diff options
Diffstat (limited to 'old/61381-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/61381-0.txt | 2855 |
1 files changed, 0 insertions, 2855 deletions
diff --git a/old/61381-0.txt b/old/61381-0.txt deleted file mode 100644 index f3b83b8..0000000 --- a/old/61381-0.txt +++ /dev/null @@ -1,2855 +0,0 @@ - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 61381 *** - - - - - - DE BONTE WEI - - DOOR - - JAC. P. THIJSSE - - TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES - NAAR TEEKENINGEN VAN JAN VOERMAN Jr - EN JAN VAN OORT. - - - 1911 - - BAKKERIJ „DE RUIJTER” - DER FIRMA VERKADE & COMP. - ZAANDAM - - - - - - - - -VOORWOORD. - - -„DE BONTE WEI”, wat een heerlijk frissche klank! Wie, die zijn land -liefheeft, wordt niet bekoord door dezen titel van ons nieuwe album -voor 1911/12. - -Tooveren deze woorden u niet voor den geest een beeld van welvaart, van -typisch Hollandsch schoon, van zomerweelde? - -En als ge nu houdt van de wei als geheel, verlangt ge dan niet vanzelf -meer te weten van alles wat er leeft en bloeit? - -Nu reikt de heer Jac. P. Thijsse, met de heeren Jan Voerman Jr. en Jan -van Oort, u daartoe de helpende hand in „DE BONTE WEI”, en grijpt ge -die, dan zult ge u wéér met een gedeelte van ons mooie Nederland -vertrouwd voelen worden, genietend van de vrije uren buiten, uw -gezondheid en opgewektheid ten heil! - -Moge „DE BONTE WEI” hiertoe in ruime mate vrienden vinden bij oud en -jong! - - -Zaandam, Juni 1911. VERKADE & COMP. - - - - - - - - -I. DE JACHT OP DEN SPRIET. - - -Toen ik een jongetje was van een jaar of vier, waren de dieren buiten -nooit bang voor mij en ik ook niet voor hen. Wel lag ik ’s avonds in -mijn bed vaak te droomen van duivels en gedrochten, maar dat kwam door -de prenteboeken en door de verhalen van welmeenende ouders en vrienden. -Ook was ik er vrij zeker van, dat al die verschrikkelijkheden alleen -voorvielen in ver verwijderde landen of in ’t middernachtelijk uur en -zoo kuierde ik dan altijd welgemoed rond in onzen tuin, over de -fortwallen, of door de weiden. Wij woonden namelijk heel eenzaam in een -fort, dat ergens stond tusschen weiden en heiden. - -Soms ging ik met mijn broers, maar ook dikwijls alleen en dan had ik -natuurlijk de mooiste ontmoetingen. Ik kan mij niet herinneren, dat ik -expres uitging, om naar dieren en planten te zien (dat doe ik -tegenwoordig wel) maar het liep er toch altijd op uit, dat ik ging -zitten op een plekje, waar veel mooie bloemen stonden en dan kwamen -vanzelf allerlei leuke dieren tusschen het gras of op de bloemen te -voorschijn. - -Ik zie ze nog loopen, de groote gouden loopkevers, blinkend zwart van -onderen en met lange roode beenen, violette loopkevers (7), bronzen -loopkevers (8). Onzelievenheersbeestjes bij dozijnen liepen over de -wikken met de mooie blauwe bloemen. Een andermaal zag ik een groote -geel met zwarte wesp vechten met een groote groene bromvlieg en daar -stelde ik heel veel belang in, want ik had juist in een ouden „Mentor” -(een tijdschrift uit die dagen) een verhaal gelezen van een wesp, die -vocht met een vlieg. In dat verhaal heette die vlieg Esmeralda en ze -kwam er nog al goed af, want ze kon ontvluchten, nadat de wesp haar een -paar gaten in ’t lichaam gebeten had. Mijn vlieg evenwel was minder -gelukkig, want de wesp stak haar dood en droeg haar weg tusschen de -achterpooten. - -Er kwamen soms kleine koddige muisjes zonder ooren en ook wel groote -groene glinsterende hagedissen. Maar ’t mooist van alles was een groote -bruinachtige vogel. Die stak zijn kop uit ’t gras, trok hem weer terug, -stak hem weer uit, een eindje verder en kwam zoo schoksgewijze te -voorschijn. Toen stond hij daar op twee lange beenen en begon te -kraken: krèk-krèk—krèk-krèk. Ik zat maar stil te kijken en toen de -vogel zijn redevoering uit had, verdween hij weer tusschen de -grashalmen. Dat was de spriet of kwartelkoning (56), maar dat wist ik -toen nog niet. - -Tegenwoordig ken ik wel de namen van de meeste planten en dieren, die -je in ons land zoo gewoon zonder microscoop te zien kunt krijgen, maar -’t lijkt wel, of ik er lang zoo veel niet van zie, als in de dagen, -voor dat ik naar school ging. Zou er tegenwoordig minder wild gedierte -zijn dan vroeger, of ligt het soms aan mij? De album-vriendjes op het -platte land moesten mij daar eens iets van vertellen: Menno voor de -Achterhoek, Tjeert uit Zevenwoude, Guurtje van Heilo of Dirk van -Aarlanderveen. Voor de aardigheid zal ik dien eens vertellen, hoeveel -moeite het mij gekost heeft, om een spriet te zien te krijgen, toen ik -niet meer vier, maar veertig jaar oud was. - -Ik hoorde dat dier altijd op zomernachten, als ik met een laten trein -uit Amsterdam was gekomen en dan uit Haarlem wandelde naar mijn huis in -’t Bloemendaalsche park. Eerst hoor je dan nog ’t gerij en gerangeer -van treinen, want dat duurt dag en nacht, maar gaandeweg wordt dat -minder merkbaar en krijgen de nachtgeluiden van de natuur de overhand. -In de verte ruischt de zee, van den duinkant schalt het lied der -nachtegalen, in de wei roept af en toe klagend of droomerig de kieviet -en onophoudelijk kraakt en knarst daar onze spriet. - -’t Is niet makkelijk, dat geluid te beschrijven; ’t meest lijkt het nog -op den geleerden naam van ’t dier. Hij heet in de geleerde boeken -tegenwoordig „Crex crex” en als je dat eenmaal weet, dan lijkt het ook -werkelijk, alsof hij den heelen nacht en den heelen dag maar steeds -zijn eigen naam roept. „Crex, crex”, allebei de woordjes even luid en -even lang van duur (zoowat een halve seconde), dan een seconde rust, -dan weer „crex, crex” en zoo voort, soms een half uur achtereen. - -Er zijn wel menschen, die dat vervelend vinden, maar als je den vogel -van nabij kent en ook de omgeving, waarin hij zich ophoudt, dan denk je -daar wel anders over. - -Nu dan, ik wou en zou dien Bloemendaalschen spriet in levenden lijve -aanschouwen en liefst nog zijn nest vinden ook. Ik wist ’t echter bij -ervaring, dat het niet gemakkelijk is, in Mei of Juni de Hollandsche -weiden te betreden. Niet om de slooten of hekken, daar is altijd wel -raad op, maar de boer of zijn knechts zijn den heelen dag ter plaatse, -om je er af te jagen, en daar hebben ze groot gelijk aan. - -Nog onlangs had ik daar een gesprek over met een ouden landbouwer, nog -al een grappenmaker. „Weet je wat, mijnheer,” zei hij, „de dokters, die -moesten eigenlijk de kast in, wegens opruiing. Zoo gauw er iemand iets -mankeert en hij kan nog loopen, zeggen ze tegenwoordig: de patiënt moet -maar eens de wei in. En zoo krijgen wij troepen menschen in ons land, -die ’t vee verschrikken en den boel vertrappen, dat er geen maaien aan -is. Dat ze een bloemetje plukken, hindert niet, maar ’t vertreden van -’t gras geeft ons voor honderden guldens schade. Soms komt er een -meester met een heele school kinderen, dan weer een troep dames en ze -doen maar net of de wereld hun eigen is. Laat ze op de wegen en paden -blijven, daar groeit nog altijd meer, dan waar ze verstand van hebben.” - -Ik kon evenwel mijn spriet niet vinden, zonder de paden te verlaten en -moest dus met de betrokken pachters en eigenaars aan ’t onderhandelen. -Dat liep nog al mee, ik kreeg voor bepaalde dagen verlof, om tijdens de -morgenuren de velden af te loopen en zoo stond ik dan op een mooien -Juni-morgen met een gerust geweten tusschen gras en bloemen. - -Ik kon al dadelijk merken, dat ’t land nogal afgesloten lag en goed -bewaakt werd, want er nestelden heel wat vogels. Eerst was daar niet -veel van te zien; toen ik den hekdam over ging, hingen er alleen een -paar leeuweriken in de lucht te zingen. Maar ’t duurde niet lang of een -waakzame kievit (53) bespeurde onraad, hij vloog omhoog nu eens over -links, dan weer over rechts; zoo’n kievit schommelt haast altijd onder -’t vliegen. Hoe zenuwachtiger hij werd, hoe meer hij wiebelde en -eindelijk ging hij duikelen, of schermen, zooals het heet. - -Dan bedacht hij zich, vloog wat rustiger rond en toen opeens, „joech, -joech, joech” gingen zijn vleugels, kwam hij vlak op me af en snorde -rakelings voorbij. Intusschen waren er ook een paar tureluurs (55) -opgevlogen, de mooie steltloopertjes met de roode pooten en die vlogen -langzaam mee, een meter of tien hoog in de lucht, terwijl ze kort en -onrustig hun „tuut, tuut” lieten hooren. Ook was er een groote grutto -(59), die jammerde voortdurend: „grie-ta, o, grie-ta”. Je kon zijn -langen snavel zien trillen en onder het vliegen hield hij zijn -zwart-met-witten staart wijd uitgespreid. - -Dat was nu mijn eerewacht bij den tocht door ’t sprietenland: een -kievit, twee tureluurs en een grutto, en ik was er zeker van, dat aan -den overkant van de grenssloot een dergelijk gezelschap gereed stond, -om mij te begeleiden, wanneer ik zoover mocht komen. - -Als de beesten mijn bedoeling hadden gekend, dan waren ze rustig op hun -nesten gebleven. Nu schrikten ze de heele buurt op en er kwam ook al -een boerenknecht aanstappen, maar toen hij mijn verrekijker zag, ging -hij er weer van door. Die verrekijker is zoo een soort van vrijbrief. - -Zooveel als ik anders van grutto’s, kieviten en tureluurs houd, begon -ik ze nu reeds stilletjes een beetje te verwenschen, toen ik eindelijk -mijn spriet hoorde, nog al dichtbij en stellig wel in ’t zelfde stuk, -waar ik rondliep. - -Maar ’t is niet makkelijk, om enkel op ’t geluid af de plaats te -bepalen, waar een dier zich ophoudt. Als ’t een heel vreemd geluid is, -dan weet je echt niet, of ’t van recht, links, voor, achter, onder of -boven komt. Hier met de spriet wist ik, dat ik bij den grond moest -zoeken, want hij komt zelden of nooit boven ’t gras, maar dat hielp nog -niet veel. Ik luisterde eerst met ’t linkeroor, toen met ’t rechter -oor, toen met beide, daarna maakte ik een halve draai, luisterde nog -eens op dezelfde manier, hield ook rekening met den wind (die er -gelukkig niet was) en toen ik zeker meende te weten, waar mijn -schreeuwer zat, ging ik daar stilletjes op af, voetje voor voetje, -zonder den grond te schokken of in trilling te brengen. Op zulke -oogenblikken voel je verwantschap met Padvinder, Lederkous, den -Spoorzoeker, Chingangook en Winnetou. - -„Snars, snars”, zong mijn schriek, „grieta”, jammerde de marel, de -kievit zwoegde langs mijn ooren en de tuten schokten voort langs de -blauwe lucht. Een leeuwerik vloog op en die ging dadelijk zwieren en -tierelieren, alsof de heele zaak hem niet aanging, maar de waarheid -was, dat hij in doodsangst zat over zijn nest, dat ik op anderhalven -meter links van mijn linkervoet vermoedde. - -Ik kon mij daar echter niet mee bezighouden, maar schoof voetje voor -voetje voorwaarts. De slimmerd zat goed verborgen, want gras en kruiden -stonden op hun weligst en dit was opperbest hooiland. Ik kon nog -doorzien tusschen de hooge pluimen van de glanshaver, maar de roode -klaverbloesems stonden vlak tegen elkander en waar ze nog een plaatsje -overlieten, daar sloten de groene klaverblaadjes dicht ineen of -vlochten de smalle bladeren van gras en orchis een ondoordringbaar -gordijn. Alleen waar veel ruige weegbree (88) groeide, kon de blik wat -dieper doordringen, want die plant legt zijn bladeren vlak tegen den -bodem en heeft ijle, onbebladerde bloemstengels. Daar kon je dan schuin -tusschen de grashalmen door een stukje van den donkeren weidegrond -zien. Menigeen, die de bonte wei ziet stralen en pralen in de zomerzon, -beseft niet, hoe donker het op den grond zelve onder al die bloemen en -bladeren wezen moet. - -Prettig, dat ’t niet woei. Want nu meende ik, dat ik aan de grastoppen -zou kunnen zien, of mijn spriet zich verplaatste. Ik gaf dan ook goed -acht, of de fijne bloempakjes van het beemdgras zich ook soms bewogen, -of er trilling kwam in een zuringtop, maar er was niets te bespeuren. -En juist toen ik meende, dat ik ’t fijne kopje van den vogel tusschen -gras en kruiden zou kunnen onderscheiden, hoorde ik hem roepen, stellig -wel vijftig meter vlak achter mij. Hij was in een grooten kring om mij -heen geloopen, zonder dat ik er iets van bespeurd had en dat in minder -dan een minuut, want langer had hij niet gezwegen. - -Nu wist ik wel, dat zulke dingen mij te wachten stonden, want ik had -vroeger een spriet zoogenaamd in gevangenschap gehad. Dat wil zeggen, -ik stopte hem in een kooi, maar een kwartier later was hij al weer -weggeloopen, hoe nauw de tralies ook aan elkander stonden. - -Ik heb eens een verhaal gelezen van een ridder, die ergens in een kerk -begraven ligt. ’s Nachts om twaalf uur gaat hij spoken, eigenlijk niet -hij zelf, maar zijn steenen beeld, dat boven op zijn graftombe ligt en -dat zich bij die gelegenheid zoo dun maakt als een velletje postpapier -om tusschen de tralieën van het koorhek door te komen. - -Zoo iets doet de spriet ook. Hij heeft maar een heel smal borstbeen en -nu kan hij zijn ribbekast zoo inhalen dat zijn lichaam smaller wordt -dan zijn kop en als die dan ergens door is, dan volgt de rest van zelf. -Maar al weet je dit nu precies, dan moet je er je nog over verwonderen, -dat hij door ’t dichte gras kan hollen zonder merkbare beweging. Ik -begon maar weer van voren af aan en altijd was hij mij te gauw. Toen -herinnerde ik mij mijn kinderjaren en ik besloot, midden in de wei een -half uurtje stil te gaan zitten tusschen de klaver en de orchideeën; -meteen kon ik dan uitkijken naar insecten op de bloemen. Dat viel ook -al weer niet mee, ik kreeg niets te zien, dan een paar honigbijen op de -witte klaver (74), de orchideeën stonden te vergeefs te pralen, de -roode klaver (73) verspreidde zijn geuren zonder een enkelen hommel te -lokken. De schriek riep nu eens van links, dan weer van rechts, hij was -nog heel druk, al liep het ook tegen den middag. Eigenlijk roept hij ’t -meest in den voornacht en den nanacht (dus weinig om middernacht), maar -ik heb hem wel gehoord op alle uren van den dag en van den nacht. - -Toen ’t stil zitten mij begon te vervelen, ging ik ’t nog wat fijner -aanleggen. Je ziet ook veel in de velden, als je rustig de een of -andere bezigheid verricht. Indien de veldarbeiders eens alles konden -vertellen, wat er al zoo tijdens hun werk te zien en te beleven valt, -dan zou onze kennis van de levende natuur een heel eind opschieten. - -Wat voor werk zou ik ter hand nemen? Wel, daar stond op een plek een -heel partijtje van den grooten gelen ratelaar (85) en ook hooger op wat -roode oogentroost (87). Die planten zijn halve woekerplanten, ze hebben -heel fijne zijworteltjes die met zuigplakjes vastzitten op de wortels -van ’t gras en daaraan dan het voedsel ontstelen. Dat is bijzonder -aardig om te zien, maar ’t lukt niet gauw, want die zijworteltjes zijn -zoo fijn, dat ze bij ’t hanteeren van de ratelaar- of -oogentroostplantjes dadelijk losgescheurd worden en dan zijn ze -tusschen de aarde niet gemakkelijk meer te vinden. Ik stak nu een paar -polletjes uit van ratelaar + gras en oogentroost + gras en ging die aan -den slootkant geduldig zitten uitspoelen. Dat was een heel goede inval. - -Al dadelijk had ik het genoegen, dat de kieviet, de grutto en de -tureluurs tot rust kwamen. De leeuwerik bleef nog zingen, maar nu -werkelijk voor zijn plezier: een keer drie minuten, een keer zeven -minuten en een keer één minuut. Sommige menschen meenen, dat zoo’n -leeuwerik wel een half uur achtereen in de hoogte staat te zingen, maar -als je dat eens nagaat met ’t horloge in de hand, dan krijg je heel -andere uitkomsten. - -Er ging nog een ander vogeltje zingend de lucht in, dat hield het niet -langer uit dan een halve minuut. Dat was de graspieper (50), een -diertje, dat wel op een leeuwerik lijkt, maar hij is meer groenachtig, -heeft een slanker lichaam en ook een fijn snaveltje. Hij klimt als ’t -ware langs een rechte lijn schuin omhoog, steeds fluitend en als hij -een meter of twintig gestegen is, dan daalt hij langzaam neer met -uitgespreide vleugels en staart „en vol plané”, aldoor allerliefst -fluitend. - -Nergens komen leeuwerikken en graspiepers in zoo groot aantal voor als -op onze Noordzee-eilanden. Op Texel heb ik daar eens iets bijzonder -aardigs mee beleefd. Daar was in een polder een zilt grasveld en daar -groeiden natuurlijk weer heel andere planten dan in de gewone weiden. -Het zag er niet wit van de madeliefjes, maar op sommige plekken wel -rood van het Engelsch gras of strandkruid (16) en op kale slikkige -plekken groeide veel zeespurrie (28) met mooie rose sterrebloempjes. - -Men had er ’t gras gemaaid en ingezameld, maar er waren kleine prakjes -blijven liggen, dat waren nu bruinachtige hooimassa’s op het -donkergroene kleed. En onder die hooipruikjes hadden nu de graspiepers -hun nestjes gemaakt, daar ze op het vlakke veld geen beter bescherming -tegen den guren Noordooster konden vinden. In minder dan geen tijd -hadden we een half dozijn nesten gevonden, elk nisje had zijn heilige. -En buitengewoon aardig was het, toen op een afstand te gaan liggen met -den kijker. De vogeltjes keerden terug op hun nest en je zag de zwarte -kraaloogjes vlak over de onderdeur kijken. Het was, om zoo te zeggen, -een heel kampement van graspiepers. - -Als zich in de Wadden of de Zeeuwsche stroomen een nieuw eilandje vormt -en een slibbank achter een zandwal met gras begroeid raakt, dan is de -graspieper de eerste zangvogel, die de nieuwe weide koloniseert. Daarom -houd ik zooveel van hem. - -Ik zat nu al een kwartier te spoelen en er was ook al heel wat gebeurd. -Behalve de leeuwerikken en de graspiepers had ik nog een klein zwart -monstertje gezien, dat de sloot overzwom: een waterspitsmuis, nog al -een rakkerd, want als hij geen insecten genoeg kan vinden, om zijn -eeuwig durenden honger eenigszins te bevredigen, dan doet hij zich te -goed aan eieren en jonge vogels. - -De spriet riep nog van tijd tot tijd. Ik had nog lang niet al de aarde -uit de wortels weggespoeld. Die grassen maken onder den grond zooveel -stengels en zijtakken, dat ze door elkander heen groeien tot een waar -vlechtwerk. Uit die stengels ontspringen ontelbare worteltjes, die -buitengewoon stevig de aardkorreltjes vasthouden en zoo vormt dan de -heele grasmassa van de wei een samenhangend geheel, dat men de graszode -noemt. De andere planten moeten nu maar zien, dat ze met hun wortels in -of onder die zode ook nog een plaatsje vinden, en wie daar niet in -slaagt, kan in de wei niet aarden. - -De ratelaar, de oogentroost (86) en het kartelblad (85) hebben het -makkelijk genoeg, want hun zitten de graswortels niet in den