachting verkeerde. Van tijd tot tijd zond hij twee of drie man uit,
-van wie sommigen, zoo als ik uit het gefluister der overigen vernam,
-in het geheel niet terugkwamen.
-
-Toen de dag aanbrak, kwamen een korporaal en twee soldaten juichende
-binnen met een gevangen Hooglander, in wien ik op het eerste gezicht
-den ontvluchten cipiersknecht uit Glasgow, Dugald, herkende. Jarvie,
-die door dit gejuich ontwaakt was, begreep dit ook al spoedig en
-riep uit: »de Hemel ontferme zich! daar hebben zij den armen Dugald
-gekregen! Kapitein, ik blijf borg voor hem, ik blijf borg voor dezen
-Dugald!"
-
-Op die betuiging, welke de dankbare herinnering aan de laatste
-dienstbetooning van den Hooglander hem ingaf, antwoordde de kapitein,
-»dat Jarvie liever aan zijne eigene belangen moest denken, en niet
-moest vergeten, dat hij zelf een gevangene was."
-
-»Mijnheer Osbaldistone, ik roep u op als getuige," zeide Jarvie,
-die zeer waarschijnlijk de burgerlijke rechtspleging beter kende
-dan de krijgswetten: »gij kunt verklaren, dat deze officier een
-goeden borgtocht geweigerd heeft. Dugald kan eene aanklacht tegen
-hem inleveren wegens onwettige gevangenneming, en dan nog een eisch
-tot schadevergoeding doen. Ik zal den braven man voor het gerecht
-bijstaan."
-
-De officier, dien ik Thornton hoorde noemen, sloeg geen acht op
-Jarvie's bedreigingen. Hij begon Dugald streng te verhooren en bracht
-hem daardoor zoo zeer in het nauw, dat de gevangene ten laatste,
-ofschoon met zichtbaren tegenzin, langzamerhand bekende, dat hij
-wel wist wie Robbert Mac-Gregor was. Ja, dat hij hem nog geen jaar
-geleden--nog geen half jaar--nog geen maand--nog geen week geleden--had
-gezien--en eindelijk, dat hij hem pas voor een uur verlaten had. Alle
-deze bekentenissen werden den gevangene als bloeddruppels door Thornton
-afgeperst, die telkens dreigde, hem aan den eersten den besten boom
-te zullen ophangen, als hij zich maar eene enkele logen veroorloofde.
-
-»En nu," vervolgde de kapitein, »moet gij mij ook zeggen, hoe veel
-man die Robbert thans bij zich heeft."
-
-Dugald keek angstig rond zonder den vrager aan te zien, en zeide met
-eene flauwe stem: »dat weet ik niet juist."
-
-»Zie mij aan," hernam Thornton, »en bedenk, gij Hooglandsche hond, dat
-uw leven van uw antwoord afhangt. Hoe vele schelmen had de vogelvrij
-verklaarde schurk bij zich, toen gij hem verliet?"
-
-»Niet meer dan zes schelmen," antwoordde Dugald.
-
-»En waar waren de overige roovers?"
-
-»Met den luitenant tegen de kerels in het Westland opgetrokken."
-
-»Tegen de westelijke clans? Hm! zeer waarschijnlijk. En op welke
-schurkachtige expeditie waart gij uitgezonden?"
-
-»Ik moest eens zien, wat gij, mijnheer, en de overige heeren roodrokken
-hier in het dorp uitvoerdet."
-
-»Weet ge wel dat die kerel, op de keper beschouwd, een gemeene verrader
-is," fluisterde Jarvie, die dicht achter mij stond, mij toe. »Het
-is maar goed, dat men mij, toen ik borg voor hem wilde blijven,
-niet bij mijn woord heeft gehouden; hij is, waarachtig! geen knip
-voor den neus waard!"
-
-»En nu, mijn goede vriend," hernam de kapitein, »zullen wij eens zien,
-wat wij met u te doen hebben. Gij hebt bekend, dat gij een spion
-zijt, en moest dus van rechtswege aan den eersten den besten boom
-opgeknoopt worden. Maar luister! wilt gij mij een dienst bewijzen,
-dan bewijs ik u wederkeerig een dienst. Breng mij en eenige van
-mijne manschappen naar de plaats, waar gij Robbert verlaten hebt;
-want ik moet hem over zeer gewichtige zaken spreken. Doet gij dit,
-dan stel ik u in vrijheid, en geef u nog vijf guinjes op den koop toe."
-
-»Neen, dat niet! Ach neen!" riep Dugald in de uiterste vrees en
-verwarring; »dat kan ik niet doen, dat kan ik, waarachtig, niet
-doen! Hang mij liever op!"
-
-»Nu, dat kan terstond geschieden! Korporaal Cramp, vervul hier de
-taak van beul, laat dezen spion dadelijk aan den een of anderen
-boom opknoopen."
-
-De korporaal stond tegenover den armen Dugald en maakte met vrij wat
-vertoon en heel langzaam een strop gereed, dien hij den veroordeelde
-om den hals wierp en hem toen, met behulp van twee soldaten, naar de
-deur sleurde, waar Dugald, door doodsangst overmand, uitschreeuwde:
-»houdt op! mijne heeren, houdt op, laat mij los! Ik wil den kapitein
-den gevraagden dienst bewijzen! Laat mij los!"
-
-»Ellendige kerel!" riep Jarvie. »Hij verdient thans de galg meer dan
-ooit. Weg met hem, korporaal! Waarom gaat gij niet?"
-
-»Ik geloof, mijn beste heer," antwoordde de korporaal, »dat, zoo gij
-zelf moest opgehangen worden, gij zooveel haast niet zoudt maken."
-
-Dit tusschengesprek belette mij, alles te hooren, wat er tusschen
-den kapitein en den gevangene verhandeld werd; maar ik verstond zeer
-duidelijk, dat deze den officier snikkende vroeg: »Maar gij zult toch
-niet begeeren, dat ik één voetstap verder ga, als ik u eens gewezen
-heb, waar Mac-Gregor zich bevindt?"
-
-»Mijn woord daarop," hernam de kapitein, »schei nu uit met uw
-gehuil! Korporaal, laat de manschappen voor het huis aantreden en de
-paarden van onze beide gevangenen voorbrengen. Wij moeten de heeren
-medenemen, want ik heb geen volk genoeg bij mij, om hen hier te laten
-bewaken. Allen dadelijk marsch-klaar!"
-
-De soldaten spoedden zich naar buiten, en waren weldra
-marschvaardig. Wij werden met Dugald als gevangenen uitgeleid, en
-terwijl wij de herberg verlieten, hoorde ik, dat Dugald den kapitein
-aan de vijf guinjes herinnerde.
-
-»Daar zijn ze!" zei de officier. »Maar waagt gij het mij te bedriegen,
-door mij op een verkeerden weg te brengen, dan jaag ik u zelf een
-kogel door den kop!"
-
-»De kerel is nog sluwer en slechter dan ik gedacht had!" zeide
-Jarvie. »Hij is een verrader, die alleen om geld geeft! Ja mijn vader
-zaliger, de wijkmeester had wel gelijk, als hij zeide--en dat zeide hij
-dikwijls--dat het geld meer zielen doodde, dan het zwaard lichamen."
-
-Nu verscheen de waardin en vroeg om betaling van het gelag, daaronder
-begrepen al wat Galbraith en zijne vrienden, de Hooglanders, verteerd
-hadden. De kapitein maakte tegenwerpingen. Doch de waardin verklaarde,
-dat, zoo zij geen krediet had gegeven voor den naam van den edelen
-heer, op wien het gezelschap zich beriep, zij geen enkelen droppel
-brandewijn zou geschonken hebben; en dat, of zij den majoor Galbraith
-wederzag of niet, zij van hem toch nooit een penning zou krijgen.
-
-Kapitein Thornton gaf eindelijk toe en betaalde met eenige shillings
-het kleine gelag, dat slechts in Schotsche munt zoo geweldig
-hoog scheen te zijn. Edelmoedig wilde hij ook voor Jarvie en mij
-voldoen; doch niettegenstaande de waardin ons toefluisterde, van die
-Engelschen maar zooveel te halen als wij krijgen konden, omdat zij
-ons toch genoeg kwelden en vilden, vroeg Jarvie eene afzonderlijke
-rekening van hetgeen wij verteerd hadden en betaalde die. Bij deze
-gelegenheid bood de kapitein ons zijne verontschuldigingen aan over
-onze gevangenneming. Hij herhaalde zijne verzekering, dat wij als
-getrouwe en vreedzame onderdanen, geen berouw over een kort oponthoud
-zouden hebben, wanneer dit voor 's konings dienst noodzakelijk was. Had
-hij zich echter in deze veronderstelling omtrent ons vergist, dan
-vervulde hij slechts zijn plicht. Met deze verontschuldiging moesten
-wij ons tevreden stellen. En zoo moesten wij met hem op weg.
-
-Nooit vergeet ik de aangename gewaarwording, toen ik uit de sombere,
-berookte, morsige Hooglandsche kroeg, waar wij den nacht doorgebracht
-hadden, in de frissche morgenlucht kwam. De stralen der opgaande
-zon schoten uit zacht roode wolken met goud omzoomd, terwijl zij
-een landschap verlichtten, bekoorlijker dan mijn oog ooit vroeger
-gezien had. Links lag het dal, waarin de Forth in eene oostelijke
-richting neerstroomde, aan den voet van den zacht rijzenden heuvel,
-welks hellingen door bosschen bedekt werden. Reeds strekte zich,
-midden tusschen bosschaadje, heuvels en rotsen, het bed van een groot
-bergmeer uit, op welks oppervlakte de morgenwind lichte golfjes krulde,
-schitterend in de zonnestralen. Hooge heuvels en rotsachtige oevers,
-met berken- en eikenbosschen gekroond, omkransten deze bekoorlijke
-watervlakte. Het loof dat in den wind ruischte en in de zon schitterde,
-schonk aan de eenzaamheid leven en beweging. De eenigen, die te
-midden van dit landschap, waar de gansche natuur zoo grootsch, zoo
-verheven was, storend werkten, waren de menschen. De schamele hutten,
-wier aantal in het dorpje Aberfoil een dozijn zal bedragen hebben,
-bestonden uit losse, met klei aaneengevoegde steenen, en waren met
-zoden gedekt, die op balken van ruwe boomstammen rustten. De daken
-waren zoo laag bij den grond, dat Andries opmerkte, dat wij den vorigen
-nacht, zonder het te bespeuren, over het dorp heen zouden hebben kunnen
-rijden, tot de voeten onzer paarden door de daken gedrongen waren.
-
-Voor zoover wij zien konden, was de herberg, die wij pas verlaten
-hadden, het fraaiste gebouw van het gehucht. Als ge heden ten dage
-het dorp bezocht, zoudt ge het weinig veranderd vinden. Dit denk ik
-tenminste. Want de Schotten houden niet van nieuwigheden, ook al zijn
-het verbeteringen.
-
-Het gedruisch van onzen afmarsch wekte de bewoners der hutten uit hun
-slaap. Terwijl de soldaten, twintig in getal, zich vóór den aftocht
-in het gelid plaatsten, werden wij door verscheidene oude vrouwen
-door de half geopende deuren begluurd. Toen die grijze hoofden,
-met nauw sluitende flanellen nachtmutsen bedekt, vooruit staken, die
-rimpelige voorhoofden, die lange, magere armen met allerlei gebaren
-en schouderophalen zich vertoonden, en die oude wijven met elkander
-in de Gaelische taal mompelden, was het waarlijk als zag ik Macbeths
-heksen voor mij, terwijl hare gelaatstrekken de boosaardigheid
-der tooverkollen verried. De kleine kinderen, die nog nauwelijks
-gaan konden, kwamen insgelijks te voorschijn, deels geheel naakt,
-deels uiterst armoedig met eenige lompen bedekt. Zij klapten in de
-handjes en lieten den Engelsche soldaten de tanden zien, met eene
-uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, die hun leeftijd ver te
-boven ging. Wat mij zeer verwonderde, was, dat ik geen volwassen man,
-zelfs geen knapen van tien tot twaalf jaren, onder de bewoners van
-het dorp zag. Toch scheen het, naar evenredigheid van zijne grootte,
-vrij bevolkt te zijn. Ik begon te vreezen, dat wij op onzen tocht
-nog veel duidelijker bewijzen van die vijandige gezindheid zouden
-ontvangen, die op het gelaat der vrouwen en kinderen te lezen en uit
-hun gemompel duidelijk te hooren was.
-
-Nauwelijks was er echter door den kapitein »marsch!" gekommandeerd,
-of de wrevel der vrouwen barstte eerst recht uit. En toen het laatste
-gelid onzer manschap het dorp verlaten had, langs een smal spoor,
-gegraven door de sleden, waarmede de bewoners van deze streken zoden
-en turf vervoeren, verhief zich plotseling een luid gegil der vrouwen
-en een oorverdoovend geschreeuw en handgeklap der kinderen. Het akelig
-geschreeuw bleef langen tijd voortduren. Ik vroeg den doodsbleeken
-Andries wat dat geschreeuw beduidde.
-
-»Wat dat zeggen wil," antwoordde hij, »zullen wij spoedig genoeg
-ondervinden. Het beteekent, dat de Hooglandsche vrouwen de roodrokken
-vervloeken en in het diepste der hel wenschen. Zoo verwenschen zij
-iedereen, die Saksisch spreekt. Vaak heb ik in Engeland en Schotland
-vrouwen hooren kijven--en ik verzeker u op mijn woord, dat zij
-mondjes hadden als hooischuren!--Maar zulke venijnige tongen als
-van deze wijven, zulke ijselijke vervloekingen als van deze heksen,
-bah! de haren rijzen iemand te berge! Zij wenschen, dat de roodrokken
-als schapen mogen geslacht en gevild worden; dat zij hare armen tot
-aan de ellebogen in hun bloed mogen dompelen, en dat er van al, wat
-roodrok heet en Saksisch spreekt, niet zoo veel moge overblijven, als
-een hond voor zijn avondeten noodig heeft. Ik vertaal u maar een paar
-staaltjes.... Het is waarachtig al te erg! het is ijselijk! Als zij
-bij den duivel waren school gegaan, zij zouden niet verschrikkelijker
-hebben kunnen leeren vloeken. Ook zij hebben ons toegeroepen, dat wij
-maar langs het meer moesten gaan, dan zouden wij eens zien, waar wij
-te recht komen."
-
-Het kwam mij voor, uit een en ander wel te mogen opmaken, dat men
-voornemens was een aanval op ons te wagen. De weg waarlangs wij
-trokken, scheen zulk eene onderneming bij uitstek te begunstigen. Het
-pad liep in het begin van het meer af, door moerassig en met struiken
-bewassen weiland, vervolgens door kreupelhout, waarin zich licht eene
-hinderlaag kon bevinden. Vaak moesten wij bergstroomen doorwaden,
-waarin de soldaten tot aan de knieën door het water gingen. Zoo hevig
-bruisten en kookten die stroomen, dat de soldaten de kracht van
-den stroom op geene andere wijs weerstand konden bieden, dan door
-elkander, twee of drie te zamen, vast onder den arm te houden. Hoe
-weinig ik ook van de krijgskunst wist, kwam het mij toch voor, dat
-half woeste krijgslieden, zoo als men de Hooglanders afschilderde,
-in zulke bergpassen eene vijandelijke bende met zeer veel voordeel
-zouden kunnen aantasten. Van die meening scheen Jarvie insgelijks te
-zijn. Althans vermoedde ik dit uit zijn verlangen om den kapitein te
-spreken. »Ik wensch mij niet bij u in te dringen, dat zou verachtelijk
-zijn. Ik betuig u nogmaals, dat ik mij mijne aanklacht wegens onwettige
-gevangenneming in allen geval voorbehoud.--Maar vergun mij, als een
-vriend des konings en zijner soldaten, ééne vraag. Dunkt u niet, dat
-gij een veel geschikter tijd zoudt kunnen kiezen, om in dit dal op
-te trekken? Zoekt gij Robbert, laat mij u dan waarschuwen, dat zijne
-bende, naar men zegt, minstens vijftig man sterk is, als hij slechts
-zijn gewoon getal bij zich heeft. Heeft hij echter nog daarenboven
-versterking van zijne vrienden ontvangen uit Glencyle en Glenfinles met
-de menschen uit Balguidder, dan kan hij het u benauwd genoeg maken. Mag
-ik dus, als vriend des konings, u een goeden, welmeenenden raad geven,
-keer dan liever naar het dorp terug. De vrouwen in Aberfoil zijn als
-zeemeeuwen: »als zij schreeuwen, komt er storm.""
-
-»Stoor u aan dit alles niet," antwoordde kapitein Thornton. »Trouwens,
-ik moet als krijgsman zonder eenige bedenking aan de mij gegeven
-orders gehoorzamen. Maar dewijl gij een vriend van koning George
-wilt zijn, zult gij zeker met genoegen hooren dat deze rooverbende,
-wier teugelloosheid het land sedert zoo langen tijd verontrust heeft,
-onmogelijk aan de maatregelen kan ontsnappen, die men thans tot hare
-verdelging heeft genomen. De landweer, onder bevel van den majoor
-Galbraith, heeft zich reeds met twee andere ruiterbenden vereenigd,
-en zullen alle passen van deze woeste streek bezetten. Driehonderd
-Hooglanders, onder aanvoering van de beide heeren, die gij in de
-herberg hebt gezien, hebben zich thans op de heuvels geschaard,
-terwijl eenige sterke afdeelingen de dalen in verscheidene richtingen
-doorkruisen. De laatste tijdingen, welke wij omtrent Robbert
-ingewonnen hebben, stemmen met de verklaringen van dien knaap overeen,
-namelijk dat hij van alle kanten ingesloten, het grootste gedeelte
-van zijne bende weggezonden heeft, hetzij met het oogmerk om zich te
-verschuilen, of om van zijne plaatselijke kennis der bergpassen voor
-zijne ontvluchting partij te trekken."
-
-»Maar ik weet dan wel," hernam Jarvie, »dat die majoor Galbraith
-vandaag meer brandewijndampen dan hersens in zijn hoofd heeft. In
-uwe plaats, kapitein, zou ik mij op die Hooglanders zoo vast niet
-verlaten. Gij kent immers het oude spreekwoord wel: »de eene kraai
-pikt de andere de oogen niet uit." Zij twisten vaak onder elkander,
-trekken zelfs tegen elkander het zwaard. Maar ten slotte, als zij
-zich tegenover een fatsoenlijk man bevinden, die geld op zak heeft,
-dan helpen ze elkaar weer."
-
-Thornton scheen deze waarschuwingen niet geheel en al in den wind
-te slaan. Hij maakte terstond eenige veranderingen in onzen optocht,
-door te bevelen, dat de soldaten hunne geweren in den arm nemen en de
-bajonetten opzetten zouden. Hij vormde ook eene voor- en achterhoede,
-ieder uit twee man en een onderofficier, die strenge bevelen ontvingen,
-om op alles een waakzaam oog te houden. Ook werd Dugald nogmaals scherp
-ondervraagd. Maar hij bleef standvastig bij zijne reeds afgelegde
-bekentenis. En toen men hem wegens, het verdachte en gevaarlijke van
-den weg, langs welken hij ons leidde, een verwijt deed, antwoordde
-hij met eene gemelijkheid, die inderdaad natuurlijk scheen te zijn,
-dat hij den weg niet had aangelegd, en dat, als de heeren gemakkelijker
-wegen verkozen, zij liever in Glasgow hadden moeten blijven.
-
-Na dit korte oponthoud begaf onze bende zich weder op marsch. De
-weg helde schuin naar het meer af, maar was tot hiertoe door zwaar
-geboomte zoo dicht belommerd, dat wij slechts van tijd tot tijd de
-uitgestrekte watervlakte bemerkten. Thans echter nam hij eene andere
-richting en liep zoo nabij den oever van het meer, dat wij den ganschen
-waterspiegel overzagen. Er was volstrekt geen wind. In stille pracht
-weerkaatsten zich in het fraaie watervlak de hooge donkere heuvels
-en grijze rotsen in het rond. Ook liepen de heuvels zoo dicht langs
-den oever neer en waren zoo steil, dat er bijna geen andere weg
-overbleef dan het smalle pad, langs hetwelk wij marcheerden. Rotsen
-hingen dreigend over ons. Door zware steenen op ons neder te laten
-rollen, zou men ons allen hebben kunnen doen omkomen, zonder dat wij
-in staat waren geweest, eenigen wederstand te bieden. Daarenboven
-konden wij, wegens de vele bochten van ons pad, nauwelijks meer
-dan honderd schreden vóór ons zien. Onze aanvoerder scheen over den
-hachelijken weg, dien men hem gewezen had, ongerust te worden. Hij
-verried dit onwillekeurig, door zijne soldaten telkens te bevelen,
-toch vooral op hunne hoede te zijn, en door Dugald te dreigen, dat,
-zoo hij hen in gevaar had gebracht, een oogenblikkelijke dood zijne
-straf zou wezen. Dugald hoorde echter deze bedreigingen aan met eene
-koele onverschilligheid, die òf uit bewustheid van onschuld of uit
-hardnekkigheid voortkwam.--»Willen de heeren Robbert Roodhaar zoeken
-en vinden," zeide hij, »dan moeten zij voor een weinigje gevaar niet
-bang zijn."
-
-Nauwelijks had de Hooglander dit gezegd, of de onderofficier, die
-de voorhoede kommandeerde, maakte plotseling halt. Hij zond een
-van zijne manschappen naar den kapitein, om dien te berichten,
-dat zich Hooglanders vertoonden op een vooruitstekend, den
-ganschen weg bestrijkend punt. Op hetzelfde oogenblik berichtte een
-soldaat van de achterhoede, dat men in het bosch, dat wij zoo even
-doorgetrokken waren, het geluid van een Hooglandschen doedelzak had
-gehoord. Thornton, even krijgshaftig als dapper, besloot terstond den
-voor ons liggenden pas te bestormen, eer hij in den rug kon aangevallen
-worden. Zijne soldaten stelde hij door de verzekering gerust, dat
-het geluid der doedelzakken, dat zij gehoord hadden, de nabijheid
-der Hooglanders aankondigde, die hen ter hulpe kwamen. Hij bracht
-hun tevens onder het oog, van hoeveel belang het was, voorwaarts te
-trekken en zich van Robbert meester te maken, voordat de hulptroepen
-aankwamen. Want dan zouden zij alleen den roem oogsten en ook den
-prijs, die op het hoofd van den roover was gesteld. De achterhoede
-vereenigde hij met het hoofdkorps en beval beiden de voorhoede snel
-te volgen. De twee gelederen deed hij naast elkander marcheeren,
-om met zijne bende de gansche breedte van den begaanbaren weg te
-bezetten.--»Hebt gij mij bedrogen, schurk, dan zult gij terstond
-sterven!" zeide hij zacht tegen Dugald en gaf bevel, den verdachten
-gevangene in het midden tusschen twee grenadieren te plaatsen,
-die hem bij de eerste poging om te ontvluchten dadelijk moesten
-neerschieten. Jarvie en ik werden insgelijks, tot meerdere zekerheid,
-in het midden der bende genomen. Nu plaatste Thornton zich aan het
-hoofd van zijne dapperen en riep op vasten toon: »voorwaarts!"
-
-Moedig rukten de soldaten vooruit. Maar de arme Andries was van angst
-schier half dood. En om u de waarheid te zeggen, waren Jarvie en ik
-weliswaar niet zoo vreesachtig en bang als hij, maar we konden toch
-niet met onverschilligheid het gevaar te gemoet gaan, om ons leven
-te verliezen in een strijd, die ons volstrekt niet aanging. Maar
-bedenkingen noch tegenstand kon hier helpen. We moesten meê.
-
-Wij waren op een afstand van ruim twintig pas van de plaats, waar
-onze voorhoede den vijand beweerde gezien te hebben. Het was een
-van die in het meer uitloopende voorgebergten, aan welks voet de weg
-zich kromde. Het ongebaande pad, van den oever afwijkende, nam hier
-eene zig-zag richting en liep ter zijde van eene steile rots op,
-die langs geen anderen weg te beklimmen was. Op den top van die
-rots, waarheen alleen dat smalle pad leidde, meende de korporaal
-de mutsen en lange geweren van eenige Hooglanders gezien te hebben,
-die zich waarschijnlijk verscholen hadden in het hooge heikruid en
-de bosschaadjes, waarmede de top bedekt was. Thornton beval hem, met
-drie man vooruit te rukken, ten einde den vijand uit de vermeende
-hinderlaag te verjagen, terwijl hij zelf met langzame, maar vaste
-schreden tot ondersteuning der vooruittrekkenden, volgde.
