summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/61381-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/61381-0.txt')
-rw-r--r--old/61381-0.txt2855
1 files changed, 0 insertions, 2855 deletions
diff --git a/old/61381-0.txt b/old/61381-0.txt
deleted file mode 100644
index f3b83b8..0000000
--- a/old/61381-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,2855 +0,0 @@
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 61381 ***
-
-
-
-
-
- DE BONTE WEI
-
- DOOR
-
- JAC. P. THIJSSE
-
- TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES
- NAAR TEEKENINGEN VAN JAN VOERMAN Jr
- EN JAN VAN OORT.
-
-
- 1911
-
- BAKKERIJ „DE RUIJTER”
- DER FIRMA VERKADE & COMP.
- ZAANDAM
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD.
-
-
-„DE BONTE WEI”, wat een heerlijk frissche klank! Wie, die zijn land
-liefheeft, wordt niet bekoord door dezen titel van ons nieuwe album
-voor 1911/12.
-
-Tooveren deze woorden u niet voor den geest een beeld van welvaart, van
-typisch Hollandsch schoon, van zomerweelde?
-
-En als ge nu houdt van de wei als geheel, verlangt ge dan niet vanzelf
-meer te weten van alles wat er leeft en bloeit?
-
-Nu reikt de heer Jac. P. Thijsse, met de heeren Jan Voerman Jr. en Jan
-van Oort, u daartoe de helpende hand in „DE BONTE WEI”, en grijpt ge
-die, dan zult ge u wéér met een gedeelte van ons mooie Nederland
-vertrouwd voelen worden, genietend van de vrije uren buiten, uw
-gezondheid en opgewektheid ten heil!
-
-Moge „DE BONTE WEI” hiertoe in ruime mate vrienden vinden bij oud en
-jong!
-
-
-Zaandam, Juni 1911. VERKADE & COMP.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I. DE JACHT OP DEN SPRIET.
-
-
-Toen ik een jongetje was van een jaar of vier, waren de dieren buiten
-nooit bang voor mij en ik ook niet voor hen. Wel lag ik ’s avonds in
-mijn bed vaak te droomen van duivels en gedrochten, maar dat kwam door
-de prenteboeken en door de verhalen van welmeenende ouders en vrienden.
-Ook was ik er vrij zeker van, dat al die verschrikkelijkheden alleen
-voorvielen in ver verwijderde landen of in ’t middernachtelijk uur en
-zoo kuierde ik dan altijd welgemoed rond in onzen tuin, over de
-fortwallen, of door de weiden. Wij woonden namelijk heel eenzaam in een
-fort, dat ergens stond tusschen weiden en heiden.
-
-Soms ging ik met mijn broers, maar ook dikwijls alleen en dan had ik
-natuurlijk de mooiste ontmoetingen. Ik kan mij niet herinneren, dat ik
-expres uitging, om naar dieren en planten te zien (dat doe ik
-tegenwoordig wel) maar het liep er toch altijd op uit, dat ik ging
-zitten op een plekje, waar veel mooie bloemen stonden en dan kwamen
-vanzelf allerlei leuke dieren tusschen het gras of op de bloemen te
-voorschijn.
-
-Ik zie ze nog loopen, de groote gouden loopkevers, blinkend zwart van
-onderen en met lange roode beenen, violette loopkevers (7), bronzen
-loopkevers (8). Onzelievenheersbeestjes bij dozijnen liepen over de
-wikken met de mooie blauwe bloemen. Een andermaal zag ik een groote
-geel met zwarte wesp vechten met een groote groene bromvlieg en daar
-stelde ik heel veel belang in, want ik had juist in een ouden „Mentor”
-(een tijdschrift uit die dagen) een verhaal gelezen van een wesp, die
-vocht met een vlieg. In dat verhaal heette die vlieg Esmeralda en ze
-kwam er nog al goed af, want ze kon ontvluchten, nadat de wesp haar een
-paar gaten in ’t lichaam gebeten had. Mijn vlieg evenwel was minder
-gelukkig, want de wesp stak haar dood en droeg haar weg tusschen de
-achterpooten.
-
-Er kwamen soms kleine koddige muisjes zonder ooren en ook wel groote
-groene glinsterende hagedissen. Maar ’t mooist van alles was een groote
-bruinachtige vogel. Die stak zijn kop uit ’t gras, trok hem weer terug,
-stak hem weer uit, een eindje verder en kwam zoo schoksgewijze te
-voorschijn. Toen stond hij daar op twee lange beenen en begon te
-kraken: krèk-krèk—krèk-krèk. Ik zat maar stil te kijken en toen de
-vogel zijn redevoering uit had, verdween hij weer tusschen de
-grashalmen. Dat was de spriet of kwartelkoning (56), maar dat wist ik
-toen nog niet.
-
-Tegenwoordig ken ik wel de namen van de meeste planten en dieren, die
-je in ons land zoo gewoon zonder microscoop te zien kunt krijgen, maar
-’t lijkt wel, of ik er lang zoo veel niet van zie, als in de dagen,
-voor dat ik naar school ging. Zou er tegenwoordig minder wild gedierte
-zijn dan vroeger, of ligt het soms aan mij? De album-vriendjes op het
-platte land moesten mij daar eens iets van vertellen: Menno voor de
-Achterhoek, Tjeert uit Zevenwoude, Guurtje van Heilo of Dirk van
-Aarlanderveen. Voor de aardigheid zal ik dien eens vertellen, hoeveel
-moeite het mij gekost heeft, om een spriet te zien te krijgen, toen ik
-niet meer vier, maar veertig jaar oud was.
-
-Ik hoorde dat dier altijd op zomernachten, als ik met een laten trein
-uit Amsterdam was gekomen en dan uit Haarlem wandelde naar mijn huis in
-’t Bloemendaalsche park. Eerst hoor je dan nog ’t gerij en gerangeer
-van treinen, want dat duurt dag en nacht, maar gaandeweg wordt dat
-minder merkbaar en krijgen de nachtgeluiden van de natuur de overhand.
-In de verte ruischt de zee, van den duinkant schalt het lied der
-nachtegalen, in de wei roept af en toe klagend of droomerig de kieviet
-en onophoudelijk kraakt en knarst daar onze spriet.
-
-’t Is niet makkelijk, dat geluid te beschrijven; ’t meest lijkt het nog
-op den geleerden naam van ’t dier. Hij heet in de geleerde boeken
-tegenwoordig „Crex crex” en als je dat eenmaal weet, dan lijkt het ook
-werkelijk, alsof hij den heelen nacht en den heelen dag maar steeds
-zijn eigen naam roept. „Crex, crex”, allebei de woordjes even luid en
-even lang van duur (zoowat een halve seconde), dan een seconde rust,
-dan weer „crex, crex” en zoo voort, soms een half uur achtereen.
-
-Er zijn wel menschen, die dat vervelend vinden, maar als je den vogel
-van nabij kent en ook de omgeving, waarin hij zich ophoudt, dan denk je
-daar wel anders over.
-
-Nu dan, ik wou en zou dien Bloemendaalschen spriet in levenden lijve
-aanschouwen en liefst nog zijn nest vinden ook. Ik wist ’t echter bij
-ervaring, dat het niet gemakkelijk is, in Mei of Juni de Hollandsche
-weiden te betreden. Niet om de slooten of hekken, daar is altijd wel
-raad op, maar de boer of zijn knechts zijn den heelen dag ter plaatse,
-om je er af te jagen, en daar hebben ze groot gelijk aan.
-
-Nog onlangs had ik daar een gesprek over met een ouden landbouwer, nog
-al een grappenmaker. „Weet je wat, mijnheer,” zei hij, „de dokters, die
-moesten eigenlijk de kast in, wegens opruiing. Zoo gauw er iemand iets
-mankeert en hij kan nog loopen, zeggen ze tegenwoordig: de patiënt moet
-maar eens de wei in. En zoo krijgen wij troepen menschen in ons land,
-die ’t vee verschrikken en den boel vertrappen, dat er geen maaien aan
-is. Dat ze een bloemetje plukken, hindert niet, maar ’t vertreden van
-’t gras geeft ons voor honderden guldens schade. Soms komt er een
-meester met een heele school kinderen, dan weer een troep dames en ze
-doen maar net of de wereld hun eigen is. Laat ze op de wegen en paden
-blijven, daar groeit nog altijd meer, dan waar ze verstand van hebben.”
-
-Ik kon evenwel mijn spriet niet vinden, zonder de paden te verlaten en
-moest dus met de betrokken pachters en eigenaars aan ’t onderhandelen.
-Dat liep nog al mee, ik kreeg voor bepaalde dagen verlof, om tijdens de
-morgenuren de velden af te loopen en zoo stond ik dan op een mooien
-Juni-morgen met een gerust geweten tusschen gras en bloemen.
-
-Ik kon al dadelijk merken, dat ’t land nogal afgesloten lag en goed
-bewaakt werd, want er nestelden heel wat vogels. Eerst was daar niet
-veel van te zien; toen ik den hekdam over ging, hingen er alleen een
-paar leeuweriken in de lucht te zingen. Maar ’t duurde niet lang of een
-waakzame kievit (53) bespeurde onraad, hij vloog omhoog nu eens over
-links, dan weer over rechts; zoo’n kievit schommelt haast altijd onder
-’t vliegen. Hoe zenuwachtiger hij werd, hoe meer hij wiebelde en
-eindelijk ging hij duikelen, of schermen, zooals het heet.
-
-Dan bedacht hij zich, vloog wat rustiger rond en toen opeens, „joech,
-joech, joech” gingen zijn vleugels, kwam hij vlak op me af en snorde
-rakelings voorbij. Intusschen waren er ook een paar tureluurs (55)
-opgevlogen, de mooie steltloopertjes met de roode pooten en die vlogen
-langzaam mee, een meter of tien hoog in de lucht, terwijl ze kort en
-onrustig hun „tuut, tuut” lieten hooren. Ook was er een groote grutto
-(59), die jammerde voortdurend: „grie-ta, o, grie-ta”. Je kon zijn
-langen snavel zien trillen en onder het vliegen hield hij zijn
-zwart-met-witten staart wijd uitgespreid.
-
-Dat was nu mijn eerewacht bij den tocht door ’t sprietenland: een
-kievit, twee tureluurs en een grutto, en ik was er zeker van, dat aan
-den overkant van de grenssloot een dergelijk gezelschap gereed stond,
-om mij te begeleiden, wanneer ik zoover mocht komen.
-
-Als de beesten mijn bedoeling hadden gekend, dan waren ze rustig op hun
-nesten gebleven. Nu schrikten ze de heele buurt op en er kwam ook al
-een boerenknecht aanstappen, maar toen hij mijn verrekijker zag, ging
-hij er weer van door. Die verrekijker is zoo een soort van vrijbrief.
-
-Zooveel als ik anders van grutto’s, kieviten en tureluurs houd, begon
-ik ze nu reeds stilletjes een beetje te verwenschen, toen ik eindelijk
-mijn spriet hoorde, nog al dichtbij en stellig wel in ’t zelfde stuk,
-waar ik rondliep.
-
-Maar ’t is niet makkelijk, om enkel op ’t geluid af de plaats te
-bepalen, waar een dier zich ophoudt. Als ’t een heel vreemd geluid is,
-dan weet je echt niet, of ’t van recht, links, voor, achter, onder of
-boven komt. Hier met de spriet wist ik, dat ik bij den grond moest
-zoeken, want hij komt zelden of nooit boven ’t gras, maar dat hielp nog
-niet veel. Ik luisterde eerst met ’t linkeroor, toen met ’t rechter
-oor, toen met beide, daarna maakte ik een halve draai, luisterde nog
-eens op dezelfde manier, hield ook rekening met den wind (die er
-gelukkig niet was) en toen ik zeker meende te weten, waar mijn
-schreeuwer zat, ging ik daar stilletjes op af, voetje voor voetje,
-zonder den grond te schokken of in trilling te brengen. Op zulke
-oogenblikken voel je verwantschap met Padvinder, Lederkous, den
-Spoorzoeker, Chingangook en Winnetou.
-
-„Snars, snars”, zong mijn schriek, „grieta”, jammerde de marel, de
-kievit zwoegde langs mijn ooren en de tuten schokten voort langs de
-blauwe lucht. Een leeuwerik vloog op en die ging dadelijk zwieren en
-tierelieren, alsof de heele zaak hem niet aanging, maar de waarheid
-was, dat hij in doodsangst zat over zijn nest, dat ik op anderhalven
-meter links van mijn linkervoet vermoedde.
-
-Ik kon mij daar echter niet mee bezighouden, maar schoof voetje voor
-voetje voorwaarts. De slimmerd zat goed verborgen, want gras en kruiden
-stonden op hun weligst en dit was opperbest hooiland. Ik kon nog
-doorzien tusschen de hooge pluimen van de glanshaver, maar de roode
-klaverbloesems stonden vlak tegen elkander en waar ze nog een plaatsje
-overlieten, daar sloten de groene klaverblaadjes dicht ineen of
-vlochten de smalle bladeren van gras en orchis een ondoordringbaar
-gordijn. Alleen waar veel ruige weegbree (88) groeide, kon de blik wat
-dieper doordringen, want die plant legt zijn bladeren vlak tegen den
-bodem en heeft ijle, onbebladerde bloemstengels. Daar kon je dan schuin
-tusschen de grashalmen door een stukje van den donkeren weidegrond
-zien. Menigeen, die de bonte wei ziet stralen en pralen in de zomerzon,
-beseft niet, hoe donker het op den grond zelve onder al die bloemen en
-bladeren wezen moet.
-
-Prettig, dat ’t niet woei. Want nu meende ik, dat ik aan de grastoppen
-zou kunnen zien, of mijn spriet zich verplaatste. Ik gaf dan ook goed
-acht, of de fijne bloempakjes van het beemdgras zich ook soms bewogen,
-of er trilling kwam in een zuringtop, maar er was niets te bespeuren.
-En juist toen ik meende, dat ik ’t fijne kopje van den vogel tusschen
-gras en kruiden zou kunnen onderscheiden, hoorde ik hem roepen, stellig
-wel vijftig meter vlak achter mij. Hij was in een grooten kring om mij
-heen geloopen, zonder dat ik er iets van bespeurd had en dat in minder
-dan een minuut, want langer had hij niet gezwegen.
-
-Nu wist ik wel, dat zulke dingen mij te wachten stonden, want ik had
-vroeger een spriet zoogenaamd in gevangenschap gehad. Dat wil zeggen,
-ik stopte hem in een kooi, maar een kwartier later was hij al weer
-weggeloopen, hoe nauw de tralies ook aan elkander stonden.
-
-Ik heb eens een verhaal gelezen van een ridder, die ergens in een kerk
-begraven ligt. ’s Nachts om twaalf uur gaat hij spoken, eigenlijk niet
-hij zelf, maar zijn steenen beeld, dat boven op zijn graftombe ligt en
-dat zich bij die gelegenheid zoo dun maakt als een velletje postpapier
-om tusschen de tralieën van het koorhek door te komen.
-
-Zoo iets doet de spriet ook. Hij heeft maar een heel smal borstbeen en
-nu kan hij zijn ribbekast zoo inhalen dat zijn lichaam smaller wordt
-dan zijn kop en als die dan ergens door is, dan volgt de rest van zelf.
-Maar al weet je dit nu precies, dan moet je er je nog over verwonderen,
-dat hij door ’t dichte gras kan hollen zonder merkbare beweging. Ik
-begon maar weer van voren af aan en altijd was hij mij te gauw. Toen
-herinnerde ik mij mijn kinderjaren en ik besloot, midden in de wei een
-half uurtje stil te gaan zitten tusschen de klaver en de orchideeën;
-meteen kon ik dan uitkijken naar insecten op de bloemen. Dat viel ook
-al weer niet mee, ik kreeg niets te zien, dan een paar honigbijen op de
-witte klaver (74), de orchideeën stonden te vergeefs te pralen, de
-roode klaver (73) verspreidde zijn geuren zonder een enkelen hommel te
-lokken. De schriek riep nu eens van links, dan weer van rechts, hij was
-nog heel druk, al liep het ook tegen den middag. Eigenlijk roept hij ’t
-meest in den voornacht en den nanacht (dus weinig om middernacht), maar
-ik heb hem wel gehoord op alle uren van den dag en van den nacht.
-
-Toen ’t stil zitten mij begon te vervelen, ging ik ’t nog wat fijner
-aanleggen. Je ziet ook veel in de velden, als je rustig de een of
-andere bezigheid verricht. Indien de veldarbeiders eens alles konden
-vertellen, wat er al zoo tijdens hun werk te zien en te beleven valt,
-dan zou onze kennis van de levende natuur een heel eind opschieten.
-
-Wat voor werk zou ik ter hand nemen? Wel, daar stond op een plek een
-heel partijtje van den grooten gelen ratelaar (85) en ook hooger op wat
-roode oogentroost (87). Die planten zijn halve woekerplanten, ze hebben
-heel fijne zijworteltjes die met zuigplakjes vastzitten op de wortels
-van ’t gras en daaraan dan het voedsel ontstelen. Dat is bijzonder
-aardig om te zien, maar ’t lukt niet gauw, want die zijworteltjes zijn
-zoo fijn, dat ze bij ’t hanteeren van de ratelaar- of
-oogentroostplantjes dadelijk losgescheurd worden en dan zijn ze
-tusschen de aarde niet gemakkelijk meer te vinden. Ik stak nu een paar
-polletjes uit van ratelaar + gras en oogentroost + gras en ging die aan
-den slootkant geduldig zitten uitspoelen. Dat was een heel goede inval.
-
-Al dadelijk had ik het genoegen, dat de kieviet, de grutto en de
-tureluurs tot rust kwamen. De leeuwerik bleef nog zingen, maar nu
-werkelijk voor zijn plezier: een keer drie minuten, een keer zeven
-minuten en een keer één minuut. Sommige menschen meenen, dat zoo’n
-leeuwerik wel een half uur achtereen in de hoogte staat te zingen, maar
-als je dat eens nagaat met ’t horloge in de hand, dan krijg je heel
-andere uitkomsten.
-
-Er ging nog een ander vogeltje zingend de lucht in, dat hield het niet
-langer uit dan een halve minuut. Dat was de graspieper (50), een
-diertje, dat wel op een leeuwerik lijkt, maar hij is meer groenachtig,
-heeft een slanker lichaam en ook een fijn snaveltje. Hij klimt als ’t
-ware langs een rechte lijn schuin omhoog, steeds fluitend en als hij
-een meter of twintig gestegen is, dan daalt hij langzaam neer met
-uitgespreide vleugels en staart „en vol plané”, aldoor allerliefst
-fluitend.
-
-Nergens komen leeuwerikken en graspiepers in zoo groot aantal voor als
-op onze Noordzee-eilanden. Op Texel heb ik daar eens iets bijzonder
-aardigs mee beleefd. Daar was in een polder een zilt grasveld en daar
-groeiden natuurlijk weer heel andere planten dan in de gewone weiden.
-Het zag er niet wit van de madeliefjes, maar op sommige plekken wel
-rood van het Engelsch gras of strandkruid (16) en op kale slikkige
-plekken groeide veel zeespurrie (28) met mooie rose sterrebloempjes.
-
-Men had er ’t gras gemaaid en ingezameld, maar er waren kleine prakjes
-blijven liggen, dat waren nu bruinachtige hooimassa’s op het
-donkergroene kleed. En onder die hooipruikjes hadden nu de graspiepers
-hun nestjes gemaakt, daar ze op het vlakke veld geen beter bescherming
-tegen den guren Noordooster konden vinden. In minder dan geen tijd
-hadden we een half dozijn nesten gevonden, elk nisje had zijn heilige.
-En buitengewoon aardig was het, toen op een afstand te gaan liggen met
-den kijker. De vogeltjes keerden terug op hun nest en je zag de zwarte
-kraaloogjes vlak over de onderdeur kijken. Het was, om zoo te zeggen,
-een heel kampement van graspiepers.
-
-Als zich in de Wadden of de Zeeuwsche stroomen een nieuw eilandje vormt
-en een slibbank achter een zandwal met gras begroeid raakt, dan is de
-graspieper de eerste zangvogel, die de nieuwe weide koloniseert. Daarom
-houd ik zooveel van hem.
-
-Ik zat nu al een kwartier te spoelen en er was ook al heel wat gebeurd.
-Behalve de leeuwerikken en de graspiepers had ik nog een klein zwart
-monstertje gezien, dat de sloot overzwom: een waterspitsmuis, nog al
-een rakkerd, want als hij geen insecten genoeg kan vinden, om zijn
-eeuwig durenden honger eenigszins te bevredigen, dan doet hij zich te
-goed aan eieren en jonge vogels.
-
-De spriet riep nog van tijd tot tijd. Ik had nog lang niet al de aarde
-uit de wortels weggespoeld. Die grassen maken onder den grond zooveel
-stengels en zijtakken, dat ze door elkander heen groeien tot een waar
-vlechtwerk. Uit die stengels ontspringen ontelbare worteltjes, die
-buitengewoon stevig de aardkorreltjes vasthouden en zoo vormt dan de
-heele grasmassa van de wei een samenhangend geheel, dat men de graszode
-noemt. De andere planten moeten nu maar zien, dat ze met hun wortels in
-of onder die zode ook nog een plaatsje vinden, en wie daar niet in
-slaagt, kan in de wei niet aarden.
-
-De ratelaar, de oogentroost (86) en het kartelblad (85) hebben het
-makkelijk genoeg, want hun zitten de graswortels niet in den weg,
-integendeel. Hoe meer wortels, hoe liever, des te vlugger kunnen ze een
-voldoenden voedselvoorraad bijeenstelen en dan behoeven hun
-zuigworteltjes niet zoo bijzonder dik te zijn. En juist door die
-dunheid breken ze zoo spoedig af en is het zoo moeilijk, er iets van te
-zien te krijgen.
