diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-08 20:17:05 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-08 20:17:05 -0800 |
| commit | bc249a7e0825f772eeb4b7769c03b380d20efe95 (patch) | |
| tree | 27491c782f5c6cd2182f0e2068580f710f6ed8f1 /58563-0.txt | |
| parent | e61b1381220b6dbc08755de495dfcdabad4f541b (diff) | |
Diffstat (limited to '58563-0.txt')
| -rw-r--r-- | 58563-0.txt | 7144 |
1 files changed, 7144 insertions, 0 deletions
diff --git a/58563-0.txt b/58563-0.txt new file mode 100644 index 0000000..a653855 --- /dev/null +++ b/58563-0.txt @@ -0,0 +1,7144 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 58563 *** + + + + + + + + + + + + + DE VLEGELJAREN + VAN PIETJE BELL + + DOOR CHR. VAN ABKOUDE + + + GEÏLLUSTREERD DOOR JAN RINKE + + + ALKMAAR--GEBR. KLUITMAN + + 1920 + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE KENNISMAKING HERNIEUWD. + + +Lang zal-die leven in de gloriaaa .... in de gloria ... in de +gloriaaaaaaaa ... Hiep ... hiep ... hoeraaaaaaa ... + +De vloeren dreunden, de ruiten rammelden, geklink van glazen, +gerinkel van lepels en vorken, messen en borden en het getrappel van +luidruchtige voeten begeleidden het gezang. + +Feest was het in de nieuwe woning van Vader Bell, den bekenden +schoenmaker uit de Breestraat te Rotterdam. Jaren van vlijt en +spaarzaamheid hadden hem het bezit doen verwerven van een geheel +naar de eischen des tijds ingerichten winkel van Dames-, Heeren-, +en Kinderschoenen, en de feestelijke opening daarvan werd op de +ruime kamers boven den winkel stevig befuifd door familie, vrienden +en kennissen. + +Daar waren om te beginnen Vader en Moeder Bell, beiden ongeveer +vijftig jaar, stralend van gezondheid en levenslust, beiden trots op +het bereikte ideaal. Vader het meest op den winkel, moeder het meest +op de splinternieuwe meubeltjes, de hevig artistieke schilderijtjes, +het mooie behang, het bloemetjes-tapijt. + +Daar was Pietje ... o neen ... niet PIET ... PietJE alstublieft. + +Ooit gehoord van Pietje Bell? + +Hier is hij, zestien jaar ... modepakje ... lakschoenen ... zijden +das, angstig net gekamde kuif, hoog boord, manicuurvingers ... Ho-ho +... mis man ... allemaal mis, maar daarover later. Daar was Geelman, +de drogist uit de Breestraat, je weet wel, de brompot, die zoo +geel zag als de kruiden, die hij verkocht. En dan zijn zoon Jozef, +een verschrikkelijk braaf mensch, bestuurslid van de vereeniging tot +bescherming van ondieren. Naast vader en moeder zaten Martha en haar +echtgenoot. Martha was Piets zuster en ze woonde nu in den Haag. + +En verder was er een heel gezelschap jongelui, allemaal vrienden van +Pietje, medeleden van de korfbalclub. + +De vroolijke gasten zaten aan den feestdisch, luidruchtig pratend, +lachend, klinkend en drinkend op de gezondheid van vader, moeder en +de nieuwe zaak. + +Flip Buitenhuis, boezemvriend van Pietje, sneldichter, +ceremoniemeester, gangmaker van de club, veelbelovend opvolger in de +sigarenzaak van zijn vader, tikte tegen zijn glas en verzocht stilte +en attentie voor een gedicht, door hem ter gelegenheid van dit feest +aaneengesmeed. + +Flip, leuke snuiter met 'n oolijk gezicht, wachtte even, tot het +volmaakt stil was en begon op plechtigen toon: + + + In 't holst van den nacht----wijl iedereen sliep zacht.. + Behalve de schildwacht------ + Op post bij de gracht.... + Ik zeg... in 't holst van den nacht.... + Heb ik dit vers bedacht. + En in het nachtelijk duister.... + Koorde ik het gefluister + Van een stem, die me zei: + Sssst... Flip, neem uw schrijfgerei, + En wijd een hulde-lied + Aan de ouders van Piet. + En zoo----geachte heer en mevrouw Bell, + Opende ik mijn dichterlijke wel. + En bij sterrengeflonker en kattengemauw + Schudde ik de volgende regelen uit mijn poëtische mouw: + Jaren van voorspoed en vlijt, + Van zweet des aanschijns en zuinigheid, + Hebben de zaken van den heer Bell uitgebreid. + En