weg, -integendeel. Hoe meer wortels, hoe liever, des te vlugger kunnen ze een -voldoenden voedselvoorraad bijeenstelen en dan behoeven hun -zuigworteltjes niet zoo bijzonder dik te zijn. En juist door die -dunheid breken ze zoo spoedig af en is het zoo moeilijk, er iets van te -zien te krijgen. - -Ik weet niet of er onder de duizenden albumlezers wel veel zijn, die -zich de moeite willen getroosten, om eens de een of andere van die -„half-parasieten” uit te spoelen. Je moest het heusch eens probeeren. -Vroeg of laat echter ga je ongeduldig worden en trekken aan den -ratelaar zelf en dan is ’t meteen mis, want al de zuigworteltjes breken -af en je staat dan nog al onnoozel te kijken naar het kale karige -wortelstelletje, dat onder aan die plant zit. Wie het goed ten einde -brengt, moet gras met woekerplant voorzichtig drogen en bewaren, ’t is -iets waar je grootsch op kunt zijn, ik geloof niet, dat er op ’t -oogenblik tien jongens of meisjes in ons land zijn, die zoo iets in hun -plantenverzameling hebben. - -Wel, met mijn spoelerij liep het ditmaal ook weer mis. Ik gooide den -heelen boel in de sloot en stapte op, om naar huis te gaan. De spriet -zat sarrend te roepen ergens, naar ik oordeelde, in een plekje vol -bloeiende orchideeën. - -Juist toen ik de wei ging verlaten, kwam daar een spoorwegarbeider aan, -die ook belang in den spriet stelde, doch niet vriendschappelijk. Hij -had zich nu eenmaal in het hoofd gezet, dat hij een hekel aan het dier -had, omdat zijn geroep hem niet beviel en mij wel te kennen gegeven, -dat hij loerde op een gelegenheid, om dien vervelenden schreeuwleelijk -een stuk steenkoolslak naar zijn kop te gooien. - -Hij had juist vrij en toen hij hoorde, dat ik er op uit was, om den -spriet te zien te krijgen, bood hij aan, om mij te helpen en toen -gingen wij er samen op los: liefde en haat. Ik hoopte stilletjes, dat -juist door die jacht de haat van den spoorwegman in liefde zou -verkeeren en dat is mooi uitgekomen ook. We jaagden den vogel ruim een -half uur, nu eens voorzichtig sluipend, dan weer hollend en dravend. -Wij raakten aardig opgewonden en de spriet ook, want die liep eenmaal -pardoes uit ’t gras tegen den baggerwal langs den slootkant op en stond -daar toen uit alle macht te kraken. - -„Wat een klein mormel”, zei de spoorwegman, maar ik hoorde al -liefkoozing in zijn ruwe uitdrukking. We hadden ons doel bereikt en -gingen tevreden heen. Of de spriet tevreden was, dat zou ik niet durven -zeggen, in ieder geval had hij een goede oefening gehad. En geschaad -heeft ’t hem niet, want hij heeft er een vriend door gewonnen. De -spoorwegman wist mij zelfs te vertellen, dat hij later een troepje van -kleine zwarte vogeltjes langs den slootkant heeft zien hollen en dat -kunnen niet anders geweest zijn dan de jonge sprietjes. Hij had er echt -schik in. - -Het vinden van een sprietennest is altijd een meevallertje. Het ligt -diep onder ’t gras, de grashalmen zijn er over heen gebogen. Zoo als ’t -bekende versje zegt: „In Mei leggen alle vogeltjes een ei, behalve de -kwartel en de spriet, die leggen in de Meimaand niet” wacht onze vogel -met broeden, totdat hij in de hooge Junigrassen een veilige nestplaats -vindt. - - - - - - - - -II. PALMPASCHEN. - - -Als in Februari de kievieten van hun korte winterreis terugkeeren in ’t -weiland, dan ziet het er veel minder frisch uit, dan toen zij het in -den voorwinter verlieten. De oude grasblaadjes zijn allemaal wit -geworden en liggen geplakt tegen den natten grond. Hier en daar groent -wat mos, doch meestal is dat zelf weer overdekt met duizenden -roodbruine draadfijne stengeltjes met sporendoosjes er bovenop. Enkele -verwaaide madeliefjes met bleekgele hartjes en waterige witte -lintbloempjes vertoonen zich langs den greppelkant, maar zij lijken eer -te behooren tot den ouden herfst dan tot de nieuwe lente. - -Sneeuwklokjes bloeien in onze weiden niet, dat zijn eigenlijk niet -anders dan gekweekte tuinplantjes en als je ze vindt langs dijken en -wegen, dan zijn ze weggeloopen uit de boerentuintjes, met rommel op den -dijk gebracht, misschien ook uit aardigheid door een kind daar geplant. - -De kievit kent den tijd van ’t jaar echter aan nog andere dingen dan -aan de kleur van ’t gras. Hij ziet de spreeuwen (52) in hun donker -voorjaarskleed, dat, even als ’t zijne, schittert in alle kleuren van -den regenboog; hij hoort de leeuwerik zingen hoog in de lucht en toen -hij onder de grasstengels rondpikte naar kleine grauwe slakjes, heeft -hij gezien, dat onder het grauwe gras de wei al heelemaal groen is, de -jonge spruiten behoeven nog maar een halven centimeter hooger te komen, -dan is de lente in het land. Het eene jaar gebeurt het wat vroeger dan -’t andere, maar midden Maart is de zaak toch meestal in orde. - -Het eerst komen aan de beurt de zonnige plekjes en de greppelkanten, de -zuidhelling van den dijk, de noordoevers van de slooten. Wij hadden -vroeger een hekdam, die liep precies oost-west en had dus een -zuidhelling en een noordhelling. Welnu, de plantengroei aan beide -kanten van dien dam verschilde zoo, dat we de eene helling Nizza en de -andere Sewerowotstotsnoj noemden. Op den laatsten naam waren we niet -weinig grootsch en nieuwe vrienden moesten gemiddeld een half jaar in -hun Atlas snuffelen, eer ze recht wisten, wat er mee bedoeld werd. - -Wat hebben we daar op Nizza heerlijke uren doorgebracht. De sloot -leverde een onuitputtelijken voorraad waterdieren. Het oeverrandje, dat -vol lag met kleine brokjes riet en rommel, was al warm en droog, nog -voordat het ijs uit ’t water was verdwenen en dan kwamen daar -goudbronzen oeverkevertjes rondloopen, pas uitgebroken uit hun -winterverblijf. - -Zoo’n kever-overwinteringshol vonden we eens tegen den hekpaal, twee -decimeter diep onder den grond. We waren te weten gekomen—ik weet -waarlijk niet hoe—dat je in den winter aan zuidkanten van boomen en -palen onder den grond heele regimenten kevers kon vinden, die daar -gezellig overwinteren. Nu leken ons de hekpalen van Nizza al zeer -bijzonder voor dat doel geschikt. Wij aan ’t graven en jawel hoor, we -vonden een heele kluit van kevers, allemaal loopkevers, van die lange, -slanke torren met ranke pooten: een veertigtal van vier verschillende -soorten. - -Daar had je de groote groene gouden loopkever, de vriend mijner jeugd, -dan nog een heel donkergroene met zes rijen koperen knoopen op zijn -rug, waar ik later nog wel eens van hoop te vertellen, dan nog een iets -kleinere groenbronzen (8) met allerlei strepen en kettinkjes over zijn -rug en eindelijk nog een heel donker violette (7). Van de beide laatste -waren er ’t meest, die komen dan ook trouwens ’t meest algemeen voor. - -Ik mag hier wel even tusschen twee haakjes zeggen, dat de keverkundigen -bij de woorden „goud” en „brons” aan andere kleuren denken dan aan -gouden tientjes of bronzen centen. In de gauwigheid kan ik dat niet zoo -precies beschrijven, ’t best is maar, dat je probeert die kevers zelf -te pakken te krijgen, dan snap je meteen de bedoeling. - -De buit, die wij in Nizza behaalden, werd behoorlijk verdeeld en ik -stopte mijn portie in de brandspiritus. Nog al met een gerust geweten -ook, want ik meende, en ik geloof wel, dat ik gelijk had—dat in hun -winterverdooving die dieren niet zoo’n ergen doodstrijd zouden hebben. - -Voor iemand, die juist in ’t drukst van ’t aanleggen van verzamelingen -was, had zoo’n vondst natuurlijk heel wat te beteekenen. Alles ging in -een groote stopflesch, die bij ons thuis om de kleur van de spiritus en -om ’t donkere rommeltje op den bodem schertsend de trekpot werd -genoemd. ’s Avonds, of als ’t slecht weer was, vischte ik uit die -trekpot al mijn dieren weer op en dan werden ze netjes opgezet met de -pooten mooi in de loophouding en de sprieten recht vooruit. Een aardig -geduldwerkje, vol verrassingen. Soms had je met negen spelden alles -kant en klaar, een andermaal waren de pooten zoo weerbarstig, dat er -zes spelden noodig waren, om er één behoorlijk op zijn plaats te -krijgen. - -Wat heb ik een pleizier gehad van dat verzamelen. Ik had van alles: -planten, insecten, schelpen, steenen, versteeningen, krabbenpooten, -verdroogde zeesterren, alles wat maar buiten te verzamelen was. Van -heel veel dingen wist ik de juiste namen niet, maar heel veel kwam ik -te weten uit een Duitsch boek, dat ik in ’t begin maar half begreep en -voor een paar kwartjes gekocht had op een oude-boeken-stalletje. Later -kreeg ik hulp van alle kanten, maar die eerste tijd was toch de -leukste, allemaal vinden en ontdekken. - -Natuurlijk tastte ik vaak mis. Door het onoplettend lezen van eene -beschrijving kwam ik er toe, om een paar jaar lang het roodstaartje te -betitelen met den naam van goudvink, maar dat kwam later wel terecht. -De tegenwoordige jongelui hebben het heel wat makkelijker dan wij in -onze jeugd, maar daarvoor wordt er ook al weer heel wat meer van hen -gevergd. - -Maar we zouden Nizza heelemaal vergeten, ons toevluchtsoord in Maart. -Het eerste bloempje, dat er bloeide, was ’t klein hoefblad (11, 15) en -als dat in de warme zon zijn stralen uitspreidde, dan kwamen er uit den -grond ook al dikke paarse proppen te voorschijn, die aan hun top -openbarstten en daaruit verrees dan de bloeistengel van het groot -hoefblad (13, 14). - -De aanwezigheid van die twee planten maakte, dat er haast geen gras op -dien dam groeide, want in den zomer werd er de grond geheel -overschaduwd door de groote bladeren van die planten, want je kunt de -bladeren van klein hoefblad ook gerust groot noemen. Die van het groote -zijn toch nog altijd weer viermaal zoo groot en zijn ook gemakkelijk te -kennen aan den mooien stijven rand, die ’t begin van de bladschijf -steunt en niets anders is dan een dikke zijnerf. - -Wij vonden het klein hoefblad aardiger dan het groot; het leefde zoo -echt met de zon mee. Bij donker weer bleven de kopjes dicht, maar als -de zon te voorschijn kwam, dan zag je binnen enkele minuten de gele -straalbloempjes omslaan naar buiten en dan gingen ook de kleine -bekervormige bloempjes open, die het hartje vormen. - -Dan kwamen vliegen, hommels en vlinders opdagen en dan was ’t aardig, -om te zien, hoe die hun zuigsnuiten in de bloempjes staken: de vlieg -een dik rond slurfje, de hommel iets dat wel leek op een blinkend mes -en de vlinder een dun zwart draadje, dat hij allerkoddigst kon knikken -en krommen. - -Het groot hoefblad kreeg veel minder bezoek dan ’t klein en later in ’t -jaar had het ook lang niet zulke mooie vruchtjes. Dan prijkt het kleine -hoefblad met een mooi pluishoofdje, veel zachter en zijiger dan dat van -de paardebloem. Wie ’t wil nasnuffelen kan zien, dat die pluisvruchtjes -alleen afkomstig zijn van de stralende lintbloempjes, de mooie -bekerbloempjes middenin dienen alleen, om stuifmeel voort te brengen. - -Soms kwamen er ook hoefbladbloempjes te voorschijn binnen het hek, op -de wei zelf, maar dan kwam al heel gauw de boer opdagen, om ze uit te -spitten. Hij hield meer van gras in de wei en was ook al lang van plan, -die hoefbladplanten van den hekdam uit te roeien, want van daar woei -natuurlijk ’t zaad in de wei en ook maken ze lange uitloopers onder den -grond, die met plezier onder een hek doorkruipen en wijd en zijd de -buurt onveilig maken. Gelukkig kon hij er nooit den tijd voor vinden en -zoo bleven wij in ’t bezit van onze mooie bloemen. - -In de wei zelf was in ’t heel vroege voorjaar niet zoo heel veel te -vinden. Schuins links achter het hek had je eerst een geheel kale plek, -waar ’t paard altijd stond te mijmeren in zijn vrijen tijd. Daarachter -lag het ruime veld met grijs oud gras met jonge sprietjes en met -allerlei klein goed, dat later bloeien zou en dat alles min of meer -pimpelpaars zag van de zon, het voorjaar en de lage temperatuur. - -Het meest frisch zag nog de ruige veldkers (20) er uit, een verwant van -de zoozeer beroemde en geliefde pinksterbloem (37). Deze ruige veldkers -is meestal heelemaal niet ruig, maar gladjes en groen en hij bloeit ook -al heel vroeg, tegelijk met ’t hoefblad, met heel bescheiden witte -kruisbloempjes. - -Zulke kruisbloemen of cruciferen behooren in hun bloem zes meeldraden -te hebben, vier lange en twee korte, maar die ruige veldkers schijnt -geen tijd en gelegenheid te hebben, om ze alle zes te fabriceeren en -vergenoegt zich dus in den regel met vier. - -Hij slaagt er meestal in, mooi weer of geen mooi weer, om zijn lange -hauwvruchten te rijpen. Dat gebeurt dan in Mei en Juni en dan hebt ge -zooveel aandacht noodig voor al de andere duizenden planten en dieren, -dat ge dit nederig voorjaarsplantje allicht vergeet. Toch moet ge hem -dan nog eens opzoeken, en even de rijpe hauwen aanraken aan hun punt. -Dan springen ze met een ruk uit elkander en de kleine zaadjes worden -weggeslingerd tot wel drie of vier meter ver; dat moet ge bij -gelegenheid maar eens zelf nameten. - -De ruige veldkers is dus de voorlooper van de pinksterbloem en zoo -mogen we de klimopbladige eereprijs (25) beschouwen als de voorlooper -van de beroemde blauwoog, de gamander-eereprijs, die we in Mei zullen -vinden. - -’t Is anders niet zoo ineens te zien, dat die klimopbladige behoort tot -zoo’n doorluchtig geslacht. Alleen als je een van de bleekblauwe -bloemkroontjes, die zoo gemakkelijk afvallen, terdege bekijkt, ontdek -je de twee meeldraadjes, die hun voornaamste kenmerk uitmaken. De -stengelbladeren vertoonen den echten klimopvorm, dus de naam is goed -gekozen. - -Dit kleine eereprijsje groeit niet in ’t dichtst van de wei, maar op -verwaarloosde plekken en langs heggen en boschkantjes, waar hij zich -heel gelukkig gevoelt in gezelschap van paarse doovenetel, sterremuur, -kruiskruid en meer dergelijk gespuis. - -Evenals al die andere is hij een echte snelgroeier en niet bang voor -een beetje kou of barheid. Midden in den winter ontkiemen de zaadjes -al, zoodat begin Maart de bloempjes al voor den dag kunnen komen. - -Toch blijft de wei de heele Lentemaand door nog stug van uiterlijk, -slechts gaandeweg wordt ’t beter en als ’t eerste kievietsei eenmaal -gevonden is, begint het er aardig uit te zien. - -De groote groene donkere proppen, die dotterbloemen (1) zullen worden, -beginnen zich te ontrollen en gaan er werkelijk uitzien als stengels -met bladeren. De stengelstukken zijn in ’t eerst nog wel kort, maar de -bladeren vertoonen al hun mooien niervorm. ’t Is een lust te zien, hoe -mooi ze geaderd zijn en gekarteld langs den rand. Midden in elk -karteltje zit een wit plekje en daar eindigt ook een ader of nerf in. -Al die witte plekjes zijn een soort van zweetkliertjes, die helpen de -bladeren om het overtollige water weg te krijgen. - -De eerste dotterbloem-bloem (2) vind ik ook nog in Maart, de laatste -nog in Juni en elk jaar zijn er ook weer van die dotters, die op ’t -eind nog weer eens in bloei komen en het uithouden tot laat in October. -Toch blijft Palmpaschen de mooiste dotterbloementijd, tegelijk met den -mooisten bloei van de waterwilgen. - -Alles is dan geel in de wei en ’t is volkomen in den haak, dat dan ook -in groot aantal de gele kwikstaartjes (109) aankomen, mooie, vlugge -vogeltjes met lichtblauwe kopjes, keel en borst zoo geel als van een -kanarie en de staart, zooals alle kwikstaarten die hebben, lang en bont -en bewegelijk. - -Ze komen aan in kleine troepjes; ’t is zeer goed mogelijk, dat elke -troep bestaat uit een of meer gezinnen van ’t vorig jaar, die bij -elkander zijn gebleven en al dien tijd elkanders lief en leed hebben -gedeeld. Ook nu blijven ze nog geruimen tijd bijeen, insecten zoekend -op en tusschen de schapen, krijgertje spelend in ’t gras of pronkend op -den zwarten bagger langs den slootkant. Daar zie je ze dan op hun -mooist. - -Over een poosje maken zij hun nest, ook alweer verborgen onder ’t gras -in holten langs greppelranden en heel moeilijk te vinden. Er liggen tot -vijf of zes grijsbruin-gevlekte eieren in. - -Eens heb ik er een gevonden bij ’t zoeken naar viooltjes. Als ’t Maart -werd, dan gingen wij jongens er altijd op uit met een zakmes en een -bloempot, om viooltjes (22) uit te steken. Ik herinner mij nog, hoe we -ze zochten op een kleiig plekje langs den Ouden Rijn, jaar in jaar uit -en altijd vonden wij er. Je sneed dan met je mes in een kring rondom ’t -polletje, zoodat je een afgeknotten kegel kreeg, die juist in de -bloempot paste, ik voel nog het inpersen van die vette klei. En hoe -aardig stonden de enkele grassprietjes om ’t plantje; een paar -donkerblauwe bloempjes verspreidden hun geuren, andere waren nog in -knop, we konden altijd wel een maand lang plezier van ons potje hebben. - -Er waren nog al veel kinderen, die daar viooltjes haalden, maar -gelukkig was de voorraad groot genoeg; er groeiden er zooveel, dat de -heele wei er van geurde. Er stonden boomen om die wei, oude eiken. -Eigenlijk geloof ik, dat er op die plek vroeger een buiten of een -boerderij had gestaan en dat die viooltjes evenals de sneeuwklokjes -bijna altijd als ontsnapte tuinplanten moeten worden beschouwd. - -Wij namen natuurlijk de mooiste polletjes en lieten de niet bloeiende -staan. We wisten toen niet, dat de viooltjes later in den tijd, in de -zomermaanden, nog eens bloeien, maar dan met heel kleine groene -bloempjes, die je nooit te zien krijgt, als je niet weet, dat ze -bestaan en als je er niet opzettelijk naar zoekt. - -’t Zijn kleine groene spitse knopjes aan nogal lange steeltjes. Ze -liggen vlak bij den grond en de vruchten (24), die ze opleveren, komen -ook op den grond te liggen; die zijn groot en zwaar genoeg. Ze springen -open met drie kleppen en die krullen ineen, zoodat ze de dikke zaden -wegschieten net zooals iemand een kersepit tusschen duim en vinger -wegschiet. De mieren sjouwen die zaden weer verder en zoo kan dan een -heele buurt vol viooltjes raken. - -Doch heel veel zijn er toch niet in onze Hollandsche wei; ’t meest vind -ik ze nog op de dijken en daar zie ik dan ook ’t meest de mooie -parelmoervlinder (105), die zijn eitjes op de viooltjes legt. - -Als er heerlijke geuren uit de wei opstijgen in April en Mei, dan zijn -die meestal wel afkomstig van de beide reukgrassen. Het eene heet -„reukgras” zonder meer, het andere veenreukgras. Ze zijn allebei nog al -gemakkelijk te vinden, want ’t zijn de grassen, die het vroegst -bloeien, alleen de vossestaart houdt hen dan gezelschap en die is aan -zijn zachte cilindervormige aarpluim al heel gemakkelijk te -onderscheiden. Het veenreukgras groeit liefst op vochtige plaatsen, -langs