-
-Ik weet niet of er onder de duizenden albumlezers wel veel zijn, die
-zich de moeite willen getroosten, om eens de een of andere van die
-„half-parasieten” uit te spoelen. Je moest het heusch eens probeeren.
-Vroeg of laat echter ga je ongeduldig worden en trekken aan den
-ratelaar zelf en dan is ’t meteen mis, want al de zuigworteltjes breken
-af en je staat dan nog al onnoozel te kijken naar het kale karige
-wortelstelletje, dat onder aan die plant zit. Wie het goed ten einde
-brengt, moet gras met woekerplant voorzichtig drogen en bewaren, ’t is
-iets waar je grootsch op kunt zijn, ik geloof niet, dat er op ’t
-oogenblik tien jongens of meisjes in ons land zijn, die zoo iets in hun
-plantenverzameling hebben.
-
-Wel, met mijn spoelerij liep het ditmaal ook weer mis. Ik gooide den
-heelen boel in de sloot en stapte op, om naar huis te gaan. De spriet
-zat sarrend te roepen ergens, naar ik oordeelde, in een plekje vol
-bloeiende orchideeën.
-
-Juist toen ik de wei ging verlaten, kwam daar een spoorwegarbeider aan,
-die ook belang in den spriet stelde, doch niet vriendschappelijk. Hij
-had zich nu eenmaal in het hoofd gezet, dat hij een hekel aan het dier
-had, omdat zijn geroep hem niet beviel en mij wel te kennen gegeven,
-dat hij loerde op een gelegenheid, om dien vervelenden schreeuwleelijk
-een stuk steenkoolslak naar zijn kop te gooien.
-
-Hij had juist vrij en toen hij hoorde, dat ik er op uit was, om den
-spriet te zien te krijgen, bood hij aan, om mij te helpen en toen
-gingen wij er samen op los: liefde en haat. Ik hoopte stilletjes, dat
-juist door die jacht de haat van den spoorwegman in liefde zou
-verkeeren en dat is mooi uitgekomen ook. We jaagden den vogel ruim een
-half uur, nu eens voorzichtig sluipend, dan weer hollend en dravend.
-Wij raakten aardig opgewonden en de spriet ook, want die liep eenmaal
-pardoes uit ’t gras tegen den baggerwal langs den slootkant op en stond
-daar toen uit alle macht te kraken.
-
-„Wat een klein mormel”, zei de spoorwegman, maar ik hoorde al
-liefkoozing in zijn ruwe uitdrukking. We hadden ons doel bereikt en
-gingen tevreden heen. Of de spriet tevreden was, dat zou ik niet durven
-zeggen, in ieder geval had hij een goede oefening gehad. En geschaad
-heeft ’t hem niet, want hij heeft er een vriend door gewonnen. De
-spoorwegman wist mij zelfs te vertellen, dat hij later een troepje van
-kleine zwarte vogeltjes langs den slootkant heeft zien hollen en dat
-kunnen niet anders geweest zijn dan de jonge sprietjes. Hij had er echt
-schik in.
-
-Het vinden van een sprietennest is altijd een meevallertje. Het ligt
-diep onder ’t gras, de grashalmen zijn er over heen gebogen. Zoo als ’t
-bekende versje zegt: „In Mei leggen alle vogeltjes een ei, behalve de
-kwartel en de spriet, die leggen in de Meimaand niet” wacht onze vogel
-met broeden, totdat hij in de hooge Junigrassen een veilige nestplaats
-vindt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II. PALMPASCHEN.
-
-
-Als in Februari de kievieten van hun korte winterreis terugkeeren in ’t
-weiland, dan ziet het er veel minder frisch uit, dan toen zij het in
-den voorwinter verlieten. De oude grasblaadjes zijn allemaal wit
-geworden en liggen geplakt tegen den natten grond. Hier en daar groent
-wat mos, doch meestal is dat zelf weer overdekt met duizenden
-roodbruine draadfijne stengeltjes met sporendoosjes er bovenop. Enkele
-verwaaide madeliefjes met bleekgele hartjes en waterige witte
-lintbloempjes vertoonen zich langs den greppelkant, maar zij lijken eer
-te behooren tot den ouden herfst dan tot de nieuwe lente.
-
-Sneeuwklokjes bloeien in onze weiden niet, dat zijn eigenlijk niet
-anders dan gekweekte tuinplantjes en als je ze vindt langs dijken en
-wegen, dan zijn ze weggeloopen uit de boerentuintjes, met rommel op den
-dijk gebracht, misschien ook uit aardigheid door een kind daar geplant.
-
-De kievit kent den tijd van ’t jaar echter aan nog andere dingen dan
-aan de kleur van ’t gras. Hij ziet de spreeuwen (52) in hun donker
-voorjaarskleed, dat, even als ’t zijne, schittert in alle kleuren van
-den regenboog; hij hoort de leeuwerik zingen hoog in de lucht en toen
-hij onder de grasstengels rondpikte naar kleine grauwe slakjes, heeft
-hij gezien, dat onder het grauwe gras de wei al heelemaal groen is, de
-jonge spruiten behoeven nog maar een halven centimeter hooger te komen,
-dan is de lente in het land. Het eene jaar gebeurt het wat vroeger dan
-’t andere, maar midden Maart is de zaak toch meestal in orde.
-
-Het eerst komen aan de beurt de zonnige plekjes en de greppelkanten, de
-zuidhelling van den dijk, de noordoevers van de slooten. Wij hadden
-vroeger een hekdam, die liep precies oost-west en had dus een
-zuidhelling en een noordhelling. Welnu, de plantengroei aan beide
-kanten van dien dam verschilde zoo, dat we de eene helling Nizza en de
-andere Sewerowotstotsnoj noemden. Op den laatsten naam waren we niet
-weinig grootsch en nieuwe vrienden moesten gemiddeld een half jaar in
-hun Atlas snuffelen, eer ze recht wisten, wat er mee bedoeld werd.
-
-Wat hebben we daar op Nizza heerlijke uren doorgebracht. De sloot
-leverde een onuitputtelijken voorraad waterdieren. Het oeverrandje, dat
-vol lag met kleine brokjes riet en rommel, was al warm en droog, nog
-voordat het ijs uit ’t water was verdwenen en dan kwamen daar
-goudbronzen oeverkevertjes rondloopen, pas uitgebroken uit hun
-winterverblijf.
-
-Zoo’n kever-overwinteringshol vonden we eens tegen den hekpaal, twee
-decimeter diep onder den grond. We waren te weten gekomen—ik weet
-waarlijk niet hoe—dat je in den winter aan zuidkanten van boomen en
-palen onder den grond heele regimenten kevers kon vinden, die daar
-gezellig overwinteren. Nu leken ons de hekpalen van Nizza al zeer
-bijzonder voor dat doel geschikt. Wij aan ’t graven en jawel hoor, we
-vonden een heele kluit van kevers, allemaal loopkevers, van die lange,
-slanke torren met ranke pooten: een veertigtal van vier verschillende
-soorten.
-
-Daar had je de groote groene gouden loopkever, de vriend mijner jeugd,
-dan nog een heel donkergroene met zes rijen koperen knoopen op zijn
-rug, waar ik later nog wel eens van hoop te vertellen, dan nog een iets
-kleinere groenbronzen (8) met allerlei strepen en kettinkjes over zijn
-rug en eindelijk nog een heel donker violette (7). Van de beide laatste
-waren er ’t meest, die komen dan ook trouwens ’t meest algemeen voor.
-
-Ik mag hier wel even tusschen twee haakjes zeggen, dat de keverkundigen
-bij de woorden „goud” en „brons” aan andere kleuren denken dan aan
-gouden tientjes of bronzen centen. In de gauwigheid kan ik dat niet zoo
-precies beschrijven, ’t best is maar, dat je probeert die kevers zelf
-te pakken te krijgen, dan snap je meteen de bedoeling.
-
-De buit, die wij in Nizza behaalden, werd behoorlijk verdeeld en ik
-stopte mijn portie in de brandspiritus. Nog al met een gerust geweten
-ook, want ik meende, en ik geloof wel, dat ik gelijk had—dat in hun
-winterverdooving die dieren niet zoo’n ergen doodstrijd zouden hebben.
-
-Voor iemand, die juist in ’t drukst van ’t aanleggen van verzamelingen
-was, had zoo’n vondst natuurlijk heel wat te beteekenen. Alles ging in
-een groote stopflesch, die bij ons thuis om de kleur van de spiritus en
-om ’t donkere rommeltje op den bodem schertsend de trekpot werd
-genoemd. ’s Avonds, of als ’t slecht weer was, vischte ik uit die
-trekpot al mijn dieren weer op en dan werden ze netjes opgezet met de
-pooten mooi in de loophouding en de sprieten recht vooruit. Een aardig
-geduldwerkje, vol verrassingen. Soms had je met negen spelden alles
-kant en klaar, een andermaal waren de pooten zoo weerbarstig, dat er
-zes spelden noodig waren, om er één behoorlijk op zijn plaats te
-krijgen.
-
-Wat heb ik een pleizier gehad van dat verzamelen. Ik had van alles:
-planten, insecten, schelpen, steenen, versteeningen, krabbenpooten,
-verdroogde zeesterren, alles wat maar buiten te verzamelen was. Van
-heel veel dingen wist ik de juiste namen niet, maar heel veel kwam ik
-te weten uit een Duitsch boek, dat ik in ’t begin maar half begreep en
-voor een paar kwartjes gekocht had op een oude-boeken-stalletje. Later
-kreeg ik hulp van alle kanten, maar die eerste tijd was toch de
-leukste, allemaal vinden en ontdekken.
-
-Natuurlijk tastte ik vaak mis. Door het onoplettend lezen van eene
-beschrijving kwam ik er toe, om een paar jaar lang het roodstaartje te
-betitelen met den naam van goudvink, maar dat kwam later wel terecht.
-De tegenwoordige jongelui hebben het heel wat makkelijker dan wij in
-onze jeugd, maar daarvoor wordt er ook al weer heel wat meer van hen
-gevergd.
-
-Maar we zouden Nizza heelemaal vergeten, ons toevluchtsoord in Maart.
-Het eerste bloempje, dat er bloeide, was ’t klein hoefblad (11, 15) en
-als dat in de warme zon zijn stralen uitspreidde, dan kwamen er uit den
-grond ook al dikke paarse proppen te voorschijn, die aan hun top
-openbarstten en daaruit verrees dan de bloeistengel van het groot
-hoefblad (13, 14).
-
-De aanwezigheid van die twee planten maakte, dat er haast geen gras op
-dien dam groeide, want in den zomer werd er de grond geheel
-overschaduwd door de groote bladeren van die planten, want je kunt de
-bladeren van klein hoefblad ook gerust groot noemen. Die van het groote
-zijn toch nog altijd weer viermaal zoo groot en zijn ook gemakkelijk te
-kennen aan den mooien stijven rand, die ’t begin van de bladschijf
-steunt en niets anders is dan een dikke zijnerf.
-
-Wij vonden het klein hoefblad aardiger dan het groot; het leefde zoo
-echt met de zon mee. Bij donker weer bleven de kopjes dicht, maar als
-de zon te voorschijn kwam, dan zag je binnen enkele minuten de gele
-straalbloempjes omslaan naar buiten en dan gingen ook de kleine
-bekervormige bloempjes open, die het hartje vormen.
-
-Dan kwamen vliegen, hommels en vlinders opdagen en dan was ’t aardig,
-om te zien, hoe die hun zuigsnuiten in de bloempjes staken: de vlieg
-een dik rond slurfje, de hommel iets dat wel leek op een blinkend mes
-en de vlinder een dun zwart draadje, dat hij allerkoddigst kon knikken
-en krommen.
-
-Het groot hoefblad kreeg veel minder bezoek dan ’t klein en later in ’t
-jaar had het ook lang niet zulke mooie vruchtjes. Dan prijkt het kleine
-hoefblad met een mooi pluishoofdje, veel zachter en zijiger dan dat van
-de paardebloem. Wie ’t wil nasnuffelen kan zien, dat die pluisvruchtjes
-alleen afkomstig zijn van de stralende lintbloempjes, de mooie
-bekerbloempjes middenin dienen alleen, om stuifmeel voort te brengen.
-
-Soms kwamen er ook hoefbladbloempjes te voorschijn binnen het hek, op
-de wei zelf, maar dan kwam al heel gauw de boer opdagen, om ze uit te
-spitten. Hij hield meer van gras in de wei en was ook al lang van plan,
-die hoefbladplanten van den hekdam uit te roeien, want van daar woei
-natuurlijk ’t zaad in de wei en ook maken ze lange uitloopers onder den
-grond, die met plezier onder een hek doorkruipen en wijd en zijd de
-buurt onveilig maken. Gelukkig kon hij er nooit den tijd voor vinden en
-zoo bleven wij in ’t bezit van onze mooie bloemen.
-
-In de wei zelf was in ’t heel vroege voorjaar niet zoo heel veel te
-vinden. Schuins links achter het hek had je eerst een geheel kale plek,
-waar ’t paard altijd stond te mijmeren in zijn vrijen tijd. Daarachter
-lag het ruime veld met grijs oud gras met jonge sprietjes en met
-allerlei klein goed, dat later bloeien zou en dat alles min of meer
-pimpelpaars zag van de zon, het voorjaar en de lage temperatuur.
-
-Het meest frisch zag nog de ruige veldkers (20) er uit, een verwant van
-de zoozeer beroemde en geliefde pinksterbloem (37). Deze ruige veldkers
-is meestal heelemaal niet ruig, maar gladjes en groen en hij bloeit ook
-al heel vroeg, tegelijk met ’t hoefblad, met heel bescheiden witte
-kruisbloempjes.
-
-Zulke kruisbloemen of cruciferen behooren in hun bloem zes meeldraden
-te hebben, vier lange en twee korte, maar die ruige veldkers schijnt
-geen tijd en gelegenheid te hebben, om ze alle zes te fabriceeren en
-vergenoegt zich dus in den regel met vier.
-
-Hij slaagt er meestal in, mooi weer of geen mooi weer, om zijn lange
-hauwvruchten te rijpen. Dat gebeurt dan in Mei en Juni en dan hebt ge
-zooveel aandacht noodig voor al de andere duizenden planten en dieren,
-dat ge dit nederig voorjaarsplantje allicht vergeet. Toch moet ge hem
-dan nog eens opzoeken, en even de rijpe hauwen aanraken aan hun punt.
-Dan springen ze met een ruk uit elkander en de kleine zaadjes worden
-weggeslingerd tot wel drie of vier meter ver; dat moet ge bij
-gelegenheid maar eens zelf nameten.
-
-De ruige veldkers is dus de voorlooper van de pinksterbloem en zoo
-mogen we de klimopbladige eereprijs (25) beschouwen als de voorlooper
-van de beroemde blauwoog, de gamander-eereprijs, die we in Mei zullen
-vinden.
-
-’t Is anders niet zoo ineens te zien, dat die klimopbladige behoort tot
-zoo’n doorluchtig geslacht. Alleen als je een van de bleekblauwe
-bloemkroontjes, die zoo gemakkelijk afvallen, terdege bekijkt, ontdek
-je de twee meeldraadjes, die hun voornaamste kenmerk uitmaken. De
-stengelbladeren vertoonen den echten klimopvorm, dus de naam is goed
-gekozen.
-
-Dit kleine eereprijsje groeit niet in ’t dichtst van de wei, maar op
-verwaarloosde plekken en langs heggen en boschkantjes, waar hij zich
-heel gelukkig gevoelt in gezelschap van paarse doovenetel, sterremuur,
-kruiskruid en meer dergelijk gespuis.
-
-Evenals al die andere is hij een echte snelgroeier en niet bang voor
-een beetje kou of barheid. Midden in den winter ontkiemen de zaadjes
-al, zoodat begin Maart de bloempjes al voor den dag kunnen komen.
-
-Toch blijft de wei de heele Lentemaand door nog stug van uiterlijk,
-slechts gaandeweg wordt ’t beter en als ’t eerste kievietsei eenmaal
-gevonden is, begint het er aardig uit te zien.
-
-De groote groene donkere proppen, die dotterbloemen (1) zullen worden,
-beginnen zich te ontrollen en gaan er werkelijk uitzien als stengels
-met bladeren. De stengelstukken zijn in ’t eerst nog wel kort, maar de
-bladeren vertoonen al hun mooien niervorm. ’t Is een lust te zien, hoe
-mooi ze geaderd zijn en gekarteld langs den rand. Midden in elk
-karteltje zit een wit plekje en daar eindigt ook een ader of nerf in.
-Al die witte plekjes zijn een soort van zweetkliertjes, die helpen de
-bladeren om het overtollige water weg te krijgen.
-
-De eerste dotterbloem-bloem (2) vind ik ook nog in Maart, de laatste
-nog in Juni en elk jaar zijn er ook weer van die dotters, die op ’t
-eind nog weer eens in bloei komen en het uithouden tot laat in October.
-Toch blijft Palmpaschen de mooiste dotterbloementijd, tegelijk met den
-mooisten bloei van de waterwilgen.
-
-Alles is dan geel in de wei en ’t is volkomen in den haak, dat dan ook
-in groot aantal de gele kwikstaartjes (109) aankomen, mooie, vlugge
-vogeltjes met lichtblauwe kopjes, keel en borst zoo geel als van een
-kanarie en de staart, zooals alle kwikstaarten die hebben, lang en bont
-en bewegelijk.
-
-Ze komen aan in kleine troepjes; ’t is zeer goed mogelijk, dat elke
-troep bestaat uit een of meer gezinnen van ’t vorig jaar, die bij
-elkander zijn gebleven en al dien tijd elkanders lief en leed hebben
-gedeeld. Ook nu blijven ze nog geruimen tijd bijeen, insecten zoekend
-op en tusschen de schapen, krijgertje spelend in ’t gras of pronkend op
-den zwarten bagger langs den slootkant. Daar zie je ze dan op hun
-mooist.
-
-Over een poosje maken zij hun nest, ook alweer verborgen onder ’t gras
-in holten langs greppelranden en heel moeilijk te vinden. Er liggen tot
-vijf of zes grijsbruin-gevlekte eieren in.
-
-Eens heb ik er een gevonden bij ’t zoeken naar viooltjes. Als ’t Maart
-werd, dan gingen wij jongens er altijd op uit met een zakmes en een
-bloempot, om viooltjes (22) uit te steken. Ik herinner mij nog, hoe we
-ze zochten op een kleiig plekje langs den Ouden Rijn, jaar in jaar uit
-en altijd vonden wij er. Je sneed dan met je mes in een kring rondom ’t
-polletje, zoodat je een afgeknotten kegel kreeg, die juist in de
-bloempot paste, ik voel nog het inpersen van die vette klei. En hoe
-aardig stonden de enkele grassprietjes om ’t plantje; een paar
-donkerblauwe bloempjes verspreidden hun geuren, andere waren nog in
-knop, we konden altijd wel een maand lang plezier van ons potje hebben.
-
-Er waren nog al veel kinderen, die daar viooltjes haalden, maar
-gelukkig was de voorraad groot genoeg; er groeiden er zooveel, dat de
-heele wei er van geurde. Er stonden boomen om die wei, oude eiken.
-Eigenlijk geloof ik, dat er op die plek vroeger een buiten of een
-boerderij had gestaan en dat die viooltjes evenals de sneeuwklokjes
-bijna altijd als ontsnapte tuinplanten moeten worden beschouwd.
-
-Wij namen natuurlijk de mooiste polletjes en lieten de niet bloeiende
-staan. We wisten toen niet, dat de viooltjes later in den tijd, in de
-zomermaanden, nog eens bloeien, maar dan met heel kleine groene
-bloempjes, die je nooit te zien krijgt, als je niet weet, dat ze
-bestaan en als je er niet opzettelijk naar zoekt.
-
-’t Zijn kleine groene spitse knopjes aan nogal lange steeltjes. Ze
-liggen vlak bij den grond en de vruchten (24), die ze opleveren, komen
-ook op den grond te liggen; die zijn groot en zwaar genoeg. Ze springen
-open met drie kleppen en die krullen ineen, zoodat ze de dikke zaden
-wegschieten net zooals iemand een kersepit tusschen duim en vinger
-wegschiet. De mieren sjouwen die zaden weer verder en zoo kan dan een
-heele buurt vol viooltjes raken.
-
-Doch heel veel zijn er toch niet in onze Hollandsche wei; ’t meest vind
-ik ze nog op de dijken en daar zie ik dan ook ’t meest de mooie
-parelmoervlinder (105), die zijn eitjes op de viooltjes legt.
-
-Als er heerlijke geuren uit de wei opstijgen in April en Mei, dan zijn
-die meestal wel afkomstig van de beide reukgrassen. Het eene heet
-„reukgras” zonder meer, het andere veenreukgras. Ze zijn allebei nog al
-gemakkelijk te vinden, want ’t zijn de grassen, die het vroegst
-bloeien, alleen de vossestaart houdt hen dan gezelschap en die is aan
-zijn zachte cilindervormige aarpluim al heel gemakkelijk te
-onderscheiden. Het veenreukgras groeit liefst op vochtige plaatsen,
-langs slooten en greppels. Doorgaans heeft het een bruinachtig tintje.
-De pluim is nog al wijd vertakt en bestaat uit veel bloempakjes, die
-aan kronkelsteeltjes neerhangen. Dat maakt dat dit gras in den bloei
-wel wat gelijkt op het meer bekende trilgras, dat we in Mei vinden.
-
-Wie er lust in heeft en er niet tegen opziet, om even een loupe te
-gebruiken kan op droge zonnige Aprildagen gemakkelijk de meeldraden en
-stampers van dit gras te zien krijgen, als ze uit de bruine of violette
-kafjes naar buiten groeien. Maar veel beter gaat dit nog bij het gewone
-reukgras. Het begint te bloeien met een tamelijk dichte doch kleine
-aarpluim, die uit langwerpige bloempakjes bestaat. ’s Morgens komen
-daaruit nu de meeldraden te voorschijn, uit elk bloempje twee; bij de
-meeste andere grassen bedraagt dat getal drie.
