summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/58563-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '58563-0.txt')
-rw-r--r--58563-0.txt7144
1 files changed, 7144 insertions, 0 deletions
diff --git a/58563-0.txt b/58563-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..a653855
--- /dev/null
+++ b/58563-0.txt
@@ -0,0 +1,7144 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 58563 ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE VLEGELJAREN
+ VAN PIETJE BELL
+
+ DOOR CHR. VAN ABKOUDE
+
+
+ GEÏLLUSTREERD DOOR JAN RINKE
+
+
+ ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN
+
+ 1920
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE KENNISMAKING HERNIEUWD.
+
+
+Lang zal-die leven in de gloriaaa .... in de gloria ... in de
+gloriaaaaaaaa ... Hiep ... hiep ... hoeraaaaaaa ...
+
+De vloeren dreunden, de ruiten rammelden, geklink van glazen,
+gerinkel van lepels en vorken, messen en borden en het getrappel van
+luidruchtige voeten begeleidden het gezang.
+
+Feest was het in de nieuwe woning van Vader Bell, den bekenden
+schoenmaker uit de Breestraat te Rotterdam. Jaren van vlijt en
+spaarzaamheid hadden hem het bezit doen verwerven van een geheel
+naar de eischen des tijds ingerichten winkel van Dames-, Heeren-,
+en Kinderschoenen, en de feestelijke opening daarvan werd op de
+ruime kamers boven den winkel stevig befuifd door familie, vrienden
+en kennissen.
+
+Daar waren om te beginnen Vader en Moeder Bell, beiden ongeveer
+vijftig jaar, stralend van gezondheid en levenslust, beiden trots op
+het bereikte ideaal. Vader het meest op den winkel, moeder het meest
+op de splinternieuwe meubeltjes, de hevig artistieke schilderijtjes,
+het mooie behang, het bloemetjes-tapijt.
+
+Daar was Pietje ... o neen ... niet PIET ... PietJE alstublieft.
+
+Ooit gehoord van Pietje Bell?
+
+Hier is hij, zestien jaar ... modepakje ... lakschoenen ... zijden
+das, angstig net gekamde kuif, hoog boord, manicuurvingers ... Ho-ho
+... mis man ... allemaal mis, maar daarover later. Daar was Geelman,
+de drogist uit de Breestraat, je weet wel, de brompot, die zoo
+geel zag als de kruiden, die hij verkocht. En dan zijn zoon Jozef,
+een verschrikkelijk braaf mensch, bestuurslid van de vereeniging tot
+bescherming van ondieren. Naast vader en moeder zaten Martha en haar
+echtgenoot. Martha was Piets zuster en ze woonde nu in den Haag.
+
+En verder was er een heel gezelschap jongelui, allemaal vrienden van
+Pietje, medeleden van de korfbalclub.
+
+De vroolijke gasten zaten aan den feestdisch, luidruchtig pratend,
+lachend, klinkend en drinkend op de gezondheid van vader, moeder en
+de nieuwe zaak.
+
+Flip Buitenhuis, boezemvriend van Pietje, sneldichter,
+ceremoniemeester, gangmaker van de club, veelbelovend opvolger in de
+sigarenzaak van zijn vader, tikte tegen zijn glas en verzocht stilte
+en attentie voor een gedicht, door hem ter gelegenheid van dit feest
+aaneengesmeed.
+
+Flip, leuke snuiter met 'n oolijk gezicht, wachtte even, tot het
+volmaakt stil was en begon op plechtigen toon:
+
+
+ In 't holst van den nacht----wijl iedereen sliep zacht..
+ Behalve de schildwacht------
+ Op post bij de gracht....
+ Ik zeg... in 't holst van den nacht....
+ Heb ik dit vers bedacht.
+ En in het nachtelijk duister....
+ Koorde ik het gefluister
+ Van een stem, die me zei:
+ Sssst... Flip, neem uw schrijfgerei,
+ En wijd een hulde-lied
+ Aan de ouders van Piet.
+ En zoo----geachte heer en mevrouw Bell,
+ Opende ik mijn dichterlijke wel.
+ En bij sterrengeflonker en kattengemauw
+ Schudde ik de volgende regelen uit mijn poëtische mouw:
+ Jaren van voorspoed en vlijt,
+ Van zweet des aanschijns en zuinigheid,
+ Hebben de zaken van den heer Bell uitgebreid.
+ En of je er veel of weinig over praat,
+ Hij heeft de mooiste winkel in de Heerenstraat
+ En daar verkoopt hij u geen knollen voor citroenen,
+ Maar eerste klas laarzen, pantoffels en schoenen.
+ In de schoone stad van Rotterdam,
+ Vanaf den tijd, dat Claudius Civilis er schoenen koopen kwam,
+ Ik zeg, sinds Xantippe er pantoffels kwam koopen,
+ En de volksverhuizing heele naties naar Rotterdam deed loopen,
+ Ja .... sinds Kaninefaten en Tubanten woonden in holen
+ Lieten ze bij de familie Bell hun schoenen zolen.
+ Ook hebt ge zeker wel eens vernomen,
+ Hoe Hannibal en zijn legers over de Alpen zijn gekomen,
+ 't Was een kouwe reis--de Alpen waren vol sneeuw,
+ Je vond er geen boom, geen struik, ja zelfs geen dooie spreeuw,
+ En dat ze geen natte voeten kregen op dien tocht,
+ Kwam ... doordat ze overschoenen bij meneer Bell hadden gekocht.
+ Zoo, mijne vrienden, zou ik door kunnen gaan,
+ Maar mijn schitterende rede zou teveel tijd beslaan,
+ Ik meen daarom te kunnen volstaan
+ Met te zeggen, te beweren, te wenschen en te hopen,
+ Dat de firma Bell maar veel schoenen mag verkoopen,
+ Aan vorst en vorstin, aan boer en boerin, aan heid-- en heidin,
+ En als hij ze levert naar een ieders zin,
+ Dan wordt hij nog Hofleverancier van H. M. de Koningin.
+ Ik wijd ook een woord van hulde aan Mevrouw,
+ Die haar echtgenoot vol liefde en trouw
+ Op zijn door vele voeten betreden levensbaan
+ Als een dapper strijdmakker heeft terzijde gestaan,
+ Net als Julius Ceasar met Piet Hein heeft gedaan.
+ Nu nog een kort woordje tot de kinderen
+ Piet en zijn zuster--als u het niet zult verhinderen,--
+ En ik zeg het zonder blikken of blozen,
+ Ze hebben de beste ouders ter wereld uitgekozen.
+ En nu, dames en heeren, hoog het glas,
+ Doe maar net, of je thuis bij je moeder was,
+ Zing en klink en drink, tot je geen twee meer kunt tellen,
+ Ter eer van alle hier aanwezige Bellen,
+ En zing met mij, dat je 't kunt hooren in Afrika:
+ Lang zullen ze allemaal leven in de gloria!!
+
+
+Bravooo!!... fijn ... ha-ha-ha-ha- ... nou, da's een goeie, hoor ...
+
+Vader Bell lachte zich tranen met tuiten om al dien welgemeenden humor,
+en stond op om een woordje van dank te zeggen.
+
+"Vrienden," sprak hij, "ik kan niet zooveel buitenlandsche woorden
+gebruiken als Flip, maar ik moet toch even zeggen, dat ik zijn
+alleraardigst gedicht mijn leven lang zal onthouden, en hem er heel
+hartelijk voor bedank. Ja, altijd maar vroolijk zijn, dat is mijn idee
+ook. Ik heb er mij altijd wel bij bevonden en ik hou van menschen,
+die er ook zoo over denken. Flip, nogmaals bedankt voor je vers,
+'k ben blij, dat je Piet's vriend bent... en al heb je ons een
+hoop leugens wijsgemaakt, over die Konijnevaten en die Trawanten,
+of hoe die Indianen ook heeten, de bedoeling was goed en mooi en
+je kunt mijnentwege meneer Sanniplak of Bannihal vertellen, dat ik
+een nieuwe voorraad overschoenen heb ontvangen, voor het geval hij
+nog eens zoo'n plezierreisje gaat ondernemen. Vrienden ... op de
+gezondheid van Flip Buitenhuis!"
+
+Er werd geklonken en gedronken, en onder vroolijke gesprekken werd
+de feestmaaltijd voortgezet.
+
+De lezers van Pietje Bell herinneren zich misschien nog wel, dat de
+schoenmaker vroeger den bijnaam droeg van "Jan Plezier", omdat hij
+altijd vroolijk was en van den vroegen morgen tot den laten avond
+liedjes zong, terwijl hij de laarzen en schoenen van de heele buurt
+repareerde.
+
+Die aangeboren vroolijkheid was hem bijgebleven en had hem steeds
+meer klanten bezorgd. Toen Pietje acht jaar was, had zijn vader een
+kleinen schoenwinkel geopend aan de Heerenstraat, maar nu was de
+oude zaak ook weer te klein geworden en Vader had het groote, ledige
+winkelhuis ernaast gekocht en naar de eischen des tijds ingericht.
+
+Piet had, na de lagere school doorloopen te hebben, een bijzondere
+school bezocht, waar hij, behalve de gewone vakken ook Handelsrekenen,
+Buitenlandsche Correspondentie en Boekhouden geleerd had.
+
+Hij was nu sinds eenige dagen van school en zou den volgenden dag
+als jongste bediende op een graankantoor in dienst treden.
+
+Wat was Pietje eigenlijk voor een jongen geworden?
+
+Wel, in de eerste plaats was hij ouder geworden--da's logisch--en
+met de jaren verandert een mensch altijd een beetje en dat is maar
+goed ook.
+
+De kleine Pietje Bell was min of meer de humoristische lastpost van
+de heele Breestraat geweest en meer dan eens had de courant zijn naam
+vermeld als de grootste deugniet in Rotterdam.
+
+Nu--op zestienjarigen leeftijd, met al een hoofd vol studie, was er van
+dergelijke dwaasheden natuurlijk geen sprake meer, hoewel hij een niet
+te verzadigen lust tot pretmaken had. Piet was nimmer om een antwoord
+verlegen geweest, en de gave des woords was zoo in hem ontwikkeld, dat
+hij een aparte dictionaire in zijn hoofd had van allemaal zelfgemaakte
+woorden en uitdrukkingen, die hij te pas en te onpas gebruikte.
+
+Pietje was sterk, gezond, flink van postuur, liefhebberde in boxen
+en jiu-jitsu, wat hem geleerd was door een vroegeren kameraad, en
+telde zijn vrienden bij tientallen.
+
+
+
+Den volgenden morgen half negen stapte Pietje voor de eerste maal naar
+zijn eerste betrekking: het kantoor van de graanhandelaars Graanzak
+& Zonen.
+
+Een slungel van een jongste bediende was de eenige aanwezige,
+'t scheen nog wat vroeg te zijn.
+
+'t Jonge mensch scheen niet te lijden aan overmaat van beleefdheid,
+want hij voegde Piet toe:
+
+"Wat mot jij hier?"
+
+Nu was bedeesdheid iets, wat Piet sinds den dag zijner geboorte niet
+gekend had. Hij nam den jongen rustig op van het hoofd tot de voeten
+en vroeg spottend-beleefd:
+
+"U zei?"
+
+De jongen voelde den steek en trachtte zijn onhandigheid te verbergen
+door een nog grootere lompheid.
+
+"Bee-je doof? Ik vraag, wat je hier mot; d'r is nog geen mensch op
+'t kantoor en je kan nog wel een kwartier uitrukken."
+
+"Imbécile, je crois," zei Piet lachend.
+
+"Wat beteekent dat?"
+
+"Of je ham lust van een ijsbeer," vertaalde Piet.
+
+"Wel, in elk geval heb je hier niets te maken, opschepper!"
+
+Maar nu opende Piet zijn dictionaire:
+
+"Opschepper? Wel jou driedubbel-overgehaalde kwartjesfonograaf, als
+jij denkt, je ongepatenteerde spreekbuis zoo wijd tegen mij te kunnen
+openzetten, dan zal ik je een knal op je eetsalon verkoopen, dat je
+de rest van je leven noodig hebt, om den tandarts af te betalen."
+
+De jongen deed een stap achterwaarts, verstomd door dien onverwachten
+woordenrijkdom.
+
+'t Middel had geholpen en omdat Pietje zich meer interesseerde voor
+zijn nieuwe werkkring dan voor den lompen vlegel, draaide hij hem
+den rug toe en wachtte de komst van zijn patroon af.
+
+Hij was volkomen kalm gebleven, daar deze lummel hem niet genoeg
+belangstelling inboezemde om zich over hem op te vinden.
+
+Want Piet had zoo zijn eigen begrippen over de dingen: hij liet niemand
+een loopje met hem nemen, hij was vriendelijk jegens de vriendelijken,
+beleefd jegens de beleefden, goed jegens de goeden, maar wanneer iemand
+hem barsch toesprak of minachtend behandelde, dan toonde Pietje, dat
+hij een vrije Hollandsche jongen was en dat hij beschikte over een
+rapheid van tong, die voor een geoefend redenaar benijdenswaardig was.
+
+Geleidelijk kwam het kantoorpersoneel binnen, spoedig gevolgd door
+den heer Graanzak.
+
+Toen deze Piet bemerkte, wenkte hij hem te volgen in het privé-kantoor.
+
+Het woord klinkt misschien een beetje weelderig, maar het privé-kantoor
+was weinig meer dan een rommelig hokje met een ouden lessenaar en
+een nog veel rommeliger kast vol boeken en papieren.
+
+Graanzak paste volkomen in deze omgeving, hij was slordig gekleed en
+zijn oudachtig gezicht stond niet bijster vriendelijk.
+
+"Blijf daar staan!" snauwde hij Piet toe, toen deze meer dan drie
+passen in het kamertje deed.
+
+Piet gehoorzaamde en wachtte vol belangstelling de komende dingen af.
+
+Graanzak hing zijn hoed op, plantte een lorgnet op zijn neusbeen en
+grabbelde in de papieren op zijn lessenaar.
+
+De lorgnet gebruikte hij om er overheen te kijken.
+
+"Kom hier," commandeerde Graanzak bits.
+
+Piet naderde de lessenaar.
+
+"Halt-halt ... niet verder ... da's genoeg ... nou, je naam?"
+
+"Pieter Bell, meneer."
+
+"Geboren?"
+
+"Jawel meneer."
+
+"Ik bedoel waar ... wanneer ..."
+
+"Rotterdam ... 2 Augustus ..."
+
+"Mooi ... haal een bezem."
+
+"Een bee ...????" vroeg Piet verbaasd.
+
+"Ja-ja ... een bezem ..."
+
+Piet gehoorzaamde alweer; hij had nog geen duidelijk begrip van zijn
+nieuwen werkkring. Hij dacht, dat hij kantoorbediende zou zijn en
+een lessenaar zou krijgen. Wat wilde Graanzak met den bezem?
+
+"Nou kom hier en veeg me dien varkensstal uit."
+
+Piet keek om zich heen.
+
+"Is dat hier?" vroeg hij.
+
+"Kijk naar den vloer en kijk onder tafel," snauwde Graanzak. "Is dat
+vuil genoeg? Als je net zoo'n luie doeniet bent als je voorganger,
+kun je direct wel opkrassen. 't Is een zwijnenboel hier en jij maakt
+het schoon, versta je?"
+
+"Mag ik even telefoneeren?" vroeg Piet.
+
+"Met wie... voor wat?"
+
+"O, ik wou alleen maar even de Gemeente-reiniging opbellen, die heeft
+daar meer verstand van dan ik. Neen, mijnheer Graanzak, ik geloof,
+dat ik mij vergist heb met hierheen te komen."
+
+"Wie-wat-hoe-waar... vergist... vergist??"
+
+"Ik had gedacht, wat schrijf- en rekenwerk te krijgen op een kantoor,
+maar ik heb niet de handelsklasse doorloopen om varkensstallen uit
+te bezemen... ik ben geen staljongen..."
+
+Met deze woorden zette Piet den bezem tegen den muur.
+
+Graanzak behoorde tot het soort menschen, die meenen, dat zij anderen,
+die in hun dienst zijn, scheldwoorden en beleedigende uitdrukkingen
+kunnen toevoegen. Pietje was gewillig en gehoorzaam genoeg, maar
+vanaf zijn prilste jeugd hadden scheldwoorden en onrechtvaardige
+behandeling zijn verontwaardiging opgewekt.
+
+Graanzak legde vol verbazing zijn papieren neer en snauwde:
+
+"Pak op dien bezem, jou aap... je bent hier om te doen wat ik
+verkies... vooruit, geen geluilak."
+
+Piet maakte glimlachend een buiging en zei:
+
+"Spijt mij heel erg, mijnheer, maar ik denk, dat ik maar weer naar
+huis ga. Dag mijnheer Graanzak... Zakt u maar niet te ver in 't graan."
+
+De deur werd achter hem dicht geslagen, maar Piet zag niet, of de
+tocht het deed of iemand anders.
+
+In de gang passeerde hij den kantoorjongen, die hem met een spottend
+lachje aankeek.
+
+Piet bleef staan, deed een vluggen greep in 's jongelings das en zei
+met opgetrokken neus en wenkbrauwen:
+
+"Zeg, ik heb erg veel zin om jou eens te vertellen, hoe ik over je
+denk en over je lieven baas, maar als ik je ooit weer tegenkom zal
+ik een roffel op je facie trommelen, dat je patroon je gezicht voor
+een poffertjespan aanziet! Saluut."
+
+De daad bij het woord voegende, liep hij naar buiten,
+teleurgesteld... maar zonder spijt.
+
+Piet liet zich niet door den eersten den besten voor vloermat
+gebruiken, daarvoor had hij teveel moeten studeeren, daarvoor voelde
+hij zich te onafhankelijk, te vrij, te veel Watergeus... ja... te
+veel jongen met Piet Hein-bloed.
+
+Hij wilde graag werken, zijn best doen om vooruit te komen in de
+maatschappij, maar hij liet zich door niemand buffelen, grauwen en
+snauwen en "op den kop zitten."
+
+Merci, hij was Pietje Bell, en wie dat niet verstond zou het wel
+ondervinden.
+
+
+
+Hij kwam thuis, liep den winkel in, waar Vader de doozen afstofte.
+
+"Wel, wat nou?" vroeg deze.
+
+"Me voilà, geeerde Papa," zei Pietje, "'k Heb vacantie, ha-ha."
+
+"Vacantie? Je bent toch niet ontslagen?"
+
+"O, pas du tout ... kan je net denken, vadertje. Ik ben niet eens
+begonnen, hoe kan ik dan ontslagen zijn?"
+
+"Maar wat is er dan toch gebeurd?"
+
+"Wel, toen ik vanmorgen het kantoor binnenkwam, was er alleen nog maar
+zoo'n peenharig sjappie. Hij verbeeldde zich zeker, president van
+'t afgebrande graanpakhuis te wezen en vroeg wat ik motte. Afijn,
+ik heb hem dat even op mijn manier gezegd en toen was-ie koest. En
+toen kwam meneer Graanzak ... probeerde mij vanaf 't eerste oogenblik
+te buffelen ... en mij het varkenshok te laten schoonmaken."
+
+"Het varkenshok?" riep vader verwonderd uit. "Waren er dan varkens?"
+
+"Ik denk, dat de heer Graanzak zich daaronder rekende, hij noemde
+tenminste zijn privé-kantoor een varkenshok."
+
+"En toen," lachte Vader, die altijd schik had om Piet.
+
+"Wel, ik heb den bezem tegen den muur gezet en meneer Graanzak een
+lang leven toegewenscht en eksteroogen."
+
+Vader Bell schaterde het uit en sloeg zich op de knieën van pret.
+
+Die Piet, die Piet, ha-ha-ha ... natuurlijk had de jongen dat niet
+gedaan ... maar gelijk had hij ... het was geen manier van doen
+geweest.
+
+Piet deed een oud jasje aan en ging zijn vader helpen. Hij had niets
+anders te doen en had een hekel aan stilzitten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE KORFBALCLUB "DE VROOLIJKE BENDE."
+
+
+Dien avond begaf Pietje zich naar de Vergadering van de Rotterdamsche
+Korfbalclub: De Vroolijke Bende, op het bovenzaaltje van café De Kroon.
+
+Alle leden zaten rondom een lange tafel, de voorzitter, Jacob Mantel,
+aan het boveneind, geflankeerd door Marie van Zanten, secretaresse en
+Moeder over de club, en Harry de Graaf, penningmeester, en veelbelovend
+boekhouder.
+
+"Dames en heeren," sprak de voorzitter, "de tweede vergadering van
+de korfbalclub "De Vroolijke Bende" verklaar ik geopend, na u allen
+een hartelijk welkom te hebben toegezwaaid. Het woord is aan onze
+secretaresse, die de notulen van de vorige vergadering zal voorlezen."
+
+"Ik heb het schrijven daarvan aan den 2en Secretaris overgedragen,"
+beweerde Marie lachend.
+
+"Alzoo onze vriend Pietje Bell, tweede secretaris, heeft het woord."
+
+Pietje stond op, nam het notulenboek ter hand en las:
+
+
+ Eerste Vergadering.
+
+ Op aanhoudend aandringen van den Minister van Oorlog en nog meer
+ leuke lui is heden opgericht De Vroolijke Bende, zich ten doel
+ stellende het maken van de meest mogelijke pret en ...
+
+
+Hier tikte de voorzitter met den hamer.
+
+"Zou het niet beter zijn, deze zinsnede te vervangen door: zich
+ten doel stellende het beoefenen van het edele korfbalspel op de
+aangenaamste manier?" vroeg hij.
+
+"Dat is precies hetzelfde," zei Pietje en vervolgde:
+
+
+ ... het maken van de meest mogelijke pret en het mikken van een
+ bal in een mandje zonder bodem.
+
+ Aangezien door alle aanwezigen het oprichten van een dergelijke
+ Bende zeer noodzakelijk werd geacht, werd vervolgens overgegaan
+ tot de viering van den verjaardag van een der aanwezigen, wat
+ hem een rondje kostte.
+
+ Mejuffrouw Alida Specht kon niet inzien, wat voor nut erin stak
+ om een bal in een bodemlooze mand te werpen, aangezien deze er
+ toch weer uitviel, maar de Voorzitter verklaarde haar, dat dit
+ juist de grap van het spel was.
+
+ Na aldus het nut van het spel verklaard te hebben, deelde de
+ voorzitter mede, dat de club tweemalen per jaar een voorstelling
+ zou geven ten bate van de kas en om er de rekeningen van de
+ voorgaande soirée mee te betalen.
+
+ Het Reglement van de club werd daarna vastgesteld en alle
+ aanwezigen namen zich voor, er zich niet aan te storen.
+
+ De kosten van de vergaderingen, zaalhuur en verteringen zullen
+ betaald worden van de opbrengst der eerstvolgende soirée, en de
+ eigenaar van café De Kroon nam met groote vreugde dit voorstel
+ aan. Op dezelfde wijze zal getracht worden, de overige onkosten
+ der club te bestrijden.
+
+ Ten slotte werd de vereeniging de naam gegeven van De Vroolijke
+ Bende, hetgeen met algemeene toejuichingen gepaard ging en waarbij
+ drie glazen en twee kopjes het leven lieten.
+
+
+"Heeft iemand iets aan te merken of af te keuren in deze
+notulen?" vroeg de voorzitter. "Niemand? Dan zullen we ze hierbij
+goedkeuren en onderteekenen."
+
+Met sierlijke krullen zette Harry zijn naam eronder en vervolgde dan:
+
+"Nummer twee van de agenda: Verslag over het afgeloopen kwartaal."
+
+Weer stond Pietje op, nam een ander boek en las:
+
+
+ Het is lang geen gemakkelijke taak, precies te vertellen, wat
+ er in het eerste speelseizoen van De Vroolijke Bende is gebeurd,
+ want er is zelden op de wereld zulk een rumoerige, veelzinnige,
+ weerbarstige en uitgelaten troep bij elkaar geweest. De
+ eerste oefening werd gehouden op het Exercitieterrein, waar
+ het veertien dagen aanhoudend geregend had. Het speelveld was
+ in een voorwereldlijke poel herschapen en derhalve uitnemend
+ voor korfbal geschikt. Toen de club huiswaarts keerde, zagen de
+ leden eruit als polderjongens. Men was het er echter algemeen
+ over eens, dat het geen "droge boel" was. De kas bevond zich in
+ een voorbeeldigen toestand, er was geregeld een tekort, aangezien
+ de uitgaven grooter waren dan de inkomsten.
+
+ Jacob Mantel, voorzitter, werd ook tot leider gekozen, met een
+ lange ij, en hij leerde de club, hoe je 't niet moet doen.
+
+ Er werden eenige repetities gehouden voor de a. s. soirée, welke
+ zeer succesvol afliepen, daar de meeste deelnemers schitterden
+ door afwezigheid. Alles en alles bij elkaar genomen verkeert de
+ club in blakenden welstand en gaat een groote toekomst tegemoet.
+
+
+Pietje ging zitten onder het applaus der leden.
+
+"Goedgekeurd," sprak de voorzitter. "Aan de orde is vervolgens nummer
+drie van de agenda: Voorstel van mej. Marie van Zanten. Het woord is
+aan haar."
+
+Marie, een vijftienjarige brunette, die wel voor zeventien kon
+doorgaan, stond op.
+
+"Mijn papa," sprak ze, "wil aan de club ten geschenke geven een
+verplaatsbaar clubhuisje met alle benoodigdheden..."
+
+Flip vloog naar de piano en begon uit alle macht: "Lang zal ze leven"
+te hameren, wat direct door de heele Bende overgenomen werd. Laarzen
+bestampten den vloer, stoelen werden omgegooid ... hoeraaa ... hoeraaa
+... en als de voorzitter het niet belet had, zou de heele club Marie
+omhelsd hebben.
+
+De eigenaar van het koffiehuis kwam naar boven om de geachte
+vergadering mee te deelen, dat dit een vergaderzaaltje was en geen
+kegelbaan.
+
+Het voorstel van Marie was, om het cadeau van haar vader aan te nemen
+onder dankbetuiging, waarop wederom zulk een stormachtige bijval
+volgde, dat meergenoemde eigenaar halverwege de trap terugkeerde en
+thans met kracht en klem constateerde, dat het een schandaal was.
+
+"Jullie moest je schamen," zei hij, "de kalk valt beneden van het
+plafond."
+
+"Laten we afspreken," antwoordde Flip den man, "dat het een goedkoop
+soortje plafond moet zijn."
+
+"Bepaald namaak kalk," vond Pietje Bell.
+
+"Goeie plafonds," beweerde Jacob wijs, "laten geen kalk los. Probeert
+u eens Portland-cement."
+
+"Jullie raaskalt," riep de man uit, "en dit is de laatste maal,
+dat ik jelui waarschuw. Je denkt zeker, dat ik idioot ben?"
+
+"We zullen u heelemaal niet tegenspreken," zei Flip minzaam.
+
+De eigenaar nam dit als een beleefdheid op, omdat de beteekenis niet
+recht tot hem doordrong en vertrok met de mededeeling, dat het de
+laatste maal geweest moest zijn.
+
+"Stel je voor," beweerde Mien Kuijer, een veertienjarige robbedoes,
+"de man krijgt zijn huur betaald na de eerste soirée, en dan zal je
+nog niet eens de kalk van 't plafond mogen stampen."
+
+'t Werd warm op het zaaltje.
+
+Harry de Graaf deed met toestemming van de dames zijn jasje uit en
+stelde daardoor een nieuw, zijden overhemd ten toon.
+
+Het had een vreemde combinatie van kleuren.
+
+"Vind-je 't geen mooi shirt?" vroeg hij aan Pietje.
+
+"Wel," was het antwoord, "ik wil heelemaal niet beweren, dat het niet
+mooi is, maar als ik zoo'n overhemd aanhad, zou ik mijn jas aanhouden."
+
+"En ik denk ..." begon Flip.
+
+"Ik geef geen cent voor wat jij denkt," viel Harry hem in de rede.
+
+"Je hebt gelijk, ik dacht aan jou," zei Flip snel.
+
+"Orde, dames en heeren," verzocht de voorzitter, "orde
+alstublieft. Waar is mijn hamer? Och Piet, geef eens even aan."
+
+Pietje rekte zijn arm uit naar den hamer, die in de herrie aan de
+andere zijde van de tafel verzeild was.
+
+"Gut, wat kan jij leelijk vér reiken," merkte Alida Specht op,
+een lang, slank meisje, dat om haar spitse tongetje "Spinnetje"
+genoemd werd.
+
+De voorzitter klopte op de tafel.
+
+"Binnen," zei Piet.
+
+"Orde," verbeterde Jacob. "Nummer vier van de agenda is aan de orde:
+Geen personen onder veertien jaar kunnen als lid van de club worden
+toegelaten."
+
+"Dat slaat niet op mij," zei Flip, "ik was den tweeden April al
+zestien."
+
+"Als gewoonlijk een dag te laat," merkte Spinnetje op.
+
+"Iemand iets aan te merken op deze regeling?"
+
+"Wel," zei Harry, "Jannetje de Boog hier is nog geen veertien, dus
+kan ze ook geen clublid zijn."
+
+"Wat?" riep de bedoelde jonge dame, die zeer voorname opvattingen
+had, dikwijls fransche woorden gebruikte en het jammer vond, dat haar
+vader landbouwer was. "Wat? Denken jullie, dat ik nog geen veertien
+ben? Denken jullie dat? Quel idéé! Vous-êtes fou!"
+
+"Hotel de France," zei Pietje. "Si vous L'abattoir!"
+
+"Pourquoi le quadrille," voegde Flip er bij.
+
+"Coupe des cheveux et la barbe," beweerde een ander.
+
+"Stilte, orde," maande de voorzitter aan, en hamerde weer op de tafel.
+
+Mien Kuijer genoot van Jannetjes woede, doch haar vreugde steeg ten
+top, toen Flip opstond en zei:
+
+"Ik stel voor, dat we den naam van Jannetje de Boog vertalen door
+Jeanne d'Arc."
+
+Een oorverdoovend applaus volgde op deze woorden en er viel bepaald
+beneden weer kalk van het plafond, want de eigenaar kwam opnieuw
+binnen, maar nu met de mededeeling, dat de club oogenblikkelijk
+moest vertrekken.
+
+Dat maakte een eind aan de vergadering.
+
+Piet stelde de leden in marschorde op en commandeerde: voorwaarrts
+... Marsch!
+
+Met zeer hoorbaren militairen pas daverde de vroolijke Bende de
+trap af.
+
+"En ik hoop jullie nooit meer te zien," was het afscheid van den man.
+
+"Dank u, van 't zelfde," zei Pietje. "Valt u niet over de mat."
+
+Dien avond schreef hij in het notulenboek van de club, dat de tweede
+vergadering zeer geanimeerd en welgeslaagd was afgeloopen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+VAN EEN VERWAANDEN HUISKNECHT EN DE WEDDENSCHAP IN DE LUNCHROOM.
+
+
+In een boek leer je den held van het verhaal maar niet zoo op de
+eerste bladzijden kennen in al zijn bijzondere hoedanigheden, vooral
+niet een veelzijdigen jongen als Pietje.
+
+Onze vriend nu was natuurlijk niet zoo veranderd, of hij had heel
+wat van zijn vroegere karakter behouden, en af en toe gaf hij daar
+de bewijzen van.
+
+Het was merkwaardig, hoeveel vrienden hij had, want iedereen hield
+van hem om zijn oprechtheid, zijn onuitputtelijken humor en levenslust.
+
+Hij wist altijd den vroolijken kant van de dingen aan te wijzen en
+hielp daarmee menigeen van een neerslachtige bui af.
+
+Daarbij had Piet vastheid van karakter, een eigen wil en een groote
+mate van zelfrespect. Dit laatste bracht hem wel eens in botsing met
+anderen, die probeerden, hem in een hoekje te dringen of te kleineeren.
+
+Piet liet zich niet bazen, de schoolmeesters hadden hem niet voor niets
+verteld, dat zijn voorouders tachtig jaar lang gevochten hadden voor
+de vrijheid hunner nazaten, en hij zou wel eens iemand willen zien,
+die hem die vrijheid ontnemen durfde.
+
+Hij wist--als het te pas kwam--dit zeer duidelijk aan iemands verstand
+te brengen, en dan zette hij maar weer zijn dictionaire in werking,
+liet zulk een overvloed van buitenmodel bijvoeglijke- en zelfstandige
+naamwoorden hooren, dat Servaas de Bruijn er het water van uit den
+mond geloopen zou zijn.
+
+Op zekeren dag vond Pietje een gouden broche met een schitterenden
+diamant erin gevat.
+
+Hij bewaarde het kostbare sieraad zorgvuldig en keek dien avond de
+advertenties in de courant na.
+
+Spoedig vond hij, wat hij zocht. Een der annonces luidde:
+
+
+ VERLOREN
+
+ gaande van Beursstation langs Noordblaak naar Schiedamsche
+ Singel 875 een gouden broche met diamant. Tegen belooning terug
+ te bezorgen Westersingel 936.
+
+
+Het was al wat laat, om er dienzelfden dag nog heen te gaan, maar
+den volgenden namiddag begaf hij zich naar het genoemde adres.
+
+Het was een rijk heerenhuis, waar hij aanschelde en waar een
+belachelijk-verwaande lakei de deur opende. De man scheen last van
+een stijven nek te hebben, tenminste hij liep met den neus in de lucht
+en keek vanuit die hoogte minachtend op het menschdom neer. Met zijn
+stem kon hij kinderen bang maken.
+
+"Wel ... wat isser?"
+
+Piet keek een oogenblik verbaasd, maar glimlachte daarop. Hij had al
+begrepen, wat voor vleesch hij in de kuip had.
+
+"Ik zou gaarne Mevrouw even willen spreken, hier is mijn kaartje,"
+zei hij op beleefden toon.
+
+De huisknecht, zonder het kaartje aan te nemen, wierp zoo mogelijk
+nog meer het hoofd in den nek en zei:
+
+"En wat heb jij met Mevrouw te bespreken?"
+
+"Iets van groot belang," zei Piet geduldig.
+
+"Mevrouw heeft wel wat anders te doen, dan naar zulke jongens te
+luisteren. Er worden gasten verwacht en de familie heeft toch geen
+tijd om naar je te luisteren."
+
+"Ik denk," zei Piet, "dat Mevrouw de zaak, waarover ik kom spreken,
+minstens even belangrijk zal vinden als de voornaamste gast, en
+als u even mijn kaartje wilt geven, zult u Mevrouw heel wat last en
+onrust besparen."
+
+De huisknecht scheen Piets aandringen impertinent te vinden en kon
+niet inzien, wat voor belangrijks de jongen met Mevrouw te bespreken
+kon hebben. Het maakte hem ongeduldig en hij wenschte van den bezoeker
+verlost te zijn.
+
+"Praatjes," zei hij driftig, "we koopen toch niets aan de deur."
+
+"Praatjes? Als u wist, waarvoor ik kwam, zoudt u dat niet tegen
+mij zeggen."
+
+"Zeg dan, wat je wilt."
+
+"Ik wilde Mevrouw spreken ..."
+
+"Waarover?"
+
+"Dat is mijn zaak."
+
+Driftig wilde de ingebeelde lakei de deur dichtgooien, maar Piets
+voet was in den weg.
+
+"Marsch ... van de deur ... kwajongen!... ik telefoneer de politie..."
+
+"Wel man," zei Piet, de deur weer openduwend, "je bent hier heelemaal
+niet op je plaats, je moet solliciteeren voor bewaarder in de
+gevangenis voor ongeneeslijke misdadigers ... je hebt nog niet eens
+beleefdheid genoeg voor portier van den Krententuin in Veenhuizen
+... telefoneer de politie maar, dan ziet die nog een ouwe kennis
+... En zeg nou aan je Mevrouw ... sterrekijker, kijk me eens an als
+je durft ... dat ik de gouden broche gevonden heb met den diamant erin
+... mijn naam is Pietje Bell.... Heerenstraat 234... Je kunt 't komen
+halen, als je eerst excuus vraagt voor je onbeschofte hoffelijkheid
+tegenover een fatsoenlijk bezoeker... Saluut Lukas ... 'k wensch je
+veel heil en zegen en kiespijn."
+
+Met open mond en een gezicht als iemand, die zijn zeventigjarige
+grootmoeder over een hek ziet springen, keek de huisknecht Pietje na.
+
+"Hee... hola.... JONGEHEER.... JONGEH-E-E-RRR..." riep hij hem toe.
+
+Maar Piet hoorde dat natuurlijk niet.
+
+"Jongeheer ..." en hijgend kwam de lakei hem achterop .... "komt u
+alsjeblieft binnen ... Mevrouw zal u zeer gaarne te woord staan ..."
+
+Piet schudde het hoofd en zei:
+
+"Heerestraat 234 ... Sterrekijker ... val niet over de stoep ... Bye,
+bye ..."
+
+Toen sprong hij op een passeerende tram en was spoedig uit het gezicht.
+
+Denzelfden dag kwam niet de knecht, maar wel Mevrouw persoonlijk de
+broche halen. Zij verontschuldigde zich herhaalde malen, nadat Pietje
+haar een zeer aanschouwelijk verhaal had gedaan omtrent het optreden
+van den bediende.
+
+Zij was zeer verontwaardigd over 's mans ongemanierdheid, had er al
+meer klachten over gehad en dit zou zeker de laatste maal geweest zijn,
+want zulke ingebeelde personen kon zij niet gebruiken.
+
+Piet moest een belooning aannemen voor al de moeite en onaangenaamheid,
+die hij ondervonden had, en ofschoon hij herhaaldelijk weigerde en
+bedankte, het slot was toch, dat hij een bankbiljet van 25 gulden in
+zijn zak had, toen de dame vertrok.
+
+
+
+Het geval met den huisknecht bewijst, dat Pietje Bell zich niet liet
+afgrauwen en snauwen, en dat dengene, die het met hem probeeren wou,
+dan ook maar de gevolgen moest ondervinden.
+
+Evenmin was hij verlegen in het publiek en hij kon soms op straat of
+waar dan ook plotseling een grap uithalen, waar hij een ieder kostelijk
+mee amuseerde. Hij was een vrije Hollandsche jongen, nietwaar, en dit
+leven was zijn leven, nietwaar, en niemand behoefde hem te vertellen,
+wat hij wèl en wat hij nièt doen mocht. Als hij zin had, om iets
+te doen, wel, dan deed hij het, en al vond een ander het nu dwaas,
+dat maakte voor hem geen verschil.
+
+Op een avond wandelde hij met Flip Buitenhuis door de stad.
+
+Het duurde niet lang, of zij ontmoetten Mien Kuijer en Marie van
+Zanten.
+
+"Dag kindertjes," zei Piet... "Quo Vadis?"