slooten en greppels. Doorgaans heeft het een bruinachtig tintje. -De pluim is nog al wijd vertakt en bestaat uit veel bloempakjes, die -aan kronkelsteeltjes neerhangen. Dat maakt dat dit gras in den bloei -wel wat gelijkt op het meer bekende trilgras, dat we in Mei vinden. - -Wie er lust in heeft en er niet tegen opziet, om even een loupe te -gebruiken kan op droge zonnige Aprildagen gemakkelijk de meeldraden en -stampers van dit gras te zien krijgen, als ze uit de bruine of violette -kafjes naar buiten groeien. Maar veel beter gaat dit nog bij het gewone -reukgras. Het begint te bloeien met een tamelijk dichte doch kleine -aarpluim, die uit langwerpige bloempakjes bestaat. ’s Morgens komen -daaruit nu de meeldraden te voorschijn, uit elk bloempje twee; bij de -meeste andere grassen bedraagt dat getal drie. - -O, wat heb ik daar al dikwijls met genoegen naar zitten kijken! Je -kiest een bloempje, dat al de paarse helmknoppen laat zien, en blijft -dan wachten. Telkens komt dan met een schokje die helmknop een klein -eindje hooger, dat kun je vaak ook zonder loupe al zien. Eindelijk is -de helmknop er heelemaal uit, maar nu is ’t nog niet gedaan, want nu -schiet de helmdraad, een mooie witte helmdraad, al hooger en hooger op, -totdat de paarse helmknoppen twee centimeter buiten de bloem uitsteken -en daar bibberend en trillend met ieder zuchtje van den wind hun fijne -stuifmeel uitstrooien. - -Je hebt in Münchhausen’s leugenboek wel eens gelezen van dien man, die -het gras kon hooren groeien en dat is wel aardig, om aan te denken. -Maar nog duizendmaal aardiger vind ik het, om met mijn eigen oogen het -gras te zien groeien en dat zie je nergens zoo goed als bij het -reukgras. - -De geur van die reukgrassen is later de geur van ’t hooi, maar zoover -zijn we met Palmpaschen nog niet. - -Er bloeit nog zoo’n klein dingetje, dat de meeste menschen over het -hoofd zien, maar dat eigenlijk toch veel te mooi is om vergeten te -worden. Het lijkt net een soort van gras, maar de bladeren zijn met -lange zijde-achtige haren bezet en als de bloempjes uit de bruine pluim -op een warmen lentemorgen goed open staan, dan zie je dat ’t mooie -zespuntige sterrebloempjes zijn, met aardige stampers en meeldraden en -’t is nog moeilijk genoeg, om een echt onderscheid te vinden tusschen -deze verschoppelingetjes en de trotsche lelies. Deze „veldbies” (18) -groeit ’t liefst in zandige niet al te natte weiden. - -Daar komt dan ook de akkerpaardestaart (17) te voorschijn, die meer -lijkt op een stukje speelgoed, dan op een plant. De stengel is -opgebouwd uit een aantal verdiepingen die met mooie tandrandjes aan -elkaar sluiten. Bovenop zit een soort van bijenkorfje dat bestaat weer -uit kransen van aardige doosjes, waaruit een groen poeder te voorschijn -komt. Dat zijn de sporen en daaruit komen ten slotte na allerlei -avonturen weer nieuwe paardestaartplantjes opschieten. Behalve deze -sporendragende twijgen komen later groene twijgen te voorschijn met -kransen van takjes en die kan je ook al weer in stukjes trekken. - -Als een boer je bezig ziet met ’t vernielen van paardestaarten dan -kijkt hij niet ontevreden, want hij beschouwt die paardestaarten als -een gevaarlijk onkruid. - -Er zijn in ons land heel wat verschillende soorten van weiden en elke -soort is mooi op zijn eigen manier. Die van ’t Hollandsch laagveen -hebben in ’t vroege voorjaar niet hun allermooisten tijd, al gaan ze -soms heelemaal schuil onder de pracht en praal van de dotterbloemen. Ze -liggen dan nog veel te kil en te open in hun omlijsting van slooten. De -weiden langs den zeekant zijn ’t langste dor, alleen bloeit daar in -April het lepelblad, maar later komt er mooi Engelsch gras (16) en de -aardige zeespurrie (28). - -De Zeeuwsche en Geldersche weiden echter hebben vaak hagen of brokken -heg van meidoorn (6), sleedoorn (5) met hondsroos (23) en braam (26) en -dat geeft weer heel wat afwisseling. Al in Maart begint de meidoorn -zich heelemaal met groen te bespikkelen, doordat de knoppen bersten en -zwellen en terzelfder tijd gaan aan de sleedoorn zich al bloemknoppen -ontwikkelen, zoodat met half April de hagen heelemaal in den bloesem -zitten en het na een buiïgen dag haast niet uit te maken is, of een -weirand onder de sneeuw ligt of met bloeiende sleedoorns is bezet. Als -ik zoo’n heestergroepje langs de wei zie, dan koers ik er dadelijk op -af, want ik weet zeker, dat daar altijd iets moois te zien of te -beleven is. Natuurlijk staat het speenkruid (4) er in grooten -overvloed, het aardig boterbloemachtig sterrebloempje, dat ook wel veel -staat in de wei zelf en langs de dijken, maar toch eigenlijk tehuis -behoort in heg en bosch. - -Daar staat ook nog een ander heggekruid, de stinkende gouwe (21) of -liever kortweg „gouwe” of „groote gouwe”, want met dat stinken is het -zoo erg niet. Wel krijg je gele vlekken aan je vingers als je de bloem -plukt, want stengels en bladeren zijn geheel doortrokken met kanalen -vol geel melksap. Den eenen dag is het geler dan den anderen en in de -wortels is het dikwijls oranje bij steenrood af. - -Als je haast nog niets van planten afweet en wel eens hebt hooren -praten van kruisbloemen, dan beschouw je de gouwe met zijn vier -kroonblaadjes ook al licht als een kruisbloem, dus als familie van -koolzaad, pinksterbloem of veldkers. Maar als je beter toekijkt, dan -zie je wel aan de groote menigte meeldraden, dat we hier met heel wat -anders te doen hebben en dat onze vriend met het gele melksap behoort -tot de familie van de klaprozen. In die zeer juiste meening wordt je -nog versterkt, als je ziet hoe bij ’t opengaan van de bloem de twee -kelkblaadjes worden afgestooten en hoe dan de vier kroonblaadjes -gekreukeld en verfomfaaid uit hun dichte omknelling te voorschijn -komen. De gouwe opent zijn eerste bloem in ’t midden van April en -blijft voortbloeien tot in October toe. - -Op den bloeienden sleedoorn wemelt het van bijtjes (10), kleine wilde -bijtjes, die ook alle omtrent Palmpaschen uit den grond komen kruipen. -Ze hebben daar in de diepte, soms 5 c.M. diep, soms twee d.M., hun -heele jeugd doorgebracht; eerst als witte made peuzelend van den honig- -en stuifmeelvoorraad, die hun moeder daar voor hen had bijeengebracht, -in elk kamertje juist genoeg voor de ontwikkeling van een jong. Later -verpoppen ze en als de lente komt, zijn ze gereed, om zich een weg te -banen naar de frissche lucht en het heldere zonlicht, dat ze nog nooit -hebben gezien, en naar de mooie bloemen, waar niemand ter wereld hen -van verteld heeft en waarop ze toch dadelijk hun kost moeten zoeken. - -Ik heb er vaak bijgestaan, dat die bijtjes uit den grond kwamen, -honderden bij honderden. Waar je ook keek, overal zag je kleine -openingetjes ontstaan, twee voelsprietjes wuifden onderzoekend in de -ruimte en dan volgde langzamerhand het harige kopje en ’t ruige lijf. -Die er al uit waren gekropen bleven nog een tijd rondvliegen boven het -opstandingsterrein, alsof ze er belang in stelden, hoeveel van de -familie er wel te voorschijn zouden komen. - -Dan gingen de mannetjes de wijfjes jagen en ten slotte zwermde de heele -bende naar de bloemen, naar de sleedoorn, de gouwe, ’t speenkruid, de -dotterbloemen en het hoefblad. En na een paar dagen zag je telkens nu -hier dan daar weer zoo’n wijfjesbijtje hard bezig met graven in -denzelfden grond, waar ze juist uitgekropen was. - -Dag aan dag doet ze niet anders dan kamertjes maken, die ze vult met -honig en stuifmeel en waarop ze het lange geelachtige eitje legt, -waaruit de witte made komt, die ’t volgend jaar als bij weer uit den -grond zal kruipen. Zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, altijd weer -van voren af aan. - - - - - - - - -III. ALS DE EEREPRIJS BLOEIT. - - -De mooie blauwe eereprijs (31) komt meestal in bloei omstreeks den -eersten Mei, soms een dagje eerder, soms wat later, maar heel dikwijls -heb ik haar voor ’t eerst gezien juist op den eersten en daar was ik -dan heel blij om, hoewel het niets te beduiden heeft. Ook blijft het -plantje wel doorbloeien tot in September, maar ’t mooist is het toch in -Mei. - -’t Is nu, terwijl ik dit schrijf, Januari, maar ik verheug mij er al -op, dat iedere dag ons nader brengt tot de Mei en als ’t eenmaal zoover -is, dan ga ik lekkertjes weer uren lang zitten bij de eereprijsjes, -hetzij in mijn eigen tuin, waar ik ze een eereplaats heb ingeruimd, -hetzij aan den Vechtdijk of aan den Zuiderzeedijk, waar ik groote -plakkaten eereprijs weet te staan vlak bij meidoorns die in bloei gaan -komen. Groote bloeiende meidoorns aan den rand van de eindelooze wei. -Hun laagste takken hangen neer tusschen de graspluimen, zoodat de witte -meibloesem gezellig komt buurten bij boterbloem en vossestaart, -eereprijs en wilde zuring. - -Uren lang bij de eereprijsjes. De witte wolken drijven langzaam langs -de blauwe lucht en tusschen ’t groene gras gaat telkens een nieuw blauw -oogje open. Eerst steekt een bleekblauw kegelspitsje uit groene -kelkblaadjes, dat zwelt en opent zich aan zijn top en dan ontrollen -zich de vier kroonslippen zoo snel, dat je de beweging duidelijk kunt -zien, maar altijd is ’t nog een verrassing, dat op eens een groot blauw -bloempje prijkt, waar eerst een bleeke knop was. - -En overal in ’t eereprijsveldje zijn de bloempjes aan ’t opengaan. Als -je dat heel mooi wilt zien, ga dan kijken in de morgenuren. Je behoeft -niet zoo griezelig vroeg te gaan, als voor andere natuurverschijnselen -wel noodig is, ’t is al voldoende, als je er bij bent zoo tusschen -achten en tienen. Dan is ook het gras al droog, zoodat je ongestoord -kunt genieten. - -Als alle oogjes open zijn, dan zie je, dat ze verschillen; sommige zijn -heel mooi diep donkerblauw, andere bleek, waterig, paarsachtig. Die -donkere zijn vandaag voor ’t eerst open, de andere hebben gisteren hun -beau-jour gehad, gaan misschien vanavond nog eens een keertje te ruste, -maar als ze zich dan weer morgen openen, dan vallen ze al heel gauw af, -hun tijd is voorbij en zoo krijgen ze allemaal hun beurt. - -Geur verspreiden die bloempjes niet, maar de groote blauwe plas, die ze -in ’t grasveld vormen, wordt toch opgemerkt door de insecten en -buitengewoon aardig is het, om te zien, hoe gevleugelde snoepers van -allerlei soort de bloempjes komen bezoeken. Nu eens is het een klein -gouden vlindertje, dan weer een graafbijtje, dat pas uit den grond is -gekropen, maar meestal zijn het bonte, blinkende zweefvliegen. - -Sommige zien er uit als wespen, andere als de gewone honigbij en ik ken -wel menschen, die ze om dat uiterlijk houden voor heel gevaarlijke -dieren, die ze nooit zouden durven beetpakken. ’t Aardigste is nog wel, -dat de eene, die veel op de honigbij lijkt, zich ook heeft aangewend, -om op bijenmanier te vliegen: hij houdt zijn achterpooten net, alsof -hij daar een heele vracht stuifmeel aan zal gaan meedragen. - -Doch ’t is allemaal niets dan looze bangmakerij en als je een beetje -oplet, dan merk je dat hij niet alleen niet steken kan, maar zelfs niet -eens in staat is, om een behoorlijk gebrom ten gehoore te brengen. - -Hij heet dan ook gewoon weg „blinde bij” (61), niet omdat hij een bij -zou zijn en niet kan zien, maar om dezelfde reden als de mooie -lipbloem, die zonder zijn bloemen zooveel op de brandnetel lijkt, den -naam van „doovenetel” (42) heeft gekregen. Er is er ook een, die weer -heel veel lijkt op een zwart met wit hommeltje, en die daarom dan ook -hommelzweefvlieg (64) genoemd wordt. Deze zweefvliegen zijn al even -trouwe bloemenvrienden als de bijen; ze eten niet anders dan honig en -stuifmeel. Maar ze nemen niets mee; want hun jongen komen op heel -andere manier aan den kost. - -Die van de blinde bij en ook die van bosch-zweefvlieg (62) en -gestreepte zweefvlieg (63) hebben een nog al sombere jeugd. Onder den -naam van „rotjes” leven ze in modderslooten, stilstaande greppels en -ook wel in gootjes, waarlangs in dorpen en op ’t platte land het -afvalwater van de keuken naar de slooten loopt. - -Daar zitten ze soms in bij duizenden. Ik weet wel, dat wij als jongens -van een jaar of zes er met taaie vlijt jacht op maakten. Bij honderden -vischten we ze op uit de griezeligste modder, grauwe cilindervormige -diertjes met een soort van staart, die ze heel lang konden maken en ook -weer bijna heelemaal intrekken; later zijn we aan de weet gekomen, dat -’t geen staart, maar een soort van ademhalingswerktuig was. - -Als we er een paar honderd van bij elkander hadden dan gingen we er -soldaatje mee spelen. We stelden ze op in rotten van vier, met -officieren en onderofficieren, de muziek voorop, een dikke was de -kolonel, allemaal juist precies, zooals bij het tweede regiment -infanterie, dat in die dagen in onze oogen het allerbeste was, wat er -op de wereld bestond. Ik kan mij niet herinneren, ooit later zooveel -rotjes bij elkaar gezien te hebben. - -De larve van de bessenzweefvlieg (65) treft het beter. De oude vlieg -zoekt een plant op, die vol met bladluizen zit en legt dan zijn eitje -midden tusschen die sapzuigers. Als dan de larve uit ’t ei komt, heeft -hij dadelijk zijn voedsel bij de hand, want ’t is zijn natuur, dat hij -zich voedt met bladluizen. Met zijn achterlijf houdt hij zich vast aan -’t blad, met zijn kaken grijpt hij één voor één de bladluizen, die -tamelijk wel niets merken van ’t onheil, dat hen bedreigt, zuigt ze -uit, gooit de leege huiden weg en begint dan van voren af aan. Deze -woesteling heet bladluizenleeuw en vindt een naamgenoot en concurrent -in de larve van de prachtige gaasvlieg (66), een diertje, dat eigenlijk -heelemaal geen vlieg is en met zijn mooie ijle, groene, goudglanzige -vleugeltjes haast te fijn en te mooi lijkt, om zoo maar in ’t wild rond -te vliegen. - -Maar laat ons terugkeeren naar onze zweefvliegen en eereprijsjes. Ik -heb al wat uren naar die vliegen liggen kijken en dat niet alleen in -een soort van zomerluiheid, maar heel dikwijls met veel inspanning en -wanhoop. Iedere jongen zal mij begrijpen. We denken tegenwoordig maar -altijd aan vliegmachines en nu is zoo’n vlieg wel een van de meest -voortreffelijke die er bestaan. - -Het aardigste is, dat hij, naar ik geloof, veel meer op de -vliegmachines van Blériot en Henriot gelijkt, dan de vogels. Deze -laatste maken met hun vleugels een beweging die heel veel lijkt op -roeien, maar ik heb reden, om te gelooven dat de vliegen met hun -vleugels een snelle draaiende beweging maken, dus zoo iets als de -beweging van een schroef. Ze gaan dan ook mooi vast en gelijkmatig door -de lucht en als ze soms eens op één plek en op dezelfde hoogte willen -blijven dan weten ze dat te bereiken door met de vleugels tegengestelde -bewegingen te maken. - -’t Is alleen maar jammer, dat het te vlug gaat, om precies het fijne -ervan te kunnen zien: honderden malen per seconde. Slimme geleerden -hebben wel middeltjes bedacht, om die vliegen hun eigen vliegbewegingen -te laten opschrijven, maar het fijne weten wij er toch nog lang niet -van. - -Als nu de zweefvliegen de mooie eereprijsjes zien, blijven ze een -poosje op een kleinen afstand voor de bloem in de lucht zweven, ze -staan dan stil op eenzelfde plaats, maar je ziet de vlerkjes in razende -vaart ronddraaien. - -Dan gaan ze langzaam zakken, schuin naar omlaag en ze weten hun machine -zoo te besturen, dat ze precies terechtkomen voor het midden van de -bloem, met hun groote oogen juist vlak voor ’t witte ringetje dat -midden in de bloem het vruchtbeginsel omgeeft. Ze grijpen met hun -pooten de twee meeldraden en kunnen dan met hun dikken slurf de honig -oplikken. - -Wie nu eens iets heel moois wil zien, moet die meeldraden van nabij -bekijken. De helmdraden van het eereprijsbloempje zijn maar niet -eenvoudige, overal even dikke rolronde draden, maar heel sierlijk van -vorm, vlak bij de bloem heel dun en weer breeder, waar de vlieg ze -aanpakt. - -Daardoor buigen ze onder de lichte greep en het geringe gewicht van de -vlieg zoo door, dat de helmknoppen langs zijn lichaam schuiven, zoodat -hij daar bepoederd wordt met stuifmeel. En als hij dan weer op een -andere eereprijsbloem komt, dan is er alle kans dat hij dat stuifmeel -onwillekeurig afstrijkt op de stempel, die op zijn dunne stijltje juist -tusschen de twee meeldraden in staat en dan kan de inhoud van zoo’n -stuifmeelkorrel door de stijl naar binnen groeien en de kleine -zaadknopjes, die binnen in het vruchtbeginsel zitten, aan den gang -maken, om tot zaden te rijpen. - -De zweefvlieg beseft natuurlijk heelemaal niet, wat voor weldaad hij -aan ’t bloempje bewijst. Ook gaat hij wel eens een enkelen keer -verkeerd zitten en ’t gebeurt ook dikwijls genoeg, dat de stempel -zonder hulp van vliegen in aanraking komt met helmknoppen in dezelfde -bloem en dan ontstaan toch ook goede rijpe zaden. Wie er aardigheid in -heeft, kan omtrent den omgang van insecten met bloemen nog menige -belangrijke bijzonderheid opmerken. - -Al die lange zomerdagen zijn vliegen, bijen en vlinders met al die -bloemen bezig. Sommige bloemen hebben een bepaald stel van vriendjes, -andere zijn echte allemansvrienden. Op de paardebloem (34) is om zoo te -zeggen ieder tehuis, van de domste vlieg af tot de fijnste vlinder of -slimste bij toe. De koekoeksbloem (70) heeft ’t liefst met vlinders te -doen, de boterbloem (32) is vriendelijk tegenover kevertjes, vliegen en -kleine bijtjes en de orchideeën hebben in hun vreemdsoortig ingerichte -ontvangzaal weer ’t liefst vlinders en hommels. - -Lang niet in iedere wei groeien van die orchideeën. Het moet er min of -meer vochtig zijn; ik geloof wel dat de beste orchideeënplekjes lang -niet altijd het meest waardevolle hooiland opleveren. Heel dikwijls -groeien ze in gezelschap van wollegras (48) en dan groeit er ook licht -veenmos en zeggen (39) en allerlei dingen, waar een boer het land aan -heeft. - -Ik laat mij echter door die witte vlaggetjes van ’t wollegras gaarne -leiden, want waar dat groeit, vind je dan licht orchideeën en misschien -ook nog aardige addertongvarentjes of zonnedauw. En er is ook kans, dat -daar ringslangen rondkruipen, wat voor den oningewijde wel griezelig -mag lijken, maar den kenner met groote blijdschap vervult. - -’t Is maar een kwestie van een paar centimeters hooger of lager, -misschien ook wel van de aanwezigheid van een kleilaag onder ’t veen. -Soms is zoo’n plekje nog niet eens honderd vierkante meter groot, maar -de plantengroei en de dierenwereld is er dadelijk anders dan in de rest -van de wei. - -Licht schieten er ook een paar