diff options
Diffstat (limited to 'old/62728-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/62728-8.txt | 17802 |
1 files changed, 0 insertions, 17802 deletions
diff --git a/old/62728-8.txt b/old/62728-8.txt deleted file mode 100644 index cff569f..0000000 --- a/old/62728-8.txt +++ /dev/null @@ -1,17802 +0,0 @@ -Project Gutenberg's Robbert Roodhaar, by Walter Scott and Gerard Keller - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Robbert Roodhaar - -Author: Walter Scott - Gerard Keller - -Release Date: July 22, 2020 [EBook #62728] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBBERT ROODHAAR *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - - - - - - - - - - Walter Scott's Werken. - - OPNIEUW VERTAALD EN BEWERKT - - DOOR - - GERARD KELLER. - - - ROBBERT ROODHAAR. - - - Geïllustreerd met de gravures der oorspronkelijke - Engelsche uitgave van MARCUS WARD & Co. - - - Arnhem--Nijmegen. - GEBRs. E. & M. COHEN. - - - - - - - - - -ROBBERT ROODHAAR. - -HOOFDSTUK I. - - - Wat was mijn fout, dat thans zoo bittre smart - Zoo zwaar mij drukt? Geen zonen heb ik meer! - Die daar hield op, 't te zijn.--Vervloekt - In eeuwigheid de oorzaak van uw' omkeer.--Reizen? - 'k Kan evengoed mijn paard uit reizen zenden.... - - MONSIEUR THOMAS. - - -Gij beste vriend! wenschtet, dat ik eenige uren van de rust, die mij -zoo goed doet en waarmede eene liefderijke Voorzienigheid den avond van -mijn leven gezegend heeft, er aan wijdde, die vele wederwaardigheden -en gevaren, waartegen ik in vroeger tijd zoo strijden en worstelen -moest, in geschrifte te verhalen. - -Het is waar, de herinnering aan die avonturen, zooals gij ze verkiest -te noemen, heeft bij mij een zeker gemengd gevoel van smart en -vreugde achtergelaten. Maar daarnaast leeft in mij eene innige -dankbaarheid en een diepe eerbied jegens den grooten Bestuurder van -het lot der menschen. Hij heeft de loopbaan mijner jeugd met doornen -en distelen bezaaid, opdat ik het geluk in later dagen, wanneer ik, -terugblikkend op het verledene, het tegenwoordige genietende, des te -beter zou beseffen en waardeeren. Nu hebt gij mij dikwerf verzekerd, -dat de avonturen die ik beleefde onder een volk, zoo eigenaardig en -eenvoudig naar regeeringsvorm en zeden, wel iedereen moeten boeien, die -gaarne luistert naar een oud man, als deze vertelt van vroeger dagen. - -Ik wil het gaarne gelooven. Maar vergeet vooral niet, dat een -geschiedenis, waarnaar een belangstellend vriend aandachtig en -deelnemend luisteren mocht, veel van hare bekoorlijkheid verliest, als -zij geschreven wordt. Hoe belangwekkend gij ook die avonturen vondt, -toen de stem van hem, die ze beleefde, ze u verhaalde, zij zullen -veel minder de aandacht boeien, als zij in de eenzame kamer gelezen -worden. Jeugdiger levenskrachten en eene krachtiger gezondheid beloven -u een langer leven, dan mij. Sluit dus, bid ik u, deze papieren in de -eene of andere geheime lade van uw lessenaar zorgvuldig weg, tot dat -de scheiding tusschen ons komen zal, die elk oogenblik komen kan, maar -die zeker binnen weinige jaren komen moet. Wanneer wij dan voor deze -wereld gescheiden zijn--om eenmaal naar ik hoop, in betere gewesten -elkaar weer te zien,--dan zal u, dat weet ik zeker, de nagedachtenis -van uw ontslapen vriend u dierbaarder zijn, dan hij het verdient. Maar -dan zal u ook dat verhaal, dat ik thans nederschrijven wil, wel -weemoedige maar geenszins onaangename overdenkingen brengen. Sommige -menschen laten hun geliefden vrienden een beeld hunner gestalte na. Ik -bied u een afschrift mijner gedachten, een beeld mijner deugden en -gebreken. Doch ik hoop, dat gij de dwaasheden en buitensporigheden -mijner jeugd met dezelfde liefderijke verschooning zult beoordeelen, -die gij aan de dwalingen van den volwassen man steeds hebt verleend. - -Dat ik mijne gedenkschriften--zoo ik ten minste aan dit stuk zulk -een weidschen titel mag geven--aan een dierbaren getrouwen vriend -wijd, verschaft mij ook het voordeel, van hier eenige omstandigheden -met stilzwijgen te kunnen voorbijgaan, die ik aan een vreemdeling -noodzakelijk vooraf zou moeten mededeelen. Doch waarom toch zou ik, -al heb ik u nu geheel in mijne macht, al heb ik inkt, papier en -tijd in overvloed, waarom zou ik u al dadelijk op de pijnbank der -verveling brengen? Toch durf ik u niet stellig beloven, dat ik van -eene zoo verleidelijke gelegenheid, om van mij en mijne lotgevallen -te spreken, nooit misbruik maken zal, om omstandigheden te vermelden, -die u bijna even goed als mij bekend zijn. De booze neiging om toch -vooral die voorvallen uitvoerig te verhalen, waarvan wij zelf de -helden zijn, doet ons vaak uit het oog verliezen, wat wij aan den -tijd en het geduld van onze toehoorders schuldig zijn. Die neiging -heeft menigen, anders flinken schrijver tot een vervelenden babbelaar -gemaakt. Ik behoef u in dit opzicht slechts te herinneren aan de -zeldzame eerste uitgave van Sully's »Gedenkwaardigheden." [1] Gij, -met de dwaze ijdelheid van een echten boekverzamelaar, verkiest -die uitgave boven alle anderen, die in gewonen bruikbaren vorm in -den handel werden gebracht. Maar voor mij is ze alleen merkwaardig, -omdat ze mij een treurig bewijs levert, dat ook een groot man, als -de schrijver inderdaad was, zwak en kleingeestig genoeg kan zijn, -om aan zijn eigen ik eene onzinnige hooge waarde te hechten. Als ik -mij goed herinner, dan had die beroemde staatsdienaar niet minder dan -vier geheim-secretarissen met de taak belast, om de gebeurtenissen van -zijn leven op te teekenen, onder den titel: Gedenkwaardigheden van de -wijze en koninklijke staathuishouding, betreffende de binnenlandsche -staats- en krijgskundige aangelegenheden van Hendrik den Vierden enz. - -Toen nu deze heeren hunne bouwstoffen voor dat werk verzameld -hadden, werden deze »Gedenkwaardigheden", waarin alles voorkwam, wat -maar eenigszins belangrijk was uit de lotgevallen van hun meester, -opgeschreven in den vorm van een aan hem zelven gericht verhaal. Hij -schreef niet zooals Julius Cesar, zijne geschiedenis eenvoudig in den -derden persoon. Ook deed hij niet als de meesten die als sprekers of -schrijvers het wagen de helden van hun eigen verhaal te zijn. Neen, -Sully genoot het meer verfijnde, hoogst zeldzame genoegen, dat hij -zich zijne levensgeschiedenis door zijne secretarissen liet voordragen, -terwijl hij zelf de toehoorder, zoo als hij tevens de held, en hoogst -waarschijnlijk de steller van het gansche boek was. Het moet een -kostelijk tooneel geweest zijn, als de voormalige minister, gehuld in -een tabbaart, met kostbaar bont omzoomd, met een breeden halskraag -om, stijf en fraai geplooid, zoo recht als een kaars, met de meeste -deftigheid onder zijn troonhemel gezeten, naar het verhaal van zijne -secretarissen luisterende; als dan die heeren met ongedekt hoofd -voor hem stonden, en met den meesten ernst voorlazen: »Zoo sprak de -hertog--zoo eindigde de hertog zijne rede."--»Dit was het gevoelen van -zijne Excellentie over deze gewichtige zaak--dit was de welgemeende -raad, dien zijne Excellentie den Koning bij deze gelegenheid gaf,--" -louter omstandigheden, die den eenigen toehoorder veel beter bekend -waren dan hun, ja, die zij meestendeels slechts uit zijn eigen mond -konden weten. - -Nu ben ik lang zulk een verheven personage niet als de groote hertog -Sully. Ik heb ook geen vier geheim-secretarissen. Maar toch zou het -vrij dwaas zijn, wanneer Frans Osbaldistone zijn vriend, Willem -Tresham, een breed verhaal ging doen van zijn afkomst, opvoeding -en betrekkingen op dit ondermaansche. Ik zal derhalve den boozen -geest der verleiding bekampen, zoo dapper als ik maar kan, en u niet -vermoeien met bekende dingen. Alleen moet ik u vluchtig het een en -ander in het geheugen terugroepen wat gij trouwens reeds vroeger -geweten hebt, doch door verloop van tijd kunt vergeten hebben, doch -wat van beslissenden invloed op mijn lot is geweest. - -Gij herinnert u zeker mijn vader nog, dien gij in uwe jonge jaren -gekend hebt, toen uw vader zijn compagnon was. Wel zaagt gij hem -niet in zijne beste dagen, vóór dat ouderdom en zwakte zijn vurigen, -ondernemingslustigen geest bijna geheel uitgedoofd hadden. Had hij -dien geest, die schranderheid, dat doorzicht, die hij nu slechts in -koopmansspekulatiën aanwendde, aan de wetenschappen willen wijden, -hij zou hoogstwaarschijnlijk niet zoo rijk, maar niet minder -gelukkig, ja, gelukkiger geweest zijn. Maar de koophandel en de -velerlei afwisselingen daaraan verbonden, hebben, behalve de hoop -op winst, nog iets, wat hem, die wagen durft, vooral bekoort. Wie -deze onstuimige zee bevaren wil, moet aan de bekwaamheid van den -stuurman ook de standvastigheid van den echten zeeman paren. Hij -kan ook dan nog schipbreuk lijden en verongelukken, als de stormen -der fortuin hem niet gunstig zijn. Die gestadige oplettendheid, -dat gevaar, de telkens zich hernieuwende pijnlijke onzekerheid, -of schranderheid de fortuin zal dwingen, dan wel de fortuin alle -plannen der schranderheid verijdelen zal, dit alles geeft aan de -geestvermogens bezigheid, houdt de hartstochten gespannen. De handel -heeft in zekeren zin al het bekoorlijke en boeiende van het spel, -zonder evenwel zoo onzedelijk te zijn. - -Ik was in die dagen, in het begin dezer achttiende eeuw, te -Bordeaux. Ik was ruim twintig jaar oud. Op zekeren dag kreeg ik -van huis het onverwachte bevel, om Bordeaux te verlaten en wegens -eene gewichtige aangelegenheid naar Londen tot mijn vader terug te -keeren. Onvergetelijk is mij het oogenblik van dat wederzien. Gij -herinnert u zeker nog den korten, afgebroken, min of meer strengen -toon, waarop hij gewoon was zijn wil te kennen te geven. Mij dunkt, -ik zie hem nog voor mij. Ik zie nog zijne rijzige, indrukwekkende -gestalte. Ik hoor nog zijn snellen, vasten tred. Nog ziet mij aan -zijn scherp, doordringend oog, zijn echt mannelijk gelaat, waarop -zorgen reeds rimpels hadden gegrift. Ja, ik hoor hem nog spreken. Voor -hetgene hij zeggen wilde, nam hij nooit meer woorden dan volstrekt -noodig was. Maar elk woord was juist gekozen, al werd dan ook zijn -spreektoon onwillekeurig soms wat hard en onaangenaam.... - -Nauwelijks afgestegen, ijlde ik naar mijn vader. Hij wandelde in -zijne kamer op en neer. Zijn gelaat verried ernstig, kalm, diep -nadenken. Zelfs het wederzien van zijn zoon, na een vierjarige -afwezigheid kon dien ernst niet storen. Ik omhelsde hem. Hij was een -goed, maar geen weekhartig vader. Eene sekonde slechts zag ik een -traan in zijn donker oog.--»Dubourg schrijft mij", dus begon hij, -»dat hij over u tevreden is, Frans!" - -»Dit verheugt mij, vader." - -»Maar ik heb daarentegen minder reden het te zijn," voegde hij er -kortaf bij en ging aan zijn lessenaar zitten. - -»Dat spijt mij, vader." - -»Vreugd of spijt, Frans, dat zijn een paar woorden, die in de meeste -gevallen weinig of in het geheel niets beteekenen. Hier is uw laatste -brief." - -Hij nam dien uit een dik pakket papieren, die met een rooden band -samengebonden en nauwkeurig genummerd waren. Mijn arme brief! Hij -handelde over iets dat mij toen diep ter harte ging. Hij was met -zorg geschreven, en wel zoo, dat hij, naar ik dacht, zoo al geene -volkomene toestemming, ten minste deelneming moest opwekken. En daar -lag hij nu, onder allerlei brieven over zaken. Nu moet ik glimlachen, -als ik mij herinner, hoe gekrenkt in mijn eigenliefde, hoe jammerlijk -teleurgesteld ik was, toen ik mijn brief, die mij zoo veel moeite -had gekost, uit dat akelige pak van advies-brieven, aanbevelingen -en dergelijke prullen, zoo als ik ze destijds geliefde te noemen, -voor den dag zag komen. Neen! dacht ik. Een zoo gewichtige en zoo -goed geschreven brief had toch wel eene afzonderlijke plaats, wat -zorgvuldiger behartiging verdiend! - -Mijn vader bemerkte mijn misnoegen niet. Trouwens, al had hij het -bemerkt, hij zou zich er toch niet aan gestoord hebben. Hij vouwde -den brief open en ging voort: »Dat is uw brief van den 21sten der -vorige maand, Frans. Gij bericht mij dat »bij de gewichtige keus -van een beroep voor uw volgend leven, mijne vaderlijke goedheid -u ten minste eene opponeerende stem zal willen vergunnen," dat -gij on.... on.... onoverwinnelijke--(in het voorbijgaan moet ik -u verzoeken, in het vervolg duidelijker te schrijven, en niet te -vergeten, door de t eene dwarsstreep te halen en aan de l van boven de -behoorlijke opening te geven) dus onoverwinnelijke bezwaren tegen het -plan hebt, dat ik u heb voorgesteld. Ditzelfde is in allerlei woorden -op deze vier vol geschreven bladzijden te lezen. Als gij u slechts -meer moeite gegeven hadt, u duidelijk en kort uit te drukken, hadt -gij het zeer goed in vier regels kunnen zeggen. Kortom, Frans! alles -komt daarop neer, dat gij niet doen wilt, wat ik verlang." - -»Dat ik het, in dit geval, niet doen kan, vader! Niet, dat ik het -niet wil." - -»Woordenkeus heeft weinig vat op mij, jonge heer," antwoordde mijn -vader, die zijn onbuigzamen wil steeds met de grootste bedaardheid en -zelfbeheersching te kennen gaf.--»Ik kan niet, klinkt wat beleefder -dan ik wil niet, maar beide uitdrukkingen beteekenen hetzelfde, als -er geene zedelijke onmogelijkheid bestaat. Ik houd er echter niet van, -zaken overijld af te doen. Na tafel spreken wij er nader over.--Owen!" - -Owen kwam. Hij was toen niet de grijsaard met de zilveren lokken, -dien gij gekend en geëerd hebt, mijn vriend. Hij telde toen niet -meer dan vijftig jaren. Maar hij droeg denzelfden lichtbruinen rok, -dezelfde parelkleurige zijden kousen, dezelfde das met de zilveren -gesp, dezelfde fijn geplooide kanten lubben die in onze huiskamer bijna -tot aan zijne nagels kwamen, doch die hij in het kantoor zorgvuldig -onder de opslagen van zijne mouwen verborg, opdat er geen inktvlak -op vallen zou. Het ernstige, deftige, maar goedige gelaat van den -eersten boekhouder van het aanzienlijke handelshuis Osbaldistone en -Tresham knikte mij toe. - -»Owen," zeide mijn vader, toen de goede man mij liefderijk de hand -bood, »gij moet heden met ons eten. Dan kunt ge het nieuws vernemen, -door Frans van onze vrienden te Bordeaux medegebracht." - -Met eene buiging gaf Owen zijn eerbiedigen dank te kennen. In die -dagen, toen de afstand tusschen heeren en bedienden nauwkeuriger dan -thans in acht werd genomen, was zulk eene uitnoodiging geen gering -gunstbewijs. - -Dat middagmaal vergeet ik nimmer! Moedeloos, en zelfs misnoegd, -was ik niet in staat, aan het onderhoud zoo levendig deel te nemen, -als mijn vader zeker verwachtte. Dikwijls gaf ik hem op de vele -vragen, waarmede hij mij bestormde, vrij onvoldoende en verwarde -antwoorden. De goede Owen spande zich in, om zijn eerbied jegens zijn -heer met zijne liefde voor den jongeling, dien hij vroeger op zijn -knie had laten rijden, te vereenigen. Hij trachtte elken misslag in -mijne antwoorden te verklaren; zeide datgene wat ik eigenlijk niet -had gezegd--steeds om mij te dekken. Doch deze manoeuvre joeg mijn -vader nog meer in 't harnas. In plaats van mij voldoende te dekken, -kreeg hij nu menig hard en scherp woord van zijn patroon. Gedurende -mijn verblijf te Bordeaux had ik, wel is waar, het koopmansberoep niet -zoo erg veronachtzaamd, dat ik mij alleen aan sonetten en stanza's, -en in 't geheel niets aan grootboeken, kasboeken, journalen enz. had -gedaan; maar ik was toch, om de waarheid te zeggen, niet verder gegaan, -dan volstrekt noodzakelijk was, om den ouden Franschen handelsvriend -van ons huis, die mij in de geheimen van den koophandel zou inwijden, -in staat te stellen, gunstige berichten omtrent mij te geven. Mijn -hoofdbezigheid bestond voor mij in de taak mij in de letterkunde -en in lichaamsoefeningen te bekwamen. Nu was mijn vader wel geen -verklaarde vijand van dergelijke studiën, want met zijn gezond verstand -begreep hij wel dat zij ieder tot sieraad kunnen zijn en het beroep, -waartoe ik mij, volgens zijn wensch, moest vormen, kon daardoor wel -versierd en veredeld worden. Maar zijn hoofddoel en streven was, -mij niet alleen zijn vermogen na te laten, maar ook de middelen, -om het handelshuis, waardoor de rijke erfenis nog veel vermeerderd -en eenmaal op het nageslacht zou kunnen overgebracht worden. - -Geestdrift voor zijn stand was zijn hoofdrust en hoofdeigenschap. Deze -vooral deed hem bij mij aandringen dezelfde loopbaan te kiezen. Maar -hij had nog andere drijfveeren, die ik eerst later vernam. Voortvarend, -bekwaam en ondernemend in zijne handelsplannen, vond hij in het -geluk van elk waagstuk een nieuwen prikkel en ook nieuwe middelen -tot verdere ondernemingen. Hij was als een eerzuchtig veroveraar, -die meende altijd voorwaarts te moeten gaan, zonder met het reeds -verkregene tevreden te zijn. Hij dacht er niet aan op te houden om -slechts dat, wat hij verworven had, in veiligheid te genieten. O -neen! Gewoon om zijn gansche vermogen in de weegschaal zijner plannen -te werpen, en daarbij vindingrijk in de middelen, die weegschaal in -zijn voordeel te doen overhellen, schenen de gevaren, waaraan hij -zijn schatten blootstelde, hem steeds nieuwe levenskracht te geven, -tot nieuwe werkzaamheid, tot nieuwe plannen uit te lokken. Hij was -als een zeeman, die de golven en den vijand leerde trotseeren, -en daarom den storm of den slag steeds met vertrouwen tegemoet -ging. Toch bedacht hij opmerkzaam de veranderingen die ouderdom of -ziekte bij hem zouden kunnen te weeg brengen. Daarom wilde hij bij -tijds zich van eene hulp verzekeren, die van zijne vermoeide hand het -roer overnemen en volgens zijn raad en zijne aanwijzingen het schip -sturen kon. Zoowel zijn vaderliefde als de wensch, zijne ontwerpen -te bevorderen, brachten hem tot dat besluit. Wel is waar, had uw -vader, waarde Tresham, zijn vermogen in onze zaak belegd. Maar hij -was, zoo als gij weet, een zoogenaamde »stille compagnon." Wat Owen -betreft, deze kon zeker als man van beproefde eerlijkheid en knap -boekhouder, het kantoor belangrijke diensten bewijzen. Maar hij bezat -geen handelstalent genoeg, om hem het oppertoezicht over de zaken te -kunnen toevertrouwen. Als de dood mijn vader onverwachts verraste, wat -zou er dan van die vele plannen worden, waarmede zijn hoofd vervuld -was, zoo niet zijn zoon een handels-Herkules werd, sterk genoeg, om -den last te dragen, welken de vallende Atlas achterliet! Ja, wat zou -er van den zoon zelven worden, indien hij, vreemd in handelszaken, -zich plotseling in den doolhof van koopmansaangelegenheden had -verplaatst gezien, zonder den draad van Ariadne te bezitten, die -hem in den doolhof den weg kon doen vinden. Al deze redenen, deels -openlijk erkend, deels verborgen, hadden mijn vader doen besluiten, -dat ik zijn beroep zou kiezen; en wanneer hij iets vast besloten had, -dan was er geen onverzettelijker man dan hij. Maar ik moest toch -ook gevraagd worden. En nu had ik, die ook nog al stijfhoofdig was, -juist een tegenovergesteld besluit genomen. - -Tot verontschuldiging van mijn verzet, tegen den wensch mijns vaders, -moge strekken, dat ik niet goed begreep, waarom hij juist dien wensch -koesterde, en in hoever zijn geluk daarmede gemoeid was. Ik geloofde -immers voor het heden van een ruim jaargeld, voor de toekomst van -eene rijke erfenis verzekerd te zijn. Het kwam niet bij mij op, te -vermoeden dat ik tot bevestiging van dat geluk mij daarenboven aan -allerlei arbeid en dienst zou moeten wijden, zoo geheel in strijd -met mijn smaak en neiging. In het voorstel van mijn vader, om zijn -beroep te kiezen, zag ik niets dan den wensch, dat ik nog iets zou -voegen bij de schatten, welke hij zelf opgehoopt had. Maar ik meende -dat ik over den weg tot mijn geluk zelf 't best kon oordeelen, en dat -het mij zeer zeker niet gelukkiger zou maken, wanneer ik een vermogen -trachtte te vermeerderen, dat reeds meer dan toereikend was, om mij -elke mogelijke behoefte, ja elk mogelijk levensgenot te verschaffen. - -Geen wonder dan ook, dat ik--ik erken het ridderlijk--mijn tijd in -Bordeaux niet zóó doorbracht, als mijn vader wenschte. Wat hij als -het hoofddoel van mijn verblijf aldaar beschouwde, nam ik als bijzaak -op. Ja, ik zou het, als ik gedurfd had, geheel verwaarloosd hebben. - -Dubourg, die met ons kantoor in voordeelige betrekking stond, was -veel te slim, om in zijne correspondentie over mijn persoon iets -te berichten, wat mijn vader of mij kon mishagen. Ook was het hem -uit baatzucht, zoo als gij later vernemen zult, niet onaangenaam, -dat ik het eigenlijk doel van mijn verblijf ten zijnen huize minder -voor oogen hield. Overigens was mijn gedrag steeds onberispelijk. In -zoo ver kon hij derhalve niets nadeeligs berichten, al ware hij -ook daartoe geneigd geweest. Maar ik mag misschien vermoeden, dat -de geslepen Franschman het ook door de vingers gezien zou hebben, -als ik mij aan iets ergers dan enkel aan lusteloosheid en tegenzin in -handelszaken had schuldig gemaakt. Een gedeelte van mijn tijd wijdde ik -natuurlijk wel aan de beroepsbezigheden. Maar hij liet mij ongestoord -de overige uren bij mijn geliefkoosde studiën doorbrengen. Hij had -er volstrekt niets tegen, dat ik mij liever met Corneille en Boileau, -dan met Postlethwayte's Handelswoordenboek--indien althans die foliant -destijds reeds in de wereld ware geweest, en de heer Dubourg dien -naam had kunnen uitspreken--met Savary, of eenigen anderen schrijver -over den koophandel, bezighield. Elke brief, dien hij over mij aan -mijn vader schreef, eindigde met de verzekering dat ik alles deed -wat een vader van een zoon maar kon wenschen. - -Mijn vader was steeds ingenomen met een spreekwijze, hoe dikwijls -ze ook herhaald werd, als ze maar helder en duidelijk was; Addison -zelf zou voor hem geen zoo aangename en veelbeteekenende uitdrukking -hebben kunnen vinden, als deze: »uwen laatsten heb ik ontvangen en -inliggende wisselbrieven behoorlijk gehonoreerd." - -Daar nu mijn vader zeer goed wist wat ik volgens zijn wensch moest -zijn, liet Dubourg's steeds herhaalde lievelingsuitdrukking hem -volstrekt geen twijfel over, dat ik wezenlijk was wat hij wenschte, -totdat hij in een noodlottig oogenblik mijn brief ontving, waarin -ik met alle mogelijke welsprekendheid er voor bedankte, in mijns -vaders somber kantoor te zitten, zeker hooger dan Owen en de andere -kantoorbedienden, maar nog iets lager dan zijn eigen kantoorstoel. Van -dat oogenblik af was alles bedorven. En Dubourg's berichten werden -evenzoo verdacht, alsof de betaling der op hem getrokken wissels -geweigerd ware geworden. - -Ik werd dus in allerijl naar huis ontboden en ontvangen, zooals ik -u beschreven heb. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - - Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat deze - jonge man met eene akelige kwaal behebt is--met - de zucht tot verzen maken. Als dat zoo is, - dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuin - zal maken door eenig aanzienlijk staatsambt. - Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichten - smeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden. - - Ben Jonson's Bartholomaeus-nacht. - - -Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen -iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren -drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte -hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles -ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoonte steeds -het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter -glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand -van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij -mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra -en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op -zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag, -dat ik niet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der -agio van het Fransche goud op den wisselkoers. - -»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd -heb," zeide mijn vader, die toch onze revolutie [2] had beleefd; -»en de jongen weet er zooveel van als een kruier." - -»De jonge heer Frans," merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden -toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van -den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van -een wissel binnen tien dagen"... - -»De jonge heer Frans," viel mijn vader hem in de rede, »zal alles -weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het -mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van -jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?" - -»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren -een buitengewoon knap mensch!" antwoordde Owen, wiens hart de jonge -Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd -had. - -»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg -wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de -zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten, -dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het -kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn -oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren." - -»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer -Osbaldistone?" vroeg Owen met bevende stem. - -»Ja, en wel terstond, zeg ik!" hernam mijn vader. »Het is al genoeg -dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van -wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen -Franschman er bij, die daarvan profiteert." - -Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle -willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik -voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een -verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in -bekwaamheden, die ik niet bezat. - -»Beste vader," dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten, -niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den -heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid -om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij -moeten trekken. Maar Clement Dubourg..." - -»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige -maatregelen weten te nemen," viel mijn vader mij in de rede. »In elk -geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen; -dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.--Maar den ouden Dubourg," -vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergeven -dat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft -gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt, -en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge -ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid -heeft, zoo als het een Engelschen koopman past." - -»De jonge heer Frans," zeide de boekhouder, even deftig het hoofd -neigend, terwijl hij de rechter hand een weinig ophief--die laatste -beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets -zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt -het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel -van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil, -dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit." - -Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde -mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd -jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een -man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen, -om het verzuimde weder in te halen." - -Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens -waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg. - -»En laat ons dan," ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief -van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd -en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar -schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan." - -Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.-- - -»Het spijt mij," antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende -voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het -voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig -leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag." - -Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen -de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik -te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem, -terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde. - -»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel -hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de -uwe niet." - -»Wezenlijk?" - -»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der -menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche -beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke -leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn." - -»Is het waar?" - -»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor -ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit." - -»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige -geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg's gast -en kweekeling." - -»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht, -maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te -maken." - -»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?" - -»Ja vader." - -»Welnu, haal het eens hier." - -Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns -vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel -opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage -van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er -op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen, -welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch -al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel -aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de -hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband -stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop, -dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn -misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns -vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig -antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk, -toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag--lang folio in -ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,--uit -mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette -handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe -genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende, -eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen -mompelde.--Brandewijn--op fust. Te Nancy. 29. Cognac en Rochelle -27. Bordeaux 52.--»Bravo, Frans, zeer juist!"--»Impost en tolgelden, -zie Saxby's Tabellen."--»Niet goed, wat bij Saxby staat, had -hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen."--Uitvoer en -invoer--lijnwaad--stokvisch--middelvisch--klipvisch.--»Hierbij had ge -moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten als stokvisch ingevoerd -worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?" - -Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe -te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader," -antwoordde ik dadelijk. - -»En een klipvisch?--Vier en twintig--»Zeer juist," hernam mijn -vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat -staat hier?--»Bordeaux gesticht in het jaar.--Chateau Trompette--Paleis -van Gallienus."--Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo'n -soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop, -orders, betalingen, wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen, -kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden." - -»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt," -hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is." - -Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen, -en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij -tot koopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds -niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde -te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een -blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men -losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest -vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu: -»»De zwarte Prins!" Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt -nog grooter domkop dan ik dacht!" - -Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten -neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan, -hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel -hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters -op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot -welke mijn vader behoorde, had--ten minste zij zeide dit--even als -de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename -verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige -verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds -droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen -rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want -overstelpend was Owen's verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als -de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene -in het net geschreven rekening ontdekt ware--het zou hem niet zoo -getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en -stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen, -soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie, -die den dichter diep moest vernederen. - - - Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen, - Die Fontarabie's weerklank wijd doet hooren, - Die 't sneuvelen des krijgsmans meldt? - Die aan den grooten Karel droef verkonde: - Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwondde - Op Spaanschen grond den eed'len Franschen held? - - -»Fontarabie's weerklank," mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd -schudde: »Fontarabie's jaarmarkt had je moeten schrijven! Verkonde met -één d op verwondde met twee d's te laten rijmen, is ook niet fraai.--En -of meldt op held goed rijmt is evenzoo de vraag... En dan Paynims? Wat -is Paynims? Kondet gij niet gezegd hebben Heidenen? Schrijf ten minste -in 't Engelsch, als gij onzin schrijven moet!" - - - 't Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen, - Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden, - Voortijlend angsten zaait en schrik: - Brittannie's zwaard dat Frankrijk's trots deed bukken. - Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukken - De held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik. - - -»Precies! »Vleugelen des winds", dat is prachtig!" - - - »»Heft op--mijn stervend hoofd,"--zoo spreekt, naar adem hijgend, - De eedle prins, met moeite zich nog nijgend - Tot 't riddertal in breeden kring geschaard. - »Richt mij nog even op--dat ik den glans der zonne - --Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne, - Nog even zie,--voor 'k scheide van deze aard!" - - -»Maar dat is glad mis, dat gij Garonne op zonne laat rijmen. Weet -ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans; -je verstaat je ellendig ambacht niet eens!" - - - »»O ziet!--als ik--ook zij--slaapt zachtkens in. - Omhult--het hoofd zich nog, met zorgenvollen zin - Van avonddauw omgeven..... - Zoo zullen--als drupplendauw--de tranenpaarlen schittren - Als Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre: - Haar Zwarte Prins liet hier het leven!" - - De zonne zinkt!... De zon ook van mijn roem! - Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem, - In 't land der Britten en der Franschen, - Dan zal 't ons Albion aan Helden nooit ontbreken. - Als sterren talloos aan de hemelstreken - Heldhaftig schittrend in haar glanzen." - - -»»Heldhaftig schitterende sterren!" dat is wat nieuws! Waarachtig, -Frans! de nachtwacht doet het mooier!" - - - -En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde -het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter -domkop dan ik dacht!" - -Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis, -terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De -goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht, -alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in -de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik -bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem -zou niet verraden wat in mij omging. - -»Vader! ik zie maar al te goed," begon ik, »hoe weinig ik in staat -ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te -vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij -daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere -hulp zijn."--Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde, -dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had. - -»Owen?" viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol, -razend! Maar--welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig -naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied -verwacht.--Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk -uwe wijze plannen?" - -»Met uw goedvinden," zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een -paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is, -een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!" - -»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou -het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En -nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer -gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton, -om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe -les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen." - -»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor -mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren." - -»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild." - -»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen." - -»Den duivel zoudt gij kiezen!" riep mijn vader driftig uit. Maar -zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek, -als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?" - -Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.-- - -»Hoor eens, Frans," begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had -uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik -mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur -en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden -afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel -Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van -het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of -mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds -heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft -kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij -nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen." - -»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden -handelen," zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig. - -»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren -vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit -te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel -zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb, -is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!" - -»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!" riep Owen, en de -tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet, -gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf -de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en -als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op de creditzijde plaatst, -dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen." - -»Meent gij dan," vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal -moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wil -zijn--of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen, -ik dacht, dat gij mij beter kendet!" - -Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde -zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste -woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan -de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien -hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij -misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn. - -Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders -halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik -in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang -van mijn misslag.--Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen -op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan, -alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op -zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te -bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer -Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een -jong mensch!--Om 's Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en -credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk -vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem -bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder -de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans, -gij kunt u rollen in het goud! Is er," vervolgde hij zachtkens, -»misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor, -dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen, -wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch; -herinner u, wat er geschreven staat: eert uwen vader, opdat het u -wel ga, en uwe dagen verlengd worden." - -»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht," zeide ik, »maar mijn -vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt -van een mijner neven--welnu, hij moge met zijne schatten doen, -wat hem goed dunkt--ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud -te verkoopen." - -»Wat zegt ge? Wat goud?--Ge moest de balans van het laatste kwartaal -eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers -uitgedrukt--vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist -ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan -iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek -geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch, -neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens, -hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone, -of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham; -want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!" - -»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone, -en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken." - -»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw -neef--ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en -natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis--dat is heel -iets anders!" - -»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden," -hernam ik. - -Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader -weder binnentrad.--»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!" zeide -hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans, -heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over -deze gewichtige zaak. Denk er over na." - -Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden, -dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had. - -De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik -ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn -vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd -eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden; -bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar -aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou -geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en -andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende -gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent -een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het -mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij -willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij -niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen, -dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke -omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde -mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de -goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van -allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht -niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn, -zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar -zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan -zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij -wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou -eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg -der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten -voor eenige weken. Dit laatste--zoo dacht ik verder--zou mij zelfs -aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog -onvoltooide vertaling van Ariosto's Razende Roeland te voltooien, -welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die -gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen -zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer's versmaat, waarin hij zijne -Tooverkoningin bezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne -kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!" trad Owen in het vertrek. In -zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij -thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping -van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog -kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken. - -»Mijnheer Frans," aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename -verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat, -wat ik doe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt, -moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den -pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar--de jonge -Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee -dagen weder terug." - -»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?" - -»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene -geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want -zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij -geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is." - -»Gelooft gij dat waarlijk?" vroeg ik, min of meer onthutst. - -»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne -nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te -York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach, -mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk -een man en een koopman!" - -Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te -onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht -geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te -vervullen. Maar trots--die bron van zoo veel goed en kwaad in ons -leven,--mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij -niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf -om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen -riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid -was voorbij. - -In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden -dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren, -herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden, -en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu -eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve -manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding -te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij -door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar -onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig, -als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan -zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man -onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof, -dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel -tot een veranderd besluit verwachtte. - -Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm -tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat -het zoo zou afloopen?"--En nu wendde hij zich even bedaard tot mij: -»Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans -even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te -beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer -hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot -uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen, -moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt, -waarbij gij op mijne hulp rekent?" - -Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen -eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk -door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer -matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak, -waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij -zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken. - -»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch -uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop, -op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor -zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn." - -Ik wilde spreken.-- - -»Wees zoo goed en zwijg!" hernam mijn vader.--»Ik verzoek u naar -Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne -zonen--ik meen, dat hij er zes heeft--heb ik dengenen uitgekozen, -die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op -mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter -nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid -misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op -het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder -van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed." - -En hiermede verliet mijn vader de kamer. - -»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?" vroeg ik den deelnemenden -vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las. - -»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans--dat is de -historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er -van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit -te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening." - -Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik, -met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg -naar York in. Ik begon--zooals het scheen--den eersten stap te doen, -en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf -te ontnemen en aan een ander weg te schenken. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - - Hoe klapperen de zeilen, - Hoe zinkt en rijst de boot! - Het roer en riem verdwenen! - In eenen stormwind stoot - Een speelbal van de golven - Een lek! de kiel in nood! - - Gay's Fabelen. - - -Waarde vriend! als ge boven de hoofdstukken van dit belangrijk -geschrift versjes of spreuken leest, dan dienen deze, om u opmerkzaam -te maken op den inhoud van mijn verhaal. Wat nu hierboven staat, -spreekt van een ongelukkigen zeeman, die onvoorzichtig met zijne boot, -zonder tegen stroom in te kunnen sturen, in zee was gestoken. Een -schooljongen, die zulk een waagstuk, in scherts of uit overmoed, -ondernomen had, kon, door den stroom voortgesleept, in geen grootere -verlegenheid zijn, dan ik mij bevond, toen ik zonder kompas op den -levensstroom ronddreef. De kalme bijna onbegrijpelijke gemakkelijkheid -waarmee mijn vader een band, dien men doorgaans als den allersterksten -beschouwt, verbroken had, de minachtende wijze waarop hij mij als het -ware uit zijn huis had gebannen--dit alles maakte, dat de gunstige -dunk, dien ik omtrent mijne persoonlijke hoedanigheden koesterde, -werkelijk begon te verminderen. Prins Mooi, in het bekende sprookje, -nu eens prins, dan weder een visscherszoon, kon door zijne vernedering -niet zoo deerlijk uit het veld zijn geslagen, als ik het was. Ach! Onze -eigenliefde doet ons zoo gaarne al die bijzaken, welke ons in onze -welvaart omgeven, als ons wettig eigendom beschouwen, en als dan -de ontdekking komt van onze nietigheid, wanneer wij geheel aan onze -eigen hulpmiddelen overgelaten zijn, dan voelen we ons zoo vernederd. - -Het gedruisch der bedrijvige hoofdstad werd al flauwer en -flauwer. Het verwijderde gelui der klokken scheen mij meer dan eens een -waarschuwend: »keer terug!" toe te roepen. Van de hoogte van Highgate -zag ik op de in nevels gehulde pracht der hoofdstad neder. En het -was mij te moede, alsof ik aan rijkdom, levensvreugde, ja aan al de -genoegens en genietingen van het gezellige leven daar ginds in mijn -beminde vaderstad, voor eeuwig vaarwel had gezegd. - -Maar het lot was beslist. Ik kon onmogelijk omkeeren! Hoe zou ik ook -mogen verwachten, dat eene zoo late en half gedwongen onderwerping mij -nu zou weergeven wat ik reeds had opgegeven. Integendeel, dacht ik, -de onbuigzame wil van mijn vader zou door eene onwillige toetreding tot -zijne wenschen meer vertoornd dan verzoend worden. En mijne trotschheid -fluisterde: wat armzalige figuur zoudt ge maken, als reeds nu, vier -mijlen van Londen, een windje van frissche landlucht een ernstig -overleg van vier weken had weggewaaid. Bovendien, de hoop, die den -jongeling en den moedigen man nooit verlaat, deden mij mijne uitzichten -schitterend opsieren. Het was immers onmogelijk, dat mijn vader -voornemens zou zijn, mij voor altijd van zich te verwijderen? Neen, -het was slechts eene beproeving van mijne gezindheid. Als ik mij in -deze beproeving maar geduldig en standvastig gedroeg, dan zou ik -in mijns vaders achting rijzen, en dan zou er juist zeer licht de -hartelijkste verzoening op volgen. Reeds overlegde ik, in hoe verre -ik hem toegeven, en welke voorwaarden van ons verdrag ik als stellig -en volstrekt onveranderlijk bepalen zou. Naar mijne berekeningen zou -het gevolg dan eindelijk zijn, dat ik in al de rechten eens zoons -hersteld werd. De eenige lichte straf, voor mijne weerspannigheid, -zou zijn dat ik op enkele punten schijnbaar de minste zou moeten zijn. - -En zie! in afwachting van die aangename toekomstige verzoening, -was ik nu mijn eigen heer en meester. Ik smaakte het genot van eene -volkomen onafhankelijkheid; iets dat het hart van een jongeling steeds -met vreugde ofschoon tegelijk met vrees vervult. Mijne beurs was -weliswaar niet al te goed voorzien; maar ik kon toch de wenschen en -behoeften eens reizigers ongeveer bevredigen. Ik had mij in Bordeaux -reeds eraan gewend zonder bediende te zijn. Mijn paard was gezond, -jong en levendig. Mijne opgewekte gemoedsstemming verdreef dan ook -spoedig de sombere beschouwingen, waarmede ik mijne reis aanvaard had. - -Opwekkender ware het zeker geweest, indien ik op mijn weg meer -afleiding had gevonden. Maar het noorden van Engeland leverde -toenmaals, en misschien ook thans nog, niets bekoorlijks voor een -reiziger op. Ja, ik geloof, waar men ook door het Britsche rijk -reist, men overal meer afwisseling vindt dan hier. Evenwel, hoeveel -luchtkasteelen ik in mijne ijdelheid voor de toekomst bouwde, -mijne gelukkige stemming werd steeds minder. Zelfs de Muze, de -beminnelijke, die mij naar deze woestenij gelokt had, verliet mij, -even als hare zusters plegen te doen, in het oogenblik van nood. Ik -zou volslagen mismoedig zijn geworden, als niet van tijd tot tijd -een gesprek met reizigers, die denzelfden weg gingen, mij had -afgeleid. Overigens waren de menschen die mij ontmoetten, over het -geheel vrij onbeteekenend: dorpsgeestelijken, die van een bezoek in -de stad huiswaarts keerden; pachters of veehandelaars, die van deze -of geene jaarmarkt terugkwamen; kantoorbedienden, die in de kleine -steden uitstaande schulden hadden ingevorderd, of soms een officier, -die op werving uitging. Ons gesprek liep dus meestal over tienden, -geloofszaken, rundvee, graan, natte en droge waren, slechte betaling -van kleine winkeliers, soms zelfs kwam een beschrijving van een beleg -of van een veldslag in de Nederlanden, die de verhaler misschien -ook slechts uit de tweede hand had. Rooversgeschiedenissen, eene zoo -vruchtbare en belangrijke stof, vulden elke gaping. Met de namen van -den »Gouden Pachter," den »vliegenden straatroover Jack Needham" en -van andere helden uit de Bedelaars-Opera werd ik even familiaar als -met allerlei van de meest gewone onderwerpen uit het dagelijksche -leven. Kinderen schuiven gewoonlijk dichter bij den haard, als een -spookgeschiedenis haar toppunt bereikt. Zoo reden ook mijne reizigers -bij zulke rooververhalen dichter naast elkander, onderzochten het -slot hunner pistolen, en beloofden elkander bijstand in elk gevaar, -eene belofte die gelijk zoo menige offensive en defensive alliantie, -glad vergeten wordt, als het gevaar werkelijk komt. - -Onder hen, die door zulke schrikbeelden 't allermeest vervolgd werden, -verschafte een, die anderhalven dag lang mijn reisgenoot was, mij -het grootste vermaak. Achter op zijn zadel had hij een zeer klein, -maar naar het scheen zeer zwaar valies, waarvoor hij zoo bezorgd was, -dat hij het nooit uit de handen gaf. Voor den dienstvaardigen ijver -der knechts uit de herbergen, die zich aanboden om het in huis te -dragen, had hij steeds het antwoord: »Ik zal het zelf wel dragen." Even -voorzichtig trachtte hij niet alleen het doel zijner reis, maar zelfs -den weg, welken hij inslaan wilde, te verbergen. Niets maakte hem meer -verlegen, dan wanneer men hem vroeg, of hij links of rechts moest, -en waar hij zijn paard dacht te voeren. Zijn nachtverblijf onderzocht -hij met de meest angstige zorgvuldigheid. Hij vermeed alle eenzame en -andere huizen, die hij voor gevaarlijk hield. In Grantham waakte hij, -geloof ik, een ganschen nacht, omdat in de kamer naast de zijne een -zwaarlijvig, scheel ziende reiziger sliep met eene zwarte pruik en een -verbleekt rood kamizool met gouden galon bezet. Ondanks dien angst, -was mijn reisgenoot, naar zijne forsche gestalte en gespierde leden -te oordeelen, een man, die elk gevaar wel onder de oogen zou kunnen -zien. Uit zijn hoed met goud en de kokarde maakte ik op dat hij een -voormalig officier was, of ten minste iemand, die tot de krijgsmacht -in betrekking stond. Zijne taal en vorm waren overigens vrij plat, -maar toch niet onverstandig; vooral als de schrikbeelden, die zijne -verbeelding verontrustten, voor een oogenblik geweken waren. Maar -iedere toevallige aanleiding riep ze hem terstond voor den geest. Eene -kale heide, of wat dicht struikgewas, gaf hem dadelijk bezorgdheid. Als -een herder vroolijk floot, meende hij het sein van eene rooversbende -te hooren. Zelfs het gezicht van eene galg bewees hem, wel is waar, -dat de gerechtigheid ten minste één roover onschadelijk had gemaakt, -maar herinnerde hem tevens, hoe vele er nog onopgehangen rondzwierven. - -Het gezelschap van dien man zou mij ten slotte lastig zijn geworden, -zoo niet mijne eigene gedachten mij nog veel lastiger waren -geweest. Sommige van zijne zonderlinge verhalen hielden mij bezig, -en eene andere gril, die hij had, gaf mij soms gelegenheid, om mij -op zijne kosten te vermaken. Onder de ongelukkige reizigers, die -volgens zijne vertellingen, in de handen van roovers waren gevallen, -hadden vele hun droevig lot aan de onvoorzichtigheid te wijten, -waarmede zij zich op den grooten weg bij welgekleede reizigers -voegden, van wie zij bescherming en een gezellig onderhoud hoopten -te zullen genieten. Die sluwe schelmen hadden dan de argeloozen met -allerlei verhalen en liedjes gerustgesteld, hen in de herbergen voor -bedrog en valsche rekeningen bewaard, tot zij eindelijk, onder het -voorwendsel van een naderen weg over eene eenzame heide te willen -aanwijzen, hunne slachtoffers van den grooten weg af op een zijpad -lokten, waar, op het geluid van een fluitje, de overige roovers -uit hunne schuilhoeken te voorschijn snelden, en de zoogenaamde -reisgezel zich als de kapitein eener bende bekend maakte, aan welke de -onvoorzichtige reiziger zijne goederen, misschien zelfs zijn leven, -moest offeren. Als nu mijn reismakker bij het einde van zulk een -vertelseltje het angstzweet op het voorhoofd parelde, dan keek hij -mij gewoonlijk met een oog vol twijfel en argwaan aan, als vreesde -hij dat hij zelf in het gezelschap van zulk een gevaarlijk wezen was -geraakt. Werden dergelijke vermoedens dan wakker in hem, dan reed hij -terstond aan den anderen kant van den weg, keek voor zich, achter zich, -rondom zich, onderzocht zijne pistolen, en scheen zich tot de vlucht -of tot verdediging voor te bereiden, naarmate de omstandigheden het -een of het ander mochten vereischen. Ik voor mij amuseerde mij. - -Bij zulke gelegenheden scheen echter zijn verdenking jegens mij niet -lang te duren. Ze kwam mij trouwens veel te koddig voor, dan dat ik -mij daardoor beleedigd achtte. Er was wel, noch in mijne kleeding, -noch in mijne houding iets, dat in mij een roover had kunnen doen -vermoeden. Maar in die tijden kon iemand best het voorkomen van een -fatsoenlijk man hebben en toch een struikroover zijn. De verdeeling -der werkzaamheid in de verschillende middelen van bestaan was toen -nog zoo regelmatig niet als thans. De sluwe, welopgevoede avonturier, -die bij het dobbelspel of in de kegelbaan den goeden lieden het -geld afwon, was niet zelden tevens struikroover, die den reiziger -op de heide of op een eenzamen weg aanrandde, en hem zijn beurs -afvorderde. Ook heerschte in die tijden nog veel ruwheid van zeden, -later meer verzacht en beschaafd. Ja, het komt mij voor, dat drieste -lieden destijds veel minder afkeer ervan hadden dan thans, om door -een stouten roof hunne vervallen zaken te herstellen. De tijden -waren voorbij, toen Anthony-A-Wood treurde over de doodstraf van -twee welopgevoede mannen, mannen van moed en gevoel van eer, maar die -toch te Oxford zonder genade opgehangen werden, omdat de nood hen had -gedwongen struikroovers te worden. Op de wijd uitgestrekte heivlakten -in den omtrek der hoofdstad en zeker in de minder volkrijke, afgelegen -oorden, vond men vele roovers te paard. Zij dreven hun handwerk met -zekere wellevendheid. Zij lieten er zich, zoo als Gibbet in het bekende -blijspel zegt, nog heel wat op voorstaan, de beschaafdste lieden op -'s heeren wegen te zijn, en in de uitoefening van hun beroep zich -met alle mogelijke kieschheid te gedragen. Een jongman in mijne -toenmalige omstandigheden kon wezenlijk over het misverstand, voor -een dezer hoogaanzienlijke roovers te worden aangezien, in de verste -verte niet beleedigd zijn. - -Ik was dan ook niet boos, ik vond er pleizier in, den argwaan van -mijn vreesachtigen reismakker nu eens op te wekken, dan weder in -slaap te wiegen. Opzettelijk deed ik soms dingen die dienen konden, -zijn verstand in de war te brengen, dat van natuur niet tot het -sterkst behoorde en door den angst nog verzwakt werd. Had ik hem door -een vertrouwelijk en openhartig gesprek volkomen gerustgesteld, dan -behoefde ik slechts, als ter loops, te vragen, hoe ver hij dien dag -voornemens was te reizen, of wat het doel zijner reis was, om zijn -argwaan terstond weder gaande te maken. Zelfs een geheel onverschillig -gesprek nam soms eene voor hem hoogst verontrustende wending. Zoo -praatten wij eens over de kracht en snelheid van onze paarden. - -»Wel zeker," zeide mijn reisgenoot, »wat den galop betreft, dat erken -ik gaarne, daartoe is uw paard bij uitstek goed. Het is inderdaad een -fraaie ruin. Maar een harddraver is hij niet; daartoe staat hij niet -hoog genoeg op zijne pooten. De draf, mijn waarde heer, de draf is de -ware gang voor een rijpaard. Als wij hier dicht bij eene stad waren, -zou ik het bruintje op een effen weg wel eens willen toetsen--ja, -om eene flesch wijn, in de naaste herberg te drinken, zou ik mijn -paard durven wedden." - -»Top, mijnheer!" antwoordde ik; »de weg is hier effen genoeg." - -»Ja, ja,"--hernam mijn reisgezel aarzelende, »maar eens voor altijd -heb ik het mij op reis tot eene vaste wet gemaakt, mijn paard tusschen -twee pleisterplaatsen nooit in het zweet te jagen: men kan niet weten -wat er gebeuren kan. Men kan onverwachts zich genoodzaakt zien, van -het goede beest wat meer te moeten vergen. En als het afgereden is, -dan helpen zweep en sporen niet. Daarenboven dienen de beide paarden -even veel te dragen, en het uwe draagt ten minste tachtig pond minder, -dan het mijne." - -»Goed; gaarne wil ik het ontbrekende gewicht opnemen. Hoe zwaar zou -uw valies wel wegen?" - -»Mijn va--va--valies?" hernam de arme man sidderende,--»och, dat heeft -eigenlijk volstrekt geen gewicht--het is zoo licht als een veer--een -paar hemden, twee paar kousen--" - -»Het ziet er echter vrij zwaar uit. Ik wed om eene flesch besten -portwijn, dat het juist even zwaar weegt, als ons beider gewicht -verschilt." - -»Gij vergist u, mijn waarde vriend, waarachtig, gij vergist -u!" hervatte mijn reisgezel en stak dadelijk met zijn paard naar den -anderen kant van den weg, zooals hij steeds deed als hij angstig werd. - -»Welnu, gaat onze weddingschap door?" vroeg ik, om hem te plagen. »Tien -tegen vijf pond: Ik neem uw valies op mijn paard, en gij zult mij -toch niet bijhouden." - -Dit voorstel deed zijn angst ten toppunt stijgen. De natuurlijke -koperkleur van zijn neus, gevolg waarschijnlijk van rooden wijn -of sterken drank, veranderde in een vaal bleek. Hij klappertandde -van schrik over mijn voorstel, waarin hij den vermetelen roover -in al diens onbeschaamdheid meende te ontdekken. Toen hij met zijn -antwoord aarzelde, deed ik hem spoedig weder wat ruimer ademhalen, -door hem naar een kerktoren te vragen, dien wij in het gezicht kregen, -en door tevens de aanmerking te maken, dat wij nu, in de nabijheid -van een dorp, geen gevaar meer liepen, om in onze reis op den grooten -weg gestoord te worden. Zijn gelaat helderde toen wat op. Ik bemerkte -echter duidelijk, dat het lang duurde eer hij een zoo verdacht voorstel -kon vergeten. Gij vraagt, denk ik, waarom ik zoo uitvoerig van al zijn -eigenaardigheden spreek? Welnu de kennismaking met dezen reiziger en de -daarmede gepaard gaande omstandigheden hadden, ofschoon onbelangrijk -op zich zelf, een gewichtigen invloed op mijne latere lotgevallen -uitgeoefend. Zijne houding wekte nu slechts mijn spot. Zij bevestigde -mij in mijne meening, dat onder alle zaken waarmede de menschen zich -zelven kwellen, geene is, zoo lastig, zoo pijnlijk voor zichzelf en -anderen als ongegronde angst. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - - "De Schot is een arme zot", zegt trotsch de Engelschman. - 't Mag zijn.--De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht. - Maar waarom zijt gij dan nog boos, - Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren? - - Churchill. - - -Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het -reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd -is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in -zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk, des -Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de -reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de -weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze -medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van -deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid -was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op -dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn -dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch -en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door -allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen -gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op -kosten van zijn waard te genieten.--Gewoonlijk was dan het bestellen -van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer -te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd. - -Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke -tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens -de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te -zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in den -Kouseband, in den Leeuw of in den Beer dankbaar aan te nemen. Het -was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer -aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was -te bedienen,--hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom -welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van -gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten -uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de -predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te -verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende -beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige -tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof -te vinden was. - -Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker -onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer" te Darlington, -in het bisdom Burham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die -als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit -Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken. - -»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?" vroeg mijn reisgenoot snel; -hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg," -alias straatroovers. - -»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb," hernam de -waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis -voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man, -een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland -kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is." - -»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn," zeide mijn reismakker, -zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in -hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin -en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maar bij mij -heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven -een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde -is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de -oudste tijden af, ten eenen male onbekend is." - -»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets -te stelen," viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne -eigen geestigheid. - -»O neen, kastelein!" riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je -Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt, -verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een -monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer -te verdienen valt." - -»Best geantwoord, vriend Campbell!" hernam de kastelein. »Ik dacht -waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en -weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat -me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?" - -»Zoo als gewoonlijk," antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen -en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht." - -»Maar verstandige lieden en gekken willen 's middags ook wel wat eten," -merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch, -waarvan ge de weêrga niet vinden zult!" - -En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn -gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner -gasten flink te vullen. - -Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het -was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van -mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de -Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op -dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De -oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard -geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit -noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan -familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als -William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste -bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte -lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben, -dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans -onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij -dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne -verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit -opzicht zouden overeenstemmen. Maar,--zooals het den verstandigsten -mensch wel eens gaat,--zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans, -verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was, -dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster, -de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit -Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin -hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde -hij voor de oude Margaretha Rickets een kamertje in zijn huis in. Na -den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen, -mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit -met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over -de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te -spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen -harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen, -die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde -veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die -goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende, -en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol -rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan -hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog, -hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze -vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede -zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,--ik wil het wel gul -bekennen--dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste -gezangen uit een Opera. Ik herinner mij nog die woorden: - - - »Ja, de eik en de esch, en het groene klimop - In Northumberland groeien zij zoo weelderig op!" - - -In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de -verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De -bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de -rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens -die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas -uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone's, -een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een -feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd -de Schotsche Duivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle -jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen -van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die -woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van -dien naam, had, even als Achilles de maagden Chryseïs en Briseïs, -de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had -hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die -door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de -eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden, -waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht, -maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die -Noordsche roovers voortgekomen. - -Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne -kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke -landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt -door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond -namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche -eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel -geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen -te sluiten, en ook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout -te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door -hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten, -die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne -verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan -het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom, -de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden, -en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten -beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een -bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was -in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig, -gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede -hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene -oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden -zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden -even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze -hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van -wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het -waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander, -twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens -elkaar bezield, thans staatkundig verbonden. - -Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik -ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte -ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat -volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de -rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, -en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende -manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat, -om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook -meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele -aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk -te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste, -was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die -hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had, -wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel -fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen -van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden, -was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden, -zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in -vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En -toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij -het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid -behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of -vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over -het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den -ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen, -die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich -in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij -zeggen, noch betwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en -zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te -doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te -opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell's -gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit -kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het, -hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van -de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo -tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij -goede opvoeding verkregen. Ten opzichte der laatstgenoemde scheen -hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, -dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel -beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van -Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist -het bestuur van dat land was opgedragen [3], en van al de overige -Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen -verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar. - -Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep -stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest, -geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en -gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de -Whig's en Tory's zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor -het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde -Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in -den persoon van koning George den troon had bestegen [4]. Elke kroeg -weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard -uit den »Zwarten Beer" veel te wellevend, om zijne goede klanten door -tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun -stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten -kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende -staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein -mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch -aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat -hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke -kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn -kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een -winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op -te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche -troonsopvolging. - -Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook -de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij -zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk, -dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.--»Gij zijt een -Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het -erfelijke recht optreden!" riep de eene partij.--»Gij zijt immers -een Presbyteriaan," schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een -verdediger van willekeur zijn!" - -»Mijne heeren," zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite -deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning -George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank, -welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den -ontvanger der belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend -Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets -tot belooning overschieten voor dien heer dáár, die liever op zijn -valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar -vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het -goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen -apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard -aan onzen vriend dáár toevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert -Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn -zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan -onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder -de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch -hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben." - -Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein -mengde er zijn »bravo!" ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde -tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij, -dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil -van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was, -ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die -hem eens op weg overvallen hadden. - -»Hola, vriend Jonathan!" viel Campbell hem in de rede: »gij vergist -u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards, -tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou -hebben durven wagen." - -»En hebt gij dan," vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij -steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,--»en hebt gij -dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?" - -»Nu ja!" antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad, -om er zooveel ophef van te maken!" - -»Waarlijk," hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van -uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar -het noorden?" - -Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij -iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even -vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.--»Wij -kunnen wel niet met elkander reizen," antwoordde hij kortaf; »gij -hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een -Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft." - -Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen -hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij -afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe, -vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde, -dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze -van hem poogde te ontslaan. - -»Ik wil al uwe reiskosten betalen," zeide hij op een toon, als hield -hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen -van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd. - -»Ik bedank u hartelijk!" hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik -kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier -en daar misschien lang moeten ophouden." - -»Och, ik heb ook volstrekt geen haast," antwoordde mijn makker: »gij -kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest. In zulk aangenaam -gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten." - -»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen -schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen," zeide Campbell. »Ik reis," -voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden -raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden, -en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt." - -En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van -zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij -toe. »Uw vriend," zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk -te verrichten heeft, veel te openhartig." - -»Gij vergist u," antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner -vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik -ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt -zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik." - -»Och," hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig -toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er -niet van gediend willen zijn." - -»Waarschijnlijk weet die mijnheer," antwoordde ik, »zelf het best -wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over -te vellen." - -De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en -het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar. - -Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik -verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts -in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich -verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne -bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij -zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - - Mij klopt het hart, als ik de schoone fee, - Des eilands trots en roem aanschouwe, - Voort, in galop, op 't fiere ros. - - De Jacht. - - -Al dichter het noorden van Engeland naderend, gevoelde ik iets als -liefde tot dezen mijn geboortegrond in mij opkomen. En daarbij voegde -zich de geestdrift, waarmede eene schoone natuur den opgewekten mensch -bezielt. De bergstroomen, die nu dien naam zeker verdienden, kropen -niet meer voort tusschen riet en wilgeboomen, maar stortten zich van -de hoogten naar beneden, nu eens sneller, dan weer langzamer vloeiend, -door eenzame valleien, die den reiziger schenen uit te lokken af te -dalen in haar verborgen plekjes. - -Donker en trotsch, verhieven zich voor mij de Cheviot-bergen, wel -boden zij niet die afwisseling der primaire rotsen en klippen-vorming, -maar zij waren grootsch, met afgeronde koppen, gehuld in roodachtig -bruine kleuren. Door hunne uitgestrektheid en woestheid grepen zij -met eigenaardigen indruk in het gemoed. - -Mijn voorvaderlijk landgoed, dat ik naderde, was in een eng dal gelegen -tusschen deze heuvels. Uitgestrekte landerijen, die vroeger tot het -geslacht der Osbaldistones behoord hadden, waren door de verkwisting -mijner voorvaderen verloren gegaan, maar er bleef nog genoeg over om -mijn oom den naam te geven van groot landbezitter. Zijn vermogen werd -besteed, zoo als ik onderweg vernam, grootendeels om de onbekrompen -gastvrijheid van die dagen te handhaven. Hij achtte dit voor het -aanzien van zijne familie een noodzakelijke plicht. - -Uit de verte van den top van een heuvel had ik reeds een blik kunnen -werpen op het kasteel Osbaldistone. Het was een groot, ouderwetsch -gebouw, midden in een woud van overoude eiken gelegen. Langs een -slechten, kronkelenden weg reed ik er op af, toen mijn paard op eens de -ooren opzette. Ik hoorde het vroolijk geblaf van een paar jachthonden, -nu en dan aangemoedigd door het geluid van een horen. Die was toen -onmisbaar op de jacht. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of het waren -honden van mijn oom. Ik hield stil om de jagers voorbij te laten gaan, -want op het jachtterrein moet men geen jachtliefhebbers ophouden. Ik -nam dus het besluit, zoodra de stoet voorbij was, naar het huis te -rijden en den terugkeer van den eigenaar af te wachten. - -Op eene kleine hoogte hield ik mijn paard in, daar niet zonder -belangstelling uitziende naar de jacht, hoewel ik in dien tijd nog -weinig zin voor dat genot bezat. Dat ik evenwel met eenig ongeduld -de aankomst der jagers afwachtte, spreekt van zelf. - -Het eerste wat ik zag, was de vos, vermoeid en haast uitgeput. Hij kwam -uit het kreupelhout aan de rechterhelling van het dal. De hangende -staart, de bezoedelde huid en de wankelende gang kondigden zijn -naderend lot aan, en de kraai die reeds boven hem zweefde, scheen het -arme dier reeds als zijn zekeren buit te beschouwen. De vos trok over -de beek, die onder in het dal vloeide. Juist sleepte hij zich door een -rotskloof aan den anderen kant van het water, toen de voorste honden -verschenen, gevolgd door al de overigen, daarna door den jagermeester -en drie of vier ruiters. De honden vervolgden dadelijk het spoor van -den vos. De jagers zetten hen snel en moedig achterna, zonder te letten -op het oneffen en steile terrein. Het waren groote flinke jonge mannen, -goed bereden, en in groen en rood gekleed; dit waren de kleuren eener -jachtvereeniging door den ouden sir Hildebrand Osbaldistone gesticht. - -»Zoo zoo," dacht ik, toen zij voorbijvlogen. »Dat zijn nu mijne -heeren neven! Hoe zullen deze waardige opvolgers van Nimrod mij -wel ontvangen? Waarschijnlijk zal ik, die niets van die soort van -genoegens weet, mij niet op mijn gemak noch gelukkig gevoelen in het -huis van mijn oom!" Eene nieuwe verschijning stoorde hier eensklaps -dien gedachtengang. - -Het was eene jonge dame, aan wier liefelijke gelaatstrekken het -jachtvermaak en de gloed, waarmede de vermoeienis hare wangen kleurde, -dubbele bekoorlijkheid schonk. Zij bereed een prachtig pikzwart -paard, welks borst bedekt was met sneeuwwit schuim, afdruipend van -het gebit. Hare eenigszins zonderlinge kleeding bestond in een rok, -vest en hoed, geheel naar het fatsoen van een heeren-costuum. Die -dracht, was gedurende mijn verblijf in Frankrijk ingevoerd en dus -mij wel bekend. Haar lang donker haar, dat onder het rijden uit den -band, die het samenhield, was los geraakt, fladderde in den wind. De -oneffen grond, waarover zij met bewonderenswaardige bedrevenheid -en tegenwoordigheid van geest haar paard wist te leiden, stremde -min of meer haar snelle vaart, en zoo kwam zij dichter bij mij, dan -een der overige jagers. Ik kon dus van nabij hare schoone gestalte -beschouwen. Door de opgewektheid van de jacht, door het romantische van -haar kostuum maakte hare plotselinge verschijning sterken indruk op -mij. Zie! op het oogenblik, dat zij mij voorbijvloog, deed haar wild -paard een zijsprong, doordien zij op vlakken bodem sneller vooruit -wilde rennen. Dit toeval strekte mij tot aanleiding naar haar toe te -rijden, om haar, desnoods, hulp te kunnen bieden. Intusschen was er -volstrekt geen gevaar; het paard herstelde zich terstond en hernam zijn -gewonen draf. Zij dankte mij echter met een bevallig glimlachje voor -mijn goeden wil, en hierdoor voelde ik mij aangemoedigd, om mijn paard -in denzelfden stap te brengen en naast haar te rijden. Het geschreeuw: -»Hoezee! hij is dood!" en de tonen van den waldhoorn, kondigden -ons weldra aan, dat er thans geene reden meer bestond tot spoed, -daar de jacht geëindigd was. Een der jongelieden, die ik gezien had, -kwam naar ons toe, en zwaaide zegepralend met den staart van den vos, -als of hij mijn schoone geleidster haar achterblijven wilde verwijten. - -»Ik zie het wel!" antwoordde zij; »ik zie het immers wel! Maak er maar -zoo veel drukte niet van!--Was Phoebe," vervolgde zij, terwijl zij op -den hals van haar fraai paard klopte, »niet onder de rotsen gekomen, -dan zoudt gij thans niet zoo kunnen juichen." - -Terwijl zij dit zeide, naderden beiden elkander. Ik bemerkte dat -zij naar mij keken, en eenige oogenblikken zacht met elkander -spraken. Duidelijk was het, dat de jonge dame bij den jager op -iets aandrong, terwijl hij met eene zekere onnoozele blooheid -weigerde. Daarop wendde zij op eens haar paard naar mij toe, terwijl -zij min of meer boos en tamelijk luid zeide: »Het is goed, Torncliff, -het is goed! Wilt gij niet, dan zal ik het zelve doen! Mijnheer," -vervolgde zij nu tegen mij, »ik trachtte dezen onwilligen jongenheer -over te halen, om u te vragen, of gij op uwe reis herwaarts, niet -iets van een onzer vrienden, zekeren heer Frans Osbaldistone, hebt -vernomen, die sedert eenige dagen hier verwacht wordt." - -Met wezenlijke vreugde stelde ik mij zelven als den verwachten -gast voor, terwijl ik voor de belangstelling der jonge dame in mijn -persoon dankte. - -»Welnu," hernam zij, »daar de wellevendheid van mijn neef nog steeds -schijnt te sluimeren, zult gij mij wel vergunnen, al is het minder -gepast, de rol van ceremoniemeesteres op mij te nemen. Ik heb de -eer u uw neef Thorncliff Osbaldistone en mij zelf, Diana Vernon, -voor te stellen, die tevens de eer heeft de nederige bloedverwante -van uw voortreffelijken neef te zijn." - -De toon, waarop zij dit zeide, was vrijmoedig, spotachtig, maar tevens -hartelijk. Ik bezat wereldkennis genoeg, om denzelfden toon te treffen, -toen ik haar mijn kompliment maakte, en haar mijne blijdschap wegens -deze ontmoeting te kennen gaf. Mijne vriendelijke woorden waren -zoo, dat de schoone jageres zich het grootste gedeelte daarvan -kon toeëigenen. Want mijn waarde neef scheen een onnoozele hals, -daarbij kinderachtig bloode, ook min of meer norsch van aard. Hij -reikte mij wel de hand, verklaarde echter dadelijk daarop dat hij mij -moest verlaten, om zijn broeders en de andere jagers bij het koppelen -der honden de behulpzame hand te bieden. Het scheen evenwel meer een -kennisgeving aan freule Vernon, dan wel eene verontschuldiging tot -mij gericht. - -»Ga maar heen!" zeide Diana en zag hem met spottende minachting -na: »Daar gaat hij, de prins der stalknechts; der hanengevechten -en roskammers! Maar dat moet gezegd worden: knap is hij in die -vakken.--Hebt gij Markham gelezen?" - -»Markham, schoone dame? Ik ken niet eens den naam van dezen schrijver." - -»O hemel, waar zijt gij aangeland? Gij, arme onkundige vreemdeling, -kent gij den waren Bijbel niet van dezen wilden stam, waaronder -gij uwe woning moet opslaan? Hebt gij nooit van Markham gehoord, -van den beroemdsten schrijver over de geneeskundige behandeling van -paarden? En dus ook misschien nooit iets van de latere schrijvers -Gibson en Bartlett?" - -»Nooit!" antwoordde ik. - -»En dit kunt gij, zonder van schaamte te blozen, bekennen?" vervolgde -Diana. »Nu, dan moeten wij de verwantschap met u wel -afzweren. Vermoedelijk kunt gij evenmin een paard eene pil ingeven -of een meelpap voor het dier gereed maken?" - -»Al zulke dingen laat ik aan mijn rijknecht over." - -»Onbegrijpelijke zorgeloosheid! Gij verstaat dan waarschijnlijk ook -de kunst niet, een paard te beslaan, het de manen en den staart te -knippen, een hond van den worm te snijden, hem de ooren of nagels te -korten, of een valk terug te lokken, of hem, wanneer hij de kap op -heeft, te voederen, of..." - -»Neen! Neen. Om u met één woord te zeggen, welk nietsbeduidend wezen -ik ben, ik bezit geene enkele van al deze edele gaven." - -»Maar om 's hemels wil, mijnheer Frans Osbaldistone, wat komt gij -dan toch hier doen?" - -»Bitter weinig! Evenwel ben ik niet geheel en al onkundig; als mijn -rijknecht mijn paard goed gezadeld heeft, kan ik er op rijden, en -als mijn valk zich in het open veld bevindt, kan ik hem opzenden." - -»Kunt gij dat?" vroeg Diana, en zette haar paard in korten galop. - -Nu kwamen wij aan een van ruwe boomstammen vervaardigd vrij hoog -hek, dat dwars over den weg liep. Op eenigen afstand daarvan wilde ik -afstijgen, ten einde het te openen; maar in hetzelfde oogenblik was de -koene Amazone er met haar paard reeds overgesprongen. Voor mijn eigen -eer moest ik haar wel volgen en was dan ook dadelijk weder naast haar. - -»Gij geeft ons ten minste nog eenige hoop!" hernam zij. »Ik begon -waarlijk al te vreezen, dat gij een ontaarde tak van den stamboom -der Osbaldistones waart. Maar, ik bid u, zeg mij toch eens wat is -de reden van uwe komst op Vossenburg? Weet ge, zoo noemen de lieden -in dezen omtrek ons kasteel. Mij dunkt, dat gij liever stilletjes -weggebleven waart." - -Ik bemerkte, dat ik met het schoone meisje reeds vrij vertrouwelijk -praatte. Ik antwoordde dan ook op gullen toon: »ge hebt gelijk. Het -zou eene opoffering voor mij zijn, mij op het kasteel Osbaldistone op -te; houden, indien de bewoners er van allen wezenlijk zoodanig zouden -zijn, als gij ze mij hebt afgeschilderd. Maar ik durf mij vleien, -ja, bijna zeker zeggen, dat er zich ééne uitzondering bevindt, die -al de overige gebreken dubbel vergoeden zal." - -»O, zoo, gij bedoelt misschien Rashleigh?" - -»Waarlijk niet; ik bedoelde iemand, die wat dichter bij mij is." - -»Het beste is, geloof ik, uw kompliment niet te willen verstaan. Doch -dat kan ik niet. Excuseer, dat ik geene beleefde neiging maak, -ge ziet, ik ben te paard. Maar, in ernst gesproken, ik verdien uwe -uitzondering; want ik ben het eenige gezellige wezen in het gansche -kasteel, behalve de oude geestelijke en Rashleigh." - -»Maar zeg, wie is dan die Rashleigh?" - -»Rashleigh is iemand, die om zijn eigen wil gaarne zou hebben, dat -iedereen was, zoo als hij. Hij is de jongste zoon van uw oom, ongeveer -van uwe jaren, maar niet zoo.... met een woord, hij ziet er niet heel -goed uit. De natuur heeft hem nog al gezond menschenverstand gegeven -en de pastoor heeft er een handvol geleerdheid bijgevoegd. Wij allen -noemen hem een bizonder knap mensch, wel te verstaan, hier in dit land, -waar knappe lui tot de zeldzaamheid behooren. Hij is voor de kerk -bestemd, maar schijnt juist geen haast te maken met het priesterkleed -aan te trekken." - -»Voor de Katholieke kerk?" vroeg ik. - -»Natuurlijk de Katholieke kerk! Voor welke kerk anders? Maar, het -is waar, ik vergeet waarlijk, dat men mij gezegd heeft, dat gij een -ketter zijt. Is dat waar, mijnheer Osbaldistone?" - -»Ik kan het niet ontkennen." - -»En gij waart toch in vreemde landen, en wel in echt-Katholieke -landen?" - -»Bijna vier jaren." - -»Hebt gij kloosters gezien?" - -»Dikwijls; maar ik heb er, helaas, niet veel in gezien, wat mij het -Katholieke geloof zou aanbevelen." - -»Zijn de kloosterlingen niet gelukkig?" - -»Waarschijnlijk eenigen wel, althans diegenen, die door innerlijke -vroomheid, of om vervolgingen en rampen, welke zij in de wereld -geleden hebben, of ook uit natuurlijke luiheid het kloosterleven -omhelsden. Maar diegenen, die in eene plotselinge, overspannen -geestdrift, of in eene vlaag van wrevel wegens ondervonden -teleurstellingen en vernederingen tot zulk een afgezonderd leven -zijn overgegaan, zijn inderdaad zeer ongelukkig. Het verlangen naar -de samenleving is spoedig weer ontwaakt. Zij zijn als wilde dieren -in gevangenschap. Zij dulden onwillig den dwang. Anderen geven zich -in hunne cellen aan allerlei dweperijen over, sommigen gaan zich -vet mesten." - -»Maar wat wordt er dan wel van de vrouwen, die door den wil van anderen -tot het kloosterleven veroordeeld zijn? Naar wat gelijken zij? Vooral, -wanneer zij naar het leven en de levensvreugde daarbuiten smachten -uit aanleg en natuur." - -»Zij zijn als opgesloten zangvogels, veroordeeld om haar leven in een -kerker door te brengen. Zij trachten soms in hare talenten verstrooiing -te vinden. Maar had men haar niet van hare vrijheid beroofd, dan zouden -zij door haar aanleg sieraden der maatschappij kunnen geweest zijn." - -»Eer zal ik,--" zeide zij, doch schielijk zich verbeterend, hernam -zij: »eer zoude ik een wilden havik gelijken.--Als men dezen de vrije -vlucht door het luchtruim belet, stoot hij zich tegen de traliën van -zijne gevangenis den kop te pletter. Maar, om weder op Rashleigh -te komen," vervolgde zij eenigszins levendiger: »gij zult in hem -den aangenaamsten man vinden, dien gij ooit ontmoet hebt, tenminste -gedurende eene week. Kon hij slechts eene blinde minnares vinden, -niemand zou zoo zeker van zijne verovering zijn als hij. Maar het oog -doet de betoovering ophouden, welke het oor bewerkt heeft. Genoeg -daarover. Hier zijn wij op het voorplein van het oude kasteel, -dat er even ouderwetsch uitziet, als zijne bewoners. Aan opschik -wordt hier niet veel ten koste gelegd: dit zult gij weldra zien en -ondervinden. Maar mijn hoed is mij lastig: hij klemt mij. Excuseer, -dat ik het mij wat gemakkelijk maak." - -En het opgeruimde meisje nam den hoed af, en streek met de blanke -vingers half lachend, half blozend, de verwarde lokken van hare -doordringende grijze oogen weg. Liep hier misschien een weinigje -behaagzucht onder? Het is mogelijk, maar dan wist zij die uitmuntend -achter zekere achtelooze onverschilligheid te verbergen. Ik kon niet -nalaten op te merken, dat ik den opschik als iets geheel overtolligs -moest beschouwen, wanneer men over de familie oordeelen mocht naar -haar, die ik thans voor mij zag. - -»Waarlijk aardig gezegd!" antwoordde zij; »maar misschien behoorde -ik het eigenlijk in het geheel niet te verstaan. Overigens zult gij -ondervinden, dat een weinig achteloosheid hier juist op de rechte -plaats is, wanneer gij maar eerst uw aanstaande omgeving hebt gezien, -aan wie elke opschik, elke nieuwe mode totaal verspild zou zijn. Maar -de oude etensklok zal dadelijk luiden, of liever piepen. Haar geluid -is thans slechts een wanklinkend gepiep. In vroeger tijd moet ze -mooi gegonsd hebben. Maar ze sprong juist op denzelfden dag, toen -koning Willem hier voet aan land zette. Wegens deze bijzondere gave -van profetie heeft mijn oom haar niet willen laten herstellen. Maar -wees zoo goed, gelijk het een getrouwen ridder betaamt, mijn paard -even bij den teugel te houden, tot ik een nederigen schildknaap zend, -om u af te lossen." - -Met deze woorden wierp zij mij den teugel toe, alsof wij reeds van -onze eerste kindsheid af met elkander bekend waren geweest, sprong uit -den zadel, huppelde het plein over en ging eene zijdeur binnen. Ik -staarde haar na, hare schoonheid bewonderende en verbaasd over hare -vrijmoedige manieren. Het was dubbel te verwonderen in een tijd, toen -de voorschriften der wellevendheid, die wij van het hof van Lodewijk -XIV ontvingen, het schoone geslacht eene zeer deftige houding geboden. - -Ik zat daar midden op het plein van het oude kasteel op een paard, -en hield een ander bij den teugel; zeker maakte ik een zonderling -figuur. De gebouwen in het rond hadden voor een vreemdeling weinig -merkwaardigs. Trouwens ik was geenszins in eene stemming, om ze -met eenige opmerkzaamheid te beschouwen. De zijden van het vierkant -waren alle van verschillende bouworde, en geleken, met hare steenen -en getraliede vensters, hare vooruitspringende torentjes en hare -zware balken op het binnenplein van een klooster. Vruchteloos riep -ik om een bediende, wat mij des te pijnlijker was, daar ik zag, dat -ik een voorwerp van de nieuwsgierigheid van verscheidene mannelijke -en vrouwelijke dienstboden werd, die het hoofd uit verschillende -gedeelten van het gebouw staken, maar het, even als konijnen -tusschen struiken, dadelijk weder terugtrokken, zoodra ik naar hen -opzag. De terugkomst der jagers en honden hielp mij eindelijk uit de -verlegenheid. Niet zonder moeite verkreeg ik van een boerenknaap dat -hij mij de paarden afnam, en van een anderen mij naar het kasteel -te brengen, waar ik mij aan mijn oom wilde voorstellen. Deze knaap -nam daarbij het voorkomen aan, alsof hij door mij gedwongen werd, -mij naar een vijandelijken voorpost te vergezellen. Ik had werk, -om hem het ontsnappen te beletten. - -Verscheidene gewelfde gangen, die naar de »steenen zaal," zoo als hij -het noemde, leidden, moesten wij doorloopen, tot wij ons eindelijk -in een ruim, gewelfd vertrek met een steenen vloer bevonden. Eene -rij van eikenhouten tafels, allen zoo zwaar en zoo groot, dat -zij nauwelijks verplaatst konden worden, was reeds gedekt. Deze -eerbiedwekkende zaal, sedert eeuwen het tooneel der tafelgenoegens van -mijne voorvaderen, bevatte ook nog vele bewijzen van hunne voormalige -jachtbedrijven. Talrijke geweien van herten en reeën versierden de -wanden, en daartusschen prijkten opgezette dassen, otters, bunsings -en dergelijke roofdieren. Te midden van oud wapentuig, dat misschien -eens tegen de Schotten gediend had, zag men ook allerlei wapenen -van de edele jacht. Handbogen, geweren met enkele en dubbele loopen, -weitasschen, netten, otterspiesen en vele andere werktuigen om het -wild te vangen en te dooden. Eenige oude, dik berookte en met bier -bevlekte schilderijen hingen hier en daar in het rond. Men zag er -ridders en dames, zonder twijfel in hun tijd zeer geëerd en beroemd; -de eerste met vreeselijke knevelbaarden en grimmige gezichten, de -laatste met een zoet lachje op het beminnelijke gelaat, en wangen -bloeiend als de rozen, die zij in hare hand hielden. - -Ik had juist even tijd gehad, om deze merkwaardigheden vluchtig -te bezien, toen een twaalftal bedienden in blauwe kleeding, onder -veel geraas en gekakel binnenstormden, ieder nog meer bezig met -zijn makkers te beduiden wat zij doen moesten, dan zelf iets te -verrichten. Sommigen brachten blokken hout en spaanders voor het vuur, -dat sterk rookte op den haard. De schoorsteenmantel was zoo groot, -dat er een steenen bank onder kon staan. Boven den haard was in roode -steen, tot sieraad, op vrij plompe manier het geslachtswapen mijner -familie uitgehouwen. Het kunstwerk had echter deels door den invloed -van den rook, deels door den tand des tijds, zeer geleden. Andere -bedienden, zeer ouderwetsch gekleed, brachten dampende, met voedzame -spijzen beladen schotels op. Weer anderen droegen bekers, kannen en -flesschen aan met allerlei soorten van drank. Toen nu eindelijk, -na veel gehaspel en gedruisch, het ruime maal opgedischt was, -hoorde ik plotseling een luid geschreeuw en gepraat van menschen, -en een geweldig geblaf van honden, vermengd met het klappen van -zweepen en het dreunen van zware laarzen, die mij aan den Steenen -Gast herinnerden. Dit alles kondigde de komst der jagers aan, voor -wie het feest bereid was. Nu begon de drukte, het geroep en geraas der -dienstboden op nieuw, en wel nog erger dan te voren. Sommigen spoorden -hunne makkers tot spoed aan. Anderen waarschuwden hen, vooral bedaard -en voorzichtig te zijn. Weer anderen stieten elkander telkens terug -of op zijde, om den binnenkomenden gasten plaats te maken. Sommigen -omringden de tafel; anderen plaatsten zich bij de vleugeldeuren, -die de zaal van een zwart geverfd zijvertrek scheidden. Eindelijk -werden die vleugeldeuren opengerukt, en nu stormden honden en menschen -binnen.--Ik zag acht honden, den huiskapelaan, den dorpsgeneesheer, -mijne zes neven en mijn oom, achtereenvolgens binnenkomen. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - - Het dreunt in 't oud en ruim gewelf. - Een bonte rij van krachtige gestalten, - In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen, - Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift. - Met krijgsmans zelfbewustheid--zoo schreden zij naar binnen. - - (Penrose.) - - -Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de -gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden, -om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht -had ontvangen.--»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen," -zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene -u"! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op -stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival, -uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred -en--waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg -met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig -van uw broeder zien--zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader -dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den -ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen, -en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat -is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste -meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien." - -Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham, -moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger -was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was -geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren -had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote -garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij -ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling -diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus -II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot -den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende -vooruitzichten schenen geopend te zijn--zij verdwenen geheel en al met -de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon -stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op -zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch -had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen -zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide -Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen -de ruwe steenklompen van Stonehenge. Want zijne zonen waren logge -wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeelden kan. De vijf -oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het -ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle -uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men -in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet -aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid -was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne -plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op -kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die -van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd. - -Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare -voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had -willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten -opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later -ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken -aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij -zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had, -allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig -geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats -van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad -Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman -teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In -vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen -af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen -wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd, -jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten -hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste -kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden, -dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als -men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat, -die met het een of ander lichaamsgebrek behept is. Anderen waren van -een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade -gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag, -om hem het priesterambt te ontzeggen. - -De trekken van Rashleigh's gelaat waren van dien aard, dat men ze, -als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen: -telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid, -ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het -was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan -wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins -gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets -belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en -sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig -getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest -gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel, -waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor -deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en -welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en was tevens nooit om -woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij -zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana's opmerking, -dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade -ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden. - -Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die -als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke -tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in -te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik -voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne, -om deze aangename schikking te bevorderen. - -»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken," zeide -zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen -Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen -vestingmuur en vijandelijk geschut." - -»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde -ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen." - -»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch, -bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind." - -»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen -er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden, -kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking -vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het -noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en -klassificeeren." - -»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en -dezelfde soort te zijn." - -»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor, -jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen -gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke -hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor -iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel -eene aangename variatie." - -»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie -vragen." - -»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot -vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan -weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een -domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde -Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek; -John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de -meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer: -dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van -dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men -hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan." - -»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk tot -een merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor -sir Hildebrand?" - -»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom," antwoordde Diana: -»ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die -ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren -kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken." - -Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten -minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij -een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben! - -»Gij denkt zeker over mij," zeide Diana, terwijl zij haar donker oog -op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen. - -»Dat deed ik ook," antwoordde ik, een weinig verlegen over de -onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende -wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan -iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik -zoo dicht naast mij is!" - -Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar -gelaat eigen was.