-
-De aanval, dien hij voornemens was te doen, werd door de plotselinge
-verschijning van een vrouw op den top der rotsen verhinderd.
-
-»Staat!" riep zij met gebiedende stem, »en zegt mij, wat gij zoekt
-in het land van Mac-Gregor?"
-
-Eene zoo verhevene en gebiedende gestalte zag ik zelden, als van deze
-vrouw. Zij mag tusschen de veertig en vijftig jaar zijn geweest. Haar
-gelaat droeg nog de sporen van buitengewone schoonheid, doch de
-invloed van het weer, misschien ook van kommer en hartstocht, had er
-zijn stempel op gedrukt. Zij zag er nu alleen ruw en krachtig uit. Haar
-plaid droeg zij niet om hoofd en schouders, zoo als de andere Schotsche
-vrouwen gewoon zijn, maar zij had hem, als de Schotsche soldaten,
-om haar lijf gewonden. Haar hoofd was met eene nachtmuts gedekt,
-waarop eene pluim stak. In hare hand hield zij een ontbloot zwaard
-en in haar gordel staken twee pistolen.
-
-»Het is Helena Campbell, Robberts vrouw!" fluisterde Jarvie, geheel
-onthutst, mij toe; »ach, nu zal het bloed kosten, dat zult gij zien!"
-
-»Wat zoekt gij hier?" herhaalde zij, toen kapitein Thornton nader
-gekomen was, om haar zelf van nabij te zien.
-
-»Wij zoeken den vogelvrij verklaarden Robbert Mac-Gregor Campbell,"
-antwoordde Thornton, »maar voeren geen oorlog tegen vrouwen. Bied dus
-geen vruchteloozen weerstand aan 's konings krijgsmacht. U wordt eene
-welwillende behandeling beloofd."
-
-»Ja, ik ken uwe zachtmoedige welwillendheid!" hernam de Amazone. »Gij
-hebt mij mijn naam en eer ontroofd. Mijn moeders gebeente, zal zich
-in het graf omkeeren, als men mijn gebeente bij het hare legt. Gij
-hebt mij en de mijnen huis en hof, bed en huisraad, kleederen, vee,
-alles, alles ontnomen--zelfs den naam van onze vaderen hebt gij ons
-ontroofd, en nu staat gij ons ook naar het leven!"
-
-»Dooden wil ik niemand," antwoordde de kapitein, »maar ik gehoorzaam
-aan de bevelen die mij gegeven zijn. Zijt gij alleen, goede vrouw,
-dan hebt gij niets te vreezen! zijn er echter roekeloozen bij u,
-die vergeefschen wederstand willen wagen, dan kome hun bloed over
-hen! Sergeant! voorwaarts!"
-
-»Voorwaarts!" herhaalde de onderofficier. »Hoera! kameraden! Robberts
-hoofd en eene beurs vol goud!"
-
-In stormpas liep hij vooruit, gevolgd door zes man, maar nauwelijks
-hadden de soldaten het steile pad begonnen te bestijgen, of er vielen
-schielijk achter elkander geweerschoten van verscheidene kanten. De
-aanvoerder der voorhoede, de sergeant, gevaarlijk gekwetst, trachtte
-nog op handen en voeten de rots te beklauteren. Doch na eene wanhopige
-poging, liet hij krachteloos los en van den rand der rotsen stortte
-hij in de diepte van het meer en verdronk. Drie zijner wapenbroeders
-vielen insgelijks, en de overigen, allen min of meer zwaar gekwetst,
-trokken op het hoofdkorps terug.
-
-Thornton liet zijne grenadiers aanrukken, die, naar het toenmalige
-gebruik, hunne verwoestende granaat-bommen bij zich droegen. De
-kapitein beval den overigen, den aanval dezer dapperen te
-ondersteunen. Mij en mijne lotgenooten riep hij toe: »zorgt voor
-u zelven."
-
-En onmiddellijk daarop gaf hij het bevel tot den aanval. Onder
-een luid »hoera!" rukten de soldaten voort. De grenadiers maakten
-zich gereed hunne granaten in het bosch te werpen, waar zich de
-hinderlaag bevond. Dugald, die in het gewoel van het gevecht vergeten
-werd, ontsnapte in de struiken, die een gedeelte van den rotsweg
-overdekten, waar wij eerst halt gemaakt hadden, en klauterde toen met
-de behendigheid van eene wilde kat naar boven. Onwillekeurig volgde
-ik zijn voorbeeld, daar ik begreep dat het open pad door het vuur der
-Hooglanders bestreken zou worden. Ik klauterde voort, tot ik geheel
-buiten adem was. Het onafgebroken schieten--elk schot werd door de
-echo's in de bergen duizendvoudig weerkaatst--het sissen der brandende
-granaten, het losspringen ervan, het geschreeuw der beide vechtende
-partijen--dit alles,--ik schaam mij niet het te bekennen,--joeg mij
-naar boven, om eene veilige wijkplaats te bereiken. Het steil opgaand
-pad werd echter spoedig zoo moeielijk, dat ik bijna wanhoopte Dugald
-in te halen, die van de eene rots sprong op de andere, van den eenen
-boomstronk op den anderen, zoo vlug als een eekhoren. Ik keek even
-achter mij, om te ontdekken, wat er van mijne beide metgezellen
-geworden was.
-
-Ik moest ondanks mijn ernstigen toestand even glimlachen. En
-toch had ik angst voor hen, want ik zag beiden in een staat van
-gedwongen rust, die lang niet benijdenswaard was, maar waarin zij
-eene allerzonderlingste vertooning maakten. Jarvie, aan wien de vrees
-waarschijnlijk voor een oogenblik de noodige vlugheid had verleend,
-was eerst een dertig voet boven het pad opgeklauterd. Doch toen hij van
-de eene rotspunt op de andere wilde stappen, gleed hij uit. En zijn
-ziel zou zich toen zeker hebben vereenigd met die van zijn vader den
-wijkmeester, wien hij zich zoo gaarne herinnerde, zoo niet een stevige
-tronk van een doornstruik, waaraan hij met het eene pand van zijn rok
-bleef hangen, hem zwevende in de lucht had gehouden. Zoo bleef hij als
-het uithangbord van »Het gulden vlies", in de lucht bengelen. Andries
-was in zijn klimmen gelukkiger geweest, tot hij eindelijk den top van
-eene kale rots bereikte. Maar ze stak zoo hoog boven het bosch uit,
-dat hij vast geloofde, aan al de gevaren van het meer en meer naderend
-gevecht blootgesteld te zijn. Daarbij was ze tevens zoo steil en
-ontoegankelijk, dat hij noch voor- noch achterwaarts zich waagde. Op
-de smalle rotsvlakte op en neder gaande als een kunstenmaker op de
-kermis, riep hij beurtelings in de Gaelische en Engelsche taal om
-genade, naarmate de overwinning zich voor deze of gene partij scheen
-te zullen verklaren. Maar zijne jeremiaden werden slechts begroet
-door de kreten der beklagenswaardige Jarvie, wien de vrees, evenzeer
-als zijn gevaarlijke toestand, het angstzweet deed uitbreken.
-
-Toen ik Jarvie in dezen dringenden nood zag, besloot ik terstond
-hem hulp te verleenen. Het was echter onmogelijk, zoo niet Andries
-insgelijks behulpzaam wilde wezen. Maar ik kon dezen noch door
-vriendelijke uitnoodiging, noch door ernstige bevelen, noch door
-scheldwoorden, noch door bedreiging van ongenade, den moed inboezemen,
-om van zijne gevaarlijke hoogte af te dalen. Hij stond daar als
-een onbekwaam minister, die niet met fatsoen van de verheven plaats
-kan dalen, die hij zich vermeten heeft te beklimmen. Onophoudelijk
-riep hij om genade, liep heen en weder en kromde zich in allerhande
-zonderlinge bochten, om de kogels te ontwijken.
-
-Gelukkig duurde de oorzaak van zijn angst niet lang, daar het schieten,
-dat eerst zonder eenige tusschenpoozen had voortgeduurd, plotseling
-ophield. Want het gevecht was opeens geëindigd. Snel zocht ik een plek,
-waar ik het gevolg en den uitslag van den strijd zien kon. Ik wilde
-het medelijden der overwinnaars inroepen voor den goeden Jarvie. Ze
-zouden hem toch niet als Mahomed's kist tusschen hemel en aarde laten
-zweven. Eindelijk vond ik, na een moeielijk klauteren, een plekje,
-vanwaar ik het slagveld kon overzien. Het gevecht was geëindigd, en,
-zoo als ik reeds vermoed had, ten nadeele van kapitein Thornton. Ik
-zag eene bende Hooglanders, die bezig waren, den kapitein en het
-geringe overschot van zijn korps te ontwapenen. Er waren slechts een
-twaalftal manschappen over, meest allen gewond. Aan het moorddadig en
-goed gericht vuur der vijanden waren zij blootgesteld geweest, zonder
-het met eenig goed gevolg te kunnen beantwoorden. Ten laatste hadden
-zij hunne wapens neergelegd, toen hun aanvoerder zag, dat hij ook in
-den rug bedreigd werd en door een langeren weêrstand slechts nutteloos
-het leven zijner dappere soldaten zou opofferen. Den Hooglanders,
-die eigenlijk uit eene hinderlaag vochten, had de overwinning weinig
-of niets gekost. Zij hadden slechts één doode en twee gekwetsten, en
-wel, zoo als ik later vernam, door de in hunne hinderlaag geworpen
-granaten. De woeste, krijgshaftige mannen omringden den Engelschen
-officier, wiens gelaat met bloed bedekt was, terwijl hij van hoed en
-wapens was beroofd. Zijne soldaten zwegen in diepe smart, terwijl de
-overwinnaars, in wier midden zij zich bevonden, maatregelen namen om
-hun eigen veiligheid te verzekeren, naar de ruwe wetten en gebruiken
-van den oorlog.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXI.
-
-
- "Wee den overwonnenen!" riep Brenno trotsch en woest,
- Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,
- En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalen
- En doet door dat gewicht den prijs van 't losgeld dalen.
- Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woord
- Drijft op het slagveld ijzeren wetten voort.
-
- De Galliade.
-
-
-Allerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald
-onder de overwinnaars te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, of hij
-had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in
-den engen bergpas te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen,
-waarmede de onwetende, zelfs half woeste, geheel onbeschaafde kerel
-dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen, toen hij zich
-dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds
-terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet
-zonder gevaar de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de
-eerste opwelling waren hunner woeste vreugde over de behaalde zege,
-waarin zij wreedheden begingen, die mij nog doen ijzen. Ik zag, dat
-een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan, door de
-overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche
-jongens, die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt
-werden. Ik oordeelde het dan ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak
-aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert nergens kon ontdekken,
-wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen.
-
-Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk
-terug, om te zien, of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon
-helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte ik, dat hij reeds uit zijn
-gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel zat hij aan
-den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren
-in de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met
-zijne redding geluk te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in
-het eerst niet zoo hartelijk, als ik ze hem bracht. Een hoestaanval
-liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel ten opzichte
-van mijne oprechtheid te kennen te geven.--»Een vriend, zegt men,
-is ons vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.--Ik
-kwam herwaarts, mijnheer Osbaldistone, in dit land, dat van God en
-menschen vervloekt is--de Heere vergeve het mij, dat ik mij zoo sterk
-uitdruk,--ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij--gij meent
-u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek
-schuurt en mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van
-tusschen die ruwe Hooglanders en Engelsche roodrokken doodgeschoten
-te worden of te verdrinken. En gij laat mij daar tusschen hemel en
-aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging aan te
-wenden om mij te helpen."
-
-Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze
-verontschuldigingen. Ik trachtte hem op alle mogelijke wijzen te
-overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest, hem eenige
-hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die,
-wel wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken
-handdruk en op even hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u
-gaarne! laat alles vergeven en vergeten zijn!"
-
-Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken?
-
-»Mij los te maken?" hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar
-hebben kunnen hangen, als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing
-immers met het hoofd naar den eenen kant en met de beenen naar den
-anderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom,
-even als gisteren, uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de
-pand van mijn rok af, en hij en een andere knaap hielpen mij op de
-been. Toch heb ik door die anders akelige historie de deugdzaamheid
-van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische
-Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd,
-en ik zou jammerlijk om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever,
-die dat laken geweven heeft, verstaat zijne kunst. Ik bengelde en
-schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als eene boot,
-die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt."
-
-Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden?
-
-»Dat heer zeide," antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was,
-mij terstond naar de dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij
-terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans naar u zoekt. Want
-hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven
-zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt,
-volkomen gelijk heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat
-om zonder handschoenen aan te pakken. En als vrouw is zij er niet
-op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat Robbert bang voor
-haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben
-elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij
-het nader hooren. Laat ons maar op hem wachten."
-
-Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des
-noodlots geschreven, dat Jarvie's schranderheid dien dag noch hem,
-noch een ander veel zou baten.
-
-Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den
-top der rots heen en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo
-bang was, ophield. Maar hij was op dit standpunt een veel te sterk
-in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende blikken
-der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens
-rond te kijken. Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons
-vermoeden, dat men hem ontdekt had; dit was ook zoo. Terstond snelden
-eenigen hunner in het bosch en klauterden van onderscheidene kanten de
-rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning gezien
-hadden. Zij, die den armen Andries 't eerst op den afstand van een
-geweerschot naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om
-hem in zijn hachelijken toestand hulp te bieden. Zij legden eenvoudig
-hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem door vrij ondubbelzinnige
-teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden te komen
-en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk
-wilde doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries
-niet langer dralen het waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar
-maakte hem onverschilliger omtrent dat, wat minder onvermijdelijk
-scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de rots af te
-klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met
-koortsachtigen angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene hand vrij had,
-richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te
-smeeken, de op hem aangelegde geweren niet los te branden. Eindelijk
-kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen, die zich met den
-onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten
-zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en
-zijn inspanning van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek
-gleed zijn voet uit en hij viel, zoo lang hij was, op den grond,
-waar de Hooglanders zich van hem meester maakten, en hem niet alleen
-al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk
-eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding
-afnamen, dat de arme man, die als een welgekleede knecht op den rug
-was gevallen, geheel naakt en met een kaal hoofd weder opstond. Toen
-sleepten zij hem over de scherpe rotspunten naar den straatweg.
-
-Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt,
-of eenigen van hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en
-zwaarden en hielden ons hunne pistolen voor. Aan tegenweer viel niet
-te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk eene bedreiging te kunnen
-beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de ongastvrije
-handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand
-brengen, waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond,
-toen er onverwachts redding kwam opdagen. Reeds had men mij mijn
-met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot van zijn reisrok
-ontnomen, of zie--daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon,
-onder vloeken en razen--wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet,
-maar ik giste het uit zijne hevige gebaren--dwong hij de plunderaars
-hun werk te staken en het reeds geroofde terug te geven. Mijn halsdoek
-rukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij
-dien in zijn ijver zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij,
-gedurende zijn verblijf in Glasgow, niet alleen den cipier gediend,
-maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen nu nog meer
-Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval
-den overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de
-noodige hulp te bewijzen. Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit
-volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming te erlangen. Hij
-had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen.
-
-»Waarachtig niet!" antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge
-zijt zoo ver ik weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben
-ook wel eens barrevoets geloopen."
-
-Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was
-geleverd, om ons als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende
-bende te brengen.
-
-Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen
-raakte. Eenigen wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan
-hen te danken had, doch met groote bedreigingen antwoordde hij
-hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin, wier
-uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de
-woeste, ruwe of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet,
-of Helena Mac-Gregor werkelijk deel aan het gevecht had genomen,--later
-vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken op hare handen en
-naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield;
-haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode,
-gepluimde muts golfden--alles scheen te kennen te geven, dat zij
-zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog en hare gelaatstrekken
-verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van bevredigde
-wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs
-of wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was,
-herinnerde zij mij aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in
-de Katholieke kerken van Frankrijk had gezien. Zij was echter niet
-schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare gelaatstrekken
-geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber,
-den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die
-in het Heidensch Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar
-toch deed de hooge graad van geestdrift, waarmede zij bezield was, en
-haar gelaat en geheel haar voorkomen mij denken aan de afbeeldingen van
-de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig schilderstuk
-had gezien.
-
-Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar
-Jarvie, wien de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht,
-begon na een voorbereidend hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de
-aangename gelegenheid,"--zijne bevende stem logenstrafte den nadruk,
-dien hij op het woord aangename trachtte te leggen--»in de aangename
-gelegenheid,"--hernam hij en poogde het bijvoegelijk naamwoord nog
-beter te doen uitkomen--»te zijn, mijne waarde nicht goeden morgen
-te wenschen. Hoe gaat het u?" vervolgde hij en scheen nu weder van
-lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al
-dien tijd gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor
-Campbell? Nu, gij zult u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren,
-Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was
-een braaf man, een man, op wien men staat kon maken, en hij hield
-bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer
-u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u,
-schuldig en plichtmatig, als mijne bloedverwante omhelsd hebben,
-indien slechts uw volk mij de armen niet zoo vasthield; en mag ik,
-zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering,
-aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te
-gebruiken, om de bloedige sporen van den oorlog af te wisschen."
-
-In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de
-overprikkelde gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was
-nog in den vollen roes harer vreugde over de zege in een gevaarlijken
-strijd. Zij was bezig over leven en dood uitspraak te doen. Dat stemde
-niet met Jarvie's gemoedelijk praten.
-
-»Wie zijt gij,"--begon zij--»die u vermeet, aanspraak op de
-verwantschap met Mac-Gregor te maken, maar noch zijne kleeding draagt,
-noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij, die de taal en de gewoonten
-van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?"
-
-»Of men u," antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap
-duidelijk genoeg verklaard heeft, weet ik niet, maar ze bestaat,
-en kan in elk geval bewezen worden."
-
-Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter
-van een Hooglander was geweest, wiens nog levende dochter in
-Stuckavrallachan woonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden
-graad was vermaagschapt. Maar de heldin tot wie hij sprak, besnoeide
-den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche vraag in de rede
-te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen
-erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot
-geringe huiselijke behoeften afgeleid hadden?
-
-»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!" antwoordde Jarvie. »Maar kijk
-eens, de stroom zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer,
-als zijn kiezel door de zonnestralen gebleekt is, een gedeelte van
-dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders acht
-ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook
-eene andere taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als
-kind geleerd heeft. Ik zou er vrij gek uitzien, als mijn ronde buik
-in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne korte beenen onder de
-knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige
-jongens. Maar nog eens," vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds
-wenken hem scheen aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar
-misnoegen over zijne praatzucht duidelijk liet blijken--»gij moet u
-toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een eenvoudigen daglooner
-het een of ander kan te verhandelen hebben, wat voor zijne majesteit
-van zeer veel belang is. Hoe hoog gij uwen man ook boven mij moogt
-verheven achten--het is niet meer dan billijk, dat eene vrouw den man
-eert, want Gods woord beveelt het--maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen
-dunk gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben,
-kan ik u echter verzekeren, dat er tijden zijn geweest, waarin hij
-mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne hulp gaarne erkend zou
-hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt treden,
-een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke
-veehandelaar en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen
-ontwapende hij nog niet 's konings soldaten, en stoorde nog niet de
-rust van den staat."
-
-Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd,
-iets wat zijne nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte
-zij zich op en verried de hevigheid harer gewaarwordingen door een
-luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.--»Ja," zeide zij,
-»gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij
-ons vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven,
-als houthakkers en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor
-uwe gastmalen te leveren, om als slaven door uwe wetten onderdrukt
-en door u met voeten getreden te worden. Maar neen! wij zijn vrij;
-wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel en
-deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er
-aan denk, dat ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op
-de aarde kan zijn. Welaan! Het werk, dat heden zoo goed begonnen is,
-wil ik door eene daad voortzetten, die elken band tusschen Mac-Gregor
-en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken! Hier
-Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het
-Hooglandsche meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten
-zoeken!"
-
-Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou
-daarmee de hevige drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer
-ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald tusschen beide. Dezelfde man,
-die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte, liet
-zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik
-uit alles merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen.
-
-Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als
-wilde zij ons den doodsangst in al zijne bitterheid reeds vooraf
-doen gevoelen.--»Ellendige hond!" riep zij; »durft gij u tegen
-mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong
-uit den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen,
-om te zien wie daarmede het best Saksisch sprak; of den eenen het
-hart uit te rukken en het in de borst van den ander te plaatsen,
-om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor
-ontwerpen kon--want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te
-handelen, als onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.--Zie,
-al wilde ik u zoo iets bevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige
-tegenwerping mijn wil ootmoedig te gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?"
-
-»Zeer, zeer zeker!" antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden;
-dat zou niets meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel
-meer voldoening zou verschaffen, dien leelijken kapitein met zijn
-korporaal en nog een paar van die roodrokken in het meer te laten
-werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn
-goede vrienden van Gregarach. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord
-zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken aan geen verraad, dat durf
-ik zweren."
-
-Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige
-tonen van een doedelzak op den weg naar Aberfoil deden hooren,
-waarschijnlijk dezelfde, die Thornton's achterhoede gehoord had. Het
-gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat
-krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen,
-om deel aan den strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast
-hadden, toen het schieten hun in de ooren klonk. Thans verschenen
-zij slechts om de overwinning hunner landslieden te helpen vieren.
-
-De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en
-zeer ten hunnen voordeele van diegenen, die over de manschappen
-van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders, die tot het
-gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen,
-nauwelijks in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen,
-kortom, menschen, die alleen in dringenden nood gewapend werden. De
-neerslachtigheid, welke Thornton's manhaftige gelaatstrekken benevelde,
-werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen hij zag,
-dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht
-en door eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te
-overwinnen. Maar de dertig of veertig Hooglanders, die nu aankwamen
-en zich met de overigen vereenigden, waren allen deels in den bloei
-hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige,
-goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en
-onder den omgegorden plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij
-beter gewapend dan de andere bende. De volgelingen der Amazone hadden
-deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei oude wapens; zelfs
-hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen. De
-naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna
-allen dolken naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had
-een goed geweer, een zwaard op zijde; daarbij een sterk rond schild,
-dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken en sierlijk met
-koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het
-midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand
-schoten, op den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden,
-werd het op den linkerarm gebonden.
-
-Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene
-overwinning terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten
-hadden. De doedelzak liet van tijd tot tijd eenige klagende tonen
-hooren, die geheel iets anders uitdrukten dan vreugde over eene
-behaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen
-zij voor de vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden,
-klonken, na eene korte stilte, nog eenmaal de woeste weemoedige tonen
-van den doedelzak.
-
-Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid
-te lezen.
-
-»Wat beduidt dit, Alaster?" zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze
-klaagtonen in het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is
-Mac-Gregor, uw vader?"
-
-Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame,
-dralende schreden. Zij mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de
-moeder eensklaps een luiden gil gaf, een schrillen schreeuw door de
-rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald, terwijl deze
-de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen
-was. En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel
-van het gevecht ophield, gezwegen had, werd weder gehoord. Het was
-een vreeselijk jammergeschrei; het joeg zelfs de nachtvogels uit hunne
-rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger en van nog droeviger
-voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren.
-
-»Gevangen?" herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk
-bedaarde. »Gevangen? En gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige
-lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat gij uw bloed tegen uws vaders
-vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen zien nemen
-en terugkeeren?"
-
-Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren
-jongelingen, de oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren
-bereikt. Hamisch, of Jakob heette de oudste der beiden; hij was een
-hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder. Zijne lichtblauwe
-oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie blauwe
-muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen
-Hooglandschen jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem
-van zijn vader te onderscheiden, noemden de Hooglanders hem »Oig",
-dat wil zeggen »de jonge". Donker haar en een gelaatskleur die van
-gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen
-bergbewoner tot eene aangename verschijning.
-
-Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen
-zij daar voor hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid
-ontvingen zij de verwijten, waarmede zij overladen werden. Toen
-eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins scheen te bedaren,
-beproefde de oudste in de Engelsche taal--waarschijnlijk om door de
-overigen niet verstaan te worden--zich en zijn broeder tegenover hunne
-moeder te rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel
-van hetgeen hij zeide verstond. Daar het voor mij van groot belang was,
-omtrent deze gewichtige gebeurtenis nauwkeurig onderricht te worden,
-luisterde ik met opmerkzaamheid.