of je er veel of weinig over praat, + Hij heeft de mooiste winkel in de Heerenstraat + En daar verkoopt hij u geen knollen voor citroenen, + Maar eerste klas laarzen, pantoffels en schoenen. + In de schoone stad van Rotterdam, + Vanaf den tijd, dat Claudius Civilis er schoenen koopen kwam, + Ik zeg, sinds Xantippe er pantoffels kwam koopen, + En de volksverhuizing heele naties naar Rotterdam deed loopen, + Ja .... sinds Kaninefaten en Tubanten woonden in holen + Lieten ze bij de familie Bell hun schoenen zolen. + Ook hebt ge zeker wel eens vernomen, + Hoe Hannibal en zijn legers over de Alpen zijn gekomen, + 't Was een kouwe reis--de Alpen waren vol sneeuw, + Je vond er geen boom, geen struik, ja zelfs geen dooie spreeuw, + En dat ze geen natte voeten kregen op dien tocht, + Kwam ... doordat ze overschoenen bij meneer Bell hadden gekocht. + Zoo, mijne vrienden, zou ik door kunnen gaan, + Maar mijn schitterende rede zou teveel tijd beslaan, + Ik meen daarom te kunnen volstaan + Met te zeggen, te beweren, te wenschen en te hopen, + Dat de firma Bell maar veel schoenen mag verkoopen, + Aan vorst en vorstin, aan boer en boerin, aan heid-- en heidin, + En als hij ze levert naar een ieders zin, + Dan wordt hij nog Hofleverancier van H. M. de Koningin. + Ik wijd ook een woord van hulde aan Mevrouw, + Die haar echtgenoot vol liefde en trouw + Op zijn door vele voeten betreden levensbaan + Als een dapper strijdmakker heeft terzijde gestaan, + Net als Julius Ceasar met Piet Hein heeft gedaan. + Nu nog een kort woordje tot de kinderen + Piet en zijn zuster--als u het niet zult verhinderen,-- + En ik zeg het zonder blikken of blozen, + Ze hebben de beste ouders ter wereld uitgekozen. + En nu, dames en heeren, hoog het glas, + Doe maar net, of je thuis bij je moeder was, + Zing en klink en drink, tot je geen twee meer kunt tellen, + Ter eer van alle hier aanwezige Bellen, + En zing met mij, dat je 't kunt hooren in Afrika: + Lang zullen ze allemaal leven in de gloria!! + + +Bravooo!!... fijn ... ha-ha-ha-ha- ... nou, da's een goeie, hoor ... + +Vader Bell lachte zich tranen met tuiten om al dien welgemeenden humor, +en stond op om een woordje van dank te zeggen. + +"Vrienden," sprak hij, "ik kan niet zooveel buitenlandsche woorden +gebruiken als Flip, maar ik moet toch even zeggen, dat ik zijn +alleraardigst gedicht mijn leven lang zal onthouden, en hem er heel +hartelijk voor bedank. Ja, altijd maar vroolijk zijn, dat is mijn idee +ook. Ik heb er mij altijd wel bij bevonden en ik hou van menschen, +die er ook zoo over denken. Flip, nogmaals bedankt voor je vers, +'k ben blij, dat je Piet's vriend bent... en al heb je ons een +hoop leugens wijsgemaakt, over die Konijnevaten en die Trawanten, +of hoe die Indianen ook heeten, de bedoeling was goed en mooi en +je kunt mijnentwege meneer Sanniplak of Bannihal vertellen, dat ik +een nieuwe voorraad overschoenen heb ontvangen, voor het geval hij +nog eens zoo'n plezierreisje gaat ondernemen. Vrienden ... op de +gezondheid van Flip Buitenhuis!" + +Er werd geklonken en gedronken, en onder vroolijke gesprekken werd +de feestmaaltijd voortgezet. + +De lezers van Pietje Bell herinneren zich misschien nog wel, dat de +schoenmaker vroeger den bijnaam droeg van "Jan Plezier", omdat hij +altijd vroolijk was en van den vroegen morgen tot den laten avond +liedjes zong, terwijl hij de laarzen en schoenen van de heele buurt +repareerde. + +Die aangeboren vroolijkheid was hem bijgebleven en had hem steeds +meer klanten bezorgd. Toen Pietje acht jaar was, had zijn vader een +kleinen schoenwinkel geopend aan de Heerenstraat, maar nu was de +oude zaak ook weer te klein geworden en Vader had het groote, ledige +winkelhuis ernaast gekocht en naar de eischen des tijds ingericht. + +Piet had, na de lagere school doorloopen te hebben, een bijzondere +school bezocht, waar hij, behalve de gewone vakken ook