+
+"Overal en nergens," zei Marie. "We wandelen."
+
+"En wij promeneeren," zei Flip, "dat is nog deftiger."
+
+"Zeg menschen," vertelde Piet, "ik heb vanmiddag een halfsleet gulden
+gevonden in een ouwe jas ..."
+
+"Van z'n vader ..."
+
+"Van mezelf ... en nou dien ik motie in om dat kapitaal te verbrassen
+in den eersten den besten Lunchroom."
+
+"De motie is er door," oordeelde Flip. "Ik verwed er een cent onder,
+dat de dames meegaan."
+
+"Hij verwedt een cent," riep Mien ... "gut, wat ben jij roekeloos."
+
+"Hij verwedt nooit meer," zei Piet. "Toch heeft hij eens vijf centen
+verwed, maar toen was hij in een toestand van groote opgewondenheid."
+
+Op den hoek van een straat stond een jongen met couranten.
+
+"Nieuws-belaaaaaad!!!..."
+
+"'n Heel goeie stem," merkte Flip op.
+
+"Gaat nog al," vond Piet.
+
+"Toen ik klein was," vertelde Flip, "kreeg ik zangles van een tante. Ik
+heb een reuze-geluid ...."
+
+Ze namen plaats aan een tafeltje in de American Lunchroom, bestelden
+thee en gebakjes.
+
+"Jouw stem," beweerde Piet luidruchtig, "is niet veel. Ik wed, dat
+ik harder kan schreeuwen dan jij."
+
+"Stil toch," vermaande Marie, "de menschen kijken naar ons."
+
+Maar Flip wond zich op.
+
+"Denk nou niet, Piet, dat je tegen mijn stem op kunt..."
+
+"Ik wed met je om de vertering, dat jouw bassie een mussche-sjilp is,
+vergeleken bij mijn orkaan."
+
+"Om de vertering? Aangenomen ... ik begin ..."
+
+"Flip, je doet het niet, hoor," zei Marie angstig, want ze kende
+Pietje en Flip door en door en wist, dat ze tot alles in staat waren.
+
+Mien Kuijer grinnikte en wachtte vol spanning.
+
+"Jij begint," zei Piet, "het woord is: Wafels."
+
+Flip schoof z'n stoel wat achteruit, zette beide handen aan den mond
+en riep:
+
+"Waaaaaaaafels!!!"
+
+"Ha-ha-ha-ha... is dat alles?" vroeg Piet. "Met zoo'n piepgeluid zong
+de baker mij vroeger in slaap. Man, ik heb je niet eens gehoord. Let
+nou eens op mijn geloei..."
+
+Piet ging staan, sperde zijn mond wijd open en schreeuwde:
+
+"WAAAAAA... fels!!!!"
+
+De kopjes en schoteltjes rinkelden ervan, twee dames vielen flauw en
+de oberkellner kwam met een agent naar het tweetal toe.
+
+"'n Paar gekken uit Meerenberg ontsnapt," zei hij, "reken ze
+asjeblieft in."
+
+"Kom maar mee," zei de agent.
+
+"Maar agent, luister... wij zijn nette lui... Mijn vader is
+fabrikant..."
+
+"Jawel, jawel," zei de politie-man, "mijn vader is Julius Ceasar en
+ik ben Napoleon... Kom maar gauw mee..."
+
+Marie van Zanten en Mien Kuijer bleven achter en waren genoodzaakt,
+de thee en de taartjes te betalen.
+
+Op het Politie-bureau was de uitleg spoedig door Pietje gegeven.
+
+"Wel, meneer de Commissaris, het gebeurde zoo. Wij bevonden ons
+met onze dames in den lunchroom, toen mijn vriend en ik een dispuut
+begonnen over onze stem. Dit jongmensch beweert, dat hij zangles heeft
+gehad, maar dat moet dan bepaald van een doofstomme geweest zijn, want
+hij maakt nog geen muis aan 't schrikken. Wel, en toen probeerde ik
+hem dat te bewijzen, door hem te laten roepen: wafels. 't Was precies,
+of hij fluisterde, meneer de Commissaris, en daarom heb ik hem eens
+laten hooren, welk een enorm geluid ik bezit. Ik heb toen ook geroepen:
+wafels, maar ik zie heelemaal niet in, hoe ik daarvoor gearresteerd
+kan worden... iedereen kan dat doen, als hij er lust in heeft."
+
+De commissaris wendde zich tot den agent.
+
+"Wat is eigenlijk de reden van deze arrestatie?"
+
+"De ober zei, dat het twee verpleegden uit Meerenberg waren."
+
+Er was een algemeen gelach, waaraan de agent zelf meedeed.
+
+"Ge kunt gaan," zei de commissaris, "maar doe dergelijke weddenschappen
+liever niet in lunchrooms, maar op het voetbalveld."
+
+"Komaan," zei Pietje, terwijl ze het Politie-bureau verlieten, "laten
+we gauw de meisjes weer ophalen, die zullen wel met de vertering
+opgescheept zitten. Je hebt dan meteen gelegenheid, je weddenschap
+te betalen."
+
+"Ik?" vroeg Flip.
+
+"Wel, wie anders? Heb ik het soms verloren? Wie heeft het hardste
+geschreeuwd?"
+
+"Nou, mij goed, ik zal wel opdokken. Zeg Piet, ik ken dien
+Politie-commissaris nog van vroeger, hij is al jaren aan dit
+bureau. Als kleine jongen had ik eens een cent ingeslikt en in haar
+zenuwachtigheid liep mijn moeder met mij naar het politie-bureau. Een
+dokter werd geroepen en haalde twee halve centen uit mijn maag te
+voorschijn. Het geld was in dien tijd gewisseld."
+
+"Dat is nog niets vergeleken bij wat mij eens als kind overkomen is,"
+zei Piet. "Ik was zes jaar en had een politie-fluit gevonden en die
+bij ongeluk ingeslikt. Nou had ik juist in dien tijd de kinkhoest en
+telkens als ik een hoestbui kreeg, kwamen alle agenten uit de buurt
+aanloopen, om te zien, wat er aan de hand was."
+
+Al pratende hadden de twee vrienden den lunchroom weer bereikt,
+maar de dames waren vertrokken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE CLUBHOND.
+
+
+Eduard Pijpers was 'n type.
+
+Gekleed naar de laatste mode, damesachtig fijn, was al zijn denken
+en doen gewijd aan mooie kleeren en mooie dingen.
+
+Hij was een van Piets vroegere schoolmakkers, maar behoorde niet tot
+zijn bijzondere vrienden. Eduard werd door alle kennissen genoemd
+"Eetje."
+
+Die naam gaf zijn type prachtig weer.
+
+Eetje was driemaal op de H. B. S. blijven zitten, had vervolgens zijn
+geluk in den fruithandel geprobeerd, maar omdat hij meer vruchten
+opat, dan verkocht, had Papa hem bij zich in de kleermakerszaak
+genomen. Broeken en jassen kun je niet opeten.
+
+Dit aangename jongmensch was de eenige onder Piets kennissen,
+die rookte.
+
+Turksche cigaretten of een heel licht Havana-sigaartje. Deze gewoonte
+had hem een klant gemaakt van Flip, die hem het rookmateriaal verkocht.
+
+Eduard deed altijd zeer voornaam, had een hoogen dunk van zichzelf
+en sprak met een stem als een Haagsch luitenantje.
+
+Op zekeren avond stapte Eduard den sigarenwinkel van Buitenhuis binnen.
+
+"Hallo, Eetje," verwelkomde Flip hem.
+
+"Goeien-évend," was de wedergroet. "Zág Flip, hab je nog vèn die
+kleine Hévéné's vén verleden week?"
+
+"O ja, nog genoeg voor je heele leven. Hoeveel wensch je er, tien,
+twintig, honderd, 'n paar duizend?"
+
+"Merci, merci ... geef me er veef."
+
+Er kwam een ander jongmensch den winkel binnen, vergezeld van een
+reusachtigen hond. Het was een Engelsche bulldog, ruim een meter hoog,
+met 'n kop als een tijger. Breed stond het dier op zijn geweldige
+pooten, hij had een loerenden blik, die weinig vertrouwen inboezemde.
+
+Nu had Eduard verbazend veel liefhebberij in honden en kocht en
+verkocht ze nu en dan. Hij zei altijd, dat hij een kenner was.
+
+De eigenaar kocht wat sigaren en onderwijl bestudeerde Eduard het
+kolossale dier.
+
+"'n Préchtbeest, meneer," zei-die eindelijk.
+
+"Ja," zei de eigenaar, een sigaar bij 't gasvlammetje aanzuigend. "'t
+Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen."
+
+"Efstènd?" informeerde Eetje. "Hoe dèt zoo?"
+
+"Wel ziet u, ikzelf ben erg aan den hond gehecht, maar de oudelui
+houden niet van dieren en nu ben ik wel genoodzaakt, hem te verkoopen."
+
+"Wèt vrègt u voor 'm?" vroeg Eduard.
+
+"O, ik kan dadelijk 50 gulden voor hem krijgen van iemand. Maar die
+kerel behandelt zijn dieren niet goed, en daarom verkoop ik hem liever
+voor wat minder geld aan een hondenvriend. Het is een alleraardigst
+dier en heel vertrouwd met kinderen."
+
+Flip schoot in een lach.
+
+"Hij ziet er anders niet naar uit, meneer. Als u 't mij vraagt, is
+'t een echte bloedhond en ik zou hem nog niet op mijn ergsten vijand
+willen lossturen."
+
+"O, dat is alleen maar zijn voorkomen. Hij is een lieve hond,
+nietwaar, Nero?"
+
+Nero hief zijn bloeddorstigen kop op en gromde, alsof hij zeggen wilde:
+
+"Als je dat nog eens zegt, vreet ik je op."
+
+"Inderdéd... 'n éllerérdigst dier," zei Eetje. "Geef me 'n poot, Nero?"
+
+Nero loerde hongerig naar den uitgestoken hand en bromde dreigend,
+waarbij hij zijn geweldige slagtanden liet zien.
+
+"Oho... kélm... kélm... niet zoo boosérdig," suste Eduard.
+
+"Weet u misschien een kooper voor den hond?" vroeg de eigenaar,
+die bijzonder veel haast scheen te hebben, om van het dier af te
+komen. "Maar hij moet een goed tehuis krijgen, anders geef ik hem
+niet."
+
+"Ikzelf ben een hondenkenner," zei Eduard. "Wat moet ik u voor den
+hond geven?"
+
+"Veertig gulden, omdat u het bent."
+
+"Dèt ken ik niet betélen, wérde heer."
+
+"Wat had u gedacht?"
+
+"Ik zél u 'n tientje geven."
+
+Het jongmensch dacht even na en zei:
+
+"Tien gulden is een koopje voor zoo'n hond, maar als u me belooft,
+goed voor hem te zijn, wil ik hem wel voor dien prijs afstaan."
+
+"In orde," zei Eduard. Hij betaalde den prijs en nam den hond over.
+
+Nero's vroegere meester nam niet eens de moeite, afscheid van hem
+te nemen en ook de hond scheen er zich bitter weinig van aan te
+trekken. De verkooper had de tien gulden en Eduard voelde zich de
+trotsche bezitter van den meest bloeddorstig-uitzienden hond in de
+heele stad.
+
+Flip sloeg zich op de knieën van pret.
+
+"Ha-ha-ha-ha..." schaterde hij. "Een koopje, Ee, een koopje. Wat ga
+je met den leeuw uitvoeren?"
+
+Maar Eduard was te druk bezig, zich de vriendschap van den hond
+te verwerven.
+
+"Is 't geen préchtdier?" zei hij. "Kom hier Nero, zoete hond, heur,
+zoete hond."
+
+Flip had een idee.
+
+"Weet je wat," zei-die, "morgen gaat de club een wandeltocht maken
+naar Delft. Ik inviteer jou en den hond op dat uitstapje, dan hebben
+we nog wat plezier onderweg. Kom om negen uur bij de Heulbrug."
+
+"Efgesproken," zei Eduard, "ik neem de invitétsie gérne én."
+
+
+
+Eduard stak een sigaartje aan, deed dat zorgvuldig in een barnsteenen
+pijpje, zei: "adieu zág" tot Flip en leidde voorzichtig den tijgerhond
+naar buiten. Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars,
+trok hij met zijn hond aller aandacht. Maar de dames deden een paar
+stappen terzijde, als ze het paar zagen naderen, moeders trokken
+angstig hun kinderen naar zich toe en de mannen keken het stel na en
+zeien: da's een kwaaie, hoor.
+
+Maar Eduard vatte dat alles slechts als bewondering op en voelde er
+zich te gelukkiger om.
+
+Een politie-agent, die al een poosje verdacht naar den hond gekeken
+had, sprak Eetje eindelijk aan.
+
+"Een mooi beest, meneer."
+
+"Dat zou ik meenen," was het antwoord.
+
+"Is het ùw hond?"
+
+"Zeker, nètuurlijk. Ik ben 'n kenner, heb verstand vén honden."
+
+"Dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zijn belastingpenning laten
+zien? En dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zeggen, waarom de
+hond geen muilband aanheeft?"
+
+"Beste vriend, ik heb het dier zoo juist gekocht."
+
+"Dat zeggen ze allemaal. Van wie?"
+
+"O, ik weet z'n ném niet."
+
+"Dacht ik wel. Ik zal u moeten bekeuren. 't Spijt me wel. Als u Maandag
+direct den hond aangeeft voor de belasting, komt u er misschien met
+een lichte boete af, maar dan hebt u nog het procesverbaal vanwegens
+den muilband. Hoe is uw naam?"
+
+"Eduard Pijpers."
+
+"Woonplaats?"
+
+"Goudsche Singel 457."
+
+"Hoe oud?"
+
+"Zeventien."
+
+"In orde, u zult er wel meer van hooren."
+
+Eduard vervolgde zijn weg en rekende uit, dat met de kosten van twee
+boeten van 25 gulden plus de belasting en hetgeen hij al voor den
+hond betaald had, het lieve diertje hem op ongeveer 65 gulden kwam
+te staan. Die ontdekking was niet bepaald verheugend en het maakte
+hem nijdig op den hond.
+
+Nero bleef even staan en of Eduard al aan den ketting trok, het baatte
+niets. Onnadenkend in zijn drift gaf hij den hond een schop. Nero
+uitte een vervaarlijk gebrul en deed een nijdigen beet naar Eduards
+beenen. Gelukkig hapte hij mis en Eetje gebruikte nu allerlei zoete
+woordjes, om het monster tot kalmte te brengen. Met een bezwaard
+gemoed bracht hij zoo spoedig mogelijk den hond thuis.
+
+Achter het kantoortje was een kleine binnenplaats met een ledig
+hondehok, en daar legde hij zijn viervoetigen makker aan den ketting
+en liet hem voorloopig aan zijn lot over.
+
+Zondagmorgen.
+
+Acht uur sloeg de klok van den St. Laurenstoren, toen Eduard beneden
+kwam.
+
+Hij opende het raam van het kantoortje, dat op de binnenplaats uitzag
+en keek naar het hok.
+
+"Nero... Nero... pssst... pssst..."
+
+De hond stak zijn grimmigen kop naar buiten en zoodra hij zijn nieuwen
+baas ontdekte, zette hij een keel op van geweld. Wou-wou-wou-rrrrrr...
+
+"Hij heeft honger," dacht Eduard en hij vond het maar het beste,
+een heel brood te halen en hem dat te geven. Uit den bakkerswinkel
+op den hoek haalde hij een lang roggebrood, zoo groot en zwaar,
+dat een paard er een indigestie van gekregen zou hebben.
+
+Hij herinnerde zich nog te goed, hoe Nero hem gisteren trachtte te
+bijten, en daarom waagde hij zich nog niet bij den hond.
+
+Vanuit het raam hield hij hem het brood voor en op het gezicht daarvan
+ging het dier nog veel erger te keer.
+
+Het leek wel, alsof de hond in geen dagen iets te eten had gehad,
+en omdat Eduard ervoor bedankte, hem het brood vriendelijk aan te
+reiken, wierp hij het hem toe. Met een gebrul als een tijger, die een
+stier aanvalt, wierp Nero zich op het brood en had het in een paar
+minuten verslonden. Daarop keek hij naar zijn baas met een gezicht,
+alsof hij zeggen wou:
+
+"Is dat alles?"
+
+"Goeie genade," sprak Eduard in zichzelven, "zou hij nog niet genoeg
+hebben?"
+
+Daarop begon de hond weer te blaffen, dat hooren en zien een mensch
+verging.
+
+"Komaan," dacht zijn jonge baas, "we zullen in vredesnaam nog maar
+zoo'n brood halen. Maar als hij van plan is, op die manier door te
+eten, dan is hij een dure kostganger."
+
+Hij keerde spoedig met een tweede roggebrood terug en presenteerde
+dat den hond op dezelfde manier.
+
+"Daar gulzigaard, en nou krijg je niet meer."
+
+Met dezelfde bloeddorstigheid als den eersten keer wierp de hond
+zich op het nieuwe maal en verslond dat weer even gretig, hoewel nu
+wat langzamer.
+
+Hij scheen verzadigd te raken en liet zoowaar een klein stuk liggen.
+
+Eduard probeerde hem nu voorzichtig te naderen en hield hem het
+overgebleven stuk brood voor, maar Nero draaide den kop om. "Merci,
+eet 't zelf maar."
+
+Het werd tijd, zich naar de plaats van samenkomst te begeven, want
+hij had de uitnoodiging van Flip niet vergeten en verheugde zich nu
+op het wandeltochtje, waarbij hij natuurlijk verschrikkelijk met den
+reuzehond kon geuren en de bewondering opwekken der jongedames.
+
+Na zijn ouders goedendag gezegd te hebben en Nero een muilkorf te
+hebben voorgedaan, begaf hij zich op weg.
+
+Het was heerlijk Zondagsweer--'n zonnetje en 'n blauwe lucht.
+
+De straten waren stil van rust en 'n enkele vroege wandelaar liep kalm
+van 't zonnetje te genieten. Nero liep rustig naast zijn baas voort,
+snuffelde hier en daar eens en gedroeg zich over het algemeen netjes.
+
+
+
+Bij de Heulbrug, de plaats van afspraak, was het grootste gedeelte
+van de Vroolijke Bende al present. Pietje Bell was er het eerste
+geweest met Harry en in een groepje waren de anderen komen aanzetten,
+behalve Alida Specht.
+
+Flip had de bende in geuren en kleuren het geval verteld van Eduard
+Pijpers en zijn bulldog, en de club was het er algemeen over eens,
+dat het gezelschap van dat tweetal een vermaak zou worden.
+
+"Daar komt hij zoowaar aan," zei Jacob Mantel, en hij wees naar de
+Schiekade, waar onze vriend met Nero deftig kwam aanstappen.
+
+"Hemelsche goedheid," riep Marie van Zanten uit, "wat een beest
+... het lijkt wel een leeuw!"
+
+"Voorzichtig nou allemaal, luidjes," maande Flip aan, want die wist
+ervan. "Pas nou een beetje op, anders bijt-ie je in je vlerk."
+
+"Goeie-mogge èllemél," zei Eetje, toen hij de groep genaderd was.
+
+"Morgen, Ee, ... krimmeneelen wat 'n stier heb jij daar bij je. Noem
+je dat een hond? 't Lijkt wel een rhinoceros," zei Pietje.
+
+"Wat een prachtige kop," zei Mien Kuijer, en ze streelde Nero.
+
+"Pas op, pas op," zei Marie.
+
+Nero keek van den een naar den ander met oogen, die zeiden: nou,
+dat is me ook een stelletje om mee uit te gaan.
+
+"Zeg, waar blijft Spinnetje toch?" vroeg Flip, "zou ze niet meekomen?"
+
+"Ik mag 't lijen," zei Mien, "dat wurm heeft altijd wat op mij aan
+te merken."
+
+"Tut-tut," zei Jacob, die de vrede in de Bende bewaarde, "denk er om,
+de eerste bepaling van ons reglement zegt: Vriendschap is ons aller
+doel en streven..."
+
+"Nou," beweerde Mien, "dat mag je dan haar wel eens vertellen, die
+Spin ..."
+
+"Sssssst ... daar komt ze."
+
+"'k Ben laat, hè?" hijgde Alida, buiten adem. "Gunst, ik kan er
+niets aan doen, ik moest op het laatste oogenblik Pa's overhemd nog
+strijken en dat vragen ze je natuurlijk altijd, als je de meeste
+haast hebt. Bonjour Ee, ... gunst, is dat jouw hond?"
+
+"Komaan menschen," zei Piet, "op die manier staan we hier morgenochtend
+nog."
+
+De Vroolijke Bende zette zich in beweging en wandelde het smalle pad
+af, dat langs de molens voert.
+
+De meisjes in haar kleurige toiletjes voorop, daarachter de jongens
+in groepjes van twee of drie, kuierde het gezelschap rustig voort,
+genietend van den zomerschen Zondag.
+
+De hond stapte rustig mee, bromde wel een enkele maal tegen een
+passeerenden boer, maar gedroeg zich heusch als een fatsoenlijk mensch.
+
+"Ik stel voor," opperde Flip, "dat we Nero benoemen tot clubhond van
+de bende."
+
+"Geen kwaad idee," vond Jacob, "maar zijn baas is geen lid van de
+vereeniging."
+
+"Heb je geen zin om lid te worden, Ee?"
+
+"Ik heb zoo weinig tijd."
+
+"O ... je behoeft niet mee te spelen," zei Pietje, "als je maar
+contributie betaalt. 'n Kwartje per week en we maken je opzichter
+over den clubhond."
+
+"Hee kinderen," riep Harry de meisjes toe, "iemand er op tegen om
+Eduard en zijn tijger lid van de Bende te maken?"
+
+De dames hadden geen bezwaar, maar protesteerden tegen het woord
+"kinderen."
+
+"Zeg, ouwe Grootvader," riep Mien terug, terwijl ze Harry een
+vernietigenden blik toewierp, "waag het niet, mij nog eens een kind
+te noemen ... volgende week ben ik al zestien."
+
+Piet viel flauw in het gras.
+
+"Help ... politie ... water ... die jongejuffrouw vertelt d'r
+leeftijd!" schreeuwde hij.
+
+De wandeling was geanimeerd door de vroolijke gesprekken en nu en
+dan verwisselden de groepjes, zoo liepen ze, genoeglijk babbelend,
+als een echt gelukkig clubje van jonge menschen, die genieten van
+hun jonge jaren en den heerlijken zomer.
+
+Pietje, die vol zat met vroolijke geschiedenissen, welke hij voor het
+meerendeel uit zijn duim zoog, hield den gang er in, als de gesprekken
+wat verflauwden.
+
+"Zeg lui," vertelde hij, "ik had vroeger een meester, die Ster
+heette. Het was een aardige oude man. Op zekeren dag bij de rekenles
+vroeg hij aan de klas: "Jongens, als ik een pond vleesch heb en
+ik snijd dat in zestien stukjes, hoe heet dan ieder stukje?" Nou,
+Keessie was knap en zei: "Een zestiende." Best... heel goed... zei
+meester. "Maar als ik ieder stukje dan weer in tweeën snijd?" Dat
+wist Keessie óók nog. "Een twee-en-dertigste."--"En als ik dan wéér
+ieder stukje in tweeën snijd?"--Oogenblik stilte. "Jij Jan?"--"Gehakt
+Meester," antwoordde Jan, de zoon van een slager."
+
+'t Gezelschap lachte, maar de meesten geloofden het toch niet, ze
+wisten wel, dat Piet altijd van die verhalen er op na hield.
+
+"Je kunt het gelooven of niet," zei Pietje met het ernstigste gezicht
+ter wereld, "het is zoo waar als ik hier zit, en een uur..."
+
+"Gunst kind, je zit niet, je loopt," merkte Marie van Zanten op.
+
+"En een uur later," vervolgde Pietje onverstoorbaar, "kwam het zoo te
+pas bij de taalles, dat meester een woord vroeg dat begint met een
+r en eindigt met een r. Wel, dat ging best, hè? Roer was het woord
+natuurlijk. Maar Keessie wist er nog eentje.--"Capucijners!"--
+
+"Wat?... Capucijners?"--
+
+"Ja meester dat zijn ook allemaal erretjes!"
+
+"Maak dat je grootmoeder wijs," merkte Harry de Graaf op.
+
+Jacob Mantel protesteerde, hij was kweekeling en leerde voor
+onderwijzer, en de kinderen op zijn school zouden zooiets niet zeggen.
+
+Maar Piet stond voor zijn verhaal in en ging het nog eens op z'n
+gemak in het gras liggen betoogen.
+
+Maar ondertusschen werd het schoone van den wandeltocht niet vergeten
+en Nero gedroeg zich zoo bewonderenswaardig, dat zijn baas bepaald
+trotsch op hem ging worden.
+
+Zij wandelden langs uitgestrekte landerijen, waarin het talrijke vee
+graasde. Zoo rustig was alles... er waren weinig menschen op pad,
+want het was kerktijd... het riet aan den slootkant wuifde heel,
+heel langzaam... de molens in het polderland staken scherp tegen de
+blauwe lucht af en hielden ook Zondag.... Wat een rust... in de verte
+sloeg een torenklok.... ergens blafte een hond.
+
+Maar die landelijke rust zou plotseling wreed verstoord worden.
+
+Nero, tot nog toe rustig en fatsoenlijk, had al een paar malen met
+bloeddorstige oogen naar een kudde schapen gekeken... het roofdier
+ontwaakte weer in hem... hij gromde dreigend...
+
+"Koessst, Nero," zei Eduard.
+
+"Wel," vroeg Pietje, "wat is er met onzen clubhond aan de hand?"
+
+"Ik denk," zei Ee, "dat hij idee heeft, die schépen een bezoek te
+brengen. Stil Nero, blijf bij de bés. Heur je me... heur je me?..."
+
+De meisjes gichelden en de jongens keken elkander aan.
+
+"O," sneed Eduard op, "jullie behoeft niet te denken, dét ik hem niet
+in bedwéng heb. Ik heb mér zeu met m'n hénd te doen en hij geheurzémt."
+
+Nero keek zijn baas bij deze woorden even aan, alsof hij zeggen wilde:
+Nou, vrind, dat zullen we dan wel eens zien.
+
+De geweldige bulldog wendde den kop weer naar de grazende schapen
+in het weiland en--alsof hij plotseling een besluit nam--gaf een
+onverwachten ruk aan den ketting, die Eduard in de hand hield.
+
+"Hierrr... hierrrr..." schreeuwde Ee, die voelde, dat er iets
+gebeuren ging.
+
+Maar Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was.
+
+Sneller en sneller liep de hond en sneller moest Eduard mee.
+
+De bende gierde van het lachen.
+
+"Leg zout op zijn staart," riep Flip.
+
+"Licht hem een beentje," schreeuwde Pietje.
+
+De hond ging op hol.
+
+Eduard kon hem niet meer houden en bovendien scheurde de ketting
+hem bijna het vleesch van de handen. Nero rukte zich los en met
+reuzesprongen bereikte hij de rustig grazende schapen.
+
+Een paniek ontstond tusschen de arme dieren en ze stoven verschrikt
+uiteen, angstig blatend, vluchtend in de richting van de boerderij.
+
+Eduard stond doodsangsten uit en de anderen niet minder.
+
+Nero rende tusschen de schapen en joeg ze op. Het was een geluk,
+dat de hond gemuilkorfd was en dus niet in staat te bijten.
+
+Plotseling kwamen vanuit een schuur drie boerenknechts aanhollen.
+
+Ze zwaaiden met stokken en liepen op Nero toe. De hond liet de schapen
+in den steek en richtte zich op de knechts.
+
+"Hier Nero," schreeuwde Eduard.
+
+"Hierrr hond," riep de heele Bende.
+
+Maar ze hadden evengoed kunnen roepen: "mooie aardbeien," want de
+hond was veel te druk met zijn aanvallers bezig.
+
+Het was maar goed, dat de knechts met hun drieen waren, want nu kreeg
+de hond er zoo geweldig van langs, dat hij het spelletje gauw opgaf
+en zoowaar op de vlucht sloeg.
+
+Maar nu begon de pret pas.
+
+De knechts kwamen naar ons gezelschap toe.
+
+"Zeg eres," begon de grootste van het drietal, "van wie is die hond?"
+
+"Van mij," zei Ee.
+
+"Waarom stuur jij die hond op mijn schapen af mooie jongen met je
+zije dassie?"
+
+En tegelijk greep hij Eetje bij de borst en rammelde hem stevig
+door elkaar.
+
+"Dèt... dèt heb ik niet gedaan," beefde Eduard verschrikt.
+
+Pietje Bell zag, dat Eduard geen portuur was voor den knecht en zich
+niet zou kunnen verdedigen.
+
+"Nou, jou aangekleede aap," vervolgde de boer tot Ee, "ik ga jou
+met m'n stok een aframmeling geven, die je leeren zal, schapen op
+te jagen."
+
+De stok ging omhoog en...
+
+"Wacht even, vrind," zei Piet vriendelijk tot den boer, en met een
+vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm
+van den knecht in een kronkel.
+
+"Au... au... verdikke... la-los," schreeuwde hij.
+
+Pietje voldeed aan het verzoek en glimlachte.
+
+"'t Spijt me," zei hij, "maar m'n vrind hier is pas ziek geweest en
+daarom zal ik de aframmeling voor hem in ontvangst nemen, tenminste,
+als je daar kans toe ziet."
+
+De club schaarde zich vol belangstelling om het geval, want allemaal
+kenden ze Piets ongeëevenaarde vechtkunst, die door zijn komische
+kalmte en de bedaardheid, waarmede hij zijn tegenstanders aanvatte,
+nog veel onbegrijpelijker werd.
+
+"Je kunt den stok wel weer opnemen," zei Pietje, "want die neem ik
+je toch weer af."
+
+"Dat zullen we zien," riep de knecht, raapte den knuppel op en ging
+er Piet mee te lijf.
+
+Maar hij had den stok evengoed thuis kunnen laten, want met een
+bliksemsnellen draaigreep had Piet hem dien ontnomen en slingerde
+hem ver weg. Daarop nam hij den rechterarm van zijn aanvaller en boog
+dien achterwaarts en omhoog, zoodat de knecht geheel machteloos was.
+
+"Ga je gang nou maar," zei Piet, "en geef me een pak slaag."
+
+De heele bende juichte.
+
+"Goed zoo, Piet. Mooi zoo... houd hem vast."
+
+"Laat los... laat los..." schreeuwde de knecht.
+
+Men zal bemerkt hebben, dat Piet zich alleen verdedigde en niet
+aanviel, want dat liet hij aan den ander over.
+
+De boerejongen zag dan ook in, dat hij tegen Piets vreemde vechtwijze
+niet opgewassen was en gaf het op.
+
+"Komaan," zei Piet, hem loslatend en op den schouder kloppend,
+"laat ik je nou even vertellen, vrind, dat we 't heelemaal niet zoo
+kwaad bedoeld hebben. Dien grooten hond hebben we pas vandaag voor het
+eerst en we wisten niet, dat het zoo'n kwaaie was. We konden hem niet
+houden en hij rukte zich los. 't Spijt ons erg, jullie zoo'n moeite
+veroorzaakt te hebben. Weet je wat, Eetje, geef jij die knechts wat
+voor hun Zondag en dan gaan we weer op stap."
+
+Eduard was blij, dat hij er zoo afkwam en gaf ze ieder een kwartje.
+
+De knechts keken nog wel een beetje raar en de grootste wreef nog
+wel pijnlijk zijn arm, maar daarbij bleef het toch en getroost door
+de kwartjes gingen ze weer terug.
+
+"Die Piet, die Piet," zeien de meisjes, "dat is me toch een
+vechtersbaas."
+
+Maar Piet protesteerde.
+
+"Nee kinderen, dat ben ik niet, ik daag niemand uit en ik val
+niemand aan. Maar wie het met mij probeeren wil, mag gerust zijn gang
+gaan... tien tegen een, dat ik hem in vijf tellen buiten gevecht stel,
+en, wanneer het noodig is, hem een tarentella laat dansen, waarvan
+de dansmeester aan het hof van den keizer van Lutjebroek een koliek
+van nijd en jaloerschheid krijgt."
+
+Eduard ondertusschen had Nero teruggebracht, die heel wat kalmer
+geworden was.
+
+"Weet je wat ik doe, lui?" zei die. "Ik ga weer terug met Nero,
+anders bederf ik jullie plezier voor den heelen dag. Wie weet wat een
+last we nog met den hond krijgen en dén zou Piet weer én 't vechten
+moeten. Tot ziens heur, en veel genoegen véndég."
+
+En zoo zette de Vroolijke Bende den wandeltocht naar Delft voort,
+minus Eetje en den clubhond.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE NIEUWE BETREKKING.
+
+
+Op zekeren avond las Pietje de volgende advertentie in de Morgenpost.
+
+
+ JOURNALIST.
+
+ Aan het bureau van dit blad kan geplaatst worden een jongste
+ bediende, 16 jaar, ten einde als verslaggever te worden
+ opgeleid. Sollicitanten moeten zich aan een klein vergelijkend
+ examen onderwerpen. Brieven met volledige inlichtingen worden
+ ingewacht tot uiterlijk Dinsdag 12 uur v.m. bij de Directie.
+
+
+Piet sprong op, gooide zijn stoel om en liep naar Vader in den winkel.
+
+Hij had zich tot nog toe nog geen duidelijk idee gevormd, vanwat hij
+eigenlijk wenschte te worden.
+
+Op ontelbare annonces had hij geschreven, maar geen der uitkomsten
+was aanlokkelijk geweest, en na informatie was hij er ten slotte niet
+eens op af gegaan. Deze advertentie echter trok hem bijzonder aan. Hij
+had een zekere handigheid in het weergeven van zijn gedachten en de
+door hem geschreven verslagen van de club waren het lachsuccès van
+de vergaderingen.
+
+Deze annonce bracht hem op een idee: hij zou zijn aanleg voor schrijven
+in praktijk brengen als journalist.
+
+"Vader, lees eens."
+
+"Wat is het, jongen, een brand?"
+
+"Veel erger, vader, er wordt een jongste bediende gevraagd aan de
+Morgenpost, om als verslaggever te worden opgeleid... en dat ben ik."
+
+"Ben jij dat? Wie zegt dat?"
+
+"Dat zeg ik."
+
+Bell las de advertentie, keek Pietje met groote oogen aan en vroeg
+verbaasd:
+
+"En durf jij dat aan?"
+
+"Wel vader," zei Piet, "ik ga er direct heen."
+
+"Maar je moet per brief antwoorden, staat hier."
+
+"Jawel vader, dat kennen we. Misschien krijg ik dan niet eens
+antwoord. Neen, ik weet beter."
+
+Vijf minuten later was Pietje op weg, en toen hij de bureaux van
+de Morgenpost bereikt had, vroeg hij aan den portier den directeur
+te spreken.
+
+De man zette een bedenkelijk gezicht en zei: "Ik denk niet, dat
+het gaat."
+
+Maar Piet gaf den man een dubbeltje en nu was het merkwaardig om te
+zien, hoe gemakkelijk het wél ging.
+
+"Kom maar mee," sprak de man, "we zullen probeeren."
+
+Ze beklommen een trap en kwamen op een breede corridor met tal van
+vertrekken. Eén ervan was de Directeurskamer.
+
+"Klop hier maar aan," zei de man, "en zeg het aan den bediende hier."
+
+Pietje deed zooals hem gezegd was en stond eenige oogenblikken later
+tegenover een aangenaam uitziend jongmensch, dat den toegang tot het
+allerheiligste van den Directeur bewaakte.
+
+"Wat wenscht u?" was de vraag.
+
+Piet zette een gewichtig gezicht.
+
+"Wilt u zoo goed zijn, even belet te vragen voor mij bij de directie,
+ik heb een zeer dringende zaak te bespreken."
+
+Dit scheen indruk te maken, maar toch vroeg de bediende even:
+
+"Kan ik de boodschap ook aannemen?"
+
+"Dat zal niet gaan," beweerde Piet op denzelfden gewichtigen toon,
+"het is daarvoor een veel te belangrijke kwestie."
+
+"Een oogenblik dan."
+
+Twee minuten later keerde de jongeman terug.
+
+"Het spijt me," zei hij, "maar de Directeur heeft op het oogenblik
+geen tijd."
+
+"Ik evenmin," zei Piet snel en keek daarbij op zijn horloge, "en als
+ik hem niet gauw te spreken krijg, ga ik naar een andere courant en
+dat zal de Directie later ten zeerste betreuren."
+
+"Wacht u nog even," zei de bediende, zich bedenkend, "ik zal nog
+eens zien."
+
+Piets argument scheen geholpen te hebben, de jonge man keerde terug
+met de mededeeling:
+
+"Gaat u maar binnen."
+
+Zoo deed Piet.
+
+Het was een ruim en hoog vertrek, met zware tapijten belegd. Een
+reusachtige antieke kast bedekte bijna den heelen muur, in de kamer
+was een groot schrijfbureau, waaraan de Directeur gezeten was.
+
+"Wel, jongmensch," begon deze, "wat had u mij voor belangrijks mede
+te deelen?"
+
+"U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden,"
+zei Piet, "en u heeft hem al gevonden ook."
+
+"Is 't waar, wel, waar is hij dan?"
+
+"Ik ben het."
+
+"Is dat alles, wat u mij te zeggen heeft?"
+
+"Pardon, er is nog iets. Denk eens, wat een moeite ik u bespaar,
+door zelf dadelijk hierheen te komen. Denk eens aan de vijfhonderd
+brieven, die op de advertentie zullen komen en aan al het werk, dat
+die u zullen veroorzaken. Per slot van rekening zult u mijn brief
+eruit pikken en het met mij probeeren."
+
+"Gelooft u, jonge vriend, dat ge op deze manier een kans hebt, de
+positie te krijgen?"
+
+"Ik ben er zeker van," zei Pietje, "want een verslaggever moet er als
+de kippen bij zijn, speciaal een verslaggever van de Morgenpost. Ik
+lever u elken dag vijftig nieuws-berichten, en als er geen nieuws
+gebeurt dan maak ik nieuws."
+
+De directeur wist niet, of hij Pietje de deur moest uitgooien of hem
+dadelijk in dienst stellen. Hij streek zijn knevel eens op, keek Piet
+over zijn bril heen aan en dacht na.
+
+Ik wil eens zien--dacht hij bij zichzelf--of het den jongen ernst is.
+
+Een goed reporter laat zich nooit afschepen en houdt tot het laatste
+toe vol. Was het den jongen ernst of stelde hij zich maar wat aan?
+
+De proef zou genomen worden.
+
+De directeur drukte op een knopje en de bediende verscheen.
+
+"Laat dit jongemensch uit."
+
+Piet groette beleefd en verliet het vertrek.