-
-Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren
-Laaglander, die een teeken bracht van--de naam werd zeer zacht
-uitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone" te hooren--tot eene
-samenkomst uitgenoodigd. Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen,
-maar tevens bevolen, den man, die de boodschap overgebracht had,
-als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen
-zijn, van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de
-plaats der samenkomst begeven--den Hooglandschen naam kon ik niet
-verstaan,--slechts door twee mannen uit zijn gevolg, Angus Breek
-en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild;
-meer mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur
-was een der beide geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun
-opperhoofd door eene bende soldaten, onder aanvoering van Galbraith van
-Garschattachin, overvallen en gevangen genomen was. Naar de verzekering
-van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming gedreigd,
-zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met
-minachting geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen
-den dief op en gij den tollenaar, dan wordt het land op eens van twee
-plagen bevrijd." De terugkeerende geleider, Angus Breek, dien men
-niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt,
-om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen.
-
-»En dat hoordet gij, ellendige verraders!" riep Helena, »en gij
-spoeddet u niet terug om uw vader te redden, om hem te verlossen,
-of te sterven?"
-
-De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des
-vijands groote overmacht. Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen
-voorbereidselen maakte, om weder op te breken, hij zich terstond naar
-het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen te verzamelen,
-ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag te
-kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de
-nabijheid van het huis Gartartan, of in het oud aan zee liggend kasteel
-bij Monteith overnachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar,
-maar wanneer men het met eene talrijke bende waagde, dan kon het wel
-genomen worden.
-
-Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd
-in twee sterke benden verdeeld waren, van welke de eene de bezetting
-van Inversnaid met kapitein Thornton gadesloeg, en de andere tegen de
-vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich met de koninklijke
-soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in de
-woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard,
-toenmaals Robbertsland genoemd.
-
-Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde,
-de hier en daar verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde
-de Laaglanders aan te tasten. De smart, de droefheid en vertwijfeling,
-die in het eerst op aller gelaat te lezen waren, wisselden af met de
-streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak te bevredigen.
-
-Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als
-gijzelaar voor Mac-Gregor's veiligheid teruggebleven was, voor
-zich brengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen
-vreezende, den ongelukkige buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat
-inderdaad het geval geweest, dan vermocht hunne menschlievende voorzorg
-zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen. Op haar bevel
-sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar. Tot
-mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne
-door doodsangst reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris.
-
-Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad
-terug alsof zijne aanraking eene heiligschennis ware. In diepen
-ootmoed kon hij slechts den zoom van haar plaid kussen. Nooit heb
-ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken. Die angst
-was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans,
-de tong te verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met
-doodsbleeke wangen, met krampachtig samengevouwen handen, en oogen,
-die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen te vestigen,
-betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van
-een aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad
-en eerbiedigde, geweten had. Zich zelven echter in zijne angst
-tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat hij slechts het werktuig
-van anderen was, en mompelde Rashleigh's naam. Hij smeekte slechts
-om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld
-bezat. Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder
-kwellingen en ontberingen, als gevangene, als slaaf, voortsleepen,
-al moest het akeligste berghol zijn verblijf zijn.
-
-Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw
-van Mac-Gregor op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige
-geschenk van verlenging zijns levens begeerde.--»Ik zou u het leven
-hebben laten behouden," zeide zij, »als het voor u een zoo zware,
-ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke
-edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij
-zoudt door uwe schande, door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde
-misdaden niet in het minst zelfs gekweld, zeker niet gefolterd
-worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven en
-uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken
-zonder naam, zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op
-den nek trappen. Gij zoudt uw leven genieten als een slachtershond,
-die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen geslacht worden! Neen,
-dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij, en wel
-vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!"
-
-Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal
-hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op
-de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het
-meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen
-de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij
-mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van
-hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!"
-
-Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik,
-ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor
-hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak
-met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels
-vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij
-hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte
-zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half
-vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf
-voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak,
-trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans
-duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft
-was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden
-gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en
-den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te
-maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk
-in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige
-oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had
-daar beneden zijn graf gevonden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXII.
-
-
- Als ik niet voor de avond valt,
- Den stap hier weêr hoor van zijn voeten,
- Dan zweer ik bij de wraak van 't diep gefolterd harte
- En bij de kracht tot wraak van ijzig wreede smarte
- "Zwaar zal uw land die misdaad boeten!"
-
- Uit een oud Tooneelspel.
-
-
-Opmerkelijk, dat eene enkele wreede daad ons sterker treft, dan
-wanneer woeste barbaarschheid talrijke offers eischt? Ik had dien dag
-velen van mijne dappere landslieden zien sneuvelen, maar zij schenen
-mij slechts in het gewone lot der menschheid te deelen. Wel kwam er
-eene weemoedige aandoening in mij op, maar ik gevoelde geenszins die
-onbeschrijfelijk smartelijke ontroering, die mij aangreep toen ik
-den ongelukkigen Morris, onmachtig om zijn ontmenschten beulen zelfs
-den minsten tegenstand te kunnen bieden, den ijselijken marteldood
-zag ondergaan. Ik wierp een oog op mijn reisgenoot, en las op zijn
-gelaat de gewaarwordingen, die zich op het mijne uitdrukten. Diep
-verontwaardigd over de zoo even gepleegde gruweldaad mompelde hij,
-hoewel verstaanbaar genoeg, in zich zelven: »Het is een moord, een
-gruwzame moord! God zal die eenmaal wreken!"
-
-»Gij vreest dus niet, dat hetzelfde lot u overkomen kan?" vroeg
-Helena met dien akelig dreigenden blik, waarmede een havik op zijn
-prooi neerziet, voordat hij zijne klauwen uitstrekt.
-
-»Nicht," antwoordde Jarvie, »niemand zal gaarne zijn levensdraad
-afknippen, eer het einde van het kluwen behoorlijk om den haspel
-zit. En ik heb op deze drukke wereld nog veel te verrichten, niet
-alleen in mijne particuliere zaken, maar ook in mijn ambt tot welzijn
-van stad en land. Daarenboven heb ik nog voor deze en gene tot mij in
-betrekking staande, hulpbehoevende personen te zorgen; bijvoorbeeld
-voor het arme Matje, een verlaten wees. Zij is nog eene verre nicht
-van den heer van Limmerfield. En zie, als men over dat alles bedaard
-nadenkt, dan zou ieder voor het behoud van zijn leven gaarne alles
-geven wat hij bezit."
-
-»En als ik u in vrijheid stelde," hernam de Amazone, »met welken naam
-zoudt gij dan het verdrinken van dien ellendigen Sakser bestempelen?"
-
-Op deze onverwachte en vrij netelige vraag had de brave Jarvie niet
-zoo terstond zijn antwoord gereed. Hij kuchte eenige malen, liet
-eenige afgebroken woorden voorafgaan, en zeide toen: »Ik zou er zoo
-min mogelijk over spreken; want wie niet veel praat, heeft ook niet
-veel te verantwoorden."
-
-»Maar als gij door het een of ander gerechtshof, zoo als gij het noemt,
-daarover ondervraagd werdt, wat zoudt gij dan antwoorden?" vroeg
-Helena nogmaals.
-
-Jarvie keek rechts en links om zich heen, als zocht hij eene uitvlucht,
-die hij niet scheen te kunnen vinden. Eindelijk, als iemand, die
-geene kans tot een eerlijken terugtocht ziende, besluit den strijd
-te wagen, antwoordde hij moedig: »Ik merk wel, waar gij met mij heen
-wilt. Maar ik zeg het u ronduit, nicht, ik moet spreken naar plicht
-en geweten. Uw eigen man--om zijn en mijn wil wenschte ik wel, dat
-hij hier ware--en ook Dugald weten het beide, dat Nicolaas Jarvie de
-gebreken en fouten van een vriend even goed door de vingers kan zien,
-als iemand anders. Maar dat moet ik u ook zeggen, nicht, over mijne
-tong komt nooit een leugen. Eer ik zeggen zou, dat die arme schelm
-daar wettig om het leven is gebracht, zou ik veel liever naast hem
-in de diepte van het meer liggen. Maar gij zoudt toch, in elk geval,
-de eerste Hooglandsche vrouw zijn, die aan den bloedverwant haars
-mans in den vierden graad zulk eene daad zou plegen!"
-
-Waarschijnlijk was de vrijmoedige en stellige toon, waarop Jarvie deze
-woorden sprak, beter geschikt om op het harde hart zijner nicht indruk
-te maken, dan de smeekende toon, dien hij te voren had aangenomen. Men
-snijdt edelgesteenten met staal, maar niet met weeker metalen. Beiden
-moesten wij voor haar komen.--»Uw naam is Osbaldistone?" zeide zij
-tegen mij. »De ellendeling, dien gij hebt zien sterven, noemde u zoo."
-
-»Ja, ik heet Osbaldistone!" antwoordde ik.
-
-»Dan is uw voornaam misschien Rashleigh!" vervolgde zij.
-
-»Neen! Ik heet Frans," luidde mijn antwoord.
-
-»Maar gij kent Rashleigh Osbaldistone toch?" hernam zij. »Vermoedelijk
-is die uw broeder, of ten minste uw bloedverwant en vriend?"
-
-»Mijn bloedverwant, ja, maar geenszins mijn vriend," antwoordde
-ik. »Nog onlangs stonden wij tegenover elkander met den degen, toen
-iemand ons scheidde. Die iemand was uw man. Mijn bloed is aan zijn
-degen nog nauwelijks droog, de wond in mijne zijde nog niet volkomen
-geheeld. Ik heb geen reden, hem mijn vriend te noemen."
-
-»Als gij dus niets met zijne listen en streken hebt te maken," hernam
-zij, »kunt gij u veilig en zonder voor uw vrijheid te vreezen naar
-Galbraith Garschattachin en diens bende begeven en hun eene boodschap
-van Mac-Gregors vrouw overbrengen?"
-
-Ik antwoordde, dat ik niet wist, waarom dat krijgsvolk mij gevangen zou
-houden, en dat ik van hen zeker niets te vreezen had. Gaarne, voegde
-ik er bij, zou ik die boodschap verrichten, zoo ik hare gevangenen,
-mijn vriend en mijn bediende, daardoor bescherming kon verschaffen. Ik
-was toch in dit oord gekomen, alleen op uitnoodiging van haar man en
-op zijne verzekering, dat hij mij in zekere gewichtige zaak hulp zou
-verleenen. Mijn reisgenoot Jarvie had mij, ook al om mij in die zaak
-van dienst te zijn, herwaarts vergezeld.
-
-»En ik wenschte wel," viel mijn vriend mij in de rede, »dat er in
-Jarvie's laarzen, toen hij ze aantrok, kokend water ware geweest!"
-
-»Hebt gij gehoord, wat de jonge Sakser ons daar heeft gezegd?" vroeg
-Helena haren zonen. »Daarin kunt gij uw vader herkennen! Dan alleen
-bezit hij verstand, wanneer hij de muts op het hoofd en het zwaard in
-de hand heeft. Maar nauwelijks heeft hij den tartan met het lakensche
-kleed verwisseld, of hij wordt een slachtoffer van de ellendige
-streken der Laaglanders. Zie! na alles wat hij reeds geleden heeft,
-wordt hij op nieuw hun zaakwaarnemer, hun werktuig, hun slaaf!"
-
-»Voeg er dan bij," zeide ik, »hun weldoener."
-
-»Mij goed!" antwoordde zij; »dat is de ijdelste titel van
-alle. Talloos heeft hij weldaden bewezen. Waartoe? Om lage,
-schandelijke ondankbaarheid te oogsten. Maar genoeg! Ik zal u naar de
-vijandelijke voorposten laten geleiden. Vraag daar om het opperhoofd,
-den bevelhebber, of hoe hij zich noeme, te spreken. Breng hem de
-boodschap van mij, van Helena Mac-Gregor, zeg hem: Indien zij van
-Mac-Gregor's hoofd slechts een enkel haar krenken en hem binnen den
-tijd van twaalf uren niet in vrijheid stellen, dan zal er in Lennox,
-vóór Kerstmis, geene vrouw zijn, die geen jammerklacht aanheft over
-hem, die haar dierbaar is--geen pachter, die niet wee roept over eene
-afgebrande schuur, of een ledigen stal--geen laird, die des avonds
-zijn hoofd ter ruste zal leggen, met de zekerheid den volgenden
-morgen veilig te zullen opstaan! En namens mij eindigt ge met te
-zeggen: Zoodra de bepaalde tijd verstreken is, dan zend ik hun dit
-lid van den Glasgowschen raad, en dezen Saksischen kapitein, en al
-de overige gevangenen, elk in een plaid gebonden, maar in zoo vele
-stukken gehouwen, als er ruiten in een Tartan zijn."
-
-Na deze vreeselijke bedreiging zweeg zij. Thornton had alles
-verstaan. Hij richtte zich op en sprak met koelbloedigheid: »Breng den
-bevelvoerenden officier de groeten van den kapitein Thornton en zeg
-hem, dat hij zijn plicht zal doen zonder zich om mij te bekommeren,
-of, om mijnent wil, zelfs een haarbreed van zijn plicht af te
-wijken. Ik ben dwaas genoeg, geweest, mij door deze listige wilden
-in eene hinderlaag te laten lokken, maar ik ben toch nog verstandig
-genoeg, om te weten hoe ik sterven moet, zonder den dienst oneer aan
-te doen. Ik beklaag alleen mijne dappere kameraden, dat zij in zulke
-wreede handen gevallen zijn."
-
-»Stil! stil!" fluisterde Jarvie hem toe. »Zijt gij uw leven
-moede? Groet den bevelhebber ook van mij, Jarvie, lid van den
-stedelijken raad van Glasgow, zoon van mijn overleden vader, den
-wijkmeester, die insgelijks eens denzelfden post, als ik thans,
-bekleedde. Zeg hem, dat hier een paar brave mannen deerlijk in het nauw
-zitten, en dat het nog veel erger met hen kan afloopen. Hij kan voor
-het algemeene welzijn niets beters doen, dan Robbert ten spoedigste
-in vrijheid te stellen. Want dat hier reeds iets verschrikkelijks
-gebeurd is; maar daar dit eigenlijk slechts den kommies getroffen
-heeft, is het haast niet de moeite waard, er veel leven over te maken."
-
-Met deze zoo lijnrecht tegen elkander inloopende boodschappen
-van Thornton en Jarvie, voor welke beiden evenwel de uitslag
-mijner zending van zoo veel belang was, en met Helena's herhaalde
-vermaning, om hare bevelen stipt en letterlijk over te brengen, werd
-ik eindelijk weggezonden. Andries kreeg verlof mij te vergezellen,
-denkelijk om van zijn lastig gejammer en gehuil bevrijd te worden. Men
-scheen echter te vreezen, dat ik met behulp van mijn paard aan mijne
-geleiders ontsnappen zou. Misschien wilde men ook een onderpand van
-eenige waarde behouden, opdat ik terug zou komen, en men gaf mij dus
-te verstaan, dat ik te voet moest reizen. Jakob, de oudste zoon van
-Mac-Gregor, benevens twee van zijne makkers, begeleidden mij, zoo wel
-om mij den weg te wijzen, als voornamelijk om de sterkte en stelling
-van den vijand te verkennen. Eerst werd Dugald dit mede opgedragen,
-maar zeer sluw wist hij zich daarvan te verschoonen, hij deed dit,
-zoo als wij naderhand vernamen, om in persoon voor Jarvie's veiligheid
-te kunnen zorgen, wien hij, volgens zijne onbeschaafde begrippen van
-trouw en dankbaarheid, hulp meende verschuldigd te zijn, omdat het
-lid van den achtbaren stedelijken raad eens zijn beschermer, of ten
-minste zijn gebieder geweest was.
-
-Bijna een uur waren wij vrij snel voortgestapt, toen wij op een
-met hout bedekten heuvel kwamen, van waar we een vrij uitzicht
-over het dal hadden en de stelling van het krijgsvolk nauwkeurig in
-oogenschouw konden nemen. Het korps, dat grootendeels uit ruiterij
-bestond, had zich, zeer verstandig, niet in den engen pas gewaagd,
-die den kapitein Thornton zoo noodlottig was geweest. Het had zijne
-stelling vrij doelmatig ingericht op eene hoogte, in het midden
-van het kleine dal van Aberfoil, dat, door de Forth, die hier nog
-zeer nabij hare bronnen heeft, doorstroomd, door twee rijen heuvels
-van kalksteenrotsen, die van den oever opstijgen, ingesloten en
-in het verschiet door hooge bergen begrensd wordt. Het dal is zoo
-breed, dat de ruiters tegen een plotselingen aanval der Hooglanders
-volkomen beveiligd waren; ook waren op een behoorlijken afstand van
-het hoofdkorps naar alle kanten schildwachten uitgezet, ten einde
-bij het minste alarm tijds genoeg te hebben, om op te zitten en zich
-tot den strijd gereed te maken. Toenmaals vreesde men namelijk niet,
-dat de Hooglanders eene ruiterbende op het open veld zouden aantasten;
-ofschoon latere gebeurtenissen bewezen hebben, dat zij dit met goed
-gevolg wagen konden. De Hooglanders voedden, toen ik hen leerde
-kennen, eene bijna onbegrijpelijke vrees voor paardenvolk, omdat de
-Laaglandsche paarden een veel woester voorkomen hadden, dan de kleine
-paarden van hunne gebergten. Het gemeene volk geloofde, dat men die
-dieren afgericht had, om ook met hunne pooten en tanden te vechten.
-
-De grazende paarden der ruiterij in het dal; de militairen, die in
-allerlei groepen aan den oever der heerlijke rivier zaten, stonden,
-of op en neer wandelden; de kale en toch schilderachtig schoone rotsen
-aan beide oevers--dit alles vormde een bekoorlijken voorgrond, terwijl
-aan de oostzijde het meer Menteith zich uitstrekte, en het kasteel
-Stirling in de schemerende verte met het blauwachtige Ochill-gebergte
-den achtergrond afsloot.
-
-De jonge Mac-Gregor wierp een snellen, onderzoekenden blik op het
-dal. Daarop gaf hij mij te kennen, dat ik naar het krijgsvolk afdalen
-en mij van mijne opdracht bij den aanvoerder kwijten moest, terwijl
-hij mij tevens met dreigende gebaren verbood te verraden, wie mijn
-wegwijzer was geweest, en waar ik mijn geleide achtergelaten had.
-
-Zoo begaf ik mij dan op weg, vergezeld door Andries, die van zijne
-Engelsche dracht alleen nog broek en kousen had, maar van zijn hoed
-beroofd was en sandalen droeg, welke Dugald hem uit medelijden gegeven
-had. Voor het overige had, hij zijne naaktheid vrij armzalig met
-een ouden gescheurden plaid bedekt. Wij waren intusschen nog niet
-ver gegaan, toen een ruiter, die op schildwacht stond, ons in het
-oog kreeg, terstond op ons toereed en met aangelegde karabijn ons:
-»staat!" toeriep. Ik gehoorzaamde en gaf hem mijn verlangen te kennen,
-om bij zijn bevelhebber gebracht te worden. Terstond toonde hij zich
-daartoe bereid en bracht mij in een kring van officieren, die in
-het gras zittende, een man van hoogen rang omringden, die een zeer
-fraai gepolijst stalen kuras droeg, waarop de teekens van de aloude
-distelorde hingen. Mijn bekende, Garschattachin, en verscheidene
-anderen, deels in uniform, deels in gewone kleeding, maar allen
-gewapend, schenen hunne bevelen van dien edelman te ontvangen. Zeer
-vele bedienden in prachtige livrei, hoogst waarschijnlijk tot zijn
-gevolg behoorende, verbeidden insgelijks zijne wenken.
-
-Na eene eerbiedige begroeting verhaalde ik den bevelhebber, dat
-ik onwillekeurig getuige was geweest van de neêrlaag, welke de
-soldaten in den engen pas van Loch-Ard door de Hooglanders geleden
-hadden, en dat de overwinnaars hunne gevangenen, als ook het gansche
-Lageland, met het ergste bedreigden, tenzij hun dien morgen gevangen
-aanvoerder ongekrenkt in vrijheid werd gesteld. De hertog,--want
-de opperbevelhebber was iemand die dezen titel voerde--hoorde mij
-zeer bedaard aan, en antwoordde toen, dat het hem leed zou doen, de
-ongelukkige gevangenen den wreeden wilden, in wiens handen zij gevallen
-waren, te moeten prijs geven; maar dat het eene dwaze veronderstelling
-was, dat hij den hoofdbewerker van al deze rampen en misdaden uit zijne
-gevangenis zou ontslaan, om daardoor diens aanhangers nog vermeteler
-te maken.--»Keer terug," voegde hij er met mannelijke vastberadenheid
-bij, »en zeg hun, die u gezonden hebben, dat ik Robbert Campbell, dien
-zij Mac-Gregor noemen, onfeilbaar met het krieken van den volgenden
-dag zal doen ter dood brengen als een vogelvrij verklaarde, die met
-de wapens in de hand gevangen genomen werd en voor zijne tallooze
-gruweldaden duizendvoudig den dood heeft verdiend, dat ik mij voor
-het oog der wereld diep zou vernederen, wanneer ik ten zijnen opzichte
-anders handelde; dat ik het land tegen hunne onbeschaamde bedreigingen
-zal weten te beschermen, en dat, als zij de beide ongelukkige heeren,
-die zich thans in hunne macht bevinden, een enkel haar krenken, ik
-zulk eene geduchte wraak zal nemen, dat de steen en in hunne dalen
-jaren lang daarover wee zullen roepen!"
-
-Ik veroorloofde mij bescheiden eene ernstige aanmerking betrekkelijk
-mijne zending, en sprak van de gevaren, waaraan ik mij bloot stelde;
-maar de hertog antwoordde, dat ik in dat geval mijn bediende kon
-terugzenden.
-
-»Wel ja, waarom niet!" barstte Andries plotseling uit, zijn eerbied
-vergetende voor den hertog en zonder mijn antwoord af te wachten:
-»den bediende terugzenden! Denkt men dan dat ik, als de Hooglanders
-mij deze keel afsnijden, nog een andere tot plaatsvervangster op
-zak heb? Of dat ik, als een wilde eend, aan het eene einde van het
-meer onderduiken en aan het andere weder boven komen kan? Neen,
-neen! daarvan komt niets! Ieder voor zich, en onze lieve Heer voor
-ons allen, dat is mijne spreuk. Ieder doe zijne eigen boodschap,
-dan weet hij zeker, dat ze goed gedaan wordt. En buitendien, Robbert
-Roodhaar heeft nooit het kerspel van Dreepdaily bezocht, veel minder
-een enkelen appel of peer uit mijn tuin gestolen."
-
-Toen ik den heilloozen babbelaar niet zonder moeite tot zwijgen had
-gebracht, schilderde ik den hertog het groote gevaar, waaraan kapitein
-Thornton en mijn vriend Jarvie blootgesteld waren, en smeekte hem,
-mij in antwoord eenige gematigde en aannemelijke voorwaarden mede te
-geven, waardoor het leven der gevangenen zou kunnen gered worden. Ik
-betuigde hem, dat ik voor mij volstrekt geen gevaar zou schuwen, zoo
-ik slechts de hoop kon koesteren van dienst te kunnen zijn. Ik voegde
-er nog bij, dat ik, na al hetgeen ik gehoord en gezien had, geen
-oogenblik twijfelde, dat men de gevangenen terstond zou vermoorden,
-als men wist dat Robbert Campbell de doodstraf moest ondergaan.
-
-De hertog was zichtbaar getroffen.--»Het is een netelig, een
-allerneteligst geval!" zeide hij; »ik besef het zeer goed. Doch ik
-heb hoogere plichten jegens mijn vaderland te vervullen. Robbert
-moet sterven!"