Handelsrekenen, +Buitenlandsche Correspondentie en Boekhouden geleerd had. + +Hij was nu sinds eenige dagen van school en zou den volgenden dag +als jongste bediende op een graankantoor in dienst treden. + +Wat was Pietje eigenlijk voor een jongen geworden? + +Wel, in de eerste plaats was hij ouder geworden--da's logisch--en +met de jaren verandert een mensch altijd een beetje en dat is maar +goed ook. + +De kleine Pietje Bell was min of meer de humoristische lastpost van +de heele Breestraat geweest en meer dan eens had de courant zijn naam +vermeld als de grootste deugniet in Rotterdam. + +Nu--op zestienjarigen leeftijd, met al een hoofd vol studie, was er van +dergelijke dwaasheden natuurlijk geen sprake meer, hoewel hij een niet +te verzadigen lust tot pretmaken had. Piet was nimmer om een antwoord +verlegen geweest, en de gave des woords was zoo in hem ontwikkeld, dat +hij een aparte dictionaire in zijn hoofd had van allemaal zelfgemaakte +woorden en uitdrukkingen, die hij te pas en te onpas gebruikte. + +Pietje was sterk, gezond, flink van postuur, liefhebberde in boxen +en jiu-jitsu, wat hem geleerd was door een vroegeren kameraad, en +telde zijn vrienden bij tientallen. + + + +Den volgenden morgen half negen stapte Pietje voor de eerste maal naar +zijn eerste betrekking: het kantoor van de graanhandelaars Graanzak +& Zonen. + +Een slungel van een jongste bediende was de eenige aanwezige, +'t scheen nog wat vroeg te zijn. + +'t Jonge mensch scheen niet te lijden aan overmaat van beleefdheid, +want hij voegde Piet toe: + +"Wat mot jij hier?" + +Nu was bedeesdheid iets, wat Piet sinds den dag zijner geboorte niet +gekend had. Hij nam den jongen rustig op van het hoofd tot de voeten +en vroeg spottend-beleefd: + +"U zei?" + +De jongen voelde den steek en trachtte zijn onhandigheid te verbergen +door een nog grootere lompheid. + +"Bee-je doof? Ik vraag, wat je hier mot; d'r is nog geen mensch op +'t kantoor en je kan nog wel een kwartier uitrukken." + +"Imbécile, je crois," zei Piet lachend. + +"Wat beteekent dat?" + +"Of je ham lust van een ijsbeer," vertaalde Piet. + +"Wel, in elk geval heb je hier niets te maken, opschepper!" + +Maar nu opende Piet zijn dictionaire: + +"Opschepper? Wel jou driedubbel-overgehaalde kwartjesfonograaf, als +jij denkt, je ongepatenteerde spreekbuis zoo wijd tegen mij te kunnen +openzetten, dan zal ik je een knal op je eetsalon verkoopen, dat je +de rest van je leven noodig hebt, om den tandarts af te betalen." + +De jongen deed een stap achterwaarts, verstomd door dien onverwachten +woordenrijkdom. + +'t Middel had geholpen en omdat Pietje zich meer interesseerde voor +zijn nieuwe werkkring dan voor den lompen vlegel, draaide hij hem +den rug toe en wachtte de komst van zijn patroon af. + +Hij was volkomen kalm gebleven, daar deze lummel hem niet genoeg +belangstelling inboezemde om zich over hem op te vinden. + +Want Piet had zoo zijn eigen begrippen over de dingen: hij liet niemand +een loopje met hem nemen, hij was vriendelijk jegens de vriendelijken, +beleefd jegens de beleefden, goed jegens de goeden, maar wanneer iemand +hem barsch toesprak of minachtend behandelde, dan toonde Pietje, dat +hij een vrije Hollandsche jongen was en dat hij beschikte over een +rapheid van tong, die voor een geoefend redenaar benijdenswaardig was. + +Geleidelijk kwam het kantoorpersoneel binnen, spoedig gevolgd door +den heer Graanzak. + +Toen deze Piet bemerkte, wenkte hij hem te volgen in het privé-kantoor. + +Het woord klinkt misschien een beetje weelderig, maar het privé-kantoor +was weinig meer dan een rommelig hokje met een ouden lessenaar en +een nog veel rommeliger kast vol boeken en papieren. + +Graanzak paste volkomen in deze omgeving, hij was slordig gekleed en +zijn oudachtig gezicht stond niet bijster vriendelijk. + +"Blijf daar staan!" snauwde hij Piet toe, toen deze meer dan drie +passen in het kamertje deed. + +Piet gehoorzaamde en wachtte vol belangstelling de komende dingen af. + +Graanzak hing zijn hoed op, plantte een lorgnet op zijn neusbeen en +grabbelde in de papieren op zijn lessenaar. + +De lorgnet gebruikte hij om er overheen te kijken. + +"Kom hier," commandeerde Graanzak bits. + +Piet naderde de lessenaar. + +"Halt-halt ... niet verder ... da's genoeg ... nou, je naam?" + +"Pieter Bell, meneer." + +"Geboren?" + +"Jawel meneer." + +"Ik bedoel waar ... wanneer ..." + +"Rotterdam ... 