+
+Bij den portier informeerde hij naar de woonplaats van den Directeur
+en op welken tijd deze thuis was.
+
+Dit bleek des avonds na zes uur te zijn.
+
+Dienzelfden avond zeven uur belde Piet bij de woning aan. Het was
+een groot heerenhuis aan den Eendrachtsweg. Piet bedacht, dat de
+heer Peters--de directeur--nog niet eens zijn naam wist en dat gaf
+hem gelegenheid, zijn kaartje aan de dienstbode te overhandigen.
+
+Hij werd in de voorkamer gelaten, waar spoedig de heer Peters
+verscheen.
+
+Maar nauwelijks had deze Piet bemerkt, of hij riep vol verbazing uit:
+
+"Wel... de brutaliteit... Wat verlangt u nu weer?"
+
+"Ik wilde u een zeer belangrijk schrijven overhandigen, mijnheer."
+
+En bij deze woorden reikte Piet hem een groote enveloppe over. Het
+was de vereischte sollicitatie-brief, keurig geschreven en duidelijk
+gesteld.
+
+"Die kunt u morgen op het bureau in de bus doen, ik doe geen zaken
+thuis."
+
+"Maar mijnheer? Morgen gebeurt er iets verschrikkelijks," zei Pietje
+met ontsteld gezicht.
+
+"Iets verschrikkelijks? Wat is dat nu weer?"
+
+"Morgen voor twaalf uur zult u vijf-, zeshonderd brieven van totaal
+ongeschikte sollicitanten hebben te lezen... iedere brief neemt
+minstens twee minuten... dat is twaalfhonderd minuten voor de
+zeshonderd brieven of een arbeid van twintig uren..."
+
+"Bedankt voor de inlichting. U kunt gaan, en als u weer aan de voordeur
+van mijn huis komt, laat ik u door de politie wegjagen."
+
+Piet groette alweer beleefd en verliet het huis.
+
+Hij bemerkte, dat een zijgang langs het huis liep naar den achtertuin.
+
+Vijf minuten later kwam de meid den heer Peters vertellen, dat het
+jongemensch er weer was.
+
+"Wat?... alweer?... wat drommel, ik heb hem zooeven gezegd, dat ik hem
+door de politie zou laten wegjagen, als hij weer aan de voordeur kwam."
+
+"Jawel, meneer," zei de meid, "maar het jongemensch zei, dat u niets
+gezegd had van de achterdeur."
+
+"Hm... al goed... laat hem weer in de voorkamer."
+
+Piet volgde de meid voor de tweede maal en wachtte lijdzaam af,
+wat hem nu weer te beurt zou vallen.
+
+Hij had al ruim tien minuten daar gezeten, toen de deur héél langzaam
+geopend werd en een klein meisje naar binnen kwam. 'n Leuk typetje,
+lange bruine krullen met 'n breed rose lint, groote vraagoogen en
+kersemondje.
+
+Ze was misschien vijf jaar. Eerst nam ze Piet eens op en kwam toen
+naar hem toe.
+
+"Ik ben Mies," zei ze gewichtig.
+
+"Aangenaam kennis te maken," zei Piet, "mijn naam is Pietje Bell."
+
+"Niets geen mooie naam," vond ze.
+
+"Verschil van smaak, ik vind 'm prachtig."
+
+"Kan jij verhalen vertellen?" vroeg Mies, tegen Piets knie aanleunend.
+
+"Dat zal waar wezen," zei Piet. "Der was eens..."
+
+"Nog niet beginne... broer moet het ook hooren..."
+
+En weg huppelde ze de kamer uit, kwam twee minuten later terug met
+een driejarig broertje aan de hand.
+
+"Nou komme we op je knie zitten," zei Miesje.
+
+"Welja, dat is goed... doe maar net of je thuis bent," berustte Piet.
+
+Hij trok de peuters op zijn knie en terwijl de groote, bruine kijkers
+van het tweetal vragend tot hem opzagen, begon hij:
+
+"Nou dan... D'r was eens een verschrikkelijke groote reuze-leeuw,
+die een knecht wou hebben. Die knecht moest natuurlijk ook een dier
+wezen, een beest uit het bosch. De leeuw had heele lange haren en die
+moesten elken avond uitgekamd en gechampooi'd worden en z'n nagels
+moesten gemanicuurd en z'n staart uitgeborsteld worden. Maar dat werk
+deed meestal mevrouw de leeuwin. Begrijp je dat?"
+
+"Nee," zei Mies.
+
+"Best, ik ook niet," zei Piet. "Nu sliep de leeuw elken dag heel vast
+en kon des avonds bijna niet wakker worden.
+
+"Hij had al verschillende soorten wekkerklokken geprobeerd, maar
+hij sliep er vierkant doorheen. Het geblaf van den hond en zelfs het
+gebrul van den tijger konden hem niet uit zijn slaap wekken.
+
+"Nou enne toen zette hij een advertentie in de Morgenpost..."
+
+"Van Pa," zei Mies.
+
+"Juist, de Morgenpost van Pa. En den volgenden morgen kwamen al de
+beesten uit het bosch, want die hadden natuurlijk allemaal de krant
+gelezen. Ieder op zijn beurt, ook de mug."
+
+"Wat kom jij hier doen?" vroeg de leeuw.
+
+"Wel, Sire Majesteit van Leeuwenburg," piepte de mug, "ik kom op
+die advertentie."
+
+De leeuw lachte zoo hard, dat een paar honderdjarige boomen, die op
+honderd meter afstand stonden, van schrik omvielen.
+
+"Ga maar gauw naar huis," zei de leeuw, "we kunnen jou toch niet
+gebruiken."
+
+"Dat zal je gewaar worden," dacht de mug. Des avonds kwamen de dieren
+uit het bosch probeeren, om den leeuw wakker te maken. De hond miauwde,
+de kat blafte, de kip kraaide en de haan kakelde, de ezel brulde en
+de tijger balkte, het schaap loeide en de koe blaatte, maar de leeuw
+sliep precies, alsof er een liedje voor hem gezongen werd.
+
+"Schuif een eindje om," zei de mug, "daar kom ik." De dieren begonnen
+allemaal te lachen, maar de mug stoorde zich daar niet aan. Hij vloog
+naar het hol van den leeuw en zonder aan te kloppen ging hij binnen.
+
+"Wat een lawaai met al die beesten aan de deur," zei de mug tegen de
+leeuwin. "Ik zal zijne Majesteit wel even wekken."
+
+"O ja," viel Mies in de rede, "ik weet het al... en toen prikte de
+mug den leeuw in zijn neus."
+
+"Wie zegt dat?" vroeg Piet.
+
+"Dat zegt Juf."
+
+"Juf weet 'r niks van... dat deden die ouderwetsche muggen... mijn mug
+beet den leeuw in het puntje van zijn staart en toen sloeg de leeuw
+zoo hard met zijn staart tegen den muur, dat al de schilderijtjes
+op den grond vielen. Nou en toen was-ie gelijk wakker, dat begrijp
+je. Hij hoorde het geloei en gebrul van de dieren en was met een paar
+sprongen buiten zijn hol.
+
+"Hij brulde verschrikkelijk en had in minder dan geen tijd
+twee koeien, drie paarden, vijf kikvorschen en tien olifanten
+verscheurd... brrrrr... En de mug? Wel, die kreeg de betrekking van
+Koninklijke Hofstaartprikker van Zijne Majesteit de Koning. Mooi hè,
+en nou is 't uit."
+
+"Vertel nog eens wat," inviteerde Mies.
+
+Maar de deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door
+de juf.
+
+"Wel, wel, kijk me dat daar eens," zei mijnheer. "Zeg snuiters,
+iedereen loopt zich suf te zoeken naar jullie. Gauw naar bed en met
+Juf mee."
+
+Het afscheid viel de kleintjes zwaar.
+
+"Kom je morgenavond weer?" vroeg Mies.
+
+"Dat hangt er van af," zei Piet, "het zou best kunnen, dat ik hier
+morgenavond weer ben."
+
+De kinderen werden weggebracht.
+
+"Luister, jongeman," sprak de heer Peters. "Je lijkt me aardig
+doortastend en niet gauw uit het veld geslagen. Welnu, ik wil het
+eens met je probeeren."
+
+De directeur vroeg hem nog eenige inlichtingen aangaande het onderwijs,
+dat hij genoten had, las den brief door en zei hem, zich den volgenden
+Maandagmorgen om half negen te melden bij den stads-redacteur.
+
+"Dank u wel, mijnheer," zei Piet, "ik zal er zijn en voor u werken,
+dat de vonken eraf vliegen."
+
+"Wel?" vroeg zijn vader, die met moeder in het kantoortje achter den
+winkel zat.
+
+"Dierbare ouwetjes," zei Pietje plechtig, "ik heb de eer u edele te
+berichten, dat uw zoon Pieter benoemd is tot jongste redacteur van
+de Morgenpost. En ik verzoek u, mij vanaf heden met de mij daarbij
+toekomende onderscheiding te behandelen."
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN UITSTAPJE NAAR SCHEVENINGEN.
+
+
+Zoo had Piet dus nog een week den tijd.
+
+Hij hield het echter voorloopig nog geheim, zou ze later wel allemaal
+verrassen met het feit, dat hij "redacteur" was, wat blieft u?
+
+Intusschen deed hij trouw mee aan de oefeningen van de club en als
+Pietje er was, wel dan was het altijd feest.
+
+Flip Buitenhuis, die altijd vol vroolijke plannen zat, had het
+idee geopperd, om met de heele club een uitstapje te maken naar
+Scheveningen, en wel op den eerstvolgenden Zaterdag.
+
+Het plan was met algemeene stemmen aangenomen, en ook Eduard Pijpers,
+die inmiddels, zonder Nero, lid van de club was geworden, zou meegaan.
+
+Flip, die daartoe van allen het meest geschikt was, zou
+ceremonie-meester gedurende den tocht zijn en tevens kassier voor de
+algemeene onkosten.
+
+Natuurlijk bleef ieder vrij om voor eigen rekening meerdere of mindere
+uitgaven te doen.
+
+Om kort te gaan, dien Zaterdagmorgen--het weer was, wat men maar
+wenschen kon--was de gansche Vroolijke Bende aan het station van de
+Electrische present.
+
+Kwart voor negen wees de klok en over een kwartier zou de trein
+vertrekken. Hun vroolijk gepraat en gelach vervulde de hooge hal,
+waar de loketten waren. Ze waren met hun negenen, een nog zomersch
+gekleed clubje van pretmakers, die er eens een ongegeneerd-fijnen
+dag van gingen nemen.
+
+Pietje ging met Flip de kaartjes halen.
+
+"Negen retours Scheveningen--vier vooruit--en vijf achteruitrijden,"
+zei Piet.
+
+"Denkt u soms, dat ik hier voor mal sta?" vroeg de beambte geprikkeld,
+hem de kaartjes toeschuivend.
+
+"Groote hemel, wat kunt u goed gedachtenlezen," zei Flip.
+
+Grinnekend schoof de troep langs de controle, waar de kaartjes geknipt
+werden, en dan de trappen op naar het perron.
+
+Ze gingen in een groep bij elkander zitten, pakjes en mantels en
+taschjes in de netten werpend.
+
+Mien Kuijer hing uit het raam.
+
+"Gut," riep ze uit, zoodat alle overige passagiers naar haar keken,
+"kijk me daar eens een regiment aankomen, die moeten we hier niet
+hebben, hoor."
+
+'t Heele gezelschap leunde nu naar buiten.
+
+"Is deze trein voor Scheveningen?" vroeg een dikke, puffende,
+róódgloeiende burgerjuffrouw, die twee karbiezen, drie hengselmandjes
+en zeven kinderen met zich voortzeulde.
+
+"Jawel," antwoordde Flip, "maar dan moet u in den volgenden wagen
+gaan zitten."
+
+"O juist, dank u wel," was het antwoord en het regiment marcheerde
+naar den anderen wagen.
+
+Er werd gefloten en de trein zette zich in beweging.
+
+Over de viaduct kronkelde de wagensliert zich tusschen de huizenrijen
+door. Door de openstaande ramen der woningen zag men de huisvrouwen
+aan haar ochtendwerkzaamheden.
+
+Of soms lag een minder ijverige dito op de ellebogen uit het raamkozijn
+en dan riep de vroolijke bende haar iets vriendelijks toe:
+
+"Dag juf ... overwerk je niet ..."
+
+"Moeder ... je pap staat aan te branden ... heusch waar ... ik ruik
+het hier."
+
+"Juf ... juf ... d'r staat een vent achter je met een geladen zakmes!"
+
+Er was een onophoudelijk gelach en gepraat.
+
+De meeste passagiers in den wagen, ook voor een dag uit, hadden
+schik in het jonge troepje, behalve een zeer geleerd uitziend man,
+die met een barsche uitdrukking op zijn gezicht een ochtendblad poogde
+te lezen.
+
+De vroolijke gesprekken en de herhaalde jolige uitroepen van de club
+schenen hem geweldig te hinderen.
+
+Piet vertelde weer een grap.
+
+"Kijk," wees hij naar een der ramen, "daar staat zoowaar mijnheer
+Paganini viool te spelen. Meneer Paganini had een knecht, die niet
+bepaald het buskruit uitgevonden had.
+
+"Op zekeren dag zegt meneer Paganini tot den knecht: Jan, loop eens
+gauw naar mijnheer Victrola en vraag om de partituur van Beethoven,
+het kwartet van Mozart en het trio van Liszt.--Jan komt bij meneer
+Victrola en zegt: Meneer Victrola, complement van meneer Paganini en
+of u me wilt geven de paraplu van Beethoven, het karpet van Mozart
+en het riool van Liszt."
+
+Alle medereizenden lachten zoo hard, dat genoemde courant-lezende
+heer in het naaste compartiment opstond, zich over de leuning van
+zijn plaats boog en op minder vriendelijken toon zei:
+
+"Mag men om wat stilte verzoeken? Men kan geen woord verstaan, van
+hetgeen men leest."
+
+Alle passagiers waren verbaasd, de club niet het minst.
+
+Een vader met twee jongens, die pret had om Piet, antwoordde:
+
+"Als deze jongelui zich vermaken willen en zich behoorlijk gedragen,
+kunnen zij dat doen, zonder eerst daarvoor uw toestemming te vragen."
+
+Piet dacht opeens weer aan zijn voorouders en den tachtigjarigen
+oorlog.
+
+"Wel, meneer, laten we er geen ruzie om maken. Als u lezen wilt, leest
+u en als wij pretmaken willen, doen wij het ook. Toen ik zes jaar was,
+ging ik eens met mijn vader en moeder naar den Haag en in den trein
+zat ook iemand, die almaar lezen wou en niet luisterde. Ik herinner
+mij nog goed, dat ik tegen hem zei, dat hij zoo'n gekke snor had,
+net een kerstboom ..."
+
+Het heele gezelschap schaterde en de man smeet woedend zijn krant
+neer en ging brommend naar buiten kijken.
+
+Verschrikkelijk, die jongelui van tegenwoordig!
+
+Toen hij jong was, zat men stil en las een boek of luisterde naar
+een verstandig woord.
+
+Na twintig minuten rolde de trein het Haagsche station binnen en een
+groot aantal reizigers stapte uit.
+
+Er kwam wat meer ruimte, waarvan Jacob Mantel direct gebruik maakte,
+om zijn city-bag uit het net te visschen en er een geduchten stapel
+boterhammen uit te halen.
+
+"Ga jij nou al eten?" vroeg Alida Specht. "Heb je dan vanmorgen
+niet ontbeten?"
+
+"O, dat was niet veel," zei Jacob. "Alleen maar vier boterhammen met
+kaas, twee krentenbroodjes en twee koppen thee."
+
+"Hoe laat was dat?" informeerde Flip.
+
+"Acht uur zoowat."
+
+"Sapperloot, het is nu nog geen half tien. Jij moet een eetlust hebben
+als een herkauwend dier!"
+
+"Ik val al weer om van den honger," beweerde Jacob en beet gretig in
+een dik-gemeubileerde boterham.
+
+Het traject den Haag-Scheveningen was spoedig afgelegd en weldra had
+de Vroolijke Bende de plaats van aankomst bereikt.
+
+Ze beklommen een hoog duin, rechts van het Palace-Hotel en lieten zich
+op en top in 't zand neervallen, plannen makend voor het programma
+van dien dag.
+
+Diepblauw welfde de hemel zich over de zee, wier groene golven met
+witte schuimkoppen rommelend aanrolden, om dan ruischend over 't
+strand uit te vloeien.
+
+Naar links was het strand drukker, daar waren de tallooze tenten en
+badstoelen met overal oranjevlaggen of het rood-wit-blauw wapperend
+in den gouden zonnedag.
+
+"Wel, ceremonie-meester," vroeg Pietje Bell aan Flip, "wat doen
+we vandaag?"
+
+"Ik had gedacht, we konden tot één uur aan 't strand blijven, dan
+maken we een wandeling door de Scheveningsche boschjes naar de Bataaf,
+gaan dáár koffiedrinken, en wandelen langs den Ouden Weg weer terug
+naar 't strand. Daar weer blijven tot zes uur. Vervolgens gaan eten
+en vanavond om acht uur naar de voorstelling in "Scala"."
+
+"Prachtig, fijn, dat doen we," riep Piet en allen waren het er mee
+eens, dat het een uitstekend programma was.
+
+Toen ze daar een kwartier gezeten hadden, holden ze het duin af, maar
+vóór ze zoover waren, moest Marie van Zanten even Mien en Alida te
+hulp komen, wier lange vlechten door Pietje aan elkaar gebonden waren.
+
+Beneden aan 't strand mengde de club zich onder de vele bezoekers en
+ze veroverden een breeden kuil, waarin ze zich rustig neervlijden en
+vanwaar ze héél 't gezellige badplaats-gedoe konden waarnemen.
+
+Gansche families trokken langs hen heen, vaders, moeders, gevolgd
+door bataljons en regimenten van kinderen, allen beladen met pakken
+en tasschen.
+
+"Als zoo'n familie een dag uit is," beweerde Harry, "werken ze nog
+harder, dan wanneer ze thuisblijven."
+
+"En ze hebben 't veel slechter dan thuis," voegde Jacob erbij.
+
+"Kijk," riep Eetje Pijpers opeens uit, "dér komt zoowér mijn Oom uit
+den Hég èn."
+
+Hij sprong op en de club zag, hoe hij een kort, dikbuikig heertje de
+hand schudde, die het verschrikkelijk te kwaad scheen te hebben met
+de warmte en daarom met zijn jasje over den arm liep.
+
+Eetje stelde de leden van de Vroolijke Bende aan Oom voor en Oom aan
+de leden.
+
+"Oom Hérry Pijpers, lui," zei-die.
+
+Allen stonden op, maar 't korte, dikke Oompje zei puffend:
+
+"Blijf zitten ... dames heewen ... te wawm ... te wawm ... pfff
+... komt nog meew hitte ... mowgen ... ovewmowgen ..."
+
+'t Bleek duidelijk, dat Oom Harry en de letter r besliste vijanden
+waren, en de ondeugende Mien Kuijer kneep haar neus dicht, beet zich
+op de lippen en gaf Alida Specht een por in de ribben.
+
+"Au ... valsch dier ..." riep Spinnetje ... "stomp je grootmoeder."
+
+"Foei ... da's niet aawdig ..." zei oom Harry glimlachend. "En uw
+gwootmoedew zou ook bezwaaw maken."
+
+Maar Oom's opmerking maakte de zenuwachtige lachlust van de heele
+club nog veel erger, zoodat het bepaald een benauwd oogenblikje was,
+vooral daar men niet onfatsoenlijk wilde zijn en hardop lachen.
+
+"Mag ik de jongedames en heewen twakteewen op een sowbet en wat
+taawtjes?" was het vriendelijke aanbod.
+
+"Wel, Oom, niemand zél bezwér méken," zei Eetje.
+
+"Pwachtig! Al ben ik een man van vijf-en-vijftig jaaw ... ik mag
+gwaag jongelui zien ... en de lieve meisjes ... zoo chawmant, nietwaaw
+... zoo lief en allewaawdigst. Kom eens hiew, jongen ..." sprak hij
+tot een passeerenden visschersknaap, "haal jij eens in die gwoote
+tent daaw tien sowbets en twintig taawtjes ... vwaag om iets, om
+'t in te dwagen, hè? Hiew is geld."
+
+"Woont u in den Haag?" vroeg Piet, toen de jongen verdween.
+
+"Juist, juist, in 't Haagje."
+
+"Prettige stad wel," vond Marie, die alle moeite deed, om Mien stil
+te houden.
+
+"O heel pwettig, heel pwettig!"
+
+Mien gaf een gilletje en bedekte haar gezicht met haar zakdoek.
+
+"Wat scheelt jou?" vroeg Flip.
+
+"Ze heeft ineens zoo'n kiespijn ..." hielp Marie, "soms krijgt ze
+van die steken, hè?"
+
+"Och, hoe jammew op zoo'n dag. Dan moet u maaw geen taawtjes eten
+stwaks."
+
+Maar dàt was Mien Kuijer toch te bar.
+
+Het feit, dat anderen zouden smullen aan de heerlijke sorbets en
+taartjes ... en zij zou mogen toekijken vanwege de kiespijn, die ze
+NIET had ... stelde haar in staat, haar lachen te kunnen bedwingen.
+
+"O," zei ze snel, "zoo erg is het niet ... het zakt al weer."
+
+"Dacht ik wel," lachte Oom Harry. "Kijk, hiew komt de jongen aan."
+
+'t Werd een genoeglijke smulpartij.
+
+Piet duwde zijn roomhoorn tegen Miens neus en kreeg van haar als
+dankbetuiging een schuimtaartje op zijn oog, waarna beiden de
+overblijfselen smakelijk verslonden.
+
+Na de tractatie verdween Oom Harry, wilde niet de plannen der jongelui
+"vewstowen" en vertrok onder dankbetuigingen en hartelijke groeten.
+
+Er zat een goeie stemming in en ze hadden allemaal schik in den dag,
+die zoo goed begon.
+
+Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen, maar
+toen hij zijn beenen opzwaaide vloog er een bui van zand naar den
+naasten kuil, waar een kantoorbediende-met-vacantie een boek las,
+en ongelukkigerwijze de zandbui gedeeltelijk in z'n mond kreeg.
+
+Hij sprong nijdig op en naar Piet kijkend, riep hij:
+
+"Is u heelemaal gek geworden?"
+
+"Stapelgek, waarde heer," zei Piet, steeds op zijn handen loopend, "Ik
+bekijk de wereld van den onderkant ... ook wel grappig, vind-u niet?"
+
+"U is het toppunt van idiotisme!" bitste de ander terug.
+
+"Wel, ik ben altijd blij, als ik een record kan slaan," juichte Piet
+en de heele club gierde.
+
+"U ... u ... heeft in uw heele lijf nog niet zooveel fatsoen als ik
+in mijn pink," sputterde de kantoorbediende.
+
+"Is 't waar? Dat moet me dan ook een fatsoenlijke pink wezen, die
+u hebt."
+
+"Over pinken gesproken," zei Flip, naar de zee wijzend, "heeft u al
+een zeetochtje gemaakt?"
+
+"Och, jullie bent een troep losgelaten gekken," schold de kantoorman,
+die zijn kruit verschoten had.
+
+Maar Piet, die juist weer op zijn beenen neerkwam, deed een
+paar stappen in de richting van zijn slachtoffer en zei, met z'n
+van-ouds-beroemde welbespraaktheid:
+
+"Zeg eres, als je schelden wilt, kun je bij mij les komen nemen,
+want daar heb ik een middelbaar diploma in, begrijp je dat, jou
+barbaarsch middeleeuwsch-voor-historisch present-exemplaar van een
+oneindig-grenzeloos-crimineel-verstokte achterlijkheid!!!! Mijn
+achter-over-grootmoeder was sergeant-majoor bij de Volendamsche
+landweerstorm, maar man, ze had jou nog niet eens kunnen gebruiken
+voor sabelkwast, want daar ben je veel te stijf voor."
+
+De achtbare leden van de Vroolijke Bende rolden van het lachen tegen
+elkaar aan en zelfs een troepje omstanders proestte het uit.
+
+De kantoorman wilde nog iets zeggen, maar zijn woordenboek bevatte
+niets meer, dat hij hier met eenig succès gebruiken kon, en juist wilde
+hij weer in het zand gaan zitten, toen een talrijke familie zich van
+zijn kuil meester maakte en er zich zonder complimenten in neerzette.
+
+"Hee, hee ... dat is mijn kuil!" riep hij.
+
+"Wel," zei lachend de vader van het talrijke huisgezin, "U kunt een
+advocaat nemen en ons een proces aandoen. Maar omdat niemand hier zit,
+gaan wij hier zitten."
+
+Opnieuw weerklonk het gelach van alle kanten en de kantoorman wist niet
+beter te doen, dan in vredesnaam zijn heil maar verderop te zoeken.
+
+Pietje Bell en zijn gezelschap bleven nog wat vroolijk napraten met
+de nieuwe bewoners van den zandkuil en toen gaf Flip het sein tot
+voortzetting van den tocht.
+
+Jongelui aan het strand zijn altijd dorstig en het eerste het beste
+limonadetentje werd al bestormd.
+
+Jacob verbaasde de Bende door het drinken van vier groote glazen
+ijslimonade, terwijl Pietje aan het vechten raakte met een geweldig
+stuk Turksche noga, dat hij met geen mogelijkheid tusschen zijn tanden
+en kiezen uit kon krijgen.
+
+Toen verlieten ze het strand, sloegen den weg naar de Scheveningsche
+boschjes in en hadden weldra de bekende speeltuin en uitspanning
+"De Bataaf" bereikt. Zij zetten zich onder het lommer van een grooten
+kastanjeboom neer en begonnen hun proviand voor den dag te halen.
+
+Weldra verscheen de kellner.
+
+De man keek met een minachtenden blik naar de pakjes en tasschen
+en zei:
+
+"U kunt dat hier niet opeten!"
+
+"Hoeveel?" vroeg Piet.
+
+"Ik zeg, u kunt dat hier niet opeten."
+
+"Daar verwed ik wat onder," zei Piet en maakte zijn pakje open.
+
+Maar de man wees op een bord, dat tegen een der boomen gespijkerd was:
+
+
+ +----------------------+
+ | VERBODEN |
+ | Consumptie mede te |
+ | Brengen. |
+ +----------------------+
+
+
+"Gut, mag je hier niet eens eten?" vroeg Mien Kuijer, "ik rammel."
+
+"U kunt alles hier bestellen... biefstuk... gebakken
+aardappelen... broodjes met vleesch... kaas... ei... gehakt... wat
+u maar wil. Maar geen eigen consumptie hier."
+
+"Wel, dan zullen we eerst maar een kop koffie nemen," zei Piet.
+
+Weldra bracht de kellner negen koppen koffie.
+
+Flip betaalde, gaf den man een fooi en zei met 'n knipoogje:
+
+"Vergeet nou voor 'n oogenblik dezen kant uit te kijken, hè?"
+
+"Ja meneer, 't kan mij natuurlijk niet schelen... maar de patroon..."
+
+"Wel, de patroon éét toch ook."
+
+"Als u maar weet, dat ik u gewaarschuwd heb."
+
+"Doe ons nou de vreugde aan van te verdwijnen, hè?"
+
+Zoo gebruikte dus de Bende, tegen den regel van 't huis, de
+meegebrachte consumptie tot er geen kruimel meer van overbleef--alleen
+de papiertjes. Pietje stapelde ze zorgvuldig op en schreef op het
+bovenste, vettige velletje:
+
+
+ Als ik het had geweten,
+ Had ik hier niet gegeten;
+ Maar toen 'k vandaag hier kwam,
+ Had ik mijn boterham,
+ M'n vleeschje en m'n eitje,
+ M'n heele eetgereitje
+ Gewikkeld in een pak,
+ Heel netjes in mijn zak.
+ Ik heb toen met geweld
+ Wat koffie hier besteld,
+ Daarop werd mij verteld,
+ Ik stond er van versteld:
+ Dat men hier niet mag eten
+ Wat hier niet is gekocht.
+ 'k Heb toen het bord gelezen,
+ Herlezen zelfs.--Mij docht
+ Gij zegt wel: 't Is verboden
+ Consumptie mee te brengen,
+ Maar niet het op te eten,
+ Dus waarde Batavier,
+ Ik zeg het eerlijk hier:
+ Gij maakte wel deez' wet
+ Maar 't is precies een net
+ Je vangt er wellicht mee de allergrootste dwazen,
+ Maar slimmerds zooals wij, die kruipen door de mazen.
+
+ ROTTERDAMSCHE KORFBALCLUB: DE VROOLIJKE BENDE.
+
+
+Na de clandestiene koffiemaaltijd in "de Bataaf" begaf de club zich
+weer op pad. Ze doorwandelden de heerlijke boschjes, stoeiden tusschen
+de boomen en struiken als kleine kinderen en kwamen, moe en wel,
+op den Ouden Scheveningschen weg, vanwaar ze door de Keizerstraat
+terugliepen naar het strand.
+
+Ze hadden alweer dorst, waarop Pietje voorstelde, den melksalon
+"De Sierkan" binnen te gaan.
+
+Toen ze daar goed en wel gezeten waren, kwam Flip tot de ontdekking,
+dat ze met hun achten waren en "Eetje" ontbrak.
+
+Maar die kwam al gauw opdagen.
+
+Hij was een winkeltje binnengeloopen en had er een grooten zak vol
+serpentines, confetti en "rotjes" gekocht.
+
+"Om d'r een beetje feestelijk kérékter én te geven," zei hij.
+
+De serpentines en confetti werden uitgedeeld en weldra nam het feest
+een aanvang.
+
+Een blonde juffrouw in 't Scheveningsch costuum bracht de glazen
+melk en Flip bestrooide haar met een handvol confetti, wat ze lachend
+aanvaardde. Daarop slingerde Pietje een serpentine door den melksalon
+wat dadelijk door de overige leden gevolgd werd en weldra hingen over
+de gaskronen, koperen melkkannen, stoelen en tafeltjes de veelkleurige
+linten, waardoor de melksalon er uit zag als een bruiloftszaal.
+
+Over het algemeen nam men het nogal van den vroolijken kant op, zelfs
+de kellnerinnen, die waarschijnlijk den boel weer moesten opruimen,
+hadden schik in onze Vroolijke Bende.
+
+Het was nog eens een veranderingetje in het meestal eentonige melkgedoe
+en de vroolijke grappen van Piet en de anderen gingen er in als koek.
+
+Maar natuurlijk zou het wel een wonder geweest zijn, als er niet
+iemand wat van te zeggen had.
+
+Een zwaarlijvige, purperkleurige, blazende heer, die zijn jas over de
+leuning van zijn stoel gehangen had en er nogal onsmakelijk uitzag,
+kreeg bij toeval een serpentine over zich heen, en dat bleek genoeg
+te zijn, om z'n woede op te wekken.
+
+"Verfluchte dinger ..." raasde hij. "Kann man nicht sein glaasjen
+mielk trinken hier?"
+
+"Kom meneer," zei een andere bezoeker, "lach maar mee, lach maar mee!"
+
+Maar de man, die zijn best deed, zich in 't Hollandsch uit te drukken,
+had geen lachlust meer ... had dien al sinds lang verloren.
+
+"Soll man lachen bij solchen onsinn? Onsinn ... komm iek hier mein
+glaasjen mielk zu trinken ... will ruhig sitzen ... verwünschtes
+kabaal und diese verfluchte dinger ..."
+
+Piet had de lont van een rotje aangestoken en toen het ding begon te
+sputteren, wierp hij het ongezien onder de tafel van den mopperaar.
+
+"Pánggg!!!
+
+"Hei! Potzhimmel-donner-schweinerkraut!!!!"
+
+Het heele gezelschap gierde.
+
+"Zegt u dat nog eens," verzocht Pietje beleefd .... "ik verzamel
+graag buitenlandsche postzegels."
+
+Pang!!!
+
+Een tweede rotje ging af.
+
+Rrrrrt ... vlogen de serpentines door den melksalon.
+
+"Sollk iek mein laten handeln wie ein straatjongen ... iek bin ein
+Edelman ... iek bin Graf von Weinberg ..."
+
+"Daar ziet u anders heelemaal niet naar uit," schoot Spinnetje
+opeens af.
+
+"Zoo te zitten bij dames staat lang niet adellijk," vond Jacob.
+
+"Iest mein saak ... iest ganz und gar mein saak ... komm iek hier
+mein glaasjen mielk trinken ... will iek ruhig sitzen ... in mein
+oberhemd ... macht nichts ... in mein hemd ... iest mein saak ..."
+
+"Ho-ho, da's niet adellijk, da's niet fijn!"
+
+"Das soll mein 'nen Sorg sein!"
+
+"Foei, wat is u onverschillig," zei Piet. "Maar we doen geen
+mensch kwaad, nietwaar lui? Allemaal een serpentine klaar? Aáááánnn
+... Vùùrrrr!!!"
+
+Rrrrrt ... daar suisden negen serpentines door de hal, die nu een
+waar lintenpakhuis leek.
+
+En stroomen confetti dwarrelden over de hoofden der bezoekers,
+die meest allen voor 'n dag uit waren en grooten schik hadden in de
+gebeurtenis. Flip betaalde de vertering en arm in arm ging de Bende
+weer verderop.
+
+Op den hoek van een zijstraat zag Piet 'n ledige kist staan, die daar
+waarschijnlijk door den kruidenier was neergezet.
+
+Met één sprong stond hij er bovenop.
+
+"Wat krijgen we nou?" informeerde Jacob.
+
+"Ga je straatredenaar spelen?" vroeg Harry.
+
+"'k Wed met je om een plak chocola, dat je 't niet durft," daagde
+Mien uit.
+
+"Top! Weddenschap aangenomen!" riep Pietje. "Waarover moet ik spreken?"
+
+"Over sigaretten," suggereerde Flip.
+
+"Best!"
+
+De club schaarde zich om het spreekgestoelte heen en terwijl
+langzamerhand zich meer omstanders bij de jongelui voegden, schudde
+Pietje den volgenden onzin uit den mouw:
+
+"Dames en kinderen, mannen en heeren, me-, juf-, en jonkvrouwen van
+scheel Heveningen! Boeren, burgers, buiten- en binnenlui, ik heb
+de eer u mezelven voor te stellen als Professor Nicotinus van het
+gedemobiliseerde Laboratorium in de Amsterdamsche Cigaretten-fabriek
+"De Hoestbui". En bij mijn laatste scheikundige, trans-atlantische,
+laboratorische nicotine-proefnemingen heb ik een belangrijke ontdekking
+gedaan, een ontdekking, mijne heeren, die een geheele omwenteling
+teweeg zal brengen, wat zeg ik, een revolutie, meneer, een revolutie
+onder de cigarettenrookers van de heele wereld.
+
+"Je hebt allen wel eens gehoord van Karel de Kale?
+
+"Welnu, Karel de Kale was een kleinzoon van Napoleon, je weet wel, die
+Willem de Zwijger geholpen heeft in den veldslag tegen de Filistijnen
+onder de brandend heete zonnestralen van Nova-Zembla.
+
+"Karel de Kale was zóó kaal, dat een biljartbal bij hem vergeleken
+nog dik-behaard was.
+
+"En waarom was hij zoo kaal?
+
+"Wel, doodeenvoudig omdat hij al zijn haren verrookt had!
+
+"Verrookt, meneer!
+
+"Bij bosjes had-ie ze uitgerukt en er cigaretten van gerold met
+schuurpapier. Na drie maanden was hij zoo kaal als de scheurkalender
+op 31 December!"
+
+
+
+Hier keek Pietje even om zich heen en zag tot zijn genoegen, dat de
+menigte steeds toenam.
+
+De Vroolijke Bende proestte het af en toe uit en de omstanders
+niet minder.
+
+"En toen Karel de Kale geen haar meer had en niet regeeren kon,
+omdat hij niets te rooken had, stuurde hij een draadloos telegram
+naar mij, Professor Nicotinus van de Amsterdamsche cigaretten-fabriek
+"De Hoestbui".
+
+"En omdat ik nog een afstommeling ben van Karel de Kale, aangetrouwd
+in de familie--zijn moeder en mijn moeder waren moeders--heb ik hem
+het recept gegeven van mijn nieuw-ontdekte cigaret, waaraan ik den
+naam gegeven heb: Grafwaarts.
+
+"Hier zijn ze--en Piet nam een handvol cigaretten van Eetje aan--de
+beroemde Manilla Asthma Stinka Gloria ... Ik heb er tweeduizend van
+verkocht aan een jongeman in Groningen, en waar denk je, dat hij
+nu is?"
+
+"Op het kerkhof!" riep een slagersjongen.
+
+"Mis ... nou is hij hoofdvertegenwoordiger voor deze beroemde cigaret
+in de Sahara. En ze kosten geen gulden ... geen negentig ... geen
+tachtig ... zeventig, zestig cent ... maar òp is òp en wèg is wèg
+... wie ze pakt, die heeft ze voor 5 dubbeltjes ... 50 cent ... een
+halven gulden ..."
+
+"Pas op, daar komt een agent," waarschuwde Harry.
+
+Piet sprong snel van de kist en verdween tusschen de omstanders.
+
+Mien was haar plak chocola kwijt en Pietje nam het aan, om het dadelijk
+daarop de meisjes weer aan te bieden.
+
+"Wat doen we nou?" vroeg Jacob.
+
+"Laten we ansichten naar huis sturen," stelde Marie voor.
+
+"Ja, hier is een boekwinkel, kom mee."
+
+Er was een lange, smalle schrijftafel aan het einde van den boekwinkel,
+bestemd voor het verzenden van prent-briefkaarten.
+
+De Bende marcheerde naar binnen en zette zich met veel drukte aan de
+tafel, vechtend om de pennen.
+
+Ieder kocht vijf kaarten en onder het schrijven legde Piet stilletjes
+een rotje onder de tafel. Na een oogenblik ging het af:
+
+Pánng!!!
+
+De boekhandelaar dronk juist een glaasje water, maar liet het van
+schrik uit de handen vallen.
+
+Kletterend sloeg het op den vloer in stukken.
+
+"Alle duivels!" riep hij. "Wa's dat?"
+
+Maar Piet schreef rustig voort, niet luisterend naar de algemeene
+uitroepen van schrik en ontsteltenis.
+
+"Hè gut, kijk nou hier," riep Mien, "een groote vlek!"
+
+Pietje vroeg den boekhandelaar, of deze ook briefkaarten verkocht met
+de foto aan den anderen kant, maar de man antwoordde, dat hij alleen
+maar kaarten had met de fotografie aan deze zijde.
+
+Het schrijven der kaarten nam zoowat tien minuten en allen waren ermee
+gereed, behalve Jacob, die elke briefkaart van boven tot onder vulde
+met een kriebelig klein schrift.