-
-O, wat heb ik daar al dikwijls met genoegen naar zitten kijken! Je
-kiest een bloempje, dat al de paarse helmknoppen laat zien, en blijft
-dan wachten. Telkens komt dan met een schokje die helmknop een klein
-eindje hooger, dat kun je vaak ook zonder loupe al zien. Eindelijk is
-de helmknop er heelemaal uit, maar nu is ’t nog niet gedaan, want nu
-schiet de helmdraad, een mooie witte helmdraad, al hooger en hooger op,
-totdat de paarse helmknoppen twee centimeter buiten de bloem uitsteken
-en daar bibberend en trillend met ieder zuchtje van den wind hun fijne
-stuifmeel uitstrooien.
-
-Je hebt in Münchhausen’s leugenboek wel eens gelezen van dien man, die
-het gras kon hooren groeien en dat is wel aardig, om aan te denken.
-Maar nog duizendmaal aardiger vind ik het, om met mijn eigen oogen het
-gras te zien groeien en dat zie je nergens zoo goed als bij het
-reukgras.
-
-De geur van die reukgrassen is later de geur van ’t hooi, maar zoover
-zijn we met Palmpaschen nog niet.
-
-Er bloeit nog zoo’n klein dingetje, dat de meeste menschen over het
-hoofd zien, maar dat eigenlijk toch veel te mooi is om vergeten te
-worden. Het lijkt net een soort van gras, maar de bladeren zijn met
-lange zijde-achtige haren bezet en als de bloempjes uit de bruine pluim
-op een warmen lentemorgen goed open staan, dan zie je dat ’t mooie
-zespuntige sterrebloempjes zijn, met aardige stampers en meeldraden en
-’t is nog moeilijk genoeg, om een echt onderscheid te vinden tusschen
-deze verschoppelingetjes en de trotsche lelies. Deze „veldbies” (18)
-groeit ’t liefst in zandige niet al te natte weiden.
-
-Daar komt dan ook de akkerpaardestaart (17) te voorschijn, die meer
-lijkt op een stukje speelgoed, dan op een plant. De stengel is
-opgebouwd uit een aantal verdiepingen die met mooie tandrandjes aan
-elkaar sluiten. Bovenop zit een soort van bijenkorfje dat bestaat weer
-uit kransen van aardige doosjes, waaruit een groen poeder te voorschijn
-komt. Dat zijn de sporen en daaruit komen ten slotte na allerlei
-avonturen weer nieuwe paardestaartplantjes opschieten. Behalve deze
-sporendragende twijgen komen later groene twijgen te voorschijn met
-kransen van takjes en die kan je ook al weer in stukjes trekken.
-
-Als een boer je bezig ziet met ’t vernielen van paardestaarten dan
-kijkt hij niet ontevreden, want hij beschouwt die paardestaarten als
-een gevaarlijk onkruid.
-
-Er zijn in ons land heel wat verschillende soorten van weiden en elke
-soort is mooi op zijn eigen manier. Die van ’t Hollandsch laagveen
-hebben in ’t vroege voorjaar niet hun allermooisten tijd, al gaan ze
-soms heelemaal schuil onder de pracht en praal van de dotterbloemen. Ze
-liggen dan nog veel te kil en te open in hun omlijsting van slooten. De
-weiden langs den zeekant zijn ’t langste dor, alleen bloeit daar in
-April het lepelblad, maar later komt er mooi Engelsch gras (16) en de
-aardige zeespurrie (28).
-
-De Zeeuwsche en Geldersche weiden echter hebben vaak hagen of brokken
-heg van meidoorn (6), sleedoorn (5) met hondsroos (23) en braam (26) en
-dat geeft weer heel wat afwisseling. Al in Maart begint de meidoorn
-zich heelemaal met groen te bespikkelen, doordat de knoppen bersten en
-zwellen en terzelfder tijd gaan aan de sleedoorn zich al bloemknoppen
-ontwikkelen, zoodat met half April de hagen heelemaal in den bloesem
-zitten en het na een buiïgen dag haast niet uit te maken is, of een
-weirand onder de sneeuw ligt of met bloeiende sleedoorns is bezet. Als
-ik zoo’n heestergroepje langs de wei zie, dan koers ik er dadelijk op
-af, want ik weet zeker, dat daar altijd iets moois te zien of te
-beleven is. Natuurlijk staat het speenkruid (4) er in grooten
-overvloed, het aardig boterbloemachtig sterrebloempje, dat ook wel veel
-staat in de wei zelf en langs de dijken, maar toch eigenlijk tehuis
-behoort in heg en bosch.
-
-Daar staat ook nog een ander heggekruid, de stinkende gouwe (21) of
-liever kortweg „gouwe” of „groote gouwe”, want met dat stinken is het
-zoo erg niet. Wel krijg je gele vlekken aan je vingers als je de bloem
-plukt, want stengels en bladeren zijn geheel doortrokken met kanalen
-vol geel melksap. Den eenen dag is het geler dan den anderen en in de
-wortels is het dikwijls oranje bij steenrood af.
-
-Als je haast nog niets van planten afweet en wel eens hebt hooren
-praten van kruisbloemen, dan beschouw je de gouwe met zijn vier
-kroonblaadjes ook al licht als een kruisbloem, dus als familie van
-koolzaad, pinksterbloem of veldkers. Maar als je beter toekijkt, dan
-zie je wel aan de groote menigte meeldraden, dat we hier met heel wat
-anders te doen hebben en dat onze vriend met het gele melksap behoort
-tot de familie van de klaprozen. In die zeer juiste meening wordt je
-nog versterkt, als je ziet hoe bij ’t opengaan van de bloem de twee
-kelkblaadjes worden afgestooten en hoe dan de vier kroonblaadjes
-gekreukeld en verfomfaaid uit hun dichte omknelling te voorschijn
-komen. De gouwe opent zijn eerste bloem in ’t midden van April en
-blijft voortbloeien tot in October toe.
-
-Op den bloeienden sleedoorn wemelt het van bijtjes (10), kleine wilde
-bijtjes, die ook alle omtrent Palmpaschen uit den grond komen kruipen.
-Ze hebben daar in de diepte, soms 5 c.M. diep, soms twee d.M., hun
-heele jeugd doorgebracht; eerst als witte made peuzelend van den honig-
-en stuifmeelvoorraad, die hun moeder daar voor hen had bijeengebracht,
-in elk kamertje juist genoeg voor de ontwikkeling van een jong. Later
-verpoppen ze en als de lente komt, zijn ze gereed, om zich een weg te
-banen naar de frissche lucht en het heldere zonlicht, dat ze nog nooit
-hebben gezien, en naar de mooie bloemen, waar niemand ter wereld hen
-van verteld heeft en waarop ze toch dadelijk hun kost moeten zoeken.
-
-Ik heb er vaak bijgestaan, dat die bijtjes uit den grond kwamen,
-honderden bij honderden. Waar je ook keek, overal zag je kleine
-openingetjes ontstaan, twee voelsprietjes wuifden onderzoekend in de
-ruimte en dan volgde langzamerhand het harige kopje en ’t ruige lijf.
-Die er al uit waren gekropen bleven nog een tijd rondvliegen boven het
-opstandingsterrein, alsof ze er belang in stelden, hoeveel van de
-familie er wel te voorschijn zouden komen.
-
-Dan gingen de mannetjes de wijfjes jagen en ten slotte zwermde de heele
-bende naar de bloemen, naar de sleedoorn, de gouwe, ’t speenkruid, de
-dotterbloemen en het hoefblad. En na een paar dagen zag je telkens nu
-hier dan daar weer zoo’n wijfjesbijtje hard bezig met graven in
-denzelfden grond, waar ze juist uitgekropen was.
-
-Dag aan dag doet ze niet anders dan kamertjes maken, die ze vult met
-honig en stuifmeel en waarop ze het lange geelachtige eitje legt,
-waaruit de witte made komt, die ’t volgend jaar als bij weer uit den
-grond zal kruipen. Zoo gaat het voort, jaar in jaar uit, altijd weer
-van voren af aan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-III. ALS DE EEREPRIJS BLOEIT.
-
-
-De mooie blauwe eereprijs (31) komt meestal in bloei omstreeks den
-eersten Mei, soms een dagje eerder, soms wat later, maar heel dikwijls
-heb ik haar voor ’t eerst gezien juist op den eersten en daar was ik
-dan heel blij om, hoewel het niets te beduiden heeft. Ook blijft het
-plantje wel doorbloeien tot in September, maar ’t mooist is het toch in
-Mei.
-
-’t Is nu, terwijl ik dit schrijf, Januari, maar ik verheug mij er al
-op, dat iedere dag ons nader brengt tot de Mei en als ’t eenmaal zoover
-is, dan ga ik lekkertjes weer uren lang zitten bij de eereprijsjes,
-hetzij in mijn eigen tuin, waar ik ze een eereplaats heb ingeruimd,
-hetzij aan den Vechtdijk of aan den Zuiderzeedijk, waar ik groote
-plakkaten eereprijs weet te staan vlak bij meidoorns die in bloei gaan
-komen. Groote bloeiende meidoorns aan den rand van de eindelooze wei.
-Hun laagste takken hangen neer tusschen de graspluimen, zoodat de witte
-meibloesem gezellig komt buurten bij boterbloem en vossestaart,
-eereprijs en wilde zuring.
-
-Uren lang bij de eereprijsjes. De witte wolken drijven langzaam langs
-de blauwe lucht en tusschen ’t groene gras gaat telkens een nieuw blauw
-oogje open. Eerst steekt een bleekblauw kegelspitsje uit groene
-kelkblaadjes, dat zwelt en opent zich aan zijn top en dan ontrollen
-zich de vier kroonslippen zoo snel, dat je de beweging duidelijk kunt
-zien, maar altijd is ’t nog een verrassing, dat op eens een groot blauw
-bloempje prijkt, waar eerst een bleeke knop was.
-
-En overal in ’t eereprijsveldje zijn de bloempjes aan ’t opengaan. Als
-je dat heel mooi wilt zien, ga dan kijken in de morgenuren. Je behoeft
-niet zoo griezelig vroeg te gaan, als voor andere natuurverschijnselen
-wel noodig is, ’t is al voldoende, als je er bij bent zoo tusschen
-achten en tienen. Dan is ook het gras al droog, zoodat je ongestoord
-kunt genieten.
-
-Als alle oogjes open zijn, dan zie je, dat ze verschillen; sommige zijn
-heel mooi diep donkerblauw, andere bleek, waterig, paarsachtig. Die
-donkere zijn vandaag voor ’t eerst open, de andere hebben gisteren hun
-beau-jour gehad, gaan misschien vanavond nog eens een keertje te ruste,
-maar als ze zich dan weer morgen openen, dan vallen ze al heel gauw af,
-hun tijd is voorbij en zoo krijgen ze allemaal hun beurt.
-
-Geur verspreiden die bloempjes niet, maar de groote blauwe plas, die ze
-in ’t grasveld vormen, wordt toch opgemerkt door de insecten en
-buitengewoon aardig is het, om te zien, hoe gevleugelde snoepers van
-allerlei soort de bloempjes komen bezoeken. Nu eens is het een klein
-gouden vlindertje, dan weer een graafbijtje, dat pas uit den grond is
-gekropen, maar meestal zijn het bonte, blinkende zweefvliegen.
-
-Sommige zien er uit als wespen, andere als de gewone honigbij en ik ken
-wel menschen, die ze om dat uiterlijk houden voor heel gevaarlijke
-dieren, die ze nooit zouden durven beetpakken. ’t Aardigste is nog wel,
-dat de eene, die veel op de honigbij lijkt, zich ook heeft aangewend,
-om op bijenmanier te vliegen: hij houdt zijn achterpooten net, alsof
-hij daar een heele vracht stuifmeel aan zal gaan meedragen.
-
-Doch ’t is allemaal niets dan looze bangmakerij en als je een beetje
-oplet, dan merk je dat hij niet alleen niet steken kan, maar zelfs niet
-eens in staat is, om een behoorlijk gebrom ten gehoore te brengen.
-
-Hij heet dan ook gewoon weg „blinde bij” (61), niet omdat hij een bij
-zou zijn en niet kan zien, maar om dezelfde reden als de mooie
-lipbloem, die zonder zijn bloemen zooveel op de brandnetel lijkt, den
-naam van „doovenetel” (42) heeft gekregen. Er is er ook een, die weer
-heel veel lijkt op een zwart met wit hommeltje, en die daarom dan ook
-hommelzweefvlieg (64) genoemd wordt. Deze zweefvliegen zijn al even
-trouwe bloemenvrienden als de bijen; ze eten niet anders dan honig en
-stuifmeel. Maar ze nemen niets mee; want hun jongen komen op heel
-andere manier aan den kost.
-
-Die van de blinde bij en ook die van bosch-zweefvlieg (62) en
-gestreepte zweefvlieg (63) hebben een nog al sombere jeugd. Onder den
-naam van „rotjes” leven ze in modderslooten, stilstaande greppels en
-ook wel in gootjes, waarlangs in dorpen en op ’t platte land het
-afvalwater van de keuken naar de slooten loopt.
-
-Daar zitten ze soms in bij duizenden. Ik weet wel, dat wij als jongens
-van een jaar of zes er met taaie vlijt jacht op maakten. Bij honderden
-vischten we ze op uit de griezeligste modder, grauwe cilindervormige
-diertjes met een soort van staart, die ze heel lang konden maken en ook
-weer bijna heelemaal intrekken; later zijn we aan de weet gekomen, dat
-’t geen staart, maar een soort van ademhalingswerktuig was.
-
-Als we er een paar honderd van bij elkander hadden dan gingen we er
-soldaatje mee spelen. We stelden ze op in rotten van vier, met
-officieren en onderofficieren, de muziek voorop, een dikke was de
-kolonel, allemaal juist precies, zooals bij het tweede regiment
-infanterie, dat in die dagen in onze oogen het allerbeste was, wat er
-op de wereld bestond. Ik kan mij niet herinneren, ooit later zooveel
-rotjes bij elkaar gezien te hebben.
-
-De larve van de bessenzweefvlieg (65) treft het beter. De oude vlieg
-zoekt een plant op, die vol met bladluizen zit en legt dan zijn eitje
-midden tusschen die sapzuigers. Als dan de larve uit ’t ei komt, heeft
-hij dadelijk zijn voedsel bij de hand, want ’t is zijn natuur, dat hij
-zich voedt met bladluizen. Met zijn achterlijf houdt hij zich vast aan
-’t blad, met zijn kaken grijpt hij één voor één de bladluizen, die
-tamelijk wel niets merken van ’t onheil, dat hen bedreigt, zuigt ze
-uit, gooit de leege huiden weg en begint dan van voren af aan. Deze
-woesteling heet bladluizenleeuw en vindt een naamgenoot en concurrent
-in de larve van de prachtige gaasvlieg (66), een diertje, dat eigenlijk
-heelemaal geen vlieg is en met zijn mooie ijle, groene, goudglanzige
-vleugeltjes haast te fijn en te mooi lijkt, om zoo maar in ’t wild rond
-te vliegen.
-
-Maar laat ons terugkeeren naar onze zweefvliegen en eereprijsjes. Ik
-heb al wat uren naar die vliegen liggen kijken en dat niet alleen in
-een soort van zomerluiheid, maar heel dikwijls met veel inspanning en
-wanhoop. Iedere jongen zal mij begrijpen. We denken tegenwoordig maar
-altijd aan vliegmachines en nu is zoo’n vlieg wel een van de meest
-voortreffelijke die er bestaan.
-
-Het aardigste is, dat hij, naar ik geloof, veel meer op de
-vliegmachines van Blériot en Henriot gelijkt, dan de vogels. Deze
-laatste maken met hun vleugels een beweging die heel veel lijkt op
-roeien, maar ik heb reden, om te gelooven dat de vliegen met hun
-vleugels een snelle draaiende beweging maken, dus zoo iets als de
-beweging van een schroef. Ze gaan dan ook mooi vast en gelijkmatig door
-de lucht en als ze soms eens op één plek en op dezelfde hoogte willen
-blijven dan weten ze dat te bereiken door met de vleugels tegengestelde
-bewegingen te maken.
-
-’t Is alleen maar jammer, dat het te vlug gaat, om precies het fijne
-ervan te kunnen zien: honderden malen per seconde. Slimme geleerden
-hebben wel middeltjes bedacht, om die vliegen hun eigen vliegbewegingen
-te laten opschrijven, maar het fijne weten wij er toch nog lang niet
-van.
-
-Als nu de zweefvliegen de mooie eereprijsjes zien, blijven ze een
-poosje op een kleinen afstand voor de bloem in de lucht zweven, ze
-staan dan stil op eenzelfde plaats, maar je ziet de vlerkjes in razende
-vaart ronddraaien.
-
-Dan gaan ze langzaam zakken, schuin naar omlaag en ze weten hun machine
-zoo te besturen, dat ze precies terechtkomen voor het midden van de
-bloem, met hun groote oogen juist vlak voor ’t witte ringetje dat
-midden in de bloem het vruchtbeginsel omgeeft. Ze grijpen met hun
-pooten de twee meeldraden en kunnen dan met hun dikken slurf de honig
-oplikken.
-
-Wie nu eens iets heel moois wil zien, moet die meeldraden van nabij
-bekijken. De helmdraden van het eereprijsbloempje zijn maar niet
-eenvoudige, overal even dikke rolronde draden, maar heel sierlijk van
-vorm, vlak bij de bloem heel dun en weer breeder, waar de vlieg ze
-aanpakt.
-
-Daardoor buigen ze onder de lichte greep en het geringe gewicht van de
-vlieg zoo door, dat de helmknoppen langs zijn lichaam schuiven, zoodat
-hij daar bepoederd wordt met stuifmeel. En als hij dan weer op een
-andere eereprijsbloem komt, dan is er alle kans dat hij dat stuifmeel
-onwillekeurig afstrijkt op de stempel, die op zijn dunne stijltje juist
-tusschen de twee meeldraden in staat en dan kan de inhoud van zoo’n
-stuifmeelkorrel door de stijl naar binnen groeien en de kleine
-zaadknopjes, die binnen in het vruchtbeginsel zitten, aan den gang
-maken, om tot zaden te rijpen.
-
-De zweefvlieg beseft natuurlijk heelemaal niet, wat voor weldaad hij
-aan ’t bloempje bewijst. Ook gaat hij wel eens een enkelen keer
-verkeerd zitten en ’t gebeurt ook dikwijls genoeg, dat de stempel
-zonder hulp van vliegen in aanraking komt met helmknoppen in dezelfde
-bloem en dan ontstaan toch ook goede rijpe zaden. Wie er aardigheid in
-heeft, kan omtrent den omgang van insecten met bloemen nog menige
-belangrijke bijzonderheid opmerken.
-
-Al die lange zomerdagen zijn vliegen, bijen en vlinders met al die
-bloemen bezig. Sommige bloemen hebben een bepaald stel van vriendjes,
-andere zijn echte allemansvrienden. Op de paardebloem (34) is om zoo te
-zeggen ieder tehuis, van de domste vlieg af tot de fijnste vlinder of
-slimste bij toe. De koekoeksbloem (70) heeft ’t liefst met vlinders te
-doen, de boterbloem (32) is vriendelijk tegenover kevertjes, vliegen en
-kleine bijtjes en de orchideeën hebben in hun vreemdsoortig ingerichte
-ontvangzaal weer ’t liefst vlinders en hommels.
-
-Lang niet in iedere wei groeien van die orchideeën. Het moet er min of
-meer vochtig zijn; ik geloof wel dat de beste orchideeënplekjes lang
-niet altijd het meest waardevolle hooiland opleveren. Heel dikwijls
-groeien ze in gezelschap van wollegras (48) en dan groeit er ook licht
-veenmos en zeggen (39) en allerlei dingen, waar een boer het land aan
-heeft.
-
-Ik laat mij echter door die witte vlaggetjes van ’t wollegras gaarne
-leiden, want waar dat groeit, vind je dan licht orchideeën en misschien
-ook nog aardige addertongvarentjes of zonnedauw. En er is ook kans, dat
-daar ringslangen rondkruipen, wat voor den oningewijde wel griezelig
-mag lijken, maar den kenner met groote blijdschap vervult.
-
-’t Is maar een kwestie van een paar centimeters hooger of lager,
-misschien ook wel van de aanwezigheid van een kleilaag onder ’t veen.
-Soms is zoo’n plekje nog niet eens honderd vierkante meter groot, maar
-de plantengroei en de dierenwereld is er dadelijk anders dan in de rest
-van de wei.
-
-Licht schieten er ook een paar berkjes, wat lijsterbessen en bramen op
-en wanneer de oeverzeggen er hoog en dicht genoeg worden krijg je daar
-zelfs kans op het allermooiste en minst bekende slootkantvogeltje, de
-vroolijke blauwborst (110).
-
-Hij is familie van het roodborstje en staat net zoo parmantig op zijn
-veerkrachtige dunne pootjes. Hij heeft een wit wenkbrauwstreepje over
-het groote glinsterende oog en zijn borst is prachtig diep blauw met
-een wit vlekje er midden in.
-
-In April ontmoet ik hem al op zijn broedplaatsen en als ik hem niet
-zie, dan zorgt hij er wel voor dat ik hem hoor, want hij blaast een
-heel heldere schetterende fanfare, die geen een vogel hem kan nadoen.
-Hij echter kan wel de andere vogels nadoen en amuseert zich er, met te
-spelen voor leeuwerik, pieper, kieviet en kraai, al naar hij er trek in
-heeft.
-
-Zijn nest zit listig verborgen achter ’t hooge oevergras.