2 Augustus ..." + +"Mooi ... haal een bezem." + +"Een bee ...????" vroeg Piet verbaasd. + +"Ja-ja ... een bezem ..." + +Piet gehoorzaamde alweer; hij had nog geen duidelijk begrip van zijn +nieuwen werkkring. Hij dacht, dat hij kantoorbediende zou zijn en +een lessenaar zou krijgen. Wat wilde Graanzak met den bezem? + +"Nou kom hier en veeg me dien varkensstal uit." + +Piet keek om zich heen. + +"Is dat hier?" vroeg hij. + +"Kijk naar den vloer en kijk onder tafel," snauwde Graanzak. "Is dat +vuil genoeg? Als je net zoo'n luie doeniet bent als je voorganger, +kun je direct wel opkrassen. 't Is een zwijnenboel hier en jij maakt +het schoon, versta je?" + +"Mag ik even telefoneeren?" vroeg Piet. + +"Met wie... voor wat?" + +"O, ik wou alleen maar even de Gemeente-reiniging opbellen, die heeft +daar meer verstand van dan ik. Neen, mijnheer Graanzak, ik geloof, +dat ik mij vergist heb met hierheen te komen." + +"Wie-wat-hoe-waar... vergist... vergist??" + +"Ik had gedacht, wat schrijf- en rekenwerk te krijgen op een kantoor, +maar ik heb niet de handelsklasse doorloopen om varkensstallen uit +te bezemen... ik ben geen staljongen..." + +Met deze woorden zette Piet den bezem tegen den muur. + +Graanzak behoorde tot het soort menschen, die meenen, dat zij anderen, +die in hun dienst zijn, scheldwoorden en beleedigende uitdrukkingen +kunnen toevoegen. Pietje was gewillig en gehoorzaam genoeg, maar +vanaf zijn prilste jeugd hadden scheldwoorden en onrechtvaardige +behandeling zijn verontwaardiging opgewekt. + +Graanzak legde vol verbazing zijn papieren neer en snauwde: + +"Pak op dien bezem, jou aap... je bent hier om te doen wat ik +verkies... vooruit, geen geluilak." + +Piet maakte glimlachend een buiging en zei: + +"Spijt mij heel erg, mijnheer, maar ik denk, dat ik maar weer naar +huis ga. Dag mijnheer Graanzak... Zakt u maar niet te ver in 't graan." + +De deur werd achter hem dicht geslagen, maar Piet zag niet, of de +tocht het deed of iemand anders. + +In de gang passeerde hij den kantoorjongen, die hem met een spottend +lachje aankeek. + +Piet bleef staan, deed een vluggen greep in 's jongelings das en zei +met opgetrokken neus en wenkbrauwen: + +"Zeg, ik heb erg veel zin om jou eens te vertellen, hoe ik over je +denk en over je lieven baas, maar als ik je ooit weer tegenkom zal +ik een roffel op je facie trommelen, dat je patroon je gezicht voor +een poffertjespan aanziet! Saluut." + +De daad bij het woord voegende, liep hij naar buiten, +teleurgesteld... maar zonder spijt. + +Piet liet zich niet door den eersten den besten voor vloermat +gebruiken, daarvoor had hij teveel moeten studeeren, daarvoor voelde +hij zich te onafhankelijk, te vrij, te veel Watergeus... ja... te +veel jongen met Piet Hein-bloed. + +Hij wilde graag werken, zijn best doen om vooruit te komen in de +maatschappij, maar hij liet zich door niemand buffelen, grauwen en +snauwen en "op den kop zitten." + +Merci, hij was Pietje Bell, en wie dat niet verstond zou het wel +ondervinden. + + + +Hij kwam thuis, liep den winkel in, waar Vader de doozen afstofte. + +"Wel, wat nou?" vroeg deze. + +"Me voilà, geeerde Papa," zei Pietje, "'k Heb vacantie, ha-ha." + +"Vacantie? Je bent toch niet ontslagen?" + +"O, pas du tout ... kan je net denken, vadertje. Ik ben niet eens +begonnen, hoe kan ik dan ontslagen zijn?" + +"Maar wat is er dan toch gebeurd?" + +"Wel, toen ik vanmorgen het kantoor