+
+"Zeg, wat maak jij ze allemaal voor leugens wijs?"
+
+"De menschen, die jouw kaarten krijgen, mogen wel ermee naar het
+microscopisch laboratorium gaan, Jacob."
+
+Maar al hun spotten en plagen hielp niets en daarom gingen ze maar
+wat in den winkel rondkijken.
+
+Ze hielden allemaal van boeken en platen.
+
+Marie bladerde in een stapel muziek.
+
+"Weet je, wát een mooi piano-stuk is," zei Pietje, "De Max Havelaar
+van Multatuli."
+
+"Ga weg, idioot, dat is een boek."
+
+"Mijn nicht kan prachtig piano spelen," vertelde Flip. "Eerst speelt ze
+een stuk heelemaal door en dan keert ze haar muziekboek onderst-boven
+en man! dan hoor je weer 'n heel ander stuk. Ze speelt zóó mooi, dat
+ze al vijfmaal in één jaar hebben moeten verhuizen vanwege de buren."
+
+"Klaar!" riep Jacob en gaarde zijn briefkaarten bijeen.
+
+Daarop bedankte de Vroolijke Bende den boekhandelaar voor de verleende
+gastvrijheid, en duwde elkaar onder veel lawaai naar buiten.
+
+Na een kwartiertje waren ze weer op het strand en liepen tot voorbij
+de Naald, waaraan, zooals Piet opmerkte, het oog vergeten was.
+
+Daar genoten ze nog ruim een uur, starend naar de wijde, wijde zee,
+met hier en daar héél ver een schip.
+
+Maar de tijd vervloog en ze gingen per tram naar den Haag, waar ze
+zouden dineeren. Ze verlangden echter allemaal naar de voorstelling in
+"Scala", en Flip deelde tot aller genoegen mede, dat de kas van de club
+toeliet, om voor dien avond een heele loge in het theater te nemen.
+
+Flip en Harry gingen om zeven uur naar het gebouw en waren zoo
+gelukkig, de eerste loge bij het tooneel te krijgen en precies acht
+uur nam de Vroolijke Bende zijn stelling voor dien avond in.
+
+De zaal was stampvol en weldra weerklonken de lustige tonen van den
+Welkomstmarsch.
+
+Daarop rees het scherm en traden de Gezusters Wight op, twee Engelsche
+danseresjes, die tevens lustige liedekens zongen.
+
+Toen trad op Professor Magnolia... Imitateur en Illusionist.
+
+De Professor kon allerlei dierengeluiden nabootsen, heel mooi, maar
+dat kon Flip ook heel meesterlijk.
+
+En toen de Professor het woedend, grommend geblaf van een grooten
+bloedhond nabootste, klonk daar opeens tusschen door het schril,
+nijdig gekef van een juffershondje, en de zaal barstte uit in een
+daverend gelach.
+
+Flip had nog meer succès dan de Professor, die vreesde, dat de jongeman
+misschien een nòg handiger imitateur was dan hij en daarom tot zijn
+goocheltoeren overging.
+
+Daarna verscheen een zangeres, die zich met behulp van schmink en
+poeder een jeugdig voorkomen geschilderd had, maar die in werkelijkheid
+wel vier kruisjes achter den rug moest hebben. Ze zong een aandoenlijk
+lied: Keer weer, mijn kind! En toen ze aan den regel kwam: Mijn zoon,
+kom aan mijn hart! moest de heele Bende Pietje tegenhouden, want die
+had zijn been al over de balustrade om die moederlijke aanbeveling
+op te volgen.
+
+Het eene nummer volgde het andere en het slot was als gewoonlijk een
+Bioscoopvertooning. Moe, maar hoogst tevreden over den heerlijken,
+ongegeneerd-fijnen dag keerde de club huiswaarts en nog lang daarna
+was dit uitstapje het onderwerp hunner gesprekken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+HET VEELBEWOGEN LEVEN VAN EEN JONG VERSLAGGEVER.
+
+
+Het anders zoo kalme huishoudentje van schoenmaker Bell stond er van
+overeind, dat Pietje "aan de krant" ging. Vooral Moeder was er van
+overstuur, omdat ze 't toch wel een héél ding vond, dat haar Piet nu
+ging behooren tot dien geheimzinnigen kring van courantenmenschen,
+die in haar verbeelding toch allemaal wel heel knappe heeren waren,
+om alles, wat ze vertellen, zoo maar met drukletters in de courant
+te kunnen zetten.
+
+Vader vond het ook wel gewichtig, maar bekeek de zaak toch niet zoo
+angstig als Moeder.
+
+"Doe nou goed je best, Piet," zei Moeder, "wees beleefd en haal in
+vredesnaam geen onzin uit."
+
+"Wees gerust, Moedertje," antwoordde Piet, zijn lunch-boterham in
+'n zwart zeiltje pakkend, "u zult eens zien, hoe goed het gaat."
+
+"O zoo," bevestigde Vader glimlachend, "en dan zullen we dien drogen
+drogist van 'n Geelman eens laten zien, dat onze Piet het nog wel
+verder kan brengen dan zijn zoon Jozef."--Piet vertrok.
+
+Het was heerlijk na-zomerweer, de boomen al wat geel en bruin, maar
+nog vol genoeg om wat schaduw te geven.
+
+Kwart over acht wees de klok en 't nam Piet maar tien minuten om de
+bureaux van de Morgenpost te bereiken.
+
+Hij voelde een zekere gewichtigheid over zich en besefte, dat zijn
+nieuwe betrekking een veel grooter verantwoordelijkheid met zich
+meebracht, dan wanneer hij bijvoorbeeld naar een gewoon handelskantoor
+was gegaan.
+
+Ha-ha, hij was nu een persoon van beteekenis, ... en ... en ... al
+de menschen, die hij hier nou op straat tegenkwam ... hij kon ze
+allemaal in de courant zetten, als hij dat verkoos, o zoo ... met 'r
+naam en d'r adres ... en hij zou feuilletons schrijven en al de lui,
+die hier liepen, zouen ze lezen ... en later zouen ze zeggen:
+
+Daar heb je 'm nou...
+
+Die gedachten waren Piet aangenaam, hij neuriede van pure pret en
+ambitie op de maat van zijn passen ... tom-tiderom-ta-ta ...
+
+"Gut, wat heb jij 'n schik!" klonk een bekende meisjesstem achter hem.
+
+'t Was Mien Kuijer, gewapend met een boekentasch.
+
+"Hallo kleintje," zei Piet genadig.
+
+"Hallo Goliath," pareerde Mien, "vanwaar die vreugd?"
+
+"Nieuwe betrekking, zeer schitterende positie, hoogst verantwoordelijk
+ambt ... Raad eens ..."
+
+"Loopjongen in een krentenpakhuis!"
+
+"Loop naar de pomp."
+
+"Nou, dan geef ik het op."
+
+"'k Heb den tijd ... raad nog maar eens ... en als je 't niet raden
+kunt, moet je 't maar te weten zien te komen."
+
+"Zeg 't nou, Piet."
+
+"'t Is een geheim voor wie 't niet weet," plaagde Piet, die er plezier
+in had, Miens nieuwsgierigheid gaande te maken.
+
+"Gut, ik wil het niet eens meer weten... wat 'n verbeelding... waarom
+draai je er zoo omheen?"
+
+"Wel, ik heb nou eens zin om er omheen te draaien, zooals de machinist
+zei, die door het vliegwiel van zijn machine gegrepen was."
+
+"O wel, 't is goed, ik zal het heusch toch wel te weten komen."
+
+"Mooi zoo. Waar ga jij heen, Mien?"
+
+"O, veel te gewichtig om te vertellen. Raad eens..."
+
+"Wel er is maar een plaats, waar jij thuishoort."
+
+"Waar is dat dan?"
+
+"In den hemel bij al de andere engeltjes. Dag Mien, 'k ga hier
+linksaf. Saluut."
+
+Opgewekt, 't hoofd in den nek, stapte Pietje verder.
+
+Tom-tidera-tom-tom... journalist, wat?... tom-tom-tarara... zouen de
+menschen nu aan hem kunnen zien, dat hij... och nee... natuurlijk niet,
+he... tom-tom-tidera... een leuke snuit, die Mien Kuijer... razend
+zouen ze zijn van nieuwsgierigheid... ha-ha... nou en daar had je
+'t bureau van de Morgenpost, tom-tidera-pompom.
+
+Piet stapte het hooge bordes op en liep door de vestibule met een
+houding, alsof hij al jarenlang aan het blad verbonden was.
+
+"Wèl?" vroeg de portier, die in Piet niets anders dan een bezoeker zag.
+
+"Zeer wel, dank u," antwoordde Piet en wilde verder gaan.
+
+"Halt... waar gaat u heen?"
+
+"Naar boven, zooals je ziet."
+
+"Maar er is hier geen vrije toegang."
+
+"Moet het personeel dan entree betalen, om het kantoor binnen te
+gaan? Dat is wat nieuws."
+
+"Natuurlijk niet, maar u behoort ook niet tot het personeel."
+
+"Daar verwed ik op staanden voet tien gulden onder, en als je wilt,
+wel honderd en nog meer."
+
+"Maar verleden week nog kwam je hier, om den directeur te spreken,"
+zei de portier verbaasd.
+
+"Precies, juist, mooi, krek zoo," lachte Piet. "Maar de directeur
+heeft mij bij Koninklijk besluit aangesteld tot HOOFDREDACTEUR... wat
+blief je?..."
+
+"Nou... je begint al jong... ik ben hier al twintig jaar portier... en
+elke reporter beweert hier de Hoofdredacteur te zijn... maar jij
+slaat het record. Afijn, 't zal mij 'n zorg zijn... waar moet u wezen?"
+
+"Bij den stadsredacteur."
+
+"Dacht ik wel... schaar en lijmpot... kamer 15... tweede trap op."
+
+De stadsredacteur, de heer van Dalen, was een zeer vriendelijk man,
+die zelf hard werkte en dat ook van zijn helpers eischte. Hij hield
+niet van veel praten en wie in zijn afdeeling kwam werken, werd
+verondersteld dat werk te kénnen.
+
+"Ziehier jonge vriend," sprak hij, "er is hier werk van den vroegen
+morgen tot in den nacht toe en zelfs de kleintjes moeten dikwijls groot
+werk doen. De verslaggever van de Rechtbank is ziek en ik denk jou om
+te beginnen naar de Rechtszaal te sturen voor de strafzitting. Maak
+dat je er om tien uur bent. Kan je stenografeeren?"
+
+"Zeker, meneer."
+
+"Mooi, het kan te pas komen, maar is niet altijd noodig. Onderweg in
+de tram lees je maar in het blad van gisteren, hoe je voorganger het
+deed. Om twaalf uur stuur ik Jantje om copie... om drie uur Kees
+voor de rest. Meld je hier vanmiddag na de zitting voor verdere
+orders. Schrijfmateriaal vindt je in je lessenaar."
+
+De orders waren duidelijk, kort en krachtig.
+
+"Begrepen, meneer," zei Piet, die van aanpakken hield. Het is nu half
+negen, ik kan in een half uurtje aan het Gerechtsgebouw zijn... wat
+doe ik in dat uur?
+
+"'k Zal een persdiploma voor je invullen," sprak de heer van Dalen,
+"hoe was je naam ook weer?"
+
+"Pieter Bell... meestal genoemd Pietje Bell, meneer."
+
+"Pietje Bell?... Pietje Bell?... drommels... waar heb ik dien naam meer
+gehoord... Komt me zoo bekend voor... net of ik jaren geleden... Wacht
+eens... ik geloof, dat ik er ben! Voor jaren terug zond iemand mij
+geregeld berichten over een zekeren Pietje Bell... een kwajongen,
+die telkens de heele buurt overeind zette. Was jij dat soms?
+
+"Was het Pietje Bell uit de Breestraat, meneer?"
+
+"Ja juist, Pietje Bell uit de Breestraat!"
+
+"Dan was ik het. Maar als ik u vragen mag, wie stuurde u die berichten
+over mij?"
+
+"Laat eens zien, als ik mij goed herinner, was het een zeker
+jongmensch, genaamd Geelman."
+
+"Jozef Geelman, de zoon van den Drogist... dus de wind waaide uit
+dien hoek! Dat heb ik nooit geweten..."
+
+"Wel, we hebben al genoeg gepraat nu," hernam de stadsredacteur,
+"en we zitten tot over de ooren in het werk. Je kunt hier mijnentwege
+de boel opvroolijken, zooveel je maar wilt. Maar denk er in de eerste
+plaats aan, dat er hier gewerkt moet worden. Maak nu tot nader order
+maar even kennis met je lessenaar."
+
+Maar Piet zou, voor dien dag althans, de rechtbank niet te zien
+krijgen.
+
+Op het oogenblik wist hij daar nog niets van en zette zich aan zijn
+schrijftafel met de gewichtigheid van een President.
+
+Pietje voelde nu ten volle de ernstige beteekenis van zijn ambt,
+en het feit, dat hij straks zou plaatsnemen aan de perstafel in de
+rechtszaal, maakte diepen indruk op hem.
+
+Nu zou hij dus in aanraking komen met het geheimzinnige leven der
+misdadigers, hij zou hun leven leeren kennen en de menschen mogen
+vertellen van hun avontuurlijke, nachtelijke rooftochten.
+
+O, het zouden verhalen worden van gemaskerde inbrekers, gewapend
+met revolvers, gevechten met de politie...pistoolschoten
+in nachtdonker... vlucht over daken... en door donkere
+achtertuinen. Dan... de arrestatie... de rechtszaal... en hij... Pietje
+Bell... die vroeger als kleine jongen elken politie-agent op straat
+een hand ging geven, zou daar zitten als man van de pers... ahem!
+
+Piets overpeinzingen werden gestoord door de komst van den directeur.
+
+De heer Peters was altijd vroeg present, controleerde iedere afdeeling
+in het gebouw van de Morgenpost, inspecteerde ieder departement
+en had voor àl zijn werkers, vanaf den krantenbezorger tot aan den
+hoofdredacteur, een vriendelijken groet en een aanmoedigend woordje.
+
+Toen hij Pietje bemerkte, knipoogde hij tegen den heer van Dalen.
+
+Pietje stond op en boog.
+
+"Jonge vriend," sprak de directeur, "ik heb om te beginnen een mooi
+stukje werk voor je. Aan de Hoogstraat nummer 186 wordt een nieuw
+Rijwielmagazijn geopend. De winkelier heeft een flink contract gesloten
+voor advertenties en heeft recht op een stukje onder Stadsnieuws. Geef
+een goede beschrijving van den winkel en recommandeer de zaak."
+
+"En de rechtszaal?" vroeg Pietje.
+
+"Gaat hij naar de rechtszaal?" vroeg de heer Peters.
+
+"Ik had hem daarvoor aangewezen," sprak de stadsredacteur, "omdat
+Konijn vandaag ziek is."
+
+"Laat Willemse dan vandaag naar het gerechtsgebouw gaan. Ik zal onzen
+jeugdigen vriend voorloopig werk geven, om hem wat te wennen aan zijn
+nieuwen arbeid. Dit dus maar eerst, Bell. Hier is het adres. Heeft
+hij al een perskaart?"
+
+"Ik heb er juist een voor hem ingevuld," was het antwoord. "Als u
+even wilt teekenen?"
+
+Dit was spoedig gebeurd en kort daarop verliet Pietje het bureau en
+was op weg naar het nieuwe magazijn, dat voor hem de stof zou leveren
+voor zijn eerste courantenbericht.
+
+Het adres was spoedig bereikt en niet zonder trots vertoonde Piet
+zijn gloed-nieuwe perskaart aan den beleefden winkelier.
+
+"O, is u van de Morgenpost? Gaat u zitten. Hoe vindt u de nieuwe
+zaak? Ja, er zijn kosten noch moeiten aan gespaard. En de beste
+rijwielen, die er in de wereld te krijgen zijn. Alles Hollandsch
+fabrikaat, want meneer, 'n Hollandsch karretje, dat is je karretje,
+dat is HET karretje..."
+
+Piet was er van overtuigd, je hoefde die pracht-uitstalling van
+schitterende dames- en heerenrijwielen maar aan te zien om je hart
+te voelen opengaan.
+
+Piet maakte wat aanteekeningen, noodige en heel wat onnoodige ook,
+omtrent het nieuw geopende magazijn en begaf zich weer naar het bureau,
+teneinde zijn verslag op te maken.
+
+Hij zette zich aan zijn lessenaar en begon vlug te werken.
+
+Maar omdat hij nog geen ervaring had in het beknopt weergeven van
+zijn gedachten, maakte hij het stuk veel te groot en te omslachtig.
+
+Het leek dan ook meer op een verhaaltje dan op een stadsbericht.
+
+En op een hutspotje.
+
+Piets eerste courantenbericht luidde aldus:
+
+
+ Nieuw Rijwielmagazijn aan de Hoogstraat.
+
+ O hoe schoon is het, wanneer men des zomers zeer vroeg opstaat
+ en zijn fonkelnieuw Burgers-rijwiel uit het Magazijn van den Heer
+ Wielerman aan de Hoogstraat no. 186 ter hand neemt. Hoe heerlijk,
+ als men rustig voortpeddelt door Holland's schoone dreven.
+
+ Men hoort het lieflijk zingen der vogelijns en geniet van het
+ frissche groen der groene buitenwegen.
+
+ Helaas.... zoo menigmaal wordt zulk een schoon natuurtafereel
+ niet naar waarde genoten, omdat men vaak rijdt op een hard zadel,
+ een zeer zwaar trappende fiets, slechte banden... etcetera.... enz.
+
+ Maar wanneer men een rijwiel berijdt uit het naar de hoogste
+ eischen des tijds ingerichte magazijn van den heer Wielerman,
+ kan men de schoonste panorama's op het land genieten, zonder
+ onaangenaam gestoord te worden door knarsende wielen of moeilijk
+ gaande pedalen.
+
+ De nieuwe winkel is van electrisch licht voorzien en geheel in
+ wit en goud geschilderd.
+
+ Ook zijn er motorrijwielen voorhanden.
+
+ Langs den eenen muur is een wandschildering aangebracht,
+ voorstellende een gezelschap dames en heeren op rijwielen.
+
+ Zij bevinden zich op een schoonen landweg, omgeven door het rijke
+ zomernatuurschoon.
+
+ Welvarende boerderijen passeeren zij op hunnen tocht en men ziet
+ aan de vroolijke gezichten, hoe zij genieten van den heerlijken
+ plezierrit op de fonkelnieuwe fietsen uit het magazijn van den
+ heer Wielerman, waar ook alle onderdeelen tegen vaste prijzen
+ verkrijgbaar zijn.
+
+ Licht, lucht en ruimte schijnt het doel van den heer Wielerman
+ geweest te zijn bij het verbouwen en de winkel maakt dan ook een
+ aangenamen, royalen indruk.
+
+ En des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn en
+ de blinkende rijwielen schitteren in dien gouden gloed, is het
+ dan een wonder, dat tienduizenden voorbijgangers zich verdringen
+ voor de prachtige uitstallingen??
+
+ Ik wensch den heer Wielerman van harte succès toe met zijn nieuwe
+ zaak en ik hoop, dat hij aan onze stadgenooten vele rijwielen mag
+ verkoopen, opdat steeds meerderen de gelegenheid zullen hebben,
+ voortsnellende op het stalen ros de schoonheid van de Hollandsche
+ natuur te leeren kennen en dan beter beseffen de heerlijke woorden
+ van den dichter Poot:
+
+ Hoe genoeglijk rolt het leven
+ Des gerusten landmans heen,
+ Die zijn zalig lot--hoe kleen--
+ Voor geen koningskroon zou geven.
+
+ P. BELL.
+
+
+Piet leverde zijn verslag bij den stadsredacteur in, die het vlug
+doorlas en herhaaldelijk lachte.
+
+"Sapperloot, Piet, da's een heel stuk letterkunde..."
+
+"Niet goed, meneer?"
+
+"Niet goed? Kerel, 't is prachtig!"
+
+En de heer van Dalen lachte nog harder.
+
+"Ha-ha-ha... hoe wil je 't hebben Piet, als hoofdartikel of als
+feuilleton?"
+
+"O wel... wat weet ik niet... dat is mij hetzelfde," zei Piet, die
+nog maar niet begreep, dat hij voor 't lapje gehouden werd.
+
+Hij verkeerde in de heilige overtuiging, dat zijn ingeleverd verslag
+correct was en het dien avond als een der voornaamste artikelen in de
+courant zou prijken. Maar hoe groot was zijn verbazing en niet minder
+zijn teleurstelling, toen hij dien namiddag bij het verschijnen van
+de courant zijn prachtig stuk in dezen vorm terugvond:
+
+
+ NIEUW RIJWIELMAGAZIJN.
+
+ Aan de Hoogstraat no. 186 heeft de heer Wielerman een geheel
+ naar de eischen des tijds ingericht Rijwielmagazijn geopend,
+ dat een sieraad voor den winkelstand mag heeten. Licht, lucht
+ en ruimte schijnen het doel bij de verbouwing geweest te zijn
+ en des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn,
+ is het geen wonder, dat drommen voorbijgangers zich verdringen
+ voor de prachtige uitstallingen. Het is aan alles te zien, dat
+ de heer Wielerman getracht heeft het beste brengen en daarvoor
+ zij hem van harte succès gewenscht.
+
+
+Natuurlijk vond Pietje zijn stuk veel mooier, maar de stadsredacteur
+bracht hem aan het verstand, dat de berichten, welke niet om de een
+of andere reden zeer belangrijk waren, altijd in beknopten vorm,
+kort en krachtig moesten worden opgesteld.
+
+Want als ieder reporter zijn berichten inzond op dezelfde manier
+als Pietje, dan zou iedere Morgenpost wel uit tien bladen en vijf
+bijbladen moeten bestaan. Maar Piet was vlug van aannemen.
+
+Hij leerde iederen dag meer in zijn nieuwen werkkring en was na enkele
+dagen al aardig bruikbaar geworden.
+
+O ja, werken was het, en als hij des avonds na zes uur het bureau
+verliet, was hij heusch niet altijd vrij tot den volgenden morgen,
+maar werd vaak nog gestuurd naar een of andere vereeniging, die een
+vergadering hield of een uitvoering gaf.
+
+Nu eens was het een bal-masqué, dan een tooneeluitvoering, een
+liefhebberij-concert of een erg droge werklieden-vergadering.
+
+Bijna iedere avond bracht wat anders.
+
+In het eerst--toen het nog een nieuwtje was--vond Piet dat bijwonen
+van al die uitvoeringen, gezellige avondjes en vergaderingen wel leuk,
+maar toen het nieuwtje er af was, bleef er ook niet veel aardigs meer
+over en werd het louter plicht.
+
+Maar--het moet gezegd--Piet deed die plicht steeds met opgewektheid
+en middernacht vond hem nog vaak op zijn kamer aan de werktafel,
+bezig met het opmaken zijner verslagen.
+
+O ja, Piet vervulde zijn plicht getrouw!
+
+Op één keer na!
+
+Die eene keer was op een Zaterdagavond.
+
+Dien namiddag vijf uur waren de werkzaamheden op het bureau afgeloopen.
+
+Juist wilde Pietje naar huis gaan, toen hem Konijn, een der andere
+jonge verslaggevers, op den schouder tikte.
+
+"Zeg Piet," sprak Konijn, "heb jij vanavond wat?"
+
+"Neen," was 't antwoord, "ik ben vrij."
+
+"Och, als je er geen bezwaar tegen hebt, neem dan voor mij die
+uitvoering waar van de vereeniging: De Oranjevlag. Ze hebben vanavond
+een feestelijke jaarvergadering in de Nutszaal, en ik was juist van
+plan tot morgenavond naar den Haag te gaan op familiebezoek. Hier is
+programma en kaart."
+
+"All right... 'k zal 't wel voor je opknappen, Knaagdier."
+
+"Bell... je bent 'n swell," riep Konijn dankbaar uit.
+
+Blij, van het baantje af te zijn, gaf Konijn het programma aan Piet,
+benevens de perskaart en een welgemeenden slag op z'n rug. Nou,
+Bell was een reuzekerel hoor, dee altijd wat voor je als je 't vroeg,
+'n lollig type ook. Geen wonder dat-ie altijd vrienden bij tientallen
+maakte.
+
+Acht uur dien avond begaf Pietje zich op weg naar de Nutszaal, die
+hoogstens tien minuten van zijn woning verwijderd was.
+
+Maar nauwelijks had hij drie minuten geloopen, toen hij een in de
+puntjes gekleed jongmensch ontmoette, die plotseling hem beide handen
+toestak en hartelijk uitriep:
+
+"Pietje Bell! Wel heb je ooit van je leven!!... Ben je het of ben je
+het niet?"
+
+"Ik ben het," zei Piet verbaasd, maar nog zonder de uitgestoken handen
+te grijpen, "maarre... wie is u?..."
+
+"Wel Piet... ken je Frans Basters niet meer.... Weet jij niet meer,
+hoe jij vroeger circus-directeur speelde in 't straatje en je mij
+clown wou maken met een oud karpet aan mijn lijf gebonden? Ik moest
+hard schreeuwen als je mij een imitatie-oorvijg gaf, maar je gaf mij
+zoo'n heuschen oplawaai, dat ik vierkant tegen den muur smakte en
+moord en brand gilde."
+
+"Ja... verdraaid!!... ik weet het!... Frans... Frans... beste kerel,
+we hebben mekaar in geen jaren meer gezien!"
+
+En toen greep Piet de twee handen en drukte ze zoo hartelijk en
+langdurig, dat de voorbijgangers lachend keken naar de twee vrienden
+en Frans riep:
+
+"Au-au... Piet... dank je... au!"
+
+"Wat ben jij 'n reus geworden," vond Piet.
+
+"Ja, we zijn allebei een beetje grooter geworden sinds dien tijd,"
+zei Frans. "Wat doe jij voor den kost?"
+
+"Journalist," zei Piet, "en wat maak jij voor rommel?"
+
+"Prentjes," zei Frans. "Ze noemen mij een illustrator, geloof ik."
+
+"Zoo, teeken jij? Vaste betrekking?"
+
+"Nee, 'k studeer nog. M'n ouders zijn beiden gestorven."
+
+"Maar..." begon Piet. Hij eindigde den zin echter niet, omdat hij
+niet onbeleefd wilde schijnen. Er was namelijk iets raadselachtigs
+in het geval.
+
+De ouders van Frans Basters waren eigenlijk maar arme stumpers geweest,
+wat Piet zeer goed wist.
+
+Nu waren ze dood en hier was hun zoon, nauwelijks zeventien jaar,
+keurig gekleed en... had niet eens een betrekking.
+
+Frans keek Piet even aan.
+
+"O, zeg het maar," zei hij lachend. "Je wou me vragen hoe het mogelijk
+is, dat je mij hier in dezen toestand voor je ziet, na de armoede van
+vroeger? Gauw gezegd. Mijn moeder was afkomstig van rijke familie,
+maar trouwde tegen den wil van haar ouders, broers en zusters met
+mijn vader, die wel arm, maar een knap werkman was.
+
+"Een ongeluk met zijn been maakte verder werken onmogelijk en vanaf
+dien tijd gingen ze achteruit.
+
+"De familie wilde niets meer met moeder te doen hebben, maar toen
+eerst zij en daarna vader gestorven was, werd ik door mijn Grootvader
+in huis opgenomen.
+
+"Grootvader is een op en top gentleman en laat mij studeeren. Vandaar
+de verandering, Piet."
+
+"Je bent 'n geluksvogel," vond Pietje.
+
+"Jij moet beslist met mij meekomen," inviteerde Frans. "We hebben
+een klein verjaringspartijtje aan huis en ik zal je wel introduceeren."
+
+"Wel," zei Piet, "ik moet vanavond ook nog even naar de Nutszaal, maar
+daar kan ik later in den avond wel even aanloopen, daar er bal na is."
+
+"Aangenomen," besloot Frans, "laten we hier de tram nemen."
+
+
+
+De bijzonderheden van het verjaringspartijtje hebben weinig met den
+loop van Piets avontuur te maken.
+
+Alleen dient vermeld, dat er door den gullen gastheer een overvloed
+van zoeten wijn geschonken werd, waarvan ook Pietje een weinig
+gebruikt had.
+
+Het fuifje was zoo geanimeerd en gezellig, dat Piet langzamerhand
+begon te vergeten, dat er nog een Morgenpost bestond, die op een
+zeker verslag wachtte.
+
+Om kort te gaan, het was twaalf uur, toen Piet in vroolijke stemming
+de laatste tram huiswaarts nam.
+
+Het was in den laatsten tijd volstrekt niets ongewoons, dat Piet soms
+zeer laat thuis kwam van de een of andere uitvoering.
+
+Om niet altijd genoodzaakt te zijn, laat op te zitten tot hij
+thuiskwam, hadden zijn ouders hem een huissleutel gegeven en lieten
+hem kalm zijn gang gaan.
+
+Op zijn kamer stak Piet de lamp aan.
+
+Toen hij zijn jasje over den stoel wou hangen, viel het programma
+van de vereeniging "De Oranjevlag" eruit.
+
+Hij raapte het op... en schrikte!!
+
+Drommels... die jaarvergadering... glad vergeten... Ja, het was nu
+veel te laat, om er nog heen te gaan, dat stond doodeenvoudig niet.
+
+Sapperloot... dat was me nu ook een mooie geschiedenis...
+
+En Piet bedacht, wat voor excuus hij nu Maandagmorgen zou maken, totdat
+hem opeens een plan te binnenschoot, dat het heele probleem oploste!
+
+Hij had immers het programma van de vereeniging?
+
+Wel, dáárop stond immers, wat er dien avond gebeurd was?
+
+Een klein kunstje dus, om volgens dat programma een verslag te
+fantaseeren! Komaan, hier was het.
+
+Maar dadelijk doen, dat was het beste.
+
+Nou... Feestelijke jaarvergadering van de
+Buurtvereeniging... enz... enz... Programma... Opening door den
+Voorzitter.. Jaarverslag... Vioolsolo... Voordracht... Tooneelstukje...
+enz.... enz... enz... Vijftien gevarieerde artiesten-nummers. O hee,
+Pietje kende dat soort feestelijke jaarvergaderingen. De meeste dames
+en heeren, die aan zoo'n programma meewerken, hadden in 't geheel
+geen of bitter weinig talent voor muziek of letteren.
+
+En Piet, die naast het vele knoeierige geliefhebber ook al heel veel
+goeds gehoord en gezien had, zag maar al te goed en al te vaak het
+belachelijke van dergelijke avonden.
+
+Om niet te zeggen ongenietbaar.
+
+Wel, zooals gezegd, 't was een klein kunstje om aan de hand van dit
+programma een flink verslag te fantaseeren.
+
+Kort en goed... Piet schreef het verslag en ging met een in slaap
+gesust geweten onder zeil.
+
+Des Maandagavonds lazen de lezers van de Morgenpost het volgende
+verslag onder Stadsnieuws:
+
+
+ Buurtvereeniging: De Oranjevlag.
+
+ Genoemde vereeniging hield Zaterdagavond in de Nutszaal haar
+ gewone feestelijke jaarvergadering. Nadat de Voorzitter,
+ de heer Spreekteveel, met een woord van welkom de aanwezigen
+ had begroet, werd door den Secretaris Pennewip het jaarverslag
+ uitgebracht. Spreker constateerde het uitbreidende aantal leden
+ en ook den toenemenden vooruitgang van de vereeniging.
+
+ Mejuffrouw Krasmaar speelde een zeer schoone vioolsolo, waarna
+ de heer Spriethaar zeer veel succes behaalde met zijn dramatische
+ voordracht: De ontvluchte Zuigeling.
+
+ Een stormachtigen bijval oogstten eenige dames en heerenleden
+ met de opvoering van het kluchtige stukje: Het wanhopige Paard.
+
+ Het is ondoenlijk het rijk voorziene programma in alle onderdeelen
+ te bespreken, maar het dient gezegd, alle optredenden hadden
+ een dankbaar succes. Alles en alles bij elkaar genomen, kan de
+ Vereeniging met genoegen en tevredenheid op dezen welgeslaagden
+ feestavond terugzien.
+
+
+"Ziezoo," zei Piet lachend, toen hij des Maandagavonds zijn verslag
+in de krant over las, "dat is alweer goed afgeloopen."
+
+Maar Dinsdagmorgen werd hij bij den directeur in het privé-kantoor
+geroepen.
+
+"Luister eens, vriend Bell," sprak de heer Peters, en keek daarbij
+Pietje onderzoekend aan. "Is het waar, dat Konijn u Zaterdag gevraagd
+heeft, voor hem naar de vereeniging "De Oranjevlag" te gaan?"
+
+"Jawel, mijnheer."
+
+"Dus ù heeft dit verslag uitgebracht?"--De heer Peters sprak steeds
+zijn ondergeschikten met u aan, nimmer het woord jij gebruikend.
+
+"Jawel, mijnheer, op Konijns verzoek heb ik dien avond bijgewoond."
+
+"Hm... bijgewoond, zegt u?"
+
+"Zeker..."
+
+"En was het een welgeslaagde feestavond?"
+
+"O jawel... natuurlijk..."
+
+"Zijn er dan geen bloemen aan de dames gegeven?"
+
+"Niet dat ik weet."
+
+"Wel... het is een grappige geschiedenis."
+
+"Wat bedoelt u?"
+
+"Ik bedoel, vriend Bell, dat u heelemaal niet naar de Nutszaal is
+geweest en ik bedoel ook, dat de bewuste feestelijke jaarvergadering
+in het geheel niet is doorgegaan.
+
+"Het bestuur heeft mij vanmorgen opgebeld en gevraagd, wat deze flauwe
+aardigheid beteekende, aangezien de avond wegens sterfgeval van een der
+bestuursleden uitgesteld was. Wel, wat heeft u als verontschuldiging
+in te brengen?"
+
+Piet wenschte zichzelf ergens in Rusland.
+
+Hij voelde, dat hij een belachelijk figuur maakte en vond het ten
+slotte maar het beste, alles aan den heer Peters te vertellen.
+
+Na Piets biecht moest de heer Peters toch inwendig lachen, maar dat
+liet hij natuurlijk niet merken.
+
+"Jongmensch," sprak hij, "een der eerste vereischten van een
+verslaggever is accuratesse. Gelukkig is de zaak in dit geval niet zoo
+heel ernstig, hoewel de courant door uw schuld een mal figuur maakt. Ik
+zal de zaak aan het bestuur van de vereeniging uitleggen en namens u
+excuus vragen. Zorg echter voortaan, u op de hoogte te stellen van zulk
+een gelegenheid, als ge om de een of andere reden verhinderd zijt, er
+persoonlijk heen te gaan. Even de vereeniging opbellen is voldoende."
+
+Piet wist weinig te zeggen en boog.
+
+Terwijl hij de kamer van den directeur verliet, voelde hij zich als
+een schooljongen, die door den meester op bedrog betrapt is.
+
+Hij had tot nog toe nimmer een standje of maar zelfs een vermaning
+gehad, dit was de eerste maal.
+
+Hij verwenschte Frans Basters, diens rijken Grootvader en het zoete
+wijntje en zwoer bij hoog en laag, dat dit de laatste maal zou zijn,
+dat hij zulk een domheid begaan had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+PIETS' LEVENSGESCHIEDENIS NEEMT EEN GEHEIMZINNIGE WENDING.
+
+
+Het duurde niet lang, of Pietje onderscheidde zich aan het bureau
+van de Morgenpost door zijn ijver en scherpzinnigheid.
+
+Hij was altijd vlug van begrip geweest, had steeds goed geleerd, hoewel
+hij nimmer een buitengewonen aanleg voor studie had aan den dag gelegd.
+
+Maar hoe langer hij aan de courant verbonden was, hoe meer de lust
+tot studeeren in hem ontwikkelde.
+
+Hij ondervond iederen dag, wat een massa er nog voor hem te leeren
+was, hij nam een voorbeeld aan de oudere redactie-leden, waaronder
+zich doctors en rechtsgeleerden bevonden.
+
+En langzamerhand begon Pietje zich boeken aan te schaffen.
+
+Het was een bont mengelmoesje, dat is waar, maar hij wenschte van
+alles wat op te pikken en zijn algemeene kennis zooveel mogelijk uit
+te breiden.
+
+Op zijn zeventienden verjaardag gaf zijn vader hem een boekenkast en
+weldra prijkten daarin boeken over Staathuishoudkunde, Electriciteit,
+Letterkunde, Spiritisme, Crimineele Wetgeving, Encyclopedie,
+Aardrijkskunde, etc. etc.--Romans van Henri Borel naast de Fransche
+Revolutie, de Avonturen van Sherlock Holmes naast de leer van
+Darwin. Het kapitaal van Marx naast de Statenbijbel. Hij las van alles,
+maar zijn vak vereischte ook, dat hij van alles op de hoogte was.
+
+Pietje werd na eenigen tijd als verslaggever naar de Rechtszaal
+gezonden, en driemaal per week woonde hij er de zittingen van de
+Arrondissements-rechtbank bij.
+
+Voor dat werk had hij een bijzondere belangstelling opgevat en het
+leven der misdadigers begon hem van dag tot dag meer te interesseeren.
+
+En langzamerhand kwam hij geheel en al op de hoogte met het leven
+van hen, die rooven en stelen aangenamer en gemakkelijker vinden,
+dan op een eerlijke wijze aan den kost te komen.
+
+Piet wilde graag méér van hun gewoonten en levenswijze leeren kennen,
+zonder daarbij aan persoonlijk gevaar te denken.
+
+En zijn bekwaamheid in gymnastiek en boksen, het echte Engelsche
+boksen, en de Japansche vechtkunst Jiu-Jitsu zouden hem daarbij wel
+eens te pas kunnen komen.
+
+
+
+Op zekeren morgen zat Piet naast zijn collega's van de andere
+stadsbladen aan de Perstafel in de Rechtszaal, toen er een jonge man
+terecht stond wegens het stelen van diamanten en gouden sieraden.
+
+Of eigenlijk gezegd waren er twee beschuldigden, want genoemde jonge
+man had een medeplichtige gehad, die hem bij den diefstal had geholpen.
+
+Ze hadden het heel slim aangelegd.
+
+Gerrit Lijster--zoo heette de eerste--was met Barend de Kort op
+een middag den juweliers-winkel van de firma Voorschoten & Zonen
+binnengestapt.
+
+Beide jongelui zagen er keurig gekleed uit, spraken zeer beschaafd
+en de bediende vroeg hun buigend, wat ze verlangden.
+
+Lijster vertelde den bediende, dat zij eenige groote bestellingen
+wilden doen voor een aanstaande trouwgelegenheid en daarvoor gaarne
+persoonlijk met den patroon wilden onderhandelen.