-
-Gaarne beken ik, dat ik niet gevoelloos bleef, toen ik hoorde welk
-lot den man te wachten stond, die zich zoo dikwerf dienstvaardig
-en welwillend jegens mij getoond had. Verscheidene lieden onder 's
-hertogs gevolg waren insgelijks getroffen en waagden het voor Robbert
-te spreken. Het zou, zeiden zij, raadzamer zijn hem naar het kasteel
-van Stirling te zenden en hem aldaar in strenge bewaring te houden,
-als onderpand voor de volkomen onderwerping van zijne bende. Het zou
-eene onberekenbare ramp zijn, het land aan eene plundering bloot te
-stellen, welke men in de lange nachten van den op handen zijnden
-winter niet zou kunnen beletten, omdat het niet mogelijk was elk
-punt te bewaken, en de Hooglanders zeer zeker de onbewaakte toegangen
-zouden weten te vinden. Het zou, voegde hij er bij, zeer hard zijn,
-de ongelukkige gevangenen aan de gruwzaamste martelingen ten prooi te
-geven, welke zij onfeilbaar zouden ondergaan, wanneer men door al te
-strenge maatregelen de wraakzucht der barbaren tergde. Garschattachin
-ging nog verder en pleitte voor in vrijheid-stelling, ofschoon hij
-zeer wel wist, dat de hertog om bijzondere redenen den gevangen Robbert
-geenszins genegen was. »Robbert Roodhaar"--zeide hij--»is, weliswaar,
-een gevaarlijk buurman voor de Laaglanden, en in het oog van den hertog
-alleszins strafschuldig, doch voor het overige een knappe, schrandere
-kerel. Misschien zouden er nog wel middelen te vinden zijn, om hem tot
-eene betere zienswijze te brengen. Maar zijne vrouw en zijne zonen,
-dat zijn vermetele vijanden, zonder vrees, zonder medelijden. Die
-zouden aan het hoofd van zijne bende eene erger landplaag worden,
-dan hij ooit zelf geweest was."
-
-»Volstrekt niet!" antwoordde de hertog. »Hij alleen heeft door zijne
-schranderheid en listen zijne heerschappij zoo lang gehandhaafd. Een
-gewone Hooglandsche roover zou in even vele weken ten onder gebracht
-zijn, als hij jaren geheerscht heeft. Zijne bende, met hem niet meer
-tot aanvoerder, zal ons niet lang meer verontrusten. Als eene wesp
-zonder kop, die wel eens steken kan maar dan ook weldra ophoudt te
-leven, zal zij spoedig vernietigd zijn."
-
-Garschattachin liet zich niet zoo licht tot zwijgen brengen. »Uwe
-hoogheid," zeide hij, »ik verklaar volstrekt geene vriendschap voor
-Robbert te koesteren en hij zeker evenmin voor mij. Immers, hij heeft
-tweemaal mijne stallen geplunderd, en mijnen pachters onberekenbaar
-veel schade berokkend, maar...."
-
-»Maar," viel de hertog hem met een veelbeteekenend glimlachje in
-de rede; »gij meent, geloof ik, dat men zulk eene vrijheid aan den
-vriend van een vriend wel vergeven kan, en Robbert is immers, zoo als
-men vermoedt, geen vijand van uwe vrienden aan gene zijde van de zee?"
-
-»Welnu, al ware dat eens zoo," antwoordde Galbraith op denzelfden
-schertsenden toon, »dan is dat toch het ergste niet wat ik van
-hem gehoord heb. Maar ik wenschte wel, dat wij al tijding van de
-stammen hadden, op wier komst wij reeds zoo lang wachten. Zij zullen
-denkelijk hun woord houden als--Hooglanders. Maar ik ken hunne wijze
-van handelen. Zij vechten niet gaarne tegen elkaar!"
-
-»Dat geloof ik niet!" hernam de hertog. »Zij zijn als mannen van eer
-bekend, en ik mag op goeden grond vertrouwen dat zij hunne belofte
-gestand zullen doen. Er kunnen zich toch eens paar ruiters op weg
-begeven, om hen te gemoet te rijden. Vóór hunne aankomst kunnen wij
-het niet wagen, den engen pas aan te tasten, waar kapitein Thornton
-zich liet verschalken. Tien man voetvolk kunnen zich daar tegen het
-beste regiment ruiterij handhaven, dat weet ik best! Laat intusschen
-aan de manschappen eenige ververschingen geven."
-
-»Ook ik genoot het voordeel van dit laatste bevel, en dit was mij
-zeer welkom, daar ik sinds onzen overhaasten maaltijd te Aberfoil
-volstrekt niets genuttigd had. De uitgezonden ruiters kwamen terug,
-maar zonder naricht aangaande de verwachte hulptroepen, en de zon
-was reeds vrij diep aan de kimmen gezonken, toen een Hooglander,
-die tot de verbonden stammen behoorde, een brief bracht, dien hij
-den hertog met eene diepe buiging aanbood.
-
-»Ik wed om een okshoofd wijn," zeide Galbraith, »dat deze brief de
-tijding behelst, dat die satansche Hooglanders, die wij hier onder
-zoo vele plagen en ongemakken verbeid hebben, terugtrekken en ons
-aan ons lot overlaten zullen."
-
-»Zoo is het ook!" riep de hertog, gloeiende van verontwaardiging,
-toen hij den brief gelezen had, die op een morsig stuk papier
-geschreven, maar met het aan 's hertogs hoogen rang verschuldigde
-opschrift voorzien was. »Onze bondgenooten hebben ons verlaten en
-een afzonderlijken vrede met den vijand gesloten."
-
-»Dat is de gewone loop van alle verbonden!" hernam Galbraith. »De
-Hollanders wilden onlangs even zoo met ons handelen, toen wij hun te
-Utrecht de kans afkeken."
-
-»Ik vind u erg vroolijk gestemd," zei de hertog eenigszins geërgerd,
-te kennen gevend, dat hij nu niet tot schertsen geneigd was. »Onze
-tegenwoordige toestand vereischt allen mogelijken ernst. Ik geloof
-niet, mijne heeren," vervolgde hij, zich tot de overige officieren
-wendende, »dat iemand uwer in de tegenwoordige omstandigheden van
-gevoelen zal zijn, dat wij verder in het land moeten doordringen,
-zoolang wij noch door vriendschappelijke Hooglanders, noch door
-voetvolk ondersteund worden."
-
-Allen waren van gevoelen, dat zulk eene onderneming de grootste en
-onvergefelijkste dwaasheid zou zijn.
-
-»En even dwaas zou het wezen," hernam de hertog, »als wij ons hier
-aan het gevaar blootstellen van gedurende den nacht overvallen te
-worden. Ik stel u dus voor, naar Duchray en Gartartan terug te trekken
-en onze wachtposten tot den morgen uit te zetten. Maar voor dat wij
-scheiden, wil ik Robbert in uwer aller tegenwoordigheid verhooren,
-ten einde gij u met uwe eigen oogen en ooren kunt overtuigen, hoe
-ongeraden het zijn zou, hem weder gelegenheid tot nieuwe daden van
-geweld te geven."
-
-Op bevel van den hertog werd de gevangene voorgebracht. Zijne handen
-waren samengebonden en met een buikriem op den rug gekneveld. Twee
-onderofficieren hielden hem van weerskanten vast, en twee mannen met
-geladen karabijnen en opgezette bajonetten stonden achter hem.
-
-Ik had dezen man nog nooit in zijne landskleeding gezien, die het
-eigendommelijke van zijne gestalte nog meer deed uitkomen. Zijn
-gekroesd rood haar, dat de hoed en pruik der Laaglandsche dracht
-grootendeels verborgen had, stak onder de Hooglandsche muts uit,
-en billijkte den bijnaam Roodhaar, onder welken hij in het Laagland
-'t best bekend was. Trouwens, zoo deze naam, niet bijzonder op zijn
-hoofdhaar toepasselijk ware, had men hem dien ook met het oog op
-zijn beenen kunnen geven. Van den zoom zijns roks tot aan den rand
-der slobkousen, volgens de Hooglandsche gewoonte naakt, waren die
-met rood haar, inzonderhand rondom de knie, bedekt. Daardoor en ook
-wegens hunne krachtige spieren, zagen ze er uit als de schenkels van
-een rooden Hooglandschen stier.
-
-Zijne veranderde kleeding, gevoegd bij hetgeen men mij ten opzichte
-van zijn woest en wreed karakter verhaald had, gaf hem thans in mijne
-oogen een veel vreeselijker voorkomen, dan ooit te voren. Nauwelijks
-herkende ik hem.
-
-Zijne houding was vrijmoedig, ongedwongen, en in zoover zijne banden
-hem niet hinderden, fier en waardig. Hij boog voor den hertog, knikte
-Garschattachin en de overigen toe, en scheen verwonderd te zijn,
-dat hij ook mij in dit gezelschap vond.
-
-»Wij hebben elkander sinds lang niet gezien, mijnheer Campbell!" zei
-de hertog.
-
-»Dat is waar, Milord!" antwoordde Robbert; »en ik wenschte wel,
-dat deze ontmoeting op een tijd ware voorgevallen, dat ik u beter en
-voegzamer mijn verschuldigden eerbied had kunnen bewijzen!" voegde hij
-er, met een blik op zijne geboeide armen, met veel nadruk bij.--»Doch
-die tijd zal wel eens wederkomen!"
-
-»Geen tijd is zoo goed als de tegenwoordige, mijnheer Campbell!" hernam
-de hertog. »Nog slechts zeer weinige zijn de uren, die u resten, om
-uwe rekening met deze wereld te vereffenen. Dit zeg ik niet, om met uw
-ongelukkigen toestand te spotten. Maar gij zelf moet zeer goed inzien,
-dat gij het einde van uwe aardsche loopbaan genaderd zijt. Ik erken
-gaarne, dat gij u vaak menschelijker, grootmoediger gedragen hebt,
-dan anderen van uw heilloos beroep, ja, dat gij nu en dan bewijzen van
-een edelen aanleg en van gezindheden hebt gegeven, die iets beters van
-u deden hopen. Maar gij weet zelf hoe lang gij de schrik en plaag uwer
-vreedzame buren geweest zijt. Gij weet ook, door welke gewelddadigheden
-gij uwe onwettige heerschappij gehandhaafd en uitgebreid hebt. Kortom,
-gij weet, dat gij den dood verdient en u daarop voorbereiden moet."
-
-»Milord," hernam Robbert; »ofschoon ik u op goede gronden mijn ongeluk
-zou kunnen wijten, zal ik echter nooit zeggen, dat gij willens en
-wetens daarvan de oorzaak en bewerker zijt geweest. Had ik dit geloofd,
-hertog, dan zoudt gij heden niet tegenover mij staan. Want driemaal heb
-ik u onder het bereik van mijn geweer gehad, en men weet zeer goed,
-dat mijn kogel nooit mist. Maar men heeft mij bij u belasterd. Men
-heeft u tegen een man vooringenomen, die eens zoo vreedzaam was,
-als iemand in het gansche land wezen kan. Ja, men heeft uw naam
-misbruikt, om mij tot het uiterste te brengen. Maar dit alles heb
-ik hun vergolden. En ik zeg u, ik hoop het te beleven, hun ook te
-vergelden wat gij thans tot mij gezegd hebt!"
-
-»Dat is mij bekend," zei de hertog met klimmend misnoegen, »dat gij
-een koene, onbeschaamde knaap zijt, die woord houdt, als hij zijn
-medemenschen onheil zweert. Maar ik zal zorg dragen, dat de macht
-daartoe u voor altijd benomen wordt. Gij hebt geene andere vijanden,
-dan uwe booze daden."
-
-»Had ik Grahame geheeten in plaats van Campbell, dan zou men mij zulke
-taal zeker niet hebben doen hooren!" hernam Robbert op wreveligen,
-vasten toon.
-
-»Gij zult wel doen, met uwe vrouw, uwe verwanten en aanhangers te
-waarschuwen, dat zij zich wachten, de personen, die thans in hunne
-macht zijn, eenig leed toe te voegen. Want duizendvoudig zal ik zelfs
-de geringste beleediging wreken, die de uwen zich verstouten getrouwen
-onderdanen van den koning aan te doen."
-
-»Milord," antwoordde Robbert, »geen van mijne vijanden kan zeggen,
-dat ik een bloeddorstig man ben geweest. Bevond ik mij thans onder de
-mijnen, ik zou vier- of vijfhonderd Hooglanders even licht kunnen
-regeeren, als gij deze acht of tien lakeien. Maar wilt gij het
-hoofd van een stam doen vallen, dan moet gij er staat op maken,
-dat dit geenszins ongewroken zal blijven. Intusschen, hoe het ook
-gaan mocht, er is onder onze gevangenen een braaf man, mijn neef;
-dien mag volstrekt geen leed wedervaren. Is hier niemand, die voor
-Mac-Gregor iets goeds wil doen? Hij kan het nog wel vergelden,
-ofschoon zijne handen thans geboeid zijn."
-
-De Hooglander, die den hertog den brief had gebracht, zeide: »Ik
-zal doen wat gij begeert, Mac-Gregor, en terstond naar het dal
-terugkeeren."
-
-Hij trad voor, en de gevangene gaf hem eene boodschap aan zijne vrouw,
-maar daar hij Gaelisch sprak, kon ik van hetgeen hij zeide geen enkel
-woord verstaan, hoewel ik niet twijfelde, dat het eenige bevelen
-aangaande Jarvie's veiligheid betrof.
-
-»Ziet die schaamteloosheid eens aan!" zei de hertog. »Hij waant zich
-veilig als afgezant. Hij gedraagt zich even als zijne meesters,
-die ons eerst uitnoodigden om gemeenschappelijk met hen tegen de
-roovers op te trekken, en ons verlaten, zoodra zij met die roovers
-omtrent de landerijen overeengekomen zijn, waarover zij met hen in
-twist waren. Neen, neen! er bestaat geen trouw onder het volk, dat de
-plaid en tartan draagt. Als een kameleon verwisselt het duizendmaal
-van kleur."
-
-»Zoo sprak uw beroemde stamvader niet, Milord!" antwoordde Galbraith;
-»en met uw welnemen, ook gij zoudt geen recht hebben zoo te spreken,
-als men maar jegens iedereen de billijkheid in het oog wilde
-houden. Laat ieder zijn eigen weg gaan en zijne eigen muts dragen zoo
-als hij verkiest. Dan zal er spoedig geen twist meer in het land zijn."
-
-»Stil, stil, Galbraith!" zeide de hertog op bestraffenden toon;
-»dat zijn gevaarlijke woorden, welke gij u vermeet tegen mij te
-spreken. Verbeeldt gij u een bevoorrecht persoon te zijn? Gij moet met
-uwe manschappen naar Gartartan opbreken. Ik zelf zal den gevangene
-naar het kasteel Duchray laten brengen en u morgen mijne nadere
-bevelen zenden. Ik beveel u geen man van uw volk verlof te verleenen."
-
-»Bevel en tegenbevel!" mompelde Galbraith tusschen de tanden. »Maar
-geduld! de bakens zullen spoedig verzet worden: de koning komt."
-
-De beide ruiterbenden maakten zich tot den marsch gereed, om nog vóór
-het vallen van den avond het dal te verlaten en hun nachtkwartier te
-bereiken. Ik voor mij ontving een soort bevel om het krijgsvolk te
-vergezellen. Ik zag, dat ik zoo al niet als gevangene, ten minste
-als een verdacht persoon beschouwd werd. De omstandigheden waren
-in alle opzichten gevaarlijk. De partijgeest van de aanhangers
-der Jakobieten en Hannoveranen verdeelde het land. De aanhoudende
-twisten en ijverzucht tusschen de Hooglanders en Laaglanders gaven
-tallooze andere aanleidingen tot twisten. De voornaamste geslachten
-in Schotland waren tegen elkander in het harnas gekomen. Dit alles
-verwekte zulk een algemeenen argwaan, dat de eenzame vreemdeling
-op zijne reizen steeds allerlei onaangename ontmoetingen te duchten
-had. Ik onderwierp mij geduldig aan mijn lot, en troostte mij met de
-hoop, om van den gevangene nog eenige berichten aangaande Rashleigh
-en diens listen te erlangen. Mijne bedoeling was echter geenszins
-alleen eigenbelang. Ik had te veel sympathie voor mijn zonderlingen
-vriend, dan dat ik niet zou gewenscht hebben, hem van dienst te zijn,
-nu hij dit in zijn ongelukkigen toestand zoo dringend noodig had en
-op welke wijze ik maar zou kunnen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIII.
-
-
- Bestijgt de brug en spant zijn boog
- En springt in 't kille nat,
- En zwemt met kracht en komt aan wal
- Verdwijnt langs kronk'lend pad.
-
- Gil Morrice.
-
-
-Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten
-tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden
-langzaam aftrokken. Galbraith's troep wendde zich rechts en ging over
-de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij
-de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier
-leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het
-gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.
-
-Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet
-den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter
-een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door
-zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard
-plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op 's
-ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk
-te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen
-rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd,
-als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij
-één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die
-men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen
-'s hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder
-zich onder de geregelde troepen te mengen.
-
-Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten
-overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is,
-van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad,
-waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl
-de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten
-de daaropvolgenden aan den oever stilhouden, waardoor oponthoud,
-en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters,
-die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare
-plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was,
-insgelijks min of meer in wanorde brachten.
-
-Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik,
-dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde:
-»uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter
-slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche
-Christendom dat van hem gevergd."
-
-Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen,
-dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders,
-maar hij kon er niets aan veranderen.
-
-»En als Mac-Gregor's stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij
-ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit
-het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen:
-ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker
-dat alles niet verloren hebben."
-
-Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen
-enkel woord.
-
-»Het is toch wel jammer," vervolgde Robbert en fluisterde zijne
-vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren
-kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op
-ontvluchting te benemen.--»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert
-Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft
-verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij
-dankbaar het leven van zijn vriend redt!"
-
-Ewan scheen getroffen, maar zweeg.
-
-Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den
-gevangene over!"
-
-Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen:
-»Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig
-losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed
-rekenschap gegeven worden;"--reden zij mij snel voorbij en spoedden
-zich te water.
-
-»Nog niet! nog niet, mijnheer!" riepen eenige ruiters mij toe, toen ik
-Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij
-het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den
-anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager,
-aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds
-overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de
-overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een
-plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors
-welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog
-hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.
-
-»Schurk!" riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw
-gevangene?"--En zonder de verontschuldiging af te wachten, die de
-bedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool
-op hem los.--Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar
-hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters
-keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem,
-die mij Robbert terug brengt!"
-
-De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste
-verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem,
-waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was
-ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard
-weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik
-naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem
-weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich
-dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder
-ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen,
-minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende
-richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog
-te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde
-geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken
-van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank
-der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat
-slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters,
-die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne
-lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok;
-de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit
-alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een
-somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste
-tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef
-ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich
-verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop
-hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er
-naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich
-het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken,
-eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht
-worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring
-te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan
-zijne vervolgers te ontkomen.
-
-Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in
-'t geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen,
-die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter
-zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in
-het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die
-ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den
-neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt
-werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert
-redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik,
-waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen
-list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid
-en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene
-opmerkzaamheid een poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden
-ruiters het spoor missen en hij ontkwam.
-
-Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd
-het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was
-op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte
-bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien
-niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene
-dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden,
-er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen
-duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen
-werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne
-kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het
-verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp,
-of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs
-nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein
-tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis,
-voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo
-onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de
-ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende,
-te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken
-oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel
-luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu
-te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde
-soldaten.
-
-Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige
-aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep
-nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes,
-om den riem door te snijden."
-
-»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een
-paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!" aldus
-brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters
-heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens
-deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke
-van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften
-door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en
-dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit
-denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los
-liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en
-meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen
-ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne
-bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds
-aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier,
-wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen,
-als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in
-zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven
-noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen
-en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zich
-zeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te
-zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven,
-als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die,
-als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.
-
-Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in
-het rond.
-
-Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige
-ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den
-anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het
-geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de
-achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik
-had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel,
-dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het
-flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde
-waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins
-aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te
-voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om
-niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den
-zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever
-der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden
-ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten
-hemel te moeten doorbrengen.
-
-Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de
-andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon
-was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven,
-om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het
-scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om
-mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de
-rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden
-oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een
-achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg
-terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van
-Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde
-niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou
-mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken
-en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen,
-dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te
-verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk
-kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en
-mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een
-reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik
-keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.
-
-Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief,
-verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag
-het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel
-en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa's,
-zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden,
-dàn weder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke
-rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De
-maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde,
-verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe
-wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door
-de dichtere nevelmassa's naar het scheen ingezogen werden, en de
-lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij
-dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed
-der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand,
-mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in
-eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij
-te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot
-onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden
-verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam,
-naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen
-welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met
-mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten,
-bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen
-eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan
-mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het
-mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend,
-waarheen zoo laat?"
-
-»Naar mijne herberg te Aberfoil," gaf ik ten antwoord.
-
-»Zijn de wegen veilig?" vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.
-
-»Dat weet ik niet," hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom,
-zal ik dat wel vernemen. Maar,"--voegde ik er bij, toen ik mij het
-deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,--»zoo
-gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te
-wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou
-er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen
-veilig is."
-
-»De militairen zijn geslagen, niet waar?"
-
-»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met
-eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen."
-
-»Weet gij dat zeker?" vroeg de onbekende.
-
-»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige
-van het gevecht."
-
-»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er
-geen deel aan?"
-
-»Wel wis en waarachtig niet!" antwoordde ik. »Ik werd door dien
-officier in arrest gehouden."
-
-»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?"
-
-»Ik weet inderdaad niet," hernam ik, »waarom ik een onbekenden
-vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg
-gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk
-oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik u
-noch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met
-dergelijke vragen evenmin lastig te vallen."
-
-»Als mijnheer Frans Osbaldistone"--zei de andere persoon met eene
-stem, die al mijne zenuwen deed trillen--»onbekend wenscht te blijven,
-dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten."
-
-En Diana Vernon--want zij was het, die in een grooten ruitersmantel
-gehuld was--floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied,
-dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.
-
-»Rechtvaardige hemel!" riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt
-gij het, Freule Vernon?--hier in dit oord--op zulk een uur--in zulk
-een wetteloos land, gekleed--in...."
-
-»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten
-laatste blijkt de filosofie van korporaal Nym toch de beste: de
-wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan."
-
-Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon
-helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik
-behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast
-als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen
-tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem
-van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon
-was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn
-vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner
-overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen
-geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste
-woorden den man van verstand en opvoeding herkent.
-
-Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.--»Diana," zeide
-hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef
-zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen."
-
-Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en
-toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op
-een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening
-scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw
-beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af
-te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was,
-het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest
-uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren
-in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal
-langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen
-zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat
-ook niet, neefje!"
-
-»Diana," hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren,
-dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn."
-
-»Ik kom, ik kom!" antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende
-bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen
-wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet
-gegeven, noch hem vaarwel gezegd--voor altijd! Ja, Frans!" vervolgde
-zij--»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden--een
-onoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen
-wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen,
-moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!"
-
-Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte
-haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij
-drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op
-mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik--onuitsprekelijk
-bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden
-nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar
-het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de
-aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana
-tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij
-gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd,
-waar ik vol verbazing bleef staan.
-
-Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde,
-dat ik Diana's halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht
-te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd
-was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het
-pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken
-wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen
-spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht
-waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor
-mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in
-de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar
-was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer
-hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik
-zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen,
-die ik sinds mijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op
-dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIV.
-
-
- Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaarder
- nog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dien
- hij verklaart!
-
- De Criticus.
-
-
-Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen
-loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij,
-dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana's beeld mij voor den geest
-kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier
-welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie
-ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht
-aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de
-treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel
-aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter
-weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden
-nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was,
-toen die zonderlinge verschijning mij verraste.
-
-»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo
-ernstig roerend gegeven heeft,"--zeide ik tot mij zelven.--»Ik wil
-immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns
-vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar
-mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend
-Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij
-om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een
-nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen
-zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan
-misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie
-de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te
-weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt
-te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen;
-of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid,
-voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen."
-
-Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig
-verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken,
-met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.--Terwijl
-ik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een
-slag op den schouder ontving, een »holla!" achter mij, en de diepe
-stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe:
-»Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel
-eens vroeger om dezen tijd ontmoet."
-
-Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn
-vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar
-zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend,
-waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing
-een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In
-eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn
-geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo
-laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was,
-Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na
-al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor
-hem was.
-
-En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche
-bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon,
-zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat
-zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had
-Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed,
-dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk,
-plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon,
-en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was
-hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen
-waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo
-al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel
-vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren
-getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze
-ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.