binnenkwam, was er alleen nog maar +zoo'n peenharig sjappie. Hij verbeeldde zich zeker, president van +'t afgebrande graanpakhuis te wezen en vroeg wat ik motte. Afijn, +ik heb hem dat even op mijn manier gezegd en toen was-ie koest. En +toen kwam meneer Graanzak ... probeerde mij vanaf 't eerste oogenblik +te buffelen ... en mij het varkenshok te laten schoonmaken." + +"Het varkenshok?" riep vader verwonderd uit. "Waren er dan varkens?" + +"Ik denk, dat de heer Graanzak zich daaronder rekende, hij noemde +tenminste zijn privé-kantoor een varkenshok." + +"En toen," lachte Vader, die altijd schik had om Piet. + +"Wel, ik heb den bezem tegen den muur gezet en meneer Graanzak een +lang leven toegewenscht en eksteroogen." + +Vader Bell schaterde het uit en sloeg zich op de knieën van pret. + +Die Piet, die Piet, ha-ha-ha ... natuurlijk had de jongen dat niet +gedaan ... maar gelijk had hij ... het was geen manier van doen +geweest. + +Piet deed een oud jasje aan en ging zijn vader helpen. Hij had niets +anders te doen en had een hekel aan stilzitten. + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE KORFBALCLUB "DE VROOLIJKE BENDE." + + +Dien avond begaf Pietje zich naar de Vergadering van de Rotterdamsche +Korfbalclub: De Vroolijke Bende, op het bovenzaaltje van café De Kroon. + +Alle leden zaten rondom een lange tafel, de voorzitter, Jacob Mantel, +aan het boveneind, geflankeerd door Marie van Zanten, secretaresse en +Moeder over de club, en Harry de Graaf, penningmeester, en veelbelovend +boekhouder. + +"Dames en heeren," sprak de voorzitter, "de tweede vergadering van +de korfbalclub "De Vroolijke Bende" verklaar ik geopend, na u allen +een hartelijk welkom te hebben toegezwaaid. Het woord is aan onze +secretaresse, die de notulen van de vorige vergadering zal voorlezen." + +"Ik heb het schrijven daarvan aan den 2en Secretaris overgedragen," +beweerde Marie lachend. + +"Alzoo onze vriend Pietje Bell, tweede secretaris, heeft het woord." + +Pietje stond op, nam het notulenboek ter hand en las: + + + Eerste Vergadering. + + Op aanhoudend aandringen van den Minister van Oorlog en nog meer + leuke lui is heden opgericht De Vroolijke Bende, zich ten doel + stellende het maken van de meest mogelijke pret en ... + + +Hier tikte de voorzitter met den hamer. + +"Zou het niet beter zijn, deze zinsnede te vervangen door: zich +ten doel stellende het beoefenen van het edele korfbalspel op de +aangenaamste manier?" vroeg hij. + +"Dat is precies hetzelfde," zei Pietje en vervolgde: + + + ... het maken van de meest mogelijke pret en het mikken van een + bal in een mandje zonder bodem. + + Aangezien door alle aanwezigen het oprichten van een dergelijke + Bende zeer noodzakelijk werd geacht, werd vervolgens overgegaan + tot de viering van den verjaardag van een der aanwezigen, wat + hem een rondje kostte. + + Mejuffrouw Alida Specht kon niet inzien, wat voor nut erin stak + om een bal in een bodemlooze mand te werpen, aangezien deze er + toch weer uitviel, maar de Voorzitter verklaarde haar, dat dit + juist de grap van het spel was. + + Na aldus het nut van het spel verklaard te hebben, deelde de + voorzitter mede, dat de club tweemalen per jaar een voorstelling + zou geven ten bate van de kas en om er de rekeningen van de + voorgaande soirée mee te betalen. + + Het Reglement van de club werd daarna vastgesteld en alle + aanwezigen namen zich voor, er zich niet aan te storen. + + De kosten van de vergaderingen, zaalhuur en verteringen zullen + betaald worden van de opbrengst der eerstvolgende soirée, en de + eigenaar van café De Kroon nam met groote vreugde dit voorstel + aan. Op dezelfde wijze zal getracht worden, de overige onkosten + der club te bestrijden. + + Ten slotte werd de vereeniging de naam gegeven van De Vroolijke + Bende, hetgeen met algemeene toejuichingen gepaard ging en waarbij + drie glazen en twee kopjes het leven