--»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer -Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus -aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge -heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de -glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de -gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw -voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie -gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij -zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed." - -Ik zweeg beschaamd. - -»Gij herinnert mij," vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon, -»aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld, -dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag -veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad -van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene -zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige -onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze -dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen, -alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken -zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel -beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik -een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als -met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik -van u houden zal!" - -»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan -uw wil te doen gehoorzamen," antwoordde ik. - -»Daar hebt ge het al weder!" hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik -heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van -vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollen -beker--dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan, -zal ik u zeggen wat gij van mij denkt." - -Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene -tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich -het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne -rechterhand, en Richard aan Diana's linkerhand, wijdden zich zoo geheel -aan de ontzaglijke massa's, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden, -dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk -konden praten. - -»Mag ik nu,"--zoo begon ik--»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt, -dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle -loftuitingen verboden." - -»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs -uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw -hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij -houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje -behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne -vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl -ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer -sekse" noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb, -om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt -mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of -gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid, -die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar -weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie -even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra -Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid -tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan -gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets -verteld hebben." - -»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle -kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze -ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens, -waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?" - -Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij -antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van -Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde -geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed -lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt." - -»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot -heen, dat ons scheidt," antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh's -stoel ledig was; hij is reeds vertrokken." - -»Wees daarvan nog niet zoo zeker," zeide Diana. »Luister naar mijn -raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel -waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten -top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog -niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister -niet over zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester: -thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als -wij binnen kort van elkander scheiden." - -»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?" - -»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw -vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn -broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast -zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde, -om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door -uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al -de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen, -waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten -tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering -niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan -te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan -Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat, -dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te -rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke -priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou, -dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige -tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van -vernedering verleende." - -»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer -wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?" - -»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten -minste ik houd het daarvoor," antwoordde Diana. »Hij is de jongste -van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte -heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en -toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te -onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar -verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen -dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben." - -»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen," antwoordde ik -glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak -van zijne veranderde positie!" - -»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel, -of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat -vergelden.--Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor -kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om -zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het -vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort, -moet ik mij dus verwijderen." - -Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd -over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en -vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die -gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor -zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woorden -overgebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid -en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En -door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit -gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd -en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een -jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem -ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen, -geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig -meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene -stijfheid behandelde. Integendeel, Diana's vertrouwelijkheid was -even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat -zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist -geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch -gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf -in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van, -dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte, -die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de -vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne -ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid, -door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd, -gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare -bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd -door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus -van een vriend nog sterk verhoogd. - -Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk -rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van -onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone -ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het -drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht -van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan -de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal -uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van -de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen, -zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht. - -Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het -heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne -vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter -mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar -ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet -naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster, -dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan -zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een -oogenblik te bedenken, moedig uit. - -»Hij is ons ontsnapt!" riepen mijne vervolgers achter mij. Nu -liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid -zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij -bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne -overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend. - -Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof, -ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn -arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!" - -»Goeden avond, mijnheer!" antwoordde hij, zonder op te zien, met een -accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen. - -»Gij hebt mooi weder voor uw werk." - -»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!" hernam -de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder -doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te -zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig -voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een -geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij -vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om -van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den -rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!" - -»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust -te hebben, lang er voor op te blijven." - -»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het -waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en -gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij -leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken -en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken, -van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk -honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen--zij noemen het -vastendagen, wanneer zij de beste visschen, forellen, zalm en tarbot -oppeuzelen--zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel -tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen -en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken, -want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?" - -»Ik niet, vriend," luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche -Presbyteriaan." - -»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!" riep -de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken -slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts -in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach -een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan. - -Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang -op het kasteel Osbaldistone diende? - -»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de -vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus," -antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees. - -»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven -hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien -langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt -licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult -en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrek aan bekwaamheid heeft -u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden." - -»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken," antwoordde -Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van -het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspel -Dreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste -groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze -vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar -was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat -ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde -plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met -Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu -reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier, -en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens, -dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij -wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren -prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief -tuintje en ongeveer tien pond 's jaars had, en waar geene vrouw was, -die mij de appelen natelde--ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig -dankbaar zijn." - -»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge -die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult." - -»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De -tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen -iemand uit waardeering komen opzoeken." - -»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?" - -»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij -heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen, -dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en -zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib -van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens -op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen -drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng." - -»Gij vergeet uwe jonge meesteres." - -»Welke meesteres?" - -»Freule Vernon." - -»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede -heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van -een ander. Het is een wild, woest schepsel!" - -»Meent ge dat inderdaad!" vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman -verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de -geheimen van deze familie zeer goed bekend?" - -»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen -bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule -Diana is--maar wat gaat mij dat aan!" - -En nu begon hij weder ijverig te spitten.--»Wat is Freule -Vernon?" vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en -zou het dus gaarne weten." - -»Goed is anders, vrees ik," hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog -dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo'n beetje -schuin--gij verstaat mij wel, denk ik." - -»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij -inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker -wildet verklaren."--Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne -ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig -grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl -hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop -hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige -plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn -goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is...." - -Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken -en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij -nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen -te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had, -wat zijne tong niet geheel had uitgesproken. - -»Goede hemel!" zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg -verloren!" - -»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam -en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik, -is zij..." - -Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen. - -»Wat is zij?" vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit -alles eigenlijk moet verstaan." - -»Nu dan--zij is de allerheftigste Jacobietische van het gansche -Graafschap." - -»Wat zou dat! eene Jacobietische? Is dat alles?" - -Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne -gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.-- - -»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen -kan," mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging -voort met spitten. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - - Voor de deur de Sheriff wacht, - Met dreigende soldaten-macht. - - Shakespeare. - - -Het kostte mij bepaald moeite de kamer te vinden, die voor mij bestemd -was. Ik moest mij zelf daartoe van de gewilligheid der dienstboden van -mijn oom door de gewone onfeilbare middelen verzekeren. Eindelijk had -ik ze gevonden. En ik sloot mij op, om voor het overige van den avond -alleen te zijn. De toestand waarin ik mijne bloedverwanten verlaten -had, en waarvan het gedruisch en gejoel van uit de eetzaal getuigde, -deed mij begrijpen, dat die goede lieden thans geen passend gezelschap -voor een nuchter mensch konden wezen. - -Waarom had mijn vader mij naar dit zonderlinge verblijf gezonden? Dit -was natuurlijk de eerste vraag, die zich aan mij opdrong. De manier, -waarop mijn oom mij in zijn huis ontvangen had, bewees duidelijk dat -ik, naar zijne veronderstelling, een tijdlang zijn gast zou zijn. Maar -het was even duidelijk, dat het hem totaal onverschillig was, of ik, of -een van de blauw gerokte bedienden, bij hem was. In het gezelschap van -mijne ongemanierde neven zou ik slechts kunnen afleeren, wat ik mij aan -goeden toon en hoffelijke manieren had eigen gemaakt. In plaats daarvan -zou ik mij kunnen oefenen in de kunst honden van den worm te snijden, -paarden van den droes te genezen, vossen te jagen--anders niets. - -Slechts één motief voor de handelwijze mijns vaders kon ik mij als -mogelijk voorstellen. Maar dit was buiten twijfel ook het eenige -ware. Eene levenswijze, waartoe naar mijns vaders begrip iedere -landjonker onvermijdelijk verviel, wilde hij mij duidelijk laten -zien. En ik moest daarvan, zoo als hij vooruitzag, al spoedig afkeerig -worden. Dan zou ik, kon het zijn, wel lust opvatten voor zijn eigen -beroep. Rashleigh Osbaldistone moest intusschen ten onzent werkzaam -zijn. Mijn vader had middelen genoeg bij de hand, om dezen, als hij -weder van hem ontslagen wilde zijn, elders voordeelig te plaatsen. Wel -maakte ik mij eenig verwijt, dat ik aanleiding gegeven had, dat -een man, door Diana zoo ongunstig afgeschilderd, met mijns vaders -zaken bekend zou worden, ja, misschien zelfs in diens vertrouwen -zou deelen. Maar ik stelde mij weer gerust door de gedachte, dat -mijn vader zich niet licht door iemand in de kaart liet kijken. Hij -was niet gemakkelijk te bedriegen en evenmin te leiden op een weg, -dien hij niet verkoos te gaan. En van wien had ik dan eigenlijk -al het nadeelige, wat mij van den jongeling bekend was geworden, -gehoord? Van een zonderling, opgewonden meisje dat zich tegen mij -met zooveel onbezonnen vrijmoedigheid had geuit dat ik reden had te -vermoeden, dat hare berichten volstrekt niet overdacht waren; niets -anders dan lichtzinnig gebabbel misschien. - -Als van zelf begon ik nu over Diana na te denken, en over den -zonderlingen toestand waarin zij slechts haar eigen overleg, haar eigen -geest, tot leidsman en beschermer had. Ik stelde mij haar voor, met -al hare moedwillige levendigheid, waardoor zij mijne nieuwsgierigheid -opgewekt en mijne opmerkzaamheid geboeid had. Ik kon het mij niet -ontveinzen, dat de nabijheid van dit vreemde meisje en de gemeenzame -omgang met haar, mijn verblijf in het kasteel, wel is waar, aangenamer, -maar ook des te gevaarlijker deed zijn. Wat intusschen het koele -verstand mij ook voorhield, ik kon het maar volstrekt niet over mij -verkrijgen, mij over het gevaar, waaraan ik bloot gesteld zou worden, -ernstig te beklagen. Alle bedenkingen die zich aan mij opdrongen, -wist ik op de gewone manier, zoo als meest alle jongelieden in zulke -gevallen doen, uit den weg te ruimen: ik zou zeer voorzichtig, altijd -op mijne hoede zijn; ik zou Diana meer als een goede bekende dan als -eene vriendin beschouwen. Alles zou zich, naar het mij toescheen, -zeer goed schikken. Onder deze overdenkingen sliep ik in, en Diana -was natuurlijk mijne laatste gedachte. - -Of zij mij ook in den droom bezig hield, weet ik niet. Daar ik zeer -vermoeid was, sliep ik vrij vast. Maar zij was weder mijn eerste -gedachte, toen met het krieken van den dag de vroolijke tonen der -jachthoorns mij uit den slaap wekten. Ik sprong op, liet mijn paard -zadelen, en was binnen weinige minuten op het voorplein van het -kasteel, waar ik menschen, honden en paarden in drukke beweging -zag. Mijn oom scheen in zijn buitenlands opgevoeden neef geen zeer -wakkeren Nimrod te veronderstellen. Althans hij zag mij min of -meer verrast aan. Het kwam mij voor alsof zijn morgengroet niet zoo -hartelijk en gastvrij was, als zijne eerste verwelkoming. - -»Reeds hier, jonge heer? Nu ja! op uwe jaren liet ik ook niet naar mij -wachten. Maar neem u in acht en pas op, dat gij geen zandruiter wordt!" - -Welk jongmensch zou zich niet liever alles laten verwijten, dan te -dulden, dat men hem voor een stumper in de edele rijkunst houdt! Ik -wist, dat ik vrij goed in den zadel zat, en een weinig gevoelig over -mijns ooms uitdrukking, verzekerde ik hem, dat hij mij steeds met de -jachthonden vooraan zou vinden. - -»Wel, daaraan twijfel ik niet, mijn beste jongen!" antwoordde hij: -»gij zijt zeker een knap ruiter, dat geloof ik gaarne; maar toch--wees -op uwe hoede! Uw vader zendt u aan mij, opdat ik u aan den toom zou -gewennen. Maar ik zal u wel op de stang moeten rijden; want anders -zoudt gij misschien al heel licht doorslaan, eer ik er erg in had." - -Ik begreep niets van zijn woorden. Ze schenen echter niet als dadelijke -waarschuwing, maar slechts in het voorbijgaan, zonder eenig bepaald -doel, gesproken te zijn. Mijn oom zei eenvoudig luide, wat hij op -dat oogenblik, zich zelven onbewust, dacht. Ik vermoedde, dat hij -of op mijne vlucht uit zijn drinkgezelschap zinspeelde, of wel, -dat de gevolgen van den nachtelijken roes hem min of meer ontstemd -hadden.--Wil hij onvriendelijk als gastheer zijn, dan zal ik ook -des te korteren tijd zijn gast blijven, dacht ik. Ik haastte mij om -Diana mijn morgengroet te brengen, daar zij mij met veel hartelijkheid -naderde. Ook tusschen mijne neven en mij had eene soort van begroeting -plaats. Maar toen ik bespeurde, dat zij mijn gansche jachtkostuum, van -den hoed af tot de stijgbeugels toe, boosaardig monsterden, en alles -bespotten, wat voor hen een vreemd aanzien had, meende ik mij van de -moeite te mogen ontslaan, om hun eenige bijzondere oplettendheid te -bewijzen. Ik beantwoordde hun grijnzen en fluisteren met een blik van -de grootste onverschilligheid en verachting, en wendde mij geheel tot -Diana, als de eenige in het gansche gezelschap, in wier onderhoud ik -belang stelde. Aan hare zijde reed ik naar het aangewezen jachtterrein, -een dichtbegroeid bosch, dat langs uitgestrekte weiden liep. Onderweg -betuigde ik haar mijne verwondering, dat ik neef Rashleigh niet in -het gezelschap zag. - -»Och, hij is anders een geweldig jager," antwoordde zij; »een jager -à la Nimrod, maar zijn wild is--de mensch." - -Door het geschreeuw der jagers aangemoedigd, renden de honden het bosch -in.--Alles rondom mij was leven en beweging. Mijne neven, waren thans -in hun waar element en hadden het veel te volhandig, dan dat zij zich -met mij konden bemoeien. Slechts hoorde ik Richard, den roskammer, -zacht tegen Wilfred, den gek, zeggen: »Let eens op, hoe spoedig onze -Fransche neef zandruiter zal worden, zoodra het er op losgaat!" - -»Dat zou me ook niet verwonderen," antwoordde Wilfred; »kijk maar eens -hoe mal zit hem de hoed op het hoofd, en wat is die raar opgetoomd!" - -Thorncliff, die, ofschoon op zijne eigene ruwe wijze, voor -de bevalligheden zijner nicht misschien niet ongevoelig was, -scheen daarentegen besloten te hebben, ons meer dan zijne broeders -gezelschap te houden. Hij wilde zeker het oog houden op hetgeen er -tusschen Diana en mij voorviel. Wellicht dacht hij ook zich met mijne -verwachte jachtrampen te kunnen vermaken. Intusschen werden die hoop -en verwachting geheel te leur gesteld. De vos werd opgejaagd. Maar -ondanks Richard's ongunstige voorspelling, en Wilfred's schrandere -aanmerking, dat mijn hoed mij mal op het hoofd en ik jongensachtig -in den zadel zat, bewees ik mijne bedrevenheid in de rijkunst, tot -groote verwondering van mijn oom en van de schoone Diana, en tot -bittere ergernis van mijne neven. Men had den vos een vrij groot eind -weegs hevig nagezet, doch hij wist zijne vervolgers te misleiden, -en de honden verloren het spoor. Diana's gelaat verried, dat zij -over Thorncliff's aanhoudende begeleiding ongeduldig werd; maar het -levendige en driftige meisje was spoedig gereed, een wensch van het -oogenblik door het eerste het beste middel te bevredigen. Zij zeide -verwijtend: »Ik begrijp niet, Torncliff, dat gij den ganschen morgen -achter mijn paard sukkelt. Gij weet toch wel, dat het vossenhol bij -den molen niet gestopt is." - -»Daar weet ik geen woord van, ik zweer het u bij mijn ziel, -nichtje! Integendeel, de molenaar heeft mij bij kris en bij kras -verzekerd, dat hij het hol dezen nacht om twaalf ure gestopt heeft." - -»Och! wat ben je toch een goedgeloovige jongen! U op het woord van -een molenaar te verlaten! En dan juist dit hol! Is de vos ons dit -jaar niet reeds driemaal daar ontsnapt? Op uw schimmel kunt gij in -tien minuten heen en weer zijn." - -»Goed, ik rijd naar den molen. Als de molenaar het hol niet gestopt -heeft, dan zal ik den logenachtigen schurk doodranselen." - -»Niets meer? Welnu, dan komt hij er nog al genadig af. Maar haast u -dan; er is geen tijd te verliezen!" - -Torncliff rende weg.--»Als de molenaar u eens duchtig afranselde, zou -er waarlijk niet veel aan verbeurd zijn!" zeide Diana. »Intusschen -moet ik den een zoowel als den ander onder behoorlijke subordinatie -houden. Gij moet weten, dat ik hier een soort van regiment -opricht. Torncliff wordt mijn opperwachtmeester, Richard mijn pikeur, -en Wilfred met zijne holle afgebrokene tonen, die slechts drie -lettergrepen achter elkaar kan laten hooren, mijn paukenslager." - -»En Rashleigh?" vroeg ik. - -»Rashleigh wordt mijn spion." - -»En is er voor mij geen ambt, schoone overste?" - -»Gij moogt kiezen, of gij betaalmeester of prijsrechter van het korps -wilt worden. Maar zie eens, hoe de honden ronddwalen: kom, zij zijn -het spoor geheel en al bijster, en zullen den vos zoo spoedig niet -wedervinden. Volg mij, ik moet u een mooi uitzicht laten zien." - -Nu reden wij spoorslags een heuvel op, van welks top een zeldzaam -fraai vergezicht zich voor ons uitbreidde. Zij zag rondom zich, of -er ook iemand in onze nabijheid was, en toen zij hieromtrent gerust -was, reed zij onder eenige berken, die ons voor de overige jagers -verborgen.--»Ziet gij daar dien spitsen, bruinen, met heide bewassen -heuvel, met eene witachtige vlek op de zijde?" vroeg zij. - -»Recht over die lange streek laagland? Zeer duidelijk." - -»Die witachtige vlek is eene rots, de Hawkesmore-rots genoemd, en -die ligt reeds in Schotland." - -»Inderdaad? Ik had waarlijk niet gedacht, dat wij ons zoo dicht bij -Schotland bevonden." - -»Zeer dicht bij: binnen twee uren brengt uw paard er u heen." - -»Wel mogelijk. Maar ik zal van het goede dier die moeite niet vergen," -antwoordde ik. »Naar het mij toeschijnt, zijn we er wel een uur of -zes vandaan." - -»Ik geef u mijn paard, als gij het uwe soms niet sterk genoeg acht," -begon Diana weder. »Ik verzeker u nogmaals, dat gij binnen twee uren -in Schotland zijt." - -»Maar ik heb volstrekt geen lust er te zijn. Ik zou den staart van -mijn paard niet dwingen mij te volgen, als zelfs zijn kop reeds over -de grenzen was. Wat zou ik in Schotland doen?" - -»Om het u ronduit te zeggen: voor uwe veiligheid zorgen. Verstaat -gij mij nu?" - -»Volstrekt niet: uwe woorden luiden altijd raadselachtiger." - -»Waarlijk? Dan voedt gij of een zeer onbillijk wantrouwen tegen mij, -en kunt beter huichelen dan Rashleigh Osbaldistone zelf; of gij weet -in het geheel niet, waarvan men u beschuldigt. Gij kijkt mij zoo -gemaakt ernstig aan, dat ik nauwelijks mijn lachen kan bedwingen." - -»Maar op mijn woord van eer, Freule Vernon," antwoordde ik, min of -meer geraakt door haar kinderachtigen lachlust, »ik begrijp volstrekt -niet wat gij meent of bedoelt. Het is mij aangenaam, dat ik u zulk een -vroolijk tijdverdrijf verschaf, ofschoon ik niet weet hoe en waarom." - -»Hoor eens, het is hier waarlijk geen scherts, maar wel degelijk -ernst!" zeide zij op een, haar zeker niet gewonen, ernstigen -toon. »Het kan zijn, dat mijn gelaat dit tegenspreekt, doch in dat -geval bedriegt het. Want ik ben wezenlijk zeer om u bekommerd. Antwoord -mij openhartig: kent gij een en zekeren Morris, of hoe heet hij?" - -»Morris, Morris? Dien naam ken ik niet." - -»Bezin u wel. Hebt gij onlangs niet met iemand gereisd, die zoo -heette?" - -»De eenige man, met wien ik eenigen tijd gereisd heb, was een kerel, -wiens gansche ziel in zijn valies scheen te liggen." - -»Nu ja, even als de ziel van den licentiaat Pedro Carcias, die onder -de dukaten van zijne lederen goudbeurs lag. Kortom, uw voormalige -reisgenoot is van zijn valies beroofd, en heeft u als medeplichtige -van den roof bij het gerecht aangegeven." - -»Gij schertst, maar op een heel zonderlinge manier." - -»Nogmaals herhaal ik, dat ik in vollen ernst spreek." - -»Hoe! gij, Freule Vernon," riep ik met eene opwelling van drift, -welke ik niet onderdrukken kon--»gij kunt gelooven, dat ik zulk eene -beschuldiging verdien?" - -»Kijk! als ik nu een man was, dan zoudt gij mij, op dit vermoeden, -zeer zeker op den degen of het pistool uitdagen. Maar wilt ge zoo -iets, ga uw gang. Ik neem uwe uitdaging aan; want ik kan even goed -eene zwaluw in de vlucht schieten, als te paard over een hek springen." - -»Mooi zoo, ge zijt immers daarenboven overste van een regiment -kavalerie?" antwoordde ik, daar het mij toch volstrekt niet baatte, -dat ik op het ondeugende meisje boos werd.--»Maar, ik bid u, wat moet -nu uwe scherts beteekenen?" - -»Moet ik het u dan honderd maal herhalen? Ik scherts niet. Men -beschuldigt u van dezen man beroofd te hebben; mijn oom gelooft het -stellig; en ik--mag ik er aan twijfelen?" - -»Waarachtig, ik ben mijne vrienden zeer verplicht voor den goeden dunk, -dien zij omtrent mij koesteren!" - -»Nu, nu! kijk maar niet zoo boos--ik heb nog geen order om u te -arresteeren. Intusschen is de gepleegde roof geen gewone--laat mij -zeggen: geen gemeene diefstal. De man had geld van de regeering -bij zich, in contanten en in wissels, tot betaling der troepen in -Schotland. Ja, men zegt, dat men hem ook zeer gewichtige depèches -ontnomen heeft." - -»Ik word derhalve niet van enkel diefstal of roof, maar van hoogverraad -beschuldigd?" - -»Geraden! Maar gij weet ook dat deze misdaad ten allen tijde door zeer -fatsoenlijke lieden gepleegd werd. Hier te lande zult gij zeer vele -menschen vinden, bij voorbeeld iemand, die niet ver van uw elleboog -verwijderd is, die het als een verdienstelijk werk zou beschouwen, -de regeering van het huis van Hannover op alle mogelijke wijzen -te benadeelen." - -»Laat mij u zeggen, dat noch mijne staatkunde, noch mijne eerlijkheid, -zulke daden zouden vergoêlijken." - -»Ik begin waarlijk te gelooven, dat gij in vollen ernst een -Presbyteriaan en Hannoveraan zijt.--Maar wat zult gij nu doen?" - -»Wel, ik zal dadelijk den afschuwelijken laster wederleggen. Bij wien -is de zonderlinge aanklacht ingediend?" - -»Bij den ouden rechter Inglewood, die ze ongaarne -aannam. Waarschijnlijk heeft hij mijn oom onder de hand laten weten, -dat men u naar Schotland moest zien weg te helpen, opdat gij het bevel -tot uwe gevangenneming ontloopen zoudt. Doch mijn oom weet zeer goed, -dat hij, wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan het oude, bij -de nieuwe regeering in geen goed blaadje staat. Zoo het ontdekt werd -dat hij u in uwe vlucht behulpzaam was geweest, zou hij bepaald gevaar -loopen, om als Jakobiet, papist en verdacht persoon ontwapend, en--wat -het allerergste voor hem zoude zijn!--van zijne paarden beroofd te -worden [5]. - -»Dan begrijp ik zijn vrees. Liever dan zijne jachtpaarden verliezen, -zou hij zijn neef opofferen." - -»Een neef! Tien neven, nichten, zonen, dochters indien hij ze had, -ja, zijne gansche familie. Vertrouw niet op hem, geen enkel oogenblik, -maar maak, dat ge weg komt, vóór dat de machtige arm der gerechtigheid -u achterhaalt." - -»Wegsnellen? Welzeker, maar--regelrecht naar de woning van den ouden -Inglewood. Waar ligt ze?" - -»Omtrent twee uren van hier, beneden in 't gindsche dal, achter het -bosch. Daar ziet gij het torentje." - -»Binnen weinige minuten ben ik er," antwoordde ik en maakte mij gereed, -om spoorslags weg te rennen. - -»Goed, maar ik zal u vergezellen, ik zal u den weg wijzen!" zei Diana -met drift, en zette haar paard dadelijk aan. - -»Neen!" riep ik, »dat niet! Vergeef een oud vriend zijne vrijmoedige -aanmerking. Maar het zou met alle welvoegelijkheid, ja zelfs met alle -vrouwelijke kieschheid strijden, indien gij mij bij deze gelegenheid -vergezeldet." - -»Ik versta zeer goed, wat gij zeggen wilt," antwoordde Diana en -een zacht rood vloog over haar trotsch voorhoofd. »Het is openhartig -gesproken en"--voegde zij er na een poos zwijgens bij--»naar ik geloof, -ook goed gemeend." - -»O, freule, denk niet dat ik gevoelloos of ondankbaar ben voor de -deelneming, welke gij mij bewijst!"--hernam ik, met meer warmte dan -ik eigenlijk wenschte te verraden: »uwe aanbieding spruit uit ware -welwillendheid voort, welke men 't best in nood leert kennen. Maar om -u zelve, en daar men het ten kwade, ja zeer boosaardig, zou kunnen -uitleggen, mag ik niet toestaan, dat gij, in dit geval, in eene -zoo leelijke aangelegenheid den drang van uw edelmoedig hart gehoor -geeft. Het zou immers bijna precies zijn, alsof gij voor het gerecht -aan mijn zij gingt staan." - -»En als het nu eens niet bijna, maar volkomen zoo ware, meent gij dan, -dat ik niet zou medegaan, zoodra ik dat voor plicht hield, als ik een -vriend wilde beschermen? Gij hebt niemand, die u verdedigt. Gij zijt -een vreemdeling, en hier aan de grenzen van Engeland, veroorloven de -landrechters zich vaak ongehoorde dingen. Mijn oom heeft geen lust om -zich met uwe zaak te bemoeien; Rashleigh is afwezig, en al ware hij -ook hier, wie weet welke partij hij zou kiezen? Wat de overige leden -van onze familie betreft, de een is al dommer dan de ander. Ik ga met -u. Ik ben niet bang. Ik ben blij, dat ik in staat ben, u van dienst -te zijn. Waarlijk, mijnheer Osbaldistone, ik ben zulk een overdreven -teergevoelig meisje niet, dat ik voor wetboeken, norsche woorden en -rechterspruiken terugdeinzen zou." - -»Maar, waarde freule Vernon." - -»Maar, waarde mijnheer Frans! Wees nu geduldig en bedaard. En laat -mij mijn eigen gang gaan. Als ik mij dat eenmaal voorgenomen heb, -dan blijft het zoo." - -Dat dit beminnelijke meisje zoo in mijn lot deelnam, was voor mij zeer -vleiend. Maar ik besefte tevens, welk eene bespottelijke figuur ik -maken zou, als ik een achttienjarig meisje als advokaat medebracht. Ik -was zeer bezorgd, dat men hare beweegredenen verkeerd uitleggen zou. Ik -trachtte haar met alle mogelijke welsprekendheid het besluit, om mij -te vergezellen, te ontraden. Maar het eigenzinnige meisje verklaarde -ronduit, dat al wat ik aanvoerde niets baatte. Geen bezwaar ter wereld -zou haar bewegen, een in nood verkeerenden vriend te verlaten; zelfs -niet, wanneer hij meende, dat zij hem weinig hulp kon brengen. Al, -wat ik haar zeggen kon, voegde zij op zeer stelligen, maar hartelijken -toon er bij, mocht zeer goed zijn voor teergevoelige dametjes, fijn -gevormd, in eene kostschool in de stad naar al de regels der meeste -kieschheid opgevoed. Voor haar beteekende dat alles niets en zij had -zich reeds sinds lang gewend, haar eigen zin te volgen. En dat zou -zij nu ook doen.... - -Terwijl wij spraken, kwamen wij de woning van den rechter Inglewood -al naderbij. Om mij van alle verdere tegenbedenkingen af te leiden, -begon zij een grappig portret van den rechter en zijn klerk te -maken. Inglewood was, volgens hare beschrijving, een schoon gewasschen -aanhanger van den onttroonden koning. Hij had, evenals de meeste -landedellieden, langen tijd den eed van getrouwheid geweigerd. Maar -nu onlangs had hij aan de tegenwoordige regeering dan toch trouw -gezworen, en was kort daarop vrederechter geworden. Tot dezen stap -had hem het dringende aanzoek der overige landjonkers bewogen, -die met leedwezen zagen, dat hun jachtrecht in verval zou geraken, -wanneer een rijksambtenaar het niet behoorlijk handhaafde. Want -de naaste vrederechter, die in Newcastle woonde, at het gedoode en -lekker toebereide wild veel liever op, dan dat hij voor het behoud -van het levende zorgde, zoodat hij de wilddieven meer hielp dan de -jagers. Zij besloten dus, dat iemand uit hun midden zijn Jakobitisme -aan het algemeene welzijn ten offer moest brengen, en daartoe werd -met eenparige stemmen Inglewood gekozen. Daar hij van vrij lauwe -politieke gevoelens was, vond men hem zonder veel stribbeling gereed -van politiek geloof te veranderen. Tot zijn handlanger had hij, als -griffier, een sluwen rechtsgeleerde, Jobson, die in zijn naam met -de gerechtigheid een aardigen kleinhandel dreef. Want zijn inkomen -had hij geheel uit de rechtszaken, welke van tijd tot tijd voor zijns -meesters rechtbank dienden. Geen wonder dus, dat hij dag en nacht zich -beijverde om de boeren tegen elkander in het harnas te jagen, en met -Argus-oogen te loeren, of er niet hier of daar iets voorviel, waarbij -de wet tusschenbeide kon komen. Ja, in den omtrek van tien mijlen kon -geen rekening gesloten worden, zonder dat debiteur of crediteur voor -den vrederechter verscheen. Maar de allerbespottelijkste tooneelen -hadden plaats, wanneer deze of gene zaak te beslissen was, waarin -men iets staatkundigs vermoedde.--»Jobson," vervolgde Diana, »ijvert -allergeweldigst voor het Protestantsche geloof;--ook is hij een groot -vriend van de tegenwoordige orde van zaken met betrekking tot de kerk -en den staat. Nooit zit de arme jonker in grootere verlegenheid, -dan wanneer de ijver van zijn handlanger hem in gerechtelijke -handelingen wikkelt, die met zijne vroegere politieke gevoelens in -verband staan. Wel heeft hij die openlijk afgezworen, om de kracht -der wet tegen onrechtmatige dooders van veldhoenen, korhoenen, -patrijzen en hazen te handhaven, maar hij is er nog onwillekeurig -steeds aan gehecht. In zulke gevallen behelpt de goede Inglewood zich -doorgaans daarmede, dat hij aan zijn aangeboren eigenschap: luiheid -en afkeer van elken arbeid, toegeeft. Evenwel moet gij niet gelooven, -dat deze werkeloosheid uit sufheid van geest ontstaat. Volstrekt -niet, want voor een man, die zijn hoogste geluk in eten en drinken -vindt, is de oude heer al zeer opgeruimd en levendig. Dat vormt -met den tragen gang zijner verrichtingen, een inderdaad zonderling -contrast. Bij zulke gelegenheden gedraagt Jobson zich als een paard, -dat veroordeeld is om eene zwaar beladen kar te trekken. Het geeft -zich wel alle moeite om met zijn last voort te komen, doch de kar, -die zelve niet medewerkt, is niet te bewegen. Ja, men heeft het oude -paard, naar men vertelt, wel hooren klagen, dat dezelfde wagen der -gerechtigheid, die bij zekere gelegenheden zoo moeilijk in beweging is -te brengen, bij andere gelegenheden van zelf snel genoeg voortrolt en -hem zijns ondanks mede voorttrekt: wanneer namelijk een ouden vriend -een dienst bewezen moest worden. O ja! Dan heeft men den eerlijken -Jobson wel eens onder een bedenkelijk hoofdschudden hooren zeggen: -»Als ik zooveel achting niet had voor den jonker, ik zou hem, door -een enkel woordje aan de regeering, een leelijke kool kunnen stoven."" - -De schoone Diana had juist met deze woorden hare beschrijving voltooid, -toen wij voor de woning van den vrederechter Inglewood stonden. Het -was een ouderwetsch, maar toch fraai en ruim gebouw. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - - »Gij kent de kunst van 't vechten," - Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten. - »Hoor," sprak de pleiter, »op mijn eer, - Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer! - Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen - Den stoutsten kamphaan hier te dagen." - - Butler. - - -Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms -liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis -binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijne schoone -reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen; -terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was. - -»Rashleigh,"--dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene -vraag te doen--»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds -met den rechter daarover gesproken?" - -»Ja!" hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de -reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,"--met eene buiging tegen -mij--»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij -inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak." - -»Als vriend en bloedverwant," antwoordde ik, »moest het u integendeel -spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet -spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren." - -»Volkomen waar," hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders -uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf -in Schotland--slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware..." - -Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige -voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte -afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was, -een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar -beschamend te wederleggen. - -»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh," zeide Diana -hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging -onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn." - -»Gij, lieve nicht?" vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef -even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund -worden." - -»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer -zien dan twee." - -»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!" hernam -Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke -teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag, -dan de natuur hem geschapen had. - -Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en -het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of -wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van -twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood; -zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en -scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren, -welke hij--zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn -bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest--met -alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling -van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed, -ik wil het zoo hebben!" - -»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt -onmogelijk," hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er -bij voegde: »denk eens neef..." - -»Zijt gij razend?" viel Diana hem in de rede. - -»Denk eens," vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te laten -storen, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe -onschuld erken--waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn -dan ik,--maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de -gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene -misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?" - -»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden, -Rashleigh," hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat -namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer -uitgebreid is." - -»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan -maken!" antwoordde Rashleigh. - -»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig, -en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid." - -»Gij zijt eene dwingelandes, Diana," hernam hij met eene soort van -zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden -met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij -moest echter niet hier zijn; gij weet het immers--gij moest niet! Keer -dus met mij terug." - -En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij -naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem -in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te -waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed -op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare -tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel -strekken." - -»Gij moogt u verzekerd houden," was mijn antwoord, »dat ik daarvan -evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde -malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven." - -»Ik heb er over nagedacht," zeide Diana, na eene lange poos -zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen -der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen, -maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!--Ik weet," -voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij, -als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn." - -»Blijf dan, onbezonnen meisje!" riep Rashleigh; »gij weet maar al te -wel, wien gij vertrouwt." - -En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken -daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard. - -»God dank, hij is weg!" zeide Diana; »nu dadelijk naar den -vrederechter!" - -»Willen wij niet liever een bediende roepen?" vroeg ik. - -»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling -overvallen. Kom!" - -Ik volgde haar. Zij ijlde de donkere trap op, liep haastig door een -lange half duistere gang en kwam in eene groote voorkamer, waarin -zeer vele oude landkaarten, bouwkundige schetsen en stamboomen aan -den wand hingen. Een vleugeldeur bracht ons in het woonvertrek van den -jonker, en eene stem, die in vroegere tijden bij de flesch vrij goed -moet geklonken hebben, zong juist het refrein van een oud drinklied. - -»De goede man moet reeds gegeten hebben," zeide Diana; »ik dacht -waarlijk niet, dat het reeds zoo laat was." - -Diana had goed geraden. De rechter, wiens eetlust door ambtsbezigheden -nog al geprikkeld was geworden, had zich in plaats van te één uur, -den gewonen tijd voor het middagmaal, reeds te twaalf uren aan tafel -begeven. »Wacht hier," vervolgde Diana; »ik ben in dit huis bekend. Nu -moet ik een bediende roepen. Uwe plotselinge verschijning zou wellicht -den ouden heer al te zeer verrassen." - -En zij ijlde schielijk weg. Terwijl ik, besluiteloos of ik naderen -of terugkeeren zou, bleef staan, kon ik duidelijk genoeg hooren, -wat er in de eetzaal gesproken werd. Eene krassende stem, maar die -mij bekend voorkwam, zeide verontschuldigend, niet te kunnen zingen. - -»Gij wilt niet zingen, vriendje!" riep de vrederechter, »gij -moet! Wat satan! gij hebt daar eene van mijne grootste bokalen met -echten portwijn leeg gedronken, en nu zoudt gij nog niet kunnen -zingen? Vriendje, die wijn zou eene kat aan het zingen, ja zelfs -aan het spreken brengen. Een vroolijk liedje dus! gij kunt er niet -af. Eerst verbeuzelt gij den kostbaren tijd met uwe vervelende -verklaringen, en dan zegt gij mij, dat gij niet zingen kunt!" - -»Mijn edele heer vrederechter heeft volkomen gelijk!" hernam eene -andere stem, die deftig klonk en den klerk scheen toe te behooren; -»mijnheer hier zal zich ook gaarne naar uw wensch voegen, daaraan -twijfel ik niet. Ik zie het reeds op zijn voorhoofd geschreven: canet, -dat is: dat hij zinge!" - -»Welaan, er uit met je lied!" viel de rechter in. »Of, bij -St. Christoffel! gij zult mijn bokaal vol zout water moeten leeg -drinken, dat is volgens de overlevering, in dergelijke gevallen de -vaste boete." - -Mijn voormalige reisgenoot, dien ik thans zeer goed herkende, werd door -deze bedreiging naar het scheen, geheel bedwongen. In erbarmelijke -jammertonen, als een misdadiger, die zijn laatste boetpsalm bij het -schavot zingt, hief hij aan: - - - Verneemt, o menschen! thans mijn lied, - Een droevig, allerdroevigst lied, - Van den beruchten straatbandiet, - Der reiz'gers schrik en zwaar verdriet. - Tralali, Tralala, enz. - - Er gingen zes mannen zoo al te gaar - Naar Kensington, van Brentfort maar. - En plotseling stond de roover daar, - Van dolken en pistolen zwaar. - Tralali, Tralala, enz. - - De mannen, die zes, ze waren zat, - Want ze hadden te Brentfort wijn gehad. - De roover brult: Je geld hier! Wat?... - En ze beefden als een espenblad. - Tralali, Tralala, enz. - - -Ik geloof niet dat de arme reizigers uit het mooie lied bij de -verschijning van den roover zóó ontsteld zijn geweest, als de -zanger toen hij mij aanschouwde. Ik was het wachten moede, de kamer -binnengetreden, en stond tegenover mijn voormaligen reisgenoot -Morris. De hooge tonen van zijn zang stierven in een angstig beven -weg, toen hij den man in zijne nabijheid zag, in zijne oogen even -gevaarlijk als de held van zijn lied. Plotseling zweeg hij en staarde -mij met open mond onbeweeglijk aan, als of ik het hoofd van Medusa -op mijn schouders had. - -De vrederechter, die aan de slaapwekkende kracht van het gezang -reeds half had toegegeven, richtte zich in zijn leunstoel op, toen -hij de tonen niet meer hoorde. Zijne weder ontwaakte oogen vestigden -zich met verwondering op den ongenooden gast. Zelfs de griffier, -die tegenover den bedremmelden Morris zat, begon te deelen in de -ontsteltenis van den armen man, zonder dat hij zelf wist waarom. - -Op de algemeene verbazing, door mijn plotseling binnentreden -veroorzaakt, volgde een korte stilte. Maar ik brak spoedig die stilte -af. »Mijnheer Inglewood," zeide ik overluid, »mijn naam is Frans -Osbaldistone. Ik heb vernomen, dat de een of andere ellendeling -eene aanklacht tegen mij bij u gedaan heeft, en wel als zou ik aan -een diefstal of berooving, welke hij voorgeeft ondergaan te hebben, -deelgenomen hebben." - -»Mijnheer," antwoordde de vrederechter forsch, »dat zijn zaken, -waarmede ik mij aan tafel nooit bemoei. Alles heeft zijn tijd, en een -vrederechter moet even goed als andere lieden den tijd hebben om in -vrede te eten." - -Inglewood's weldoorvoede buik scheen noch in den dienst van het recht, -noch in dien van den Hemel op eenige wijze door vasten gekweld te zijn. - -»Vergeef mij, mijnheer," als ik eenigszins ongelegen kom. »Maar daar -het mijn goeden naam geldt, en de maaltijd geëindigd schijnt...." - -»Gij vergist u zeer, mijnheer," viel Inglewood mij in de rede; -»de maaltijd is in zooverre geëindigd, als ik aan spijs en drank -voor het oogenblik genoeg heb. Maar de spijsvertering, vriend, de -spijsvertering moet ook behoorlijk bevorderd worden. En ik kan ze -niet beter bevorderen, dan door na den maaltijd een paar uren rust -te genieten, onder eene onschuldige vroolijkheid en een matig glaasje -wijn. Verzuim ik dit, dan lijd ik dadelijk aan indigestie." - -»Ik verzoek u wel verschooning, mijnheer," begon de griffier Jobson -thans, die middelerwijl reeds schrijfgereedschap en papier voor den dag -had gehaald: »maar hier is sprake van eene kapitale misdaad. Mijnheer -is eenigszins ongeduldig. En aangezien de aanklacht de schending der -publieke veiligheid betreft--" - -»De duivel hale de publieke veiligheid!" riep de vrederechter ten -hoogste misnoegd. »Ik hoop," voegde hij er schielijk bij, »dat niemand -mij zoo'n losse uitdrukking euvel duiden zal! Maar wezenlijk, men zou -dol en razend worden, als men zoo onophoudelijk gekweld wordt! Heb ik -mijn geheele leven wel één enkel oogenblik rust met al die accusatiën, -arresten, condemnatiën, akten, transaktiën, borgtochten, injuriën, -enz., enz. Ik zeg het u bij tijds, Jobson, binnen kort jaag ik u met -het gansche vrederechterschap naar den Satan." - -»Mijnheer gelieve de hooge waardigheid van het ambt niet uit het oog te -verliezen," hernam de griffier. »In de gansche Christenwereld bestaat -er niets edelers en heerlijkers, dan het ambt van vrederechter, -wanneer het naar behooren waargenomen wordt, zooals de beroemde -rechtsgeleerde Eduard Coke zeer wijselijk heeft opgemerkt." - -»Nu dan," zeide Inglewood, half verzoend door de lofrede op de -waardigheid van zijn beroep, terwijl hij het overschot van zijn -misnoegen in een flinken teug wegdronk. »Ter zake! maar zonder omwegen, -zoodat er spoedig een einde aan kome. Spreek, mijnheer Morris, gij -ridder van de droevige figuur! Is die man daar de Frans Osbaldistone, -dien gij als medeplichtige aan de tegen u begane misdaad aanklaagt?" - -»Ik, Mijnheer?" hernam Morris, die van zijne ontsteltenis nauwelijks -eenigszins bekomen was; »ik klaag niemand aan--ik heb volstrekt niets -tegen dezen heer." - -»Welnu, dan wordt uwe aanklacht eenvoudig ter zijde gelegd, en -daarmede uit.--Dan hebben wij er niets meer mede te maken. Kom, -de glazen gevuld, mijnheer Osbaldistone, bedien u!" - -Maar de griffier was geenszins voornemens, om den klager zoo goedkoop -vrij te laten.--»Hoe kunt gij zoo spreken, mijnheer Morris?" zeide -hij. »Hier is uwe eigene verklaring--de inkt is nauwelijks droog--en -gij wilt ze zoo lafhartig, herroepen!" - -»Gij hebt goed praten!" hernam Morris zacht en bevend. »Wat weet ik, -hoe vele schelmen hier in huis zijn, die hem kunnen bijstaan. Van -zulke gevallen heb ik in Johnsons Rooversgeschiedenissen gelezen. Ja, -waarachtig, de deur..." - -De deur ging open, en Diana Vernon trad binnen.-- - -»Maar mijnheer Inglewood, is dat een wanorde in uw huis!" zeide -zij. »Nergens ziet of hoort men een bediende!" - -»Ei! Freule Diana!" riep de vrederechter, en zijn vroolijk opspringen -verried, dat hij om Themis of Bacchus nog niet vergeten had, de -schoonheid der vrouw te huldigen. »Freule Diana, het schoonste -bloempje op Schotland's grenzen! Komt gij eens zien hoe de oude -vrijer het maakt? Welkom, welkom, meisjelief, en nog eens welkom, -als de bloemen in Mei! zoo lieflijk zijt gij." - -»Uw huis, mijnheer de vrederechter, verdient in vollen ernst een open -huis genoemd te worden," vervolgde Diana. »Nergens een levend schepsel, -om uwe gasten te ontvangen!" - -»O die schurken! Zij wisten dat zij een paar uur vrij hadden, en hebben -het waargenomen. Maar waarom komt gij zoo laat? Uw neef Rashleigh heeft -hier gegeten; maar zoodra de eerste flesch ledig was, deserteerde -hij als een lafhartig soldaat. Gij hebt zeker nog niet gegeten? Nu, -dan moet er nog iets lekkers, zoets, liefs klaar gemaakt worden, zoo -zoet en lieflijk als gij zelve zijt. Het zal dadelijk bereid worden." - -»Maar ik kan volstrekt niet blijven, mijnheer Inglewood!" antwoordde -Diana. »Ik zal maar een stukje brood vragen eer wij vertrekken. Ik -ben met mijn neef, Frans Osbaldistone, hierheen gekomen, en moet hem -ook op den terugweg vergezellen en tot gids strekken; want anders -verdwaalt hij op de wijde vlakten." - -»Zoo! zoo! waait de wind uit dien hoek?" hernam de vrederechter, -en neuriede: - - - En zij wees hem den weg, en zij wees hem den weg - En zij wees hem den weg door het veld! - - -»Nu ben ik bang, dat hier voor een ouden vrijer geen fortuin te maken -is, mijn rozenknopje!" - -»In het geheel niet, mijnheer Inglewood! Maar gij zijt een braaf, -menschlievend rechter, en doet gij de zaak van mijn neef thans nu -maar dadelijk af, zoodat wij spoedig weder naar huis kunnen komen, -dan breng ik u aanstaande week mijn oom als gast mede, en wij zullen -eens recht vroolijk zijn." - -»Ja, dat zullen wij, mijn tortelduifje! Zie, ik benijd den jongen -lieden het rijden en loopen niet, als zij mij daardoor slechts van -uw bijzijn niet berooven. Nu, nu, heden zal ik u niet ophouden. Met -de reeds afgelegde verklaring van den heer Frans Osbaldistone ben -ik volkomen tevreden: er heerscht hier een misverstand, dat wij -gemakkelijk kunnen ophelderen, zoodra wij slechts wat meer tijd -hebben." - -»Met uw verlof, mijnheer Inglewood," zeide ik thans. »Ik weet immers -nog niet eens stellig, welke beschuldiging men tegen mij ingebracht -heeft." - -De griffier, die bij Diana's verschijning de zaak reeds had opgegeven, -kreeg weer moed, toen hij van een kant, van welken hij zulks wel het -allerminst verwachtte, ondersteuning erlangde.--»Gij weet," zeide hij -tot den vrederechter, »dat hij, die als misdadiger is aangeklaagd, -niet maar zoo willekeurig in vrijheid kan gesteld worden. Hij moet -zich naar de gevangenis begeven of een borgtocht stellen, en den -griffier van het vredegerecht de gewone onkosten betalen." - -De vrederechter zag zich in het nauw gebracht. Hij begon met de door -mij verlangde uiteenzetting. Het bleek, dat de grappen, welke ik mij -onderweg met den goeden Morris veroorloofd had, een diepen indruk -op diens verbeelding gemaakt hadden. Ik hoorde nu, dat hij al die -plagerijen, met al de overdrijving van een doodelijk beangst gemoed, -als zoo vele bewijzen tegen mij had aangevoerd. Op den dag, toen wij -van elkander afscheid genomen hadden, was hij, gelijk hij beweerde, op -een eenzamen weg door twee zwaar gewapende, gemaskerde lieden te paard -aangevallen en van zijn valies beroofd geworden. Een dier roovers was, -naar zijne meening, ongeveer van mijne gestalte, en Morris wilde zelfs -in het fluisteren van de beide kerels den naam Osbaldistone gehoord -hebben. Na het geleden verlies had hij een Protestantschen geestelijke, -bij wien hij zijn intrek nam, naar de familie Osbaldistone gevraagd en -gehoord, dat de leden van dit geslacht allen Papisten en Jakobieten -waren. Op al deze zoo gewichtige gronden, beschuldigde Morris mij -van medeplichtig te zijn aan de gewelddadigheid, waardoor men hem -van zekere hoogst belangrijke papieren en eene aanzienlijke som gelds -beroofd had, welke hij van wege de regeering aan een voornaam ambtenaar -in Schotland had moeten afgeven. - -Op deze zonderlinge beschuldiging deed ik slechts uitkomen, dat de -omstandigheden, waarop men ze gegrond had, aan geene overheid het -recht konden geven mij van mijne persoonlijke vrijheid te berooven. Ik -erkende, dat ik mijn angstigen reisgenoot een weinig voor den gek -had gehouden, en dat ik hem door onschuldige scherts misschien min of -meer vrees aangejaagd had. Maar, zeide ik, men moest wel door angst -van zijn verstand beroofd zijn, om dergelijke gekheden voor waarheid -op te nemen, en zich daardoor te laten verschalken. »Sedert wij van -elkander afscheid hebben genomen," voegde ik er bij, »heb ik mijn -reisgenoot niet weder gezien. En is hem werkelijk overkomen, wat hij -toenmaals steeds scheen te vreezen, dan betuig ik hier openlijk, -dat ik aan zulk een daad, die met mijne gezindheid en mijn stand -geheel strijdig is, niet alleen niet medeplichtig ben, maar ook, -dat mij daarvan volstrekt niets bekend is. De omstandigheid, dat men -een der roovers den naam Osbaldistone heeft gegeven, of dat deze naam -slechts in hun gesprek voorgekomen is, beteekent niets. Wat aangaat de -ten laste gelegde staatkundige gevoelens, bied ik aan, tot genoegen -van den vrederechter, den griffier en den aanklager te bewijzen, -dat ook ik tot de Presbyteriaansche kerk behoor, dat ik als een -getrouw onderdaan in de grondbeginselen der revolutie opgevoed ben, -en derhalve de bescherming der wetten, door die groote gebeurtenis -bekrachtigd, thans voor mij zelf inroep." - -De vrederechter draaide zich op zijn stoel heen en weder, nam het eene -snuifje na het andere en scheen zich in jammerlijke verlegenheid te -bevinden. De griffier las hem eene wet van Eduard III voor, krachtens -welke de vrederechters iederen aangeklaagde of verdachte persoon in -hechtenis mochten nemen. De boosaardige schelm maakte een wapen tegen -mij uit dat, wat ik zelf toegestemd had. Hij beweerde, dat ik volgens -mijn eigene bekentenis den schijn van een roover had aangenomen, dat -ik mij daardoor zelf aan de verdenking had blootgesteld, waarover ik -nu klaagde. - -Al deze gronden bestreed ik met vrij wat bitterheid, en liet -daarbij tevens niet onduidelijk blijken, dat ik den heer griffier -diep verachtte. Ten slotte beloofde ik, des noods, den borgtocht van -mijne familie te zullen leveren. Dat kon men in geen geval weigeren. - -Maar de kwaadaardige griffier maakte allerhande bedenkingen tegen -het aannemen van een borgtocht in zulk eene gewichtige zaak. Hij -gaf den vrederechter een wenk, om toch wel te overwegen wat de wet -hieromtrent duidelijk en stellig voorschreef. - -Op dat oogenblik werd een brief aan den griffier gebracht. Toen hij -dien snel gelezen had, scheen hij zich over deze stoornis zeer te -ergeren. »Lieve Hemel!" riep hij uit, »nu kan ik waarlijk noch aan -ambtsbezigheden, noch aan mijne eigen zaken denken. Geen rust, geen -uitstel! Ware er maar iemand anders hier, die mij helpen kon!" - -»Dankje!" mompelde de vrederechter half luid; »ik heb aan één meer -dan genoeg!" - -»Maar het is een zaak van leven en dood!" riep de griffier. - -»In 's Hemels naam, als het dan niet anders kan!--Evenwel hoop ik, -dat het buiten mij kan beredderd worden, en dat ik ambtshalve er -niets mede te maken heb?" vroeg de heer Inglewood min of meer beangst. - -En nu verhaalde de griffier, dat de rijke pachter Rutledge, in de -nabuurschap, eene dagvaarding naar de eeuwigheid ontvangen en hem -ontboden had, om zijne wereldsche aangelegenheden in orde te brengen. - -»Ga dan, ga dan!" riep de vrederechter; »dan moogt gij geen minuut -langer hier blijven." - -»Indien misschien mijne tegenwoordigheid hier noodzakelijk mocht -zijn," zeide Jobson, terwijl hij zich schoorvoetend naar de deur -begaf;--»ik kan het bevel tot arrest oogenblikkelijk opstellen, en -de gerechtsdienaar staat beneden. Ook hebt gij gehoord, wat de heer -Rashleigh aanmerkte,"--vervolgde hij veel zachter, maar het overige, -wat hij zeide, werd een voor mij volstrekt onverstaanbaar fluisteren. - -»Neen, zeg ik u, vriendje!" antwoordde de vrederechter luid. »Er zal en -moet niets gebeuren, voor dat gij terugkomt: het is immers slechts een -rit van anderhalve mijl. Nu, tot weerziens!--Welaan!" vervolgde hij, -zich weder tot ons keerende, »het glas gevuld, mijnheer Morris! Wees -niet moedeloos, mijnheer Osbaldistone. En gij mijn heidebloempje, -voor u een glaasje rooden wijn, om de rozen op uwe wangen wat te -verfrisschen." - -Diana keek op, als ontwaakte zij uit een diep gepeins, waarin -zij sedert eenige oogenblikken verzonken scheen.--»Neen, mijnheer -Inglewood," antwoordde zij: »op zulke wijze zou ik voor mijne rozen -liefst geene verfrissching wenschen. Maar met een koeleren dronk wil -ik u gaarne bescheid doen," voegde zij er bij, terwijl zij een glas -met water vulde. Zij dronk met een onrustige drift, die met hare -schijnbare opgeruimdheid zichtbaar in strijd was. - -Ik was echter niet in de rechte stemming, om haar nauwkeurig gade -te slaan. De nieuwe stoornis, die het oogenblikkelijk onderzoek der -hatelijke aanklacht weder vertraagde, verdroot mij zeer. Het was -niet te verwachten, dat de vrederechter gedurende de afwezigheid van -den griffier zich ook maar in het geringste met mijne zaak zou bezig -houden. Integendeel, de man scheen zoo verheugd over die afwezigheid, -als een schooljongen over een vakantiedag. En vruchteloos poogde hij -vroolijkheid bij zijne gasten op te wekken, daar geen van allen tot -zoo iets gestemd waren.-- - -»Maar voor den drommel, vriend Morris!" riep hij, »laat het hoofd -niet hangen. Gij zijt immers de eerste niet, en zult ook de laatste -niet wezen, die door roovers aangevallen werd. Met treuren komen wij -niet verder, en krijgen wij ook het verlorene niet terug. En gij, -mijnheer Osbaldistone, ook gij zijt de eerste jonge wildzang niet, -die een eerlijk man zijn: »sta!" heeft toegeroepen. Ik herinner -mij uit mijne jeugd een recht aardige jongen, Winterfield heette -hij--een jongen, in alle fatsoenlijke gezelschappen gezocht en -gezien, bij alle hanengevechten en harddraverijen tegenwoordig--wij -waren boezemvrienden, Orestes en Pylades. Maar, kom aan, drink eens, -mijnheer Morris! Met eene droge tong is het slecht praten. Ja, wat -ik ook zeggen wilde--menige flesch heb ik met dien goeden jongen -geleegd. Hij was van fatsoenlijke familie, zag er niet kwaad uit, een -gul gelaat, maar, weet ge! hij had een sluw oog en donkere wenkbrauwen; -overigens een knappe, door en door eerlijke jongen, uitgezonderd in -dat satansche gevalletje, dat hem het leven heeft gekost. Schenkt in, -Heeren! Op zijne nagedachtenis! En daar wij nu eenmaal op dit kapittel -zijn gekomen, en mijn verwenschten griffier met zijne verwenschte -geleerdheid uit de voeten is, kunnen wij eens recht vertrouwelijk -spreken. Mijnheer Osbaldistone, zoo gij mijn raad wilt volgen--de -wet is gestreng--zeer gestreng--de ongelukkige Winterfield kwam aan -de galg, in weerwil van alle voorspraak, van alle tusschenkomst van -vrienden, van alle familiebetrekkingen--hij moest hangen, omdat hij -een vetten beestenkooper eenige guinjes lichter had gemaakt. Nu ja, -gij hebt den goeden Morris slechts een weinig willen verschrikken en -zoo voorts. Wat drommel, vriendje, geef den man zijn valies weder, -en de grap is afgeloopen, en er wordt nooit weder over gesproken." - -Toen Morris deze woorden hoorde, helderde zijn gelaat eensklaps weder -op, en hij verzekerde stamelende, dat hij de man niet was, die naar -menschenbloed dorstte. Ik viel hem echter in de rede. Ik uitte mijne -verontwaardiging over de beleedigende onderstelling des rechters, -die mij voor schuldig hield aan eene misdaad, die ik nooit begaan had, -en waarvan ik wilde vrijgesproken worden. - -Op dit hachelijk oogenblik kwam er een bediende binnen en meldde een -vreemden heer aan. Terstond daarop trad die vreemde heer, zonder veel -komplimenten, de kamer binnen. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - - Daar komt er een terug, zoo'n roover. Hier blijf 'k staan. - Blijf ik zoo dicht bij 't huis, dan zal hij wel weer gaan, - En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen. - - De Weduwe. - - -»Wat voor vreemdeling!" had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch -niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders--" - -In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den -Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had -gesproken.--»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van -belang, mijnheer de rechter," zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend -verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer -Morris," voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den -man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten -wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten." - -Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige -ontroering. - -»Kom! wees toch een man, vriend!" vervolgde Campbell, »beef niet -als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien, -mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij -gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer -kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap -zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn, -u goede diensten te bewijzen." - -»Mijn--heer--Mijn--heer--," stamelde Morris, »ik geloof, dat gij -een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja, -mijnheer Inglewood," voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof -waarlijk, dat die heer het is." - -»Maar wat wil die heer dan toch van mij?" vroeg de vrederechter -eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg -een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord -laat komen." - -»Gij zult beiden verkrijgen," hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik -kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u -lastig te vallen." - -»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een -Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij -zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt." - -»Denkelijk heeft deze man," vervolgde Campbell, »u reeds verhaald, -dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had, -zijn valies kwijt te raken?" - -»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd," antwoordde -de vrederechter. - -»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!" hernam Campbell; »dit was eene kiesche -onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar -ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven -man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht -te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze -zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen, -dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op -uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde, -maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik, -door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te -gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben." - -»Helaas, helaas! alles waarheid!" antwoordde Morris op die lange vraag, -met neergebogen hoofd en op klagenden toon. - -»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken, -dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te -geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?" - -»Dat niemand daartoe beter in staat is--o ja, dat is ook al -waar!" zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht. - -»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?" vroeg -de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee -roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij -zijt beide sterke en flinke kerels." - -»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer," hernam Campbell, »als ik u zeg, -dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en -vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik -hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben -kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som -gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen, -en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor -aan levensgevaar bloot te stellen." - -Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen, -nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was -tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken, -en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner -woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn -mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven -de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde -aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij -bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was -dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk. - -Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik -een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit: -»dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig." - -De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij -veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken -iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid -verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen -ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens, -het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of -plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en -kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet, -toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En -nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt -zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben, -dit papier in te zien." - -De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt -verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van--(den naam kan ik -niet lezen) een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag -is; dat hij voor zijne eigen zaken reist--enz. Gegeven in ons kasteel -te Inver--Invera--rara. Argyle." - -»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,"--zeide -Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij -den hoed afnemen--»van Mac-Callum More zelven." - -»Mac-Callum--wie is dat?" vroeg de vrederechter. - -»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle." - -»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en -een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714, -toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik -wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds -een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de -nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust -en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden, -dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen -heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige -lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende, -mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die -rooverhistorie weet!" - -»Met twee woorden, mijnheer," hernam Campbell, »zal ik u alles -verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij -zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd -heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer -heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig -zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer -Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn -masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet," voegde hij er bij, -terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde, -»dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere -gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er -eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm, -maar mijn reisgenoot volstrekt niet." - -»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen -toe!" antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell -met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb -vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te -herroepen,"--vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u, -hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij -insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij -met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb -groote haast." - -»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!" zei de vrederechter en wierp het -papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij, -mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest." - -»Ja," zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met -een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide; -»ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd, -Morris, wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt, -hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;--veilig, -meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander -afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden -wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn." - -Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld -misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen -geheel besluiteloos. - -»Wees toch niet bang, zeg ik u!" herhaalde Campbell. »Ik zal woord -houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of -ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar -goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den -heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid -bezit." - -Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok -onder Campbell's geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw -door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want -ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming -herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel, -vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot, -dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een -eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind."--Meer -hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan, -dat beiden vertrokken waren. - -Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem -met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige -ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze, -waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou. - -»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat -last krijgen wegens de papieren!" zeide hij. »Eigenlijk had ik ze -niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper -beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen; -heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar -nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben, -wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen -en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster -over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven -halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben -wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar -flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven." - -»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod," antwoordde Diana; »maar -zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel -terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden -is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij -houdt van hem als van een zijner eigen zonen." - -»Ik wil het wel gelooven," zei Inglewood, »want toen zijn oudste -jongen, Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak -met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf -als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij -zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt -had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar -luister eens, heidebloempje," vervolgde hij en trok het meisje bij de -hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden -raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors -uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van -rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral, -laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids, -mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende, -zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje." - -Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede -Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij -uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens -jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den -draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet -iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met -crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te -steken. En deze goede Diana Vernon--zij is, om zoo te zeggen, op -Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden, -loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak -deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf -weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel -moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in -'sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins -over. Ge kent immers 't versje wel: - - - »In korten tijd verteert tabak, - Zoo ook de mensch wordt oud en zwak - Als 't vuur--der jeugd verdooft. - En zoo ge 't niet gelooft, - Dan zie die witte, droge asch - Der grijsheid--op zijn hoofd." - - -Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de -vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet -doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen, -en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning. - -Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook -iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom, -die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn -zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te -vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd -voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag, -om het zwijgen dadelijk te willen afbreken. Eindelijk zeide Diana, -hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet -Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;--beminnen kan men -hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen -tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een -acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden, -dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is." - -»Gij gelooft dus," zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij -zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo -juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de -valk de patrijs meevaart--dat die Campbell ook al een werktuig was -van onzen neef Rashleigh?" - -»Ja, dat geloof ik inderdaad," hernam Diana. »Ik vermoed zelfs, -misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik -volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het -huis van den vrederechter ontmoet had." - -»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone -redster?" - -»Juist," antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die -dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val -mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen, -dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen; -gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt -niet, dat gij er verder over spreekt.--Maar wie komt ons daar te gemoet -rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!" - -Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij -spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en -hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden. - -»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!--ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie -al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld -gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten, -wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als -mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen -neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank -voor de klucht en neem mijn ontslag." - -»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet -vasthechten, zou dat niet even goed zijn?" zeide Diana. »Maar hoe -hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament -te maken en te onderteekenen?" - -Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana -zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne -karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat -ik hem te nietig achtte. - -»Wat? Rutledge?"--riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken -vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloekte -streken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien -hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu." - -»Was het een logen, mijnheer Jobson!" vroeg Diana met gemaakte -onnoozelheid. »Het is onmogelijk!" - -»En ik zeg het u, en herhaal het!" hernam de vertoornde griffier, -»en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een' beunhaas -noemde, ja, een' beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld -te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar -ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets -behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn -beroep--te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne -bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste -regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning -Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie--onzen onsterfelijken -redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen -en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!" - -»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!" hernam -Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te -prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt, -mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid -niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien...." - -»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel -moet mij zelfs durven dreigen--dat verzeker ik u, freule!" - -»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient," viel -ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is -zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel -eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten -met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven." - -»Hoe, mij--mij--mijnheer--mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?" - -»O ja, mijnheer!" hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den -vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in -geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene -fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen." - -Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!" zeide zij; »de heer -Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild -niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit -zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd -van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem -een onbeschoft mensch te noemen." - -»Zijne woorden raken mij niet," zeide Jobson eenigszins -bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend -scheldwoord--maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste -soort: daarvoor zal de boer boeten;--boeten zal hij, even als iedereen, -die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten -einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven." - -»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!" zeide Diana. »Gij weet -toch best, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is, -zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen -goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt, -en wensch u van harte geluk met het verlies." - -»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik -heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de -Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter -behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob -I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken, -gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in -eigendom hebben:--de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed -van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft--ik zeg het -slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd -zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde -weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en -wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens -den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo -spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan -gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op -die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te -beproeven, tot aan de knieën door het water waden." [6]. - -»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne -Katholieke dwalingen!" zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw -onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar -huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson, -gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!" - -»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!" - -Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg. - -»Daar gaat hij heen, die stokebrand!" zei Diana, terwijl zij hem -nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en -hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen -deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat -voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde--want wat -men ook zeggen moog', in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke -geloof den voorrang." - -»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling -te geven, die hij voelen zou!" antwoordde ik. - -»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!" hernam -Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger -geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben -laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie -dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de -moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren." - -»En welke drie dingen zijn dat, freule?" vroeg ik zeer nieuwsgierig. - -»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?" - -»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?" antwoordde ik, haar wat dichter -naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking -volstrekt niet trachtte te verbergen. - -»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets, -medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik -een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten -als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel -lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u -behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen -volgden en toejuichten." - -»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet -schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat -het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft..." - -»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne -voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere -helft behoort." - -Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!" viel zij mij in de rede; -»dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene -aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon, -dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om -die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of -gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht, -zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot -eene onderdrukte sekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan -ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave, -godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het -mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in -een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner -voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene -ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg: -»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!"" - -»Dit kwaad is te genezen!" zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden, -raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer -zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed -werdt, en..." - -»Stil!" zeide Diana, den vinger op den mond leggende; -»geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen -verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste -oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot -den zegepralenden vijand overloopen." - -»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden -bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten -ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht." - -»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u, -bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas -moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een -vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik -mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak -van mijn kommer mede te deelen." - -»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u, -al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te -wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is, -hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al -de Katholieken in Engeland, wier aantal hier--God zij met ons!--steeds -nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk -en staat, eigenlijk wenschen." - -»Welnu, luister!" hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien -had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van -nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een -gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd -en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten -en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel -woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij, -maar voor anderen." - -»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat -ik tevens nauwelijks zou geraden hebben." - -»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist--indien iemand wist, hoe -moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd -te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het -niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel. Maar -als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn, -zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen, -omtrent Rashleigh's deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en -omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid -opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over -mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk -wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik -zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al -verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt -niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden." - -Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd -daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde -te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen, -ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke -vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich, -voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij -verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had, -om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou -willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne -diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn. - -»Ik dank u, ik dank u!" antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den -logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe -hij zich verplicht. Als ooit--ja hoe zou dat mogelijk zijn!--doch als -ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of -gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet -boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij -genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid -kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik -u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana's broeder waart." - -»En als ik uw broeder ware," zeide ik, »ik zou niet sterker dan -nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen, -of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?" - -»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op -verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij -laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist -bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet -liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd -geplaatst." - -»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is -geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook -niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was, -om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling -niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen..." - -»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!" viel Diana mij in -de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te -veronderstellen. Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en -nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks -ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak, -dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist -bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken, -om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn -vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne -omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen." - -»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!" zeide ik -glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw -vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn." - -Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde -bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit -stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze -geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren. - -»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de -boekenkamer," zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel -over u ontfermen," voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken -toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van -den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met -mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De -boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel, -waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar -komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten, -met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel -verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne -hoofden niet in aanraking." - -En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij -het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - - Ik vond in 't groote huis een somber, kil vertrek, - Waar niemand kwam--voor haar een heilig-stille plek. - Want langs de breede wanden, stond plank bij plank, bevracht - Met dat wat geesteshonger en zielepijn verzacht. - - Anonymus. - - -Het was een groot, somber vertrek, de bibliotheek in kasteel -Osbaldistone. Langs de wanden bogen oude eiken planken onder den -last van zware boeken. Het waren meest dikke, aan de zeventiende -eeuw zoo dierbare folianten. Daaruit hebben wij het grootste deel der -wijsheid voor onze kwartijnen en octavo's getrokken, en wanneer onze -zonen in nog hoogere mate tot het pygmeëngeslacht mochten behooren -dan wij, dan zal die wijsheid, opnieuw gedistilleerd, zich ook nog -verder tot duodecimo's en octodecimo's laten inkorten. De verzameling -bestond grootendeels uit Grieksche en Romeinsche schrijvers, algemeene -geschiedenis, en verder uit werken over de godgeleerdheid. Alles bevond -zich echter in zeer groote wanorde. De priesters, die achtereenvolgens -als kapelaans hadden dienst gedaan, waren verscheidene jaren lang -de eenige menschen geweest, die dit eenzame verblijf betraden, -tot eindelijk Rashleigh, door zijne zucht naar kennis gedreven, -de eerbiedwaardige spinnewebben verwoestte, welke de boekenkasten -bedekten. Dat deze jongman zich aan den geestelijken stand wilde -wijden, was in zijns vaders oogen niet zoo erg dwaas, als wanneer -een der andere afstammelingen zulk eene zonderlinge neiging had doen -blijken. De oude sir Hildebrand gaf dan ook gaarne zijne toestemming, -om de ouderwetsche kamer eenigszins meer bewoonbaar te maken. Evenwel -zag ze er nog steeds zeer vervallen uit en verried in alle opzichten -eene onvergeeflijke verwaarloozing, waartegen de diepe geleerdheid, -welke hare wanden bekleedde, haar niet had kunnen beschermen. De -behangsels gescheurd, wormstekige boekenplanken; de tafels en -stoelen waren ontzaglijk groot, maar lomp bewerkt en waggelende, -de vuurhaard door roest bijna geheel verteerd, terwijl zelden of -nooit een steenkolen- of takkenbossenvuurtje er op flikkerde; al -die dingen waren zoo vele overtuigende bewijzen van de minachting, -met welke de eigenaars en bewoners van het kasteel Osbaldistone de -schatten van geleerdheid beschouwden. - -»Waarschijnlijk zal u deze kamer niet erg bevallen?" zeide Diana, -toen ik in het eenzame vertrek min of meer verwonderd rondzag. »Maar -ik voor mij gevoel mij hier als in een klein paradijs; want ik noem -het mijn eigendom en behoef niet te vreezen in deze stille afzondering -gestoord te worden. Rashleigh deelde vroeger met mij dat bezit. Zoolang -wij nog vrienden waren." - -»Zijt gij thans geene vrienden meer?" was natuurlijk mijne vraag. - -Met een schelmsch verbiedenden blik legde zij haren wijsvinger -aan het kuiltje in hare kin.--»Wij zijn nog steeds bondgenooten," -zeide zij na eenig zwijgen, »even als andere verbonden mogendheden, -door wederzijdsche belangen vereenigd. Maar ik vrees, dat het ook -hier gaan zal als in andere dergelijke gevallen; het verbond heeft de -vriendschappelijke gezindheden overleefd, waaraan het zijn oorsprong -te danken had. Zoo veel is zeker, dat wij thans veel minder omgang -met elkander hebben, en komt hij soms door die deur binnen, dan ga ik -door deze er uit. Kortom, wij hebben bemerkt, dat wij in deze kamer, -hoe ruim ze ook zijn moge, niet tegelijk plaats kunnen vinden, en -Rashleigh, wien zijne zaken dikwerf elders roepen, heeft mij eindelijk -grootmoedig zijne rechten afgestaan, zoo dat ik nu geheel alleen het -werk voortzet, waarbij hij te voren mijn leidsman was." - -»En welk werk is dat, indien ik het vragen mag?" - -»Wees maar niet bang dat ik mijne kin zal aanraken. Zeer zeker -moogt gij dat vragen. Wetenschappen en geschiedenis zijn mijne meest -geliefkoosde studiën, ofschoon ook de dichtkunst en de oude schrijvers -geenszins door mij veronachtzaamd worden." - -»De oude schrijvers? En gij leest die in het oorspronkelijke?" - -»O ja. Rashleigh, die vele kennis bezit, onderwees mij in het Grieksch -en Latijn, en in de meeste talen van het beschaafde Europa. Gij moogt -vrij gelooven, dat men zich ten opzichte van mijne opvoeding nog al -eenige moeite heeft gegeven. Maar daarentegen versta ik niets van -kantwerken, noch van borduren, noch zelfs van een pudding te maken. Ik -kan, zoo als de dikke vrouw van onzen predikant onlangs zeer juist -en beleefd opmerkte, niets nuttigs verrichten." - -»En wie heeft dan deze studiën voor u gekozen--Rashleigh, of gij -zelve?" - -»Och! hm!" zeide zij, alsof zij weifelde mijne vraag te beantwoorden; -»maar eigenlijk is het de moeite niet waard, mijn vinger op te -heffen--gedeeltelijk hij, gedeeltelijk ik. Buiten 's huis leerde ik -rijden, des noods een paard optoomen en zadelen, een geweer, zonder -te knipoogen, afschieten, en alle dergelijke manhaftige oefeningen, -die mijne ongepolijste heeren neven als het eenige doel van hunne -bestemming beschouwen. Maar nu moest ik ook in huis, even als mijn -eenige verstandige neef, Grieksch en Latijn leeren verstaan. Van den -boom der kennis wilde ik plukken, welken gij, mannelijke geleerden, -zeer gaarne voor u alleen zoudt willen behouden, ik denk uit wraak -tegen onze gemeenschappelijke moeder, wegens haar aandeel aan de -erfzonde." - -»Moedigde Rashleigh gaarne uwe neiging tot geleerdheid aan?" - -»Nu, hij wenschte mij tot zijne leerling te hebben, en kon mij -trouwens, slechts die kundigheden mededeelen, welke hij zelf bezat. Het -geheim om kanten lubben te wasschen of een zakdoek te zoomen, kon ik -natuurlijk van hem niet leeren." - -»Nu, dan vermoed ik wel, dat de wensch, om zulk eene leerling te -hebben, bij den leermeester zich vrij sterk gelden liet!" - -»Hoor eens, zoo gij naar Rashleigh's beweegredenen wilt beginnen -te vorschen, dan zal ik mijne vinger weder aan de kin moeten -leggen. Ik kan slechts dan openhartig zijn, wanneer er naar mijne -eigen beweeggronden gevraagd wordt. Rashleigh heeft mij de boekenkamer -afgestaan, en komt er nooit in, zonder mij vooraf verlof te vragen. Ik -heb derhalve de vrijheid genomen, om die kamer tot eene bewaarplaats -voor mijne eigen goederen te maken, zoo als gij zien kunt, als gij -uwe blikken slechts eens in het rond wilt slaan." - -»Vergeef het mij, freule; ik vind inderdaad binnen deze vier muren -volstrekt niets, wat ik, op het eerste gezicht, voor uw eigendom -zou houden." - -»Waarschijnlijk, omdat gij geen herder of geen herderin op een -borduurraam ziet, of een opgezetten papegaai, of een kooi met -kanarievogels, of een werktafeltje, of een toiletdoos, of een gitaar, -of een schoothondje met nog blinde jongen. Ja, van al die schatten -bezit ik volstrekt niets," vervolgde zij na eenig zwijgen, toen zij, -na deze lange optelling, weder adem had gehaald. »Maar daar staat -het zwaard van mijn voorvader Richard Vernon, die bij Shrewsbury -sneuvelde, doch naderhand erg belasterd werd door een moedwilligen -knaap, met name William Shakespeare, die, bij zijne partijdigheid voor -het heerschende huis van Lancaster en bij een zekere hebbelijkheid om -alles levendig voor te stellen, in de geschiedenis alles het onderste -boven, of liever het binnenste buiten gekeerd heeft. Naast het geduchte -zwaard hangt het pantser van een nog ouderen Vernon: hij was page van -den Zwarten Prins. Zijn lot was juist het tegenovergestelde van dat -van zijn nakomeling, want hij mocht den zanger, die de moeite nam, -hem in een gedicht te vereeren, meer voor den goeden wil, dan voor -wezenlijke talenten, danken-- - - - »Aanschouw daar in den drom dien ridder, woest en wild, - Die Vernon heet en 'n doedelzak voert in zijn schild. - Hij schettert over 't stuivend slagveld heen. - Hij schreeuwt met fluit en keel, terwijl zijn makkers rennen." - - -»Zie hier eens het model van een nieuwen springriem, dien ik zelve -heb uitgevonden. Daar hebt ge de kap en de schellen van mijn valk -Cheviot, die zich zelf aan den snavel van een reiger spietste. Arme -Cheviot! bij u vergeleken zijn alle overige valken slechts gieren -en gemeene roofvogels. Ginds staat mijn jachtgeweer met een nieuw -uitgevonden slot, en daar verder vindt gij nog meer dergelijke fraaie -dingen. Maar waarom zou ik een en ander aanprijzen? Alles prijst hier -zichzelf aan; vooral dit hier!" - -Bij die woorden wees zij op eene ouderwetsch gebeeldhouwde eikenhouten -lijst, die een levensgroot portret omsloot, door van Dijck geschilderd, -waarop met groote Gothische letters te lezen stond »Ver Non Semper -Viret." [7] Ik keek haar aan. Zij las op mijn gelaat dat ik er niets -van begreep. - -»Hoe," vroeg zij een weinig verrast, »is u de dubbelzinnige spreuk -van ons geslacht niet bekend, en ons wapen, waarin de doedelzak -prijkt?" vervolgde zij, terwijl zij het in de lijst gebeeldhouwde -wapen wees, rondom hetwelk die woorden stonden. - -»Een doedelzak!" zeide ik; »daarvoor zou ik de figuur waarlijk -niet aangezien hebben! Maar wordt niet boos over mijne onkunde," -vervolgde ik, toen ik zag, dat hare wangen min of meer begonnen te -gloeien. »Het kan toch waarlijk mijn oogmerk niet zijn, uw wapen te -bespotten; want ik ken niet eens mijn eigen wapen." - -»Wat? Gij zijt een Osbaldistone, en durft iets dergelijks -bekennen!" riep zij uit. »Percival, Thorncliff, John, Richard, zelfs -Wilfred zou hier uw leermeester kunnen zijn! Ja, de domste domheid -zou u in dit opzicht beschaamd maken." - -»Met leedwezen beken ik, dat de geheimen, welke de grillige -hieroglyphen der wapenkunde bedekken, voor mij even onverstaanbaar -en onoplosbaar zijn, als het beeldschrift op de Egyptische pyramiden." - -»Hoe is het mogelijk!" riep Diana uit. »Zelfs mijn oom leest in de -winteravonden een enkelen keer in Gwillyns Wapenboek. De heraldieke -figuren niet te kennen! Waaraan heeft uw vader dan toch gedacht?" - -»Aan cijfers," antwoordde ik. »De minstbeduidende handelsrekening vindt -hij belangrijker dan den ganschen wapentooi der ridderschap. Maar hoe -diep onkundig ik ook in die edele kunst ben, bezit ik kennis en smaak -genoeg, om deze heerlijke schilderij te bewonderen. Ik vind daarin uwe -trekken weder. Welk eene vrije, edele houding! welk een rijke gloed -van kleuren, welke onovertreffelijke vermenging van licht en schaduw!" - -»Is het wezenlijk eene fraaie schilderij?" vroeg Diana. - -»Ik heb," antwoordde ik, »van den beroemden meester zeer vele -portretten gezien, maar niet één, dat mij zóó beviel." - -»Nu, ik versta even weinig van de schilderkunst, als gij van de -heraldiek. Ik geloof echter hooger te staan dan gij, nu ik deze -schilderij, zonder de eigenlijke waarde er van te kennen, toch heb -kunnen bewonderen en lief krijgen." - -»Ja, ik erken dat ik mij nooit om doedelzakken en dergelijke -wonderlijke afbeeldingen op ridderlijke wapens bekommerde, al weet -ik, dat ze eens op het veld van eer en roem schitterden. Maar hun -afbeelding, dit zult gij mij toch wel willen toestemmen, is voor -den onkundige op verre na zoo aantrekkelijk niet, als eene fraaie -schilderij. Wien stelt dit portret voor?" - -»Mijn grootvader," antwoordde Diana. »Hij werd in het ongelukkige -lot van Karel I gewikkeld. Hij nam ook, helaas! deel aan Karels -buitensporigheden. Het vermogen van onze familie onderging door zijne -verkwisting eene aanmerkelijke vermindering en geraakte, onder het -beheer van zijn zoon, mijn ongelukkigen vader, geheel verloren. Doch -vrede zij met hen, die het verkregen hebben--het werd voor een edele -zaak opgeofferd!" - -»Uw vader leed vermoedelijk door de burgeroorlogen van dien tijd?" - -»Juist, en hij verloor alles. Daarom is zijn kind eene afhankelijke -wees. Zij moet bij vrienden haar brood zoeken, zich naar hunne -luimen voegen en hunne neigingen in acht nemen. Evenwel ben ik er -veel trotscher op, zulk een vader gehad te hebben, dan wanneer hij -door een voorzichtiger, maar minder eerlijk gedrag, mij in het bezit -van al de schoone heerlijkheden gelaten had, die eens het eigendom -van zijn geslacht waren." - -Terwijl zij deze woorden zeide, kwamen de dienstboden met het eten, -en ons gesprek ging tot onbeduidende onderwerpen over. Nadat wij vrij -spoedig den maaltijd geëindigd hadden, berichtte ons de knecht, die -den wijn op tafel zette, dat de heer Rashleigh wenschte te vernemen, -wanneer wij hem konden ontvangen. - -»Zeg hem," antwoordde Diana den bediende, »dat het ons aangenaam zal -zijn, hem terstond hier te zien. Geef nog een glas, zet een stoel en ga -dan heen.--Gij moet met hem gaan, als hij weder vertrekt," vervolgde -zij tegen mij. »In weerwil van al mijne mildheid, kan ik van de vier -en twintig uren van elken dag niet meer dan acht aan één man vergunnen, -en naar ik geloof, zijn wij reeds zoo lang bij elkander geweest." - -»O freule," zeide ik, »de tijd, die oude man met zijn zeis, is zoo -snel voortgegaan, dat ik zijne schreden niet heb kunnen tellen." - -»Stil! Rashleigh komt!" zeide Diana, en schoof haar stoel van mij af, -want ik had den mijnen langzamerhand nader bij haar geschoven. - -Een bescheiden kloppen aan de deur, een zacht openen op Diana's: -binnen! en eene gemaakte zachtheid en nederigheid in gang en houding -verrieden mij, dat de opvoeding, welke Rashleigh in het kollegie te -St. Omer ontvangen had, volkomen overeenstemde met de manieren van -een echten Jezuïet, zoo als ik mij die voorstelde. Ik behoef er niet -bij te voegen, dat ik, als protestant, dit slag van lieden juist niet -in de aangenaamste kleuren voor mij zag. - -»Waartoe aankloppen?" vroeg Diana. »Gij wist immers, dat ik niet -alleen was." - -Dit zeide zij op eenigszins wreveligen toon, alsof zij gevoeld had, -dat Rashleigh's voorzichtigheid en bescheidenheid een beleedigenden -argwaan verried.