-
-Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik
-in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij
-aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof
-zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk
-beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne
-redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen
-te zijn.
-
-»Nu ja," zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand
-even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was
-geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande
-een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen,
-vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in
-het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was
-een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met
-een handvol volks, in 't geheel geen vijftien man, te doen."
-
-Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst in de
-Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in
-de herberg en van Jarvie's heldendaad met het gloeiende rakelijzer.
-
-»Leve Glasgow!" riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens
-willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen
-neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie," voegde hij
-er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen,
-ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om
-den moed van een flink mensch uit te dooven.--Overigens zult gij licht
-kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik
-voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning
-te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik
-verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan
-zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien,
-zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle
-Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.--Nu,
-wat gebeurde er verder?"
-
-Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en
-mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen,
-en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van
-zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had,
-begon hij weder luidkeels te lachen.--»Zoo waar ik leef," zeide hij,
-»zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana
-Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!"
-
-»Freule Vernon?" vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het
-antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man,
-die eenige macht over haar scheen te hebben."
-
-»Ja, ja!" hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu,
-het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een
-moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat
-zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij,
-of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen."
-
-Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding,
-in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd
-had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik
-onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige
-aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op
-zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet
-minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden,
-toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.--
-
-»Gij zijt ziek," zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had,
-zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest
-voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is."
-
-De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven,
-en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn
-verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den
-gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.
-
-»Men zegt wel eens," zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is
-dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van
-'s konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten
-vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten
-kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten,
-en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie
-zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken
-kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne
-Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme
-schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!"
-
-Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen,
-hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat
-mijn verhaal hem zeer pijnlijk was.
-
-»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!" zeide
-hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef
-die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik,
-dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar
-zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten
-van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft
-de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij
-eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde
-plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den
-koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was,
-dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich
-voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond,
-dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen
-zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel
-gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe
-knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot
-zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid
-heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat
-hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar
-ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend
-hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij
-zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren."
-
-»Morris," hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat
-een mensch betalen kan."
-
-»Wat zegt gij daar?" riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het
-gevecht gesneuveld?"
-
-»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was,
-mijnheer Campbell!" hernam ik.
-
-»In koelen bloede? Vervloekt!" mompelde Robbert. »Maar hoe kwam
-dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik
-sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor."
-
-Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn
-ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris
-vermoord was.
-
-Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den
-grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan,
-vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft
-het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde,
-of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met
-een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles
-op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als
-hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben,
-als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld
-geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd,
-zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot,
-en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!"
-
-Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd
-te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier
-macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog
-bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt,
-maar waagde het niet Diana's naam te noemen.
-
-»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik," zei Mac-Gregor. »De
-brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne
-Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens,
-u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze
-gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder
-gevonden, dan ik dacht."
-
-Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.
-
-»Was dan," vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien
-gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?"
-
-»Mij dunkt," hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het
-u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van
-dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief
-van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak
-bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb
-met mijne eigene zaken."
-
-Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer
-had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie
-was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel,
-dat den geheimen gang naar Rashleigh's verblijf bedekte. Ik herinnerde
-mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals
-geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne
-toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid
-doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger
-der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk in haar ooms huis
-ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door
-goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde
-ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in
-het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in
-woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om
-daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en
-geluk, die het nog armzaliger hof van den naamkoning (den Pretendent)
-in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik
-zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden,
-waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk
-gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den
-afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar
-lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.
-
-»Het schijnt dus," zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben,
-»dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn
-naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone
-zijn verblijf hield?"
-
-»Juist!" antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana,
-wat ook wel het raadzaamste was."
-
-Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn
-ijverzuchtigen toorn.
-
-»Maar slechts zeer weinigen," vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh
-en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij
-mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten
-niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen
-wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje,
-met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er
-twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week
-kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige
-gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte
-wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij,
-arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen."
-
-»Vermoedelijk," vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste
-ongeval van...."
-
-»Die historie van dien Morris, meent ge?" vroeg Robbert op koelen toon,
-toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden
-gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten,
-blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk,"
-hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik,
-sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens
-willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets
-van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand
-gebeurde--dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te
-wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer
-genegen was,--dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb
-weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid
-rukken zouden,--en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn
-stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat
-hij een onschuldig mensch aanklaagde--o daarover heb ik nog dikwijls
-moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen,
-dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?"
-
-»Mag ik vragen," hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed
-op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was,
-om uwe plannen te verijdelen?"
-
-»Het zijn geen plannen van mij?" zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets
-mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens
-anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten
-invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie,
-en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam
-zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan
-vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt,
-om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen
-mes in de hand geven."
-
-Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders
-kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op
-hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn
-reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met
-een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen
-beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van
-zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon
-ontslaan, en liet nu een stroom van Gaelische gelukwenschen volgen,
-welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide
-anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij
-was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het
-dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was,
-'t eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou
-brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen,
-dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen
-en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige
-gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde,
-oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een
-vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus
-bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen
-van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst,
-ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar
-welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven,
-dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.
-
-Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden
-gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden
-mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte
-behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen
-op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien
-ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld
-meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg.
-
-Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest
-ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer
-Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte
-te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste
-tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte,
-die Robberts verhaal even vaak tot mijne stichting vertolkte, waarnaar
-ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te
-luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele
-groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te
-zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen
-betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid
-jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens,
-dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd
-van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht,
-Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren
-van dien aard bekend was.
-
-Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in
-dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij
-waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten
-wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel
-beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan
-alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene
-zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens
-den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde,
-en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.
-
-»Ik ben redelijk wel, neef," antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God
-zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak
-betreft hier,--nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op
-zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer
-vijanden verlost zijt."
-
-»Dank u!" hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt
-u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester,
-weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed
-vriend hartelijk aangeboden werd."
-
-»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan
-ééne wijze geworden. Maar," vervolgde hij, terwijl hij langzaam een
-houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;--»hij was
-niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij
-kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!" en hij
-nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van
-mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch
-moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen."
-
-Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste
-deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de
-houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd
-van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte,
-als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht
-was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven,
-dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de
-rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde.
-
-Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij
-groette mij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al
-hetgeen, wat ik hem verhalen wilde.
-
-»Daarover later!" viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet
-ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef
-spreken. Robbert," vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand
-is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos
-zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow,
-hetzij naar elders."
-
-»Wees onbezorgd!" hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden
-verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet
-naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte,
-wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten."
-
-»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!" antwoordde Jarvie. »Den heer
-Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat
-mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit
-zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel
-slecht opvoedt."--Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk
-glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf,
-op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,--en mijne
-nicht Helena--nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet
-verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo
-als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit
-alleen aan hare ongerustheid over u--maar wat ik u van uwe vrouw
-moet zeggen...."
-
-»Stil! geen woord verder!" viel Robbert hem op ernstigen toon in de
-rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en
-een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen,
-wat u lust."
-
-»Goed, goed!" antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat
-dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid
-zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch--dat
-beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft--het zou
-eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch,
-Eachin en Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor
-het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan,
-uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de
-tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis
-is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide,
-lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig,
-dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.--Iets dergelijks
-van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven--het is
-wezenlijk te erg...."
-
-»Als zij het konden, neef," antwoordde Robbert, »dan zouden zij het
-zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen
-een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow
-aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten
-aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester
-voor zijne zonen?"
-
-»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen
-moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde
-lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee,
-dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels,
-die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!"
-
-»Niets goeds is niet geheel juist," antwoordde Robbert; »Jakob kan
-een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door
-eene plank van twee duim dikte."
-
-»Des te erger voor beiden!" zeide Jarvie op beslissenden toon; »des
-te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om
-hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat
-hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij
-niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf
-uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd
-van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?"
-
-Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus
-aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr
-als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te
-laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed
-gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den
-zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam,
-zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde.
-
-»Gij, Robbert," vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het
-zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu
-te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het
-zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne
-wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als
-ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger,
-de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever
-van alles goeds! slechts in het groot handel drijf--en...."
-
-Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een
-oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder
-welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur
-niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen;
-en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark."
-
-»Alle duivels!" riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op
-en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van
-geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!"
-
-Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een
-uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed
-en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog
-verder aan te dringen.
-
-Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel
-op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij
-dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers
-wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij
-spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog niet vereffend
-zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!"
-
-De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts
-luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen
-tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren
-borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle
-statie plegen te dragen.
-
-»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met
-het geheim bekend is," zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes
-en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der
-tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu
-toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie
-wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan
-de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in
-verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen,
-de lading treffen moest.--»Dit," zeide hij, op de pistool wijzende,
-»is mijn thesaurier-generaal."
-
-Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht
-was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon,
-zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de
-Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden,
-zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist
-geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.
-
-Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen
-hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug,
-terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen
-hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn,
-als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen."
-
-»Geloof mij, neef," antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij
-is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld
-te betalen. Ziedaar uwe duizend mark," vervolgde hij, een rolletje
-goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij
-tot den laatsten duit betaald zijt."
-
-Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in
-de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert;
-ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te
-wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig
-verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet
-aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde."
-
-»Op mijn woord!" zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid,
-»het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit
-in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie
-Louis d'or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen."
-
-»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!" zeide Jarvie,
-de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers
-schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij--het
-strijdt tegen Gods woord."
-
-»Wees onbezorgd, neef!" hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan
-dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder
-aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal
-dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op
-een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het,
-handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem
-wel ontbreken."
-
-»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!" hernam Jarvie, die
-zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje
-goud begon te tellen.
-
-»En zeker niemand uit de Laaglanden," zeide Robbert en trok de zware
-borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef,
-die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis
-d'or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.
-
-Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten
-en kapitaal, gaf hij drie Louis d'or terug voor een kleed voor
-zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts
-jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen
-uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie's onverwachte
-grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in
-zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde
-Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een
-kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd
-keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche
-wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen
-onderteekend is.--
-
-»In den omtrek van geen drie mijlen," zeide Robbert, »vindt gij,
-als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat
-ons de zaak met minder moeite afdoen," vervolgde hij en wierp
-het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om
-rekeningen te kwiteeren!" zeide hij hierop tegen den van verbazing
-sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin
-deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid
-zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan."
-
-Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit
-oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en
-zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De
-meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat
-zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen
-goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer
-bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning,
-als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette,
-reeds aangesneden was.--»Gij moet weten," zeide hij tot Jarvie, en
-zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten
-in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met
-mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen."
-
-Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazone hem
-recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde
-gevoelen geweest zijn. Maar Robbert's verontschuldiging wekte bij
-mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren
-reisgenoot onthaalde--haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als
-haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.
-
-Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in
-mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal
-maakten, bemerkte ik, dat Robbert's vriendelijke oplettendheid ons
-ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen
-nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs
-den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen
-bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar
-boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met
-mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen,
-overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie
-was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en
-uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den
-volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich
-aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig,
-opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij
-ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten,
-en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXV.
-
-
- Ik lijde smart, vertwijfling overmant mij.--
- Ik zie de laatste blikken van haar oogen,
- Ik hoor de laatste klanken van haar lippen.
- Haar engelengelaat--het was de laatste keer.
- Vaarwel mijn zielsgeluk, ik zie het nimmer weer.
-
- Basilius.
-
-
-..... »Zeg mij toch, wat ik van u denken moet, mijnheer Osbaldistone,"
-zeide Mac-Gregor, terwijl hij mij de flesch toeschoof. »Gij eet
-niet, gij schijnt geen lust tot slapen te hebben, en gij drinkt
-ook niet. Toch is deze Bordeaux-wijn zoo goed, alsof hij uit den
-kelder van ridder Hildebrand zelven kwam. Waart gij altijd zoo matig
-geweest, dan zoudt gij u den doodelijken haat van uw neef Rashleigh
-niet berokkend hebben.
-
-»Ware ik altijd voorzichtig geweest," zeide ik, blozend over het
-voorval waaraan dit mij herinnerde, »dan zou ik een nog veel grooter
-kwaad vermeden hebben: de wroeging van mijn eigen geweten."
-
-Mac-Gregor wierp een snellen en bijna vertoornden blik op mij, als
-wilde hij uitvorschen of het verwijt, voor hem in die woorden gelegen,
-opzettelijk gedaan was. Maar hij merkte zeer duidelijk, dat ik aan mij
-zelven dacht. Diep zuchtende keek hij vóór zich in het vuur. Ik deed
-dit insgelijks. Zoo bleven wij gedurende eenige minuten in pijnlijke
-gedachten verdiept.
-
-Alles sliep thans in de hut, of was ten minste doodstil. Wij beiden
-alleen uitgezonderd. Mac-Gregor brak 't eerst het stilzwijgen af,
-en wel op een toon, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte,
-over een onaangenaam en pijnlijk onderwerp te spreken.
-
-»Mijn neef Nikolaas," dus begon hij, »meent het goed, maar hij
-heeft een man van mijn karakter en in mijne omstandigheden te streng
-behandeld. Hij bedenkt niet wat ik geweest ben; wat ik, door dwang
-genoodzaakt, heb moeten worden, en vooral niet, wat mij gedwongen
-heeft zoo te worden."
-
-Hij zweeg, en ofschoon ik zeer wel gevoelde, hoe netelig het onderwerp
-was, waarop het gesprek ons hoogst waarschijnlijk zou brengen, kon
-ik echter mijn antwoord niet terughouden. Ik zeide dat ik er niet aan
-twijfelen kon, of in Robbert's tegenwoordigen toestand moest veel zijn,
-wat voor zijn gevoel alleszins smartelijk was. »Ja, met genoegen,"
-voegde ik er bij, »zou ik vernemen, dat er hier of daar een eerlijk
-middel te vinden was, om u er uit te redden."
-
-»Gij praat als een kind!" antwoordde Robbert op doffen toon, die
-naar het rollen van een verren donder geleek, »als een kind, dat
-waant, dat een oude knoestige eik zich even gemakkelijk laat buigen,
-als een jonge wilgentak. Kan ik vergeten, dat men mij onteerd heeft
-door mij buiten de wet te verklaren;--dat men mij gebrandmerkt heeft
-als een verrader; dat men eene belooning op mijn hoofd heeft gesteld,
-als ware ik een verscheurende wolf; dat men de mijnen behandeld heeft
-als een vossenpaar met hunne jongen, die ieder kwellen, tergen en
-beschimpen mag; dat men zelfs mijn naam, dien ik van eene lange en
-waarlijk edele reeks van voorvaderen ontving, geschandvlekt en bespot
-heeft voor de gansche wereld!"
-
-Onder het spreken zag ik duidelijk, hoe hij zich door het optellen
-van geleden beleedigingen opzettelijk meer en meer driftig maakte,
-misschien wel om in zijn eigen oogen de dwalingen en misstappen te
-rechtvaardigen, waartoe hij zich had laten verleiden. Dit gelukte hem
-volkomen. Zijne grijze oogen schenen vlammen te schieten, terwijl
-hij met den voet stampte, den greep van zijn dolk vatte, den arm
-uitstrekte, de vuist krampachtig balde en eindelijk opsprong.
-
-»Maar," vervolgde hij op denzelfden doffen toon van gesmoorde drift;
-»zij zullen voor den naam, dien zij gehoond hebben, voor den naam
-van Mac-Gregor, beven, sidderen! Van mijne wraak zullen zij hooren,
-die niet naar mij hooren wilden, toen ik mij bij hen over het mij
-aangedane onrecht beklaagde. De armzalige Hooglandsche veehandelaar,
-de bankroetier, wien ze alles ontroofden, wien zij onteerd en diep
-ellendig gemaakt hebben, omdat de hebzucht van anderen meer eischte,
-dan de arme man betalen kon; die zelfde veehandelaar zal in eene
-vreeselijke gedaante gericht over hen houden. Zij, die den kruipenden
-worm bespotten, en onder hunne voeten traden, mogen jammeren en kermen,
-als zij zien, dat de vuurspuwende draak op hen nederschiet. Maar
-waarom zou ik hierover spreken!" vervolgde hij op meer bedaarden
-toon, terwijl hij weder ging zitten. »Gij zult echter wel begrijpen,
-mijnheer Osbaldistone, dat het mijn geduld tergt, als ik gejaagd word
-als een otter, als een zalm in ondiep water, en dat wel door mijne
-eigen vrienden en buren. Een heilige zou het geduld verloren hebben,
-wanneer men hem met zoo vele zwaarden en pistolen bedreigd had, als
-mij heden bij den overtocht van Arondow overkomen is. Hoe veel te
-meer dan een Hooglander, die wegens zijn taai geduld juist niet zeer
-beroemd is, dat weet gij immers wel! Maar wat Nikolaas mij zeide,
-speelt mij nog door het hoofd. Het spijt mij voor mijne jongens. Mij
-wordt 't wezenlijk niet best te moede, als ik denk, dat zij eens in
-de voetstappen van hun vader zullen moeten treden."
-
-Hij leunde met het hoofd op de hand en verdiepte zich geheel in
-gepeins over het lot van zijne zonen, terwijl zijn eigen lot hem
-onverschillig scheen te zijn.
-
-Ik was diep geroerd. De smart van een fier, krachtig, zijner hooge
-waarde bewust gemoed, heeft mij steeds ernstiger getroffen, dan de
-aandoening van menschen, die lichter er toe bewogen werden om hun
-lijden te toonen. De wensch om hem te helpen kwam in mij op, en ik
-wilde die verwezenlijken, hoe moeielijk, ja zelfs onmogelijk zulks
-ook scheen.
-
-»Wij hebben buiten 's lands uitgebreide betrekkingen," zeide ik; »en
-uwe zonen zouden met eene ondersteuning, welke zij gerechtigd zijn
-van mijns vaders huis te verwachten, licht eene eervolle loopbaan in
-vreemden dienst vinden."
-
-Mijn gelaat moet, naar ik geloof, innige aandoening verraden
-hebben. Maar Robbert liet mij niet verder spreken. Hij vatte mijne
-hand en zeide: »Ik dank u, ik dank u! Maar niets meer daarvan! Ik had
-niet gedacht, dat iemand nog een traan in Mac-Gregors oog zou zien."
-
-Dit zeggende, wischte hij met de vlakke hand den traan uit het
-oog, dat door de dikke roode wenkbrauw overschaduwd werd.--»Morgen
-vroeg," vervolgde hij, »zullen wij hiervan nader en ook over uwe
-aangelegenheden spreken. Want wij begeven ons vroeg op weg, al slapen
-wij hier heden nacht ook als op rozen. Nu nog een enkel glas! Gij
-doet mij toch bescheid?"
-
-Ik verzocht daarvan verschoond te worden.
-
-»Welnu, dan moet ik mij zelf bescheid doen!" hernam hij en ledigde
-den vrij grooten beker in één teug.
-
-Ik legde mij ter ruste, vast besloten mijne navorschingen uit te
-stellen, tot ik Robbert kalmer gestemd zou vinden. De zonderlinge man
-had mijne verbeelding dermate opgewekt, dat ik niet nalaten kon, hem
-nog eenige minuten gade te slaan, toen ik mij reeds, als schijnbaar
-sluimerende, op mijn bed had uitgestrekt. Hij ging op en neer, sloeg
-van tijd tot tijd een kruis, en mompelde een Latijnsch gebed, tot hij
-zich eindelijk in zijn plaid wikkelde, zijn ontbloot zwaard aan zijne
-ééne en een pistool aan zijn andere zijde legde, en de plooien van
-zijn mantel zóó schikte, dat hij, plotseling gewaarschuwd, terstond
-opspringen en, met een wapen in elke hand, tot den strijd gereed
-zijn kon. Zijn zware, diepe ademhaling gaf mij na weinige minuten te
-kennen, dat hij vast ingesluimerd was. Van vermoeienis uitgeput en
-door de verrassende gebeurtenissen van den vorigen dag als bedwelmd,
-bezweek ook ik weldra voor het onwederstaanbare vermogen van den slaap,
-en ontwaakte niet vóór het aanbreken van den morgen.
-
-Toen ik de oogen opende en mij mijn toestand herinnerde, zag ik, dat
-Mac-Gregor de hut reeds verlaten had. Ik wekte mijn reisgenoot Jarvie,
-die na veel geeuwen, zuchten en klagen over zijne als geradbraakte
-leden--de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag--eindelijk in
-staat was, om de blijde tijding te begrijpen, dat de door Rashleigh
-medegenomen papieren wederom in mijne handen waren. Zoodra hij dit
-vernomen had, vergat hij alle leed, sprong haastig op en vergeleek
-den inhoud van mijn pakket met Owen's inlichtingen. Onder het
-nakijken mompelde hij: »Juist! juist! Daar is het! Baillie en
-Whittington zeven honderd pond! Er ontbreekt niets aan! Pollock en
-Peelman, acht en twintig pond, zeven shilling: juist! Den hemel zij
-dank! Grule de Grind! die zijn best voor het geld: drie honderd en
-zeventig! Gliblad--twintig! Hm! En Slipprytongae--dat is mis! maar
-het zijn kleine sommen! al het overige is in orde.--God zij dank! dat
-is het juist, wat wij noodig hebben. En nu hoe eer hoe liever uit
-dit akelige land! Zoo dikwerf ik aan onze lotgevallen denken zal,
-zal de enkele herinnering mij een schrik op het lijf blijven jagen."
-
-»Het spijt mij, neef," zeide Mac-Gregor, die op dat oogenblik weder
-binnentrad, »het spijt mij zeer, dat de omstandigheden mij niet vergund
-hebben, u te onthalen, zoo als ik wel zou gewenscht hebben. Maar als
-gij mijne geringe woning eens weder bezoeken wildet..."
-
-»Zeer verplicht! zeer verplicht!" viel Jarvie hem in de rede. »Neen,
-wij moeten vertrekken, de heer Osbaldistone en ik. Handelszaken dulden
-geen uitstel."
-
-»Waarde neef," hernam de Hooglander; »gij kent onze gewoonte. »Geef
-spijs en drank den gast, die komt; help hem, wanneer hij
-henengaat." Maar over Drymen kunt gij, in allen geval, niet
-terugkeeren: ik moet u over het meer laten roeien, en uwe paarden
-kunnen vooruitgaan langs het strand. Een verstandig man keert nooit
-denzelfden weg terug, langs welken hij gekomen is, zoo hij, namelijk,
-een anderen ter zijner keuze heeft."
-
-»Ja, ja, Robbert!" hernam Jarvie, »dat is een van de regelen, welke gij
-geleerd hebt, toen gij nog in vee handeldet. Gij hadt toen geen lust,
-om de landlieden weder te zien, wier gras door uw vee op den weg was
-gegeten. Maar thans hebt gij, geloof ik, op uw weg veel erger sporen
-achter gelaten dan in dien tijd."
-
-»Juist, daarom moet men, zoo min mogelijk, langs zulk een weg gaan,"
-antwoordde Robbert. »Dugald zal uwe paarden geleiden. Wij hebben
-hem daartoe in uw bediende herschapen. Het achtbaar raadslid komt
-natuurlijk niet van een bezoek bij Robbert Roodhaar, maar doet slechts
-een vreedzamen tocht uit Stirling. Zie, daar komt hij reeds!"
-
-De woeste Hooglander, die juist voor de deur der hut verscheen, zag er
-met den hoed, de pruik en den reisrok van onzen Andries uitgedoscht,
-zoo vreemd uit, dat zelfs Jarvie hem niet herkende. Hij besteeg diens
-paard en geleidde het mijne bij den toom. Nadat zijn meester hem
-bevolen had, zekere plaatsen te vermijden, waar hij argwaan zou kunnen
-verwekken, en tevens om onderweg alle mogelijke berichten in te winnen,
-draafde hij vooruit, om ons bij het veer te verbeiden. Mac-Gregor
-bood zich aan, om ons op onzen weg te vergezellen, en vermaande
-ons het morgenslokje niet te vergeten, daar wij vóór het ontbijt
-eenigen afstand af te leggen hadden. Jarvie merkte hier op aan, dat
-het ongepast, ja, zelfs gevaarlijk was, den dag met het gebruiken
-van sterken drank te beginnen. Alleen wanneer men de maag tegen de
-nevelachtige morgenlucht moet beveiligen, in dat geval had zijn vader,
-de wijkmeester, door leer en voorbeeld, een matig slokje goedgekeurd.