lieten. + + +"Heeft iemand iets aan te merken of af te keuren in deze +notulen?" vroeg de voorzitter. "Niemand? Dan zullen we ze hierbij +goedkeuren en onderteekenen." + +Met sierlijke krullen zette Harry zijn naam eronder en vervolgde dan: + +"Nummer twee van de agenda: Verslag over het afgeloopen kwartaal." + +Weer stond Pietje op, nam een ander boek en las: + + + Het is lang geen gemakkelijke taak, precies te vertellen, wat + er in het eerste speelseizoen van De Vroolijke Bende is gebeurd, + want er is zelden op de wereld zulk een rumoerige, veelzinnige, + weerbarstige en uitgelaten troep bij elkaar geweest. De + eerste oefening werd gehouden op het Exercitieterrein, waar + het veertien dagen aanhoudend geregend had. Het speelveld was + in een voorwereldlijke poel herschapen en derhalve uitnemend + voor korfbal geschikt. Toen de club huiswaarts keerde, zagen de + leden eruit als polderjongens. Men was het er echter algemeen + over eens, dat het geen "droge boel" was. De kas bevond zich in + een voorbeeldigen toestand, er was geregeld een tekort, aangezien + de uitgaven grooter waren dan de inkomsten. + + Jacob Mantel, voorzitter, werd ook tot leider gekozen, met een + lange ij, en hij leerde de club, hoe je 't niet moet doen. + + Er werden eenige repetities gehouden voor de a. s. soirée, welke + zeer succesvol afliepen, daar de meeste deelnemers schitterden + door afwezigheid. Alles en alles bij elkaar genomen verkeert de + club in blakenden welstand en gaat een groote toekomst tegemoet. + + +Pietje ging zitten onder het applaus der leden. + +"Goedgekeurd," sprak de voorzitter. "Aan de orde is vervolgens nummer +drie van de agenda: Voorstel van mej. Marie van Zanten. Het woord is +aan haar." + +Marie, een vijftienjarige brunette, die wel voor zeventien kon +doorgaan, stond op. + +"Mijn papa," sprak ze, "wil aan de club ten geschenke geven een +verplaatsbaar clubhuisje met alle benoodigdheden..." + +Flip vloog naar de piano en begon uit alle macht: "Lang zal ze leven" +te hameren, wat direct door de heele Bende overgenomen werd. Laarzen +bestampten den vloer, stoelen werden omgegooid ... hoeraaa ... hoeraaa +... en als de voorzitter het niet belet had, zou de heele club Marie +omhelsd hebben. + +De eigenaar van het koffiehuis kwam naar boven om de geachte +vergadering mee te deelen, dat dit een vergaderzaaltje was en geen +kegelbaan. + +Het voorstel van Marie was, om het cadeau van haar vader aan te nemen +onder dankbetuiging, waarop wederom zulk een stormachtige bijval +volgde, dat meergenoemde eigenaar halverwege de trap terugkeerde en +thans met kracht en klem constateerde, dat het een schandaal was. + +"Jullie moest je schamen," zei hij, "de kalk valt beneden van het +plafond." + +"Laten we afspreken," antwoordde Flip den man, "dat het een goedkoop +soortje plafond moet zijn." + +"Bepaald namaak kalk," vond Pietje Bell. + +"Goeie plafonds," beweerde Jacob wijs, "laten geen kalk los. Probeert +u eens Portland-cement." + +"Jullie raaskalt," riep de man uit, "en dit is de laatste maal, +dat ik jelui waarschuw. Je denkt zeker, dat ik idioot ben?" + +"We zullen u heelemaal niet tegenspreken," zei Flip minzaam. + +De eigenaar nam dit als een beleefdheid op, omdat de beteekenis niet +recht tot hem doordrong en vertrok met de mededeeling, dat het de +laatste maal geweest moest zijn. + +"Stel je voor," beweerde Mien Kuijer, een veertienjarige robbedoes, +"de man krijgt zijn huur betaald na de eerste soirée, en dan zal je +nog niet eens de kalk van 't plafond mogen stampen." + +'t Werd warm op het zaaltje. + +Harry de Graaf deed met toestemming van de dames zijn jasje uit en +stelde daardoor een nieuw, zijden overhemd ten toon. + +Het had een vreemde combinatie van kleuren. + +"Vind-je 't geen mooi shirt?" vroeg hij aan Pietje. + +"Wel," was het antwoord, "ik wil heelemaal niet beweren, dat het niet +mooi is, maar als ik zoo'n overhemd