+
+"O, dat treft u slecht," had de bediende gezegd, "want de patroon is
+heden voor zaken naar Amsterdam en ik ben hier geheel alleen."
+
+Wel, dat wisten de twee bezoekers wel, maar ze vroegen--ook alweer
+zeer beleefd en beschaafd--of ze dan met den bediende over de aan te
+koopen kostbare geschenken konden spreken.
+
+"Met zeer veel genoegen," was het antwoord.
+
+"Laten we dan in het kantoor achter den winkel gaan," stelden Lijster
+en de Kort voor. "Want als toevallig een onzer vrienden passeerde,
+zou het geheim verraden en de aardigheid eraf zijn."
+
+"Natuurlijk, natuurlijk," glimlachte de bediende, "gaat u binnen."
+
+Maar eenmaal binnen het kantoortje veranderden de heeren van gedrag.
+
+Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond, terwijl de Kort
+hem een geladen revolver onder den neus hield.
+
+"Ziezoo," sprak Lijster, "nu zullen we je op dezen stoel binden,
+want we kunnen de rest wel zonder je af."
+
+Terwijl de Kort den machteloozen bediende bewaakte begaf Lijster zich
+naar den winkel, trok eerst de gordijnen omlaag en vulde daarop al
+zijn zakken, benevens nog een grooten handkoffer, met diamantringen,
+gouden horloges, armbanden, kettingen en broches.
+
+Dat was in vijf minuten klaar en daarop verlieten de heeren rustig
+den winkel, na zorgvuldig den sleutel meegenomen en de deur achter
+zich op slot gedraaid te hebben.
+
+Maar de arm van het gerecht reikt ver.
+
+Dienzelfden avond nog werden de heeren bij aankomst van den laatsten
+trein in Leeuwarden gearresteerd, want ze waren twee oude bekenden
+van politie en justitie.
+
+Maar van het gestolen goud en zilver en diamantwerk was geen spoor
+te vinden. Alles bij elkaar was het een waarde van honderd veertig
+duizend gulden.
+
+De Rechter ondervroeg de twee jonge dieven, bedreigde, pleitte,
+verzocht en bulderde hen ten slotte toe, dat ze er voor twintig
+jaar achter gingen, als ze het gestolen goed niet terug gaven ... of
+tenminste zeiden, waar de buit was.
+
+Maar de beklaagden beweerden, dat vergeten te hebben.
+
+
+
+Piet schreef er een groot stuk over, dat dien avond door de lezers
+van de Morgenpost met angstige belangstelling verslonden werd. En
+Piet deed vreemd dien avond.
+
+Hij zat op zijn kamer en had een spiegeltje voor zich op de tafel
+gezet.
+
+Met scherpe nauwkeurigheid plakte hij zich een klein zwart kneveltje
+onder den neus.
+
+Zijn gewoonlijk hoog opstaande kuif maakte hij nat en dan plakte
+hij de haren met cosmétique plat op zijn hoofd, met een aan 't eind
+weggestreken draailok. Een platte pet zette hij op en over een niet
+al te helder sporthemd deed hij een oud jasje.
+
+Hij bekeek zich nog eens goed in den spiegel, trok een scheeven hoek
+aan zijn mond en ging geruischloos de kamer uit en de trap af.
+
+Op straat kocht hij een pakje cigaretten, waarvan hij er een opstak.
+
+Daarna, handen in de zakken, de cigaret onverschillig tusschen de
+minachtende lippen hangend, liep hij weer terug en trad zijn vaders
+winkel in.
+
+"Kan je main niet segge, waar Smiese woont?" vroeg Pietje op ruwen
+toon aan Vader Bell, die den bezoeker met niet al te vertrouwelijke
+blikken aankeek.
+
+"Smiese? ... Smiese? ... Nooit van gehoord .... wacht eens ... Vrouw,
+ken jij eene Smiese hier in de buurt?"
+
+Moeder kwam naar den winkel sloffen, keek ook niet al te vriendelijk
+naar den ruwen klant, het echte type van een diefachtigen leeglooper.
+
+"Smiese ... nee ... ken ik niet ... Hier ben je bij Bell."
+
+"Bell? Zeg eris, juffrou, ben je soms femilie van dat stuk verslaggever
+an de rechtbank?"
+
+Moeder verschoot van kleur ... dáár had je 't nou al!
+
+Ze had het nooit erg op die rechtbank begrepen.
+
+Was dat nou niet gevaarlijk voor háár Pietje, om dieven en moordenaars
+in de krant te zetten?
+
+Als-ie wat van ze schreef, dat hun niet beviel, konden ze hem er wel
+eens wat voor doen. Ze moest er niet aan denken!
+
+En daar had je nou al zoo'n exemplaar ... dat achter de tralies
+thuishoorde ... Maar 't vernuft van een Moeder is héél groot.
+
+"Familie? ... nee man ... die woont hier niet ..."
+
+"Nou, as je dat petret soms tegenkomp, seg 'm dan maar uit main naam,
+dat ik em in de gaten houw."
+
+En met deze woorden verliet Piet den winkel, zonder herkend te zijn.
+
+Hij dwaalde straat in, straat uit, liep onverschillig met de handen
+in de zakken en rookte de eene cigaret na de andere.
+
+Aan de Korte Hoogstraat nabij de Passage ontmoette hij Eetje Pijpers,
+die een straatje omliep met Jeanne d'Arc, alias Jannetje de Boog,
+en haar zijn uitgebreide kennis van het hondenras opdrong.
+
+Piet bonsde tegen Eetje aan en mompelde iets onverstaanbaars.
+
+Eetjes hoed viel op den grond door den geweldigen bons.
+
+Hij raapte hem op en keek den achterbuurt-klant na.
+
+"Onbeschémd répélje ..." schold Eetje, zijn hoed af stoffend
+... "minderwérdige slémpémpers!!"
+
+Piet grinnikte inwendig en liep den Schiedamschen dijk op, waar hij
+eindelijk een der talrijke donkere zijstraatjes insloeg.
+
+Hij was erheen gegaan met geen ander doel, dan zich eens te mengen
+onder het gedeelte der maatschappij, hetwelk men wel eens de
+"onderwereld" noemt.
+
+Het was alweer zijn zucht tot onderzoeken en leeren, die hem in deze
+ongewone kleedij hierheen dreef.
+
+Het opdoen van nieuws, nooit gekende indrukken, het
+verzamelen van materiaal voor een Zaterdag-avond-feuilleton, het
+geheimzinnig-aantrekkelijke van nieuwe avonturen waren mede de redenen
+van zijn tocht.
+
+Hij slenterde--steeds in dezelfde, onverschillige houding--langs de
+zeemans-café's en danshuizen.
+
+Ten slotte bleef hij voor een der grootste danszalen staan.
+
+Een gloed van lamplicht en rook kwam naar buiten en 't schetterend
+ge-tsieng-boem van een automatisch orgel dreunde het straatje door,
+valsch begeleid door een harmonica-met-piano in 't café daarnaast.
+
+Piet trad de ruime danszaal binnen en vatte post in een hoek, leunend
+tegen een der pilaren.
+
+Op de maat der valsche schettermuziek walsten mannen en vrouwen,
+meestal typen van het minste allooi.
+
+Er waren heel wat zeelui onder, die een gezelligen avond aan wal
+zochten, en dan altijd in dergelijke inrichtingen verzeild raakten.
+
+In negen van de tien gevallen zijn ze den volgenden morgen hun
+geld kwijt, want wat ze niet aan drank verteren, wordt hun wel met
+kaartspelen of op andere manieren afgenomen.
+
+Piet had daar misschien tien minuten gestaan, toen een man, die een
+zeer ongunstig voorkomen had, hem aansprak.
+
+"Dans jij niet, maat?"
+
+"Nee," zei Piet, "nou niet."
+
+"En waarom niet?"
+
+"Ik ken geen mensch hier. Ik kom van Amsterdam ... zoek een karwei."
+
+"Zoo ... zoek jij een karwei? ... Ben je ook van de beweging?"
+
+Bij het laatste woord maakte de man een grijpend gebaar, dat diefstal
+moest beteekenen.
+
+"Jij bent niet nieuwsgierig, maar je weet graag alles," zei Piet
+voorzichtig.
+
+"Mijn kan je vertrouwen," zei de man knipoogend. "Ze noeme me Rooie
+Tinus vanwege m'n pruik. 'k Ben jarenlang al in de negosie, versta
+je? En nooit geknipt!"
+
+"Wat zou je me aanraaie," vroeg Piet, die zijn rol van "toffe jongen"
+prachtig volhield.
+
+"We kenne hier niet praten," zei Rooie Tinus, "d'r loopen hier teveel
+"dof gajes" [1] rond. Maar als je nou om één uur vannacht in 't Wapen
+van Vlaanderen komt, kan je wel eens kans krijgen op goed werk."
+
+Op dit oogenblik ontstond er een geweldig tumult onder de dansers.
+
+Een paar zeelui hadden twist gekregen met hun maats over de vertering,
+een ieder wilde de eer hebben voor het heele gezelschap te betalen
+en toen ze niet tot een minnelijke schikking konden komen, begonnen
+ze op elkander in te hakken en weldra vlogen bierglazen, tafels,
+stoelen en vloermatten door de dansruimte.
+
+De muziek stopte en alsof er een afspraak tusschen de aanwezigen
+gemaakt was, begon een ieder mee te vechten, links en rechts er op
+in te slaan zonder aanzien des persoons.
+
+Gemoedelijke groepjes, die een oogenblik te voren heel broederlijk
+met elkaar hadden gedronken, vielen plots als bloeddorstige tijgers
+op elkander aan.
+
+Rooie Tinus verdween snel en liet Pietje aan zijn lot over.
+
+Het gevecht was plotseling zóó algemeen, dat Piet er eigenlijk om
+lachen moest. Hij schoof langzaam en voorzichtig langs de vechtenden
+heen, voetje voor voetje den uitgang naderend.
+
+Maar voor hij dien bereikt had, rolde de troep vechtenden in zijn
+richting, en voor Piet het aan zag komen of verhinderen kon, voelde
+hij zich door een zwaar voorwerp aan het achterhoofd getroffen.
+
+Bewusteloos zakte hij ineen.
+
+Een onbekend man nam Pietje op en droeg hem door een paar in elkander
+loopende gangen van het huis, daalde vervolgens een trapje met hem
+af en legde hem neer op den vloer van een kelder.
+
+Maar de man aarzelde nu een oogenblik, hij scheen van plan te
+veranderen.
+
+Nu nam hij Piet weer op, droeg hem opnieuw naar boven en verliet
+het huis door een zijdeur, verdwijnend in de duisternis van de
+krottenbuurt.
+
+Uit de danszaal klonk de draaiorgelmuziek weer ... koperschetterend
+... oorverscheurend ... de menigte danste weer ...
+
+
+
+Piet kwam dien avond en zelfs dien nacht niet thuis...
+
+Zijn ouders hadden zich om 11 uur ter rust begeven, want ze hadden
+niet de minste reden tot ongerustheid, aangezien Piet heel vaak zeer
+laat naar huis keerde.
+
+Bepaald weer de een of andere groote vergadering, dachten ze en gingen
+daarom gerust slapen.
+
+Maar den volgenden morgen, toen het almaar stil bleef op Piets kamer
+en hij ook om kwartier over achten nog niet aan het ontbijt was,
+besloot Moeder, den jongen maar even te wekken.
+
+Ze opende de deur van zijn kamer en vond ... alles in de volmaaktste
+orde ... het bed onbeslapen ... en geen spoor van kleeren!
+
+In één seconde had Moeder het begrepen.
+
+Piet was dien nacht niet thuisgeweest!
+
+Met van angst dichtgeknepen keel riep ze Vader, die haastig naar
+boven kwam.
+
+"Vader ... onze jongen ... is er niet!"
+
+"Wat? ... is hij er niet?"
+
+Verstomd keken beiden een poos de kamer rond.
+
+Er was niets bijzonders te bemerken.
+
+Moeder opende de kastdeur.
+
+"En al zijn goed hangt hier!" riep ze opeens verbaasd uit. "Zie, Vader,
+hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche."
+
+"Drie hoeden heeft hij," voegde Vader erbij, "en die zijn er ook."
+
+Opeens begon hij te lachen.
+
+"Wel," zei hij, "dan moet hij op de badkamer zijn."
+
+"Maar het bed is niet eens beslapen."
+
+Op de badkamer was Piet al evenmin.
+
+Het werd inmiddels negen uur en de onrust der ouders steeg met iederen
+tik van de klok.
+
+Daar klonk de telefoonschel in den winkel.
+
+Vader snelde naar het toestel.
+
+"Hallo?"
+
+"Is u meneer Bell? Is uw zoon ziek, dat hij niet op het bureau
+komt?" klonk de stem van den heer van Dalen, den stads-redacteur.
+
+"Pieter is niet thuisgeweest sinds gisteravond ... en ... zijn moeder
+... en ik weten niet ... waar hij is ..." sprak Vader, met van angst
+trillende stem.
+
+"Niet thuisgeweest, zegt u? Waar is hij dan heengegaan?"
+
+"Dat heeft hij niet gezegd."
+
+"Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?"
+
+"Gisteravond om zes uur, aan het avondeten."
+
+"Wel ... dat is vreemd ..."
+
+"Zoudt u niet willen helpen, hem te zoeken, meneer?"
+
+"Dat spreekt vanzelf. Ik zal oogenblikkelijk de politie in kennis
+stellen. Heeft u ook een portret van hem?"
+
+"Jawel, en een goed gelijkend ook."
+
+"Kunt u mij dat laten bezorgen?"
+
+"Ik zal het direct zelf brengen."
+
+"Best, doet u dat. Ik zal er dan dadelijk hier een partij afdrukken
+van laten maken."
+
+"Dank u ... Ik kom dadelijk."
+
+Het portret werd voor den dag gehaald en de bezorgde Vader haastte
+zich ermee naar de bureaux van de Morgenpost.
+
+Het bericht van Piets verdwijnen vloog als een vuurtje door het gebouw
+van het dagblad.
+
+Iedereen kende Pietje, iedereen hield van hem, ieder betreurde het
+geval en was vol belangstelling.
+
+De heer Peters, de dagblad-directeur, had telefoonen telegraaf
+toestellen in werking gesteld, binnen een uur tijds was de zaak door
+heel Nederland bekend, maar er kwam geen bevredigend antwoord, niet
+de minste inlichting.
+
+Vader zat, ten prooi aan den vreeselijksten angst, in het privé-kantoor
+van den directeur, die hem op alle manieren trachtte te troosten.
+
+Hij roemde Piets ijver, zei, dat de jongen misschien ergens opgehouden
+was, liep naar de telefoon, belde weer iemand anders op.
+
+Toen kwam er een auto aantoeteren en hield voor den ingang van het
+gebouw stil.
+
+Een jongmensch stapte eruit, betaalde den chauffeur en sprong haastig
+de trappen op.
+
+De deur van de directeurskamer werd wijd open geworpen en daar
+stond... Pietje Bell... welvarend en blakend van gezondheid!
+
+Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond
+en zei:
+
+"Hier ben ik, heeren. Excuseert u alstublieft mijn costuum, ik ben
+vannacht op een klein karweitje uitgeweest."
+
+En met deze woorden opende Piet den tasch, welke gevuld was met
+diamanten en gouden voorwerpen.
+
+"Jongen!" riep Vader Bell verschrikt, "je hebt dat toch niet
+ge... ge... sto..."
+
+"Juist, vadertje, precies. Dat heb ik gestolen. Maar ik heb het
+gestolen van de dieven met de bedoeling, het weer aan den rechtmatigen
+eigenaar terug te geven."
+
+En zich tot den heer Peters wendend, voegde Pietje erbij:
+
+"Dit zijn de gestolen sieraden van de juweliersfirma Voorschoten &
+Zonen. Die zaak is juist gisteren voor de rechtbank geweest. Gerrit
+Lijster en Barend de Korte zullen wel niet erg in hun schik zijn,
+dat ik de kaas van hun brood gegeten heb."
+
+"Prachtig!... prachtig!... kerel, wat een stuk voor de
+courant!!... Maar hoe heb je 'm dat nu geleverd?"
+
+"Dat zal ik u vertellen," zei Piet.
+
+En nu deed Piet een getrouw verhaal van hetgeen de lezer reeds weet,
+tot hij aan het punt kwam, waar hij door iemand van achteren werd
+aangevallen en bewusteloos op den grond ineenzakte.
+
+
+
+"In minder dan geen tijd," vervolgde Piet, die weer als altijd
+een vloed van buitenmodel bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden
+gebruikte, was het heele bataljon land- en zeerotten aan het snelvuren
+met bierglazen, limonadefleschjes en stoelen en daarom vond ik het
+maar het beste, er stilletjes tusschenuit te knijpen.
+
+Net was ik bij de deur, toen me daar opeens zoo'n vechtende kleipeer
+achter mij aankwam en mij meedeelde, dat ik niet teveel hier was,
+maar alleen overschoot.
+
+Of hij mij dat vertelde met een tafelpoot of een bierglas, weet ik
+niet meer precies, maar ik heb er nog een buil van op mijn kersepit.
+
+Wat er daarna met mij gebeurd is, kan ik mij niet goed herinneren,
+maar toen ik weer tot het land der levenden terugkeerde, lag ik in
+een donkere ruimte. Ik heb toen eerst even onderzocht, of ik heelemaal
+compleet was en toen stak ik een lucifer aan.
+
+Ik zag gauw genoeg, dat het een oude zolder, of beter nog, een vliering
+was, waar ik lag. De eigenlijke zolder was daar weer onder.
+
+De vloerplanken, waarop ik lag, waren niet tegen elkaar getimmerd,
+maar hadden wel een handbreed tusschenruimte.
+
+Ik heb me toen, geloof ik, wel een uur stilgehouden, want ik wou niet
+graag voor de tweede maal mijn hoofd stooten aan een bierglas.
+
+Ik lag maar aldoor te verzinnen, op welke manier ik hier vandaan kon
+komen zonder opnieuw een van die gezellige nachtridders te ontmoeten.
+
+En toen hoorde ik voetstappen....
+
+Het duurde niet lang, of er werd op den zolder een lantaarn aangestoken
+en ik zag twee edellieden, die er uitzagen als een paar gasten van
+Hotel de Tralie. Zij schenen niet te weten, dat ik daar was en al
+hun doen en laten van tusschen de vloerplanken zien kon.
+
+De een droeg een zware tasch--deze hier--en zei tegen z'n compagnon:
+
+"Wel Dries, ik denk, dat de aap hier mooi veilig is."
+
+"Veilig genoeg voor 'n dag of wat. Maar hoe kom je erbij, om juist
+dit krot er voor uit te pikken?"
+
+"Orders van Gerrit Lijster," zei de eerste. "Overmorgen komt Fransche
+Lowie uit Rosendaal de aap weghalen en krijgen wij ons deel. 't Huis
+was door Gerrit aangewezen ... 't is een leegstaand pakhuis, zooals
+je ziet, afgekeurd door de groote Pieten en nergens meer goed voor."
+
+"Nou, u begrijpt," zei Piet, "een verlaten pakhuis, dat knoopte ik
+goed in m'n gehoorapparaten. Ik begreep natuurlijk al gauw, dat de
+aap niets meer of minder was dan de gestolen sieraden van Voorschoten
+en om u de waarheid te zeggen, beefde ik zoo van opwinding, dat de
+zolder ervan schudde.
+
+"Toen de nachtpitten met den lantaarn vertrokken, was het weer
+stikdonker. Ik heb toen nog een uur of zoo gewacht en daarna heb ik
+het maar geriskeerd.
+
+"Voetje voor pootje ben ik het laddertje afgeslopen.
+
+"Sjonge, het leek me wel honderd jaar te duren, voor ik bij de "aap"
+was, want ik durfde geen geraas te maken, daar 't huis wel eens bewaakt
+kon zijn. Bovendien maakte elke plank van 't rotte huis zoo'n kermend
+lawaai, als ik een stap deed, dat ik me bijna niet durfde bewegen.
+
+"Stil ... daar kwamen weer voetstappen 't straatje in ... ik voelde
+m'n hart in m'n teenen kloppen ... maar gelukkig kreeg ik geen tweede
+visite. D'r was een raam open en daar heb ik even door naar 't straatje
+gekeken. Jawel hoor, ... aan den eenen hoek van 't steegje stond een
+man ... aan den anderen kant ook zoo'n exemplaar, die een pijp rookte.
+
+"'t Zaakje werd bewaakt, dat kon je wel op je ribben uittellen.
+
+"Wel, ik ben niet zoo heel erg bang uitgevallen, maar toen ik die
+twee sinjeurs daar op post zag staan, misschien allebei wel met een
+geladen erwtenschieter in hun zak, was ik toch niet zoo heel erg in
+mijn schik met het geval.
+
+"Terwijl ik zoo bij mezelf een conferentie houd, schop ik tegen iets
+zwaars aan. Ik kon het in dat stikke-donker niet onderscheiden, maar
+op den tast bemerkte ik, dat het een looden gewicht uit een der oude
+vensters moest zijn.
+
+"Ik weet zelf niet, hoe ik op de gedachte kwam maar ik nam het stuk
+lood in de eene hand, de tasch in de andere en klom zachtjes van den
+zolder naar beneden.
+
+"Wat ik met het looden gewicht ging uitvoeren, wist ik op dat oogenblik
+zelf niet, maar in elk geval was het een wapen, waarmee je van je
+naasten's hersepan heel geschikt haché kon maken.
+
+"Toen ik beneden was, keek ik eerst voorzichtig naar de twee
+schildwachts en tegelijkertijd bemerkte ik een openstaande deur in
+'t huis aan den overkant van het straatje.
+
+"De bewakers keken niet in mijn richting en in twee sprongen had ik
+het portaal van het andere huis bereikt.
+
+"Nu moest ik die twee gluipers van hun hinderlijken post zien weg
+te krijgen en dat was gemakkelijk genoeg, zooals de aviateur zei,
+die van 2000 meter hoogte in zee viel.
+
+"Ik zette eerst den tasch neer en smeet toen het looden gewicht door
+een der ramen van het pakhuis.
+
+"Het maakte een lawaai, alsof de heele steeg in elkaar stortte.
+
+"Nou, u snapt dat ik me gauw verschool achter de deur, maar ik kon
+net zien door een kier, hoe de twee sinjeurs kwamen toeloopen en
+'t pakhuis binnenrenden.
+
+"Toen ze goed en wel op de trap waren, holde ik met de tasch het
+straatje uit. Op den Schiedamschen dijk ben ik langzaam gaan loopen,
+tot ik een taxi zag staan. Ik heb me toen naar de Geldersche kade
+laten rijden en deed precies, of ik logeeren ging in Hotel de Kat.
+
+"Maar nauwelijks was m'n chauffeurtje vertrokken, of ik wandelde
+verderop en heb een kamer genomen in Hotel Maaszicht.
+
+"De rest is eenvoudig.
+
+"Ik heb geslapen als een dooie marmot en toen ben ik met een andere
+automaat hierheen gekomen.
+
+"En hier is de "aap"."
+
+"Wel Piet," zei de directeur, "je verhaal is goud waard en je avontuur
+niet minder; de stad zal ervan versteld staan. Maar om nu je persoon
+niet in gevaar te brengen zullen we niet schrijven, dat je Pieter
+Bell heet en verslaggever aan de Rechtbank bent, want dat zou wel eens
+minder aangename gevolgen voor je kunnen hebben. Doch dat zaakje zal
+ik wel voor je opknappen. Gaat nu met je Vader naar huis en meld je
+vanmiddag om twee uur bij mij."
+
+Vader Bell was nu niet weinig trotsch op Piets avontuur.
+
+"Maar moeder zit nog in doodsangst," zei hij. "Laten we gauw een
+rijtuig nemen, Piet, want je ziet me er te schooierig uit, om met je
+in de tram te zitten."
+
+"Ik heb Moeder al getelefoneerd voor ik hier kwam. Ze vertelde mij,
+dat u naar de Morgenpost was."
+
+Daarop riep Vader Bell een rijtuig aan en een kwartier later had Moeder
+haar jongen weer in de armen en tranen van blijdschap in de oogen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ZWARTE OOGEN EN DE "MILLIONS D'ARLEQUIN."
+
+
+Dien avond wijdde de Morgenpost een sensatie-wekkend artikel aan
+Piets avontuur, echter zonder zijn naam te noemen.
+
+Inplaats daarvan werd medegedeeld dat een zeker detective de geheele
+zaak geleid en tot een succesvol einde had gebracht.
+
+De juweliers-firma Voorschoten & Zonen werd weer in het bezit gesteld
+van haar eigendom en bood Piet een schitterende belooning aan.
+
+Piet echter bedankte de heeren en wilde geen geld ervoor aannemen.
+
+"Maar dat is dwaasheid," sprak de heer Voorschoten. "Ge kunt het geld,
+dat wij u aanbieden, naar de bank brengen en later, als ge het voor
+de een of andere onderneming noodig mocht hebben, zal het u zeer te
+pas komen."
+
+"Jawel," zei Piet eenvoudig, "maar ik heb geen recht op zulk een
+groot bedrag en dan ook nog, ik heb geen geld noodig en geef er ook
+niets om."
+
+"Maar de belooning is werkelijk zoo groot niet. Gij hebt ons bewaard
+voor een schade van honderd-veertig duizend gulden, en de vijfhonderd
+gulden belooning is daar maar een druppel van."
+
+"Wel mijnheer," zei Piet lachend, "als ik geld noodig heb, dan werk
+ik ervoor en behoef tegen niemand "dank je" te zeggen. Uw vriendschap
+en achting zijn me meer waard dan geld, maar mocht ik later uw hulp
+en medewerking noodig hebben, dan hoop ik niet tevergeefs bij u aan
+te kloppen."
+
+"Jonge vriend," sprak de heer Voorschoten ernstig, en hij drukte Piet
+de hand met warmte, "je bent een uitzondering op den regel en je
+zult het zéér ver brengen in de wereld. Gelukkig is de mensch, die
+niet steeds op geld loert, maar integendeel liefde heeft voor zijn
+werk. Wanneer we met plezier en toewijding onzen arbeid verrichten,
+vriend Bell, komt de rest vanzelf. En luister nu eens: kunt ge
+aanstaanden Zondag bij ons komen dineeren?"
+
+"Zeer gaarne, mijnheer. Op welken tijd zal ik komen?"
+
+"Wel, wij dineeren gewoonlijk om zes. Laten we dus afspreken vijf
+uur bij mij aan huis, Westersingel 895."
+
+Piet drukte den heer Voorschoten nogmaals de hand en vertrok.
+
+Hij had een belooning van vijfhonderd gulden afgewezen, maar daar
+heeft hij nooit berouw van gehad.
+
+
+
+Twee dagen later werd er op Piets kamer door Moeder een kistje
+gebracht, dat zooeven bezorgd was door een knecht van de
+juweliers-firma.
+
+Moeder kon haar ongeduld nauwelijks bedwingen, maar Vader zeide haar,
+dat Piet geen klein kind meer was en niemand dan hijzelf recht had,
+het pak te openen. Piet opende het des avonds in tegenwoordigheid
+van zijn ouders.
+
+Keurig verpakt in vloeipapier en watten kwam er een prachtvolle
+zilveren beker uit te voorschijn, waarin gegraveerd stond:
+
+
+ UIT DANKBAARHEID
+ VOOR BEWEZEN DIENSTEN AAN
+ Voorschoten & Zonen.
+
+
+Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering.
+
+"'t Is een prachtstuk," zei Vader, "en we zullen het een eereplaats
+geven in de voorkamer, Piet," en hier klopte hij zijn zoon op den
+schouder, "je bent 'n kráán. Ik zou misschien de vijfhonderd pop
+aangepakt hebben, maar...."
+
+"Daar zou het dan ook mee afgeloopen geweest zijn," merkte Moeder
+op. "Voor Piet begint het pas... en ik zeg je... de jongen heeft wijs
+gedaan... en..."
+
+"Piet doet altijd wijs," zei Vader, "dat heb ik altijd gezegd."
+
+
+
+Den volgenden Zaterdagavond bracht Piet een bezoek aan den barbier.
+
+Waarom?
+
+Wel, om zich te laten scheren, natuurlijk.
+
+Want Piets bovenlip ging angstig-verdacht doen in den laatsten tijd en
+Piet meende, dat hij zich niet beter van dien hinderlijken haardos--het
+waren precies vijftien zwarte, onnoozele donsvezeltjes--kon ontdoen,
+dan er moedig het mes in te laten zetten.
+
+Al verscheidene malen had hij voor den spiegel getracht een puntje
+aan den dreigend-opkomenden knevel te draaien ... ook dacht hij
+reeds aan een "knevelbinder", maar deze pogingen waren tot nog toe
+vruchteloos geweest.
+
+Piet zette zich bij den barbier in den scheerstoel.
+
+"Haarknippen, meneer?"
+
+"Scheren," commandeerde Piet.
+
+"Schee ... ???"
+
+De barbier bekeek Piets aangezicht.
+
+"Wat is 'r?" vroeg Piet.
+
+"O ... niets ... absoluut niets ... 'k zal u scheren, meneer."
+
+"Mes goed meneer, of trek het ook?"
+
+"Merci, 't is best."
+
+"U zult een zwaren baard krijgen, meneer. Poeder en haar opmaken?"
+
+"Jawel, dat is goed."
+
+De barbier spoot een geurig, fijn parfum over Piets haardos.
+
+"Dat ruikt lekker," zei Piet.
+
+"Fransche haar-lotion, meneer. Flora-Mije van Pivèr, Parijs. Kost
+één gulden vijftig de flacon. Een meenemen, meneer?"
+
+"O nee ... ik ben geen jongejuffrouw ..."
+
+"Is zeer goed voor het haar, meneer. Aangenaam van geur ... verkoop
+er zeer veel van aan de klanten."
+
+"Jawel ... jawel ... ik houd niet van dien rommel."
+
+De barbier zweeg beleedigd, nam Piets kwartje aan.
+
+"Precies gepast, meneer."
+
+Opgewekt stapte Piet naar buiten ... geschoren.... voor de eerste
+maal in zijn leven geschoren!
+
+En 't geurtje van Parijs dwarrelde almaar om zijn hoofd ... hij snoof
+'t af en toe op ... lekker hoor.... Komaan, nu een straatje om en
+bij Flip Buitenhuis wat cigaretten gekocht.
+
+O ja, sinds het avontuur in de achterbuurt was Piet aan de cigaret
+gaan doen. Matigjes ... een paar per dag ...
+
+'t Stònd ... niewaar ... de meeste lui van zijn leeftijd rookten al
+'n licht sigaartje, maar hij vond de cigaret meer in stijl.
+
+Zwaaiend z'n rotting flaneerde hij lustig tusschen de Zaterdag-avond
+wandelaars door.
+
+'n Groepje bakvischjes met groote strikken in de haren keek hem
+lachend na. Piet keek even om, lachte ook en kleurde hevig.
+
+Maar daar had je den sigarenwinkel.
+
+Flip was druk bezig met het bedienen der talrijke klanten.
+
+"Hallo, Piet. Uit vanavond?"
+
+"'n Loopje maken. Geef me 'n doos Russen."
+
+"Asjeblieft. Geen nieuws?"
+
+"Niet dat ik weet."
+
+"'k Heb gelezen in de krant van dien detective, die de gestolen buit
+van Voorschoten teruggebracht heeft. Was 't stuk van jou?"
+
+"Nee, van v. Dalen."
+
+"Handige vent, die detective. Daar moet je je pet voor afnemen."
+
+"Ga je gang," zei Piet.
+
+"O, meen je soms van niet? Ik vind het een mooi vak. Je ziet nog eens
+wat van het leven en je maakt wat mee."
+
+"Maar er is heel wat gevaar aan verbonden," zei Piet, die zijn avontuur
+zooveel mogelijk geheim gehouden had.
+
+"Daar zou ik niet om geven," beweerde Flip. "Ik zou best eens een
+tijd onder die lui willen leven, om zoodoende hun doen en laten eens
+te bekijken, weet je."
+
+"Welke lui?"
+
+"Wel, die inbrekers en dieven en dat soort."
+
+"'t Zou je tegenvallen, Flip. Geloof me, ik ken die heeren, want ik
+zie ze elke week voor 't gerecht staan. Ze zijn niet voor de poes."
+
+"Toch zou ik best willen."
+
+"Ik wed met je om een gulden, dat je het niet aandurft, om als schooier
+verkleed met mij de achterbuurten in te gaan."
+
+"Om een gulden? Dat doe ik met je!"
+
+"Maar reken er op, dat ik je in de verschrikkelijkste gangen en stegen
+breng, waar je wel eens een pak slaag kon oploopen, vooral wanneer
+ze zien, dat je niet van de hunnen bent."
+
+"Best, ik doe het ... Wanneer gaan we?"
+
+"Maandagavond dan."
+
+"Afgesproken, na het sluiten van den winkel ben ik je man."
+
+Pietje verliet den winkel en wandelde verder.
+
+Ha-ha, hij was toch benieuwd, hoe Flip zich houden zou.
+
+O ja, ze wilden graag allemaal zooiets meemaken, maar vóór het zoover
+kwam, trokken ze zich meestal terug, hadden een uitvlucht en waren
+van plan veranderd. Nou, hij zou Flip er eens van laten lusten!
+
+Flip was een beste vent, hoor, wât een fijne vrind en 'n leuk type
+ook, maar 't was de vraag, of hij moed genoeg bezat voor wat Piet 'n
+liefhebberij noemde. Wel, Maandag zou Piet hem op de proef stellen,
+en niet zoo'n beetje ook.
+
+Hij wandelde de Diergaardelaan in, ontmoette onverwachts den heer
+Voorschoten, die een allerliefste jongedame aan den arm had, een
+ongeveer zestien-jarig meisje, met ravenzwarte haren en zwarte oogen,
+die schitterden als gitten.
+
+"Daar is zoowaar m'n vriend Bell," sprak de heer Voorschoten op
+hartelijken toon. "Wel vriend, aan het wandelen? Dit is mijn dochter
+Bella. Heel aardige ontmoeting, moet ik zeggen."
+
+Dat vond Piet ook en met 'n lichte buiging zei hij:
+
+"Aangenaam kennis te maken ... Mijnheer, mag ik u zeer hartelijk
+bedanken voor den prachtigen beker ... het is een groote verrassing
+... en ik ... ik bedoel ..."
+
+Bella glimlachte en keek hem aan.
+
+Piet begon te stotteren, niet omdat hij verlegen tegenover meisjes
+was, loop heen, vraag maar aan de Vroolijke Bende, maar ... omdat die
+zwarte oogen van Bella iets meelijdend-spotachtigs hadden ... iets
+... iets ... waardoor je je nou net een klein kind voelde bij haar.
+
+"O, dat is maar een souveniertje," sprak de heer Voorschoten, "en in
+verhouding met hetgeen u voor ons gedaan heeft maar een bagatel. Hebt
+ge de invitatie nog niet vergeten voor morgen?"
+
+"Zeker niet, meneer, ik zal er zijn."
+
+"En dan vertelt u zeker Moeder en mij uw verschrikkelijk
+avontuur?" verzocht Bella.
+
+Het leek Piet, of ze het een beetje ironisch zei.
+
+"Och jawel ... als u dat wenscht ... danne ... maarre ... wil ik
+zeggen ..."
+
+"Dus tot morgen dan," besloot de heer Voorschoten. "We gaan nu op
+familie-bezoek en zijn wat gehaast."
+
+Ook Bella stak Piet de hand toe.
+
+"Tot morgen," zei ze vriendelijk.
+
+Piet nam z'n hoed onwillekeurig dieper af, dan hij doorgaans gewend
+was en vervolgde zijn wandeling.
+
+Hij stak een tweede cigaret op, blies volle rookwolken uit.
+
+Hee, wat was het toch mooi weer van avond en wat zagen de menschen
+er vroolijk uit!
+
+Aardige man, die meneer Voorschoten ... en wat 'n zwarte oogen had
+die Bella ... wel 'n leuke naam ... Bel-la ... net één letter meer
+dan zijn naam ... Bell-a ... klonk wel aardig ... maar 'n mirâkel
+zwarte oogen ... en wat ze je daarmee aankijken kon ... schuw!
+
+Piet sloeg den terugweg naar huis in.
+
+Op zijn kamer stond de beker nog.
+
+Piet stak zijn lamp aan, deed de rood-zijden kap erover, zoodat het
+gezellige vertrek in een fantastisch-rossen schemer gehuld was.
+
+Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen
+en liet zijn gedachten maar gaan.
+
+Het was een veel bewogen week geweest, vooral met dat avontuur ... maar
+zijn hart haakte naar meer, naar beter ...
+
+Voor 't oogenblik was het goed zoo ... zijn leven van jongste
+verslaggever aan de Morgenpost ... maar hij voelde ... hij kon dat
+niet blijven doen ... iederen dag maar weer op datzelfde bureau
+... schrijven voor altijd weer dezelfde lezers ... altijd weer over
+dieven en politie en nachttafereelen... Als hij maar vrij was, geen
+baantje van alle dag weer denzelfden sleur te moeten volgen ... dan
+zou hij de wereld ingaan en de menschen en de natuur leeren kennen,
+en dan zou-die over veel mooier dingen schrijven dan alleen maar
+rechtszaken...
+
+Hij voelde, dat het zou komen ... later ... dat hij eerst nog moest
+studeeren ... heel veel studeeren ... en dan ... het leven en de
+wereld in ... het rijke, bruisende, groeiende bloeiende leven!
+
+In gedachten keek hij naar den zilveren beker.
+
+In den donkerrooden gloed scheen het spottend-lachende hoofd van
+Bella uit het ding omhoog te rijzen....
+
+Piet zag duidelijk de gitzwarte lach-oogen ... de roode lippen ... de
+hagelwitte tanden ... ze lachte ... lachte om zijn gedachten.
+
+Piet wreef zich de oogen uit ... maar het was weg.
+
+Nijdig smeet hij een boek op den grond.
+
+"Loop naar de maan!"
+
+
+
+Den volgenden Zondagmorgen góót het!
+
+De regen stroomde in dikke stralen neer op de straten, het water in
+de goten vormde snelstroomende rivieren.
+
+"Dat ziet er plezierig uit voor vandaag," mompelde Piet, toen hij de
+gordijnen openschoof.
+
+Hij waschte en kleedde zich vlug en begaf zich naar de huiskamer,
+waar knusse Zondagmorgen-gezelligheid heerschte.
+
+Zijn ouders wachtten hem aan de ontbijttafel.
+
+"Morgen ouwetjes," was Piets hartelijke begroeting. "Lekker weertje,
+he? Daar zou een eend in verdrinken."
+
+"Morgen jongen, goed geslapen?"