berkjes, wat lijsterbessen en bramen op -en wanneer de oeverzeggen er hoog en dicht genoeg worden krijg je daar -zelfs kans op het allermooiste en minst bekende slootkantvogeltje, de -vroolijke blauwborst (110). - -Hij is familie van het roodborstje en staat net zoo parmantig op zijn -veerkrachtige dunne pootjes. Hij heeft een wit wenkbrauwstreepje over -het groote glinsterende oog en zijn borst is prachtig diep blauw met -een wit vlekje er midden in. - -In April ontmoet ik hem al op zijn broedplaatsen en als ik hem niet -zie, dan zorgt hij er wel voor dat ik hem hoor, want hij blaast een -heel heldere schetterende fanfare, die geen een vogel hem kan nadoen. -Hij echter kan wel de andere vogels nadoen en amuseert zich er, met te -spelen voor leeuwerik, pieper, kieviet en kraai, al naar hij er trek in -heeft. - -Zijn nest zit listig verborgen achter ’t hooge oevergras. - -Op zulke plaatsen zwemmen ook, als de slooten niet al te smal zijn, de -vlugge dodaarsjes (111, 112), die op kleine eendjes zouden lijken als -ze maar een staart hadden en als hun zwemvliezen den gewonen vorm -hadden. Hun nest is een hoop rommel op ’t water en als de broedende -vogel onraad merkt, dan glijdt hij er stilletjes af maar verstopt eerst -de eieren onder modder en blaren. Dan duikt hij onder en je moet al -heel knap en geduldig wezen, om wat van hem te zien te krijgen. Er zijn -er veel meer in onze natte landen dan men wel meent, en wanneer ik op -zoo’n nat plekje het kartelblad (83) of de orchideeën ga liggen -bekijken, dan heb ik om zoo te zeggen altijd één oog gericht op het -verschiet der slooten, om zoo mogelijk een blauwborstje of een -dodaarsje te betrappen. - -De schoolboeken geven je altijd den raad, om een potloodpunt in zoo’n -orchideeënbloem te steken. Als je dat in goede richting doet, dan komen -twee kleefplakjes van de bloem ermee in aanraking en als je dan ’t -potlood weer terugtrekt, blijven twee stuifmeelklompjes eraan kleven. - -Je kunt het natuurlijk evengoed doen met je pink; eigenlijk veel beter, -want de top van een goed verzorgde niet al te dikke pink, lijkt toch -altijd nog meer op een hommelkop dan zoo’n spitse potloodpunt. - -Ik doe dat nog altijd met evenveel plezier als dertig jaar geleden. ’t -Blijft altijd verrassend, hoe grif en stevig die dingen blijven kleven -en nog veel mooier en wonderlijker is het, dat onmiddellijk de -steeltjes van die stuifmeelklompjes gaan doorbuigen. Eindelijk gaan ze -niet meer verder en als je dan je pink weer in dezelfde houding van -straks in de bloem brengt, zul je merken, dat dan die stuifmeelklompjes -terechtkomen tegen het kleverig stempeloppervlak en een deel van het -stuifmeel blijft dan daarop vastzitten: de bloem is bestoven. - -Veel aardiger dan die pinkgymnastiek is natuurlijk het bezoek van de -hommels zelf. Intusschen moet ik u waarschuwen, dat de eerste de beste -nieuwsgierige er niet op hoeft te rekenen, dit zoo maar eens in de -gauwigheid te zien te krijgen, door even te loopen door een weiland met -orchideeën. - -Onze weide-orchideeën, de breedbladige (46), de gevlekte (44), de -harlekijn (43) krijgen soms in geen dagen bezoek van een enkel insect. -Je vindt dan bloeiaren, waarin haast alle bloemen nog ongeschonden -helmknoppen bezitten. - -Bij mooi weer en in een hommelrijk jaar heeft een volhardend -onderzoeker echter wel kans, om die stuifmeelplakkerij in zijn volle -glorie te genieten. Er komt een weidehommel aangonzen, regelrecht op de -bloem af. Of de mooie vlekjes op de onderlip hem den weg wijzen naar -den ingang van de bloem? Sommige geleerden meenen van ja, en noemen die -vlekjes het honigmerk. Anderen spreken het tegen en daar kan dan weer -heel genoeglijk over gekibbeld worden. - -De hommel gaat intusschen evengoed zijn gang; hij suist tamelijk -onzacht op de bloem neer, steekt twee lange glimmende kaken zoo diep -mogelijk in het zakje, dat aan een van de bloembladen zit, de spoor, -schuurt het weefsel daarvan kapot en gaat dan met zijn lange ruige tong -het sap oplikken. Al dien tijd heeft hij zijn kop juist tegen de -kleefplakjes, de zoogenaamde hechtkliertjes, gedrukt en wanneer hij nu -de bloem verlaat, dan zie je met bijzonder groot genoegen twee -lichtgele stuifmeelklompjes op dunne steeltjes boven op zijn kop staan. -Hij krabbelt naar een volgende bloem, drukt zonder het te willen of te -weten stuifmeel tegen den kleverigen stempel, maar doet tegelijkertijd -weer twee nieuwe stuifmeelklompjes op. - -Als hij ergen honger heeft en bloem na bloem bezoekt, krijgt hij ten -slotte een heele pruik van die dingen op zijn kop en dan begint hij er -erg in te krijgen, vooral als er een stuk of zes geplakt zitten midden -op zijn oogen. - -Hij heeft dan een heele tobberij, om zijn bol weer schoon te krijgen; -ik heb er wel gezien, die met vier van hun zes pooten uit alle macht -zaten te schrobben en te schuren en het ten slotte toch moesten -opgeven, zich heelemaal schoon te poetsen. - -De mooie witte welriekende nachtorchis (45) wordt weinig door hommels, -maar drukker door vlinders bezocht. De lange spoor bevat veel honig, -dat kun je van buiten af wel zien en ’s avonds komen daar de vlinders -op af, aangelokt door den heerlijken geur, die de bloem dan gaat -verspreiden. - -’t Is heusch wel de moeite waard, om die orchideeën in potten te -kweeken of een vochtig hoekje in den tuin voor hen in te ruimen. Bij -goede behandeling komen zij ieder jaar weer opnieuw te voorschijn uit -hun merkwaardigen wortelknol, telkens weer grooter en mooier dan eerst, -ik heb daar heel mooie dingen van gezien. - -Maar ga mij nu niet al de orchideeën uitgraven, die ge tegenkomt. Aan -één hebt ge genoeg. Het uitgraven lijkt makkelijk genoeg, ja je kunt ze -soms zoo maar met knol en al uit den weeken moerasbodem trekken. Toch -is het dan tien tegen één, dat de worteluiteinden, waar ’t juist op -aankomt, afbreken en dan bloeit de plant wel dat ééne jaar, maar hij is -niet bij machte een behoorlijke nieuwe wortelknol voor ’t volgend jaar -te maken. Wil je ’t goed doen, neem dan een heele zode, twee decimeter -in middellijn, zoodat de plant tot in zijn fijnste deelen ongeschonden -blijft. - -Nog veel aardiger is het, ze te kweeken uit het fijne zaad, dat ge in -den nazomer uit de bruine verdroogde vruchten kunt kloppen. Je hebt dan -meteen de voldoening iets te probeeren, wat lang niet iedereen gelukt. -De orchideeënzaden ontkiemen alleen onder bepaalde omstandigheden; zorg -vooral, ze uit te zaaien in grond, afkomstig van ’t terrein zelf, waar -ge de zaden inzamelde en als daar mos groeide, neem dan ook maar wat -van dat mos mee, dat kan nooit geen kwaad, zou mijn grootmoeder zeggen. - -Orchideeën zijn niet bepaald zeldzaam, maar toch altijd wel iets -aparts. ’t Is niet te ontkennen, dat wij houden van zeldzame en aparte -dingen en zoolang je daarom de gewone dingen niet verwaarloost, zit er -ook geen kwaad in. Ik ben altijd klaar, om zeldzame planten en dieren -te gaan opzoeken en als ik ze weet te vinden, dan sla ik meestal geen -enkel jaar over, om ze te gaan bekijken in den tijd, dat ze op hun -mooist bloeien. - -Zoo doe ik iedere Meimaand een of meer tochten naar de Vechtstreek, om -de zomerklokjes (41) te gaan zien. Ze groeien ook wel vlak bij mij in -de buurt op een weide-eilandje in de Mooie Nel, maar daar staan er -slechts enkele honderden en dat is mij te weinig. Ik houd van -overvloed, van duizenden en millioenen, heele velden van eereprijsjes; -madeliefjes dicht geschaard zoover je zien kunt, boterbloem en zuring -samen één groot vlak vormend van rood en goud en dan weer rij aan rij -van orchideeën, alle rechtop en talrijk als klaverbloemen. Millioenen -graspluimen wapperen er tusschen en er boven, allemaal even frisch en -flink, met ieder uur hooger van gestalte en dieper van kleur. Aan den -slootkant bloeien heele plakkaten van mooie hemelsblauwe -vergeetmijnietjes (67) en de helling staat vol met een kleiner -bloempje, bleekblauw bij wit af, dat door sommige menschen wel valsch -vergeetmijnietje genoemd wordt, maar ’t is niets anders dan de lekkere -veldsla (67). - -En waar de breede Vecht door bonte weiden kronkelt, heeft hij over een -lengte van eenige kilometers zijn boorden omzoomd met zomerklokjes. Aan -hooge stengels wiegelen ze in de morgenbries, vijf, zes hangende -bloempjes in een schermpje bij elkaar, roomwit met fijne groene -vlekjes: sneeuwklokjes in zomerkleed. Onze vrienden, de zweefvliegen -dartelen er tusschen door in gezelschap van kleurige hommels. De -bladeren van deze planten zijn donker groen, veel donkerder dan ’t -jonge riet, dat pas zijn eerste linten ontrolt. Donker blad en witte -bloemen; aan de overzijde van de rivier zijn ze ook duidelijk te zien -en ’t mooist zijn ze in een drassig hooilandje binnendijks, waar groote -pollen afzonderlijk staan tusschen jonge waterzuring en bloeiende -oeverzegge. - -Hoogstwaarschijnlijk zijn deze zomerklokjes geen oorspronkelijke wilde -planten, maar sierplanten, die sinds overoude tijden uit slotgaarde of -kloostertuin zijn ontsnapt. Ze zijn er mij niet minder dierbaar om. -Integendeel, want evengoed als ze op die enkele plaatsen in Nederland -jaar in jaar uit trots den allerstrengsten winter zich weelderig willen -ontwikkelen, kunnen ze overal groeien, waar de grond maar niet al te -droog is. Bezat ik weilanden, dan zou ik mij niet ontzien, om een paar -hoekjes vol te zetten met deze zomerklokjes. - -Ook zou ik de kievietsbloem (47) niet vergeten, ook waarschijnlijk een -ontsnapte tuinplant, een neefje van de trotsche keizerskroon. In -sommige weilanden groeit die bij honderden. ’t Is een heel genoegen, er -tusschen in te staan en toe te zien, hoe de hommels de neerhangende -bloemen opzoeken en hoe ze er in wegduikelen, om den honig te halen, -die in hoekjes van de bloembladen zit. - -Die bloembladen zijn prachtig fijn geaderd en gekleurd met plekjes -paars en plekjes wit; daaraan heeft de bloem zijn naam van dambordbloem -te danken. Ook wordt zij wel kievietsei genoemd en dat is nog zoo mis -niet, want de nog niet geopende bloemen zijn werkelijk eivormig. - -In plaats van paarse, vindt je ook witte, die zijn niet zuiver wit, -maar de vlekken zijn wel degelijk aanwezig, al zijn ze dan ook maar -flauwtjes groenachtig geel. Zoowel van kievietsbloem als van -zomerklokje zijn de bollen te koop bij den bloemist en duur zijn ze -niet, zoodat je voor een enkelen gulden of zoo je heele leven lang een -verrassend mooi plekje kunt hebben in een doodgewone wei. - -Maar als nu eens ergens geen zomerklokjes of kievietsbloemen bloeien, -dan is de wei toch nog mooi genoeg. Alleen de grassen geven je al -genoeg te doen. Een heele massa kinderen en menschen kijken naar de -grassen niet om, omdat ze zoo moeilijk te onderscheiden zijn. Nu zijn -alle dingen net zoo moeilijk, als je ze zelf maken wilt en ik voor mij -zou er heelemaal geen bezwaar in zien, om kinderen van acht of negen -jaar een vijf-en-twintigtal van de meest algemeene grassen te leeren. - -Je kunt er ook heel gemakkelijk een verzameling van aanleggen, want ze -zijn prachtig om te drogen; als je maar zorgt, goed ontwikkelde pluimen -te nemen, dan krijg je vanzelf heel mooie, teekenachtige bladen. In ’t -vroege voorjaar hebben we al de beide reukgrassen gevonden, die gevolgd -worden door de vossestaart, die net zoo rond en zachtharig is, als zijn -naam aangeeft. Dit gras bloeit ook wel in de eerste dagen van Mei en al -naar het tijdperk van bloei ziet de staart grijs, paars, bruin of -groen. - -Grijs is hij, wanneer uit alle bloempjes de witte stijlen naar buiten -komen, paars wanneer de stijlen zijn verschrompeld en in hun plaats -paarse helmknoppen op fijne witte draden uit de bloem zijn geschoven; -die helmknoppen verschrompelen tot een bruine massa, die afvalt en de -rijpende aar groen achterlaat. Je kunt die verschillende toestanden -vlak bij elkaar aantreffen. - -Na de vossestaart komt de timothee, die er wel wat op lijkt, maar -altijd grijs is en tamelijk stijf; ieder apart bloempakje heeft wel wat -van een laarzenknecht. Tegelijk bloeien nu ook de wijdvertakte -pluimgrassen: op natte venige plekken het mooie trilgras, dat we ook -bevertjes noemen; elders weer de zachte pluimen van de dravik of de -mooie groote havergrassen, die eraan te herkennen zijn, dat ze in ieder -bloempakje één of meer geknikte kafnaalden hebben. - -De pluimen met de fijne bloempakjes zijn meestal van beemdgras en heel -stellig vindt ge ook de witbol, die in dichte bossen groeit. Hij heeft -zeer zacht behaarde stengels en bladeren en zijn bloempakjes zijn -lichtgroen of bleekrose, soms ook met wat violet er in, bijzonder mooi. -Tegenwoordig heeft dat gras den eerwaardigen naam van witbol, vroeger -werd het „zorggras” genoemd, de landman houdt er niet veel van en ik -heb het ook niet graag in het effen grasperk, want het maakt zulke -onhandelbare proppen, die misstaan in de mooie effen zode. - -Zuring (38) zien de boeren ook niet zoo bijster graag, doch ze moeten -er maar aan wennen, want die plant laat zich niet zoo gemakkelijk uit -het veld slaan. Er is eigenlijk geen enkele grondsoort, of er groeit de -eene of andere zuring: aan de waterkanten en op natte plaatsen de -reusachtige waterzuringen, op de schrale zandvlakten het tengere -schapenzurinkje en in de wei de lekkere malsche veldzuring, die ’t -zuurst van alle is. - -Als je iemand vraagt, hoe de bloem van die zuring er uitziet, dan -blijft hij gewoonlijk ’t antwoord schuldig. Ja, ’t is iets roods, en al -die roode zuringbloemen geven met de gele boterbloemen dien heerlijken -tint van den vollen zomer op de bonte wei. Maar als ze zoo rood zien, -dan zijn de zuringen meestal bijna uitgebloeid, die roode kleur zit -door hun heele lichaam en hangt weer samen met hun zuurheid en met de -zon, doch ik zie geen kans, om u dat hier allemaal in een paar regels -uit te leggen. - -De bloempjes van de zuring zijn maar kleine dingetjes met zes groene -bloemblaadjes. Sommige hebben een zestal meeldraadjes, die heel -gemakkelijk bewegen en hun stuifmeel door den wind laten meedragen, -andere hebben een stampertje met een mooien pluimstempel. - -Als ’t vruchtje gaat rijpen, gebeurt er iets aardigs; drie van de -bloemblaadjes gaan uitgroeien en worden zoo groot dat ze elkander -verdrukken en verbuigen. Ze buigen dan naar buiten om en staan met de -omgebogen helften zoo tegen elkander aan, dat ze drie platte lijsten -over het vruchtje vormen, die den dienst doen van vleugels. Als de -plant niet werd afgemaaid, dan zou de vrucht op die vleugels door den -wind worden meegevoerd. - -De kneutjes komen uit de struiken en uit de hagen naar de wei om van -die vruchtjes te eten, montere vogeltjes met roode kappen en roode -borstlappen op de roode zuring. - -Dat is een van de mooiste tooneeltjes, die ik ooit gezien heb en als ik -ergens veel zuring weet te staan in een streek, waar ook de kneutjes -niet zeldzaam zijn, dan zorg ik er voor, dat ik daar ook niet al te -zeldzaam word, m.a.w. dan loop ik daar als ’t eenigszins kan ’s morgens -tusschen zessen en achten rond, om de roode snoepers te betrappen. ’t -Lukt dikwijls genoeg. - -De zuring heeft nog een ander vriendje, waar ik haast net zooveel van -houd als van de kneutjes; dat is het vuurvlindertje (127, 129), het -dartelste van alle vlindertjes. - -Wat hebben onze Hollandsche dagvlinders over ’t algemeen toch prettige -namen, namen, die het onvergeeflijk maken, dat je de dieren zelf niet -herkent, als je ze buiten tegenkomt. Denk maar eens aan -parelmoervlinder, dagpauwoog, rouwmantel, zandoogje, blauwtje, -groentje, witje, citroenvlinder, oranjetip, weerschijnvlinder, allemaal -namen, die heel gelukkig aanduiden, hoe het dier er uitziet. - -Het vuurvlindertje heeft ook zoo echt de kleur en den gloed van een -kooltje vuur, dat je op ’t eerste gezicht al zegt, dat moet hem zijn en -geen andere. ’t Is precies alsof je een gloeiend kooltje ziet gloren, -onder de asch. Wie een beetje thuis is in ’t Rijks-Museum heeft die -gloed wel gevonden in de brandende turfjes op een paar schilderijen van -Jan Steen; ik herinner mij op ’t oogenblik twee van zijn schilderijen -met van die vuurvlinder-gloeiende-turfjes in een test. De Engelschen, -die anders ook over heel mooie vlindernamen beschikken, noemen ons -vuurvlindertje Small Copper maar dat is lang zoo juist niet, die -vleugeltjes zijn veeleer vuur dan koper, let er maar eens op. - -En in ’t vuur liggen weer mooie koolzwarte blokjes, bij sommige meer, -bij andere minder, want dat vuurvlindertje is een heel variabel -diertje. Wie er aardigheid in heeft kan zich een verzameling -vuurvlindertjes aanleggen, beginnende met diertjes waarvan de vleugels -bijna geheel vuur zijn, zonder zwarte vlekjes om te eindigen met -vormen, waarbij zooveel zwarte vlekjes voorkomen, dat ’t vuur er geheel -onder verscholen gaat. - -Heel dikwijls vind ik er ook, die op de achtervleugels mooie blauwe -plekjes hebben; verleden jaar kwam er zoo een drie dagen achtereen in -mijn tuin altijd ’s middags tusschen één en drie uur, want die dartele -en vlugge diertjes hebben soms zeer vaste gewoonten. Het moet ook -voorkomen, maar dat heb ik nooit gezien, dat het vuurtintje heelemaal -vervangen is door een roomachtige of ook wel zilverachtige tint, je -zoudt kunnen zeggen: een vuurvlindertje in de grondverf. - -Maar hoe ze er ook uitzien, altijd zijn die kleine rakkers vol -levenslust en overmoed. Niet alleen, dat ze elkander nazitten, zooals -alle vlinders doen, maar ze laten, om zoo te zeggen, geen enkel dier -met rust. - -Ik heb het wel gezien, dat ze de vliegen verjoegen van de bloemen, ja, -dat ze dikke hommels te lijf gingen. Zoo brutaal kwamen ze op die -zuigbrommers af, dat die overhaast op de vlucht sloegen, alsof ze ik -weet niet wat van die kleine vlindertjes te vreezen hadden. - -Zelfs heb ik me wel verbeeld, dat ze mij aanvielen, wanneer ik in de -wei zat te teekenen of te spionneeren. Onophoudelijk vlogen ze mij om -’t hoofd, ze gingen zitten op mijn handen, op mijn schetsboek en ik -geloof waarlijk dat ze, als ik opstond om ergens anders te gaan werken, -nog meenden dat ze mij uit het veld hadden geslagen. Nu, ik gunde hun -de pret van harte. - -Ik denk wel, dat het hun in de meeste van die gevallen te doen is om te -kunnen komen bij hun geliefkoosde zuringplant, waarop ze hun eitjes -willen leggen. De larven, die uit die eitjes komen, zijn platte groene -rupsjes, bedekt met korte fijne roodachtige haartjes en hun pooten zijn -ook rood, dat schijnt nu eenmaal zoo