aanhad, zou ik mijn jas aanhouden." + +"En ik denk ..." begon Flip. + +"Ik geef geen cent voor wat jij denkt," viel Harry hem in de rede. + +"Je hebt gelijk, ik dacht aan jou," zei Flip snel. + +"Orde, dames en heeren," verzocht de voorzitter, "orde +alstublieft. Waar is mijn hamer? Och Piet, geef eens even aan." + +Pietje rekte zijn arm uit naar den hamer, die in de herrie aan de +andere zijde van de tafel verzeild was. + +"Gut, wat kan jij leelijk vér reiken," merkte Alida Specht op, +een lang, slank meisje, dat om haar spitse tongetje "Spinnetje" +genoemd werd. + +De voorzitter klopte op de tafel. + +"Binnen," zei Piet. + +"Orde," verbeterde Jacob. "Nummer vier van de agenda is aan de orde: +Geen personen onder veertien jaar kunnen als lid van de club worden +toegelaten." + +"Dat slaat niet op mij," zei Flip, "ik was den tweeden April al +zestien." + +"Als gewoonlijk een dag te laat," merkte Spinnetje op. + +"Iemand iets aan te merken op deze regeling?" + +"Wel," zei Harry, "Jannetje de Boog hier is nog geen veertien, dus +kan ze ook geen clublid zijn." + +"Wat?" riep de bedoelde jonge dame, die zeer voorname opvattingen +had, dikwijls fransche woorden gebruikte en het jammer vond, dat haar +vader landbouwer was. "Wat? Denken jullie, dat ik nog geen veertien +ben? Denken jullie dat? Quel idéé! Vous-êtes fou!" + +"Hotel de France," zei Pietje. "Si vous L'abattoir!" + +"Pourquoi le quadrille," voegde Flip er bij. + +"Coupe des cheveux et la barbe," beweerde een ander. + +"Stilte, orde," maande de voorzitter aan, en hamerde weer op de tafel. + +Mien Kuijer genoot van Jannetjes woede, doch haar vreugde steeg ten +top, toen Flip opstond en zei: + +"Ik stel voor, dat we den naam van Jannetje de Boog vertalen door +Jeanne d'Arc." + +Een oorverdoovend applaus volgde op deze woorden en er viel bepaald +beneden weer kalk van het plafond, want de eigenaar kwam opnieuw +binnen, maar nu met de mededeeling, dat de club oogenblikkelijk +moest vertrekken. + +Dat maakte een eind aan de vergadering. + +Piet stelde de leden in marschorde op en commandeerde: voorwaarrts +... Marsch! + +Met zeer hoorbaren militairen pas daverde de vroolijke Bende de +trap af. + +"En ik hoop jullie nooit meer te zien," was het afscheid van den man. + +"Dank u, van 't zelfde," zei Pietje. "Valt u niet over de mat." + +Dien avond schreef hij in het notulenboek van de club, dat de tweede +vergadering zeer geanimeerd en welgeslaagd was afgeloopen. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +VAN EEN VERWAANDEN HUISKNECHT EN DE WEDDENSCHAP IN DE LUNCHROOM. + + +In een boek leer je den held van het verhaal maar niet zoo op de +eerste bladzijden kennen in al zijn bijzondere hoedanigheden, vooral +niet een veelzijdigen jongen als Pietje. + +Onze vriend nu was natuurlijk niet zoo veranderd, of hij had heel +wat van zijn vroegere karakter behouden, en af en toe gaf hij daar +de bewijzen van. + +Het was merkwaardig, hoeveel vrienden hij had, want iedereen hield +van hem om zijn oprechtheid, zijn onuitputtelijken humor en levenslust. + +Hij wist altijd den vroolijken kant van de dingen aan te wijzen en +hielp daarmee menigeen van een neerslachtige bui af. + +Daarbij had Piet vastheid van karakter, een eigen wil en een groote +mate van zelfrespect. Dit laatste bracht hem wel eens in botsing met +anderen, die probeerden, hem in een hoekje te dringen of te kleineeren. + +Piet liet zich niet bazen, de schoolmeesters hadden hem niet voor niets +verteld, dat zijn voorouders tachtig jaar lang gevochten hadden voor +de vrijheid hunner nazaten, en hij zou wel eens iemand willen zien, +die hem die vrijheid ontnemen durfde. + +Hij wist--als het te pas kwam--dit zeer duidelijk aan iemands verstand +te brengen, en dan zette hij maar weer zijn dictionaire in werking, +liet zulk een overvloed van buitenmodel bijvoeglijke- en zelfstandige +naamwoorden hooren, dat Servaas de Bruijn er het water