-
-»Zoo is het ook, neef!" zei Robbert. »Daarom hebben wij, kinderen
-van den nevel, het onbetwistbaar recht verkregen, om van den vroegen
-morgen tot den laten avond brandewijn te drinken."
-
-Na eenige ververschingen genomen te hebben, besteeg Jarvie een
-Hooglandsch hitje. Ik bedankte echter voor een ander, hetwelk mij
-aangeboden werd. Zoo stapten wij vooruit den weg op, welken wij
-den vorigen dag, onder zoo geheel andere omstandigheden, gegaan
-waren. Ons geleide bestond thans uit Mac-Gregor en vijf of zes der
-knapste en best gewapende, forsche Hooglanders, die hem gewoonlijk
-als lijfwacht vergezelden.
-
-Toen wij nu den nauwen pas naderden, waar het gevecht en de daarop
-gevolgde gruweldaad voorgevallen was, vatte Mac-Gregor schielijk het
-woord, om de gedachten te beantwoorden, die, gelijk hij vermoedde,
-in mij oprezen.--
-
-»Gij moet zeker niet gunstig over ons denken, mijnheer Osbaldistone,"
-zeide hij, »en dat kan ook niet anders. Maar neem ten minste in
-aanmerking, dat men ons uitgedaagd en getergd heeft. Wij zijn
-onbeschaafd, ja, misschien ook wel wat te driftig van aard, maar
-gruwelijk wreed zijn wij waarachtig niet. Nooit zou de rust van het
-land door ons gestoord zijn geworden, zoo men ons slechts met rust
-had gelaten. Maar wij zijn steeds een vervolgd volk geweest."
-
-»En vervolging brengt zelfs de verstandigste menschen tot razernij,"
-zeide Jarvie.
-
-»En waartoe moet ze dan lieden, als wij zijn, brengen," vervolgde
-Robbert, »daar wij nog op bijna dezelfde wijze leven, als onze
-voorvaders voor duizend jaren, en waarlijk niet veel meer verlichting
-hebben dan zij? Kunnen wij bedaard blijven, wanneer men bloedplakkaten
-tegen ons uitvaardigt; wanneer men onze braafste mannen ophangt,
-onthoofd; als men aloude, eerlijke namen onteert, hoewel wij toch een
-betere behandeling verdienen dan vijanden van vijanden erlangen? Ik
-heb twintig gevechten bijgewoond en nooit eenig mensch kwaad gedaan,
-dan wanneer mijn bloed verhit was. Toch zouden zij mij, als een
-verachtelijken struikroover, ophangen aan de poort van het een of ander
-voornaam kasteel, wanneer men mij vangen kon... Dat is schandelijk."
-
-Ik erkende, dat het onteeren van iemands naam en geslacht, volgens
-de begrippen van een Engelschman, een daad van gruwelijke willekeur
-was. Toen ik hem door die verzekering min of meer tot bedaren
-had gebracht, hernieuwde ik mijn aanbod om hem zelven, zoo hij
-wilde, en zijne zonen eene aanstelling in vreemden krijgsdienst te
-bezorgen. Mac-Gregor drukte mij hartelijk de hand en hield mij een
-weinig terug, ten einde Jarvie op het smalle pad vooruit te laten
-rijden.
-
-»Gij zijt een goedaardig, braaf en welmeenend jongmensch," zeide
-hij, »en weet zeker wel, wat men den begrippen van een man van
-eer verschuldigd is. Maar de heide, die mijn voet betreden heeft,
-toen ik leefde, moet boven mij bloeien, wanneer ik dood ben. De moed
-zou mij ontzinken, mijn arm zou krachteloos worden en ineenkrimpen
-als varenkruid in de vorst, als ik de heuvels van mijn geboorteland
-niet meer zien mocht. De geheele wereld heeft geen plekje gronds,
-dat mij zou kunnen troosten, als ik deze rotsen en klippen, als gij
-hier ziet, hoe woest zij ook zijn, uit het gezicht had verloren. En
-mijne Helena--wat zou er van haar worden, als ik haar aan nieuwe
-beleedigingen en gruweldaden blootstelde? Of hoe zou zij een oord,
-waar de herinneringen aan geleden mishandelingen alleen door de
-herinnering aan hare wraak verzacht worden? Eens werd ik zoo zeer in 't
-nauw gebracht, dat ik voor den eindelijk over mij losbarstenden stroom
-moest zwichten; ik verliet met de mijnen mijne geboorteplaats en woonde
-eenigen tijd in het land van Mac-Gallummore. Toen vervaardigde Helena
-een klaaglied op ons vertrek--beter zou zelfs de bard Mac-Rimmon
-het niet kunnen maken. Het was zoo treurig en roerend, dat het
-ons de harten schier brak, toen zij het ons voorzong. Het waren de
-jammerklachten van een kind, dat om zijne moeder kermt. Ja, onzen
-ruwen krijgslieden biggelden de tranen langs de wangen, terwijl
-zij er naar luisterden. Neen, dat zieleleed wil ik niet nogmaals
-ondergaan! Neen! zelfs niet voor al de landerijen, die ooit Mac-Gregors
-eigendom waren [14]."
-
-»Maar zijn uwe zonen?" vroeg ik, »thans niet in die jaren, waarin
-uwe landslieden gaarne de wereld eens zien."
-
-»Geloof mij, in den grond mijns harten zou ik er niets tegen hebben,"
-antwoordde Robbert, »als zij hun geluk in den Franschen of Spaanschen
-krijgsdienst beproefden, zoo als de Schotsche edellieden plegen te
-doen. Gisteren avond kwam dat denkbeeld mij ook zeer aannemelijk
-voor. Maar eer gij heden morgen ontwaakt waart, heb ik zijne
-Excellentie gezien. Dit heeft mij van die plannen teruggebracht."
-
-»Heeft die dan zoo dicht bij ons den nacht doorgebracht?" vroeg ik
-met een onrustig kloppend hart.
-
-»Hij was dichter bij dan gij vermoeddet!" luidde het antwoord. »Maar
-het kwam mij voor, dat hij een weinig jaloersch was en ongaarne
-zou gezien hebben dat gij met de jonge dame in aanraking
-kwaamt. Daarom...."
-
-»Dwaasheid! Er was geen reden om jaloersch te zijn," antwoordde ik
-met eenigen trots; »ik zou mij aan hen niet opgedrongen hebben."
-
-»Toch moogt gij niet boos op hen worden," hernam Robbert, »kijk
-van onder uw wenkbrauwen niet zoo kwaad als een wilde kat onder een
-struik. Zijne Excellentie meent het eigenlijk goed met u, en heeft
-dat ook bewezen. En daaraan is het ook gedeeltelijk toe te schrijven,
-dat de boel thans in den brand staat."
-
-»Wat staat in den brand?" herhaalde ik. »Hoe meent gij dat?"
-
-»Hoe ik dat meen! weet gij dan niet," zeide Robbert, »dat vrouwen
-en geld al het kwaad in de wereld brengen? Ik heb uw neef Rashleigh
-niet meer vertrouwd, sedert hij zag, dat Diana Vernon niets van hem
-weten wilde. Daarom koestert hij, geloof ik, ook wrok tegen zijne
-Excellentie. Nu moest hij ook zelfs uwe papieren teruggeven! Wij weten
-het immers wel. Zoodra hij tot de teruggave daarvan gedwongen was,
-reed hij zoo hard hij kon naar Stirling en ontdekte aan de regeering
-alles, en zelfs nog veel meer, wat stilletjes in onze gebergten
-voorviel. Daarom heeft men het krijgsvolk doen uitrukken, om zijne
-Excellentie en de jonge dame gevangen te nemen en onverhoeds een
-aanval tegen mij te wagen. De arme drommel, Morris, wien men alles
-wijs kon maken, heeft zich zeker door Rashleigh en eenige edellieden
-in de Laaglanden laten gebruiken, om mij in den val te lokken. Maar
-al ware Rashleigh ook de laatste en beste van zijn geslacht, als wij
-elkander ooit weder ontmoeten, dan zal, dat zweer ik! mijn dolk met
-zijn hart kennis maken."
-
-Deze bedreiging sprak hij uit met een somberen, onheilspellenden blik,
-en greep met driftige gebaren naar zijn dolk.--
-
-»Bijna zou ik mij daarover kunnen verheugen," zeide ik, »zoo ik slechts
-hopen durfde, dat door Rashleigh's verraad de uitvoering der vermetele
-aanslagen verhinderd werd, waarvan hij, zoo als ik reeds sedert lang
-vermoed heb, de eigenlijke drijver is geweest."
-
-»Geloof dat niet!" hernam Robbert. »Nooit heeft het woord van een
-verrader een eerlijke zaak geheel bedorven. Hij was trouwens door
-en door met onze geheimen bekend. Ware dit het geval niet geweest,
-dan zouden de kasteelen te Stirling en Edinburg thans, of ten minste
-binnen zeer korten tijd, in onze macht zijn. Dat is nu wel niet meer te
-hopen, maar er zijn nog vele hulpmiddelen over. Onze zaak is te goed,
-dan dat men ze om een verrader zou opgeven. Men zal er van hooren,
-en dat wel spoedig. Doch wat ik zeggen wilde: ontvang mijn hartelijken
-dank voor uw welgemeend aanbod ten opzichte van mijne zonen. Gisteren
-avond had ik bijna besloten, het aan te nemen. Maar thans zie ik,
-dat het verraad van den ellendeling onze groote heeren overtuigen
-zal, dat zij zich onverwijld vereenigen en wapenen moeten, zoo zij
-niet in hunne woningen gevangen genomen, als honden gekoppeld en naar
-Londen gedreven willen worden, even als die brave lieden in het jaar
-zeventienhonderd en zeven. Burgeroorlog is als een slangenei. Op het
-aas, hebben wij volle tien jaren zitten broeien, en zouden er nog tien
-jaren op hebben kunnen zitten. En kijk! daar komt Rashleigh en slaat
-de schaal in stukken, en vlug kruipt het wonderdier er uit en roept:
-te wapen!--In zulke omstandigheden heb ik alle handen noodig, die
-ik maar vinden kan, en--ik zeg het niet tot schande der koningen van
-Frankrijk en Spanje, wien ik alle goeds wensch--maar koning Jakobus is,
-in elk geval, even goed als eenig ander koning, en heeft het naaste
-recht op mijne zonen."
-
-Ik begreep wel, dat die woorden op een algemeenen volksopstand
-doelden. Ik begreep, dat het even nutteloos als gevaarlijk ware,
-de staatkundige gevoelens van mijn geleider op zulk eene plaats en
-in zulk een oogenblik te bestrijden. Ik vergenoegde mij met hem de
-rampen voor te houden, die uit een algemeenen opstand ten voordeele
-van het verdreven koninklijke huis noodzakelijk zouden voorkomen.
-
-»Volkomen waar, vriend!" hernam Mac-Gregor. »Nooit heb ik slecht weer
-zonder een flinke bui zien opklaren. Laat maar gaan! Uit wanorde
-wordt orde geboren. En in de algemeene verwarring heeft de arme,
-maar eerlijke man de beste gelegenheid, om opgemerkt te worden en
-aan een stukje brood te komen."
-
-Toen trachtte ik het gesprek nogmaals op Diana Vernon te brengen. Maar
-hoe vrij en onbewimpeld hij zich ook over de meeste dingen uitte,
-die voor mij weinig of niets belangrijks hadden, ten opzichte
-van het eenige onderwerp, die voor mij van zooveel belang was,
-bleef hij achterhoudend, ja met eene aan angstvalligheid grenzende
-behoedzaamheid. Slechts gaf hij mij te kennen, dat hij hoopte, dat
-de jonge dame zich weldra in een vreedzamer land zou bevinden, dan
-Schotland hoogst waarschijnlijk gedurende eenigen tijd zijn zou. Met
-dit antwoord moest ik mij vergenoegen. Ik troostte mij met de hoop,
-dat het toeval mij wel eens weder begunstigen zou en mij ten minste het
-treurige genoegen zou schenken, haar vaarwel te zeggen. Ik gevoelde,
-dat ik haar beminde, in veel hoogeren graad, dan ik gemeend had. Dit
-gevoel trad weder sterk in mij op.
-
-Bijna zes Engelsche mijlen ver gingen wij langs den oever van het
-meer, op een zich telkens kronkelend pad, tot wij eindelijk aan
-eene Hooglandsche pachthoeve kwamen, die allertreffelijkst aan
-het meer lag, dat men, bedrieg ik mij niet, Lidiart noemt. Hier
-vonden wij eene talrijke bende van Mac-Gregor's aanhang, die ons
-hartelijk verwelkomde. De smaak, en ook de welsprekendheid van
-onbeschaafde volksstammen is vaak zeer zuiver, daar noch vooroordeel
-of vooringenomenheid, noch eenige gemaaktheid, een nadeeligen invloed
-daarop uitoefenen. Een bewijs daarvan verschafte mij de keus der
-plaats, waar de Hooglanders hunne gasten begroeten. Een Britsche koning
-zou, zegt men, de gezanten van dezen of genen machtigen mededinger het
-best in de kajuit van een geducht oorlogschip kunnen ontvangen. Zoo
-had het Hooglandsche opperhoofd een oord gekozen, waar de aan zijn
-geboortegrond eigenaardige grootsche voorwerpen een levendigen indruk
-op zijne gasten moesten maken.
-
-Langs den oever van eene ruischende beek gingen wij verder. De weg
-was stijgend. Aan de rechterhand lagen eenige Hooglandsche hutten,
-omringd door kleine stukken lands, die uit het omliggende boschaadje
-als uitgehouwen waren, en een weligen oogst van gerst en haver
-opleverden. Hoogerop werd de heuvel steiler. En op den kalen rand
-zagen wij de schitterende wapens en de in den wind fladderende plaids
-van ongeveer vijftig man uit Mac-Gregor's gevolg. Zij stonden op eene
-plek, die ik mij nog steeds met verrukking herinner. De beek ontmoette
-hier een rotswand, waarover zij in twee sprongen heen stortte. De
-eerste waterval, over welks donker water een prachtige oude eik,
-in den oever geworteld, zich schilderachtig schoon, als een gewelf
-boog, zal omtrent twaalf voet hoog geweest zijn. De gebroken stroom
-viel in een uit de rots gevormd en regelmatig, als met den beitel
-gehouwen bekken, en toen hij zich op den rand gebroken had, stortte hij
-loodrecht, ten minste vijftig voet diep, door een donkere, enge kloof,
-en spoedde zich dan, maar meer bedaard, naar de golven van het meer.
-
-Met dien bijzonderen aanleg voor smaakvolle stoffeering, die
-inzonderheid den Schotschen bergbewoners eigen is, in wier karakter
-ik steeds een zekeren romanesken en dichterlijken trek heb opgemerkt,
-waren Robbert's vrouw en vrienden tot ons onthaal bijeengekomen op eene
-plaats, die den vreemdeling een gevoel van ontzag moest inboezemen. Ook
-hebben de Hooglanders van natuur iets plechtstatigs en hoogmoedigs. Hoe
-onbeschaafd zij ons ook vaak voorkomen, omtrent het in acht nemen van
-de wetten van het gezellig verkeer en der wellevendheid zijn zij zoo
-stipt, dat men hen waarlijk te dezen opzichte van overdrijving zou
-beschuldigen, zoo niet het gevoel van meerderheid in krachten daarin
-tevens uitgedrukt ware. Bij een landman van den gewonen stempel zou
-dit bespottelijk zijn, terwijl het bij den als krijgsman toegerusten
-Hooglander, iets eigenaardigs en indrukwekkends is.
-
-De Hooglanders, die langs den heuvel verstrooid waren geweest,
-voegden zich, toen wij naderden, bijeen en stonden in gelederen
-achter drie personen, in wie ik terstond Helena Mac-Gregor en hare
-beide zonen herkende. Robbert schaarde zijne manschappen insgelijks,
-en toen het oploopende pad steiler en steiler werd, verzocht hij
-Jarvie af te stijgen en bracht ons, langzaam aan het hoofd der zijnen
-voorttrekkende, naar de hoogte. Daar hoorden wij de woeste tonen der
-doedelzakken, die, met het ruischen van den waterval ineensmeltende,
-hun natuurlijken wanklank verloren. Toen wij naderden, kwam Helena
-Mac-Gregor, ons tegemoet. Hare kleeding was meer vrouwelijk dan den
-vorigen dag, maar op hare gelaatstrekken lag nog steeds de onbuigzame
-hoogmoed. Zij omvatte mijn vriend Jarvie in eene onverwachte en
-blijkbaar niet zeer welkome omhelzing. De beweging van zijne pruik, van
-zijn rug en van zijne beenen, deden mij zien, dat het hem ongeveer te
-moede was, als iemand, die zich plotseling door een beer omvat ziet,
-zonder dat hij juist weet of onderscheiden kan, of het dier goed of
-boos gestemd is.
-
-»Neef," zeide zij, »gij zijt welkom, en ook gij vreemdeling," vervolgde
-zij, zich tot mij wendende. Daarbij liet zij mijn reisgenoot los,
-die onwillekeurig terugtrad en zijn pruik weder terecht zette.--»Gij
-kwaamt," zeide zij tot mij, »in ons ongelukkig land, toen ons bloed
-verhit en onze hand met bloed geverfd was. Verschoon het ruwe onthaal,
-dat u ten deel viel. Wijt het den booze tijden, niet ons."
-
-Dit zeide zij met de houding van eene vorstin en op een ongemeen
-hoffelijken, alleszins beschaafden toon. Ook liet zij volstrekt
-niets van die plompheid blijken, welke wij doorgaans in de taal der
-Schotsche Laaglanders vinden. Weliswaar sprak zij met Schotschen
-tongval, maar overigens waarlijk niet onbevallig en daarenboven zeer
-vloeiend, hoewel zij blijkbaar alles uit het inderdaad dichterlijke
-Gaelisch in het Engelsch overzette, welke taal zij zich, even als wij
-de doode talen leeren, eigen gemaakt, doch waarschijnlijk nooit in
-het dagelijksch verkeer gehoord had. Haar man, die gedurende zijn
-leven zoo vele rollen had gespeeld, drukte zich minder verheven,
-minder welsprekend uit, maar zelfs zijne taal werd zuiverder, wanneer
-de onderwerpen, waarover hij sprak, zijn gemoed bewogen en van eenig
-belang waren. Ook bij hem vond ik bevestigd, wat ik meen bij sommige
-Hooglanders opgemerkt te hebben, dat zij, vertrouwelijk en gemeenzaam
-sprekende, zich van den Nederschotsen tongval bedienen, maar voor hunne
-woest verhevene, dichterlijke uitdrukkingen, het Engelsch bezigen. De
-taal van den hartstocht is inderdaad steeds heftig, maar zuiver. Niet
-zelden hoort men een Schot, wanneer een zijner landgenooten hem met
-een rappe tong bittere verwijtingen doet, spotachtig zeggen: »Aha,
-nu begint gij Engelsch te praten."
-
-Helena noodigde ons tot den maaltijd, die op een grasperk
-opgedischt was, en alles aanbood, wat het onvruchtbare gebergte
-slechts had kunnen opleveren. De sombere, onveranderlijke ernst,
-die het voorhoofd van onze gastvrouw omwolkte, en de pijnlijke
-herinneringen der gebeurtenissen van den vorigen dag, deden geene
-vroolijke gewaarwordingen in ons opkomen. Vruchteloos poogde Robbert
-een opgeruimden toon aan te slaan. Er beving ons telkens eene
-onwillekeurige rilling, alsof wij aan een begrafenismaal gezeten
-hadden, en ieders hart klopte ruimer, toen het geëindigd was.
-
-»Vaarwel, neef!" zeide Helena tot Jarvie, toen wij opstonden. »De
-beste wensch, dien Helena Mac-Gregor een vriend geven kan, is, dat
-hij haar nooit moge wederzien."
-
-Jarvie wilde dit zonderlinge kompliment op zijne manier plechtig
-beantwoorden en er zeker een paar zedespreuken invlechten. Maar de
-bedaarde, zwaarmoedige ernst van haar gelaat bracht den goeden man,
-met zijne ouderwetsche deftigheid, geheel van zijn stuk. Hij hoestte,
-mompelde eenige woorden, boog en--zweeg.
-
-»Voor u, vreemdeling," vervolgde Helena, »heb ik een aandenken van...."
-
-»Helena!" viel Mac-Gregor haar op ernstig bestraffenden toon in de
-rede: »wat moet dit beduiden? Hebt gij het bevel vergeten?"
-
-»Mac-Gregor," hernam zij; »ik heb niets vergeten, wat ik mij behoor te
-herinneren. Zulke handen," vervolgde zij, terwijl zij haren langen,
-naakten, gespierden arm uitstrekte, »zijn geenszins geschikt om
-geschenken der liefde over te brengen, zoo het geschenk iets anders dan
-smart beduidt.--»Jongman!" zeide zij, terwijl zij mij een ring aanbood,
-welken, zoo als ik mij wel herinnerde, Diana Vernon nu en dan gedragen
-had; »dit komt van iemand, die gij nooit zult wederzien. Is het een
-vreugdeloos aandenken, dan moet het juist door de handen van haar gaan,
-die de vreugde nooit weder kennen zal. Hare laatste woorden waren:
-»hij vergete mij voor altijd!""
-
-»En kan zij," vroeg ik, schier onbewust van hetgeen ik zeide; »kan
-zij dit bij mij als mogelijk veronderstellen?"
-
-»Alles kan vergeten worden," antwoordde de zonderlinge vrouw;
-»alles--alleen niet het gevoel van schande, alleen niet het verlangen
-naar wraak!"
-
-»Frisch opgespeeld!" riep Mac-Gregor, van ongeduld stampvoetende. De
-doedelzakken klonken, en de doordringende, knetterende tonen maakten
-een einde aan het gesprek. Zwijgend namen wij door gebaren afscheid
-van onze gastvrouw, en toen wij vertrokken, was ik meer dan ooit
-overtuigd, dat ik door Diana bemind werd, maar voor altijd van haar
-gescheiden was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVI.
-
-
- Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven,
- Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult;
- Waar de aad'laar zijn schreeuw huwt aan 't ruischen der stroomen,
- Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult.
-
-
-Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien
-wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was
-verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch
-toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen,
-en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag,
-toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit
-landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone
-eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke
-meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere
-bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer
-en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke
-landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van
-Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het
-fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting
-gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en
-had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken,
-dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat
-ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan
-ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van
-Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de
-balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad
-bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als
-schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was,
-zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op
-den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele
-dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid,
-van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen.
-
-In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die
-met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze
-gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band
-van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel
-verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling
-vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van
-scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem
-zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd,
-hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan
-te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te
-melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijn zwaard
-en drukte met de andere Jarvie's hand, terwijl hij hem verzekerde,
-dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan
-bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon
-van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen.
-
-Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap
-en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers
-naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje
-de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der
-rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij
-verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend
-gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de
-Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de
-Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte
-zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel
-afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten.
-
-Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te
-verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water het Gaelische gezang,
-dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en
-dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden
-begeleid werd.
-
-Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de
-ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In
-de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik,
-als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden,
-tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille
-kluizenaar zou willen leven en sterven.
-
-Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar
-ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange
-stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt,
-trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te
-maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen
-lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens
-een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik
-een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het
-onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart
-in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben,
-breed en diep genoeg voor kolenschepen.
-
-Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen
-van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de
-Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had
-een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als
-dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer
-op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet.
-
-»Dugald," zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen
-toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het
-verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren
-gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan
-onze goede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de
-wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed
-verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel
-zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is,
-genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel
-grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog
-toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald,
-dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in
-mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet."
-
-Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van
-den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te
-Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in
-boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand
-vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als
-gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den
-opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst
-getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning
-van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de
-overhand behaalde. Verwonderd over Dugald's weigerend antwoord op
-eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening
-versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald
-mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet
-glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen,
-en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat
-hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke
-stemming bracht.
-
-Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen
-weg naar Glasgow.
-
-Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit
-het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen
-van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik
-wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen
-indruk maakten.--
-
-»Gij zijt nog jong," zeide hij, »en daarenboven een Engelschman:
-dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een
-eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn,
-geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert,
-voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder
-te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo
-zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen,
-naar dit verwenschte land op reis ga."
-
-De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink
-doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne
-woning bereikt.