-
-Op zulke plaatsen zwemmen ook, als de slooten niet al te smal zijn, de
-vlugge dodaarsjes (111, 112), die op kleine eendjes zouden lijken als
-ze maar een staart hadden en als hun zwemvliezen den gewonen vorm
-hadden. Hun nest is een hoop rommel op ’t water en als de broedende
-vogel onraad merkt, dan glijdt hij er stilletjes af maar verstopt eerst
-de eieren onder modder en blaren. Dan duikt hij onder en je moet al
-heel knap en geduldig wezen, om wat van hem te zien te krijgen. Er zijn
-er veel meer in onze natte landen dan men wel meent, en wanneer ik op
-zoo’n nat plekje het kartelblad (83) of de orchideeën ga liggen
-bekijken, dan heb ik om zoo te zeggen altijd één oog gericht op het
-verschiet der slooten, om zoo mogelijk een blauwborstje of een
-dodaarsje te betrappen.
-
-De schoolboeken geven je altijd den raad, om een potloodpunt in zoo’n
-orchideeënbloem te steken. Als je dat in goede richting doet, dan komen
-twee kleefplakjes van de bloem ermee in aanraking en als je dan ’t
-potlood weer terugtrekt, blijven twee stuifmeelklompjes eraan kleven.
-
-Je kunt het natuurlijk evengoed doen met je pink; eigenlijk veel beter,
-want de top van een goed verzorgde niet al te dikke pink, lijkt toch
-altijd nog meer op een hommelkop dan zoo’n spitse potloodpunt.
-
-Ik doe dat nog altijd met evenveel plezier als dertig jaar geleden. ’t
-Blijft altijd verrassend, hoe grif en stevig die dingen blijven kleven
-en nog veel mooier en wonderlijker is het, dat onmiddellijk de
-steeltjes van die stuifmeelklompjes gaan doorbuigen. Eindelijk gaan ze
-niet meer verder en als je dan je pink weer in dezelfde houding van
-straks in de bloem brengt, zul je merken, dat dan die stuifmeelklompjes
-terechtkomen tegen het kleverig stempeloppervlak en een deel van het
-stuifmeel blijft dan daarop vastzitten: de bloem is bestoven.
-
-Veel aardiger dan die pinkgymnastiek is natuurlijk het bezoek van de
-hommels zelf. Intusschen moet ik u waarschuwen, dat de eerste de beste
-nieuwsgierige er niet op hoeft te rekenen, dit zoo maar eens in de
-gauwigheid te zien te krijgen, door even te loopen door een weiland met
-orchideeën.
-
-Onze weide-orchideeën, de breedbladige (46), de gevlekte (44), de
-harlekijn (43) krijgen soms in geen dagen bezoek van een enkel insect.
-Je vindt dan bloeiaren, waarin haast alle bloemen nog ongeschonden
-helmknoppen bezitten.
-
-Bij mooi weer en in een hommelrijk jaar heeft een volhardend
-onderzoeker echter wel kans, om die stuifmeelplakkerij in zijn volle
-glorie te genieten. Er komt een weidehommel aangonzen, regelrecht op de
-bloem af. Of de mooie vlekjes op de onderlip hem den weg wijzen naar
-den ingang van de bloem? Sommige geleerden meenen van ja, en noemen die
-vlekjes het honigmerk. Anderen spreken het tegen en daar kan dan weer
-heel genoeglijk over gekibbeld worden.
-
-De hommel gaat intusschen evengoed zijn gang; hij suist tamelijk
-onzacht op de bloem neer, steekt twee lange glimmende kaken zoo diep
-mogelijk in het zakje, dat aan een van de bloembladen zit, de spoor,
-schuurt het weefsel daarvan kapot en gaat dan met zijn lange ruige tong
-het sap oplikken. Al dien tijd heeft hij zijn kop juist tegen de
-kleefplakjes, de zoogenaamde hechtkliertjes, gedrukt en wanneer hij nu
-de bloem verlaat, dan zie je met bijzonder groot genoegen twee
-lichtgele stuifmeelklompjes op dunne steeltjes boven op zijn kop staan.
-Hij krabbelt naar een volgende bloem, drukt zonder het te willen of te
-weten stuifmeel tegen den kleverigen stempel, maar doet tegelijkertijd
-weer twee nieuwe stuifmeelklompjes op.
-
-Als hij ergen honger heeft en bloem na bloem bezoekt, krijgt hij ten
-slotte een heele pruik van die dingen op zijn kop en dan begint hij er
-erg in te krijgen, vooral als er een stuk of zes geplakt zitten midden
-op zijn oogen.
-
-Hij heeft dan een heele tobberij, om zijn bol weer schoon te krijgen;
-ik heb er wel gezien, die met vier van hun zes pooten uit alle macht
-zaten te schrobben en te schuren en het ten slotte toch moesten
-opgeven, zich heelemaal schoon te poetsen.
-
-De mooie witte welriekende nachtorchis (45) wordt weinig door hommels,
-maar drukker door vlinders bezocht. De lange spoor bevat veel honig,
-dat kun je van buiten af wel zien en ’s avonds komen daar de vlinders
-op af, aangelokt door den heerlijken geur, die de bloem dan gaat
-verspreiden.
-
-’t Is heusch wel de moeite waard, om die orchideeën in potten te
-kweeken of een vochtig hoekje in den tuin voor hen in te ruimen. Bij
-goede behandeling komen zij ieder jaar weer opnieuw te voorschijn uit
-hun merkwaardigen wortelknol, telkens weer grooter en mooier dan eerst,
-ik heb daar heel mooie dingen van gezien.
-
-Maar ga mij nu niet al de orchideeën uitgraven, die ge tegenkomt. Aan
-één hebt ge genoeg. Het uitgraven lijkt makkelijk genoeg, ja je kunt ze
-soms zoo maar met knol en al uit den weeken moerasbodem trekken. Toch
-is het dan tien tegen één, dat de worteluiteinden, waar ’t juist op
-aankomt, afbreken en dan bloeit de plant wel dat ééne jaar, maar hij is
-niet bij machte een behoorlijke nieuwe wortelknol voor ’t volgend jaar
-te maken. Wil je ’t goed doen, neem dan een heele zode, twee decimeter
-in middellijn, zoodat de plant tot in zijn fijnste deelen ongeschonden
-blijft.
-
-Nog veel aardiger is het, ze te kweeken uit het fijne zaad, dat ge in
-den nazomer uit de bruine verdroogde vruchten kunt kloppen. Je hebt dan
-meteen de voldoening iets te probeeren, wat lang niet iedereen gelukt.
-De orchideeënzaden ontkiemen alleen onder bepaalde omstandigheden; zorg
-vooral, ze uit te zaaien in grond, afkomstig van ’t terrein zelf, waar
-ge de zaden inzamelde en als daar mos groeide, neem dan ook maar wat
-van dat mos mee, dat kan nooit geen kwaad, zou mijn grootmoeder zeggen.
-
-Orchideeën zijn niet bepaald zeldzaam, maar toch altijd wel iets
-aparts. ’t Is niet te ontkennen, dat wij houden van zeldzame en aparte
-dingen en zoolang je daarom de gewone dingen niet verwaarloost, zit er
-ook geen kwaad in. Ik ben altijd klaar, om zeldzame planten en dieren
-te gaan opzoeken en als ik ze weet te vinden, dan sla ik meestal geen
-enkel jaar over, om ze te gaan bekijken in den tijd, dat ze op hun
-mooist bloeien.
-
-Zoo doe ik iedere Meimaand een of meer tochten naar de Vechtstreek, om
-de zomerklokjes (41) te gaan zien. Ze groeien ook wel vlak bij mij in
-de buurt op een weide-eilandje in de Mooie Nel, maar daar staan er
-slechts enkele honderden en dat is mij te weinig. Ik houd van
-overvloed, van duizenden en millioenen, heele velden van eereprijsjes;
-madeliefjes dicht geschaard zoover je zien kunt, boterbloem en zuring
-samen één groot vlak vormend van rood en goud en dan weer rij aan rij
-van orchideeën, alle rechtop en talrijk als klaverbloemen. Millioenen
-graspluimen wapperen er tusschen en er boven, allemaal even frisch en
-flink, met ieder uur hooger van gestalte en dieper van kleur. Aan den
-slootkant bloeien heele plakkaten van mooie hemelsblauwe
-vergeetmijnietjes (67) en de helling staat vol met een kleiner
-bloempje, bleekblauw bij wit af, dat door sommige menschen wel valsch
-vergeetmijnietje genoemd wordt, maar ’t is niets anders dan de lekkere
-veldsla (67).
-
-En waar de breede Vecht door bonte weiden kronkelt, heeft hij over een
-lengte van eenige kilometers zijn boorden omzoomd met zomerklokjes. Aan
-hooge stengels wiegelen ze in de morgenbries, vijf, zes hangende
-bloempjes in een schermpje bij elkaar, roomwit met fijne groene
-vlekjes: sneeuwklokjes in zomerkleed. Onze vrienden, de zweefvliegen
-dartelen er tusschen door in gezelschap van kleurige hommels. De
-bladeren van deze planten zijn donker groen, veel donkerder dan ’t
-jonge riet, dat pas zijn eerste linten ontrolt. Donker blad en witte
-bloemen; aan de overzijde van de rivier zijn ze ook duidelijk te zien
-en ’t mooist zijn ze in een drassig hooilandje binnendijks, waar groote
-pollen afzonderlijk staan tusschen jonge waterzuring en bloeiende
-oeverzegge.
-
-Hoogstwaarschijnlijk zijn deze zomerklokjes geen oorspronkelijke wilde
-planten, maar sierplanten, die sinds overoude tijden uit slotgaarde of
-kloostertuin zijn ontsnapt. Ze zijn er mij niet minder dierbaar om.
-Integendeel, want evengoed als ze op die enkele plaatsen in Nederland
-jaar in jaar uit trots den allerstrengsten winter zich weelderig willen
-ontwikkelen, kunnen ze overal groeien, waar de grond maar niet al te
-droog is. Bezat ik weilanden, dan zou ik mij niet ontzien, om een paar
-hoekjes vol te zetten met deze zomerklokjes.
-
-Ook zou ik de kievietsbloem (47) niet vergeten, ook waarschijnlijk een
-ontsnapte tuinplant, een neefje van de trotsche keizerskroon. In
-sommige weilanden groeit die bij honderden. ’t Is een heel genoegen, er
-tusschen in te staan en toe te zien, hoe de hommels de neerhangende
-bloemen opzoeken en hoe ze er in wegduikelen, om den honig te halen,
-die in hoekjes van de bloembladen zit.
-
-Die bloembladen zijn prachtig fijn geaderd en gekleurd met plekjes
-paars en plekjes wit; daaraan heeft de bloem zijn naam van dambordbloem
-te danken. Ook wordt zij wel kievietsei genoemd en dat is nog zoo mis
-niet, want de nog niet geopende bloemen zijn werkelijk eivormig.
-
-In plaats van paarse, vindt je ook witte, die zijn niet zuiver wit,
-maar de vlekken zijn wel degelijk aanwezig, al zijn ze dan ook maar
-flauwtjes groenachtig geel. Zoowel van kievietsbloem als van
-zomerklokje zijn de bollen te koop bij den bloemist en duur zijn ze
-niet, zoodat je voor een enkelen gulden of zoo je heele leven lang een
-verrassend mooi plekje kunt hebben in een doodgewone wei.
-
-Maar als nu eens ergens geen zomerklokjes of kievietsbloemen bloeien,
-dan is de wei toch nog mooi genoeg. Alleen de grassen geven je al
-genoeg te doen. Een heele massa kinderen en menschen kijken naar de
-grassen niet om, omdat ze zoo moeilijk te onderscheiden zijn. Nu zijn
-alle dingen net zoo moeilijk, als je ze zelf maken wilt en ik voor mij
-zou er heelemaal geen bezwaar in zien, om kinderen van acht of negen
-jaar een vijf-en-twintigtal van de meest algemeene grassen te leeren.
-
-Je kunt er ook heel gemakkelijk een verzameling van aanleggen, want ze
-zijn prachtig om te drogen; als je maar zorgt, goed ontwikkelde pluimen
-te nemen, dan krijg je vanzelf heel mooie, teekenachtige bladen. In ’t
-vroege voorjaar hebben we al de beide reukgrassen gevonden, die gevolgd
-worden door de vossestaart, die net zoo rond en zachtharig is, als zijn
-naam aangeeft. Dit gras bloeit ook wel in de eerste dagen van Mei en al
-naar het tijdperk van bloei ziet de staart grijs, paars, bruin of
-groen.
-
-Grijs is hij, wanneer uit alle bloempjes de witte stijlen naar buiten
-komen, paars wanneer de stijlen zijn verschrompeld en in hun plaats
-paarse helmknoppen op fijne witte draden uit de bloem zijn geschoven;
-die helmknoppen verschrompelen tot een bruine massa, die afvalt en de
-rijpende aar groen achterlaat. Je kunt die verschillende toestanden
-vlak bij elkaar aantreffen.
-
-Na de vossestaart komt de timothee, die er wel wat op lijkt, maar
-altijd grijs is en tamelijk stijf; ieder apart bloempakje heeft wel wat
-van een laarzenknecht. Tegelijk bloeien nu ook de wijdvertakte
-pluimgrassen: op natte venige plekken het mooie trilgras, dat we ook
-bevertjes noemen; elders weer de zachte pluimen van de dravik of de
-mooie groote havergrassen, die eraan te herkennen zijn, dat ze in ieder
-bloempakje één of meer geknikte kafnaalden hebben.
-
-De pluimen met de fijne bloempakjes zijn meestal van beemdgras en heel
-stellig vindt ge ook de witbol, die in dichte bossen groeit. Hij heeft
-zeer zacht behaarde stengels en bladeren en zijn bloempakjes zijn
-lichtgroen of bleekrose, soms ook met wat violet er in, bijzonder mooi.
-Tegenwoordig heeft dat gras den eerwaardigen naam van witbol, vroeger
-werd het „zorggras” genoemd, de landman houdt er niet veel van en ik
-heb het ook niet graag in het effen grasperk, want het maakt zulke
-onhandelbare proppen, die misstaan in de mooie effen zode.
-
-Zuring (38) zien de boeren ook niet zoo bijster graag, doch ze moeten
-er maar aan wennen, want die plant laat zich niet zoo gemakkelijk uit
-het veld slaan. Er is eigenlijk geen enkele grondsoort, of er groeit de
-eene of andere zuring: aan de waterkanten en op natte plaatsen de
-reusachtige waterzuringen, op de schrale zandvlakten het tengere
-schapenzurinkje en in de wei de lekkere malsche veldzuring, die ’t
-zuurst van alle is.
-
-Als je iemand vraagt, hoe de bloem van die zuring er uitziet, dan
-blijft hij gewoonlijk ’t antwoord schuldig. Ja, ’t is iets roods, en al
-die roode zuringbloemen geven met de gele boterbloemen dien heerlijken
-tint van den vollen zomer op de bonte wei. Maar als ze zoo rood zien,
-dan zijn de zuringen meestal bijna uitgebloeid, die roode kleur zit
-door hun heele lichaam en hangt weer samen met hun zuurheid en met de
-zon, doch ik zie geen kans, om u dat hier allemaal in een paar regels
-uit te leggen.
-
-De bloempjes van de zuring zijn maar kleine dingetjes met zes groene
-bloemblaadjes. Sommige hebben een zestal meeldraadjes, die heel
-gemakkelijk bewegen en hun stuifmeel door den wind laten meedragen,
-andere hebben een stampertje met een mooien pluimstempel.
-
-Als ’t vruchtje gaat rijpen, gebeurt er iets aardigs; drie van de
-bloemblaadjes gaan uitgroeien en worden zoo groot dat ze elkander
-verdrukken en verbuigen. Ze buigen dan naar buiten om en staan met de
-omgebogen helften zoo tegen elkander aan, dat ze drie platte lijsten
-over het vruchtje vormen, die den dienst doen van vleugels. Als de
-plant niet werd afgemaaid, dan zou de vrucht op die vleugels door den
-wind worden meegevoerd.
-
-De kneutjes komen uit de struiken en uit de hagen naar de wei om van
-die vruchtjes te eten, montere vogeltjes met roode kappen en roode
-borstlappen op de roode zuring.
-
-Dat is een van de mooiste tooneeltjes, die ik ooit gezien heb en als ik
-ergens veel zuring weet te staan in een streek, waar ook de kneutjes
-niet zeldzaam zijn, dan zorg ik er voor, dat ik daar ook niet al te
-zeldzaam word, m.a.w. dan loop ik daar als ’t eenigszins kan ’s morgens
-tusschen zessen en achten rond, om de roode snoepers te betrappen. ’t
-Lukt dikwijls genoeg.
-
-De zuring heeft nog een ander vriendje, waar ik haast net zooveel van
-houd als van de kneutjes; dat is het vuurvlindertje (127, 129), het
-dartelste van alle vlindertjes.
-
-Wat hebben onze Hollandsche dagvlinders over ’t algemeen toch prettige
-namen, namen, die het onvergeeflijk maken, dat je de dieren zelf niet
-herkent, als je ze buiten tegenkomt. Denk maar eens aan
-parelmoervlinder, dagpauwoog, rouwmantel, zandoogje, blauwtje,
-groentje, witje, citroenvlinder, oranjetip, weerschijnvlinder, allemaal
-namen, die heel gelukkig aanduiden, hoe het dier er uitziet.
-
-Het vuurvlindertje heeft ook zoo echt de kleur en den gloed van een
-kooltje vuur, dat je op ’t eerste gezicht al zegt, dat moet hem zijn en
-geen andere. ’t Is precies alsof je een gloeiend kooltje ziet gloren,
-onder de asch. Wie een beetje thuis is in ’t Rijks-Museum heeft die
-gloed wel gevonden in de brandende turfjes op een paar schilderijen van
-Jan Steen; ik herinner mij op ’t oogenblik twee van zijn schilderijen
-met van die vuurvlinder-gloeiende-turfjes in een test. De Engelschen,
-die anders ook over heel mooie vlindernamen beschikken, noemen ons
-vuurvlindertje Small Copper maar dat is lang zoo juist niet, die
-vleugeltjes zijn veeleer vuur dan koper, let er maar eens op.
-
-En in ’t vuur liggen weer mooie koolzwarte blokjes, bij sommige meer,
-bij andere minder, want dat vuurvlindertje is een heel variabel
-diertje. Wie er aardigheid in heeft kan zich een verzameling
-vuurvlindertjes aanleggen, beginnende met diertjes waarvan de vleugels
-bijna geheel vuur zijn, zonder zwarte vlekjes om te eindigen met
-vormen, waarbij zooveel zwarte vlekjes voorkomen, dat ’t vuur er geheel
-onder verscholen gaat.
-
-Heel dikwijls vind ik er ook, die op de achtervleugels mooie blauwe
-plekjes hebben; verleden jaar kwam er zoo een drie dagen achtereen in
-mijn tuin altijd ’s middags tusschen één en drie uur, want die dartele
-en vlugge diertjes hebben soms zeer vaste gewoonten. Het moet ook
-voorkomen, maar dat heb ik nooit gezien, dat het vuurtintje heelemaal
-vervangen is door een roomachtige of ook wel zilverachtige tint, je
-zoudt kunnen zeggen: een vuurvlindertje in de grondverf.
-
-Maar hoe ze er ook uitzien, altijd zijn die kleine rakkers vol
-levenslust en overmoed. Niet alleen, dat ze elkander nazitten, zooals
-alle vlinders doen, maar ze laten, om zoo te zeggen, geen enkel dier
-met rust.
-
-Ik heb het wel gezien, dat ze de vliegen verjoegen van de bloemen, ja,
-dat ze dikke hommels te lijf gingen. Zoo brutaal kwamen ze op die
-zuigbrommers af, dat die overhaast op de vlucht sloegen, alsof ze ik
-weet niet wat van die kleine vlindertjes te vreezen hadden.
-
-Zelfs heb ik me wel verbeeld, dat ze mij aanvielen, wanneer ik in de
-wei zat te teekenen of te spionneeren. Onophoudelijk vlogen ze mij om
-’t hoofd, ze gingen zitten op mijn handen, op mijn schetsboek en ik
-geloof waarlijk dat ze, als ik opstond om ergens anders te gaan werken,
-nog meenden dat ze mij uit het veld hadden geslagen. Nu, ik gunde hun
-de pret van harte.
-
-Ik denk wel, dat het hun in de meeste van die gevallen te doen is om te
-kunnen komen bij hun geliefkoosde zuringplant, waarop ze hun eitjes
-willen leggen. De larven, die uit die eitjes komen, zijn platte groene
-rupsjes, bedekt met korte fijne roodachtige haartjes en hun pooten zijn
-ook rood, dat schijnt nu eenmaal zoo bij de zuring te behooren.
-
-Ik wed, om een kwartje, dat niet één op de duizend lezers van dit album
-ze ooit gezien heeft. De slimmers schijnen alweer te beseffen, dat de
-voornaamste zorg van een rups moet zijn: zooveel mogelijk te eten en
-zoo weinig mogelijk opgegeten te worden. Daarom kruipen ze overdag
-wijselijk in den grond en ’s avonds komen ze te voorschijn, om zich te
-goed te doen aan de lekkere zuring.
-
-Wie ze dus wil zien, moet ’s avonds er op uit met een lantaarntje en
-met een paar goede waterdichte schoenen aan van wege de avonddauw. De
-witte nevels, die zich verdichten boven de slooten en die ten slotte
-een witte wade weven over het heele landschap, zullen ons niet deren.
-Heel veel menschen vreezen de avondnevel alsof die uit vergiftige
-dampen bestond, doch ’t is niets anders dan zuiver water en als je
-overigens goed gezond bent, dan zal die nevel je niet ziek maken.