-- - -»Lieve nicht," antwoordde Rashleigh, zonder zijne stem of houding -eenigszins te veranderen, »gij hebt mij zoo volkomen onderricht, -hoe ik aan deze deur moet kloppen, dat de gewoonte bij mij tot een -tweede natuur is geworden." - -»Oprechtheid acht ik hooger dan hoffelijkheid, dit weet gij!" was -Diana's antwoord. - -»Hoffelijkheid is kiesch en aangenaam: zij ontleent haren naam van -den hoveling en past daarom 't best voor een vrouwenvertrek." - -»Maar oprechtheid is eene ridderdeugd, en daarom mij veel aangenamer," -hernam Diana. »Maar laat ons een woordentwist afbreken, die voor -uw neef hier volstrekt niets behagelijks kan hebben. Neem plaats, -Rashleigh, en drink eens. Aan tafel heb ik de eer des huizes -opgehouden; doe gij het nu." - -Toen Rashleigh ging zitten en zijn glas vulde, wendde hij zijne oogen -van Diana af op mij. Hij kon, welke pogingen hij daartoe ook aanwendde, -zijne verlegenheid niet geheel verbergen. Het scheen mij toe alsof -hij onzeker, ongerust was, in hoe verre Diana mij haar vertrouwen -had geschonken. Ik haastte mij dan ook, aan het gesprek zulk eene -wending te geven, dat hij zijn argwaan, dat Diana mij soms iets van de -geheimen mocht ontdekt hebben, welke tusschen haar en hem bestonden, -spoedig zou laten varen. - -»Freule Vernon," begon ik, »heeft mij bevolen u, neef, mijn dank -te betuigen, voor mijne spoedige bevrijding van die bespottelijke -beschuldiging. Ten onrechte vreesde zij, dat mijne dankbaarheid -niet warm genoeg zou zijn. Zij maakte ook mijne nieuwsgierigheid -gaande, toen zij mij naar u verwees voor ophelderingen aangaande de -gebeurtenissen van dezen dag." - -»Inderdaad?" antwoordde Rashleigh, en vervolgde, terwijl hij een -zijdelingschen blik op Diana wierp; »ik had gedacht, dat freule Diana -hier zelve de noodige verklaringen wel zou hebben gegeven." - -Nu vestigde hij zijne oogen wederom op mij, alsof hij op mijne -gelaatstrekken had willen lezen of Diana's mededeelingen zoo beperkt -waren geweest, als mijne woorden te kennen gaven. Uit Diana's -oogen sprak onverholen verachting, toen zij zijn uitvorschenden -blik ontmoette. Ik wist niet, of ik wel goed deed, zijn argwaan te -wederleggen of te berispen. Ik zeide: »Als freule Diana goedvindt mij -onkundig te laten, dan moet ik mij dit laten welgevallen. Maar gij, -waarde neef, zult mij toch uwe inlichtingen niet willen onthouden, in -de onjuiste veronderstelling, dat ik reeds iets van de zaak weet. Ik -verzeker u op mijn woord van eer, dat ik evenmin als dit beeld, -iets van het voorgevallene van dezen dag begrijp, behalve datgene, -wat freule Vernon mij van uwe vriendelijke bemoeiingen gezegd heeft." - -»Die bemoeiingen heeft mijne lieve nicht zeer zeker veel te hoog -gewaardeerd," hernam Rashleigh; »maar van mijn ijver om u behulpzaam -te zijn, kunt gij trouwens geen te hoog denkbeeld koesteren. Ik zal u -de eenvoudige waarheid zeggen. Ik reed spoorslags terug, om iemand van -mijne bloedverwanten te ontmoeten, die met mij den borgtocht voor u kon -op zich nemen. Dit was het natuurlijkste, of liever het eenige middel -om u te helpen, dat mij op dat oogenblik voor den geest kwam. Toen -ontmoette ik Cawmil--Colville--Campbell, of hoe hij anders heeten -moge. Hij was, zoo als ik van Morris gehoord had, bij de aanranding -tegenwoordig geweest. Ik bewoog hem, hoewel niet zonder veel moeite, -zijn getuigenis tot uwe bevrijding af te leggen en daardoor zijt gij -vermoedelijk uit uw onaangenamen toestand gered geworden." - -»Zoo? Dan ben ik u wel zeer verplicht, dat gij mij dien getuige zoo -juist ter rechter tijd bezorgd hebt. Maar daar hij, zoo als hij zeide, -een ongeluksmakker van Morris is geweest, begrijp ik waarlijk niet, -waarom het u zoo veel moeite gekost heeft, om hem tot het afleggen -van zijn getuigenis te bewegen. Het was toch zijn plicht zoowel om -den waren dader aan den dag te brengen, als om een onschuldige van -verdenking te bevrijden." - -»Gij kent den volksgeest niet van het land, waar die man geboren is," -hernam Rashleigh. »Geheimhouding, schranderheid en voorzichtigheid zijn -daar de hoofdeigenschappen. Zij staan slechts onder den invloed van -eene bekrompen denkende, maar vurige vaderlandsliefde. Dit gevoel is -een soort van bolwerk, waarmede een Schot zich tegen alle aanvallen -van een edel, menschlievend beginsel weet te beveiligen. Hebt gij -dat bolwerk beklommen, dan vindt gij van binnen nog een andere, hem -veel dierbaarder sterkte: de liefde voor zijn stadje, zijn dorp, of -zijn geslacht. Bestorm dezen wal, en gij komt aan een derden: zijne -genegenheid voor zijne bloedverwanten, vader, moeder, zonen, dochters, -ooms, moeien, neven en nichten, tot in den negenden graad. Binnen deze -grenzen beperken zich de maatschappelijke neigingen van een Schot. Zij -gaan nooit tot andere voorwerpen over, totdat alle middelen, om in de -binnenste kringen bevrediging te vinden, geheel uitgeput zijn. In deze -kringen klopt zijn hart, en al zwakker en zwakker wordt elke polsslag, -tot hij eindelijk op de uiterste grenzen bijna onmerkbaar wordt. Maar -het ergste is, dat gij, na al deze geconcentreerde buitenwerken -beklommen te hebben, aan eene veel hoogere en sterkere vesting in -het binnenste komt, en dat is de eigenliefde van den Schot." - -»Gij hebt u zeer welsprekend en beeldrijk uitgedrukt!" zeide Diana, -die hem blijkbaar met ongeduld had aangehoord; »maar tegen uwe -redeneering zijn, meen ik, twee tegenwerpingen te maken. Vooreerst -is ze niet waar, en ten tweede dient ze, zoo ze al waar mocht zijn, -hier volstrekt niets ter zake." - -»Ik zeg u, schoone Diana," hernam Rashleigh, »dat mijne verklaring waar -en bovendien hier geheel van toepassing is. Zij is waar: want gij zult -mij toch wel willen toestemmen, dat ik land en volk nauwkeurig ken, -en dat mijne schildering de vrucht van eene scherpe en aandachtige -opmerkzaamheid is. Zij dient ter zake: want zij beantwoordt de vraag -van mijn neef, en toont aan, waarom deze voorzichtige Schot aarzelde, -daar onze bloedverwant noch zijn landsman, noch zijn stamgenoot is, -noch tot een van de tallooze zijtakken behoort, waaruit de stamboomen -aldaar bestaan. En omdat hij er bovendien geen persoonlijk voordeel -van te wachten heeft, maar integendeel veel tijdverlies in zijne -beroepsbezigheden moet vreezen--" - -»En andere onaangenaamheden, die misschien nog meer te duchten -zijn!" viel Diana hem in de rede. - -»Welzeker, er kunnen allerlei lastige zaken uit ontstaan," hernam -Rashleigh op denzelfden bedaarden toon. »Kortom, mijne ophelderingen -toonen aan, waarom deze man, daar hij volstrekt geen voordeel te -verwachten, maar wel degelijk eenige onaangenaamheden te duchten had, -zich alleen na veel moeite van mijne zijde overhalen liet, om zijn -getuigenis ten gunste van onzen neef af te leggen." - -»Ik heb de verklaring van den goeden Morris vluchtig ingezien," begon -ik weder. »Het heeft mij zeer verwonderd, dat met geene enkele letter -gewag er van gemaakt is, dat Campbell bij hem is geweest, toen hij -door de roovers aangevallen werd." - -»Campbell had, zoo als ik van hem gehoord heb, zich door Morris -plechtig doen beloven, van deze omstandigheid niet te zullen reppen," -antwoordde Rashleigh. »Waarom hij hem deze belofte afgedwongen heeft, -kunt gij uit mijne gegeven wenken licht gissen. Hij wenschte op zijne -terugreis naar huis door geen gerechtelijk onderzoek opgehouden -te worden. Als het bekend geworden was, dat hij bij de aanranding -tegenwoordig was geweest, zou hij in dat onderzoek gemengd zijn -geworden, zoo lang hij zich nog in Engeland bevond. Maar laat hem -maar eerst over de grenzen zijn, dan zal Morris zeker terug komen en -alles zeggen, wat hij van hem weet, en misschien nog veel meer. Er -komt nog eene andere omstandigheid bij. Campbell, die een vrij -aanzienlijken handel in vee drijft, zendt dikwerf groote kudden -naar Northumberland. Bij zulke belangrijke verzendingen zou hij -zeer onvoorzichtig handelen, met de dieven hier te lande, die de -wraakzuchtigste wezens ter wereld zijn, een oorlog te beginnen." - -»Dat wil ik bezweren," zeide Diana op een toon, die iets meer scheen -te kennen te geven dan eene eenvoudige toestemming. - -»Ik wil gaarne gelooven," begon ik weder, »dat Campbell gegronde -redenen gehad heeft, om van Morris geheimhouding te vorderen. Maar ik -kan niet begrijpen, hoe hij zoo veel invloed op den man heeft kunnen -verkrijgen, om hem tot het terughouden van zijn getuigenis in dit -voorval te bewegen. Immers, Morris liep gevaar wantrouwen omtrent -zijne eigen geschiedenis te verwekken." - -Rashleigh stemde toe, dat dit zeer zonderling was. Ja, het scheen hem -nu te spijten, dat hij den Schot over deze omstandigheid, die hij -zelf geheimzinnig vond, niet nader ondervraagd had. »Maar," voegde -hij er schielijk bij, »zijt gij wel volkomen zeker, dat Morris in -zijne verklaring volstrekt niets van Campbell gezegd heeft?" - -»Ik doorliep het papier wel is waar slechts vluchtig," antwoordde ik; -»maar ik herinner mij nog levendig, dat ik er niets van dien aard -in gelezen heb; of het moest zoo flauwtjes aangeroerd zijn, dat het -mijne opmerkzaamheid ontsnapt is." - -»Juist, juist!" hernam Rashleigh, mij dadelijk bij het woord -vattende, »dit zal het wezen. Er zal van die omstandigheid wel -degelijk gewag gemaakt zijn, maar zoo ter loops, zoo vluchtig, dat -het uwe opmerkzaamheid moest ontgaan. Voor het overige vermoed ik, dat -Campbell van de vreesachtigheid van Morris partij heeft getrokken, om -hem op zijne zijde te krijgen. De lafhartige man moet, zooals ik hoor, -naar Schotland, om zekere kleine aangelegenheden voor de regeering -te bezorgen, en onder zulke omstandigheden zou hij zeker niet gaarne -met den geduchten Campbell op een onaangenamen voet willen komen. Op -het gezicht alleen van dezen Herkules, moet hem het weinigje moed, -dat hij bezit, geheel en al in de schoenen zinken. Gij zult toch wel -opgemerkt hebben, dat Campbell in zijn voorkomen iets krijgshaftigs -en in zijn toon en houding zelfs iets woests heeft." - -»Ik moet bekennen," hernam ik, »dat zijne houding mij wezenlijk vreemd -toescheen. Zijn geheele voorkomen was in strijd met de bedaarde en -erg vredelievende uitdrukkingen die hij bezigde. Is hij vroeger in -krijgsdienst geweest?" - -»Ja--neen--Juist niet in krijgsdienst, maar hij heeft toch, meen ik, -zoo als de meeste van zijne landslieden, de wapenen gevoerd. In het -gebergte gaat men, schier van kindsbeen af tot aan het graf toe, met -wapenen om. Nu gij toch uw reisgenoot kent, zult gij licht beseffen, -dat hij, voornemens zijnde in zulk een land te reizen, elken twist -met een inboorling zoo veel mogelijk tracht te vermijden. Maar ik -zie, dat de wijn u niet meer smaakt. Och, ik ben eigenlijk ook een -ontaarde telg van het geslacht Osbaldistone, voor zoover het de -wijnflesch betreft. Gaat gij met mij naar mijne kamer, dan spelen -wij een partijtje piket?" - -Wij stonden op om Diana te verlaten, die met in het oog loopende moeite -zich telkens bedwongen had, om Rashleigh niet driftig in de rede te -vallen. Toen wij wilden heengaan, barstte haar wrevel toch even los. - -»Uwe eigen scherpzinnigheid," riep zij mij luide toe, »zal u in staat -stellen te beoordeelen, of dat, wat Rashleigh van Campbell en Morris -gezegd heeft, waar of onwaar is. Maar in zijne honende uitdrukkingen -tegen Schotland, heeft hij een valsch getuigenis tegen een geheel -land gesproken, en ik bid u aan zijne verklaringen volstrekt geen -gewicht te hechten." - -»Ik vrees, dat het mij misschien moeilijk zal vallen aan uwen raad -te gehoorzamen," hernam ik, »want ik moet bekennen, dat mij bij mijne -opvoeding juist geen te gunstig denkbeeld van onze noordelijke naburen -werd ingeprent." - -»Vergeet dan in dit opzicht uwe opvoeding, en laat de dochter van -een Schot u bewegen, het vaderland van hare moeder te eerbiedigen, -tot eigen ondervinding u zal overtuigd hebben, dat het uw goeden dunk -niet verdient. Maar bestraf huichelarij, laaghartigheid en valschheid, -waar gij ze ook mocht vinden, met haat en verachting. Zonder Engeland -te verlaten, kunt gij die schandelijke ondeugden talrijk genoeg -aantreffen. En hiermede, mijne heeren, goeden nacht!" - -En ze wees naar de deur, als eene vorstin, die haar gevolg wegzendt. - -We begaven ons naar Rashleigh's kamer, waar een bediende ons -koffie en kaarten bracht. Ik had besloten, met betrekking tot -het voorgevallene van dezen dag, niet verder bij Rashleigh na te -vorschen. Een geheim--en, naar ik geloofde, niet van den aangenaamsten -aard--scheen zijn gedrag te omsluieren. Maar wilde ik mij overtuigen of -mijn argwaan gegrond was, dan moest ik hem volkomen geruststellen. Wij -begonnen te spelen, en waren weldra geheel in ons spel verdiept. Ik -meende zelfs in dit onbeduidende tijdverdrijf--want de inzet, volgens -Rashleigh's voorstel bepaald, was inderdaad eene kleinigheid--het -heftige, eerzuchtige karakter van mijne tegenpartij te herkennen. Hij -scheen het spel volkomen te verstaan. En evenwel, als ware het uit -beginsel, gaf hij aan koene en gewaande slagen de voorkeur boven het -in acht nemen der gewone regels van het spel; zoodat hij geringere, -voor de hand liggende voordeelen verwaarloosde, en alles waagde om -een zestiger of negentiger te krijgen, of alle trekken te maken. Maar -nadat eenige spellen ons gesprek hadden afgebroken, scheen Rashleigh -dit tijdverdrijf moede te zijn, en legde hij de kaarten ter zijde, -om het gesprek weder aan te knoopen. - -Hij was eigenlijk meer geleerd dan wezenlijk verstandig. Hij kende het -menschelijk gemoed uitmuntend, maar hij was eenigszins vreemd aan de -zedelijke beginselen, welke de menschen behooren te leiden. Hij bezat -de gave van onderhoudend te zijn, en wel zoo, als ik het zelden door -iemand geëvenaard en zeker door niemand overtroffen heb gevonden. Hij -scheen zich van dit voorrecht wel bewust; ten minste het kwam mij voor, -dat hij zich zeer veel moeite had gegeven tot ontwikkeling van zijne -natuurlijke gaven; zijn welluidende stem, zijn vloeiende, boeiende -wijze om zich uit te drukken, zijn gepaste keuze en ontwikkeling -van denkbeelden en zijn licht bewegelijke fantasie. Nooit was hij -luidruchtig, nooit opvliegend, nooit zoo zeer met zijne eigen gedachten -vervuld, om het geduld of het bevattingsvermogen van hen, met wie hij -sprak, af te matten. Zijne denkbeelden vloeiden onafgebroken kalm -voort. De spreekwijze van anderen, die in het gezellig onderhoud -zeer aangenaam meenden te zijn, was evengoed te vergelijken bij -zijne prettige manier van mededeelen, als een traag en troebel -stroomend water, dat ten slotte verzandt, bij een volle rijke bron, -waaruit steeds frisch water welt. Eerst laat in den avond kon ik van -zulk een inderdaad boeiend gezelschap scheiden. Toen ik alleen op -mijne kamer was, kostte het mij niet weinig moeite, mij het beeld, -dat ik mij te voren van Rashleigh's karakter gemaakt had, weer voor -den geest te brengen. - -Waarlijk, onze gave, om vreemde karakters waar te nemen en te -beoordeelen, wordt steeds verzwakt door de bekoorlijkheid van het -genoegen en het onderhoud. Vruchten, die zoet en prikkelend zijn, -streelen ons verhemelte dikwijls zoo zeer, dat wij den waren goeden -smaak van eenvoudige spijs niet meer weten te waardeeren. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - - Wat scheelt er aan, o mannen, - Wat drukt uw ziele weder? - Wat buigt in 't Balwieries veste - Uw hoofden diep ter neder. - - Oud-Schotsche Ballade. - - -De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op -het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage -uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige -morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde, -kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana -uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal -van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis -ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer -ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te -springen, er zonder halsbreken afgekomen ware. - -»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!" zeide hij; »maar waag -niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor -iedereen, tot welke partij hij ook behoort?--" - -»Ik moet zeggen oom," viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig -hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat -ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou -de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan." - -»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar -niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk -en klaar." - -Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo -zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk -geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen -vertrouwde. - -»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen -huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem -zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd -mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst -hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen -hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden, -en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor -mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel, -eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen -iedereen die onschuld handhaven." - -»Rashleigh", zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een -sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel -te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven -niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de -regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens -een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding." - -Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij -evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen -gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een -of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer -eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff -zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede -te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de -rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich -in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot -het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven. - -Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl -de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons -ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de -wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik -zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven, -zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken. - -»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?" antwoordde hij. »Als een -verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat--iets, dat, om u de -waarheid te zeggen, niet licht gebeurt--dan is hij zoo hardnekkig, -dat ik het steeds 't best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over -zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen -uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien, -ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het -eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig, -met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor -overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne -eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den -heiligen Vader." - -»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een -man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk -genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt." - -»Beste neef, eene dwaze opvatting--als ik mijns vaders opvatting zoo -zou mogen noemen--kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat -hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar -uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks -houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der -Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien, -in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting -rijzen." - -»Maar dat wensch ik niet," antwoordde ik; »ik begeer niemand's achting, -onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven -moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede -reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten, Zoodra ik -daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden." - -Rashleigh's gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te -verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar -terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.--»Hoe -gelukkig zijt gij, neef Frans!" zoo begon hij; »gij gaat en komt, -als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid, -bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden, -waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme -bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen...." - -Hij zweeg.-- - -»Hoe? Wat bedoelt ge?" vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit -mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?" - -»Wel voor een tijdelijke opoffering,--want meer zal het toch niet -zijn--" hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk -leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste -bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo -als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u, -zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door -een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer -het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap -moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans -geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen." - -Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik -weet niet," zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner -ledige uren zoo goed kent." - -»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een -jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen -offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen -zeer geroemd en bewonderd hebben." - -Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester -in Apollo's tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die -in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar, -die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn -bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door -smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten -te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon -niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen -te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte -het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij, -door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem -eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven. - -»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid -mededeelt, op een avond op mijne kamer," voegde hij er bij; -»zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang -met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van -handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns -vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng -ik bepaald een offer. En als ik bedenk, tot welk stil en vreedzaam -beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het -offer groot is." - -Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch -geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen," antwoordde ik, »dat het u -wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden -Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom, -de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen." - -Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaakte nederigheid met wat al -te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en -scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht -jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen. - -»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen," zeide hij, -»op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft -uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming -hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester--nu ja--; -maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone -zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn, -dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker -dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten -zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof, -en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne -natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet -geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde -berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner -verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet," -voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon, -afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon -aan te slaan--»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne -goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd -hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den -Italiaanschen tuinierszoon?" - -»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen," hernam -ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis -aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige -waarde is." - -»Dit zou ook ik niet doen," antwoordde hij weder. »Als ik maar -overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder -zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen -latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de -gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken." - -»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets -omtrent hem vernemen?" - -»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder -Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets -van uw vader!" - -»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden, -die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen -te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin -die slechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen -voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening -bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven -gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred -met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt -hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder -het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte -is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer -spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is, -juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is -zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof, -maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw -geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid -een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer -gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor -de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke -gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene -onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de -pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem -staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij -zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem -verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer -brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne -grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene -zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet -eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid -onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat." - -»Een uitmuntend portret!" riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was, -met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij -in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als -eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener -kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog, -omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert -hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld." - -»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar -voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens -een beschrijving van de streken hier, waar...." - -»Waar gij schipbreuk hebt geleden?" viel Rashleigh mij in de -rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso, -vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene -nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid -aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan -zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik, -volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had." - -»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins -verdient!" hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet een -bekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom -haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?" - -Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan -te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige -mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot -hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne -uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol -hier goed te spelen. - -»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend -dan voorheen het geval was," begon hij. »In hare jeugd was ik haar -leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne -vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was, -door hare geheel bijzondere betrekkingen--kortom, onze wederzijdsche -omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en -onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek -aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te -trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven, -dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar -zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon -en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een -bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar." - -»Het klooster of een bruidegom?" herhaalde ik. »Moet Diana tusschen -deze beide uitersten kiezen?" - -»Ja!" antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te -zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot -vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij -zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder -uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te -worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw -onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over -haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het -voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid -is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt." - -Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking -lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen -recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik -Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen -doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!" dacht ik bij mij zelven. »Mij -wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is, -ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om -haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?" Ik nam mij voor, -zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook -met geweld afpersen. - -Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik -zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond -verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins -onbezonnen en ruw was. - -»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste -voorzichtigheid," antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft -een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in -haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom -volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus -mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer -ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen -en wat ik bezit, met Diana te deelen." - -»O, Rashleigh! akelige kerel!" dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe -lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de -hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet." - -»Maar aan de andere zijde," vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot -zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen." - -»Thorncliff verdringen?" herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw -broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?" - -»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige -bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst -hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning -welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts -de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone, -enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de -vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats -moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is, -zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het -best geschikt is, om den stam voort te planten." - -»Ha, ha!" lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te -nemen, maar het ging mij slecht af.--»Diana zou misschien liever -wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou -kunnen verbinden." - -»Dat kan ik juist niet zeggen!" antwoordde hij. »In onze familie -is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en -Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de -arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft." - -»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!" viel ik -hem in de rede. - -»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet -in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men -anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn -oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben, -om Diana te onderwijzen en te leiden." - -»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over -denkt....?" - -»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen," hernam Rashleigh, -maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen -ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan -scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den -band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich -gul ontsluitend hart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde -heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd, -dat ik bijtijds verstandig was." - -Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte -mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne -kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen, -die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde! Diana -Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op -zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen -Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel -gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij -haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en -vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere -verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem, -gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer -sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat -gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon -het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd -heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft -of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij -daarover bekommeren? Ze is Katholiek--ze is eene Jacobietin....--Ja! ze -is een woest schepsel daarenboven--ik zou wel dol moeten zijn om er -aan te denken!" - -Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar -ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde -stemming, dat ik aan tafel verscheen. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - - Zuipen--zwetsen--kijven--vloeken! - Met d' eigen schaduw ruzie zoeken! - - Othello. - - -Mijn waarde Tresham, het was zeker niets nieuws voor u, toen ik u -eens zeide, dat mijn voornaamste gebrek van ouds eene ontembare -hooghartigheid was, die mij tallooze onaangenaamheden heeft -berokkend. Zelfs niet half luid, zelfs niet in mijne gedachten had -ik tot dusver durven wagen te bekennen, dat ik Diana beminde. Maar -nauwelijks had Rashleigh van haar gesproken, als van een prooi, -die hij nog wel eens kon medenemen of die hij, als hij er lust in -had, ook naar welgevallen, kon laten liggen, zie! toen blies mijn -trots mij in, dat elke stap door het lieve meisje in alle onschuld en -openhartigheid gedaan, om een vriendschappelijken band met mij aan te -knoopen, niets dan beleedigende coquetterie was. »Ha! zij zou zich -dan maar met mij behelpen, als het den heer Rashleigh niet behaagt -zich over haar te ontfermen? Maar ik zal haar toonen, dat ik de man -niet ben, die zich zoo in den val laat lokken. Zij moet begrijpen, -dat ik haar spel doorzie en veracht!" - -Ik dacht er aan, dat die ergernis die ik zonder het minste recht -voedde, juist duidelijk bewees, dat Diana mij minder dan ooit -onverschillig was....Innig vergramd op haar en alle dochters van -moeder Eva, zette ik mij naast haar neder. - -Diana was verrast, toen ik op eenige plagerijen en spottende uitvallen, -welke zij met hare gewone vrijmoedigheid waagde, onvriendelijke -antwoorden gaf. Maar zonder in het minst vermoeden, dat het van -mijne zijde kwaad gemeend was, beantwoordde zij mijne vrij ruwe -woorden met scherts, die door hare vroolijke luim wel getemperd, maar -tevens gescherpt werd. Eindelijk merkte zij, dat ik wezenlijk niet -goed gemutst was. »Men is gewoon te zeggen, mijnheer Osbaldistone," -zeide zij op eenigszins spijtigen toon, »dat men zelfs van gekken -iets verstandigs leeren kan. Onlangs wilde neef Wilfred niet langer -»handjeklap" met neef Thorncliff spelen, omdat neef Thorncliff -veel harder toesloeg, dan de wetten van een vriendschappelijk spel -veroorloofden. Wilde ik ook zoo toeslaan, zei de goede Wilfred, dan -zou het mij weinig moeite kosten uwe hand in weinige oogenblikken -verschrikkelijk te doen opzwellen. Maar dat wil ik niet; en nu vraag -ik, of het niet heel onbillijk van u is, mij zulke harde slagen toe -te brengen, terwijl ik slechts in den wind sla? Kunt gij de toepassing -hiervan vinden, mijnheer Frans?" - -»Dank u, freule. Ik zie de noodzakelijkheid niet om mij in het weinigje -vernuft, waarmede men hier het gezellige onderhoud tracht te kruiden, -nader te verdiepen." - -»Noodzakelijkheid? Gij verbaast mij, mijnheer Osbaldistone!" - -»Dat spijt mij zeer!" gaf ik ten antwoord. - -»Moet ik dezen stijven toon als ernst beschouwen? Of neemt gij dien -slechts aan, om uwe goede luim des te meer waarde bij te zetten?" - -»Gij hebt op de opmerkzaamheid van zoo vele heeren in dit huis eene -rechtmatige aanspraak, freule Vernon, dat het voor u wezenlijk niet -de moeite waard kan zijn, u om mijne onbevattelijkheid of sombere -gemoedsstemming verder te bekommeren." - -»Hoe? ik moet dus gelooven, dat gij mijne partij verlaten hebt en -tot den vijand zijt overgeloopen?" - -Dit zeggende, keek zij over de tafel heen. Op eens bemerkte zij, -dat Rashleigh, die tegenover ons zat, met eene geheel eigenaardige -uitdrukking van belangstelling op zijne leelijke trekken ons -aankeek. Half schertsend, alsof zij een versje reciteerde, ging -zij voort: - - - O, aaklige gedachte! Ik zie het, het is waar! - Rashleigh de leelijke, hij knikt mij lachend toe, - En wijst op u, als waart gij.... - - -»Maar neen! Goddank! Mijn weerlooze toestand heeft mijn geduld -geoefend. Ik word niet zoo licht boos. Maar tot twisten wil ik ook -niet gedwongen worden. Ik heb dus de eer u, vroeger dan gewoonlijk, -goeden avond en een spoedig herstel van uw kwade luim toe te wenschen." - -Zij verliet de kamer. Toen zij vertrokken was, deed ik mij al spoedig -verwijten over mijn gedrag. Ik had de welwillendheid, die mij te -gemoet kwam, en welker gulle oprechtheid ik eerst kort geleden -had leeren kennen, moedwillig teruggestooten. Ik was zelfs op het -punt geweest, het lieve meisje te beleedigen. Niet zonder eenigen -nadruk had zij mij aan haar weerloozen toestand herinnerd. Om de -grievende gewaarwordingen, welke het berouw over mijn ruw gedrag mij -veroorzaakte, te bestrijden, of wel om ze te vergeten, sprak ik vaker -dan gewoonlijk de flesch aan, die rondging. - -Ik verkeerde in eene opgewonden stemming. Bovendien, ik was -geen wijndrinker. Des te spoediger ondervond ik de uitwerking -van den drank. Geoefende drinkers mogen in staat zijn een zee -van bedwelmende dranken naar binnen te gieten, zonder daarvan -eenige bedwelming te gevoelen. Wie nuchteren reeds opgewonden is, -wachte zich voor dergelijke gevaarvolle proef, en vooral iemand, -die de dronkenschap slechts bij naam kent. Toen die geesten eenmaal -opgewekt waren, liet ik mij spoedig door de bedwelming meesleepen. Ik -praatte onophoudelijk door, twistte over dingen waarvan ik volstrekt -niets wist, verhaalde historietjes, welker einde ik er vergat bij -te voegen, lachte om mijne eigen vergeetachtigheid, wedde, zonder -de minste kennis van het voorwerp der weddingschap te hebben, en -waagde het zelfs, den reusachtigen John tot eene vechtpartij uit te -dagen. Mijn oom was zoo verstandig, om deze dolheid te voorkomen, -die anders hoogst waarschijnlijk vrij erg voor mij zou afgeloopen -zijn. Lastertongen beweerden zelfs, dat ik in dien toestand een -liedje had gezongen. Maar omdat ik mij in het geheel niets daarvan -herinner, en noch voor, noch na dien tijd ooit een enkele zangnoot -uit mijne keel gehaald heb, zal deze laster, vertrouw en hoop ik, -wel van allen grond ontbloot zijn: Trouwens vrees ik, dat mijn gedrag, -ook zonder deze overdrijving, onbehoorlijk genoeg zal zijn geweest. Ik -verloor mijne bewustheid niet, maar wel alle zelfbeheersching; mijne -onstuimige driften sleurden mij heen en weder. Onvergenoegd, gemelijk, -boos en met het vaste voornemen om een diep stilzwijgen te bewaren, -was ik gaan zitten; maar in de praatzieke, twistachtige stemming, -waarin mijn roes mij gebracht had, sprak ik ieder tegen, die zich -liet hooren, en, zonder eenig ontzag voor den persoon, verschoonde -ik zelfs mijns ooms beginselen en geloofsmeeningen niet. Ik werd -woedend door Rashleigh's gemaakte ingetogenheid. Zijne bedaarde -tergende spot prikkelde en ergerde mij veel meer dan de woeste en -bulderende taal van zijne broeders. Mijn oom wendde--dit bemerkte -ik, en moet het hier tot zijn eer getuigen--zijn beste pogingen aan, -om ons tot bedaren te brengen, maar zijn gezag vermocht niets tegen -de bedwelming van den roes en de hitte der driften. Woedend over -eene wezenlijke of ingebeelde beleedigende uitdrukking, lichtte -ik eindelijk mijne hand tegen Rashleigh op. Geen stoïcijn, boven -eigen en vreemde hartstochten verheven, zou zulk eene beleediging -met een hoogeren graad van verachting hebben kunnen beantwoorden, -dan hij deed. Het scheen alsof hij het niet de moeite waard achtte -zich eenigszins gevoelig te toonen, maar zijn broeder Thorncliff nam -terstond den handschoen voor hem op. De degens werden getrokken en -wij hadden reeds een paar stooten gewisseld, toen de andere broeders -ons met geweld scheidden. Nooit vergeet ik den duivelschen grijns, -die Rashleigh's hatelijk gelaat vertrok, toen ik door de vereenigde -kracht van twee jonge reuzen uit de zaal werd gesleept. Zij brachten -mij op mijne kamer, welker deur zij dicht sloten, en ik werd razend om -het luide gelach, waarmede zij de trap afgingen. In mijne machtelooze -woede trachtte ik hen na te snellen, de traliën van de vensters -uit te rukken, de vast gegrendelde deur open te breken; maar te -vergeefs. Eindelijk wierp ik mij op het bed en sliep in onder het -stellige voornemen, om mij den volgenden dag vreeselijk te wreken. - -Maar met den volgenden morgen kwam een innig berouw over mij en keerde -mijne bezinning terug. Met smart gevoelde ik het onwelvoegelijke en -belachelijke van mijn gedrag. Ik moest aan mij zelven de bekentenis -afleggen, dat de roes en mijne driften mij vernederd hadden, diep -beneden Wilfred Osbaldistone, dien ik zoo zeer verachtte. Bij mijne -troostelooze overdenkingen kwam een nederdrukkend gevoel, toen -ik de noodzakelijkheid overwoog, mijn gedrag te verontschuldigen, -toen ik bedacht, dat Diana de getuige van mijne vernedering moest -zijn. De door mij tegenover haar aangenomen houding en gebezigde -uitdrukkingen droegen niet weinig bij, om de kwellingen van mijn -toestand te vermeerderen. En daarvoor kon ik niet eens de armzalige -verontschuldiging van een roes aanvoeren! - -Zoo gepijnigd door schaamte en vernedering, ging ik naar beneden -ontbijten, als een misdadiger naar zijne rechters om zijn vonnis -te hooren uitspreken. Eene harde vorst maakte het juist ondoenlijk -de honden buiten te laten. Ik ondervond ook nu nog de vernedering, -de gansche familie, Rashleigh en Diana uitgezonderd, vergaderd te -vinden rondom eene koude wildpastei en een stuk rundvleesch. Toen ik -binnentrad waren allen aan het lachen, en ik kon licht bemerken dat -zij zich ten mijnen koste vroolijk maakten. Maar boos gemeend was het -niet. Wat mij een zelfvernedering scheen, beschouwden mijn oom en de -meeste mijner neven als een heel aardig grapje. Hij schertste over het -gebeurde van den vorigen avond, en beweerde, dat het veel beter was -dat een jongeling zich driemaal daags een roes dronk, dan dat hij, als -een Presbyteriaan, nuchter naar bed sloop en een gezelschap vroolijke -gasten bij de volle flesch verliet. Tot bevestiging dezer troostvolle -woorden, vulde hij een grooten beker met brandewijn, en ried mij aan -»een haar in te slikken, van den hond die mij gebeten had." - -»Laat de jongens maar lachen, neefje!" vervolgde hij; »zij zouden -juist zulke melkbaarden zijn als gij, zoo ik hen niet met de flesch -in de hand tot stevige drinkers gevormd had." - -Over het algemeen ontbrak het mijn neven niet aan goedhartigheid. Toen -zij zagen, dat de herinnering aan den vorigen avond mij lastig, -ja pijnlijk was, poogden zij met eene lompe vriendelijkheid den -onaangenamen indruk uit te wisschen. Thorncliff alleen zag er knorrig -en onverzoenlijk uit. Reeds dadelijk na mijne komst op het kasteel -kon hij mij niet verdragen. Aan de bewijzen van welwillendheid, -welke ik nu en dan van zijne broeders ontving, hoe ruw en ongemanierd -die dan ook waren, had hij nooit deel genomen. Werd hij wezenlijk, -waaraan ik echter begon te twijfelen, door de overigen als Diana's -bruidegom beschouwd? Of hield hij zich zelven daarvoor? In ieder -geval kon er licht eene opwelling van jaloezie in hem ontstaan zijn, -toen hij hare bijzondere vriendelijkheid jegens mij bemerkte. Een -gevaarlijken medeminnaar vreesde hij zeker in mij. - -Eindelijk trad Rashleigh binnen. Zijn gelaat was somber als een -rouwkleed. Ik kon er niet aan twijfelen, dat hij over de onvergeeflijke -en smadelijke beleedigingen, welke ik hem had aangedaan, wrok -koesterde. Ik was het reeds met mij zelven eens, hoe ik mij bij deze -gelegenheid moest gedragen. Ik was vast overtuigd, dat de ware eer -daarin bestaat, om zich wegens eene beleediging, welke met deze of -gene vermeende uittarting in geene verhouding staat, bescheiden te -verontschuldigen, maar om ze niet te verdedigen. - -Ik ijlde hem te gemoet, en betuigde mijn innig leedwezen over de -onbetamelijke drift, waaraan ik mij den vorigen avond had schuldig -gemaakt. - -»Niets," zeide ik, »zou mij een enkel woord van verontschuldiging -afgedwongen hebben, maar ik heb de overtuiging, dat mijn gedrag -onvoegzaam is geweest. Ik hoop dat mijn neef met mijn oprecht berouw -genoegen zal nemen en tevens bedenken, dat het tusschen hem en mij -voorgevallene aan de overvloedige gastvrijheid van zijn vaderlijk -huis te wijten is." - -»Gij moet weder vrienden met elkander worden, jongens! ja, dat -moet gij!" riep de wakkere ridder in de opwelling zijns harten; -»en gebeurt dat niet, dan noem ik Rashleigh, zoo waar ik leef, niet -meer mijn zoon! Waarom staat gij dan daar, Rashleigh, zoo stijf en -onbewegelijk als eene marmeren beeld? Het doet mij leed! ziedaar alles, -wat een man van eer in zulke gevallen zeggen kan, voornamelijk, als -de door hem aangedane beleediging bij de flesch is geschied. Ik ben -ook soldaat geweest, en weet zoo tamelijk, hoe men zich in zaken van -eer moet gedragen. Laat mij er dus geen woord meer van hooren. Alles -is vergeten en nog heden gaan wij met elkander op de dassenjacht in -het berkenbosch." - -Zooals ik reeds gezegd heb, was Rashleigh een zeldzaam wezen. Niemand -heb ik ooit gekend, die op hem geleek. - -Het zonderlinge van zijn gelaat lag niet alleen in de trekken, maar ook -in de afwisselende uitdrukking. Wanneer op andere gezichten droefheid -in vreugde, of misnoegen in tevredenheid verandert, dan heeft er een -zekere overgang plaats, voor dat de uitdrukking van de heerschende -stemming de vroegere geheel verdringt. Tusschen het wegtrekken van -de duisternis en het opgaan der zon heerscht schemering. Bij ieder -ander mensch ziet men de verandering--terwijl de opgezwollen aderen -verdwijnen, het donkere oog opheldert, het voorhoofd zich ontrimpelt, -en al de overige trekken hunne sombere schaduwen verliezen allengs -kalm en opgeruimd worden. Niets van dien aard was er op Rashleigh's -gelaat te bespeuren. Bijna plotseling veranderde de eene uitdrukking -van hartstocht in de tegenovergestelde. Ik kan inderdaad geene meer -passende vergelijking vinden, dan de snelle tooneelverwisselingen, -wanneer op het geluid van het fluitje achter het tooneel, een akelig -hol verdwijnt en een heerlijk bosch uit den grond oprijst. - -Ik had dit reeds meermalen waargenomen, maar nu vooral werd op deze -bijzonderheid mijne opmerkzaamheid onwederstaanbaar gevestigd. Donker, -als de nacht, zag Rashleigh er uit bij zijn binnentreden. Met een -somberen blik hoorde hij mijne verontschuldigingen en zijns vaders -vermaning aan; doch nauwelijks had deze geëindigd, of plotseling -verdween de zwarte wolk, en het minzaamste, hoffelijkste antwoord -volgde.--»Beste neef! Ik heb u niets te vergeven. Waarlijk," dus -begon hij, »als ik meer drink dan mijne gewone drie glazen, dan -wordt mij het hoofd al dadelijk zoo licht, dat ik, als de goede -Cassio, mij slechts een verward denkbeeld van den verloopen nacht -kan vormen. Ik herinner mij eene menigte dingen, doch niets bestemds; -wel deze of gene woordenwisseling en twist, maar niet de aanleiding -daartoe. Gij kunt derhalve wel denken, waarde neef," vervolgde hij, -mij vriendelijk de hand drukkende, »hoe warm het mij om het hart -wordt, nu ik hoor dat ik eene verontschuldiging van u ontvang, -in plaats van u mijne verontschuldiging te moeten maken. Kom, kom, -geen woord meer over het gansche geval! Ik zou al zeer dwaas moeten -zijn, wilde ik de rekening nog nader onderzoeken. Ik was bang dat de -balans nadeelig was. En nu is zij zoo geheel onverwacht en aangenaam -in mijn voordeel uitgevallen.--Gij ziet neef, dat ik mij reeds oefen -in de taal van mijn toekomstig beroep." - -Juist wilde ik hem antwoorden en sloeg de oogen op, toen ik Diana -ontdekte, die gedurende ons gesprek ongemerkt binnengetreden was en -aandachtig geluisterd had. Beschaamd en ontsteld zag ik voor mij neer -en spoedde mij naar tafel, waar ik mij tusschen mijne neven plaatste, -die reeds druk aan den maaltijd waren. - -Mijn oom wilde aan het gebeurde van den vorigen dag eene nuttige -waarschuwing ontleenen. Hij gaf zijn zoon Rashleigh en mij den raad, -om onze »melkpapgewoonte," zoo als hij het noemde, te veranderen, -en er ons van lieverlede aan te gewennen, een flink glas goeden wijn -te gebruiken, zonder daarbij in twist of vechterij te geraken. Hij -beval ons, dagelijks met een flesch rooden wijn te beginnen, met -eene behoorlijke dosis Maartsbier en brandewijn was dat voor een -leerling in de edele drinkkunst eene aardige inleiding. Tot onze -aanmoediging voegde hij er nog bij, dat hij mannen gekend had, die -op onze jaren niet eene enkele flesch konden verdragen, maar later -in goede omgeving spoedig geleerd hadden, vijf, ja zes te ledigen, -zonder den volgenden morgen ziek of maar eenigszins ongesteld te zijn. - -Ik behoef wel niet te zeggen, dat al deze troost en bemoediging -aan mij totaal verkwist waren. Ik volgde zijne vermaningen weinig, -misschien ook, omdat ik telkens als ik opzag, Diana's oogen ontmoette -waarin ik ernstig medelijden, aan misnoegen en teleurstelling gepaard, -meende te lezen. Ik overlegde hoe ik mij ook jegens haar onder vier -oogen verklaren en verontschuldigen zou. Maar zij begreep mijne -verlegenheid en verloste mij van den moeilijken plicht haar om een -onderhoud te moeten vragen. - -»Neef Frans," zeide zij, en gaf ook mij eenigszins oneigenaardig -den naam, waarmede zij de zonen van mijn oom placht aan te spreken, -»heden ochtend heb ik in Dante's verzen eene vrij moeielijke plaats -gevonden. Wilt gij wel zoo goed zijn een oogenblik in de boekenkamer -te komen om mij in te lichten en hulp te verleenen? Zoodra gij den zin -van den duisteren Florentijner voor mij opgehelderd hebt, zullen wij -deze heeren naar het berkenbosch volgen, en zien of zij zoo gelukkig -zijn geweest om den das op te jagen." - -Hoe blijde was ik en ik stond dan ook op, gereed haar te -volgen. Rashleigh bood aan ons te vergezellen. »Ik houd mij eigenlijk -liever bezig," zeide hij, »met Dante's gedachten in de beelden van -zijne woeste en sombere poëzie op te sporen, dan het wild gedierte -uit zijn hol op te jagen." - -»Vergeef mij, Rashleigh," antwoordde Diana. »Maar daar gij uw neef -op het kantoor zult vervangen, moet gij hem de taak overlaten, om de -opvoeding van uwe leerling hier voort te zetten. Evenwel, als wij uwe -hulp noodig hebben, zullen wij zoo vrij zijn om u te roepen. Kijk nu -maar zoo ernstig niet! Het is buitendien schande genoeg dat gij niets -van het edele jachtvermaak verstaat! Wat zoudt gij toch zeggen, hoe -zoudt gij u uit de verlegenheid redden, als uw oom in Londen u eens -mocht vragen, hoe men op de jacht het spoor van een das kan vinden?" - -»Heel waar, Diaantje! heel waar!" zei oom Hildebrand met een -zucht. »Rashleigh zou dom staan kijken als men hem zoo iets vroeg. Even -als zijne broeders, had hij ook nuttige kundigheden kunnen verzamelen; -want hij is in alle eer, deugd en wijsheid opgevoed. Maar Fransche -zotheden, dat drommelsche boekenlezen en de malle denkbeelden -die daaruit voortspruiten hebben hem, zooals geheel Oud-Engeland, -ten eenenmale verbasterd.--Kom Rashleigh, ga met ons en draag mijn -jachtspies. Uwe nicht schijnt uw gezelschap heden zeer wel te kunnen -ontberen, en men moet niemand tot last wezen; dat duld ik niet. Vooral -moet er niet kunnen gezegd worden, dat de eenige vrouw in Osbaldistone -gestorven is, omdat zij haar zin niet kreeg." - -Rashleigh volgde zijn vader, maar onder het heengaan zeide hij zacht -tot Diana: »ik moet dus zeker in het gezelschap van de wellevende -mevrouw Hoffelijkheid komen en aankloppen, als ik voor de deur van -de boekenkamer sta?" - -»O neen, Rashleigh!" zeide Diana. »Dat is niet noodig. Verban slechts -uit uw gezelschap den aartsbedrieger de Huichelarij. Dan zult gij u het -best den toegang tot onze geleerde bijeenkomsten weten terwerven..." - -Met deze woorden nam zij den weg naar de boekenkamer. Ik volgde -haar--ja, als een misdadiger, die naar de gerechtsplaats gaat, zou -ik zeggen, zoo ik die gelijkenis niet reeds een paar malen gebezigd -had.--Dus in het kort gezegd, ik volgde haar in de overtuiging, dat ik -een vrij zot figuur zoude maken, en gaarne van een tête-à-tête bevrijd -zou zijn geweest. Het kwam mij eigenlijk vernederend voor, onder zulke -omstandigheden haar te volgen. Ik had zulk een geruimen tijd op het -vaste land doorgebracht, dat ik wel wist, dat vrijmoedigheid en een -zeker betamelijk zelfvertrouwen den man moeten onderscheiden, dien -eene schoone vrouw tot haar gezelschap kiest. Maar mijne Engelsche -gevoelens zegepraalden over mijne Fransche opvoeding, en ik zag er -zeer waarschijnlijk jammerlijk uit, toen Diana, trotsch als een -rechter, die in eene gewichtige zaak moet vonnissen, zich in een -leuningstoel nederzette, en mij een teeken gaf om tegenover haar -plaats te nemen. Als een arm zondaar, die zijn vonnis moet aanhooren, -zette ik mij neder op den zetel, die zij mij aangewezen had. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - - Des duivels was de vondst van hem, die in het gif - Den dolkspits doopen leerde. Maar aaklig was 't helsche plan - Van den verrader, die het doodelijk vergif - In 't glas goot, gewijd aan vriend'lijk zamenspreken, - Den dood in de ad'ren stortte, in plaats van 't frissche leven. - - Anonymus. - - -»Ik moet erkennen, mijnheer Osbaldistone," zeide freule Diana op een -toon, die verried dat zij zich gerechtigd achtte, mij met spottende -verwijten te bestraffen, »ik moet erkennen, gij zijt op weg om ons -te verassen. Nooit had ik kunnen denken, dat gij zulk een aanleg -bezat. Gisteren moest gij nog bewijzen dat gij het recht hebt om u -onder het lieve volkje op het kasteel Osbaldistone t'huis te gevoelen, -en--ziedaar! gij hebt het meesterstuk dadelijk volbracht..." - -»Spot niet, lieve freule, ik gevoel diep, dat ik mij hoogst -ongepast gedragen heb. Helaas! ik kan volstrekt niets tot mijne -verontschuldiging aanvoeren, dan dat ik mededeelingen had ontvangen, -waardoor ik in de hoogste mate ontroerd was. Maar hoe het zij, mijn -gedrag was onbetamelijk en belachelijk." - -»Doe u zelf geen onrecht!" zeide mijne onbarmhartige spotster. »Na -alles, wat ik zelf gezien en later gehoord heb, is het u op één enkelen -avond gelukt, al de heerlijke eigenschappen te ontwikkelen, waardoor -uwe neven zich onderscheiden: de minzaamheid en grootmoedigheid -van den welwillenden Rashleigh--Percivals matigheid--Thorncliffs -moed--Johns meesterlijke bekwaamheid in het africhten van -honden--Richards handigheid in het wedden--dit alles toonde neef Frans -in zich vereenigd, en wel met eene keuze van oogenblik, plaats en -omstandigheden, die den smaak en de schranderheid van den hoogwijzen -Wilfred tot eer zouden verstrekt hebben." - -»Maar, heb toch een weinig medelijden met mij, freule -Vernon!" antwoordde ik. De tuchtiging, op die wijze en van deze -hand, scheen mij wat gestrenger dan ik ze verdiende.--»Laat mij, -tot verontschuldiging van dwaasheden, waaraan ik mij slechts één keer -schuldig maakte, de gebruiken van dit huis en land aanvoeren. Geenszins -wil ik ze billijken, maar Shakespeare zegt toch zelf: goede wijn -is een goed, gezellig ding, en ieder mensch mag zich wel eens een -enkelen keer laten verleiden." - -»Welzeker, maar hij legt dezen lof en deze verontschuldiging den -ellendigsten mensch in den mond, dien zijn penseel ooit geschilderd -heeft. Ik wil ook van het voordeel, dat uw gedrag mij geeft, geene -partij trekken, en u niet de wederlegging toeroepen, welke Cassio -tegen den verleider Jago bezigde. Maar bedenk, dat zeker iemand met -leedwezen ziet, dat een jong mensch van gelukkigen aanleg en gunstige -vooruitzichten in den poel verzinkt, waarin de bewoners van dit huis -zich elken avond, als zwijnen, wentelen." - -»Ik verzeker u, waarde freule, ik heb slechts mijn schoen nat gemaakt, -maar de morsigheid van den poel walgt mij te zeer, dan dat ik er mij -verder in zou begeven." - -»Dat is een verstandig besluit!" hernam zij. »Wat ik heb moeten hooren, -is mij zoo pijnlijk geweest, dat ik eerder aan uwe belangen dan aan -de mijne gedacht heb. Gij gedroegt u gisteren aan tafel jegens mij, -alsof men u iets gezegd had, waardoor ik in uwe goede meening gedaald -was. Mag ik u vragen, wat dat was?" - -Ik zweeg onthutst. De onbewimpelde vrijmoedigheid dezer vraag -geleek ongeveer op de manier, waarop de eene man van eer den -anderen vriendschappelijk maar vastberaden, eene verklaring afvraagt -over de eene of andere zonderlinge, naar zijn oordeel beleedigende -behandeling. Ze had volstrekt niets van dien omhaal en vergoelijking -of verzachting, waarmede tusschen mannen en vrouwen uit hoogeren -stand zoodanige zaken behandeld worden. - -Ik kon mijne verlegenheid niet onderdrukken noch verbergen. Rashleigh's -mededeelingen, als zij juist waren, maakten freule Vernon eerder tot -een voorwerp van mijn medelijden dan van mijne gevoeligheid. Maar -als ik daarin voor mij verontschuldiging voor mijn gedrag vond, -moest het mij toch zeer moeilijk vallen datgene mede te deelen, -wat voor Diana's gevoel noodzakelijk beleedigend moest zijn. - -Zij begreep zeker mijne bezwaren. Eenigszins stelliger, maar nog -steeds gematigd en hoffelijk, zeide zij: »gij zult mij, hoop ik, -toch het recht niet betwisten, om deze verklaring te eischen. Ik -heb geen bloedverwant, die mij beschermen kan, en daarom moet ik mij -zelve beschermen." - -Stamelende poogde ik de schuld van mijn onheusch gedrag op -ongesteldheid en onaangename brieven uit Londen te schuiven. Zij -liet mij mijn ganschen voorraad van verontschuldigingen uitputten, -tot ik niets meer wist te zeggen, en hoorde mij met een ongeloovig -glimlachje aan. - -»Ik dank u voor de verontschuldigende inleiding, die ge voorgedragen -hebt, ook met de verlegenheid, doorgaans aan alle inleidingen -eigen. Maar wees nu ook zoo goed, het scherm op te halen en mij -te toonen, wat ik eigenlijk wenschte te zien," zeide zij. »Kortom, -laat mij hooren, wat Rashleigh van mij gezegd heeft; want hij is het, -die hier alle machines in beweging brengt." - -»Maar gesteld, waarde freule, dat ik iets te vertellen had,--ware het -dan niet slecht, de geheimen van den éénen bondgenoot aan den anderen -te verraden? Gij hebt mij immers zelve gezegd, dat Rashleigh wel niet -uw vriend, maar toch nog steeds uw bondgenoot was." - -»Ik heb geen geduld, om op mijne vragen ontwijkende antwoorden te -hooren, en geen lust om over dit onderwerp te schertsen. Rashleigh -kan niets, moet niets, mag niets van mij, Diana Vernon, zeggen, wat -ik niet zou kunnen eischen te vernemen. Er bestaan weliswaar geheimen -tusschen ons beiden, maar daarop hebben die mededeelingen zeker geen -betrekking gehad, en daarmede hebben mijne persoonlijke belangen ook -niets gemeen." - -Ik had mijne bedaardheid herwonnen, en nam het besluit om van -al wat Rashleigh mij in vertrouwen gezegd had, volstrekt niets te -ontdekken. Ik hield het voor onbetamelijk voor verklikker te spelen. De -mededeeling van hetgeen Rashleigh gezegd had, kon niets goeds bewerken -en moest voor Diana zeer pijnlijk zijn. Ik antwoordde dus ernstig, -dat er tusschen Rashleigh en mij slechts een niets beteekenend gesprek -over zijne familie had plaats gevonden, en ik betuigde tevens, dat -geen van zijne mededeelingen een voor Diana nadeeligen indruk bij mij -had achtergelaten. Doch als man van eer, voegde ik er bij, mocht ik -van den inhoud van een vertrouwelijk gesprek niets meer zeggen. - -Toen sprong Diana op.--»Dat helpt niets!" riep zij. »Ik moet een -ander antwoord van u hebben!" Haar voorhoofd gloeide en haar oog -vonkelde. »Ik vorder eene duidelijke verklaring," ging zij luid -en heftig voort, »zoo als een belasterd meisje die van elken man -mag vorderen, die zich man van eer noemt; zooals een ouderloos wezen -zonder vrienden, die zich geheel alleen in de wijde wereld bevindt, die -zich zelf leiden en beschermen moet, die met alle recht van iedereen -vorderen kan, wien een gelukkiger lot is te beurt gevallen.--Ik vorder -het in den naam van God, die de gelukkigen in de wereld zond om te -genieten, en ons, om te dulden. Gij moogt het mij niet weigeren," -voegde zij er bij, terwijl zij plechtig omhoog zag; »of uwe weigering -zal u berouwen, indien er op aarde of in den hemel gerechtigheid voor -gepleegd onrecht te vinden is." - -Ik was verbaasd over hare heftigheid, maar ik gevoelde bij die -plechtige uitdaging, dat het mijn plicht was, nu elke verdere bedenking -ter zijde te stellen. Ik verhaalde haar nu met korte woorden, maar -duidelijk, wat ik van Rashleigh had gehoord. - -Diana ging weder zitten. Zij scheen dadelijk te bedaren, toen ik mijn -verhaal aangevangen had. Als ik soms draalde, om eene verzachtende -uitdrukking te zoeken, viel zij mij telkens in de rede met te zeggen: -»Ga voort! bid ik u, ga voort! Het eerste woord dat u invalt, is -zeker het eenvoudigste, en moet het beste zijn. Denk niet aan mijne -gevoeligheid, maar spreek tot mij, zoo als gij tot een onverschilligen -derden persoon, zoudt spreken." - -Aldus gedrongen, verhaalde ik wat Rashleigh van de haar vroeg -opgelegde verplichting, om een van mijns ooms zonen te huwen, en van -de onzekerheid en moeielijkheid der keuze verhaald had. Gaarne zou -ik het overige verzwegen hebben; maar zij merkte al ras, dat er nog -iets was achtergebleven, en zij vermoedde tevens wat het betrof. - -»Het was zeer slecht van Rashleigh, iets dergelijks van mij te -vertellen!" zeide zij. »Ik gelijk op de arme wees in het sprookje, -die van de geboorte af, met den zwarten beer uit Noorwegen verloofd -was, maar alleen er over klaagde, dat zij door hare medescholieren -steeds de »beerenbruid" genoemd werd.--Maar Rashleigh zeide toch ook -iets van zich zelven met betrekking tot mij, niet waar?" - -»Ja, hij gaf te kennen, dat, zoo hij niet schroomde zijn broeder te -verdringen, hij thans, bij zijne beroepsverandering, zeer gaarne in -de pauselijke vergunning zijn naam, in plaats van die van Thorncliff, -zou ingevuld zien." - -»Zoo? Inderdaad?" antwoordde Diana. »Zou hij zich zoo diep willen -vernederen? Te veel eer voor zijn onderdanige dienaresse, Diana -Vernon! En zij zou, buiten twijfel, het toppunt van geluk bereikt -hebben, indien er eens zulk eene verandering mocht plaats grijpen!" - -»Ik kan het niet ontkennen--hij liet zoo iets merken, en gaf verder -te kennen...." - -»Wat? laat mij alles hooren!" viel zij mij driftig in de rede. - -»Dat hij den vertrouwelijken omgang had afgebroken, om het ontkiemen -eener neiging te voorkomen, aan welke hij, bij zijne bestemming tot -den geestelijken stand, niet zou hebben mogen beantwoorden." - -»Ik ben hem voor zijne oplettendheid ten deze ten hoogste -verplicht!" antwoordde Diana, en uit elken trek van haar schoon -gelaat sprak diepe verachting. Zij zweeg een oogenblik en vervolgde -toen met hare gewone bedaardheid: »Bijna alles, wat ik van u hoor, -verwachtte ik te hooren. Want, eene enkele omstandigheid uitgezonderd, -is alles volkomen waar. Maar even als er vergiften zijn, waarvan -een enkele droppel eene geheele bron kan vergiftigen, zoo is er -in Rashleighs verhaal een logen, die alles verontreinigt. Dit is -de afschuwlijke logen, dat ik, die Rashleigh maar al te goed ken, -door eenige omstandigheid ter wereld mij zou kunnen laten bewegen, -om mijn lot met hem te deelen. Neen," vervolgde zij met een soort van -rilling, die een onwillekeurige ontroering scheen te verraden;--»neen, -liever elk ander lot dan dat! De gek, de speler, de twistzoeker, de -roskammer--allen duizendmaal liever dan Rashleigh.--Maar het klooster, -de kerker, het graf, alles is mij nog oneindig meer welkom, dan een -van hen allen!" - -Bij deze woorden klonk haar stem bedroefd en weemoedig. Die toon paste -bij het zonderlinge en ingewikkelde van haren toestand. Mij trof het -diep. Zoo jong, zoo schoon, zoo onervaren, zoo geheel aan zich zelve -overgelaten, beroofd van den bijstand, dien vrouwen in de bescherming -van vriendinnen vinden; ja, zelfs van die verdediging beroofd, die -de kieschheid eischt, de eerbied, waarmede men in beschaafde landen -eene vrouw bejegent--dat alles deed mij smartelijk aan. Maar er lag -zulk eene treffende uitdrukking van waardigheid in hare verachting -van de gewone zeden der groote wereld, er was zooveel innig gevoel -in hare verfoeiing der valschheid; zooveel vastberadenheid in hare -beschouwing der gevaren, waardoor zij omringd was, dat eene onbegrensde -bewondering zich aan mijn medelijden paarde. Zij geleek eene vorstin, -verlaten van hare onderdanen, beroofd van hare macht, maar nog steeds -de maatschappelijke inrichtingen versmadend, die voor menschen van -geringen stand gemaakt zijn, te midden van hare wederwaardigheden -fier en vol vertrouwen steunend op de gerechtigheid des Hemels en -op de onwrikbare standvastigheid van haar gemoed. Ik wilde haar -die gewaarwordingen vertolken, die haar ongelukkige toestand in mij -opwekte. Maar zij liet mij niet uitspreken. - -»Stil," zeide zij, »ik bid u, zwijg. In scherts heb ik u gezegd, dat -ik geene vleierijen kan dulden, en nu zeg ik u in ernst, dat ik geen -medelijden begeer en troost veracht. Wat ik geleden heb, is voorbij; -wat ik nog lijden mocht, zal ik dragen,--zoo goed ik kan. Geen meewarig -woord is in staat, om den last, dien de slaaf torschen moet, eene -veer lichter te maken. Er bestaat slechts een menschelijk wezen, dat -mij hulp zou hebben kunnen verleenen, dat wezen is Rashleigh. Maar hij -heeft integendeel mijn leed vermeerderd. Ja, er was een tijd, waarin ik -zou hebben kunnen leeren dezen man te beminnen.--Maar, rechtvaardige -Hemel! het doel, waarom hij zich van het vertrouwen van een meisje, -dat reeds zoo ongelukkig was, listig meester maakte; de volhardende -ijver, waarmede hij dat oogmerk jaren lang vervolgde, zonder één enkel -oogenblik gewetenswroegingen of medelijden te gevoelen; de beginselen, -waarmede hij het voedsel, dat hij mijn geest gaf, in vergift wilde -veranderen--goede Voorzienigheid! wat zou er van mij geworden zijn -in deze en in gene wereld, naar lichaam en naar ziel, als ik in de -strikken van dien ellendeling gevallen ware!" - -Toen ik die wanhoop zag en hoorde, werd ik verontwaardigd over -den trouweloozen verrader, zoodat ik opstond, mij zelven niet meer -machtig. Ik sloeg de hand aan mijn degen en wilde naar buiten snellen, -om den eerloozen schelm mijn rechtmatigen toorn te doen gevoelen. Bijna -ademloos en met een oog, waarin verachting en toorn door den hevigsten -angst verdrongen werden, sneed Diana mij den weg naar de deur af. - -»Blijf!" zeide zij, »blijf! Uwe verontwaardiging billijk ik ten -volle, maar gij kent nog niet half de geheimen van deze ijselijke -gevangenis,"--zij zag angstig in het rond en voegde zacht fluisterend -er bij: »zijn leven moet heilig zijn. Dat van anderen is met het zijne -gemoeid!" en, zij ging voort: »gij kunt hem niet aanvallen zonder meer -dan één leven in gevaar te brengen. Gij zoudt de verwoesting verder -uitbreiden dan wij wenschen mogen. Ware dit het geval niet, dan zou -hij in een oogenblik van rechtvaardige wraakneming, zelfs voor deze -zwakke hand nauwelijks veilig zijn geweest. Ik zeide u"--vervolgde zij, -terwijl zij mij weder naar mijn stoel leidde,--»dat ik geen trooster -behoef, en nu zeg ik u, dat ik geen wreker noodig heb." - -Ik ging weder zitten, als in een droom over hare woorden nadenkende, -en ik gevoelde, dat ik hier weder zeer onbedachtzaam gehandeld had, -daar ik volstrekt onbevoegd was, om ongeroepen als Diana's kampvechter -op te treden. - -Zij zweeg om ons beider ontroering te laten bedaren, en begon toen -op meer kalmen toon: »ik heb u reeds gezegd, dat Rashleigh in een -allergevaarlijkst noodlottig geheim gewikkeld is. Hoe laaghartig -hij ook zijn moge, en hoe goed hij wete dat hij, van laaghartigheid -overtuigd, voor mij staat, ik kan, ik mag nochtans niet openlijk met -hem breken. Ik kan hem niet openlijk ter verantwoording roepen. Ook -gij moet geduld oefenen; al zijne lagen met schranderheid trachten -te verijdelen, maar niet met geweld. Vooral moet ge zulke tooneelen -vermijden als gisterenavond plaats hebben gehad, die hem zeer -gevaarlijke voordeelen op u kunnen verschaffen. Deze waarschuwing -wilde ik u geven. Dit alleen was het oogmerk van deze bijeenkomst, -welke ik wenschte. Maar ik heb mijn vertrouwen verder uitgestrekt -dan eigenlijk mijn voornemen was." - -Ik verzekerde haar dat zij het aan geen onwaardige had geschonken. - -»Dat geloof ik gaarne," hernam zij; »gij hebt iets in uwe -gelaatstrekken en in uw geheel voorkomen, dat vertrouwen -inboezemt. Laat ons vrienden blijven. Gij behoeft niet te -vreezen"--vervolgde zij glimlachend, terwijl zij een weinig bloosde, -doch op innig hartelijken toon--»dat vriendschap bij ons slechts -een verschoonende naam voor een ander gevoel zal worden. Naar mijn -denken en handelen behoor ik eigenlijk meer tot uw kunne, waarmede -ik steeds opgevoed werd, dan tot de mijne. Reeds in de wieg werd de -noodlottige sluier mij over het hoofd geworpen. Ik zou dien sluier -kunnen verscheuren, maar eene verschrikkelijke voorwaarde is daaraan -verbonden. De tijd, om mijn stellig besluit te kennen te geven, is -nog niet gekomen," voegde zij er langzaam bij. »O! gaarne zou ik met -andere kinderen der natuur op de woeste heide en in de vrije lucht -zoo lang vroolijk ronddartelen. O! ware het mij vergund, de vreugde -dezes levens te genieten. En nu--de plaats in Dante is genoegzaam -toegelicht! Ga thans heen en zie eens wat er van de dappere dasjagers -geworden is. Ik kan u niet vergezellen. Ik gevoel mij niet recht wel." - -Ik ging heen, maar niet om naar de jagers te zoeken. Ik gevoelde dat -ik eenige oogenblikken alleen moest zijn, om volkomen tot bedaren -te komen, eer ik mij in Rashleigh's gezelschap durfde wagen, wiens -koel berekenende laaghartigheid mij met zulke scherpe trekken was -afgeschilderd. Ik had bij Dubourg, die een Calvinist was, zoo menige -geschiedenis van Katholieke priesters hooren verhalen, hoe er onder -hen waren, die vriendschap, gastvrijheid en de heiligste banden van -het gezellige leven misbruikten, om die driften te bevredigen, wier -regelmatige voldoening hun door de wetten van hun geloof verboden -is. Maar het koelbloedig overleg, om de opvoeding van eene verlaten -wees van goede afkomst, eener bloedverwante op zich te nemen, -met het trouwelooze oogmerk om haar eindelijk te verleiden, zoo -als zij mij zelf met edele verontwaardiging verhaald had, dat was -voor mij verschrikkelijker dan de ergste van al de geschiedenissen, -die in Bordeaux bekend waren. Ik gevoelde hoe moeielijk het mij zijn -zou, Rashleigh te zien en den afschuw te onderdrukken, dien hij mij -inboezemde. Dit was echter volstrekt noodzakelijk, niet alleen wegens -den geheimzinnigen wenk, welken Diana mij gegeven had, maar ook omdat -ik geen verklaarbaren grond tot twist met hem zou mogen opgeven. - -Vaster rijpte in mij het besluit, Rashleigh's veinzerij zoo veel -mogelijk met gelijke omzichtigheid te beantwoorden, zoolang wij met -elkander in het kasteel moesten zijn. Bij zijn vertrek naar Londen -wilde ik mijn vriend Owen een wenk geven omtrent de gezindheid van -zijn nieuwen kantoormakker; om den braven ouden man tot waakzaamheid -over mijns vaders belangen aan te sporen. Hebzucht, of eerzucht, -meende ik, moest voor een mensch van Rashleigh's karakter eene even -groote, of wel nog grootere, aantrekkingskracht hebben, als zinnelijk -genot. Zijne gave, om zich den schijn van alle goede eigenschappen -te geven, en de gewone toon van zijne gesprekken, waarmede hij al -spoedig iedereen voor zich wist in te nemen, zouden hem licht een -hoogen graad van vertrouwen kunnen verschaffen. Hij bezat zeker -geen edele dankbaarheid, die hem zou weerhouden van het verworven -vertrouwen misbruik te maken. De zaak was wel zeer netelig, vooral -in mijne omstandigheden. Men zou de waarschuwing, die ik gaf, zeer -licht aan jaloezie tegen mijn medeminnaar of tegen mijn opvolger in -mijns vaders gunst kunnen toeschrijven. Ik achtte het echter bepaald -noodzakelijk, zulk een waarschuwenden brief te schrijven en het aan -den schranderen en voorzichtigen Owen over te laten, zoo hij partij -van de kennis van Rashleigh's waren aard wilde trekken. Ik deed dit -en zond den brief zoo spoedig mogelijk over de post weg. - -Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even -gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist -vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana -mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik -zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had -gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste -omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn -verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar -in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was -de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte -kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk -bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een -last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid -had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid, -dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen -beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen -had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens -elkander gedroegen. - -Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem -zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide, -maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste -schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en -niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik -nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij -naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met -een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij -hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede, -dat gij mij bewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens -waart te doen!" - -»Amen! lieve nicht!" antwoordde hij met een schijnvroom gelaat, -hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer -had behouden.--»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede -daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!" - -Dit waren zijne afscheidswoorden.-- - -»Die volleerde huichelaar!" zeide Diana tegen mij, toen hij de deur -achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en -verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren -en eerbiedigen." - -Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen -medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien -ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest -zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had, -dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan -alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in -het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle -nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou -even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder -menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen -hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de -dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last, -ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten -was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst -van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van -dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk -zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat -sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig -hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een -ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden. - -Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer -verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam -wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste -werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten -einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En -toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet -een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone -een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door -wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven, -had ik niet sterker kunnen toonen. - -Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde -Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje -van het vuur der jeugd in u hebt. Diana's buitengewone schoonheid, -waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en -geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld; -de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag, -veel vrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen, -slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en -vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven -ieder ander betoonde--dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne -nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld, -mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen, -welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne -gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander, -reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren, -welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij -thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel -geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had. - -Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting -van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met -Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke, -maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen, -met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare -schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon -op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde -en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om -haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide -geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij -haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te -gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven. - -Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den -verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden -kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te -veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met -vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid -noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij -met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor -recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige -gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde, -nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in -de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken -der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen -op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn. - -Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die -bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd -opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden, -is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording -geroepen. - -Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving -was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen -belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene -talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed -vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komen dikwijls 't -verste, daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet -in 't oog hield, zouden Diana's snelle vorderingen in verscheidene -takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij -des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken -verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven -vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat, -wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke -beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden -zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk -den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met -aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit -vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad, -de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou -aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn -leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling -van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een -beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om -te gaan. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - - Uit 't slaapvertrek van hartelief - Schijnt licht. Wat straalt het fel! - Waarom toch brandt mijns liefjes lamp - In 't nachtelijk uur zoo hel? - - Uit eene oude Ballade. - - -Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig, -ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana -en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De -overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken, -al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook -deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte -werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer -vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik -gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe -zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich -bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende, -had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen -toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen -en rekenkunde, zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven -of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik -hem inderdaad van meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde -evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te -nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is -een knappe, vlijtige jongen!" Maar zelden vergat hij, er in één adem -bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen." - -Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een -huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een -goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan, -den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij -duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging -ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over -mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had, -steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke -ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker, -dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht -mij in de beste verstandhouding met allen,--behalve met Thorncliff. - -Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden -mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een -veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij -mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige, -jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana, -die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat -hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat -woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar -hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde -hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist, -dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden -beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde -mijne minzame vriendelijkheid ongeveer als een knorrige hofhond, -wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik -hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne -norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet. - -Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een -anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield. - -Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was, -mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze -wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was -ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte -zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden -was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te -rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij, -om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen -humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten. - -»Ja, ja, mijn beste mijnheer," zeide hij op zekeren avond met -bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest." - -»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?" vroeg ik. - -»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere -goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de -kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende -penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk -iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar -manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol -niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens, -wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman..." - -»Den marskramer, meent gij?" viel ik hem in de rede. - -»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes -gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht -blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten." - -»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier -te drinken. Maar om 's Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis, -en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag." - -»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland -zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel -u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou, -vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen, -Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare -dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen, -dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!--Maar hoe het zij, -wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes." - -»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het -ten minste de moeite waard is!" riep ik ongeduldig, »want ik kan den -ganschen dag niet hier blijven." - -»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen -maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje." - -»Welk stukje? Wat bedoelt gij?" - -»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!" hernam Andries met -een sluwen blik. - -»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?" - -»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren -hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den -kostbaren tijd niet om verspillen." - -Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof -hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had. - -De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en -nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe -vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak -verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem -nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op -te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan 't spitten en sprak nu en -dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos, -hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne -halsstarrigheid zijn verlangen zou bedwingen om over eene zaak te -spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was. - -»Zie zoo!" begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar -staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch -hebben;--wel bekome het hun!... Wat is dat toch slechte mest, zoo hard -als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft -zeker al de goede mest verkocht... daar sta ik u borg voor... Ja, -ik moet maar doorwerken op zoo'n schoonen Zaterdag-avond, want met -het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt -ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder -is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen -Maandag.--Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar -het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude -ding noemen." - -En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij -terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij -wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk -stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank, -waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den -stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen, -mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg -ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef, -de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?" - -»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest; -zoo'n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden -zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar -hebt ge het koninkrijk [8] Fife, van het eene einde tot het andere -bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken -met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede -stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland." - -»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar -om weder op het nieuws van Londen terug te komen..." - -»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel -aan gelegen was," hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft -mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over -dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag." - -»In het Parlement?" vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter -sprake?" - -»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord -zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard, -er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords -en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen -wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje--de duivel hale -hen, die het ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement -bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich -met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te -worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens -in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan -beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna -net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers: -die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij -dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen -zes pond zwaar is!" - -»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch -uw neef?" - -»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen--die -poddingeters,--verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris--nu -ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een -onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van -Engeland wemelt van Jakobieten--nu, hij kan wel gelijk hebben--en -dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den -publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van -Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele -belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen -krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal -gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook -dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander -heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl -de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was, -nog heelhuids uit dat land weg te komen." - -»Zou dat wezenlijk waar zijn?" vroeg ik verwonderd. - -»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el -heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen -die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling -zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen -moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent -Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere -lieden bovendien," voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik -op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het -Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het -land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als -deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen -en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker -met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel -nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen, -zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het -koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor -het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk -in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al -zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had, -zoo breed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op -een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord -konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en -dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel -moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen -schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!" - -»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen, -vriend Andries?" - -»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent -eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam -zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik -u maar zeggen dat degeen, die het historietje 't eerst op het tapijt -bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon -ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de -eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond de -andere vent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of -men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen -brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid -in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar -behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak -uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan -zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang -en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk -misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog -iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde -mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding -niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen -zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook -heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat -plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar -tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van -Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur -en vlam--nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!--Hij maakte -vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen, -ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en -verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen -druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit, -wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan -wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk." - -Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht -behoorde. - -»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van -de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere -menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle--van hem zijn er zeer -zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar -hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen, -welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van -het lied was, dat zij verklaarden, dat de gansche historie enkel laster -was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had, -zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen." - -Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp -het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar, -eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde -het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet -aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er -aan hechten zou. - -»Andries," zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om -al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk -gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen -last heb gehad." Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu -vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste -wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken -te komen praten." - -Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn -neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die -niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen. - -»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden, -en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin -blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng -uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht -van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren." - -»Best! heel goed!" hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen -en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene -mooie vrouw in diamanten." - -En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langen -weg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein -voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om -hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman -zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik -wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm, -waarmede de gansche tuin doorsneden was. - -Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van -de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde, -verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in -die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid, -het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd, -waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek -bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen -zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen -in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een -van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat -dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen, -tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om -ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit -loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit -als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar -men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer -hechtte, gevoelde ik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op -het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan -ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen, -dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid -van een derden persoon passend, ja, betamelijk was. - -In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt -boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde: -»Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg, -om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee -omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen." - -Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al -de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom -geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid, -dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door -groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet -minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en -boter--door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons -gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de -avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel -van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding, -spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien, -ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten -sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden, -niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in -dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen. - -De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd -verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam -gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had, -vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende -zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis -van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij -nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de -domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen, -om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond -immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als -zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels, -noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem -in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het -kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei -spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van, -zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den -dag de honden naar buiten te volgen. - -Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken -uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden -glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer -'s avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen, -als zij daar den avond doorbracht. - -Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer -zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters -vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor -het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel -verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien -heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en -Diana's gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen, -bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee -gestalten! Nu verdwenen zij--nu weder aan het derde--eindelijk ook -aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de -vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen -dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd. - -Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde -niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met -een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe -onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke -bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het -onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar -zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas, -lichtzinnig meisje!" zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen -welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare -ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij -even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet, -door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens, -zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haar -kaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto -zelf, wanneer hij uit het graf verrees." - -Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden -dag mijne vertaling van Ariosto's eersten zang getoond, en haar -verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl -zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit -bepaald geweigerd had. - -Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept, -toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef, -die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de -laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging -en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij -kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins -uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide -Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris -als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement -uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het -vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis -te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke -personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de -getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven -bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het -geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een -nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen -van het Parlement--in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek -der hoofdstad--en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle -op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de -uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man -te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer -magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel -meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de -zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was -grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn -stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige -vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve -wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt, -kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg, -dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja, -dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij -die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al -te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben -verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde -met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell -gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter -zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge -geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman -iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne -eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede -naam was openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was, -naar herstel van eer te streven. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XV. - - - Van waar komt gij? wie zijt gij? - - Milton. - - -Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij -aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar -Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen, -waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan -terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel, -zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral -waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne -ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten -behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamste -Whig-ministers bekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten, -wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus 't veiligst, -mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te -leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk -op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad -te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen. - -Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene -weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had, -ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in -Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld -had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns -vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te -verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in -mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik -in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige -regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om -in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe -ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn -raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen, -er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar -Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene -voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven -die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn -vertrek uit het kasteel aan te dringen, geloofde ik dat mijn vader het -insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen -naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om -den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te -mijnen opzichte verspreid had. - -Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te -redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier -te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor -van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen, -dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde: - - - Waarde mijnheer Frans! - - »Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer - R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij - zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen, - die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het - Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam - jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken - en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel - gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar - Gods wil geschiede! Uit hoofde a costi cassa misschien zeldzaam - mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u - inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de - Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die, - twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden. - - »Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachting - - UEds. dw. dienaar, - Joseph Owen. - - - P.S. »Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult - gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te - hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn, - maar ziet er niet best uit." - - -Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van -den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met -Rashleigh's karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien -toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone -gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor -mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren -raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen, -waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn -vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht, -mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl -ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde, -dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn -boekhouder in mijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens, -misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was -Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen, -dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te -zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven, -zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen -zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje, -dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag -van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik -op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de -inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd, -was bijna geheel uitgeput. - -Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het -dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich -uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven -te zien vechten. - -»Een wreed vermaak!" zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik, -niet!" - -»Neen, neen!" hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond -weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel -beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen -doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets -in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat -torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken; -die kan er dus niet zijn." - -Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit -aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh's kamers leidde, -terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een -donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur, -vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge -steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in den -tuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne -nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of -terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd -van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en -deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans -aanmerking bij. - -»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?" vroeg ik. - -»Niet dikwijls," antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar -maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan, -zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap: -die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere -wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen -doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in -Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met -zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet, -dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks, -als ik hem de geleerde namen der planten noem." - -Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen -van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der -zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts -zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen, -uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins -onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als -een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige, -waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets -geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog -geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer -vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem. - -Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde: -want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar -veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten -opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het -bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan -toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk -den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen -is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking -van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd, -is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna -vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met -lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en -vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door -zijne slimheid ook meestal gelukt. - -Pater Vaughan was een vertrouweling van Rashleigh. Anders had hij -zich, geloof ik, bezwaarlijk in het kasteel kunnen handhaven. Deze -omstandigheid kon zeker in mij geene neiging wekken, kennis met hem -te maken. En daar hij zich evenmin voorkomend jegens mij gedroeg, -bepaalde zich onze omgang, als wij elkander nu en dan toevallig -ontmoetten, tot een wederzijdschen koelen groet. Het kwam mij zeer -waarschijnlijk voor, dat de priester, gedurende zijn verblijf op het -kasteel, Rashleigh's kamer bewoonde. Van een man van zijn stand mocht -men tevens verwachten, dat hij soms de boekenkamer bezocht. Niets -natuurlijker dus, dan dat het zijn licht was, dat den vorigen avond -mijne opmerkzaamheid had getrokken. Ook herinnerde ik mij op eenmaal, -dat Diana's omgang met den priester even geheimzinnig was als hare -betrekking tot Rashleigh. Nooit had zij mij Vaughan's naam genoemd, -zelfs niet eens ter loops, behalve bij onze eerste ontmoeting, -toen zij mij en Rashleigh noemde, als de eenige gezellige wezens in -het kasteel, behalve haar zelve. Niettegenstaande dit geheimzinnig -zwijgen, had ik toch duidelijk genoeg bemerkt, dat bij des priesters -komst op het kasteel Diana steeds angstig begon te beven; dit duurde -dan zoo lang tot beiden met elkander eenige veelbeteekenende blikken -gewisseld hadden. - -Welk geheim het ook zijn mocht, dat de lotgevallen van het schoone, -aanminnige meisje omsluierde, zonder twijfel was de priester -daarin betrokken. Had hij misschien last, haar in het klooster te -brengen, wanneer zij het huwelijk met een van mijne neven van de -hand wees? Dan liet zich hare heftige ontroering bij zijne komst -zeer wel verklaren. Overigens schenen beiden weinig omgang met -elkander te hebben en elkaar nooit te zoeken. Bestond er inderdaad -een verbond tusschen hen, dan was het eene stille overeenkomst, -die hunne handelingen leidde, zonder dat zij de hulp der taal noodig -hadden. Toch had ik, naar ik mij herinnerde, soms opgemerkt, dat zij -elkander teekens gaven, welke ik toenmaals slechts voor wenken over -het in acht nemen van dezen of genen geloofsplicht had gehouden. Ik -had wel gehoord, hoe listig de Katholieke priesters ten allen tijde -en overal hun invloed op de gemoederen van hunne leeken weten te -handhaven. Maar nu was ik geneigd, aan die stomme taal eene meer -gewichtige beteekenis toe te kennen. Had hij geheime bijeenkomsten met -Diana in de boekenkamer? Dat was de vraag, die mij bezig hield. En -als dat werkelijk zoo was, met welk oogmerk? En waarom had zij den -vertrouweling van Rashleigh zulk een onbepaald vertrouwen geschonken? - -Al die vragen en twijfelingen werden voor mij des te belangrijker, -naarmate het mij onmogelijk scheen, ze te beantwoorden of op te -lossen. Reeds was ik begonnen te vermoeden, dat mijne vriendschap -voor Diana niet zoo geheel onbaatzuchtig was, als ze naar de regels -der voorzichtigheid had behooren te zijn. Reeds was ik jaloersch op -den verachtelijken Thorncliff geworden en had ik aan zijne ellendige -pogingen om mij te tergen mij veel sterker gestoord dan hij eigenlijk -verdiende. Maar nu begon ik Diana's gedrag met zoo scherpe blikken -na te vorschen, dat ik mij te vergeefs van loutere nieuwsgierigheid -trachtte te overtuigen. Er waren onbetwistbare kenteekenen, dat ik -verliefd was. Wel wilde mijne, reeds niet meer onpartijdige rede -standvastig blijven ontkennen, dat ik mij aan eene zoo onbezonnene -neiging had overgegeven. Maar ik was als een onkundige wegwijzer, -die eerst de reizigers en zich zelven op een dwaalweg bracht, dan -eigenzinnig beweerde, dat het onmogelijk is, dat hij den weg niet zou -kennen en verdwaald zijn. »Neen"--zeide ik--»ik ben niet verdwaald" -... Toch was het zoo. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVI. - - - Op zekeren dag, tegen den middag toen - ik naar mijn boot ging, ontdekte ik - met groote verassing het spoor van - een naakten menschenvoet, zeer duidelijk - in het zand van den oever afgedrukt. - - Robinson Crusoe. - - -Diana's zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming -en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen -opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel -ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik -haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels -in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te -zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht -om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die -haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den -moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere -oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond -daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder -een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij -stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een -groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch -verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl -ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld -werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen; -aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid -zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen -kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch -ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend -door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf -onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken, -niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot -elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg -ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana's -tegenzin in het klooster vermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op -eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen -van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana -dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar -plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek -dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien. - -Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene -uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit -viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk -oprapen, maar zij voorkwam mij. - -»Verzen?" zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het -ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn -antwoord afwachtte.--»Mag ik zoo vrij zijn?