-
-Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de
-zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij
-naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur,
-nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur
-dan Andries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde,
-en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer,
-waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne
-komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen,
-wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet
-alleen in die kamer: naast hem zat--mijn vader.
-
-Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op
-eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!"--Maar
-terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden:
-»mijn zoon, mijn dierbare zoon!"--Owen vatte mijne eene hand, welke
-hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst
-gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen
-de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner.
-
-Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader,
-kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland
-teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen,
-vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te
-verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn
-kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en
-zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan
-het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne
-voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had,
-stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder
-spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk
-en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar
-Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om
-zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow
-in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor
-Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor
-altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke
-bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had,
-bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen
-tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had,
-verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen
-gesloten zouden zijn.
-
-Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde,
-was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed,
-dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen
-uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is,
-met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd
-beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land
-en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende.
-
-Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne
-terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel
-niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand,
-waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hij
-als gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor
-niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich
-ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren
-te berichten.
-
-Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen
-spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te
-geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans
-van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral
-niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke
-Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer
-breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was,
-en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring,
-zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was,
-nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt
-had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen:
-intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo
-men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde
-hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden
-van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne
-ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand
-van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde,
-dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en
-de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit
-alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen.
-
-Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als
-hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door
-zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter
-van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het
-verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het
-toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf
-op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid
-te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig,
-om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man
-omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid
-in orde moesten gebracht worden.
-
-Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust
-te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om
-zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers
-gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne
-verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in
-het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang
-mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde,
-kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege
-den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel
-hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug
-nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou
-naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid
-zoo rijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het
-weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de
-schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden
-verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan
-een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde,
-frisch en gezond was.
-
-Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens
-hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals
-hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van
-den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood
-hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in
-zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie
-wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen
-keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn
-best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel
-anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als
-hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl
-hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam.
-
-»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon," zeide hij, »als eerlijke lui
-hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste
-deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is,
-moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten."
-
-Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige
-verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik
-wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd,
-wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk
-ondervraagd, dan zal het wel 't best zijn, geen enkel woord van de
-aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal
-geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met
-Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik
-mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen
-doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen
-ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis
-van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen."
-
-Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet
-bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij
-glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik
-kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er
-toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht,
-dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben,
-dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de
-gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn."
-
-De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht
-te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat
-mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden
-ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de
-gewichtigste papieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze
-handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele
-plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen
-worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd.
-
-Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen
-toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van
-hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de
-hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze
-eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief
-hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne
-benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie's,
-trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te
-maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch
-Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij
-alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten,
-zooveel zij willen," zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde;
-»het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er
-veertien dagen lang in eens door er over praten."
-
-In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis,
-die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik
-van hem verhaald heb.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVII.
-
-
- Komt hier, mijn zestal zonen!
- Dat ik op u bouwe.
- Gij blijft voorzeker met mij
- Den edelen graaf getrouwe.....
- .... En vijf der zonen spraken:
- "Wij zijn met raad en daad
- U en den graaf getrouw...."
- De zesde pleegt verraad.
-
- De wapenroep van het Noorden.
-
-
-Het was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof
-Andries plotseling als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel
-moeite kon ik hem zoo ver brengen, dat hij tot bedaren kwam en mij
-zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij mij dan, dat al
-de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar aan
-hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig
-uren aankomen zouden.
-
-»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!" riep ik; »en in elk geval zie
-ik geen reden om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt."
-
-»Natuurlijk, daar heb je 't weer," hernam hij onbeschoft: »dronken
-of dol! Een mensch heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets
-vertelt dat groote lui niet gaarne hooren. Maar ze komen toch,--dat
-houd ik vol!"
-
-Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen,
-die evenzeer als ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen,
-tijding over het geheel maar al te waar was. De opstand, die
-Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist uitgebarsten,
-toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der
-Stuarts opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder
-wie ook Rashleigh zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen,
-had koning George's raad met de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen
-van eene reeds lang gesmede samenzwering bekend gemaakt. Ze brak
-onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het rijk, om van
-duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor
-geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de
-wenken, die ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk,
-waarom de westelijke clans hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij
-wisten wel dat zij weldra tot verdediging hunner gemeenschappelijke
-zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was voor mij de
-gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die 't ijverigst
-tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle
-ontberingen en gevaren blootgesteld was, die met haars echtgenoots
-roekelooze onderneming gepaard gingen.
-
-Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden
-vereischten, en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht
-naar Londen zouden begeven. Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een
-der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden, den Staat te dienen. En
-mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde, maar tot
-verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd
-hebben, gaf gaarne zijne toestemming.
-
-Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland
-en het noorden van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories
-behoorden, manschappen en paarden bijeenbrachten en uitrustten,
-terwijl de Whigs zich in de groote steden verzamelden, de burgerij
-wapenden en zich op den burgeroorlog voorbereidden. Meermalen werden
-wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen maken, ten
-einde het krijgsvolk te ontwijken.
-
-Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers
-en aanzienlijkste kooplieden, die zich bereid hadden verklaard,
-om de regeering te ondersteunen en de daling der staatsfondsen te
-voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral de hoop op
-dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door,
-zoo als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn
-vader werd tot een der medeleden van de financieele commissie benoemd;
-daar men algemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid
-en welwillendheid stelde. Hij voerde zelf de onderhandelingen met de
-ministers en het gelukte hem, door zijn geldmiddelen den prijs der
-staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand aanmerkelijk
-gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen.
-
-Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier
-aanstellen en wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man,
-met wie ik mij bij het korps van den generaal Carpenter voegde.
-
-De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de
-ongelukkige graaf van Derwentwater en de generaal Foster met
-eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten. Mijn arme
-oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting
-zijner zonen nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den
-heilloozen standaard te volgen. Maar eer hij dezen stap deed, nam
-hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men van hem nauwelijks
-zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk
-moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na
-diens dood op de jongere en hunne mannelijke erven overgaan. Maar
-Rashleigh die, door zich jegens zijne partij trouweloos te gedragen,
-den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten
-en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der
-andere zonen aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was
-dan ook steeds de lieveling van mijn oom geweest. Maar de aanblik
-der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die zich thans wapenden,
-gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding van
-zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode
-letter beschouwde, die alleen diende, om zijne verontwaardiging over
-Rashleigh's verraad duidelijk te doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan
-de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana Vernon, thans Diana
-Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord
-hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens
-der familie Vernon en Osbaldistone gedreven waren.
-
-Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller
-uitstierf, dan de ongelukkige vader vermoeden kon. Bij de eerste
-monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff met een edelman uit
-Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in een
-hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers,
-om dien bij te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen,
-waarin mijn neef den dood vond. Zijn dood was een groot verlies voor
-ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden aard een
-paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige
-broeders,--Rashleigh, zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd.
-
-Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op
-zijn manier op het bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene
-weddingschap aan, wie van beiden den grootsten beker brandewijn zou
-kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart door de oproerigen te
-Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezen wedstrijd
-waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf,
-onder het gestadig uitroepen van: »water! water!"
-
-Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot
-de partij der oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten
-wilde, over eene heg poogde te springen.
-
-Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog
-het beste lot. Hij sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer
-dapper vocht, ofschoon hij, naar men verzekert, niet recht wist, wat
-eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl hij zich ook niet
-herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed
-insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden,
-maar was niet zoo gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude
-oom, wien al deze rampen het hart gebroken hadden, werd den volgenden
-dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich aan den overwinnaar
-moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon John
-naar de gevangenis van Newgate gebracht.
-
-Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd
-te zijn, daar ik nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen
-verzachten. Mijn vader had veel invloed bij de regeering. En het lot
-van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek op twee na,
-al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat
-mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd
-zijn geworden. Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John
-stierf in de gevangenis en bad mij in zijn laatste oogenblikken de
-verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone en van zijn
-geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen.
-
-Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij
-sprak weinig, maar de deelneming die ik hem bewees, scheen hem te
-roeren. Ofschoon ik geen getuige was van de eerste samenkomst met mijn
-vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder zulke treurige
-omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg
-te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met
-veel verbittering over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven
-zoon. Hij verweet hem den ondergang van zijn geslacht en den dood
-zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne zonen tot de
-opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid
-had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart's 't eerst verraden. Een
-paar maal noemde hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen
-ik op zekeren dag naast zijn bed zat, zeide hij tot mij: »O, beste
-neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet het mij zoo leed,
-dat gij haar niet hebben moogt."
-
-De woorden »Thorncliff en allen" roerden mij diep. Het waren de gewone
-woorden van den goeden ouden man, wanneer hij 's morgens vroolijk
-op de jacht ging en zijn lieveling Thorncliff onderscheidde van al
-de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde. Maar de luide,
-vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff--en
-allen!" verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij
-nu de troostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den
-inhoud van zijn laatsten wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift
-mededeelde, daar hij het oorspronkelijke bij den rechter Inglewood had
-gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen, als een onzijdig
-persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van de
-helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren.
-
-Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige
-overdenkingen en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van
-het Sardinische gezantschap, voor wien wij met moeite de vergunning
-verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na den dood van zijn
-zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en
-zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren
-geen naam konden vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden
-te leven, dan met eenigen strijd te sterven.--Het was als een door de
-golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en in de diepte verdwijnt,
-eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen ontwaren.
-
-Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had,
-gaf hij mij tot mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik,
-overeenkomstig het testament van mijn oom, als hoofd der familie
-zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht, dat zoo iets voor hem
-nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat hij
-vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest,
-daar hij begreep dat hij best deed, even als de vos in de fabel,
-niet dat te verlangen, wat hij toch niet kon verkrijgen. Daarbij kwam
-echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk dreigde zijns
-vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het
-verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.--»Met
-het meeste recht," zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht
-onterfd geworden. Door het testament heeft de overledene eene vroegere
-onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen komen nu weer
-aan de wettige erfgenamen."
-
-Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De
-berichten, welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren
-voor het oogenblik, zoo gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk
-eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten weten toe te dichten, dat
-hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers bezat. Reeds
-waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te
-vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen,
-liet het zich aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen
-veel langer dan onze leeftijd duren kon.
-
-Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn
-advokaat, betaalde eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen
-van Osbaldistone bezwaard waren en droeg al zijne eigen aanspraken
-aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot gedeelte der
-aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het
-dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregen
-ondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen
-hem misschien op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen
-vast te zetten. Hoe het zij, ik had verwacht, dat hij mij weder naar
-zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne bereidwilligheid
-had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren,
-onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij
-mij naar Northumberland te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit
-van het kasteel Osbaldistone te nemen. Bij den rechter Inglewood
-moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten en de
-noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen.
-
-Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer
-gewenscht zijn geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone
-slechts smartelijke gewaarwordingen in mij opwekken. En toch, waar
-anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana's lot hopen te
-verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen
-vinden dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er
-van haar geworden was. Vruchteloos had ik getracht, door allerlei
-bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen van eenige verre
-bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate
-bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij
-een vergeeflijke argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der
-heerschende partij, en den neef van den ellendigen verrader Rashleigh,
-sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving niets dan koelen gedwongen
-dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der straffende
-gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen,
-wien ik van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden
-nog afkeeriger van allen, die zij voor aanhangers der regeering
-hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar de gerechtsplaats
-ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming
-aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te
-verkeeren. Nog lang zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren,
-die op mijn dringende vraag, of ik hem niet met nog iets genoegen
-kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof gaarne dat
-gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk,
-een mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet,
-dat zijne vrienden dag aan dag naar het moordschavot gevoerd worden,
-en hij weet dat de beurt spoedig ook aan hem zal komen."
-
-Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en
-Newgate en de tooneelen, waarvan ik daar getuige was, te kunnen
-verlaten, om de vrije lucht in Northumberland in te ademen. Andries
-was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne had, maar
-omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der
-omstreken van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij
-nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap was mij niet onwelkom, terwijl
-ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden, als ik hem
-weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn
-bijzonderen slag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en
-ziel aan zijn heer gehecht was, eenige gunst verworven. Hij wist deze
-voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen, dat hij mij, zijn heer,
-bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij volstrekt
-niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog.
-
-Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land,
-hetwelk nog kort te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust
-en vrede. Hoe meer wij het kasteel Osbaldistone naderden, des te enger
-werd het mij om 't hart bij de gedachte, dat ik thans die verlaten
-woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik uit
-te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood
-te rijden.
-
-De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen
-en tegenstrijdige gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige
-betrekkingen verbonden, niet weinig verontrust geworden. Zeer
-natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij wat invloed
-op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter
-zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die
-hem den ganschen last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf
-was nu de handlanger van zekeren Standish geworden, die sedert eenigen
-tijd als vrederechter fungeerde in de buurt en zulk een blakenden
-ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging liet
-blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon
-binnen de perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen.
-
-Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns
-ooms testament ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In
-het eerst was de goede man zichtbaar verlegen, hoe hij in mijne
-tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij zag, dat ik
-weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering,
-maar niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich
-door verkeerde begrippen van plicht en getrouwheid tot den opstand
-hadden laten verleiden, werd zijn gesprek een vermakelijk mengelmoes
-van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne pogingen,
-om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te
-houden, en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen,
-die aan den opstand deel hadden genomen, begunstigd had.
-
-Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd,
-toen hij mij plotseling uitnoodigde, om een beker te ledigen op het
-welzijn der brave, lieve Diana Vernon, het roosje in de woestijn, het
-klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een akelig klooster
-stond verplant te worden.
-
-»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?" vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht,
-dat zijne Excellentie...."
-
-»Wel ja, waarom niet!" hernam Inglewood, luidkeels lachende--»zijne
-Excellentie en zijne Genade--dat alles is allemaal gekheid--ijdele
-titels van St. Germain! De graaf Van Beauchamp gezant van Frankrijk--en
-de hertog van Orleans--weten misschien niet eens, dat er zulk een man
-bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel
-Osbaldistone wel gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan
-speelde?"
-
-»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?"
-
-»Juist!" antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog
-langer geheim gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want
-anders zou mijn plicht mij gebieden, hem gevangen te nemen. Welnu--uw
-glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene Diana!"
-
-Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd,
-om in Inglewood's vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor
-de oogen. »Nooit," hernam ik, »heb ik geweten, dat Diana's vader
-nog leefde."
-
-»Dat hij nog leeft," antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet
-aan onze regeering te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel
-geld opgeleverd hebben, als het zijne. Onder koning William werd
-hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele der
-Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene
-verwante van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had,
-was zijn invloed op al de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men
-zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk door Frankrijk zou hebben
-moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en in de
-Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen
-hij herwaarts terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed--ik wil
-zeggen, ik kende hem zeer goed. Maar daar mij geen signalement van
-hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en zware aanvallen van
-jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben durven
-doen,--dat vat je wel!"
-
-»Kende men hem dan in het kasteel?" vroeg ik.
-
-»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh;
-laatstgenoemde was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle
-dingen kwam. Maar met dat geheim hield hij Diana als bij een koord om
-den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat zij hem in het gezicht
-zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd had,
-wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem
-aan de regeering verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer
-Osbaldistone! de regeering is goed, genadig en rechtvaardig. Weliswaar,
-heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade doen ophangen,
-maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven,
-als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden."
-
-Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik
-Inglewood vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht,
-vernam ik, dat Diana stellig geweigerd had met een mijner neven
-te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh had te kennen
-gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver
-voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als
-de jongste der broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen
-als een middel beschouwd, om fortuin te maken. De omstandigheid,
-dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik Vernon en van
-de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te
-geven, dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed
-hem waarschijnlijk het besluit nemen, om door afval en verraad
-zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar hij uitnemend
-van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen,
-ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als
-naderhand bleek, geenszins berekend waren voor de groote onderneming,
-om eene staatsomwenteling te bewerken. Vernon--of zoo als hij bij
-de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie de Burggraaf
-Beauchamp--had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen
-van Rashleigh's verraad te ontgaan. Inglewood's berichten waren hier
-gebrekkig: »Men heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering
-is gevallen"--voegde hij er bij--»het moest hem dus wel gelukt zijn,
-naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens de wreede overeenkomst
-met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven."
-
-De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood
-niet nauwkeurig opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan,
-om den ouden Vernon de renten te verzekeren der overblijfsels
-van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige rechtsgeleerde
-kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het
-was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt,
-de gezindheid van degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn,
-niet meer in aanmerking had genomen, dan alsof zij tot het vee op
-het land behoord hadden.
-
-Groot is des menschen wankelmoedigheid!--Ik weet niet of het ontvangen
-bericht mij vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of
-mijne droefheid over Diana's verlies eer vermeerderd dan verminderd
-was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk met een ander,
-maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden
-was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te
-voldoen. Ik werd droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om
-het gesprek met mijn gullen gastheer voort te zetten, die eindelijk
-zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na de ongemakken der
-reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden
-nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen
-vroeg naar het kasteel te rijden. Inglewood keurde dit goed.
-
-»Ik zou u aanraden," zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer
-uwe aankomst in de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh,
-zoo als men mij verzekerd heeft, bevindt zich in Jobson's woning,
-natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen. Zij behooren bij
-elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer
-vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui
-dat oppassen de boodschap is."
-
-Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken
-eer ik vertrok, want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was
-bepaald ongezond voor hem, die zich 's ochtens nuchteren buiten waagde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXVIII.
-
-
- De meester is niet meer.
- Het oud kasteel van Ivol--uitgestorven,
- Hij wist het wel, het gansch gezin,
- Tot paard en honden toe,
- Hen allen had het graf verworven.
-
- Wordsworth.
-
-
-Hoe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten
-was dat tooneel van vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming
-zag ik het weder. Op den weg naar het kasteel zag ik dezelfde
-voorwerpen, welke ik aan Diana's zijde had aanschouwd op onze
-gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen
-mij te vergezellen. Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de
-eerste maal had ontmoet, meende ik bijna het geblaf der honden en de
-tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde geruimen tijd op de
-ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche
-verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef
-stil, alles was eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de
-deuren en vensters gesloten. Gras groeide tusschen de steenen op
-de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel had gezien,
-als de vroolijke jagers 's morgens uitgingen of 's avonds huiswaarts
-keerden. Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der
-jagers, de hoefslag der paarden, het luide lachen van den ouden
-ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders--dit alles was voor
-altijd verstomd!
-
-Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan,
-zelfs bij de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op
-mijne toegenegenheid hadden. Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke
-jongelingen in den bloei van het leven en in krachtige gezondheid
-binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten dood
-weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen,
-dat mij van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost,
-dat ik als eigenaar van het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna
-als vluchteling verlaten had. Mijn toestand was voor mij nog zoo
-nieuw, dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als
-een indringenden vreemdeling beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van
-het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige gestalten mijner
-overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den
-toegang betwisten zouden.
-
-Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was
-mijn geleider Andries, met geheel andere gedachten bezield, reeds
-begonnen met aan al de deuren te kloppen, begeerende binnengelaten te
-worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk genoeg
-verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als
-schildknaap des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall,
-mijns ooms oude hofmeester, zich zien. Schuw keek hij door een dicht
-getralied venster van de eerste verdieping, terwijl hij luid vroeg,
-wat wij begeerden.
-
-»Dag oude vriend! wij komen u aflossen," zeide Andries. »Geef
-maar gauw de sleutels over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed
-van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den boel beheerd, mijnheer
-Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het
-benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft."
-
-Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider
-binnen betamelijke perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar
-op welk recht ik mijn aanspraak grondde, om in het kasteel als in
-mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst en
-verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij
-toegang te verleenen, ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen
-toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid tegenover die opwelling van
-natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte. Ik drong echter
-ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat
-zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen.
-
-»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter
-Inglewood!" voegde Andries er bij, om mijn bedreiging nog meer kracht
-bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid in het land
-gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij
-verkiezen. Hun rijk is uit!"
-
-De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de
-ooren van den ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en
-zijne gehechtheid aan zijn overleden meester verdacht moest zijn. Met
-angst en beven opende hij een zijpoortje, dat met vele grendels en
-bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid
-in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik
-stelde hem gerust door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid
-mij een zeer goeden dunk van hem had ingeboezemd.
-
-»Ik denk er anders over!" zeide Andries. »Syddall is een oude
-schurk. Hij zou er zoo doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet
-beven als een schoothondje, als hij niet meer te verantwoorden had,
-dan hij ons zeggen wil."
-
-»God vergeve het u, Andries!" hernam Syddall, »dat gij zoo over
-een oud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten
-aanleggen, mijnheer?" vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den
-gang volgde. »Ik vrees, dat gij 't in het kasteel al te eenzaam,
-al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden namiddag naar
-den heer Inglewood terug om bij hem te eten."
-
-»Leg wat vuur aan in de bibliotheek," antwoordde ik.
-
-»Wat! In de bibliotheek?" riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand
-geweest; daar rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den
-schoorsteen genesteld, en wij hebben geen jonge lieden in het kasteel,
-om hunne nesten er uit te halen."
-
-»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!" viel
-Andries hem in de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te
-wezen; want hij wil niet, zoo als gij Papisten, in blinde onkunde
-zijn tijd doorbrengen."
-
-Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de
-boekenkamer, die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij
-mij verwekt hadden, zoo als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker
-en bewoonbaarder was ingericht geworden. Op den haard brandde een
-helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook gezegd
-had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever,
-om zijne verlegenheid te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed
-brandde, maar nog dien zelfden morgen verschrikkelijk gerookt had.
-
-Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke
-gewaarwordingen te herstellen, die alles wat mij omringde, in mij
-opwekte. Ik beval dus Syddall den rentmeester te halen, die op
-eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne scheen hij zich te
-verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke knapen
-op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken
-waren meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute
-onderneming ooit afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde
-nam Andries de uitvoering van dezen last op zich, en verzekerde tevens,
-dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den
-duivel en den Pretendent het hoofd durfden bieden.--»En mij zal dat
-gezelschap ook zeer aangenaam zijn," voegde hij er bij; »want juist in
-den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel doorbracht, zag ik dat beeld
-daar--hij wees op een levensgroot portret van Diana's grootvader--in
-de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een
-spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd
-heb ik gemeend, dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij
-bestond, maar dien nacht heb ik het met eigen oogen gezien."
-
-»Ga maar heen; ga maar heen!" viel ik hem in de rede: »haal mij die
-knapen, maar zie wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij,
-en niet voor hunne eigen schaduw sidderen."
-
-»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch
-gehouden, zoo goed als de verstandigste van mijne buren. Maar met
-spoken heb ik nooit gemeenschap gehad!" antwoordde Andries vrij nijdig
-en ging heen.
-
-Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende
-hem als een braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in
-staat zou zijn geweest, zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te
-houden. Hij onderzocht mijne rechten op het kasteel zeer nauwkeurig,
-en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar. De erfenis zou
-voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het
-landgoed was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze
-echter gedeeltelijk afgelost, wat hem bij de rijzing der fondsen niet
-veel opoffering kostte.
-
-De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij
-eten. Liefst wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken,
-ofschoon Syddall mij daartoe de groote zaal aanbeval, die hij
-volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in orde had laten
-brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als
-ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik
-gelastte, dat men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg.
-
-Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik
-wilde de reden weten.
-
-»Gij zult mijne woorden niet gelooven," antwoordde hij--»dat kan
-ik trouwens niet anders verwachten--maar wat waar is, blijft toch
-waar. Die eene knaap, Wingfield is door en door eerlijk, maar zijn
-broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat hij
-bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren,
-die in de onlusten gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij
-is Presbyteriaan, en dat alleen is heden ten dage eene voldoende
-aanbeveling."
-
-Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze
-en dergelijke uitdrukkingen, waarmede de oude man, terwijl hij
-mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad, aan zijne
-gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging
-hij heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester
-zijne papieren samen, om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen,
-in die zonderlinge gemoedsgesteldheid, waarin men zelf niet weet,
-of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij echter geene
-keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige
-andere tot zwaarmoedige overdenkingen stemde.
-
-Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half
-geopende deur, om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever,
-om het mij als een maatregel van voorzichtigheid tegenover de spoken
-aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel van de hand, wierp mij
-in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden van den
-schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende
-vlammen, die ik gevoed had.