-
-De leeuweriken hebben al lang uitgezongen, alleen de spriet kraakt zijn
-lentegezang en af en toe jammert in eens een kieviet; je kunt eigenlijk
-nooit zeggen of ’t bij hem vreugd of verdriet is. In ieder geval heeft
-’t niet zijn instemming, dat wij met die lantaarn loopen te kruisen
-door ’t natte gras.
-
-Hoe heel anders ziet de weide er nu uit, dan in den zonneschijn. Haast
-alle bloemen zijn gaan slapen. Alleen bij ’t hek van de wei zien we een
-massa lichtgroene ballonnetjes met witte vlaggetjes er aan in de lucht
-hangen en als we de lantaarn wat dichter bij houden, blijkt dat een nog
-al vreemde plant te zijn, zoo’n echte dwaalgeest voor hekken en hoeken,
-de silene (123) met de opgeblazen kelk, een vriend van de kleine
-nachtvlindertjes.
-
-En nu we wat verder komen, in het vochtig gedeelte, vinden we daar de
-koekoeksbloemen ook nog wijd wakker en ze hebben bezoek ook van de
-grauwe vlindertjes, die dat mooie zilveren pistooltje op den
-voorvleugel dragen. Wij noemen ze dan ook pistooltjes, maar mijn neef
-met de bril op, die zes uur per week op ’t gymnasium geplaagd wordt met
-Grieksch, weet dat dat zilveren plekje meer lijkt op een Griekschen
-letter en noemt het beest gamma-uil. Het dier bekommert er zich niet om
-en vliegt even vroolijk van bloem tot bloem.
-
-Die koekoeksbloemen geuren heel flauwtjes, maar een sterker geur lokt
-ons naar een plek, waar witte orchideeën staan en die zijn nu op ’t
-oogenblik ook in hunne volle kracht, je kunt ze letterlijk op den reuk
-af vinden, als je tenminste niet door vroegtijdig of overvloedig rooken
-je reukorganen verzwakt en verstompt hebt. We wachten even, of er ook
-vlinders op komen, maar dat gaat ditmaal niet zoo gauw, dat kan zoo
-gebeuren.
-
-Je moet vooral niet meenen, dat de natuur een soort van kijkspel is,
-waar je maar je dubbeltje behoeft te offeren en binnen te gaan, om
-dadelijk allerlei moois en interessants te zien te krijgen. Soms kun je
-uren zoeken en wachten, eer de merkwaardigheden opdagen. Intusschen heb
-ik wel eens hooren beweren, dat juist dat zoeken en wachten een
-bijzondere bekoring geeft aan het natuuronderzoek. Probeer het maar
-eens.
-
-Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is, en iedere bloem slaapt,
-zooals zijn slaapmuts staat. De blauwe eereprijzen probeeren, om
-heelemaal in hun schulp te kruipen, ze sluiten het blauwe kroontje en
-trachten het te omgeven met het groene kelkje, maar daar ’t kroontje in
-den loop van den dag sneller is gegroeid dan de kelk, kan het er niet
-heelemaal meer in en zoo blijft er dan een blauw neusje buiten de deken
-uitsteken.
-
-De paardebloem (34) krult zijn omwindselblaadjes omhoog, zoodat al de
-gele bloempjes tegelijk worden ingepakt en ’t madeliefje (35) gedraagt
-zich op dezelfde manier. De mooie frissche lichtpaarse
-Pinksterbloempjes buigen hun bloemstelen, zoodat de opening van de
-bloem naar beneden wordt gericht; zoo doen ook de boterbloemen. Doch de
-klavers en de wikken slapen ’t hevigst, die vouwen al hun blaadjes
-samen en als ’t kan, dan wordt de bloementros daaronder weggeborgen.
-
-Ze gaan te ruste op zeer ongelijke tijden, de meeste nog al vroeg, voor
-zonsondergang reeds. ’t Is wel aardig, daar eens gedurende een zomer
-aanteekeningen over te maken. De bijzonder oplettenden mogen ook eens
-uitzien naar het slapen der grassen. Terwijl ge daarnaar uitkijkt,
-vindt ge stellig ook weer een aantal slapende vlinders, net bleeke of
-bruine blaadjes, die uit den stengel zijn opgegroeid, dat zijn vlinders
-en die zijn meestal zoo diep in den dut, dat ge ze met plant en al naar
-huis kunt dragen, zonder dat ze ontwaken.
-
-Intusschen zijn we bij onze zuringen beland en met een beetje geluk
-vinden we de vuurvlinderrupsjes, net kleine verroeste pissebedjes. Ze
-hebben ook alweer de lastige gewoonte, om zich zoo maar te laten vallen
-als ze gevaar bespeuren en ’t kost ons nog heel wat moeite, om er een
-paar te bemachtigen voor onze rupsenkweekerij. Vindt ge nog andere,
-grootere of grauwe rupsen, neem die dan ook maar mee, de vlinders
-daarvan ontmoeten we in ’t volgend hoofdstuk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IV. MET DE MAAIERS.
-
-
-Luid ratelt de maaimachine door ’t hooiland. De zwaluwen zwermen er om
-heen en vinden een gemakkelijke en rijke buit in ’t gewriemel van de
-wolken van vliegen en mugjes, die uit het vallend gras worden
-opgeschrikt. Boven de zwaluwen staan hoog in de lucht de jammerende
-kievieten, grutto’s en tureluurs, die hun jongen bedreigd zien, of die
-zelfs nog een laat legsel te bebroeden hebben.
-
-Wij maken het dien vogels niet gemakkelijk. Tot den eersten Mei mogen
-ze volgens de wet van hun eieren beroofd worden, en als ze dan goed en
-wel eindelijk rustig opnieuw een poging meenen te kunnen wagen, komt
-die maairamp. Geen wonder, dat dan velen het opgeven en die trekken dan
-naar de duinen en heide, om daar nog eens opnieuw een kansje te wagen.
-
-Zoo komt het dan, dat wij menigmaal in de Julimaand de kieviet of de
-grutto nog broedend vinden op hooge heete duinhellingen. Maar het
-ergste is nog, dat de honderden van jonge vogels uit hunne
-schuilplaatsen worden verdreven en zoo zij al niet vernield worden door
-zeis of maaimachine, gevaar loopen van gemakkelijk overweldigd te
-worden door roofvogels, hermelijnen, bunsings, ratten, egels en
-spitsmuizen, om niet eens nog te gewagen van de boerenkatten of
-schijnheilige ooievaars.
-
-Dat is allemaal heel treurig, maar er is weinig aan te doen. ’t Is
-onvermijdelijk, dat de beesten in ’t gedrang komen. Je zoudt eigenlijk
-een soort van vluchtheuveltjes moeten aanleggen, waar de maaier niet
-komen mocht.
-
-De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten probeert zoo iets. Zij
-heeft op ’t eiland Texel in het midden van den rijken hooipolder Waal
-en Burg een stuk hooiland gekregen, groot zeven hectaren. Daar wordt nu
-pas gemaaid, eenige weken nadat de rest van den polder gemaaid is,
-zoodat gedurende dien tijd alles wat op de kale velden zich onveilig
-waant, bij ons een schuilplaats vinden kan.
-
-Verleden zomer ben ik daar eens gaan kijken. Ons stuk lag nog in rust,
-maar overal elders in den polder waren ze druk aan ’t hooien. Het was
-een lust, om nu in „De Steert”, zoo heet ons bezit, naar jonge vogels
-uit te zien. Het zat er letterlijk vol van. In iederen vierkanten meter
-vond je een jonge vogel weggedoken; meeuwen, sterntjes, kievieten,
-tureluurs, grutto’s, kluiten, pleviertjes, kemphanen (54), van heel
-jong af tot bijna vlug. De ouden kwamen ze behoorlijk opzoeken en
-voeren. Aan den oever van een plas, vlak in de buurt dartelden al
-eenige honderden jongen rond, die al op eigen beenen konden staan en
-met een week of drie hun eerste reis naar verre streken zouden
-aanvaarden.
-
-Natuurlijk is het voor die waadvogels en zwemvogels nog al gemakkelijk,
-om aan het gevaar te ontkomen; ze kunnen loopen, zoodra ze uit ’t ei
-komen, of ten minste een korten tijd daarna. ’t Komt er dus alleen maar
-op aan, of er een veilige schuilplaats in de buurt is.
-
-De leeuweriken, piepers en kwikstaartjes hebben het echter moeilijker
-en daarvan gaat ook menig broedsel verloren. Intusschen heeft men
-waargenomen, dat bij ’t naderend gevaar de oude vogels met hutje en
-mutje verhuisden en heel cordaat hun jongen wegsjouwden naar betere
-oorden. Wie in de gelegenheid is, om dergelijke avonturen bij te wonen,
-moet niet verzuimen er op te letten.
-
-Natuurlijk hebben de planten nog meer van ’t maaien te lijden dan de
-vogels, doch daar denkt niemand om. Toch heb ik wel eens spijt, als ik
-de mooie hooge ganzebloemen (89) zie vallen en de blauwe
-ooievaarsbekken.
-
-Gelukkig zijn de meeste er op berekend, om zoo’n zomerschen tegenspoed
-te boven te komen. Sommige hebben juist tegen dien tijd hun zaden
-gerijpt, andere hebben het voornaamste deel van hun lichaam onder den
-grond en vervangen het afgemaaide gedeelte weer door nieuwe spruiten,
-’t zij nog in denzelfden herfst, ’t zij in ’t volgend voorjaar.
-
-De schok van de machine, de stoot van de zeis rukt de bepluisde
-vruchten los van paardebloem (36) of boksbaard (97) en op hun groote
-parachuten zweven die zelfs met het zachte zomerkoeltje nog honderden
-meters ver en kunnen juist op de afgemaaide plekken gemakkelijk den
-grond bereiken, waar hun zaden zullen ontkiemen.
-
-De paardebloem is ieders vriend, de konijnen smullen van zijn sappig
-lof, leverzieke menschen eten zijn molsla op hoop van beterschap,
-kinderen maken kettingen en krulstukken van zijn stengels, allerlei
-gedierte gaat te gast op zijn bloemen. Alleen het proper renteniertje
-verwenscht de plant, omdat hij hinderlijk wordt in ’t gave gazonnetje
-van den tuin. Om dezelfde reden haat hij de smalbladige weegbree (90).
-
-Maar meer nog houd ik van de boksbaard (97), hoofdzakelijk alweer, om
-de herinnering aan mijn kinderjaren, maar toch ook wel om zijn
-botanische eigenschappen. Toen wij jongens waren van een jaar of tien
-hadden wij nog al eens reden, om ons te beklagen over de hardhandigheid
-van ouders of onderwijzers, die ons meestal verkeerd begrepen. Zij
-meenden het niet te mogen billijken, wanneer wij eens in een speelsche
-bui een heusche ezel in de school dreven of wanneer wij op ons eigen
-houtje wegbleven van catechesatie. Dat liep dan meestal uit op
-strafwerk of vermaningen, of op wat wij altijd nog het beste begrepen
-en waardeerden: een flink pak slaag.
-
-Daartegen kwamen wij dan weer in verzet en wij stichtten een soort van
-club, om vrij te leven en onafhankelijk van onze ouders in ons
-levensonderhoud te voorzien. We wilden ons eigen kostje ophalen en in
-den zomer ging dat ook tamelijk wel en hielden we reusachtige
-maaltijden van aardappelen, gebraden onder de asch, wilde aardbeien,
-min of meer toebereide paling, die we zelf hadden gevangen, en ook heel
-veel boksbaard.
-
-Die noemden we toen geen boksbaard, maar koekoeken en wij aten de heele
-plant, rauw. De melkrijke wortel werd van zijn zwarten schil ontdaan en
-de jonge malsche zijtakken waren al dadelijk eetbaar en smaakten
-overheerlijk, zoet en sappig en geurig. Ik geloof eigenlijk, dat de
-boksbaard ook wel echt als groente gekweekt is; in ieder geval is hij
-zeer na verwant aan de schorzeneeren. Bij Grave groeide hij veel,
-zoover de vette Maasklei reikte en we hebben er honderden van
-opgepeuzeld; met de gepiepte aardappelen was het de voornaamste spijs
-in onze rooverskeuken.
-
-Natuurlijk is onze club verloopen, zooals ’t met alle clubs ten slotte
-gaat. Ook hebben onze ouders nooit gemerkt, dat we buitenshuis veel
-aten; er kon altijd nog wel meer bij. Doch nu, bijna veertig jaar
-later, peuzel ik nog dikwijls een versch spruitje van onze oude
-koekoeken op.
-
-Ik ben anders niet zoo heel erg meer ingenomen met het kauwen van
-grassprietjes, het eten van graankorrels uit de aar en dergelijke
-liefhebberijen. Het is namelijk bij die gelegenheden mogelijk, dat je
-schimmelkiempjes in je krijgt, die zeer gevaarlijke ontstekingen teweeg
-kunnen brengen. Je krijgt dan een soort van veeziekte, die
-straalschimmel heet en dikwijls een doodelijk verloop kan hebben.
-Vergenoeg je daarom maar liever met de gebruikelijke eetwaren.
-
-Ook zonder al die snoeperij is de boksbaard nog altijd een weideplant
-van den eersten rang. Zijn stengels en bladeren, knoppen en bloemen, ze
-zijn allemaal even mooi van vorm en kleur. De open bloem is veel
-levendiger dan de paardebloem, doordat het aantal der afzonderlijke
-bloempjes niet zoo groot is, terwijl de donkere meeldraden mooi
-afwisselen met ’t helder geel.
-
-En ’t aardigst van alles is wel de omstandigheid, dat de bloem alleen
-open is gedurende de morgenuren; na twaalven vind je maar zelden nog
-een open boksbaardbloem. Hij heet dan ook zeer gepast „morgenster” en
-de Engelschen noemen hem: „John go to bed at noon” of ook wel „nap at
-noon”, wat je zoudt kunnen vertalen door middagdutter.
-
-Waarom die bloem zich nu zoo gedraagt, dat weet niemand, ’t is alweer
-een van de vele duizenden bijzonderheden uit ’t leven der bloemen, die
-wij nog hebben te onderzoeken. ’t Komt er alleen maar op aan, om de
-zaak op de goede manier aan te pakken. Doch er is geen enkele winkel
-waar ze eieren van Columbus verkoopen.
-
-We zien nog eens uit naar andere hooge bloemen, die moeten vallen onder
-de zeis. In de allerbeste weilanden, die de hoogste pacht opbrengen,
-staan de minste mooie bloemen; ’t is daar voor meer dan 90% gras, en
-dat is maar goed ook. De middelsoort hooilanden echter zijn al bonter
-en als die bontheid afkomstig is van klaversoorten, of wikken dan is
-zij nog zeer welkom.
-
-Wat is die vogelwikke (69) een prachtige plant met zijn fijn verdeelde
-bladeren en de rijke trossen van paarse vlinderbloempjes.
-
-Een van mijn allermooiste herinneringen is die aan een ritje in den
-regen, dat ik verleden zomer deed langs een hoogen dijk op Texel. ’t
-Was vlak voor den hooitijd en de hooilanden van Westergeest waren op
-zijn mooist: geel van de boterbloemen, rood van de zuring maar bovenal
-blauw van de wikke, zoo diep blauw, dat ik moest denken aan de
-bloemenpracht van Zwitserland.
-
-Ik ben toen naar den eigenaar van dat hooiland gegaan, om hem te
-vragen, wat voor wikkesoort hij daar gezaaid had, of wat voor
-kunstgrepen hij had verricht, om ze zoo mooi te krijgen, doch kreeg tot
-mijn groote vreugde geen ander bescheid, dan dat het de gewone
-vogelwikke was en dat het land geen enkele bijzondere bewerking had
-ondergaan. De edele vochtige Texelsche lucht, de zon, die daar door
-geen rook of stof wordt verduisterd, hadden die bloemen hun diepe tint
-geschonken. Zelfs de kleine gele klavertjes, steenklaver en hopklaver
-(30) maken daar nog een heel dappere vertooning.
-
-Ook het gedoornd stalkruid (71), dat nu juist niet zoo’n graag geziene
-gast in de weiden is, heeft er veel mooiere en kleuriger bloemen. Wie
-dat niet gelooven wil, moet het zelf maar eens gaan zien, ge behoeft
-niet te denken, dat ik Texel voorspreek want ik ben eigenlijk een
-Limburger en houd dolveel van ons heele land, Noord, Oost, Zuid en
-West.
-
-In Oost-Nederland geven de weiden op plantkundig gebied wel eens
-verrassingen. In Limburg langs de Maas vond ik heele weiden bedekt met
-mooie langstengelige sleutelbloemen (19) en met Haarlems klokkenspel
-(68), dat hier veel meer de klokjesvorm vertoonde dan bij Haarlem, want
-zijn bloempjes waren enkel. Elders weer groeit de mooie
-weide-ooievaarsbek, die wel een meter hoog wordt en in Juli zijn rijpe
-zaden ver in ’t rond slingert, of ook wel de salie (81) met zijn mooie
-blauwe mecaniekbloemen.
-
-Dat is weer een bloem, om mee te spelen, maar ook om je over te
-verwonderen. ’t Is een lipbloem, dus familie van de doovenetel, en de
-hondsdraf. Nu hebben die lipbloemen of labiaten in den regel vier
-meeldraden, maar die salie heeft er twee en dan nog heel gekke. In
-plaats van een gewoon gevormde helmknop, draagt iedere helmdraad een
-soort van wip. Op ’t eene eind van die wip zit een goed,
-stuifmeelhoudend helmknopje, aan ’t andere eind is niets anders dan een
-kleine verdikking of verbreeding.
-
-Nu komt er een hommel om honig. Hij steekt zijn kop in de bloem, want
-hij moet nog al ver reiken, om met zijn langen tong den diep liggenden
-honig te bereiken. Doordat hij buitengewoon vlijtig is en ook min of
-meer zwak van gezicht, heeft hij geen erg in de onderstukken van de wip
-en daar bonkt hij nu op zijn onbeholpen hommelmanier tegen aan. De wip
-gaat nu wippen met dit gevolg, dat ’t andere uiteinde, dat met ’t
-stuifmeelhoudende helmknopje, uit de bloem naar voren wipt en naar
-beneden en ten slotte met een vaartje terecht komt op den harigen rug
-van den hommel, die zoodoende met stuifmeel wordt bepoeierd.
-
-Al die Saliehommels krijgen zoodoende bestoven ruggen. Intusschen
-groeien ook de stijlen van de bloem uit, die worden heel lang en
-boogvormig zoodat de stempels juist komen te staan midden voor den
-ingang van de bloem, precies waar de hommel langs moet schuiven als hij
-naar binnen wil.
-
-Zoo krijgt dan die stempel stuifmeel in overvloed, de zaden kunnen zich
-gaan vormen en de salie kan zich uitzaaien. Toch komt de plant nergens
-in grooten overvloed voor, ’t is, of de kiemplantjes geen gelegenheid
-hebben, om zich behoorlijk te ontwikkelen. Erg is dat niet, want ik
-geloof niet, dat ’t vee bijzonder belust is op die droge bittere
-kruiden.
-
-
-
-Als al die mooie bloemen in vollen bloei staan, dan dansen op
-windstille dagen duizenden vlindertjes boven de bonte wei. Zoo gauw het
-een beetje waait, of erger nog, als de regen gaat striemen, dan zijn ze
-opeens verdwenen.
-
-Wie dan eens gaat zoeken, kan aardige dingen te zien krijgen. Wij zijn
-eigenlijk veel te veel geneigd, om bij „leelijk weer” in huis te
-blijven. Eigenlijk bestaat er geen leelijk weer, vooral niet voor
-gezonde en frissche jongelui, die zich verheugen in ’t bezit van goede
-klompen of waterdicht schoeisel.
-
-Misschien is dat ook niet eens noodig. Een nat pak hindert niet.
-Wanneer je maar weer bijtijds een droog pak kan aantrekken na je ferm
-te hebben afgewreven zijn een aantal natte pakken op den duur zelfs te
-verkiezen boven nooit heelemaal geen nat pak.
-
-De vele honderden gietbuien, die al over mij zijn uitgestort, hebben
-mij nooit gedeerd. Wel ben ik doodziek geworden, toen ik eens een
-winter bijna niet buiten kwam en aldoor maar binnenshuis hard zat te
-werken tot laat na middernacht. Toen ik weer beter was, waarschuwde de
-dokter mij, dat ik weer zou instorten, als ik nat regende.
-
-Natuurlijk kreeg ik toen een week daarna een gietbui te verduren,
-terwijl ik rondwandelde tusschen de beide Slufters, ergens op het
-Texelsche strand, een uur ver van de naastbijzijnde woning. Ik schrok
-wel een beetje, doch stapte maar gauw naar De Koog, dronk een paar
-koppen heete thee, leende een droge jekker en liet me vlug naar Den
-Burg rijden. Uitkleeden, afwrijven, Zondagsche pak en klaar was Kees.
-Alleen keken mijn vrienden de Texelaars een beetje vreemd, doordat ze
-me midden in de week met een gekleede jas zagen rondloopen, dat waren
-ze niet van me gewoon.
-
-Na dien tijd ben ik alweer ik weet niet hoe dikwijls kletsnat geregend,
-doordat ik de waarschuwingen van den barometer en van mijnheer van
-Beukenslot in den wind had geslagen en nog vaker ben ik, maar dan
-behoorlijk toegerust, er op uit gegaan, juist, om eens te zien, hoe de
-planten en de dieren zich gedragen, wanneer het volgens sommige
-menschen „leelijk weer” is.
-
-’t Allereerste, wat je treft is, dat ze om zoo te zeggen lang niet zoo
-gauw hun paraplu opsteken als wij, enkele fijngevoelige uitgezonderd.
-Als ’t volgens ons vrij hard regent, is ’t voor hen nog mooi weer.