--o, als gij bloost -en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en -veronderstellen, dat het mij vergund is." - -»Het is het lezen niet waard!" viel ik haar in de rede; »slechts een -losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te -gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo -goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden." - -»Beste vriend," hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij -aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen -een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat -ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou -van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen." - -Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto's lied: - - - »Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ik - Van 't hoofsch bedrijf, van 't koen en heldenmoedig hand'len - Van koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen, - Uit Afrika, 't Barbarenland, kwam wand'len. - Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord, - Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort. - Het gold Trojano's moord. Hij kwam van verre stranden, - Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fier - Den grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen .... - Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier. - Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en groot - Tot razernij verviel, om bittren liefde nood .... - - -»O, o! Er staat nog veel meer!" zeide zij, het papier overziende. Ik -had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden -streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde -lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op. - -»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule," -zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand, -die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid," vervolgde ik -na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig -houden, dan wanneer ik--het spreekt van zelf, slechts tot mijne -eigen uitspanning--de vertaling van den heerlijken dichter weder -opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er -mede begonnen." - -»Maar het zou de vraag zijn," zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd -niet tot iets beters kondt besteden?" - -»Gij meent misschien tot eigen werk?" antwoordde ik en gevoelde mij -ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is -vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke -gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat -Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft ...." - -»Vergeef mij waarde neef, ik geef geene aanmoediging; gij neemt -ze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende -dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het -een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik, -over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding -heb gegeven." - -»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!" hernam ik, en -trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet -wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij -mij bewijst." - -»Neen, neen!" vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon -uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word -niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk, -wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen." - -Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare -meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te -vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend -was, boos zoude worden. - -»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en -gesproken!" antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der -dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig -zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!" - -»Van mijn vader? Volstrekt niets!" hernam ik. »Sedert eene scheiding -van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd." - -»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij -heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat -hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne -tegenwoordigheid eischten?" - -»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen." - -»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename -verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst, -bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige -beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?" - -Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet -verbergen. - -»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!" zeide Diana zeer -ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk -een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk -zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen." - -»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?" - -»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!" zeide zij -met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de -riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een -hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den -vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk -schijnt," voegde zij er bij. - -»Maar wat raadt gij mij dan?" vroeg ik, haar antwoord wenschende -en vreezende. - -Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij -onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien -zijt gij reeds veel te lang hier geweest," voegde zij er eenigszins -zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van -nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik -moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in -Rashleigh's handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast -en zeker overtuigd kunt zijn." - -»Ondergang, hoe is dat mogelijk?" - -»Geen vragen!" vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh's oogmerken -reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur -van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van -zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader in -Engeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid -zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke -blijven er partij van te trekken." - -»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle -toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar -kunnen afwenden?" - -»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw -aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand -kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en -van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is, -Rashleigh's plannen zijn van dien aard, dat ..." Plotseling bedwong -zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom," -hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze -plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen, -bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet -immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept: - - - »Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!" - - -Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe: -»O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja, -dan ben ik er zeker al te lang gebleven!" Zij bloosde, maar ging -standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen -het kasteel verlaten,--maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier -slechts één wezen terug dat u genegen is;" ging zij voort, zich tot -een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om -hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van -anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden, -wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger, -veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel -minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden." - -»Nooit!" riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden, -wat ik hier moet achterlaten!"--Ik vatte hare hand en drukte die aan -mijne lippen. - -»Dat is dwaasheid!" riep zij; »dat is krankzinnigheid!" En zij -deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met -zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel -eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone," -begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting -van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid -des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh -Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen -wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan -het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en -betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk -het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste." - -Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening -overweldigd en zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij -terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor -de allerlaatste maal." - -Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der -hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur -van den geheimen gang naar Rashleigh's kamer bedekte, bewogen -werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden, -uitvorschenden blik op Diana. - -»Het is niets," zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter -het behangsel." - -Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden, -verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna -op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien, -keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik -besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana's -herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!" te gehoorzamen. Zeker -werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde -mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik -mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren. - -Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne -ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in -bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger -door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere, -onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh's kuiperijen -voor mijn vader ontstaan kon--de onmiskenbaar moeielijke toestand van -het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht -was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te -gaan--dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was -volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen -en te toetsen. - -Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze, -waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare -houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen -te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele -sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen, -die zich tegen de bekentenis van hare neiging verzetten. De blik, -waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur -had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las -daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond -moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van -vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke -reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn, -die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten -en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben? - -Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over -de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken -en in plaats daarvan Diana's houding na te vorschen. »Welaan," zeide -ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil -ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel -te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de -heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en -gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel." - -Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en -een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime -jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed, -welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden, -scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe, -zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer -ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks, -innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet -uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere -argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene -andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en -meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik -nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVII. - - - Een stemme spreekt, gij hoort haar niet. - Mij roept zij toe: o, vlied toch, vlied! - Een hand zie ik.--Gij ziet haar niet. - Mij wenkt zij toe: "O, blijf hier niet." - - Tickell. - - -Beste vriend Tresham! Gij zult u wel herinneren, dat mijne -avondbezoeken in de boekenkamer zelden anders dan na afspraak, -en dan nog slechts in de tegenwoordigheid der oude Martha, plaats -hadden. Dit was eene stilzwijgende overeenkomst, door mij zelf -ingesteld. Sedert het vertrouwelijke verkeer tusschen Diana en mij -door al meer bezwaren gestoord werd, waren wij des avonds nooit in die -boekenkamer bijeen geweest. Diana kon dus ook niet veronderstellen, -dat ik eene hernieuwing van die bijeenkomsten zou zoeken, nog minder, -dat ik verzuimen zou, het te voren af te spreken, opdat de oude Martha, -naar gewoonte haar post zou kunnen waarnemen: Die maatregel was echter -alleen op eene soort van wederzijdsche schikking, volstrekt niet -op een uitdrukkelijk bevel gegrond. De boekenkamer stond voor mij, -even als voor ieder ander huisgenoot, elk uur van den dag open. Het -kon dus geenszins als een ongeoorloofd, vermetel indringen beschouwd -worden, zoo ik van dien toegang gebruik maakte, hoe onverwacht soms -mijne verschijning dáár mocht zijn. Stellig geloofde ik, dat Diana -in die kamer den priester, of iemand anders, door wiens oordeel zij -gewoon was haar gedrag te laten besturen, nu en dan zag, en wel op -een tijd, dat zij de minste stoornis behoefde te vreezen. Het licht, -hetwelk de vensters der kamer op ongewone uren verlichtte; de voorbij -zwevende schaduwen, welke ik zelf had opgemerkt; de voetstappen in -den morgendauw, die men van het torenpoortje tot aan de achterdeur van -den tuin ontdekte; de geluiden en gedaanten, welke eenige dienstboden, -vooral de tuinman, gehoord en gezien en naar hunne meening verklaard -hadden,--dit alles bewees voldoende, dat die plaats door iemand bezocht -werd, die niet tot de gewone huisgenooten behoorde. Deze onbekende -bezoeker moest, naar ik geloofde, tot Diana's lot in nauwe betrekking -staan. Ik vatte het plan op, om te ontdekken wie of wat hij was, -en in hoe verre zijn invloed goede of kwade gevolgen voor haar zou -kunnen hebben. Mijn hoofddoel echter, ofschoon ik mij zelven trachtte -te overreden, dat het slechts eene zeer ondergeschikte beweegreden was, -om uit te vorschen, door welke middelen deze onbekende zijn invloed op -Diana verkregen had, hoe hij dien voortdurend handhaafde, of haar door -vrees, of door wezenlijke genegenheid en welwillendheid leidde. Deze -jaloersche nieuwsgierigheid was natuurlijk thans mijn hartstocht. Mijne -verbeelding wilde Diana's gedrag steeds uit den invloed van één enkelen -persoon verklaren, ofschoon ook, naar hetgeen ik van de zaak wist, -hare raadgevers meerderen konden zijn. Dit hield ik mij zelven dikwijls -voor. Doch telkens kwam ik tot het eerste vermoeden terug, dat één -enkel wezen, en wel een man, en waarschijnlijk een jong, schoon man, -op den achtergrond de rol van Diana's bestuurder speelde. Brandend van -verlangen om zulk een mededinger te ontdekken, of liever te betrappen, -begaf ik mij naar den tuin, ten einde op het oogeblik te loeren, -waarop de vensters der boekenkamer zouden verlicht worden. - -Mijn ongeduld was zóó groot, dat ik lang voor het donker was, wel -een uur vóór schemeravond, in den tuin reeds de wacht hield. Het was -op een Zondag; al de paden waren stil en verlaten. Ik wandelde een -poos op en neder, en terwijl de zachte avondkoelte mij goed deed, -dacht ik wat kalmer na over de waarschijnlijke gevolgen van mijne -onderneming. De frissche, met de geuren van allerlei planten gekruide -lucht, deed de koortsachtige hitte bedaren, die mijn binnenste scheen -te verteren. Toen mijne ziel nu van lieverlede tot eene rustiger -stemming was teruggekeerd, vroeg ik mij zelven af, wat mij eigenlijk -het recht gaf, in de geheimen van Diana, of in die van mijn oom, -mij nieuwsgierig in te dringen? Wat ging het mij aan, wien mijn oom -in zijn huis wilde verbergen, waar ik immers zelf slechts als gast -geduld werd? Welk recht had ik, om Diana's gangen na te sporen. Zij -had mij zelve immers bekend, dat zij in een geheim gewikkeld was, -dat zij volstrekt niet wilde uitgevorscht hebben. - -Maar mijn hartstocht en eigenzinnigheid hadden het antwoord op deze -vraag gereed. Ontdekte ik den geheimen, onbekenden bezoeker, dan bewees -ik mijn oom misschien een niet onbelangrijken dienst. Vermoedelijk -wist hij niet, welke tooneelen er in zijn huis plaats hadden. En -een nog veel belangrijker dienst kon ik Diana bewijzen, die, wegens -hare openhartige en argelooze eenvoudigheid in het vertrouwelijke -verkeer met een man, die wellicht van een dubbelzinnig of wel zelfs -gevaarlijk karakter was, zich aan zoovele gevaren blootstelde. Ik -trachtte weliswaar in haar geheimen door te dringen, maar ik had -immers het grootmoedige, ja, zeide ik, het onbaatzuchtige oogmerk, om -haar te leiden en te verdedigen, haar te beschermen tegen list, tegen -boosheid, en bovenal tegen den geheimen raadgever, dien zij tot haren -vertrouweling had gekozen. Dit waren de gronden. Mijne eigenzinnigheid -nam die redeneeringen als echte munt aan. Mijn geweten deed als een -koopman, die, hetzij dan gaarne of ongaarne, maar met elke betaling -tevreden moest zijn, om niet in onmin met een goeden klant te geraken, -ofschoon er sterke twijfel bestond, dat het valsch geld was. - -Ik wandelde de groene paden op en neer, over dit alles -nadenkend. Plotseling zag ik den tuinman, voor een rij bijenkorven, -als een standbeeld, in diepe beschouwing verzonken. Met het ééne oog -sloeg hij het nijvere volkje gade, dat in zijne strooien woningen -gedurende den naderenden nacht eene schuilplaats zocht, maar met het -andere oog keek hij in een gebedenboek, dat door langdurig gebruik -zijne hoeken verloren had, welke rond of afgesleten waren, zoodat -het er als een antiquiteit uitzag. - -»Ik las daar juist een paar heilzame spreuken," dus begon hij. »Het -boek is van den eerwaarden heer Quackleven, en heet: »Welriekende -bloemen op den mesthoop van het leven gezaaid.""--Hij sloeg het boek -dicht, na alvorens zijn bril tusschen de bladzijden gelegd te hebben, -dáár waar hij in zijne aandacht door mij gestoord was. - -»Maar de bijen hebben u van uwe stichtelijke bezigheid toch min of -meer afgetrokken, niet waar, vriend Andries?" - -»Ja, dat is een erg volkje!" antwoordde hij. »Zes dagen in de -week kunnen zij arbeiden, en toch zwerven zij ook des Zondags, -op den heiligen Sabbatdag, rond, en beletten niet zelden vrome -Christenmenschen Gods woord te hooren. Maar heden werd er in onze -kapel juist geene predikatie gehouden." - -»Ja, wanneer gij, als ik, in de dorpskerk geweest waart, dan zoudt -gij eene voortreffelijke predikatie gehoord hebben," hernam ik. - -»Dank u, niets dan ijskoude soep--ijskoude soep!" riep Andries -op minachtenden toon; »goed voor honden die ze willen opslorpen; -neem het mij niet kwalijk! Jawel, een predikant in zijn witten kiel -zijne preek hooren opdreunen en de muzikanten op den koop toe! Neen, -dat is geen preken, dat is een boerenbruiloft houden. Dan kan ik even -goed vader Docharty zijne mis hooren prevelen." - -»Docharty?" herhaalde ik--het was de naam van een ouden Ierschen -priester, die soms in het kasteel de mis las.--»Ik meende dat pater -Vaughan nog in het kasteel was. Gisteren was hij er ten minste." - -»Ja, maar hij is ook reeds gisteren weder vertrokken, om naar -Greystock, of ergens die kanten uit, te gaan. Er is wat een -beweging onder die lieden. Alles is ijverig bezig, even als -mijne bijen. God vergeve het mij, dat ik die brave diertjes met de -Papisten vergelijke. Zie eens, daar komt de tweede zwerm! Nu zullen -zij denkelijk allen wel in rust zijn, en dus wensch ik u insgelijks -goeden nacht, waarde heer. Gods genade zij met u!" - -Na dit gezegd te hebben, verwijderde de tuinman zich en wierp nog -een afscheidsblik op zijne bijen. Ik had hem een voor mij belangrijk -bericht te danken. Pater Vaughan was niet meer op het kasteel. Brandde -er dus dien avond licht in de boekenzaal, dan kon het zeker het -zijne niet wezen, of zijn gedrag was zeer geheimzinnig en ten hoogste -verdacht. Met klimmend ongeduld verbeidde ik de schemering. Nauwelijks -stond ik tegenover de vensters, toen er een flauw schijnsel in -de boekenzaal zichtbaar werd. Wel was het wegens den nog niet -geheel onder de kim gezonken gloed van het avondrood nauwelijks -te onderscheiden, maar ik ontdekte het schijnsel zoo snel als een -schipper het nog verre licht van een vuurtoren, waarheen hij zijn -koers richt. Alle twijfel, elk opkomend gevoel van welvoegelijkheid, -die tot dusver mijne nieuwsgierigheid en jaloezie bestreden hadden, -verdwenen, toen zich de gelegenheid opdeed, om de beide genoemde -driften te bevredigen. Ik keerde naar het kasteel terug. Ik kwam, -de meer bezochte gangen en kamers vermijdende, aan de deur van de -boekenzaal. Met den sleutel, om de deur te openen, reeds in de hand, -toefde ik nog een oogenblik. Ik hoorde zachte voetstappen. Eindelijk -opende ik de deur en vond--Diana alleen. - -Zij was verrast over mijne plotselinge verschijning; misschien ook -over iets anders, ik kon het niet bepalen. Maar in haar geheele -voorkomen heerschte eene zoo zichtbare onrust, als ik nog nooit bij -haar opgemerkt had. Naar mijn oordeel, kon die slechts het gevolg van -eene ongewone gemoedsbeweging zijn. In een oogwenk bedaarde zij echter, -terwijl ik, zoo sterk is het geweten, ik, die haar wilde verrassen, -ten uiterste verrast en het meest verlegen voor haar stond. - -»Wat nieuws brengt gij?" vroeg zij. »Is er iemand op het kasteel -gekomen?" - -»Voor zoo ver ik weet, niemand," antwoordde ik een weinig verward; -»ik zocht slechts mijn Ariosto." - -»Daar ligt hij," zei Diana, op tafel wijzende. - -Terwijl ik eenige boeken ter zijde schoof, om te vinden wat ik -voorwendde te zoeken, overlegde ik, op welke wijze ik mij met goed -fatsoen uit dezen neteligen toestand zou kunnen redden. Ik moest -van eene kampplaats, waarop mijne krachten te kort schoten, mij maar -terugtrekken. Daar zag ik plotseling een manshandschoen op de tafel -liggen. Mijn oog ontmoette Diana's oog, en haar gelaat werd vuurrood. - -»Het is een van mijne reliquiën," zeide zij met een vaste stem, -terwijl zij niet mijne woorden, maar alleen den op haar geworpen -blik beantwoordde; »het is een der handschoenen van mijn grootvader, -het origineel dier fraaie schilderij van Van Dijck, die gij zoo -zeer bewondert." - -Zij scheen zelve te gelooven, dat meer dan eene bloote verzekering -noodig was om mij te overtuigen, en eene schuiflade openende, nam zij -daaruit een anderen handschoen, dien zij mij toewierp. Wanneer een van -natuur geheel openhartig gemoed zich tot dubbelzinnigheid en veinzerij -laat verleiden, gebeurt het niet zelden dat de angstvallige onrust, -waarmede de ongewone arbeid verricht wordt, den toehoorder aan het -twijfelen brengt. Ik wierp een snellen blik op de beide handschoenen -en antwoordde ernstig: »De handschoenen gelijken elkander in vorm -en bewerking vrij goed, maar zij zijn geen paar; het zijn beide -rechtsche." - -Diana beet zich op de lippen en kleurde nogmaals sterk. - -»Gij hebt gelijk dat gij mij volstrekt niet verschoont," zeide zij met -bitterheid. »Andere vrienden zouden uit hetgeen ik gezegd heb slechts -geoordeeld hebben, dat ik geen lust had, om verklaringen wegens eene -omstandigheid te geven, die geene verklaring behoeft, ten minste niet -voor een vreemde. Gij hebt intusschen beter geoordeeld, en mij doen -gevoelen, dat dubbelhartigheid laag, en veinzerij voor mij eene zeer -moeielijke zaak is. Thans zeg ik u stellig, dat deze handschoen niet -tot dien anderen behoort, zoo als gij scherpzinnig op- en aangemerkt -hebt. Hij behoort een vriend, die mij nog dierbaarder is dan het -oorspronkelijke van dit portret--een vriend, wiens raadgevingen mij -geleid hebben en nog verder zullen leiden--een vriend, dien ik eer, -dien ik....." - -Zij zweeg. Ik was door deze gedeeltelijke bekentenis niet weinig -verstoord en vulde terstond hare afgebroken woorden op mijne manier -aan; »dien zij bemint, wilde freule Vernon zeggen?" - -»En al wilde ik dit zeggen," antwoordde zij op fieren toon, »wie zou -dan het recht hebben om mij wegens mijne genegenheid ter verantwoording -te roepen?" - -»Ik niet freule, ik niet! zooveel vermetelheid bid ik u mij vooral -niet toe te schrijven. Maar," vervolgde ik met nadruk, want ik was -nu insgelijks min of meer boos geworden, »ik hoop, dat freule Vernon -een vriend vergiffenis zal willen schenken, al schijnt zij hem dezen -naam te willen ontnemen, wanneer hij opmerkt dat...." - -»Hij merkt niets op, mijnheer Osbaldistone!" viel zij mij in de -rede. »Want ik wil noch verdacht noch ondervraagd worden. In de gansche -wereld leeft niemand, door wien ik mij wil laten beoordeelen. Hebt gij -dezen ongewonen tijd uitgekozen, om mijne geheimen op het spoor te -komen, dan is de vriendschap of deelneming, welke gij voor mij zegt -te gevoelen, slechts de verachtelijke dekmantel van uwe onbeleefde -nieuwsgierigheid." - -»Ik dank u en ik zal u ontslaan van mijne tegenwoordigheid!" hernam -ik, even trotsch als zij, »ik ontwaak uit een aangenamen, maar -bedriegelijken droom, en--maar wij verstaan elkander thans!" - -Met deze woorden stond ik aan de deur der zaal, toen Diana, wat niet -zelden gebeurde, door eene plotselinge aandoening overweldigd, naar -mij toe snelde, mijn arm vatte en mij tegenhield, terwijl zij daarbij -die gebiedende houding aannam, van welke zij zich soms zoo goed wist te -bedienen, en die dan, in tegenoverstelling met de gulle eenvoudigheid -van haar gewone houding, zulk een krachtigen invloed kon oefenen. - -»Blijf, neef Frans, blijf!" zeide zij. »Op deze wijze moet gij niet -van mij scheiden. Ik ben volstrekt niet zoo rijk aan vrienden, dat ik -zelfs de ondankbaren en baatzuchtigen zou kunnen verstooten. Hoor -naar hetgeen ik u zeg, mijnheer Frans Osbaldistone! Van dezen -geheimzinnigen handschoen zult gij niets vernemen,--dit zeggende -hield zij den handschoen in de hoogte--»volstrekt niets: neen, -geen woord meer dan gij reeds weet, en nochtans zal hij tusschen -ons geen veetehandschoen worden. Mijn verblijf hier," vervolgde zij, -tot een zachteren toon overgaande, »kan niet lang meer duren; het uwe -moet nog korter zijn. Wij zullen spoedig scheiden en elkander nooit -wederzien. Laat ons niet twisten. Laat mijn geheimzinnig ongeluk -het voorwendsel niet worden, om de weinige uren te verbitteren, -welke wij aan deze zijde van het graf nog bij elkander zullen zijn." - -Ik weet niet door welke macht dit betooverend wezen eene zoo volkomene -heerschappij over een gemoed erlangde, dat ik zelf niet altijd in -staat ben te beheerschen. Bij het binnentreden der boekenzaal had ik -besloten, Diana te dwingen tot eene verklaring die mij bevredigde. Zij -had mij die met bitse fierheid geweigerd, mij onbewimpeld bekend, -dat een medeminnaar bij haar boven mij de voorkeur had.--Hoe toch -kon ik de voorrechten, welke de geheimzinnige vertrouweling genoot, -anders verklaren? En ondanks dit alles, toen ik de kamer verlaten en -met haar voor altijd breken wilde, behoefde zij slechts van toon te -veranderen, een eenigszins vriendelijker oog op mij te werpen, en, in -plaats van eene trotsche gevoeligheid, een minzame en, als ware het, -schertsende macht te toonen, waarbij ernst en weemoed samensmolten. Ik -liet mij gewillig en onderdanig weder naar mijn stoel leiden. - -»Wat baat het?" zeide ik, toen ik ging zitten. »Wat kan het -baten? Waarom zou ik getuige van moeielijkheden zijn, waarvan ik u -niet kan ontheffen, van geheimen, welke ik niet eens mag trachten te -onthullen, zonder u te beleedigen! Hoe weinig ondervinding gij ook -hebben moogt, het kan u toch niet onbekend zijn, dat eene schoone jonge -vrouw slechts één vriend kan hebben. Zelfs bij mijn vriend zoude ik -jaloersch zijn op een onbekenden, geheimzinnigen vertrouweling maar -bij u...." - -»Gij lijdt dus aan jaloezie--aan al de kwellingen van dezen -beminnelijken hartstocht? Zeg eens, gedurende den ganschen tijd hebt -gij vaak niets anders uitgebracht dan die praatjes, die domkoppen -in tooneelspelen en romans vinden, en dan zoolang napraten, tot die -wartaal hen heelemaal in haar macht heeft? Knapen en meisjes babbelen -op die wijze voort, tot zij echt verliefd worden. En als hunne liefde -slaperig wordt, babbelen zij op dezelfde wijs al weder tot zij heusch -jaloersch worden en aan het twisten geraken. Gij en ik moeten toch -verstandig genoeg zijn om ons niet aan deze kinderachtigheden schuldig -te maken. Wij mogen voor elkander niets anders dan vriendschap, gulle, -vertrouwelijke, onbaatzuchtige, ware vriendschap koesteren. Elke andere -betrekking tusschen ons is onmogelijk. Laat mij openhartig spreken--" -voegde zij er na eenig stilzwijgen bij-- --»hoewel ik daarbij iets te -kort moet doen aan hetgeen de vrouw betaamt en over mijne oprechtheid -een weinig moet blozen. Wij kunnen nooit met elkander huwen, al zouden -wij het ook willen. En wij zouden het niet mogen, al konden wij het." - -En toen zij deze wreede verklaring deed, overtoog het liefelijkste -rood haar gelaat. Ik wilde hare beide stellingen bestrijden, -zonder aan het vermoeden te denken, hetwelk zich dien avond zoo zeer -bevestigd had. Doch zij vervolgde met ijskoude bedaardheid, die bijna -strengheid mocht heeten: »Wat ik zeg, is eene eenvoudige, onbetwistbare -waarheid, waarheid, waarover ik noch vragen noch verklaringen wil -hooren.--Wij zijn dus vrienden, mijnheer Osbaldistone, niet waar? Wij -zijn vrienden?--" Zij reikte mij de hand toe, en de mijne vattende, -voegde zij er op denzelfden toon bij: »voor heden en in de toekomst -volstrekt niets anders voor elkander dan vrienden!" - -Zij liet mijne hand los, die neerzonk, terwijl mijn hoofd insgelijks de -onwillekeurige beweging mijner hand volgde. Ik was door hare goedheid -en haar ernstigen wil geheel overweldigd. - -Schielijk gaf Diana aan het gesprek eene andere wending.--»Hier is een -brief," zeide zij. »Het adres luidt duidelijk aan u. Maar in weerwil -van al de voorzichtigheid waarmede de afzender hem verzonden heeft, -zou hij u misschien niet ter hand zijn gekomen, indien hij niet een -betooverden dwerg in handen ware gevallen, dien ik, even als alle -met rampen worstelende prinsessen uit de sprookjes, in mijn geheimen -dienst heb." - -Ik opende den brief, liep hem schielijk door, het papier ontviel mijne -hand. »O God!" riep ik uit: »door mijne dwaasheid en ongehoorzaamheid -heb ik mijn vader ongelukkig gemaakt!" - -Diana sprong op, zichtbaar bewogen en bekommerd.--»Gij wordt bleek, -gij valt in onmacht. Zal ik u water geven? Verman u, mijnheer -Osbaldistone! herstel u! Wat is er gebeurd? Uw vader--leeft hij -niet meer?" - -»Hij leeft, God zij dank!" hernam ik, »maar in welken bitteren nood!" - -»Is het anders niet, dan behoeft gij waarlijk nog niet te wanhopen. Mag -ik den brief lezen?" vroeg zij, het schrijven opnemende. - -»O ja," zeide ik, zonder inderdaad te weten wat ik zeide. Zij las -den brief met zeer veel aandacht.--»Wie is die Tresham, die den brief -onderteekend heeft?" - -»Mijns vaders compagnon, die zich echter weinig met de handelszaken -van ons huis bemoeit." - -»Hij spreekt hier van verscheidene brieven, welke vroeger aan u -verzonden zijn," vervolgde Diana. - -»Ik heb tot nu toe nog volstrekt geen anderen brief dan dezen -ontvangen," antwoordde ik. - -»En Rashleigh, die sedert uws vaders vertrek naar Holland de zaken -bestuurde, zou sedert eenigen tijd met eene aanzienlijke som gelds -van Londen naar Schotland zijn vertrokken, om daar eenige wissels te -betalen en men heeft na dien tijd niets meer van hem vernomen?" - -»Alles maar al te waar!" - -»En dan heeft men,"--vervolgde Diana, den brief inziende, »een -boekhouder, of zoo iets--Owen heet hij--naar Glasgow gezonden, om -Rashleigh, zoo mogelijk, op te sporen, en men verzoekt u, insgelijks -derwaarts te vertrekken, ten einde hem in zijne nasporingen behulpzaam -te zijn." - -»Zoo is het, en ik moet oogenblikkelijk afreizen." - -»Maar één enkel oogenblik geduld!" viel Diana mij in de rede. »Het -schijnt, dat het ergste wat er in staat, het verlies van eene som -geld is. Kan dat u tranen doen storten, mijnheer Osbaldistone? Schaam -u! Over een som geld!" - -»Gij doet mij onrecht," antwoordde ik. »Dat verlies is volstrekt -niet de reden van mijne hevige ontroering. Mij treft het besef van de -uitwerking, welke dit ongeval op mijns vaders zwakke gezondheid zal -hebben. Het vertrouwen van den handel staat bij hem op even hoogen -prijs, als de eer. Als deze gebeurtenis oorzaak is, dat de op hem -getrokken en door hem geaccepteerde wissels door dit verlies niet -op den vervaltijd betaald worden, dan weet ik zeker, dat met het -eerste protest van zulk een wissel ook zijn doodvonnis zal geteekend -zijn. En dit alles had ik kunnen voorkomen door een gering offer -van mijne dwaze trotschheid, door het bedwingen van mijn tegenzin -in nuttige werkzaamheden, die mij weerhield, om mijn vader in zijn -eervol beroep behulpzaam te zijn. O God! hoe zal ik de gevolgen mijner -dwaling herstellen!" - -»Gij moet terstond naar Glasgow vertrekken, zoo als uw vriend u -verzoekt," hernam Diana. - -»Maar als Rashleigh wezenlijk het schandelijke en gewetenlooze oogmerk -heeft, om zijne weldoeners te berooven, hoe zou ik dan middelen kunnen -vinden om zulk een listig ontworpen plan te verijdelen?" - -»De uitslag is trouwens onzeker, maar het zou u volstrekt onmogelijk -wezen, uw vader van eenig nut te zijn, als gij hier bleeft. Bedenk -dit wel. Hadt gij u op de plaats bevonden die voor u bestemd was, -dan zou dit ongeluk niet hebben kunnen gebeuren. Maar spoed u nu -daarhenen, waar men u verwacht, en misschien kan alles nog hersteld -worden. Doch wacht een oogenblik en blijf hier, tot ik terugkom." - -Zij liet mij alleen in hevige verwarring en ontroering. En te midden -daarvan bleef ik de vastberadenheid en tegenwoordigheid van geest -bewonderen, welke Diana zelfs bij de meest verrassende ongevallen -scheen te behouden. - -Weldra kwam zij terug en had een papier in de hand, dat als een -brief gevouwen en gezegeld, maar zonder opschrift was. »Dit bewijs -van mijne vriendschap zal ik u toevertrouwen," zeide zij, »daar ik -mij met zekerheid op uw eergevoel verlaat. Begrijp ik het wel, hoe -het eigenlijk met die netelige zaak gelegen is, dan moeten die gelden, -welke Rashleigh medegenomen heeft, voor wissels op zekeren dag, ik meen -den 12den September, uitbetaald worden. Kan men nu vóór dien tijd eene -voldoende som daarvoor vinden, dan is uws vaders krediet behouden?" - -»Juist, zoo begrijp ik den inhoud van den brief eveneens," antwoordde -ik, en voegde, toen ik het schrijven zelf nog eens had ingezien, -er bij: »het is zoo, het kan niet anders zijn." - -»Welaan, in dat geval kan mijn gedienstige geest u van nut worden," -vervolgde Diana. »Ik heb u gezegd, dat er eene tooverkracht in den -brief is. Neem hem, open hem echter niet eerder, dan wanneer andere -gewone middelen tot redding vruchteloos blijken te zijn. Wanneer gij -door uwe eigen pogingen uw doel bereikt, dan vertrouw ik op uwe eer, -dat gij den brief verbranden zult, zonder hem te openen of te laten -openen. Gebeurt dit echter niet, dan moogt gij hem ontzegelen, -maar slechts tien dagen vóór den noodlottigen tijd, en dan zult -gij aanwijzingen vinden, die u voorzeker van nut zullen kunnen -worden. Vaarwel Frans, wij zien elkander nooit weder, maar denk -somwijlen aan uwe vriendin Diana Vernon!" - -Zij reikte mij de hand toe, maar ik drukte haar aan mijn hart. Zij -vergunde mij gelaten deze omarming. Zij zuchtte, toen zij zich -losmaakte. Een oogenblik later was zij verdwenen door de deur, die -naar hare eigene kamer leidde. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XVIII. - - - Voort ging 't! voort maar! hop, hop, hop! - Al voort! in bruisenden galop, - Dat ros en ruiter snoven, - En stof en vonken stoven. - - Bürger. - - -Het is hard, als op den mensch allerlei ongelukken van verschillenden -aard tezamen instormen. En toch ligt daarin het voordeel dat door -de verstrooiing, die hunne tegenstrijdige werking op het gemoed doet -ontstaan, geen der onheilen hem geheel en al overweldigt. Het scheiden -van Diana smartte mij diep; maar nochtans niet zoo zeer, dat ook -het ongeluk, hetwelk mijn vader dreigde, mijn geest niet zou hebben -bezig gehouden, terwijl weder die Jobstijding mij minder bekommerde, -omdat ze niet het eenige voorwerp van bezorgdheid voor mij was. - -Niet dat ik een wuft minnaar, of een gevoellooze zoon was. Maar -een mensch wijdt slechts een zeker deel van zijne smartelijke -gewaarwordingen aan de oorzaak, waardoor zij verwekt worden. En wanneer -twee daarvan tegelijk werken, dan moet onze deelneming noodzakelijk, -even als de percent's gewijze betaling van een bankroetier, tusschen -allen verdeeld worden. Met zulke gedachten kwam ik in mijne kamer. Het -was alsof ik reeds op weg was naar de koopmansberekeningen. - -Ik begon mijns vaders brief ernstig te overwegen. De inhoud was -mij nog niet zeer duidelijk. Ik werd ten opzichte van verscheidene -omstandigheden naar Owen verwezen, dien ik te Glasgow aan het kantoor -van de heeren Mac-Vittie, Mac-Fin en Compagnie moest zoeken. Bij -de vermelding van verscheidene vroeger aan mij afgezonden brieven, -die verloren of onderschept moesten zijn, klaagde men over mijn -halsstarrig zwijgen in uitdrukkingen, die zeer onbillijk zouden zijn -geweest, wanneer mijne brieven ter plaatse van hunne bestemming waren -gekomen. Ik was schier buiten mij zelven van verbazing. Ik twijfelde -er geen oogenblik aan, dat Rashleigh's geest rondom mij zweefde, -en dat hij de zwarigheden, die mij omringden, als spoken opriep. Ik -schrikte voor de gedachte, toen ik overwoog hoe veel laaghartigheid -en macht hij tot de uitvoering van zijne ontwerpen moest gebruikt -hebben. Om mij ten minste in één opzicht recht te laten wedervaren, -wil ik niet verzwijgen dat het scheiden van Diana Vernon, hoe het -mij ook op een anderen tijd zou ter neer geslagen hebben, mij thans -minder trof, dan de gedachte aan de gevaren die mijn vader dreigden. Ik -zelf hechtte weinig aan rijkdom, en meende, even als de meeste jonge -lieden van levendige fantasie, dat ik gemakkelijker het bezit van -geld ontberen kon, dan mijn tijd en mijne bekwaamheden opofferen voor -de werkzaamheden, waardoor het moest verkregen worden. Maar ik wist -dat mijn vader het verlies van zijn vermogen voor een onherstelbaar -ongeluk zou houden, waarvoor het leven hem geen troost verschaffen -en de dood alleen het eenige redmiddel zijn kon. - -Mijn geest ontwikkelde, bij de overweging hoe dit ongeluk af te -weren, eene kracht, welke het eigenbelang nooit zou opgewekt hebben, -wanneer het mijn eigen vermogen gegolden had. Ik nam het besluit, -reeds den volgenden dag het kasteel te verlaten en Owen in Glasgow -op te zoeken. Ik oordeelde het raadzaam, dit besluit aan mijn oom -eenvoudig bekend te maken door een brief, waarin ik hem voor de bij -hem genoten gastvrijheid mijn dank betuigde, en hem tevens verzekerde -dat eene dringende en zeer gewichtige aangelegenheid mij belette, -hem mondeling daarvoor te danken. Ik wist wel, dat de oude eenvoudige -ridder mij gemakkelijk verontschuldigen zou, en ik geloofde zoo vast -aan Rashleigh's wijd uitgebreide en vermetele macht, dat ik inderdaad -vreesde dat hij, als ik mijn vertrek openlijk zou hebben aangekondigd, -middelen zou gevonden hebben, om deze reis te verhinderen. Zijne -verdere plannen zouden immers door mijne reis worden belemmerd. - -Ik besloot, mij met het aanbreken van den dag te verwijderen, ten einde -ongehinderd over de naburige Schotsche grenzen te komen, waarvan het -welgelukken mijner onderneming afhing. Ik kende noch den kortsten, -noch over het geheel eenigen weg naar Glasgow. In deze verlegenheid, -daar spoed thans van het hoogste belang was, viel mijne gedachte op -den tuinman Andries, van wien ik eenige inlichting kon verwachten. Hoe -laat het ook reeds was, ik begaf mij terstond naar zijne woning, die -niet ver van den buitenmuur van den tuin lag. Het was een aardig, -van ruwe steenen gebouwd en door groote berkeboomen overschaduwd -huis; een beekje kronkelde erlangs, terwijl het ook een bloemperk -en moestuintje had; uit dit laatste verschafte zich de bewoner de -behoeften voor zijne tafel; eene koe, die hem boter en melk verstrekte, -had ook hare behoorlijke stalling. - -Toen ik deze woning naderde, hoorde ik een geluid, dat zich in -langgerekte neustonen oploste. Mijne eerste gedachte was, dat Andries, -volgens de goede gewoonte zijner landslieden, eenige buren tot eene -avondoefening, zoo als zij het noemden, bij zich vereenigd had. Hij had -vrouw noch kinderen, noch andere vrouwelijke huisgenooten. »De eerste -man," zeide hij doorgaans, »had al genoeg van dat vee gehad." Maar soms -wist hij toehoorders uit de rondom wonende Katholieken en aanhangers -der bisschoppelijke kerk bij zich te verzamelen--»brandhouten uit het -vuur weggerukt," zoo als hij ze noemde--en dan oefende hij aan hen -zijne geestelijke gaven, in spijt van pater Vaughan, pater Dotharty, -Rashleigh en alle naburige Katholieken die hem, wegens deze onwettige -uitoefening van hunne ambtsbediening, voor eene soort van ketterschen -beunhaas verklaarden. Ik dacht, dat ook nu zijne woning tot een -bedehuis voor zulk een gezelschap diende. Maar bij aandachtiger -luisteren scheen mij het geluid uit de longen van den tuinman alleen -te komen. Toen ik het door mijn binnentreden afbrak, vond ik hem -werkelijk geheel alleen. Tot zijne stichting las hij een godgeleerd -twistschrift en raffelde, zoo goed als hij kon, al de lange woorden -en moeielijke namen achter elkander af. - -»Juist zocht ik een zalvende plaats of spreuk op bij den eerwaarden -doctor Lichtfoot," zeide hij, terwijl hij den foliant ter zijde legde. - -»Lichtfoot?" hernam ik, met verwondering op den foliant ziende. »Uw -schrijver heeft een vrij ongepasten naam." - -»Ja, Lichtfoot heet hij, waarde heer, maar hij was een heel ander -godgeleerde, dan die van onzen tegenwoordigen tijd. Nu neem het mij -niet kwalijk dat ik u zoo lang voor de deur liet staan, maar ik had -heden avond een heel spul met een spook--God behoede ons!--en toen -wilde ik niet gaarne opendoen, voor dat ik mijne avondoefening verricht -had. Juist had ik het vijftiende kapittel van Nehemiah geëindigd. Als -dat geen spook kan bedwingen, dan weet ik er niets van." - -»Met een spook hadt ge te doen?" vroeg ik, »hoe moet ik dat verstaan, -Andries?" - -»Nu ja, het wilde op mij los, God bewaar me!" - -»Op u los? Wat beteekent dat toch?" - -»Nu ja, ik meen eigenlijk niet, dat het mij te lijf wilde--maar het -verschrikte mij geweldig." - -»Nu, mij is het wel. Genoeg daarvan! Ik wenschte gaarne te weten, -of gij mij den naasten weg naar een zekere plaats van uw land, -Glasgow genaamd, kunt wijzen?" - -»Eene plaats, Glasgow genaamd?" herhaalde Andries. »Glasgow is een -zeer groote stad, waarde Heer. Of ik den weg naar Glasgow ken? Wat -een vraag? Die stad ligt dicht bij mijne geboorteplaats; mijne -geboorteplaats ligt alleen een beetje meer westelijk. Maar wat hebt -gij toch in Glasgow te zoeken?" - -»Bijzondere zaken roepen mij daarheen." - -»Dat is met andere woorden: vraag mij niet verder. Nu, ik zal u -niet lastig vallen. Naar Glasgow?" vervolgde hij, na eene poos -zwijgens. »Mij dunkt, gij deedt beter, als gij een gids medenaamt." - -»Ja, kon ik er maar een vinden, die den weg kent." - -»En gij zoudt dan zeker voor verzuimden tijd en genomen moeite goed -schadeloos stellen?" - -»Welzeker. Ik heb groote haast, en wanneer gij voor mij een knaap -opsporen kunt, die mij vergezellen wil, kunt gij hem tevens verzekeren -dat ik hem goed zal betalen." - -»Hoor eens, mijnheer, heden is het Zondag," vervolgde Andries, naar mij -opziende, »en dan mag men zich met geene wereldsche zaken bezig houden, -anders zou ik u wel eens willen vragen, wat gij er voor over hebt, -als ik u een flinken gids bezorg, die de namen der kasteelen van al -de edellieden langs dien weg weet op te noemen, en met de betrekkingen -van die edellieden even goed als met zijne eigen familie bekend is." - -»Ik zeg u immers, dat ik alleen den weg behoef te weten. De gids zal -met mijne betaling tevreden zijn." - -»Dat doet er niets toe!" hernam Andries. »De man, dien ik bedoel, -kent alle zijpaden, alle voetpaden door het gebergte." - -»Ik heb geen tijd om thans langer te praten of u te hooren praten, -mijn beste Andries. Breng de zaak maar voor mij in orde zoo als gij -wilt, en gij zult mij een grooten dienst bewijzen." - -»Nu, dat laat zich hooren," hernam Andries. »Als het zoo is, en niet -anders, dan zal ik, om alle verdere moeite te besparen, u maar zelf -den weg wijzen." - -»Gij, Andries? Maar hoe kunt gij zoo plotseling uw dienst verlaten?" - -»Ik heb u immers gezegd," antwoordde de tuinman, »dat ik reeds sedert -lang dit voornemen gekoesterd heb, reeds sedert het eerste jaar van -mijn dienst; en nu zal het daarmede eindelijk eens ernst worden. Beter -laat dan nooit." - -»Dus wilt gij uw dienst vaarwel zeggen en uw loon in den steek -laten?" vroeg ik. - -»Nu ja, er zal iets aan moeten opgeofferd worden, dat spreekt van -zelf. Maar ik heb nog eenig geld van onzen heer onder mij, van de -appelen, weet ge, uit dien ouden boomgaard.--Ja, de lieden, die dat -onrijpe goed gekregen hebben, zijn er leelijk mede gefopt! En toch is -onze heer zoo happig naar dat geld, en onze rentmeester maant er mij -zoo dringend om, alsof het voor gouden pippelingen ontvangen was. Ook -heb ik nog eene kleinigheid in geld voor verkochte zaden in handen, -en zoo denk ik, zal ik mijn loon wel kunnen vinden. Maar wanneer wij -naar Glasgow gaan, zult gij toch wel in aanmerking gelieven te nemen, -dat ik gevaar loop eenig verlies te lijden. Gij zult waarschijnlijk -spoedig vertrekken?" - -»Met het krieken van den dag." - -»Dat is toch wat al te vlug! Van waar krijg ik een paard? Maar stil, -ik weet er al een, dat juist voor mij geschikt is." - -»Dan vinden wij elkander morgen vroeg te vijf ure heel aan het -vooreinde van de laan." - -»Ik zal er zijn, gij kunt er u gerust op verlaten!" zeide Andries -welgemoed. »Maar wilt gij mijn raad volgen, laat ons twee uren vroeger -vertrekken, ik ken den weg bij dag en bij nacht." - -Gaarne gaf ik mijne toestemming tot dat voorstel, en wij maakten -afspraak om elkander den volgenden morgen te drie ure op de bestemde -plaats te ontmoeten. - -Plotseling herinnerde zich mijn aanstaande reisgenoot zijn -spook. »Maar, maar," zeide hij, »dat spook, dat spook zou ons kunnen -overvallen, en niet gaarne zou ik tweemaal in de vier en twintig uren -daarmede opgescheept zijn." - -»Gekheid!" riep ik in het heengaan. »Vrees toch niet voor wezens -uit de andere wereld! Hier op aarde zijn booze geesten genoeg, die -zonder bijstand van den Satan en zijne booze geesten, al erg genoeg -klaar spelen." - -Met deze woorden keerde ik naar het kasteel terug, maakte schielijk -de noodige toebereidselen tot mijne reis, laadde mijne pistolen -en wierp mij toen op 't bed, om, zoo het zijn kon, nog eene korte -rust te genieten, voor dat ik de lange reis ondernam, die niet -zonder moeielijkheden en onaangenaamheden zou zijn. Uitgeput door -de hevige aandoeningen, welke mij geschokt hadden, viel ik weldra in -een diepen slaap, maar toen de klok van het kasteel twee ure sloeg, -werd ik wakker, stond schielijk op, ontstak het licht, schreef den -voor mijn oom bestemden brief, en nadat ik de allernoodigste kleederen -in mijn valies had gepakt, begaf ik mij naar beneden en kwam, zonder -eenige hindernis te ontmoeten, in den stal. Ofschoon ik nu wel geen -volmaakte stalknecht was, zoo als mijne neven, had ik toch gedurende -mijn verblijf op het kasteel Osbaldistone geleerd mijn paard te tuigen -en te zadelen, ik was dan ook in weinige minuten daarmede gereed. - -Toen ik nu de oude laan, waarop de afnemende maan haar flauw schijnsel -wierp, opreed, zag ik met een diepen zucht terug naar het gebouw -waar Diana woonde, en het denkbeeld, dat wij misschien voor altijd -van elkander gescheiden waren, deed mij onbeschrijfelijk leed. - -»Zij is reeds voor mij verloren!" zeide ik in mij zelf, terwijl mijn -oog te vergeefs uitzag naar het venster van hare kamer in den langen -Gothischen muur van het kasteel, waarvan de tinnen spookachtig wit -in den maneschijn uitstaken.--»Zij is reeds voor mij verloren, eer -ik nog uit hare nabijheid ben! Hoe zou ik kunnen hopen, als er mijlen -afstand tusschen ons liggen, haar te herwinnen." - -In deze sombere droomerijen verdiept, hoorde ik de klok van het -kasteel drie uren slaan. - -Dicht tegen den tuinmuur zag ik een man te paard wachten, doch ik moest -wel driemaal hoesten en Andries roepen, eer de kerel antwoordde: »ja, -ja, het is Andries!" - -»Vooruit dan!" zeide ik, »en zwijg, zoo gij kunt, tot wij door het -dorp in het dal zijn." - -Andries reed nog veel sneller dan ik eigenlijk wenschte. Hij nam -mijn bevel om stil te zwijgen zoo stipt in acht, dat hij mij zelfs -met geen enkel woord antwoordde, toen ik hem herhaalde malen naar -de oorzaak van dezen noodeloozen spoed vroeg. Eindelijk hadden wij -langs allerlei zijpaden, welke Andries zeer goed kende, een goed eind -wegs afgelegd, en kwamen nu over een wijduitgestrekte heide spoedig -aan de kale heuvels, die Engeland van Schotland scheiden. Het pad, -of liever het spoor, dat wij thans volgden, was steenachtig en vrij -ongemakkelijk, maar desniettemin reed Andries steeds op een fikschen -draf vooruit. Ik was verwonderd en misnoegd over zijne eigenzinnigheid, -daar wij hier wegens den oneffen bodem telkens gevaar liepen, om -langs de steile afgronden, die ons links en rechts aangrijnsden, -door het struikelen van onze paarden een ernstig ongeluk te krijgen, -of misschien zelfs het leven te verliezen. De maan scheen nog zeer -flauw. Soms reden wij onder de schaduw van hooge bergruggen in eene -zoo dichte duisternis, dat ik mijn voorrijder niet meer zien kon, -en slechts de hoefslag van zijn paard en de vonken, welke het uit -de steenen sloeg, mij zijn spoor aanduidden. De snelle beweging -en de oplettendheid, die ik wegens mijne eigen veiligheid aan mijn -paard moest wijden, hadden eerst de weldadige uitwerking, dat zij -mijn geest van mijn vele smartelijke overdenkingen afleidden. Toen -ik echter den tuinman eene geruime poos vruchteloos toegeroepen had, -werd ik innig boos over zijne halsstarrigheid, daar hij mij noch wilde -gehoorzamen, noch eenig antwoord geven. Maar mijn toorn was, helaas, -machteloos. Een paar maal trachtte ik hem in te halen, om hem mijn -misnoegen eens ernstig te doen gevoelen, maar zijn paard was veel -beter dan het mijne. Hij raadde mijn doel en reed steeds sneller, -zoodra hij merkte dat ik hem naderbij kwam. Van boosheid kwam ik bijna -buiten mij zelven, en eindelijk dreigde ik hem, mijne pistolen op hem -te zullen losbranden. Dit maakte meer indruk, dan alle vriendelijke -beden. Hij reed langzamer. Maar toen ik dicht bij hem was, begon hij: -»het is waarachtig wat te zeggen, langs zulk een ellendigen weg te -moeten rijden!" - -»Maar zeg eerst waarom zijt gij zoo snel gereden?" antwoordde ik -driftig. Men wordt in den regel driftiger, als men even te voren -eerst een weinig vrees gevoeld heeft. - -»Maar wat wenscht u dan, waarde heer?" vroeg Andries met onwrikbaren -ernst. - -»Wat ik wensch, schelm? Heb ik u niet reeds een geheel uur toegeroepen -langzamer te rijden, en gij hebt mij niet eens geantwoord! Zijt gij -dronken of gek?" - -»Ja, waarde heer," hernam Andries; »ik heb eigenlijk, eer ik mijn -huisje, waar ik zoo lang gewoond had, verliet, een klein slokje -genomen tot afscheid. Zie, ik wil met de zuivere waarheid voor den -dag komen, want liegen is een groote zonde. Ik had niemand, die mij -bescheid kon doen, en dus moest ik dat wel zelf doen, of het restje -brandewijn voor de Papisten achterlaten, en dat zou ik toch voor -onzen lieven Heer niet hebben kunnen verantwoorden. Ik heb het dus -maar heelemaal opgedronken." - -Ik liet zijne verontschuldiging gelden. Hij was mijn gids in wiens -macht ik in zeker opzicht was. Ik vergenoegde mij dus, met hem onder -het oog te brengen, dat hij zich voortaan naar mijne bevelen te -richten had. - -Toen hij uit mijne vriendelijkheid zag, dat mijn toorn was bedaard, -nam hij weer het woord, eigenlijk op min of meer schoolmeesterachtigen -beslissenden toon. »Gij zult het mij niet tegenspreken, gij noch -iemand anders, dat men wel degelijk voor zijne gezondheid moet zorgen, -wanneer men 's nachts over heidevelden en in het gebergte reizen moet, -en het best is, dan vooraf een slokje brandewijn of iets dergelijks tot -versterking te nemen. Dan heeft de nadeelige nachtlucht geen invloed op -ons zwak gestel, en men is daarenboven veel moediger. Wel honderdmaal -ben ik, bij dag en bij nacht, den Otterscopeheuvel overgetrokken, -maar nooit kon ik den weg vinden, als ik niet vooraf behoorlijk mijn -morgenslokje genomen had. Soms had ik een paar vaatjes brandewijn -aan iederen kant van mijn paard." - -»Met andere woorden Andries, gij waart een smokkelaar? Hoe kan een man -van uwe strenge grondbeginselen er ooit toe overgaan om de regeering -te bestelen?" - -»De regeering? Neen, dat zou ik nooit gedaan hebben! Als het een -echte regeering was. Maar het is immers hier slechts eene berooving -van tollenaren en zondaren!" antwoordde Andries. »Het arme Schotland -lijdt erg van die liederlijke ontvangers en nog liederlijker kommiezen, -die sedert de rampzalige unie als sprinkhanen tot ons overgewaaid -zijn. Daarom moet een braaf mensch zijn vaderland nu en dan eene -hartsterking bezorgen en dat satansche dievenras zijn buit ontnemen." - -Bij nadere bespreking bleek, dat Andries, vóór en na zijne aanstelling -als tuinman op het kasteel Osbaldistone, dikwijls als smokkelaar op dit -bergpad was geweest. Voor mij was deze omstandigheid in zoo verre van -belang, als ik daarin een bewijs vond, dat de tuinman tot gids zeer -bruikbaar was, ondanks den poets, dien hij mij in het begin gespeeld -had. Hij reed nu wel is waar langzamer, maar nog steeds scheen het -afscheidsglaasje, dat hem zoo zonderling opgewonden had, zijn invloed -niet verloren te hebben. Dikwijls keek hij angstig om. Zoo vaak de -weg effen werd, kwam hij in verzoeking om weder sneller te rijden, -als vreesde hij den een of ander die hem vervolgde. Intusschen scheen -zijne bezorgdheid meer en meer te verminderen, toen wij den rug van -eene keten heuvels bereikte, die zich westelijk uitstrekten en aan -beide kanten steil afliepen. Nu begon ook de dag aan te breken. En -toen Andries eindelijk nogmaals omziende op de geheele eenzame heide -geene menschelijke gedaante ontdekte, helderde zijn gelaat op. Hij -begon te fluiten en zong eindelijk met ruwe, leelijke stem, maar -vroolijk het einde van een Schotsch liedje: - - - »Jenny, ik heb je meisje lief! - Achter 't veen, in bosch en hei - Blijft mijn meisje aan mijn zij." - - -En daarbij klopte hij het dier, dat hem zoo welgemoed en vroolijk -tot hiertoe gedragen had, vriendelijk op den hals. Maar toen -ik het nu van naderbij bezag, herkende ik terstond Thorncliff's -lievelingspaard.--»Wat is dat?" vroeg ik min of meer norsch; »hoe -komt gij aan het paard van mijnheer Thorncliff?" - -»Ja, eens was het zeker het paard van den jongenheer Thorncliff, -maar thans is het zeker het mijne." - -»Hebt gij het gestolen, schurk?" - -»Gestolen? Wel waarachtig niet, mijnheer! niemand kan mij een -dief noemen. Ik zal u zeggen hoe het eigenlijk met de zaak gelegen -is. Mijnheer Thorncliff leende van mij tien pond, toen hij naar de -harddraverij te York ging, en toen ik hem naderhand om mijn geld -maande, snauwde hij mij toe, dat als ik nog eens op dien toon durfde -zingen, hij onze rekening met zijn knuppel zou vereffenen. Nu heb ik -het hecht in handen. Wil hij zijn paard weer hebben, dan moet hij mij -tot den laatsten duit betalen, of hij krijgt geen haar van den staart -meer van zijne merrie te zien. Ik ken een zaakwaarnemer in Loughmaben, -die verstaat het recht. Een paard stelen! Neen! God beware mij voor die -gruwelijke zonde! Ik heb het slechts in beslag genomen. Juridictionis -fendendie causa of hoe ze dat met een Latijnschen of Griekschen -naam heeten. Ja, die namen hebben veel van de plantennamen bij -ons tuinlieden en andere geleerde mannen. Die drie woorden heb ik -geleerd. Jammer maar dat die studie zoo weergaas duur was. Het is al -wat Andries uit een langdurig proces overgehouden heeft. Het was om -drie vaatjes brandewijn. Ja, het recht is al een zeer kostbaar ding!" - -»Het zou u wel duurder te staan kunnen komen dan gij denkt," viel -ik hem in de rede; »als gij onvoorzichtig genoeg zijt, om zonder de -rechterlijke hulp in te roepen, uw eigen rechter te willen zijn." - -»Oho, beste mijnheer! Wij zijn thans in Schotland," antwoordde hij, -»dank zij den Hemel! Daar zal ik wel goede vrienden vinden en rechters -bovendien, zoo knap als een Osbaldistone denken durft. De neef van -mijn ooms schoonbroeder is een neef van den schout te Dumfries, en -die zal niet dulden, dat iemand van de familie verongelijkt wordt -of schade lijdt. Hier krijgt iedereen recht, die recht heeft. Het -gaat hier niet zoo als daar, waar de griffier Jobson, eer men er om -denkt, een eerlijk man in de gevangenis werpt. Ook geloof ik stellig, -dat recht en wet daar spoedig uitverkocht zullen zijn. Ik ben blij, -dat ik maar bijtijds naar eene andere markt op weg ben, waar het een -en ander nog wat ruimer en van beter allooi te vinden is." - -Ik was zeer geërgerd over de handelwijze van den zoogenaamden eerlijken -tuinman. Het verdroot mij geweldig, dat mijn noodlot mij voor de -tweede maal met een mensch van zoo slechte beginselen in aanraking had -gebracht. Ik besloot hem, zoodra wij het doel van onze reis bereikt -hadden, het paard af te koopen en het mijn neef terug te zenden. Aan -mijn oom wilde ik echter van het naaste posthuis voorloopig bericht van -mijne plannen geven. Met Andries nog langer te twisten, oordeelde ik -nutteloos. Misschien had hij, op de keper beschouwd, voor een mensch -van zijn stand en opvoeding niet geheel onnatuurlijk gehandeld. Mijn -misnoegen bedwingend, vroeg ik hem, waarom hij geloofde, dat er binnen -kort in Northumberland geen recht meer te krijgen zou zijn. - -»Recht?" antwoordde Andries. »Nu ja, het knuppelrecht zal daar al -spoedig alleen gelden. De priesters, de Iersche officieren en al de -Papisten, die buiten 's lands soldaat zijn geweest, omdat zij niet -langer te huis durfden blijven, die zwerven thans talrijk genoeg -door geheel Northumberland. De kraaien komen altijd daar bijeen, waar -zij aas rieken. Gij moogt mij gelooven, de oude ridder Osbaldistone -heeft zich ook al daarmede ingelaten. In het kasteel ziet men niets -anders dan geweren, pistolen, degens en dolken. Ik wed dat zijne -lieve zoontjes, die zelfs den duivel niet vreezen, er ook spoedig -bij zullen zijn. Neem het mij niet kwalijk, waarde Heer! Ik spreek, -zoo als ik denk." - -Deze verzekering van den tuinman herinnerde mij het vermoeden, -hetwelk ook in mij was opgerezen, dat namelijk de Jacobieten de eene -of andere wanhopige onderneming op het oog hadden. Ik had, daar ik -zeer goed gevoelde, dat het mij niet paste mijns ooms woorden en -daden te bespieden, elke gelegenheid, die zich voor mij aanbood om op -die teekenen van eenige bijzondere voorbereiding te letten, eerder -vermeden, dan daar partij van getrokken. Andries, die hieromtrent -niet zoo nauwgezet behoefde te zijn, had nauwkeuriger opgelet. De -nabijzijnde uitbarsting van oproerige bewegingen had hij met grond -vermoed.-- - -»Zij hebben de dienstboden en al wat tot het kasteel behoort, geregeld -gemonsterd," voegde hij er bij op geheimzinnigen toon. »Ik zou ook -gewapend zijn geworden. Maar onder zulke lieden te dienen--neen, -dan kennen zij Andries niet! Vechten wil ik, als ik er lust in heb, -doch niet voor de »hoer van Babel," en zeker niet voor zoo eene -in Engeland." - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIX. - - - Zie ginds! die grijze kerkhofsmuur, - Verweerd, gebrokkeld en gebogen, - Daarachter slaapt des dichters geest, - Des krijgsmans moed en menig minnend harte. - - Langhorne. - - -Nauwelijks waren wij in de eerste Schotsche grensplaats aangekomen, -of mijn gids ging heen tot een vriend en raadsman, om met hem te -overleggen, op welke wijze hij langs rechtmatigen weg het paard zijn -wettig eigendom zou kunnen noemen. Dat het dier thans nog niet zoo -geheel wettig in zijn bezit was, gevoelde hij zelf zeer goed. Bij -zijne terugkomst zag ik, tot mijn genoegen, uit zijne neerslachtige -blikken, dat hij zich in zijne hoop teleurgesteld vond. Zijn vriend, -jegens wien Andries zich misschien al te openhartig uitgelaten had, -was sedert eenigen tijd griffier van den vrederechter geworden. Deze -had hem verklaard, dat het paard in beslag genomen en tegen een -voedergeld van twaalf shillings Schotsch daags bewaard moest worden, -tot de vraag aangaande het recht van eigendom behoorlijk beslist zou -zijn. Zelfs werd de persoonlijke vrijheid van den tuinman bedreigd, -doch op zijn ootmoedig smeeken zag de griffier van dezen maatregel af -en schonk hem zelfs een klein, droezig, kreupel paardje, om hem tot -het voortzetten van zijne reis in staat te stellen. Doch daarvoor -moest mijn reisgenoot hem zijne aanspraak op Thorncliff's paard -geheel afstaan, terwijl de rechtsgeleerde schertsend opmerkte, dat -deze afstand geen offer was, daar hem toch ten laatste niet eens de -halster van het paard zou overblijven. Daarbij verried Andries, toen -ik het verhaal van al deze omstandigheden uitlokte, duidelijk zijne -bekommering en verlegenheid. Hij moest bekennen, dat rechtsgeleerden -overal rechtsgeleerden waren, en de Schotsche griffier geen haar -beter was dan de griffier Jobson. - -»Had men hem," zeide hij, »van rechtswege het paard ontnomen, dat -hij zich met zooveel gevaar had weten te verschaffen, en zoo die -afzetterij slechts door Engelschen gepleegd ware, zou hij niets te -zeggen hebben. Maar hij vond het ongehoord, dat de eene kraai de -andere de oogen uitpikte, en dat de eene eerlijke Schot den anderen -bedroog. Maar wat zal ik er van zeggen!" voegde hij er op droevigen -toon bij; »alles is in ons vaderland jammerlijk verbasterd sedert die -ongelukkige Unie!"--Aan deze gebeurtenis schreef Andries namelijk -elke verkeerdheid, elke verbastering toe, welke hij onder zijne -landslieden bespeurde, inzonderheid de veel grootere rekeningen -in de herbergen, de kleinere drankmaat en andere onaangenaamheden, -waarop hij mij onderweg opmerkzaam maakte. Onder deze omstandigheden -geloofde ik het mijne gedaan te hebben, toen ik mijn oom schreef, -hoe het paard naar Schotland en aldaar in handen der gerechtigheid, -of ten minste van de plaatsvervangers daarvan, gekomen was. Of de -vossenjagers in Northumberland het terugkregen, of de Schotsche -griffier het behouden heeft, behoort niet tot onze geschiedenis. Ik -heb het ook niet onderzocht. - -Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene -noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels -achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de -Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de -laatste tijden den naam van groote stad, die mijn gids, als door een -profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een -uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische -en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart -gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop -voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van -handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het -morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den -Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch -deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen -te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog -van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig -verdrag hun verleend. Glasgow's ligging begunstigde geenszins de -deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den -weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd, -dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds -gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich -thans schijnt te kunnen verheffen,--het was toch als hoofdplaats -in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en -gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen, -bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat -hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggende vruchtbare vlakte, -als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken -brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden -en allerlei voorwerpen. - -De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf -hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde, -ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid, -die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in -talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de -ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar -de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders--zelfs -onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool, -dolk en schild gewapend--met verbazing de voorwerpen van weelde -aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier -verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks -kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne -zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder -een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch -reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door -hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer -vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar -met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot -vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen. - -Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze -veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat -had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder -zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge, -steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk -was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat -men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen -waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden. - -Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad -binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen, -die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij -stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend -ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne -navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke -poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids -verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie, -Mac-Fin en Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou -te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op -Zondag betaamt te zijn. - -Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich -gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond -uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in -de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met -de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was, -dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om -iets omtrent Owen te vernemen dan omdat ik bijzonder veel stichting -verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer -Ephraim Mac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk -zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was, -daarheen moest medegenomen hebben. - -Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik -zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte -drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den -beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij -den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige -kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk -van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer -fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is -over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij -hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt, -in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk -getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de -kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den -buitenkant met aandacht te beschouwen. - -Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van -den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan -den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna -onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om -de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan -gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte, -die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op -het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig -gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is -ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsen -bekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast -elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld, -gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude -Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der -vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen; -de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche -geven; de wijde vlakte, welke zij dekken--alles herinnerde mij die rol -van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was, -en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee! - -Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met -al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch -men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien -het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk -Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland, -die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries, -die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw -op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem -bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het -lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.--»Ja," zeide -hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen, -geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw -vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende -buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna -zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas, -Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men -wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere -lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit, -alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien -morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen, -en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon -vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene -sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen -luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen, -en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen, -dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit -liefde voor de Papisterij--neen, dat kan niemand Glasgow's burgers -nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden -der zoogenaamde Heiligen--God behoede er ons voor!--er uit zouden -gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen, -gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En -de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat, -wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen -was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen -dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had, -de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij -alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja, -ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet, -dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig -Godshuis in Schotland." - -En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XX. - - - ...... Mijn ziel ontroert, - Van schrik verbijsterd. - Want graven zie 'k en lijkgesteenten, - Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed. - - De treurende Bruid. - - -Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik -bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het -gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het -omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra -de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was, -zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in -het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen, -die, op een afstand, in eene enkele harmonie samenvloeiden, vrij van de -ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende -met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude -pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche -natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep, -scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine -vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In -Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien -toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden -konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel -flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier -werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar -bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig -opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur.... - -»Kom, mijnheer, kom toch!" riep de ongeduldige Andries mij toe en trok -mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden, -veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan, -dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder -kerktijd, naar de wacht gebracht te worden." - -Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik -gemeend had, naar de hoofddeur.--»Hierheen! hierheen!" riep hij, -mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat, -alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer -verkondigd." - -En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist -wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een -grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche -kerk--om welke reden is mij onbekend,--werd eene zonderlinge -godsdienstoefening gehouden. - -Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats -gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter -gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken -voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten, -maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons -rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen -in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden -ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid -vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was -als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden -uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd -door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar -gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien -meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken -af te wijken, dan om eenige andere reden. - -Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke -godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden, -de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden -dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de -mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar -het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist -uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik -in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening, -en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten, -vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde. - -Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries -en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren -gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom -de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de -vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch -venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne -gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van -hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna -allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene -moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte, -of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder -door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der -Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden -daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstiger bij hunne -godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid -staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven. - -De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende -gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is -waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte -en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer -duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede -begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger, -vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte, -die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare, -zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken -godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke -bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid, -om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of -ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender -zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den -braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de -uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer -door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid -van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen -boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven -die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor -elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen. - -Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene -gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: "de prediking -van den apostel Paulus te Athene" herinnerden. Hier zat een ijverig, -verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht -verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar -gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de -zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl -de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand -aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo -tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog -fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die -aan 's predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde -over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken -werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde, -en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een -en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn -hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor -geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden -gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op -lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij -ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden -meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring -der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en -dan bescheiden in de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid -niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest -betreft--sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen, -de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was -om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die -naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot -aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door -hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht der Laaglanders, -uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig -Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn -zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende, -terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt -geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden -zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders -niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat -er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden. - -Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters -heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen, -zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene -flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister -lag en zich eindeloos scheen uit te strekken. - -Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den -leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor -echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht -geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig -herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de -scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden -dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo -terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren -achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in -die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier -geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar -te vestigen. - -Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn -vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit -eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet -kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik -aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze -herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij -zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht -ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van -Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend -aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een -elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even -weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik -zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun -uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te -vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen, -noch onder de mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets -ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de -stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde -mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen -alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht -bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten -en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als -op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het -eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat -ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen -der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert -het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte -woorden vrij knorrig toegefluisterd had, keerde hij zich weder -naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden, -scherpbeoordeelenden toehoorder aan. - -Ik moest van den nood eene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid -weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge -gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij -fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad -in gevaar!" - -Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden -stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de -kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp, -overtuigde mij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde -reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer -opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden -mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon -den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne -oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze -plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen -mocht,--dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte -en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat -men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend -op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen, -zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste -maal niet goed gehoord of begrepen had. - -Het gelukte. Nauwelijks had ik mijne oogen op den leeraar gevestigd, -of dezelfde stem fluisterde mij toe: »hoor naar mij, maar zie niet -om."--Ik keek onafgewend naar den preekstoel.--»Gij zijt in deze -stad in gevaar," vervolgde dezelfde stem, »en ik zelf ook. Kom heden -nacht precies te twaalf ure op de groote brug: ik zal er zijn. Blijf -overigens te huis tot het donker is en vermijd de spionnen." - -De stem zweeg en ik keerde mij terstond om. Maar nog veel sneller had -de waarschuwer zich achter den pilaar verborgen. Vast besloten om hem, -zoo het slechts mogelijk ware, te zien, drong ik mij uit den kring der -toehoorders, en spoedde mij om achter den pilaar te komen. Ik vond -niemand, maar ik zag een eind verder eene in een mantel gewikkelde -gestalte onder die sombere gewelven. Onwillekeurig wilde ik den -geheimzinnige volgen, die als een spook in den donkeren achtergrond -verdween. Weinig hoop had ik, om den onbekende, die blijkbaar niet -ontdekt wilde zijn, te vinden. En deze weinige hoop verdween geheel, -toen ik, nauwelijks drie schreden van dien pilaar, struikelde en -viel. Gelukkig belette de duisternis, die mijn val veroorzaakt had, -dat men mij zag vallen; want reeds had de leeraar--men was zeer streng -in het handhaven der orde, gedurende de godsdienstoefening--zijne rede -afgebroken en den opziener met luide stemme gelast den rustverstoorder -in hechtenis te nemen. Maar daar het gedruisch niet herhaald werd, -volgde er ook geen streng onderzoek. Ik kon onopgemerkt mijne plaats -naast den tuinman hernemen. - -Zoodra de godsdienstoefening geëindigd was en de vergadering uiteen -ging, wees Andries mij den Heer Mac-Vittie en diens vrouw en dochter -benevens den Heer Thomas Mac-Fin, die met juffrouw Mac-Vittie verloofd -was. Hij deed er, zoo als Andries er met nadruk bijvoegde, eene zeer -goede partij aan. Mac-Vittie was een reeds bejaard man, met scherpe -gelaatstrekken, borstelige wenkbrauwen, licht grijze oogen, met één -woord, met een zoo afstootend voorkomen, dat ik er van schrikte. Ik -herinnerde mij de waarschuwing van den onbekende en draalde met den man -aan te spreken, ofschoon ik voor mij zelven eigenlijk niet zeggen kon, -wat mij zooveel afkeer en argwaan inboezemde. Andries, die mijn dralen -voor blooheid hield, vermaande mij onbeschroomd te zijn. »Spreek hem -aan," herhaalde hij telkens; »waarom zijt gij bevreesd? Hij is nog -geen burgemeester, maar aanstaande jaar zal hij het, naar men zegt, -zeker worden. Hij zal u wel vriendelijk antwoorden, als gij maar geen -geld van hem hebben moet. Hij is schatrijk, maar ongaarne haalt hij -zijn beurs uit--zeggen de lui." - -Als de koopman wezenlijk zoo gierig is--dacht ik--als Andries beweert, -dan dien ik voorzichtig te zijn, want ik weet niet hoe de rekening -tusschen hem en mijn vader staat.... Die overweging versterkte den -indruk van den geheimzinnigen wenk, dien ik ontvangen had, en ook -den afkeer, door 's mans gelaatstrekken in mij gewekt. Ik besloot -mij niet terstond tot hem te wenden, zoo als eerst mijn voornemen -was geweest. Ik gelastte mijn gids, aan het huis van Mac-Vittie -naar Owen te vragen, maar zorgvuldig te verzwijgen, van wien hij die -boodschap had, en mij dan in onze herberg antwoord te brengen. Andries -beloofde het. Maar hij sprak tevens van mijn plicht, om ook den -avondgodsdienst bij te wonen. En hij voegde er, met de hem zoo eigen -bijtende spotternij bij: »Ja, als de menschen niet bedaard blijven -staan, maar op de grafsteenen ronddrentelen alsof zij de dooden wilden -wekten, ja, dan hooren ze beter in een kroeg dan in een kerk...." - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXI. - - - In 't middernacht'lijk uur op de Rialto, - Volbreng ik, peinzende mijn avondgang ... - Daar dan ontmoeten wij elkander ... - - Venetië gered. - - -Een angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende -reden er voor geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg -op. Want mijn geleider, die er op aandrong, dat ik met hem de -St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig geestelijke zou -prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn -toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig -was ik niet, maar ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden -toestand al de hulpmiddelen van zijn verstand vruchteloos uitgeput -heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid kan worden om -zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan -geheel aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in -hem opkomen en hem, ondanks zich zelven, medesleepen. Er lag iets -zoo zonderling terugstootends in de onaangename gelaatstrekken van -den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem te -vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer, die als een vluchtig -spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen" -zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die, -zoo als gij u wel zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in -de omgeving paste. - -Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er -slechts één weg om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te -ontwijken. Ik moest dan mijn onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien -ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht veronderstellen. Ik -dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne reis -was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat -hij reeds van mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon -zijn, een aanslag tegen mij te wagen. Het ontbrak mij dan ook niet -aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht, en had mij, -even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel -geoefend. Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die -dagen zeldzaam. Ook was de opgegeven plaats van bijeenkomst te open, -om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden. Kortom, ik besloot -mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door -de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen, -waarde Tresham, wat ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te -verbergen--de onderdrukte, heimelijk gevoede hoop, dat Diana Vernon, -ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke middelen, bij de -zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke -verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest -hebben. Haar alleen--fluisterde de bedriegelijke hoop mij in--haar -alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare eigen bekentenis, -vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven, -dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus -dan Diana, bezat de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren -af te wenden, die, naar het scheen, mij op den voet volgden. Deze -vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan mij op. In het -eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd -vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik -mijn sober maal nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien -eenige glazen goeden rooden wijn haar aanwakkerden, was het denkbeeld -»Diana roept u" zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een -bedriegelijke verleidster te ontsnappen, welker gevaarlijken invloed -ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof en mij naar buiten -spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging--hoe -welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat -gij twijfeldet--bewerkte juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken -moest. Want onwillekeurig nam ik mijn weg naar de brug over de Clyde, -waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij te zullen ontmoeten. - -Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en -namiddagspredikatie, om den Sabbath niet te schenden, volstrekt -geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom had ik mijn -middagmaal eerst na het eindigen van de namiddagsgodsdienstoefening -gehouden en aldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan -schemeravond te huis te blijven, in acht genomen. Toch moesten nog -verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd van onze bijeenkomst -daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik kan u -bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den -oostelijken oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide, -die zoowel tot bleekveld als tot wandelplaats diende, talrijke -groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers, terwijl anderen -met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en -oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden, -aan de heiligheid van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen -indruk. Al was ook de vrome stemming bij sommigen slechts eene -onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen masker, -bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron, -uit het hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan, -ik hoorde nooit meer dan één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer -weinigen kwamen terug om nog eenige minuten te wandelen. Hoe ook het -schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch op dezen dag -van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden -zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten's lands, -zelfs onder de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt, -moet zeker iets Joods, maar tevens iets bijzonder treffends vinden in -deze wijze van den Sabbath te vieren. Terwijl ik zoo langs den oever -heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts keerden, -tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot -een voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen -maken kon. Ik koos dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij -in zekeren zin een afleiding, al wandelende er op te letten, om de -aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der vlakte, -welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij -dicht bezet zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk. - -Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne -verrassing de scherpe stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het -besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid een weinig luider sprak, -dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten. Er -bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die -wijze de lastige praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van -mijn reisgenoot te ontgaan, niets anders over dan mij schielijk -achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een man met een -ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok, -een neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel -bestond. Ik hoorde--mijne eigen karakterbeschrijving. Weliswaar, -mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur, die beleedigend was, -maar innerlijk moest ik bekennen--dat de schets gelijkend was. - -»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan," zeide Andries tot zijn -geleider, »zoo is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan -verstand. Hij beseft wel zoo wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam -is in elk geval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder -vergeten. Dat komt voornamelijk daar van daan, dat hij zich altijd -met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem het hoofd geheel op -hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling -aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een -kale rots, waarvan eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan -de weligste moestuin. Ook babbelt hij veel liever met een zeker -halfgek meisje, Diana Vernon--ja, men moest haar liever Diana van -Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin--wat -zeg ik, beter, zij is veel erger, want zij is eene Papiste!--Ja, -met die, of met andere ledigloopers, loopt en babbelt hij veel -liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige -lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut -zou kunnen zijn. Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem -spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat niets. Alles is wildzang bij -hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt u? Onlangs had -hij de onbeschaamdheid om te zeggen--die arme verblinde zondaar!--dat -Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist -een rijmelaar geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!" - -Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard -en letterkundige bezigheden, dacht ik in mijn rechtmatigen toorn -den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste, met eene voelbare -antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden, -zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!" eenige opmerkzaamheid blijken, -tot hij eindelijk eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik -slechts uit de antwoorden van mijn reisgenoot kon gissen.--»Wat! Ik -zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan moest Andries -gek zijn! Hij vliegt op als buskruit," en »Ik zou geduld met hem -hebben? Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens, -de jongen is niet kwaad: hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op -hem past. Het goud loopt hem tusschen de vingers door als water. Ja, -wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken heeft, die -is er zoo slecht niet aan toe." - -Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn -metgezel verwijderde. De opwelling van mijn misnoegen bedaarde -spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen ongelijk zou hebben, als -hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne eigen -schande." Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf, -zooals dit in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich -wel degelijk op voorbereiden, om ongenadig gehavend te worden. Als -ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn beoordeelaar misschien -nog zeer tevreden zijn. - -Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het -mij voor eenige oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De -nacht begon intusschen te vallen, en de langzamerhand toenemende -duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere tint over de breede, -stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg en hier -en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte -oude brug over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij -aan de brug uit het sprookje, die in Mirza's droomgezicht over het dal -van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als de rivier waaruit zij zich -verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water verslonden, -dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht -werd het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een -schemerend licht, als kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na -den dag des Heeren plichtmatig door het bijwonen van den openbaren -godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken gevierd te -hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat -de Presbyterianen zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men -ook den hoefslag van een paard, dat dezen of genen landman, die den -Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn dorpje terugvoerde. Van -lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer. Ze hielden -weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der -rivier, en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den -klokslag afgebroken, die van den kerktoren helder door de stilte klonk. - -Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid, -waarin ik mij bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk -bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg ik mij zelven af, of de laffe grap -van een gek, of de sluwheid van een schelm, of het overlegde plan van -een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid -en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der -hoofdkerk twaalf ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten -slag verdwenen, of eene menschelijke gedaante, de eerste, welke ik -sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken oever de brug -over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het -gevolg dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne -gespannen verwachting mijne bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik den -onbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte -en vrij gezet was. Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde -mijne schreden en bleef, toen ik nabij hem was, bijna stilstaan, -in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag mij zeer -onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets -te zeggen. Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst -aan te spreken. Ofschoon hij op het tot onze bijeenkomst bepaald -uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn. Hij ging mij -voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen -zou. De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar -staan, keek om, keerde terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep, -dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd zou kunnen vinden, als ware -hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag te spreken, -voordat hij aangesproken wordt. - -»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!" sprak ik, toen hij bij mij stond. - -»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer -Osbaldistone!" - -»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone -uur te ontmoeten?" - -»Die ben ik!" hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen -waarom." - -»Voor dat ik u volg," hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend -zijn." - -»Ik ben een mensch," was het antwoord; »en mijn doel is goed." - -»Een mensch?" herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort." - -»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft," antwoordde -de onbekende. »Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is, -is ten minste nog altijd een mensch. En zelfs wie al dat genoemde -bezit, wat is die dan meer?" - -»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw -persoon, dan dat een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen." - -»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt -gij mij volgen. Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te -erlangen welke ik u wensch te verstrekken, welnu, dan moet gij dit -zelf weten." - -»Kunt gij mij die hier niet geven?" vroeg ik. - -»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door -middel van mijn mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die -belangrijke mededeelingen aangaande het bericht, dat ik u wil geven." - -Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs, -ja iets min of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een -onbepaald vertrouwen in te boezemen. - -»Wat vreest gij dan toch?" vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw -leven van zooveel belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?" - -»Ik vrees niets," antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins -haastig. »Welaan, vooruit maar, ik volg u." - -Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en -slopen als spoken door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht -der maan de hooge, sombere voorgevels der huizen met hunne sieraden, -nog hooger en somberder schenen. - -Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt -gij bevreesd?" - -»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?" - -»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand, -en wel op eene plaats, waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt." - -»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend." - -»En ik ben integendeel niet gewapend," antwoordde mijn geleider. »Maar -dat doet er niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan -kracht tot tegenweer. Gij verzekert mij, dat gij niets vreest. Maar -zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het u, geloof ik, -wel eenigszins anders om het hart worden." - -»En waarom dat?" vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u." - -»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die -het zou kunnen hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam -men in deze eenzame straten slechts fluisterend behoeft te noemen, -om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?--bij een man, -door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun -fortuin zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te -pakken?--bij een man, wiens gevangenneming een even welkome boodschap -in Edinburg zou zijn, als ooit een gewonnen slag in Vlaanderen zou -kunnen wezen?" - -»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?" vroeg ik. - -»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij -herkende, een ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk -mijn lot zouden worden." - -Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo -nauwkeurig kon opnemen, als in de schemering mogelijk was, terwijl -ik mij tevens tegen elken plotselingen aanval nu veilig achtte.--»Gij -hebt òf te veel òf te weinig gezegd!" antwoordde ik. »Te veel, dan dat -ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent, -dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt; -te weinig, zoo gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten -onrechte geschiedt." - -Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week -onwillekeurig terug en legde de hand aan mijn degen. - -»Wat is dat?" zeide hij; »tegen een weerlooze, tegen uw vriend?" - -»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit -gesproken, uwe woorden en uw gedrag geven mij alleszins recht, om -aan beide te twijfelen. - -»Dat noem ik moedig gesproken!" hernam mijn geleider. »Ik heb achting -voor den man, wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd -te verdedigen. Dus zonder omwegen, mijn vriend! Ik breng u naar -de gevangenis." - -»Naar de gevangenis?" riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke -misdaad? Mijn leven eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle -pogingen en volg geen stap verder!" - -»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als -gevangene!" antwoordde hij, en voegde er op fieren toon bij: »ik -ben geen gerechtsdienaar--waarvoor ziet gij mij aan? Neen, ik breng -u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult -vernemen, waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit -bezoek, geen gevaar, maar de mijne wel degelijk. Maar ik waag het -onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk geen gevaren, -en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer -kent dan zijn degen." - -Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden -voor een groot steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te -ontwaren, met ijzeren staven voorzien waren. - -»Wat zouden zij er niet om geven,"--zoo begon de onbekende weder, -wiens langzame uitspraak, wanneer hij in den toon van vertrouwelijk -gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats verried,--»wat zouden -de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven, als zij -hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder -Gods vrije lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het -zou hun toch luttel baten, al hadden zij mij ook van het hoofd tot -de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden, eer de morgen aanbrak, -eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.--Kom dan, wat draalt -gij toch?" - -Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een -droom scheen te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat--is -het? Wat Satan! Op dezen tijd?--Tegen alle orde...." - -De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder -insluimerde.--»Dugald, vriend Dugald!" zeide mijn geleider vrij luid -fluisterende: »hebt gij dan vergeten--ha num Gregarach?" - -»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!" was -het vlugge antwoord, en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich -spoedde om de deur te openen, terwijl mijn geleider en hij nog eenige -woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare taal, wisselden. De -grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die de -vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden -in het nauwe voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede -verdieping en een paar lage deuren naar vast gegrendelde vertrekken -leidden. De kale muren waren met boeien en andere, tot gruwzamer -doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden -en verdere oude wapentuigen prijkten. - -Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk -geheim, in eene der gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwam -mij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte -de zonderlinge omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het -door eigene schuld verdiend had, in hoogst onaangename aanraking -met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik was slechts als -vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXII. - - - Astolfo! mijn jongling, zie om u. Want hier is de plaats, - Waar menschen verhong'ren, uit armoê tot misslag gekomen. - Hier bluscht elke hoop hare lichten, verstikkend de laatste - der vonken - In smeulenden walm en smook, maar vóór die vonk gansch'lijk sterft, - Komt bittere wanhoop, krankzinnig door woeste vertwijfling, - Doet vlammen de aaklige fakkels van zelf-beschuldiging en rouwe - Dat hij zijn verstand en zijn ziele zoo diep in den afgrond - deed zinken... - Dit licht, dat is schriklijker nog dan het duister des kerkers. - - (De Gevangenis.) - - -Ik was nauwelijks binnengetreden, of vol levendige nieuwsgierigheid -zag ik naar mijn geleider. Maar de lamp in het voorportaal brandde zoo -flauw, dat ik zijne gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Het voor -mij veel minder belangrijke gelaat van den gevangenbewaarder, zag -ik daarentegen des te duidelijker bij het licht van de lamp, welke -hij in de hand hield. Hij was een kerel met een woest voorkomen, -wiens ordeloos loshangende roode haren zijne gelaatstrekken -overschaduwden. Maar treffend was in die trekken op dit oogenblik de -uitdrukking van vreugde bij den aanblik van mijnen geleider. Nooit -had ik iets ontmoet, dat mij zoo zeer herinnerde aan hetgeen ik vaak -gelezen had omtrent een ruwen, afzichtelijken wilde, die den afgod van -zijn stam aanbidt. Hij knarste met de tanden, hij beefde, hij lachte -en weende bijna, zoo hij niet werkelijk weende.--»Wat kan ik voor u -doen? Wat wilt gij dat ik voor u onderneem?" sprak uit elken trek, en -tevens eene angstvallige, slaafsche onderdanigheid uit elke spier van -zijn gelaat. »O! in welken langen tijd heb ik u niet gezien!" riep hij -daartusschen met eene van verrukking schier verstikte stem. Hij liet -er nog eenige andere korte uitroepingen in de onverstaanbare taal op -volgen, waarin hij met mijn geleider gesproken had, terwijl wij nog -altijd aan de deur der gevangenis stonden. Laatstgenoemde gedroeg -zich bij al deze ontboezemingen van vreugde, als een vorst, die te -zeer aan de hulde zijner onderdanen gewend is, om daardoor eenigszins -getroffen te zijn, maar ze met trotsche minzaamheid ontvangt. Hij -reikte den gevangenbewaarder met een genadig glimlachje de hand toe -en zeide vrij vriendelijk: »Hoe gaat het, Dugald?" - -»O, ik dank u, o!" riep Dugald, doch matigde tegelijk, terwijl -hij behoedzaam rondzag, den vrij luiden toon zijner stem. »O! u -hier te zien--hier te zien! ach, wat zou er van u worden, zoo de -gerechtsdienaars, die liederlijke schurken, er lucht van kregen!" - -Mijn geleider legde den vinger op den mond.--»Wees onbezorgd, Dugald: -mij zal uwe hand niet opsluiten." - -»Neen, neen! dat zal ze nooit!" riep Dugald uit. »Waarachtig -niet! Eer zou men haar--ja, eer liet ik haar afkappen tot aan den -elleboog toe! Maar wanneer gaat gij weder op reis?--Gij verstaat mij -wel? Daarheen? en zult gij het mij toch laten weten. Want ik ben toch -uw neef, al is het ook slechts in den zevenden graad." - -»Welzeker, ik zal het u laten weten, Dugald; ik zal het u laten weten, -zoodra ik mijne zaken behoorlijk geregeld heb." - -»Zoodra ik uw bericht ontvang--bij mijne zondige ziel!--al ware het -ook Zaterdagsnachts, ik smijt den hoofdschout de sleutels naar den -kop, eer ik ze nog ééns omdraai, ja, eer het Zondagmorgen wordt--ja, -dat zal ik!" - -De geheimzinnige vreemdeling matigde de verrukking van zijnen bekende -nog eenmaal en sprak hem in die vreemde taal aan,--later vernam ik, -dat het de oude Gaelische taal was--vermoedelijk om hem te zeggen, -wat hij van hem begeerde.--Met een: »van harte gaarne! o, van harte -gaarne!" betuigde de gevangenbewaarder, onduidelijk mompelende, -zijne bereidwilligheid. Hij draaide de bijna uitgedoofde lamp wat op -en gaf mij een wenk om hem te volgen. - -»Gaat gij niet met ons?" vroeg ik mijn geleider. - -»Neen! dat is niet noodig," antwoordde hij. »Mijne tegenwoordigheid -zou u zelfs lastig kunnen zijn. Beter dat ik hier blijf om den aftocht -te dekken." - -»Ik kan niet denken, dat gij mij in gevaar wilt brengen?" - -»Volstrekt niet.--Zoo dit het geval was, zou ik voor mij er ten -minste dubbel in deelen!" hernam de onbekende op een vasten toon, -die mij alle wantrouwen benam. - -Ik volgde den gevangenbewaarder. Hij liet het binnenpoortje achter -zich open, steeg een wenteltrap op, ging een nauwe gang door, en toen -hij eene van eene lange rij deuren geopend had, bracht hij mij in een -klein kamertje, waar hij de lamp op een houten tafeltje zette, op een -bed van stroo in een hoek wees en zachtkens zeide: »Het mensch slaapt!" - -»Wie?" vroeg ik; »wie?"--Plotseling rees in mij het denkbeeld op: -zou Diana Vernon zich in dit verblijf der ellende bevinden? - -Ik zag op het strooleger neer. Met eene gewaarwording, waarin -teleurgestelde verwachting met vreugde zich mengde, ontdekte ik, -dat mijn eerste vermoeden belachelijk was geweest. Ik zag een hoofd, -dat noch jong, noch schoon was, met een tamelijk langen baard en -eene roode nachtmuts. De eerste blik stelde mij omtrent Diana Vernon -gerust. Maar bij den tweeden, toen de gevangene uit een diepen slaap -ontwaakte en geeuwende zich de oogen wreef, ontdekte ik geheel andere -trekken--het was mijn vriend Owen. Ik trad een stap terug, om hem den -tijd te laten zich te herstellen, daar ik mij, bij geluk herinnerde, -dat ik slechts een vreemdeling in dit verblijf der ellende was, -en elk gerucht noodlottige gevolgen zou kunnen hebben. - -Owen had zich intusschen op zijn strooleger opgericht en zeide, -terwijl hij met de eene hand zijn nachtmuts verschoof en zich met de -andere over het gezicht streek, op vrij knorrigen toon en nog half -slaapdronken: »hoor eens, mijnheer Dugald, of hoe gij heeten moogt, -als gij mij weer zoo in mijne rust stoort, zal ik u bij den hoofdschout -moeten aanklagen." - -»Er is hier een heer, die met u spreken wil," antwoordde de -gevangenbewaarder op knorrig gebiedenden toon, die geheel anders -klonk, dan de gillende Hooglandsche vreugdetoon, waarmede hij mijn -geheimzinnigen geleider verwelkomd had. En met deze woorden verliet -hij ons. - -Het duurde eenige oogenblikken, voor dat ik den ongelukkigen slaper -in zoo verre kon doen ontwaken, dat hij mij herkende. Maar toen -mij dit gelukte, was ook de droefheid van den braven man, die in -het eerst veronderstelde, dat ik zijn medegevangene was geworden, -onbeschrijfelijk groot. - -»O, mijnheer Frans!" riep hij uit, »waartoe hebt gij u en ons huis -gebracht! Aan mij zelven denk ik niet eens.