bij de zuring te behooren. - -Ik wed, om een kwartje, dat niet één op de duizend lezers van dit album -ze ooit gezien heeft. De slimmers schijnen alweer te beseffen, dat de -voornaamste zorg van een rups moet zijn: zooveel mogelijk te eten en -zoo weinig mogelijk opgegeten te worden. Daarom kruipen ze overdag -wijselijk in den grond en ’s avonds komen ze te voorschijn, om zich te -goed te doen aan de lekkere zuring. - -Wie ze dus wil zien, moet ’s avonds er op uit met een lantaarntje en -met een paar goede waterdichte schoenen aan van wege de avonddauw. De -witte nevels, die zich verdichten boven de slooten en die ten slotte -een witte wade weven over het heele landschap, zullen ons niet deren. -Heel veel menschen vreezen de avondnevel alsof die uit vergiftige -dampen bestond, doch ’t is niets anders dan zuiver water en als je -overigens goed gezond bent, dan zal die nevel je niet ziek maken. - -De leeuweriken hebben al lang uitgezongen, alleen de spriet kraakt zijn -lentegezang en af en toe jammert in eens een kieviet; je kunt eigenlijk -nooit zeggen of ’t bij hem vreugd of verdriet is. In ieder geval heeft -’t niet zijn instemming, dat wij met die lantaarn loopen te kruisen -door ’t natte gras. - -Hoe heel anders ziet de weide er nu uit, dan in den zonneschijn. Haast -alle bloemen zijn gaan slapen. Alleen bij ’t hek van de wei zien we een -massa lichtgroene ballonnetjes met witte vlaggetjes er aan in de lucht -hangen en als we de lantaarn wat dichter bij houden, blijkt dat een nog -al vreemde plant te zijn, zoo’n echte dwaalgeest voor hekken en hoeken, -de silene (123) met de opgeblazen kelk, een vriend van de kleine -nachtvlindertjes. - -En nu we wat verder komen, in het vochtig gedeelte, vinden we daar de -koekoeksbloemen ook nog wijd wakker en ze hebben bezoek ook van de -grauwe vlindertjes, die dat mooie zilveren pistooltje op den -voorvleugel dragen. Wij noemen ze dan ook pistooltjes, maar mijn neef -met de bril op, die zes uur per week op ’t gymnasium geplaagd wordt met -Grieksch, weet dat dat zilveren plekje meer lijkt op een Griekschen -letter en noemt het beest gamma-uil. Het dier bekommert er zich niet om -en vliegt even vroolijk van bloem tot bloem. - -Die koekoeksbloemen geuren heel flauwtjes, maar een sterker geur lokt -ons naar een plek, waar witte orchideeën staan en die zijn nu op ’t -oogenblik ook in hunne volle kracht, je kunt ze letterlijk op den reuk -af vinden, als je tenminste niet door vroegtijdig of overvloedig rooken -je reukorganen verzwakt en verstompt hebt. We wachten even, of er ook -vlinders op komen, maar dat gaat ditmaal niet zoo gauw, dat kan zoo -gebeuren. - -Je moet vooral niet meenen, dat de natuur een soort van kijkspel is, -waar je maar je dubbeltje behoeft te offeren en binnen te gaan, om -dadelijk allerlei moois en interessants te zien te krijgen. Soms kun je -uren zoeken en wachten, eer de merkwaardigheden opdagen. Intusschen heb -ik wel eens hooren beweren, dat juist dat zoeken en wachten een -bijzondere bekoring geeft aan het natuuronderzoek. Probeer het maar -eens. - -Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, en iedere bloem slaapt, -zooals zijn slaapmuts staat. De blauwe eereprijzen probeeren, om -heelemaal in hun schulp te kruipen, ze sluiten het blauwe kroontje en -trachten het te omgeven met het groene kelkje, maar daar ’t kroontje in -den loop van den dag sneller is gegroeid dan de kelk, kan het er niet -heelemaal meer in en zoo blijft er dan een blauw neusje buiten de deken -uitsteken. - -De paardebloem (34) krult zijn omwindselblaadjes omhoog, zoodat al de -gele bloempjes tegelijk worden ingepakt en ’t madeliefje (35) gedraagt -zich op dezelfde manier. De mooie frissche lichtpaarse -Pinksterbloempjes buigen hun bloemstelen, zoodat de opening van de -bloem naar beneden wordt gericht; zoo doen ook de boterbloemen. Doch de -klavers en de wikken slapen ’t hevigst, die vouwen al hun blaadjes -samen en als ’t kan, dan wordt de bloementros daaronder weggeborgen. - -Ze gaan te ruste op zeer ongelijke tijden, de meeste nog al vroeg, voor -zonsondergang reeds. ’t Is wel aardig, daar eens gedurende een zomer -aanteekeningen over te maken. De bijzonder oplettenden mogen ook eens -uitzien naar het slapen der grassen. Terwijl ge daarnaar uitkijkt, -vindt ge stellig ook weer een aantal slapende vlinders, net bleeke of -bruine blaadjes, die uit den stengel zijn opgegroeid, dat zijn vlinders -en die zijn meestal zoo diep in den dut, dat ge ze met plant en al naar -huis kunt dragen, zonder dat ze ontwaken. - -Intusschen zijn we bij onze zuringen beland en met een beetje geluk -vinden we de vuurvlinderrupsjes, net kleine verroeste pissebedjes. Ze -hebben ook alweer de lastige gewoonte, om zich zoo maar te laten vallen -als ze gevaar bespeuren en ’t kost ons nog heel wat moeite, om er een -paar te bemachtigen voor onze rupsenkweekerij. Vindt ge nog andere, -grootere of grauwe rupsen, neem die dan ook maar mee, de vlinders -daarvan ontmoeten we in ’t volgend hoofdstuk. - - - - - - - - -IV. MET DE MAAIERS. - - -Luid ratelt de maaimachine door ’t hooiland. De zwaluwen zwermen er om -heen en vinden een gemakkelijke en rijke buit in ’t gewriemel van de -wolken van vliegen en mugjes, die uit het vallend gras worden -opgeschrikt. Boven de zwaluwen staan hoog in de lucht de jammerende -kievieten, grutto’s en tureluurs, die hun jongen bedreigd zien, of die -zelfs nog een laat legsel te bebroeden hebben. - -Wij maken het dien vogels niet gemakkelijk. Tot den eersten Mei mogen -ze volgens de wet van hun eieren beroofd worden, en als ze dan goed en -wel eindelijk rustig opnieuw een poging meenen te kunnen wagen, komt -die maairamp. Geen wonder, dat dan velen het opgeven en die trekken dan -naar de duinen en heide, om daar nog eens opnieuw een kansje te wagen. - -Zoo komt het dan, dat wij menigmaal in de Julimaand de kieviet of de -grutto nog broedend vinden op hooge heete duinhellingen. Maar het -ergste is nog, dat de honderden van jonge vogels uit hunne -schuilplaatsen worden verdreven en zoo zij al niet vernield worden door -zeis of maaimachine, gevaar loopen van gemakkelijk overweldigd te -worden door roofvogels, hermelijnen, bunsings, ratten, egels en -spitsmuizen, om niet eens nog te gewagen van de boerenkatten of -schijnheilige ooievaars. - -Dat is allemaal heel treurig, maar er is weinig aan te doen. ’t Is -onvermijdelijk, dat de beesten in ’t gedrang komen. Je zoudt eigenlijk -een soort van vluchtheuveltjes moeten aanleggen, waar de maaier niet -komen mocht. - -De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten probeert zoo iets. Zij -heeft op ’t eiland Texel in het midden van den rijken hooipolder Waal -en Burg een stuk hooiland gekregen, groot zeven hectaren. Daar wordt nu -pas gemaaid, eenige weken nadat de rest van den polder gemaaid is, -zoodat gedurende dien tijd alles wat op de kale velden zich onveilig -waant, bij ons een schuilplaats vinden kan. - -Verleden zomer ben ik daar eens gaan kijken. Ons stuk lag nog in rust, -maar overal elders in den polder waren ze druk aan ’t hooien. Het was -een lust, om nu in „De Steert”, zoo heet ons bezit, naar jonge vogels -uit te zien. Het zat er letterlijk vol van. In iederen vierkanten meter -vond je een jonge vogel weggedoken; meeuwen, sterntjes, kievieten, -tureluurs, grutto’s, kluiten, pleviertjes, kemphanen (54), van heel -jong af tot bijna vlug. De ouden kwamen ze behoorlijk opzoeken en -voeren. Aan den oever van een plas, vlak in de buurt dartelden al -eenige honderden jongen rond, die al op eigen beenen konden staan en -met een week of drie hun eerste reis naar verre streken zouden -aanvaarden. - -Natuurlijk is het voor die waadvogels en zwemvogels nog al gemakkelijk, -om aan het gevaar te ontkomen; ze kunnen loopen, zoodra ze uit ’t ei -komen, of ten minste een korten tijd daarna. ’t Komt er dus alleen maar -op aan, of er een veilige schuilplaats in de buurt is. - -De leeuweriken, piepers en kwikstaartjes hebben het echter moeilijker -en daarvan gaat ook menig broedsel verloren. Intusschen heeft men -waargenomen, dat bij ’t naderend gevaar de oude vogels met hutje en -mutje verhuisden en heel cordaat hun jongen wegsjouwden naar betere -oorden. Wie in de gelegenheid is, om dergelijke avonturen bij te wonen, -moet niet verzuimen er op te letten. - -Natuurlijk hebben de planten nog meer van ’t maaien te lijden dan de -vogels, doch daar denkt niemand om. Toch heb ik wel eens spijt, als ik -de mooie hooge ganzebloemen (89) zie vallen en de blauwe -ooievaarsbekken. - -Gelukkig zijn de meeste er op berekend, om zoo’n zomerschen tegenspoed -te boven te komen. Sommige hebben juist tegen dien tijd hun zaden -gerijpt, andere hebben het voornaamste deel van hun lichaam onder den -grond en vervangen het afgemaaide gedeelte weer door nieuwe spruiten, -’t zij nog in denzelfden herfst, ’t zij in ’t volgend voorjaar. - -De schok van de machine, de stoot van de zeis rukt de bepluisde -vruchten los van paardebloem (36) of boksbaard (97) en op hun groote -parachuten zweven die zelfs met het zachte zomerkoeltje nog honderden -meters ver en kunnen juist op de afgemaaide plekken gemakkelijk den -grond bereiken, waar hun zaden zullen ontkiemen. - -De paardebloem is ieders vriend, de konijnen smullen van zijn sappig -lof, leverzieke menschen eten zijn molsla op hoop van beterschap, -kinderen maken kettingen en krulstukken van zijn stengels, allerlei -gedierte gaat te gast op zijn bloemen. Alleen het proper renteniertje -verwenscht de plant, omdat hij hinderlijk wordt in ’t gave gazonnetje -van den tuin. Om dezelfde reden haat hij de smalbladige weegbree (90). - -Maar meer nog houd ik van de boksbaard (97), hoofdzakelijk alweer, om -de herinnering aan mijn kinderjaren, maar toch ook wel om zijn -botanische eigenschappen. Toen wij jongens waren van een jaar of tien -hadden wij nog al eens reden, om ons te beklagen over de hardhandigheid -van ouders of onderwijzers, die ons meestal verkeerd begrepen. Zij -meenden het niet te mogen billijken, wanneer wij eens in een speelsche -bui een heusche ezel in de school dreven of wanneer wij op ons eigen -houtje wegbleven van catechesatie. Dat liep dan meestal uit op -strafwerk of vermaningen, of op wat wij altijd nog het beste begrepen -en waardeerden: een flink pak slaag. - -Daartegen kwamen wij dan weer in verzet en wij stichtten een soort van -club, om vrij te leven en onafhankelijk van onze ouders in ons -levensonderhoud te voorzien. We wilden ons eigen kostje ophalen en in -den zomer ging dat ook tamelijk wel en hielden we reusachtige -maaltijden van aardappelen, gebraden onder de asch, wilde aardbeien, -min of meer toebereide paling, die we zelf hadden gevangen, en ook heel -veel boksbaard. - -Die noemden we toen geen boksbaard, maar koekoeken en wij aten de heele -plant, rauw. De melkrijke wortel werd van zijn zwarten schil ontdaan en -de jonge malsche zijtakken waren al dadelijk eetbaar en smaakten -overheerlijk, zoet en sappig en geurig. Ik geloof eigenlijk, dat de -boksbaard ook wel echt als groente gekweekt is; in ieder geval is hij -zeer na verwant aan de schorzeneeren. Bij Grave groeide hij veel, -zoover de vette Maasklei reikte en we hebben er honderden van -opgepeuzeld; met de gepiepte aardappelen was het de voornaamste spijs -in onze rooverskeuken. - -Natuurlijk is onze club verloopen, zooals ’t met alle clubs ten slotte -gaat. Ook hebben onze ouders nooit gemerkt, dat we buitenshuis veel -aten; er kon altijd nog wel meer bij. Doch nu, bijna veertig jaar -later, peuzel ik nog dikwijls een versch spruitje van onze oude -koekoeken op. - -Ik ben anders niet zoo heel erg meer ingenomen met het kauwen van -grassprietjes, het eten van graankorrels uit de aar en dergelijke -liefhebberijen. Het is namelijk bij die gelegenheden mogelijk, dat je -schimmelkiempjes in je krijgt, die zeer gevaarlijke ontstekingen teweeg -kunnen brengen. Je krijgt dan een soort van veeziekte, die -straalschimmel heet en dikwijls een doodelijk verloop kan hebben. -Vergenoeg je daarom maar liever met de gebruikelijke eetwaren. - -Ook zonder al die snoeperij is de boksbaard nog altijd een weideplant -van den eersten rang. Zijn stengels en bladeren, knoppen en bloemen, ze -zijn allemaal even mooi van vorm en kleur. De open bloem is veel -levendiger dan de paardebloem, doordat het aantal der afzonderlijke -bloempjes niet zoo groot is, terwijl de donkere meeldraden mooi -afwisselen met ’t helder geel. - -En ’t aardigst van alles is wel de omstandigheid, dat de bloem alleen -open is gedurende de morgenuren; na twaalven vind je maar zelden nog -een open boksbaardbloem. Hij heet dan ook zeer gepast „morgenster” en -de Engelschen noemen hem: „John go to bed at noon” of ook wel „nap at -noon”, wat je zoudt kunnen vertalen door middagdutter. - -Waarom die bloem zich nu zoo gedraagt, dat weet niemand, ’t is alweer -een van de vele duizenden bijzonderheden uit ’t leven der bloemen, die -wij nog hebben te onderzoeken. ’t Komt er alleen maar op aan, om de -zaak op de goede manier aan te pakken. Doch er is geen enkele winkel -waar ze eieren van Columbus verkoopen. - -We zien nog eens uit naar andere hooge bloemen, die moeten vallen onder -de zeis. In de allerbeste weilanden, die de hoogste pacht opbrengen, -staan de minste mooie bloemen; ’t is daar voor meer dan 90% gras, en -dat is maar goed ook. De middelsoort hooilanden echter zijn al bonter -en als die bontheid afkomstig is van klaversoorten, of wikken dan is -zij nog zeer welkom. - -Wat is die vogelwikke (69) een prachtige plant met zijn fijn verdeelde -bladeren en de rijke trossen van paarse vlinderbloempjes. - -Een van mijn allermooiste herinneringen is die aan een ritje in den -regen, dat ik verleden zomer deed langs een hoogen dijk op Texel. ’t -Was vlak voor den hooitijd en de hooilanden van Westergeest waren op -zijn mooist: geel van de boterbloemen, rood van de zuring maar bovenal -blauw van de wikke, zoo diep blauw, dat ik moest denken aan de -bloemenpracht van Zwitserland. - -Ik ben toen naar den eigenaar van dat hooiland gegaan, om hem te -vragen, wat voor wikkesoort hij daar gezaaid had, of wat voor -kunstgrepen hij had verricht, om ze zoo mooi te krijgen, doch kreeg tot -mijn groote vreugde geen ander bescheid, dan dat het de gewone -vogelwikke was en dat het land geen enkele bijzondere bewerking had -ondergaan. De edele vochtige Texelsche lucht, de zon, die daar door -geen rook of stof wordt verduisterd, hadden die bloemen hun diepe tint -geschonken. Zelfs de kleine gele klavertjes, steenklaver en hopklaver -(30) maken daar nog een heel dappere vertooning. - -Ook het gedoornd stalkruid (71), dat nu juist niet zoo’n graag geziene -gast in de weiden is, heeft er veel mooiere en kleuriger bloemen. Wie -dat niet gelooven wil, moet het zelf maar eens gaan zien, ge behoeft -niet te denken, dat ik Texel voorspreek want ik ben eigenlijk een -Limburger en houd dolveel van ons heele land, Noord, Oost, Zuid en -West. - -In Oost-Nederland geven de weiden op plantkundig gebied wel eens -verrassingen. In Limburg langs de Maas vond ik heele weiden bedekt met -mooie langstengelige sleutelbloemen (19) en met Haarlems klokkenspel -(68), dat hier veel meer de klokjesvorm vertoonde dan bij Haarlem, want -zijn bloempjes waren enkel. Elders weer groeit de mooie -weide-ooievaarsbek, die wel een meter hoog wordt en in Juli zijn rijpe -zaden ver in ’t rond slingert, of ook wel de salie (81) met zijn mooie -blauwe mecaniekbloemen. - -Dat is weer een bloem, om mee te spelen, maar ook om je over te -verwonderen. ’t Is een lipbloem, dus familie van de doovenetel, en de -hondsdraf. Nu hebben die lipbloemen of labiaten in den regel vier -meeldraden, maar die salie heeft er twee en dan nog heel gekke. In -plaats van een gewoon gevormde helmknop, draagt iedere helmdraad een -soort van wip. Op ’t eene eind van die wip zit een goed, -stuifmeelhoudend helmknopje, aan ’t andere eind is niets anders dan een -kleine verdikking of verbreeding. - -Nu komt er een hommel om honig. Hij steekt zijn kop in de bloem, want -hij moet nog al ver reiken, om met zijn langen tong den diep liggenden -honig te bereiken. Doordat hij buitengewoon vlijtig is en ook min of -meer zwak van gezicht, heeft hij geen erg in de onderstukken van de wip -en daar bonkt hij nu op zijn onbeholpen hommelmanier tegen aan. De wip -gaat nu wippen met dit gevolg, dat ’t andere uiteinde, dat met ’t -stuifmeelhoudende helmknopje, uit de bloem naar voren wipt en naar -beneden en ten slotte met een vaartje terecht komt op den harigen rug -van den hommel, die zoodoende met stuifmeel wordt bepoeierd. - -Al die Saliehommels krijgen zoodoende bestoven ruggen. Intusschen -groeien ook de stijlen van de bloem uit, die worden heel lang en -boogvormig zoodat de stempels juist komen te staan midden voor den -ingang van de bloem, precies waar de hommel langs moet schuiven als hij -naar binnen wil. - -Zoo krijgt dan die stempel stuifmeel in overvloed, de zaden kunnen zich -gaan vormen en de salie kan zich uitzaaien. Toch komt de plant nergens -in grooten overvloed voor, ’t is, of de kiemplantjes geen gelegenheid -hebben, om zich behoorlijk te ontwikkelen. Erg is dat niet, want ik -geloof niet, dat ’t vee bijzonder belust is op die droge bittere -kruiden. - - - -Als al die mooie bloemen in vollen bloei staan, dan dansen op -windstille dagen duizenden vlindertjes boven de bonte wei. Zoo gauw het -een beetje waait, of erger nog, als de regen gaat striemen, dan zijn ze -opeens verdwenen. - -Wie dan eens gaat zoeken, kan aardige dingen te zien krijgen. Wij zijn -eigenlijk veel te veel geneigd, om bij „leelijk weer” in huis te -blijven. Eigenlijk bestaat er geen leelijk weer, vooral niet voor -gezonde en frissche jongelui, die zich verheugen in ’t bezit van goede -klompen of waterdicht schoeisel. - -Misschien is dat ook niet eens noodig. Een nat pak hindert niet. -Wanneer je maar weer bijtijds een droog pak kan aantrekken na je ferm -te hebben afgewreven zijn een aantal natte pakken op den duur zelfs te -verkiezen boven nooit heelemaal geen nat pak. - -De vele honderden gietbuien, die al over mij zijn uitgestort, hebben -mij nooit gedeerd. Wel ben ik doodziek geworden, toen ik eens een -winter bijna niet buiten kwam en aldoor maar binnenshuis hard zat te -werken tot laat na middernacht. Toen ik weer beter was, waarschuwde de -dokter mij, dat ik weer zou instorten, als ik nat regende. - -Natuurlijk kreeg ik toen een week daarna een gietbui te