-
-De eereprijsjes houden nog lang hun blauwe kijkertjes open, zonder te
-knipoogen. De hommels en bijen gaan onverstoorbaar hun gang en vogels,
-die aan ’t zingen waren, zingen lustig voort; er zijn er wel, zooals de
-zanglijster, de merel en de groote lijster, die tegen de bui in al
-luider en luider gaan zingen.
-
-Als ’t nu wat lang aanhoudt, komt er verandering. Het eerst gaan de
-vlindertjes schuil en alleraardigst is het, om te zien, hoe slim ze
-zich weten te beschutten. De mooie blauwtjes (117) en de gele
-hooibeestjes (128) vinden al voldoende beschutting door aan de lijzijde
-van een grasblad te gaan zitten, hun vleugeltjes stijf omhoog tegen
-elkaar gedrukt. Ze zijn dan zoo smal als een mes en schuilen letterlijk
-tusschen de droppels.
-
-Andere zoeken het wat dieper, en als er langs de wei hagen of boschjes
-te vinden zijn, dan fladdert alles daarheen om aan den drogen kant van
-boomstammen of takken of onder de groote bladeren van klis en wilde
-zuring een schuilplaats te zoeken. Je vindt dan heel vreemde gezellen
-bij elkaar.
-
-Ik weet altijd wel een stuk of wat hommelnesten en wespennesten (125)
-en amuseer mij dan dikwijls met toe te zien, hoe in een flinke regenbui
-alles holderdebolder naar ’t nest komt vliegen. Heele troepen
-geel-met-zwarten komen dan uit de lucht vallen, meer dan er in eens
-door ’t vlieggat naar binnen kunnen gaan en dan krijg je voor den
-ingang een formeel gedrang van kletsnatte werkstertjes.
-
-Eindelijk houdt het op, maar dan zijn ze nog niet allemaal binnen; wie
-wat te ver van huis door de bui overvallen zijn, zitten dan in
-gezelschap van allerlei lotgenooten uit te blazen onder het klissenblad
-in de heg. Daar zitten nu de vlindertjes van de wei, de zandoogjes en
-de knollewitjes (12) broederlijk naast vlindertjes van de heg, de
-hagedoornvlinder (137) en ’t gele distelvlindertje (136). Als je nu
-rondkijkt in de wei, dan is er veel veranderd. Madeliefjes en
-paardebloemen hebben zich gesloten, de pinksterbloemen hebben hun
-nachtstand aangenomen, de eereprijsjes hebben ook hun bloemsteeltjes
-gebogen en de bloemkroontjes van den derden dag zijn door den schok van
-de regendroppels afgevallen.
-
-Merkwaardig is het, dat maar heel weinig planten nat worden. Het blijkt
-nu, dat de meeste een oliejasje dragen of een harig kleed, waar ’t
-water wel in droppels aan kan blijven hangen, maar bij ’t minste
-stootje wordt afgeschud. Haast iedere plant heeft daarvoor zijn eigen
-maniertje.
-
-De vogels, die eieren of jongen hadden, zijn bij ’t feller worden van
-de bui dadelijk naar ’t nest gesneld. Daar zitten ze nu, den kop
-ingetrokken, de borstveeren een weinig naar voren geheven, de vleugels
-even afhangend en zoo vormen ze een volmaakt dak, waarlangs de regen
-afgudst, op veiligen afstand buiten het nest.
-
-O, dat is zoo mooi. Is de bui niet al te streng, dan zitten ze nog
-gelaten rond te kijken, maar als ’t hagelt, dan knippen ze met de
-oogen, of ze doen hun oogen heelemaal dicht. Je ziet dan de
-hagelkorrels veerkrachtig terugspringen van hun veeren. Er zijn er wel,
-die zich laten doodhagelen op ’t nest, andere geven het eindelijk op en
-nemen de wijk, en dan sterven de jongen een ijzigen dood. Toch is ’t
-zoo ’t beste, want dan kan de oude vogel, als ’t nog tijd is, weer een
-tweede broedsel grootbrengen.
-
-Zoo gauw de hemel opklaart, komen alle vluchtelingen weer voor den dag.
-Op stille plekjes kan het dan wemelen van vlindertjes, al heb ik dat in
-ons land dan ook nog niet zoo mooi gezien als op sommige Zwitsersche
-weiden, waar heel dikwijls meer vlinders dan bloemen zijn, en dat wil
-heel wat zeggen, want aan bloemen is daar heusch geen gebrek.
-
-Toch kan het bij ons ook nog al schikken, maar die vlindertjes van de
-wei zijn op enkele uitzonderingen na lang zoo bont en kleurig niet als
-de vlinders van wegzoom en boschkant, zooals de vannessa’s en page’s.
-Ze zijn meest bruin en geel van kleur, hun voornaamste sieraad bestaat
-hierin, dat ze op de vleugels een of meer ronde zwarte vlekjes hebben
-met een wit kerntje in ’t midden, soms ook met een kringetje er om heen
-en aan deze bescheiden tooi hebben ze dan den naam van zandoogjes te
-danken. ’t Is heusch de moeite wel waard, ze te leeren onderscheiden.
-
-Eén soort is er, die heeft niet minder dan vier duidelijke oogjes op de
-achtervleugels en nog twee op de voorvleugels en ’t lijkt ons volkomen
-in den haak, dat een zoo veeloogig vlindertje in vele talen den naam
-van argusvlinder (106) draagt. Hij houdt van licht en zon en is
-waarschijnlijk in verband daarmee meer oranje dan bruin, in
-tegenstelling met zijn verwant, het bonte zandoogje (108), die van de
-schaduw houdt en somberder van tint is, terwijl hij zich meestal
-tevreden moet stellen met niet meer dan een drietal oogjes op elken
-achtervleugel. ’t Moet echter gezegd worden, dat de oogjes vaak weer
-heel mooi met wit zijn omzoomd.
-
-De andere zandoogjes moeten het met nog minder oogjes stellen, althans
-op de bovenzij van de vleugels. Het koevinkje (104) heeft er nog vier,
-op elke vleugel een, soms zelfs tweemaal zooveel, maar het bruine (135)
-en het oranje zandoogje (103) kunnen meestal op niet meer bogen, dan op
-één oog op elken voorvleugel.
-
-Ik wensch u van harte toe, dat ge al deze zandoogjes eens te zien
-krijgt en ge kunt ook wel eens uitkijken naar de rupsen, doch die
-houden zich overdag schuil. Ze zijn grijs of groen of okerkleurig met
-donkere lengtestreepen, ’s nachts komen ze aan ’t gras knagen en als ze
-verpoppen, dan komen ze met het spitse uiteinde van de pop te hangen
-aan de onderzijde van een grasblad.
-
-Het meest gewone grasvlindertje is het hooibeestje (128), dat ook bij
-de zandoogjes behoort, maar zijn oogjes, één op elken voorvleugel, zijn
-meestal alleen maar te zien aan den onderkant van de vleugels. Den
-heelen zomer door vliegt dit diertje in de wei, van Mei tot in
-September. De rupsen, groen, met donkere zijdestreep, zijn al eerder te
-vinden, ze komen in Maart al uit de eieren, die door de
-Septembervlinders gelegd zijn.
-
-De hooibeestjes van Mei sterven spoedig, doch dan hebben ze al eitjes
-gelegd en daaruit ontstaan de vlinders, die in Augustus en September
-vliegen. De vlinders, die in Juli vliegen, zijn wellicht afkomstig van
-eitjes van Septembervlinders, die wat laat uitkomen. Zoo krijg je dan
-in den loop van een zomer driemaal een versche voorraad hooibeestjes.
-
-Soms vindt ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes
-grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige
-blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan
-buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die
-heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien
-ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval
-hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes (115).
-
-In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele
-beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest
-twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een
-zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op
-de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op
-oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje (116), doch
-ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag
-na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om
-te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan
-uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven,
-zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eens eentje vind en zie
-hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de
-grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet
-zoo’n wanhopigen stumper.
-
-Er vliegen ook groene vlindertjes door de wei en als die gaan
-stilzitten, dan zijn ze opeens uit het oog verdwenen. De twee, die ’t
-meest voorkomen, zullen wij maar noemen het groote groentje (118) en
-het kleine groentje (126); ge vindt ze ’t meest, waar veel
-vlinderbloemen in ’t hooiland staan, want daar leven hun rupsen op.
-
-Ge zoudt al licht denken, dat de rupsen van al deze vlinders heel wat
-schade in het hooiland doen, doch dat valt nog al mee; ik heb nog nooit
-over de blauwtjes, de vuurvlindertjes, de zandoogjes, de hooibeestjes,
-de dikkopjes of de groentjes hooren klagen.
-
-Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In
-huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk
-groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust
-eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij
-twee prachtige gele achtervleugels met een breeden zwarten streep er
-over heen.
-
-Dit is de huismoeder of geelbanduil (138), je ziet hem ’t meest in
-zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine
-vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder
-legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren,
-honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er
-geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al
-die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort
-komen.
-
-Toch is deze geelbanduil nog lang de ergste niet; hij heeft een
-verwant, de uil van de aardrups en dat is een van de allerschadelijkste
-rupsen, die er zijn. Die rups verschuilt zich overdag in den grond,
-maar in plaats van dan behoorlijk een dutje te doen, knaagt hij aan de
-graswortels en aan de onderaardsche stengels en wanneer de avond daalt,
-dan komt hij te voorschijn, om ook nog een groen blaadje te peuzelen.
-
-Gelukkig dat het maaien zelf een middel brengt tegen deze plaag. Zoo
-gauw het gras in rijen ligt komen allerlei vogels tusschen het zwad
-gebruik maken van de gelegenheid. De torenvalk (113) komt er den heelen
-dag muizen (142) vangen. Een boschvogel, de groene specht (114) komt er
-de mierennesten uitpikken. De zwarte aaskever (9) komt om larven en
-slakken. De roeken (60) leiden er hun kroost heen dat juist vlug begint
-te worden. Ook komen heele zwermen jonge spreeuwen (49) opzetten, nog
-heelemaal in ’t grijze jongenspak en zonder een enkel sprankje van den
-glans, waarmee ze later zullen pronken, terwijl hun ouders al beginnen
-het witgespikkelde winterkleed aan te trekken (51). En in de hooilanden
-aan den zeekant komen goudplevieren in zomer en in winterkleed (57 en
-58), langbeenige grijze grutto’s (59) en wulpen bij twintigtallen
-rondstappen over de kaalgeschoren vlakte. Al die vogels zijn trouwe
-vrienden van den boer, want den heelen langen zomerdag en een goed deel
-van den nacht doen ze niet anders dan insecten en ander schadelijk
-gedierte zoeken en verdelgen, zoowel onder als boven den grond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-V. ETGROEN.
-
-
-Het hooi is van ’t veld. De lange reepen, waar ’t gras lag te drogen en
-de cirkelronde plekken, waar de hooiroken stonden, zijn weer
-bijgekleurd, alles is weer effen groen. Haast al te groen, in ieder
-geval te weinig bont. Wat verschilt de grasvlakte van Augustus van die
-in Mei. In de groote vacantie ziet het weiland er dan vaak ook veel
-kleuriger uit dan ’t hooiland, want tong en tanden van de koe ontzien
-toch nog altijd meer dan de zeis van den maaier. De koe moet niets
-hebben van boterbloemen, brandnetels of distels, die zijn hem te giftig
-of te scherp en als de boer ze zelf niet opruimt, dan laat de koe
-tevreden toe, dat ze zich in alle weelderigheid ontwikkelen. Ik heb van
-de koeien in onze weiden nooit iets anders ondervonden dan
-vriendelijkheid en belangstelling. Soms werd die belangstelling wel wat
-opdringerig, maar je moet altijd den aard van ’t beestje in aanmerking
-nemen en ze beoordeelen naar hun dagelijksch leven. En als je dan
-midden in een weiland met koeien gaat zitten teekenen, dan moet je je
-niet erover verwonderen, dat binnen tien minuten de heele cavalcade om
-je heen komt staan, want ze zijn haast net zoo nieuwsgierig als een
-mensch en hebben in hun wei weinig afwisseling.
-
-Ze dringen hoe langer hoe meer op, één schuift zijn witten snoet vlak
-langs je oor vooruit en snuift dan eventjes kort en hoorbaar en zoo
-hevig dat de bladen van je schetsboek omdwarrelen als in een
-wervelwind. Ze hebben allerlei schichtige bewegingen en als je al die
-pooten om je heen ziet, dan komt onwillekeurig de gedachte op, dat je
-daar wel eens een trap van zou kunnen oploopen, maar daarvoor zijn die
-dieren toch veel te goedig en voorzichtig.
-
-Ook zijn ze lang zoo schooierig niet als de Zwitsersche koeien, die je
-altijd naloopen, bedelend om zout. De onze hebben zout genoeg, dat zit
-in Holland om zoo te zeggen in de lucht, alleen de kalveren, als echte
-kinderen, hebben nooit genoeg en die kun je dan wel eens trakteeren,
-door ze even aan je hand te laten likken. Maar in ’t Berner Oberland
-hebben we ons wel eens met steenworpen moeten verdedigen tegen een
-bende geiten, die kwamen om zout en gezelligheid.
-
-Een stier is altijd min of meer gevaarlijk, je moet nooit door een
-weiland gaan waar stieren los loopen. Op een keer—’t is nu al haast
-dertig jaar geleden—zocht ik naar witte orchideeën in de weilanden
-tusschen Muiden en Muiderberg, niet de witte welriekende, maar witte
-vormen, albino’s, van de gevlekte orchis. Toen ik niet gauw vond, wat
-ik zocht, waagde ik het erop, om ook even een kijkje te nemen in een
-weiland, waar een stier liep, ’t was een rood stiertje.
-
-Ik klom het damhek over en ging heel bedaard mijn planten zoeken, net
-alsof er geen stier in de wereld was. De stier van zijn kant deed even
-argeloos, maar opeens hoor ik een zacht tevreden geloei en toen ik
-opkeek begreep ik, dat ik in den val zat; hij was zoo om mij heen
-gedraaid, dat mij de terugtocht naar het damhek geheel was afgesneden.
-En nu kwam hij op een sukkeldrafje op mij af, keurig netjes loopend,
-zijn stevig kopje met de kleine horentjes mooi recht omhoog. Of ik aan
-den haal ging, en hij snuivend achter mij aan. Gelukkig was ik nog al
-vlug in die dagen en niet bang voor een sloot van drie meter breed en
-ik kende daar den weg.
-
-Ik rende dus naar die sloot, vloog er over, kreeg een neusjebloed
-doordat mijn plantenbus door de schok over mijn hoofd heenslingerde,
-maar had de voldoening goeden middag te kunnen zeggen tot het stiertje,
-dat aan den anderen kant tot zijn enkels in den kantmodder was gezakt
-en daar nu stond te brullen, terwijl hij met zijn staart de maat
-zwiepte. Toen trok hij een voor een zijn pooten uit den modder en ging
-heel tevreden wat grazen.
-
-Sedert dien tijd ben ik niet vrij van stierenvrees en ik heb een groote
-bewondering voor de boeren en boerenkinderen, die voortdurend met die
-woestelingen weten om te gaan.
-
-Rammen zijn al niet veel beter dan stieren, ofschoon niet zoo doodelijk
-gevaarlijk. Op Texel liep ik eens, ondanks de waarschuwing van
-menschen, die ’t beter wisten, door een weiland, waar een ram stond,
-gelukkig een ongehoornde. Ik stapte vroolijk door, met een bloemrijk
-boschje in ’t verschiet, toen ik opeens mijn beenen onder mij voelde
-verdwijnen en ik lag op mijn rug.
-
-De ram was in volle vaart om zoo te zeggen vlak onder mij doorgeloopen.
-Waarschijnlijk echter had hij mijn gewicht overschat, tenminste hij kon
-niet bijtijds zijn vaart stuiten, om om te keeren en bovenop mij te
-gaan dansen, zooals dat het gebruik bij rammen is. Ik was weer gauw op
-de been, rende weg uit alle macht, sprong over een dam met prikkeldraad
-en kwam vrij met een paar winkelhaken. Meer griezeligheden heb ik niet
-beleefd, maar ’t is zoo al welletjes. Van koeien of kalveren heb ik
-nooit anders ondervonden dan plezier en genoegen.
-
-Ik heb respect voor hun plantenkennis. Wat weten ze precies de
-lekkerste grassoorten uit te zoeken en als je nu in de groote vacantie
-hun weiland bekijkt, dan kun je net zien, wat ze niet lusten. ’t Is
-heel kluchtig, hoe ze soms het weiland heel kort afgrazen, maar overal
-de boterbloemen (32) laten staan op hooge spichtige stelen. ’t Gekste
-is, dat ze diezelfde boterbloemen wel eten, als ze verdroogd tusschen
-’t hooi zitten. Of dan echter de giftigheid van de boterbloemen is
-vervlogen, dat zou ik niet durven beweren, ’t is even goed mogelijk,
-dat de koe de droge kruiden niet zoo goed proeft als de versche.
-
-Distels en doorns kunnen in ’t hooi heelemaal niet gebruikt worden,
-daarom worden ze door de landbouwers dan ook uit alle macht bestreden.
-Merkwaardig is het, hoe die distels er in slagen, om toch op een
-ongenaakbaar plekje of in een verwaarloosd hoekje hun vruchten te
-rijpen. Eén is er die zijn toevlucht ’t liefst zoekt op drassige
-plaatsen, dat is de kale Jonker of moeras-vederdistel (93). ’t Is een
-heel mooie plant, met veel rood en paars door ’t groen van stengels en
-bladeren. De stengel is maar weinig vertakt, wordt kaarsrecht wel een
-meter hoog en draagt aan zijn top veel mooie, donkerroode
-distelbloemen.
-
-De akkerdistel (92) is van veel minder allooi, heeft veel stugger
-stengels en kan er naar omstandigheden heel armoedig uitzien. Zijn
-bloemen zijn doorgaans bleekpaars, soms donkerder maar ook heel
-dikwijls bijna wit. Dit is de meest geduchte distel en zeer moeilijk
-uit te roeien.
-
-In zandige streken, zoowel in de duinenstreek als in de heistreken,
-groeit veel de knikkende distel (91), die is buitengewoon mooi; zijn
-knikkende bloemhoofdjes zijn diep donkerpaars en wel zesmaal zoo dik
-als die van de vorige soorten.
-
-’t Is een lust, die distels te zien bloeien en je mag zoo’n bloem ook
-wel eens van heel nabij bekijken, al was ’t maar alleen om te zien, hoe
-in de bloempjes die pas opengaan het witte stuifmeel uit het
-helmknoppenkokertje geperst wordt. Dit laatste kun je nog mooier zien
-bij de wammesknoop (94) die in al zijn taaiheid en kriebeligheid wel
-wat van een distel heeft, doch een verwant is van de mooie korenbloem.
-
-En wat komen er een insecten op af. Soms zit de heele distelkop vol met
-kleurige vlinders en dan lijkt hij in de verte een bloem van een heel
-nieuwe soort. Ik heb het wel gezien dat op één enkele speerdistelplant
-drie koninginnepages zaten met een parelmoervlinder, twee dagpauwoogen,
-vier kleine aurelia’s en een vuurvlindertje. Dat was in den goeden
-tijd, toen er nog overvloed van vlinders was. Misschien wordt het nog
-wel weer eens zoo.
-
-Maar niet alleen vlinders bezoeken onze distels, het wemelt er ook op
-van hommels en allerlei soorten van wilde bijtjes en de knikkende
-distel levert geregeld nachtverblijf aan de mannetjes bijen en hommels,
-die geen ander nachtverblijf hebben. Ik heb al menig aardig mannetje
-buitgemaakt door ’s avonds de knikkende distels af te zoeken.
-
-Tamelijk gauw zijn de distels uitgebloeid; ’t is mij menigmaal
-overkomen, dat ik met mijzelf had afgesproken om insecten te gaan
-zoeken op de bloemen van een distelveldje en dat ik, als ik er
-eindelijk een vrij uurtje aan geven kon, niets meer vond dan grijze
-vruchthoofden en geen enkele bloem.
-
-Toch is het wel de moeite waard, om ook dan eens een uurtje bij de
-distels te toeven, want nu komen de puttertjes en kneutjes om er de
-vruchten te eten.
-
-Puttertjes zijn er in ons land niet veel meer, doch kneutjes in
-overvloed en die zijn in de groote vacantie ook nog mooi genoeg. Wat is
-het heerlijk een troepje, een heel gezin, al kwetterend te zien komen
-aanvliegen, het mannetje nog met fel rood kapje en mooi roode borst, de
-anderen in eenvoudiger kleed, maar toch heel mooi met bruine
-manteltjes, witte vleugelzoompjes en witte vlaggetjes in de staart.
-
-Onophoudelijk hebben ze elkaar wat te vertellen, terwijl ze rondpikken
-in de distelkoppen, zoodat voor elk vruchtje, dat ze er uit halen, om
-het te kraken tusschen hun dikke snaveltjes er drie andere de wijde
-wereld ingaan, gedragen door het grijze vruchtpluis. Zoo worden de
-distels wijd en zijd uitgezaaid en ieder jaar kan de boer van voren af
-aan beginnen met ze uit te steken. Nu begrijpt ge meteen ook, hoe ’t
-komt, dat tegen hekken en walletjes altijd distelgroepen staan; daar
-toch hebben de vliegende vruchtjes de meeste kans van gestuit te
-worden.
-
-Het hek geeft altijd verrassingen; ’t is of daar altijd een troepje
-planten staat te hunkeren naar een plaatsje in de wei, maar ’t gras en
-zijn kornuiten wil hen niet toelaten. ’t Is ook meestal nog al nederig
-gespuis: die schooier van een steenraket (95), het herderstaschje, de
-heksenmelk (131), het hoefblad, maar ook wel fraaier lieden zooals de
-geurige honigklaver (77), de gevlekte doovenetel (82), de pastinaak
-(72), de akkerwinde (29), de mooie scabiose (96) of de peen (122) die
-zoo graag wordt bezocht door allerlei mooie insecten; ik heb er wel
-eens tegelijk een gouden tor, een penseelkever en vele weekschildkevers
-op gevonden.