--Ik ben, zoo te zeggen, -niets meer dan eene nul in 't cijfer; maar gij waart uws vaders -hoofdsom: gij zoudt de eerste man in het eerste huis in de eerste van -alle steden kunnen zijn--en zit ge nu in een liederlijke Schotsche -gevangenis, waar men niet eens het stof van zijne kleederen kan -laten borstelen!" - -Dit zeggende, wreef hij, met zichtbaar misnoegen, den eens zoo -vlekkeloos bruinen rok, die thans door den morsigen grond besmet was, -met den arm af. Zijne gewone overdreven zindelijkheid droeg er nog -bij om zijn verdriet te verhoogen. - -»Ach, lieve hemel!" vervolgde hij, »hoe vreeselijk zal dat op de -beurs den kooplieden in de ooren klinken! Zoo iets is niet gehoord -sedert den slag van Almanza, toen het verlies der Britten op 5000 -dooden en gekwetsten, en een onbepaald aantal van vermisten geschat -werd.--Ja, wat beteekent dat, vergeleken bij de ontzettende tijding, -dat Osbaldistone en Tresham opgehouden hebben te betalen!" - -Hier brak ik zijn klaaglied af, om hem te zeggen, dat ik geen gevangene -was, maar ook niet wist hoe ik op zulk een uur in de gevangenis was -gekomen. Aan zijn nieuwsgierige vragen kon ik daardoor alleen een -einde maken, dat ik dringend naar zijne eigen omstandigheden vroeg, -en eindelijk zoo veel van hem vernam, als hij mij wist te zeggen. Wel -was zijn verhaal vrij duister, want hoe duidelijk, schrander en bondig -Owen ook over alles redeneerde, wat tot den handel betrekking had, -zoo verward en onverstaanbaar praatte hij over dingen, die buiten den -handelskring lagen. Zijne berichten verschaften mij echter meer licht, -dan ik tot hiertoe erlangd had. Onder de correspondenten van mijns -vaders kantoor in Glasgow, met welke stad hij, wegens zijn handel op -Schotland, vrij aanzienlijke zaken deed, had het huis Mac-Vittie, -Mac-Fin en Comp. zich steeds het dienstvaardigst betoond, bij elke -gelegenheid de ondubbelzinnigste bewijzen van inschikkelijkheid jegens -het Engelsche huis gegeven. Bij alle ondernemingen, had het zonder -te morren, de rol van den jakhals op zich genomen, die zich met de -overblijfselen vergenoegt, welke de leeuw hem overlaten wil. Hoe gering -ook het voordeel mocht zijn, dat men hun gunde, het was volgens hunne -betuiging nog altijd genoeg voor lieden van hun stand. Hoe veel moeite -en werkzaamheden hun ook ten deel vielen, zij verzekerden steeds, dat -zij levendig gevoelden niet genoeg te kunnen doen, om zich voortdurend -de bescherming en den goeden dunk van hunne hooggeachte Londensche -vrienden waardig te maken. Mijns vaders orders waren voor de heeren -Mac-Vittie, Mac-Fin en Comp. wetten der Perzen en Meden, die niet -veranderd, niet vernieuwd, zelfs niet eens opgehelderd mochten worden, -en de overdreven nauwkeurigheid, waarop Owen in handelszaken gesteld -was, scheen hun niet minder heilig te zijn. Dezen toon van diepen -eerbied hield Owen voor echte munt. Maar mijn vader, die een weinig -dieper in het menschelijke hart zag, en òf omtrent die bovenmatige -inschikkelijkheid argwaan koesterde, of, als een vriend van het -korte en eenvoudige in handelszaken, de langwijlige betuigingen van -onbegrensde hoogachting dier heeren hartelijk moede was, had het -verzoek van dit kantoor te Glasgow, om zijn eenige hoofdcorrespondent -in Schotland te zijn, stellig geweigerd. Integendeel, hij liet vele -zaken door een ander kantoor aldaar verrichten. Aan het hoofd daarvan -stond een man van geheel anderen aard. Hij was den Engelschen over -het algemeen even ongenegen als mijn vader den Schotten. Hij wilde -slechts op een voet van volkomen gelijkheid zaken doen. Daarenboven -was hij jaloersch, bij sommige gelegenheden ook twistziek, en even -halsstarrig aan zijne gevoelens omtrent formaliteiten gehecht, -als Owen. Bovendien was het hem volkomen onverschillig, of alle -aanzienlijke Londensche kooplieden zijne gevoelens goed- of afkeurden. - -Het onhandelbare karakter van den heer Nikolaas Jarvie maakte hem -eigenlijk tot den handel niet zeer geschikt. Het was eigenlijk moeilijk -zaken met hem te doen. Er ontstonden dan ook niet zelden tusschen hem -en het Engelsche kantoor allerlei lastige twisten, die slechts alleen -uit besef van het wederzijdsche voordeel weder bijgelegd werden. Daar -Owen's eigenliefde bij de verklaringen, die daaruit ontstonden, soms -een weinig gekrenkt werd, was het geenszins te verwonderen, dat de -goede oude man zijn invloed steeds ten gunste van de zoo wellevende, -bescheidene en gedienstige heeren Mac-Vittie en Mac-Fin deed gelden, en -Jarvie als een trotschen, waanwijzen Schotschen handelaar afschilderde, -met wien volstrekt geen land te bezeilen was. - -Onder deze omstandigheden, welke ik eerst later nauwkeuriger vernam, -was het alleszins natuurlijk, dat Owen, in den neteligen toestand -waarin het kantoor na mijns vaders afwezigheid en bij Rashleigh's -verdwijning geraakte, terstond na zijne komst in Glasgow, waar hij -twee dagen vóór mij aankwam, zijne toevlucht bij die correspondenten -zocht, welke zich jegens zijn patroon zoo dienstvaardig, dankbaar -en genegen betoond hadden. Bij zijn binnentreden in het kantoor -dezer heeren, werd hij schier met denzelfden eerbied ontvangen, -als een Katholiek aan zijn beschermheilige bewijst. Maar helaas! hoe -schielijk veranderde het tooneel, toen hij door deze allerminzaamste -ontvangst aangemoedigd en met de beste hoop bezield, aan de beiden -heeren den benarden toestand van het huis Osbaldistone en Tresham -openbaarde, en om raad en hulp verzocht. Mac-Vittie ontstelde hevig -op deze noodlottige tijding. Mac-Fin spoedde zich, voor dat Owen nog -uitgesproken had, om in het grootboek het aanzienlijke debet en credit -eens na te slaan, en uit te rekenen, aan wiens zijde het batig saldo -was. De balans helde, helaas! vrij aanmerkelijk ten nadeele van het -Engelsche huis over. Op het gelaat van den Schotschen correspondent, -dat, langzaam bleek geworden, eerst onrustigen twijfel verried, -verspreidde zich nu eene sombere norschheid. Owen's dringend verzoek -om ondersteuning en hulp, beantwoordden de heeren met den eisch van -een spoedigen borgtocht tegen het dreigend verlies. Zij verlangden -eindelijk met vrij scherpe woorden, dat hun daartoe zekere som gelds, -die een andere bestemming had, als onderpand zou gegeven worden. Met -verontwaardiging weigerde Owen aan dezen eisch te voldoen. Dit was, -zeide hij, even onteerend voor zijn kantoor, als onrechtvaardig -ten opzichte van de andere crediteuren. Ja, hij zou het als een -bewijs van ondankbaarheid moeten beschouwen van hen, die zulk een -onteerenden eisch stelden. Mac-Vittie en Mac-Fin hadden, wat lieden -die ongelijk hebben steeds welkom is, gedurende deze niet zeer -vriendelijke woordenwisseling eene goede gelegenheid, om in hevigen -toorn te geraken. Onder het voorwendsel, dat men hen getergd had, -konden zij maatregelen nemen, die, zoo niet gemoedelijkheid, dan het -besef van welvoegelijkheid hun anders zou hebben verboden. - -Owen had, wat wel meermalen het geval is, een klein aandeel aan de -onderneming van het kantoor, welks eerste boekhouder hij was. Hij -moest dus voor de verplichtingen ervan mede persoonlijk borg -blijven. Mac-Vittie en Mac-Fin wisten dit. Om hem hunne macht te -doen gevoelen, en hem tevens tot de voor hen voordeelige maatregelen, -waartegen hij zich zoo stellig verzette, te dwingen, lieten zij hem in -hechtenis nemen, wat de Schotsche wetten den schuldeischer vergunnen, -die een eed aflegt, dat zijn schuldenaar voornemens is het land te -verlaten. Uit kracht van dit recht, dat tot vele misbruiken aanleiding -geeft, had Owen, vóór dat ik zoo geheimzinnig in zijn kerker werd -gebracht, zijne vrijheid verloren. - -»Wat nu te doen?" vroeg ik mij zelven, toen ik van den neteligen staat -der zaken onderricht was. Ik zag de gevaren, waardoor wij omringd -waren, doch des te moeielijker was het, hulpmiddelen te vinden. De -waarschuwing, die ik ontvangen had, scheen aan te duiden, dat mijne -persoonlijke vrijheid gevaar kon loopen, als ik mij openlijk voor Owen -in de bres wilde stellen. Owen koesterde dezelfde vrees, en in zijne -bezorgdheid voor mij niet minder overdreven dan in zijne stiptheid in -den handel, verzekerde hij mij, dat een Schot, eer hij een enkelen -duit aan een Engelschman zou willen verliezen, wel recht zou weten -te vinden, om zelfs zijn schuldenaars vrouw, kinderen en dienstboden -in hechtenis te doen nemen. De wetten tegen schuldenaars zijn in -de meeste landen zoo onbarmhartig streng, dat ik hetgeen hij zeide -niet geheel en al in den wind kon slaan. Mijne gevangenneming zou, -onder de toenmalige omstandigheden, aan de belangen van mijn vader -den doodsteek gegeven hebben. In deze benardheid vroeg ik mijn ouden -vriend, of hij zich ook niet tot mijns vaders tweeden correspondent, -Nikolaas Jarvie, vervoegd had? - -»Ik heb hem heden geschreven," antwoordde Owen; »maar nu die wellevende -en dienstvaardige heeren Mac-Vittie en Mac-Fin in Gallowgate ons reeds -zoo ondankbaar behandeld hebben, kunnen wij ons waarlijk niet veel -van dien ongelikten beer op de Zoutmarkt beloven.--Even goed zoudt -gij van een makelaar kunnen begeeren, dat hij zijne courtage liet -varen, als van dien man een dienst te verwachten, zoo lang hij niet -verzekerd is, een driedubbelen dienst van u te zullen erlangen. Mijn -brief, die hem toch heden, toen hij naar de kerk ging, terstond ter -hand is gesteld, heeft hij niet eens beantwoord. O, mijn ongelukkige -patroon!" vervolgde de troostelooze boekhouder en wierp zich op -zijn stroozak. »Mijn waarde, goede patroon! O, Frans, Frans! dat -komt van uwe eigenzinnigheid! God vergeve het mij, dat ik het u in -uwe tegenwoordige omstandigheden zeg! Maar, hoe het ook zijn moge: -de Heere heeft het zoo beschikt; de zondaar moet zich aan 's Heeren -wil onderwerpen." - -Ik deelde innig in de smart van den braven ouden man. Ik was -aangedaan. Ik schreide en de tranen die ik weende, brandden mij des -te smartelijker, daar ik mijne koppigheid jegens mijn vader, welke -de goedhartige Owen mij niet wilde verwijten, als de eenige oorzaak -van al dezen jammer en ellende moest beschouwen. - -Terwijl wij ons zwijgende in onze treurige gedachten verdiepten, -werden wij plotseling door een vrij sterk kloppen op de groote poort -der gevangenis in onze mijmering gestoord. Terstond begaf ik mij -naar de wenteltrap, om te luisteren, maar ik kon volstrekt niets -dan de stem van den gevangenbewaarder hooren, die afwisselend luide -sprak tegen iemand, die buiten stond, en zacht met den man, die mij -herwaarts had geleid.--»Ik kom, ik kom!" riep hij en fluisterde dan -weder: »o, mijn hemel! wat zal daarvan worden? Spoed u en verberg u -achter de krib van den gevangene.--Ja, ja, ik kom immers al--het is -de schout en de raadsheeren met eenige gerechtsdienaars. Daar komt de -kommandant ook de trap af. De hemel neme ons in zijne hoede! Ga toch, -ga toch, of hij ziet u! Nu, ik kom--de grendel is zoo verroest." - -Terwijl Dugald, zóó langzaam als hem slechts mogelijk was, de sloten -opende en de grendels wegschoof, om de aankloppenden, wier ongeduld -al grooter werd, binnen te laten, snelde mijn geleider de wenteltrap -op en in Owens kamer, werwaarts ik hem volgde. Schielijk zag hij in -het rond, als wilde hij eene plaats zoeken, waar hij zich zou kunnen -verbergen. Daarbij riep hij mij toe: »Leen mij uw pistool!--Doch neen, -ik zal mij wel redden. Wat gij hier ook zien moogt, bekommer u om -niets en bemoei u volstrekt niet met eens anders twisten. Laat alles -aan mij over: ik moet alles zelf klaar spelen. Ik heb wel erger in -de klem gezeten dan nu!" - -Dit zeggende wierp de onbekende zijn zwaren mantel af, plaatste zich -tegenover de deur, waarop hij zijn starend oog vestigde, en trad toen -een paar schreden terug, om zijne krachten te verzamelen, als een -moedig paard, dat over een slagboom springen zal. Zonder twijfel was -hij voornemens bij het openen van de deur, de binnentredenden op het -lijf te vallen, en zich, allen tegenstand trotseerende, een weg naar -buiten te banen. In zijne gestalte vertoonde zich zoo veel kracht en -behendigheid, en in zijn geheel voorkomen straalde zooveel vastberaden -moed door, dat ik hem in mijne gedachte reeds als overwinnaar zag, -zoo zijne tegenpartij zich niet met de wapens tegen hem verzette. - -Na eenige oogenblikken van angstige verwachting ging de deur open. Maar -er verscheen--geene wacht met snaphanen en bajonetten, geene bende -gerechtsdienaars met hellebaarden en knuppels, maar een heel aardig -meisje, in een wollen, opgeschort rokje, en met eene lantaren in -de hand. Haar volgde eene gestalte, welke men reeds op het eerste -gezicht voor een persoon van meer gewicht moest houden: een klein, -vrij gezet man, met eene tamelijk groote pruik, en, zoo als het -alras bleek, een lid der stedelijke regeering. Hij kwam binnen, -half grommend en brommend en bijna buiten adem. Mijn geleider trad -bij het binnenkomen van dezen man terug, alsof hij zich aan diens -gezicht wilde onttrekken. Doch aan den doordringenden blik, waarmede -het regeeringslid de gansche kamer overzag, kon hij niet ontsnappen. - -»Zoo, zoo, dat is hier eene lieve gewoonte, kapitein Stanchell!" zeide -hij tot den kommandant der gevangenis, die zich thans in deemoedige -houding aan de deur vertoonde; »een half uur heb ik aan de poort -moeten wachten, hoewel ik zoo hard geklopt heb om in de gevangenis -te komen, als menigeen doen zou om er uit te komen. En wat moet dit -beteekenen? Bezoek hier, na sluitenstijd? Dat zal onderzocht worden, -Kapitein Stanchells, daarop kunt gij staat maken! Sluit de deur, ik -heb met deze heeren een woordje te spreken. Maar eerst met mijn ouden -bekende. Welnu mijnheer Owen, mijnheer Owen! hoe gaat het u, vriend?" - -»Ja, ja, ik dank u mijnheer Jarvie, met de gezondheid zoo tamelijk; -maar naar den geest zeer bedrukt en terneergeslagen." - -»Dat zal wel zoo zijn, dat heeft ook zijne reden. Het is inderdaad eene -verschrikkelijke historie--het is wat te zeggen man; en vooral voor -iemand, die het hoofd zoo hoog droeg. Zwakke menschenkinderen! Zwakke -menschenkinderen! Ja, ja, tot een val kunnen wij allen -komen. Osbaldistone is een braaf, eerlijk man. Maar ik heb altijd -gezegd, hij behoort tot die menschen, die het spreekwoord bevestigen: -»hoogmoed komt voor den val!" En daarom zeide mijn overleden vader, -de oud-ouderling, zoo dikwijls tegen mij: »Nikolaas--Nikolaas," zeide -hij, hij heette Nikolaas, even als ik--»Nikolaas, jongen vlieg vooral -niet hooger dan uwe wieken u kunnen dragen. Strek uw arm nooit zoo ver -uit, dat gij hem niet gemakkelijk terug kunt trekken." En datzelfde -heb ik den heer Osbaldistone menigmaal gezegd; maar hij scheen er geen -ooren voor te hebben. Ja, hij nam het zelfs niet eens vriendelijk op, -ofschoon het van mijn kant welgemeend was--ja, welgemeend!" - -Bemoedigend was die toespraak niet. Zij werd met eene bijzondere -vlugheid van tong, en bij de herinnering aan zijne waarschuwingen en -voorspellingen met zichtbaar zelfbehagen voorgedragen en gaf ons luttel -hoop, om van Jarvie eenige hulp te erlangen. Maar spoedig bleek het, -dat niet zoo zeer gebrek aan welwillendheid, dan wel aan kieschheid hem -deze harde woorden deed spreken. Toen Owen zijne gevoeligheid daarover -te kennen gaf, dat men hem in zijn ongelukkigen toestand dergelijke -dingen herinnerde, vatte Jarvie hem bij de hand en zeide op gullen, -vertrouwen inboezemenden toon: »Wees goeds moeds! Denkt gij dan, -dat ik te middernacht herwaarts gekomen ben en bijna den Sabbath zou -geschonden hebben, om een gevallen medemensen zijn val te verwijten -en hem zijne misstappen onder den neus te wrijven? Neen, dat doet -Nikolaas Jarvie niet. Zoo handelde ook nooit zijn overleden vader, -die brave, nu godzalige, man! Luister eens vriend, het is bij mij een -stalen regel, op den Sabbath nooit aan wereldsche zaken of bezigheden -te denken. Ik heb mij alle mogelijke moeite gegeven, om mij uw brief, -dien ik heden morgen ontving, uit het hoofd te zetten. Toch heb ik -er den ganschen dag meer aan gedacht dan aan de preek, die ik in de -kerk gehoord heb. Verder is het bij mij een niet minder vaste regel -precies te tien ure in mijn bed met de gele gordijnen te stappen, -tenzij ik eens een schelvischje met een buurman eet, of een buurman -bij mij soupeert. Vraag het maar dat meisje daar, of dat mijne gewone -manier van doen niet is. En denk nu eens, daar heb ik te huis gezeten -met een stichtelijk boek in de hand en intusschen geluisterd en naar -buiten gezien, en weer geluisterd, en weer naar buiten gezien, en -gegaapt, alsof ik den kerktoren wilde verslinden, tot het eindelijk -twaalf ure sloeg. Toen was het mij geoorloofd, mijn grootboek eens -in te zien, om te weten, hoe de zaken tusschen ons stonden. En toen -moest het meisje de lantaarn opsteken, en zoo begaf ik mij herwaarts, -om te overleggen, wat er in uwe zaak kon gedaan worden. Nicolaas -Jarvie kan als lid van den stedelijken raad, elk uur de gevangenis -bezoeken, en datzelfde voorrecht had ook mijn vader, die insgelijks -in zijn tijd lid van den stedelijken raad was. Die brave man--ach, -hij is nu dood, maar zijne nagedachtenis blijft eeuwig in eere." - -Een diepe zucht, welken Owen bij het noemen van het grootboek slaakte, -deed mij vermoeden en vreezen, dat het ook hier met de rekening -niet zeer voordeelig stond. Bovendien, de woorden van het achtbare -regeeringslid gaven zeer veel zelfbehagen en min of meer trotschheid -op het overwicht van zijn oordeel te kennen. Doch aan den anderen kant -spraken daaruit tevens eene gulheid en ongeveinsde goedhartigheid, -die mij weder met nieuwe hoop bezielden. Hij verlangde eenige papieren -te zien, welke hij opnoemde. Owen gaf ze hem; schielijk rukte hij ze -hem uit de hand, ging op den rand der krib zitten, om, zoo als hij -zeide, wat uit te rusten, liet zich door het meisje met de lantaren -bijlichten, en terwijl hij nu eens over het flauwe licht, dan weder -over het slechte, onleesbare schrift klaagde, las hij toch de papieren -met zeer veel ijver en aandacht door. - -Van dit gunstige oogenblik scheen mijn geleider partij te willen -trekken om te ontsnappen. Hij gaf mij een wenk om mij stil te houden, -en begon langzaam van plaats te veranderen. Zijn voornemen was -natuurlijk om onopgemerkt naar de deur te sluipen. Maar de waakzame -Jarvie,--geheel anders dan mijn vroegere kennis de vrederechter -Inglewood,--werd het oogenblikkelijk gewaar. Hij riep terstond: -»Kommandant Stanchells! pas op de deur! Toegesloten, zeg ik u. Buiten -wachthouden!" - -De onbekende fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik scheen hij op -gewelddadige middelen tot zijne bevrijding te denken. Maar eer hij -een besluit had genomen, was de voordeur gesloten en de zware grendel -daar voor geschoven. Hij mompelde een paar driftige woorden in zijne -moedertaal, deed eenige stappen heen en weder, ging toen, als ware -hij volkomen bereid om het gevolg af te wachten, met wrevelige -vastberadenheid op de eikenhouten tafel zitten en floot een liedje. - -Jarvie, die in handelszaken vrij vlug van bevatting scheen te zijn, -had den inhoud der papieren spoedig begrepen. - -»Ja, mijnheer Owen," zeide hij, »ik zie hoe de zaken staan. Uw -kantoor is aan dat van Mac-Vittie en Mac-Fin en Co. eene zekere -som schuldig. Waarachtig! zij moesten zich schamen, die zoogenaamde -wellevende en vriendelijke heeren! Immers, zij hebben zoo veel, ja -vrij wat meer, bij die negotie met het eikenhout uit de bosschen -van Clen-Cailziechat gewonnen, die zij mij door den neus hebben -geboord. Dat was toch voornamelijk door uw lieve voorspraak, mijnheer -Owen. Maar daarover zullen wij thans niet haspelen. Gedane zaken -hebben geen keer, placht mijn overleden vader Nicolaas Jarvie te -zeggen. Dus kort en goed, uw kantoor is hun die som schuldig, en -voor eene andere som, welke zij voor uwe firma overgenomen hebben, -heeft men u hier achter de traliën gezet. Gij zijt hun schuldig man, -en misschien ook nog wel iets aan iemand anders schuldig--misschien -nog wel iets aan mij." - -»Ik kan het niet ontkennen, mijnheer Jarvie," antwoordde Owen; »de -balans zou tegen ons kunnen zijn; maar bedenk toch...." - -»Hoor eens, mijn goede vriend, ik heb thans weinig tijd om te -bedenken. Het is nog zoo kort na den Sabbath en op een tijd van -de nacht, waarop iemand, als ik, zoo gaarne in zijn bed ligt! En -als men zich dan nog daarenboven aan de ongezonde nachtlucht moet -blootstellen--neen, dan is er geen tijd noch lust om zich lang te -bedenken! Maar, zoo als ik zeg, gij zijt mijn schuldenaar--dat is -niet te loochenen--gij zijt mijn schuldenaar; of de schuld groot of -klein is, zie, dat moet nader blijken. Maar mijnheer Owen, hoe knap -gij ook zijt, hoe volkomen gij u op den handel verstaat, de zaak, -waarvoor gij hier zijt gekomen, zult gij nooit in orde krijgen, als -gij hier in de gevangenis moet blijven. Derhalve, manlief, kunt gij -nu iemand vinden, die borg voor u wil spreken, dat gij het land niet -verlaten, maar voor ons gerecht verschijnen en alzoo behoorlijk uw -borg ontslaan zult--dat is dan, zoo als de rechtsgeleerden het noemen, -judicio sisti--zie, dan komt gij morgenochtend weder op vrije voeten." - -»Ach, mijnheer Jarvie! Was er maar een braaf mensch, die op deze wijs -borg voor mij wilde blijven, dan zou ik zeker mijne herkregen vrijheid -thans zeer nuttig kunnen besteden, niet alleen voor onze firma, maar -ook voor al de vrienden, met wie wij in handelsbetrekkingen staan." - -»Juist, dat geloof ik gaarne! En zulk een goed mensch zou dan ook -buiten twijfel zeker moeten zijn, dat gij op de eerste dagvaarding -behoorlijk verschijnen zoudt om hem van zijne op zich genomen -verplichting te ontheffen." - -»Zeer zeker zou ik dat doen, zoo zeker als tweemaal twee vier is, -wel te verstaan, met uitzondering van onverhoopt tusschenkomende -ziekte of dood." - -»Nu ja, dat spreekt van zelf. Hoor eens, mijnheer Owen, ik voed -volstrekt geen wantrouwen omtrent u. Dat zal ik u bewijzen--ja, -bewijzen zal ik het u! Ik ben een voorzichtig man, dat is bekend. Ik -schuw geen arbeid en laat het mij om mijn stukje brood zuur genoeg -worden, dat kan de gansche stad getuigen. Ik weet mijn geld te winnen, -mijn geld te tellen en mijn geld te bewaren, even goed als de beste -financier van geheel Glasgow.--Ook durf ik zeggen, dat ik mij niet -spoedig tot het een of ander laat bepraten of overhalen, maar doorgaans -mijne eigen meening volg, van welke ik dan ook geen haarbreed afwijk, -even als mijn vader, die op dat punt ook onverzettelijk was.--Maar -een braaf man, die den handel verstaat, door en door, die gaarne als -eerlijk man ieder het zijne wil geven, hier in de gevangenis te laten -versmachten, buiten staat om zich zelven of anderen te helpen--neen, -dat kan ik niet van mij verkrijgen! Kortom vriend Owen, ik zelf zal -uw borg zijn. Maar neem het wel in aanmerking, het is een borgtocht -judicio sisti, zoo als onze rechtsgeleerde stadssecretaris zegt, -en geen judicatum solvi, want dat is heel iets anders." - -Owen verzekerde, dat hij in de tegenwoordige omstandigheden natuurlijk -niet hopen kon een borg voor de werkelijke betaling te zullen vinden, -maar dat niemand behoefde te vreezen, dat hij in gebreke zou blijven -om op de eerste dagvaarding te verschijnen. - -»Ik geloof u, ik geloof u, en daarmede basta! Morgen, of eigenlijk -heden ochtend, tegen den tijd van het ontbijt zijt gij weêr op vrije -voeten. Maar nu zullen we eens onderzoeken wat uw gezelschap hier -doet, en hoe het tegen alle orde en regel des nachts in de gevangenis -is gekomen?" - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXIII. - - - De man kwam bij nachttijd, - Bij nachttijd te huis; - Dáár vond hij zoo'n heerschap, - Dat leek hem niet pluis. - "Zeg! vrouwtje, hoe 's dat zoo? - Hoe 's dat zoo?" Zeg vrouw, - Wat hier toch die kerel - Die kerel hier woû? - - Oud liedje. - - -Met de meest mogelijke bedaardheid nam Nikolaas Jarvie zijne -dienstmaagd de lantaren af. Hij begon zijn onderzoek zooals Diogenes -in de straten van Athene; vermoedelijk met even geringe verwachting -als deze, om iets te vinden, wat de moeite van het navorschen waard -zou zijn. De eerste, welke hij naderde, was mijn geheimzinnigen -geleider. Deze zat nog steeds op de tafel, de oogen onafgewend op -den muur gevestigd, terwijl zijne gelaatstrekken eene halsstarrige -onverschilligheid teekenden, en zijn gansche voorkomen zorgeloosheid -en trots verried. Met de hakken zijner schoenen sloeg hij tegen de -tafel de maat van het liedje, hetwelk hij onafgebroken bleef fluiten, -en onderwierp zich aan Jarvie's onderzoek met zooveel vermetele -onbeschaamdheid, dat het achtbaar lid van den stedelijken raad voor -eenige oogenblikken min of meer van zijn stuk geraakte. - -»Wat zie ik! Wat zie ik?" riep Jarvie nu. »Waarachtig het is -onmogelijk!--En toch--Neen, het kan niet zijn--en toch--Neen, het -kan niet zijn--en toch! Wat drommel--Ja! gij zijt het! Gij roover, -gij gevleeschte satan--gij, voor alle kwaad en tot niets goeds -geschikt--zijt gij het waarlijk?" - -»Zoo als gij ziet, mijnheer Jarvie!" was het droge antwoord. - -»Waarachtig--het schemert mij voor de oogen, zoo ben ik -ontsteld. Spreek, aartsschelm! Durft gij u in de gevangenis van -Glasgow wagen? Wat meent gij wel, dat uw rooverskop waard is?" - -»Wel! laat eens zien!" hernam de onbekende; »eerlijk gewogen -en met goed geijkt gewicht, zal hij, dunkt mij, wel tegen een -burgemeesterskop, vier schepenskoppen, één secretariskop en zes -vroedmanskoppen kunnen opwegen." - -»O, gij satanskind," begon Jarvie weder. »Maar beken uwe zonden en -bereid u voor om te sterven. Want ik behoef slechts een enkel woord -te spreken ..." - -»Dat is waar," antwoordde de onbekende en legde de handen achteloos -op zijn rug. »Maar dat woord zult gij toch wel nooit spreken!" - -»En waarom zou ik niet?" riep Jarvie. »Waarom zou ik niet? Antwoord -mij, waarom niet?" - -»Om drie gegronde redenen, mijnheer Jarvie! Vooreerst om den wille -van vroegere dagen, ons beiden zeer goed bekend. Ten tweede om de -oude vrouw daar ginder in Stuckavrallachan, door wie wij, God zij het -geklaagd! min of meer met elkander verwant zijn, en die een zekeren -neef heeft, welke van zijn ambacht slechts een eenvoudig handwerksman -is. En eindelijk, mijn waarde neef Jarvie, wanneer ik slechts het -minste teeken bespeurde, dat gij mij zoudt willen verraden, zouden uwe -hersens dadelijk aan dezen muur kleven,--lang eer eene menschenhand -u redden kon." - -»Weet ge wat gij zijt? Een vermetele, onbeschaamde galgebrok!" hernam -Jarvie onverschrokken. »Ge weet ook zeer goed, dat ik u als zoodanig -ken, ja, dat ik, voor mij zelf geen enkel oogenblik aarzelen zou -om ..." - -»Wel zeker, ik weet wel," hernam de onbekende, »dat er bloed van ons -bloed door uwe aderen vliet. Het zou mij waarachtig leed doen, mijn -eigen vleeschelijken neef voor den kop te moeten schieten. Maar in elk -geval zal en wil ik zoo vrij en ongehinderd van hier vertrekken, als -ik gekomen ben, of anders zeg ik u, dat de muren van deze gevangenis -nog jaren ervan zouden weten te vertellen." - -»Nu ja, nu ja!" zeide Jarvie: »bloed is dikker dan water. En -bloedverwanten behoeven den splinter in elkanders oogen niet zoo -scherp aan te zien en te openbaren, wanneer vreemde oogen daarvoor -blind zijn. Het zou voor de oude vrouw in Stuckavrallachan een treurig -nieuws zijn, als zij vernam, dat gij mij de hersens ingeslagen, of -ik u aan de galg geholpen had. Maar was dit het geval niet, dan zou -ik den stoutsten schurk in het Hoogland best aandurven:--dat zult -gij toch zelf wel inzien." - -»Gij zoudt wel durven neefje, dat weet ik;" antwoordde mijn geleider; -»maar de vangst zou u zoo licht niet gelukken! Wij Hooglanders zijn -een onhandelbaar volkje, wanneer men tegen ons van boeien en stroppen -spreekt. Wij, die niet eens een stuk linnen om onze lendenen begeeren, -willen vooral van geene ijzeren kousebanden weten." - -»Maar die ijzeren kousebanden zullen toch vroeg of laat uw lot -worden, en dan krijgt ge nog wat hennepdraad op den koop toe!" hernam -Jarvie. »Nooit heeft iemand zich in een beschaafd land aan zulke -schandelijke en strafwaardige streken schuldig gemaakt als gij! Wees -op uwe hoede, ik heb u gewaarschuwd." - -»Dank u neef! Intusschen zult gij bij mijne begrafenis, als lid van -de familie, den rouw moeten dragen." - -»Vlei u daar niet mede, Robert," hernam Jarvie. »Alleen uwe wettige -erfgenamen, dat zijn de kraaien en de raven, zullen de rouwdragers -wezen. Maar waar zijn mijn duizend pond Schotsch, die ik u geleend heb, -en wanneer zal ik ze wederzien?" - -»Waar dié zijn?" antwoordde mijn geleider, nadat hij zich eenige -oogenblikken gehouden had, alsof hij daarover nadacht; »waar die -zijn?--ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen; vermoedelijk waar de -laatste sneeuw is." - -»Die ligt op den top van den Schehallion, schurk!" riep Jarvie toornig; -»maar ik verlang mijn geld, hier op deze plaats!" - -»Ik heb geen sneeuw en ik heb geen geld bij mij!" hernam de -Hooglander. »Gij vraagt mij wanneer gij het zult wederzien? Wel, -zoodra ik mijn algemeenen betaaldag aankondig." - -»En het ergste van alles is, Robert, dat gij, trouwelooze landverrader, -die ge zijt, ons het afschuwelijke pausdom weder op den hals wilt -halen, dat ge ons onder het juk van een eigenmachtige heerschappij -wilt doen bukken, met al den aankleve van die vervloekte papisterij, -die misboeken, koorhemden, wierrookvaten en wijwaterbakjes! Loop dan -liever weder naar uwe dievenbenden. Steel en bedrieg, dat het hagelt -en kraakt. Beter te stelen, dan een land ongelukkig te maken!" - -»Hoor eens neefje, schei uit met zulke beuzelpraatjes. Laat die -dingen voor de heeren van Whigs over," antwoordde Robert; »wij kennen -elkander immers sedert lang. Ik zal wel zorg dragen, dat uw kantoor -door onze Hooglanders onaangeroerd blijft, als zij eenmaal bezig zijn -met de Glasgowsche winkels en magazijnen schoon te vegen. En als uw -beroepsplicht het niet volstrekt van u vordert, moet gij mij niet -vaker zien, Nikolaas, dan ik gezien wil wezen." - -»Je bent een uitgeslapen schelm, Robert," hernam Jarvie; »de galg -heeft reeds te lang op u gewacht. Hangen zult ge, hangen moet ge, -dat is niet anders! Maar ik voor mij zal mij maar aan de oude spreuk -houden: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Als ik u zie, -zal ik blind zijn, tenzij de noodzakelijkheid mij dwingt, of de plicht -gebiedt, dien kan niemand ongehoorzaam zijn.--Maar voor den weerga! wie -is die knaap?" vervolgde hij, zich naar mij keerende. »Hebt gij een -rekruut voor uw eerlijk handwerk opgedaan? Hij schijnt mij moed genoeg -voor de straatrooverij te hebben, en een langen hals voor den strop." - -»Ach neen, waarde mijnheer Jarvie!" riep Owen, wien de vreemde -herkenning en het even vreemde gesprek tusschen de zonderlinge neven -evenzeer bevreemdde als mij,--»dat is de jongeheer Frans Osbaldistone, -de eenige zoon van mijn patroon. Hij was eigenlijk bestemd om op ons -kantoor te komen, eer zijn neef Rashleigh Osbaldistone zoo gelukkig -was, om in zijne plaats aangenomen te worden," voegde hij er met een -diepen zucht bij--»maar desniettemin...." - -»O ja, ik heb van dien jongenheer gehoord. Hij is dan zeker dezelfde, -dien uw patroon in zijne eigenzinnigheid tot koopman wilde maken; -maar die toen een rondreizende komediant geworden is, omdat hij het -handwerk schuwde, waarvan een eerlijk man leven moet. Wel vriendje, -wat dunkt u van de zaak? Zal de Deensche prins Hamlet, of misschien -wel de geest van Hamlet voor den heer Owen borg blijven?" - -»Ik verdien uw spot niet," hernam ik; »maar eerbiedig uwe -handelwijze. Ik ben te oprecht dankbaar voor de hulp, welke gij -den heer Owen bewezen hebt, om gevoeligheid te toonen over uwe -onwillekeurig scherpe uitdrukkingen. De eenige reden van mijne komst -hierheen was, om dat weinige te doen wat ik kon, ten einde mijn vriend -Owen in de zorg voor mijns vaders belangen behulpzaam te zijn. Mijn -tegenzin in den koophandel is echter eene zaak, waarover ik zelf -'t best meen te kunnen oordeelen." - -»Waarachtig," hernam de Hooglander, »ik achtte dezen jongen al, -eer ik recht wist hoe hij dacht; maar nu rijst hij bij mij niet -weinig in waarde, nu ik zie, dat hij wevers en spinners en al zulk -volkje veracht." - -»Praat niet als een gek, Robbert!" zeide Jarvie. »Gij spreekt van -wevers? De duivel zelf kan u immers niet uit het weefsel ontwarren, -waarin gij u verstrikt hebt. En spinners? Gij hebt u zelf al een -fraai web gesponnen! En deze jongeling, dien gij regelrecht naar de -galg, en dus naar de hel leidt--met al zijne theatergrappen en zijn -rijmelarijen kan hij evenmin hulp bewijzen, als gij met uwe vloeken en -dolken? Zal hij zijn Tityre te patulae zingen, waar zich een Rashleigh -Osbaldistone bevindt? Kan Macbeth met al zijne krijgshelden, en gij -Robbert er bij, hem de vijf duizend pond bezorgen, welke hij behoeft, -om de wissels te betalen, die binnen tien dagen vervallen zijn?" - -»Binnen tien dagen?" viel ik hem in de rede en haalde onwillekeurig -Diana's pakketje te voorschijn. De tijd, gedurende welken ik het zegel -moest eerbiedigen, was verloopen. Ik brak het dus dadelijk open. Een -verzegelde brief viel uit den omslag, toen ik dien met bevende -hand ontvouwde. Een tochtwind, die door eene gebroken vensterruit -drong, woei den brief voor Nikolaas Jarvie's voeten. Hij nam hem -terstond op, en gaf hem, toen hij, zonder eenige komplimenten, het -opschrift nieuwsgierig gelezen had, tot mijne groote verbazing aan -zijn Hooglandschen neef over. »De wind heeft den brief juist aan -het adres besteld!" zeide hij, »ofschoon het duizend tegen één was, -dat hij in uwe handen zou komen." - -De Hooglander las het opschrift en brak den brief haastig open. Ik -wilde hem dit beletten, en zeide: »ik moet overtuigd zijn, dat de -brief aan u gericht is, voordat ik u vergunnen kan, hem te lezen." - -»Wees onbezorgd, mijnheer Osbaldistone!" antwoordde hij. »Denk aan -den vrederechter Inglewood, aan den griffier Jobson, aan Morris, -en vooral aan uw gehoorzamen dienaar Robbert Campbell, die hier voor -u staat, als ook aan de schoone Diana Vernon. Herinner u dit alles, -en twijfel niet langer of de brief aan mij is gericht." - -Ik zou mij wel voor het hoofd hebben willen slaan om mijne -onnoozelheid! De stem, zelfs de gelaatstrekken van dezen man, -hoe onvolkomen ik ze ook bij het flauwe licht kon onderscheiden, -hadden gedurende den ganschen nacht vermoedens en herinneringen in -mij opgewekt, die ik vruchteloos met plaatselijke of persoonlijke -omstandigheden trachtte te verbinden. Nu werd mij eensklaps alles -zonneklaar. Campbell stond vóór mij met alle zijne eigenaardigheden. De -diepe, krachtige stem, het gelaat, waaruit strengheid naast sluwe -bedachtzaamheid sprak, de Schotsche tongval, zijn beeldrijke stijl, -die hij echter, wanneer hij wilde, zeer wel vermijden kon, maar, -die zich in onbewaakte oogenblikken terstond weder verried en -aan zijne spotternij een zekeren klem, aan zijne redenen eene -bijzondere levendigheid bijzette--het kwam mij alles helder voor -den geest. Zijne gestalte was eerder beneden dan boven middelbare -grootte. Maar zijne leden waren zoo krachtig mogelijk, zonder dat de -vlugheid daardoor eenigszins benadeeld werd. En vlug was hij, naar -de losheid zijner bewegingen te oordeelen, in hoogen graad. Eene -minder volkomen evenredigheid heerschte echter in zijne gestalte, -want zijne schouders waren eigenlijk te breed en maakten hem daardoor -min of meer vierkant. Zijne armen, ofschoon rond en goed gespierd, -waren veel te lang; hoewel ik naderhand vernam, dat hij zich op -die lengte vrij wat liet voorstaan, daar zij hem, wanneer hij zijn -Hooglandsch kostuum droeg, bij het aangespen der kousenbanden--wat -hij zonder te bukken doen kon--en ook bij het hanteeren van de sabel, -waarmede hij behendig wist om te gaan, van wezenlijk voordeel was. Dit -gebrek aan evenredigheid, hetwelk hem alle aanspraak op den naam van -mannelijk schoon benam, gaf aan zijn uiterlijk iets woests, iets -onregelmatigs. Het herinnerde mij onwillekeurig aan de sprookjes -onzer kindermeid. Daarin waren de Pieten, die in vroegere tijden -Northumberland verwoestten, als wezens afgeschilderd, die half spook -half mensch waren, en zich, even als deze Hooglander, door moed, -list, woestheid, lange armen en breede schouders onderscheidden. - -Ik riep de omstandigheden in mijn geheugen terug, waaronder wij -elkander vroeger gezien hadden. Ik kon er niet aan twijfelen, dat -de brief hem toebehoorde. Hij was een van de belangrijkste onder de -geheimzinnige wezens, op welke Diana invloed scheen te hebben, en die -wederkeerig op haar invloed hadden. Het denkbeeld smartte mij, dat het -lot van zulk een beminnelijk meisje aan dat van zulk een gevaarlijk -mensch verbonden was; en dit was toch ontwijfelbaar. Maar van welk nut -kon deze man voor mijns vaders zaken en belangen zijn? Ik zag slechts -één voordeel. Zooals Rashleigh, op Diana's aansporing, den Hooglander -had doen optreden, toen diens tegenwoordigheid noodzakelijk was om -mij te rechtvaardigen, zoo was het zeker nu mogelijk, dat zij door -haren invloed op gelijke wijze Campbell wist te bewegen, Rashleigh -thans evenzoo te voorschijn te doen komen. In deze onderstelling -verlangde ik van hem te weten, waar mijn gevaarlijke neef zich bevond, -en wanneer Campbell hem gezien had. - -De Hooglander antwoordde niet stellig, maar in algemeene -uitdrukkingen. »Het is eene netelige zaak, welke zij mij opdraagt," -zeide hij; »maar eene eerlijke zaak, en daarom wil ik haar ook haar zin -geven. Mijnheer Osbaldistone, ik woon niet ver van hier. Mijn neef zal -u den weg wijzen. Intusschen moet mijnheer Owen hier in Glasgow doen, -wat hij kan. Maar gij moet mij in het dal bezoeken. Waarschijnlijk -kan ik u van dienst zijn, en uw vader in zijn benarden toestand hulp -verleenen. Ik ben trouwens slechts een arm man, maar verstand is -beter dan rijkdom. En wanneer gij, neef,"--vervolgde hij, zich tot -Jarvie richtende--»het wagen durft, een eenvoudig Schotsch middagmaal -bij mij te gebruiken, dan vergezelt gij dezen jongenheer naar Drymen -of Bucklivie, of liever naar de herberg van Aberfoil. Daar laat ik u -door iemand afhalen, die u den weg naar de plaats zal wijzen, waar ik -mij bevinden zal. Wat zegt gij hiervan, Nicolaas? ziedaar mijne hand; -ik zal u niet bedriegen, gij kunt mij vertrouwen...." - -»Dat kan ik niet doen, neen, Robbert, neen," zei de voorzichtige -Jarvie. »Het past mij niet, mij in uwe woeste gebergten onder uwe -kortrokken te begeven; dat duldt de waardigheid van mijn ambt in -geenen deele." - -»De duivel hale uw ambt en u daarbij!" hernam Campbell. »De eenige -droppel edel bloed, dien gij in de aderen hebt, is van onzen oudoom, -die te Dumbarton opgehangen werd, en gij durft zeggen, dat uw ambt -u niet toelaat dat gij mij bezoeken zoudt? Hoor eens, vriendje, in -den herfst moet ik u betalen, dat weet ik. Welnu, ik zal uwe duizend -pond, tot den laatsten stuiver toe eerlijk betalen, zoo gij thans -eens handelt gelijk het behoort, en dezen jongen man begeleidt." - -»Spreek mij toch niet meer van uw edel bloed," zeide Jarvie. »Breng -uw edel bloed eens op de markt, en zie wat men er voor biedt. Maar -als ik nu aan uw verzoek voldeed en ten uwent kwam, zoudt gij mij -dan werkelijk betalen?" - -»Dat zweer ik u!" zeide de Hooglander, »ja, dat zweer ik u bij het -heilige gebeente van hem, die onder den grauwen steen te Juch-Calleach -sluimert!" - -»Al wel, Robbert, al wel! Wij zullen zien wat wij doen -kunnen. Verbeeld u evenwel niet, dat ik de grenzen van het Hoogland -zal overschrijden. Neen, waarachtig niet! Geen enkelen stap doe -ik verder! Gij moet mij te Bucklivie, of in de herberg te Aberfoil -wachten, en vooral het noodige niet vergeten." - -»Wees onbezorgd!" hernam Campbell: »gij kent mij immers? Mijn woord -is mij heilig. Maar het wordt tijd dat ik ga, neefje. Want de lucht -eener gevangenis is voor een Hooglander zeer ongezond." - -»Waarachtig!" zeide Jarvie, »als ik mijn plicht deed, dan zoudt -gij nooit meer eene andere lucht inademen. O, dat ik een booswicht -behulpzaam moet zijn, om aan de gerechtigheid te ontsnappen! Welk -eene schande voor mij en de mijnen en voor mijns vaders nagedachtenis -voor altijd!" - -»Stil toch, stil toch, mannetje!" hernam de Hooglander. »Laat de dooden -rusten! Uw vader wist bij zijn leven voor de fouten en gebreken van -een goed vriend even knap een oog toe te drukken, als een ander." - -»Nu ja, daarin hebt gij gelijk, Robbert," antwoordde Jarvie. »Mijn -vader was een verstandig, inschikkelijk man. Hij wist dat wij allen -arme zondaren, zwakke vaten zijn, en hield steeds zeer veel van -zijne vrienden. Gij herinnert u hem toch nog wel, Robbert?"--Deze -vraag deed hij op een zachten toon, die misschien iets belachelijks, -maar zeker iets aandoenlijks had. - -»En waarom zou ik mij hem niet herinneren?" vroeg Robbert. »Waarom -niet? Hij was een fiksche wever, en heeft mij mijne eerste kousen -geweven. Maar laat mij gaan, neef!" - - - Een glas nog maar, - Dan zijn we klaar. - En dan naar huis, de tijd is daar. - - -»Stil, stil, vriendje!" zeide Jarvie ernstig. »Nauwelijks is de -dag des Heeren voorbij, en nu reeds liedjes te zingen! Het zou wel -kunnen gebeuren, dat men u hier naar eene geheel andere wijs leerde -zingen. Maar genoeg! Wij struikelen allen, en een mensch is juist -geen engel; dus--Stanchells, doe de deur open!" - -De gevangenbewaarder gehoorzaamde, en wij gingen allen heen. Met -eenige verwondering keek nog de eerstgenoemde beide vreemdelingen -na. Hij scheen maar niet te kunnen begrijpen, hoe zij buiten zijn -weten in de gevangenis gekomen waren. Jarvie's verzekering: »Een -paar goede vrienden van mij, Stanchells! een paar goede vrienden -van mij!" voorkwam de nieuwsgierige vraag, die reeds op zijne lippen -zweefde. Wij stegen den trap af en riepen, in het voorportaal gekomen, -herhaalde malen Dugald's naam, zonder eenig antwoord te ontvangen. Met -een spotachtig glimlachje merkte Campbell op, dat Dugald, zoo hij zich -in dien knaap niet bedrogen had, hoogst waarschijnlijk zou blijken -verkozen te hebben naar de belooning, voor den door hem dezen nacht -bewezen dienst, te wachten, dat hij zeker reeds in vollen ren naar -de grenzen van het Hoogland was. - -»En nu heeft hij ons, en zelfs mij, mij zelven in de gevangenis -opgesloten gelaten!" riep Jarvie toornig en ontsteld uit. »Schielijk, -hamers en beitels, mokers en dommekrachten! Roep den smid. Zeg hem, -dat het lid van den raad Jarvie in de gevangenis is opgesloten door -een Hooglandschen schurk, dien hij zal doen ophangen, zoo hoog als -Haman eens gehangen heeft!" - -»Wel te verstaan, als gij hem eerst gevangen hebt!" zeide -Campbell. »Maar wacht eens! De deur is zeker niet gesloten." - -En zoo bevonden wij het ook. De deur was niet alleen open, maar -Dugald had tevens bij zijne vlucht de sleutels medegenomen, opdat -niet deze of gene hem te spoedig in zijn ambt van sleutelbewaarder -zou kunnen opvolgen. - -»Die Dugald is zoo gek niet!" zeide Campbell. »Hij wist zeer goed, dat -eene opene deur mij, als ik in de klem zat, van nut zou kunnen zijn." - -»Hoor eens Robbert," zeide Jarvie, toen wij op straat waren; »wilt -gij op dezen voet voortleven, dan moest gij, naar mijne bescheiden -meening, in elke gevangenis van Schotland een van uwe vertrouwelingen -tot portier hebben, voor het geval dat de nood aan den man kwam." - -»Och neef Nicolaas, een van mijne bloedverwanten, als regeeringslid -in iedere plaats, zal ook wel goed zijn! En nu: goeden nacht of goeden -morgen! Vergeet de herberg te Aberfoil niet." - -Met die woorden sprong Campbell, zonder het antwoord af te wachten, -naar de overzijde der straat en verdween in de duisternis. Terstond -daarna hoorden wij hem zachtjes, maar op eene geheel bijzondere wijze -fluiten, waarop ook dadelijk geantwoord werd. - -»Kijk me nu eens die Hooglandsche duivels aan!" zeide Jarvie. »Zij -denken dat zij reeds aan den voet van den Ben-Lomond zijn, waar zij -vrij fluiten kunnen, zonder zich aan den Zondag of Zaterdag te storen." - -Hij werd gestoord door iets, dat ratelend voor onze voeten -nederviel. »Wat is dat?" riep Jarvie. »Mathilde, licht -eens! Waarachtig, het zijn de sleutels! Nu, dat is wel, dat is -goed! Zij hebben onze stad toch geld gekost, en waren ze verloren -geraakt, dan zou er heel veel praats over geweest zijn. En zoo men in -onze raadsvergadering iets van het gebeurde van heden nacht vernam, -zou ik al vrij wat gehaspel hebben." - -Voordat wij verder gingen, brachten wij de sleutels naar de gevangenis -terug, waarvan we slechts eenige schreden verwijderd waren. Wij -stelden ze den gevangenbewaarder ter hand, die nog in het voorportaal -op en neer wandelde, en op iemand wachtte die den ontvluchten Dugald -vervangen moest. - -Daar ik denzelfden weg als Jarvie ging, kon ik mij ook van -zijn lantaren bedienen. Ik gaf hem mijn arm, om hem alzoo des te -gemakkelijker door de donkere en slecht bestrate stad te geleiden. Oude -lieden zijn meestal erkentelijk voor de oplettendheden van jonge -lieden. Jarvie betuigde mij zijne deelneming in mijne onaangename -omstandigheden, en voegde er bij, daar ik toch niet tot het -comediantenvolk behoorde, waarvan hij een verklaarden afschuw had, -het hem aangenaam zou zijn als ik, in gezelschap van mijn vriend Owen, -die den volgenden ochtend vroeg in vrijheid zou wezen, ten zijnent -ontbijten wilde. - -Deze uitnoodiging nam ik dankbaar aan, maar vroeg hem tevens hoe hij -aan het denkbeeld was gekomen, dat ik tot het tooneel behoorde? - -»Dat zal ik u zeggen," hernam Jarvie. »Gisteren avond kwam er een -praatzieke kerel bij mij--Andries Fairservice, heette hij, naar ik mij -herinner--die mij verzocht, den openbaren omroeper bevel te geven, -om morgen vroeg naar u te zoeken. Hij zeide mij wie gij waart, -en hoe men u uit uws vaders huis had weggezonden, omdat gij geen -koopman wildet worden, en nu moest men trachten te voorkomen, dat -gij uwe familie de schande aandeed, van comediant te worden. Onze -voorzanger Hammorgan bracht dien knaap bij mij, en zeide mij dat -hij, namelijk die Andries, een oud bekende van hem was. Maar ik -wilde hun volstrekt niet te woord staan en las hun nog daarenboven -geducht de les, dat zij mij op Zondagavond met zulke dingen lastig -vielen. Maar nu zie ik wel, dat die Andries een groote gek en ten -uwen opzichte het spoor geheel bijster is. Gij bevalt mij, vriend," -vervolgde Jarvie. »Wie zijn vrienden in nood bijstaat, is mijn man. Ik -doe dat ook, en mijn overleden vader deed insgelijks. God schenke -hem daarvoor de eeuwige rust en zijn besten zegen! Maar gij moet u -vooral niet met die woeste Hooglanders inlaten. Wie met pek omgaat, -wordt er door besmet. Denk daaraan. Ja, de braafste, de verstandigste -menschen kunnen dwalen. Een-, twee-, driemaal ben ik zelf gestruikeld, -waarde vriend. Heden nacht bijvoorbeeld heb ik drie erge dingen -gedaan--waarachtig! Had mijn vader hiervan getuige kunnen wezen, -hij zou zijne eigen oogen niet vertrouwd hebben." - -Juist waren wij aan Jarvie's woning gekomen. Hij bleef op den -drempel en zei op berouwvollen toon: »Ten eerste heb ik mij op -den dag des Heeren met wereldsche zaken bemoeid. Ten tweede ben ik -voor een Engelschman borg gebleven, en ten derde heb ik, helaas! een -misdadiger uit de gevangenis laten ontsnappen. Maar voor alles bestaat -balsem! Mathilde, ik kan den weg wel vinden, licht gij dus mijnheer -naar de herberg, daar op den hoek.--Mijnheer Osbaldistone," fluisterde -hij mij in: »laat het meisje ongemoeid. Het is een zedig kind van -brave ouders en een eigen nichtje van den heer van Limmerfield." - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXIV. - - - Zoo ik u eenigen dienst kan bewijzen, - beschik over uw nederigen dienaar. - O, een zaak bid ik slechts, dat het mij - vergund zij, om uw brood te eten, ook - al ware het zwart, en uw drank te - drinken, ook al ware die dun. Kijk, - voor veertig shillings zal ik u even - vele diensten bewijzen, als anderen voor - drie pond. - - Greene's "Tu Quoque." - - -Wel nam ik de opmerking, bij het afscheid door den heer Jarvie -gemaakt, dankbaar aan, maar ik meende toch, dat het geenszins iets -onbetamelijks zijn zou, wanneer ik bij het geldstuk, waarmede ik -Mathilde's voorlichten beloonde, een kus voegde. En haar zacht: -»foei, schaam u, mijnheer!" scheen juist geen erg misnoegen over mijne -vrijpostigheid te kennen te geven. Mijn herhaald kloppen aan de deur -der herberg maakte eerst een paar rondzwervende honden gaande, die -allergeweldigst begonnen te blaffen. Eenige hoofden met nachtmutsen -kwamen uit de naburige vensters te voorschijn en riepen mij wegens mijn -onchristelijk geweld op Zondagnacht--zoo als zij het noemden--allerlei -onchristelijke scheldwoorden toe. Toen eindelijk de kasteleines ook -ontwaakte, vreesde ik, dat dit onweder van woorden, door een stortregen -als die van Xantippe's hand zou gevolgd worden. Maar--overigens op -een toon, die de lieve wederhelft van den wijzen Socrates zeer goed -zou gestaan hebben--kwam de bui op een paar lieden in de gelagkamer -neder, omdat zij zich niet spoedig genoeg gehaast hadden de deur te -openen en dus de herhaling van mijne gewelddadigheid te voorkomen. - -Die menschen in de gelagkamer, wier traagheid aldus bestraft werd, -waren geene andere dan de getrouwe Andries, zijn vriend de voorzanger, -en een derde, de stadsomroeper, zoo als ik naderhand vernam. Zij -zaten bij een glas bier, trouwens op mijne kosten, zooals mij bij -het betalen mijner rekening overtuigend bleek, en zij overlegden -met elkander de bewoordingen, waarin de omroeper den volgenden dag -door de straten der stad den ongelukkigen jongeling, zoo als zij mij -geliefden te noemen, zouden oproepen, om zonder verder dralen naar -zijne bekommerde vrienden terug te keeren. Natuurlijk kon ik mijn -toorn over deze onbescheiden bemoeiing met mijne aangelegenheden -niet onderdrukken. Maar het baatte mij niets. Want Andries gaf zich -bij mijne komst aan zulke luide ontboezemingen van vreugde over, dat -hetgeen ik zeide om hem en de zijnen mijne ontevredenheid te kennen te -geven, door hem als het ware overschreeuwd werd. Het spreekt van zelf, -deze uitbundige vreugde was maar geveinsd, en zijne tranen ontsprongen -uit geene andere bron dan uit de bierkan. Voorloopig beveiligde de -luide vroolijkheid, welke hij over mijne terugkomst gevoelde, of -ten minste voorwendde te gevoelen, hem nagenoeg voor de tuchtiging, -welke ik hem reeds eenmaal had toegedacht; eerst voor zijn gesprek -met den voorzanger over mijne zaken, en dan voor zijn ongerijmd -vertelseltje bij den heer Jarvie. Thans kwam hij er zoo genadig af, -dat ik hem slechts de deur voor den neus dicht wierp, toen hij mij -naar mijne kamer volgde, brutaal genoeg mij de vermaning toevoegde, -om in het vervolg voorzichtiger te zijn, als ik alleen uitgaan wilde. - -Den volgenden morgen was mijne eerste zorg mij van den lastigen, -eigenwijzen man te ontslaan, die eigenlijk meer mijn meester dan -mijn knecht trachtte te zijn. Toen ik hem op mijne kamer had laten -roepen, en hij binnentrad, vroeg ik hem wat ik hem voor zijn geleide -naar Glasgow schuldig was. Deze vraag deed hem verbleeken: want hij -beschouwde ze niet zonder reden, als de voorbode van zijn ontslag. - -»Gij zult toch"--zeide hij stamelende--»gij zult toch, hoop ik, -mij niet...." - -»Antwoord mij!" riep ik driftig, »of ik sla je de hersens in!" - -Andries aarzelde tusschen het dubbele gevaar, om òf alles te verliezen, -als hij te veel, òf een gedeelte kwijt te raken, als hij minder -eischte dan ik hem waarschijnlijk zou geven, en gaapte mij zwijgend -aan. Eindelijk echter stiet hij uit, alsof hij plotseling een slag -op den rug had gehad: »achttien stuivers daags--dat zal toch niet te -veel wezen!" - -»Tweemaal zoo veel als men gewoonlijk betaalt, en driemaal meer dan -gij verdient!" hernam ik. »Maar ziedaar een guinje, en ga nu waarheen -gij verkiest. Ik kan u verder missen." - -»Maar goede Hemel! Zijt gij wel bij uw zinnen, beste mijnheer?" riep -Andries. - -»Kerel! ge zoudt mij waarlijk zoover kunnen brengen!" viel ik hem -in de rede. »Nu wat wilt ge nog? Ik geef u een derde meer dan gij -eischt. En gij staat daar nog en kijkt mij aan, of meen je, dat ik -je te kort heb gedaan. Neem uw geld en maak dat je weg komt." - -»O, goede Hemel!" hervatte Andries. »Waardoor heb ik u dan beleedigd, -mijnheer? Zeker, alle vleesch is gelijk de bloemen des velds. En -even als een handvol kamillen voor den geneesheer zijne waarde heeft, -zoo kan ook Andries u van nut zijn. Dat ik bij u blijve, moet u wat -waard zijn, ja veel waard, zooals u uw leven waard is." - -»Waarlijk? Nu, het is inderdaad moeielijk te beslissen, of gij grooter -schurk dan gek zijt. Gij wilt dus bij mij blijven, of ik wil of niet!" - -»Juist, zoo dacht ik er over!" antwoordde Andries op vrij stelligen -toon. »Weet gij al niet, dat gij in mij een braven knecht hebt, dan -weet ik ten minste, dat ik in u een braven meester heb. Nooit zou ik -rust of duur kunnen hebben, als ik u zoo aan uw lot overliet. En om -u nu maar ronduit te zeggen, waar het op staat: mijn dienst is mij -niet behoorlijk opgezegd." - -»Uw dienst?" vroeg ik. »Ik heb u slechts als gids medegenomen en, -dat wil ik erkennen, tot mijn genoegen ondervonden, dat gij daartoe -bruikbaar zijt." - -»Zeker, het is waar, ik ben geen gewone dienstbode," hernam -Andries. »Maar gij weet toch wel, dat ik om uwentwil, alleen op -uw dringend aanzoek, een goeden dienst opgeofferd heb, en dat -ik het slechts één uur te voren wist. Als tuinman van het kasteel -Osbaldistone, kon ik het eerlijk en met een zuiver geweten jaarlijks -tot twintig pond brengen. Zou ik dat inkomen voor eene enkele guinje -weggeworpen hebben! Ik rekende er op, dat ik tenminste het kwartaal uit -bij u zou blijven. Tot zoo lang zou ik toch meenen wettige aanspraak -op loon, kost en drinkgeld te kunnen hebben. Dat is toch duidelijk." - -»Kom, kom! Uwe onbeschaamdheid zal u niet baten," riep ik. »Verstout u -niet, daarmede voort te gaan, of gij zult ondervinden, dat Thorncliff -Osbaldistone de eenige niet is van de familie, die zijne handen weet -te gebruiken!" - -De gansche zaak kwam mij, toen ik dit zeide, zoo bespottelijk voor, -dat ik, in weerwil van mijn billijk misnoegen, mij echter nauwelijks -bedwingen kon, om over den ernst, waarmede Andries zijn vermeend recht -op mijne beurs verdedigde, in een luid lachen uit te barsten. De schelm -bemerkte den indruk, dien hij op mijne lachspieren gemaakt had. Hij -liet nu nog minder los, hoewel hij het toch raadzaam oordeelde zijn -overdreven eisch een weinig te matigen, om mijn geduld niet te tergen, -en ook misschien langs dien weg zijn doel te bereiken. - -»Ik erken gaarne, dat gij het in uwe macht hebt, mijnheer,"--zoo -begon hij weder--»een ouden getrouwen dienstknecht, die u en de -uwen twintig jaren lang bij dag en bij nacht ijverig gediend heeft, -plotseling uit uw dienst te ontslaan. Maar ik ben ook verzekerd, dat -gij, evenmin als ieder ander braaf en weldenkend man, het over u zult -kunnen verkrijgen, om een armen drommel als ik, die veertig, vijftig, -ja honderd mijlen ver is gereisd, alleen om u gezelschap te houden, en -die niets dan zijn dagloon bezit, in den uitersten nood weg te zenden." - -Waarde Tresham, als ik mij wel herinner, hebt gij eens de opmerking -gemaakt, dat ik, ondanks mijne eigenzinnigheid, toch in zekere gevallen -veel lichter dan eenig ander mensch te bepraten en om den tuin te -leiden was. Tegenspraak alleen maakt mij halsstarrig. Maar zoodra ik -niet gesard en daardoor opgewekt word om een voorstel te bestrijden, -ben ik steeds meer geneigd om toe te stemmen. Inderdaad, ik heb mij -daardoor soms veel moeite en kwelling veroorzaakt. Ik kende mijn -gids als een hebzuchtigen, lastigen gek. Maar alles wel overwogen, -had ik behoefte aan iemand als wegwijzer en bediende. Daarenboven -was ik aan de luimen en grillen van dezen Andries zoo gewoon, dat -ik er wel eens pleizier in vond. Nog besluiteloos, vroeg ik hem, -of de wegen en steden in het noorden van Schotland hem bekend -waren, daar mijns vaders handelsbetrekkingen met de Hooglandsche -boscheigenaars mij waarschijnlijk noodzaken zouden, mij derwaarts te -begeven. Gaarne geloof ik, dat, als ik hem naar den weg had gevraagd, -die naar het Paradijs leidt, hij evenzeer op zich zou genomen hebben, -om mij dien te wijzen en er mij heen te brengen. Ook had ik naderhand -alle reden om verheugd te zijn, dat zijne wezenlijke kennis van den -weg niet te ver beneden het peil was, waarop hij zich beroemde. Ik -bepaalde zijn loon, mij voorbehoudende, hem, zoodra ik het verkiezen -mocht, met eene week extra-betaling zijn ontslag te geven, en las -hem nu ook eens geducht, de les over zijne houding van den vorigen -dag. Dit stemde zijn zoo even nog vrij hoogen toon merkelijk lager, -hoewel hij overigens betuigde met mijne schikking volkomen tevreden -te zijn. Met een opgeruimd hart ging hij heen. Ik kon echter hooren, -dat hij zijn vriend, den voorzanger, die in de gelagkamer bij zijn -morgenslokje zat, vertelde, hoe hij den dwazen jongen Engelschman -eens goed de waarheid had gezegd en tot rede gebracht. - -Ik verliet de herberg en begaf mij naar het huis van Jarvie, waar mij -in het spreekvertrek, dat voor allerlei gebruik diende, een flink -ontbijt wachtte. De welwillende man had stipt woord gehouden. Ik -vond mijn vriend Owen in vrijheid. En na zich behoorlijk gewasschen, -zijne pruik gekamd en zijne kleederen afgeborsteld te hebben, was -hij thans weder een geheel ander man geworden, dan de onzindelijke, -neêrslachtige, schier wanhopende gevangene. Maar het besef van -zijne dringende geldverlegenheid had hem geheel moedeloos gemaakt, -en de bijna vaderlijke omhelzing, waarmede hij mij ontving, werd -door een diepen, smartelijken zucht verbitterd. Toen hij weder was -gaan zitten, verried mij zijn somber oog en peinzend gelaat, zoo -verschillend van zijne gewone kalmte en innige tevredenheid, dat -hij in zijne gedachten de dagen, de uren, ja de minuten berekende, -na verloop waarvan bij niet-betaling der geaccepteerde wissels, het -zoo beroemde huis Osbaldistone en Tresham vallen moest. Het bleef -dus alleen mij overgelaten, mijne dankbaarheid voor het onthaal van -onzen gastheer te betuigen, en zijne thee, die hij rechtstreeks uit -ons China had ontvangen, als ook zijne koffie, die op zijne eigen -plantaadje in Jamaica, Salt-Market-Grove genaamd, gegroeid was, -zoo als hij met een knipoogje te kennen gaf--zijne heerlijke »ale", -zijne gerookte Schotschen zalm, en zelfs zijn damasten tafellaken, -dat niemand anders dan zijn overleden vader, het voormalig lid van -den raad der stad, had geweven, naar behooren te prijzen. - -Toen ik door deze en dergelijke kleine attenties, die voor veel -menschen van hoog gewicht zijn, onzen gastheer tot welwillendheid -gestemd had, poogde ik van hem eenige berichten te erlangen, die -mij op mijn verderen weg van nut konden zijn, of ten minste mijne -nieuwsgierigheid bevredigen konden. Nog hadden wij geen enkel -woord over het gebeurde van den vorigen nacht gesproken, en dus -was mijne vraag zoo tamelijk onverwacht, toen ik van het zwijgen, -dat na de geschiedenis van het tafellaken volgde, partij trekkende, -plotseling aldus begon: »Maar zeg mij toch eens, mijnheer Jarvie, -wie is die Robbert Campbell, dien wij dezen nacht ontmoetten?" - -Deze vraag scheen den goeden man geheel van zijn stuk te brengen.--»Wie -Robbert Campbell is?" zeide hij, en herhaalde, na een zeer verlegen -hm! hm!--»wie hij is?" - -»Dat veroorloof ik mij, u te vragen, wie en wat hij is?" hernam ik. - -»Hij is.... Maar waar hebt gij dan dezen Robbert Campbell, zoo als -gij hem noemt, ontmoet?" - -»Bij toeval in het noorden van Engeland, nu eenige maanden geleden," -was mijn antwoord. - -»Welnu, mijnheer Osbaldistone," hernam Jarvie, min of meer gemelijk; -»dan weet gij even veel van hem, als ik." - -»Ik vraag u verschooning. Dit schijnt toch geenszins het geval te zijn, -mijnheer Jarvie!" antwoordde ik. »Gij zijt immers, zoo als hij ten -minste beweerde en gij niet ontkendet, zijn bloedverwant, zijn neef." - -»Nu ja, er bestaat tusschen ons zoo wat neefschap," zeide Jarvie met -zichtbaren tegenzin. »Maar sedert Robbert den handel in vee heeft -gedreven, hebben wij elkander zelden gezien. Die arme drommel! door -menigeen, die hem voor gewichtige diensten grooten dank schuldig was, -is hij allerondankbaarst behandeld. Zijn geld heeft men hem listig -ontstolen. Ja, ja, menigeen wenschte nu wel, dat men hem nooit uit -Glasgow gejaagd had, en men zou hem thans veel liever weder achter -drie honderd ossen, dan aan het hoofd van dertig wezens zien, die -nog veel erger dan dieren zijn." - -»Maar, mijnheer Jarvie, dit alles geeft mij nog niet de minste -inlichting omtrent zijn rang en stand en zijne middelen van bestaan," -hernam ik. - -»Zijn rang?" antwoordde Jarvie. »Wel, hij is een Hooglandsch gentleman; -welken stand zou hij meer behoeven? Zijne middelen van bestaan? Wat -is ons daaraan gelegen, zoo lang hij niets van ons begeert? Maar ik -heb thans geen tijd om langer over hem te praten. Er is hier iets -anders te doen, wat voor u, of ten minste voor uw vader, van meer -belang moet zijn." - -Na dit gezegd te hebben, zette hij zijn bril op en ging zitten, -om den staat van mijns vaders zaken te onderzoeken, dien Owen noodig -achtte hem zonder eenige achterhoudendheid mede te deelen. Ik verstond -intusschen genoeg van den handel, om te kunnen opmerken met hoeveel -scherpzinnigheid Jarvie elke zaak beoordeelde, die aan zijn oordeel -onderworpen werd. En ik ben hem tevens de volle eerlijke erkentenis -schuldig, dat hij zich in alles niet alleen zeer billijk, maar zelfs -zeer edelmoedig betoonde. Wel krabde hij zich achter het oor, toen -hij bevond, dat Osbaldistone en Tresham per saldo nog zeer hoog bij -hem in debet stonden.-- - -»Nu, in 's Hemels naam!" zeide hij eindelijk; »ik moet het dan maar -voor een verloren post rekenen. Intusschen, wat uwe goudmakers in -Londen er ook van zeggen mogen, bij ons in Glasgow is dit geene -kleinigheid. Het zal een geweldig groot gat in mijn kas maken; -dat is niet anders. Evenwel, uw kantoor zal er niet door vallen, -hoe veel dan ook reeds weg moge zijn:--en moet het wezen, welnu, in -'s Hemels naam. Ik denk er in elk geval zoo onbarmhartig niet over -als die roofvogels daar ginder in de Hoogstraat. Moet ik thans door -u een verlies lijden, dan zal ik toch nooit ontkennen, dat ik door u -menig aardig pondje sterling gewonnen heb. Loopt het dus heel erg, -dan leg ik den kop van het zwijn bij den staart van het varken, -en zal wel zien uit te komen." - -Wel begreep ik den eigenlijken zin van dit zonderlinge spreekwoord, -waarmede Jarvie zich troostte, niet best. Maar dit begreep ik wel, -dat hij met welwillende deelneming mijns vaders aangelegenheden -behandelde, ja, dat hij zulken welgemeenden en verstandigen raad gaf, -dat de rimpels op Owen's voorhoofd van lieverlede nagenoeg verdwenen. - -Ik zat er evenwel bij als een werkeloos aanschouwer en toehoorder -van al die onderhandelingen. Nu en dan toonde ik mijne neiging, om -den zoo plotseling afgebroken draad van ons gesprek over Campbell -weder aan te knoopen. Eindelijk zeide de heer Jarvie mij zonder -veel komplimenten, dat ik maar eens naar het »collegie" zou gaan, -waar ik eenige lieden zou vinden, die Grieksch en Latijn spraken, -ten minste er geld genoeg voor ontvingen om het te doen. Daar zou ik -tevens iets van Boyd's vertaling der H. Schriften kunnen lezen. Dit -was naar zijne meening veel betere poëzie dan eenige andere, zoo als -hij van menschen gehoord had, die dit konden en moesten weten. Hij -verzachtte het harde van dit afscheid, door mij dien middag bij zich -te gast te noodigen, mits ik precies met klokslag van één ure ten -zijnent was, want later ging hij niet aan tafel; dit was reeds bij -het leven van zijnen vader de vaste gewoonte van zijn huis geweest, -»en daarvan werd niet afgeweken, voor wien ook ter wereld." Ik moest -dus er voor zorgen, klokslag één uur er te zijn. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXV. - - - De jachthond blaft, de herder wacht, - Gewapend met den lansenschacht, - Den beer, die nadert door het woud ... - Hij hoort hem aan het buigend hout, - Aan 't krakend loof en 't ritslend blad, - Hij komt, mijn vijand, langs dit pad, - Een van ons beiden moet ten onder ... - - Palamon en Arcite. - - -Ik stond op en ging overeenkomstig Jarvie's raad naar de hoogeschool, -gewoonlijk »het Collegie" genoemd, minder met het oogmerk om afleiding -te zoeken, dan wel om mijne gedachten te regelen en over het door -mij van nu af te houden gedrag na te denken. Ik ging langs het oude -schoolgebouw en kwam eindelijk in den tuin van het College, waar -ik, daar het juist in de leeruren was, eenzaam op en neer wandelde, -geheel verdiept in bespiegelingen over mijn zonderling lot. - -De omstandigheden aan mijne eerste ontmoeting met Robbert Campbell -verbonden, lieten mij geen twijfel over, dat hij zonder schroom de -eene of andere koene onderneming zou wagen. De tegenzin, waarmede -Jarvie over dezen man en diens betrekkingen, als ook over het -gebeurde van den vorigen nacht sprak, versterkte mij niet weinig -in mijn vermoeden. Tot dezen mensch had zich echter Diana Vernon, -naar het scheen, ten mijnen voordeele gewend, en in de handelwijze -van den heer Jarvie jegens hem waren goedheid, ja zelfs hoogachting, -met medelijden en afkeuring op vreemde wijze vereenigd. Er moest toch -iets zeer buitengewoons in Campbells toestand en denkwijze wezen, -en wat mij nog zonderlinger voorkwam, zijn noodlot scheen invloed -op het mijne te hebben, en daarmede in verband te staan. Ik nam het -besluit, om bij de eerste voegzame gelegenheid, bij Jarvie nader aan -te dringen, ten einde zoo veel mogelijk aangaande den geheimzinnigen -man uit te vorschen. Ik wilde beoordeelen, of ik, zonder nadeel voor -mijn goeden naam, mij in eenige betrekking tot hem zou kunnen stellen, -waartoe hij mij scheen uit te noodigen. - -Zoo peinzende, wandelde ik verder. Plotseling toevallig opziende, -ontwaarde ik aan het einde van de laan, waarin ik slenterde, drie -mannen, die met elkander in ernstig gesprek schenen te zijn. De -levendige indruk, die ons vaak de nabijheid van iemand, die wij -liefhebben of haten, op onverklaarbare wijze aankondigt, lang voordat -een onverschillig oog hem herkennen kan, deed in mij de overtuiging -ontstaan, dat de middelste van die drie mannen Rashleigh Osbaldistone -moest wezen. Mijn eerste voornemen was, hem aan te spreken; mijn -tweede, hem gade te slaan, tot hij alleen zou zijn, of ten minste -degenen, die zich bij hem bevonden, eens op te nemen, eer ik naar -hem toeging. Zij waren nog zoo ver verwijderd en zoo verdiept in -hun gesprek, dat ik tijd genoeg had, om onbemerkt achter eene heg -te sluipen. - -Deftige jonge lieden droegen in dien tijd op hunne morgenwandelingen, -dikwijls een scharlaken mantel, meestal met goudgalon -bezet. Modeheertjes hadden daarbij de gewoonte, op coquette manier -daarmede hun gelaat gedeeltelijk te verbergen. Op dezelfde wijze -bedekt en achter de heg verborgen, kon ik mijn neef voorbijgaan, -zonder door hem of de anderen gezien, of ten minste voor iets meer -dan een vreemdeling gehouden te worden. Intusschen was ik niet weinig -onthutst, toen ik in Rashleigh's gezelschap mijn voormaligen aanklager -Morris herkende, en--den koopman Mac-Vittie, wiens stroef en streng -gelaat den vorigen dag zulk een onaangenamen indruk op mij had gemaakt. - -Dit was wel een slecht teeken voor mijne en mijns vaders -aangelegenheden. Ik herinnerde mij de valsche aanklacht, welke -Morris tegen mij ingebracht had. Hij kon zich misschien tot eene -nieuwe aanklacht even gemakkelijk laten verleiden, als hij door -vrees tot het herroepen van de eerste was gedwongen. Ik dacht aan -den heilloozen invloed, dien Mac-Vittie op mijns vaders zaken had, -zoo als uit Owen's gevangenneming genoegzaam bleek. Nu zag ik deze -beide lieden in gesprek met hem, wiens duivelsche bekwaamheid om -onheil te stichten ik door en door kende, dien ik diep verfoeide, -ja zelfs bijna vreesde. - -Toen zij eenige schreden verder waren gegaan, keerde ik om en volgde -hen ongemerkt. Aan het andere einde der laan scheidden zij. Morris en -Mac-Vittie verlieten den tuin, Rashleigh kwam geheel alleen de laan -af. Ik besloot hem te gemoet te gaan, hem aan te spreken en vergoeding -voor de schade te eischen, welke hij mijn vader had aangedaan, -ofschoon ik nog niet zag op welke wijze die vergoeding van hem zou -kunnen verkregen worden. Maar dit zou van later zorg zijn. Na mijn -mantel teruggeslagen te hebben, trad ik door eene opening in de heg, -Rashleigh, die in gepeins verdiept scheen, te gemoet. - -Rashleigh liet zich door onverwachte gebeurtenissen niet licht -verrassen, nog minder schrik aanjagen. Toch was hij, toen hij mij -zoo vlak voor zich zag en op mijn gelaat diepe verontwaardiging las, -blijkbaar onthutst. Mijne verschijning kwam hem onverwacht. - -»Goed, dat ik u aantref!" zeide ik. »Juist wilde ik eene verre reis -ondernemen, om u op te sporen." - -»Dan kent gij hem, dien gij zocht, in het geheel niet!" antwoordde -Rashleigh, met zijne gewone, onwrikbare bedaardheid. »Mijne -vrienden weten mij gemakkelijk te vinden en mijne vijanden nog -gemakkelijker. Uwe zonderlinge wijze van u bij mij aan te melden, -noodzaakt mij u te vragen, onder welke rubriek ik Frans Osbaldistone -moet plaatsen?" - -»Onder die van uwe vijanden," hernam ik, »ja, van uwe doodvijanden, -zoo gij niet terstond jegens mijn vader, uw weldoener, als eerlijk man, -rekenschap afleggen en uw plicht wilt doen." - -»En aan wien, mijnheer Osbaldistone, aan wien zou ik, deelhebber in -uws vaders zaak, van mijne handelwijze en doen, welke ik in alle -opzichten mijne eigene mag noemen, gedwongen worden rekenschap te -geven? Toch niet aan een jongeling, die zoo veel smaak voor de fraaie -letteren bezit, dat dergelijke koopmanszaken hem allergeweldigst zouden -vervelen, daar ze voor hem volstrekt onverstaanbaar zouden zijn." - -»Uwe spotternij is geen antwoord op mijn eisch! Ik laat u niet los, -voor ik volkomen inlichtingen heb erlangd aangaande het bedrog, dat gij -voornemens zijt te plegen. Anders zult gij met mij voor den rechter!" - -»Ook al goed," zeide Rashleigh en deed een paar schreden, alsof hij mij -vergezellen wilde: doch plotseling bleef hij staan en vervolgde: »Wilde -ik thans doen wat gij beweert, dan zoudt gij ras ondervinden, wie -van ons beiden de meeste reden heeft om het gerecht te vreezen. Maar -ik wil uw ongeluk niet verhaasten. Ga, jongeling, vermaak u in uwe -dichterlijke wereld en laat de behandeling van ernstiger zaken aan -lieden over, die zich daarop verstaan en aan wie die behandeling best -toevertrouwd is." - -Zijn oogmerk was, naar ik geloof, mij boos te maken, en het gelukte -hem.--»Deze toon van ijskoude onbeschaamdheid zal u niet baten!" zeide -ik. »Beter ware het dat gij u herinnerdet, dat de naam dien wij beiden -voeren, nooit beleediging duldde, en dat hij ook in mijn persoon aan -geene beleediging zal blootgesteld zijn." - -»Gij herinnert mij," zeide Rashleigh, terwijl hij een dreigenden blik -op mij wierp, »dat de naam in mij beleedigd is, en gij herinnert mij -tevens door wien. Verbeeldt ge u dan, dat ik den avond vergeten heb, -toen gij zoo goedkoop, ten mijnen koste en ongestraft, den pocher -speeldet? Voor deze beleediging--ze kan slechts door bloed afgewasschen -worden,--en daarvoor, dat gij meer dan eens, en steeds tot mijn nadeel, -mij in den weg zijt getreden; daarvoor, dat gij met eene halsstarrige -dwaasheid mijne plannen tracht te verijdelen, welker hoog belang gij -noch kent, noch in staat zijt te waardeeren--voor dat alles zijt gij -mij eene geweldig groote voldoening schuldig. Weldra zal de dag der -afrekening aanbreken." - -»Hoe eerder hoe liever!" gaf ik ten antwoord; »ik zal bereid zijn -om mij te verantwoorden. Maar gij schijnt het belangrijkste punt -van aanklacht vergeten te hebben: dat ik het genoegen heb gesmaakt, -freule Diana Vernon behulpzaam te zijn, zich uit uwe schandelijke -strikken te redden." - -Vlammen schoten plotseling uit zijn somber oog op deze hem diep -treffende woorden. Toch behield zijne stem den bedaarden toon, -waarop hij tot dusver tegen mij gesproken had.--»Ik had eigenlijk -geheel andere oogmerken met u, jongeling," antwoordde hij; »oogmerken, -minder gevaarlijk voor u en meer overeenkomstig met mijn karakter en -mijne vroegere vorming. Maar ik merk, dat gij volstrekt de tuchtiging -wilt ontvangen, welke uwe jongensachtige onbeschaamdheid zoo zeer -verdient. Zoo ga met mij naar eene meer afgelegen plaats, waar wij -geen stoornis behoeven te vreezen." - -Ik volgde hem, zorgvuldig zijne bewegingen gadeslaande, omdat -ik hem tot de laaghartigste en vuigste daad volkomen in staat -achtte. Wij kwamen op een ruime plek in eene soort van tuin, naar -Hooglandschen smaak aangelegd, met geschoren heggen en eenige gipsen -standbeelden. Gelukkig voor mij dat ik op mijne hoede was. Want -Rashleigh had zijn degen getrokken en viel op mij aan, eer ik mijn -mantel afleggen en insgelijks den degen trekken kon. Ik sprong een -paar schreden achteruit, en redde daardoor mijn leven. Het verschil -van onze wapenen verschafte hem intusschen eenig voordeel, daar zijn -degen langer en driehoekig was, de mijne daarentegen eene vlakke en -tweesnijdende kling had, en bovendien niet zoo licht als de zijne -te hanteeren was. Overigens waren wij tamelijk gelijk. Het voordeel, -dat mijne meerdere bekwaamheid en vaardigheid mij gaven, werd tegen -Rashleigh's groote sterkte en vooral door zijne koelbloedigheid -genoegzaam opgewogen. Hij vocht meer als een duivel dan als een mensch, -met eene verwoede verbittering, slechts bedwongen door die ijskoude -kalmte, die aan zijne slechtste daden een nog slechter voorkomen gaf, -den schijn namelijk van bedaard overleg. Zijn boosaardig doel deed -hem geene onvoorzichtigheid begaan. Alle listen en kunstgrepen werden -door hem beproefd. Dat hij aan het gevecht het schrikkelijkste eind -poogde te geven, was mij spoedig duidelijk. - -In het eerst vocht ik met de meest mogelijke kalmte. Ik was, -weliswaar, in hevigen toorn ontstoken, doch volkomen mij zelven -meester. Gedurende een gang van twee of drie minuten, had ik tijd -genoeg om te overwegen, dat Rashleigh mijn bloedverwant, de zoon van -een oom was, die zich op zijne wijze vriendelijk en welwillend jegens -mij betoond had, en dat zijn dood door mijne hand, groote droefheid -onder mijne nabestaanden zou veroorzaken. Mijn eerste besluit was, -mij op het ontwapenen van mijne tegenpartij toe te leggen, wat ik, -op mijne meerdere bekwaamheid en geoefendheid vertrouwende, niet -moeielijk achtte. Ik merkte echter weldra, dat ik mijn man gevonden -had. Een paar stooten, welker gevaarlijke gevolgen ik ter nauwernood -ontging, noodzaakten mij voorzichtiger te zijn. Meer en meer werd -ik echter verbitterd door de zichtbaar verraderlijke pogingen, welke -Rashleigh aanwendde om mij het leven te benemen, zoodat het weldra een -gevecht op leven en dood scheen te zijn. Ja, bijna zou ik daarvan het -slachtoffer zijn geworden, want bij een te driftigen uitval op mijne -partij, gleed ik uit, en kon mij niet spoedig genoeg herstellen, -om den tegenstoot af te weren. Tot mijn geluk had zijn uitval het -bedoelde gevolg niet; de degen drong slechts door mijn rok en vest, -en gleed langs mijne ribben neer; maar Rashleigh stiet met zulk eene -hevigheid, dat het gevest van zijn degen tegen mijne borst trof, en ik -in het eerst wezenlijk meende doodelijk gekwetst te zijn. Naar wraak -dorstende, begon ik met hem te worstelen, hield met mijne linkerhand -den greep van zijn degen vast en nam mijn degen korter, om hem alzoo -te doorboren. Maar ons woedend gevecht werd afgebroken door een man, -die plotseling tusschen ons trad, ons van elkander scheidde en op -gebiedenden toon riep: »Hoe, gij zonen van hen, die dezelfde borst -gezoogd heeft, gij wilt uw bloed vergieten, alsof het vreemd bloed -ware? Bij de hand van mijn vader! hem, die nogmaals een uitval waagt, -klief ik den kop tot op de borst!" - -Ik keek verbaasd op. Het was Campbell. In de hand hield hij zijn -ontbloot Hooglandsch zwaard, dat hij, terwijl hij sprak, over zijn -hoofd zwaaide, als wilde hij daardoor aan zijne bemiddeling nog -meer nadruk geven. Rashleigh en ik zwegen, verrast bij het gezicht -van dezen ongeroepen bemiddelaar. »Denkt gij, mijnheer Frans,--ging -hij voort--dat gij uws vaders crediet herstellen kunt door uw neef -te vermoorden, of u door hem te laten vermoorden? Of gelooft gij, -mijnheer Rashleigh, dat de menschen hun leven en vermogen aan iemand -zullen toevertrouwen, die, wanneer 's lands belangen hem roepen, -als een dronkaard nutteloos twist zoekt? Nu, nu! Kijk mij maar zoo -woest en grimmig niet aan, mijn goede man! Zijt gij boos, dan weet -gij immers wel, tot wien gij u te wenden hebt?" - -»Mijn tegenwoordige toestand alleen maakt u zoo vermetel," hernam -Rashleigh, »anders zoudt gij het zeker niet gewaagd hebben, u met -eene zaak te bemoeien, waarbij mijne eer op het spel staat." - -»Zoo, zoo, zie eens aan! Vermetel? En waarom is dat zoo vermetel? Gij -moogt rijker zijn dan ik, mijnheer Osbaldistone; dat is zelfs zeer -waarschijnlijk. Gij moogt ook veel geleerder zijn, dat wil ik vooral -niet betwisten. Maar gij zijt, dat durf ik bezweren, noch dapperder -noch van betere afkomst, dan ik. Ook zou het voor mij wezenlijk iets -nieuws zijn te hooren, dat gij zoo braaf waart. Voorts spreekt gij van -durven? Ik heb wel andere dolkoppen, dan gij beiden zijt, in stukken -gehouwen en dacht aan dergelijke wissewasjes, als zij voorbij waren, -volstrekt niet meer dan aan de vlieg, die ik me thans van den neus -knip. Als wij in 't vrije veld waren, in plaats van tusschen deze -twee muren, zou ik u wel aandurven!" - -Rashleigh had zich geheel hersteld. »Mijn neef," zeide hij, »kan niet -ontkennen, dat hij mij tot dit tweegevecht gedwongen heeft. Ik heb geen -twist gezocht. Intusschen is het mij zeer aangenaam, dat wij gestoord -zijn geworden, eer ik zijne voorbarigheid strenger getuchtigd had." - -»Zijt gij gekwetst?" vroeg Campbell mij met deelneming. - -»Slechts een schram," antwoordde ik, »en mijn waarde neef zou zich niet -lang verhoovaardigd hebben, als gij niet tusschenbeiden gekomen waart." - -»Dat geloof ik gaarne. Mijnheer Rashleigh, ik heb het gezien!" zeide -Campbell. »Zijn koud staal en uw warm bloed zouden weldra met elkander -in aanraking zijn gekomen, als ik hem niet juist bij tijds bij den -arm gevat had. Maar kijk daarom zoo knorrig niet! Kom vriendje, gij -gaat met mij. Ik heb u wat nieuws te vertellen, dat u wel bekoelen -en tot bedaren brengen zal." - -»Houd het mij ten goede," zeide ik tot Campbell. »Bij meer dan ééne -gelegenheid hebt gij u dienstvaardig, welwillend, ik zou bijna zeggen, -vriendschappelijk jegens mij betoond. Maar dezen man laat ik niet -los, voordat hij mij dat, waarvan hij zich op eene trouwelooze wijze -meester heeft gemaakt, weder in handen heeft gegeven, opdat mijn -vader als eerlijk man zijne verplichtingen kan gestand doen." - -Ik vatte Rashleigh in de borst. Hij bood geen tegenstand, maar zeide -met een spottend glimlachje: »Nu ziet gij het zelf, Mac-Gregor, -dat hij roekeloos zijn ongeluk wil. Is het mijne schuld, als hij -het slachtoffer zijner dolzinnigheid wordt? De bevelen tot zijne -gevangenneming zijn reeds gegeven, en alles is gereed." - -De Schot geraakte blijkbaar in verlegenheid. Hij zag naar alle kanten -om en zeide eindelijk: »Ik duld het toch niet, dat men hem mishandelen -zal, omdat hij voor den vader, die hem het leven gaf, ook zijn leven -veil heeft. Vervloekt zijn al de rechters, schouten, gerechtsdienaars, -en hoe dat satansche vee, dat ons arm Schotland sinds eene eeuw plaagt -en kwelt, al heeten moge! Dat waren andere tijden, toen ieder zijn -eigen have en goed met eigen vuist beschermde. Toen werd men hier -te lande met geen bevelen van gevangenneming en dergelijk lastig -geschrijf bedrogen. Ja, ik zeg het nog eens: mijn geweten duldt niet, -dat men dezen armen jongen iets kwaads zal aandoen en dan nog wel op -zulk eene verachtelijke wijze. Liever wilde ik, dat gij samen nog -eens van leer trokt en de zaak, als wakkere mannen en fatsoenlijke -lieden, vereffendet." - -»Zoo, zoo, Mac-Gregor, gij spreekt daar van een geweten," viel -Rashleigh hem in de rede, »gij schijnt dus vergeten te hebben, sedert -hoe lang wij elkander reeds kennen." - -»Ja, ik spreek van mijn geweten!" herhaalde Campbell of Mac-Gregor, -of hoe hij zich anders noemen mocht. »Ik bezit waarachtig zulk een -ding. Misschien heb ik hierin iets op u voor. Als gij weet wie ik -ben, dan weet gij ook, door welke behandeling ik dat ben geworden, -wat ik ben, en hoe gij daarover ook denken moogt, ik ruil met den -hoogmoedigsten der onderdrukkers niet, die mij gedwongen hebben in de -bosschen eene schuilplaats te zoeken. Wat gij zijt, mijnheer Rashleigh, -en welke verontschuldigingen gij kunt aanvoeren voor datgene wat -gij zijt, dit is eene zaak tusschen uw hart en Gods oordeel. En nu, -mijnheer Frans, laat hem los. Hij heeft gelijk met te zeggen, dat -gij het gerecht meer te vreezen hebt dan hij. Al ware uwe zaak zoo -recht als een pijl, hij zou wel middelen weten te vinden om ze krom -te maken. Laat hem los, zeg ik!" - -Deze laatste woorden ondersteunde hij met zulk een plotselingen -en tevens krachtigen ruk, dat hij Rashleigh aan mij ontweldigde, -en mij tevens, in weerwil van mijn tegenstand, zóó vasthield, dat -ik mij volstrekt niet verroeren kon. »Ga heen, Rashleigh!" zeide -hij. »Gebruik thans uwe beenen nog eens zoo knap, als gij uwe handen -gebruikt hebt. Het zal de eerste maal niet zijn. Laat zien hoe vlug -gij loopt." - -»Dank het dezen man, dat ik u thans niet geheel betaald heb," zei -Rashleigh. »Ik verlaat u, maar ik hoop, dat wij elkander spoedig weder -zullen ontmoeten, en dan niet op dergelijke wijze gestoord worden." - -Met deze woorden nam hij zijn degen op, stak hem in de scheede en -verdween tusschen de heggen. De Schot belette mij, deels door geweld, -deels door zijne krachtige taal, om mijn neef te volgen. Ik begon -meer en meer te begrijpen, dat het mij ook weinig baten zou. - -»Wel, wel!" zeide Campbell, toen hij zag, dat ik na eenige vruchtelooze -pogingen stil bleef staan; »nooit zag ik zulk een dollen knaap als -u! Als iemand anders mij zoolang getergd had, zou ik hem plat op den -grond gesmeten hebben! Wat duivel wildet gij toch? Den wolf in zijn hol -volgen? Weet gij wel, jongen, dat hij den ouden val weder opengezet -heeft? Hij heeft dat wezen Morris overgehaald, de oude historie op -te warmen, en thans kunt gij van mij geen hulp verwachten, als bij -den vrederechter Inglewood. Het is niet goed voor mijne gezondheid, -dat ik met de trawanten van de gerechtigheid, alle vervloekte Whigs, -zoo familiaar word. Gij kunt nu ongehinderd huiswaarts keeren, -als een brave jongen. Ga dus heen en blijf bedaard. Maar vooral -moet gij uw neef en Morris wat ontwijken, alsmede dien ellendigen -Mac-Vittie. Herinner u de herberg te Aberfoil, zoo als ik u -reeds gezegd heb, en vertrouw op het woord van een man van eer, -er zal u geen leed geschieden. Maar blijf bedaard tot wij elkander -wederzien. Ik moet u verlaten om Rashleigh de stad uit te brengen, -voordat er iets ergers gebeurt; want waar hij eene rol speelt, loopt -het altijd slecht af. Denk aan Aberfoil." - -Met deze woorden verliet hij mij. Mijne eerste zorg was thans, -mijne min of meer gehavende kleeding weder in orde te brengen en mij -zoo in mijn mantel te wikkelen, dat men het uit mijne rechter zijde -druppelende bloed niet zien kon. Nauwelijks was dit geschied, of de -kweekelingen van het College verschenen, daar de leeruren geëindigd -waren, in den tuin. Ik verwijderde mij spoedig. Op mijn weg naar -Jarvie's woning, waar het nu bijna tijd moest zijn om het middagmaal -te houden, trad ik een stillen winkel binnen, welks uithangbord -aankondigde, dat daar Christopher Neilson, chirurgijn en apotheker, -woonde. Een kleinen jongen, die iets in een vijzel stampte, verzocht -ik, mij gehoor bij zijn patroon te verschaffen. De jongen opende de -deur der achterkamer, waar een opgeruimd oud man zat, die mij naar -mijn verlangen vroeg. Hij schudde ongeloovig het hoofd, toen ik hem -overtuigen wilde, dat ik door het afbreken van den knop van een floret, -bij eene les in het schermen, gekwetst was geworden. Hij legde iets -op de weinig beteekenende wond, en zeide: »Deze wond is nooit door -een afgebroken kling toegebracht. Ja, ja, die jeugd, die jeugd! Maar -wij, heelmeesters, zijn aan geheimhouding gewend. Als er geen driftig -bloed en geen al te vurig bloed was, wat zou er van de beide geleerde -faculteiten worden?" - -Met deze wijsgeerige opmerking liet hij mij vertrekken. Mijne wond -deed mij zeer weinig pijn. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXVI. - - - Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen, - Hij hoont den zachten aard van 't vlakland, hoont die dwergen. - - Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond, - Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond: - Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land. - Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand. - - Gray. - - -»Ge komt laat?" vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn -vriendelijken gastheer binnentrad. »Reeds vijf minuten geleden heeft -het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met het opdisschen -gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn -overleden vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte." - -Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven -en zette mij aan tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn -vriend Owen en mij aanhoudend noodigde, toch toe te tasten en zijne -Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter niet -zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de -gebruiken der wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende -uitnoodigingen fatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar -kluchtig was het te zien, hoe Owen, die veel strenger begrippen -omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke welwillendheid -den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met -droevige gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond -bracht, door zijn keel duwde, en alle gerechten hemelhoog roemde, -ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat het roemen er van -hem evenveel moeite kostte als het eten zelf. - -Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met -brandewijn-punch gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen -drank te bereiden, van zekeren kapitein Coffinkey had geleerd, die, -zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf geleerd had onder de -kapers. »Maar het is toch lekker," zeide hij, »en goede waren komen -dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een -braaf man, toen ik hem kende:--alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is -nu dood.--Ik hoop dat hij genade gevonden heeft." Dezen drank, dien wij -hier voor de eerste maal proefden, vonden wij zeer smakelijk. En toen -Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke hij daartoe bezigde, -op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond -er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die -sedert de vereeniging van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en -de Britsche Koloniën in de West begonnen was, en over de voordeelen, -welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche markten te -zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte, -om ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen, -beantwoordde Jarvie wel wat driftig, maar vrij vaardig.--»Neen, -neen!" zoo eindigde hij, »laat elken haring aan zijn eigen kop -hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat -wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet -zouden kunnen volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig -aangenaams, mijnheer Osbaldistone," vervolgde hij, toen hij bemerkte, -dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar gij weet immers wel, -dat ieder 't liefst over zijn beroep of handwerk spreekt." - -Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst -moeielijken toestand aan en de voorvallen, welke mij nog voor -weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo kreeg ik gelegenheid om -mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen. Van mijne -onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel -opmerkzaamheid en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij -met zijne kleine grijze oogen pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij -van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen in de rede viel. Toen -ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne ten -hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep -plotseling: »dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den -degen tegen zijn bloedverwant te trekken, zie, dat is door goddelijke -en menschelijke wetten verboden, en den degen te trekken in de straten -van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis. De -tuin van het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene -plaats van rust en vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke -die heeren daar genieten, konden zij er, dunkt mij, wel voor zorgen, -dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet afsnijden, noch dat -die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk, als -ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of -zij smijten mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?..." - -Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong -Jarvie verrast op en liep in de kamer op en neer.--»Al weder die -Robbert! Die Robbert is dol, volslagen dol! Hij zal nog opgehangen -worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande strekken: -dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne -eerste kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem -de laatste das draaien. Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar -de galg. Maar verder, verder!" - -Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon, -maar Jarvie vond nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder -tegenzin, op mijn avontuur met Morris en mijne eerste ontmoeting -met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam geluisterd had, -verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.-- - -»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om -raad vragen," vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en -doelmatigste middelen aan de hand doen, om voor mijns vaders belangen -en mijne eer met goed gevolg werkzaam te zijn." - -»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!" hernam Jarvie. »Vraag -steeds raad bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet -als een tweede goddelooze Rehabeam, die met jonge baardelooze knapen -raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die aan de voeten van -zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer juist -aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar van eer wil ik -liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer -begaat dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op -de publieke straat; maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man, -die stil te huis zit en vlijtig rekent." - -»Juist, mijnheer Jarvie!" zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak, -en als wij deze slechts redden kunnen...." - -»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!" hernam Jarvie. »Gij spreekt als -een verstandig koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne -geloof ik, dat hij dezen jongen heer van dienst zal zijn, zoo hij er -toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed hart, die arme Robbert, -en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren, en al -mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten, -ik zeg toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!" - -»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?" vroeg ik. - -»Nu ja!" antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn -Hooglandsch. Eerlijk op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen." - -»Maar gelooft gij dan," vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn, -om mij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de -plaats begeven, waar hij mij genoodigd heeft?" - -»Hoor eens, eerlijk gesproken," hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite -wel loonen. Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven -kunt. Die ellendige Morris heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje -gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel, dat hij eigenlijk niets -anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en een -hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op -allerlei wijzen plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen -u hernieuwt--dan moet de overheid er zich aan laten gelegen liggen; -en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren kunnen opsluiten, -wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn." - -»Dat begrijp ik wel!" hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn -vader een dienst zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar -zal waarschijnlijk het hoofdtooneel van Rashleigh's streken zijn. En -zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een man overgeven, van -wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest, -waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim, -zeker gevaarlijk doel te bereiken, een nauw verbond met den man -heeft gesloten, die waarschijnlijk de oorzaak en bewerker van ons -ongeluk is." - -»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!" zeide Jarvie; »waarlijk veel -te streng en onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen -toegaat, in het Hoogland, zoo als wij het noemen. Dat is dáár een -geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár zijn geene gerechtshoven, -geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder ze ooit -uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt, -zijne lieden moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange -dolken. Het zwaard is de aanklager, het schild is de aangeklaagde, en -de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen wij Hooglandsche justitie." - -Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet -veel lust om zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken, -te bezoeken. - -»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen," vervolgde Jarvie, -»omdat ze ons genoegzaam bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland -bij Engelschen en vreemden zwart te maken en zijne maagschap te -vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt." - -»Welzeker!" antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid, -maar wezenlijk belang noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het -mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik u om meer inlichtingen -verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene -landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man, -wiens ervaring en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal -kunnen zijn." - -Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.--»Wat ervaring -betreft?" hernam Jarvie. »Ja, ervaring kan men mij zeker niet -ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek gedaan. Andries -Wylie, vroeger bij mij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp., -maar komt wel eens 's Zaterdagmiddags hier, om een slokje te drinken -bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen wever -laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een -ouden handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd -ook niet. Ja, ik heb er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor -den hertog van Argyle te laten schijnen of voor zijn broeder, Lord -Hay,--waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!--Maar zulke -voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.--Wat -zou een arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den -persoon, die iets zegt, dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel -jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van hem spreken. Immers staat er -geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer: de vogelen -des hemels zouden het overbrengen." - -Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen -de noodige of liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn -woorden dus maar af door de verzekering, dat hij Owen en mij volkomen -vertrouwen kon. - -»Neen," antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees -niemand. Waarom zou ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als -hoogverraad zou kunnen beschouwd worden. Maar de Hooglanders hebben -lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft, om -dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten -liefst in goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo -mijne eigen opmerkingen heb gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit -de eenige menschelijke kennis is, welke zich stellig laat bewijzen." - -Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en -Jarvie vervolgde: »Dat Hoogland is eene woeste streek vol heuvels, -bosschen, holen, meren, rivieren en bergen; ja, waarachtig! De -duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen wilde -vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel -beter zijn of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en -dertig kerspelen wezen, Of zij daar allen Gaelisch spreken of niet, -kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw, -geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig -op achthonderd menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar, -en ik tel er dan een vijfde bij voor kinderen van negen jaar, dan -bedraagt de gansche bevolking...." - -»Juist 220,800 zielen," viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn -schik was met deze statistiek. - -»Precies en vlug uitgerekend!" zeide Jarvie. »En daar in het Hoogland -elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen draagt, -hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar -nu moet gij in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid -is, dat landbouw, veeteelt, visscherij en andere eerlijke bedrijven -niet aan de helft van het volk werk verschaffen, al arbeidt het ook -nog zoo traag--en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spade -gloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen -bedraagt nu...." - -»Juist 110,400, als de helft van de geheele som." - -»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze -laatste helft mogen nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die -tot den wapenhandel bekwaam zijn en ook de wapens dragen. Zij denken -er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen, al konden zij -dat ook, maar zij kunnen het niet eens." - -»Hoe is het mogelijk!" viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad -een treurige toestand zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der -Britsche eilanden!" - -»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is," hernam -Jarvie. »Wanneer ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen -behoeft--wat in zulk een armzalig land reeds veel is--en tevens -weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal koeien, -dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van -zes zielen, of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen, -die arbeiden en zich daarvoor desnoods met zure melk en haverbrei -voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven, weet geen mensch!" - -»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien -toestand denkt!" riep ik uit. - -»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid -leefdet!" antwoordde Jarvie. »Neem zelfs aan, dat de helft van hen -nu en dan in de Laaglanden het een of ander vindt, waarmede zij zich -kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi- en -oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden, -ja duizenden Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden -en ook geen gebrek willen lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost -en inwoning vinden, of ook wel daarvan leven, dat zij doen wat het -hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht zijn. Vele -honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat -te halen is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is -toch maar erg in een Christenland. En wat nog wel het allerergste is, -zij zijn er trotsch op en achten het een dappere daad, als zij eene -kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij zich -gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen -dagloon te arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij -bevelen het stelen. Zij rooven wel niet zelf, maar verbieden het -ook niet, en verleenen den dief bescherming en schuilplaatsen in -hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is. Elk -Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne -»clan", zoo als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of, -wat hetzelfde is, zoo vele als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke -wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven zij met geweer en pistolen, -met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra het den -»heer" slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben -zij het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij -eene plaag voor hunne vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier -in West-Schotland." - -»En is die neef van u," vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een -van die »heeren", welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?" - -»Neen," hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als -men hen noemt. Hij is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne -familie. Hij is, zooals ik gezegd heb, een bloedverwant van mij. Want -ons bloed is edel Hooglandsch bloed.--Hierop laat ik mij, zoo als -gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent -niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader, -aan mijn vader zaliger, de hemel zij hem genadig!--allen beginnende; -»waarde Jarvie!" en eindigende »uw liefhebbende neef." Zij handelden -meestal over geleend geld--zoodat mijn vader, die heel voorzichtig -was,--ze steeds bewaarde." - -»Maar al is hij dan," viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen, -van wie ik zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij -in elk geval toch in het Hoogland zeer veel invloed?" - -»Dat zou ik meenen!" zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent -hem. Robbert was eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man, -zoo als men er onder tien duizend geen beter zou hebben kunnen -vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en in zijne -bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in -den gordel, wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde -met een dozijn wakkere knapen, even ruw en woest, als de dieren die -zij dreven. In den handel was Robbert steeds beleefd en eerlijk, en -als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht had, -gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij -wel eens op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen." - -»Vijf en twintig procent!" riep Owen uit; »een zwaar disconto!" - -»Ja, die gaf hij terug," hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij -begreep, dat de kooper een behoeftig man was, die volstrekt geen -verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke tijden, en Robbert -waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem -honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een -rijke buurman, vielen als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men -zegt zelfs, dat men zijne vrouw het huis uitgeworpen en daarenboven -schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak! Zie, ik -ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had -iemand mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt, -dat zij Robbert's vrouw mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat -ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde zwaard aan te gorden, -dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt -heeft. Toen Robbert te huis kwam--och arme! vond hij verwoesting, -waar hij overvloed had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar -het westen, naar alle kanten heen, maar vond nergens toevlucht, nergens -troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts diep in de oogen, gespte -het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons verloren!" - -Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goeden -Jarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap -met dien Hooglander heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij -openlijk diens stamboom scheen te verachten. Van den vriend in welvaart -sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne deelneming aan zijne -rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker maakte. - -»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht -werd,"--begon ik, toen Jarvie zweeg--»werd hij vermoedelijk een van -die roovers, die gij ons zoo even afgeschilderd hebt?" - -»Neen, zoo slecht werd hij niet," hernam Jarvie, »zoo slecht niet; -maar hij ging aan het heffen van »de zwarte belasting [9]. Ja, hij -dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te -voren gewaagd had." - -»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?" vroeg ik. - -»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem -blind volgden. Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam, -die het lang tegen den Koning, het Parlement, en zelfs tegen de Kerk -heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe men hem ook vernederd -heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen -hooren.--Nu, wat ik ook zeggen wilde--ja, Robbert had weldra vele -dappere metgezellen; en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen -van het Hoogland zoo vele plunderingen en rooverijen gepleegd werden, -zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch voor elke -honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou -houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan -zelfs een enkelen spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar -Robbert daarvan kennis geven, en die bezorgde hun het gestolene terug, -of betaalde de volle waarde. En hij hield steeds getrouw woord--ja, -dat moet ieder erkennen--Robbert houdt altijd woord." - -»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!" hernam -Jarvie; »dergelijke heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk -strafbaar. Maar wanneer de wet mijne schuren en mijn stal niet kan -beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch akkoordje met een -Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop." - -»Maar is dat contract van assurantie," vroeg ik, »zoo als de heer Owen -het noemt, volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt -dan, wanneer iemand weigert zich aan die belasting te onderwerpen." - -»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!" zei Jarvie lachend, -terwijl hij den vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker -iederen vriend, met Robbert zulk een akkoordje te maken; hij zal er -zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam zijn als men wil, -in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst -waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zich met die -gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar -in den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare -schade, dat zij dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee -gestolen werd, en nu achten de meesten het raadzaam, met Robbert zulk -een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten meent hij -het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den -duivel te doen." - -»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten -min of meer verkorven?" - -»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt," hernam Jarvie. »Zijn -hals zou wel ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig -konden worden. Maar Robbert heeft zeer vele goede vrienden onder de -grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke familie kunnen noemen, -die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen te doen -zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door -zoo menig dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek -zou kunnen schrijven, even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol -van stoute daden en wonderbare reddingen, zoo als men des winteravonds -gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling is het toch: -ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want -mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen -op het stadhuis, waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand -sprak, zelfs zijne vrouw, mijne lieve moeder niet. Maar gelooft gij -wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren aan die koene -avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is, -soms liever hoor dan een stichtelijk woord--de Heere vergeve mij de -zonde! Toch zijn het ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien -strijdig met Gods woord en wet." - -Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed -Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?--»Gij moet weten." vervolgde -Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders--ik spreek hier -immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding--sedert -het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen -werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe -gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig -duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin -Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne -onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo -hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet -in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden -rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen -kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden -gekomen--doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in -het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet -meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij -best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg, -en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen -samenfluiten kan, welke allen zijn wil volbrengen--waarachtig, zoo -iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter -leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet -een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden, -even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat -gebeurt eer er nog één jaar verloopen is. - -»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders -zaak daarmede te maken heeft." - -»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen," vervolgde -Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste -Hooglanders--want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van -hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij -de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden -en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men -dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft -ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge -Osbaldistone waren geweest--ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer -Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van -mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu, -nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar -ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een -handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh -zelf geweest, of ten minste een van uwe neven--die zijn toch allen -van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de -regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is -echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt, -tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk -niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En -Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan -en redden kon door den arm der justitie." - -»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie," zeide ik. »Ik ben -dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken..." - -»Gij hebt het vermoed?" hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar -het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben, -welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat -uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig -jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel -beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten -van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor -wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden -overal een schier onbepaald crediet. Want--ik zeg het den heer Owen, -zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug--geen kantoor -was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo, -tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche -heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet, -maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig -op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk de meeste hunner wissels -disconteeren. Op deze wijze.... merkt gij dan niet, waar ik heen wil?" - -Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte. - -»Welnu," vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de -Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die -hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang -doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het -u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde -kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de -wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo -uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?" - -Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste -mij.