verduren, -terwijl ik rondwandelde tusschen de beide Slufters, ergens op het -Texelsche strand, een uur ver van de naastbijzijnde woning. Ik schrok -wel een beetje, doch stapte maar gauw naar De Koog, dronk een paar -koppen heete thee, leende een droge jekker en liet me vlug naar Den -Burg rijden. Uitkleeden, afwrijven, Zondagsche pak en klaar was Kees. -Alleen keken mijn vrienden de Texelaars een beetje vreemd, doordat ze -me midden in de week met een gekleede jas zagen rondloopen, dat waren -ze niet van me gewoon. - -Na dien tijd ben ik alweer ik weet niet hoe dikwijls kletsnat geregend, -doordat ik de waarschuwingen van den barometer en van mijnheer van -Beukenslot in den wind had geslagen en nog vaker ben ik, maar dan -behoorlijk toegerust, er op uit gegaan, juist, om eens te zien, hoe de -planten en de dieren zich gedragen, wanneer het volgens sommige -menschen „leelijk weer” is. - -’t Allereerste, wat je treft is, dat ze om zoo te zeggen lang niet zoo -gauw hun paraplu opsteken als wij, enkele fijngevoelige uitgezonderd. -Als ’t volgens ons vrij hard regent, is ’t voor hen nog mooi weer. - -De eereprijsjes houden nog lang hun blauwe kijkertjes open, zonder te -knipoogen. De hommels en bijen gaan onverstoorbaar hun gang en vogels, -die aan ’t zingen waren, zingen lustig voort; er zijn er wel, zooals de -zanglijster, de merel en de groote lijster, die tegen de bui in al -luider en luider gaan zingen. - -Als ’t nu wat lang aanhoudt, komt er verandering. Het eerst gaan de -vlindertjes schuil en alleraardigst is het, om te zien, hoe slim ze -zich weten te beschutten. De mooie blauwtjes (117) en de gele -hooibeestjes (128) vinden al voldoende beschutting door aan de lijzijde -van een grasblad te gaan zitten, hun vleugeltjes stijf omhoog tegen -elkaar gedrukt. Ze zijn dan zoo smal als een mes en schuilen letterlijk -tusschen de droppels. - -Andere zoeken het wat dieper, en als er langs de wei hagen of boschjes -te vinden zijn, dan fladdert alles daarheen om aan den drogen kant van -boomstammen of takken of onder de groote bladeren van klis en wilde -zuring een schuilplaats te zoeken. Je vindt dan heel vreemde gezellen -bij elkaar. - -Ik weet altijd wel een stuk of wat hommelnesten en wespennesten (125) -en amuseer mij dan dikwijls met toe te zien, hoe in een flinke regenbui -alles holderdebolder naar ’t nest komt vliegen. Heele troepen -geel-met-zwarten komen dan uit de lucht vallen, meer dan er in eens -door ’t vlieggat naar binnen kunnen gaan en dan krijg je voor den -ingang een formeel gedrang van kletsnatte werkstertjes. - -Eindelijk houdt het op, maar dan zijn ze nog niet allemaal binnen; wie -wat te ver van huis door de bui overvallen zijn, zitten dan in -gezelschap van allerlei lotgenooten uit te blazen onder het klissenblad -in de heg. Daar zitten nu de vlindertjes van de wei, de zandoogjes en -de knollewitjes (12) broederlijk naast vlindertjes van de heg, de -hagedoornvlinder (137) en ’t gele distelvlindertje (136). Als je nu -rondkijkt in de wei, dan is er veel veranderd. Madeliefjes en -paardebloemen hebben zich gesloten, de pinksterbloemen hebben hun -nachtstand aangenomen, de eereprijsjes hebben ook hun bloemsteeltjes -gebogen en de bloemkroontjes van den derden dag zijn door den schok van -de regendroppels afgevallen. - -Merkwaardig is het, dat maar heel weinig planten nat worden. Het blijkt -nu, dat de meeste een oliejasje dragen of een harig kleed, waar ’t -water wel in droppels aan kan blijven hangen, maar bij ’t minste -stootje wordt afgeschud. Haast iedere plant heeft daarvoor zijn eigen -maniertje. - -De vogels, die eieren of jongen hadden, zijn bij ’t feller worden van -de bui dadelijk naar ’t nest gesneld. Daar zitten ze nu, den kop -ingetrokken, de borstveeren een weinig naar voren geheven, de vleugels -even afhangend en zoo vormen ze een volmaakt dak, waarlangs de regen -afgudst, op veiligen afstand buiten het nest. - -O, dat is zoo mooi. Is de bui niet al te streng, dan zitten ze nog -gelaten rond te kijken, maar als ’t hagelt, dan knippen ze met de -oogen, of ze doen hun oogen heelemaal dicht. Je ziet dan de -hagelkorrels veerkrachtig terugspringen van hun veeren. Er zijn er wel, -die zich laten doodhagelen op ’t nest, andere geven het eindelijk op en -nemen de wijk, en dan sterven de jongen een ijzigen dood. Toch is ’t -zoo ’t beste, want dan kan de oude vogel, als ’t nog tijd is, weer een -tweede broedsel grootbrengen. - -Zoo gauw de hemel opklaart, komen alle vluchtelingen weer voor den dag. -Op stille plekjes kan het dan wemelen van vlindertjes, al heb ik dat in -ons land dan ook nog niet zoo mooi gezien als op sommige Zwitsersche -weiden, waar heel dikwijls meer vlinders dan bloemen zijn, en dat wil -heel wat zeggen, want aan bloemen is daar heusch geen gebrek. - -Toch kan het bij ons ook nog al schikken, maar die vlindertjes van de -wei zijn op enkele uitzonderingen na lang zoo bont en kleurig niet als -de vlinders van wegzoom en boschkant, zooals de vannessa’s en page’s. -Ze zijn meest bruin en geel van kleur, hun voornaamste sieraad bestaat -hierin, dat ze op de vleugels een of meer ronde zwarte vlekjes hebben -met een wit kerntje in ’t midden, soms ook met een kringetje er om heen -en aan deze bescheiden tooi hebben ze dan den naam van zandoogjes te -danken. ’t Is heusch de moeite wel waard, ze te leeren onderscheiden. - -Eén soort is er, die heeft niet minder dan vier duidelijke oogjes op de -achtervleugels en nog twee op de voorvleugels en ’t lijkt ons volkomen -in den haak, dat een zoo veeloogig vlindertje in vele talen den naam -van argusvlinder (106) draagt. Hij houdt van licht en zon en is -waarschijnlijk in verband daarmee meer oranje dan bruin, in -tegenstelling met zijn verwant, het bonte zandoogje (108), die van de -schaduw houdt en somberder van tint is, terwijl hij zich meestal -tevreden moet stellen met niet meer dan een drietal oogjes op elken -achtervleugel. ’t Moet echter gezegd worden, dat de oogjes vaak weer -heel mooi met wit zijn omzoomd. - -De andere zandoogjes moeten het met nog minder oogjes stellen, althans -op de bovenzij van de vleugels. Het koevinkje (104) heeft er nog vier, -op elke vleugel een, soms zelfs tweemaal zooveel, maar het bruine (135) -en het oranje zandoogje (103) kunnen meestal op niet meer bogen, dan op -één oog op elken voorvleugel. - -Ik wensch u van harte toe, dat ge al deze zandoogjes eens te zien -krijgt en ge kunt ook wel eens uitkijken naar de rupsen, doch die -houden zich overdag schuil. Ze zijn grijs of groen of okerkleurig met -donkere lengtestreepen, ’s nachts komen ze aan ’t gras knagen en als ze -verpoppen, dan komen ze met het spitse uiteinde van de pop te hangen -aan de onderzijde van een grasblad. - -Het meest gewone grasvlindertje is het hooibeestje (128), dat ook bij -de zandoogjes behoort, maar zijn oogjes, één op elken voorvleugel, zijn -meestal alleen maar te zien aan den onderkant van de vleugels. Den -heelen zomer door vliegt dit diertje in de wei, van Mei tot in -September. De rupsen, groen, met donkere zijdestreep, zijn al eerder te -vinden, ze komen in Maart al uit de eieren, die door de -Septembervlinders gelegd zijn. - -De hooibeestjes van Mei sterven spoedig, doch dan hebben ze al eitjes -gelegd en daaruit ontstaan de vlinders, die in Augustus en September -vliegen. De vlinders, die in Juli vliegen, zijn wellicht afkomstig van -eitjes van Septembervlinders, die wat laat uitkomen. Zoo krijg je dan -in den loop van een zomer driemaal een versche voorraad hooibeestjes. - -Soms vindt ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes -grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige -blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan -buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die -heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien -ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval -hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes (115). - -In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele -beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest -twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een -zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op -de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op -oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje (116), doch -ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag -na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om -te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan -uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven, -zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eens eentje vind en zie -hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de -grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet -zoo’n wanhopigen stumper. - -Er vliegen ook groene vlindertjes door de wei en als die gaan -stilzitten, dan zijn ze opeens uit het oog verdwenen. De twee, die ’t -meest voorkomen, zullen wij maar noemen het groote groentje (118) en -het kleine groentje (126); ge vindt ze ’t meest, waar veel -vlinderbloemen in ’t hooiland staan, want daar leven hun rupsen op. - -Ge zoudt al licht denken, dat de rupsen van al deze vlinders heel wat -schade in het hooiland doen, doch dat valt nog al mee; ik heb nog nooit -over de blauwtjes, de vuurvlindertjes, de zandoogjes, de hooibeestjes, -de dikkopjes of de groentjes hooren klagen. - -Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In -huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk -groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust -eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij -twee prachtige gele achtervleugels met een breeden zwarten streep er -over heen. - -Dit is de huismoeder of geelbanduil (138), je ziet hem ’t meest in -zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine -vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder -legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren, -honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er -geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al -die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort -komen. - -Toch is deze geelbanduil nog lang de ergste niet; hij heeft een -verwant, de uil van de aardrups en dat is een van de allerschadelijkste -rupsen, die er zijn. Die rups verschuilt zich overdag in den grond, -maar in plaats van dan behoorlijk een dutje te doen, knaagt hij aan de -graswortels en aan de onderaardsche stengels en wanneer de avond daalt, -dan komt hij te voorschijn, om ook nog een groen blaadje te peuzelen. - -Gelukkig dat het maaien zelf een middel brengt tegen deze plaag. Zoo -gauw het gras in rijen ligt komen allerlei vogels tusschen het zwad -gebruik maken van de gelegenheid. De torenvalk (113) komt er den heelen -dag muizen (142) vangen. Een boschvogel, de groene specht (114) komt er -de mierennesten uitpikken. De zwarte aaskever (9) komt om larven en -slakken. De roeken (60) leiden er hun kroost heen dat juist vlug begint -te worden. Ook komen heele zwermen jonge spreeuwen (49) opzetten, nog -heelemaal in ’t grijze jongenspak en zonder een enkel sprankje van den -glans, waarmee ze later zullen pronken, terwijl hun ouders al beginnen -het witgespikkelde winterkleed aan te trekken (51). En in de hooilanden -aan den zeekant komen goudplevieren in zomer en in winterkleed (57 en -58), langbeenige grijze grutto’s (59) en wulpen bij twintigtallen -rondstappen over de kaalgeschoren vlakte. Al die vogels zijn trouwe -vrienden van den boer, want den heelen langen zomerdag en een goed deel -van den nacht doen ze niet anders dan insecten en ander schadelijk -gedierte zoeken en verdelgen, zoowel onder als boven den grond. - - - - - - - - -V. ETGROEN. - - -Het hooi is van ’t veld. De lange reepen, waar ’t gras lag te drogen en -de cirkelronde plekken, waar de hooiroken stonden, zijn weer -bijgekleurd, alles is weer effen groen. Haast al te groen, in ieder -geval te weinig bont. Wat verschilt de grasvlakte van Augustus van die -in Mei. In de groote vacantie ziet het weiland er dan vaak ook veel -kleuriger uit dan ’t hooiland, want tong en tanden van de koe ontzien -toch nog altijd meer dan de zeis van den maaier. De koe moet niets -hebben van boterbloemen, brandnetels of distels, die zijn hem te giftig -of te scherp en als de boer ze zelf niet opruimt, dan laat de koe -tevreden toe, dat ze zich in alle weelderigheid ontwikkelen. Ik heb van -de koeien in onze weiden nooit iets anders ondervonden dan -vriendelijkheid en belangstelling. Soms werd die belangstelling wel wat -opdringerig, maar je moet altijd den aard van ’t beestje in aanmerking -nemen en ze beoordeelen naar hun dagelijksch leven. En als je dan -midden in een weiland met koeien gaat zitten teekenen, dan moet je je -niet erover verwonderen, dat binnen tien minuten de heele cavalcade om -je heen komt staan, want ze zijn haast net zoo nieuwsgierig als een -mensch en hebben in hun wei weinig afwisseling. - -Ze dringen hoe langer hoe meer op, één schuift zijn witten snoet vlak -langs je oor vooruit en snuift dan eventjes kort en hoorbaar en zoo -hevig dat de bladen van je schetsboek omdwarrelen als in een -wervelwind. Ze hebben allerlei schichtige bewegingen en als je al die -pooten om je heen ziet, dan komt onwillekeurig de gedachte op, dat je -daar wel eens een trap van zou kunnen oploopen, maar daarvoor zijn die -dieren toch veel te goedig en voorzichtig. - -Ook zijn ze lang zoo schooierig niet als de Zwitsersche koeien, die je -altijd naloopen, bedelend om zout. De onze hebben zout genoeg, dat zit -in Holland om zoo te zeggen in de lucht, alleen de kalveren, als echte -kinderen, hebben nooit genoeg en die kun je dan wel eens trakteeren, -door ze even aan je hand te laten likken. Maar in ’t Berner Oberland -hebben we ons wel eens met steenworpen moeten verdedigen tegen een -bende geiten, die kwamen om zout en gezelligheid. - -Een stier is altijd min of meer gevaarlijk, je moet nooit door een -weiland gaan waar stieren los loopen. Op een keer—’t is nu al haast -dertig jaar geleden—zocht ik naar witte orchideeën in de weilanden -tusschen Muiden en Muiderberg, niet de witte welriekende, maar witte -vormen, albino’s, van de gevlekte orchis. Toen ik niet gauw vond, wat -ik zocht, waagde ik het erop, om ook even een kijkje te nemen in een -weiland, waar een stier liep, ’t was een rood stiertje. - -Ik klom het damhek over en ging heel bedaard mijn planten zoeken, net -alsof er geen stier in de wereld was. De stier van zijn kant deed even -argeloos, maar opeens hoor ik een zacht tevreden geloei en toen ik -opkeek begreep ik, dat ik in den val zat; hij was zoo om mij heen -gedraaid, dat mij de terugtocht naar het damhek geheel was afgesneden. -En nu kwam hij op een sukkeldrafje op mij af, keurig netjes loopend, -zijn stevig kopje met de kleine horentjes mooi recht omhoog. Of ik aan -den haal ging, en hij snuivend achter mij aan. Gelukkig was ik nog al -vlug in die dagen en niet bang voor een sloot van drie meter breed en -ik kende daar den weg. - -Ik rende dus naar die sloot, vloog er over, kreeg een neusjebloed -doordat mijn plantenbus door de schok over mijn hoofd heenslingerde, -maar had de voldoening goeden middag te kunnen zeggen tot het stiertje, -dat aan den anderen kant tot zijn enkels in den kantmodder was gezakt -en daar nu stond te brullen, terwijl hij met zijn staart de maat -zwiepte. Toen trok hij een voor een zijn pooten uit den modder en ging -heel tevreden wat grazen. - -Sedert dien tijd ben ik niet vrij van stierenvrees en ik heb een groote -bewondering voor de boeren en boerenkinderen, die voortdurend met die -woestelingen weten om te gaan. - -Rammen zijn al niet veel beter dan stieren, ofschoon niet zoo doodelijk -gevaarlijk. Op Texel liep ik eens, ondanks de waarschuwing van -menschen, die ’t beter wisten, door een weiland, waar een ram stond, -gelukkig een ongehoornde. Ik stapte vroolijk door, met een bloemrijk -boschje in ’t verschiet, toen ik opeens mijn beenen onder mij voelde -verdwijnen en ik lag op mijn rug. - -De ram was in volle vaart om zoo te zeggen vlak onder mij doorgeloopen. -Waarschijnlijk echter had hij mijn gewicht overschat, tenminste hij kon -niet bijtijds zijn vaart stuiten, om om te keeren en bovenop mij te -gaan dansen, zooals dat het gebruik bij rammen is. Ik was weer gauw op -de been, rende weg uit alle macht, sprong over een dam met prikkeldraad -en kwam vrij met een paar winkelhaken. Meer griezeligheden heb ik niet -beleefd, maar ’t is zoo al welletjes. Van koeien of kalveren heb ik -nooit anders ondervonden dan plezier en genoegen. - -Ik heb respect voor hun plantenkennis. Wat weten ze precies de -lekkerste grassoorten uit te zoeken en als je nu in de groote vacantie -hun weiland bekijkt, dan kun je net zien, wat ze niet lusten. ’t Is -heel kluchtig, hoe ze soms het weiland heel kort afgrazen, maar overal -de boterbloemen (32) laten staan op hooge spichtige stelen. ’t Gekste -is, dat ze diezelfde boterbloemen wel eten, als ze verdroogd tusschen -’t hooi zitten. Of dan echter de giftigheid van de boterbloemen is -vervlogen, dat zou ik niet durven beweren, ’t is even goed mogelijk, -dat de koe de droge kruiden niet zoo goed proeft als de versche. - -Distels en doorns kunnen in ’t hooi heelemaal niet gebruikt worden, -daarom worden ze door de landbouwers dan ook uit alle macht bestreden. -Merkwaardig is het, hoe die distels er in slagen, om toch op een -ongenaakbaar plekje of in een verwaarloosd hoekje hun vruchten te -rijpen. Eén is er die zijn toevlucht ’t liefst zoekt op drassige -plaatsen, dat is de kale Jonker of moeras-vederdistel (93). ’t Is een -heel mooie plant, met veel rood en paars door ’t groen van stengels en -bladeren. De stengel is maar weinig vertakt, wordt kaarsrecht wel een -meter hoog en draagt aan zijn top veel mooie, donkerroode -distelbloemen. - -De akkerdistel (92) is van veel minder allooi, heeft veel stugger -stengels en kan er naar omstandigheden heel armoedig uitzien. Zijn -bloemen zijn doorgaans bleekpaars, soms donkerder maar ook heel -dikwijls bijna wit. Dit is de meest geduchte distel en zeer moeilijk -uit te roeien. - -In zandige streken, zoowel in de duinenstreek als in de heistreken, -groeit veel de knikkende distel (91), die is buitengewoon mooi; zijn -knikkende bloemhoofdjes zijn diep donkerpaars en wel zesmaal zoo dik -als die van de vorige soorten. - -’t Is een lust, die distels te zien bloeien en je mag zoo’n bloem ook -wel eens van heel nabij bekijken, al