-
-Penningkruid (121), zilverschoon (124) en vijfvingerkruid redden hun
-bestaan door vlak bij den grond te blijven; de zeis gaat over hun hoofd
-heen. Dat penningkruid kruipt zoo dicht langs den grond, dat zijn
-groote gele bloemen haast onopgemerkt blijven, en toch zijn ze zoo
-groot als een halve gulden, helder geel, dikwijls met vijf oranje
-vlekken ontwikkelen zij zich tot krachtige planten, maar waar de grond
-schraal is, daar blijven ze maar dun en spichtig, juist zooals de echte
-paardebloem ook doet. Wanneer er gemaaid wordt, dan gaan ze er aan,
-maar lang niet heelemaal, want de dikke wortel in den grond bevat
-voedsel genoeg, om nog weer wat nieuwe bloeistengels te doen
-ontspruiten. Zoo komt het dat drie weken na het hooien het land weer
-heelemaal geel van de bloemen ziet.
-
-Iemand, die in zijn tuin een mooi gaaf grasperk wil hebben, staat met
-deze planten op een niet al te besten voet, vooral ook, doordat ze nog
-al groote bladrozetten hebben die vlak uit op den grond liggen en dus
-leelijke plekken vormen in het mollige grastapijt. Het lijkt dan soms
-wenschelijk, om ze uit te steken en ’t is werkelijk voor een liefhebber
-een heel aardige bezigheid om vlug en handig met een scherp schopje de
-rozetten los te steken.
-
-Je zamelt er dan al gauw eenige honderden in ’t uur bijeen en hebt dan
-nog meteen de voldoening, dat je de eieren van de kleine grijze slak
-blootlegt, die maar al te vaak heel veiligjes hun ontwikkeling
-doormaken onder ’t beschuttend dek van de bladrozetten, beveiligd tegen
-den onderzoekenden snavel van lijster of spreeuw. Ik heb wat een
-plezier gehad, als ik met dat werk bezig was; de zanglijsters,
-roodborstjes en heggemuschjes liepen formeel met me mee en betwistten
-elkander de mooie glanzige, sappige slakkeneieren.
-
-’t Was ten slotte een heele voldoening, al die rozetten op een hoop te
-zien liggen op het gereinigd gazon. Maar drie weken later zag alles er
-weer veel erger uit. Want die onthoofde wortels hebben een griezelig
-herstellingsvermogen, het zijn echte draken met zeven koppen. Iedere
-onthoofde wortel maakt op de wond weer nieuwe knoppen en voor elk
-rozet, dat je hebt uitgestoken, komen er een stuk of wat nieuwe in de
-plaats. Tegenwoordig laat ik ze dan ook maar groeien; alleen als ze
-flinke sterke bloeistengels hebben ontwikkeld, dan pak ik ze daaraan
-beet en trek dan de plant met wortel en al uit den grond. Dit is
-afdoende.
-
-Toch mag ik die planten graag lijden, als ze me maar niet in den weg
-staan. Ze verschaffen nog heel wat honig en stuifmeel aan de bijen, als
-er op hei en boekweit niets meer te halen valt en ze hebben ook weer
-heel aardige gewoonten van zich te openen of te sluiten, al naar de
-gelegenheid van weer of wind of den tijd van den dag, juist zooals bij
-de boksbaard.
-
-Behalve het geel van de boterbloem vertoonen de Augustus-weiden nog
-ander geel en wel van tweeërlei slag van planten, al naar de manier
-waarop ze den zeis van den maaier weten te overleven. Tot de eerste
-groep behooren het biggekruid (100), de herfstpaardebloem (99) en de
-thrincia (102), tot de tweede penningkruid (121), zilverschoon (124) en
-vijfvingerkruid.
-
-De herfstpaardebloem en zijn kornuiten lijken wel wat op de gewone
-paardebloem, maar ze missen den mooien, gladden, hollen bloemstengel;
-ze zijn grover, harder en meer vertakt. Maar ze zijn even krachtig en
-opgewassen tegen allerlei tegenspoeden.
-
-Ze willen wel groeien op iedere grondsoort. Is de bodem vet en
-weelderig, dan in ’t hartje, op de manier van de primula’s, waar ze
-trouwens ook mee verwant zijn.
-
-In prachtige lange slingers groeien ze tusschen ’t gras, de mooie ronde
-groene blaadjes twee aan twee langs den stengel, daar hebben ze dan ook
-hun naam aan te danken. Ze leiden een tamelijk vergeten bestaan, door
-insecten worden ze maar weinig bezocht en rijpe, kiembare zaden brengen
-ze slechts zelden voort. Dat vergoeden ze echter weer, door maar overal
-heen te kruipen en wortel te slaan.
-
-De zilverschoon is ook zoo’n kruiper, maar die doet het nog handiger.
-Deze plant maakt takken, heel dun en bladerloos, die heel snel over den
-grond voortschieten. Alleen aan den top van den „uitlooper” zit een
-pruikje van kleine blaadjes. Is hij ver genoeg gekomen, hoe ver dat
-hangt van de omstandigheden af, dan gaan die blaadjes uitspruiten, er
-komen ook worteltjes, zoodat zich een nieuw plantje heeft gevestigd,
-dat op zijn beurt ook weer een aantal uitloopers uit kan zenden naar
-alle zijden en zoo ontstaat dan een heel warnest van
-zilverschoonplantjes.
-
-De mooi geveerde bladeren zijn vaak zilverwit behaard, vooral aan de
-onderzijde; hoe droger en zonniger ze staan, des te witter worden ze en
-dan zijn de uitloopers meestal donkerrood. Op vochtige beschaduwde
-plaatsen echter blijven bladeren en uitloopers groen; de bladeren zijn
-dan meteen veel grooter, maar zulke planten dragen minder bloemen.
-Alleen heel onoplettende menschen verwarren die bloemen met de
-boterbloem, iemand, die maar een beetje uit zijn doppen kijkt kan
-dadelijk bespeuren, dat de zilverschoon verwant is met de aardbei en
-daardoor ook met de rozen. Hij is dus van heel hooge komaf.
-
-Wat vinden we nog meer voor bloemen in Augustus en September? Een
-partijtje duizendblad (107), met bladeren heel fijn verdeeld, en
-bloemenmassa’s die doen denken aan schermbloemen, maar ’t is al heel
-gauw te zien, dat we in dit opzicht te doen hebben met zeer
-bedriegelijke namaak. Wel staan al de „bloempjes” in hetzelfde vlak,
-maar hun steekjes zitten heelemaal niet parapluachtig bij elkaar.
-
-En wanneer je de bloem terdege bekijkt en gaat zoeken naar meeldraden
-en stampers, dan krijg je al heel gauw in de gaten, dat elk wit blaadje
-een bloempje apart is en dat tusschen die witte straalbloempjes nog
-weer heel kleine buisbloempjes zitten, ieder met zijn eigen stampers en
-meeldraden. We hebben weer te doen met een lid van de groote familie
-der samengestelde bloemen.
-
-Dit duizendblad komt na het maaien in groote menigte te voorschijn;
-meest met witte bloemen, maar ook wel met rooskleurige of donkerroode
-en die vind ik altijd heel graag. Wat die kleur precies te beduiden
-heeft, dat weet ik niet; ik vind roode en witte vlak bij elkander en
-kan ook niet ontdekken of de gekleurde soms meer door insecten bezocht
-worden, dan de witte. Er zijn nog een heele boel dingen, die we niet
-weten.
-
-Nu zie ik weer een groepje bloemen, waar we even bij kunnen gaan
-liggen. Het zijn vlasleeuwebekjes(130), vroeger heetten ze „gemeene
-vlasbek”, maar dat platte scheldwoord is nu gelukkig uit ons
-plantkundig woordenboek geschrapt. Kinderen noemen deze bloemen wel
-kanarietjes, om de aardige gele kleur.
-
-Dit zijn bloemen, die als ze zich geopend hebben, nog dicht blijven. De
-bloemkroon is tweelippig, de onderlip drukt stijf tegen de bovenlip
-aan, het mondje blijft stuurs gesloten. In de plantkunde noemen we
-zoo’n bloem „gemaskerd” en als de lippen elkander niet aanraken, dan
-zeggen we, dat de bloem „grijnzend” is.
-
-De bloemkroon van onze vlasleeuwenbekjes eindigt in een langen puntigen
-zak, een spoor; als we door de bloem naar ’t licht kijken, zien we
-duidelijk vloeistof daarin en ’t kost maar weinig moeite, om te
-ontdekken, dat we te doen hebben met honig. Nu begrijpen we ook, waarom
-die mooie kleine hommeltjes met gelen halskraag en rooden
-achterlijfspunt zoo vlijtig deze bloemen opzoeken. Ze pakken onder het
-neerdalen al de onderlip, drukken met hun kop onder- en bovenlip van
-elkander en steken dan een heel lang tongetje uit, waarmee ze den honig
-uit ’t diepst van de spoor kunnen oplikken.
-
-Er komen nog andere hommeltjes opdagen, die hebben een witter
-achterlijfspunt en twee gele dwarsstreepen over hun zwarte lijf. Die
-pakken de bloem heel anders aan, ze gaan op de spoor zitten, bijten
-daar een gat in en krijgen daardoor al de honig, die ze anders nooit
-hadden kunnen bereiken, want hun tong is te kort.
-
-Het spreekt van zelf, dat ze zoodoende niet in aanraking komen met
-meeldraden of stempel en dus van geen nut zijn voor de bestuiving van
-de bloem, daarom worden ze door de plantkundigen dan ook uitgemaakt
-voor „inbrekers”.
-
-Het ergste is nog, dat allerlei korttongige snoepers met de brave
-honingbij vooraan komen profiteeren van de gelegenheid, om door ’t gat,
-dat de aardhommel heeft gebeten, den honig te komen oplikken, die door
-de verminkte spoor nog voortdurend wordt afgescheiden. Ook de
-smeerwortel (40) heeft veel van inbraak te lijden.
-
-Als ik vlasleeuwenbekjes zie bloeien, ga ik ook altijd zoeken naar
-bloempjes met twee sporen of met nog meer, ’t mooiste zijn ze met vijf
-sporen, maar die vind je niet zoo heel dikwijls.
-
-’t Is haast alles geel wat we vinden, ook alweer wat mooie agrimonia
-(101), met kleine gele rozenbloempjes langs den hoogen rechten stengel
-en rijpe vruchtjes die zich met fijne haakjes vasthechten aan onze
-kleeren. Aan den slootkant staan hooge planten met veel gele bloemen
-die herinneren aan primula’s. ’t Is de wederik (132), een hoog
-opgeschoten broer van het kruipende penningkruid. Zijn bloempjes worden
-nog al druk door insecten bezocht, vooral door bijtjes; er is een soort
-van wilde bijtjes, die een zeer bijzondere voorkeur voor deze bloemen
-hebben, waarom, dat weet niemand, maar dat maakt de zaak natuurlijk
-dubbel zoo aardig.
-
-Eindelijk wat afwisseling! Aan den waterkant groeit heerlijke geurige
-munt (84) met bleekpaarse bloemen, waar de vliegen zooveel van houden
-en vlak daarnaast een plantje met prachtige blauwe bloempjes,
-zachtblauw en toch helder, de blauwe Godsgenade of glidkruid (80), een
-van onze allermooiste plantjes.
-
-’t Is een lipbloem en de bouw van de bloem vertoont veel overeenkomst
-met die van hondsdraf of doovenetel, maar de kelk ziet er heel anders
-uit, daar zit een heel merkwaardig buitje aan. Daardoor krijgt de rijpe
-vrucht ook een zeer bijzonder uiterlijk, de kelk sluit er heelemaal
-omheen.
-
-Als nu de zaden goed rijp zijn, dan is de kelk droog geworden en ’t
-steeltje waar hij op zit is stijf en veerkrachtig. Stoot je nu even
-boven op den kelk, dan splijt hij in tweeën, één stuk valt af en ’t
-onderstuk, dat op zijn steeltje naar omlaag was gebogen springt
-veerkrachtig terug en schiet dan meteen de vruchtbrokjes weg, zoowat op
-de manier van de ouderwetschen blijden, waar onze voorvaderen elkander
-zoo dapper mee vernielden, voordat de kanonnen waren uitgevonden.
-
-Nog een ander lipbloempje snappen wij, ook heel mooi blauw, het bekende
-bijenkorfje of brunelle (79), dat al de eigenschappen van de lipbloemen
-heel duidelijk vertoont en zeer in trek is bij onze oude vrinden, de
-dikkopvlindertjes. En hier heb ik nog een andere vlindervriend en
-tegelijk een vlinderbloem ook, de blauwe Luzerne klaver, een plant,
-hier ingevoerd uit Zuid Europa, maar zoo algemeen verbouwd, dat hij wel
-langzamerhand als inlander beschouwd mag worden. Op sommige plekken
-langs het Noordhollandsch Kanaal ziet het er in den zomer blauw van en
-in de kleistreken worden hektaren bij hektaren ermee bezaaid.
-
-Geen wonder dan ook, dat zich ook reeds volgelingen van deze plant in
-ons land komen vertoonen en wel twee buitengewoon mooie vlinders, de
-oranje (133) en de gele luzernevlinder (134). Ze houden zoowat het
-midden tusschen de witjes en citroentjes, het wijfje van de gele
-luzernevlinder is soms zoo goed als wit, en met het citroentje komen ze
-overeen, doordat ze juist midden op de vleugel een sterker gekleurd
-vlekje hebben. ’t Zal u trouwens met behulp van onze plaatjes geen
-moeite kosten, om ze te herkennen, wanneer ge eens het geluk moogt
-hebben, ze te ontmoeten. De kans daarvoor is niet zoo heel gering, in
-sommige jaren krijg je er nog al veel te zien, in andere jaren minder,
-maar na zachte winters kunt ge er altijd vrij stellig op rekenen.
-
-Dit hangt samen met hun levensgeschiedenis. De vlinders vliegen rond in
-Augustus en September. Ze leggen dan eitjes en de rupsen, die daaruit
-komen, zijn al tamelijk flink uit de kluiten gegroeid, wanneer de
-winter invalt.
-
-Dat is voor hen een tijd van beproevingen en gevaren. Ze moeten nu
-overwinteren en ’t eenige, wat ze doen, om zich te beveiligen is, dat
-ze op een blad of zoo iets een zijden vloertje spinnen en daar gaan ze
-dan op zitten. Nu kunnen ze lang zooveel kou niet verdragen, als de
-insecten, die hier al van oudsher thuis zijn en die met plezier
-gedurende een winter driemaal achtereen bevriezen en weer ontdooien,
-zonder er een haartje minder door te worden. Integendeel, bij een
-flinke vorst gaan ze voor goed dood.
-
-Nu zou je denken, dat dan meteen de luzernevlinders voor goed
-uitgestorven zouden zijn in ons land, maar dat is toch niet zoo. De
-vlinders trekken evengoed als de vogels. Iedereen, die buiten wat
-oplet, kan daar wel eens wat van te zien krijgen. Ik heb eens op zee
-een heele vlucht van gamma-uilen ontmoet en gedurende een donderbui heb
-ik duizenden witjes over Amsterdam zien trekken.
-
-Zoo komen in den zomertijd uit verre landen allerlei vlinders hier
-terecht, behalve de luzernevlinders, ook doodshoofdvlinders,
-windepijlstaarten, kolibrivlinders en distelvlinders.
-
-Wanneer we nu een zachten winter hebben, dan is het mogelijk, dat die
-rupsen op hun zijden matje niet sneuvelen. Vinden ze dan bij hun
-ontwaken voldoende voedsel—behalve luzerneklaver lusten ze nog een
-massa andere vlinderbloemen en er is altijd wel rolklaver (75),
-heggewikke (78) of veldlathyrus (76) te vinden—dan bestaat er kans, dat
-ze zich verpoppen en dat we dan in den zomer zuiver Hollandsche
-luzernevlinders te zien krijgen, hoe langer hoe meer. Zoo zie je meteen
-hoe een kleine verandering in het klimaat meteen verandering brengt in
-de dieren- en plantenbevolking van een streek.
-
-Er is in Augustus nog al veel insectenleven in onze weiden en doordat
-het gras kort is, kun je er genoeg van te zien krijgen, in ’t eene jaar
-wat meer dan in ’t andere. Zoo hebben we in het jaar 1910 maar heel
-weinig wespen gehad. Ik herinner mij heel goed zomers, dat de maaiers
-in de wei en de zichters op den akker ontzettend last hadden van de
-wespen en dat ze keer op keer op de vlucht sloegen, wanneer ze per
-ongeluk een nest hadden gestoord.
-
-’s Avonds toog dan alleman er op uit, om die wespennesten uit te
-branden, maar meestal hielp dat niet veel, doordat ze heel onverstandig
-vuurtjes stookten boven op het wespennest, waar de geelrokken maar
-weinig last van hadden; misschien vonden ze zelfs de warmte lekker.
-
-Dat er tegenwoordig zoo weinig wespen zijn, moet wel toegeschreven
-worden aan de koude in ’t voorjaar en de natte zomers. Daardoor zijn er
-ook minder krekels, dat ook echte warmte-vriendjes zijn.
-
-Wat is het heerlijk, op een heeten Augustusdag de krekels (140) te
-hooren zingen in de hooge weiden. En wat is het moeilijk ze te zien
-krijgen! Ze zitten meestal te zingen, of liever te musiceeren aan den
-ingang van hun holen, maar op ’t gedreun van onze voetstappen vluchten
-ze haastig naar binnen.
-
-Er zit dan weer niets anders op, dan te gaan liggen in ’t gras op een
-plek waar veel van die holen zijn en na een paar minuten, soms pas na
-een kwartier, zie je het kleine zwarte duveltje voorzichtig te
-voorschijn komen. En zit hij goed en wel in ’t zonnetje, dan gaan de
-vleugeltjes over elkaar en je hoort het aardige geluid, een van de
-hoogste, die je nog hooren kunt.
-
-Menschen boven de vijftig krijgen hoe langer hoe meer moeite om dien
-krekelzang te hooren; dat is geen doofheid, want fluisteren en ’t
-tikken van een horloge en al de gewone geluiden van ’t dagelijksch
-leven hooren ze nog opperbest. ’t Moet niet prettig zijn, als je zoo de
-grenzen van je waarnemingsgebied kleiner voelt worden.
-
-Ik zat eens met een zestiger in ’t koepeltje van Lombok, in ’t
-Utrechtsche. ’t Was een echt heete zomerdag, de krekels gingen te keer
-als razenden, de lucht was vol krekelgepiep, dat mijn ooren ervan
-tuitten, maar mijn metgezel hoorde er niets van. Ik loop nu ook al naar
-de vijftig en als ik in Augustus met jongens wandel en geen krekels
-hoor, dan vraag ik altijd eventjes of zij ook krekels hooren. Tot nu
-toe valt ’t nog al mee, ik hoor ze nog altijd, als de jongens ze hooren
-en dat doet me goed.
-
-De sprinkhaantjes (120) houden al evenveel van muziek als de
-krekeltjes. In Augustus vindt je in de hooge weiden meestal het
-sprinkhaantje met de blauwe ondervleugels en nog een kleiner soortje,
-maar ze musiceeren op dezelfde manier. Ze hebben groote achterpooten,
-dat is om goed te kunnen springen. Van zoo’n poot zie je duidelijk drie
-deelen, er zijn er eigenlijk meer, maar die drie zie je het best. Ze
-heeten van buiten af: voet, scheen en dij, de dij is ’t dikst.
-
-Nu kun je met een goede loupe aan den binnenkant van die dij een streep
-van fijne stippeltjes zien. Nog meer vergroot blijken dat heel aardig
-gevormde harde uitsteekseltjes te zijn en als nu die sprinkhaan
-vroolijk wordt, dan strijkt hij met zijn dij langs den vleugelrand en
-dan raspt hij als ’t ware een liedje.
-
-’t Is gemakkelijk genoeg, ze dat te zien doen en ’t gekste is wel, dat
-ze soms een heele poos met hun poot zitten te peuteren voordat ze een
-behoorlijk geluid produceeren. Nu zou ik wel eens willen weten, of ze
-tijdens dat peuteren soms ook al geluid voortbrengen, dat wij niet
-hooren.
-
-Ik meen van wel. Op een middag n.l. had ik een hagedis in ’t vizier en
-amuseerde mij er mee, om toe te zien, hoe dat beest voortsloop tusschen
-’t dorre gras, één en al aandacht voor alles wat er in ’t rond
-gebeurde. Toen zat ook zoo’n klein sprinkhaantje te stemmen, voor mij
-onhoorbaar. Maar de hagedis keek dadelijk dien kant op en als ik de
-kleine harpenaar niet aangepord had met een grassprietje, dan had
-meester hagedis hem stellig opgevreten.
-
-Daar zou hij een goed werk mee gedaan hebben ook, want die krekels en
-sprinkhanen met hun neef de veenmol (139) zijn eerste grasveters en
-wortelknagers en kunnen als ze met vereende krachten optreden, de meest
-lachende landouwen doen verkeeren in dorre woestijnen.
-
-De veenmol bedrijft zijn kwaad meest onder den grond. Hij heeft een
-paar voorpooten, die eenig zijn in de insectenwereld en volmaakt
-gelijken op die van den mol. Als ’t er op aankomt, kan hij naar
-verhouding van zijn lichaamsgewicht nog beter graven dan de mol zelf en
-al ’t kwaad van wortels eten en kiemplantjes verslinden, waar de mol
-van wordt beticht, wordt door den veenmol verricht.