+
+"Als een ijsbeer, Moeder. Is dat mijn thee?"
+
+"Ja, ga je gang."
+
+Moeder stapelde de versche krenten-boterhammen op, ging de eieren
+uit den ketel halen.
+
+"Heb je dat gehoord van den hond van hiernaast?" vroeg Vader, een
+kadetje met ham beleggend.
+
+"Neen Vader, wat is daarmee gebeurd?"
+
+"Wel, buurman's hond was gistermiddag weggeloopen en niemand had hem
+sinds dien tijd gezien. Nou werd er vanmorgen om zeven gebeld en raad
+eens, wie daar was?"
+
+"De hond," zei Piet.
+
+"Mis, de melkboer! Ha-ha-ha! daar loop je in, Piet, daar heb
+ik je! Ha-ha-ha!!" lachte Vader en hij verslikte zich in zijn
+thee. "Uche-uche ... ha-ha ... uche!!"
+
+"Kalm nou ... kalm nou ..." vermaande Moeder, die een aangeboren
+angst voor verslikken had, en haastig toe kwam loopen om vader op
+den rug te kloppen.
+
+Piet intusschen pelde een versch, warm eitje en zon op wraak.
+
+Hij vertelde van zijn ontmoeting met den heer Voorschoten en Bella
+en verzuimde niet te beschrijven, welk een verbazend zwarte oogen
+het meisje had.
+
+"Waar zoo'n jongen al niet naar kijkt," zei Moeder lachend.
+
+"Zulke domme dingen heb ik nooit gedaan," beweerde Vader, een kruimig,
+knappend waterbroodje smerend. "Geef me nog een kop thee, Moeder."
+
+"Hoor me nou zoo'n man eens aan," zei Moeder. "Heb jij nooit naar
+zwarte oogen gekeken, toen je zeventien ..."
+
+"Al goed, al goed," zei Vader en alle drie lachten hartelijk.
+
+"Wel," zei Piet een oogenblik later. "Dat zal me ook een heele stoet
+wezen, als de Minister begraven wordt."
+
+"Is de Minister dan dood?" vroeg Vader verbaasd.
+
+"Heelemaal niet," zei Piet. "Ik zei: als de Minister begraven
+wordt. Ha-ha!! daar heb ik je, vadertje ... nou doe ik de ha-ha-ha!"
+
+Moeder gierde het uit en Vader lachte maar mee.
+
+Zoo zaten de drie opgeruimde menschen in rustige tevredenheid bijeen:
+de een gelukkig met den ander en allen gelukkig met elkaar.
+
+Meestal maakte Piet des Zondagsmorgens een wandeling, maar bij dit
+weer was er natuurlijk geen sprake van.
+
+In zoo'n geval bleef hij altijd op zijn kamer, waar 't gezellig was.
+
+Dan las-ie een nieuwe roman of werkte aan een feuilleton voor de
+krant. Dat laatste deed-ie graag.
+
+'t Waren meestal eenvoudige schetsjes, vroolijke brokjes stadsleven,
+maar hij had een groote vaardigheid verkregen in het vertellen van
+humoristische straattooneeltjes.
+
+En als er dan des Zaterdagsavonds zoo'n onderhoudend stukje
+straatleven, onderteekend P. B. in de krant stond, glimlachten
+de lezers al bij voorbaat, gingen eens extra op hun gemak zitten
+en zeiden:
+
+"Ha, daar heb je 'r weer een."
+
+Dien heelen morgen bleef Piet lezen en toen het tegen den middag droog
+werd en de hemel mooi opklaarde, maakte hij zich gereed om uit te gaan.
+
+De club speelde altijd Zondags op het terrein, maar Piet ging er
+niet heen.
+
+Hij nam de tram en reed tot buiten de stad naar een groote
+uitspanningsplaats, waar hij een boot huurde.
+
+Hij bleef een paar uren op het water en begaf zich tijdig naar huis,
+teneinde zich te kleeden voor het diner bij den heer Voorschoten.
+
+
+
+De woning van den juwelier Herman Voorschoten was een der rijkste aan
+den Westersingel. Piet schelde aan en een geluid als van een zwaren
+gong klonk door het huis.
+
+Een zwart-en-wit-geuniformde dienstbode opende de deur en toen Piet
+zijn kaartje overhandigde, werd hem medegedeeld, dat de familie hem
+verwachtte in den tuin.
+
+Hij hing zijn hoed op en volgde het meisje.
+
+De hall was ruim en hoog, een paar hertegeweien versierden de wanden,
+dikke tapijten bedekten den marmeren vloer en in den achtermuur was
+een groot kerkraam met geschilderd glas gebouwd, dat een vreemd getint
+licht naar binnen wierp.
+
+De tuin was zichtbaar door de openstaande deuren, een bosch van groen
+en een ongekende weelde van rozen ... dat was alles, wat Piet zag
+... groen en rozen ... rozen en groen.
+
+Een overweldigende rozengeur kwam hem in den tuin tegemoet.
+
+'t Dienstmeisje wees hem een pad aan, hetwelk hij volgde, maar hij
+zag niemand.
+
+"Wel, wat heb ik nou aan mijn pet hangen?" mompelde Piet. "De familie
+is in den tuin, zegt die zwart-jurk, maar ik ben een pepernoot als
+ik er wat van zie."
+
+Hij sloeg een zijpaadje in.
+
+Aan het eind daarvan zag hij een dichtbegroeid prieel van klimrozen
+... en midden in die rozen zat een meisje in 't wit ... witte kousen
+... witte schoentjes net een wolk van witte tulle en satijn ... maar
+met ravenzwarte haren en koolzwarte oogen.
+
+Ze scheen erg verdiept in 'n boek.
+
+Piet bleef staan.
+
+Dat was Bella ... maar waar was de rest van de familie? Had ze hem
+niet hooren aankomen of deed ze maar alsóf? ...
+
+"Ahem," kuchte Piet.
+
+Nu keek ze op, sprong dadelijk overeind en kwam naar hem toe.
+
+"Oh ... is u het? Hoe gaat het? Ik had wel voetstappen gehoord, maar
+ik dacht, dat Vader het was. Heeft u vader en moeder nog niet gezien?"
+
+"Neen, maar 't is zóó ook goed," zei Piet leuk. "Wat een heerlijke
+rozentuin heeft u hier, en wat een prachtig prieel. Mag ik daar ook
+eens inzitten?"
+
+"Wel waarom niet?" lachte Bella.
+
+De witgelakte tuinstoelen, opgevuld met kleurige kussens, noodden
+wel tot een zitje uit.
+
+"Een heerlijk hoekje hier," vond Piet, en op 't boek wijzend, vroeg
+hij: "Wat leest u daar?"
+
+"Sturmfels van Marie Boddaert. 't Is een snoes van een boek. Houdt
+u van lezen?"
+
+"Schùw."
+
+"Wat zegt u?"
+
+"Heel veel. Ik lees alles, komt zoo bij m'n vak te pas, weet u?"
+
+"Is 't niet een vree-se-lijk interessant werk, dat van u?"
+
+"Wel, dat hangt er van af, zooals de man zei, die in een afgrond viel,
+en nog gauw een tak greep."
+
+Bella schaterde.
+
+"Gunst, praat u altijd zoo grappig?"
+
+"Alleen, als m'n humeur op temperatuur is, Bel ... juffrouw ..."
+
+"U moogt wel Bella zeggen. Gisteren dacht ik, dat u verlegen was ..."
+
+"Verlegen ... ik? ... waarom?"
+
+"Omdat u stotterde, toen ik u aankeek ... Ha-ha ... willen we jij en
+jou zeggen?"
+
+"In orde, overste... Zoo, stotterde ik? ... dat kwam ... door ..."
+
+"Wel?"
+
+"Nee ... dat zeg ik niet ..."
+
+"He ... hoe flauw."
+
+"Nou dan ... als je 't weten wilt ... Ik wil je heelemaal niet vleien
+of complimentjes maken ... maar zulke zwarte oogen als jij hebt
+... die moesten ze verbieden ... daar moest de politie naar kijken ..."
+
+"Je vergeet, dat jezelf zwart bent ... Kijk daar komen vader en
+moeder aan."
+
+Arm in arm kwamen de heer en mevrouw Voorschoten aanwandelen.
+
+"Zoo Bella, heb je visite? Kijk, het is zoowaar onze gast," sprak de
+heer Voorschoten op zeer hartelijken toon. "Welkom, jonge vriend! Dit
+is onze held, meneer Bell, Emma."
+
+Mevrouw drukte Piet de hand.
+
+"Ik heb al zooveel goeds van u gehoord," sprak ze, "dat het mij een
+groot genoegen is, kennis met u te maken."
+
+"Piet heeft me beleedigd ..." zei Bella op komisch-boozen toon.
+
+"Piet? ... maar Bella ... schaam je ... hoe durf je? ..." vroeg
+mevrouw verontwaardigd.
+
+"O ... we jijen en jouen al ..."
+
+"Dat is vlug," lachte vader. "En waarin bestaat de beleediging?"
+
+"Wel, dit jongmensch heeft wat van m'n oogen te zeggen."
+
+Om zes uur ging men aan tafel.
+
+Op verzoek van mevrouw Voorschoten deed Piet na afloop van het diner
+het verhaal van zijn avontuur.
+
+Ze zaten toen weer in den tuin, waar langzaam de avondschemer te
+dalen begon. Sterk geurden de rozen...
+
+"Wil jij wat voor ons spelen, Bella?" vroeg haar vader.
+
+Bella verdween ... en weldra kwam door het violet van den vallenden
+avond de rossige schijn van een piano-lamp.
+
+Het was stil in den tuin; 't leek wel, of alles wachtte...
+
+Dan klonken ... heel eenvoudig ... maar met gevoel gespeeld, de
+charmeerende tonen van de "Millions d'Arlequin" naar buiten, deinend,
+walsend gedragen op de rozengeuren ...
+
+En Piet zat stil en luisterde ... 't hoofd zachtjes meewiegend
+... tata-tatatata tatatata ...
+
+Wat was de avond mooi en wat hoorde al dat moois hier toch bij elkaar
+... die tuin ... die geuren ... die muziek ... en wat paste Bella
+daar in!
+
+Na de "Millions d'Arlequin" volgden nog een paar stukjes ... Bella
+speelde werkelijk heel fijn ... heel artistiek ... en Mendelssohn's
+"Frülingslied" deed ze feestelijk uitjubelen.
+
+"'t Is prachtig," zei Piet. "Ik heb nooit geweten, dat piano-muziek
+zóó mooi kon zijn."
+
+De heer Voorschoten bewees, een aangenaam prater te zijn en op zijn
+beurt deed Piet dan weer een of ander verhaal, waarmede hij de anderen
+gezellig onderhield. Intusschen draaiden de wijzers van de klok en
+Piet meende, dat tien uur een mooie tijd was om afscheid te nemen.
+
+Hij moest beloven, dat dit niet zijn laatste bezoek zou zijn en hij
+drukte allen hartelijk de hand met de belofte, spoedig weer te komen.
+
+Piet wandelde langzaam huiswaarts.
+
+Maar gedurende heel den terugweg rook hij rozen ... zag hij 'n
+meisje in 't wit bij den rossen schijn van een pianolamp ... hoorde
+hij voortdurend die deinende walsende melodie ... tata ... tatatata
+... tatatata ...
+
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+AANGENAME EN ONAANGENAME LOTGEVALLEN.
+
+
+De Morgenpost had in den laatsten tijd veel goede diensten bewezen
+aan arme ouden van dagen, die een jubileum te herdenken hadden, maar
+geen geld bezaten, om het ook maar allerminst feestelijk te vieren.
+
+Wanneer bijvoorbeeld een zeer oud en zeer arm echtpaar zijn 50-jarig
+huwelijk zou herdenken, deelde de Morgenpost dit reeds eenige weken
+te voren mede aan weldadige stadgenooten, kennissen en buren.
+
+Wel, wanneer de groote dag dan aanbrak, kwamen van alle kanten der
+stad de gaven en geschenken binnenstroomen, hadden buren de woning
+en soms zelfs het straatje feestelijk versierd en was er aan eten,
+drinken en snoeperij geen gebrek. En dan werd op zulk een dag ook
+een der reporters van de courant naar de fuivende familie gezonden,
+ten einde de vreugde nog te verhoogen door een officieel verslag van
+de feestelijkheid.
+
+Die eer viel op zekeren dag te beurt aan ons Pietje.
+
+Het was een zeer oud, onaanzienlijk en vervallen straatje, waarheen
+Piet dien middag zich begaf.
+
+Vanaf den ingang zag hij reeds, hoe vriendelijke buren het versierd
+hadden met papieren slingers, bloemen en lampions.
+
+Zelfs een draaiorgel, met oranje en groene guirlandes behangen,
+was voor dien dag afgehuurd en draaide zijn afgezaagde deunen
+onophoudelijk af.
+
+Kinderen dansten op de maat der muziek en zelfs hadden eenige mannen
+en vrouwen een dansje niet kunnen versmaden, zoodat er bijna heel
+den dag in het armoe-straatje "bal-champêtre" was.
+
+Maar er is een zeker gedeelte onder het volk, dat een bruiloft of
+welke andere feestviering dan ook, niet als compleet beschouwt, als
+er niet een vechtpartij, of zelfs ook maar een flinke ruzie op het
+programma voorkomt.
+
+Dit zou Piet vandaag ondervinden.
+
+Hij bekeek lachend de versierde woningen, vond het aardig, hoe
+die brave buren zoo meehielpen, den feestvierenden oudjes een
+onvergetelijken dag te bereiden.
+
+Maar het taaltje, dat die buurtgenooten gebruikten ... o semaaje!!
+
+"Mot je hier weese, meester?"
+
+"Jongen kaikeris watten faine ridder ..."
+
+"'t Laikt Piek & Clompenburg wel, Mie."
+
+"Mot je bai 't bruidspaar weese, meheer?"
+
+Piet zag zich spoedig door de steegbewoners omringd.
+
+Het draaiorgel jengelde zonder ophouden.
+
+Het was moeilijk, zich verstaanbaar te maken.
+
+"O heere-m'n-tijd, Kee!!!" gilde een schommelende vischvrouw, "hij komp
+om een piereverschrikkertje!!! Lussie ook koekies, mooie kanebraaier?"
+
+"Zeg 'm maar," riep Kee van verre uit een raam, "dat-ie de zon in
+z'n nek laat schijnen, dan krijgt-ie nog wat warms in z'n lijf."
+
+Piet, als altijd vatbaar voor humor, schoot in een lach en keek naar
+de vriendelijke spreekster, die haar tong tegen hem uitstak en een
+langen neus maakte. Toen vroeg hij:
+
+"En waar woont nu het bruidspaar?"
+
+"Linksom en je neus achterna, meheer."
+
+Piet wendde zich links en zag een versierde deur, waarop een hevig
+verguld schild getimmerd was, dat te lezen gaf:
+
+
+ Hulde aan bRuiT en bRuiDegoM
+
+
+Piet wreef eerst zijn oogen een paar malen uit, omdat hij dacht,
+dat het Russisch was, maar ten slotte ontcijferde hij het toch.
+
+Een tienjarig meisje in een stijfgestreken jurkje, en met witte, veel
+te groote handschoenen, die over de toppen der vingers neerhingen,
+opende hem de deur en vroeg:
+
+"Mot u hier weese?"
+
+"Ik denk het wel," zei Piet. "Ik ben van de krant."
+
+Waarop het kind een paar stappen deed in de richting van de trap,
+beide handen aan de mond zette, om het geraas van boven te overstemmen
+en schreeuwde:
+
+"Oomè!!! ... Oome Hain!! ..."
+
+"Wel, wat mot-je?" klonk het minzaam van boven.
+
+"Oome ... hier is een man voor de krante ..."
+
+"Krante? Me hebbe geen ouwe krante ..."
+
+Piet deed een stap nader.
+
+"Ik ben van de Morgenpost," verklaarde hij.
+
+"O ... da's andere koffie ... 'k Doch dat je 'n krante-jood was."
+
+"Kom maar bove ... kee-je de trap zien?"
+
+"Dat gaat wel," zei Piet, op den tast in het donker naar de eerste
+trede zoekend.
+
+"Nee," klonk het weer van boven, "daar is de trap niet ... dan mot-je
+nog een beetje verder doorloopen..."
+
+"O..." zei Piet, die vrij dwaas in het donkere portaal met z'n
+rechterbeen stond te zwaaien.
+
+Toen klom hij naar boven, waarbij een vettig touw hem als leuning
+diende.
+
+Boven, waar het weer lichter was, zag hij een klein kamertje, versierd
+met schreeuwend-helle kleuren, benauwd, vòl rook, vòl menschen ...
+
+Flesschen en glazen en kopjes op de tafel.
+
+Twee ouwetjes--beduusd door de ongewone herrie--stil in een
+groengemaakt hoekje, waarboven alweer zoo'n schild prijkte,
+vermoedelijk door denzelfden artist vervaardigd.
+
+"Kom d'r in, meheer," zei dezelfde stem, die hem aan de trap met
+"krantejood" betiteld had.
+
+"Goeiemiddag," zei Piet, "en is dáár het bruidspaar?"
+
+"Ja, 't benne me grootvader en me grootmoeder, vijftig jaar
+getrouwd. Hier vader, hij is van de krant."
+
+Dit laatste schreeuwde hij den ouden man toe, die zeer doof bleek te
+zijn, en wees op Piet.
+
+Deze drukte de oudjes de hand en kreeg een stoel naast hen.
+
+Ze zeiden niets en keken maar naar de rumoerige familieleden, die
+kris-kras door elkaar redeneerden en daarbij den inhoud der flesschen
+in de glazen en daarna in hun monden lieten verdwijnen.
+
+De mannen zaten in hun hemdsmouwen en rookten zwarte sigaren, de
+vrouwen bespraken familie-zaken en haalden de afwezigen over den hekel,
+buiten jengelde het draaiorgel onvermoeid door en er doorheen huilde
+een lastige zuigeling.
+
+"Een heele feestdag," zei Piet tot den ouden bruidegom, om maar wat
+te zeggen.
+
+"Zoowat twee uur, denk ik," was het antwoord van den man, die het
+natuurlijk niet verstaan had.
+
+"Ik zeg ... een heel féést ..." sprak Piet nu wat luider.
+
+"Zoo ... kom je van Weesp?"
+
+Piet gaf het op, bovendien werd zijn aandacht afgeleid door een der
+Ooms, die al een merkwaardig aantal malen zijn glas gevuld en weer
+geledigd had en met luider stem zijn meening over de familie zei.
+
+"Nou ... en jullie magge 't allemaal hoore ... ik ben van geen mens
+bang ... Oom Tinus heit ze allemaal praatjes waisgemaak ... jullie
+net zoo goed ... en z'n cente ... z'n cente heit-ie netjes zellef
+gehouwe ..."
+
+"Wat weet jai nou van Oome Tinus z'n cente?" krijschte een tante,
+met welgevallen haar glaasje uitlikkend.
+
+"Hou jai je d'r nou buiten, Knelia," suste haar buurvrouw.
+
+Maar de Oom sloeg op tafel, dat de glazen en kopjes ervan rinkelden.
+
+"Ik zeg ... asdat Tinus ..."
+
+"Nau ja, we weten dat jij en Tinus ... jij en Tinus .... dronke
+benne ...?"
+
+"Zeg dat nog is," daagde Oom uit, "als je dat nog is zegt, zal 'k je
+in me knuisten neme ..."
+
+"Drònke ... drònke," herhaalde de neef, "en dat zeggen wij hier
+allemaal."
+
+PATS!!! ... kreeg de neef een haal om zijn ooren.
+
+Dat was het sein tot het hoofdnummer van het feestprogramma!
+
+Ieder nam deel aan het gevecht, de mannen sloegen op elkaar in,
+de vrouwen bewerkten elkanders aangezichten met haarspelden.
+
+Het werd Piet een beetje al te geanimeerd en hij zette zijn hoed op
+om te vertrekken.
+
+"Jij!" brulde een der gasten hem toe, "wat doe jij hier? Van de krant,
+hè? Heb jij 't hart in je falie om ons weer 's in de krant te zette
+... wáág het is ... dan sla 'k je hoed over je ooge ... kijk zóó!!"
+
+En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoed neer, die hem tot
+aan den neus over het hoofd zakte.
+
+Hoewel Piet absoluut niet bang was, den hardhandigen geweldenaar een
+staaltje van zijn vechtkunst te toonen, vond hij het toch maar beter
+te verdwijnen, omdat hij begreep, dat hij in minder dan geen tijd de
+heele familie en de heele buurt tegen zich zou hebben.
+
+En Pietje bedankte ervoor, op zulk een jeugdigen leeftijd reeds
+"gelijncht" te worden.
+
+Zonder een woord te zeggen, trok hij zich den hoed uit de oogen,
+verliet de vechtende feestelingen en herademde eerst weer, toen hij
+veilig en wel de hoofdstraat bereikt had ...
+
+In 't steegje klonk nog 't draaiorgel, dansten de buren en vocht de
+familie, alles ter eere van bruidegom en bruid!
+
+
+
+Een paar weken later vond Piet zijn vader in bezorgde stemming.
+
+Vader Bell liep met groote stappen den winkel op en neer, en bleef
+telkens nadenkend staan voor een groote partij doozen, netjes volgens
+maat in de muurkast opgestapeld.
+
+Piet kwam fluitend den winkel in en bemerkte al gauw, dat er iets
+met vader niet in den haak was.
+
+Hij ging naast hem staan, keek eens naar de rijen doozen en zei:
+
+"Dat zijn er heel wat!"
+
+"Tien vakken vol ... elk vak honderd paar ... duizend paar schoenen
+en geen cent waard."
+
+"Geen cent waard?"
+
+"Wel, dit zijn ouderwetsche, grove schoenen, ... maar
+ijzersterk. Moeten tien gulden kosten. Maar de menschen koopen
+tegenwoordig dit soort schoenen niet meer ... ze willen fijne schoenen
+hebben, lakpunten, knoopen, gummihakken en zolen ... Heb ik ook,
+meer dan genoeg .... maar hoe kom ik van die oude partij af?"
+
+Piet opende een der doozen en bekeek het stevige schoeisel.
+
+"Ziet er sterk en solide uit," meende hij.
+
+Toen zette hij zich op een stoel neer en dacht na.
+
+"Weet jij er soms wat op?" vroeg Vader.
+
+"Misschien, op 't oogenblik nog niet."
+
+Al maar keek Pietje naar die duizend doozen. Gedurende zijn werken
+aan de Morgenpost was hij vaak met handelslui in aanraking gekomen,
+had veel geleerd omtrent zakendoen.
+
+Aan vader had hij al lang geleden bewezen, dat geregeld adverteeren in
+de courant steeds nieuwe klanten aanbrengt en hij begreep, dat er ook
+een middel moest zijn, om Vader van deze partij schoenen af te helpen.
+
+"Wel vader," zei Piet, "ik moet nu naar het bureau, maar ik zal er
+goed over denken."
+
+Op den weg naar het kantoor passeerde Pietje verscheidene
+schoenwinkels, maar geen ervan deed iets bijzonders.
+
+En toen schoot Piet opeens een verhaal te binnen, dat Flip hem
+verteld had.
+
+Het was gebeurd in Flips sigarenwinkel.
+
+Daar was op zekeren dag een heer binnengekomen met de vraag naar
+goede Manilla sigaren.
+
+Flip gaf hem de beste, die er maar te krijgen waren, merk: Bouquet.
+
+De klant nam een kistje mee op proef, maar bracht het den volgenden
+dag weer terug met de boodschap, dat ze niet naar genoegen waren en
+hij betere verlangde.
+
+"Best meneer," had Flip gezegd, het kistje weer aannemend. Maar Flip
+had geen betere, en wist, dat er ook geen betere te koop waren. En
+daarop had hij dezelfde sigaren in een nieuw kistje gedaan en ze
+heetten nu: Perfectos.
+
+Toen de klant dit kistje mee naar huis genomen had, kwam hij denzelfden
+dag nog zeggen, dat deze Manilla's veel beter waren en bijzonder naar
+zijn genoegen.
+
+Piet dacht, als dat met sigaren gebeurd is, kan het ook wel met
+schoenen.
+
+En op het verhaal van Flip baseerde hij zijn plan.
+
+Wat drommel, daar had zijn vader duizend paar schoenen, niet bijzonder
+fraai en fijn, dat is waar, maar ijzersterk en mooi genoeg voor
+de werkdagen!
+
+En wat je de menschen voorzei, dat zeien ze na, vooral wanneer het
+in de krant stond.
+
+De krant!!... een idee!!
+
+Al zoovele malen had hij verslag gegeven van de opening eener nieuwe
+zaak, van het aan de markt brengen van een nieuw artikel.
+
+Een nieuw artikel!
+
+Dáár had je 't.
+
+Vaders duizend schoenen waren het nieuwe artikel. Wel, veel erger,
+ze waren een nieuwe uitvinding!
+
+Een nieuw soort leer... NIJLPAARDEN leer!!!!!
+
+Pas uitgevonden... Als dat niet werkte!!!
+
+Piet verhaastte zijn schreden en op het kantoor aangekomen, meldde
+hij zich bij den directeur.
+
+"Wel, jonge vriend, wat kan ik voor u doen?" was de vriendelijke
+begroeting.
+
+"Mijnheer," begon hij, "mijn vader heeft een zeer belangrijke
+uitvinding gedaan. Een uitvinding, die een geheele omwenteling teweeg
+zal brengen op het gebied der schoen-industrie."
+
+"Komaan, en waarin bestaat dat?"
+
+"Wel meneer, verleden jaar bracht een kennis van vader, die op de
+Middellandsche Zee vaart, de huid van een nijlpaard mee en gaf die
+aan ons cadeau.
+
+"Eerst liet vader het ding aan een spijker hangen, maar later kwam
+hij op de gedachte de huid te looien en als leer te bewerken."
+
+"Ja... en toen?"
+
+"Het leer viel een beetje grof uit, maar door herhaalde bewerkingen
+slaagde mijn vader er in, het zacht en buigzaam te maken en ten slotte
+maakte hij er een paar schoenen van, zoo sterk, dat ze maanden gedragen
+kunnen worden."
+
+"Wel, die uitvinding is goud waard!"
+
+"Goud meneer? Diamant, radium! Toen heeft Vader driehonderd nijlpaarden
+laten vangen en villen en uit die driehonderd huiden heeft hij precies
+duizend schoenen gemaakt. Ze zijn een wonder!
+
+"Wel, wel," lachte de heer Peters. "Wat kan jij ze vertellen! Maar
+wat wou u nu eigenlijk? Mij 'n paar ervan verkoopen?"
+
+"O, u kunt er zooveel van koopen, als u maar wilt. Maar dat bedoel
+ik nu niet."
+
+"Wat dan?"
+
+"Och, vader adverteert geregeld in de Morgenpost en nu wou ik een
+stukje in de kolommen zetten."
+
+"Wel, daar is niets tegen ... ga je gang ... Bell."
+
+Daar was het Piet alleen om te doen en na den directeur bedankt te
+hebben, verliet hij het vertrek.
+
+Dien avond luidde de advertentie van vader Bell aldus:
+
+
+ GROOTE UITVINDING
+ op het gebied der
+ SCHOEN-INDUSTRIE.
+ Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEER
+ De STERKSTE schoen ter wereld.
+
+ Alleen Zaterdag a. s.--Verkoop begint twaalf uur v.m.
+ 10 gulden--10 gulden--10 gulden--10 gulden
+ Alle maten voorhanden.--Let wel.--Alleen Zaterdag.
+
+ P. BELL'S SCHOENENMAGAZIJN
+
+ Heerenstraat 234
+
+
+En onder de rubriek stadsnieuws schreef Piet een zeer uitgebreid en
+fantastisch verhaal over vaders uitvinding en de nijlpaarden.
+
+Dat was Donderdag-avond.
+
+Den volgenden dag kwamen al een paar concurrenten-schoenhandelaars
+bij vader Bell informeeren naar de nieuwe uitvinding, maar vader zei
+niet veel, alleen, dat hij 't nog geheim moest houden.
+
+Pietje kwam Vrijdags thuis met een pak etiketten, waarop met groote
+letters in rood en zwart gedrukt was:
+
+
+ DE STERKSTE SCHOEN TER WERELD.
+
+ N. P. Leer.--Tien gulden.
+
+
+Vrijdagavond ging er een extra groote advertentie in de krant, waar
+Piet weer al zijn vernuft aan besteed had.
+
+Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de
+deur te wachten en die rij groeide gestadig aan.
+
+Om kwart voor twaalf was er geen houden meer aan en Vader telefoneerde
+naar het Politie-bureau om een paar agenten, teneinde de orde te
+bewaren.
+
+Een der koopers, een jonge man, die zag, dat Vader en Moeder Bell de
+drukte alleen niet aankonden, bood zijn diensten voor dien dag aan,
+hetgeen maar al te gaarne aanvaard werd.
+
+Er was geen tijd tot eten ... het eene paar schoenen vloog na het
+andere ... ieder wilde een stel nijlpaarden-schoenen hebben ... en
+heel den dag hield de stroom van koopers aan.
+
+En toen vader dienzelfden Zaterdag-avond den winkel om 12 uur sloot,
+was er van de duizend paar schoenen niet één over.
+
+Zoo'n dag had hij nog nooit meegemaakt ...
+
+
+
+"Wel vader," vroeg Piet, "heeft mijn plan gewerkt?"
+
+"Jongen, je idee was Amerikaansch ... maar ... zie je ... ik heb nog
+nooit van mijn leven zaken gedaan op die manier ... want ... zie je
+... het is toch eigenlijk géén nijlpaardenleer ..."
+
+"Wat doet dat er toe? Zijn 't geen bèste schoenen?"
+
+"O ja, puikbest ... beter dan menig andere ..."
+
+"Dus in ieder geval hebben de menschen beste waar voor hun geld,
+nietwaar?"
+
+"Zeker, jongen."
+
+"Wel wat doet de naam er dan toe? Olifanten, konijnen, nijlpaarden
+of spinnekoppenleer ... als 't maar sterk en goed is!"
+
+"En dát is het, Piet."
+
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+PIET HELPT ZIJN VRIEND JACOB UIT EEN LEELIJK GEVAL.
+
+
+Piet mocht soms zoo graag op zijn kamer zitten en zijn gedachten
+laten gaan.
+
+Heel vaak kon hij--ondanks zijn ingeboren vroolijkheid--ernstig aan
+zijn schrijftafel zitten, zijn werk maar voor een poosje laten liggen
+en niets anders doen dan droomen, droomen ...
+
+Of wel hij wandelde tot buiten de stad en liet zich dan aan den kant
+van het water in het gras neer.
+
+Dan luisterde hij naar het zacht-ruischende riet en staarde in de
+blauwe lucht waarin heel, héél hoog een leeuwerik jubelend opsteeg.
+
+In zulke oogenblikken van eenzaamheid in de rustige natuur kon Piet
+soms zoo haken en snakken naar vrijheid.
+
+Daarmee bedoelde hij geen lui, ledig, werkeloos leven ... verre
+van dat!
+
+Maar hij wilde onafhankelijk zijn, niet alle dagen weer datzelfde
+lijntje volgen van gisteren en eergisteren.
+
+Hij wilde werkend het leven en de wereld zien ... hij kon zich niet
+tevreden stellen met ergens een vaste betrekking met een vast weekloon
+en vaste vrienden en een vast adres.
+
+O ... dat vaste!!
+
+Neen, hij wilde de menschen over de heele wereld leeren kennen en
+dan vertellen van hun leven, hun daden, hun gedachten ...
+
+Ja, het was alles wel goed en mooi hier ... zijn brave liefhebbende
+ouders ... zijn beste vrienden ... heel die Vroolijke Bende... zijn
+werk aan de courant... o ja maar er was zoo'n stil verlangen in hem
+om deel te nemen aan de gróóte dingen in het leven ... en te reizen
+... en vreemde landen te zien....
+
+En de leden van de club nu--och, het waren allemaal beste, brave
+luidjes hoor, maar och heden, zoo vreeselijk oppervlakkig en gewoontjes
+... alleen Jacob Mantel kon wel eens ernstig praten en Harry ook
+wel ... maar de meeste anderen waren toch niet meer dan fladderende
+vlinders, alleen uit op pretmaken en aangenaam den tijd passeeren ...
+
+Wel, Pietje zelf kon daaraan meedoen ... en niet zoo'n beetje ... maar
+daarmee kon je toch je leven niet heelemaal vullen en een jongen had
+toch een levensdoel, nietwaar? En idealen, nietwaar?
+
+En dan kon Piet droomen, droomen van zijn toekomstig leven ... een
+leven vol van afwisseling....
+
+Geen kalm, recht lijntje van altijd weer dezelfde kleine levensdingen
+... maar een bruisende vloed van krachtige golven ... een leven
+met alles wat het leven geven kan ... vreugd en leed, genietingen
+en ontberingen, lachen en tranen en dan ... door worstelen tot
+overwinnen!!
+
+Dan zou hij één vriend willen hebben ... één trouwen makker, die alles
+met hem zou meemaken en met wien hij kon meeleven ... die ook wilde,
+wat hij wou.
+
+Van zulke gedachten was Piet ook weer op zekeren avond vervuld,
+toen hij--laat nog--een brief naar de post ging brengen.
+
+Het was guur najaarsweer en het had al dagenlang geregend, zoodat de
+straten er modderig uitzagen.
+
+Gedoken in de kraag van zijn jas, huiverend in den killen wind na de
+gezellige warmte van zijn kamer, haastte Piet zich voort.
+
+Hij had juist den brief in de bus gedaan en den terugweg ingeslagen,
+toen hij zich op den schouder voelde tikken en een vreemde man
+hem vroeg:
+
+"Is u Mr. Bell?"
+
+Piet knikte en wilde juist wat vragen, toen de vreemdeling hem een
+papiertje in de hand duwde en haastig verdween.
+
+Eerst wilde Piet den man naloopen, maar deze was zoo spoedig uit
+zijn oog verdwenen, dat hij die gedachte liet varen en het papier
+openvouwde:
+
+
+ Beste Vriend!
+
+ Ik zit in grooten nood. Help mij! Kom dadelijk per stoomtram naar
+ Westdijke, Sanatorium. Schel niet aan. Fluit aan den achterkant
+ van 't gebouw. Daar zal ik alles uitleggen. Kom vlug.
+
+ Jacob Mantel.
+
+
+Nu verbaasde Piet zich niet gauw over iets, maar dit leek toch wel
+een beetje al te kras!
+
+Zou het een grap wezen?
+
+Het leek wel iets van een dubbeltjes-roman.
+
+Maar ... het mòcht eens wáár zijn ... géén grap ... géén
+dubbeltjes-roman, maar werkelijke ernst ...
+
+Pietje dacht even na ... Jacob in het Sanatorium te Westdijke? Wel,
+dat was een soort van krankzinnigen-gesticht ... Wat ter wereld had
+Jacob dáárheen gevoerd?
+
+Met het briefje in de hand stond Piet onder het licht van een
+straatlantaarn. De regen begon met hernieuwde kracht te vallen ...
+
+Hij stak het papiertje bij zich en keek op zijn horloge.
+
+Bij tienen.
+
+Om elf uur ging de laatste stoomtram en die kon hij gemakkelijk halen.
+
+Toen liep hij nog even langs zijn huis, waar Vader juist den winkel
+sloot.
+
+Piet vertelde hem, dat het wel laat zou zijn, voor hij terug kwam,
+en Vader nam daar genoegen mee, overtuigd, dat Piet een goede reden
+had en niet voor plezier uitging in dit weer.
+
+In ruim een uur bracht de stoomtram Piet te Westdijke, een klein vlek
+op een der Zuid-Hollandsche eilanden.
+
+Piet was de eenige, die aan het open, verlaten station afstapte.
+
+Het was trouwens niet meer dan een halte, een overdekt perronnetje,
+door één klaaglijke olielamp verlicht.
+
+De wind gierde door de telegraafdraden ... de rossige wolken joegen
+door het luchtruim en de kille regen daalde gestadig neer ...
+
+"Brrrr ..." rilde Piet, "dat ziet er hier ook gezellig uit ... En
+wat een donker gat is het hier ... Heelemaal geen lantaarns!"
+
+Wel, er waren lantaarns langs den weg, maar de wind had ze al lang
+uitgewaaid. Maar dat kwam er niet op aan ook, want de bewoners van
+het gehucht waren allemaal te bed en wie had er nu nog lantaarns op
+den weg noodig?
+
+Ondertusschen stond Piet mooi in 't donker en wist niet eens, welken
+weg hij moest inslaan naar het Sanatorium.
+
+Bovendien maakte opnieuw de gedachte zich van hem meester, dat het tóch
+misschien maar een grap was ... om hem eens een poets te spelen ...
+
+Maar neen ... dat was niets voor Jacob ... Flip zou wellicht zooiets
+doen ... Jacob niet ... die was daar heelemaal de jongen niet naar.
+
+Vergeefs poogde hij met zijn oogen de duisternis te doordringen,
+toen hij opeens voetstappen hoorde.
+
+Klompen deden het grint kraken en vanuit het donker kwam de gedaante
+van een man te voorschijn.
+
+Hij nam den lantaarn uit het wachthuisje--er kwam geen tram meer voor
+den volgenden morgen--en ging er weer mee terug.
+
+Piet, die door den man niet opgemerkt was, riep hem aan:
+
+"Hallo daar ... Goeien avond!"
+
+De man schrikte zoo hevig van dat plotselinge geroep in het
+middernachtelijk uur, dat hij aan geesten dacht en het op een loopen
+zette.
+
+Maar dat was heelemaal Piet's bedoeling niet en omdat hij in dien
+man zijn eenige redding zag, liep hij hem na.
+
+Doch dat deed den vluchteling eerst recht op hol slaan en Piet zag,
+hoe de man op korten afstand een tamelijk groot gebouw binnen rende.
+
+"Bepaald een groote boerderij," dacht Piet.
+
+Maar dat had hij mis.
+
+Het bedoelde gebouw was het Sanatorium, waar de wisselwachter van de
+stoomtram des avonds den nachtportier van die inrichting gezelschap
+hield en een partijtje kaart met hem speelde.
+
+Ontsteld kwam hij de portiers-kamer binnenhollen.
+
+"Blaarveld ..." riep hij, en zakte, naar adem snakkend, op een stoel
+... "Op de baan ... geesten ... één liep mij na ... waarachtig!!!"
+
+"Weet je 't zeker?" vroeg de portier, die veel over geesten gelezen
+had en niet tot de dappersten behoorde.
+
+"Beslist man ... beslist ... Hallo daar ... zei die ... en nog
+wat... Sluit asjeblieft de deur..."