was ’t maar alleen om te zien, hoe -in de bloempjes die pas opengaan het witte stuifmeel uit het -helmknoppenkokertje geperst wordt. Dit laatste kun je nog mooier zien -bij de wammesknoop (94) die in al zijn taaiheid en kriebeligheid wel -wat van een distel heeft, doch een verwant is van de mooie korenbloem. - -En wat komen er een insecten op af. Soms zit de heele distelkop vol met -kleurige vlinders en dan lijkt hij in de verte een bloem van een heel -nieuwe soort. Ik heb het wel gezien dat op één enkele speerdistelplant -drie koninginnepages zaten met een parelmoervlinder, twee dagpauwoogen, -vier kleine aurelia’s en een vuurvlindertje. Dat was in den goeden -tijd, toen er nog overvloed van vlinders was. Misschien wordt het nog -wel weer eens zoo. - -Maar niet alleen vlinders bezoeken onze distels, het wemelt er ook op -van hommels en allerlei soorten van wilde bijtjes en de knikkende -distel levert geregeld nachtverblijf aan de mannetjes bijen en hommels, -die geen ander nachtverblijf hebben. Ik heb al menig aardig mannetje -buitgemaakt door ’s avonds de knikkende distels af te zoeken. - -Tamelijk gauw zijn de distels uitgebloeid; ’t is mij menigmaal -overkomen, dat ik met mijzelf had afgesproken om insecten te gaan -zoeken op de bloemen van een distelveldje en dat ik, als ik er -eindelijk een vrij uurtje aan geven kon, niets meer vond dan grijze -vruchthoofden en geen enkele bloem. - -Toch is het wel de moeite waard, om ook dan eens een uurtje bij de -distels te toeven, want nu komen de puttertjes en kneutjes om er de -vruchten te eten. - -Puttertjes zijn er in ons land niet veel meer, doch kneutjes in -overvloed en die zijn in de groote vacantie ook nog mooi genoeg. Wat is -het heerlijk een troepje, een heel gezin, al kwetterend te zien komen -aanvliegen, het mannetje nog met fel rood kapje en mooi roode borst, de -anderen in eenvoudiger kleed, maar toch heel mooi met bruine -manteltjes, witte vleugelzoompjes en witte vlaggetjes in de staart. - -Onophoudelijk hebben ze elkaar wat te vertellen, terwijl ze rondpikken -in de distelkoppen, zoodat voor elk vruchtje, dat ze er uit halen, om -het te kraken tusschen hun dikke snaveltjes er drie andere de wijde -wereld ingaan, gedragen door het grijze vruchtpluis. Zoo worden de -distels wijd en zijd uitgezaaid en ieder jaar kan de boer van voren af -aan beginnen met ze uit te steken. Nu begrijpt ge meteen ook, hoe ’t -komt, dat tegen hekken en walletjes altijd distelgroepen staan; daar -toch hebben de vliegende vruchtjes de meeste kans van gestuit te -worden. - -Het hek geeft altijd verrassingen; ’t is of daar altijd een troepje -planten staat te hunkeren naar een plaatsje in de wei, maar ’t gras en -zijn kornuiten wil hen niet toelaten. ’t Is ook meestal nog al nederig -gespuis: die schooier van een steenraket (95), het herderstaschje, de -heksenmelk (131), het hoefblad, maar ook wel fraaier lieden zooals de -geurige honigklaver (77), de gevlekte doovenetel (82), de pastinaak -(72), de akkerwinde (29), de mooie scabiose (96) of de peen (122) die -zoo graag wordt bezocht door allerlei mooie insecten; ik heb er wel -eens tegelijk een gouden tor, een penseelkever en vele weekschildkevers -op gevonden. - -Penningkruid (121), zilverschoon (124) en vijfvingerkruid redden hun -bestaan door vlak bij den grond te blijven; de zeis gaat over hun hoofd -heen. Dat penningkruid kruipt zoo dicht langs den grond, dat zijn -groote gele bloemen haast onopgemerkt blijven, en toch zijn ze zoo -groot als een halve gulden, helder geel, dikwijls met vijf oranje -vlekken ontwikkelen zij zich tot krachtige planten, maar waar de grond -schraal is, daar blijven ze maar dun en spichtig, juist zooals de echte -paardebloem ook doet. Wanneer er gemaaid wordt, dan gaan ze er aan, -maar lang niet heelemaal, want de dikke wortel in den grond bevat -voedsel genoeg, om nog weer wat nieuwe bloeistengels te doen -ontspruiten. Zoo komt het dat drie weken na het hooien het land weer -heelemaal geel van de bloemen ziet. - -Iemand, die in zijn tuin een mooi gaaf grasperk wil hebben, staat met -deze planten op een niet al te besten voet, vooral ook, doordat ze nog -al groote bladrozetten hebben die vlak uit op den grond liggen en dus -leelijke plekken vormen in het mollige grastapijt. Het lijkt dan soms -wenschelijk, om ze uit te steken en ’t is werkelijk voor een liefhebber -een heel aardige bezigheid om vlug en handig met een scherp schopje de -rozetten los te steken. - -Je zamelt er dan al gauw eenige honderden in ’t uur bijeen en hebt dan -nog meteen de voldoening, dat je de eieren van de kleine grijze slak -blootlegt, die maar al te vaak heel veiligjes hun ontwikkeling -doormaken onder ’t beschuttend dek van de bladrozetten, beveiligd tegen -den onderzoekenden snavel van lijster of spreeuw. Ik heb wat een -plezier gehad, als ik met dat werk bezig was; de zanglijsters, -roodborstjes en heggemuschjes liepen formeel met me mee en betwistten -elkander de mooie glanzige, sappige slakkeneieren. - -’t Was ten slotte een heele voldoening, al die rozetten op een hoop te -zien liggen op het gereinigd gazon. Maar drie weken later zag alles er -weer veel erger uit. Want die onthoofde wortels hebben een griezelig -herstellingsvermogen, het zijn echte draken met zeven koppen. Iedere -onthoofde wortel maakt op de wond weer nieuwe knoppen en voor elk -rozet, dat je hebt uitgestoken, komen er een stuk of wat nieuwe in de -plaats. Tegenwoordig laat ik ze dan ook maar groeien; alleen als ze -flinke sterke bloeistengels hebben ontwikkeld, dan pak ik ze daaraan -beet en trek dan de plant met wortel en al uit den grond. Dit is -afdoende. - -Toch mag ik die planten graag lijden, als ze me maar niet in den weg -staan. Ze verschaffen nog heel wat honig en stuifmeel aan de bijen, als -er op hei en boekweit niets meer te halen valt en ze hebben ook weer -heel aardige gewoonten van zich te openen of te sluiten, al naar de -gelegenheid van weer of wind of den tijd van den dag, juist zooals bij -de boksbaard. - -Behalve het geel van de boterbloem vertoonen de Augustus-weiden nog -ander geel en wel van tweeërlei slag van planten, al naar de manier -waarop ze den zeis van den maaier weten te overleven. Tot de eerste -groep behooren het biggekruid (100), de herfstpaardebloem (99) en de -thrincia (102), tot de tweede penningkruid (121), zilverschoon (124) en -vijfvingerkruid. - -De herfstpaardebloem en zijn kornuiten lijken wel wat op de gewone -paardebloem, maar ze missen den mooien, gladden, hollen bloemstengel; -ze zijn grover, harder en meer vertakt. Maar ze zijn even krachtig en -opgewassen tegen allerlei tegenspoeden. - -Ze willen wel groeien op iedere grondsoort. Is de bodem vet en -weelderig, dan in ’t hartje, op de manier van de primula’s, waar ze -trouwens ook mee verwant zijn. - -In prachtige lange slingers groeien ze tusschen ’t gras, de mooie ronde -groene blaadjes twee aan twee langs den stengel, daar hebben ze dan ook -hun naam aan te danken. Ze leiden een tamelijk vergeten bestaan, door -insecten worden ze maar weinig bezocht en rijpe, kiembare zaden brengen -ze slechts zelden voort. Dat vergoeden ze echter weer, door maar overal -heen te kruipen en wortel te slaan. - -De zilverschoon is ook zoo’n kruiper, maar die doet het nog handiger. -Deze plant maakt takken, heel dun en bladerloos, die heel snel over den -grond voortschieten. Alleen aan den top van den „uitlooper” zit een -pruikje van kleine blaadjes. Is hij ver genoeg gekomen, hoe ver dat -hangt van de omstandigheden af, dan gaan die blaadjes uitspruiten, er -komen ook worteltjes, zoodat zich een nieuw plantje heeft gevestigd, -dat op zijn beurt ook weer een aantal uitloopers uit kan zenden naar -alle zijden en zoo ontstaat dan een heel warnest van -zilverschoonplantjes. - -De mooi geveerde bladeren zijn vaak zilverwit behaard, vooral aan de -onderzijde; hoe droger en zonniger ze staan, des te witter worden ze en -dan zijn de uitloopers meestal donkerrood. Op vochtige beschaduwde -plaatsen echter blijven bladeren en uitloopers groen; de bladeren zijn -dan meteen veel grooter, maar zulke planten dragen minder bloemen. -Alleen heel onoplettende menschen verwarren die bloemen met de -boterbloem, iemand, die maar een beetje uit zijn doppen kijkt kan -dadelijk bespeuren, dat de zilverschoon verwant is met de aardbei en -daardoor ook met de rozen. Hij is dus van heel hooge komaf. - -Wat vinden we nog meer voor bloemen in Augustus en September? Een -partijtje duizendblad (107), met bladeren heel fijn verdeeld, en -bloemenmassa’s die doen denken aan schermbloemen, maar ’t is al heel -gauw te zien, dat we in dit opzicht te doen hebben met zeer -bedriegelijke namaak. Wel staan al de „bloempjes” in hetzelfde vlak, -maar hun steekjes zitten heelemaal niet parapluachtig bij elkaar. - -En wanneer je de bloem terdege bekijkt en gaat zoeken naar meeldraden -en stampers, dan krijg je al heel gauw in de gaten, dat elk wit blaadje -een bloempje apart is en dat tusschen die witte straalbloempjes nog -weer heel kleine buisbloempjes zitten, ieder met zijn eigen stampers en -meeldraden. We hebben weer te doen met een lid van de groote familie -der samengestelde bloemen. - -Dit duizendblad komt na het maaien in groote menigte te voorschijn; -meest met witte bloemen, maar ook wel met rooskleurige of donkerroode -en die vind ik altijd heel graag. Wat die kleur precies te beduiden -heeft, dat weet ik niet; ik vind roode en witte vlak bij elkander en -kan ook niet ontdekken of de gekleurde soms meer door insecten bezocht -worden, dan de witte. Er zijn nog een heele boel dingen, die we niet -weten. - -Nu zie ik weer een groepje bloemen, waar we even bij kunnen gaan -liggen. Het zijn vlasleeuwebekjes(130), vroeger heetten ze „gemeene -vlasbek”, maar dat platte scheldwoord is nu gelukkig uit ons -plantkundig woordenboek geschrapt. Kinderen noemen deze bloemen wel -kanarietjes, om de aardige gele kleur. - -Dit zijn bloemen, die als ze zich geopend hebben, nog dicht blijven. De -bloemkroon is tweelippig, de onderlip drukt stijf tegen de bovenlip -aan, het mondje blijft stuurs gesloten. In de plantkunde noemen we -zoo’n bloem „gemaskerd” en als de lippen elkander niet aanraken, dan -zeggen we, dat de bloem „grijnzend” is. - -De bloemkroon van onze vlasleeuwenbekjes eindigt in een langen puntigen -zak, een spoor; als we door de bloem naar ’t licht kijken, zien we -duidelijk vloeistof daarin en ’t kost maar weinig moeite, om te -ontdekken, dat we te doen hebben met honig. Nu begrijpen we ook, waarom -die mooie kleine hommeltjes met gelen halskraag en rooden -achterlijfspunt zoo vlijtig deze bloemen opzoeken. Ze pakken onder het -neerdalen al de onderlip, drukken met hun kop onder- en bovenlip van -elkander en steken dan een heel lang tongetje uit, waarmee ze den honig -uit ’t diepst van de spoor kunnen oplikken. - -Er komen nog andere hommeltjes opdagen, die hebben een witter -achterlijfspunt en twee gele dwarsstreepen over hun zwarte lijf. Die -pakken de bloem heel anders aan, ze gaan op de spoor zitten, bijten -daar een gat in en krijgen daardoor al de honig, die ze anders nooit -hadden kunnen bereiken, want hun tong is te kort. - -Het spreekt van zelf, dat ze zoodoende niet in aanraking komen met -meeldraden of stempel en dus van geen nut zijn voor de bestuiving van -de bloem, daarom worden ze door de plantkundigen dan ook uitgemaakt -voor „inbrekers”. - -Het ergste is nog, dat allerlei korttongige snoepers met de brave -honingbij vooraan komen profiteeren van de gelegenheid, om door ’t gat, -dat de aardhommel heeft gebeten, den honig te komen oplikken, die door -de verminkte spoor nog voortdurend wordt afgescheiden. Ook de -smeerwortel (40) heeft veel van inbraak te lijden. - -Als ik vlasleeuwenbekjes zie bloeien, ga ik ook altijd zoeken naar -bloempjes met twee sporen of met nog meer, ’t mooiste zijn ze met vijf -sporen, maar die vind je niet zoo heel dikwijls. - -’t Is haast alles geel wat we vinden, ook alweer wat mooie agrimonia -(101), met kleine gele rozenbloempjes langs den hoogen rechten stengel -en rijpe vruchtjes die zich met fijne haakjes vasthechten aan onze -kleeren. Aan den slootkant staan hooge planten met veel gele bloemen -die herinneren aan primula’s. ’t Is de wederik (132), een hoog -opgeschoten broer van het kruipende penningkruid. Zijn bloempjes worden -nog al druk door insecten bezocht, vooral door bijtjes; er is een soort -van wilde bijtjes, die een zeer bijzondere voorkeur voor deze bloemen -hebben, waarom, dat weet niemand, maar dat maakt de zaak natuurlijk -dubbel zoo aardig. - -Eindelijk wat afwisseling! Aan den waterkant groeit heerlijke geurige -munt (84) met bleekpaarse bloemen, waar de vliegen zooveel van houden -en vlak daarnaast een plantje met prachtige blauwe bloempjes, -zachtblauw en toch helder, de blauwe Godsgenade of glidkruid (80), een -van onze allermooiste plantjes. - -’t Is een lipbloem en de bouw van de bloem vertoont veel overeenkomst -met die van hondsdraf of doovenetel, maar de kelk ziet er heel anders -uit, daar zit een heel merkwaardig buitje aan. Daardoor krijgt de rijpe -vrucht ook een zeer bijzonder uiterlijk, de kelk sluit er heelemaal -omheen. - -Als nu de zaden goed rijp zijn, dan is de kelk droog geworden en ’t -steeltje waar hij op zit is stijf en veerkrachtig. Stoot je nu even -boven op den kelk, dan splijt hij in tweeën, één stuk valt af en ’t -onderstuk, dat op zijn steeltje naar omlaag was gebogen springt -veerkrachtig terug en schiet dan meteen de vruchtbrokjes weg, zoowat op -de manier van de ouderwetschen blijden, waar onze voorvaderen elkander -zoo dapper mee vernielden, voordat de kanonnen waren uitgevonden. - -Nog een ander lipbloempje snappen wij, ook heel mooi blauw, het bekende -bijenkorfje of brunelle (79), dat al de eigenschappen van de lipbloemen -heel duidelijk vertoont en zeer in trek is bij onze oude vrinden, de -dikkopvlindertjes. En hier heb ik nog een andere vlindervriend en -tegelijk een vlinderbloem ook, de blauwe Luzerne klaver, een plant, -hier ingevoerd uit Zuid Europa, maar zoo algemeen verbouwd, dat hij wel -langzamerhand als inlander beschouwd mag worden. Op sommige plekken -langs het Noordhollandsch Kanaal ziet het er in den zomer blauw van en -in de kleistreken worden hektaren bij hektaren ermee bezaaid. - -Geen wonder dan ook, dat zich ook reeds volgelingen van deze plant in -ons land komen vertoonen en wel twee buitengewoon mooie vlinders, de -oranje (133) en de gele luzernevlinder (134). Ze houden zoowat het -midden tusschen de witjes en citroentjes, het wijfje van de gele -luzernevlinder is soms zoo goed als wit, en met het citroentje komen ze -overeen, doordat ze juist midden op de vleugel een sterker gekleurd -vlekje hebben. ’t Zal u trouwens met behulp van onze plaatjes geen -moeite kosten, om ze te herkennen, wanneer ge eens het geluk moogt -hebben, ze te ontmoeten. De kans daarvoor is niet zoo heel gering, in -sommige jaren krijg je er nog al veel te zien, in andere jaren minder, -maar na zachte winters kunt ge er altijd vrij stellig op rekenen. - -Dit hangt samen met hun levensgeschiedenis. De vlinders vliegen rond in -Augustus en September. Ze leggen dan eitjes en de rupsen, die daaruit -komen, zijn al tamelijk flink uit de kluiten gegroeid, wanneer de -winter invalt. - -Dat is voor hen een tijd van beproevingen en gevaren. Ze moeten nu -overwinteren en ’t eenige, wat ze doen, om zich te beveiligen is, dat -ze op een blad of zoo iets een zijden vloertje spinnen en daar gaan ze -dan op zitten. Nu kunnen ze lang zooveel kou niet verdragen, als de -insecten, die hier al van oudsher thuis zijn en die met plezier -gedurende een winter driemaal achtereen bevriezen en weer ontdooien, -zonder er een haartje minder door te worden. Integendeel, bij een -flinke vorst gaan ze voor goed dood. - -Nu zou je denken, dat dan meteen de luzernevlinders voor goed -uitgestorven zouden zijn in ons land, maar dat is toch niet zoo. De -vlinders trekken evengoed als de vogels. Iedereen, die buiten wat -oplet, kan daar wel eens wat van te zien krijgen. Ik heb eens op zee -een heele vlucht van gamma-uilen ontmoet en gedurende een donderbui heb -ik duizenden witjes over Amsterdam zien trekken. - -Zoo komen in den zomertijd uit verre landen allerlei vlinders hier -terecht, behalve de luzernevlinders, ook doodshoofdvlinders, -windepijlstaarten, kolibrivlinders en distelvlinders. - -Wanneer we nu een zachten winter hebben, dan is het mogelijk, dat die -rupsen op hun zijden matje niet sneuvelen. Vinden ze dan bij hun -ontwaken voldoende voedsel—behalve luzerneklaver lusten ze nog een -massa andere vlinderbloemen en er is altijd wel rolklaver (75), -heggewikke (78) of veldlathyrus (76) te vinden—dan bestaat er kans, dat -ze zich verpoppen en dat we dan in den zomer zuiver Hollandsche -luzernevlinders te zien krijgen, hoe langer hoe meer. Zoo zie je meteen -hoe een kleine verandering in het klimaat meteen verandering brengt in -de dieren- en plantenbevolking van een streek. - -Er is in Augustus nog al veel insectenleven in onze weiden en doordat -het gras kort is, kun je er genoeg van te zien krijgen, in ’t eene jaar -wat meer dan in ’t andere. Zoo hebben we in het jaar 1910 maar heel -weinig wespen gehad. Ik herinner mij heel goed zomers, dat de maaiers -in de wei en de zichters op den akker ontzettend last hadden van de -wespen en dat ze keer op keer op de vlucht sloegen, wanneer ze per -ongeluk een nest hadden gestoord. - -’s Avonds toog dan alleman er op uit, om die wespennesten uit te -branden, maar meestal hielp dat niet veel, doordat ze heel onverstandig -vuurtjes stookten boven op het wespennest, waar de geelrokken maar -weinig last van hadden; misschien vonden ze zelfs de warmte lekker. - -Dat er tegenwoordig zoo weinig wespen zijn, moet wel toegeschreven -worden aan de koude in ’t voorjaar en de natte zomers. Daardoor zijn er -ook minder krekels, dat ook echte warmte-vriendjes zijn. - -Wat is het heerlijk, op een heeten Augustusdag de krekels (140) te -hooren zingen in de hooge weiden. En wat is het moeilijk ze te zien -krijgen! Ze zitten meestal te zingen, of liever te musiceeren aan den -ingang van hun holen, maar op ’t gedreun van onze voetstappen vluchten -ze haastig naar binnen. - -Er zit dan weer niets anders op, dan te gaan liggen in ’t gras op een -plek waar veel van die holen zijn en na een paar minuten, soms pas na -een kwartier, zie je het kleine zwarte duveltje voorzichtig te -voorschijn komen. En zit