-
-De mol (141) doet dus in dubbel opzicht een goed werk door hem in zijn
-kraag te pakken. O, dat molletje, wat kan hij ons helpen. Niet alleen
-vangt hij de veenmollen, maar ook de vette engerlingen (144), larven
-van den meikever.
-
-Als dikke witte wurmen knagen die aan de wortels van ’t gras met hun
-harde gele kaken. Is een plekje leeggevreten dan krabbelen ze met hun
-zes rare pootjes naar een ander hoekje en zoo gaat dat jaren lang,
-totdat ze eindelijk in de herfst gaan verpoppen en als meikever
-overwinteren.
-
-Een ander boosdoener is de ritnaald of koperworm, een geelachtige,
-dunne harde larve, afkomstig van een kevertje, waar ge stellig wel eens
-mee gespeeld hebt. ’t Is een langwerpig grijs torretje, anderhalven of
-twee centimeter lang en een halven centimeter breed, nog al plat van
-lijf en met korte pootjes. Als je hem pakt, dan houdt hij zich dood.
-Leg hem dan op zijn rug en wacht af, wat er gaat gebeuren. Hij wibbelt
-heen en weer, buigt zijn borst en kop omhoog, strekt zich dan opeens,
-en flap, gaat hij de lucht in. Onderweg keert hij zich om en zoo komt
-hij dan op zijn pootjes terecht, om weg te loopen. Deze grappenmaker
-heet kniptor (143) en zijn kroost wordt door de boeren nog meer
-gevreesd dan de engerlingen. Daarom moeten ze vooral den lieven
-leeuwerik in eere houden en zijn dubbelganger den graspieper, want deze
-vogeltjes kennen geen grooter genoegen, dan van die harde kniptorren op
-te pikken en door te slikken. De larf, de ritnaald, wordt achtervolgd
-door den mol onder den grond en van boven komen de spitse snavels van
-spreeuwen, roeken en lijsters hem opzoeken.
-
-Tegelijk pakken ze de emelten, dat zijn de larven van de langpoot-mug
-(119). Let er maar eens op, hoe die groote muggen, spekdieven noemt ge
-ze misschien, op hooge beenen rondloopen door ’t gras en dan telkens
-met hun achterlijf een tikje geven tegen den grond. Iederen keer, dat
-zij dat doen, leggen zij een eitje en uit elk eitje komt alweer zoo’n
-graswortelwegknaaglarve en die heet dan in dit geval emelt.
-
-Wat dat gras al te lijden heeft, is niet zoo gemakkelijk te beseffen:
-Tel maar eens op: Veldmuizen, velerlei rupsen, de engerling, ritnaald,
-emelt, veenmol, krekel, sprinkhanen, slakken (27) etc. ’t Is eigenlijk
-een wonder, dat er nog gras groeit en we kunnen onze helpers niet
-dankbaar genoeg zijn. Een van de voornaamste helpers is de mol en toch
-houden de boeren niet veel van hem. Hij moest ook andere manieren
-aanschaffen, niet zooveel omsmijten en niet het land ongeschikt maken
-om gemaaid of beweid te worden. In de Vaderlandsche Geschiedenis zijn
-tal van paarden in molshoopen gestruikeld en dat heeft de berijders
-menig sleutelbeen en soms het leven gekost; ge kent die gevallen. Maar
-nu kun je ook een beetje begrijpen, hoe vaak een gewone koe of een
-werkpaard, waar de Geschiedenis niets mee te maken heeft, op die manier
-zijn pooten komt te breken. Dat zijn allemaal heel leelijke dingen en
-daarom spreekt een boer de jongelui, die uit de stad komen en daar uit
-een boek geleerd hebben, hoe verbazend nuttig de mollen zijn, altijd
-tegen. En als ze hem vertellen, dat de mol zoo’n kunstig nest maakt met
-een kringgang boven, een kringgang onder en allerlei kruisverbindingen
-tusschen de kringgangen en het eigenlijke hol, dan lacht hij ze uit en
-zegt dat er honderden verschillende vormen van mollennesten zijn en
-niet één dat lijkt op die ouderwetsche teekening, dat een verzinsel
-was.
-
-En als je van al die verkeerde begrippen bevrijd wil worden, dan moet
-je maar eens de wei in.
-
-
- Jac. P. Th.
-
-
-
-
-
-
-
-
-REGISTER.
-
-
-HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE
-HET VETTER GEDRUKTE DE PAGINA VAN DEN TEKST AAN.
-
-
-Aaskever 9 60
- Ocypus olens.—Staphyline noir.—Devil’s coach
- horse.—Aaskäfer.—
-Agrimonia 101 72
-Agrimonia
- eupatoria.—Aigremoine.—Agrimony.—Odermennig.—
-Akkerpaardestaart 17 24
- Equisetum arvense.—Prêle des champs.—Field
- horsetail.—Schuchtelhalm.—
-Akkerdistel 92 65
- Cirsium arvense.—Chardon des champs.—Field
- thistle.—Ackerdistel.—
-Akkerwinde 29 66
- Convolvulus arvensis.—Petit liseron.—Lesser
- Bindweed.—Ackerwinde.—
-Argusvlinder 106 58
- Pararge maegera.—Mégère—Wall butterfly.—Mauerfuchs.—
-Bessenzweefvlieg 65 31
- Syrphus ribesii.—Syrphide.—Hoverer-fly.—Schwebfliege.—
-Biggekruid 100 70
- Hypochaeris radicata.—Salade de porc.—Cat’s
- ear.—Wiesenferkelkraut.—
-Blauwborstje 110 35
- Cyanecula suecica.—Gorge bleue.—Bluethroat.
- —Blaukehlchen.—
-Blauwe oogentroost 86 11
- Euphrasia officinalis.—Brise-lunettes.
- —Eyebright.—Augentrost.—
-Blauwe sprinkhaan 120 77
- Oedipoda coerulescens.—Sauterelle.—Blue winged
- Grasshopper—Heuschreck.—
-Blinde bij 61 28
- Eristalis tenax.—Eristale.—Hoverer-fly.—Schwebfliege.—
-Blauwtje 117 57
- Lycaena maedon.—Azuré de l’ajonc—Blue.—Bläuling.—
-Boksbaard 97, 98 51
- Tragopogon pratense.—Herbe de bouc.—Goat’s
- beard.—Bocksbart.—
-Bont zandoogje 108 58
- Pararge aegeria.—Tircis—Speckled Wood.—Waldfalter.—
-Bosch-zweefvlieg 62 28
- Eristalis nemorum.—Eristale des bois.
- —Hoverer.—Waldschwebfliege.—
-Boterbloem 32 65
- Ranunculus acris.—Bouton d’or.—Buttercup.—Hahnenfusz.—
-Braam 26 25
- Rubus fruticosus.—Ronce.—Bramble.—Brombeere.—
-Breedbladige orchis (Handekenskruid) 46 36
- Orchis latifolia.—Pentecôte.—Marsh Orchid.
- —Wiesenknabenkraut.—
-Bronzen loopkever 8 14
- Carabus granulatus.—Carabe bronzé.—Bronze
- Crab-beetle.—Laufkäfer.—
-Bruin graafbijtje 10 25
- Anthrena fulva.—Abeille sauvage.—Burrowing
- bee.—Grabbiene.—
-Bruin zandoogje 135 58
- Epinephele janira.—MyrtilMeadow-brown.—Gemeines
- Ochsenauge.—
-Brunelle 79 75
- Brunella vulgaris.—Brunelle.—Self heal.—Brunel.—
-Dikkopje 115 59
- Hesperia thaumas.—Hespérie de la houque—Small
- Skipper.—Busch Dickkopf.—
-Dodaars 111, 112 35
- Podiceps fluviatilis.—Grèbe castagneux.—Little
- Grebe.—Zwergsteissfuss.—
-Dotterbloem 1, 2, 3 19
- Caltha palustris.—Souci d’eau.—Marsh marigold.
- —Sumpfdotterblume.—
-Duizendblad 107 70
- Achillea millefolium.—Achillée.—Milfoil.—Schafgarbe.—
-Eereprijs 31 27
- Veronica chamaedrys.—Chênette.—Speedwell.—Ehrenpreis.—
-Engelsch gras 16 8
- Armeria elongata.—Gazon d’Espagne.—Thrift.—Grasnelke.—
-Engerling 144 78
- Melolontha vulgaris.—Hanneton.—Cockchafer.—Maikäfer.—
-Gaasvlieg 66 31
- Chrysopa perla.—Chrysope.—Gauze-fly.—Florfliege.—
-Ganzebloem 89 48
- Chrysanthemum leucanthemum.—Marguerite.—Ox-eye
- daisy.—Gänseblume.—
-Geelbanduil 138 60
- Agrotis pronuba.—Hibou.—Yellow Underwing.—Graseule.—
-Gele disteluil 136 57
- Gortyna ochracea.—Drap d’or.—Frosted Orange.—Gelbe
- Markeule.—
-Gele kwikstaart 109 20
- Budytes flavus.—Bergeronnette jaune.—Yellow
- wagtail.—Schafstelze.—
-Gele lucernevlinder 134 75
- Colias hyale.—Soufré.—Pale Clouded Yellow.—Gelber
- Luzernefalter.—
-Gestreepte zweefvlieg 63 28
- Helophilus pendulus.—Helophile.—Hoverer.—Gestreifte
- Schwebfliege.—
-Gevlekte doovenetel 82 66
- Lamium maculatum.—Lamier tacheté.—Spotted dead
- nettle.—Gefleckte Taubnessel.—
-Gevlekte orchis 44 36
- Orchis maculata.—Orchis maculé.—Spotted Orchis.
- —Geflecktes Knabenkraut.—
-Glidkruid 80 72
- Scutellaria galericulata.—Scutellaire.—Skullcap.
- —Blaues Schildkraut.—
-Goudplevier 57, 58 60
- Charadrius pluvialis.—Pluvier.—Golden Plover.
- —Goldregenpfeifer.—
-Graspieper 50 8
- Anthus pratensis.—Pipit des prés.—Titlark.
- —Wiesenpieper.—
-Groene specht 114 60
- Gecinus veridis.—Pivert.—Green Woodpecker.
- —Grünspecht.—
-Groentje 118 59
- Thecla rubi.—Argus Vert.—Green Hairstreak.—Grünling.—
-Groot hoefblad 13, 14 17
- Petasites officinalis.—Pétasite.—Butterbur.—Pestwurz.—
-Groote vuurvlinder 127 43
- Polyommatus dorilis.—Argus Myope.—Large Copper.
- —Feuerfalter.—
-Grutto 59 60
- Limosa belgica.—Barge à queue noire.—Black-tailed
- Godwit.—Sumpfschnepfe.—
-Haarlems klokkenspel 68 53
- Saxifraga granulata.—Saxifrage granulé.—Meadow
- Saxifrage.—Körnersteinbrech.—
-Hagedoornvlinder 137 57
- Rumia luteolata.—Citronnelle rouillée.—Brimstone.
- —Weissdornspanner.—
-Harlekijnorchis 43 36
- Orchis morio.—Orchis bouffon.—Fool’s Orchis.
- —Gemeines Knabenkraut.—
-Heggewikke 78 76
- Vicia sepium.—Vesce des haies.—Bush vetch.—Zaunwikke.—
-Heksenmelk 131 66
- Euphorbia esula.—Euphorbe ésule.—Common milkweed.
- —Uferwolfsmilch.—
-Herfstpaardebloem 99 70
- Leontodon autumnale.—Liondent d’automne.—False
- dandelion.—Hasenlattich.—
-Hommel (op smeerwortel) 40 72
- Bombus.—Bourdon.—Bumble bee.—Hummel.—
-Idem (op dooveneetel) 42 28
-Hommelzweefvlieg 64 28
- Volucella bombylans.—Volucelle.—Hoverer fly.—
- Hummelschwebfliege.—
-Hondsroos 23 25
- Rosa canina.—Rosier sauvage.—Dog’s rose.—Hundsrose.—
-Honigklaver 77 66
- Melilotus officinalis.—Mélilot.—Melilot.—Honigklee.—
-Hooibeestje 128 57, 59
- Coenonympha Pamphilus.—Pamphile.—Small Heath.—
- Heufalter.—
-Hopklaver 30 52
- Medicago lupulina.—Lupuline.—Dutch clover.—
- Hopfenschneckenklee.—
-Huisjesslak 27 78
- Helix hortensis.—Limaçon.—Garden Snail.—Schnecke.—
-Kale jonker 93 65
- Cirsium palustre.—Chardon des marais.—Marsh
- thistle.—Sumpfdistel.—
-Kemphaan 54 48
- Muchetes pugnax.—Chevalier combattant.—Reeve.
- —Kampfläufer.—
-Kievit 53 5
- Vanellus cristatus.—Vanneau.—Lapwing.—Kiebitz.—
-Kievitsbloem 47 38
- Fritillaria meleagris.—Damier.—Fritillary.
- —Schachblume.—
-Klein groentje 126 59
- Ino statices.—Procris de l’oseille.—Forester.
- —Sauerampferschwärmer.—
-Klein hoefblad 11, 15 17
- Tussilago farfara.—Pas d’âne.—Coltsfoot.—Huflattich.—
-Klein vuurvlindertje 129 43
- Polyommatus Phlaeas.—Cuivré commun.—Small Copper.
- —Kleine Feuerfalter.—
-Klimopbladige eereprijs 25 19
- Veronica hederaefolla.—Véronique à feuilles de
- lierre.—Ivy-leaved speedwell.—Epheublättriger
- Ehrenpreis.—
-Knikkende distel 91 65
- Carduus nutans.—Chardon penché.—Muste thistle.—
- Nickende Distel.—
-Kniptor 143 78
- Lacon murinus.—Taupin.—Jumping beetle.—Schnellkäfer.—
-Knollenwitje 12 57
- Pieris napi.—Pieride des navets.—Green veined
- White.—Knollenweissling.—
-Koekoeksbloem 70 32
- Coronaria flas cuculi.—Fleur de coucou.—Ragged
- Robin.—Kuckuckslichtnelke.—
-Koevinkje 104 58
- Epinephele hyperanthus.—Tristan.—Ringlet.—Gelbring
- Ochsenauge.—
-Kommavlinder 116 59
- Hesperia comma.—Virgule.—Silver spotted
- Hairstreak.—Kommafalter.—
-Langpootmug 119 78
- Tipula oleracea.—Tipule.—Daddy Longlegs.—Langbein.—
-Madeliefje 35 45
- Bellis perennis.—Pâquerette.—Daisy.—Massliebchen.—
-Meidoorn 6 25
- Crataegus monogyna.—Aubépine.—Hawthorn.—Weissdorn.—
-Middelste weegbree 88
- Plantago media.—Plantain moyen.—Hairy plantain.
- —Mittlerer Wegerich.—
-Moeras kartelblad 83 8
- Pedicularis palustris.—Pédiculaire des marais.—Red
- rattle.—Sumpfrodel.—
-Mol 141 78
- Talpa vulgaris.—Taupe.—Mole.—Maulwurf.—
-Muis 142 60
- Mus sylvaticus.—Souris.—Mouse.—Maus.—
-Munt 84 72
- Mentha aquatica.—Menthe aquatique.—Watermint.
- —Wassermünze.—
-Netelbladige eereprijs 33
- Veronica urticaefolia.—Véronique à feuilles
- d’ortie.—Nettle-leaved speedwell—Nesselblättrige
- Ehrenpreis.—
-Oeverzegge 39 32
- Carex riparia.—Carex des rives.—Bank Sedge.—
- Ufersegge.—
-Oranje lucernevlinder 133 75
- Colias edusa.—Souci.—Clouded Yellow.—Orange
- Heufalter.—
-Oranje zandoogje 103 58
- Epinephele Tithonus.—Amaryllis.—Gatekeeper.—Orange
- Ochsenauge.—
-Paardebloem 34, 36 32, 45
- Taraxacum officinale.—Chiendent.—Dandelion.—
- Löwenzahn.—
-Parelmoervlinder 105 23
- Argynnis Selene.—Petit collier argenté.—
- Frittillary.—Perlmutterfalter.—
-Pastinaak 72 66
- Pastinaca sativa.—Pastenaque.—Parsnip.—Pastinak.—
-Peen 122 66
- Daucus carota.—Carotte.—Carrot.—Möhre.—
-Penningkruid 121 69
- Lysimachia nummularia.—Herbe aux écus.—Moneywort.—
- Nattergold.—
-Pinksterbloem 37 18, 45
- Cardamine pratensis.—Cresson des prés.—Lady’s
- Smock.—Wiesenschaumkraut.—
-Ratelaar 85 8
- Alecterolophus major.—Crête de coq.—Rattle-box.
- —Klappertopf.—
-Roek 60 60
- Corvus frugilegus.—Corneille.—Rook.—Saatkrähe.—
-Roode oogentroost 87 8
- Euphrasia odontites.—Euphraise rouge.—Red
- Eyebright.—Roter Augentrost.—
-Rolklaver 75 76
- Lotus corniculatus.—Lotier cornu.—Birds foot
- trefoil.—Hornklee.—
-Roode klaver 73 7
- Trifolium pratense.—Trèfle rouge.—Red clover.—Roter
- Klee.—
-Ruige veldkers 20 18
- Cardamine hirsuta.—Cresson velu.—Hairy
- bittercress.—Haariges Schaumkraut.—
-Scabiose 96 66
- Scabiosa columbaria.—Columbaire.—Field
- scabious.—Teufelsabbiss.—
-Silene 123 45
- Silene vulgaris.—Béhen blanc.—Bladder
- campion.—Kropfleinkraut.—
-Sleedoorn 5 25
- Prunus spinosa.—Prunellier.—Blackthorn.—Schlehdorn.—
-Sleutelbloem 19 53
- Primula officinalis.—Primevère.—Primrose.
- —Schlüsselblume.—
-Smalbladige weegbree 90 51
- Plantago minor.—Plantain mineur.—Narrow leaved
- plantain.—Schmalblättriger Wegerich.—
-Speenkruid 4 25
- Ficaria ranunculoïdes.—Eclairette.—Lesser
- Celandine.—Feigwurz.—
-Spreeuw 49, 51, 52 13, 60
- Sturnus vulgaris.—Etourneau.—Starling.—Staar.—
-Spriet 56 2
- Crex orex.—Râle de genêts.—Corncrake.—Wachtelkönig.—
-Steenraket 95 66
- Sisymbrium officinale.—Herbe aux chantres.—Hedge
- mustard.—Wegehederich.—
-Stalkruid 71 52
- Ononis spinosa.—Arrête-bœuf.—Rest-harrow.—Hauhechel.—
-Stinkende gouwe 21 25
- Chelidonium majus.—Chélidoine.—Celandine.—
- Schöllkraut.—
-Thrincia 102 70
- Thrincia hirta.—Liondent faux.—False hawkbit.
- —Hundsblume.—
-Torenvalk 113 60
- Cerchneis tinnunculus.—Faucon crecerelle.—
- Kestrel.—Turmfalke.—
-Tureluur 55 5
- Totanus calidris.—Chevalier gambette.—
- Redshank.—Rotschenkel.—
-Veenmol 139 77
- Gryllotalpa vulgaris.—Courtilière.—Mole
- cricket.—Maulwurfsgrille.—
-Veldbies 18 24
- Luzula pilosa.—Luzule poilue.—Woodrush.—Haarmarbel.—
-Veldkrekel 140 76
- Gryllus campestris.—Grillon des champs.—Field
- cricket.—Grille.—
-Veldsla 67 38
- Valerianella olitoria.—Doucette.—Lambs lettuce.—
- Feldsalat.—
-Veldlathyrus 76 76
- Lathyrus pratensis.—Gesse des prés.—Meadow
- lathyrus.—Wiesenplatterbse.—
-Veldsalie 81 53
- Salvia pratensis.—Sauge des prés.—Meadow
- sage.—Wiesensalbei.—
-Vergeetmijniet 67 38
- Myosotis palustris.—Myosotis.—Forget-me-not.
- —Vergissmeinnicht.—
-Violette loopkever 7 14
- Carabus violaceus.—Carabe violacé.—Blue
- crabbeetle.—Violetter Laufkäfer.—
-Vlasbekje 130 71
- Linaria vulgaris.—Linaire.—Toad flax.—Leinkraut.—
-Vogelwikke 69 52
- Vicia cracca.—Pois à crapaud.—Bird’s Vetch.
- —Vogelwicke.—
-Wammesknoop 94 65
- Centaurea Jacea.—Jacée des prés.—Knapweed.
- —Wiesenflockenblume.—
-Wederik 132 72
- Lysimachia vulgaris.—Lysimaque.—Yellow
- loosestrife.—Friedlos.—
-Welriekend viooltje 22, 24 20
- Viola odorata.—Violette odorante.—Sweet
- violet.—Wohlriechendes Veilchen.—
-Wesp 125 57
- Vespa media.—Guêpe.—Wasp.—Wespe.—
-Witte klaver 74 7
- Trifolium repens.—Trèfle blanc.—White Clover.—Weisser
- Klee.—
-Witte welriekende orchis 45 37
- Platanthera solstitialis.—Double feuille.—Butterfly
- orchis.—Kleine Stendelwurz.—
-Wollegras 48 32
- Eriophoron.—Linaigrette.—Cotton grass.—Wollgras.—
-Zeespurrie 28 8
- Spergularia rubra.—Sabline rouge.—Purple
- chickweed.—Roter Spärkling.—
-Zilverschoon 124 69
- Potentilla anserina.—Argentine.—Silverweed.
- —Gänse-Fingerkraut.—
-Zomerklokje 41 38
- Leucojum aestivum.—Nivéole.—Snowflake.—
- Sommerknotenblume.—
-Zuring 38 42
- Rumex acetosa.—Oseille.—Sorrel.—Sauerampfer.—
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 61381 ***