+
+De portier was lang niet op zijn gemak ... je zat hier in een
+krankzinnigen-gesticht en daar kon je juist zóóiets verwachten ...
+
+Beide mannen zaten bevend en zwijgend bijeen en luisterden naar
+'t huilen van den wind.
+
+"Ik ga ... nog niet ... naar huis ..." zuchtte de baanwachter,
+"ik blijf je nog wat gezelschap houden."
+
+"Ja, dat is wel goed," antwoordde de portier met een zucht van
+verlichting.
+
+Intusschen had Piet, wat langzamer, den weg gevolgd en ontdekte,
+dat hij niet een boerderij, maar een veel grooter gebouw voor zich had.
+
+Flauw schemerde een wit bord aan den ingang, maar het was onmogelijk,
+iets erop te lezen in deze ondoordringbare duisternis.
+
+Slechts één raam was verlicht, dat van de portierskamer.
+
+Piet probeerde een lucifer aan te strijken, dichtbij het bord.
+
+Maar pas bij de zesde las hij een brokstuk: Sana ...
+
+"Wel," dacht Piet, "dat is meer geluk dan wijsheid. Hier is dus het
+Sanatorium! Nu probeeren, om ongemerkt aan den achterkant te komen ..."
+
+Hij sloop over het bruggetje, dat naar den ingang leidde en liep
+voetje voor voetje, telkens wachtend en luisterend, langs den zijkant
+van het gebouw.
+
+Het gieren van den wind en het kletteren van den regen zorgden er
+wel voor, dat er van zijn bewegingen niets gehoord werd.
+
+Aan den achterkant nam hij, voor zooverre hij het in den nacht
+onderscheiden kon, het huis eens op.
+
+Het had twee verdiepingen ... langs den muur liep een ijzeren
+brandladder.
+
+Piet floot het signaal van de club en herhaalde dat eenige malen.
+
+"Stil ... hoorde je dat?" vroeg de baanwachter.
+
+"Neen ... 't is de wind," zei de portier, die ook beefde.
+
+Aan de achterzijde zag Piet, hoe voor een der ramen iets wits heen
+en weer gezwaaid werd.
+
+De ijzeren brandladder liep langs dat raam.
+
+Vlug klom Piet er tegen op en zag spoedig, hoe iemand achter het
+raam een handdoek zwaaide, hoewel hij het gezicht van den persoon
+niet kon onderscheiden.
+
+Maar toen de ander zijn gelaat tegen het glas drukte, zag hij het toch,
+hoewel onduidelijk.
+
+Het was inderdaad Jacob Mantel.
+
+Luid spreken was natuurlijk onmogelijk en zou dra de bewakers gewekt
+hebben.
+
+"Als ik maar eerst bij hem ben," dacht Piet, "dan zal ik er wel meer
+van hooren."
+
+Maar het groote venster was van stevige sloten voorzien, en hoewel
+er geen tralies voor waren, was het niet mogelijk, het zonder sleutel
+te openen.
+
+Piet trachtte door gebaren Jacob instructies te geven, maar dat
+was niet eens noodig, aangezien Jacob de zaak al lang en breed
+uitgedacht had.
+
+Hij nam een deken van zijn bed en drukte die tegen een der groote
+ruiten van het venster aan.
+
+Daarop gebaarde hij Piet, de ruit in te duwen.
+
+Pietje kende dergelijke kunstjes vanuit de rechtszaal.
+
+Hij trok zijn jas uit, rolde die op en drukte langzaam steeds sterker
+en sterker tegen het glas, dat het met een scherpen knars afknapte.
+
+'t Geluid ging in den wind verloren.
+
+Jacob ving geluidloos de stukken in den deken op, terwijl Piet de
+overige brokken uit de sponningen trok.
+
+Dat alles gebeurde zonder spreken.
+
+Toen klom Piet met eenige moeite naar binnen en zette zich bij Jacob
+op het bed neer.
+
+Deze legde den vinger op den mond en luisterde.
+
+Maar alles bleef stil.
+
+"Piet," fluisterde Jacob dicht aan het oor van zijn vriend, "laten we
+heel, héél zacht spreken. Ik moet hier vandaan ... zoo gauw mogelijk
+... Ik zal je later alles verklaren ... alles vertellen ... Maar ik
+moet hier weg ... Het ergste is, ik heb hier geen kleeren ... die
+hebben ze mij ontnomen ..."
+
+"Maar ..."
+
+Snel legde Jacob zijn hand op Piets mond.
+
+Voetstappen naderden in de corridor.
+
+"Vlug ... kruip weg ... de nachtronde ..."
+
+Jacob rolde zich in zijn bed en hield zich slapende, terwijl Piet
+zich stijf tegen den muur drukte, naast de deur.
+
+De voetstappen hielden stil ... een luikje werd geopend in de deur
+en de electrische stralenbundel van een zaklantaarn viel op Jacob's
+gezicht.
+
+'t Licht verdween weer ... 't luikje klapte dicht ... de voetstappen
+gingen weer verderop.
+
+Piet en Jacob wachtten nog even, tot het geluid der voetstappen
+verstorven was.
+
+"Luister," zei Piet zachtjes, toen Jacob weer uit het bed gekomen
+was. "Trek zoolang mijn overjas aan, ik zal om ieder been van je een
+laken winden, bij wijze van schoen, snap je?"
+
+Jacob liet zich door Piet bekleeden en daarop deed deze hem zijn
+eigen overjas aan.
+
+Geluidloos kropen ze door de opening van het venster en daalden de
+brandladder af.
+
+
+
+Ruim tien minuten lang liepen ze zwijgend langs de trambaan, toen ze
+aan een andere halte kwamen, waar een wachtershuisje stond.
+
+Beiden hadden het erg koud en waren doornat.
+
+Piet bemerkte tot zijn groote vreugde, dat de deur van het huisje
+niet eens gesloten was.
+
+Ze traden er voorzichtig binnen.
+
+De baanwachter was natuurlijk al lang naar bed en had zijn kacheltje
+met kolen opgeladen, om de warmte in het wachthuisje te bewaren.
+
+Piet stookte het vuur wat op, dat dra begon te snorren en bij die
+warmte droogden ze hunne doorweekte kleeren.
+
+"En hier hangt me zoowaar een baanwerkerspak aan den muur," zei
+Piet. "Trek het aan, Jacob, ik zal wel wat geld hier neerleggen voor
+den eigenaar, hoewel het heele stelletje geen twee kwartjes waard is."
+
+"Het is mij wel honderd gulden waard," zuchtte Jacob. "Wil je mij
+mee naar je huis nemen, Piet?"
+
+"Natuurlijk," zei Piet, "maar vertel me nu eerst eens, hoe jij in
+dien gekkenboel verzeild geraakt bent! Toen ik je briefje kreeg,
+dacht ik eerst, dat het veel leek op een dubbeltjes-roman, en toen
+weer, dat het een mop van je was, maar nou begin ik toch weer sterk
+aan den dubbeltjes-roman te denken."
+
+"Wel, het lijkt er een beetje op," zei Jacob. "Men zou niet denken,
+dat in ons landje in deze beschaafde wereld, zulke dingen konden
+gebeuren, maar ik zal je bewijzen, dat het nog wèl kan."
+
+"Best, maar kleed je eerst in dit werkpak, dan kunnen we onder 't
+loopen wel praten."
+
+Buiten gierde de wind, maar de regen verminderde gaandeweg.
+
+Jacob had de lakens ineengerold onder den arm en zonder verder
+tijdverlies verlieten de jongelieden het wachthuisje.
+
+"Je moet dan weten," begon Jacob, terwijl ze de trambaan volgden,
+"dat ik een Grootvader heb, die zóó gelukkig is geweest in den handel
+in Javasuiker, dat hij schatten op schatten gestapeld heeft en wel
+millionair zal zijn. Nu heb ik het ongeluk, zijn erfgenaam te zijn en
+zijn naamgenoot, dus wanneer Grootvader sterft, erf ik het grootste
+deel van zijn eigendommen."
+
+Een andere zoon van Grootvader, mijn vaders broer, heeft zich vroeger
+aan bedrog schuldig gemaakt en werd onterfd.
+
+Dat is mijn Oom Karel.
+
+Die Oom Karel heeft zich later met Grootvader in zooverre verzoend,
+dat, als ik niet instaat ben, de erfenis te aanvaarden, deze zal
+overgaan op Oom Karels kinderen.
+
+Wel, Grootvader is ernstig ziek geworden en zal waarschijnlijk wel
+sterven, en toen heeft Oom Karel de familie-raad bijeen geroepen
+en mij geestelijk ziek verklaard. Ik denk, dat hij aan alle tantes,
+neven en nichten aanzienlijke geldsommen beloofd heeft, want plotseling
+verklaarden allen mij voor ontoerekenbaar en ze hebben mij eergisteren,
+zonder er ook maar één dokter bij geraadpleegd te hebben, naar het
+Sanatorium gebracht. Ik denk, dat het in Oom Karels plan lag, mij
+hiervandaan stilletjes naar een afgelegen oord in het buitenland
+te transporteeren, alleen maar om zich meester te maken van die
+erfenis. De man, die jou het briefje gaf, was een ontslagen patient,
+die meelij met mij had en je het papiertje zou geven, zonder dat
+iemand het bemerkte.
+
+En nu weet je dus, hoe ik in die inrichting kwam.
+
+"Maar ik weet zeker," zei Piet, "dat niemand in zulk een inrichting
+opgenomen kan worden zonder een verklaring van een dokter."
+
+"Wel, iemand als mijn oom Karel deinst voor niets terug.
+
+"Hij had de verklaring zelf opgesteld onder den naam van een zekeren
+dokter Moolerheide, die natuurlijk heelemaal niet bestaat."
+
+"Dat wordt een groote rechtszaak," zei Piet. "Als je wilt, gaat je
+oom met de familie achter de tralies!"
+
+"Niets daarvan," zei Jacob. "Ik zal je later wel vertellen, wat mijn
+verdere plannen zijn."
+
+Na ruim drie uren geloopen te hebben, hadden zij de stad weer bereikt
+en waren spoedig daarna bij Piets woning aangekomen.
+
+
+
+Piets ouders waren niet weinig verbaasd, toen hun zoon den volgenden
+morgen een slaapkameraad meebracht aan de ontbijttafel.
+
+Maar Jacob verklaarde met een paar algemeene en weinigzeggende woorden,
+dat hij "onaangenaamheden" met zijn familie had gehad en daarvoor
+Piets gastvrijheid had ingeroepen.
+
+Jacob vertrouwde Piets ouders natuurlijk wel, maar wenschte voorloopig
+in het geheel niet over de zaak te spreken, daar zou later altijd
+gelegenheid voor zijn. Uit bescheidenheid drongen Vader en Moeder
+Bell dan ook niet op verdere uitlegging van het geval aan.
+
+Ze vertrouwden Piet ten volle en later zou deze wel alles verklaren.
+
+Zoo werd het dan afgesproken, dat Jacob voor enkele dagen hun gast
+zou zijn.
+
+"Zeg, Piet," vroeg Jacob hem, "weet jij niet op een handige manier
+aan wat kleeren en ondergoed van mij te komen?"
+
+"Waar is dat?"
+
+"Wel, op mijn kamer in Oom Karels huis. Je bent er immers laatst
+nog geweest?"
+
+"O zeker, dan weet ik er alles van. Hoe laat komt je Oom gewoonlijk
+thuis?"
+
+"Zes uur 's avonds. Maar mijn neef en nicht, Gerrit en Lucie, zijn
+meestal om vijf uur al binnen."
+
+"Best ... ik zal wel een maniertje verzinnen. Hebben jullie datzelfde
+dienstmeisje nog, die zeven kanten tegelijk uitkijkt?"
+
+"Bertha ... ja, die is er nog."
+
+"Mooi, vanavond heb jij je kleeren."
+
+Dien middag belde Pietje bij Jacobs vroegere woning aan.
+
+Het dienstmeisje, dat "zeven kanten tegelijk uit keek", deed de
+deur open.
+
+"Dag Bertha," groette Piet vriendelijk.
+
+"Dag meneer Bell," sprak Bertha met slissende tong, "meneer Jacob is
+uit de stad."
+
+"Dat weet ik," zei Piet snel, "en hij stuurt mij hierheen, om wat
+kleeren en ondergoed te halen, want hij heeft daarvan niet genoeg
+bij zich. Jacob heeft mij gevraagd, dat voor hem in te pakken en op
+te zenden."
+
+"O, dat is heel goed," zei Bertha, die klaarblijkelijk van de heele
+zaak niets wist en werkelijk in den waan verkeerde, dat Jacob "uit
+de stad" was.
+
+Piet begaf zich naar boven, had in tien minuten Jacobs koffer gepakt
+en was er spoedig mee verdwenen.
+
+Maar dienzelfden avond kreeg Pietje bezoek van Jacobs Oom.
+
+Hij was zeer deftig gekleed en vroeg aan Vader Bell, of Jacob daar
+ook was.
+
+Vader zei, dat hij eens zou gaan zien, maar ging natuurlijk de jongelui
+waarschuwen. Piet kwam met Vader naar beneden en deed zeer vriendelijk.
+
+"U is Jacobs vriend?" vroeg de bezoeker scherp.
+
+"Dat ben ik," zei Piet welgemeend.
+
+"En u heeft dezen middag zijn koffer met kleeren weggehaald?"
+
+"Dat heb ik," zei Piet met 'n lichte buiging.
+
+"Wie gaf u daar het recht toe?"
+
+"Het recht? Dat weet ik niet. Ik deed het op Jacobs verzoek."--"Op
+Jacobs verzoek? Is hij dan hier?"
+
+Piet schudde het hoofd, had er schik in, den intriganten oom om den
+tuin te leiden.
+
+"Hier geweest," zei hij. "Een uur geleden vertrokken naar Amsterdam."
+
+"Hoe laat kwam hij dezen morgen hier?"
+
+"Ongeveer tien uur ... en hij had een inspecteur van politie bij zich."
+
+Oom Karel werd wit.
+
+"Wat ... wat vertelde Jacob u?" vroeg hij.
+
+"Zeer weinig," zei Piet. "Alleen meende ik hem te hooren zeggen,
+dat hij een schurk achter de tralies ging zetten ..."
+
+De bezoeker voelde zich lang niet op zijn gemak en dacht even na.
+
+De jongen was dus naar Amsterdam ... bepaald de familie daar gaan
+opzoeken, maar die waren ook in 't spel. Ze zouden dus Jacob wel
+vasthouden en daarom zou het maar het beste zijn, dat hijzelf er alvast
+heen ging, om den lastigen jongeling weer terug te brengen. Maar als
+Jacob de politie erin had gehaald, stond de zaak leelijk.
+
+Zonder verder een woord te zeggen, draaide Oom Karel zich om en
+verliet den winkel.
+
+Piet ging weer naar boven, waar zijn vriend hem in angstige spanning
+wachtte.
+
+"Wel, wat zei hij?"
+
+"Ha-ha-ha," lachte Piet. "Die is voorloopig je spoor kwijt. Ik vertelde
+hem, dat je vanmorgen hier gekomen was met een inspecteur van politie
+en toen werd hij zoo wit als een ijsbeer ... en ook heb ik maar gezegd,
+dat je naar Amsterdam was gegaan ..."
+
+"Je hebt me zoo prachtig in deze zaak geholpen, Piet, dat ik je er
+mijn leven lang dankbaar voor blijf."
+
+Jacobs lippen trilden en zijn mondhoeken trokken zenuwachtig.
+
+"Dat ellendige ... vervloekte geld ..." vervolgde hij met bevende stem
+... "wat maal ik er om ... waarom laten ze mij niet met rust? ... laten
+zij hun centen houden ... ik ben gelukkig met m'n boeken ... met m'n
+werk ..."
+
+Hier barstte Jacob eerst recht in snikken uit; hij had de laatste dagen
+ook zooveel verschrikkelijks doorleefd zònder een klacht te uiten
+of een traan te laten ... maar nu kwam het los ... het opgekropte,
+het ingehouden verdriet over het groote onrecht, hem aangedaan ...
+
+Piet begreep het gevoelen van Jacob ten volle en liet hem stil begaan.
+
+Hij legde zijn hand op Jacobs schouder en zei:
+
+"Kom, ouwe jongen, laat jij oom Karel en zijn heele kliek naar de
+maan loopen. Als ik jou was, keek ik ze nooit weer aan en zocht mijn
+eigen weg. Je hebt je kleeren en je hebben en houwen in je koffertje
+... de wereld ligt voor je open ... het eenige, wat je te doen hebt,
+is te werken ..."
+
+Jacob glimlachte zoowaar weer.
+
+"Piet, wat zou jij dan doen ... ik bedoel ... waarheen? ..."
+
+"O lala ... China ... Japan ... Lutjebroek ... Amerika ... doet er
+niet toe. Overal wordt brood gebakken. Maar hier moet je vandaan
+... zoo gauw mogelijk. De oudelui en ik zullen je wel helpen."
+
+"Beste kerel, hoe kan ik je ooit danken?"
+
+"Door mij altijd 'n brief of 'n kaart te sturen."
+
+"Is dat alles?"
+
+"Door steeds m'n vriend te willen zijn."
+
+"Graag, Piet, graag."
+
+"Uitstekend, afgesproken ... En nou haal je je asjeblieft geen
+onnoodige zorg of angst in je hoofd, terwijl ik weg ben--want ik moet
+alweer naar m'n redactie-bureau--en je amuseert je maar met m'n boeken,
+d'r staan er genoeg."
+
+
+
+Een week later was Jacob, de erfgenaam van een millioen, aangenomen
+als bediende op een Amerikaansche boot.
+
+Het afscheid tusschen hem en Piet was hartelijk.
+
+Jacob beloofde, voortdurend Piet op de hoogte te houden.
+
+"Want," had Piet gezegd, "terwijl jij in veiligheid bent, Jacob,
+zullen Vader en ik een oogje in 't zeil houden, je begrijpt me, he?"
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE IJSCLUB EN DE SOIRÉE VAN DE VROOLIJKE BENDE.
+
+
+De winter, die tot half Januari het menschdom vergast had op de eene
+regenbui na de andere, soms afgewisseld met wat natte sneeuw, begon
+zich op den zestienden van een anderen kant te laten zien.
+
+Den avond te voren waren de straten nog nat en modderig van de
+aanhoudende regens, maar des nachts draaide de wind naar het noorden en
+begon het opeens zoo sterk te vriezen, dat de straten weldra ijsbanen
+leken en het verkeer groote moeilijkheden opleverde.
+
+Het was Zaterdag en dus wat drukker dan gewoonlijk, wat nog meer
+verwarring gaf.
+
+Het was zoo glad, dat Piet--die bovendien zich dien morgen nog
+verslapen had en zeer gehaast was--twee stappen achteruit gleed als
+hij er één voorwaarts deed.
+
+Hij draaide zich dus om en liep weer naar huis en bereikte op die
+manier de Morgenpost-bureaux.
+
+Een paar dagen vroor het buitengewoon en Piet vertelde aan zijn ouders,
+dat het zoo koud was, dat de ijskegels aan zijn vulpenhouder hingen,
+als hij er mee schrijven wou.
+
+Het duurde dan ook niet lang, of de groote plassen buiten de stad
+openden hun ijsbanen en weldra wapperde de driekleur van de vele
+rieten tentjes, waar heete anijsmelk, korstjes en polkabrokken
+verkocht werden.
+
+Waar er maar een gelegenheid van openbaar vermaak was, kon men de
+Vroolijke Bende vinden.
+
+De jongelui van de club hadden "gezelligheid" tot een van hun grootste
+deugden gemaakt en ze zochten elkaar dan ook altijd weer op.
+
+Zelfs wanneer een hunner een apart uitgaanspartijtje had, noodigde
+hij altijd een der anderen uit, met hem mee te gaan en zoo was het
+niet meer dan vanzelfsprekend, dat Piet den volgenden Woensdagmorgen
+Mien Kuijer opbelde.
+
+Mien was thuis en nam bij het weerklinken van de schel de telefoon
+van den haak.
+
+"Hallo ... wie daar?"
+
+Piet hoorde dadelijk aan de stem, dat Mien het was.
+
+"Hallo Mientje ... Pietje Bell!"
+
+"O ben jij 't, Piet? Wat scheelt er aan?"
+
+"'n Heeleboel, kind. Ik heb vanmiddag vrij en ga naar de ijsclub. Heb
+je zin om mee te gaan?"
+
+"Nou, asjeblieft ... Dolletjes ... Wacht even, 'k zal Moes vragen."
+
+Piet wachtte even, maar gauw kwam ze weer terug.
+
+"Hallo Piet ... ben je daar?"
+
+"Heelemaal. Wat zei Hare Majesteit?"
+
+"'t Is goed, Piet, kom je me halen?"
+
+"Met de stafmuziek. Kan je zwieren?"
+
+"Beter dan jij?"
+
+"Dat doe ik met je. Nou, om twee uur dan. Dag zwierbol!"
+
+"Dag idioot, kom niet te laat hoor. Anders ga 'k met Harry."
+
+"Moest je 't hart eens hebben ... Dag wurm!"
+
+Precies twee uur was Piet present.
+
+Hij had zijn blinkende kunstrijders-schaatsen over den schouder,
+'n pet en 'n wit wollen sporthemd stonden hem flink bij de korte
+pofbroek en de sportkousen. Met z'n gezond, door de kou frisch-rood
+gekleurd gezicht was hij het type van den fikschen, kerngezonden
+Hollandschen jongen.
+
+Mien had een witte baret en een wit manteltje, waarover haar kastanje
+bruine lokken met 'n witten strik bijeengebonden, neerhingen.
+
+"Wel Piet," zei Miens moeder, "dat is nu eens aardig van je, om
+Mientje te komen halen."
+
+"Och," zei Piet, "alleen heb je er weinig aan, en wij leden van de
+Vroolijke Bende houden van gezelligheid."
+
+"Misschien zien we de rest van de Bende ook nog op de ijsclub,"
+giste Mien.
+
+"Daar heb je kans op. Ik hoop het."
+
+"Waarom? Heb je aan mijn gezelschap niet genoeg?" pruilde ze.
+
+"O jawel, maar hoemeer zieltjes, hoemeer vreugd. En dan heb ik ook nog
+een kansje om eens met Marie van Zanten te rijden. Die zwiert fijn."
+
+"En ik met Harry," plaagde Mien. "Die trekt je zoo heerlijk mee!"
+
+"Wel, om te beginnen zal ik je maar meetrekken," lachte Piet, "want
+we staan hier mooi onzen tijd te verpraten."
+
+"Dag schàttemoes," riep Mien en ze vloog haar moeder aan, of ze voor
+goed op reis ging.
+
+"Dag kinderen, amuseer je. En om zes uur thuis Mien. Zal je ervoor
+zorgen, Piet?"
+
+"In orde, mevrouw. Ik zal ze in vloeipapier pakken en niet
+kreukelen. Of anders plak ik wel een postzegel op haar gezicht en
+stop ze in een brievenbus."
+
+Lachend gingen ze op stap, beiden verlangend naar de heerlijke
+ijsbanen.
+
+Vertrouwelijk stak Mien haar arm door dien van Piet en zoo wandelden
+ze naar de halte, vanwaar ze de tram namen naar de ijsclub.
+
+De vier banen van de ijsclub waren over de geheele lengte met vlaggen
+versierd. Het was koud, maar stil, helder weer en de vroolijke muziek
+van het Huzaren-regiment weerklonk over de vlakte, waar reeds honderden
+rijders van het mooie ijs genoten.
+
+Zooals het een beleefden en galanten jonkman betaamt, bond Piet de
+schaatsen voor Mien aan.
+
+Ze zat op een stoeltje, terwijl hij geknield de schaatsen vastmaakte.
+
+"Au, niet zoo stijf, duvel!" riep ze.
+
+"Kom ze moeten stevig zitten, anders rij je ernaast."
+
+"Nou ... wacht even ... ja, zoo is 't goed."
+
+"Tot uw dienst, Hoogheid."
+
+Daar kwamen zoowaar Flip en Marie aanzwieren.
+
+"Bonjour luidjes," riep Flip hen toe. "Harry en Spinnetje zijn ook aan
+'t krabbelen. We zijn dus al met ons zessen."
+
+"Is de baan goed?" informeerde Piet, die zijn slachtoffer losliet en
+een paar sierlijke krullen maakte, om zijn schaatsen te probeeren.
+
+"Buitengewoon fijn ... geen geultje en geen krasje."
+
+"Kom mee, Mien," inviteerde Piet. "Eerst maar een baantje om!"
+
+Ze kruisten de armen en met breede, krachtige slagen voerde Piet haar
+met zich mee.
+
+"Gut, wat zwier jij," riep Mien, "dat kan ik niet."
+
+"Larie ... kan iedereen ... Zet je voeten buitenwaarts neer. Juist
+zoo ... zie je nou wel? Rustig aan nou ... fijn."
+
+Zoo zweefden ze over de ijsbaan, naijverig nagekeken door menigeen.
+
+Aan het einde van de baan kwam Harry hen een eindje tegemoet.
+
+"We zullen een lollig stelletje beleven," vertelde hij hun. "Eetje
+is op de baan verschenen. Hij heeft een compleet sport-costuum,
+maar heeft nog nooit gereden."
+
+"Wat ... heeft hij nog nooit schaatsen gereden?" vroeg Mien verbaasd.
+
+"Neen ... dit is de eerste maal. Hij wou niet voor de anderen onderdoen
+en is daarom ook maar gekomen."
+
+"Stil ... daar komt hij."
+
+Als een levende reclame voor zijn Vaders zaak kwam Eduard aankrabbelen.
+
+Zijn lichtgrijs sportkostuum sloot hem nauw om de magere leden, de pet
+leek wat te groot, en de handen had hij gestoken in roodbruine glacé
+handschoenen, die te meer in 't oog liepen, omdat hij voortdurend
+met de armen in het rond zwaaide.
+
+Lachend om zijn eigen armen- en beenengemaai naderde hij de anderen,
+slippend, struikelend en cirkels in de lucht teekenend ...
+
+"Dég lui! Ook op de schétsen véndég?"
+
+"Nee, heelemaal niet, we loopen stelten," zei Piet.
+
+"Je rijdt al aardig, Ee," zei Mien.
+
+"O, 'k begin pés ... Mér 't gét best ... 't gét best ... En tegelijk
+gleed Eetje onderuit en smakte met z'n zit-vlak een ster in 't ijs.
+
+"Zeker," zei Flip, "'t gaat best."
+
+"Zal ik een baantje met je rijden?" vroeg Piet, daarbij de anderen
+een knipoogje gevend.
+
+"Heel grég, Piet, heel grég."
+
+"Hou vast dan ... nee niet zoo ... bee jij betoeterd!! Armen
+gekruist. Nou, sla uit je linkervlerk ... mooi ... nou je rechter
+... nee, bee-je gek, niet allebei tegelijk!"
+
+"Ho-ho! ... ik vél...." sidderde Eetje.
+
+"Nee, je valt niet, ik heb je vast ... zet maar niet zoo'n benauwd
+gezicht ... Komaan ... een-twéé ... een-twee ..."
+
+Geholpen door Piet ging 't nu vrij goed, maar toen ze bijna aan 't
+eind van de baan waren en een stevig vaartje hadden, liet Piet Eetje
+opeens los en gaf hem nog een flinken zet, waardoor de hulpelooze
+jongeling als een pijl uit den boog voortvloog en met wijd-geopende
+armen op de massa toeschouwers afschoot.
+
+Hij werd met een hoera-tje opgevangen en sloeg zijn armen om een
+dikke dame, vergeefs een steunpunt op het gladde ijs zoekend.
+
+"Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!" riep de dame, die door Eet
+je bijna gewurgd werd.
+
+Alle omstanders gierden het uit.
+
+"Ik ... ik kan niet!" hijgde Eduard en bleef almaar uitglijden en
+krabbelen, steeds de dame om den hals hangend.
+
+Maar daar kwam de echtgenoot van de dame te hulp.
+
+"Laat los!" bulderde hij en tegelijk greep hij Eetje in de lenden,
+tilde hem op en duwde hem met een flinke vaart over de ijsbaan.
+
+Eetje gleed op één schaats voort, 't andere been omhoog houdend
+en weer met beide armen wijd uitgestrekt, totdat hij wat teveel
+achter-overhelde en met een duidelijk hoorbaren smak een tweeden ster
+op het ijs maakte.
+
+Eduards zitdeelen waren door deze athletische toeren zóó beschadigd,
+dat hij van verdere pogingen afzag, en op dezelfde plek zijn schaatsen
+afbond. Daarna voegde hij zich maar bij de toeschouwers.
+
+De Vroolijke Bende bleef rijden, tot het donker begon te worden en
+ging toen in een groepje huiswaarts.
+
+"Wanneer wordt onze Soirée nu gehouden?" vroeg Mien.
+
+"Over drie weken," zei Harry, "ik heb vanmorgen den Schouwburg
+gehuurd."
+
+"Dan mogen we wel voortmaken met ons programma."
+
+"Wel, het tooneelstukje zit er al bijna in en voor de rest hebben we
+de aparte nummers maar in te vullen."
+
+Pietje had voor de winter-soirée van de club een tooneelstukje
+geschreven, een klucht in twee bedrijven.
+
+Gedurende de laatste vier weken hadden de leden het ijverig onder
+zijn leiding ingestudeerd en het beloofde wel een succes te worden.
+
+Hij had het speciaal voor de leden van de club ineengezet en voor
+ieder een geschikte rol geschreven.
+
+Harry zou de huisheer zijn en Marie de huisvrouw, Mien hun groote,
+kattige dochter, Jannetje de Boog een voorname huurster, Eetje
+een verwaand kostganger, Flip een reiziger in wijn en hijzelf een
+Engelschman, terwijl voor Spinnetje, die weinig speeltalent bezat,
+de rol van dienstmeisje was bestemd.
+
+"Vergeet niet de repetitie van morgenavond," zei Piet.
+
+Vroolijk babbelend over de komende soirée kuierden ze gezellig naast
+elkander voort, tot ze weer de tram konden nemen naar huis.
+
+Galant bracht Piet zijn dame weer thuis.
+
+"Wel bedankt Piet," zei Mien. "Gaan we morgen weer?"
+
+"Op je kattenoogen! Wat denk je, dat ik wel ben ... Millionair? 'k
+Moet werken hoor. Dag garnaal!"
+
+
+
+Toen Piet dien avond thuiskwam, lag er een brief voor hem.
+
+Een brief uit Amerika! Van Jacob natuurlijk!
+
+Haastig verbrak hij het couvert en las:
+
+
+ New-York, 2 Januari 19....
+
+ Riverside Drive 1490
+
+ Beste, trouwe Vriend!
+
+ Hier is dan m'n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd
+ in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke
+ Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt,
+ Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak
+ terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van
+ al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, en
+ je beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de
+ goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre
+ van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was
+ dan ook meer dan erg.
+
+ Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging
+ ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest,
+ waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft
+ het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de
+ nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan
+ boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in
+ mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had,
+ bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika
+ evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn
+ middelen zeer beperkt waren.
+
+ Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en
+ den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend,
+ wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst
+ ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan
+ zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op
+ een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo'n groote kerel
+ als ik, als een klein kind aan het huilen.--Wel Piet, en na die
+ huilpartij voelde ik me opgelucht en m'n angst was verdwenen.--Wat
+ drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen
+ door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met
+ gereedschappen hebben moest. "Een dollar," zegt hij--en ik betaalde
+ hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels,
+ lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad
+ staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar.
+
+ Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit
+ zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein
+ restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee
+ dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna
+ drie dollars per dag.
+
+ Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die
+ doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te
+ lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord
+ of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven
+ een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.--Opeens zeg
+ ik: Is u Hollander, meneer?--Nou, en toen had je hem moeten
+ zien.--Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet
+ wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens
+ gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van
+ mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en
+ hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.--Hoe heet
+ je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.--David Mantel,
+ de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de
+ kleinzoon van mijn besten vriend.
+
+ En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan
+ een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij
+ nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet
+ je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer
+ van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel
+ gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door
+ ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf
+ ik wel wat over New-York, enz.
+
+ Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je
+ brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat
+ mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje.
+
+ Met beste groeten en 'n stevigen handdruk,
+
+ Je vriend,
+ Jacob Mantel.
+
+
+Piet liep met den brief naar beneden, waar zijn Moeder het avondeten
+gereed maakte. Hij hield haar den brief voor, gaf haar een klinkenden
+zoen en zei:
+
+"Van Jacob."
+
+Moeder lachte.
+
+"Wat bedoel je, den brief of den zoen?"
+
+"Beide, moedertje. Lees maar."
+
+Ze zette haar bril op en las met prevelende lippen.
+
+"Wel, wel, die is goed af, Piet. Maar jij mag ons nog niet verlaten,
+hoor."
+
+"O neen, zoover zijn we nog niet. Later ... misschien ..."
+
+"Ik moet er niet aan denken, Piet, dat jij ons nog eens zult verlaten."
+
+"Wat is dat? Piet ons verlaten?" klonk Vaders stem.
+
+Bell was binnengekomen en had juist Moeders laatste woorden opgevangen.
+
+"Geen sprake nog van," lachte Piet. "We hadden het over Jacob
+Mantel. Hier is een brief van hem uit New-York".
+
+"Wel, die is goed te land gekomen. De arme jongen verdient het dubbel
+en dwars. Maar wat moet jij daar nu gaan doen, Piet? Wou je daar ook
+gaan schoenpoetsen?"
+
+"Dat zal niet noodig zijn," zei Piet.
+
+Moeder stonden de tranen in de oogen.
+
+"Wat nou, moeder?" vroeg vader, haar op den rug kloppend. "Wat ga je
+nou doen?"
+
+"Piet moet niet weggaan ..." snikte ze.
+
+"Wel, er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt," zei
+Piet. "Voorloopig heb ik het best naar mijn zin."
+
+"Och," beweerde Vader, rustig zijn pijp stoppend, "ik weet nog niet,
+wat ik zou doen, als ik in Piets plaats was. Hij is op het oogenblik
+nog wat jong en onervaren voor zulk een groote onderneming en daarbij
+heeft hij ons nog, om voor hem te zorgen."
+
+"Toen ik echter zoo oud was als hij, miste ik reeds m'n beide ouders
+en stond ik vrijwel alleen.
+
+"Ik had een oudere zuster, Cato, en die deed mij in de leer bij een
+schoenmaker. Sinds heb ik al mijn leven schoenen gemaakt en heb er
+mij met een vroolijk liedje doorheen geslagen. Maar als ik het nog
+eens mocht doen ... wel ... ik denk ... dat ik de wereld eens ging
+bekijken en als Piet daar later lust in heeft, dan zal ik wel de
+laatste wezen, om hem tegen te houden. Wij beginnen zoetjesaan een
+dagje ouder te worden, Moeder, en tot nog toe is ons leven niets
+anders dan werken geweest. En daarom heb ik er eens over gedacht,
+de zaken aan kant te doen en een aardig huisje in Bussum of Hilversum
+te huren. Piet zou dan Zondags bij ons kunnen komen."
+
+Moeder had wel lust om buiten te gaan wonen, maar dat ze haar jongen
+zou moeten afstaan ... neen ... daar moest ze niet aan denken.
+
+
+
+Drie weken later werden de deuren van den Tivoli-Schouwburg geopend
+voor de Soirée van de Vroolijke Bende.
+
+Pietje had herhaalde malen door een berichtje in de courant de aandacht
+op het feit gevestigd en aangezien in de laatste maanden meer dan
+eens grappige verhalen omtrent dat lustige clubje in de Morgenpost
+voorkwamen, was het publiek nieuwsgierig geworden en wilde graag de
+Vroolijke Bende eens leeren kennen.
+
+Geen wonder, dat dan ook reeds twee dagen voor de uitvoering alle
+kaarten waren uitgegeven en des avonds aan de cassa het bordje:
+UITVERKOCHT prijkte.
+
+Vroeg reeds waren de leden present in de kleedkamers achter het
+tooneel.
+
+Piet, die als schrijver van het tooneelstuk ook dienstdeed als
+regisseur, had het druk.
+
+Hij liep over het tooneel met al de gewichtigheid van een geroutineerd
+tooneelmeester.
+
+"Is Boedels hier?" riep hij. "O ben je daar ... is alles present? De
+schemerlamp, de klok, de vaas met bloemen? En het boekenrekje?"
+
+"Piet," riep een stem uit een der kleedkamers, "hier is de kapper."
+
+"Kom direct."
+
+Tooneelknechts plaatsten de coulissen.
+
+"De piano hier," wees Piet aan. "Het tooneelstukje gaat pas voor de
+pauze, eerst hebben we muziek en voordrachten."
+
+"Piet, of je even in de zaal komt."
+
+"Wat is er dan?"
+
+"D'r is een dame met twee dochters en die hebben per abuis inplaats
+van hun toegangskaarten drie lommerdbriefjes meegebracht ..."
+
+"Dan kunnen ze de voorstelling achter de schuine deur gaan zien
+.... roep Harry maar ... ik heb het te druk."
+
+"Piet ... de kapperrrrr!!!"
+
+"Jááá, ik kom ... Hee, leg een paar kleine tapijtjes hier over dit
+kleed. D'r zitten zooveel gaten in, dat een vergiettest er jaloersch
+van zou worden. Zet die canapé daar in dien hoek, mooi."
+
+Piet haastte zich naar de kleedkamer, waar de kapper zijn ingrediënten
+uitpakte.
+
+"Goeien avond, meneer Smalt. Hier is de lijst van uw typen. Hebt u
+geschikte pruiken kunnen vinden?"
+
+"Alles in orde, meneer Bell. Wie eerst?"
+
+"Ik eerst!" riep Mien Kuijer.
+
+Ze zette zich in den stoel en de kapper begon haar gezicht te bewerken
+met schmink, rood en poeder, maakte haar kastanjebruine haren op,
+zoodat ze er spoedig uitzag als de alleraardigste dochter des huizes.
+
+De anderen keken vol belangstelling naar de bewegingen van den kapper
+en wachtten hun beurt af.
+
+"Piet, daar zijn de solisten voor vanavond!"
+
+Twee jongedames in witte avondtoiletten, bedekt door hemelsch-blauwe
+capes en zware bonten, verschenen in de corridor, gevolgd door een
+heer in smoking.
+
+Er werden handjes gegeven, er werd voorgesteld en Piet bracht het
+muzikale drietal naar de hun aangewezen kleedkamers.
+
+"Piet, de kapelmeester van het orkest wil je spreken."
+
+"Allright ... een oogenblik."
+
+Zoo was het Piet voor en Piet na!
+
+Maar eindelijk sloeg het acht uur en een vroolijke marsch weerklonk.
+
+De schouwburg was stampvol.