hij goed en wel in ’t zonnetje, dan gaan de -vleugeltjes over elkaar en je hoort het aardige geluid, een van de -hoogste, die je nog hooren kunt. - -Menschen boven de vijftig krijgen hoe langer hoe meer moeite om dien -krekelzang te hooren; dat is geen doofheid, want fluisteren en ’t -tikken van een horloge en al de gewone geluiden van ’t dagelijksch -leven hooren ze nog opperbest. ’t Moet niet prettig zijn, als je zoo de -grenzen van je waarnemingsgebied kleiner voelt worden. - -Ik zat eens met een zestiger in ’t koepeltje van Lombok, in ’t -Utrechtsche. ’t Was een echt heete zomerdag, de krekels gingen te keer -als razenden, de lucht was vol krekelgepiep, dat mijn ooren ervan -tuitten, maar mijn metgezel hoorde er niets van. Ik loop nu ook al naar -de vijftig en als ik in Augustus met jongens wandel en geen krekels -hoor, dan vraag ik altijd eventjes of zij ook krekels hooren. Tot nu -toe valt ’t nog al mee, ik hoor ze nog altijd, als de jongens ze hooren -en dat doet me goed. - -De sprinkhaantjes (120) houden al evenveel van muziek als de -krekeltjes. In Augustus vindt je in de hooge weiden meestal het -sprinkhaantje met de blauwe ondervleugels en nog een kleiner soortje, -maar ze musiceeren op dezelfde manier. Ze hebben groote achterpooten, -dat is om goed te kunnen springen. Van zoo’n poot zie je duidelijk drie -deelen, er zijn er eigenlijk meer, maar die drie zie je het best. Ze -heeten van buiten af: voet, scheen en dij, de dij is ’t dikst. - -Nu kun je met een goede loupe aan den binnenkant van die dij een streep -van fijne stippeltjes zien. Nog meer vergroot blijken dat heel aardig -gevormde harde uitsteekseltjes te zijn en als nu die sprinkhaan -vroolijk wordt, dan strijkt hij met zijn dij langs den vleugelrand en -dan raspt hij als ’t ware een liedje. - -’t Is gemakkelijk genoeg, ze dat te zien doen en ’t gekste is wel, dat -ze soms een heele poos met hun poot zitten te peuteren voordat ze een -behoorlijk geluid produceeren. Nu zou ik wel eens willen weten, of ze -tijdens dat peuteren soms ook al geluid voortbrengen, dat wij niet -hooren. - -Ik meen van wel. Op een middag n.l. had ik een hagedis in ’t vizier en -amuseerde mij er mee, om toe te zien, hoe dat beest voortsloop tusschen -’t dorre gras, één en al aandacht voor alles wat er in ’t rond -gebeurde. Toen zat ook zoo’n klein sprinkhaantje te stemmen, voor mij -onhoorbaar. Maar de hagedis keek dadelijk dien kant op en als ik de -kleine harpenaar niet aangepord had met een grassprietje, dan had -meester hagedis hem stellig opgevreten. - -Daar zou hij een goed werk mee gedaan hebben ook, want die krekels en -sprinkhanen met hun neef de veenmol (139) zijn eerste grasveters en -wortelknagers en kunnen als ze met vereende krachten optreden, de meest -lachende landouwen doen verkeeren in dorre woestijnen. - -De veenmol bedrijft zijn kwaad meest onder den grond. Hij heeft een -paar voorpooten, die eenig zijn in de insectenwereld en volmaakt -gelijken op die van den mol. Als ’t er op aankomt, kan hij naar -verhouding van zijn lichaamsgewicht nog beter graven dan de mol zelf en -al ’t kwaad van wortels eten en kiemplantjes verslinden, waar de mol -van wordt beticht, wordt door den veenmol verricht. - -De mol (141) doet dus in dubbel opzicht een goed werk door hem in zijn -kraag te pakken. O, dat molletje, wat kan hij ons helpen. Niet alleen -vangt hij de veenmollen, maar ook de vette engerlingen (144), larven -van den meikever. - -Als dikke witte wurmen knagen die aan de wortels van ’t gras met hun -harde gele kaken. Is een plekje leeggevreten dan krabbelen ze met hun -zes rare pootjes naar een ander hoekje en zoo gaat dat jaren lang, -totdat ze eindelijk in de herfst gaan verpoppen en als meikever -overwinteren. - -Een ander boosdoener is de ritnaald of koperworm, een geelachtige, -dunne harde larve, afkomstig van een kevertje, waar ge stellig wel eens -mee gespeeld hebt. ’t Is een langwerpig grijs torretje, anderhalven of -twee centimeter lang en een halven centimeter breed, nog al plat van -lijf en met korte pootjes. Als je hem pakt, dan houdt hij zich dood. -Leg hem dan op zijn rug en wacht af, wat er gaat gebeuren. Hij wibbelt -heen en weer, buigt zijn borst en kop omhoog, strekt zich dan opeens, -en flap, gaat hij de lucht in. Onderweg keert hij zich om en zoo komt -hij dan op zijn pootjes terecht, om weg te loopen. Deze grappenmaker -heet kniptor (143) en zijn kroost wordt door de boeren nog meer -gevreesd dan de engerlingen. Daarom moeten ze vooral den lieven -leeuwerik in eere houden en zijn dubbelganger den graspieper, want deze -vogeltjes kennen geen grooter genoegen, dan van die harde kniptorren op -te pikken en door te slikken. De larf, de ritnaald, wordt achtervolgd -door den mol onder den grond en van boven komen de spitse snavels van -spreeuwen, roeken en lijsters hem opzoeken. - -Tegelijk pakken ze de emelten, dat zijn de larven van de langpoot-mug -(119). Let er maar eens op, hoe die groote muggen, spekdieven noemt ge -ze misschien, op hooge beenen rondloopen door ’t gras en dan telkens -met hun achterlijf een tikje geven tegen den grond. Iederen keer, dat -zij dat doen, leggen zij een eitje en uit elk eitje komt alweer zoo’n -graswortelwegknaaglarve en die heet dan in dit geval emelt. - -Wat dat gras al te lijden heeft, is niet zoo gemakkelijk te beseffen: -Tel maar eens op: Veldmuizen, velerlei rupsen, de engerling, ritnaald, -emelt, veenmol, krekel, sprinkhanen, slakken (27) etc. ’t Is eigenlijk -een wonder, dat er nog gras groeit en we kunnen onze helpers niet -dankbaar genoeg zijn. Een van de voornaamste helpers is de mol en toch -houden de boeren niet veel van hem. Hij moest ook andere manieren -aanschaffen, niet zooveel omsmijten en niet het land ongeschikt maken -om gemaaid of beweid te worden. In de Vaderlandsche Geschiedenis zijn -tal van paarden in molshoopen gestruikeld en dat heeft de berijders -menig sleutelbeen en soms het leven gekost; ge kent die gevallen. Maar -nu kun je ook een beetje begrijpen, hoe vaak een gewone koe of een -werkpaard, waar de Geschiedenis niets mee te maken heeft, op die manier -zijn pooten komt te breken. Dat zijn allemaal heel leelijke dingen en -daarom spreekt een boer de jongelui, die uit de stad komen en daar uit -een boek geleerd hebben, hoe verbazend nuttig de mollen zijn, altijd -tegen. En als ze hem vertellen, dat de mol zoo’n kunstig nest maakt met -een kringgang boven, een kringgang onder en allerlei kruisverbindingen -tusschen de kringgangen en het eigenlijke hol, dan lacht hij ze uit en -zegt dat er honderden verschillende vormen van mollennesten zijn en -niet één dat lijkt op die ouderwetsche teekening, dat een verzinsel -was. - -En als je van al die verkeerde begrippen bevrijd wil worden, dan moet -je maar eens de wei in. - - - Jac. P. Th. - - - - - - - - -REGISTER. - - -HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE -HET VETTER GEDRUKTE DE PAGINA VAN DEN TEKST AAN. - - -Aaskever 9 60 - Ocypus olens.—Staphyline noir.—Devil’s coach - horse.—Aaskäfer.— -Agrimonia 101 72 -Agrimonia - eupatoria.—Aigremoine.—Agrimony.—Odermennig.— -Akkerpaardestaart 17 24 - Equisetum arvense.—Prêle des champs.—Field - horsetail.—Schuchtelhalm.— -Akkerdistel 92 65 - Cirsium arvense.—Chardon des champs.—Field - thistle.—Ackerdistel.— -Akkerwinde 29 66 - Convolvulus arvensis.—Petit liseron.—Lesser - Bindweed.—Ackerwinde.— -Argusvlinder 106 58 - Pararge maegera.—Mégère—Wall butterfly.—Mauerfuchs.— -Bessenzweefvlieg 65 31 - Syrphus ribesii.—Syrphide.—Hoverer-fly.—Schwebfliege.— -Biggekruid 100 70 - Hypochaeris radicata.—Salade de porc.—Cat’s - ear.—Wiesenferkelkraut.— -Blauwborstje 110 35 - Cyanecula suecica.—Gorge bleue.—Bluethroat. - —Blaukehlchen.— -Blauwe oogentroost 86 11 - Euphrasia officinalis.—Brise-lunettes. - —Eyebright.—Augentrost.— -Blauwe sprinkhaan 120 77 - Oedipoda coerulescens.—Sauterelle.—Blue winged - Grasshopper—Heuschreck.— -Blinde bij 61 28 - Eristalis tenax.—Eristale.—Hoverer-fly.—Schwebfliege.— -Blauwtje 117 57 - Lycaena maedon.—Azuré de l’ajonc—Blue.—Bläuling.— -Boksbaard 97, 98 51 - Tragopogon pratense.—Herbe de bouc.—Goat’s - beard.—Bocksbart.— -Bont zandoogje 108 58 - Pararge aegeria.—Tircis—Speckled Wood.—Waldfalter.— -Bosch-zweefvlieg 62 28 - Eristalis nemorum.—Eristale des bois. - —Hoverer.—Waldschwebfliege.— -Boterbloem 32 65 - Ranunculus acris.—Bouton d’or.—Buttercup.—Hahnenfusz.— -Braam 26 25 - Rubus fruticosus.—Ronce.—Bramble.—Brombeere.— -Breedbladige orchis (Handekenskruid) 46 36 - Orchis latifolia.—Pentecôte.—Marsh Orchid. - —Wiesenknabenkraut.— -Bronzen loopkever 8 14 - Carabus granulatus.—Carabe bronzé.—Bronze - Crab-beetle.—Laufkäfer.— -Bruin graafbijtje 10 25 - Anthrena fulva.—Abeille sauvage.—Burrowing - bee.—Grabbiene.— -Bruin zandoogje 135 58 - Epinephele janira.—MyrtilMeadow-brown.—Gemeines - Ochsenauge.— -Brunelle 79 75 - Brunella vulgaris.—Brunelle.—Self heal.—Brunel.— -Dikkopje 115 59 - Hesperia thaumas.—Hespérie de la houque—Small - Skipper.—Busch Dickkopf.— -Dodaars 111, 112 35 - Podiceps fluviatilis.—Grèbe castagneux.—Little - Grebe.—Zwergsteissfuss.— -Dotterbloem 1, 2, 3 19 - Caltha palustris.—Souci d’eau.—Marsh marigold. - —Sumpfdotterblume.— -Duizendblad 107 70 - Achillea millefolium.—Achillée.—Milfoil.—Schafgarbe.— -Eereprijs 31 27 - Veronica chamaedrys.—Chênette.—Speedwell.—Ehrenpreis.— -Engelsch gras 16 8 - Armeria elongata.—Gazon d’Espagne.—Thrift.—Grasnelke.— -Engerling 144 78 - Melolontha vulgaris.—Hanneton.—Cockchafer.—Maikäfer.— -Gaasvlieg 66 31 - Chrysopa perla.—Chrysope.—Gauze-fly.—Florfliege.— -Ganzebloem 89 48 - Chrysanthemum leucanthemum.—Marguerite.—Ox-eye - daisy.—Gänseblume.— -Geelbanduil 138 60 - Agrotis pronuba.—Hibou.—Yellow Underwing.—Graseule.— -Gele disteluil 136 57 - Gortyna ochracea.—Drap d’or.—Frosted Orange.—Gelbe - Markeule.— -Gele kwikstaart 109 20 - Budytes flavus.—Bergeronnette jaune.—Yellow - wagtail.—Schafstelze.— -Gele lucernevlinder 134 75 - Colias hyale.—Soufré.—Pale Clouded Yellow.—Gelber - Luzernefalter.— -Gestreepte zweefvlieg 63 28 - Helophilus pendulus.—Helophile.—Hoverer.—Gestreifte - Schwebfliege.— -Gevlekte doovenetel 82 66 - Lamium maculatum.—Lamier tacheté.—Spotted dead - nettle.—Gefleckte Taubnessel.— -Gevlekte orchis 44 36 - Orchis maculata.—Orchis maculé.—Spotted Orchis. - —Geflecktes Knabenkraut.— -Glidkruid 80 72 - Scutellaria galericulata.—Scutellaire.—Skullcap. - —Blaues Schildkraut.— -Goudplevier 57, 58 60 - Charadrius pluvialis.—Pluvier.—Golden Plover. - —Goldregenpfeifer.— -Graspieper 50 8 - Anthus pratensis.—Pipit des prés.—Titlark. - —Wiesenpieper.— -Groene specht 114 60 - Gecinus veridis.—Pivert.—Green Woodpecker. - —Grünspecht.— -Groentje 118 59 - Thecla rubi.—Argus Vert.—Green Hairstreak.—Grünling.— -Groot hoefblad 13, 14 17 - Petasites officinalis.—Pétasite.—Butterbur.—Pestwurz.— -Groote vuurvlinder 127 43 - Polyommatus dorilis.—Argus Myope.—Large Copper. - —Feuerfalter.— -Grutto 59 60 - Limosa belgica.—Barge à queue noire.—Black-tailed - Godwit.—Sumpfschnepfe.— -Haarlems klokkenspel 68 53 - Saxifraga granulata.—Saxifrage granulé.—Meadow - Saxifrage.—Körnersteinbrech.— -Hagedoornvlinder 137 57 - Rumia luteolata.—Citronnelle rouillée.—Brimstone. - —Weissdornspanner.— -Harlekijnorchis 43 36 - Orchis morio.—Orchis bouffon.—Fool’s Orchis. - —Gemeines Knabenkraut.— -Heggewikke 78 76 - Vicia sepium.—Vesce des haies.—Bush vetch.—Zaunwikke.— -Heksenmelk 131 66 - Euphorbia esula.—Euphorbe ésule.—Common milkweed. - —Uferwolfsmilch.— -Herfstpaardebloem 99 70 - Leontodon autumnale.—Liondent d’automne.—False - dandelion.—Hasenlattich.— -Hommel (op smeerwortel) 40 72 - Bombus.—Bourdon.—Bumble bee.—Hummel.— -Idem (op dooveneetel) 42 28 -Hommelzweefvlieg 64 28 - Volucella bombylans.—Volucelle.—Hoverer fly.— - Hummelschwebfliege.— -Hondsroos 23 25 - Rosa canina.—Rosier sauvage.—Dog’s rose.—Hundsrose.— -Honigklaver 77 66 - Melilotus officinalis.—Mélilot.—Melilot.—Honigklee.— -Hooibeestje 128 57, 59 - Coenonympha Pamphilus.—Pamphile.—Small Heath.— - Heufalter.— -Hopklaver 30 52 - Medicago lupulina.—Lupuline.—Dutch clover.— - Hopfenschneckenklee.— -Huisjesslak 27 78 - Helix hortensis.—Limaçon.—Garden Snail.—Schnecke.— -Kale jonker 93 65 - Cirsium palustre.—Chardon des marais.—Marsh - thistle.—Sumpfdistel.— -Kemphaan 54 48 - Muchetes pugnax.—Chevalier combattant.—Reeve. - —Kampfläufer.— -Kievit 53 5 - Vanellus cristatus.—Vanneau.—Lapwing.—Kiebitz.— -Kievitsbloem 47 38 - Fritillaria meleagris.—Damier.—Fritillary. - —Schachblume.— -Klein groentje 126 59 - Ino statices.—Procris de l’oseille.—Forester. - —Sauerampferschwärmer.— -Klein hoefblad 11, 15 17 - Tussilago farfara.—Pas d’âne.—Coltsfoot.—Huflattich.— -Klein vuurvlindertje 129 43 - Polyommatus Phlaeas.—Cuivré commun.—Small Copper. - —Kleine Feuerfalter.— -Klimopbladige eereprijs 25 19 - Veronica hederaefolla.—Véronique à feuilles de - lierre.—Ivy-leaved speedwell.—Epheublättriger - Ehrenpreis.— -Knikkende distel 91 65 - Carduus nutans.—Chardon penché.—Muste thistle.— - Nickende Distel.— -Kniptor 143 78 - Lacon murinus.—Taupin.—Jumping beetle.—Schnellkäfer.— -Knollenwitje 12 57 - Pieris napi.—Pieride des navets.—Green veined - White.—Knollenweissling.— -Koekoeksbloem 70 32 - Coronaria flas cuculi.—Fleur de coucou.—Ragged - Robin.—Kuckuckslichtnelke.— -Koevinkje 104 58 - Epinephele hyperanthus.—Tristan.—Ringlet.—Gelbring - Ochsenauge.— -Kommavlinder 116 59 - Hesperia comma.—Virgule.—Silver spotted - Hairstreak.—Kommafalter.— -Langpootmug 119 78 - Tipula oleracea.—Tipule.—Daddy Longlegs.—Langbein.— -Madeliefje 35 45 - Bellis perennis.—Pâquerette.—Daisy.—Massliebchen.— -Meidoorn 6 25 - Crataegus monogyna.—Aubépine.—Hawthorn.—Weissdorn.— -Middelste weegbree 88 - Plantago media.—Plantain moyen.—Hairy plantain. - —Mittlerer Wegerich.— -Moeras kartelblad 83 8 - Pedicularis palustris.—Pédiculaire des marais.—Red - rattle.—Sumpfrodel.— -Mol 141 78 - Talpa vulgaris.—Taupe.—Mole.—Maulwurf.— -Muis 142 60 - Mus sylvaticus.—Souris.—Mouse.—Maus.— -Munt 84 72 - Mentha aquatica.—Menthe aquatique.—Watermint. - —Wassermünze.— -Netelbladige eereprijs 33 - Veronica urticaefolia.—Véronique à feuilles - d’ortie.—Nettle-leaved speedwell—Nesselblättrige - Ehrenpreis.— -Oeverzegge 39 32 - Carex riparia.—Carex des rives.—Bank Sedge.— - Ufersegge.— -Oranje lucernevlinder 133 75 - Colias edusa.—Souci.—Clouded Yellow.—Orange - Heufalter.— -Oranje zandoogje 103 58 - Epinephele Tithonus.—Amaryllis.—Gatekeeper.—Orange - Ochsenauge.— -Paardebloem 34, 36 32, 45 - Taraxacum officinale.—Chiendent.—Dandelion.— - Löwenzahn.— -Parelmoervlinder 105 23 - Argynnis Selene.—Petit collier argenté.— - Frittillary.—Perlmutterfalter.— -Pastinaak 72 66 - Pastinaca sativa.—Pastenaque.—Parsnip.—Pastinak.— -Peen 122 66 - Daucus carota.—Carotte.—Carrot.—Möhre.— -Penningkruid 121 69 - Lysimachia nummularia.—Herbe aux écus.—Moneywort.— - Nattergold.— -Pinksterbloem 37 18, 45 - Cardamine pratensis.—Cresson des prés.—Lady’s - Smock.—Wiesenschaumkraut.— -Ratelaar 85 8 - Alecterolophus major.—Crête de coq.—Rattle-box. - —Klappertopf.— -Roek 60 60 - Corvus frugilegus.—Corneille.—Rook.—Saatkrähe.— -Roode oogentroost 87 8 - Euphrasia odontites.—Euphraise rouge.—Red - Eyebright.—Roter Augentrost.— -Rolklaver 75 76 - Lotus corniculatus.—Lotier cornu.—Birds foot - trefoil.—Hornklee.— -Roode klaver 73 7 - Trifolium pratense.—Trèfle rouge.—Red clover.—Roter - Klee.— -Ruige veldkers 20 18 - Cardamine hirsuta.—Cresson velu.—Hairy - bittercress.—Haariges Schaumkraut.— -Scabiose 96 66 - Scabiosa columbaria.—Columbaire.—Field - scabious.—Teufelsabbiss.— -Silene 123 45 - Silene vulgaris.—Béhen blanc.—Bladder - campion.—Kropfleinkraut.— -Sleedoorn 5 25 - Prunus spinosa.—Prunellier.—Blackthorn.—Schlehdorn.— -Sleutelbloem 19 53 - Primula officinalis.—Primevère.—Primrose. - —Schlüsselblume.— -Smalbladige weegbree 90 51 - Plantago minor.—Plantain mineur.—Narrow leaved - plantain.—Schmalblättriger Wegerich.— -Speenkruid 4 25 - Ficaria ranunculoïdes.—Eclairette.—Lesser - Celandine.—Feigwurz.— -Spreeuw 49, 51, 52 13, 60 - Sturnus vulgaris.—Etourneau.—Starling.—Staar.— -Spriet 56 2 - Crex orex.—Râle de genêts.—Corncrake.—Wachtelkönig.— -Steenraket 95 66 - Sisymbrium officinale.—Herbe aux chantres.—Hedge - mustard.—Wegehederich.— -Stalkruid 71 52 - Ononis spinosa.—Arrête-bœuf.—Rest-harrow.—Hauhechel.— -Stinkende gouwe 21 25 - Chelidonium majus.—Chélidoine.—Celandine.— - Schöllkraut.— -Thrincia 102 70 - Thrincia hirta.—Liondent faux.—False hawkbit. - —Hundsblume.— -Torenvalk 113 60 - Cerchneis tinnunculus.—Faucon crecerelle.— - Kestrel.—Turmfalke.— -Tureluur 55 5 - Totanus calidris.—Chevalier gambette.— - Redshank.—Rotschenkel.— -Veenmol 139 77 - Gryllotalpa vulgaris.—Courtilière.—Mole - cricket.—Maulwurfsgrille.— -Veldbies 18 24 - Luzula pilosa.—Luzule poilue.—Woodrush.—Haarmarbel.— -Veldkrekel 140 76 - Gryllus campestris.—Grillon des champs.—Field - cricket.—Grille.— -Veldsla 67 38 - Valerianella olitoria.—Doucette.—Lambs lettuce.— - Feldsalat.— -Veldlathyrus 76 76 - Lathyrus pratensis.—Gesse des prés.—Meadow - lathyrus.—Wiesenplatterbse.— -Veldsalie 81 53 - Salvia pratensis.—Sauge des prés.—Meadow - sage.—Wiesensalbei.— -Vergeetmijniet 67 38 - Myosotis palustris.—Myosotis.—Forget-me-not. - —Vergissmeinnicht.— -Violette loopkever 7 14 - Carabus violaceus.—Carabe violacé.—Blue - crabbeetle.—Violetter Laufkäfer.— -Vlasbekje 130 71 - Linaria vulgaris.—Linaire.—Toad flax.—Leinkraut.— -Vogelwikke 69 52 - Vicia cracca.—Pois à crapaud.—Bird’s Vetch. - —Vogelwicke.— -Wammesknoop 94 65 - Centaurea Jacea.—Jacée des prés.—Knapweed. - —Wiesenflockenblume.— -Wederik 132 72 - Lysimachia vulgaris.—Lysimaque.—Yellow - loosestrife.—Friedlos.— -Welriekend viooltje 22, 24 20 - Viola odorata.—Violette odorante.—Sweet - violet.—Wohlriechendes Veilchen.— -Wesp 125 57 - Vespa media.—Guêpe.—Wasp.—Wespe.— -Witte klaver 74 7 - Trifolium repens.—Trèfle blanc.—White Clover.—Weisser - Klee.— -Witte welriekende orchis 45 37 - Platanthera solstitialis.—Double feuille.—Butterfly - orchis.—Kleine Stendelwurz.— -Wollegras 48 32 - Eriophoron.—Linaigrette.—Cotton grass.—Wollgras.— -Zeespurrie 28 8 - Spergularia rubra.—Sabline rouge.—Purple - chickweed.—Roter Spärkling.— -Zilverschoon 124 69 - Potentilla anserina.—Argentine.—Silverweed. - —Gänse-Fingerkraut.— -Zomerklokje 41 38 - Leucojum aestivum.—Nivéole.—Snowflake.— - Sommerknotenblume.— -Zuring 38 42 - Rumex acetosa.—Oseille.—Sorrel.—Sauerampfer.— - - - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 61381 *** |