-
-»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En
-zoo als die vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!" zeide ik tot
-mij zelven. Gevoed door kleinigheden, aangeblazen door verbeelding,
-onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd
-hebben. O, mensch, met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en
-wenschen, tot een ellendigen aschhoop wordt ge ten slotte van binnen!
-
-Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne
-overdenkingen te antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en--Diana Vernon
-stond voor mij, op den arm van een man leunende, die op de boven
-vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig naar de lijst
-der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was
-ik plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf
-opgestaan? Bij den tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer
-goed bij mijn zinnen was, dat levende gedaanten voor mij stonden. Het
-was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren. Naast haar
-stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon,
-in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij
-geleek. Hij brak 't eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak
-voor zich neer. Ik zelf kon van verbazing geen woord uiten.
-
-»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!" zeide
-hij. »Wij zoeken onder uw dak toevlucht en bescherming, tot wij
-eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis en dood ons bij elken
-stap bedreigen."
-
-»Zou Diana," stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan
-kunnen gelooven, dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen
-hebt, toen ik mij in een aller neteligsten toestand bevond. Meent gij,
-dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden, en nog wel u beiden!"
-
-»Ik ben overtuigd van uwe goedheid," antwoordde Vernon; »en
-toch vertrouw ik u met angst een geheim toe, dat voor u misschien
-onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan zijn. Ik had het veel liever aan
-ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot, dat mij in zoo vele
-hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze over."
-
-Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem
-van Andries hooren.--»Ik breng u de kaarsen," zeide hij; »gij kunt
-ze aansteken, wanneer ge verkiest."
-
-Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te
-beletten, te zien, wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig
-duwde ik hem terug, sloot de deur toe en deed er de grendels op. Maar
-plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide rekruten nog beneden
-waren. Andries' praatzucht kende ik. Ook Syddall's waarschuwing omtrent
-een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de
-dienstbodenkamer, waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was,
-toen ik de deur opende, vrij luidruchtig aan het praten, maar mijne
-plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen.
-
-»Wat deert u, domkop?" vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit,
-als of gij een spook hadt gezien."
-
-»Nie--niets," antwoordde Andries. »Maar u was zoo--zoo driftig,
-mijnheer!"
-
-»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat
-hij geen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat
-het niet noodig is, hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens
-op mijne gezondheid gaan drinken en overigens dank ik hen voor hun
-goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!"
-
-De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan
-en gingen heen, zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste
-naar het mij toescheen. Ik wachtte tot zij zich verwijderd hadden,
-zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries niet weder in
-gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen
-twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds
-in de rede viel. Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden
-stichten: hier kostten ze twee menschen het leven!
-
-Toen ik deze maatregelen genomen had--het beste wat mij voor
-dat oogenblik inviel, om het geheim van Diana en haren vader te
-beveiligen--keerde ik naar hen terug, om hun van hetgeen door mij
-gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik den ouden
-Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest
-wel vermoeden, dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel
-verborgen waren.
-
-Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne
-voorzichtigheid.--»Gij zijt thans met mijn geheim bekend," zeide
-zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze man is, die
-hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer
-verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was,
-mij als met eene ijzeren roede beheerschte."
-
-Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij
-slechts eenige weinige oogenblikken tot last wilden zijn.
-
-Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen,
-en overtuigd te zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen
-was, om hun veiligheid te verschaffen. Dit leidde tot eene nadere
-mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne dochter
-bevonden.
-
-»Ik had steeds verdenking op Rashleigh," zeide hij. »Maar nu vervult
-mij zijn gedrag jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts
-na mijn lang aandringen bekende, en ook zijne trouweloosheid jegens uw
-vader, met den innigsten haat en de diepste verachting tegen hem. Bij
-onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid niet. Wat
-ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door
-de minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige
-misdaden nog zijn verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte
-ik, dat dit geene gevolgen van eenig belang zou hebben. De graaf
-van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord Derwentwater,
-Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik
-had uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom
-achtte ik het doelmatig, dat ik bij een korps Hooglanders bleef,
-onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de grenzen met de Engelschen
-vereenigde. Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil
-van alle gevaren en ongemakken.
-
-»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!" riep Diana uit,
-terwijl zij zich liefderijk aan zijn arm klemde.
-
-»Zoodra wij ons," vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden
-vereenigd hadden, zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht
-stond. Het getal onzer manschappen verminderde, in plaats van te
-vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers van
-ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk
-behoorden, bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet
-verre van Preston door eene macht, waartegen wij niet bestand waren,
-ingesloten. Gedurende een geheelen dag verdedigden wij ons dapper. Den
-volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de moed, en zij besloten
-zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen,
-dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer
-dertig edellieden waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard,
-en namen mijne dochter, die volstrekt mijn lot wilde deelen, in het
-midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren zoo verrast
-door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner
-dochter, dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen,
-dan haar achter te laten. Wij reden samen door eene lange straat
-van Preston, naar eene moerassige weide aan de rivier de Ribble,
-van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had deze
-streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten,
-die wij op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar
-Liverpool, waar wij scheidden, ten einde deze hier, gene daar, eene
-schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht mij naar Wallis, waar
-ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon echter
-geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en
-zag mij dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd
-vriend had met mij afgesproken, om mij op deze plaats te ontmoeten,
-en mij naar eene Schotsche haven te geleiden, waar een schip gereed
-lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor het
-oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel,
-waar de oude Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest,
-ons eene schuilplaats verleende. Ik koos eene kleeding, waarvan ik
-mij reeds te voren met goed gevolg bediend had, om den bijgeloovigen
-landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten
-wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen
-nieuwen leidsman, toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek
-ons noodzaakte, uwe deelneming in ons lot af te smeeken."
-
-Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik
-kon bijna niet gelooven, dat Diana vóór mij stond.... Ach! hoe was
-zij bleek en ter nedergeslagen! De moed, waarmede zij alle gevaren
-getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare vastberadenheid
-geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel
-woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen op mijn
-gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne
-ongerustheid wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag.
-
-»Zij heeft," zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis
-van eene martelares tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en
-dood in allerlei gedaanten met vasten moed onder de oogen gezien. Zij
-heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen terugdeinzen;
-zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en
-nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid
-of ontmoediging verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij
-verdient, dat ik haar voor altijd wijde aan mijn God," ging hij
-zich kruisende voort,--»als het dierbaarste en kostbaarste kleinood,
-dat mij is overgebleven."
-
-Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep,
-volgde een diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana's vader zich er
-op toe te leggen, om mij alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij
-onze vluchtige ontmoeting in Schotland had gedaan.
-
-»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen," zeide hij tot
-zijne dochter: »hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner
-gasten, die hem om zijne bescherming smeeken, genoegzaam bekend."
-
-Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de
-boekenkamer te verlaten. Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts
-den argwaan van mijn bediende zou opwekken, en dat hunne schuilplaats
-door Syddall's zorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden
-voorzien was.
-
-»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen
-ontwijken en verborgen blijven," zeide hij, »maar het zou heel
-onbillijk zijn geweest, indien wij niet met de daad getoond hadden,
-alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen."
-
-»Uw vertrouwen is niet misplaatst," hernam ik, »hoewel gij mij niet
-kent; doch freule Vernon zal gaarne getuigen, dat...."
-
-»Ik behoef haar getuigenis niet," zeide hij op zeer minzamen toon,
-doch zichtbaar met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf
-tot zijne dochter zou wenden. »Ik weet, dat ik slechts goeds van
-den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun ons, dat wij ons
-verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij
-volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke
-reis zullen geroepen worden."
-
-Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met
-eene diepe buiging verdwenen beiden achter het behangsel.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XXXIX.
-
-
- Doch d' hand van 't ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog,
- Een vreemd tooneel verschijnt voor 't oog.
-
- Don Sebastiaan.
-
-
-Ik was alleen, maar als 't ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het
-gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan
-niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het
-liefste ziet. Diana's beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was,
-toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk,
-dat ik door Mac-Gregor's vrouw ontving, mij haren wensch verried,
-de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede
-te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer
-dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde
-mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik
-verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat
-beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat,
-wat zij voor hun plicht hielden.
-
-Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng
-hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana
-was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van
-haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht
-vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar
-ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het
-was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was,
-al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren;
-maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden.
-
-»Zoo, zoo, men versmaadt mij," zeide ik tot mij zelven, toen ik
-Vernon's woorden overwoog--»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs
-onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet
-beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden,
-en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar
-genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar
-te verdedigen."
-
-Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen
-Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn
-eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te
-verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo
-als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn
-doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer.
-
-En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet,
-openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige
-niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik
-misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de
-boekenkamer deed verlaten.
-
-»Syddall! Ik zal hier slapen," zeide ik. Ik gaf hem bevel om een
-ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb
-nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan."
-
-Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en
-een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik
-beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken.
-
-Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen
-over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou
-eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken
-van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens,
-die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper
-bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers
-dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou
-gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik
-trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls
-ik aan iets anders wilde denken.
-
-Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze
-te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid,
-dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu
-zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde
-de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene
-koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op
-het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos
-hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde
-den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door
-onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig
-vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne
-aderen, en mijn pols sloeg hevig.
-
-Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten
-in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte
-stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel
-eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde
-ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke
-gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen
-slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende
-droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond
-mij met Diana in de macht van Mac-Gregor's vrouw, en wij zouden van
-eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot
-van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding,
-liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen
-afschilderen--de zwijgende, moedige onderwerping op Diana's gelaat,
-de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds
-wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag
-de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders:
-ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen
-herhaald door de echo der omliggende rotsen, en--ik ontwaakte uit
-mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden.
-
-Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom
-verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij
-geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan
-de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen
-onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te
-beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek
-niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam,
-waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ik Syddall's
-zwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen,
-die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings,
-eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste
-straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed
-zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den
-ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde.
-
-»Komen zij," zeide hij, »in 's konings naam, dan hebben wij niets te
-vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk,
-wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer
-Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten."
-
-Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De
-dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij
-onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den
-koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn,
-eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de
-harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde
-terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte,
-terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot
-Diana's en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve:
-zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar,
-zij was uiterst kalm.
-
-»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar," zeide zij, »dat wij er steeds
-op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in
-Rashleigh's kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de
-achterdeur naar het bosch.--In geval van nood, heb ik mij den sleutel
-door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen door het bosch beter
-dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans,
-nog eenmaal, vaarwel!"
-
-Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg
-te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te
-openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam.
-
-»Rooversgespuis!" riep ik, opzettelijk het doel van hunne
-gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel,
-of ik schiet op u, door de deur heen."
-
-»Gekheid!" riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met
-een gerechtelijk bevel...."
-
-»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het
-aanhouden en arresteeren van zekere personen," hoorde ik den ellendigen
-rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in
-mijn bevel van aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de
-verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem,
-in het derde kapittel."
-
-En hij klopte op nieuw met verdubbelde heftigheid.--
-
-»Ik sta op," riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt
-toch geen geweld! Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik
-het wettig, dan zal ik mij niet verzetten."
-
-»God zegene den grooten koning George!" zeide Andries. »Ik heb het
-u immers gezegd, dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt."
-
-Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om
-de deur te openen, die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben.
-
-Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik
-denzelfden knaap opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt,
-en die waarschijnlijk de verklikker was geweest. Jobson toonde mij zijn
-bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik Vernon, een overtuigden
-verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens het
-niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou
-razernij geweest zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had
-verzocht, gaf ik mij gevangen.
-
-Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana's kamer, en ik
-hoorde dat hij vervolgens, zonder zich te bedenken of te zoeken, naar
-de kamer ging, waarin zich haar vader bevond, of ten minste zich ter
-ruste had begeven.--
-
-»Het wild is ontsnapt!" zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze
-speurhonden zullen het wel spoedig bij den nek krijgen."
-
-Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige
-oogenblikken daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen,
-in de kamer.--
-
-»De vos," zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten,
-dat een schrander jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur
-niet vergeten, edele lord Beauchamp, zoo als gij u toch gaarne hoort
-noemen."
-
-»Rashleigh," antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!"
-
-»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger,
-toen ik onder de leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van
-den burgeroorlog in een vreedzaam land trachtte te ontsteken. Maar
-ik heb mijn best gedaan," vervolgde hij, met een blik ten hemel,
-»om mijne dwalingen te herstellen."
-
-Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend
-toeschouwer te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest,
-al was er de dood mee gemoeid.
-
-»Waarachtig!" riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger
-duivelsgestalte heeft, dan die van laagheid en gemeenheid onder het
-masker van huichelarij."
-
-»Aha, mijnheer en neef!" zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de
-tafel, om mij van het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte
-welkom op het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u
-licht vergeven. Het is zeker hard, zeer hard, eene geliefde en een
-landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij zullen van dit kasteel
-en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam,
-Rashleigh Osbaldistone."
-
-Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak,
-spijt en schaamte gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder
-werd die gemoedsstemming, toen Diana kalm tot hem sprak: »Rashleigh,
-ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij
-mij wildet storten. Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik
-u niet zoo sterk haten als verachten. Wat gij thans gedaan hebt,
-is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult er uw
-gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het
-zal niet altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!"
-
-Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en
-neer. Toen hij bij de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk
-hij met eene bevende hand een vol glas in. Hij zag dat wij zijn
-beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging onderdrukken
-en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde,
-het glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten.
-
-»Het is mijns vaders oude Bourgonje!" zeide hij, Jobson aanziende. »Het
-doet me pleizier dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter
-lieden te benoemen, om in mijn naam voor het kasteel en mijn eigendom
-zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien Schotschen gek kunt gij de
-deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde bewaring
-brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen," vervolgde hij,
-»ofschoon ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet
-of te paard in de nachtlucht zou kunnen doen, als maar de reis meer
-naar haren zin was."
-
-Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar," stamelde hij, »dat
-mijnheer zeker met een spook in de boekenkamer gesproken had--en die
-ellendeling daar gaat een oud vriend verraden, die zoo vele jaren
-elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden heeft!"
-
-Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall
-het huis uit. Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige
-gevolgen. Besloten, om zich naar een oud bekende in het dorp te
-begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden, had hij
-juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen,
-toen hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar
-voor dien nacht gelegerd had. De tuinier verwonderde zich daarover
-niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars, om op deze wijze een
-goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken,
-was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een
-Hooglander opsprong, hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had,
-en hem niet verder wilde laten gaan, voordat hij met zijn baas zou
-gesproken hebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden
-man in een boschje, waar hij nog drie of vier van zijne landslieden
-vond.--»Ik zag al heel spoedig," zeide Andries, »dat er voor eene
-kudde veel te veel mannen waren, en aan hunne vragen merkte ik wel,
-dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij voorwendden."
-
-Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was,
-en schenen zeer bekommerd, toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord
-hadden. »Waarlijk," bekende Andries, »ik verzweeg niets aan mannen,
-die met dolk en pistool gewapend waren." Daarop spraken zij zacht met
-elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan,
-zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige
-gevelde boomen bijeen, die in de nabijheid in het rond lagen, en
-maakten daarvan eene versperring op den weg.
-
-De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten
-vermengde zich met het meer en meer verbleekende maanlicht. Men
-kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden. Het ratelend
-geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes
-man te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De
-Hooglanders luisterden opmerkzaam. In de koets zat Jobson met
-zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond uit Rashleigh en
-eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of
-het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden,
-en door de boomstammen. Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den
-weg te ruimen, die zij wellicht dachten, dat uit slordigheid waren
-blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het vee wegjoegen.
-
-»Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen," riep eene
-ruwe stem. »Schiet hem neer, Angus!"
-
-»Verraad!" riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!" en schoot zijn
-pistool af op den man die gesproken had.
-
-»Met de sabel er op in!" riep de bevelhebber der Hooglanders, en het
-gevecht begon terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door
-den plotselingen aanval, en over het algemeen niet al te dapper,
-verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht aan hun kant
-hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar
-toen zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle
-kanten vielen, verhinderd werden, meenden zij geheel omsingeld te
-zijn en vluchtten langs verschillende wegen. Intusschen was Rashleigh
-afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder der bende. Uit
-het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel
-Rashleigh.
-
-»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van
-Jakobus en van de oude vriendschap?" riep eene stem, welke ik maar
-al te goed kende.
-
-»Neen, nooit!" antwoordde Rashleigh op vasten toon.
-
-»Zoo sterf dan, verrader!" riep Mac-Gregor en stiet den gevallene
-het zwaard in de borst.
-
-Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp
-Diana er uit en reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand,
-en rukte er toen Jobson uit, dien hij onder den wagen wierp.
-
-»Mijnheer Osbaldistone," zeide hij zacht, »gij hebt niets te
-vreezen. Ik moet waken over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden
-zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel! Denk aan Mac-Gregor!"
-
-Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen
-Diana en Vernon in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De
-koetsier had zijne paarden in den steek gelaten, toen het schieten
-begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd, bleven bedaard
-staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden
-zou zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want
-hij was door den schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was,
-zich zelven te helpen. Maar eerst riep ik hem toe, wel op te merken,
-en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel aan de bevrijding
-der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te
-ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel
-kon begeven en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon
-roepen, ten einde de gekwetsten bij te staan. Maar Jobson was door
-den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren. Nu besloot
-ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst
-voor een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze
-houding verkozen, om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die
-elk oogenblik in allerlei richtingen vielen. Het verheugde mij zeer,
-hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar gekomen was,
-maar hem terstond beval mij hulp te verleenen.
-
-De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen
-ik hem naderde, en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had,
-nooit weder te spreken. Wij droegen hem in de koets, en bewezen een
-anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken bijstand. Met
-moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde
-Rashleigh te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het
-kasteel. Eenige der vluchtelingen waren langs zijwegen daar al
-aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd door het
-bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door
-een hoop woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons
-als van een verontruste bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in
-het kasteel, toen wij ons in de nabijheid daarvan bevonden. Jobson,
-die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met luider stem
-aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden,
-daar een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen
-gestorven was, ten gevolge zijner wonden.
-
-Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht
-hem in het kasteel, waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl
-sommigen het bloed, dat rijkelijk uit de wonde vloeide, poogden te
-stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen.
-
-»Plaagt mij niet meer," riep de gewonde: »voor mij is geen hulp
-meer. Ik sterf."
-
-Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn
-voorhoofd bedekte, en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer
-veel inspanning scheen te kosten: »Neef Frans, kom bij mij!"
-
-Ik naderde hem.--»Ik wilde u alleen maar zeggen," vervolgde hij,
-»dat zelfs de doodsangst mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik
-haat u!" riep hij met hevigheid. En wraakzucht deed het vuur in het
-reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk een
-onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen."
-
-»Ik heb u daartoe geen reden gegeven," hernam ik. »Om uwent wil zou
-ik u toewenschen, dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt."
-
-»Het is wel waar!--gij hebt mij wel reden,--gegronde reden
-gegeven--u te haten," hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij
-overal--gedwarsboomd,--in de liefde--op den weg mijner eerzucht--in
-mijn eigenbelang--bij elke schrede--die ik doen wilde,--overal.--Ik
-werd geboren--om het sieraad--van mijn geslacht te worden,--Wat
-ben ik?--zijne--schande.--Dat--is uwe schuld!--Mijne erfenis--is de
-uwe--welnu--neem haar,--neem haar!--De vloek--van een stervende--blijve
-er--aan verbonden--vloek!"
-
-En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak,
-maar op de ontzielde trekken zag men nog duidelijk het grijnzen
-van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke beeld af. Van
-Rashleigh's dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht
-thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht
-wegens het niet aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh's
-verlangen was gedaan, ten einde mij uit het kasteel te verwijderen. Ook
-dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij werd van zijn ambt ontzet,
-en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan voort.
-
-Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar
-Londen. Ik verliet gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke
-herinneringen in mij opwekte. Lang was ik in angstige onzekerheid
-omtrent Diana's lot, tot een Fransche koopman mij een brief van haar
-bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust
-werd gesteld.
-
-Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat
-de plotselinge verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt
-niet toevallig was geweest. De Schotsche edellieden, die aan den
-opstand deel hadden genomen, waren vooral er op bedacht, om Vernon's
-vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der Stuarts,
-zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich
-in het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men
-rekenen kon, werd gekozen, om Vernon's bevrijding te bewerken. Het
-kasteel Osbaldistone werd als de plaats der bijeenkomst bestemd. De
-onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter vonden op eenigen
-afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert's
-geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar
-Frankrijk inscheepten. Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon
-door tering was aangetast, het gevolg van lijden en rampspoed, ja,
-dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen leven. Zijne
-dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch
-later de gelofte zou afleggen.
-
-Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeld den
-toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld,
-dat ik met eene Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij
-wenschte mij, voor mijn volgend leven, gelijk hij zich uitdrukte,
-op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het zeer op
-prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken,
-hem mijne neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad,
-en na verscheidene vragen, die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde,
-zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit gedroomd hebben, dat mijn zoon
-eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar nog minder, dat
-hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef
-mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw
-zijn. Gij hebt, mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is
-billijk, dat ik u vrij laat in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!"
-
-Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep,
-en hoe spoedig ik het jawoord kreeg, dat is niet noodig u te
-vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat ik lang en gelukkig met
-Diana geleefd,--gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar door
-den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die
-tranen verdiende, hoe edel zij was en hoe trouw!
-
-Mijne romantische avonturen zijn geëindigd. De latere gebeurtenissen
-van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die met zooveel
-deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn
-leven afwisselden, met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar
-Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander weder gezien, die op
-mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend had;
-wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn
-gebied aan de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja,
-dat hij zelfs zooveel toegevendheid van den kant der regeering
-genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap Lennox
-spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting,
-welke hij even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne
-huurpenningen. Een bestaan zoo als hij leidde, zou men denken, moest
-een gewelddadig einde genomen hebben, maar neen! op hoogen ouderdom is
-hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog steeds leeft
-hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood
-van Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij
-was een man, die edele, achtenswaardige hoedanigheden van verstand
-en hart bezat. Een minder dubbelzinnig bedrijf dan dat, waartoe het
-noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld had door
-hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor.
-
-Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone
-nog gekend. Die placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld
-hebben, die eigenlijk veel te veel slechts doen, om ze te zegenen,
-en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken." Robbert Roodhaar
-was zulk een mensch.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Bedoeld is hier de zoogenaamde édition aux lettres vertes van dit
-boek. Zij werd onder toezicht des schrijvers, te Sully gedrukt, met
-de valsche opgave: Amsterdam, chez Aletinosographe de Clearetimelee
-et Graphexechon de Pistariste, à l'enseigne des trois vertus (Geloof,
-Liefde en Hoop) couronnées d'Amaranthe--zonder jaartal (maar het was
-in 1610).--Vert.
-
-[2] Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.
-
-[3] In September 1715.
-
-[4] 1714.
-
-[5] In 't begin der achttiende eeuw maakte de Regeering zich altijd
-dadelijk van de paarden der Katholieken meester, als er eenige onrust
-in het land was. Men veronderstelde altijd, dat zij op het punt waren
-van deel te nemen aan een opstand, en ontnam hun zoo doende het middel
-van vervoer.
-
- W. S.
-
-[6] Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering
-van Eduard VI, Elizabeth en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd.
-
-[7] Als Vernon één woord is, beteekent het: Vernon is altijd groen
-(frisch). Doch wordt Ver Non als twee woorden gelezen, dan is de
-beteekenis: de lente is niet altijd groen.
-
-[8] Zoo noemt men het graafschap Fife.
-
-[9] Black-mail, eene soort van veiligheids-assurantie.
-
-[10] De Hooglanders noemen de zuidelijke Britten naar hunne voorouders,
-de Angelsaksen, nog steeds Saksen, Saksenach, en de Engelsche en
-Nederschotsche taal de Saksische.
-
-[11] Het wapen van den hertog van Argyle en anderen van den clan
-Campbell.
-
-[12] De Hooglandsche naam voor Campbell.
-
-[13] Lochow en de omstreken waren het oorspronkelijke verblijf van
-den stam Campbell. Deze uitdrukking was een spreekwoord.
-
-[14] Nog heden is die klaagzang onder het volk bekend, en wordt soms
-nog gezongen.
-
-
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's Robbert Roodhaar, by Walter Scott and Gerard Keller
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBBERT ROODHAAR ***
-
-***** This file should be named 62728-8.txt or 62728-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/6/2/7/2/62728/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-