+
+Natuurlijk waren alle ouders en familie-leden van de clubgenooten
+present en ook Vader en Moeder Bell, die voor dien avond de zaak
+gesloten hadden, namen een eereplaats in, daar had Piet wel voor
+gezorgd.
+
+Na den welkomst-marsch rees het scherm.
+
+Het eerste nummer van het programma luidde:
+
+
+ OPENING EN WELKOMSTWOORD door den heer P. BELL.
+
+
+Door een portière op den achtergrond verscheen Piet op het tooneel
+en trad naar voren.
+
+Een hartelijk applaus begroette hem, de menschen stootten elkander aan
+en gaven 'n knipoogje, alsof ze zeggen wilden: Nu zal je wat hooren!
+
+Piet maakte lachend een paar buiginkjes links en rechts ... maar
+'t geklap hield eenigen tijd aan, waarop hij de zaal rondkeek met
+een paar oogen, die zeiden: ben ik nou aan 't woord of jullie?
+
+Maar toen het stil werd, begon hij zijn openingsrede, die hij vergeten
+had, voor te bereiden.
+
+"Zeer verdachte--ik wil zeggen zeer geachte aanwezigen--het is een
+groote onderscheiding voor de korfbalclub De Vroolijke Bende zulk
+een groote massa vrienden en belangstellenden hier bijeen te zien en
+het is dan ook met een kloppend oog en een traan in 't hart, dat ik
+u namens mijn handlangers een gelukkig Nieuwjaar ... een hartelijk
+welkom, wil ik zeggen ... toeroep.
+
+"Zooals u op het programma ziet (en hier begon Piet eerst goed
+den draak te steken met de verschillende nummers) hebben we
+ons de medewerking verzekerd van de dames De Bruijn, sopraan
+en alt van de Koninklijke Hofopera in Noord-Siberië en het
+dubbelschroef-conservatorium in Delfzijl. De heer Kramp zal de
+schoone liederen der dames op de piano begeleiden en heeft daarin
+een wereldberoemde vaardigheid verkregen.
+
+"De heer Kramp is opgetreden voor de voornaamste gekroonde
+en ontkroonde hoofden van Europa ... den hertog van Luxemburg,
+Middelburg, Limburg, Uilenburg en Vlooien burg. Hij is bekleed met
+de orde van den Witten Olifant, Den Zwarten Stier, het Roode Hert en
+de Cypersche Kat. Wanneer de heer Kramp al zijn ridderorden draagt,
+heeft hij een heele diergaarde aan zijn borst hangen."
+
+De zaal daverde van het gelach, maar Pietje vervolgde met een leuk
+gezicht, zelf af en toe meegrinnekend:
+
+"Verder zal ondergeteekende u eenige malen vervelen met zijn flauwe
+voordrachten, gedurende welke u evengoed de zaal uit kunt gaan en
+een kop koffie kunt drinken, en ook nog prijkt op ons program een
+tooneelstukje in twee bedrijven, waarin de leden van de Vroolijke
+Bende u blijken van hun onbedrevenheid in het Tooneelspel zullen geven.
+
+"En met dit korte, ernstige woord, waarvan ik hoop, dat ge er dezen
+avond bij het huis gaan iets van zult meedragen ter overdenking,
+verklaar ik dezen feestavond geopend."
+
+Een vroolijk, langdurig handgeklap dankte Piet voor zijn schoone
+woorden.
+
+Naast Piets vader zat toevallig de vader van Jannetje de Boog, die
+zijn boerderij voor dien avond verlaten had om de Soirée van zijn
+dochter bij te wonen.
+
+De man was zoo goedlachs, dat hij bij iederen zet van Piet diens
+vader een stomp in de zij gaf.
+
+Vader Bell lachte eerst maar mee, maar toen de stompen al harder en
+harder werden, nam hij maatregelen en onder een schaterend "Ha-ha-ha"
+gaf hij den buurman zulk een geweldigen por in de ribben, dat deze
+verbaasd zijn lachen inhield en van verdere stompen afzag.
+
+De dames de Bruijn en heer Kramp waren te goed in de stad bekend,
+dan dat Piets grappenmakerij hun eenige schade kon doen.
+
+Bovendien, men kende Piet ook maar al te goed en zijn onschuldige
+ironie werd dan ook door de optredenden zelf met hartelijk lachen
+als een grap opgenomen. Iedereen wist, dat de Vroolijke Bende steeds
+zijn naam eer aandeed en niet van vormelijkheid hield of van droge,
+stijve redevoeringen.
+
+Men kwam hier voor zijn plezier en, wel... men hád het!
+
+Dat nam niet weg, dat de liederen van de zangeressen met stille
+bewondering werden aangehoord en allen een dankbaar applaus oogstten.
+
+Maar toen het tooneelstukje aan de beurt was, kwamen de lachspieren
+weer in werking.
+
+Mientje Kuijer veroverde stormenderhand aller harten door haar lieve
+verschijning, haar welluidende stem en haar alleraardigst spel.
+
+Alida Specht was een echt Spinnetje en had heel wat lachsucces,
+terwijl de anderen uitstekend hunne rollen vervulden.
+
+En Piet, die een Engelschman voorstelde, deed met zijn gebroken
+Hollandsch zóó herhaaldelijk de zaal in schaterlachen uitbarsten,
+dat hij telkens even moest wachten tot het gegier bedaard was eer
+hij weer verder kon gaan.
+
+Na het zakken van het scherm was er een aanhoudend geroep om den
+schrijver van het stukje en de zaal weergalmde van het geroep:
+
+"Pietje Bell!! ... Pietje Bell!!! ..."
+
+En weer rees het scherm en kwam de held van den avond naar voren
+... lachend en buigend ... en daverend weerklonk het applaus uit den
+stampvollen schouwburg.
+
+Vader en Moeder Bell straalden van trots en genoegen, want, nietwaar,
+dat was hùn zoon, hùn Piet!
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+OP EIGEN BEENEN.
+
+
+De winter verstreek en de lente deed zijn intocht.
+
+Maar hoemeer het schoone jaargetijde naderde, hoemeer Vader Bell zijn
+plan, om de zaken aan kant te doen en rustig te gaan leven overdacht
+en met Moeder besprak.
+
+"Ik zou wel liever onzen jongen meenemen," zei Vader, "maar hij heeft
+hier zijn werk en op een dorp kan hij weinig uitvoeren. Het liefste
+zou ik willen, dat hij met een vriend op kamers ging en ons elke
+week bezocht."
+
+Moeder had eerst nog wel wat bezwaren, maar ze verlangde toch ook
+naar wat rust in de natuur, en ten slotte stemde ze toe.
+
+Piet werd met de nieuwe plannen in kennis gesteld. Onze vriend was
+er in het eerst niet bijzonder mee ingenomen.
+
+Zijn ouders waren zijn allerbeste vrienden en aan het ouderlijke
+huis, waar hij altijd zoo gelukkig was geweest, voelde hij zich
+sterk gehecht.
+
+Maar aan den anderen kant begreep hij, dat zijn Vader en Moeder,
+na zoovele jaren van arbeid wel een paar jaartjes rust verdiend
+hadden en ook lachte het idee van "op eigen beenen te moeten staan"
+hem wel weer toe.
+
+Maar nu kwam de kwestie van een kamervriend ter sprake.
+
+Deze moeilijkheid werd echter spoediger opgelost, dan men wel
+verwacht had.
+
+Flip, die nog altijd met succes den sigarenwinkel van zijn vader
+beheerde, had sinds drie jaren bij een tante gewoond, daar zijn Moeder
+vroeg gestorven en zijn Vader bijna voortdurend op reis was.
+
+Nu kwam deze tante te overlijden en moest er voor Flip een nieuw
+verblijf gezocht worden.
+
+De zaak werd met Flips vader besproken en het slot was, dat toen
+Vader Bell voordeelig zijn zaak van de hand had gedaan en naar
+Hilversum vertrokken was, waar hij met Moeder een allerliefst huisje
+aan den weg naar Laren bewoonde, Pietje en Flip hun kamp opsloegen
+in een groote, gezellige kamer aan den Singel. Ze hadden ieder een
+slaapkamertje erachter en tot Flips groote vreugde was er ook een piano
+aanwezig. Daarbij hadden ze een "engel" van een kamerverhuurster,
+een bejaarde juffrouw, die liever een troep vroolijke jongelui op
+haar kamer had dan een paar ouwe brombeeren.
+
+Juffrouw Roest heette ze en ze was een helder uitziende vrouw met
+schrandere oogen, maar met een mond, die bijna nooit stilstond.
+
+Keurig-zindelijk was ze, dat moet gezegd, en haar kamers zagen er
+proper en welverzorgd uit.
+
+En toen begon de juffrouw Piet en Flip een staaltje van haar praatkunst
+te geven.
+
+"Nou, heeren, ik heb verstand van kamers verhuren, asjeblieft! Ouwe
+menschen kan je heel den dag naloopen en bedienen, maar jongelui
+zijn veel gauwer tevreden. Die gaan den heelen dag naar hun werk en
+zoo heb je zelf op die manier ook nog wat aan je kamer. Is 't geen
+mooi uitzicht op den Singel? Gunst, heeren, ik ben best in mijn
+schik met u, en je moogt je gerust amuseeren hier, zooveel je maar
+wilt. Piano spelen ook, daar houd ik van. Ik heb een muzikant hier
+op de kamers gehad, die speelde heel den dag en zoo mooi, zóó mooi,
+dat je d'r draaierig van werd. Nou maar, die muzikant was ook heel
+dikwijls draaierig, maar dat kwam, omdat-ie zooveel glaasjes rum
+dronk. Hij had ten slotte zooveel rum gedronken, dat-ie rummetiek
+in z'n vingers kreeg en toen had-ie de muziek eraan gegeven en was
+chauffeur geworden. Maar dat had ook niet lang geduurd, want toen
+hij op een keer weer eens erg last van rummetiek had, reed hij zoo
+hard met zijn auto tegen een boom, dat hij eruit vloog en zes meters
+onder den grond schoot. Hè-hè-hè ..." en de juffrouw schommelde van
+'t lachen ... "en toen was de begrafenis ook meteen afgeloopen."
+
+"Wel, juffrouw," zei Flip, "ik geloof wel, dat wij het met elkaar
+zullen vinden."
+
+Dat vond de juffrouw ook en als de heeren wat noodig hadden, mochten
+ze het gerust zeggen.
+
+Binnen een paar dagen was de kamer een museum van bezienswaardigheden
+geworden. De twee vrienden hadden er al hun rijkdommen heengebracht
+en weldra prijkten de muren met tallooze portretten, sportprenten,
+programma's, balboekjes en een niet te beschrijven verzameling van
+allerlei voorwerpen, waarvan een ieder zijn eigen geschiedenis had.
+
+Flip werd nu des avonds om zes uur door een ouderen bediende afgelost,
+zoodat hij de avonden vrij had en die met Piet op de kamer kon
+doorbrengen.
+
+Hij had tot op heden nooit veel aan lezen gedaan, maar Piet gaf
+hem mooie en goede boeken en daar begon Flip hoe langer hoe meer
+liefhebberij in te krijgen. Heele avonden bracht hij lezende door,
+terwijl Piet aan zijn schrijftafel werkte.
+
+Zoo gingen de dagen rustig heen, en juffrouw Roest begon zich al over
+die kalme jongelui te verbazen, toen een nieuwe huurder wat leven,
+of liever gezegd wat lawaai in de brouwerij bracht.
+
+De nieuwe huurder was warempel alweer een muzikant, maar ditmaal
+een dilettant, die lid was van een muziekkorps en een zeer lieflijk
+instrument bespeelde.
+
+Het was de Turksche trom.
+
+Elken avond na zijn souper begon de musicus te studeeren.
+
+Tsching-tsching-tsching-boem!!! .... Tsching-boem-tsching!!!
+
+Den eersten avond, toen Piet en Flip dit geluid hoorden, dachten zij,
+dat het onweerde en beiden keken naar de lucht.
+
+Maar langzamerhand ontdekten zij het ware van de zaak!
+
+"Ik laat me levend villen, als dat geen Turksche trom is," riep Piet.
+
+"Je hebt gelijk! ... Hier boven!!"
+
+Tsching-boem!!! Tsching-boem!!! Tsching-boem!!!!
+
+"Maar dat is om gek te worden! Hee daar boven! Hou op!!"
+
+Tsching-boem-boem!! Tsching-boem-boem!!!
+
+"Zeg, Flip, die vent is krankzinnig ... dat kunnen we zoo niet
+uithouden!"
+
+"Laten we naar boven gaan en hem vragen, op het dak te gaan zitten."
+
+"Vooruit dan!"
+
+De beide vrienden beklommen de trap en klopten aan.
+
+Tsching-boem-boem!!!
+
+Piet beukte nu zijn vuist op de deur.
+
+"Alors ... wat isser ... Entrez!"
+
+De jongelui traden binnen.
+
+Een vervaarlijk groote trom stond in het midden der kamer,
+een muzieklessenaar met 'n studie-boek ervoor, een kort, dik
+Franschmannetje met zwarten snor en puntbaardje er achter.
+
+Verbaasd keek hij de binnentredenden aan.
+
+"Ah ... les messieurs ... kaat u zitte ... U isse van benee ... premier
+etage? ... Oui, oui ... voila des cigarettes ... excusez moi ... iek
+studeere ... oui ... iek speel ien de orchestre ..."
+
+"Pardon," verzocht Piet, "als u zoo goed wilt zijn, even te luisteren?"
+
+"Loister? ... Mais oui ... iek loister ... wat 'ad u?"
+
+"Ik at snijboonen met worst," zei Piet, "maar daar gaat het nou niet
+over. Is u van plan nog lang op dat hoofd van Jut te slaan?"
+
+"Oofd fan Juut? Comprends pas ... isse niet 'oofd fan Juut ... isse
+die kroote tromme ... fan die orchestre ... moet iek studeere ... oui
+... chaque soir ... ielken oavend ..."
+
+"Elken avond?? Groote genade, moeten wij elken avond in die herrie
+zitten?"
+
+"'Errie ... dies noem u 'errie? Isse la musique ... isse ma chambre
+... iek betaal die propriétaire ... kan iek doen wat iek verkies,
+n'est-ce pas? Vous jouez du piano ... eh bien ... watte wil u..."
+
+"Maar waarde heer, dat gaat niet aan," zei Flip, "dat lawaai maakt
+een mensch gek!"
+
+"Oh ... pas du tout ... kaat wel aan ... isse niet zoo erk..."
+
+"Nou, meneer," zei Piet, "we zullen er dan wel eens met de juffrouw
+over spreken."
+
+"Kaat uw kang ... ça m'est égal .... bonsoir mes amis!"
+
+Tsching-boem-boem!!!
+
+BAM!!! sloeg Piet de deur dicht.
+
+Maar de juffrouw kon er ook niets aan doen.
+
+De man betaalde zijn huur, nietwaar en zoolang hij de boel niet
+beschadigde kon ze weinig zeggen. Het zou immers niet den heelen
+avond duren?
+
+Toen besloten Piet en Flip zelf maatregelen te nemen.
+
+Na een uur studie hield de muzikant op.
+
+Het leek wel de stilte na een zwaar onweer.
+
+"Zeg, Flip," zei Piet, "morgen ben je jarig!"
+
+"Ik? Je bent dronken ... ik ben pas jarig geweest."
+
+"Zeur niet ... Als ik zeg, dat je morgen jarig bent, dan ben je
+morgen jarig."
+
+"Nou, mij best ... ik ben morgen jarig ... maar ik tracteer niet,
+als je dat maar weet."
+
+"Hoeft ook niet, luister."
+
+En Piet fluisterde zijn vriend iets in de ooren, wat dezen de handen
+op de knieën deed slaan van pret.
+
+"Onbetaalbaar!" riep hij, "als dát niet werkt, helpt niets!"
+
+
+
+Den avond daarna sleepten de vrienden de volgende muziek-instrumenten
+naar binnen: een zinken waschkuip, deksels van potten en pannen,
+kermis-toeters en een groote bel.
+
+Om half acht verschenen de leden van de Vroolijke Bende op uitnoodiging
+van Pietje, om den verjaardag van Flip te vieren.
+
+Maar Piet had ze al gauw op de hoogte gebracht met den stand van zaken.
+
+"We weten geen ander middel," besloot hij, "om van den muzikant af
+te komen en ik denk wel, dat het middel werken zal."
+
+Het gesprek dwaalde echter van het een op het ander.
+
+Ze bekeken de kamer en de vele foto's en juist wou Piet de geschiedenis
+gaan vertellen, die verbonden was aan een geëmailleerd bordje, waarop
+te lezen stond: "Deur sluiten s. v. p." toen opeens de muzikant weer
+aan 't studeeren ging.
+
+Tsching-tsching-boem!!!
+
+Dadelijk greep ieder zijn muziekinstrument.
+
+Piet sloeg met een hamer op de zinken waschkuip, Harry luidde de
+groote bel, Flip speelde erbarmelijk hard en valsch op de piano, de
+anderen toeterden op de hoorns of sloegen potdeksels tegen elkaar en
+wie zijn mond vrij had, zong een ander lied dan zijn buurman.
+
+Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee
+bewoners van het huis flauwvielen en de rest op straat vluchtte.
+
+De groote trom tsching-boemde nog even door.
+
+Kletterend, donderend, gillend, stampend, schreeuwend, bellend en
+schetterend daverde het onmenschelijke, barbaarsche orkest zijn
+hemeltergende muziek door de woning en het duurde geen vijf minuten,
+of er werd hevig op de deur gebonsd. Het was juffrouw Roest met
+den Franschman.
+
+"Doorspelen," commandeerde Piet.
+
+Met de handen aan de ooren stonden de juffrouw en de muzikant de
+Vroolijke Bende, die wel een troep losgelaten kermisgasten leek,
+aan te staren.
+
+"Hou op... hou op!!!" schreeuwde toen juffrouw Roest.
+
+En de Franschman voegde er bij:
+
+"Isse skande... sacré bleu... maak tout le monde siek!!"
+
+"Ah, monsieur..." zei Piet lachend, "gaat u zitten... U
+is van boven?... Tweede étage?... Juist, juist... hier zijn
+sigaren... excuseer ons... wij studeeren... dit is ons orkest... wij
+studeeren elken avond..."
+
+"Ielken oavond... ielken oavond dees 'erie?"
+
+"Herrie? Dit noemt u herrie? Dat is muziek, waarde heer... dit is mijn
+kamer... ik betaal de juffrouw... kan ik dus doen wat ik verkies.... U
+speelt de groote trom... wel, wat wilt u?"
+
+"Maar dit kan ik niet toestaan," zei juffrouw Roest, "dit gaat te ver,
+meneer Bell."
+
+"Och kom," zei Piet, "zoolang monsieur van u toestemming heeft, om
+dit huis met zijn helsche muziek onbewoonbaar te maken, zoolang zal
+mijn orkest hem daarbij helpen. Dus juffrouw, de groote trom eruit
+of u verliest òns en de rest van de huurders."
+
+"Isse skande... isse criminal... mais je me vengerai... iek zal
+maatrekele neem... iek betaal niet ma chambre... compris?"
+
+"Komprie? Komprie?" barstte juffrouw Roest los. "Je lijkt zelf wel
+een komprie. Jawel, m'n huur niet betalen en mij nog uitschelden
+voor komprie! Je kunt vertrekken met 't eind van de week;
+verstaan? Komprie... wel heb je ooit!"
+
+De Franschman ging mopperend weer naar boven.
+
+De jongelui moesten juffrouw Roest beloven, nimmer meer tot zulke
+radicale middelen over te gaan, hetgeen ze met genoegen deden.
+
+Maar de groote trom werd niet meer gehoord en den volgenden Zaterdag
+vertrok de onruststoker met zijn "'oofd fan Juut".
+
+
+
+Drie maanden verstreken, zonder dat er iets bijzonders voorviel in
+het leven van Pietje.
+
+De dagen waren volkomen aan elkander gelijk, de jongelui leefden
+rustig samen, ieder zich wijdend aan zijn arbeid.
+
+Soms vergezelde Flip zijn vriend, als die naar de een of andere
+uitvoering ging of een concert moest "verslaan," maar meestal brachten
+ze hunne avonden samen op de kamer door.
+
+Op zekeren dag was er een tweede brief van Jacob uit Amerika
+aangekomen.
+
+Piet was zeer benieuwd, hoe het zijn vriend in de nieuwe wereld
+verging en las:
+
+
+ New-York, April 19....
+ 1490 Riverside Drive.
+
+ Beste kerel,
+
+ Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de
+ Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en
+ dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke brief heeft
+ mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd
+ dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je
+ schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te
+ gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad?
+
+ Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman,
+ die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al
+ heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch een wonderlijk
+ land! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie
+ in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het
+ zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig
+ verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten,
+ kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in
+ New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland,
+ dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer
+ dan honderd-duizend auto's door de straten rijden en honderden
+ treinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein
+ ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest
+ naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik
+ jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen
+ over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris
+ van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik,
+ omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt.
+
+ Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld
+ en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten
+ zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op
+ de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat
+ Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege
+ erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal
+ ik dan om een groot kapitaal?
+
+ Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een
+ paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven
+ uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier, je hebt
+ immers altijd zoo'n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het
+ heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van
+ Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf
+ heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een
+ brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas.
+
+ Denk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht
+ hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws
+ weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van
+ je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten.
+
+ Van je toegenegen vriend:
+ Jacob Mantel.
+
+
+Piet reikte den brief aan Flip over, die met alle aandacht begon
+te lezen.
+
+"Wel, ik moet zeggen," vond Flip, "dat Jacob ons allemaal de loef
+afsteekt. Vijf-en-twintig dollar per week en zoo goed als geen
+kosten. En bovendien nog erfgenaam van een millioen! Jacob behoort
+tot de menschen, wien nou letterlijk alles meeloopt. Wat kan ik ooit
+bereiken? Al verkoop ik nu nog twintig jaar lang sigaren, dan ben ik
+precies evenver als nu. Voor jou is er veel meer kans op succès... de
+heele wereld ligt voor je open."
+
+"Wat zou jij in mijn geval doen?" vroeg Piet.
+
+"In jouw geval? Kerel, iemand met jouw kansen kan precies doen, wat
+hij wil. Jacob zegt het ook al in zijn brief. Wanneer jij het er op
+aanlegt, reiscorrespondent te worden, is de heele wereld jouw. Waarom
+pak je Jacob's voorstel niet aan en praat er eens met je patroon over?"
+
+Opeens sprong Piet op, zijn stoel omgooiend.
+
+"Flip! Ik doe het! Ik doe het! Maanden en maanden heeft het al in m'n
+hoofd gezeten. Ik probeer het! Natuurlijk zal ik eerst de toestemming
+van mijn ouders vragen, maar ik ben zeker, dat ze het mij niet zullen
+weigeren."
+
+"'t Ellendigste voor mij is," zei Flip, "dat ik je dan kwijtraak. De
+tijd, dien we samen op deze kamer hebben doorgebracht, is de
+heerlijkste van mijn leven geweest. Je hebt mij bijna een ander
+mensch gemaakt met je gesprekken en je boeken, Piet, en ik zal je
+ontzettend missen."
+
+
+
+Piet wachtte niet langer, dan noodig was.
+
+Den volgenden dag vroeg hij den heer Peters te spreken.
+
+Toen de directeur Piets ernstige gezicht bemerkte, keek hij een
+oogenblik verwonderd op. Piet had altijd een vroolijken trek om den
+mond en een eenigszins ondeugende uitdrukking in de oogen, zoodat
+deze plotselinge verandering wel verbazing opwekken moest.
+
+"Wel, wat zullen we nu hebben?" vroeg de heer Peters. "Heeft uw
+vader weer een belangrijke uitvinding gedaan of komt u me slecht
+nieuws brengen?"
+
+"Heelemaal niet," zei Piet, die opeens een aanknoopingspunt vond,
+waardoor zijn gezicht heelemaal opklaarde. "Heelemaal geen slecht
+nieuws, meneer! Ik ga naar Amerika!"
+
+"Hè... wat... wie???... Ga jij... naar... Amerika? En dat noem je me
+geen slecht nieuws brengen? En wat ga je daar in vredesnaam uitvoeren?"
+
+"Reisbrieven schrijven voor de Morgenpost!"
+
+De directeur keek Pietje met groote oogen en open mond aan. Hij
+vergat van verbazing zijn oude gewoonte om zijn personeel met "u"
+aan te spreken.
+
+"Maar... maar..." begon hij, en hij liep met groote stappen de
+kamer op en neer, "ik wil je niet kwijt hier... je doet je werk
+goed... uitmuntend... de redacteurs zijn tevreden... je hebt
+stijl... pit... goeie vooruitzichten... wat wil je meer? Hoe oud
+ben je?"
+
+"Binnenkort word ik achttien."
+
+"Binnenkort achttien... nauwelijks de vlegeljaren te boven! En
+dan naar Amerika! zonder vaste positie... zonder adres... zonder
+vrienden... niet weten wat te doen... dat kennenwe... dat hebbener
+al zoovelen geprobeerd... De grootste helft komt terug... een paar
+komen er... de rest verzinkt in een leven van tobben en ellende..."
+
+"Wel," zei Piet beslist, "ik zal dan behooren tot de weinigen, die er
+komen. Ik maak mijn eigen werkkring. Ik zend u elke week een feuilleton
+en maak een studie van het land. Ik zal een contract sluiten met een
+paar Hollandsche tijdschriften voor geregelde correspondentie... ik
+heb een vriend te New-York!"
+
+"O, dat verandert... Hm... anders een duivelsch plan van je... 'k had
+je graag hier gehouden, Piet... maar enfin. Wekelijksch feuilleton
+zeg je, he? Maak het pittig, interessant... Brieven uit Amerika van
+Pietje Bell... de stad zal opkijken... Wel, laten we zeggen... vijftig
+gulden per week... om te beginnen... dat wil zeggen, verondersteld
+dat ik daarvoor twee brieven krijg... dan heb je daar alvast twintig
+dollar wekelijks... behalve je andere contracten. Is dat aangenomen?"
+
+"Aangenomen, meneer!" riep Piet verheugd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+PIET VERTREKT NAAR DE NIEUWE WERELD.
+
+
+Er waren eenige weken heengegaan en Piet had ten slotte de vereischte
+toestemming van zijn Ouders verkregen en ook reeds een antwoord van
+Jacob ontvangen, waarin deze hem vol blijdschap meedeelde, dat het
+huis van den heer Wortelman voor hem openstond.
+
+Twee van de vijf weekbladen, welken Piet zijn werk aangeboden had,
+namen zijn aanbod aan en sloten ieder een contract met hem.
+
+Sinds zijn eerste bezoek bij de familie Voorschoten was Pietje er
+nog tweemalen geweest, maar had op beide visite's niets te zien of
+te hooren gekregen van de zwarte oogen en de "Millions d'Arlequin",
+maar hij vond het toch vanzelfsprekend, om voor zijn vertrek de
+familie nog eens te gaan bezoeken.
+
+Dit deed hij op een avond, dat zijn vriend Flip toch niet thuis was.
+
+En ditmaal vond hij de familie weer voltallig.
+
+Bella was niet uit, en zelfs was er nog iemand... een bedeesde
+jonkman... witblond van haar en angstig-fijn gekleed, met geurende
+haren en rose vingers... Dit plakplaatje werd aan Piet voorgesteld
+als... de aanstaande van Bella.
+
+Piet drukte den nieuwen kennis stevig de hand, waarop deze bijna
+flauwviel. En vanaf dat oogenblik vond Piet de zwarte oogen lang niet
+zoo aardig meer.
+
+Nadat ze zoo een poosje rustig bijeen gezeten hadden, kwam Pietje
+met het groote nieuws voor den dag.
+
+"De reden, waarom ik eigenlijk vanavond hier ben," begon hij, "is om
+afscheid van u te nemen."
+
+"Afscheid?" riep Bella op verbaasden toon uit.
+
+"Afscheid?" herhaalde haar vader.
+
+"Ik ga namelijk naar Amerika," zei Piet.
+
+"Wat... jij ook al?" vroeg de heer Voorschoten.
+
+"Ik ook al?... Wie dan nog meer?"
+
+"Wel, pa gaat ook," zei Bella lachend.
+
+"Ja," vertelde de juwelier, "eens per jaar ga ik naar New York voor
+zaken en keer dan meestal na eenige weken terug. En wat is de reden
+van jouw reis, Piet?"
+
+Piet lachte eens en zei:
+
+"Ik werk voor de bladen... heb een paar goede contracten... ik houd
+wel van werken, maar ik wil vrij zijn."
+
+"Je hebt hier anders een goede positie, Piet," bracht Mevrouw in
+het midden.
+
+"O ja, mevrouw, heel goed... maar, ziet u... ik kan veel meer,
+veel beter doen.... Ik houd van vertellen... en dat vertellen doe
+ik het liefste met m'n pen. Maar om wat te vertellen, moet je wat
+beleven... en hier beleef ik niets... hier zie ik altijd weer dezelfde
+stad met dezelfde gezichten... gebeuren iederen dag weer dezelfde
+dingen... en de wereld is zoo groot, mevrouw, zoo rijk aan stof voor
+vertellen... en nu ga ik er mijn werk van maken... om de menschen
+te vertellen van alles, wat er in die groote wereld gebeurt. En dan
+ook zal ik vrij zijn, echt vrij om te gaan naar iedere stad... ieder
+land... ieder werelddeel..."
+
+"'t Is toch gewaagd ..." meende Mevrouw.
+
+"Piets leven is heelemaal een waagstuk," lachte de heer Voorschoten,
+"maar ik heb vertrouwen in zijn onderneming."
+
+"Piet is een idealist," zei Bella, en zich tot den jonkman aan haar
+zijde wendend, vroeg ze: "Zou je daar ook geen lust in hebben, Teddy?"
+
+"Ik ... o neen ..." lispelde het plakplaatje, "ik blijf bij mama."
+
+"Piet," sprak de juwelier, "kom even op mijn kamer, ik zal je wat
+diamanten laten zien."
+
+Piet volgde hem en, op de kamer aangekomen, zei de heer Voorschoten:
+
+"Luister, Piet, dat van die diamanten was maar een voorwendsel. Ik
+wou je vragen, met mij samen te gaan naar New-York. We kunnen samen
+een hut nemen, en ..."
+
+"Maar, mijnheer, U reist waarschijnlijk eerste klasse, terwijl voor mij
+de tweede goed genoeg is ... u begrijpt ... dat ik ... nog niet ..."
+
+"Ssssst ... je gaat mee als mijn vriend ... desnoods als mijn
+privé-detective ... ik heb voor een kapitaal aan diamanten bij
+me. Natuurlijk betaal ik je overtocht, dat is mijn belang, en ook,
+omdat ik meen, nog wel eenige verplichting aan je te hebben. Laat mij
+nu een oude rekening met je vereffenen, waarde vriend. Bewaar het geld,
+dat je al voor de reis bij elkaar had en voeg het bij het honorarium,
+dat ik je bij aankomst in New-York zal overhandigen."
+
+"Maar ..."
+
+"Piet, nu geen maren of tegenwerpingen. Je weigering zou je mijn
+vriendschap kosten. Het is dus besloten!"
+
+Piet had van pure blijdschap den heer Voorschoten wel om den hals
+willen vliegen, maar bepaalde zich er toe, hem zéér stijf de hand te
+drukken, waarop de juwelier met pijnlijken blik naar zijn vingers keek.
+
+Dien avond werd afgesproken, dat ze zouden vertrekken over veertien
+dagen met de "Nieuw Amsterdam" en na allen hartelijk gegroet te hebben,
+begaf Piet zich weer naar zijn kamer, zoo gelukkig als een jongen,
+die zijn levensweg pas goed gaat betreden en zijn ideaal als een
+gouden zon voor zich ziet opgaan.
+
+
+
+Vader en Moeder Bell waren uit Hilversum overgekomen, om hun jongen
+uitgeleide te doen en ook de Vroolijke Bende was compleet. Wie geen
+vrij had, had vrijaf gevraagd en zoo was het een heele drukte op
+Piets kamer.
+
+Piet had zijn koffers reeds verzonden en alleen een kleine city-bag
+mee te nemen.
+
+Het was Zaterdagmorgen en een heldere Julizon vroolijkte de stad op.
+
+Het heele gezelschap nam de tram naar de Boompjes en voor het laatst
+reed Piet door de Rotterdamsche straten, waar als gewoonlijk de
+draaiorgels gehoord werden. En onwillekeurig dacht Pietje aan zijn
+kinderjaren in deze stad, aan den tijd, toen hij iedereen helpen wou,
+wat altijd op een pak rammel uitliep. Hij zag de oude Breestraat weer
+in gedachten voor zich en de bescheiden schoenmakerij van zijn vader,
+hij hoorde hem het leer bekloppen, terwijl Vader altijd weer een schoon
+lied zong, bijvoorbeeld: "Trek maar aan het touwtje" of "O Susanna!"
+
+Vader en Moeder waren een beetje stil, maar de club maakte des te
+meer lawaai in de open tram.
+
+Oude herinneringen van de Vroolijke Bende werden nog eens opgehaald,
+opnieuw werd er gelachen om de kostelijke avonturen uit den heerlijken
+tijd, dien ze achter den rug hadden.
+
+Van de Westerkade bracht een stoombootje hen naar het terrein van de
+Amerikaansche boot.
+
+Het was een beetje winderig op het water, dat was wel lekker frisch.
+
+Maar een steviger bries greep Eduard Pijpers' hoedje, en rrrrt ... ging
+het overboord.
+
+"Ooo ... m'n hoed ... m'n hoed vélt in 't wéter, zég!!" gilde hij.
+
+De Bende gierde en 't hoedje dreef snel op de Maasgolven weg.
+
+"Hee, képtein!! képtein!!!" schreeuwde Eetje. "Wil je ésjeblieft m'n
+hoed hélen."
+
+"Haal 'm zelf!" bromde de man en stuurde onverstoord naar den overkant.
+
+De Nieuw-Amsterdam, kolossaal zeekasteel van de Holland-Amerika-Lijn,
+lag aan de kade onder stoom.
+
+"'k Zou best meewillen, Piet," zei Mien Kuijer.
+
+"En ik," vond Flip.
+
+Ja, ze vonden het eigenlijk allemaal, maar wat ze wel het
+aller-àllernaarste van de heele zaak vonden, dat was dat ze Piet
+gingen verliezen, de ziel van de Vroolijke Bende. Jacob, die altijd
+de leiding had gehad, waren ze ook al kwijt, en nou Piet weer. Op
+die manier bleef er niets meer van de club over.
+
+"Hoor eens, luidjes," zei Piet. "Mijn vertrek mag de club niet uiteen
+doen vallen. Blijft bij mekaar, jongens, blijft bij mekaar. Bekijk
+de dingen altijd van den besten kant en ga nou niet onverschillig
+worden en elkaar loslaten. De club moet blijven bestaan en nieuwe
+leden moeten er weer bij komen. Als je je gedrukt voelt, probeer dan
+eens een deuntje te zingen of te fluiten, wat zegt u, vader?"
+
+"Zeker, jongen, altijd maar vroolijk zijn," zei Vader, een traan uit
+zijn oog wegpinkend.
+
+Toen betraden ze het terrein van de booten en werden na verkregen
+toestemming toegelaten.
+
+Daar ontmoette Piet den heer Voorschoten, die druk bezig was met het
+regelen zijner bagage.
+
+Allen mochten op de boot komen en toen ze de weelderige inrichting
+van de eerste klasse zagen, riepen ze vol bewondering:
+
+"Maar Piet, je gaat op reis als een koning!"
+
+In den salon bleven ze nog even praten ... trokken vader en moeder
+Piet even terzijde.
+
+"Jongen," zei Moeder, "heb je nou heusch wel alles? En je geld,
+is dat veilig? En heb je 'n zakdoek ... en je zeep ... en ... en
+... zal je gauw eens overkomen, jongen, en veel, héél veel schrijven?"
+
+De zware stoomfluit dreunde ...
+
+"Van boord!!"
+
+Piet omhelsde zijn ouders die tranen in de oogen hadden.
+
+Toen kwam de club aan de beurt.
+
+Alle vrienden drukten Piet hartelijk de hand en--was het afspraak
+of toeval--eerst Marie van Zanten, toen Alida Specht, toen Jannetje
+de Boog en ten slotte Mien Kuijer (die deed er 't langst over) die
+allen gaven Piet een klinkenden zoen op beide wangen.
+
+De heer Voorschoten beloofde aan Vader en Moeder een oogje op Piet
+te houden en daarna verlieten ze met de jonge vrienden de boot.
+
+Ten tweeden male dreunde de stoomfluit ... de bruggen werden
+ingetrokken ... de kabels losgegooid.
+
+En langzaam dreef de kolossale stoomer de rivier op.
+
+Piet en zijn geleider stonden op het dek, wuifden naar den wal.
+
+De Vroolijke Bende wuifde terug en Piet hoorde hen nog van verre
+roepen:
+
+"Dag Piet!!!"
+
+
+
+Drie sleepbooten trokken den geweldigen zeekolos naar het midden der
+rivier, daar lieten ze hem los en met eigen kracht begon de Nieuw
+Amsterdam zich voort te bewegen.
+
+Kleiner en kleiner werden de figuren aan den wal.
+
+En allen wuifden, wuifden maar met hoeden en zakdoeken.
+
+Piet voelde een prop in de keel, toen hij allen, die hem zoo lief en
+dierbaar waren, uit het oog zag verdwijnen.
+
+Wat hadden ze toch allen een goeden tijd doorgemaakt!
+
+En wat zou de toekomst brengen?
+
+Maar Piet slikte den brok weg, richtte zich op en haalde eens diep
+adem.
+
+Onder hem stampten gedempt de machines, die hem naar de nieuwe wereld
+zouden overbrengen ... naar het land van zijn droomen en idealen.
+
+Hij had zijn weg nu eenmaal gekozen, recht vooruit lag het doel ...
+
+De vlegeljaren had hij achter den rug, en nu zou hij moeten toonen,
+dat het hem ernst was met het leven ... dat hij man ging worden ...
+
+Maar daarin voelde hij zich sterk ... hij wist wat hij wilde ... en
+wilde wat hij kon ...
+
+Zoo moest hij er komen!
+
+
+
+De laatste huizen van Rotterdam verdwenen aan den horizon en Piets
+lippen fluisterden glimlachend een laatsten groet naar de stad, waar
+vele vrienden en kennissen nog dikwijls in hun vroolijke gesprekken
+herdenken zouden de jeugd en
+
+De Vlegeljaren van Pietje Bell.
+
+
+
+ EINDE
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENING
+
+
+[1] Dof gajes .... Politie in burger, rechercheurs.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De vlegeljaren van Pietje Bell, by
+Chris van Abkoude (1880-1960)
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 58563 ***