--»Gelooft gij dan," zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit -ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders -te bespoedigen?" - -»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest," hernam -Jarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is -nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig -beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste -wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft -medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne -pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er -contanten voor wilden geven--ik heb dat uit de derde hand. Maar die -sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun -innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om -honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in -Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was -hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig -gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij -wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan -den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen -is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof -zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden." - -»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?" vroeg ik. »Is -hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht -om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave, -die de ontwerpen van zijne partij zou schaden." - -»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen," hernam Jarvie. »De -grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen -denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij -op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden, -dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane -aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen -het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper -beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het -voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was, -zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in -zijne benarde omstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets, -wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier." - -»Een boos dier?" vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?" - -»Robberts vrouw," hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van -een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt -niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor -koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij -willen ophangen." - -»Vreemd," merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche -burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking -moeten staan." - -»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!" hernam Jarvie. »Dat -zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze -Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van -Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te -betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke -vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?" - -»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst -bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest." - -»Dat zou ik denken!" zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds -verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als -men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals -over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs -te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat -ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie -dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook -slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam -kleinood in onze dagen in waarde houden." - -»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde -te gaan," hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou, -dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting -geëvenredigd zijn." - -»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te -vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen -is," zeide Owen. - -»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met -mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar -beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen -der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de -rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat -gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig -hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt -hebben--en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade's-Land; John -Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen -zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal -zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere -zekerheid verlangen." - -Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden -hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij -zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren -terugkrijgen zouden. - -»Wanhoop niet, mijn goede man!" vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo -veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf -en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn -overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan -wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te -paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte, -en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik -niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem -en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb -ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost, -al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker -wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben -mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er -voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden -wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de -wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een -van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert -gebannen--ik wil hun dat in het gezicht zeggen--welnu, dan bestaan er -thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap -te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene -Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!" - -Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur -vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch, -om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje -vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk -tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en -tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat -hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche -avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn -over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon -aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van -zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen. - -Gretig nam ik dus Jarvie's aanbod aan, om hem den volgenden morgen te -vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn -voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om -tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas -te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen -nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al -wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken -van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die -ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne -herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijk afscheid van den -ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik -gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij -te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de -laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXVII. - - - Geen struik, geen plant. - Slechts roestig bruin, is d'aarde. - Geen bij, die 'k honig zaam'len zag; - Geen duif, die ik ontwaarde. - Geen stroom, die lieflijk ruischt, - Geen wind, die door 't geboomte suist. - - (Voorspelling van hongersnood.) - - -Koel was het op dien herfstmorgen, toen ik Andries, zoo als ik hem -gelast had, met de paarden voor Jarvie's woning vond, vlak in de -nabijheid van mijn logement. Op het eerste gezicht bemerkte ik, -dat Andries zijn slecht paard, het edelmoedige geschenk van zijn -rechtsgeleerden vriend, voor een nog veel ellendiger knol verruild had, -die slechts op drie beenen liep, en het vierde in de hoogte hield. - -»Wat moet dat beduiden?" vroeg ik misnoegd. »Waar is het andere paard?" - -»Ik heb het verkocht, mijnheer; het was zulk een vraatzuchtig dier, -dat het zich in de herberg zelf zou opgevreten hebben. Dit heb ik -voor uwe rekening gekocht, en het is een koopje. Elke poot kost een -pond sterling, dat is, sumarum sumorum, netto vier pond. Weliswaar -een beetje stijf als het van stal komt;--dat zal echter gauw slijten -en het is een bekende harddraver." - -»Waarlijk," zei ik, »gij zult niet rusten tot ik u een flink pak -slaag gegeven heb. Ga dadelijk het andere paard halen, of het zal je -berouwen!" Maar Andries stoorde zich noch aan mijn bevel, noch aan -mijne bedreigingen. Hij beweerde, dat hij den kooper van zijn paard -ten minste eene guinje rouwkoop zou moeten geven. Ik merkte weer, -dat ik met een bedrieger te doen had. Ik besloot echter als een echt -Engelschman, geen tijd te verliezen, maar het geld te betalen. Daar -zag ik Jarvie uit zijne woning treden. Hij was in zijn reismantel -gebakerd, als of het een tocht naar Siberië gold. Onder geleide van -zijne Mathilde brachten twee leerjongens het flinke paard voor, dat -bij zulke gelegenheden gewoon was, den eerzamen heer te dragen. Vóór -dat hij zich in den zadel zette, vroeg hij naar de oorzaak van den -twist tusschen mij en mijn knecht. Toen ik hem de zaak had verteld, -riep hij den weerspannigen Andries toe, het paard onverwijld terug -te bezorgen, onder bedreiging, als hij zich langer verzette, hem in -de gevangenis te zetten, en de helft van zijn loon als boete te doen -betalen. »Mijnheer Osbaldistone," zeide hij, »heeft u en uw paard -gehuurd, twee beesten tegelijk. Vooruit, ik zal u onderweg op de -vingers zien! Gauw wat, mannetje!" - -»Hoe! gij wilt mij beboeten?" zeide Andries stoutmoedig. »Ik bezit -immers geen duit. Ge zoudt even goed een Hooglander zijn broek kunnen -ontnemen." - -»Genoeg, praatjes! Zoo gemakkelijk laat de justitie zich niet -afschepen. Wie geen geld heeft, betaalt met zijn rug: dat staat -vast," hernam Jarvie. »Op de eene of andere wijze zullen wij met u -wel afrekenen." - -Er bleef voor Andries niets over dan te gehoorzamen. Hij mompelde -slechts tusschen de tanden; »al te veel heeren! al te veel heeren! zei -het veld tot de egge, toen al de pennen haar staken." - -Hij had blijkbaar weinig moeite, om weder in het bezit van zijn -verkocht paard te geraken, want een paar minuten daarna keerde hij -op zijn ouden Bucephaal terug. Van den rouwkoop werd zelfs geen enkel -woord gerept. - -Wij begaven ons nu op weg, maar nauwelijks waren wij aan -den hoek van de straat, of wij hoorden achter ons luidkeels: -»halt! halt!" roepen. Jarvie's beide leerjongens haalden ons in. De -een stelde zijn heer, uit naam van Matje, een zijden doek ter hand, -met hare aanbeveling, dien toch vooral om den hals te slaan, terwijl -de ander hem, ook uit naam van Matje, onder een schalkschen glimlach, -waarschuwde, toch met water drinken voorzichtig te zijn.--»Ei -wat!" zeide Jarvie, »laat zij daaromtrent maar gerust wezen." Maar -zich tot mij wendend zeide hij: »het is toch een bewijs van een goed -hart, van eene hartelijke zorg voor haar heer, niet waar? Ja, ja, -mijn Matje is een best meisje, zoo zorgzaam en trouw!" - -Met die woorden gaf hij zijn paard de sporen, en zonder verder -opgehouden te worden, geraakten wij buiten de stad. Terwijl wij -langs den straatweg in matigen draf voortreden, had ik gelegenheid, -de voortreffelijke eigenschappen van mijn nieuwen vriend nog nader -te leeren kennen en waardeeren. Weliswaar beschouwde hij, even als -mijn vader, den handel als de gewichtigste bestemming van den mensch, -maar hij was tevens onbevooroordeeld genoeg, om ook de waarde van -andere algemeene kennis op prijs te stellen. Niettegenstaande zijne -zonderlinge grillen, zijn ongemanierd gedrag, zijne ijdelheid, -die juist dan het grappigst was, wanneer hij ze onder den sluier -der nederigheid verborg, ja, ondanks zijn volslagen gebrek aan -wetenschappelijke vorming, liet Jarvie in den loop van het gesprek -helder oordeel, juiste inzichten en vlug begrip blijken, meer dan -men van hem verwacht zou hebben. - -Met de oudheden van het land was hij goed bekend. Hij wist mij -aangenaam bezig te houden met het verhalen van gebeurtenissen, die in -de oorden, welke wij doortrokken, voorgevallen waren. Ook in de oudere -geschiedenis van zijne geboorteplaats was hij vrij goed te huis. En -hij zag met het vooruitziend oog van een schranderen vaderlander reeds -zeer vele voordeelen in kiemen, die later tot bloei en rijpheid gekomen -zijn. Ofschoon een echt Schot en uiterst bezorgd voor den roem en de -eer van zijn vaderland, koesterde hij toch geen bekrompen denkbeelden -en kinderachtige vooroordeelen omtrent het naburige land. Dit merkte -ik met genoegen; toen Andries dan ook het verlies van een hoefijzer -aan den alles bedervenden invloed der Unie toeschreef, kreeg hij een -scherpe vermaning. - -»Zwijg!" riep hij; »wie zoo spreekt, lastert en hitst buren tegen -buren, volken tegen volken op. Niets ter wereld is volmaakt, dat -geldt ook van de Unie. Niemand was sterker tegen de Unie, dan onze -Glasgowers. Hun razen en tieren was toen misschien goed. Maar ik zou -wel eens willen weten, of er, sinds den tijd, toen St. Mungo haringen -in de Clyde ving, wel iets geweest is, dat ons zoo veel voordeel heeft -aangebracht als de handel in suiker en tabak? En heb ik gelijk, dan -heeft ieder ongelijk, die het verdrag afkeurt, dat ons den weg naar -West-Indië geopend heeft." - -Andries Fairservice, wilde dit niet toestemmen. Ja, hij waagde het -grommend daartegen te protesteeren. »Het was een groote verandering -voor Schotland," zeide hij, »dat 's lands wetten nu in Engeland -gemaakt werden. Wat hem betrof, hij zou om alle haringen in Glasgow -en om alle tabaksvaten bovendien, nooit zijne toestemming verleend -hebben tot het afschaffen van het Schotsche Parlement, of het zenden -van de Schotsche kroon en schepter naar Engeland, om bewaakt te worden -door die Engelsche kerels in den Tower te Londen ... Wat zouden Sir -William Wallace, of de oude David Lindsay wel van die mooie Unie gezegd -hebben?" vroeg hij. Jarvie gaf geen verder antwoord. Hij hield niet -van Andries. - -Wij kwamen op eene uitgestrekte vlakte, die steeds woester werd, -naarmate wij ons van Glasgow verwijderden. Eindelijk zagen wij rondom -ons niets dan groote, eenzame, hopeloos kale heiden, die nu en dan -afgewisseld door moerassen, met een bedriegelijk groen overdekt, uit -zwarte veengronden bestaande, of door kleine eentoonige hoogten, die -den naam van heuvel niet verdienden. Geen boom, geen struikgewas gaf -eenige afwisseling. Het oog werd moede door het eenvormige van dezen -onvruchtbaren bodem, waar slechts hier en daar een enkel heidebloempje -opschoot. Wij zagen geen ander levend schepsel, dan somwijlen eenige -ronddolende schapen van eene bonte kleur, meestal met pikzwarten kop en -pooten. Zelfs de vogels schenen deze woestenij te vermijden, trouwens, -geen wonder, daar zij ze zoo gemakkelijk ontvluchten konden. Ik hoorde -niets dan het eentonig geluid van den kemphaan en den kievit. Toch -bleek bij ons middagmaal, dat wij in eene armzalige kroeg namen, dat -hier en daar andere dieren rondzwierven. De waardin dischte ons de -opbrengst der laatste jacht van haar man op, en deze bestond uit eenige -korhoenders en ander soortgelijk wild. Daarbij kregen wij schapenkaas, -gedroogden zalm, haverbrood, slecht bier en uitmuntenden brandewijn, -terwijl onze paarden goed verzorgd werden. - -Een korte poos bleven wij daar. Toen vervolgden wij onze reis. De -versterking, welke ons middagmaal mij gaf, diende ook een weinig, -om een aanval van neerslachtigheid af te wenden, die mij ongemerkt -bekroop, toen ik de zonderlinge onzekerheid van mijn avontuur en het -woeste oord naging, waardoor heen het mij voerde. Onze weg werd al -akeliger. De weinige ellendige hutten, die nog eenige sporen van -menschelijke bewoning verrieden, werden zeldzamer, en verdwenen -eindelijk geheel en al, naarmate het terrein zacht hellend opwaarts -liep. Gedachteloos reed ik voort, toen opeens een bocht van den -weg ons eene reeks donkerblauwe bergen deed aanschouwen, die zich -noordwestelijk in de verte uitstrekten. De toppen dezer bergen -waren schilderachtiger dan de kale en wanstaltige heuvels, welke -wij tot dusver gezien hadden. Ik deed mijn geleider verscheidene -vragen omtrent de namen en de ligging van die zonderlinge bergen; -maar hij scheen er òf niets van te weten, òf geen lust te hebben, -om mij er veel van mede te deelen. - -»Ja, kort gezegd, dat zijn de Hooglandsche bergen," antwoordde hij; -»ge zult nog genoeg daarvan zien en hooren, eer gij weder te Glasgow -komt. Ik wil er niet naar zien. Ik ril als ik ze zie. Vrees is dat -niet--neen, geene vrees, maar medelijden met de arme, verblinde, -half verhongerende menschen, die daar wonen. En vraag mij nu niets -meer. Het is niet goed over de Hooglanders te spreken, als men zoo -dicht bij hunne grenzen is. Menigen eerlijken kerel heb ik gekend, -die zulk een reisje niet zou ondernomen hebben, zonder vooraf zijn -testament te maken. Mijn Matje had er ook vrij wat tegen, dat ik mij -zoo noodeloos ging wagen. Zij schreide zelfs; maar aan dat oor ben -ik doof, want vrouwen hebben hare tranen altijd gereed." - -Ik wilde het gesprek weder op den man brengen, dien wij bezoeken -wilden. Maar Jarvie was ook aan dat oor doof, misschien wel -voornamelijk daarom, omdat Andries zoo dicht bij ons was, dat hij -elk woord kon opvangen en zich ook de vrijheid veroorloofde, telkens -deel aan ons gesprek te nemen. Eindelijk begon dit Jarvie te vervelen, -die hem toeriep: »Blijf achter ons kerel, zoo al u betaamt. Ge wilt u -overal mee bemoeien. Blijf dáár, waar ge t'huis behoort, zeg ik!" Toen -nu Andries niet meer hooren kon, wendde Jarvie zich weder tot mij -en zeide: »Het staat u zeker vrij mij zooveel te vragen als gij -verkiest, mijnheer Osbaldistone, maar mij staat het evenzeer vrij u -al of niet te antwoorden. Veel goeds kan ik van Robbert niet zeggen, -en kwaad wil ik van hem niet spreken. Hij is nu eenmaal mijn neef; -daarbij zijn wij thans dicht bij zijn landstreek, en achter elken -struik kon een van zijne lieden op den loer liggen. Laat u door mij -raden; hoe minder gij over hem spreekt, hoe minder gij laat blijken, -waarheen wij gaan, of wat wij doen willen, des te meer hoop mogen wij -koesteren, onze zaken spoedig in orde te brengen. Want het zou ook -wel kunnen gebeuren, dat wij onder vijanden van hem vielen--hij heeft -vele vijanden. Toch zit zijn hoofd nog vrij vast op zijne schouders, -hoewel ik bijna begin te gelooven, dat zij het hem eindelijk te benauwd -zullen maken en hij voor hen zal moeten zwichten; de rat loopt eens -in den val, is het niet vroeg, dan laat." - -»Ik zal mij geheel door uwe meerdere ondervinding laten leiden," -antwoordde ik. - -»Daaraan zult gij zeer verstandig doen, mijnheer Osbaldistone. Doch -dien babbelaar daar moet ik den mond snoeren. Andries! Andries! hoe -heet ge ook? Kom eens hier!" - -Maar Andries, die sedert de laatste ernstige vermaning ver -achtergebleven was, kwam slechts stapvoets en brommende bij ons. - -»Andries! Schelm! Hier!" riep weêr de heer Jarvie. - -»Hier!" zeide hij. »Zoo roept men een hond!" - -»Ik zal je als een hond behandelen, als je niet let op hetgeen ik je -zeg!--We gaan nu naar de Hooglanden...." - -»Dat dacht ik al...." - -»Zwijg, zeg ik! We gaan naar de Hooglanden...." - -»Dat hebt ge al gezegd," hernam Andries. - -»Houd je mond, zeg ik, of...." - -»Mond houden?" herhaalde Andries. »Ge hebt...." Hier kwam ik -tusschenbeide en gebood hem te zwijgen. - -»Ik zwijg immers al lang," hernam Andries. »Wat gij mij beveelt doe -ik zonder tegenspreken. Mijne lieve overledene moeder zeide altijd: -»kind, wie geld heeft, kan bevelen, en dan gehoorzaamt men gaarne -het geld." Dus praat maar toe, alle beide!" - -»Hoor eens, Andries," viel Jarvie hem in de rede. »Is uw leven -u lief--hoewel het misschien niet veel waard is--denk dan aan -hetgeen ik u thans zeg! De herberg, waarheen wij thans gaan, en -waar wij waarschijnlijk den nacht zullen doorbrengen, wordt vrij -druk door lieden van al de clans bezocht, uit het Hoogland en uit de -Laaglanden. Daar ziet men meer bloote dolken dan open bijbels; vooral -als de drank de hoofden warm maakt. Bemoei u met niets. Beleedig -niemand met uwe veel te vlugge tong. Houd u stil en laat elk zijn -twist zelf beslechten." - -»Nu, was dat de moeite waard, mij dat onder het oog te -brengen!" antwoordde Andries minachtend. »Alsof ik nog nooit -Hooglanders gezien had, en niet wist hoe men met hen moet omgaan! Wees -maar gerust: ik ken hen beter dan gij. Ik heb van hen gekocht, aan -hen verkocht, met hen gegeten, met hen gedronken...." - -»Misschien ook met hen gevochten?" vroeg Jarvie. - -»Dat niet! Waarachtig niet!" antwoordde Andries. »Daarvoor heb ik -mij wel gewacht. Bovendien, daar ik een kunstkenner, een halve -geleerde in mijn vak ben, past het niet, met lieden te vechten, -die geen enkele plant of bloem in het Schotsch weten te noemen, -veel minder in het Latijn." - -»Best, maar hoor eens, wilt gij de tong in uw mond en de ooren aan uw -hoofd behouden,--want gij zoudt onder dat woeste volk zeer licht het -een en het ander kwijt kunnen raken--spreek dan geen enkel woord, -hetzij ten goede, hetzij ten kwade, met iemand, dien gij in de -herberg mocht aantreffen. En wees vooral bedacht, dat gij daar noch -mijn naam, noch dien van uw meester noemt. Het kon u eens invallen -te gaan pochen en te roepen: die daar is de heer Nikolaas Jarvie, -lid van den stedelijken raad van Glasgow, zoon van den ouden Nikolaas -Jarvie, voorheen wijkmeester en ook lid van den stedelijken raad, -een man bij oud en jong met roem bekend en bij allen bemind; die -andere heer is de heer Frans Osbaldistone, zoon van het hoofd van -het beroemde kantoor Osbaldistone en Tresham in Londen." - -»Houd maar op! Al genoeg!" riep Andries. »Denkt ge dat ik uwe namen -noemen zal, zoo lang het niet noodig is? Ik heb wel over wat anders, -van veel meer belang te spreken." - -»Daar hebt ge 't al--weergaasche snapper! Gij hebt over niets, noch -over het een, noch over het ander te spreken, maar u stil te houden, -stil als eene muis, hoort gij!" - -»Wel mijnheer, als gij meent, dat ik niet in staat ben om te spreken -of te zwijgen, waar ik spreken of zwijgen moet," hernam Andries, »geef -mij dan mijn loon en kostgeld, en ik keer naar Glasgow terug. Het -scheiden zal mij niet moeilijk vallen, zei de oude merrie tegen den -gebroken wagen." - -Ik vreesde dat de lastige onhandelbaarheid van den tuinman aanleiding -tot nieuwe onaangenaamheden zou geven. Ik zeide dus, dat hij, als -hij het goedvond, terug kon keeren, maar dan geen enkelen duit voor -zijn dienst ontvangen zoude. Zulke geldbeurs-argumenten, hebben bij de -meeste menschen nog al invloed en gewicht. Onze Andries maakte in dit -opzicht geen uitzondering op de meeste menschen. Hij begon terstond -op een anderen toon te praten, betuigde, dat hij geenszins voornemens -was, mijn misnoegen tegen zich op te wekken, maar integendeel in -alles aan mijne bevelen te gehoorzamen. - -Zoo was de vrede weer hersteld. Wij vervolgden onzen weg, bergaf, -door een oord, dat noch vruchtbaarder, noch bekoorlijker was dan dat, -hetwelk reeds achter ons lag. Slechts nu en dan bracht het gezicht van -een uit den achtergrond oprijzenden bergtop eenige afwisseling. Zonder -stoornis reden wij verder, maar toen de avond begon te vallen en -deze woeste streken in schaduw begon te hullen, bevonden wij ons, -volgens de verzekering van den heer Jarvie, nog meer dan een uur -gaans van onze herberg. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXVIII. - - - O, gij, baron van Kalen! - Jou zal de drommel halen, - En jou tot korrels malen! - Jij hebt hier een mooi kasteel in de stad? - Geen mensch en geen beest vreet er ooit zich zat, - En men vindt er niet eens een stoel voor zijn g.... - - Schotsch liedje. - - -De avond was wezenlijk mooi. Bij het heldere maanlicht deed de streek -zich veel gunstiger voor dan bij dag. Het ineensmelten van licht -en schaduw gaf aan de woestenij iets bekoorlijks, wat ze anders -eigenlijk geheel miste. Even als een sluier, over een alledaagsch -vrouwengelaat, wekte het nieuwsgierigheid naar iets, dat op zich zelf -niet belangwekkend was. - -De weg liep nog steeds naar beneden, en voerde ons van de heivlakte af -naar kloven met steile randen en, na vele krommingen, naar den oever -eener rivier, die veel meer naar de stroomen van mijn vaderland geleek, -dan naar die, welke ik tot dusver in Schotland gezien had. Het was een -smal, diep, stil water, ofschoon het flauwe licht, dat over de kale -oppervlakte scheen, ons tegelijk aan beide zijden de hooge gebergten, -waaruit het ontstond, deed bemerken. - -»Dat is de Forth!" zeide Jarvie op den eerbiedigen toon, waarop de -Schotten doorgaans van hunne voornaamste rivieren spreken. De Clyde, -de Tweed, de Forth, de Spey worden door hen, die aan de oevers daarvan -wonen, steeds met zekeren trots en fierheid genoemd. Zelfs heb ik -gezien, dat een enkel woord van minachting tweegevechten ten gevolge -had. Wie zou deze onschuldige geestdrift willen afkeuren! Gaarne -beantwoordde ik dus den uitroep van mijn vriend met dezelfde levendige -belangstelling, die hij had laten blijken. Inderdaad was ik ook blij, -na zulk een vervelenden tocht, eindelijk in een streek te komen, -die afwisseling bood en den geest bezig hield. - -Mijn getrouwe schildknaap Andries scheen geenszins van dat gevoelen te -zijn. De plechtige aankondiging: »dat is de Forth!" beantwoordde hij -met een tamelijk onverschillig »hm!" als wilde hij te kennen geven, dat -het gezicht van de herberg hem oneindig meer welkom zou geweest zijn. - -Inderdaad, de rivier verdiende, voor zoo ver ik bij het flauwe licht -dat over haar gespreid lag, het kon beoordeelen, die bewondering, -die haar geschonken werd. Een schoone, ronde heuvel, bekleed met -kreupelhout van hazelnootboomen, esschen, dwergeiken, waartusschen -eenige statige boomen met hunne trotsche kruinen in het maanlicht -uitstaken, beschermde als het ware de bron der rivier. Volgens -het verhaal van mijn reismakker, dat hij met gedempte stem deed, -hoewel hij verklaarde niets te gelooven van hetgeen hij vertelde, -bevatte deze bekoorlijke heuvel in zijne onzichtbare holen de paleizen -der toovergodinnen, die weliswaar niet bepaald vijandinnen van het -menschelijk geslacht zijn, doch wegens haar grilligen, wraakzuchtigen -aard vermeden en gevreesd zijn. - -»Die toovergodinnen," zeide hij fluisterend, »heeten hier: »Daoine -Schie". Naar ik mij herinner, beteekent dit: »vrouwen des vredes." Men -meent, haar door dezen titel zich genegen te maken. En waarom zouden -ook wij haar zoo niet noemen? Het is toch nooit raadzaam, van den -heer des huizes binnen zijne eigen muren kwaad te spreken. Op de keper -beschouwd, is dat, wat ik u daar vertel, natuurlijk een sprookje.--Dit -durf ik wel ronduit verklaren," voegde hij er met eenigen nadruk bij, -toen wij op een kleinen afstand van ons in een huis licht zagen -schemeren.--»Wij zijn thans dicht bij de herberg van Aberfoil," -vervolgde hij: »daar ginder, waar dat licht brandt." - -Met veel genoegen vernam ik dit, niet zoozeer omdat mijn -reisgenoot-zich nu vrijmoediger over de toovergodinnen kon uiten, -als wel, omdat ik mij thans eenige uren rust mocht beloven, die wij, -niet minder dan onze paarden, na zulk eene moeielijke dagreis, meer -dan noodig hadden. - -Eene oude, zeer hooge, smalle steenen brug bracht ons over de Forth, -dicht bij den oorsprong der rivier. De gewone weg uit het Hoogland -naar Zuid-Schotland liep echter, zoo als ik van mijn reisgenoot hoorde, -door de Forth van Firth, waar de stroom steeds zeer diep en moeielijk -over te trekken, ja niet zelden volstrekt ondoorwaadbaar is. Van deze -plaats tot verder oostwaarts naar de brug van Stirling, bevindt zich -nergens een overgang. Zoo vormt dan de Forth, van hare bron tot aan -de Firth--dat is de zeearm die haar omvangt,--eene gemakkelijk te -verdedigen grensscheiding tusschen het Hoogland en Zuid-Schotland. De -gebeurtenissen, waarvan ik naderhand getuige was, herinnerden mij -vaak de aanmerking, die Jarvie, volgens zijne gewoonte, in den vorm -van een spreekwoord maakte: »de Forth is voor de woeste Hooglanders, -een toom, die hen in bedwang houdt." - -Na een korten rit aan gene zijde van de brug, bevonden wij ons -eindelijk voor een herberg, waar wij den nacht zouden doorbrengen. Haar -voorkomen was nog veel armzaliger dan van die, waar wij des middags -gegeten hadden. Door de kleine vensters zagen wij echter veel licht en -hoorden weldra ook verscheidene stemmen, wat een gul onthaal scheen -te beloven, waaraan wij ook groote behoefte gevoelden. Intusschen -had Andries al spoedig ontdekt, dat een dikke, afgeschilde wilgentak -dwars vóór de half geopende deur lag. Hij bleef dralende staan en -ried ons aan niet binnen te treden.--»Buiten twijfel zijn daar eenige -van hunne hoofden bijeen, die in hun drinkgelag niet willen gestoord -worden," zeide hij. »Stappen wij nu maar zoo zonder komplimenten -binnen, dan zullen zij ons zeer zeker met een geducht pak stokslagen -verwelkomen, of ons met hunne scherpgepunte dolken een prikje geven, -dat ons dergelijke onwellevendheid voor altijd zou afleeren." - -Ik keek vragend mijn reisgenoot aan, die mij toefluisterde: »de ezel -heeft daar een verstandig woord gesproken!" - -Nu kwamen er op het hooren van den hoefslag onzer paarden, eenige -half gekleede meiden uit de herberg en de omliggende hutten. Maar -niemand heette ons welkom; niemand gaf zich de moeite, toen wij -afgestegen waren, om onze paarden vast te houden, en op alle onze -vragen ontvingen wij slechts het troostelooze antwoord: »ha niel -Sassenach!" (»kan geen Saksisch!") [10]. - -Jarvie wist hun echter de tong los te maken en Engelsch te doen -spreken. - -»Als ik u," zeide hij tegen een tienjarigen knaap in een haveloozen -plaid, »een stuiver geef, wilt gij dan Saksisch verstaan?" - -»Ja, ja, dat wil ik!" antwoordde de knaap in redelijk goed Engelsch. - -»Nu ga dan heen, en zeg uwe moeder," vervolgde Jarvie, »dat hier een -paar vreemde heeren zijn, die haar wenschen te spreken." - -Terstond daarop verscheen de waardin met een brandenden spaander in -de hand, dien de Hooglanders van het in de turfmoerassen gevonden -pijnboomhout snijden, en niet zelden in plaats van eene kaars of -lamp gebruiken. De heldere vlam verlichtte de woeste gelaatstrekken -eener bleeke, magere vrouw van buitengewone grootte, wier slordige -en gescheurde kleeding haar ternauwernood naar behooren bedekte. Haar -zwart haar, dat in ongekamde lokken uit hare morsige muts nederhing, -en de zonderling verlegen blik waarmede zij ons beschouwde, gaven -haar geheel het voorkomen eener tooverkol, die in hare werken der -duisternis gestoord wordt. Zij weigerde bepaald ons in de herberg -toe te laten. Vruchteloos waren al onze vertoogen. Te vergeefs -verzekerden wij haar, dat wij en onze paarden te veel afgemat waren -om de naastvolgende, omtrent zeven Schotsche mijlen verwijderde -herberg nog vóór den nacht te bereiken.--»Beter verder gegaan, -dan hier de pot verteerd!" antwoordde de onverbiddelijke waardin -in het Nederschotsch. »Binnen zijn lieden, die niet gestoord willen -worden door vreemdelingen. Wie zij zijn, weet ik niet. Misschien wel -roodrokken van het garnizoen," voegde zij er zachter, doch met een -bijzonderen nadruk bij. »Het is goed weer; laat de heide ditmaal -uw bed zijn, dat zal uw bloed verkoelen. Slaap in uwe kleederen," -voegde zij er bij, »zooals een goed zwaard in de scheede. De hei is -niet al te vochtig, als ge maar een geschikt plekje uitzoekt, en ge -kunt gerust de paarden op den heuvel laten grazen; geen mensch zal -het je kwalijk nemen." - -Terwijl Jarvie besluiteloos zuchtte, betuigde ik de waardin, dat ik -sinds zes uren niets gegeten had, en den nacht niet hongerend in het -gebergte kon doorbrengen. »Ik moet volstrekt onder dak,"--voegde -ik er bij. »Zie het met uwe gasten voor ons zoo wat ten goede te -schikken.--Beduid hun, dat twee vermoeide vreemdelingen de eer van -hun gezelschap wenschen te genieten. Andries, zorg voor de paarden!" - -De oude heks staarde mij met verbazing aan.--»Nu, het zij dan -zoo!" zeide zij eindelijk; »maar ik vrees, ik vrees, dat het u berouwen -zal, met mijne gasten kennis gemaakt te hebben. Evenwel, wie niet naar -goeden raad wil hooren, moet zijn eigen zin volgen! Intusschen kan -ik wel zien, dat gij echte Engelschen zijt. De buik is uw afgod. Gij -hebt heden eenmaal gegeten. En toch wilt gij nog liever vrijheid en -leven wagen, dan een avondmaal missen. Maar ik wasch de handen in -onschuld. Kom," zeide zij tegen Andries, »ik zal de plaats voor de -paarden wijzen." - -Over deze uitdrukkingen der waardin, die mij een dreigend gevaar -schenen aan te duiden, was ik min of meer onthutst. Evenwel, ik had -haar nu eenmaal mijn besluit te kennen gegeven. Ik wilde nu niet -angstvallig terugtreden, maar stapte moedig het huis binnen. Toen -wij een smallen gang, waar ik mijne schenen tegen een hoop turf en -eene vleeschkuip bijna stuk stiet, doorgegaan waren, opende ik eene -gebrekkig uit wilgentwijgen gevlochten deur, en trad nu met Jarvie -in de gelagkamer van deze Schotsche herberg. - -Hier zag het er, voor de oogen van een Engelschman, al zeer zonderling -uit. Het vuur, dat uit turf en dorre takken bestond, brandde helder -in het midden van het vertrek; maar de rook, die geen anderen uitweg -had dan door een gat in het dak, bleef grootendeels in donkere wolken -vijf of zes voet van den bodem aan de zoldering hangen. Beneden -deze rookwolken was het echter tamelijk licht, dewijl de tocht, die -door het jammerlijk gehavende vlechtwerk der deur en door eenige -met lompen behangen gaten, die tot vensters dienden, als ook door -tallooze scheuren en spleten der van steenen en turf opgetrokken -wanden rijkelijk henendrong, de vlam van het vuur wakker aanblies. - -Aan eene oude eikenhouten tafel nabij het vuur zaten drie mannen. Het -waren gasten, die men onmogelijk met een onverschillig oog beschouwen -kon. Twee van hen waren als Hooglanders gekleed. Maar de een, een -klein, zwartachtig mannetje, met levendige, min of meer driftige -uitdrukking op zijne gelaatstrekken, droeg eene eng sluitende lange -broek, »trews" genaamd, van eene fijne, wolachtige stof. Jarvie -fluisterde mij in, dat deze man zeer zeker een persoon van eenigen rang -moest zijn, want dat alleen aanzienlijke lieden zulke broeken droegen, -die, naar de mode der Hooglanders, zeer moeielijk te weven waren. - -De andere gast was bijzonder groot en sterk gespierd, met dik rood -haar, een gezicht vol zomersproeten, bolle wangen en eene lange kin, -eene soort van karikatuur der eigenaardige Schotsche physionomie. Zijne -tartan was rijk met rood gekleurd, terwijl in het gewaad van den -anderen, zwart en donkergroen de heerschende kleuren waren. De derde -gast, in Nederschotsch costuum, was een man van een onversaagd, -ja, vermetel voorkomen; zijn oog en zijne houding teekenden den -krijgsman. Sierlijk en rijk met koorden en galon was zijn reisrok -bezet, en zijn opgetoomde hoed was van eene vervaarlijke grootte. Zijn -kort zijdgeweer en een paar pistolen lagen voor hem op de tafel. Elk -der beide Hooglanders had zijn ontblooten dolk naast zich in de tafel -gestoken, wat, zoo als ik naderhand vernam, een teeken was, dat hun -drinkgelag door geen twist mocht gestoord worden. Voor de drie gasten -stond eene groote tinnen kan met Usquebaugh, een sterken, geestrijken -drank, dien de Hooglanders van mout brouwen en onverdund in onmatige -hoeveelheid zwelgen. Een gebroken glas met een houten voet, het -eenige drinkgereedschap, waarvan zij zich gemeenschappelijk bedienden, -ging zoo vaak rond, dat het mij, met het oog op den krachtigen drank, -inderdaad verbaasde. Zij spraken luid en vrij levendig met elkander, -dan eens in het Engelsch, dan weder in het Gaelisch. Een andere, -in zijn plaid gewikkelde, Hooglander, lag uitgestrekt te slapen, -zonder zijn hoofd op een bos stroo, en sliep, of scheen ten minste -te slapen, zonder op hetgeen rondom hem gebeurde in het minst acht te -slaan. Intusschen scheen hij insgelijks een der gasten te zijn, want -hij was geheel gekleed, met zijn zwaard en schild, de gewone wapens -der Hooglanders, wanneer zij zich op reis bevinden, naast hem. Kribben -van onderscheidene grootte bevonden zich op eenige hoogte langs de -wanden, sommige van oude planken, andere van slordig ineengevlochten -wilgentwijgen, die den huisgenooten, mannen, vrouwen en kinderen, -tot slaapplaatsen dienden, maar door de donkere rookwolken, die haar -omringden, genoegzaam onzichtbaar waren. - -Wij traden het vertrek zoo stil binnen, dat de drie in hun gesprek -geheel verdiepte drinkebroers ons gedurende eenige minuten volstrekt -niet bemerkten. Het ontsnapte mij echter niet, dat de Hooglander, die -op den grond, niet ver van het vuur lag, zich, toen wij binnenkwamen, -een weinig oprichtte, op zijn elleboog leunende en het gezicht met -zijn plaid half bedekkende, ons eenige oogenblikken aanzag en daarna -zich weder te slapen legde. - -Wij begaven ons naar het vuur, dat ons, na een zoo laten rit in een -kouden herfstavond, eene aangename verkwikking beloofde, en trokken -nu eindelijk de opmerkzaamheid der gasten tot ons, toen wij de -waardin riepen. Zij kwam, zag weifelend en vreesachtig dan ons dan de -andere gasten aan, en maakte, toen wij haar verzochten ons het een -en ander voor ons avondmaal te brengen, allerlei nietsbeduidende -verontschuldigingen. In het eerst betuigde zij volstrekt niets -eetbaars in huis te hebben. Toen verzekerde zij ons weder, dat zij, -ja, wel iets had, maar dat het geenszins aan lieden van onzen stand -kon voorgezet worden. - -Ik antwoordde haar, dat wij met elk gerecht, hoe gering ook, tevreden -zouden zijn. En nadat ik naar stoelen voor ons had rondgezien, die -echter nergens te vinden waren, bood ik Jarvie een ouden hoenderkorf -tot zitplaats aan, en ging zelf op een gebroken tobbe zitten. Nu trad -Andries insgelijks binnen, en plaatste zich zwijgend achter ons. De -gasten staarden ons onafgewend aan, als had onze vrijmoedigheid hen -min of meer in verlegenheid gebracht; en--ik ten minste--trachtte, zoo -goed als het gelukken wilde, onder den schijn van onverschilligheid -de heimelijke vrees te verbergen, dat wij van deze onbekende heeren -juist niet de aangenaamste ontvangst te wachten hadden. - -Eindelijk keerde de kleine Hooglander zich naar mij en zeide op -trotschen toon in zeer goed Engelsch: »naar ik merk, gedraagt gij u -hier als of gij te huis waart." - -»Dat doe ik gewoonlijk als ik mij in eene herberg bevind," antwoordde -ik. - -»En hebt gij dan aan den dwars voor de deur liggende wilgentak niet -gezien, dat de herberg reeds door andere gasten bezet was?" vroeg de -lange Hooglander. - -»Ik ken de gewoonten van dit land niet," hernam ik; »maar ik zou toch -wel eens willen weten, hoe drie menschen het recht zouden hebben, -om ieder ander reiziger van eene herberg, die de eenige binnen den -omtrek van verscheidene mijlen is, uit te sluiten. - -»Daartoe heeft niemand het recht, mijne Heeren!" zeide Jarvie. »Wij -willen niemand beleedigen. Doch niemand, wie hij ook zij, mag ons -verdrijven. Evenwel, is eene flesch goede brandewijn in staat, om een -einde aan deze onaangename ontvangst te maken--wij zijn vredelievend, -en......" - -»Naar den Satan met uw brandewijn!" zei de Laaglander en zette zijn -ontzaggelijk grooten hoed met eene zekere fierheid op het hoofd. »Wij -hebben uw brandewijn evenmin noodig, als uw gezelschap." - -Met deze woorden sprong hij op. Zijne metgezellen volgden -zijn. voorbeeld, mompelden tegen elkander, trokken hunne plaids op -en snoven en bliezen, zoo als zij gewoonlijk doen, wanneer zij zich -driftig willen maken. - -»Heb ik het u niet gezegd?" riep de waardin. »Weg met u uit mijn -huis! Ik wil hier geen twist, en niemand moet ten mijnent gestoord -worden, ten minste, zoo lang ik het beletten kan. Het zou waarlijk wat -fraais zijn, als bij nacht en ontij de rondzwervende Engelschen zoo -maar tegen wil en dank in de huizen mochten indringen en ordentelijke, -vreedzame lieden storen, die in rust hun glaasje drinken!" - -Op een anderen tijd, zou ik mij het oude Latijnsche spreekwoord -herinnerd hebben: - - - Dat veniam corvis, vexat censura columbas. - - -(De kleine dieven hangt men, de groote laat men loopen.) Maar ik had -geen tijd, om mijne geleerdheid uit te kramen, want alles scheen -hier op een gevecht te zullen uitloopen. Verontwaardigd over de -ongastvrije ruwheid, waarmede men mij behandelde, was mij dit volmaakt -onverschillig, hoewel ik medelijden met den goeden Jarvie had, die -bij zulk eene gelegenheid zeer zeker eene zeer slechte figuur zou -maken. Toen ik dus de andere gasten zag opstaan, sprong ik insgelijks -op en sloeg mijn mantel terug om ter verdediging bereid te zijn. - -»Drie tegen drie," zei de kleine Hooglander. »Als gij dappere kerels -zijt, trekt dan van leer!" - -En nu ging hij met het ontbloote zwaard op mij los. Ik had mijn -degen getrokken en op het overwicht van mijn wapen vertrouwende, -vreesde ik de uitkomst van het gevecht niet. Jarvie betoonde meer -moed dan ik verwacht had. Toen hij den reusachtigen Hooglander met -het blanke zwaard tegenover zich zag, trok hij eenige oogenblikken -aan zijne spies, zoo als hij het noemde; maar de verroeste kling -wilde uit zuivere getrouwheid, de scheede niet verlaten, en nu -greep hij met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest het -gloeiende ploegijzer, dat men in plaats van een pook gebruikte, -en zwaaide het met zulk een goed gevolg, dat hij dadelijk den plaid -van den Hooglander vuur deed vatten, waarop deze retireeren moest, -ten einde zijn brandend gewaad te blusschen. - -Andries, die met den Laaglander had moeten kampen, was, tot mijn -leedwezen moet ik zeggen, reeds terstond bij den aanvang van het -gevecht heimelijk weggeslopen.--»Eerlijk spel! eerlijk spel!" riep -zijne tegenpartij en scheen ongeneigd om thans deel aan den strijd -te nemen. Wij waren dus weder twee tegen twee. Mijn oogmerk was, -mijne tegenpartij, indien ik het kon, te ontwapenen; maar ik waagde -het niet hem te na te komen, uit vrees voor zijn dolk, dien hij in de -linkerhand hield, en waarmede hij de stooten van mijn degen afweerde. - -Intusschen geraakte Jarvie, in weerwil van zijn in het begin behaald -voordeel, spoedig deerlijk in het nauw. De zwaarte van zijn wapen en -het opbruisen van zijne drift, putten de krachten van den zwaarlijvigen -man genoegzaam geheel uit, en hij zou zeker voor zijn vijand bezweken -zijn, toen de slaper plotseling van den grond opsprong en zich met het -bloote zwaard tusschen de strijders wierp.--»In Glasgow heb ik zijn -brood gegeten, en ik vecht voor den Glasgower Jarvie--ja, dat doe ik!" - -En dit deed hij ook zonder dralen; want in hetzelfde oogenblik -suisde zijn zwaard zoo duchtig om de ooren van zijn landsman, -dat die moeite genoeg had om zich tegen dezen ongeroepen kampioen -te verdedigen, hoewel hij--dit zij te zijner eere gezegd,--hem -volstrekt niets schuldig bleef. Maar beiden hadden ronde, houten, met -koperen spijkers beslagen en met leer overdekte schilden, waarmede -zij de slagen behendig afweerden, en aldus veroorzaakte het gevecht -eigenlijk veel meer rumoer dan wezenlijk gevaar. En inderdaad scheen -men het er meer op toegelegd te hebben, om ons schrik aan te jagen, -dan wel om ons eenig leed toe te brengen; want de Laaglander, -die een tijdlang werkeloos getuige van het gevecht was geweest, -nam al spoedig de taak van vredestichter op zich: »houdt op! houdt -op!" riep hij; »al genoeg! al genoeg! het gaat hier immers niet op -leven en dood! De vreemde heeren hebben getoond, dat zij moed hebben, -en ons genoegzame voldoening gegeven. Als het er op aankomt, en men -mij beleedigt, ben ik, zoo als gij weet, gansch niet gemakkelijk; -maar nutteloos bloedvergieten haat ik." - -Natuurlijk had ik geen lust om het gevecht nog langer te doen -voortduren; ook scheen mijne tegenpartij niet ongeneigd, om zijn zwaard -in de schede te steken. Jarvie, die naar adem hijgde, was reeds als -overwonnen te beschouwen, en de beide Hooglandsche kampioenen met de -beide schilden, staakten hun gevecht even onverschillig, als zij het -aangevangen hadden. - -»En nu, mijne Heeren," hernam onze vredemaker, »laat ons als -brave kerels thans eens met elkander drinken en elkander leeren -verdragen. Dit huis is groot genoeg voor ons allen. Hoort dus mijn -voorstel. Deze kleine, dikke heer, die bij het gevecht wel het meest -geleden heeft, laat eene kan brandewijn komen; ik betaal eene tweede -kan om den vrede te bevestigen, en zoo verdrinken wij, als broeders, -ons zakgeld." - -»En wie betaalt mij mijn nieuwen plaid?" vroeg de lange Hooglander. »Er -is een gat in gebrand, zoo groot, dat men er een emmer doorheen kan -steken. Heeft men ooit een fatsoenlijk man met een gloeiend ploegijzer -zien vechten!" - -»Wees daaromtrent onbezorgd, vriend!" zeide Jarvie, die nu weder -bij adem was, en wien het verheugde zooveel moed betoond te hebben, -en niet genoodzaakt te zijn, nog eens een gevaarlijken en alleszins -twijfelachtigen strijd te wagen;--»voor die wond zullen wij wel -eene pleister vinden. Gij zult een nieuwen plaid hebben, en wel een -allerbesten, van de kleuren van uwen clan. Zeg mij maar, waar ik het -u uit Glasgow moet toezenden." - -»Ik behoef mijn clan niet te noemen," antwoordde de Hooglander: »ik -ben van een konings-clan, en die is bekend genoeg. Maar gij kunt tot -staal een stukje van mijn plaid krijgen; een mijner neven, een edelman, -die eieren ter markt brengt, uit Glencroe, komt binnen kort te Glasgow, -en die zal het dan wel bij u afhalen, als gij mij maar uwe woonplaats -opgeeft. Maar goede man, als gij ooit weder vechten wilt, vecht dan -toch met uw zwaard, want gij hebt er een, maar niet met ploegijzers -of brandhouten, als een wilde Indiaan." - -»Nu ja," hernam Jarvie; »men moet in deze wereld wel eens van den nood -eene deugd maken. Sedert den slag aan de Bothwel-brug heeft mijn degen -het daglicht niet gezien; toen had mijn overleden vader hem op zijde; -en zelfs weet ik niet recht, of hij bij die gelegenheid wel eens uit -de scheede is geweest, want het gevecht duurde niet lang. Kortom, -hoe het daarmede ook zij, thans zit die zoo onmanierlijk vast in de -scheede, dat ik er hem maar volstrekt niet uit kan krijgen, en toen ik -dat bemerkte, nam ik het eerste het beste ding, dat mij voor de hand -kwam, en behielp mij daarmede zoo goed ik kon. Eigenlijk wil ik wel -gelooven, dat vechten mijne zaak niet is, maar in elk geval laat ik -mij niet ongestraft op de teenen trappen. Maar, eer ik het vergeet, -waar is de dappere man, die mij zoo moedig verdedigde? Ik geef hem -eene kan brandewijn; al zou het mij ook mijn laatsten stuiver kosten." - -Maar den kampioen, naar wien men rondzag, kon men nergens -vinden. Terstond na den afloop van het gevecht was hij weggeslopen, -maar aan zijne woeste gelaatstrekken en haveloos rood haar had ik in -hem dadelijk onzen Dugald herkend, den vluchteling uit de gevangenis te -Glasgow. Deze ontdekking deelde ik mijn reisgenoot fluisterend mede, -en op dezelfde wijze antwoordde hij mij: »ja, ja, ik zie het wel, -die bewuste vriend van ons had wel gelijk: Dugald is zoo dom niet. Ik -moet er intusschen over denken, hoe ik hem dezen gewichtigen dienst -vergelden kan." - -Met deze woorden ging hij zitten en riep, toen hij weder geheel op -adem was gekomen, de waardin.--»Moedertje," zeide hij, »met genoegen -bespeur ik, dat mijn lichaam gaaf en ongedeerd is gebleven, wat ik, -bij het zoo even hier gebeurde, schier als een wonder beschouw--nu -zal het, dunkt mij, het best zijn, de ledige ruimte daarin met iets -smakelijks aan te vullen." - -De waardin, die zich, zoodra de storm voorbij was, ongemeen -dienstvaardig betoonde, maakte terstond toebereidselen, om ons -met een avondmaal te verkwikken. Niets was mij echter gedurende het -gevecht zonderlinger voorgekomen, dan de buitengewone koelbloedigheid, -waarmede zij en hare huisgenooten ons hadden zien vechten. »De deur -dicht! de deur dicht!" riep zij uit al hare macht tegen de haren: -»zij mogen doodslaan, of doodgeslagen worden, niemand komt er uit, -voordat het gelag betaald is."--De kinderen, die in de kribben langs -den wand sliepen, richtten zich even onverschillig op, wreven zich -bedaard de oogen, riepen, terwijl zij hunne naakte lichamen over den -rand der kribben bogen, half grijnzende uit: »oho! oho!" en waren -geloof ik, eer wij den vrede gesloten hadden, ook weder ingesluimerd. - -Terwijl de waardin tot mijne verbazing een smakelijk gerecht van -wildbraad voor ons gereed maakte, liet zij ons den brandewijn brengen, -dien de Hooglanders, in weerwil van hunne vooringenomenheid met hunne -sterke inheemsche dranken, geenszins versmaadden. Toen de eerste -beker de ronde had gedaan, vroeg de gast uit de Laaglanden naar ons -bedrijf en het doel van onze reis. - -»Wij zijn uit Glasgow," antwoordde Jarvie met geveinsde nederigheid, -»en begeven ons naar Stirling, om daar eenige gelden te innen, die -men ons schuldig is." - -Ik moet bekennen, dat ik dom genoeg was, om mij door de bescheidenheid -waarmede Jarvie van ons sprak, min of meer boos te laten maken; maar -ik herinnerde mij mijne belofte van te zwijgen en mijn reisgenoot -de zorg over te laten, om onze aangelegenheden op zijne wijze -te beredderen. Kon ik den braven man deze inschikkelijkheid -weigeren? Immers, mij ten gevalle, had hij den langen tocht -ondernomen. Dat hij zeer vermoeid was, zag ik aan de pijnlijke houding, -waarmede hij zich nederzette en opstond. Bovendien was hij zelfs in -levensgevaar geweest. - -De spreker der andere partij haalde snuivende den adem in en zeide -op hoonenden toon: »gij, kooplieden uit Glasgow, hebt niets anders -te doen, dan West-Schotland van het eene einde tot het andere door -te trekken om brave lieden te plagen, dien het even als mij juist -aan het noodige geld ontbreekt." - -»Hoor eens, wanneer onze schuldenaars zulke eerlijke lieden waren -als gij, vriend Garschattachin," antwoordde Jarvie, »dan zouden wij -ons de moeite van rond te reizen wel kunnen besparen; want zij zouden -zelven tot ons komen." - -»Ei, ei, wat hoor ik daar!" riep de aangesprokene. »Ja, zoo waar ik -van brood en water leef--onder dien verstande, dat ik er ook wat -rundvleesch en brandewijn bij gebruik--gij zijt mijn oude vriend -Nikolaas Jarvie, de beste vent dien ik ken, en die geen eerlijk man -geld ter leen weigert op zijn woord. Denkelijk komt gij mijn kant -uit,--de Endrick op naar Garschattachin?" - -»Waarlijk niet!" hernam Jarvie. »Ik heb heel iets anders te doen. Maar -ik dacht wel dat gij meenen zoudt, dat ik wegens de verschenen renten -van het bewuste kapitaaltje kwam." - -»De duivel hale de renten!" zei de laird, naar het scheen uit den -grond van zijn hart. »Geen enkel woord meer over geldzaken tusschen -ons beiden, daar gij thans zoo dicht bij mijne woning zijt. Het -kleed maakt den man! dat is maar niet anders. Wie zou u, in deze -reiskleeding herkend hebben! Wie zou vermoed hebben, dat in dien -mallen rok de wijkmeester Jarvie zat!" - -»Lid van den raad, als ik u verzoeken mag!" hernam mijn -reisgenoot. »Maar ik merk al waaruit dit misverstand zijn oorsprong -heeft. De schuldbekentenis werd bij mijns vaders leven door u -gepasseerd, en de brave man, zijne ziel zij bij God in den hemel, was -wijkmeester: en voor zoo ver ik mij herinneren kan, zijn er na zijn -dood geen renten betaald--ja, ja, daaruit ontstaat dit misverstand!" - -»De duivel hale het misverstand en alles, waaruit het ontstaan -is!" zeide Duncan Galbraith van Garschattachin. »Evenwel, het -verheugt mij, dat gij lid van den raad zijt; dat is nog al iets, -niet waar? ten minste houdt gij het daarvoor. Kom aan, heeren, eens -ingeschonken! Op de gezondheid van mijn voortreffelijken vriend, den -heer Nikolaas Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow! Hem -en zijnen zaligen vader ken ik reeds sedert twintig jaren! Nog eens, -op den aanstaanden hoofdschout, Nikolaas Jarvie. Niemand in geheel -Glasgow is beter tot dien post geschikt dan hij, en wie hierover anders -denkt, die heeft met mij te doen," voegde hij er op hoogen toon bij, -en zette met vrij wat fierheid den hoed op. - -De brandewijn was hoogst waarschijnlijk bij de Hooglanders de beste -aanbeveling voor deze vleiende toosten; zij deden dan ook gaarne -bescheid, zonder zich eenigszins om den eigenlijken inhoud daarvan -te bekommeren. - -Terwijl zij zich met Galbraith in hunne landtaal onderhielden, -die de man uit het Laagland, als hun nabuur, zeer vlug sprak, -fluisterde Jarvie mij toe: »Ik herkende dien knaap al terstond op -het eerste gezicht. Maar met zijn verhit bloed en ontbloot zwaard, -dacht ik, wie weet, op welke wijze hij mij zijne schuld zou hebben -kunnen betalen! Want het zal, vrees ik, vrij lang duren, eer hij ze -mij op de gewone manier betaalt. Toch is hij overigens een eerlijke -kerel en hij heeft ook een goed hart. Zelden komt hij te Glasgow, -maar dikwerf zendt hij een ree of korhoen uit het gebergte. Ook kan -ik het geld nog wel missen, en mijn vader, de wijkmeester, had steeds -zeer veel op met de familie Garschattachin." - -Toen wij ons avondmaal geëindigd hadden, vroeg ik naar Andries; -maar mijn getrouwe volgeling was, sinds den aanvang van het gevecht, -nergens te vinden. De waardin meende, dat hij zich in den stal had -verscholen, en bood aan, mij derwaarts te geleiden en mij voor te -lichten. Noch door hare kinderen, noch door haar zelve, zeide zij, -was hij te bewegen geweest, om op hare vragen te antwoorden, en zij had -waarlijk ook niet veel lust, om zich op dit ongelegen uur nog eenmaal -in den stal te begeven; want het spookte er geweldig en dat was dan -ook de reden, waarom zij geen stalknecht in haar dienst kon houden. - -Terwijl zij mij naar de armzalige schuur voorlichtte, waar onze -paarden zich met een weinig grof hooi moesten vergenoegen, verried -zij duidelijk genoeg, dat zij mij met een geheel ander doel dan -zij eigenlijk voorgaf, van de overige gasten had afgetroond.--»Lees -dit!" zeide zij, en stopte mij, toen wij ons voor den stal bevonden, -een papier in de hand. »God dank, dat ik het kwijt ben! Onder soldaten -en Saksers, roovers en veedieven, onder plunderen en moorden te -leven--waarachtig! eene eerlijke vrouw geniet meer rust in de hel -dan op de grenzen van het Hoogland!" - -Dit zeggende gaf zij mij haar brandende spaander over en keerde naar -de gelagkamer terug. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXIX. - - - Wat hoort ge in het Hoogland? - Den horen Mac-Gregor's, Mac-Lean's krijgsgetier, - Een groven doedelzak, nooit tonen eener lier. - - John Cooper's Bescheid aan Allan Ramsay. - - -Ik bleef eenige oogenblikken stilstaan voor den stal. Die naam was te -fraai voor een ruimte, waar zich paarden met geiten, pluimgedierte, -varkens en koeien onder één dak met het woonhuis bevonden, toch was -het een zekere mate van beschaving, waarmede de overige dorpelingen -nog niet bekend waren, doch dien men, zoo als ik naderhand hoorde, -aan den overdreven trots van onze waardin Jeany Mac-Alpine toeschreef, -die haar bewogen had dezen stal een anderen ingang te geven dan die, -welke voor hare tweebeenige klanten bestemd was. Bij het licht van mijn -fakkel las ik met moeite den brief, die op een vochtig, verfrommeld -en morsig blad papier geschreven en van den volgenden inhoud was: - - - Mijnheer! - - »Er zweven nachtuilen buiten. Daarom kan ik u en mijn waarden - neef N. J. heden niet, zoo als mijn voornemen was, in de herberg - van Aberfoil spreken. Wacht u vooral, om u noodeloos met de - lieden, welke gij daar vinden zult, op eenige wijze in te laten; - want daaruit zouden in het vervolg vele onaangenaamheden kunnen - ontstaan. De persoon die u dezen ter hand stelt, is mij toegedaan, - en gij kunt u veilig aan haar vertrouwen. Zij zal u naar eene - plaats brengen, waar ik u, als het God behaagt, veilig zien - kan, zoo gij en mijn neef mijne schamele woning wilt bezoeken, - waarin ik, mijne vijanden ten spijt, mijne vrienden als een echt - Hooglander onthalen kan. Daar zullen wij dan plechtig op de - gezondheid van zekere D. V. drinken en over de zaak spreken, - waarin ik u waarschijnlijk van dienst zal kunnen zijn. In - afwachting blijf ik, zoo als het onder fatsoenlijke lieden heet: - - Uw dienstvaardige - R. M. C." - - -De inhoud van dezen brief maakte mij knorrig. Het kwam mij voor, dat -die Campbell den dienst, welke ik van hem verwacht had, min of meer op -de lange baan wilde schuiven. Toch deed het mij goed, te vernemen, dat -hij zich aan mij voortdurend liet gelegen zijn, daar ik toch zonder hem -volstrekt geen hoop kon koesteren, mijns vaders papieren weder machtig -te worden. Ik besloot dus zijne wenken te volgen en ten opzichte van -de overige gasten alle mogelijke omzichtigheid en terughouding in acht -nemende, van de eerste gunstige gelegenheid gebruik te maken, om van -de waardin te hooren waar ik den geheimzinnigen man kon aantreffen. - -Nu was mijne eerste bezigheid, den vermisten Andries op te zoeken. Ik -riep hem herhaalde malen bij zijn naam, zonder eenig antwoord te -ontvangen. Ik ging toen den stal in, waar een menigte nat stroo -en modder mij voor het gevaar waarborgde, van hier soms met mijne -spaanfakkel onwillekeurig brand te stichten. Eindelijk volgde op -mijn geroep een klagend: »hier!" en wel op een even akeligen toon, -alsof het uit den mond van een spook kwam. Op dit geluid afgaande, -kwam ik in een hoek van de schuur, waar ik den dapperen Andries -achter eene groote kuip vond, die de vederen van misschien al het -gevogelte bevatte, dat sedert eene maand aan het algemeen welzijn -was geofferd. Deels door geweld, deels door bevelen en vermaningen, -deed ik hem uit zijn schuilhoek te voorschijn komen, en zijne eerste -woorden waren: »Waarde heer, ik ben een eerlijke kerel!" - -»Wie drommel vraagt thans naar uwe eerlijkheid!" hernam ik. »Denk -liever aan uw plicht en kom ons aan tafel bedienen." - -»Ja, ja," antwoordde Andries, zonder, naar ik geloof, mijne woorden -goed verstaan te hebben. »Ik ben een eerlijke kerel, wat mijnheer -Jarvie daartegen in te brengen heeft. Het is waar, mijne ziel hangt -zeer aan het wereldsche, maar lieve hemel! dat heb ik immers met -zoo vele, veel verstandiger lieden gemeen. Maar ik ben een eerlijke -kerel, en al heb ik u ook eens gezegd, dat ik u verlaten wilde, was het -slechts mijne tong die dat zeide, en waarlijk niet mijn hart. Ach, het -was zoo bij wijze van spreken, zoo als men wel meer doet, wanneer men -op een voordeeligen handel bedacht is. Neen, u, mijn braven jongenheer, -u, dien ik zoo innig liefheb, zal ik niet verlaten, neen nooit!" - -»Maar voor den duivel wat wilt gij toch?" vroeg ik half boos. »Die -zaak is reeds vereffend. Wat praat gij toch elk oogenblik van dat -wegloopen?" - -»Ja, ja, tot nu toe was het ook maar een praatje," antwoordde Andries; -»maar thans zou het wel ernstige ernst kunnen worden. Ik moge er bij -verliezen of winnen, dat is mij onverschillig; maar verder ga ik niet -met u. En wilt gij naar mijn eenvoudigen, welgemeenden raad luisteren, -dan breekt gij liever uw woord, dan dat gij verder gaat. Ik houd -machtig veel van u, en er is, dunkt mij, volstrekt geen twijfel aan, of -gij zult een man van hooge eer worden, als ge de wilde haren maar eerst -kwijt zijt en wat bedaarder en verstandiger geworden zijt. Maar zoo -als ik zeg, verder ga ik niet met u, al moest gij ook zonder leidsman -en raadgever onder weg verzinken, of op eene andere wijs omkomen. Wie -zich in het land waagt waar Robbert Roodhaar heer en meester is, -die spot met onzen lieven Heer, en berokkent zich niets dan kwaad." - -»Robbert Roodhaar?" vroeg ik verwonderd; »dien ken ik niet. Wat zijn -dat weer voor grappen, Andries?" - -»Kijk nu eens, het is toch hard," antwoordde Andries, »dat men een -mensch niet gelooven wil, wanneer hij de zuivere waarheid spreekt, -omdat hij zich soms met een enkel logentje behelpt, als hij zich -niet anders weet te redden. Gij behoeft niet te vragen, wie Robbert -Roodhaar is--die aartsroover--die.... God vergeve mij de zonde! Ik -hoop toch, dat niemand ons hooren kan. Gij hebt immers zelf een brief -van hem op zak. Ik hoorde, dat een van zijne bende de oude waardin -verzocht, u dien ter hand te stellen. Zij dachten, dat ik hunne -gauwdieventaal niet verstond. Maar ofschoon ik die taal wel niet -spreken kan, is het niet heelemaal Spaansch voor me, en ik weet er, -als ze gesproken wordt, nog al het een en ander van op te vangen -en aaneen te knoopen. Eigenlijk had ik u dit niet moeten zeggen, -maar als men in angst is, ontvalt ons wel eens iets, dat, op de keper -beschouwd, veel beter verzwegen ware. Ach, beste mijnheer Frans, al de -dwaasheden van uw oom en al de dolle streken van uwe neven zijn hier -volstrekt niets bij. Drink een vollen beker als ridder Hildebrand; -begin uw ochtend met brood en brandewijn, als jonker Percival; -bluf, als jonker Thorncliff; loop de meisjes na, als jonker John; -ga weddingschappen aan, als jonker Richard; kaap den paus en den -duivel zieltjes weg, als jonker Rashleigh. Maak alarm, raas, tier, -ontheilig den Sabbath of gehoorzaam den paus, zooals zij allen onder -elkander doen.--Maar bij den barmhartigen hemel! spaar uw jeugdig -leven en kom Robbert Roodhaar niet te na!" - -De angst van den goeden Andries was te ongeveinsd, dan dat ik eenig -wantrouwen daarin zou hebben mogen stellen. Ik liet het echter -daarbij blijven, dat ik hem zeide, voornemens te zijn dien nacht in -de herberg door te brengen, en ik gelastte hem tevens, voor onze -paarden te zorgen. Voor het overige beval ik hem ten ernstigste, -omtrent de oorzaak van zijne vrees het diepste stilzwijgen in acht -te nemen. Ik verzekerde hem ook, dat hij er zich op kon verlaten, -dat ik mij niet noodeloos aan gevaar zou blootstellen. Hij volgde -mij met een bedrukt gelaat en mompelde bij zich zelven: »Redelijke -menschen behooren toch eerder verzorgd te worden, dan het redelooze -vee. Den ganschen dag heb ik niets te eten gekregen, dan een paar -afgekloven vleugels van een taai korhoen." - -De goede verstandhouding tusschen de gasten in de herberg scheen, -sedert ik hen verlaten had, min of meer gestoord te zijn. Althans -Galbraith en mijn vriend Jarvie waren in eene vrij luidruchtige -woordenwisseling met elkander gewikkeld. - -»Zulke taal over den hertog van Argyle en den naam Campbell duld ik -volstrekt niet!" zeide Jarvie, toen ik binnentrad. »Hij is een braaf -edelman, die het wel met ons land meent; ook is hij een man van aanzien -en gewicht, en beschermt Glasgow's handel op alle mogelijke wijzen." - -»Ik zeg immers niets ten nadeele van Mac-Callumore noch van den -Sliochnan Diarmid!" antwoordde de kleine Hooglander glimlachende. »Ik -woon te dicht bij Glencroe om met den heer van het land, tot Inverrary -toe, twist te zoeken." - -»Ons meer zag nooit de galei [11] der Campbell's," zei de lange -Hooglander. »Ik spreek ronduit en vrees niemand. Een Cawmil [12] -acht ik volstrekt niet hooger dan een ander mensch, en gij moogt het -Mac-Callumore vrij verhalen, dat Allan-Iverech dat gezegd heeft. Men -heeft ver te schreeuwen van hier tot Lochow [13]." - -Galbraith, bij wien de brandewijn, dien hij in ruime teugen gebruikt -had, begon te werken, sloeg driftig en heftig met zijne hand op de -tafel en riep met schorre stem: »dat geslacht heeft eene bloedschuld op -zich geladen en zal die vroeg of laat moeten betalen. De beenderen van -een dappere Grahame rammelen sedert lang in de kist en eischen wraak -op de hertogen van Argyle en de heeren van Lorn. Nooit werd er in -Schotland verraad gesmeed, of een der Campbell's speelde daarin eene -hoofdrol, en nu het onrecht den boventoon heeft, zijn het alweder -de Campbell's die de stem van het recht weten te smoren. Maar die -vervloekte onzin zal niet lang meer duren; het wordt tijd, dat men den -bijl scherpt en hier en daar eenige van de belhamels een kop kleiner -maakt. Ik hoop het ten minste nog te beleven, dat de oude roestige -bijl eens weder aan het maaien komt en een bloedigen oogst maakt!" - -»Schaam u, Galbraith!" riep Jarvie; »foei, schaam u, zoo iets te -zeggen in de tegenwoordigheid van een overheidspersoon, en u zelven in -ongelegenheid te brengen! Hoe zult gij de uwen kunnen onderhouden en -uwe schuldeischers voldoen--mij en anderen--als gij steeds op dezen -onbesuisden toon voortgaat? Gij zult de straf der wet op den hals -halen op u en op allen, die met u in betrekking staan!" - -»De Satan hale mijne schuldeischers en u er bij, als ge er toe -behoort!" hernam Galbraith. »Ja, zeg ik u nog eens: de poppen gaan -spoedig aan het dansen; het zal dan anders in de wereld toegaan. Dan -zal geen Campbell den neus zoo trotsch in den wind steken, noch zijne -honden op menschen aanhitsen, met wie hij zich zelf niet durft meten, -noch dieven en moordenaars beschermen, noch brave lieden uitplunderen -en van hun wettig eigendom berooven." - -Jarvie zou misschien dezen woordentwist voortgezet hebben. Maar de -welriekende geuren van het door de waardin opgedischte wildbraad -werd zulk een veelvermogenden bemiddelaar, dat hij zich tegenover den -uitlokkenden schotel plaatste, en den anderen gasten het veld ruimde. - -»Ja, dat is maar zoo en niet anders!" zei de lange Hooglander, die -Steedart heette: »men zou ons zoo onmanierlijk niet plagen en ons -hier niet bijeen doen komen om Robbert Roodhaar te vangen, als de -Cawmil's hem geene bescherming verleenden. Wij waren eens met ons -dertigen en joegen het volkje van den stam Mac-Gregor als hazen voor -ons uit, tot wij in den omtrek van Glenfollich kwamen. Daar stonden -de Cawmil's op en beletten ons om hen verder te vervolgen: vergeefs -was toen al onze aangewende moeite! Doch ik zou er, ik weet niet wat -om geven, als ik dien Robbert weder zoo dicht op de hielen kon komen, -als op dien bewusten dag!" - -Ongelukkig vond mijn vriend Jarvie in elke uitdrukking van den -Hooglander iets dat hem mishaagde. - -»Neem het mij niet kwalijk," zeide hij, »dat ik spreek zoo als ik denk, -mijn beste Heer: maar gij zoudt er zeker, wie weet wat om gegeven -hebben, als gij dan zoo ver van Robbert verwijderd kondet zijn, als -thans. Mijn gloeiend ploegijzer zou, in vergelijking met zijn zwaard, -niets geweest zijn." - -»Ik raad u, welmeenend, geen woord meer van uw vervloekt ploegijzer -te reppen! Gij zult en moet daarover zwijgen, dat eisch ik of ik zal -mij, om u daartoe te noodzaken, van een middeltje bedienen, dat nog -nooit gefaald heeft!"--Dit zeggende, greep hij met een dreigenden -blik naar zijn dolk. - -»Halt! Geene vechtpartij meer, Allan!" riep de kleine Hooglander. »Is -die mijnheer uit Glasgow zulk een boezemvriend van Robbert, welnu, -dan kan hij hem misschien nog heden nacht in boeien en morgen aan de -galg zien. Lang genoeg heeft hij het land geplaagd, en nu delft zijn -stam eindelijk het onderspit: dat behoort zoo.--Maar het wordt tijd: -wij moeten ons naar onze lieden begeven." - -»Toch niet, Inverashalloch!" riep Galbraith. »Zouden wij nu voor eene -enkele flesch opdraaien! Gekheid! Toon u een man!" - -»Alles goed en wel. Gij weet, dat ik mijne flesch sta en, als het er -op aan komt, geen kniesoor ben. Maar de duivel hale elken droppel, -dien ik te veel drink, als ik 's morgens iets van belang te doen -heb. En naar mijne domme meening zoudt gij, Galbraith, veel beter doen, -als gij uwe ruiters vóór het aanbreken van den dag hierheen bracht." - -»Waarvoor die haast?" antwoordde Galbraith. »Met eten en drinken -moet men lichaam en ziel bij elkander houden: met vasten komen wij -er waarachtig niet! En had ik iets te zeggen gehad, dan zou ik u -zeker niet met uw volk te hulp geroepen hebben. Het garnizoen en -onze ruiters zouden best alleen in staat zijn geweest, om Robbert te -knippen. Hier is de hand, die hem in het gras zal doen bijten en die -geen hulp van een uwer Hooglanders behoeft." - -»Welnu, dan hadt gij ons maar moeten laten blijven, waar wij -waren!" hernam Inverashalloch. »Ik ga waarlijk geen twintig uren -ver, als men mij niet oproept. Wil ik u eens zeggen, hoe ik over -u denk. Gij zijt een groote babbelaar, en als gij wat minder in -den mond en wat meer in het hoofd hadt, zou het met uwe onderneming -veel beter gelukken. Wie nog een steun heeft, kan zich lang staande -houden, en zoo is het geval met onzen man. Wil men een vogel vangen, -dan moet men niet met de muts naar hem smijten. En die lieden daar -ginder hebben ook het een en ander gehoord, wat zij niet zouden gehoord -hebben, als gij den brandewijn niet zoo druk aangesproken hadt, majoor -Galbraith. Nu, nu! gij behoeft uw hoed niet zoo uitdagend op het ééne -oor te zetten, en den menschenvreter uit te hangen. Ik ken u immers, -vriendje: gij zijt zoo gevaarlijk niet!" - -»Ik heb het reeds gezegd," hernam de beschonken Galbraith met -belachelijke deftigheid; »ik twist heden nacht met niemand, hij moge -laken of tartan dragen. Maar buiten den dienst twist ik met u en met -ieder uit het Hoogland en uit de Laaglanden. Zoo lang ik mij in dienst -bevind, gebeurt dit echter niet!--Neen, zeg ik u, neen! Ik wenschte -wel, dat de roodrokken er reeds waren. Was er iets tegen koning -Jakobus te ondernemen, dan zouden zij wel bij de hand zijn; maar om -de rust in het land te bewaren, zijn zij even traag als hunne buren." - -Terwijl hij dit zeide, hoorden wij de regelmatige stappen van eene -bende voetvolk, en kort daarop trad een officier met eenige soldaten de -kamer binnen. Zijn Engelsch luidde als aangename muziek in mijne ooren, -die reeds zoo lang niets dan het Schotsche dialekt gehoord hadden. - -»Waarschijnlijk zijt gij de majoor Galbraith van de ruiterij uit -Lennox,"--vroeg hij--»en deze heeren zullen, denkelijk, de Hooglanders -zijn, die ik hier zou vinden?" - -De gasten beantwoordden deze vragen toestemmend en noodigden den -officier eenige ververschingen te gebruiken. Hij weigerde echter, -en ging voort: »Ik ben wat te lang opgehouden, mijne heeren, en -wensch nu den verloren tijd weder in te halen. Onder anderen luiden -mijne bevelen om twee personen te arresteeren, die van verraderlijke -aanslagen beschuldigd worden." - -»Ja, wat dat betreft, daarmede hebben wij niets te maken, en kunnen -er ons dus ook niet mede bemoeien," zeide Inverashalloch. »Ik ben -met mijne lieden herwaarts gekomen, om tegen den roover Mac-Gregor, -die mijn neef in den zevenden graad vermoord heeft, te vechten. Maar -mij raakt het volstrekt niet, wat brave lieden, die voor hunne zaken -reizen, doen of laten willen." - -»Neen, dat raakt mij ook niet!" zeide Iverach, de andere Hooglander. - -Galbraith nam de zaak ernstiger op en begon dadelijk: »Ten nadeele -van koning George wil ik geen enkel woord zeggen, kapitein, want -het kan zeer wel wezen dat ik van hem mijne aanstelling heb. Maar -wanneer de eene aanstelling goed is, is de andere daarom niet slecht, -en voor sommige lieden klinkt de naam Jakobus even goed als de naam -George. De een is koning, de ander behoorde het te zijn. Naar mijn -oordeel kan een eerlijk man het goed met beiden meenen. Ik verklaar -mij voor de bestaande machten, zoo als het een officier betaamt. Maar -om verder van verraad en dergelijke dingen te spreken, dat is slechts -tijd verspillen!" - -»Met leedwezen bespeur ik, hoe gij uw tijd hier hebt doorgebracht!" zei -de Engelsche officier, die begreep hoe sterk Galbraith's argumenten -den genoten brandewijn verrieden. »Ik wenschte wel, dat zoo iets -bij zulk eene gewichtige gelegenheid niet gebeurd ware! Ik raad u -welmeenend, uw roes een uurtje uit te slapen. Behooren deze heeren -tot uw gezelschap?" vervolgde hij, op Jarvie en mij wijzende, die -beiden nog met ons avondmaal bezig waren en weinig op den officier -gelet hadden. - -»Reizigers," zeide Galbraith, »eerzame reizigers te water en te land, -zoo als in het kerkboek staat." - -»Ik heb bevel," hernam de kapitein, terwijl hij ons bijlichtte, »een -bejaard en een jong man te arresteeren en het signalement komt met -deze beide heeren vrij goed overeen." - -»Bedenk wel wat gij zegt, mijnheer!" zeide Jarvie: »noch uw roode -rok, noch uw gegaloneerde hoed kan u beschermen, zoo gij mij zelfs de -geringste beleediging aandoet. Ik ben een gezeten burger, en bovendien -een overheidspersoon uit Glasgow. Nikolaas Jarvie is mijn naam, en -zoo heette ook mijn vader zaliger. Ik ben lid van den stedelijken -raad--een groote eer voor mij--en mijn vader was wijkmeester." - -»Hij was een oude schoelje!" viel Galbraith hem in de rede; »en vocht -bij de Bothwell-brug tegen zijn wettigen koning." - -»Wat hij kocht betaalde hij eerlijk, mijnheer Galbraith!" zeide Jarvie; -»en hij was een veel braver man dan op uwe been en staat." - -»Ik heb geen tijd om mij hiermede verder in te laten," hernam de -officier. »Kunt gij, heeren, geene genoegzame bewijzen geven, dat -gij getrouwe onderdanen zijt, dan moet ik u in hechtenis nemen." - -»Ik verlang voor den burgerlijken rechter gebracht te worden," hernam -Jarvie; »want ik ben niet verplicht, iederen roodrok te antwoorden, -die mij met zijne onbescheidene vragen lastig valt." - -»Goed, mijnheer! wilt gij mij niet antwoorden, dan zal ik wel weten -wat ik met u te doen heb. En gij," aldus sprak officier mijn aan; -»uw naam!" - -Toen ik mijn naam genoemd had, vervolgde hij: »hoe, een zoon van -Hildebrand Osbaldistone in Northumberland?" - -»Neen," viel Jarvie hem in de rede, »een zoon van den beroemden -Willem Osbaldistone, van het vermaarde kantoor Osbaldistone en Tresham -in Londen." - -»Ik vrees, dat uw naam de verdenking tegen u slechts vermeerderen -moet," hernam de officier. »Ik moet u verzoeken, mij al de papieren, -welke gij bij u hebt, ter hand te stellen." - -Toen hij dit verzocht, bemerkte ik dat de Hooglanders elkander -angstig aanzagen. - -»Ik heb u niets ter hand te stellen!" was mijn antwoord. - -De officier beval mij te ontwapenen en te onderzoeken. Tegenstand zou -razernij zijn geweest. Ik gaf mijne wapens over, en onderwierp mij -aan dat onderzoek, dat met alle mogelijke kiesheid geschiedde. Men -vond echter niets dan den brief, dien ik van de waardin had ontvangen. - -»Ik had iets anders verwacht," zei de officier, »maar ook dit -is voor mij reden genoeg om u gevangen te houden. Ik vind u in -briefwisseling met den gebannen en voor vogelvrij verklaarden roover -Robbert Mac-Gregor Campbell, die zoo lang eene plaag van deze streken -is geweest. Wat moet ik daarvan denken?" - -»Spionnen van Robbert!" riep Inverashalloch; »kort en goed recht over -hen! Men hange hen op aan den eersten den besten boom!" - -»Wij zijn van huis gegaan om eenige goederen terug te halen, die -ons behooren, en toevallig in zijne handen zijn geraakt," zeide -Jarvie. »Mij dunkt toch, dat er geen wet bestaat, die ons verbiedt -voor het behoud van ons eigendom te zorgen." - -»Hoe zijt gij aan dezen brief gekomen?" vroeg mij de officier. - -Ik wilde de waardin niet verraden en zweeg.--»Weet gij er niets -van?" vroeg de officier thans aan Andries, die, zoodra hij het -vonnis had gehoord, dat de Hooglander over ons velde, van schrik -klappertandde.--»O ja, ja, ik weet er alles van--het was--het was -een slungel uit het Hoogland--die gaf den brief aan de vrouw van -dezen huize. Mijnheer wist er echter niets van, daarop wil ik des -noods een eed doen! Maar hij wil zich naar het gebergte begeven -en met Robbert spreken. Ach, mijnheer! verricht hier eens een werk -van barmhartigheid en laat een paar van uwe roodrokken hem veilig -naar Glasgow terugbrengen: hij moge willen of niet. De heer Jarvie -kunt gij bij u houden, zoo lang gij verkiest: die man is goed voor -iedere geldboete, welke gij hem zoudt willen opleggen. Mijnheer is -het trouwens ook, wat dat betreft--en ik--ik ben een arm tuinier en -niet waardig dat gij u een enkel oogenblik om mij bekommert." - -»Het zal wel 't best zijn deze lieden onder bedekking naar het -fort te zenden," zei de officier. »Zij schijnen met den vijand in -verstandhouding te zijn, en ik durf het niet op mij nemen, hen in -vrijheid te laten.--Gij zijt mijne gevangenen. Met het aanbreken -van den dag wordt gij van hier vervoerd. Zijt gij inderdaad degenen -welke gij zegt te zijn, dan zal dat spoedig blijken, en een paar dagen -oponthoud zal u juist zooveel schade niet veroorzaken. Verschoon mij -van alle tegenbedenkingen," vervolgde hij, zich van Jarvie afwendende, -die hem wilde aanspreken: »de dienst duldt niet dat ik mij met een -nutteloos onderzoek inlate." - -»Zeer wel, zeer wel!" hernam Jarvie. »Wij zullen dan eens naar uwe -pijpen dansen. Maar pas op. Ik zal, als mijne beurt komt, u een nog -moeielijker dansje voorspelen en dan zult gij dansen dat gij omvalt." - -Nu had er eene ernstige beraadslaging tusschen den officier en -de Hooglanders plaats, maar zoo zacht en geheimzinnig, dat men er -volstrekt niets van kon verstaan.--Eindelijk gingen zij allen naar -buiten.--»Deze Hooglanders," zeide Jarvie tot mij, »zijn van de -westelijke stammen. Zij hebben, zooals men zegt, even lange vingers -als hunne naburen. Maar gij ziet, dat zij herwaarts zijn gekomen om -den ongelukkigen Robbert te vervolgen, omdat zij een ouden haat tegen -hem en zijn stam voeden, en nu komen zij uit alle oorden gewapend -opdagen. Men weet eigenlijk wel waarom zij vechten, en ik kan het -hun niet kwalijk nemen; want wie wil gaarne zijn vee verliezen. En -dan zijn er ook nog soldaten uit de vesting bij! Ja, de arme Robbert -zal morgen de handen vol hebben, dat voorzie ik! Het is waar, een -overheidspersoon, een lid van den stedelijken raad van Glasgow mag -niets wenschen, wat tegen den gang der gerechtigheid indruischt. Maar -toch zeg ik u, dat ik mij de haren niet uit het hoofd rukken zou, -als ik hoorde, dat Robbert zijne vijanden eens aardig om den tuin -had geleid." - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXX. - - - Hoor mij! Kapitein, zie, bid ik, mij aan, - Zie mij in 't gelaat, het gelaat eener vrouwe, - Zie of iets anders dan vrees of dan schrik, - En bleekheid en angst zich vertoont in mijn blik, - Ik smeek u genade in rouwe.... - - Bonduca. - - -De overige uren van den nacht liet men ons slapen, zoo goed als dit -bij den armzaligen toestand der herberg mogelijk was. Jarvie was door -de vermoeienissen van de reis en de daarop gevolgde gebeurtenissen -zeer afgemat. Onze gevangenneming, die trouwens voor hem slechts eene -voorbijgaande onaangenaamheid kon zijn, deerde hem niet veel. Hij -was misschien ook minder verwend dan ik, minder aan zindelijkheid -gewoon, en ging dus in eene der langs den wand zich bevindende -kribben liggen en begon spoedig geducht te snurken, terwijl ik, -met het hoofd op de tafel liggende, slechts weinige oogenblikken een -zeer onrustigen slaap genoot. Gedurende den nacht had ik gelegenheid -den twijfel en besluiteloosheid der soldaten op te merken, door de -maatregelen welke zij namen. Er werden enkele soldaten uitgezonden, -alsof zij op verkenning gingen. Doch telkens kwamen zij terug, -zonder, naar het scheen, hun officier geruststellende berichten te -brengen. Duidelijk was het zichtbaar, dat de aanvoerder in angstige -verwachting verkeerde. Van tijd tot tijd zond hij twee of drie man uit, -van wie sommigen, zoo als ik uit het gefluister der overigen vernam, -in het geheel niet terugkwamen. - -Toen de dag aanbrak, kwamen een korporaal en twee soldaten juichende -binnen met een gevangen Hooglander, in wien ik op het eerste gezicht -den ontvluchten cipiersknecht uit Glasgow, Dugald, herkende. Jarvie, -die door dit gejuich ontwaakt was, begreep dit ook al spoedig en -riep uit: »de Hemel ontferme zich! daar hebben zij den armen Dugald -gekregen! Kapitein, ik blijf borg voor hem, ik blijf borg voor dezen -Dugald!" - -Op die betuiging, welke de dankbare herinnering aan de laatste -dienstbetooning van den Hooglander hem ingaf, antwoordde de kapitein, -»dat Jarvie liever aan zijne eigene belangen moest denken, en niet -moest vergeten, dat hij zelf een gevangene was." - -»Mijnheer Osbaldistone, ik roep u op als getuige," zeide Jarvie, -die zeer waarschijnlijk de burgerlijke rechtspleging beter kende -dan de krijgswetten: »gij kunt verklaren, dat deze officier een -goeden borgtocht geweigerd heeft. Dugald kan eene aanklacht tegen -hem inleveren wegens onwettige gevangenneming, en dan nog een eisch -tot schadevergoeding doen. Ik zal den braven man voor het gerecht -bijstaan." - -De officier, dien ik Thornton hoorde noemen, sloeg geen acht op -Jarvie's bedreigingen. Hij begon Dugald streng te verhooren en bracht -hem daardoor zoo zeer in het nauw, dat de gevangene ten laatste, -ofschoon met zichtbaren tegenzin, langzamerhand bekende, dat hij -wel wist wie Robbert Mac-Gregor was. Ja, dat hij hem nog geen jaar -geleden--nog geen half jaar--nog geen maand--nog geen week geleden--had -gezien--en eindelijk, dat hij hem pas voor een uur verlaten had. Alle -deze bekentenissen werden den gevangene als bloeddruppels door Thornton -afgeperst, die telkens dreigde, hem aan den eersten den besten boom -te zullen ophangen, als hij zich maar eene enkele logen veroorloofde. - -»En nu," vervolgde de kapitein, »moet gij mij ook zeggen, hoe veel -man die Robbert thans bij zich heeft." - -Dugald keek angstig rond zonder den vrager aan te zien, en zeide met -eene flauwe stem: »dat weet ik niet juist." - -»Zie mij aan," hernam Thornton, »en bedenk, gij Hooglandsche hond, dat -uw leven van uw antwoord afhangt. Hoe vele schelmen had de vogelvrij -verklaarde schurk bij zich, toen gij hem verliet?" - -»Niet meer dan zes schelmen," antwoordde Dugald. - -»En waar waren de overige roovers?" - -»Met den luitenant tegen de kerels in het Westland opgetrokken." - -»Tegen de westelijke clans? Hm! zeer waarschijnlijk. En op welke -schurkachtige expeditie waart gij uitgezonden?" - -»Ik moest eens zien, wat gij, mijnheer, en de overige heeren roodrokken -hier in het dorp uitvoerdet." - -»Weet ge wel dat die kerel, op de keper beschouwd, een gemeene verrader -is," fluisterde Jarvie, die dicht achter mij stond, mij toe. »Het -is maar goed, dat men mij, toen ik borg voor hem wilde blijven, -niet bij mijn woord heeft gehouden; hij is, waarachtig! geen knip -voor den neus waard!" - -»En nu, mijn goede vriend," hernam de kapitein, »zullen wij eens zien, -wat wij met u te doen hebben. Gij hebt bekend, dat gij een spion -zijt, en moest dus van rechtswege aan den eersten den besten boom -opgeknoopt worden. Maar luister! wilt gij mij een dienst bewijzen, -dan bewijs ik u wederkeerig een dienst. Breng mij en eenige van -mijne manschappen naar de plaats, waar gij Robbert verlaten hebt; -want ik moet hem over zeer gewichtige zaken spreken. Doet gij dit, -dan stel ik u in vrijheid, en geef u nog vijf guinjes op den koop toe." - -»Neen, dat niet! Ach neen!" riep Dugald in de uiterste vrees en -verwarring; »dat kan ik niet doen, dat kan ik, waarachtig, niet -doen! Hang mij liever op!" - -»Nu, dat kan terstond geschieden! Korporaal Cramp, vervul hier de -taak van beul, laat dezen spion dadelijk aan den een of anderen -boom opknoopen." - -De korporaal stond tegenover den armen Dugald en maakte met vrij wat -vertoon en heel langzaam een strop gereed, dien hij den veroordeelde -om den hals wierp en hem toen, met behulp van twee soldaten, naar de -deur sleurde, waar Dugald, door doodsangst overmand, uitschreeuwde: -»houdt op! mijne heeren, houdt op, laat mij los! Ik wil den kapitein -den gevraagden dienst bewijzen! Laat mij los!" - -»Ellendige kerel!" riep Jarvie. »Hij verdient thans de galg meer dan -ooit. Weg met hem, korporaal! Waarom gaat gij niet?" - -»Ik geloof, mijn beste heer," antwoordde de korporaal, »dat, zoo gij -zelf moest opgehangen worden, gij zooveel haast niet zoudt maken." - -Dit tusschengesprek belette mij, alles te hooren, wat er tusschen -den kapitein en den gevangene verhandeld werd; maar ik verstond zeer -duidelijk, dat deze den officier snikkende vroeg: »Maar gij zult toch -niet begeeren, dat ik één voetstap verder ga, als ik u eens gewezen -heb, waar Mac-Gregor zich bevindt?" - -»Mijn woord daarop," hernam de kapitein, »schei nu uit met uw -gehuil! Korporaal, laat de manschappen voor het huis aantreden en de -paarden van onze beide gevangenen voorbrengen. Wij moeten de heeren -medenemen, want ik heb geen volk genoeg bij mij, om hen hier te laten -bewaken. Allen dadelijk marsch-klaar!" - -De soldaten spoedden zich naar buiten, en waren weldra -marschvaardig. Wij werden met Dugald als gevangenen uitgeleid, en -terwijl wij de herberg verlieten, hoorde ik, dat Dugald den kapitein -aan de vijf guinjes herinnerde. - -»Daar zijn ze!" zei de officier. »Maar waagt gij het mij te bedriegen, -door mij op een verkeerden weg te brengen, dan jaag ik u zelf een -kogel door den kop!" - -»De kerel is nog sluwer en slechter dan ik gedacht had!" zeide -Jarvie. »Hij is een verrader, die alleen om geld geeft! Ja mijn vader -zaliger, de wijkmeester had wel gelijk, als hij zeide--en dat zeide hij -dikwijls--dat het geld meer zielen doodde, dan het zwaard lichamen." - -Nu verscheen de waardin en vroeg om betaling van het gelag, daaronder -begrepen al wat Galbraith en zijne vrienden, de Hooglanders, verteerd -hadden. De kapitein maakte tegenwerpingen. Doch de waardin verklaarde, -dat, zoo zij geen krediet had gegeven voor den naam van den edelen -heer, op wien het gezelschap zich beriep, zij geen enkelen droppel -brandewijn zou geschonken hebben; en dat, of zij den majoor Galbraith -wederzag of niet, zij van hem toch nooit een penning zou krijgen. - -Kapitein Thornton gaf eindelijk toe en betaalde met eenige shillings -het kleine gelag, dat slechts in Schotsche munt zoo geweldig -hoog scheen te zijn. Edelmoedig wilde hij ook voor Jarvie en mij -voldoen; doch niettegenstaande de waardin ons toefluisterde, van die -Engelschen maar zooveel te halen als wij krijgen konden, omdat zij -ons toch genoeg kwelden en vilden, vroeg Jarvie eene afzonderlijke -rekening van hetgeen wij verteerd hadden en betaalde die. Bij deze -gelegenheid bood de kapitein ons zijne verontschuldigingen aan over -onze gevangenneming. Hij herhaalde zijne verzekering, dat wij als -getrouwe en vreedzame onderdanen, geen berouw over een kort oponthoud -zouden hebben, wanneer dit voor 's konings dienst noodzakelijk was. Had -hij zich echter in deze veronderstelling omtrent ons vergist, dan -vervulde hij slechts zijn plicht. Met deze verontschuldiging moesten -wij ons tevreden stellen. En zoo moesten wij met hem op weg. - -Nooit vergeet ik de aangename gewaarwording, toen ik uit de sombere, -berookte, morsige Hooglandsche kroeg, waar wij den nacht doorgebracht -hadden, in de frissche morgenlucht kwam. De stralen der opgaande -zon schoten uit zacht roode wolken met goud omzoomd, terwijl zij -een landschap verlichtten, bekoorlijker dan mijn oog ooit vroeger -gezien had. Links lag het dal, waarin de Forth in eene oostelijke -richting neerstroomde, aan den voet van den zacht rijzenden heuvel, -welks hellingen door bosschen bedekt werden. Reeds strekte zich, -midden tusschen bosschaadje, heuvels en rotsen, het bed van een groot -bergmeer uit, op welks oppervlakte de morgenwind lichte golfjes krulde, -schitterend in de zonnestralen. Hooge heuvels en rotsachtige oevers, -met berken- en eikenbosschen gekroond, omkransten deze bekoorlijke -watervlakte. Het loof dat in den wind ruischte en in de zon schitterde, -schonk aan de eenzaamheid leven en beweging. De eenigen, die te -midden van dit landschap, waar de gansche natuur zoo grootsch, zoo -verheven was, storend werkten, waren de menschen. De schamele hutten, -wier aantal in het dorpje Aberfoil een dozijn zal bedragen hebben, -bestonden uit losse, met klei aaneengevoegde steenen, en waren met -zoden gedekt, die op balken van ruwe boomstammen rustten. De daken -waren zoo laag bij den grond, dat Andries opmerkte, dat wij den vorigen -nacht, zonder het te bespeuren, over het dorp heen zouden hebben kunnen -rijden, tot de voeten onzer paarden door de daken gedrongen waren. - -Voor zoover wij zien konden, was de herberg, die wij pas verlaten -hadden, het fraaiste gebouw van het gehucht. Als ge heden ten dage -het dorp bezocht, zoudt ge het weinig veranderd vinden. Dit denk ik -tenminste. Want de Schotten houden niet van nieuwigheden, ook al zijn -het verbeteringen. - -Het gedruisch van onzen afmarsch wekte de bewoners der hutten uit hun -slaap. Terwijl de soldaten, twintig in getal, zich vóór den aftocht -in het gelid plaatsten, werden wij door verscheidene oude vrouwen -door de half geopende deuren begluurd. Toen die grijze hoofden, -met nauw sluitende flanellen nachtmutsen bedekt, vooruit staken, die -rimpelige voorhoofden, die lange, magere armen met allerlei gebaren -en schouderophalen zich vertoonden, en die oude wijven met elkander -in de Gaelische taal mompelden, was het waarlijk als zag ik Macbeths -heksen voor mij, terwijl hare gelaatstrekken de boosaardigheid -der tooverkollen verried. De kleine kinderen, die nog nauwelijks -gaan konden, kwamen insgelijks te voorschijn, deels geheel naakt, -deels uiterst armoedig met eenige lompen bedekt. Zij klapten in de -handjes en lieten den Engelsche soldaten de tanden zien, met eene -uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, die hun leeftijd ver te -boven ging. Wat mij zeer verwonderde, was, dat ik geen volwassen man, -zelfs geen knapen van tien tot twaalf jaren, onder de bewoners van -het dorp zag. Toch scheen het, naar evenredigheid van zijne grootte, -vrij bevolkt te zijn. Ik begon te vreezen, dat wij op onzen tocht -nog veel duidelijker bewijzen van die vijandige gezindheid zouden -ontvangen, die op het gelaat der vrouwen en kinderen te lezen en uit -hun gemompel duidelijk te hooren was. - -Nauwelijks was er echter door den kapitein »marsch!" gekommandeerd, -of de wrevel der vrouwen barstte eerst recht uit. En toen het laatste -gelid onzer manschap het dorp verlaten had, langs een smal spoor, -gegraven door de sleden, waarmede de bewoners van deze streken zoden -en turf vervoeren, verhief zich plotseling een luid gegil der vrouwen -en een oorverdoovend geschreeuw en handgeklap der kinderen. Het akelig -geschreeuw bleef langen tijd voortduren. Ik vroeg den doodsbleeken -Andries wat dat geschreeuw beduidde. - -»Wat dat zeggen wil," antwoordde hij, »zullen wij spoedig genoeg -ondervinden. Het beteekent, dat de Hooglandsche vrouwen de roodrokken -vervloeken en in het diepste der hel wenschen. Zoo verwenschen zij -iedereen, die Saksisch spreekt. Vaak heb ik in Engeland en Schotland -vrouwen hooren kijven--en ik verzeker u op mijn woord, dat zij -mondjes hadden als hooischuren!--Maar zulke venijnige tongen als -van deze wijven, zulke ijselijke vervloekingen als van deze heksen, -bah! de haren rijzen iemand te berge! Zij wenschen, dat de roodrokken -als schapen mogen geslacht en gevild worden; dat zij hare armen tot -aan de ellebogen in hun bloed mogen dompelen, en dat er van al, wat -roodrok heet en Saksisch spreekt, niet zoo veel moge overblijven, als -een hond voor zijn avondeten noodig heeft. Ik vertaal u maar een paar -staaltjes.... Het is waarachtig al te erg! het is ijselijk! Als zij -bij den duivel waren school gegaan, zij zouden niet verschrikkelijker -hebben kunnen leeren vloeken. Ook zij hebben ons toegeroepen, dat wij -maar langs het meer moesten gaan, dan zouden wij eens zien, waar wij -te recht komen." - -Het kwam mij voor, uit een en ander wel te mogen opmaken, dat men -voornemens was een aanval op ons te wagen. De weg waarlangs wij -trokken, scheen zulk eene onderneming bij uitstek te begunstigen. Het -pad liep in het begin van het meer af, door moerassig en met struiken -bewassen weiland, vervolgens door kreupelhout, waarin zich licht eene -hinderlaag kon bevinden. Vaak moesten wij bergstroomen doorwaden, -waarin de soldaten tot aan de knieën door het water gingen. Zoo hevig -bruisten en kookten die stroomen, dat de soldaten de kracht van -den stroom op geene andere wijs weerstand konden bieden, dan door -elkander, twee of drie te zamen, vast onder den arm te houden. Hoe -weinig ik ook van de krijgskunst wist, kwam het mij toch voor, dat -half woeste krijgslieden, zoo als men de Hooglanders afschilderde, -in zulke bergpassen eene vijandelijke bende met zeer veel voordeel -zouden kunnen aantasten. Van die meening scheen Jarvie insgelijks te -zijn. Althans vermoedde ik dit uit zijn verlangen om den kapitein te -spreken. »Ik wensch mij niet bij u in te dringen, dat zou verachtelijk -zijn. Ik betuig u nogmaals, dat ik mij mijne aanklacht wegens onwettige -gevangenneming in allen geval voorbehoud.--Maar vergun mij, als een -vriend des konings en zijner soldaten, ééne vraag. Dunkt u niet, dat -gij een veel geschikter tijd zoudt kunnen kiezen, om in dit dal op -te trekken? Zoekt gij Robbert, laat mij u dan waarschuwen, dat zijne -bende, naar men zegt, minstens vijftig man sterk is, als hij slechts -zijn gewoon getal bij zich heeft. Heeft hij echter nog daarenboven -versterking van zijne vrienden ontvangen uit Glencyle en Glenfinles met -de menschen uit Balguidder, dan kan hij het u benauwd genoeg maken. Mag -ik dus, als vriend des konings, u een goeden, welmeenenden raad geven, -keer dan liever naar het dorp terug. De vrouwen in Aberfoil zijn als -zeemeeuwen: »als zij schreeuwen, komt er storm."" - -»Stoor u aan dit alles niet," antwoordde kapitein Thornton. »Trouwens, -ik moet als krijgsman zonder eenige bedenking aan de mij gegeven -orders gehoorzamen. Maar dewijl gij een vriend van koning George -wilt zijn, zult gij zeker met genoegen hooren dat deze rooverbende, -wier teugelloosheid het land sedert zoo langen tijd verontrust heeft, -onmogelijk aan de maatregelen kan ontsnappen, die men thans tot hare -verdelging heeft genomen. De landweer, onder bevel van den majoor -Galbraith, heeft zich reeds met twee andere ruiterbenden vereenigd, -en zullen alle passen van deze woeste streek bezetten. Driehonderd -Hooglanders, onder aanvoering van de beide heeren, die gij in de -herberg hebt gezien, hebben zich thans op de heuvels geschaard, -terwijl eenige sterke afdeelingen de dalen in verscheidene richtingen -doorkruisen. De laatste tijdingen, welke wij omtrent Robbert -ingewonnen hebben, stemmen met de verklaringen van dien knaap overeen, -namelijk dat hij van alle kanten ingesloten, het grootste gedeelte -van zijne bende weggezonden heeft, hetzij met het oogmerk om zich te -verschuilen, of om van zijne plaatselijke kennis der bergpassen voor -zijne ontvluchting partij te trekken." - -»Maar ik weet dan wel," hernam Jarvie, »dat die majoor Galbraith -vandaag meer brandewijndampen dan hersens in zijn hoofd heeft. In -uwe plaats, kapitein, zou ik mij op die Hooglanders zoo vast niet -verlaten. Gij kent immers het oude spreekwoord wel: »de eene kraai -pikt de andere de oogen niet uit." Zij twisten vaak onder elkander, -trekken zelfs tegen elkander het zwaard. Maar ten slotte, als zij -zich tegenover een fatsoenlijk man bevinden, die geld op zak heeft, -dan helpen ze elkaar weer." - -Thornton scheen deze waarschuwingen niet geheel en al in den wind -te slaan. Hij maakte terstond eenige veranderingen in onzen optocht, -door te bevelen, dat de soldaten hunne geweren in den arm nemen en de -bajonetten opzetten zouden. Hij vormde ook eene voor- en achterhoede, -ieder uit twee man en een onderofficier, die strenge bevelen ontvingen, -om op alles een waakzaam oog te houden. Ook werd Dugald nogmaals scherp -ondervraagd. Maar hij bleef standvastig bij zijne reeds afgelegde -bekentenis. En toen men hem wegens, het verdachte en gevaarlijke van -den weg, langs welken hij ons leidde, een verwijt deed, antwoordde -hij met eene gemelijkheid, die inderdaad natuurlijk scheen te zijn, -dat hij den weg niet had aangelegd, en dat, als de heeren gemakkelijker -wegen verkozen, zij liever in Glasgow hadden moeten blijven. - -Na dit korte oponthoud begaf onze bende zich weder op marsch. De -weg helde schuin naar het meer af, maar was tot hiertoe door zwaar -geboomte zoo dicht belommerd, dat wij slechts van tijd tot tijd de -uitgestrekte watervlakte bemerkten. Thans echter nam hij eene andere -richting en liep zoo nabij den oever van het meer, dat wij den ganschen -waterspiegel overzagen. Er was volstrekt geen wind. In stille pracht -weerkaatsten zich in het fraaie watervlak de hooge donkere heuvels -en grijze rotsen in het rond. Ook liepen de heuvels zoo dicht langs -den oever neer en waren zoo steil, dat er bijna geen andere weg -overbleef dan het smalle pad, langs hetwelk wij marcheerden. Rotsen -hingen dreigend over ons. Door zware steenen op ons neder te laten -rollen, zou men ons allen hebben kunnen doen omkomen, zonder dat wij -in staat waren geweest, eenigen wederstand te bieden. Daarenboven -konden wij, wegens de vele bochten van ons pad, nauwelijks meer -dan honderd schreden vóór ons zien. Onze aanvoerder scheen over den -hachelijken weg, dien men hem gewezen had, ongerust te worden. Hij -verried dit onwillekeurig, door zijne soldaten telkens te bevelen, -toch vooral op hunne hoede te zijn, en door Dugald te dreigen, dat, -zoo hij hen in gevaar had gebracht, een oogenblikkelijke dood zijne -straf zou wezen. Dugald hoorde echter deze bedreigingen aan met eene -koele onverschilligheid, die òf uit bewustheid van onschuld of uit -hardnekkigheid voortkwam.--»Willen de heeren Robbert Roodhaar zoeken -en vinden," zeide hij, »dan moeten zij voor een weinigje gevaar niet -bang zijn." - -Nauwelijks had de Hooglander dit gezegd, of de onderofficier, die -de voorhoede kommandeerde, maakte plotseling halt. Hij zond een -van zijne manschappen naar den kapitein, om dien te berichten, -dat zich Hooglanders vertoonden op een vooruitstekend, den -ganschen weg bestrijkend punt. Op hetzelfde oogenblik berichtte een -soldaat van de achterhoede, dat men in het bosch, dat wij zoo even -doorgetrokken waren, het geluid van een Hooglandschen doedelzak had -gehoord. Thornton, even krijgshaftig als dapper, besloot terstond den -voor ons liggenden pas te bestormen, eer hij in den rug kon aangevallen -worden. Zijne soldaten stelde hij door de verzekering gerust, dat -het geluid der doedelzakken, dat zij gehoord hadden, de nabijheid -der Hooglanders aankondigde, die hen ter hulpe kwamen. Hij bracht -hun tevens onder het oog, van hoeveel belang het was, voorwaarts te -trekken en zich van Robbert meester te maken, voordat de hulptroepen -aankwamen. Want dan zouden zij alleen den roem oogsten en ook den -prijs, die op het hoofd van den roover was gesteld. De achterhoede -vereenigde hij met het hoofdkorps en beval beiden de voorhoede snel -te volgen. De twee gelederen deed hij naast elkander marcheeren, -om met zijne bende de gansche breedte van den begaanbaren weg te -bezetten.--»Hebt gij mij bedrogen, schurk, dan zult gij terstond -sterven!" zeide hij zacht tegen Dugald en gaf bevel, den verdachten -gevangene in het midden tusschen twee grenadieren te plaatsen, -die hem bij de eerste poging om te ontvluchten dadelijk moesten -neerschieten. Jarvie en ik werden insgelijks, tot meerdere zekerheid, -in het midden der bende genomen. Nu plaatste Thornton zich aan het -hoofd van zijne dapperen en riep op vasten toon: »voorwaarts!" - -Moedig rukten de soldaten vooruit. Maar de arme Andries was van angst -schier half dood. En om u de waarheid te zeggen, waren Jarvie en ik -weliswaar niet zoo vreesachtig en bang als hij, maar we konden toch -niet met onverschilligheid het gevaar te gemoet gaan, om ons leven -te verliezen in een strijd, die ons volstrekt niet aanging. Maar -bedenkingen noch tegenstand kon hier helpen. We moesten meê. - -Wij waren op een afstand van ruim twintig pas van de plaats, waar -onze voorhoede den vijand beweerde gezien te hebben. Het was een -van die in het meer uitloopende voorgebergten, aan welks voet de weg -zich kromde. Het ongebaande pad, van den oever afwijkende, nam hier -eene zig-zag richting en liep ter zijde van eene steile rots op, -die langs geen anderen weg te beklimmen was. Op den top van die -rots, waarheen alleen dat smalle pad leidde, meende de korporaal -de mutsen en lange geweren van eenige Hooglanders gezien te hebben, -die zich waarschijnlijk verscholen hadden in het hooge heikruid en -de bosschaadjes, waarmede de top bedekt was. Thornton beval hem, met -drie man vooruit te rukken, ten einde den vijand uit de vermeende -hinderlaag te verjagen, terwijl hij zelf met langzame, maar vaste -schreden tot ondersteuning der vooruittrekkenden, volgde. - -De aanval, dien hij voornemens was te doen, werd door de plotselinge -verschijning van een vrouw op den top der rotsen verhinderd. - -»Staat!" riep zij met gebiedende stem, »en zegt mij, wat gij zoekt -in het land van Mac-Gregor?" - -Eene zoo verhevene en gebiedende gestalte zag ik zelden, als van deze -vrouw. Zij mag tusschen de veertig en vijftig jaar zijn geweest. Haar -gelaat droeg nog de sporen van buitengewone schoonheid, doch de -invloed van het weer, misschien ook van kommer en hartstocht, had er -zijn stempel op gedrukt. Zij zag er nu alleen ruw en krachtig uit. Haar -plaid droeg zij niet om hoofd en schouders, zoo als de andere Schotsche -vrouwen gewoon zijn, maar zij had hem, als de Schotsche soldaten, -om haar lijf gewonden. Haar hoofd was met eene nachtmuts gedekt, -waarop eene pluim stak. In hare hand hield zij een ontbloot zwaard -en in haar gordel staken twee pistolen. - -»Het is Helena Campbell, Robberts vrouw!" fluisterde Jarvie, geheel -onthutst, mij toe; »ach, nu zal het bloed kosten, dat zult gij zien!" - -»Wat zoekt gij hier?" herhaalde zij, toen kapitein Thornton nader -gekomen was, om haar zelf van nabij te zien. - -»Wij zoeken den vogelvrij verklaarden Robbert Mac-Gregor Campbell," -antwoordde Thornton, »maar voeren geen oorlog tegen vrouwen. Bied dus -geen vruchteloozen weerstand aan 's konings krijgsmacht. U wordt eene -welwillende behandeling beloofd." - -»Ja, ik ken uwe zachtmoedige welwillendheid!" hernam de Amazone. »Gij -hebt mij mijn naam en eer ontroofd. Mijn moeders gebeente, zal zich -in het graf omkeeren, als men mijn gebeente bij het hare legt. Gij -hebt mij en de mijnen huis en hof, bed en huisraad, kleederen, vee, -alles, alles ontnomen--zelfs den naam van onze vaderen hebt gij ons -ontroofd, en nu staat gij ons ook naar het leven!" - -»Dooden wil ik niemand," antwoordde de kapitein, »maar ik gehoorzaam -aan de bevelen die mij gegeven zijn. Zijt gij alleen, goede vrouw, -dan hebt gij niets te vreezen! zijn er echter roekeloozen bij u, -die vergeefschen wederstand willen wagen, dan kome hun bloed over -hen! Sergeant! voorwaarts!" - -»Voorwaarts!" herhaalde de onderofficier. »Hoera! kameraden! Robberts -hoofd en eene beurs vol goud!" - -In stormpas liep hij vooruit, gevolgd door zes man, maar nauwelijks -hadden de soldaten het steile pad begonnen te bestijgen, of er vielen -schielijk achter elkander geweerschoten van verscheidene kanten. De -aanvoerder der voorhoede, de sergeant, gevaarlijk gekwetst, trachtte -nog op handen en voeten de rots te beklauteren. Doch na eene wanhopige -poging, liet hij krachteloos los en van den rand der rotsen stortte -hij in de diepte van het meer en verdronk. Drie zijner wapenbroeders -vielen insgelijks, en de overigen, allen min of meer zwaar gekwetst, -trokken op het hoofdkorps terug. - -Thornton liet zijne grenadiers aanrukken, die, naar het toenmalige -gebruik, hunne verwoestende granaat-bommen bij zich droegen. De -kapitein beval den overigen, den aanval dezer dapperen te -ondersteunen. Mij en mijne lotgenooten riep hij toe: »zorgt voor -u zelven." - -En onmiddellijk daarop gaf hij het bevel tot den aanval. Onder -een luid »hoera!" rukten de soldaten voort. De grenadiers maakten -zich gereed hunne granaten in het bosch te werpen, waar zich de -hinderlaag bevond. Dugald, die in het gewoel van het gevecht vergeten -werd, ontsnapte in de struiken, die een gedeelte van den rotsweg -overdekten, waar wij eerst halt gemaakt hadden, en klauterde toen met -de behendigheid van eene wilde kat naar boven. Onwillekeurig volgde -ik zijn voorbeeld, daar ik begreep dat het open pad door het vuur der -Hooglanders bestreken zou worden. Ik klauterde voort, tot ik geheel -buiten adem was. Het onafgebroken schieten--elk schot werd door de -echo's in de bergen duizendvoudig weerkaatst--het sissen der brandende -granaten, het losspringen ervan, het geschreeuw der beide vechtende -partijen--dit alles,--ik schaam mij niet het te bekennen,--joeg mij -naar boven, om eene veilige wijkplaats te bereiken. Het steil opgaand -pad werd echter spoedig zoo moeielijk, dat ik bijna wanhoopte Dugald -in te halen, die van de eene rots sprong op de andere, van den eenen -boomstronk op den anderen, zoo vlug als een eekhoren. Ik keek even -achter mij, om te ontdekken, wat er van mijne beide metgezellen -geworden was. - -Ik moest ondanks mijn ernstigen toestand even glimlachen. En -toch had ik angst voor hen, want ik zag beiden in een staat van -gedwongen rust, die lang niet benijdenswaard was, maar waarin zij -eene allerzonderlingste vertooning maakten. Jarvie, aan wien de vrees -waarschijnlijk voor een oogenblik de noodige vlugheid had verleend, -was eerst een dertig voet boven het pad opgeklauterd. Doch toen hij van -de eene rotspunt op de andere wilde stappen, gleed hij uit. En zijn -ziel zou zich toen zeker hebben vereenigd met die van zijn vader den -wijkmeester, wien hij zich zoo gaarne herinnerde, zoo niet een stevige -tronk van een doornstruik, waaraan hij met het eene pand van zijn rok -bleef hangen, hem zwevende in de lucht had gehouden. Zoo bleef hij als -het uithangbord van »Het gulden vlies", in de lucht bengelen. Andries -was in zijn klimmen gelukkiger geweest, tot hij eindelijk den top van -eene kale rots bereikte. Maar ze stak zoo hoog boven het bosch uit, -dat hij vast geloofde, aan al de gevaren van het meer en meer naderend -gevecht blootgesteld te zijn. Daarbij was ze tevens zoo steil en -ontoegankelijk, dat hij noch voor- noch achterwaarts zich waagde. Op -de smalle rotsvlakte op en neder gaande als een kunstenmaker op de -kermis, riep hij beurtelings in de Gaelische en Engelsche taal om -genade, naarmate de overwinning zich voor deze of gene partij scheen -te zullen verklaren. Maar zijne jeremiaden werden slechts begroet -door de kreten der beklagenswaardige Jarvie, wien de vrees, evenzeer -als zijn gevaarlijke toestand, het angstzweet deed uitbreken. - -Toen ik Jarvie in dezen dringenden nood zag, besloot ik terstond -hem hulp te verleenen. Het was echter onmogelijk, zoo niet Andries -insgelijks behulpzaam wilde wezen. Maar ik kon dezen noch door -vriendelijke uitnoodiging, noch door ernstige bevelen, noch door -scheldwoorden, noch door bedreiging van ongenade, den moed inboezemen, -om van zijne gevaarlijke hoogte af te dalen. Hij stond daar als -een onbekwaam minister, die niet met fatsoen van de verheven plaats -kan dalen, die hij zich vermeten heeft te beklimmen. Onophoudelijk -riep hij om genade, liep heen en weder en kromde zich in allerhande -zonderlinge bochten, om de kogels te ontwijken. - -Gelukkig duurde de oorzaak van zijn angst niet lang, daar het schieten, -dat eerst zonder eenige tusschenpoozen had voortgeduurd, plotseling -ophield. Want het gevecht was opeens geëindigd. Snel zocht ik een plek, -waar ik het gevolg en den uitslag van den strijd zien kon. Ik wilde -het medelijden der overwinnaars inroepen voor den goeden Jarvie. Ze -zouden hem toch niet als Mahomed's kist tusschen hemel en aarde laten -zweven. Eindelijk vond ik, na een moeielijk klauteren, een plekje, -vanwaar ik het slagveld kon overzien. Het gevecht was geëindigd, en, -zoo als ik reeds vermoed had, ten nadeele van kapitein Thornton. Ik -zag eene bende Hooglanders, die bezig waren, den kapitein en het -geringe overschot van zijn korps te ontwapenen. Er waren slechts een -twaalftal manschappen over, meest allen gewond. Aan het moorddadig en -goed gericht vuur der vijanden waren zij blootgesteld geweest, zonder -het met eenig goed gevolg te kunnen beantwoorden. Ten laatste hadden -zij hunne wapens neergelegd, toen hun aanvoerder zag, dat hij ook in -den rug bedreigd werd en door een langeren weêrstand slechts nutteloos -het leven zijner dappere soldaten zou opofferen. Den Hooglanders, -die eigenlijk uit eene hinderlaag vochten, had de overwinning weinig -of niets gekost. Zij hadden slechts één doode en twee gekwetsten, en -wel, zoo als ik later vernam, door de in hunne hinderlaag geworpen -granaten. De woeste, krijgshaftige mannen omringden den Engelschen -officier, wiens gelaat met bloed bedekt was, terwijl hij van hoed en -wapens was beroofd. Zijne soldaten zwegen in diepe smart, terwijl de -overwinnaars, in wier midden zij zich bevonden, maatregelen namen om -hun eigen veiligheid te verzekeren, naar de ruwe wetten en gebruiken -van den oorlog. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXI. - - - "Wee den overwonnenen!" riep Brenno trotsch en woest, - Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest, - En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalen - En doet door dat gewicht den prijs van 't losgeld dalen. - Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woord - Drijft op het slagveld ijzeren wetten voort. - - De Galliade. - - -Allerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald -onder de overwinnaars te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, of hij -had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in -den engen bergpas te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen, -waarmede de onwetende, zelfs half woeste, geheel onbeschaafde kerel -dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen, toen hij zich -dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds -terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet -zonder gevaar de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de -eerste opwelling waren hunner woeste vreugde over de behaalde zege, -waarin zij wreedheden begingen, die mij nog doen ijzen. Ik zag, dat -een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan, door de -overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche -jongens, die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt -werden. Ik oordeelde het dan ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak -aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert nergens kon ontdekken, -wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen. - -Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk -terug, om te zien, of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon -helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte ik, dat hij reeds uit zijn -gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel zat hij aan -den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren -in de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met -zijne redding geluk te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in -het eerst niet zoo hartelijk, als ik ze hem bracht. Een hoestaanval -liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel ten opzichte -van mijne oprechtheid te kennen te geven.--»Een vriend, zegt men, -is ons vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.--Ik -kwam herwaarts, mijnheer Osbaldistone, in dit land, dat van God en -menschen vervloekt is--de Heere vergeve het mij, dat ik mij zoo sterk -uitdruk,--ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij--gij meent -u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek -schuurt en mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van -tusschen die ruwe Hooglanders en Engelsche roodrokken doodgeschoten -te worden of te verdrinken. En gij laat mij daar tusschen hemel en -aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging aan te -wenden om mij te helpen." - -Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze -verontschuldigingen. Ik trachtte hem op alle mogelijke wijzen te -overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest, hem eenige -hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die, -wel wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken -handdruk en op even hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u -gaarne! laat alles vergeven en vergeten zijn!" - -Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken? - -»Mij los te maken?" hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar -hebben kunnen hangen, als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing -immers met het hoofd naar den eenen kant en met de beenen naar den -anderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom, -even als gisteren, uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de -pand van mijn rok af, en hij en een andere knaap hielpen mij op de -been. Toch heb ik door die anders akelige historie de deugdzaamheid -van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische -Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd, -en ik zou jammerlijk om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever, -die dat laken geweven heeft, verstaat zijne kunst. Ik bengelde en -schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als eene boot, -die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt." - -Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden? - -»Dat heer zeide," antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was, -mij terstond naar de dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij -terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans naar u zoekt. Want -hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven -zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt, -volkomen gelijk heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat -om zonder handschoenen aan te pakken. En als vrouw is zij er niet -op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat Robbert bang voor -haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben -elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij -het nader hooren. Laat ons maar op hem wachten." - -Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des -noodlots geschreven, dat Jarvie's schranderheid dien dag noch hem, -noch een ander veel zou baten. - -Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den -top der rots heen en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo -bang was, ophield. Maar hij was op dit standpunt een veel te sterk -in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende blikken -der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens -rond te kijken. Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons -vermoeden, dat men hem ontdekt had; dit was ook zoo. Terstond snelden -eenigen hunner in het bosch en klauterden van onderscheidene kanten de -rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning gezien -hadden. Zij, die den armen Andries 't eerst op den afstand van een -geweerschot naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om -hem in zijn hachelijken toestand hulp te bieden. Zij legden eenvoudig -hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem door vrij ondubbelzinnige -teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden te komen -en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk -wilde doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries -niet langer dralen het waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar -maakte hem onverschilliger omtrent dat, wat minder onvermijdelijk -scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de rots af te -klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met -koortsachtigen angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene hand vrij had, -richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te -smeeken, de op hem aangelegde geweren niet los te branden. Eindelijk -kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen, die zich met den -onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten -zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en -zijn inspanning van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek -gleed zijn voet uit en hij viel, zoo lang hij was, op den grond, -waar de Hooglanders zich van hem meester maakten, en hem niet alleen -al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk -eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding -afnamen, dat de arme man, die als een welgekleede knecht op den rug -was gevallen, geheel naakt en met een kaal hoofd weder opstond. Toen -sleepten zij hem over de scherpe rotspunten naar den straatweg. - -Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt, -of eenigen van hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en -zwaarden en hielden ons hunne pistolen voor. Aan tegenweer viel niet -te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk eene bedreiging te kunnen -beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de ongastvrije -handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand -brengen, waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond, -toen er onverwachts redding kwam opdagen. Reeds had men mij mijn -met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot van zijn reisrok -ontnomen, of zie--daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon, -onder vloeken en razen--wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet, -maar ik giste het uit zijne hevige gebaren--dwong hij de plunderaars -hun werk te staken en het reeds geroofde terug te geven. Mijn halsdoek -rukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij -dien in zijn ijver zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij, -gedurende zijn verblijf in Glasgow, niet alleen den cipier gediend, -maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen nu nog meer -Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval -den overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de -noodige hulp te bewijzen. Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit -volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming te erlangen. Hij -had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen. - -»Waarachtig niet!" antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge -zijt zoo ver ik weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben -ook wel eens barrevoets geloopen." - -Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was -geleverd, om ons als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende -bende te brengen. - -Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen -raakte. Eenigen wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan -hen te danken had, doch met groote bedreigingen antwoordde hij -hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin, wier -uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de -woeste, ruwe of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet, -of Helena Mac-Gregor werkelijk deel aan het gevecht had genomen,--later -vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken op hare handen en -naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield; -haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode, -gepluimde muts golfden--alles scheen te kennen te geven, dat zij -zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog en hare gelaatstrekken -verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van bevredigde -wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs -of wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was, -herinnerde zij mij aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in -de Katholieke kerken van Frankrijk had gezien. Zij was echter niet -schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare gelaatstrekken -geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber, -den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die -in het Heidensch Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar -toch deed de hooge graad van geestdrift, waarmede zij bezield was, en -haar gelaat en geheel haar voorkomen mij denken aan de afbeeldingen van -de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig schilderstuk -had gezien. - -Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar -Jarvie, wien de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht, -begon na een voorbereidend hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de -aangename gelegenheid,"--zijne bevende stem logenstrafte den nadruk, -dien hij op het woord aangename trachtte te leggen--»in de aangename -gelegenheid,"--hernam hij en poogde het bijvoegelijk naamwoord nog -beter te doen uitkomen--»te zijn, mijne waarde nicht goeden morgen -te wenschen. Hoe gaat het u?" vervolgde hij en scheen nu weder van -lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al -dien tijd gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor -Campbell? Nu, gij zult u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren, -Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was -een braaf man, een man, op wien men staat kon maken, en hij hield -bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer -u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u, -schuldig en plichtmatig, als mijne bloedverwante omhelsd hebben, -indien slechts uw volk mij de armen niet zoo vasthield; en mag ik, -zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering, -aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te -gebruiken, om de bloedige sporen van den oorlog af te wisschen." - -In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de -overprikkelde gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was -nog in den vollen roes harer vreugde over de zege in een gevaarlijken -strijd. Zij was bezig over leven en dood uitspraak te doen. Dat stemde -niet met Jarvie's gemoedelijk praten. - -»Wie zijt gij,"--begon zij--»die u vermeet, aanspraak op de -verwantschap met Mac-Gregor te maken, maar noch zijne kleeding draagt, -noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij, die de taal en de gewoonten -van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?" - -»Of men u," antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap -duidelijk genoeg verklaard heeft, weet ik niet, maar ze bestaat, -en kan in elk geval bewezen worden." - -Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter -van een Hooglander was geweest, wiens nog levende dochter in -Stuckavrallachan woonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden -graad was vermaagschapt. Maar de heldin tot wie hij sprak, besnoeide -den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche vraag in de rede -te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen -erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot -geringe huiselijke behoeften afgeleid hadden? - -»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!" antwoordde Jarvie. »Maar kijk -eens, de stroom zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer, -als zijn kiezel door de zonnestralen gebleekt is, een gedeelte van -dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders acht -ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook -eene andere taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als -kind geleerd heeft. Ik zou er vrij gek uitzien, als mijn ronde buik -in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne korte beenen onder de -knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige -jongens. Maar nog eens," vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds -wenken hem scheen aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar -misnoegen over zijne praatzucht duidelijk liet blijken--»gij moet u -toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een eenvoudigen daglooner -het een of ander kan te verhandelen hebben, wat voor zijne majesteit -van zeer veel belang is. Hoe hoog gij uwen man ook boven mij moogt -verheven achten--het is niet meer dan billijk, dat eene vrouw den man -eert, want Gods woord beveelt het--maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen -dunk gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben, -kan ik u echter verzekeren, dat er tijden zijn geweest, waarin hij -mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne hulp gaarne erkend zou -hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt treden, -een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke -veehandelaar en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen -ontwapende hij nog niet 's konings soldaten, en stoorde nog niet de -rust van den staat." - -Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd, -iets wat zijne nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte -zij zich op en verried de hevigheid harer gewaarwordingen door een -luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.--»Ja," zeide zij, -»gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij -ons vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven, -als houthakkers en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor -uwe gastmalen te leveren, om als slaven door uwe wetten onderdrukt -en door u met voeten getreden te worden. Maar neen! wij zijn vrij; -wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel en -deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er -aan denk, dat ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op -de aarde kan zijn. Welaan! Het werk, dat heden zoo goed begonnen is, -wil ik door eene daad voortzetten, die elken band tusschen Mac-Gregor -en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken! Hier -Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het -Hooglandsche meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten -zoeken!" - -Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou -daarmee de hevige drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer -ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald tusschen beide. Dezelfde man, -die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte, liet -zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik -uit alles merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen. - -Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als -wilde zij ons den doodsangst in al zijne bitterheid reeds vooraf -doen gevoelen.--»Ellendige hond!" riep zij; »durft gij u tegen -mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong -uit den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen, -om te zien wie daarmede het best Saksisch sprak; of den eenen het -hart uit te rukken en het in de borst van den ander te plaatsen, -om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor -ontwerpen kon--want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te -handelen, als onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.--Zie, -al wilde ik u zoo iets bevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige -tegenwerping mijn wil ootmoedig te gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?" - -»Zeer, zeer zeker!" antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden; -dat zou niets meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel -meer voldoening zou verschaffen, dien leelijken kapitein met zijn -korporaal en nog een paar van die roodrokken in het meer te laten -werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn -goede vrienden van Gregarach. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord -zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken aan geen verraad, dat durf -ik zweren." - -Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige -tonen van een doedelzak op den weg naar Aberfoil deden hooren, -waarschijnlijk dezelfde, die Thornton's achterhoede gehoord had. Het -gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat -krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen, -om deel aan den strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast -hadden, toen het schieten hun in de ooren klonk. Thans verschenen -zij slechts om de overwinning hunner landslieden te helpen vieren. - -De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en -zeer ten hunnen voordeele van diegenen, die over de manschappen -van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders, die tot het -gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen, -nauwelijks in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen, -kortom, menschen, die alleen in dringenden nood gewapend werden. De -neerslachtigheid, welke Thornton's manhaftige gelaatstrekken benevelde, -werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen hij zag, -dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht -en door eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te -overwinnen. Maar de dertig of veertig Hooglanders, die nu aankwamen -en zich met de overigen vereenigden, waren allen deels in den bloei -hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige, -goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en -onder den omgegorden plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij -beter gewapend dan de andere bende. De volgelingen der Amazone hadden -deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei oude wapens; zelfs -hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen. De -naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna -allen dolken naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had -een goed geweer, een zwaard op zijde; daarbij een sterk rond schild, -dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken en sierlijk met -koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het -midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand -schoten, op den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden, -werd het op den linkerarm gebonden. - -Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene -overwinning terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten -hadden. De doedelzak liet van tijd tot tijd eenige klagende tonen -hooren, die geheel iets anders uitdrukten dan vreugde over eene -behaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen -zij voor de vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden, -klonken, na eene korte stilte, nog eenmaal de woeste weemoedige tonen -van den doedelzak. - -Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid -te lezen. - -»Wat beduidt dit, Alaster?" zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze -klaagtonen in het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is -Mac-Gregor, uw vader?" - -Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame, -dralende schreden. Zij mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de -moeder eensklaps een luiden gil gaf, een schrillen schreeuw door de -rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald, terwijl deze -de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen -was. En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel -van het gevecht ophield, gezwegen had, werd weder gehoord. Het was -een vreeselijk jammergeschrei; het joeg zelfs de nachtvogels uit hunne -rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger en van nog droeviger -voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren. - -»Gevangen?" herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk -bedaarde. »Gevangen? En gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige -lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat gij uw bloed tegen uws vaders -vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen zien nemen -en terugkeeren?" - -Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren -jongelingen, de oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren -bereikt. Hamisch, of Jakob heette de oudste der beiden; hij was een -hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder. Zijne lichtblauwe -oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie blauwe -muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen -Hooglandschen jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem -van zijn vader te onderscheiden, noemden de Hooglanders hem »Oig", -dat wil zeggen »de jonge". Donker haar en een gelaatskleur die van -gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen -bergbewoner tot eene aangename verschijning. - -Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen -zij daar voor hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid -ontvingen zij de verwijten, waarmede zij overladen werden. Toen -eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins scheen te bedaren, -beproefde de oudste in de Engelsche taal--waarschijnlijk om door de -overigen niet verstaan te worden--zich en zijn broeder tegenover hunne -moeder te rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel -van hetgeen hij zeide verstond. Daar het voor mij van groot belang was, -omtrent deze gewichtige gebeurtenis nauwkeurig onderricht te worden, -luisterde ik met opmerkzaamheid. - -Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren -Laaglander, die een teeken bracht van--de naam werd zeer zacht -uitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone" te hooren--tot eene -samenkomst uitgenoodigd. Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen, -maar tevens bevolen, den man, die de boodschap overgebracht had, -als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen -zijn, van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de -plaats der samenkomst begeven--den Hooglandschen naam kon ik niet -verstaan,--slechts door twee mannen uit zijn gevolg, Angus Breek -en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild; -meer mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur -was een der beide geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun -opperhoofd door eene bende soldaten, onder aanvoering van Galbraith van -Garschattachin, overvallen en gevangen genomen was. Naar de verzekering -van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming gedreigd, -zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met -minachting geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen -den dief op en gij den tollenaar, dan wordt het land op eens van twee -plagen bevrijd." De terugkeerende geleider, Angus Breek, dien men -niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt, -om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen. - -»En dat hoordet gij, ellendige verraders!" riep Helena, »en gij -spoeddet u niet terug om uw vader te redden, om hem te verlossen, -of te sterven?" - -De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des -vijands groote overmacht. Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen -voorbereidselen maakte, om weder op te breken, hij zich terstond naar -het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen te verzamelen, -ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag te -kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de -nabijheid van het huis Gartartan, of in het oud aan zee liggend kasteel -bij Monteith overnachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar, -maar wanneer men het met eene talrijke bende waagde, dan kon het wel -genomen worden. - -Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd -in twee sterke benden verdeeld waren, van welke de eene de bezetting -van Inversnaid met kapitein Thornton gadesloeg, en de andere tegen de -vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich met de koninklijke -soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in de -woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard, -toenmaals Robbertsland genoemd. - -Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde, -de hier en daar verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde -de Laaglanders aan te tasten. De smart, de droefheid en vertwijfeling, -die in het eerst op aller gelaat te lezen waren, wisselden af met de -streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak te bevredigen. - -Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als -gijzelaar voor Mac-Gregor's veiligheid teruggebleven was, voor -zich brengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen -vreezende, den ongelukkige buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat -inderdaad het geval geweest, dan vermocht hunne menschlievende voorzorg -zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen. Op haar bevel -sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar. Tot -mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne -door doodsangst reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris. - -Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad -terug alsof zijne aanraking eene heiligschennis ware. In diepen -ootmoed kon hij slechts den zoom van haar plaid kussen. Nooit heb -ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken. Die angst -was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans, -de tong te verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met -doodsbleeke wangen, met krampachtig samengevouwen handen, en oogen, -die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen te vestigen, -betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van -een aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad -en eerbiedigde, geweten had. Zich zelven echter in zijne angst -tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat hij slechts het werktuig -van anderen was, en mompelde Rashleigh's naam. Hij smeekte slechts -om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld -bezat. Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder -kwellingen en ontberingen, als gevangene, als slaaf, voortsleepen, -al moest het akeligste berghol zijn verblijf zijn. - -Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw -van Mac-Gregor op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige -geschenk van verlenging zijns levens begeerde.--»Ik zou u het leven -hebben laten behouden," zeide zij, »als het voor u een zoo zware, -ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke -edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij -zoudt door uwe schande, door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde -misdaden niet in het minst zelfs gekweld, zeker niet gefolterd -worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven en -uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken -zonder naam, zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op -den nek trappen. Gij zoudt uw leven genieten als een slachtershond, -die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen geslacht worden! Neen, -dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij, en wel -vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!" - -Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal -hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op -de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het -meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen -de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij -mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van -hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!" - -Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik, -ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor -hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak -met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels -vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij -hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte -zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half -vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf -voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak, -trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans -duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft -was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden -gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en -den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te -maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk -in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige -oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had -daar beneden zijn graf gevonden. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXII. - - - Als ik niet voor de avond valt, - Den stap hier weêr hoor van zijn voeten, - Dan zweer ik bij de wraak van 't diep gefolterd harte - En bij de kracht tot wraak van ijzig wreede smarte - "Zwaar zal uw land die misdaad boeten!" - - Uit een oud Tooneelspel. - - -Opmerkelijk, dat eene enkele wreede daad ons sterker treft, dan -wanneer woeste barbaarschheid talrijke offers eischt? Ik had dien dag -velen van mijne dappere landslieden zien sneuvelen, maar zij schenen -mij slechts in het gewone lot der menschheid te deelen. Wel kwam er -eene weemoedige aandoening in mij op, maar ik gevoelde geenszins die -onbeschrijfelijk smartelijke ontroering, die mij aangreep toen ik -den ongelukkigen Morris, onmachtig om zijn ontmenschten beulen zelfs -den minsten tegenstand te kunnen bieden, den ijselijken marteldood -zag ondergaan. Ik wierp een oog op mijn reisgenoot, en las op zijn -gelaat de gewaarwordingen, die zich op het mijne uitdrukten. Diep -verontwaardigd over de zoo even gepleegde gruweldaad mompelde hij, -hoewel verstaanbaar genoeg, in zich zelven: »Het is een moord, een -gruwzame moord! God zal die eenmaal wreken!" - -»Gij vreest dus niet, dat hetzelfde lot u overkomen kan?" vroeg -Helena met dien akelig dreigenden blik, waarmede een havik op zijn -prooi neerziet, voordat hij zijne klauwen uitstrekt. - -»Nicht," antwoordde Jarvie, »niemand zal gaarne zijn levensdraad -afknippen, eer het einde van het kluwen behoorlijk om den haspel -zit. En ik heb op deze drukke wereld nog veel te verrichten, niet -alleen in mijne particuliere zaken, maar ook in mijn ambt tot welzijn -van stad en land. Daarenboven heb ik nog voor deze en gene tot mij in -betrekking staande, hulpbehoevende personen te zorgen; bijvoorbeeld -voor het arme Matje, een verlaten wees. Zij is nog eene verre nicht -van den heer van Limmerfield. En zie, als men over dat alles bedaard -nadenkt, dan zou ieder voor het behoud van zijn leven gaarne alles -geven wat hij bezit." - -»En als ik u in vrijheid stelde," hernam de Amazone, »met welken naam -zoudt gij dan het verdrinken van dien ellendigen Sakser bestempelen?" - -Op deze onverwachte en vrij netelige vraag had de brave Jarvie niet -zoo terstond zijn antwoord gereed. Hij kuchte eenige malen, liet -eenige afgebroken woorden voorafgaan, en zeide toen: »Ik zou er zoo -min mogelijk over spreken; want wie niet veel praat, heeft ook niet -veel te verantwoorden." - -»Maar als gij door het een of ander gerechtshof, zoo als gij het noemt, -daarover ondervraagd werdt, wat zoudt gij dan antwoorden?" vroeg -Helena nogmaals. - -Jarvie keek rechts en links om zich heen, als zocht hij eene uitvlucht, -die hij niet scheen te kunnen vinden. Eindelijk, als iemand, die -geene kans tot een eerlijken terugtocht ziende, besluit den strijd -te wagen, antwoordde hij moedig: »Ik merk wel, waar gij met mij heen -wilt. Maar ik zeg het u ronduit, nicht, ik moet spreken naar plicht -en geweten. Uw eigen man--om zijn en mijn wil wenschte ik wel, dat -hij hier ware--en ook Dugald weten het beide, dat Nicolaas Jarvie de -gebreken en fouten van een vriend even goed door de vingers kan zien, -als iemand anders. Maar dat moet ik u ook zeggen, nicht, over mijne -tong komt nooit een leugen. Eer ik zeggen zou, dat die arme schelm -daar wettig om het leven is gebracht, zou ik veel liever naast hem -in de diepte van het meer liggen. Maar gij zoudt toch, in elk geval, -de eerste Hooglandsche vrouw zijn, die aan den bloedverwant haars -mans in den vierden graad zulk eene daad zou plegen!" - -Waarschijnlijk was de vrijmoedige en stellige toon, waarop Jarvie deze -woorden sprak, beter geschikt om op het harde hart zijner nicht indruk -te maken, dan de smeekende toon, dien hij te voren had aangenomen. Men -snijdt edelgesteenten met staal, maar niet met weeker metalen. Beiden -moesten wij voor haar komen.--»Uw naam is Osbaldistone?" zeide zij -tegen mij. »De ellendeling, dien gij hebt zien sterven, noemde u zoo." - -»Ja, ik heet Osbaldistone!" antwoordde ik. - -»Dan is uw voornaam misschien Rashleigh!" vervolgde zij. - -»Neen! Ik heet Frans," luidde mijn antwoord. - -»Maar gij kent Rashleigh Osbaldistone toch?" hernam zij. »Vermoedelijk -is die uw broeder, of ten minste uw bloedverwant en vriend?" - -»Mijn bloedverwant, ja, maar geenszins mijn vriend," antwoordde -ik. »Nog onlangs stonden wij tegenover elkander met den degen, toen -iemand ons scheidde. Die iemand was uw man. Mijn bloed is aan zijn -degen nog nauwelijks droog, de wond in mijne zijde nog niet volkomen -geheeld. Ik heb geen reden, hem mijn vriend te noemen." - -»Als gij dus niets met zijne listen en streken hebt te maken," hernam -zij, »kunt gij u veilig en zonder voor uw vrijheid te vreezen naar -Galbraith Garschattachin en diens bende begeven en hun eene boodschap -van Mac-Gregors vrouw overbrengen?" - -Ik antwoordde, dat ik niet wist, waarom dat krijgsvolk mij gevangen zou -houden, en dat ik van hen zeker niets te vreezen had. Gaarne, voegde -ik er bij, zou ik die boodschap verrichten, zoo ik hare gevangenen, -mijn vriend en mijn bediende, daardoor bescherming kon verschaffen. Ik -was toch in dit oord gekomen, alleen op uitnoodiging van haar man en -op zijne verzekering, dat hij mij in zekere gewichtige zaak hulp zou -verleenen. Mijn reisgenoot Jarvie had mij, ook al om mij in die zaak -van dienst te zijn, herwaarts vergezeld. - -»En ik wenschte wel," viel mijn vriend mij in de rede, »dat er in -Jarvie's laarzen, toen hij ze aantrok, kokend water ware geweest!" - -»Hebt gij gehoord, wat de jonge Sakser ons daar heeft gezegd?" vroeg -Helena haren zonen. »Daarin kunt gij uw vader herkennen! Dan alleen -bezit hij verstand, wanneer hij de muts op het hoofd en het zwaard in -de hand heeft. Maar nauwelijks heeft hij den tartan met het lakensche -kleed verwisseld, of hij wordt een slachtoffer van de ellendige -streken der Laaglanders. Zie! na alles wat hij reeds geleden heeft, -wordt hij op nieuw hun zaakwaarnemer, hun werktuig, hun slaaf!" - -»Voeg er dan bij," zeide ik, »hun weldoener." - -»Mij goed!" antwoordde zij; »dat is de ijdelste titel van -alle. Talloos heeft hij weldaden bewezen. Waartoe? Om lage, -schandelijke ondankbaarheid te oogsten. Maar genoeg! Ik zal u naar de -vijandelijke voorposten laten geleiden. Vraag daar om het opperhoofd, -den bevelhebber, of hoe hij zich noeme, te spreken. Breng hem de -boodschap van mij, van Helena Mac-Gregor, zeg hem: Indien zij van -Mac-Gregor's hoofd slechts een enkel haar krenken en hem binnen den -tijd van twaalf uren niet in vrijheid stellen, dan zal er in Lennox, -vóór Kerstmis, geene vrouw zijn, die geen jammerklacht aanheft over -hem, die haar dierbaar is--geen pachter, die niet wee roept over eene -afgebrande schuur, of een ledigen stal--geen laird, die des avonds -zijn hoofd ter ruste zal leggen, met de zekerheid den volgenden -morgen veilig te zullen opstaan! En namens mij eindigt ge met te -zeggen: Zoodra de bepaalde tijd verstreken is, dan zend ik hun dit -lid van den Glasgowschen raad, en dezen Saksischen kapitein, en al -de overige gevangenen, elk in een plaid gebonden, maar in zoo vele -stukken gehouwen, als er ruiten in een Tartan zijn." - -Na deze vreeselijke bedreiging zweeg zij. Thornton had alles -verstaan. Hij richtte zich op en sprak met koelbloedigheid: »Breng den -bevelvoerenden officier de groeten van den kapitein Thornton en zeg -hem, dat hij zijn plicht zal doen zonder zich om mij te bekommeren, -of, om mijnent wil, zelfs een haarbreed van zijn plicht af te -wijken. Ik ben dwaas genoeg, geweest, mij door deze listige wilden -in eene hinderlaag te laten lokken, maar ik ben toch nog verstandig -genoeg, om te weten hoe ik sterven moet, zonder den dienst oneer aan -te doen. Ik beklaag alleen mijne dappere kameraden, dat zij in zulke -wreede handen gevallen zijn." - -»Stil! stil!" fluisterde Jarvie hem toe. »Zijt gij uw leven -moede? Groet den bevelhebber ook van mij, Jarvie, lid van den -stedelijken raad van Glasgow, zoon van mijn overleden vader, den -wijkmeester, die insgelijks eens denzelfden post, als ik thans, -bekleedde. Zeg hem, dat hier een paar brave mannen deerlijk in het nauw -zitten, en dat het nog veel erger met hen kan afloopen. Hij kan voor -het algemeene welzijn niets beters doen, dan Robbert ten spoedigste -in vrijheid te stellen. Want dat hier reeds iets verschrikkelijks -gebeurd is; maar daar dit eigenlijk slechts den kommies getroffen -heeft, is het haast niet de moeite waard, er veel leven over te maken." - -Met deze zoo lijnrecht tegen elkander inloopende boodschappen -van Thornton en Jarvie, voor welke beiden evenwel de uitslag -mijner zending van zoo veel belang was, en met Helena's herhaalde -vermaning, om hare bevelen stipt en letterlijk over te brengen, werd -ik eindelijk weggezonden. Andries kreeg verlof mij te vergezellen, -denkelijk om van zijn lastig gejammer en gehuil bevrijd te worden. Men -scheen echter te vreezen, dat ik met behulp van mijn paard aan mijne -geleiders ontsnappen zou. Misschien wilde men ook een onderpand van -eenige waarde behouden, opdat ik terug zou komen, en men gaf mij dus -te verstaan, dat ik te voet moest reizen. Jakob, de oudste zoon van -Mac-Gregor, benevens twee van zijne makkers, begeleidden mij, zoo wel -om mij den weg te wijzen, als voornamelijk om de sterkte en stelling -van den vijand te verkennen. Eerst werd Dugald dit mede opgedragen, -maar zeer sluw wist hij zich daarvan te verschoonen, hij deed dit, -zoo als wij naderhand vernamen, om in persoon voor Jarvie's veiligheid -te kunnen zorgen, wien hij, volgens zijne onbeschaafde begrippen van -trouw en dankbaarheid, hulp meende verschuldigd te zijn, omdat het -lid van den achtbaren stedelijken raad eens zijn beschermer, of ten -minste zijn gebieder geweest was. - -Bijna een uur waren wij vrij snel voortgestapt, toen wij op een -met hout bedekten heuvel kwamen, van waar we een vrij uitzicht -over het dal hadden en de stelling van het krijgsvolk nauwkeurig in -oogenschouw konden nemen. Het korps, dat grootendeels uit ruiterij -bestond, had zich, zeer verstandig, niet in den engen pas gewaagd, -die den kapitein Thornton zoo noodlottig was geweest. Het had zijne -stelling vrij doelmatig ingericht op eene hoogte, in het midden -van het kleine dal van Aberfoil, dat, door de Forth, die hier nog -zeer nabij hare bronnen heeft, doorstroomd, door twee rijen heuvels -van kalksteenrotsen, die van den oever opstijgen, ingesloten en -in het verschiet door hooge bergen begrensd wordt. Het dal is zoo -breed, dat de ruiters tegen een plotselingen aanval der Hooglanders -volkomen beveiligd waren; ook waren op een behoorlijken afstand van -het hoofdkorps naar alle kanten schildwachten uitgezet, ten einde -bij het minste alarm tijds genoeg te hebben, om op te zitten en zich -tot den strijd gereed te maken. Toenmaals vreesde men namelijk niet, -dat de Hooglanders eene ruiterbende op het open veld zouden aantasten; -ofschoon latere gebeurtenissen bewezen hebben, dat zij dit met goed -gevolg wagen konden. De Hooglanders voedden, toen ik hen leerde -kennen, eene bijna onbegrijpelijke vrees voor paardenvolk, omdat de -Laaglandsche paarden een veel woester voorkomen hadden, dan de kleine -paarden van hunne gebergten. Het gemeene volk geloofde, dat men die -dieren afgericht had, om ook met hunne pooten en tanden te vechten. - -De grazende paarden der ruiterij in het dal; de militairen, die in -allerlei groepen aan den oever der heerlijke rivier zaten, stonden, -of op en neer wandelden; de kale en toch schilderachtig schoone rotsen -aan beide oevers--dit alles vormde een bekoorlijken voorgrond, terwijl -aan de oostzijde het meer Menteith zich uitstrekte, en het kasteel -Stirling in de schemerende verte met het blauwachtige Ochill-gebergte -den achtergrond afsloot. - -De jonge Mac-Gregor wierp een snellen, onderzoekenden blik op het -dal. Daarop gaf hij mij te kennen, dat ik naar het krijgsvolk afdalen -en mij van mijne opdracht bij den aanvoerder kwijten moest, terwijl -hij mij tevens met dreigende gebaren verbood te verraden, wie mijn -wegwijzer was geweest, en waar ik mijn geleide achtergelaten had. - -Zoo begaf ik mij dan op weg, vergezeld door Andries, die van zijne -Engelsche dracht alleen nog broek en kousen had, maar van zijn hoed -beroofd was en sandalen droeg, welke Dugald hem uit medelijden gegeven -had. Voor het overige had, hij zijne naaktheid vrij armzalig met -een ouden gescheurden plaid bedekt. Wij waren intusschen nog niet -ver gegaan, toen een ruiter, die op schildwacht stond, ons in het -oog kreeg, terstond op ons toereed en met aangelegde karabijn ons: -»staat!" toeriep. Ik gehoorzaamde en gaf hem mijn verlangen te kennen, -om bij zijn bevelhebber gebracht te worden. Terstond toonde hij zich -daartoe bereid en bracht mij in een kring van officieren, die in -het gras zittende, een man van hoogen rang omringden, die een zeer -fraai gepolijst stalen kuras droeg, waarop de teekens van de aloude -distelorde hingen. Mijn bekende, Garschattachin, en verscheidene -anderen, deels in uniform, deels in gewone kleeding, maar allen -gewapend, schenen hunne bevelen van dien edelman te ontvangen. Zeer -vele bedienden in prachtige livrei, hoogst waarschijnlijk tot zijn -gevolg behoorende, verbeidden insgelijks zijne wenken. - -Na eene eerbiedige begroeting verhaalde ik den bevelhebber, dat -ik onwillekeurig getuige was geweest van de neêrlaag, welke de -soldaten in den engen pas van Loch-Ard door de Hooglanders geleden -hadden, en dat de overwinnaars hunne gevangenen, als ook het gansche -Lageland, met het ergste bedreigden, tenzij hun dien morgen gevangen -aanvoerder ongekrenkt in vrijheid werd gesteld. De hertog,--want -de opperbevelhebber was iemand die dezen titel voerde--hoorde mij -zeer bedaard aan, en antwoordde toen, dat het hem leed zou doen, de -ongelukkige gevangenen den wreeden wilden, in wiens handen zij gevallen -waren, te moeten prijs geven; maar dat het eene dwaze veronderstelling -was, dat hij den hoofdbewerker van al deze rampen en misdaden uit zijne -gevangenis zou ontslaan, om daardoor diens aanhangers nog vermeteler -te maken.--»Keer terug," voegde hij er met mannelijke vastberadenheid -bij, »en zeg hun, die u gezonden hebben, dat ik Robbert Campbell, dien -zij Mac-Gregor noemen, onfeilbaar met het krieken van den volgenden -dag zal doen ter dood brengen als een vogelvrij verklaarde, die met -de wapens in de hand gevangen genomen werd en voor zijne tallooze -gruweldaden duizendvoudig den dood heeft verdiend, dat ik mij voor -het oog der wereld diep zou vernederen, wanneer ik ten zijnen opzichte -anders handelde; dat ik het land tegen hunne onbeschaamde bedreigingen -zal weten te beschermen, en dat, als zij de beide ongelukkige heeren, -die zich thans in hunne macht bevinden, een enkel haar krenken, ik -zulk eene geduchte wraak zal nemen, dat de steen en in hunne dalen -jaren lang daarover wee zullen roepen!" - -Ik veroorloofde mij bescheiden eene ernstige aanmerking betrekkelijk -mijne zending, en sprak van de gevaren, waaraan ik mij bloot stelde; -maar de hertog antwoordde, dat ik in dat geval mijn bediende kon -terugzenden. - -»Wel ja, waarom niet!" barstte Andries plotseling uit, zijn eerbied -vergetende voor den hertog en zonder mijn antwoord af te wachten: -»den bediende terugzenden! Denkt men dan dat ik, als de Hooglanders -mij deze keel afsnijden, nog een andere tot plaatsvervangster op -zak heb? Of dat ik, als een wilde eend, aan het eene einde van het -meer onderduiken en aan het andere weder boven komen kan? Neen, -neen! daarvan komt niets! Ieder voor zich, en onze lieve Heer voor -ons allen, dat is mijne spreuk. Ieder doe zijne eigen boodschap, -dan weet hij zeker, dat ze goed gedaan wordt. En buitendien, Robbert -Roodhaar heeft nooit het kerspel van Dreepdaily bezocht, veel minder -een enkelen appel of peer uit mijn tuin gestolen." - -Toen ik den heilloozen babbelaar niet zonder moeite tot zwijgen had -gebracht, schilderde ik den hertog het groote gevaar, waaraan kapitein -Thornton en mijn vriend Jarvie blootgesteld waren, en smeekte hem, -mij in antwoord eenige gematigde en aannemelijke voorwaarden mede te -geven, waardoor het leven der gevangenen zou kunnen gered worden. Ik -betuigde hem, dat ik voor mij volstrekt geen gevaar zou schuwen, zoo -ik slechts de hoop kon koesteren van dienst te kunnen zijn. Ik voegde -er nog bij, dat ik, na al hetgeen ik gehoord en gezien had, geen -oogenblik twijfelde, dat men de gevangenen terstond zou vermoorden, -als men wist dat Robbert Campbell de doodstraf moest ondergaan. - -De hertog was zichtbaar getroffen.--»Het is een netelig, een -allerneteligst geval!" zeide hij; »ik besef het zeer goed. Doch ik -heb hoogere plichten jegens mijn vaderland te vervullen. Robbert -moet sterven!" - -Gaarne beken ik, dat ik niet gevoelloos bleef, toen ik hoorde welk -lot den man te wachten stond, die zich zoo dikwerf dienstvaardig -en welwillend jegens mij getoond had. Verscheidene lieden onder 's -hertogs gevolg waren insgelijks getroffen en waagden het voor Robbert -te spreken. Het zou, zeiden zij, raadzamer zijn hem naar het kasteel -van Stirling te zenden en hem aldaar in strenge bewaring te houden, -als onderpand voor de volkomen onderwerping van zijne bende. Het zou -eene onberekenbare ramp zijn, het land aan eene plundering bloot te -stellen, welke men in de lange nachten van den op handen zijnden -winter niet zou kunnen beletten, omdat het niet mogelijk was elk -punt te bewaken, en de Hooglanders zeer zeker de onbewaakte toegangen -zouden weten te vinden. Het zou, voegde hij er bij, zeer hard zijn, -de ongelukkige gevangenen aan de gruwzaamste martelingen ten prooi te -geven, welke zij onfeilbaar zouden ondergaan, wanneer men door al te -strenge maatregelen de wraakzucht der barbaren tergde. Garschattachin -ging nog verder en pleitte voor in vrijheid-stelling, ofschoon hij -zeer wel wist, dat de hertog om bijzondere redenen den gevangen Robbert -geenszins genegen was. »Robbert Roodhaar"--zeide hij--»is, weliswaar, -een gevaarlijk buurman voor de Laaglanden, en in het oog van den hertog -alleszins strafschuldig, doch voor het overige een knappe, schrandere -kerel. Misschien zouden er nog wel middelen te vinden zijn, om hem tot -eene betere zienswijze te brengen. Maar zijne vrouw en zijne zonen, -dat zijn vermetele vijanden, zonder vrees, zonder medelijden. Die -zouden aan het hoofd van zijne bende eene erger landplaag worden, -dan hij ooit zelf geweest was." - -»Volstrekt niet!" antwoordde de hertog. »Hij alleen heeft door zijne -schranderheid en listen zijne heerschappij zoo lang gehandhaafd. Een -gewone Hooglandsche roover zou in even vele weken ten onder gebracht -zijn, als hij jaren geheerscht heeft. Zijne bende, met hem niet meer -tot aanvoerder, zal ons niet lang meer verontrusten. Als eene wesp -zonder kop, die wel eens steken kan maar dan ook weldra ophoudt te -leven, zal zij spoedig vernietigd zijn." - -Garschattachin liet zich niet zoo licht tot zwijgen brengen. »Uwe -hoogheid," zeide hij, »ik verklaar volstrekt geene vriendschap voor -Robbert te koesteren en hij zeker evenmin voor mij. Immers, hij heeft -tweemaal mijne stallen geplunderd, en mijnen pachters onberekenbaar -veel schade berokkend, maar...." - -»Maar," viel de hertog hem met een veelbeteekenend glimlachje in -de rede; »gij meent, geloof ik, dat men zulk eene vrijheid aan den -vriend van een vriend wel vergeven kan, en Robbert is immers, zoo als -men vermoedt, geen vijand van uwe vrienden aan gene zijde van de zee?" - -»Welnu, al ware dat eens zoo," antwoordde Galbraith op denzelfden -schertsenden toon, »dan is dat toch het ergste niet wat ik van -hem gehoord heb. Maar ik wenschte wel, dat wij al tijding van de -stammen hadden, op wier komst wij reeds zoo lang wachten. Zij zullen -denkelijk hun woord houden als--Hooglanders. Maar ik ken hunne wijze -van handelen. Zij vechten niet gaarne tegen elkaar!" - -»Dat geloof ik niet!" hernam de hertog. »Zij zijn als mannen van eer -bekend, en ik mag op goeden grond vertrouwen dat zij hunne belofte -gestand zullen doen. Er kunnen zich toch eens paar ruiters op weg -begeven, om hen te gemoet te rijden. Vóór hunne aankomst kunnen wij -het niet wagen, den engen pas aan te tasten, waar kapitein Thornton -zich liet verschalken. Tien man voetvolk kunnen zich daar tegen het -beste regiment ruiterij handhaven, dat weet ik best! Laat intusschen -aan de manschappen eenige ververschingen geven." - -»Ook ik genoot het voordeel van dit laatste bevel, en dit was mij -zeer welkom, daar ik sinds onzen overhaasten maaltijd te Aberfoil -volstrekt niets genuttigd had. De uitgezonden ruiters kwamen terug, -maar zonder naricht aangaande de verwachte hulptroepen, en de zon -was reeds vrij diep aan de kimmen gezonken, toen een Hooglander, -die tot de verbonden stammen behoorde, een brief bracht, dien hij -den hertog met eene diepe buiging aanbood. - -»Ik wed om een okshoofd wijn," zeide Galbraith, »dat deze brief de -tijding behelst, dat die satansche Hooglanders, die wij hier onder -zoo vele plagen en ongemakken verbeid hebben, terugtrekken en ons -aan ons lot overlaten zullen." - -»Zoo is het ook!" riep de hertog, gloeiende van verontwaardiging, -toen hij den brief gelezen had, die op een morsig stuk papier -geschreven, maar met het aan 's hertogs hoogen rang verschuldigde -opschrift voorzien was. »Onze bondgenooten hebben ons verlaten en -een afzonderlijken vrede met den vijand gesloten." - -»Dat is de gewone loop van alle verbonden!" hernam Galbraith. »De -Hollanders wilden onlangs even zoo met ons handelen, toen wij hun te -Utrecht de kans afkeken." - -»Ik vind u erg vroolijk gestemd," zei de hertog eenigszins geërgerd, -te kennen gevend, dat hij nu niet tot schertsen geneigd was. »Onze -tegenwoordige toestand vereischt allen mogelijken ernst. Ik geloof -niet, mijne heeren," vervolgde hij, zich tot de overige officieren -wendende, »dat iemand uwer in de tegenwoordige omstandigheden van -gevoelen zal zijn, dat wij verder in het land moeten doordringen, -zoolang wij noch door vriendschappelijke Hooglanders, noch door -voetvolk ondersteund worden." - -Allen waren van gevoelen, dat zulk eene onderneming de grootste en -onvergefelijkste dwaasheid zou zijn. - -»En even dwaas zou het wezen," hernam de hertog, »als wij ons hier -aan het gevaar blootstellen van gedurende den nacht overvallen te -worden. Ik stel u dus voor, naar Duchray en Gartartan terug te trekken -en onze wachtposten tot den morgen uit te zetten. Maar voor dat wij -scheiden, wil ik Robbert in uwer aller tegenwoordigheid verhooren, -ten einde gij u met uwe eigen oogen en ooren kunt overtuigen, hoe -ongeraden het zijn zou, hem weder gelegenheid tot nieuwe daden van -geweld te geven." - -Op bevel van den hertog werd de gevangene voorgebracht. Zijne handen -waren samengebonden en met een buikriem op den rug gekneveld. Twee -onderofficieren hielden hem van weerskanten vast, en twee mannen met -geladen karabijnen en opgezette bajonetten stonden achter hem. - -Ik had dezen man nog nooit in zijne landskleeding gezien, die het -eigendommelijke van zijne gestalte nog meer deed uitkomen. Zijn -gekroesd rood haar, dat de hoed en pruik der Laaglandsche dracht -grootendeels verborgen had, stak onder de Hooglandsche muts uit, -en billijkte den bijnaam Roodhaar, onder welken hij in het Laagland -'t best bekend was. Trouwens, zoo deze naam, niet bijzonder op zijn -hoofdhaar toepasselijk ware, had men hem dien ook met het oog op -zijn beenen kunnen geven. Van den zoom zijns roks tot aan den rand -der slobkousen, volgens de Hooglandsche gewoonte naakt, waren die -met rood haar, inzonderhand rondom de knie, bedekt. Daardoor en ook -wegens hunne krachtige spieren, zagen ze er uit als de schenkels van -een rooden Hooglandschen stier. - -Zijne veranderde kleeding, gevoegd bij hetgeen men mij ten opzichte -van zijn woest en wreed karakter verhaald had, gaf hem thans in mijne -oogen een veel vreeselijker voorkomen, dan ooit te voren. Nauwelijks -herkende ik hem. - -Zijne houding was vrijmoedig, ongedwongen, en in zoover zijne banden -hem niet hinderden, fier en waardig. Hij boog voor den hertog, knikte -Garschattachin en de overigen toe, en scheen verwonderd te zijn, -dat hij ook mij in dit gezelschap vond. - -»Wij hebben elkander sinds lang niet gezien, mijnheer Campbell!" zei -de hertog. - -»Dat is waar, Milord!" antwoordde Robbert; »en ik wenschte wel, -dat deze ontmoeting op een tijd ware voorgevallen, dat ik u beter en -voegzamer mijn verschuldigden eerbied had kunnen bewijzen!" voegde hij -er, met een blik op zijne geboeide armen, met veel nadruk bij.--»Doch -die tijd zal wel eens wederkomen!" - -»Geen tijd is zoo goed als de tegenwoordige, mijnheer Campbell!" hernam -de hertog. »Nog slechts zeer weinige zijn de uren, die u resten, om -uwe rekening met deze wereld te vereffenen. Dit zeg ik niet, om met uw -ongelukkigen toestand te spotten. Maar gij zelf moet zeer goed inzien, -dat gij het einde van uwe aardsche loopbaan genaderd zijt. Ik erken -gaarne, dat gij u vaak menschelijker, grootmoediger gedragen hebt, -dan anderen van uw heilloos beroep, ja, dat gij nu en dan bewijzen van -een edelen aanleg en van gezindheden hebt gegeven, die iets beters van -u deden hopen. Maar gij weet zelf hoe lang gij de schrik en plaag uwer -vreedzame buren geweest zijt. Gij weet ook, door welke gewelddadigheden -gij uwe onwettige heerschappij gehandhaafd en uitgebreid hebt. Kortom, -gij weet, dat gij den dood verdient en u daarop voorbereiden moet." - -»Milord," hernam Robbert; »ofschoon ik u op goede gronden mijn ongeluk -zou kunnen wijten, zal ik echter nooit zeggen, dat gij willens en -wetens daarvan de oorzaak en bewerker zijt geweest. Had ik dit geloofd, -hertog, dan zoudt gij heden niet tegenover mij staan. Want driemaal heb -ik u onder het bereik van mijn geweer gehad, en men weet zeer goed, -dat mijn kogel nooit mist. Maar men heeft mij bij u belasterd. Men -heeft u tegen een man vooringenomen, die eens zoo vreedzaam was, -als iemand in het gansche land wezen kan. Ja, men heeft uw naam -misbruikt, om mij tot het uiterste te brengen. Maar dit alles heb -ik hun vergolden. En ik zeg u, ik hoop het te beleven, hun ook te -vergelden wat gij thans tot mij gezegd hebt!" - -»Dat is mij bekend," zei de hertog met klimmend misnoegen, »dat gij -een koene, onbeschaamde knaap zijt, die woord houdt, als hij zijn -medemenschen onheil zweert. Maar ik zal zorg dragen, dat de macht -daartoe u voor altijd benomen wordt. Gij hebt geene andere vijanden, -dan uwe booze daden." - -»Had ik Grahame geheeten in plaats van Campbell, dan zou men mij zulke -taal zeker niet hebben doen hooren!" hernam Robbert op wreveligen, -vasten toon. - -»Gij zult wel doen, met uwe vrouw, uwe verwanten en aanhangers te -waarschuwen, dat zij zich wachten, de personen, die thans in hunne -macht zijn, eenig leed toe te voegen. Want duizendvoudig zal ik zelfs -de geringste beleediging wreken, die de uwen zich verstouten getrouwen -onderdanen van den koning aan te doen." - -»Milord," antwoordde Robbert, »geen van mijne vijanden kan zeggen, -dat ik een bloeddorstig man ben geweest. Bevond ik mij thans onder de -mijnen, ik zou vier- of vijfhonderd Hooglanders even licht kunnen -regeeren, als gij deze acht of tien lakeien. Maar wilt gij het -hoofd van een stam doen vallen, dan moet gij er staat op maken, -dat dit geenszins ongewroken zal blijven. Intusschen, hoe het ook -gaan mocht, er is onder onze gevangenen een braaf man, mijn neef; -dien mag volstrekt geen leed wedervaren. Is hier niemand, die voor -Mac-Gregor iets goeds wil doen? Hij kan het nog wel vergelden, -ofschoon zijne handen thans geboeid zijn." - -De Hooglander, die den hertog den brief had gebracht, zeide: »Ik -zal doen wat gij begeert, Mac-Gregor, en terstond naar het dal -terugkeeren." - -Hij trad voor, en de gevangene gaf hem eene boodschap aan zijne vrouw, -maar daar hij Gaelisch sprak, kon ik van hetgeen hij zeide geen enkel -woord verstaan, hoewel ik niet twijfelde, dat het eenige bevelen -aangaande Jarvie's veiligheid betrof. - -»Ziet die schaamteloosheid eens aan!" zei de hertog. »Hij waant zich -veilig als afgezant. Hij gedraagt zich even als zijne meesters, -die ons eerst uitnoodigden om gemeenschappelijk met hen tegen de -roovers op te trekken, en ons verlaten, zoodra zij met die roovers -omtrent de landerijen overeengekomen zijn, waarover zij met hen in -twist waren. Neen, neen! er bestaat geen trouw onder het volk, dat de -plaid en tartan draagt. Als een kameleon verwisselt het duizendmaal -van kleur." - -»Zoo sprak uw beroemde stamvader niet, Milord!" antwoordde Galbraith; -»en met uw welnemen, ook gij zoudt geen recht hebben zoo te spreken, -als men maar jegens iedereen de billijkheid in het oog wilde -houden. Laat ieder zijn eigen weg gaan en zijne eigen muts dragen zoo -als hij verkiest. Dan zal er spoedig geen twist meer in het land zijn." - -»Stil, stil, Galbraith!" zeide de hertog op bestraffenden toon; -»dat zijn gevaarlijke woorden, welke gij u vermeet tegen mij te -spreken. Verbeeldt gij u een bevoorrecht persoon te zijn? Gij moet met -uwe manschappen naar Gartartan opbreken. Ik zelf zal den gevangene -naar het kasteel Duchray laten brengen en u morgen mijne nadere -bevelen zenden. Ik beveel u geen man van uw volk verlof te verleenen." - -»Bevel en tegenbevel!" mompelde Galbraith tusschen de tanden. »Maar -geduld! de bakens zullen spoedig verzet worden: de koning komt." - -De beide ruiterbenden maakten zich tot den marsch gereed, om nog vóór -het vallen van den avond het dal te verlaten en hun nachtkwartier te -bereiken. Ik voor mij ontving een soort bevel om het krijgsvolk te -vergezellen. Ik zag, dat ik zoo al niet als gevangene, ten minste -als een verdacht persoon beschouwd werd. De omstandigheden waren -in alle opzichten gevaarlijk. De partijgeest van de aanhangers -der Jakobieten en Hannoveranen verdeelde het land. De aanhoudende -twisten en ijverzucht tusschen de Hooglanders en Laaglanders gaven -tallooze andere aanleidingen tot twisten. De voornaamste geslachten -in Schotland waren tegen elkander in het harnas gekomen. Dit alles -verwekte zulk een algemeenen argwaan, dat de eenzame vreemdeling -op zijne reizen steeds allerlei onaangename ontmoetingen te duchten -had. Ik onderwierp mij geduldig aan mijn lot, en troostte mij met de -hoop, om van den gevangene nog eenige berichten aangaande Rashleigh -en diens listen te erlangen. Mijne bedoeling was echter geenszins -alleen eigenbelang. Ik had te veel sympathie voor mijn zonderlingen -vriend, dan dat ik niet zou gewenscht hebben, hem van dienst te zijn, -nu hij dit in zijn ongelukkigen toestand zoo dringend noodig had en -op welke wijze ik maar zou kunnen. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXIII. - - - Bestijgt de brug en spant zijn boog - En springt in 't kille nat, - En zwemt met kracht en komt aan wal - Verdwijnt langs kronk'lend pad. - - Gil Morrice. - - -Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten -tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden -langzaam aftrokken. Galbraith's troep wendde zich rechts en ging over -de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij -de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier -leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het -gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen. - -Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet -den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter -een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door -zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard -plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op 's -ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk -te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen -rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd, -als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij -één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die -men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen -'s hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder -zich onder de geregelde troepen te mengen. - -Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten -overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is, -van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad, -waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl -de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten -de daaropvolgenden aan den oever stilhouden, waardoor oponthoud, -en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters, -die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare -plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was, -insgelijks min of meer in wanorde brachten. - -Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik, -dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde: -»uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter -slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche -Christendom dat van hem gevergd." - -Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen, -dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders, -maar hij kon er niets aan veranderen. - -»En als Mac-Gregor's stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij -ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit -het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen: -ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker -dat alles niet verloren hebben." - -Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen -enkel woord. - -»Het is toch wel jammer," vervolgde Robbert en fluisterde zijne -vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren -kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op -ontvluchting te benemen.--»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert -Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft -verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij -dankbaar het leven van zijn vriend redt!" - -Ewan scheen getroffen, maar zweeg. - -Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den -gevangene over!" - -Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen: -»Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig -losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed -rekenschap gegeven worden;"--reden zij mij snel voorbij en spoedden -zich te water. - -»Nog niet! nog niet, mijnheer!" riepen eenige ruiters mij toe, toen ik -Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij -het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den -anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager, -aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds -overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de -overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een -plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors -welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog -hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak. - -»Schurk!" riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw -gevangene?"--En zonder de verontschuldiging af te wachten, die de -bedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool -op hem los.--Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar -hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters -keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem, -die mij Robbert terug brengt!" - -De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste -verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem, -waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was -ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard -weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik -naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem -weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich -dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder -ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen, -minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende -richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog -te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde -geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken -van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank -der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat -slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters, -die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne -lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok; -de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit -alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een -somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste -tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef -ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich -verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop -hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er -naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich -het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken, -eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht -worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring -te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan -zijne vervolgers te ontkomen. - -Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in -'t geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen, -die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter -zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in -het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die -ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den -neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt -werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert -redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik, -waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen -list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid -en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene -opmerkzaamheid een poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden -ruiters het spoor missen en hij ontkwam. - -Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd -het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was -op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte -bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien -niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene -dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden, -er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen -duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen -werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne -kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het -verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp, -of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs -nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein -tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis, -voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo -onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de -ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende, -te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken -oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel -luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu -te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde -soldaten. - -Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige -aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep -nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes, -om den riem door te snijden." - -»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een -paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!" aldus -brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters -heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens -deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke -van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften -door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en -dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit -denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los -liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en -meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen -ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne -bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds -aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier, -wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen, -als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in -zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven -noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen -en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zich -zeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te -zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven, -als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die, -als vreemdeling, aanspraak op bescherming had. - -Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in -het rond. - -Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige -ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den -anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het -geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de -achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik -had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel, -dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het -flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde -waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins -aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te -voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om -niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den -zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever -der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden -ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten -hemel te moeten doorbrengen. - -Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de -andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon -was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven, -om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het -scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om -mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de -rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden -oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een -achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg -terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van -Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde -niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou -mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken -en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen, -dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te -verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk -kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en -mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een -reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik -keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil. - -Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief, -verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag -het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel -en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa's, -zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden, -dàn weder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke -rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De -maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde, -verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe -wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door -de dichtere nevelmassa's naar het scheen ingezogen werden, en de -lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij -dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed -der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand, -mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in -eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij -te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot -onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden -verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam, -naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen -welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met -mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten, -bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen -eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan -mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het -mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend, -waarheen zoo laat?" - -»Naar mijne herberg te Aberfoil," gaf ik ten antwoord. - -»Zijn de wegen veilig?" vervolgde hij op denzelfden hoogen toon. - -»Dat weet ik niet," hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom, -zal ik dat wel vernemen. Maar,"--voegde ik er bij, toen ik mij het -deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,--»zoo -gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te -wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou -er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen -veilig is." - -»De militairen zijn geslagen, niet waar?" - -»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met -eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen." - -»Weet gij dat zeker?" vroeg de onbekende. - -»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige -van het gevecht." - -»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er -geen deel aan?" - -»Wel wis en waarachtig niet!" antwoordde ik. »Ik werd door dien -officier in arrest gehouden." - -»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?" - -»Ik weet inderdaad niet," hernam ik, »waarom ik een onbekenden -vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg -gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk -oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik u -noch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met -dergelijke vragen evenmin lastig te vallen." - -»Als mijnheer Frans Osbaldistone"--zei de andere persoon met eene -stem, die al mijne zenuwen deed trillen--»onbekend wenscht te blijven, -dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten." - -En Diana Vernon--want zij was het, die in een grooten ruitersmantel -gehuld was--floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied, -dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde. - -»Rechtvaardige hemel!" riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt -gij het, Freule Vernon?--hier in dit oord--op zulk een uur--in zulk -een wetteloos land, gekleed--in...." - -»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten -laatste blijkt de filosofie van korporaal Nym toch de beste: de -wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan." - -Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon -helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik -behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast -als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen -tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem -van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon -was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn -vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner -overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen -geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste -woorden den man van verstand en opvoeding herkent. - -Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.--»Diana," zeide -hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef -zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen." - -Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en -toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op -een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening -scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw -beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af -te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was, -het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest -uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren -in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal -langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen -zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat -ook niet, neefje!" - -»Diana," hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren, -dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn." - -»Ik kom, ik kom!" antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende -bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen -wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet -gegeven, noch hem vaarwel gezegd--voor altijd! Ja, Frans!" vervolgde -zij--»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden--een -onoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen -wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen, -moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!" - -Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte -haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij -drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op -mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik--onuitsprekelijk -bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden -nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar -het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de -aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana -tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij -gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd, -waar ik vol verbazing bleef staan. - -Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde, -dat ik Diana's halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht -te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd -was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het -pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken -wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen -spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht -waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor -mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in -de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar -was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer -hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik -zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen, -die ik sinds mijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op -dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland..... - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXIV. - - - Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaarder - nog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dien - hij verklaart! - - De Criticus. - - -Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen -loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij, -dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana's beeld mij voor den geest -kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier -welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie -ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht -aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de -treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel -aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter -weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden -nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was, -toen die zonderlinge verschijning mij verraste. - -»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo -ernstig roerend gegeven heeft,"--zeide ik tot mij zelven.--»Ik wil -immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns -vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar -mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend -Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij -om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een -nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen -zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan -misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie -de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te -weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt -te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen; -of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid, -voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen." - -Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig -verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken, -met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.--Terwijl -ik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een -slag op den schouder ontving, een »holla!" achter mij, en de diepe -stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe: -»Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel -eens vroeger om dezen tijd ontmoet." - -Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn -vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar -zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend, -waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing -een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In -eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn -geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo -laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was, -Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na -al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor -hem was. - -En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche -bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon, -zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat -zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had -Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed, -dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk, -plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon, -en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was -hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen -waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo -al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel -vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren -getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze -ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden. - -Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik -in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij -aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof -zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk -beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne -redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen -te zijn. - -»Nu ja," zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand -even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was -geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande -een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen, -vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in -het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was -een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met -een handvol volks, in 't geheel geen vijftien man, te doen." - -Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst in de -Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in -de herberg en van Jarvie's heldendaad met het gloeiende rakelijzer. - -»Leve Glasgow!" riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens -willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen -neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie," voegde hij -er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen, -ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om -den moed van een flink mensch uit te dooven.--Overigens zult gij licht -kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik -voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning -te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik -verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan -zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien, -zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle -Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.--Nu, -wat gebeurde er verder?" - -Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en -mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen, -en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van -zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had, -begon hij weder luidkeels te lachen.--»Zoo waar ik leef," zeide hij, -»zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana -Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!" - -»Freule Vernon?" vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het -antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man, -die eenige macht over haar scheen te hebben." - -»Ja, ja!" hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu, -het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een -moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat -zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij, -of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen." - -Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding, -in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd -had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik -onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige -aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op -zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet -minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden, -toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.-- - -»Gij zijt ziek," zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had, -zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest -voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is." - -De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven, -en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn -verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den -gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas. - -»Men zegt wel eens," zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is -dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van -'s konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten -vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten -kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten, -en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie -zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken -kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne -Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme -schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!" - -Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen, -hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat -mijn verhaal hem zeer pijnlijk was. - -»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!" zeide -hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef -die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik, -dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar -zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten -van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft -de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij -eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde -plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den -koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was, -dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich -voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond, -dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen -zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel -gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe -knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot -zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid -heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat -hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar -ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend -hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij -zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren." - -»Morris," hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat -een mensch betalen kan." - -»Wat zegt gij daar?" riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het -gevecht gesneuveld?" - -»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was, -mijnheer Campbell!" hernam ik. - -»In koelen bloede? Vervloekt!" mompelde Robbert. »Maar hoe kwam -dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik -sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor." - -Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn -ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris -vermoord was. - -Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den -grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan, -vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft -het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde, -of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met -een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles -op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als -hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben, -als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld -geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd, -zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot, -en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!" - -Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd -te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier -macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog -bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt, -maar waagde het niet Diana's naam te noemen. - -»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik," zei Mac-Gregor. »De -brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne -Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens, -u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze -gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder -gevonden, dan ik dacht." - -Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer. - -»Was dan," vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien -gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?" - -»Mij dunkt," hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het -u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van -dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief -van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak -bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb -met mijne eigene zaken." - -Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer -had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie -was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel, -dat den geheimen gang naar Rashleigh's verblijf bedekte. Ik herinnerde -mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals -geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne -toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid -doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger -der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk in haar ooms huis -ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door -goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde -ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in -het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in -woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om -daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en -geluk, die het nog armzaliger hof van den naamkoning (den Pretendent) -in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik -zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden, -waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk -gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den -afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar -lot vereenigd heeft, zich bezighoudt. - -»Het schijnt dus," zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben, -»dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn -naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone -zijn verblijf hield?" - -»Juist!" antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana, -wat ook wel het raadzaamste was." - -Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn -ijverzuchtigen toorn. - -»Maar slechts zeer weinigen," vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh -en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij -mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten -niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen -wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje, -met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er -twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week -kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige -gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte -wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij, -arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen." - -»Vermoedelijk," vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste -ongeval van...." - -»Die historie van dien Morris, meent ge?" vroeg Robbert op koelen toon, -toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden -gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten, -blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk," -hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik, -sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens -willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets -van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand -gebeurde--dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te -wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer -genegen was,--dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb -weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid -rukken zouden,--en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn -stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat -hij een onschuldig mensch aanklaagde--o daarover heb ik nog dikwijls -moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen, -dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?" - -»Mag ik vragen," hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed -op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was, -om uwe plannen te verijdelen?" - -»Het zijn geen plannen van mij?" zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets -mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens -anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten -invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie, -en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam -zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan -vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt, -om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen -mes in de hand geven." - -Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders -kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op -hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn -reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met -een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen -beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van -zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon -ontslaan, en liet nu een stroom van Gaelische gelukwenschen volgen, -welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide -anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij -was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het -dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was, -'t eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou -brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen, -dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen -en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige -gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde, -oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een -vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus -bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen -van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst, -ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar -welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven, -dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden. - -Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden -gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden -mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte -behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen -op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien -ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld -meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg. - -Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest -ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer -Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte -te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste -tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte, -die Robberts verhaal even vaak tot mijne stichting vertolkte, waarnaar -ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te -luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele -groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te -zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen -betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid -jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens, -dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd -van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht, -Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren -van dien aard bekend was. - -Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in -dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij -waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten -wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel -beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan -alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene -zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens -den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde, -en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam. - -»Ik ben redelijk wel, neef," antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God -zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak -betreft hier,--nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op -zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer -vijanden verlost zijt." - -»Dank u!" hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt -u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester, -weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed -vriend hartelijk aangeboden werd." - -»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan -ééne wijze geworden. Maar," vervolgde hij, terwijl hij langzaam een -houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;--»hij was -niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij -kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!" en hij -nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van -mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch -moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen." - -Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste -deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de -houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd -van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte, -als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht -was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven, -dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de -rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde. - -Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij -groette mij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al -hetgeen, wat ik hem verhalen wilde. - -»Daarover later!" viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet -ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef -spreken. Robbert," vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand -is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos -zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow, -hetzij naar elders." - -»Wees onbezorgd!" hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden -verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet -naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte, -wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten." - -»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!" antwoordde Jarvie. »Den heer -Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat -mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit -zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel -slecht opvoedt."--Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk -glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf, -op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,--en mijne -nicht Helena--nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet -verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo -als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit -alleen aan hare ongerustheid over u--maar wat ik u van uwe vrouw -moet zeggen...." - -»Stil! geen woord verder!" viel Robbert hem op ernstigen toon in de -rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en -een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen, -wat u lust." - -»Goed, goed!" antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat -dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid -zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch--dat -beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft--het zou -eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch, -Eachin en Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor -het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan, -uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de -tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis -is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide, -lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig, -dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.--Iets dergelijks -van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven--het is -wezenlijk te erg...." - -»Als zij het konden, neef," antwoordde Robbert, »dan zouden zij het -zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen -een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow -aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten -aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester -voor zijne zonen?" - -»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen -moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde -lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee, -dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels, -die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!" - -»Niets goeds is niet geheel juist," antwoordde Robbert; »Jakob kan -een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door -eene plank van twee duim dikte." - -»Des te erger voor beiden!" zeide Jarvie op beslissenden toon; »des -te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om -hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat -hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij -niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf -uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd -van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?" - -Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus -aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr -als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te -laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed -gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den -zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam, -zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde. - -»Gij, Robbert," vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het -zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu -te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het -zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne -wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als -ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger, -de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever -van alles goeds! slechts in het groot handel drijf--en...." - -Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een -oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder -welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur -niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen; -en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark." - -»Alle duivels!" riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op -en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van -geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!" - -Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een -uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed -en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog -verder aan te dringen. - -Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel -op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij -dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers -wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij -spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog niet vereffend -zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!" - -De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts -luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen -tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren -borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle -statie plegen te dragen. - -»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met -het geheim bekend is," zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes -en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der -tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu -toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie -wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan -de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in -verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen, -de lading treffen moest.--»Dit," zeide hij, op de pistool wijzende, -»is mijn thesaurier-generaal." - -Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht -was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon, -zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de -Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden, -zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist -geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen. - -Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen -hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug, -terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen -hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn, -als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen." - -»Geloof mij, neef," antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij -is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld -te betalen. Ziedaar uwe duizend mark," vervolgde hij, een rolletje -goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij -tot den laatsten duit betaald zijt." - -Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in -de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert; -ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te -wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig -verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet -aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde." - -»Op mijn woord!" zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid, -»het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit -in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie -Louis d'or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen." - -»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!" zeide Jarvie, -de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers -schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij--het -strijdt tegen Gods woord." - -»Wees onbezorgd, neef!" hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan -dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder -aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal -dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op -een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het, -handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem -wel ontbreken." - -»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!" hernam Jarvie, die -zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje -goud begon te tellen. - -»En zeker niemand uit de Laaglanden," zeide Robbert en trok de zware -borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef, -die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis -d'or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog. - -Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten -en kapitaal, gaf hij drie Louis d'or terug voor een kleed voor -zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts -jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen -uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie's onverwachte -grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in -zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde -Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een -kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd -keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche -wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen -onderteekend is.-- - -»In den omtrek van geen drie mijlen," zeide Robbert, »vindt gij, -als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat -ons de zaak met minder moeite afdoen," vervolgde hij en wierp -het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om -rekeningen te kwiteeren!" zeide hij hierop tegen den van verbazing -sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin -deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid -zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan." - -Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit -oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en -zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De -meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat -zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen -goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer -bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning, -als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette, -reeds aangesneden was.--»Gij moet weten," zeide hij tot Jarvie, en -zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten -in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met -mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen." - -Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazone hem -recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde -gevoelen geweest zijn. Maar Robbert's verontschuldiging wekte bij -mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren -reisgenoot onthaalde--haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als -haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk. - -Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in -mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal -maakten, bemerkte ik, dat Robbert's vriendelijke oplettendheid ons -ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen -nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs -den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen -bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar -boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met -mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen, -overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie -was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en -uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den -volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich -aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig, -opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij -ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten, -en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXV. - - - Ik lijde smart, vertwijfling overmant mij.-- - Ik zie de laatste blikken van haar oogen, - Ik hoor de laatste klanken van haar lippen. - Haar engelengelaat--het was de laatste keer. - Vaarwel mijn zielsgeluk, ik zie het nimmer weer. - - Basilius. - - -..... »Zeg mij toch, wat ik van u denken moet, mijnheer Osbaldistone," -zeide Mac-Gregor, terwijl hij mij de flesch toeschoof. »Gij eet -niet, gij schijnt geen lust tot slapen te hebben, en gij drinkt -ook niet. Toch is deze Bordeaux-wijn zoo goed, alsof hij uit den -kelder van ridder Hildebrand zelven kwam. Waart gij altijd zoo matig -geweest, dan zoudt gij u den doodelijken haat van uw neef Rashleigh -niet berokkend hebben. - -»Ware ik altijd voorzichtig geweest," zeide ik, blozend over het -voorval waaraan dit mij herinnerde, »dan zou ik een nog veel grooter -kwaad vermeden hebben: de wroeging van mijn eigen geweten." - -Mac-Gregor wierp een snellen en bijna vertoornden blik op mij, als -wilde hij uitvorschen of het verwijt, voor hem in die woorden gelegen, -opzettelijk gedaan was. Maar hij merkte zeer duidelijk, dat ik aan mij -zelven dacht. Diep zuchtende keek hij vóór zich in het vuur. Ik deed -dit insgelijks. Zoo bleven wij gedurende eenige minuten in pijnlijke -gedachten verdiept. - -Alles sliep thans in de hut, of was ten minste doodstil. Wij beiden -alleen uitgezonderd. Mac-Gregor brak 't eerst het stilzwijgen af, -en wel op een toon, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte, -over een onaangenaam en pijnlijk onderwerp te spreken. - -»Mijn neef Nikolaas," dus begon hij, »meent het goed, maar hij -heeft een man van mijn karakter en in mijne omstandigheden te streng -behandeld. Hij bedenkt niet wat ik geweest ben; wat ik, door dwang -genoodzaakt, heb moeten worden, en vooral niet, wat mij gedwongen -heeft zoo te worden." - -Hij zweeg, en ofschoon ik zeer wel gevoelde, hoe netelig het onderwerp -was, waarop het gesprek ons hoogst waarschijnlijk zou brengen, kon -ik echter mijn antwoord niet terughouden. Ik zeide dat ik er niet aan -twijfelen kon, of in Robbert's tegenwoordigen toestand moest veel zijn, -wat voor zijn gevoel alleszins smartelijk was. »Ja, met genoegen," -voegde ik er bij, »zou ik vernemen, dat er hier of daar een eerlijk -middel te vinden was, om u er uit te redden." - -»Gij praat als een kind!" antwoordde Robbert op doffen toon, die -naar het rollen van een verren donder geleek, »als een kind, dat -waant, dat een oude knoestige eik zich even gemakkelijk laat buigen, -als een jonge wilgentak. Kan ik vergeten, dat men mij onteerd heeft -door mij buiten de wet te verklaren;--dat men mij gebrandmerkt heeft -als een verrader; dat men eene belooning op mijn hoofd heeft gesteld, -als ware ik een verscheurende wolf; dat men de mijnen behandeld heeft -als een vossenpaar met hunne jongen, die ieder kwellen, tergen en -beschimpen mag; dat men zelfs mijn naam, dien ik van eene lange en -waarlijk edele reeks van voorvaderen ontving, geschandvlekt en bespot -heeft voor de gansche wereld!" - -Onder het spreken zag ik duidelijk, hoe hij zich door het optellen -van geleden beleedigingen opzettelijk meer en meer driftig maakte, -misschien wel om in zijn eigen oogen de dwalingen en misstappen te -rechtvaardigen, waartoe hij zich had laten verleiden. Dit gelukte hem -volkomen. Zijne grijze oogen schenen vlammen te schieten, terwijl -hij met den voet stampte, den greep van zijn dolk vatte, den arm -uitstrekte, de vuist krampachtig balde en eindelijk opsprong. - -»Maar," vervolgde hij op denzelfden doffen toon van gesmoorde drift; -»zij zullen voor den naam, dien zij gehoond hebben, voor den naam -van Mac-Gregor, beven, sidderen! Van mijne wraak zullen zij hooren, -die niet naar mij hooren wilden, toen ik mij bij hen over het mij -aangedane onrecht beklaagde. De armzalige Hooglandsche veehandelaar, -de bankroetier, wien ze alles ontroofden, wien zij onteerd en diep -ellendig gemaakt hebben, omdat de hebzucht van anderen meer eischte, -dan de arme man betalen kon; die zelfde veehandelaar zal in eene -vreeselijke gedaante gericht over hen houden. Zij, die den kruipenden -worm bespotten, en onder hunne voeten traden, mogen jammeren en kermen, -als zij zien, dat de vuurspuwende draak op hen nederschiet. Maar -waarom zou ik hierover spreken!" vervolgde hij op meer bedaarden -toon, terwijl hij weder ging zitten. »Gij zult echter wel begrijpen, -mijnheer Osbaldistone, dat het mijn geduld tergt, als ik gejaagd word -als een otter, als een zalm in ondiep water, en dat wel door mijne -eigen vrienden en buren. Een heilige zou het geduld verloren hebben, -wanneer men hem met zoo vele zwaarden en pistolen bedreigd had, als -mij heden bij den overtocht van Arondow overkomen is. Hoe veel te -meer dan een Hooglander, die wegens zijn taai geduld juist niet zeer -beroemd is, dat weet gij immers wel! Maar wat Nikolaas mij zeide, -speelt mij nog door het hoofd. Het spijt mij voor mijne jongens. Mij -wordt 't wezenlijk niet best te moede, als ik denk, dat zij eens in -de voetstappen van hun vader zullen moeten treden." - -Hij leunde met het hoofd op de hand en verdiepte zich geheel in -gepeins over het lot van zijne zonen, terwijl zijn eigen lot hem -onverschillig scheen te zijn. - -Ik was diep geroerd. De smart van een fier, krachtig, zijner hooge -waarde bewust gemoed, heeft mij steeds ernstiger getroffen, dan de -aandoening van menschen, die lichter er toe bewogen werden om hun -lijden te toonen. De wensch om hem te helpen kwam in mij op, en ik -wilde die verwezenlijken, hoe moeielijk, ja zelfs onmogelijk zulks -ook scheen. - -»Wij hebben buiten 's lands uitgebreide betrekkingen," zeide ik; »en -uwe zonen zouden met eene ondersteuning, welke zij gerechtigd zijn -van mijns vaders huis te verwachten, licht eene eervolle loopbaan in -vreemden dienst vinden." - -Mijn gelaat moet, naar ik geloof, innige aandoening verraden -hebben. Maar Robbert liet mij niet verder spreken. Hij vatte mijne -hand en zeide: »Ik dank u, ik dank u! Maar niets meer daarvan! Ik had -niet gedacht, dat iemand nog een traan in Mac-Gregors oog zou zien." - -Dit zeggende, wischte hij met de vlakke hand den traan uit het -oog, dat door de dikke roode wenkbrauw overschaduwd werd.--»Morgen -vroeg," vervolgde hij, »zullen wij hiervan nader en ook over uwe -aangelegenheden spreken. Want wij begeven ons vroeg op weg, al slapen -wij hier heden nacht ook als op rozen. Nu nog een enkel glas! Gij -doet mij toch bescheid?" - -Ik verzocht daarvan verschoond te worden. - -»Welnu, dan moet ik mij zelf bescheid doen!" hernam hij en ledigde -den vrij grooten beker in één teug. - -Ik legde mij ter ruste, vast besloten mijne navorschingen uit te -stellen, tot ik Robbert kalmer gestemd zou vinden. De zonderlinge man -had mijne verbeelding dermate opgewekt, dat ik niet nalaten kon, hem -nog eenige minuten gade te slaan, toen ik mij reeds, als schijnbaar -sluimerende, op mijn bed had uitgestrekt. Hij ging op en neer, sloeg -van tijd tot tijd een kruis, en mompelde een Latijnsch gebed, tot hij -zich eindelijk in zijn plaid wikkelde, zijn ontbloot zwaard aan zijne -ééne en een pistool aan zijn andere zijde legde, en de plooien van -zijn mantel zóó schikte, dat hij, plotseling gewaarschuwd, terstond -opspringen en, met een wapen in elke hand, tot den strijd gereed -zijn kon. Zijn zware, diepe ademhaling gaf mij na weinige minuten te -kennen, dat hij vast ingesluimerd was. Van vermoeienis uitgeput en -door de verrassende gebeurtenissen van den vorigen dag als bedwelmd, -bezweek ook ik weldra voor het onwederstaanbare vermogen van den slaap, -en ontwaakte niet vóór het aanbreken van den morgen. - -Toen ik de oogen opende en mij mijn toestand herinnerde, zag ik, dat -Mac-Gregor de hut reeds verlaten had. Ik wekte mijn reisgenoot Jarvie, -die na veel geeuwen, zuchten en klagen over zijne als geradbraakte -leden--de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag--eindelijk in -staat was, om de blijde tijding te begrijpen, dat de door Rashleigh -medegenomen papieren wederom in mijne handen waren. Zoodra hij dit -vernomen had, vergat hij alle leed, sprong haastig op en vergeleek -den inhoud van mijn pakket met Owen's inlichtingen. Onder het -nakijken mompelde hij: »Juist! juist! Daar is het! Baillie en -Whittington zeven honderd pond! Er ontbreekt niets aan! Pollock en -Peelman, acht en twintig pond, zeven shilling: juist! Den hemel zij -dank! Grule de Grind! die zijn best voor het geld: drie honderd en -zeventig! Gliblad--twintig! Hm! En Slipprytongae--dat is mis! maar -het zijn kleine sommen! al het overige is in orde.--God zij dank! dat -is het juist, wat wij noodig hebben. En nu hoe eer hoe liever uit -dit akelige land! Zoo dikwerf ik aan onze lotgevallen denken zal, -zal de enkele herinnering mij een schrik op het lijf blijven jagen." - -»Het spijt mij, neef," zeide Mac-Gregor, die op dat oogenblik weder -binnentrad, »het spijt mij zeer, dat de omstandigheden mij niet vergund -hebben, u te onthalen, zoo als ik wel zou gewenscht hebben. Maar als -gij mijne geringe woning eens weder bezoeken wildet..." - -»Zeer verplicht! zeer verplicht!" viel Jarvie hem in de rede. »Neen, -wij moeten vertrekken, de heer Osbaldistone en ik. Handelszaken dulden -geen uitstel." - -»Waarde neef," hernam de Hooglander; »gij kent onze gewoonte. »Geef -spijs en drank den gast, die komt; help hem, wanneer hij -henengaat." Maar over Drymen kunt gij, in allen geval, niet -terugkeeren: ik moet u over het meer laten roeien, en uwe paarden -kunnen vooruitgaan langs het strand. Een verstandig man keert nooit -denzelfden weg terug, langs welken hij gekomen is, zoo hij, namelijk, -een anderen ter zijner keuze heeft." - -»Ja, ja, Robbert!" hernam Jarvie, »dat is een van de regelen, welke gij -geleerd hebt, toen gij nog in vee handeldet. Gij hadt toen geen lust, -om de landlieden weder te zien, wier gras door uw vee op den weg was -gegeten. Maar thans hebt gij, geloof ik, op uw weg veel erger sporen -achter gelaten dan in dien tijd." - -»Juist, daarom moet men, zoo min mogelijk, langs zulk een weg gaan," -antwoordde Robbert. »Dugald zal uwe paarden geleiden. Wij hebben -hem daartoe in uw bediende herschapen. Het achtbaar raadslid komt -natuurlijk niet van een bezoek bij Robbert Roodhaar, maar doet slechts -een vreedzamen tocht uit Stirling. Zie, daar komt hij reeds!" - -De woeste Hooglander, die juist voor de deur der hut verscheen, zag er -met den hoed, de pruik en den reisrok van onzen Andries uitgedoscht, -zoo vreemd uit, dat zelfs Jarvie hem niet herkende. Hij besteeg diens -paard en geleidde het mijne bij den toom. Nadat zijn meester hem -bevolen had, zekere plaatsen te vermijden, waar hij argwaan zou kunnen -verwekken, en tevens om onderweg alle mogelijke berichten in te winnen, -draafde hij vooruit, om ons bij het veer te verbeiden. Mac-Gregor -bood zich aan, om ons op onzen weg te vergezellen, en vermaande -ons het morgenslokje niet te vergeten, daar wij vóór het ontbijt -eenigen afstand af te leggen hadden. Jarvie merkte hier op aan, dat -het ongepast, ja, zelfs gevaarlijk was, den dag met het gebruiken -van sterken drank te beginnen. Alleen wanneer men de maag tegen de -nevelachtige morgenlucht moet beveiligen, in dat geval had zijn vader, -de wijkmeester, door leer en voorbeeld, een matig slokje goedgekeurd. - -»Zoo is het ook, neef!" zei Robbert. »Daarom hebben wij, kinderen -van den nevel, het onbetwistbaar recht verkregen, om van den vroegen -morgen tot den laten avond brandewijn te drinken." - -Na eenige ververschingen genomen te hebben, besteeg Jarvie een -Hooglandsch hitje. Ik bedankte echter voor een ander, hetwelk mij -aangeboden werd. Zoo stapten wij vooruit den weg op, welken wij -den vorigen dag, onder zoo geheel andere omstandigheden, gegaan -waren. Ons geleide bestond thans uit Mac-Gregor en vijf of zes der -knapste en best gewapende, forsche Hooglanders, die hem gewoonlijk -als lijfwacht vergezelden. - -Toen wij nu den nauwen pas naderden, waar het gevecht en de daarop -gevolgde gruweldaad voorgevallen was, vatte Mac-Gregor schielijk het -woord, om de gedachten te beantwoorden, die, gelijk hij vermoedde, -in mij oprezen.-- - -»Gij moet zeker niet gunstig over ons denken, mijnheer Osbaldistone," -zeide hij, »en dat kan ook niet anders. Maar neem ten minste in -aanmerking, dat men ons uitgedaagd en getergd heeft. Wij zijn -onbeschaafd, ja, misschien ook wel wat te driftig van aard, maar -gruwelijk wreed zijn wij waarachtig niet. Nooit zou de rust van het -land door ons gestoord zijn geworden, zoo men ons slechts met rust -had gelaten. Maar wij zijn steeds een vervolgd volk geweest." - -»En vervolging brengt zelfs de verstandigste menschen tot razernij," -zeide Jarvie. - -»En waartoe moet ze dan lieden, als wij zijn, brengen," vervolgde -Robbert, »daar wij nog op bijna dezelfde wijze leven, als onze -voorvaders voor duizend jaren, en waarlijk niet veel meer verlichting -hebben dan zij? Kunnen wij bedaard blijven, wanneer men bloedplakkaten -tegen ons uitvaardigt; wanneer men onze braafste mannen ophangt, -onthoofd; als men aloude, eerlijke namen onteert, hoewel wij toch een -betere behandeling verdienen dan vijanden van vijanden erlangen? Ik -heb twintig gevechten bijgewoond en nooit eenig mensch kwaad gedaan, -dan wanneer mijn bloed verhit was. Toch zouden zij mij, als een -verachtelijken struikroover, ophangen aan de poort van het een of ander -voornaam kasteel, wanneer men mij vangen kon... Dat is schandelijk." - -Ik erkende, dat het onteeren van iemands naam en geslacht, volgens -de begrippen van een Engelschman, een daad van gruwelijke willekeur -was. Toen ik hem door die verzekering min of meer tot bedaren -had gebracht, hernieuwde ik mijn aanbod om hem zelven, zoo hij -wilde, en zijne zonen eene aanstelling in vreemden krijgsdienst te -bezorgen. Mac-Gregor drukte mij hartelijk de hand en hield mij een -weinig terug, ten einde Jarvie op het smalle pad vooruit te laten -rijden. - -»Gij zijt een goedaardig, braaf en welmeenend jongmensch," zeide -hij, »en weet zeker wel, wat men den begrippen van een man van -eer verschuldigd is. Maar de heide, die mijn voet betreden heeft, -toen ik leefde, moet boven mij bloeien, wanneer ik dood ben. De moed -zou mij ontzinken, mijn arm zou krachteloos worden en ineenkrimpen -als varenkruid in de vorst, als ik de heuvels van mijn geboorteland -niet meer zien mocht. De geheele wereld heeft geen plekje gronds, -dat mij zou kunnen troosten, als ik deze rotsen en klippen, als gij -hier ziet, hoe woest zij ook zijn, uit het gezicht had verloren. En -mijne Helena--wat zou er van haar worden, als ik haar aan nieuwe -beleedigingen en gruweldaden blootstelde? Of hoe zou zij een oord, -waar de herinneringen aan geleden mishandelingen alleen door de -herinnering aan hare wraak verzacht worden? Eens werd ik zoo zeer in 't -nauw gebracht, dat ik voor den eindelijk over mij losbarstenden stroom -moest zwichten; ik verliet met de mijnen mijne geboorteplaats en woonde -eenigen tijd in het land van Mac-Gallummore. Toen vervaardigde Helena -een klaaglied op ons vertrek--beter zou zelfs de bard Mac-Rimmon -het niet kunnen maken. Het was zoo treurig en roerend, dat het -ons de harten schier brak, toen zij het ons voorzong. Het waren de -jammerklachten van een kind, dat om zijne moeder kermt. Ja, onzen -ruwen krijgslieden biggelden de tranen langs de wangen, terwijl -zij er naar luisterden. Neen, dat zieleleed wil ik niet nogmaals -ondergaan! Neen! zelfs niet voor al de landerijen, die ooit Mac-Gregors -eigendom waren [14]." - -»Maar zijn uwe zonen?" vroeg ik, »thans niet in die jaren, waarin -uwe landslieden gaarne de wereld eens zien." - -»Geloof mij, in den grond mijns harten zou ik er niets tegen hebben," -antwoordde Robbert, »als zij hun geluk in den Franschen of Spaanschen -krijgsdienst beproefden, zoo als de Schotsche edellieden plegen te -doen. Gisteren avond kwam dat denkbeeld mij ook zeer aannemelijk -voor. Maar eer gij heden morgen ontwaakt waart, heb ik zijne -Excellentie gezien. Dit heeft mij van die plannen teruggebracht." - -»Heeft die dan zoo dicht bij ons den nacht doorgebracht?" vroeg ik -met een onrustig kloppend hart. - -»Hij was dichter bij dan gij vermoeddet!" luidde het antwoord. »Maar -het kwam mij voor, dat hij een weinig jaloersch was en ongaarne -zou gezien hebben dat gij met de jonge dame in aanraking -kwaamt. Daarom...." - -»Dwaasheid! Er was geen reden om jaloersch te zijn," antwoordde ik -met eenigen trots; »ik zou mij aan hen niet opgedrongen hebben." - -»Toch moogt gij niet boos op hen worden," hernam Robbert, »kijk -van onder uw wenkbrauwen niet zoo kwaad als een wilde kat onder een -struik. Zijne Excellentie meent het eigenlijk goed met u, en heeft -dat ook bewezen. En daaraan is het ook gedeeltelijk toe te schrijven, -dat de boel thans in den brand staat." - -»Wat staat in den brand?" herhaalde ik. »Hoe meent gij dat?" - -»Hoe ik dat meen! weet gij dan niet," zeide Robbert, »dat vrouwen -en geld al het kwaad in de wereld brengen? Ik heb uw neef Rashleigh -niet meer vertrouwd, sedert hij zag, dat Diana Vernon niets van hem -weten wilde. Daarom koestert hij, geloof ik, ook wrok tegen zijne -Excellentie. Nu moest hij ook zelfs uwe papieren teruggeven! Wij weten -het immers wel. Zoodra hij tot de teruggave daarvan gedwongen was, -reed hij zoo hard hij kon naar Stirling en ontdekte aan de regeering -alles, en zelfs nog veel meer, wat stilletjes in onze gebergten -voorviel. Daarom heeft men het krijgsvolk doen uitrukken, om zijne -Excellentie en de jonge dame gevangen te nemen en onverhoeds een -aanval tegen mij te wagen. De arme drommel, Morris, wien men alles -wijs kon maken, heeft zich zeker door Rashleigh en eenige edellieden -in de Laaglanden laten gebruiken, om mij in den val te lokken. Maar -al ware Rashleigh ook de laatste en beste van zijn geslacht, als wij -elkander ooit weder ontmoeten, dan zal, dat zweer ik! mijn dolk met -zijn hart kennis maken." - -Deze bedreiging sprak hij uit met een somberen, onheilspellenden blik, -en greep met driftige gebaren naar zijn dolk.-- - -»Bijna zou ik mij daarover kunnen verheugen," zeide ik, »zoo ik slechts -hopen durfde, dat door Rashleigh's verraad de uitvoering der vermetele -aanslagen verhinderd werd, waarvan hij, zoo als ik reeds sedert lang -vermoed heb, de eigenlijke drijver is geweest." - -»Geloof dat niet!" hernam Robbert. »Nooit heeft het woord van een -verrader een eerlijke zaak geheel bedorven. Hij was trouwens door -en door met onze geheimen bekend. Ware dit het geval niet geweest, -dan zouden de kasteelen te Stirling en Edinburg thans, of ten minste -binnen zeer korten tijd, in onze macht zijn. Dat is nu wel niet meer te -hopen, maar er zijn nog vele hulpmiddelen over. Onze zaak is te goed, -dan dat men ze om een verrader zou opgeven. Men zal er van hooren, -en dat wel spoedig. Doch wat ik zeggen wilde: ontvang mijn hartelijken -dank voor uw welgemeend aanbod ten opzichte van mijne zonen. Gisteren -avond had ik bijna besloten, het aan te nemen. Maar thans zie ik, -dat het verraad van den ellendeling onze groote heeren overtuigen -zal, dat zij zich onverwijld vereenigen en wapenen moeten, zoo zij -niet in hunne woningen gevangen genomen, als honden gekoppeld en naar -Londen gedreven willen worden, even als die brave lieden in het jaar -zeventienhonderd en zeven. Burgeroorlog is als een slangenei. Op het -aas, hebben wij volle tien jaren zitten broeien, en zouden er nog tien -jaren op hebben kunnen zitten. En kijk! daar komt Rashleigh en slaat -de schaal in stukken, en vlug kruipt het wonderdier er uit en roept: -te wapen!--In zulke omstandigheden heb ik alle handen noodig, die -ik maar vinden kan, en--ik zeg het niet tot schande der koningen van -Frankrijk en Spanje, wien ik alle goeds wensch--maar koning Jakobus is, -in elk geval, even goed als eenig ander koning, en heeft het naaste -recht op mijne zonen." - -Ik begreep wel, dat die woorden op een algemeenen volksopstand -doelden. Ik begreep, dat het even nutteloos als gevaarlijk ware, -de staatkundige gevoelens van mijn geleider op zulk eene plaats en -in zulk een oogenblik te bestrijden. Ik vergenoegde mij met hem de -rampen voor te houden, die uit een algemeenen opstand ten voordeele -van het verdreven koninklijke huis noodzakelijk zouden voorkomen. - -»Volkomen waar, vriend!" hernam Mac-Gregor. »Nooit heb ik slecht weer -zonder een flinke bui zien opklaren. Laat maar gaan! Uit wanorde -wordt orde geboren. En in de algemeene verwarring heeft de arme, -maar eerlijke man de beste gelegenheid, om opgemerkt te worden en -aan een stukje brood te komen." - -Toen trachtte ik het gesprek nogmaals op Diana Vernon te brengen. Maar -hoe vrij en onbewimpeld hij zich ook over de meeste dingen uitte, -die voor mij weinig of niets belangrijks hadden, ten opzichte -van het eenige onderwerp, die voor mij van zooveel belang was, -bleef hij achterhoudend, ja met eene aan angstvalligheid grenzende -behoedzaamheid. Slechts gaf hij mij te kennen, dat hij hoopte, dat -de jonge dame zich weldra in een vreedzamer land zou bevinden, dan -Schotland hoogst waarschijnlijk gedurende eenigen tijd zijn zou. Met -dit antwoord moest ik mij vergenoegen. Ik troostte mij met de hoop, -dat het toeval mij wel eens weder begunstigen zou en mij ten minste het -treurige genoegen zou schenken, haar vaarwel te zeggen. Ik gevoelde, -dat ik haar beminde, in veel hoogeren graad, dan ik gemeend had. Dit -gevoel trad weder sterk in mij op. - -Bijna zes Engelsche mijlen ver gingen wij langs den oever van het -meer, op een zich telkens kronkelend pad, tot wij eindelijk aan -eene Hooglandsche pachthoeve kwamen, die allertreffelijkst aan -het meer lag, dat men, bedrieg ik mij niet, Lidiart noemt. Hier -vonden wij eene talrijke bende van Mac-Gregor's aanhang, die ons -hartelijk verwelkomde. De smaak, en ook de welsprekendheid van -onbeschaafde volksstammen is vaak zeer zuiver, daar noch vooroordeel -of vooringenomenheid, noch eenige gemaaktheid, een nadeeligen invloed -daarop uitoefenen. Een bewijs daarvan verschafte mij de keus der -plaats, waar de Hooglanders hunne gasten begroeten. Een Britsche koning -zou, zegt men, de gezanten van dezen of genen machtigen mededinger het -best in de kajuit van een geducht oorlogschip kunnen ontvangen. Zoo -had het Hooglandsche opperhoofd een oord gekozen, waar de aan zijn -geboortegrond eigenaardige grootsche voorwerpen een levendigen indruk -op zijne gasten moesten maken. - -Langs den oever van eene ruischende beek gingen wij verder. De weg -was stijgend. Aan de rechterhand lagen eenige Hooglandsche hutten, -omringd door kleine stukken lands, die uit het omliggende boschaadje -als uitgehouwen waren, en een weligen oogst van gerst en haver -opleverden. Hoogerop werd de heuvel steiler. En op den kalen rand -zagen wij de schitterende wapens en de in den wind fladderende plaids -van ongeveer vijftig man uit Mac-Gregor's gevolg. Zij stonden op eene -plek, die ik mij nog steeds met verrukking herinner. De beek ontmoette -hier een rotswand, waarover zij in twee sprongen heen stortte. De -eerste waterval, over welks donker water een prachtige oude eik, -in den oever geworteld, zich schilderachtig schoon, als een gewelf -boog, zal omtrent twaalf voet hoog geweest zijn. De gebroken stroom -viel in een uit de rots gevormd en regelmatig, als met den beitel -gehouwen bekken, en toen hij zich op den rand gebroken had, stortte hij -loodrecht, ten minste vijftig voet diep, door een donkere, enge kloof, -en spoedde zich dan, maar meer bedaard, naar de golven van het meer. - -Met dien bijzonderen aanleg voor smaakvolle stoffeering, die -inzonderheid den Schotschen bergbewoners eigen is, in wier karakter -ik steeds een zekeren romanesken en dichterlijken trek heb opgemerkt, -waren Robbert's vrouw en vrienden tot ons onthaal bijeengekomen op eene -plaats, die den vreemdeling een gevoel van ontzag moest inboezemen. Ook -hebben de Hooglanders van natuur iets plechtstatigs en hoogmoedigs. Hoe -onbeschaafd zij ons ook vaak voorkomen, omtrent het in acht nemen van -de wetten van het gezellig verkeer en der wellevendheid zijn zij zoo -stipt, dat men hen waarlijk te dezen opzichte van overdrijving zou -beschuldigen, zoo niet het gevoel van meerderheid in krachten daarin -tevens uitgedrukt ware. Bij een landman van den gewonen stempel zou -dit bespottelijk zijn, terwijl het bij den als krijgsman toegerusten -Hooglander, iets eigenaardigs en indrukwekkends is. - -De Hooglanders, die langs den heuvel verstrooid waren geweest, -voegden zich, toen wij naderden, bijeen en stonden in gelederen -achter drie personen, in wie ik terstond Helena Mac-Gregor en hare -beide zonen herkende. Robbert schaarde zijne manschappen insgelijks, -en toen het oploopende pad steiler en steiler werd, verzocht hij -Jarvie af te stijgen en bracht ons, langzaam aan het hoofd der zijnen -voorttrekkende, naar de hoogte. Daar hoorden wij de woeste tonen der -doedelzakken, die, met het ruischen van den waterval ineensmeltende, -hun natuurlijken wanklank verloren. Toen wij naderden, kwam Helena -Mac-Gregor, ons tegemoet. Hare kleeding was meer vrouwelijk dan den -vorigen dag, maar op hare gelaatstrekken lag nog steeds de onbuigzame -hoogmoed. Zij omvatte mijn vriend Jarvie in eene onverwachte en -blijkbaar niet zeer welkome omhelzing. De beweging van zijne pruik, van -zijn rug en van zijne beenen, deden mij zien, dat het hem ongeveer te -moede was, als iemand, die zich plotseling door een beer omvat ziet, -zonder dat hij juist weet of onderscheiden kan, of het dier goed of -boos gestemd is. - -»Neef," zeide zij, »gij zijt welkom, en ook gij vreemdeling," vervolgde -zij, zich tot mij wendende. Daarbij liet zij mijn reisgenoot los, -die onwillekeurig terugtrad en zijn pruik weder terecht zette.--»Gij -kwaamt," zeide zij tot mij, »in ons ongelukkig land, toen ons bloed -verhit en onze hand met bloed geverfd was. Verschoon het ruwe onthaal, -dat u ten deel viel. Wijt het den booze tijden, niet ons." - -Dit zeide zij met de houding van eene vorstin en op een ongemeen -hoffelijken, alleszins beschaafden toon. Ook liet zij volstrekt -niets van die plompheid blijken, welke wij doorgaans in de taal der -Schotsche Laaglanders vinden. Weliswaar sprak zij met Schotschen -tongval, maar overigens waarlijk niet onbevallig en daarenboven zeer -vloeiend, hoewel zij blijkbaar alles uit het inderdaad dichterlijke -Gaelisch in het Engelsch overzette, welke taal zij zich, even als wij -de doode talen leeren, eigen gemaakt, doch waarschijnlijk nooit in -het dagelijksch verkeer gehoord had. Haar man, die gedurende zijn -leven zoo vele rollen had gespeeld, drukte zich minder verheven, -minder welsprekend uit, maar zelfs zijne taal werd zuiverder, wanneer -de onderwerpen, waarover hij sprak, zijn gemoed bewogen en van eenig -belang waren. Ook bij hem vond ik bevestigd, wat ik meen bij sommige -Hooglanders opgemerkt te hebben, dat zij, vertrouwelijk en gemeenzaam -sprekende, zich van den Nederschotsen tongval bedienen, maar voor hunne -woest verhevene, dichterlijke uitdrukkingen, het Engelsch bezigen. De -taal van den hartstocht is inderdaad steeds heftig, maar zuiver. Niet -zelden hoort men een Schot, wanneer een zijner landgenooten hem met -een rappe tong bittere verwijtingen doet, spotachtig zeggen: »Aha, -nu begint gij Engelsch te praten." - -Helena noodigde ons tot den maaltijd, die op een grasperk -opgedischt was, en alles aanbood, wat het onvruchtbare gebergte -slechts had kunnen opleveren. De sombere, onveranderlijke ernst, -die het voorhoofd van onze gastvrouw omwolkte, en de pijnlijke -herinneringen der gebeurtenissen van den vorigen dag, deden geene -vroolijke gewaarwordingen in ons opkomen. Vruchteloos poogde Robbert -een opgeruimden toon aan te slaan. Er beving ons telkens eene -onwillekeurige rilling, alsof wij aan een begrafenismaal gezeten -hadden, en ieders hart klopte ruimer, toen het geëindigd was. - -»Vaarwel, neef!" zeide Helena tot Jarvie, toen wij opstonden. »De -beste wensch, dien Helena Mac-Gregor een vriend geven kan, is, dat -hij haar nooit moge wederzien." - -Jarvie wilde dit zonderlinge kompliment op zijne manier plechtig -beantwoorden en er zeker een paar zedespreuken invlechten. Maar de -bedaarde, zwaarmoedige ernst van haar gelaat bracht den goeden man, -met zijne ouderwetsche deftigheid, geheel van zijn stuk. Hij hoestte, -mompelde eenige woorden, boog en--zweeg. - -»Voor u, vreemdeling," vervolgde Helena, »heb ik een aandenken van...." - -»Helena!" viel Mac-Gregor haar op ernstig bestraffenden toon in de -rede: »wat moet dit beduiden? Hebt gij het bevel vergeten?" - -»Mac-Gregor," hernam zij; »ik heb niets vergeten, wat ik mij behoor te -herinneren. Zulke handen," vervolgde zij, terwijl zij haren langen, -naakten, gespierden arm uitstrekte, »zijn geenszins geschikt om -geschenken der liefde over te brengen, zoo het geschenk iets anders dan -smart beduidt.--»Jongman!" zeide zij, terwijl zij mij een ring aanbood, -welken, zoo als ik mij wel herinnerde, Diana Vernon nu en dan gedragen -had; »dit komt van iemand, die gij nooit zult wederzien. Is het een -vreugdeloos aandenken, dan moet het juist door de handen van haar gaan, -die de vreugde nooit weder kennen zal. Hare laatste woorden waren: -»hij vergete mij voor altijd!"" - -»En kan zij," vroeg ik, schier onbewust van hetgeen ik zeide; »kan -zij dit bij mij als mogelijk veronderstellen?" - -»Alles kan vergeten worden," antwoordde de zonderlinge vrouw; -»alles--alleen niet het gevoel van schande, alleen niet het verlangen -naar wraak!" - -»Frisch opgespeeld!" riep Mac-Gregor, van ongeduld stampvoetende. De -doedelzakken klonken, en de doordringende, knetterende tonen maakten -een einde aan het gesprek. Zwijgend namen wij door gebaren afscheid -van onze gastvrouw, en toen wij vertrokken, was ik meer dan ooit -overtuigd, dat ik door Diana bemind werd, maar voor altijd van haar -gescheiden was. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXVI. - - - Ik roep u vaarwel toe, o land, door wolken omgeven, - Wier mist, als een lijkkleed, gebergten omhult; - Waar de aad'laar zijn schreeuw huwt aan 't ruischen der stroomen, - Waar schrikwekkende storm steeds de eenzaamheid vult. - - -Door een woest, romanesk oord leidde onze weg. De Ben-Lomond, dien -wij rechts lieten liggen, stak boven al de overige bergen uit. Ik was -verdiept in overpeinzingen, die zwaar op mijn gemoed drukten. Doch -toen wij na een langen, moeielijken tocht uit een bergpas kwamen, -en de spiegelgladde oppervlakte van het Lomond-Meer voor ons lag, -toen was het, of ik plotseling ontwaakte. Wie is in staat dit -landschap te beschrijven! Eene reeks van schilderachtig schoone -eilanden van verschillende gedaante, rijst op uit het heerlijke -meer, dat, naar het noorden zich vernauwend, in de verre, donkere -bergkloven geheel verdwijnt, terwijl het zich naar het zuiden meer -en meer uitbreidt, en de bochten en voorgebergten van een bekoorlijke -landstreek bespoelt. De oostkust was te dien tijde de hoofdplaats van -Mac-Gregor en zijn clan. Om hen in bedwang te houden, had men in het -fort, tusschen den Loch-Lomond en een ander meer, eene kleine bezetting -gelegd. Maar door de natuur was de landstreek zoo goed versterkt en -had zoo vele bergpassen, moerassen, holen en andere sluiphoeken, -dat die kleine vesting het gevaar eer duidelijk aanwees, dan dat -ze genoegzame bescherming daartegen verschafte. Reeds bij meer dan -ééne gelegenheid had de bezetting de gevolgen van den koenen moed van -Mac-Gregor en diens aanhangers ondervonden. Maar de voordeelen welke de -balling op zijne vijanden behaalde, werden nooit door eenige gruweldaad -bezoedeld, wanneer hij zelf aanvoerder was. Want even goedaardig als -schrander, besefte hij zeer goed, dat het alleszins gevaarlijk was, -zich noodeloos gehaat te maken. Met genoegen vernam ik, dat hij de op -den vorigen dag gevangen gemaakte militairen ontslagen had. Nog vele -dergelijke trekken van zachtmoedigheid, ja zelfs van grootmoedigheid, -van dezen merkwaardigen man heb ik van allerlei personen vernomen. - -In een bocht, onder eene hooge rots, verbeidde ons eene boot, die -met vier kloeke Hooglandsche roeiers bemand was, en nu nam onze -gastheer hartelijk afscheid van ons. Hem en Jarvie scheen de band -van wederzijdsche achting te verbinden, wat met hunne zoo geheel -verschillende bedrijven en gewoonten eene scherpe tegenstelling -vormde. Toen zij elkander hartelijk omhelsd hadden en op het punt van -scheiden waren, verzekerde Jarvie met een vol hart en eene bevende stem -zijn neef, dat, indien honderd pond, ja al ware het ook tweehonderd, -hem of de zijnen in staat konden stellen om tot een eerlijk bestaan -te geraken, hij hem dit slechts met een paar woorden behoefde te -melden. Maar Robbert vatte met de eene hand het gevest van zijn zwaard -en drukte met de andere Jarvie's hand, terwijl hij hem verzekerde, -dat bijaldien iemand zijn neef beleedigen mocht, en deze hem daarvan -bericht zond, hij den beleediger, al ware die ook de eerste persoon -van geheel Glasgow, de ooren van het hoofd zou houwen. - -Na deze wederzijdsche verzekeringen van voortdurende vriendschap -en welwillendheid, stieten wij van den oever af en zetten koers -naar den zuidwestelijken hoek van het meer, waaruit het riviertje -de Leven ontstroomt. Robbert bleef nog geruimen tijd op den top der -rotsen staan, waarvan onze boot afgevaren was. Hij was ook nog op vrij -verren afstand zichtbaar door zijn lang geweer, zijn bont fladderend -gewaad en de enkele pluim op zijne muts, waardoor in die tijden de -Hooglandsche edelman en soldaat zich onderscheidden, ofschoon de -Hooglandsche krijgslieden thans hunne mutsen met eene groote menigte -zwarte vederen versieren. Eindelijk zag ik hem langzaam den heuvel -afdalen, vergezeld van de manschappen, die zijne lijfwacht uitmaakten. - -Nu voeren wij vrij lang voort, zonder het stilzwijgen te -verbreken. Slechts nu en dan klonk over het water het Gaelische gezang, -dat een der roeiers op eene zachte onregelmatige wijs aanhief, en -dan in een woesten koorzang overging, waarin hij door zijne kameraden -begeleid werd. - -Diepe zwaarmoedigheid drukte mij ter neêr. Doch het gezicht van de -ongemeen fraaie landstreek, die ons omringde, verzachtte mijn leed. In -de dweepachtige stemming van het oogenblik verbeeldde ik mij, dat ik, -als ik Roomsch-Katholiek geweest ware, op een der bevallige eilanden, -tusschen welke onze boot henengleed, zeer gaarne als een stille -kluizenaar zou willen leven en sterven. - -Jarvie gaf zich insgelijks geheel aan zijne overpeinzingen over. Maar -ik merkte, dat ze van de mijne vrij wat verschilden, toen hij, na lange -stilte, gedurende welke hij de behoorlijke berekeningen had gemaakt, -trachtte te bewijzen, dat het wel mogelijk zou zijn, het meer droog te -maken en voor ploeg en egge vele honderden, ja vele duizenden morgen -lands te winnen, die thans volstrekt niets opleverden, dan hoogstens -een snoek of waterbaarsje. Uit zijn langwijlig betoog, waarvan ik -een tamelijk onverschillig toehoorder was, herinner ik mij, dat het -onder anderen mede tot zijn ontwerp behoorde, dat hij ook een vaart -in het meer tusschen Dumbarton en Glenfalloch behouden wilde hebben, -breed en diep genoeg voor kolenschepen. - -Eindelijk bereikten wij de landingsplaats, niet ver van de ruïnen -van een oud kasteel, waar het meer zijne wateren in de rivier de -Leven uitstort. Hier wachtte Dugald ons met de paarden. Jarvie had -een plan ten behoeve van dien knaap gevormd. Het was even goed als -dat tot het droogmaken van het meer, maar bij beide had hij veel meer -op de voordeelen dan op de uitvoerbaarheid er van gelet. - -»Dugald," zeide hij, »gij hebt een goed hart en weet wat uwe meerderen -toekomt. Maar het leven dat gij leidt, zal u vroeg of laat in het -verderf storten en uwe ziel hier namaals reddeloos doen verloren -gaan. Ik verbeeld mij, dat de diensten, welke ik in mijn ambt aan -onze goede stad Glasgow bewezen heb, even als mijn vader zaliger, de -wijkmeester, vóór mij heeft gedaan, mij eenig aanzien, eenigen invloed -verschaft hebben, zoo dat ik, dunkt mij, de heeren van den raad wel -zou kunnen bewegen, om, ten opzichte van hetgeen door u bedreven is, -genade voor recht te laten gelden, te meer, dewijl ze bij nog veel -grooter wanbedrijven wel eens, om des lieven vredes wil, een oog -toegedrukt hebben. Wilt gij derhalve met mij naar Glasgow gaan, Dugald, -dan kunt gij als een fiksche, goedgespierde kerel, mij voorloopig in -mijn magazijn behulpzaam wezen, tot er zich iets beters voor u opdoet." - -Maar Dugald antwoordde, dat hij voor het welgemeende aanbod van -den heer Jarvie alleszins dankbaar was, maar volstrekt niet weer te -Glasgow wilde komen, dan alleen als men hem, even als vroeger, in -boeien en banden derwaarts sleepte. Hij was, zoo als ik naderhand -vernam, inderdaad wegens deelneming aan een gepleegden roof, als -gevangene naar Glasgow gebracht geworden. Daar had hij de gunst van den -opzichter der gevangenis gewonnen en zich langen tijd in diens dienst -getrouw gedragen, tot eindelijk, bij de onverwachte verschijning -van zijn voormaligen gebieder, zijne ingewortelde neiging weer de -overhand behaalde. Verwonderd over Dugald's weigerend antwoord op -eene zoo voordeelige aanbieding, werd Jarvie te meer in zijne meening -versterkt, dat de man een domkop was. Oneindig beter behaagde Dugald -mijne dankbaarheid, toen ik een paar guinjes in zijne hand liet -glijden. Met ongedwongen behendigheid maakte hij eenige sprongen, -en spoedde zich toen naar de roeiers, die een klein gedeelte, dat -hij hun van het hem geschonkene gaf, nu ook in eene recht vroolijke -stemming bracht. - -Toen hij zich verwijderd had, stegen wij te paard en vervolgden onzen -weg naar Glasgow. - -Weldra hadden wij het meer en de buitengewoon fraaie bergketen uit -het oog verloren. Ik kon mij niet weerhouden nog een poos te gewagen -van mijne bewondering van deze zoo bekoorlijke landstreek, ofschoon ik -wel wist, dat Jarvie de man niet was, op wien schoone natuurtooneelen -indruk maakten.-- - -»Gij zijt nog jong," zeide hij, »en daarenboven een Engelschman: -dit is de reden, waarom gij dit alles zoo fraai vindt. Ik, die een -eenvoudig man ben, hoewel ik zeer goed weet wat landerijen waard zijn, -geef gaarne het schoonste natuurtooneel, dat het Hoogland oplevert, -voor het eerste gezicht der daken van Glasgow. Ben ik maar eens weder -te huis, dan zal ik wel zorg dragen, dat ik voortaan niet weder zoo -zonder eenige noodzakelijkheid, louter om iemand pleizier te doen, -naar dit verwenschte land op reis ga." - -De wensch van den goeden man werd spoedig vervuld. Na flink -doorgedraafd te hebben, hadden wij zeer laat in den avond zijne -woning bereikt. - -Zoodra ik zag, dat mijn waarde reisgenoot zich weder onder de -zorgvuldige hoede van zijne dienstvaardige Martha bevond, begaf ik mij -naar mijne voormalige herberg, waar ik, zelfs op dit ongewone uur, -nog eenige vensters verlicht zag. Niemand anders opende mij de deur -dan Andries, die, mij herkennende, van vreugde luidkeels schreeuwde, -en, zonder een enkel woord te zeggen, de trap opstoof naar de kamer, -waarin ik het licht had zien branden. Ik dacht met recht, dat hij mijne -komst den, wegens mijn lang wegblijven buiten twijfel bekommerden Owen, -wilde aankondigen, en ik volgde hem op den voet. Maar Owen was niet -alleen in die kamer: naast hem zat--mijn vader. - -Eerst trachtte hij zijne gewone bedaardheid te behouden, zeide op -eenigszins gedwongen toon: »het verheugt mij u te zien, Frans!"--Maar -terstond daarop omvatte en omhelsde hij mij met liefdevolle woorden: -»mijn zoon, mijn dierbare zoon!"--Owen vatte mijne eene hand, welke -hij met zijne tranen bevochtigde, terwijl hij mij met mijne terugkomst -gelukwenschte. Welk een onvergetelijk oogenblik! zelfs nu nog komen -de tranen in mijne oude oogen, als ik het mij herinner. - -Na de eerste opwelling onzer vreugde, vernam ik, dat mijn vader, -kort nadat Owen zich op reis naar Schotland begeven had, uit Holland -teruggekomen was. Van voortvarenden aard in al zijne handelingen, -vertoefde hij daar slechts korten tijd, om zich de middelen te -verschaffen, waardoor hij de loopende wissels ten laste van zijn -kantoor zou kunnen voldoen. Zijne uitgestrekte correspondentie en -zijn sedert zoo vele jaren alom gevestigd krediet, hetwelk hij aan -het welslagen van zijne ondernemingen op het vaste land en zijne -voorbeeldige eerlijkheid en stiptheid in den handel te danken had, -stelden hem weldra in staat, om thans in persoon datgene bijzonder -spoedig tot stand te brengen, wat in zijne afwezigheid zeer moeilijk -en langzaam had kunnen gedaan worden. Eindelijk vertrok hij naar -Schotland, om Rashleigh tot verantwoording te noodzaken en tevens om -zijne zaken in dat land behoorlijk te regelen. Zijne komst te Glasgow -in zulke onverwacht gunstige omstandigheden, was een donderslag voor -Mac-Vittie en diens compagnon, die stellig geloofd hadden, dat hij voor -altijd geruïneerd was. Ten uiterste verstoord over de onbetamelijke -bejegening, welke zijn brave boekhouder van hen ondergaan had, -bleef mijn vader doof voor alle verontschuldigingen en voorslagen -tot een vergelijk, en toen hij de loopende rekening vereffend had, -verklaarde hij hun, dat zijn koopmansboeken voor altijd voor hen -gesloten zouden zijn. - -Terwijl hij zich over deze zegepraal op zijne schijnvrienden verheugde, -was hij om mij niet weinig bekommerd. De goede Owen had niet vermoed, -dat eene reis van ongeveer zestig Engelsche mijlen, die, van Londen -uit, in alle richtingen zoo gemakkelijk en zoo veilig te doen is, -met eenig gevaar kon vergezeld gaan in Schotland. Maar ook hij werd -beangst, toen hij de ongerustheid van mijn vader bemerkte, die het land -en het onbeschaafde, schier woeste karakter der bewoners beter kende. - -Deze bezorgdheid steeg tot pijnlijken angst, toen, kort vóór mijne -terugkomst, Andries verscheen, en de, weliswaar ontmoedigende, hoewel -niet weinig overdreven tijding bracht van den neteligen toestand, -waarin hij mij had achtergelaten. De hertog, door wiens soldaten hij -als gevangene was weggevoerd, had hem na een vrij scherp verhoor -niet alleen ontslagen, maar hem tevens in staat gesteld, om zich -ten spoedigste naar Glasgow te begeven, ten einde mijn wedervaren -te berichten. - -Andries behoorde eigenlijk tot die lieden, die gaarne van zich doen -spreken en zich inzonderheid dat voorkomen van gewicht trachten te -geven, hetwelk den overbrenger van noodlottige tijdingen doorgaans -van zelf ten deel valt. Hij had dus wel gezorgd, zijn verhaal vooral -niet te zacht te kleuren, te meer, toen hij hoorde, dat de rijke -Londensche koopman zelf geheel onverwacht zijn toehoorder was. Zeer -breedvoerig sprak hij van de gevaren, waaraan hij ontsnapt was, -en wel, zoo als hij te kennen gaf, voornamelijk door zijne ervaring, -zijn ijver en zijne schranderheid. Wat er echter van mij geworden was, -nadat men hem, mijn getrouwen beschermengel, van mijne zijde gerukt -had, kon hij slechts vermoeden, maar met geene zekerheid zeggen: -intusschen moest ik buiten twijfel in levensgevaar verkeeren, zoo -men mij het leven niet reeds benomen had. De heer Jarvie, voegde -hij er bij, was geen man, om iemand in hachelijke omstandigheden -van eenigen dienst of hulp te zijn; integendeel, zou hij met zijne -ten eenemaal verkeerde begrippen en door zijne verwaandheid iemand -van den wal in de sloot helpen, waarom hij, Andries, bijna vreesde, -dat het tusschen de pistolen der ruiters, de geweren der soldaten en -de dolken en sabels der Hooglanders en den diepen stroom naast dit -alles er bij, zeker met mij niet al te best moest zijn afgeloopen. - -Deze boodschap zou den goeden Owen tot wanhoop gebracht hebben, als -hij alleen en zonder bijstand geweest ware. Maar mijn vader werd door -zijne groote menschenkennis licht in staat gesteld, om het karakter -van den verhaler te doorgronden en in diens verhaal het ware van het -verdichte te schiften. Al het overdrevene daarvan weggenomen, bleef het -toch nog verontrustend genoeg. Reeds had mijn vader besloten zich zelf -op weg te begeven, om door losgeld of onderhandeling mijne vrijheid -te verkrijgen. Ja, met dat doel was hij thans nog zoo laat bezig, -om met Owen eenige brieven te doorloopen en den dienstvaardigen man -omtrent eenige zaken te onderrichten, die gedurende zijne afwezigheid -in orde moesten gebracht worden. - -Het was reeds laat toen wij scheidden, en te ongeduldig om lang rust -te genieten, was ik al zeer vroeg weder op de been. Andries kwam om -zijn dienst bij mij waar te nemen. En zie, de vogelsverschrikkers -gestalte, waarin de Hooglanders hem veranderd hadden, was tot mijne -verrassing geheel verdwenen; hij trad op van top tot teen deftig in -het zwart gekleed. Eerst na eenige vragen, welke de schelm zoo lang -mogelijk niet wilde begrijpen, of ten minste verkeerd beantwoordde, -kreeg ik uit hem, dat hij het als passend had beschouwd, mijnentwege -den rouw aan te nemen. Maar nu wilde de uitdrager, in wiens winkel -hij zich het daartoe noodige had aangeschaft, dat gewaad niet terug -nemen. Daar hij in mijn dienst zijne eigen kleeren verloren had, zou -naar zijn oordeel, noch ik, noch mijn vader, dien de Voorzienigheid -zoo rijkelijk met tijdelijke middelen gezegend had, hem dwingen het -weg te doen en dulden, dat zulk een arme drommel, als hij was, de -schade droeg. Deze list gelukte hem, daar zijne klacht wegens geleden -verlies in mijn dienst alleszins gegrond was. Zoo geraakte hij aan -een vrij goed rouwpak, terwijl zijn heer, over wien hij rouwde, -frisch en gezond was. - -Zoodra mijn vader ontwaakt was, bezocht hij den braven Jarvie, wiens -hartelijke goedheid hij met eene innige dankbaarheid erkende, zooals -hij het met eenige weinige krachtige woorden uitdrukte. Toen hij van -den zoo gunstig veranderden toestand zijner zaken had gesproken, bood -hij zijn beproefden vriend, onder voordeelige voorwaarden, het deel in -zijn handel aan, dat Mac-Vittie en Comp. te voren gehad hadden. Jarvie -wenschte mijn vader en Owen hartelijk geluk met dezen zoo gunstigen -keer, en zonder met geveinsde nederigheid te ontkennen, dat hij zijn -best had gedaan, om hun van dienst te zijn, toen de zaken nog geheel -anders stonden, zeide hij slechts, dat hij zoo gehandeld had, als -hij wenschte in diergelijk geval zelf behandeld te worden; terwijl -hij de hem aangeboden uitbreiding aan zijn handel dankbaar aannam. - -»Wanneer Mac-Vittie en diens compagnon," zeide hij, »als eerlijke lui -hun plichten waren nagekomen, dan zou ik niet gaarne ten hunnen koste -deze voordeelen willen genieten. Maar daar het tegendeel gebleken is, -moeten zij billijkerwijs daarvoor boeten." - -Maar nu nam Jarvie mij ter zijde en fluisterde mij met eenige -verlegenheid het volgende in het oor: »Beste mijnheer Frans, ik -wenschte wel, dat er zoo min mogelijk van al datgene gesproken werd, -wat wij daar ginder hebben gezien. Worden wij niet gerechtelijk -ondervraagd, dan zal het wel 't best zijn, geen enkel woord van de -aan Morris gepleegde daad te reppen. Ook zou men het in onze raadzaal -geenszins roemrijk achten, dat een der leden van den achtbaren raad met -Hooglanders gevochten en een plaid verzengd had. Daarenboven meen ik -mij steeds als fatsoenlijk man te gedragen, wanneer ik in mijn gewonen -doen ben. Maar ik moet wel een zonderling figuur gemaakt hebben, toen -ik zonder hoed en pruik aan dien tak hing. Als zij op het stadhuis -van dat gevalletje hoorden, zou men mij dagelijks er mede plagen." - -Toen Jarvie mij dit ongeval herinnerde, kon ik een glimlachje niet -bedwingen. De goedhartige man werd een weinig verlegen. Maar hij -glimlachte ook terwijl hij, het hoofd schuddende, zeide: »ja, ja, ik -kan me best voorstellen hoe het er uitzag, o heel best! Maar spreek er -toch vooral niet van, en beveel uwen praatzieken verwaanden knecht, -dat hij insgelijks zijn mond houdt. Zelfs zou ik niet gaarne hebben, -dat mijn Matje er iets van vernam. Al spoedig werd het dan door de -gansche buurt verspreid en aan het gepraat zou geen einde zijn." - -De bezorgdheid van den goeden man, om niet in een bespottelijk licht -te verschijnen, werd zichtbaar verminderd, toen ik hem zeide, dat -mijn vader voornemens was Glasgow terstond te verlaten. Wij hadden -ook werkelijk geen reden om er langer te vertoeven, daar toch de -gewichtigste papieren, die Rashleigh ontvreemd had, weder in onze -handen waren. Wat hij reeds tot geld gemaakt en voor zijne vermetele -plannen besteed had, kon slechts door een rechtsgeding teruggekregen -worden, dat dan ook zonder verwijl begonnen werd. - -Wij brachten nog één dag bij onzen gastvrijen vriend door, en namen -toen afscheid van hem, zoo als dan ook mijn verhaal hier afscheid van -hem neemt. Hij klom in welvaart en aanzien, en steeg eindelijk tot de -hoogste eereambten in zijne geboortestad. Omtrent twee jaren na onze -eerste kennismaking werd hij het ongehuwde leven moede en verhief -hij de getrouwe Matje van keukenprinses tot zijne echtgenoote. Zijne -benijders en vijanden, waaronder vooral Grahame en de Mac-Vittie's, -trachtten deze verandering in zijne leefwijze bespottelijk te -maken. Ja, zelfs zijne vrienden vonden den stap bedenkelijk. Doch -Martha gedroeg zich na hare verheffing zoo voorbeeldig, dat zij -alle bezorgdheid daaromtrent volkomen wederlegde. »Laat hen praten, -zooveel zij willen," zeide Jarvie, toen hij van het gebabbel hoorde; -»het deert mij niet. Ik doe toch wat ik goedvind, al blijven zij er -veertien dagen lang in eens door er over praten." - -In zijn vreedzaam en nuttig leven, was geloof ik geene gebeurtenis, -die eenige bijzondere melding verdient, dan de voorvallen, die ik -van hem verhaald heb. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXVII. - - - Komt hier, mijn zestal zonen! - Dat ik op u bouwe. - Gij blijft voorzeker met mij - Den edelen graaf getrouwe..... - .... En vijf der zonen spraken: - "Wij zijn met raad en daad - U en den graaf getrouw...." - De zesde pleegt verraad. - - De wapenroep van het Noorden. - - -Het was op den ochtend waarop wij Glasgow zouden verlaten. Daar stoof -Andries plotseling als een bezetene mijne kamer binnen. Met zeer veel -moeite kon ik hem zoo ver brengen, dat hij tot bedaren kwam en mij -zeide wat er voorgevallen was. Daarop verhaalde hij mij dan, dat al -de Hooglanders de wapenen opgevat hadden, en met Robbert Roodhaar aan -hun hoofd tegen Glasgow in aantocht waren, en binnen vierentwintig -uren aankomen zouden. - -»Ge moet dronken zijn of krankzinnig!" riep ik; »en in elk geval zie -ik geen reden om zoo opgetogen te wezen als gij nu zijt." - -»Natuurlijk, daar heb je 't weer," hernam hij onbeschoft: »dronken -of dol! Een mensch heet bij u altijd dronken of dol, als hij iets -vertelt dat groote lui niet gaarne hooren. Maar ze komen toch,--dat -houd ik vol!" - -Ik sprong terstond uit bed en spoedde mij naar mijn vader en Owen, -die evenzeer als ik ontstelden. Weldra vernamen wij dat de ontvangen, -tijding over het geheel maar al te waar was. De opstand, die -Groot-Brittannië in het jaar 1715 teisterde, was juist uitgebarsten, -toen de ongelukkige graaf van Mar ter kwader ure het vaandel der -Stuarts opstak. Het verraad van eenige Jacobietische handlangers, onder -wie ook Rashleigh zich bevond, en de gevangenneming van eenige anderen, -had koning George's raad met de wijd en zijd uitgebreide vertakkingen -van eene reeds lang gesmede samenzwering bekend gemaakt. Ze brak -onverwacht uit, maar in een te afgelegen gedeelte van het rijk, om van -duurzamen invloed te zijn, hoewel het rijk in groote beroering erdoor -geraakte. Deze zoo gewichtige gebeurtenis bevestigde en verklaarde de -wenken, die ik van Mac-Gregor ontvangen had. Thans zag ik duidelijk, -waarom de westelijke clans hun bijzonderen twist bijgelegd hadden. Zij -wisten wel dat zij weldra tot verdediging hunner gemeenschappelijke -zaak vereenigd zouden moeten handelen. Smartelijker was voor mij de -gedachte dat Diana Vernon nu de vrouw was van een man die 't ijverigst -tot het bevorderen der algemeene omwenteling medewerkte, aan alle -ontberingen en gevaren blootgesteld was, die met haars echtgenoots -roekelooze onderneming gepaard gingen. - -Wij raadpleegden over de maatregelen, die deze netelige omstandigheden -vereischten, en billijkten mijns vaders besluit, dat wij ons regelrecht -naar Londen zouden begeven. Ik gaf mijn wensch te kennen, om bij een -der vrijkorpsen, die opgericht zouden worden, den Staat te dienen. En -mijn vader, die den oorlog als eene kostwinning wel afkeurde, maar tot -verdediging van zijn vrijheid en zijn geloof zijn bloed zou opgeofferd -hebben, gaf gaarne zijne toestemming. - -Wij reisden snel en onder veel gevaren door een gedeelte van Schotland -en het noorden van Engeland, waar de heeren, die tot de Tories -behoorden, manschappen en paarden bijeenbrachten en uitrustten, -terwijl de Whigs zich in de groote steden verzamelden, de burgerij -wapenden en zich op den burgeroorlog voorbereidden. Meermalen werden -wij bijna aangehouden en moesten dikwerf groote omwegen maken, ten -einde het krijgsvolk te ontwijken. - -Na onze aankomst te Londen, vereenigden wij ons met de bankiers -en aanzienlijkste kooplieden, die zich bereid hadden verklaard, -om de regeering te ondersteunen en de daling der staatsfondsen te -voorkomen. Immers de saamgezworenen hadden ook vooral de hoop op -dit punt tot een gunstig slagen in hunne onderneming gebouwd, door, -zoo als zij geloofden, een staatsbankroet te kunnen veroorzaken. Mijn -vader werd tot een der medeleden van de financieele commissie benoemd; -daar men algemeen een onbepaald vertrouwen in zijn ijver, bekwaamheid -en welwillendheid stelde. Hij voerde zelf de onderhandelingen met de -ministers en het gelukte hem, door zijn geldmiddelen den prijs der -staatspapieren, die bij het uitbarsten van den opstand aanmerkelijk -gedaald waren, weder tot gezonder stand te brengen. - -Ik zelf was intusschen ook niet werkeloos, maar liet mij als officier -aanstellen en wierf op mijns vaders kosten omtrent tweehonderd man, -met wie ik mij bij het korps van den generaal Carpenter voegde. - -De opstand had zich nu ook naar Engeland uitgebreid, waar de -ongelukkige graaf van Derwentwater en de generaal Foster met -eenige anderen voor de Stuarts de wapenen opvatten. Mijn arme -oom, wiens vermogen door eigen zorgeloosheid en de verkwisting -zijner zonen nagenoeg weggesmolten was, liet zich overhalen, den -heilloozen standaard te volgen. Maar eer hij dezen stap deed, nam -hij een maatregel van voorzichtigheid, dien men van hem nauwelijks -zou hebben verwacht: hij maakte zijn testament. Volgens dat stuk -moesten zijne vaste goederen aan zijn oudsten zoon komen, en na -diens dood op de jongere en hunne mannelijke erven overgaan. Maar -Rashleigh die, door zich jegens zijne partij trouweloos te gedragen, -den haat zijns vaders op zich geladen had, werd geheel uitgesloten -en onterfd. Het gansche vermogen werd in geval van het afsterven der -andere zonen aan mij, als den naasten erfgenaam toegewezen. Ik was -dan ook steeds de lieveling van mijn oom geweest. Maar de aanblik -der reusachtige jongelingen, zijne zonen, die zich thans wapenden, -gaf hem waarschijnlijk zooveel vertrouwen op de instandhouding van -zijn stam, dat hij die laatste beschikking slechts als eene doode -letter beschouwde, die alleen diende, om zijne verontwaardiging over -Rashleigh's verraad duidelijk te doen uitkomen. Ook vermaakte hij aan -de nicht van zijne overleden echtgenoote, Diana Vernon, thans Diana -Vernon Beauchamp, eenige diamanten, die aan hare tante toebehoord -hadden, en een groot zilveren bekken, waarop de ineengevlochten wapens -der familie Vernon en Osbaldistone gedreven waren. - -Maar het was Gods wil, dat de krachtvolle, edele stam sneller -uitstierf, dan de ongelukkige vader vermoeden kon. Bij de eerste -monstering der saamgezworenen geraakte Thorncliff met een edelman uit -Northumberland, die even trotsch en onbuigzaam was als hij, in een -hevigen twist. In weerwil van alle pogingen hunner krijgsmakkers, -om dien bij te leggen, kwam het tot een tweegevecht met den degen, -waarin mijn neef den dood vond. Zijn dood was een groot verlies voor -ridder Hildebrand, daar Thorncliff bij zijn opvliegenden aard een -paar grein gezond menschenverstand meer bezat dan al zijne overige -broeders,--Rashleigh, zoo als van zelf spreekt, alleen uitgezonderd. - -Percival sneuvelde insgelijks in zijn beroep; dat wil zeggen, op -zijn manier op het bed van eer. Hij ging met een anderen edelman eene -weddingschap aan, wie van beiden den grootsten beker brandewijn zou -kunnen uitdrinken op den dag, dat Jakobus Stuart door de oproerigen te -Morpeth als koning uitgeroepen werd. De gevolgen van dezen wedstrijd -waren eene hevige koorts, waaraan hij weinige dagen daarna stierf, -onder het gestadig uitroepen van: »water! water!" - -Richard brak den hals toen hij met een stram paard, dat hij een tot -de partij der oproerigen overgegaan koopman uit Manchester aanpraten -wilde, over eene heg poogde te springen. - -Wilfred, de domkop, trof, zoo als het den dommen soms gaat, nog -het beste lot. Hij sneuvelde in den slag bij Preston, waar hij zeer -dapper vocht, ofschoon hij, naar men verzekert, niet recht wist, wat -eigenlijk de aanleiding tot den strijd was, terwijl hij zich ook niet -herinneren kon, voor welken koning hij de wapens droeg. John streed -insgelijks moedig in dat gevecht, en ontving verscheidene wonden, -maar was niet zoo gelukkig om op het slagveld te sterven. Mijn oude -oom, wien al deze rampen het hart gebroken hadden, werd den volgenden -dag, toen al de aanhangers van zijne partij zich aan den overwinnaar -moesten overgeven, gevangen genomen en met zijn gekwetsten zoon John -naar de gevangenis van Newgate gebracht. - -Ik was in zoover blijde, weder van den militairen dienst bevrijd -te zijn, daar ik nu het ongeluk mijner verwanten kon helpen -verzachten. Mijn vader had veel invloed bij de regeering. En het lot -van den ongelukkigen man, die in zulk een kort tijdsbestek op twee na, -al zijne zonen verloren had, verwekte zulk een algemeen medelijden, dat -mijn oom en neef waarschijnlijk niet van hoogverraad zouden aangeklaagd -zijn geworden. Maar een hooger gerecht voorkwam die aanklacht. John -stierf in de gevangenis en bad mij in zijn laatste oogenblikken de -verzorging van zijne valken op het kasteel Osbaldistone en van zijn -geliefkoosden jachthond op mij te willen nemen. - -Mijne beklagenswaardige oom was geheel ter neer geslagen. Hij -sprak weinig, maar de deelneming die ik hem bewees, scheen hem te -roeren. Ofschoon ik geen getuige was van de eerste samenkomst met mijn -vader na eene scheiding van zoo vele jaren en onder zulke treurige -omstandigheden, gaf mijns vaders neerslachtigheid mij duidelijk genoeg -te kennen, dat ze zeer smartelijk geweest was. Mijn oom sprak met -veel verbittering over Rashleigh, zijn thans nog eenig overgebleven -zoon. Hij verweet hem den ondergang van zijn geslacht en den dood -zijner broeders. Hij verzekerde dat noch hij, noch zijne zonen tot de -opstandelingen zouden zijn overgegaan, als Rashleigh hen niet verleid -had, en nu had hij zelf de zaak der Stuart's 't eerst verraden. Een -paar maal noemde hij zijne nicht Diana met innige genegenheid. Toen -ik op zekeren dag naast zijn bed zat, zeide hij tot mij: »O, beste -neef, daar nu Thorncliff en allen dood zijn, doet het mij zoo leed, -dat gij haar niet hebben moogt." - -De woorden »Thorncliff en allen" roerden mij diep. Het waren de gewone -woorden van den goeden ouden man, wanneer hij 's morgens vroolijk -op de jacht ging en zijn lieveling Thorncliff onderscheidde van al -de overigen, die hij slechts in het algemeen noemde. Maar de luide, -vroolijke stem, waarmede hij placht te zeggen: »Roept Thorncliff--en -allen!" verschilde veel van den somberen, lijdenden toon, waarop hij -nu de troostelooze woorden uitsprak. Zelf onderrichtte hij mij van den -inhoud van zijn laatsten wil, waarvan hij mij een authentiek afschrift -mededeelde, daar hij het oorspronkelijke bij den rechter Inglewood had -gedeponeerd, die door niemand gevreesd en door allen, als een onzijdig -persoon, vertrouwd, de bewaarder was geworden der testamenten van de -helft der heeren van beide partijen, die uitgetrokken waren. - -Mijn arme oom bracht zijne laatste uren grootendeels in godvruchtige -overdenkingen en gebeden door, daarin bijgestaan door den kapelaan van -het Sardinische gezantschap, voor wien wij met moeite de vergunning -verkregen den gevangene te bezoeken. Kort na den dood van zijn -zoon bezweek hij onder het lijden, waartegen zijne lichaams- en -zielskrachten niet langer bestand waren, maar waarvoor de geneesheeren -geen naam konden vinden. Inderdaad, hij scheen eerder op te houden -te leven, dan met eenigen strijd te sterven.--Het was als een door de -golven geslingerd schip, dat soms lek wordt en in de diepte verdwijnt, -eer men eenig zichtbaar lek aan het vaartuig heeft kunnen ontwaren. - -Dadelijk nadat mijn vader zijn broeder de laatste eer bewezen had, -gaf hij mij tot mijne verwondering zijn verlangen te kennen, dat ik, -overeenkomstig het testament van mijn oom, als hoofd der familie -zou optreden. Dit verraste mij zeer. Ik dacht, dat zoo iets voor hem -nooit iets bekoorlijks had gehad. Maar het is wel mogelijk dat hij -vroeger meer schijnbaar dan werkelijk, onverschillig was geweest, -daar hij begreep dat hij best deed, even als de vos in de fabel, -niet dat te verlangen, wat hij toch niet kon verkrijgen. Daarbij kwam -echter zijn hevige afkeer van Rashleigh, die openlijk dreigde zijns -vaders beschikkingen te willen bestrijden. Dit versterkte hem in het -verlangen, om den uitersten wil zijns broeders te handhaven.--»Met -het meeste recht," zeide mijn vader, »was die laaghartige booswicht -onterfd geworden. Door het testament heeft de overledene eene vroegere -onrechtvaardigheid vergoed en de overgebleven goederen komen nu weer -aan de wettige erfgenamen." - -Intusschen was Rashleigh als tegenpartij geenszins gering te achten. De -berichten, welke hij der regeering verraderlijk had medegedeeld, waren -voor het oogenblik, zoo gewichtig geweest, ja, hij had daarbij op zulk -eene sluwe wijze zich zoo groote verdiensten weten toe te dichten, dat -hij zelfs onder de voornaamste ministers vele begunstigers bezat. Reeds -waren wij bezig hem wegens den aan ons gepleegden roof in rechten te -vervolgen. Naar den gang van dat eenvoudige rechtsgeding te oordeelen, -liet het zich aanzien, dat het nieuw begonnen proces over de goederen -veel langer dan onze leeftijd duren kon. - -Om deze vertraging te voorkomen, volgde mijn vader den raad van zijn -advokaat, betaalde eenige zware hypotheken af, waarmede de landerijen -van Osbaldistone bezwaard waren en droeg al zijne eigen aanspraken -aan mij over. De gunstige gelegenheid, om een groot gedeelte der -aanmerkelijke winst, door het snelle rijzen der staatspapieren bij het -dempen van den opstand behaald, te beleggen, en zijne onlangs verkregen -ondervinding van de gevaren, waaraan de handel is blootgesteld, bewogen -hem misschien op deze wijze een aanzienlijk gedeelte van zijn vermogen -vast te zetten. Hoe het zij, ik had verwacht, dat hij mij weder naar -zijn kantoor zou brengen, waartoe ik hem mijne bereidwilligheid -had verklaard, want ik wilde zijne wenschen, welke die ook waren, -onvoorwaardelijk volbrengen. Maar zie! in plaats daarvan, beval hij -mij naar Northumberland te vertrekken, en als wettig erfgenaam bezit -van het kasteel Osbaldistone te nemen. Bij den rechter Inglewood -moest ik het oorspronkelijke testament van mijn oom lichten en de -noodige maatregelen nemen, om mij in het bezit der goederen te stellen. - -Op iederen anderen tijd zou deze verandering van toestand mij zeer -gewenscht zijn geweest, maar thans kon het kasteel Osbaldistone -slechts smartelijke gewaarwordingen in mij opwekken. En toch, waar -anders dan in dat oord kon ik berichten omtrent Diana's lot hopen te -verkrijgen? Met reden moest ik vreezen, het geheel anders te zullen -vinden dan ik wenschte, maar tot dusver wist ik nog niet, wat er -van haar geworden was. Vruchteloos had ik getracht, door allerlei -bewijzen van vriendelijke deelneming het vertrouwen van eenige verre -bloedverwanten te verwerven, die zich onder de gevangenen in Newgate -bevonden. Maar eene zekere fierheid, die ik niet kon afkeuren, daarbij -een vergeeflijke argwaan tegen Frans Osbaldistone, den aanhanger der -heerschende partij, en den neef van den ellendigen verrader Rashleigh, -sloten ieders hart, ieders mond. Ik ontving niets dan koelen gedwongen -dank, voor den bijstand, dien ik bewijzen kon. De arm der straffende -gerechtigheid verminderde ook van lieverlede het getal dergenen, -wien ik van nut poogde te zijn. Nu werden de overblijvenden -nog afkeeriger van allen, die zij voor aanhangers der regeering -hielden. Toen men weder eenigen in afdeelingen naar de gerechtsplaats -ter dood had weggevoerd, verloren de teruggeblevenen alle deelneming -aan het leven. Zij hadden lust noch moed meer om met menschen te -verkeeren. Nog lang zal ik mij een dezer ongelukkigen herinneren, -die op mijn dringende vraag, of ik hem niet met nog iets genoegen -kon doen, antwoordde: »Mijnheer Osbaldistone, ik geloof gaarne dat -gij het goed meent, en daarom betuig ik u mijn dank. Maar waarlijk, -een mensch laat zich niet mesten als pluimgedierte, als hij ziet, -dat zijne vrienden dag aan dag naar het moordschavot gevoerd worden, -en hij weet dat de beurt spoedig ook aan hem zal komen." - -Onder deze omstandigheden verheugde het mij wezenlijk, Londen en -Newgate en de tooneelen, waarvan ik daar getuige was, te kunnen -verlaten, om de vrije lucht in Northumberland in te ademen. Andries -was in mijn dienst gebleven, niet omdat ik dit juist gaarne had, maar -omdat mijn vader dit scheen te wenschen. Zijne plaatselijke kennis der -omstreken van het kasteel Osbaldistone, meende mijn vader, kon mij -nu van nut zijn. Zijn reisgezelschap was mij niet onwelkom, terwijl -ik het vooruitzicht had, om van hem ontslagen te worden, als ik hem -weder tot tuinier aanstelde. Bij mijn vader had hij zich door zijn -bijzonderen slag om zich den schijn te geven, alsof hij met lijf en -ziel aan zijn heer gehecht was, eenige gunst verworven. Hij wist deze -voorgewende gehechtheid daarmede te vereenigen, dat hij mij, zijn heer, -bij elke gelegenheid allerlei streken speelde, terwijl hij volstrekt -niet duldde, dat iemand anders dan hij zelf zijn meester bedroog. - -Onze reis liep af zonder dat ons eenig avontuur bejegende. Het land, -hetwelk nog kort te voren in opstand was geweest, vonden wij in rust -en vrede. Hoe meer wij het kasteel Osbaldistone naderden, des te enger -werd het mij om 't hart bij de gedachte, dat ik thans die verlaten -woning alleen zou binnentreden. Om dat zoo gevreesde oogenblik uit -te stellen, besloot ik eerst rechtstreeks naar den rechter Inglewood -te rijden. - -De goede man was, gedurende den laatsten tijd, door de lotgevallen -en tegenstrijdige gevoelens, aan zijne voormalige en tegenwoordige -betrekkingen verbonden, niet weinig verontrust geworden. Zeer -natuurlijke herinneringen aan het verledene hadden vrij wat invloed -op de vervulling van zijne rechterlijke plichten gehad. Hij was echter -zoo gelukkig geweest, om zich van zijn griffier Jobson te ontslaan, die -hem den ganschen last der ambtsbezigheden overgelaten had. Jobson zelf -was nu de handlanger van zekeren Standish geworden, die sedert eenigen -tijd als vrederechter fungeerde in de buurt en zulk een blakenden -ijver voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging liet -blijken, dat Jobson zich eer beijveren moest, zijn nieuwen patroon -binnen de perken der wet te houden, dan hem tot handelen aan te sporen. - -Inglewood ontving mij zeer vriendelijk en stelde mij terstond mijns -ooms testament ter hand, hetwelk in volkomen orde werd bevonden. In -het eerst was de goede man zichtbaar verlegen, hoe hij in mijne -tegenwoordigheid spreken en handelen zou. Doch toen hij zag, dat ik -weliswaar uit beginsel een aanhanger der tegenwoordige regeering, -maar niettemin tot medelijden gestemd was jegens hen, die zich -door verkeerde begrippen van plicht en getrouwheid tot den opstand -hadden laten verleiden, werd zijn gesprek een vermakelijk mengelmoes -van datgene wat hij gedaan en niet gedaan had, van zijne pogingen, -om sommige landedellieden van rustverstorende samenrottingen af te -houden, en van de toegevendheid, waardoor hij de vlucht van anderen, -die aan den opstand deel hadden genomen, begunstigd had. - -Wij waren geheel alleen, en reeds hadden wij eene flesch geledigd, -toen hij mij plotseling uitnoodigde, om een beker te ledigen op het -welzijn der brave, lieve Diana Vernon, het roosje in de woestijn, het -klokje in het Cheviot-gebergte, de bloem, die in een akelig klooster -stond verplant te worden. - -»Is Diana Vernon dan niet gehuwd?" vroeg ik vol verbazing. »Ik dacht, -dat zijne Excellentie...." - -»Wel ja, waarom niet!" hernam Inglewood, luidkeels lachende--»zijne -Excellentie en zijne Genade--dat alles is allemaal gekheid--ijdele -titels van St. Germain! De graaf Van Beauchamp gezant van Frankrijk--en -de hertog van Orleans--weten misschien niet eens, dat er zulk een man -bestond. Gij zult immers den ouden Frederik Vernon in het kasteel -Osbaldistone wel gezien hebben, toen hij de rol van pater Vaughan -speelde?" - -»Rechtvaardige Hemel! Vaughan was dus de vader van Diana?" - -»Juist!" antwoordde Inglewood zeer bedaard. »Waartoe die zaak nu nog -langer geheim gehouden? Hij moet thans wel het land uit zijn, want -anders zou mijn plicht mij gebieden, hem gevangen te nemen. Welnu--uw -glas geledigd op de gezondheid van mijne lieve verlorene Diana!" - -Ik was, zoo als men licht begrijpen kan, volstrekt niet gestemd, -om in Inglewood's vroolijkheid te deelen. Het schemerde mij voor -de oogen. »Nooit," hernam ik, »heb ik geweten, dat Diana's vader -nog leefde." - -»Dat hij nog leeft," antwoordde Inglewood, »heeft men waarlijk niet -aan onze regeering te wijten. Van niemand zou het hoofd zooveel -geld opgeleverd hebben, als het zijne. Onder koning William werd -hij wegens zijne deelneming aan eene samenzwering ten voordeele der -Stuarts ter dood veroordeeld, en daar hij zich in Schotland met eene -verwante van de familie Breadalbane door het huwelijk verbonden had, -was zijn invloed op al de Hooglandsche hoofdelingen zeer groot. Men -zegt, dat hij bij den vrede te Rijswijk door Frankrijk zou hebben -moeten uitgeleverd worden. Maar hij veinsde zich ziek, en in de -Fransche nieuwspapieren werd zijn dood openlijk bekend gemaakt. Toen -hij herwaarts terugkwam, kenden wij den ouden heer zeer goed--ik wil -zeggen, ik kende hem zeer goed. Maar daar mij geen signalement van -hem werd gezonden, en mijn geheugen door vele en zware aanvallen van -jicht geweldig geleden had, zou ik er toch geen eed op hebben durven -doen,--dat vat je wel!" - -»Kende men hem dan in het kasteel?" vroeg ik. - -»Niemand dan zijne dochter, de oude ridder Hildebrand en Rashleigh; -laatstgenoemde was achter het geheim gekomen, zoo als hij achter alle -dingen kwam. Maar met dat geheim hield hij Diana als bij een koord om -den hals. Wel honderdmaal heb ik gezien, dat zij hem in het gezicht -zou hebben willen slaan, als zij niet voor haar vader gevreesd had, -wiens leven onfeilbaar verloren zou zijn geweest, zoodra men hem -aan de regeering verraden had. Versta mij niet verkeerd, mijnheer -Osbaldistone! de regeering is goed, genadig en rechtvaardig. Weliswaar, -heeft zij de helft der opstandelingen zonder genade doen ophangen, -maar zij zou die arme drommels zeer zeker rustig hebben laten leven, -als zij zich maar stil tehuis hadden gehouden." - -Ik ontweek, zoo veel mogelijk, een gesprek over de staatszaken. Toen ik -Inglewood vrij behendig tot zijn eerste onderwerp had teruggebracht, -vernam ik, dat Diana stellig geweigerd had met een mijner neven -te huwen, en inzonderheid haren afkeer van Rashleigh had te kennen -gegeven. Deze was dan ook sedert dien tijd veel lauwer in zijn ijver -voor de zaak van den Pretendent geworden. Eigenlijk had hij als -de jongste der broeders, en als een sluw en doortrapt man, dezen -als een middel beschouwd, om fortuin te maken. De omstandigheid, -dat hij door den vereenigden invloed van Sir Frederik Vernon en van -de Schotsche hoofden gedwongen was geworden, om den buit terug te -geven, dien hij van het kantoor van mijn vader geroofd had, deed -hem waarschijnlijk het besluit nemen, om door afval en verraad -zijn voordeel te doen. Misschien had hij ook, daar hij uitnemend -van de gelegenheid partij wist te trekken om zijn belang te dienen, -ontdekt dat de hulpmiddelen en vermogens der opstandelingen, zoo als -naderhand bleek, geenszins berekend waren voor de groote onderneming, -om eene staatsomwenteling te bewerken. Vernon--of zoo als hij bij -de aanhangers der Stuarts heette, zijne Excellentie de Burggraaf -Beauchamp--had met zijne dochter vrij wat moeite gehad, om de gevolgen -van Rashleigh's verraad te ontgaan. Inglewood's berichten waren hier -gebrekkig: »Men heeft niet vernomen, dat Vernon in handen der regeering -is gevallen"--voegde hij er bij--»het moest hem dus wel gelukt zijn, -naar vreemde landen te ontvluchten. Maar volgens de wreede overeenkomst -met zijn zwager, zou Diana zich in een klooster moeten begeven." - -De eigenlijke oorzaak van deze zonderlinge overeenkomst kon Inglewood -niet nauwkeurig opgeven. Hij had gehoord, dat ze vooral was aangegaan, -om den ouden Vernon de renten te verzekeren der overblijfsels -van zijn aanzienlijk vermogen, dat men door eenige rechtsgeleerde -kunstgrepen op de familie Osbaldistone had overgebracht. Kortom het -was een familieverdrag, waarbij men, zooals niet zelden gebeurt, -de gezindheid van degenen, die hoofdzakelijk er mede gemoeid zijn, -niet meer in aanmerking had genomen, dan alsof zij tot het vee op -het land behoord hadden. - -Groot is des menschen wankelmoedigheid!--Ik weet niet of het ontvangen -bericht mij vreugde of smart veroorzaakte. Het scheen mij toe, of -mijne droefheid over Diana's verlies eer vermeerderd dan verminderd -was, sedert ik wist dat zij niet door het huwelijk met een ander, -maar door de muren van een klooster voor eeuwig van mij gescheiden -was, alleen om aan de bepalingen van eene ongerijmde overeenkomst te -voldoen. Ik werd droefgeestig en verstrooid. Ik was niet in staat om -het gesprek met mijn gullen gastheer voort te zetten, die eindelijk -zelf begon te geeuwen, en mij voorsloeg om mij, na de ongemakken der -reis, vroeg naar bed te begeven. Ik wenschte hem eindelijk goeden -nacht, en deelde hem mijn voornemen mede, om den volgenden morgen -vroeg naar het kasteel te rijden. Inglewood keurde dit goed. - -»Ik zou u aanraden," zeide hij, »te zorgen dat gij daar zijt, eer -uwe aankomst in de omstreken bekend is geworden. Want Rashleigh, -zoo als men mij verzekerd heeft, bevindt zich in Jobson's woning, -natuurlijk om nieuwe schurkenstreken te beramen. Zij behooren bij -elkander; want Rashleigh durft zich onder eerlijke lieden niet meer -vertoonen. Maar als twee schurken samen zijn, dan weten eerlijke lui -dat oppassen de boodschap is." - -Hij eindigde niet mij aan te raden, een stevig ontbijt te gebruiken -eer ik vertrok, want de kille morgenlucht op de heide, zeide hij, was -bepaald ongezond voor hem, die zich 's ochtens nuchteren buiten waagde. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXVIII. - - - De meester is niet meer. - Het oud kasteel van Ivol--uitgestorven, - Hij wist het wel, het gansch gezin, - Tot paard en honden toe, - Hen allen had het graf verworven. - - Wordsworth. - - -Hoe vreeselijk veranderd vond ik het kasteel. Hoe geheel verlaten -was dat tooneel van vroegere genoegens. In sombere gemoedsstemming -zag ik het weder. Op den weg naar het kasteel zag ik dezelfde -voorwerpen, welke ik aan Diana's zijde had aanschouwd op onze -gedenkwaardige terugreis van Inglewoods woning. Haar geest scheen -mij te vergezellen. Toen ik aan de plek kwam, waar ik haar voor de -eerste maal had ontmoet, meende ik bijna het geblaf der honden en de -tonen der jachthorens nog te hooren. Ik staarde geruimen tijd op de -ledige ruimte, als moest ik de schoone jageres, als eene hemelsche -verschijning, nog eens van den heuvel zien afkomen. Maar alles bleef -stil, alles was eenzaam. Toen ik het kasteel bereikte, vond ik de -deuren en vensters gesloten. Gras groeide tusschen de steenen op -de ruime pleinen, waar ik zoo vaak zulk een druk gewoel had gezien, -als de vroolijke jagers 's morgens uitgingen of 's avonds huiswaarts -keerden. Het blijde geblaf der ontkoppelde honden, het gejuich der -jagers, de hoefslag der paarden, het luide lachen van den ouden -ridder aan het hoofd zijner talrijke stamhouders--dit alles was voor -altijd verstomd! - -Diep geroerd zag ik in deze akelige eenzaamheid rond. Ik was aangedaan, -zelfs bij de herinnering aan hen, die volstrekt geen aanspraak op -mijne toegenegenheid hadden. Maar de gedachte, dat zoo vele kloeke -jongelingen in den bloei van het leven en in krachtige gezondheid -binnen zulk een korten tijd allen door een geweldigen onverwachten dood -weggerukt waren, stelde mij een beeld der sterfelijkheid voor oogen, -dat mij van schrik deed beven. Voor mij was het een zwakke troost, -dat ik als eigenaar van het kasteel terugkeerde, hetwelk ik bijna -als vluchteling verlaten had. Mijn toestand was voor mij nog zoo -nieuw, dat ik mij in zekeren zin als een onwettigen bezitter, als -een indringenden vreemdeling beschouwde. Nauwelijks kon ik mij van -het denkbeeld ontdoen, dat eenige van de krachtige gestalten mijner -overleden neven aan de poort van het kasteel verschijnen en mij den -toegang betwisten zouden. - -Terwijl ik mij in deze treurige overdenkingen verdiepte, was -mijn geleider Andries, met geheel andere gedachten bezield, reeds -begonnen met aan al de deuren te kloppen, begeerende binnengelaten te -worden. Ja, hij gaf dit op een toon te kennen, die duidelijk genoeg -verried, dat hij ten minste zijn nieuw verkregen waardigheid, als -schildknaap des nieuwen burgheers goed besefte. Eindelijk liet Syddall, -mijns ooms oude hofmeester, zich zien. Schuw keek hij door een dicht -getralied venster van de eerste verdieping, terwijl hij luid vroeg, -wat wij begeerden. - -»Dag oude vriend! wij komen u aflossen," zeide Andries. »Geef -maar gauw de sleutels over. Ik zal het zilverwerk en tafelgoed -van u overnemen. Gij hebt lang genoeg den boel beheerd, mijnheer -Syddall. Ieder zijn beurt. Nu zult gij toch ook eens aan het -benedeneinde der tafel zitten waar Andries zoo lang gezeten heeft." - -Niet zonder moeite bracht ik de voorbarigheid van mijn geleider -binnen betamelijke perken terug. Ik verklaarde den ouden dienaar -op welk recht ik mijn aanspraak grondde, om in het kasteel als in -mijn eigendom binnengelaten te worden. Syddall scheen onthutst en -verlegen. Ja, hij liet vrij duidelijk zijn onwil blijken, om mij -toegang te verleenen, ofschoon hij op deemoedigen en onderdanigen -toon sprak. Ik gebruikte toegevendheid tegenover die opwelling van -natuurlijk gevoel, die den ouden man tot eer strekte. Ik drong echter -ernstig bij hem aan om binnengelaten te worden, en verklaarde, dat -zijne weigering mij noodzaken zou, gerechtelijke hulp in te roepen. - -»Hoor eens oude, wij komen juist van den vrederechter -Inglewood!" voegde Andries er bij, om mijn bedreiging nog meer kracht -bij te zetten. »Er wordt weer recht en gerechtigheid in het land -gehandhaafd. Oproermakers en Papisten mogen niet meer doen wat zij -verkiezen. Hun rijk is uit!" - -De bedreiging van gerechtelijke dwangmiddelen klonk vreeselijk in de -ooren van den ouden man, die wel wist, dat hij wegens zijn geloof en -zijne gehechtheid aan zijn overleden meester verdacht moest zijn. Met -angst en beven opende hij een zijpoortje, dat met vele grendels en -bouten voorzien was. Hij bad mij ootmoedig, voor zijne getrouwheid -in de uitoefening zijner plichten verschooning te mogen vinden. Ik -stelde hem gerust door hem te verzekeren, dat zijne voorzichtigheid -mij een zeer goeden dunk van hem had ingeboezemd. - -»Ik denk er anders over!" zeide Andries. »Syddall is een oude -schurk. Hij zou er zoo doodsbleek niet uitzien, hij zou zoo niet -beven als een schoothondje, als hij niet meer te verantwoorden had, -dan hij ons zeggen wil." - -»God vergeve het u, Andries!" hernam Syddall, »dat gij zoo over -een oud vriend en kameraad spreekt! Waar zal ik vuur voor u laten -aanleggen, mijnheer?" vroeg hij, terwijl hij mij nederig door den -gang volgde. »Ik vrees, dat gij 't in het kasteel al te eenzaam, -al te naar zult vinden. Doch gij keert zeker nog heden namiddag naar -den heer Inglewood terug om bij hem te eten." - -»Leg wat vuur aan in de bibliotheek," antwoordde ik. - -»Wat! In de bibliotheek?" riep de oude man. »Daar is sinds lang niemand -geweest; daar rookt het. De kraaien hebben zich in het voorjaar in den -schoorsteen genesteld, en wij hebben geen jonge lieden in het kasteel, -om hunne nesten er uit te halen." - -»Zwijg maar. Onze eigen rook is beter dan eens andermans vuur!" viel -Andries hem in de rede. »Mijnheer verkiest nu in de boekenkamer te -wezen; want hij wil niet, zoo als gij Papisten, in blinde onkunde -zijn tijd doorbrengen." - -Zeer ongaarne, naar het mij voorkwam, bracht de oude man ons naar de -boekenkamer, die, geheel tegen de verwachting, welke zijne woorden bij -mij verwekt hadden, zoo als het scheen, eerst onlangs gemakkelijker -en bewoonbaarder was ingericht geworden. Op den haard brandde een -helder vuurtje, in weerwil van al wat Syddall over den rook gezegd -had. Hij nam de tang, om het hout te recht te leggen, of liever, -om zijne verlegenheid te verbergen. Hij zeide, dat het thans goed -brandde, maar nog dien zelfden morgen verschrikkelijk gerookt had. - -Ik wenschte alleen te zijn, om mij van de eerste smartelijke -gewaarwordingen te herstellen, die alles wat mij omringde, in mij -opwekte. Ik beval dus Syddall den rentmeester te halen, die op -eenigen afstand van het kasteel woonde. Ongaarne scheen hij zich te -verwijderen. Vervolgens gelastte ik Andries, mij een paar sterke knapen -op te sporen, op wie hij vertrouwen kon; want de bewoners der omstreken -waren meest allen Roomsch-Katholieken, en Rashleigh, wien geene stoute -onderneming ooit afschrikte, hield zich in de nabijheid op. Met vreugde -nam Andries de uitvoering van dezen last op zich, en verzekerde tevens, -dat hij een paar echte Presbyterianen zou brengen, die den Paus, den -duivel en den Pretendent het hoofd durfden bieden.--»En mij zal dat -gezelschap ook zeer aangenaam zijn," voegde hij er bij; »want juist in -den laatsten nacht, dien ik in dit kasteel doorbracht, zag ik dat beeld -daar--hij wees op een levensgroot portret van Diana's grootvader--in -de maneschijn door den tuin wandelen. Ik zeide het u immers, dat een -spook mij verschrikt had; maar gij wildet mij niet gelooven. Altijd -heb ik gemeend, dat er onder papisten hekserij en duivelskunstenarij -bestond, maar dien nacht heb ik het met eigen oogen gezien." - -»Ga maar heen; ga maar heen!" viel ik hem in de rede: »haal mij die -knapen, maar zie wel toe, dat zij meer gezond verstand hebben dan gij, -en niet voor hunne eigen schaduw sidderen." - -»Hoor eens mijnheer, men heeft mij altijd voor een verstandig mensch -gehouden, zoo goed als de verstandigste van mijne buren. Maar met -spoken heb ik nooit gemeenschap gehad!" antwoordde Andries vrij nijdig -en ging heen. - -Op het zelfde oogenblik trad de rentmeester Wardlaid binnen. Ik kende -hem als een braaf en knap mensch, zonder wiens behulp mijn oom niet in -staat zou zijn geweest, zijne kostbare huishouding zoo lang in orde te -houden. Hij onderzocht mijne rechten op het kasteel zeer nauwkeurig, -en erkende toen mijn eigendomsrecht zonder bezwaar. De erfenis zou -voor elk ander persoon van mijn stand armzalig zijn geweest. Het -landgoed was met schulden en hypotheken bezwaard. Mijn vader had ze -echter gedeeltelijk afgelost, wat hem bij de rijzing der fondsen niet -veel opoffering kostte. - -De rentmeester, met wien ik vele zaken had te regelen, bleef bij mij -eten. Liefst wilde ik in de boekenkamer mijn maaltijd gebruiken, -ofschoon Syddall mij daartoe de groote zaal aanbeval, die hij -volgens zijne verzekering, in de haast behoorlijk in orde had laten -brengen. Intusschen verscheen Andries met zijne recruten, die hij als -ordelijke, en bovenal als onversaagde en dappere mannen aanprees. Ik -gelastte, dat men hun wat te drinken zou geven, en zond hen toen weg. - -Syddall volgde de beide knapen onder een bedenkelijk hoofdschudden. Ik -wilde de reden weten. - -»Gij zult mijne woorden niet gelooven," antwoordde hij--»dat kan -ik trouwens niet anders verwachten--maar wat waar is, blijft toch -waar. Die eene knaap, Wingfield is door en door eerlijk, maar zijn -broeder is een echte valschaard. De gansche omtrek weet, dat hij -bij den griffier Jobson voor spion heeft gespeeld, om de heeren, -die in de onlusten gewikkeld waren, ongelukkig te maken. Maar hij -is Presbyteriaan, en dat alleen is heden ten dage eene voldoende -aanbeveling." - -Ik was er niet naar gestemd, om veel gewicht te hechten aan deze -en dergelijke uitdrukkingen, waarmede de oude man, terwijl hij -mij een dienst scheen te willen bewijzen, inderdaad, aan zijne -gramstorigheid lucht gaf. Toen hij den wijn op tafel had gezet, ging -hij heen. Eerst tegen het vallen van den avond pakte de rentmeester -zijne papieren samen, om zich naar huis te begeven. Ik bleef alleen, -in die zonderlinge gemoedsgesteldheid, waarin men zelf niet weet, -of men gezelschap of eenzaamheid wenscht. Er bleef mij echter geene -keus. Ik moest alleen blijven in die kamer, die mij meer dan eenige -andere tot zwaarmoedige overdenkingen stemde. - -Toen de avond begon te vallen, stak Andries het hoofd door de half -geopende deur, om te vragen of ik licht wilde hebben, of liever, -om het mij als een maatregel van voorzichtigheid tegenover de spoken -aan te bevelen. Knorrig wees ik zijn voorstel van de hand, wierp mij -in een der groote lederen leunstoelen, die aan weerszijden van den -schoorsteen stonden, en staarde droomend op de helder flikkerende -vlammen, die ik gevoed had. - -»Zoo als die vlammen opflikkeren, zoo rijzen verlangens in ons op. En -zoo als die vonken dooven, zoo verdwijnen ze weder!" zeide ik tot -mij zelven. Gevoed door kleinigheden, aangeblazen door verbeelding, -onderhouden door hoop, stijgen ze, tot ze verteren wat zij ontvlamd -hebben. O, mensch, met al uwe verwachtingen, al uwe hartstochten en -wenschen, tot een ellendigen aschhoop wordt ge ten slotte van binnen! - -Een diepe zucht uit een ander gedeelte der kamer scheen op mijne -overdenkingen te antwoorden. Ik sprong verschrikt op, en--Diana Vernon -stond voor mij, op den arm van een man leunende, die op de boven -vermelde beeltenis zoo zeer geleek, dat ik onwillekeurig naar de lijst -der schilderij zag, alsof ik verwacht had ze ledig te vinden. Was -ik plotseling krankzinnig geworden, of waren de dooden uit hun graf -opgestaan? Bij den tweeden oogopslag bemerkte ik echter, dat ik zeer -goed bij mijn zinnen was, dat levende gedaanten voor mij stonden. Het -was Diana zelve, maar bleeker en magerder dan te voren. Naast haar -stond geen doode, maar pater Vaughan, of eigenlijk sir Frederik Vernon, -in eene kleeding, waarin hij sprekend zijn vader op de schilderij -geleek. Hij brak 't eerst het stilzwijgen af, want Diana keek strak -voor zich neer. Ik zelf kon van verbazing geen woord uiten. - -»Als smeekenden staan wij voor u, mijnheer Osbaldistone!" zeide -hij. »Wij zoeken onder uw dak toevlucht en bescherming, tot wij -eene reis kunnen vervolgen, waar gevangenis en dood ons bij elken -stap bedreigen." - -»Zou Diana," stamelde ik, »zou freule Vernon en gij, mijnheer, dan -kunnen gelooven, dat ik vergeten heb, welke deelneming gij mij bewezen -hebt, toen ik mij in een aller neteligsten toestand bevond. Meent gij, -dat ik in staat zou zijn, iemand te verraden, en nog wel u beiden!" - -»Ik ben overtuigd van uwe goedheid," antwoordde Vernon; »en -toch vertrouw ik u met angst een geheim toe, dat voor u misschien -onaangenaam, ja, hoogst gevaarlijk kan zijn. Ik had het veel liever aan -ieder ander persoon geopenbaard. Maar het noodlot, dat mij in zoo vele -hachelijke omstandigheden heeft gewikkeld, liet mij geene keuze over." - -Op dat oogenblik werd de deur geopend, en liet zich de drukke stem -van Andries hooren.--»Ik breng u de kaarsen," zeide hij; »gij kunt -ze aansteken, wanneer ge verkiest." - -Ik spoedde mij naar de deur, in de meening hem nog bij tijds te -beletten, te zien, wie zich behalve mij in de kamer bevond. Haastig -duwde ik hem terug, sloot de deur toe en deed er de grendels op. Maar -plotseling herinnerde ik mij, dat zijne beide rekruten nog beneden -waren. Andries' praatzucht kende ik. Ook Syddall's waarschuwing omtrent -een dier knapen viel mij in. Ik volgde hem daarom terstond naar de -dienstbodenkamer, waar zij zich bij elkander bevonden. Andries was, -toen ik de deur opende, vrij luidruchtig aan het praten, maar mijne -plotselinge verschijning bracht hem eensklaps tot zwijgen. - -»Wat deert u, domkop?" vroeg ik. »Gij ziet er zoo vervaard uit, -als of gij een spook hadt gezien." - -»Nie--niets," antwoordde Andries. »Maar u was zoo--zoo driftig, -mijnheer!" - -»Omdat gij mij uit een diepen slaap wektet. Syddall zegt mij, dat -hij geen slaapplaats voor deze menschen heeft, en ik hoor ook, dat -het niet noodig is, hen hier te houden. Voor dit geld mogen zij eens -op mijne gezondheid gaan drinken en overigens dank ik hen voor hun -goeden wil. Gij kunt nu vertrekken, vrienden!" - -De beide knapen dankten mij voor mijne goedheid, namen het geld aan -en gingen heen, zonder eenigen argwaan en weltevreden, ten minste -naar het mij toescheen. Ik wachtte tot zij zich verwijderd hadden, -zoodat ik overtuigd was, dat zij dien avond met Andries niet weder in -gesprek konden komen. Snel was ik den tuinman op den voet gevolgd. Geen -twee woorden kon hij dus met hen gesproken hebben, toen ik hem reeds -in de rede viel. Doch hoeveel onheil kunnen soms slechts twee woorden -stichten: hier kostten ze twee menschen het leven! - -Toen ik deze maatregelen genomen had--het beste wat mij voor -dat oogenblik inviel, om het geheim van Diana en haren vader te -beveiligen--keerde ik naar hen terug, om hun van hetgeen door mij -gedaan was kennis te geven. Ik voegde er nog bij, dat ik den ouden -Syddall gelast had, zoo dikwijls ik riep, zelf te komen. Ik moest -wel vermoeden, dat zij alleen met zijn medeweten in het kasteel -verborgen waren. - -Diana sloeg de oogen op en bedankte mij voor mijne -voorzichtigheid.--»Gij zijt thans met mijn geheim bekend," zeide -zij. »Gij weet nu ook, hoe na en hoe dierbaar mij deze man is, die -hier zoo vaak eene schuilplaats heeft gevonden. Het zal u niet langer -verwonderen, dat Rashleigh, sedert hij meester van zulk een geheim was, -mij als met eene ijzeren roede beheerschte." - -Haar vader viel haar in de rede, en voegde er nog bij, dat zij mij -slechts eenige weinige oogenblikken tot last wilden zijn. - -Ik verzocht de vluchtelingen zich geheel aan mij toe te vertrouwen, -en overtuigd te zijn, dat ik alles aanwenden zou, wat in mijn vermogen -was, om hun veiligheid te verschaffen. Dit leidde tot eene nadere -mededeeling over den toestand, waarin zich Vernon en zijne dochter -bevonden. - -»Ik had steeds verdenking op Rashleigh," zeide hij. »Maar nu vervult -mij zijn gedrag jegens mijne hulpelooze dochter, dat zij mij slechts -na mijn lang aandringen bekende, en ook zijne trouweloosheid jegens uw -vader, met den innigsten haat en de diepste verachting tegen hem. Bij -onze laatste samenkomst, ontveinsde ik hem mijne gezindheid niet. Wat -ik trouwens uit voorzichtigheid wel had behooren te doen. Getergd door -de minachting waarmede ik hem behandelde, voegde hij bij zijne overige -misdaden nog zijn verraad aan de zaak, die hij omhelsd had. Toen hoopte -ik, dat dit geene gevolgen van eenig belang zou hebben. De graaf -van Mar had in Schotland een dapper leger, en lord Derwentwater, -Foster en anderen, brachten op de grenzen krijgsvolk bijeen. Ik -had uitgebreide betrekkingen met de Engelsche edellieden. Daarom -achtte ik het doelmatig, dat ik bij een korps Hooglanders bleef, -onder bevel van Mac-Intosh, dat zich op de grenzen met de Engelschen -vereenigde. Mijne dochter vergezelde mij op dien tocht, in weerwil -van alle gevaren en ongemakken. - -»En nimmer zal zij haar dierbaren vader verlaten!" riep Diana uit, -terwijl zij zich liefderijk aan zijn arm klemde. - -»Zoodra wij ons," vervolgde Vernon, »met onze Engelsche vrienden -vereenigd hadden, zag ik, dat het met onze zaak zeer slecht -stond. Het getal onzer manschappen verminderde, in plaats van te -vermeerderen. Niemand voegde zich bij ons, dan eenige aanhangers van -ons geloof. De volgelingen der Stuarts, die tot de bisschoppelijke kerk -behoorden, bleven meest allen besluiteloos. Eindelijk werden wij niet -verre van Preston door eene macht, waartegen wij niet bestand waren, -ingesloten. Gedurende een geheelen dag verdedigden wij ons dapper. Den -volgenden dag ontzonk echter onzen bevelhebber de moed, en zij besloten -zich over te geven. Had ik mij aan deze voorwaarden onderworpen, -dan zou ik mij zelf aan het schavot hebben overgeleverd. Ongeveer -dertig edellieden waren van hetzelfde gevoelen. Wij stegen te paard, -en namen mijne dochter, die volstrekt mijn lot wilde deelen, in het -midden van onzen kleinen hoop. Mijne tochtgenooten waren zoo verrast -door den mannelijken moed en door de kinderlijke liefde mijner -dochter, dat allen verklaarden liever hun leven te willen wagen, -dan haar achter te laten. Wij reden samen door eene lange straat -van Preston, naar eene moerassige weide aan de rivier de Ribble, -van welke één onzer de doorwaadbare plaats kende. De vijand had deze -streek niet sterk bezet, zoodat wij slechts eenige ruiters ontmoetten, -die wij op de vlucht dreven. Wij vervolgden toen onzen weg naar -Liverpool, waar wij scheidden, ten einde deze hier, gene daar, eene -schuilplaats te zoeken. Mijne gelukster bracht mij naar Wallis, waar -ik vele geloofsgenooten en staatkundige vrienden had. Ik kon echter -geen voldoende veilige gelegenheid vinden om ter zee te ontkomen, en -zag mij dus genoodzaakt, weder noordwaarts te trekken. Een beproefd -vriend had met mij afgesproken, om mij op deze plaats te ontmoeten, -en mij naar eene Schotsche haven te geleiden, waar een schip gereed -lag, dat mij voor altijd uit mijn geboorteland zou voeren. Voor het -oogenblik zochten wij een toevlucht in dit thans onbewoonde kasteel, -waar de oude Syddall, die reeds vroeger onze vertrouweling was geweest, -ons eene schuilplaats verleende. Ik koos eene kleeding, waarvan ik -mij reeds te voren met goed gevolg bediend had, om den bijgeloovigen -landlieden en den dienstboden ontzag in te boezemen. Zoo verwachtten -wij van dag tot dag, door Syddall het bericht van aankomst van onzen -nieuwen leidsman, toen uwe plotselinge verschijning in dit vertrek -ons noodzaakte, uwe deelneming in ons lot af te smeeken." - -Zoo eindigde Vernon zijn verhaal, dat mij als een droom voorkwam. Ik -kon bijna niet gelooven, dat Diana vóór mij stond.... Ach! hoe was -zij bleek en ter nedergeslagen! De moed, waarmede zij alle gevaren -getrotseerd had, was thans tot eene kalme, onwrikbare vastberadenheid -geworden. Haar vader kon zich niet onthouden, daarover nog een enkel -woord te zeggen, ofschoon de indruk, dien zijne loftuitingen op mijn -gemoed maakten, hem niet verborgen konden zijn. Het moest zelfs zijne -ongerustheid wekken, dat ik haar zoo vol liefde aanzag. - -»Zij heeft," zeide hij, »beproevingen ondergaan, die de geschiedenis -van eene martelares tot eer zouden strekken. Zij heeft gevaren en -dood in allerlei gedaanten met vasten moed onder de oogen gezien. Zij -heeft ontberingen geleden, waarvoor de sterkste mannen terugdeinzen; -zij heeft den dag in duisternis, den nacht met waken doorgebracht en -nooit eenige klacht laten hooren, nooit eenigen zweem van zwakheid -of ontmoediging verraden. Met één woord, mijnheer Osbaldistone! Zij -verdient, dat ik haar voor altijd wijde aan mijn God," ging hij -zich kruisende voort,--»als het dierbaarste en kostbaarste kleinood, -dat mij is overgebleven." - -Na deze woorden, welker droevige beteekenis ik maar al te goed begreep, -volgde een diep stilzwijgen. Ook thans scheen Diana's vader zich er -op toe te leggen, om mij alle hoop te benemen, juist zoo als hij bij -onze vluchtige ontmoeting in Schotland had gedaan. - -»Laat ons mijnheer Osbaldistone niet langer storen," zeide hij tot -zijne dochter: »hij is toch nu met den ongelukkigen toestand zijner -gasten, die hem om zijne bescherming smeeken, genoegzaam bekend." - -Ik verzocht hen dringend te blijven, en bood aan, liever zelf de -boekenkamer te verlaten. Vernon antwoordde, dat ik daardoor slechts -den argwaan van mijn bediende zou opwekken, en dat hunne schuilplaats -door Syddall's zorgvuldigheid van al de noodige geriefelijkheden -voorzien was. - -»Ja, als wij het noodig hadden geacht, zouden wij u hebben kunnen -ontwijken en verborgen blijven," zeide hij, »maar het zou heel -onbillijk zijn geweest, indien wij niet met de daad getoond hadden, -alle vertrouwen in uwe rechtschapenheid te stellen." - -»Uw vertrouwen is niet misplaatst," hernam ik, »hoewel gij mij niet -kent; doch freule Vernon zal gaarne getuigen, dat...." - -»Ik behoef haar getuigenis niet," zeide hij op zeer minzamen toon, -doch zichtbaar met de bedoeling om te verhinderen, dat ik mij zelf -tot zijne dochter zou wenden. »Ik weet, dat ik slechts goeds van -den heer Frans Osbaldistone mag verwachten. Vergun ons, dat wij ons -verwijderen. Wij moeten rust zoeken, zoo vaak wij kunnen, daar wij -volstrekt niet weten, wanneer wij tot voortzetting onzer gevaarlijke -reis zullen geroepen worden." - -Dit zeggende legde hij den arm zijner dochter in den zijnen, en met -eene diepe buiging verdwenen beiden achter het behangsel. - - - - - - - - - -HOOFDSTUK XXXIX. - - - Doch d' hand van 't ruwe noodlot trekt het gordijn omhoog, - Een vreemd tooneel verschijnt voor 't oog. - - Don Sebastiaan. - - -Ik was alleen, maar als 't ware bedwelmd, en daarbij moedeloos. Het -gemoed, dat gehecht is aan afwezige geliefde voorwerpen, geeft daaraan -niet alleen de schoonste vormen, maar ook zulke, waarin zij hen het -liefste ziet. Diana's beeld stond voor mijn geest, zoo als zij was, -toen haar afscheidstraan op mijne wang viel; toen haar geschenk, -dat ik door Mac-Gregor's vrouw ontving, mij haren wensch verried, -de herinnering mijner liefde naar de kloosterlijke eenzaamheid mede -te nemen. Ik zag haar, en hare koele onderwerping, die weinig meer -dan stille zwaarmoedigheid uitdrukte, verstoorde, ja beleedigde -mij. Mijne eigenliefde beschuldigde haar van onverschilligheid. Ik -verweet haren vader, trots, wreedheid, dweepzucht. Ik vergat dat -beiden hun goed en bloed, ja, Diana ook haar hart opofferde aan dat, -wat zij voor hun plicht hielden. - -Vernon was een ijverig Katholiek, die den weg des heils voor te eng -hield, dan dat een ketter daarop zou hebben kunnen wandelen. Voor Diana -was haars vaders veiligheid sedert vele jaren de eenige drijfveer van -haar denken, haar hopen, haar handelen. Zij meende nu haren plicht -vervuld te hebben, als zij niet alleen haar wereldlijk eigendom, maar -ook de dierbaarste neigingen van haar hart aan zijn wil opofferde. Het -was niet te verwonderen, dat ik op dit oogenblik niet in staat was, -al die waarlijk eervolle beweegredenen behoorlijk te waardeeren; -maar toch kon mijne misnoegdheid mij tot niets onedels verleiden. - -»Zoo, zoo, men versmaadt mij," zeide ik tot mij zelven, toen ik -Vernon's woorden overwoog--»men versmaadt mij. Men acht mij zelfs -onwaardig met haar te spreken. Goed, het zij zoo. Dat zal mij niet -beletten, voor hare veiligheid te zorgen. Hier zal ik de wacht houden, -en zoo lang zij zich onder mijn dak bevindt, zal geen gevaar haar -genaken, als de arm van een vastberaden man in staat is, om haar -te verdedigen." - -Ik riep Syddall binnen. Hij kwam, maar vergezeld van den lastigen -Andries, die, sedert ik bezit van het kasteel had genomen, van zijn -eigen gewicht vervuld was, en besloten scheen te hebben, niet te -verzuimen zich bij elke gelegenheid voorop te plaatsen. Maar zoo -als het dikwijls met baatzuchtige oogmerken gaat, het miste zijn -doel. Zijne oplettendheden verveelden en wekten afkeer. - -En nu werd ik door zijne, nu ongevraagde, tegenwoordigheid belet, -openhartig met Syddall te spreken. Ik durfde den ongeroepen getuige -niet wegzenden, uit vrees van den argwaan te vermeerderen, dien ik -misschien reeds wakker gemaakt had, toen ik hem zoo plotseling de -boekenkamer deed verlaten. - -»Syddall! Ik zal hier slapen," zeide ik. Ik gaf hem bevel om een -ouderwetsche rustbank wat dichter bij het vuur te plaatsen. »Ik heb -nog wat te doen, en zal dus eerst laat ter ruste gaan." - -Syddall, die mijn wenk scheen te verstaan, wilde mij een matras en -een bed geven. Ik nam zijn aanbod aan, en zond mijn bediende weg. Ik -beval hem mij den volgenden morgen niet vóór zeven uren te wekken. - -Toen ik alleen was, gaf ik mij geheel aan mijne sombere overdenkingen -over, wachtend op het oogenblik, waarop de uitgeputte natuur rust zou -eischen. Ik wendde alle pogingen aan, om mijne gedachten af te trekken -van den zonderlingen toestand, waarin ik mij bevond. Die gevoelens, -die ik, zoolang het voorwerp mijner liefde verwijderd was, dapper -bestreden had, werden thans weder meer geprikkeld. Ik was immers -dicht in de nabijheid van haar, van wie ik weldra voor altijd zou -gescheiden worden. Haar naam stond in elken regel van elk boek; ik -trachtte te lezen. Hare beeltenis trad voor mijne ziel, zoo dikwijls -ik aan iets anders wilde denken. - -Nu eens gaf ik mij aan deze gedachten over, dan weder trachtte ik ze -te bestrijden. Soms verloor ik mij in eene wegslepende weemoedigheid, -dan weder wapende ik mij met eene zekere fierheid, des te sterker, nu -zij zich door onverdiende minachting beleedigd gevoelde. Ik wandelde -de bibliotheek op en neer tot ik onder al die aandoeningen in eene -koortsachtige onrust was geraakt. Eindelijk wierp ik mij gekleed op -het bed. Maar te vergeefs trachtte ik in te sluimeren. Vruchteloos -hield ik mij, zonder een enkel lid te verroeren, doodstil. Ik poogde -den verontrustenden gedachtenloop te wijzigen, te verbannen, door -onophoudelijk zekere woorden te herhalen, of mij met een rekenkundig -vraagstuk bezig te houden. Mijn bloed vloeide als vuur door mijne -aderen, en mijn pols sloeg hevig. - -Ten slotte stond ik op, opende het venster en keek naar buiten -in den door de maan helder beschenen nacht. De koelte en zachte -stilte daarbuiten verkwikten mij, en deden den storm in mijne ziel -eenigszins bedaren. Toen ik mij weder ter ruste legde, gevoelde -ik mij kalmer. Weldra bekroop mij de sluimer. Maar het pijnlijke -gevoel van mijn toestand bleef mij steeds bij, ook in den diepen -slaap. Verschrikkelijke droomen folterden mij. Een van die ontzettende -droombeelden herinner ik mij thans nog zeer duidelijk. Ik bevond -mij met Diana in de macht van Mac-Gregor's vrouw, en wij zouden van -eene rots in zee gestort worden. Het teeken werd door het schot -van een kanon gegeven, hetwelk Vernon, in kardinaalskleeding, -liet losbranden. Nog op dit oogenblik zou ik het tooneel kunnen -afschilderen--de zwijgende, moedige onderwerping op Diana's gelaat, -de woeste, ijselijke gelaatstrekken der beulen, die met steeds -wisselend grijnzen van het gelaat rondom ons heendrongen. Ik zag -de harde, onbuigzame godsdienstdweeperij op het gelaat des vaders: -ik zag hem de lont opheffen. Het teeken des doods klonk, vele malen -herhaald door de echo der omliggende rotsen, en--ik ontwaakte uit -mijn ingebeelden schrik, om werkelijken angst te ondervinden. - -Want zie, ook wakende hoorde ik de geluiden, die mij in den droom -verschrikt hadden. Wel duurde het een paar minuten, eer ik mij -geheel herstellen en genoegzaam onderscheiden kon, dat er hevig aan -de voorpoort werd geklopt. Ontsteld sprong ik op, nam mijn degen -onder den arm en spoedde mij naar buiten, om iedereen den toegang te -beletten. Ik moest echter een grooten omweg nemen, omdat de bibliotheek -niet aan de voorzijde van het kasteel lag, maar op den tuin uitkwam, -waarvan de vensters op het voorplein uitzagen. Daar hoorde ik Syddall's -zwakke en benauwde stem in woordenwisseling met eenige ruwe mannen, -die, krachtens een bevel des rechters Standish en in naam des konings, -eischten binnengelaten te worden, en den ouden bediende met de zwaarste -straf bedreigden, als hij hun gehoorzaamheid weigerde. Plotseling deed -zich, tot mijn grootst verdriet, de stem van Andries hooren, die den -ouden Syddall beval ter zijde te gaan, en zelf de deur openen wilde. - -»Komen zij," zeide hij, »in 's konings naam, dan hebben wij niets te -vreezen. Immers hebben wij voor hem goed en bloed opgeofferd. Waarlijk, -wij behoeven ons niet schuil te houden als andere lieden, mijnheer -Syddall! wij zijn noch Papisten, noch Jakobieten." - -Vruchteloos snelde ik met verdubbelde schreden de trap af. De -dienstvaardige Andries schoof de grendels weg, terwijl hij -onophoudelijk op zijne en zijns meesters getrouwheid jegens den -koning roemde. Ik zag in, dat de gerechtsdienaren binnen zouden zijn, -eer ik de grendels weder vóór de deur kon schuiven. Ik stelde de -harde tuchtiging, die ik den voorbarigen kerel toedacht, uit, snelde -terug naar de boekenkamer, sloot de deur zoo goed ik kon, en klopte, -terwijl ik driftig bad om binnengelaten te worden, aan die, welke tot -Diana's en haars vaders kamer leidde. Diana opende de deur zelve: -zij was geheel aangekleed, noch onrust, noch vrees bezielde haar, -zij was uiterst kalm. - -»Wij zijn zoo vertrouwd met het gevaar," zeide zij, »dat wij er steeds -op voorbereid zijn. Mijn vader is reeds ontwaakt en bevindt zich in -Rashleigh's kamer. Wij spoeden ons naar den tuin, vervolgens door de -achterdeur naar het bosch.--In geval van nood, heb ik mij den sleutel -door Syddall doen geven. Niemand kent de wegen door het bosch beter -dan ik. Houd hen slechts een paar minuten op. En nu, waarde Frans, -nog eenmaal, vaarwel!" - -Zij verdween als eene geestverschijning, om zich met haar vader weg -te spoeden. Men klopte heftig op de deur en poogde ze met geweld te -openen, toen ik in de bibliotheek terugkwam. - -»Rooversgespuis!" riep ik, opzettelijk het doel van hunne -gewelddadigheid verkeerd uitleggende; »verlaat terstond dit kasteel, -of ik schiet op u, door de deur heen." - -»Gekheid!" riep Andries mij toe. »Het is immers mijnheer Jobson met -een gerechtelijk bevel...." - -»Ja mijnheer, ik heb bevel het kasteel te doorzoeken, tot het -aanhouden en arresteeren van zekere personen," hoorde ik den ellendigen -rechtsverdraaier zeggen, »zekere personen, genoemd en aangeduid in -mijn bevel van aanhouding, als schuldig aan hoogverraad, krachtens de -verordening uit het dertiende jaar der regeering van koning Willem, -in het derde kapittel." - -En hij klopte op nieuw met verdubbelde heftigheid.-- - -»Ik sta op," riep ik, om zoo veel mogelijk tijd te winnen. »Pleegt -toch geen geweld! Eerst moet ik uw bevel van arrest zien. Vind ik -het wettig, dan zal ik mij niet verzetten." - -»God zegene den grooten koning George!" zeide Andries. »Ik heb het -u immers gezegd, dat gij hier geene Jakobieten vinden zoudt." - -Ik draalde zoo lang mogelijk, tot ik mij eindelijk genoodzaakt zag om -de deur te openen, die men anders zeer zeker zou opengeloopen hebben. - -Jobson trad binnen, vergezeld van eenige handlangers, onder wie ik -denzelfden knaap opmerkte, dien Syddall bij mij verdacht had gemaakt, -en die waarschijnlijk de verklikker was geweest. Jobson toonde mij zijn -bevel van aanhouding, dat niet alleen Frederik Vernon, een overtuigden -verrader, maar ook Diana Vernon en Frans Osbaldistone, wegens het -niet aangeven van een hun bekenden verrader, betrof. Tegenstand zou -razernij geweest zijn, en nadat ik nog een paar minuten uitstel had -verzocht, gaf ik mij gevangen. - -Nu begaf Jobson zich tot mijn verdriet naar Diana's kamer, en ik -hoorde dat hij vervolgens, zonder zich te bedenken of te zoeken, naar -de kamer ging, waarin zich haar vader bevond, of ten minste zich ter -ruste had begeven.-- - -»Het wild is ontsnapt!" zeide hij, »maar het nest is nog warm. Onze -speurhonden zullen het wel spoedig bij den nek krijgen." - -Een angstkreet in den tuin overtuigde mij, dat hij gelijk had. Weinige -oogenblikken daarna trad Rashleigh met Diana en Vernon, als gevangenen, -in de kamer.-- - -»De vos," zeide hij, »kent zijn hol nog, maar hij heeft vergeten, -dat een schrander jager het dicht kan maken. Ik had de tuindeur -niet vergeten, edele lord Beauchamp, zoo als gij u toch gaarne hoort -noemen." - -»Rashleigh," antwoordde Vernon, »gij zijt een ellendige verrader!" - -»Dezen naam, mijnheer de ridder of mylord, verdiende ik vroeger, -toen ik onder de leiding van een bekwamen leermeester, de fakkel van -den burgeroorlog in een vreedzaam land trachtte te ontsteken. Maar -ik heb mijn best gedaan," vervolgde hij, met een blik ten hemel, -»om mijne dwalingen te herstellen." - -Ik kon mij niet langer bedwingen. Wel had ik mij voorgenomen zwijgend -toeschouwer te blijven. Maar ik gevoelde, dat ik spreken moest, -al was er de dood mee gemoeid. - -»Waarachtig!" riep ik, »ik geloof niet dat de hel een akeliger -duivelsgestalte heeft, dan die van laagheid en gemeenheid onder het -masker van huichelarij." - -»Aha, mijnheer en neef!" zeide Rashleigh, en nam eene kaars van de -tafel, om mij van het hoofd tot de voeten te bezien. »Van harte -welkom op het kasteel Osbaldistone! Dat ge boos zijt, kan ik u -licht vergeven. Het is zeker hard, zeer hard, eene geliefde en een -landgoed in éénen nacht te verliezen; want wij zullen van dit kasteel -en zijn toebehooren bezit nemen in naam van den wettigen erfgenaam, -Rashleigh Osbaldistone." - -Ik zag dat Rashleigh, terwijl hij op zulk een trotschen toon sprak, -spijt en schaamte gevoelde, maar onderdrukte. Ja, nog veel merkbaarder -werd die gemoedsstemming, toen Diana kalm tot hem sprak: »Rashleigh, -ik heb medelijden met u. Zeker, groot is het ongeluk, waarin gij -mij wildet storten. Het kwaad dat gij doet is veel. En toch kan ik -u niet zoo sterk haten als verachten. Wat gij thans gedaan hebt, -is het werk van eenige weinige oogenblikken. Maar gij zult er uw -gansche leven aan denken. Hoe? dat laat ik over aan uw geweten. Het -zal niet altijd sluimeren, het zal u martelen, lafaard!" - -Een paar maal ging Rashleigh met groote schreden de kamer op en -neer. Toen hij bij de tafel kwam, waarop de wijn nog stond, schonk -hij met eene bevende hand een vol glas in. Hij zag dat wij zijn -beven bemerkten. Hij kon dit met eene krachtige poging onderdrukken -en bracht, terwijl hij ons met een vast en driest oog aanstaarde, -het glas aan zijn mond, zonder een enkel dropje te storten. - -»Het is mijns vaders oude Bourgonje!" zeide hij, Jobson aanziende. »Het -doet me pleizier dat ik er nog wat van vind. Ik verzoek u, geschikter -lieden te benoemen, om in mijn naam voor het kasteel en mijn eigendom -zorg te dragen. Dezen ouden sukkel en dien Schotschen gek kunt gij de -deur wijzen. Intusschen zullen wij de gevangenen in verzekerde bewaring -brengen. Ik heb de oude familiekoets doen inspannen," vervolgde hij, -»ofschoon ik wel weet, dat onze waarde freule Vernon het ook te voet -of te paard in de nachtlucht zou kunnen doen, als maar de reis meer -naar haren zin was." - -Andries wrong de handen. »Ik zeide immers maar," stamelde hij, »dat -mijnheer zeker met een spook in de boekenkamer gesproken had--en die -ellendeling daar gaat een oud vriend verraden, die zoo vele jaren -elken Zondag uit één boek met hem tot God gebeden heeft!" - -Men liet hem zijn klaaglied niet eindigen, maar wierp hem met Syddall -het huis uit. Dit wegjagen bleef echter niet zonder gewichtige -gevolgen. Besloten, om zich naar een oud bekende in het dorp te -begeven, bij wien hij een nachtverblijf hoopte te vinden, had hij -juist de groote laan achter zich, en was op een stuk weiland gekomen, -toen hij plotseling eene kudde Schotsch vee ontmoette, die zich daar -voor dien nacht gelegerd had. De tuinier verwonderde zich daarover -niet; de gewoonte der Schotsche veehandelaars, om op deze wijze een -goedkoop nachtverblijf op de eerste de beste grasvlakte te zoeken, -was hem genoeg bekend. Maar hij werd niet weinig onthutst, toen een -Hooglander opsprong, hem beschuldigde, dat hij het vee gestoord had, -en hem niet verder wilde laten gaan, voordat hij met zijn baas zou -gesproken hebben. De Hooglander bracht den doodelijk ontstelden -man in een boschje, waar hij nog drie of vier van zijne landslieden -vond.--»Ik zag al heel spoedig," zeide Andries, »dat er voor eene -kudde veel te veel mannen waren, en aan hunne vragen merkte ik wel, -dat zij geheel iets anders op het oog hadden, dan zij voorwendden." - -Zij vroegen hem naar al, wat er op het kasteel voorgevallen was, -en schenen zeer bekommerd, toen zij zijn getrouw verhaal aangehoord -hadden. »Waarlijk," bekende Andries, »ik verzweeg niets aan mannen, -die met dolk en pistool gewapend waren." Daarop spraken zij zacht met -elkander en dreven eindelijk hun vee naar het einde der groote laan, -zoo wat tien minuten van het huis. Vervolgens sleepten zij eenige -gevelde boomen bijeen, die in de nabijheid in het rond lagen, en -maakten daarvan eene versperring op den weg. - -De dag begon aan te breken. Een flauw schijnsel in het Oosten -vermengde zich met het meer en meer verbleekende maanlicht. Men -kon alle voorwerpen reeds tamelijk goed onderscheiden. Het ratelend -geluid van eene koets, die door vier paarden getrokken en door zes -man te paard begeleid werd, deed zich in de groote laan hooren. De -Hooglanders luisterden opmerkzaam. In de koets zat Jobson met -zijne ongelukkige gevangenen. Het geleide bestond uit Rashleigh en -eenige andere ruiters. Nauwelijks waren wij de laan ten einde, of -het rijtuig werd opgehouden door het vee, waar tusschen wij reden, -en door de boomstammen. Twee ruiters stegen af, om de boomen uit den -weg te ruimen, die zij wellicht dachten, dat uit slordigheid waren -blijven liggen, terwijl de anderen met hunne sabels het vee wegjoegen. - -»Wat is dat? Wie waagt het daar ons vee kwaad te doen," riep eene -ruwe stem. »Schiet hem neer, Angus!" - -»Verraad!" riep Rashleigh. »Men wil hen bevrijden!" en schoot zijn -pistool af op den man die gesproken had. - -»Met de sabel er op in!" riep de bevelhebber der Hooglanders, en het -gevecht begon terstond. De gerechtsdienaars, geheel verbluft door -den plotselingen aanval, en over het algemeen niet al te dapper, -verdedigden zich slechts zwak, hoewel zij de overmacht aan hun kant -hadden. Eenigen van hen wilden naar het kasteel terugrijden, maar -toen zij ook daarin door verscheidene geweerschoten, die er van alle -kanten vielen, verhinderd werden, meenden zij geheel omsingeld te -zijn en vluchtten langs verschillende wegen. Intusschen was Rashleigh -afgestegen en vocht te voet woedend tegen den aanvoerder der bende. Uit -het portier der koets aanschouwde ik het gevecht. Eindelijk viel -Rashleigh. - -»Ik vraag u, wilt gij om vergeving smeeken in naam van God, van -Jakobus en van de oude vriendschap?" riep eene stem, welke ik maar -al te goed kende. - -»Neen, nooit!" antwoordde Rashleigh op vasten toon. - -»Zoo sterf dan, verrader!" riep Mac-Gregor en stiet den gevallene -het zwaard in de borst. - -Een oogenblik later stond hij aan het portier der koets. Hij hielp -Diana er uit en reikte haren vader en mij, bij het uitstijgen, de hand, -en rukte er toen Jobson uit, dien hij onder den wagen wierp. - -»Mijnheer Osbaldistone," zeide hij zacht, »gij hebt niets te -vreezen. Ik moet waken over hen, die in gevaar zijn. Uwe vrienden -zullen weldra in veiligheid wezen. Vaarwel! Denk aan Mac-Gregor!" - -Hij floot. Dadelijk schaarden zich zijne makkers rondom hem. Zij namen -Diana en Vernon in hun midden en verdwenen met hen in het bosch. De -koetsier had zijne paarden in den steek gelaten, toen het schieten -begon; maar de paarden, door de boomen belemmerd, bleven bedaard -staan, tot geluk van Jobson, die bij de minste beweging overreden -zou zijn geworden. Mijne eerste gedachte was, hem bij te staan. Want -hij was door den schrik dermate bedwelmd, dat hij buiten staat was, -zich zelven te helpen. Maar eerst riep ik hem toe, wel op te merken, -en zoo noodig te getuigen, dat ik noch eenig deel aan de bevrijding -der gevangenen gehad, noch zelf eenige poging aangewend had om te -ontvluchten. Toen gaf ik hem te kennen, dat hij zich naar het kasteel -kon begeven en eenige van zijne aldaar achtergebleven handlangers kon -roepen, ten einde de gekwetsten bij te staan. Maar Jobson was door -den schrik zoo verlamd, dat hij zich niet kon verroeren. Nu besloot -ik zelf te gaan, maar struikelde dadelijk over iets, dat ik eerst -voor een lijk hield. Het was Andries, frisch en gezond: hij had deze -houding verkozen, om de sabelhouwen en geweerschoten te ontgaan, die -elk oogenblik in allerlei richtingen vielen. Het verheugde mij zeer, -hem te vinden, zoodat ik niet eens vroeg hoe hij daar gekomen was, -maar hem terstond beval mij hulp te verleenen. - -De eerste die hulp behoefde was Rashleigh. Hij steunde zwaar, toen -ik hem naderde, en sloot de oogen, alsof hij zich voorgenomen had, -nooit weder te spreken. Wij droegen hem in de koets, en bewezen een -anderen gekwetste, die nog op den grond lag, gelijken bijstand. Met -moeite overreedde ik Jobson in de koets plaats te nemen, ten einde -Rashleigh te ondersteunen, en nu begaven wij ons terug naar het -kasteel. Eenige der vluchtelingen waren langs zijwegen daar al -aangekomen. Zij hadden de bezetting schrik aangejaagd door het -bericht, dat Rashleigh, Jobson en al die hen begeleid hadden, door -een hoop woeste Hooglanders in stukken gehouwen waren. Een dof gegons -als van een verontruste bijenkorf verkondigde ons de gejaagdheid in -het kasteel, toen wij ons in de nabijheid daarvan bevonden. Jobson, -die zich thans vrij wel hersteld had, kondigde zich met luider stem -aan. Hij was des te ongeduldiger, om uit de koets verlost te worden, -daar een van zijne handlangers zoo even naast hem aan de gevolgen -gestorven was, ten gevolge zijner wonden. - -Rashleigh leefde nog, maar was ook doodelijk gekwetst. Men bracht -hem in het kasteel, waar men hem in een leunstoel plaatste, terwijl -sommigen het bloed, dat rijkelijk uit de wonde vloeide, poogden te -stelpen en anderen bevalen, een heelmeester te halen. - -»Plaagt mij niet meer," riep de gewonde: »voor mij is geen hulp -meer. Ik sterf." - -Hij richtte zich in den stoel op, hoewel het doodzweet reeds zijn -voorhoofd bedekte, en zeide met eene vastheid van stem, die hem zeer -veel inspanning scheen te kosten: »Neef Frans, kom bij mij!" - -Ik naderde hem.--»Ik wilde u alleen maar zeggen," vervolgde hij, -»dat zelfs de doodsangst mijne gezindheid jegens u niet verandert. Ik -haat u!" riep hij met hevigheid. En wraakzucht deed het vuur in het -reeds brekend oog nog eenmaal ontvlammen. »Ik haat u met zulk een -onverzoenlijken haat, dat dood noch graf dien ooit kunnen uitwisschen." - -»Ik heb u daartoe geen reden gegeven," hernam ik. »Om uwent wil zou -ik u toewenschen, dat gij in kalmer stemming den dood tegemoet gingt." - -»Het is wel waar!--gij hebt mij wel reden,--gegronde reden -gegeven--u te haten," hernam Rashleigh hijgend. »Gij hebt mij -overal--gedwarsboomd,--in de liefde--op den weg mijner eerzucht--in -mijn eigenbelang--bij elke schrede--die ik doen wilde,--overal.--Ik -werd geboren--om het sieraad--van mijn geslacht te worden,--Wat -ben ik?--zijne--schande.--Dat--is uwe schuld!--Mijne erfenis--is de -uwe--welnu--neem haar,--neem haar!--De vloek--van een stervende--blijve -er--aan verbonden--vloek!" - -En met dit woord viel hij achterover in zijn stoel. Zijn oog brak, -maar op de ontzielde trekken zag men nog duidelijk het grijnzen -van den haat. Ik wendde mij van het afzichtelijke beeld af. Van -Rashleigh's dood heb ik niets meer te zeggen, dan dat mijn erfrecht -thans onbetwist was. Jobson moest zelf bekennen, dat de aanklacht -wegens het niet aangeven van een hoogverrader, alleen op Rashleigh's -verlangen was gedaan, ten einde mij uit het kasteel te verwijderen. Ook -dezen Jobson haalde de straf spoedig in. Hij werd van zijn ambt ontzet, -en hij verviel in armoede en sleepte een ellendig bestaan voort. - -Zoodra ik mijne zaken in orde had gebracht, keerde ik terug naar -Londen. Ik verliet gaarne eene plaats, die zooveel pijnlijke -herinneringen in mij opwekte. Lang was ik in angstige onzekerheid -omtrent Diana's lot, tot een Fransche koopman mij een brief van haar -bracht, waardoor ik omtrent haar en haars vaders veiligheid gerust -werd gesteld. - -Ik had reden uit den inhoud van dien brief de zekerheid te krijgen, dat -de plotselinge verschijning van Mac-Gregor en diens bende, volstrekt -niet toevallig was geweest. De Schotsche edellieden, die aan den -opstand deel hadden genomen, waren vooral er op bedacht, om Vernon's -vlucht te bevorderen. Als een oud, vertrouwd aanhanger der Stuarts, -zou hij zeer licht een groot gedeelte van den Schotschen adel met zich -in het verderf kunnen sleepen. Robbert, op wiens sluwheid en moed men -rekenen kon, werd gekozen, om Vernon's bevrijding te bewerken. Het -kasteel Osbaldistone werd als de plaats der bijeenkomst bestemd. De -onderneming gelukte volkomen. Vernon en zijne dochter vonden op eenigen -afstand van het kasteel paarden gereed, en kwamen, onder Robbert's -geleide, veilig in eene der westelijke havens, waar zij zich naar -Frankrijk inscheepten. Ook verhaalde de koopman mij, dat Vernon -door tering was aangetast, het gevolg van lijden en rampspoed, ja, -dat hij nauwelijks nog eenige weinige maanden zou kunnen leven. Zijne -dochter woonde in een klooster, waar zij volgens haars vaders wensch -later de gelofte zou afleggen. - -Toen ik deze berichten ontving, ontdekte ik mijn vader onbewimpeld den -toestand van mijn gemoed. Hij was wel onthutst bij het denkbeeld, -dat ik met eene Roomsch-Katholieke vrouw wilde huwen, maar hij -wenschte mij, voor mijn volgend leven, gelijk hij zich uitdrukte, -op een vasten voet ingericht te zien. En hij stelde het zeer op -prijs, dat ik met mijne ijverige deelneming aan zijne handelszaken, -hem mijne neiging als het ware, opgeofferd had. Na een kort beraad, -en na verscheidene vragen, die ik tot zijne tevredenheid beantwoordde, -zeide hij: »Nu, zou ik waarlijk nooit gedroomd hebben, dat mijn zoon -eigenaar van het kasteel Osbaldistone zou worden, maar nog minder, dat -hij zijne bruid uit een Fransch klooster halen zou. Welaan! ik geef -mijne toestemming. Eene zoo brave dochter, moet ook eene brave vrouw -zijn. Gij hebt, mij ten gevalle, in het kantoor gearbeid, Frans. Het is -billijk, dat ik u vrij laat in de keuze eener vrouw. God geve u geluk!" - -Waarde Tresham, hoe voorspoedig het met mijn aanzoek afliep, -en hoe spoedig ik het jawoord kreeg, dat is niet noodig u te -vertellen. Dat weet gij. Gij weet ook, dat ik lang en gelukkig met -Diana geleefd,--gij weet hoe ik haar beweend heb, toen ik haar door -den dood moest verliezen. Maar gij moet weten, hoe ten volle zij die -tranen verdiende, hoe edel zij was en hoe trouw! - -Mijne romantische avonturen zijn geëindigd. De latere gebeurtenissen -van mijn leven zijn u, mijn vriend, wel bekend. U, die met zooveel -deelneming de genoegens en de stormen, welke elkander in mijn -leven afwisselden, met mij gedeeld heeft. Vaak begaf ik mij naar -Schotland. Nooit heb ik den koenen Hooglander weder gezien, die op -mijne vroegere lotgevallen zulk een grooten invloed uitgeoefend had; -wel vernam ik van tijd tot tijd, dat hij zich voortdurend in zijn -gebied aan de bergachtige oevers van Loch-Lomond handhaafde, ja, -dat hij zelfs zooveel toegevendheid van den kant der regeering -genoot, dat hij de rol van beschermer van het graafschap Lennox -spelen kon. In die hoedanigheid hief hij eene soort van schatting, -welke hij even geregeld ontving, als andere grondeigenaars hunne -huurpenningen. Een bestaan zoo als hij leidde, zou men denken, moest -een gewelddadig einde genomen hebben, maar neen! op hoogen ouderdom is -hij een vreedzamen dood gestorven, in het jaar 1773. Nog steeds leeft -hij in de nagedachtenis zijner landgenooten voort als Robbert Hood -van Schotland, de schrik der rijken, maar de vriend der armen. Hij -was een man, die edele, achtenswaardige hoedanigheden van verstand -en hart bezat. Een minder dubbelzinnig bedrijf dan dat, waartoe het -noodlot hem veroordeeld had, ja, een eereambt in de wereld had door -hem vervuld kunnen worden. Hij bezat er gemoed en verstand voor. - -Mijn ouden Andries hebt gij als tuinier in het kasteel Osbaldistone -nog gekend. Die placht te zeggen: »Je kunt soms menschen in de wereld -hebben, die eigenlijk veel te veel slechts doen, om ze te zegenen, -en die toch veel te braaf zijn, om ze te vloeken." Robbert Roodhaar -was zulk een mensch. - - - EINDE. - - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Bedoeld is hier de zoogenaamde édition aux lettres vertes van dit -boek. Zij werd onder toezicht des schrijvers, te Sully gedrukt, met -de valsche opgave: Amsterdam, chez Aletinosographe de Clearetimelee -et Graphexechon de Pistariste, à l'enseigne des trois vertus (Geloof, -Liefde en Hoop) couronnées d'Amaranthe--zonder jaartal (maar het was -in 1610).--Vert. - -[2] Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd. - -[3] In September 1715. - -[4] 1714. - -[5] In 't begin der achttiende eeuw maakte de Regeering zich altijd -dadelijk van de paarden der Katholieken meester, als er eenige onrust -in het land was. Men veronderstelde altijd, dat zij op het punt waren -van deel te nemen aan een opstand, en ontnam hun zoo doende het middel -van vervoer. - - W. S. - -[6] Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering -van Eduard VI, Elizabeth en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd. - -[7] Als Vernon één woord is, beteekent het: Vernon is altijd groen -(frisch). Doch wordt Ver Non als twee woorden gelezen, dan is de -beteekenis: de lente is niet altijd groen. - -[8] Zoo noemt men het graafschap Fife. - -[9] Black-mail, eene soort van veiligheids-assurantie. - -[10] De Hooglanders noemen de zuidelijke Britten naar hunne voorouders, -de Angelsaksen, nog steeds Saksen, Saksenach, en de Engelsche en -Nederschotsche taal de Saksische. - -[11] Het wapen van den hertog van Argyle en anderen van den clan -Campbell. - -[12] De Hooglandsche naam voor Campbell. - -[13] Lochow en de omstreken waren het oorspronkelijke verblijf van -den stam Campbell. Deze uitdrukking was een spreekwoord. - -[14] Nog heden is die klaagzang onder het volk bekend, en wordt soms -nog gezongen. - - - - - - - -End of Project Gutenberg's Robbert Roodhaar, by Walter Scott and Gerard Keller - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ROBBERT ROODHAAR *** - -***** This file should be named 62728-8.txt or 62728-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/6/2/7/2/62728/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