van uit den +mond geloopen zou zijn. + +Op zekeren dag vond Pietje een gouden broche met een schitterenden +diamant erin gevat. + +Hij bewaarde het kostbare sieraad zorgvuldig en keek dien avond de +advertenties in de courant na. + +Spoedig vond hij, wat hij zocht. Een der annonces luidde: + + + VERLOREN + + gaande van Beursstation langs Noordblaak naar Schiedamsche + Singel 875 een gouden broche met diamant. Tegen belooning terug + te bezorgen Westersingel 936. + + +Het was al wat laat, om er dienzelfden dag nog heen te gaan, maar +den volgenden namiddag begaf hij zich naar het genoemde adres. + +Het was een rijk heerenhuis, waar hij aanschelde en waar een +belachelijk-verwaande lakei de deur opende. De man scheen last van +een stijven nek te hebben, tenminste hij liep met den neus in de lucht +en keek vanuit die hoogte minachtend op het menschdom neer. Met zijn +stem kon hij kinderen bang maken. + +"Wel ... wat isser?" + +Piet keek een oogenblik verbaasd, maar glimlachte daarop. Hij had al +begrepen, wat voor vleesch hij in de kuip had. + +"Ik zou gaarne Mevrouw even willen spreken, hier is mijn kaartje," +zei hij op beleefden toon. + +De huisknecht, zonder het kaartje aan te nemen, wierp zoo mogelijk +nog meer het hoofd in den nek en zei: + +"En wat heb jij met Mevrouw te bespreken?" + +"Iets van groot belang," zei Piet geduldig. + +"Mevrouw heeft wel wat anders te doen, dan naar zulke jongens te +luisteren. Er worden gasten verwacht en de familie heeft toch geen +tijd om naar je te luisteren." + +"Ik denk," zei Piet, "dat Mevrouw de zaak, waarover ik kom spreken, +minstens even belangrijk zal vinden als de voornaamste gast, en +als u even mijn kaartje wilt geven, zult u Mevrouw heel wat last en +onrust besparen." + +De huisknecht scheen Piets aandringen impertinent te vinden en kon +niet inzien, wat voor belangrijks de jongen met Mevrouw te bespreken +kon hebben. Het maakte hem ongeduldig en hij wenschte van den bezoeker +verlost te zijn. + +"Praatjes," zei hij driftig, "we koopen toch niets aan de deur." + +"Praatjes? Als u wist, waarvoor ik kwam, zoudt u dat niet tegen +mij zeggen." + +"Zeg dan, wat je wilt." + +"Ik wilde Mevrouw spreken ..." + +"Waarover?" + +"Dat is mijn zaak." + +Driftig wilde de ingebeelde lakei de deur dichtgooien, maar Piets +voet was in den weg. + +"Marsch ... van de deur ... kwajongen!... ik telefoneer de politie..." + +"Wel man," zei Piet, de deur weer openduwend, "je bent hier heelemaal +niet op je plaats, je moet solliciteeren voor bewaarder in de +gevangenis voor ongeneeslijke misdadigers ... je hebt nog niet eens +beleefdheid genoeg voor portier van den Krententuin in Veenhuizen +... telefoneer de politie maar, dan ziet die nog een ouwe kennis +... En zeg nou aan je Mevrouw ... sterrekijker, kijk me eens an als +je durft ... dat ik de gouden broche gevonden heb met den diamant erin +... mijn naam is Pietje Bell.... Heerenstraat 234... Je kunt 't komen +halen, als je eerst excuus vraagt voor je onbeschofte hoffelijkheid +tegenover een fatsoenlijk bezoeker... Saluut Lukas ... 'k wensch je +veel heil en zegen en kiespijn." + +Met open mond en een gezicht als iemand, die zijn zeventigjarige +grootmoeder over een hek ziet springen, keek de huisknecht Pietje na. + +"Hee... hola.... JONGEHEER.... JONGEH-E-E-RRR..." riep hij hem toe. + +Maar Piet hoorde dat natuurlijk niet. + +"Jongeheer ..." en hijgend kwam de lakei hem achterop .... "komt u +alsjeblieft binnen ... Mevrouw zal u zeer gaarne te woord staan ..." + +Piet schudde het hoofd en zei: + +"Heerestraat 234 ... Sterrekijker ... val niet over de stoep ... Bye, +bye ..." + +Toen sprong hij op een passeerende tram en was spoedig uit het gezicht. + +Denzelfden dag kwam niet de knecht, maar wel Mevrouw persoonlijk de +broche halen. Zij verontschuldigde zich herhaalde malen, nadat Pietje +haar een zeer aanschouwelijk verhaal had gedaan omtrent het optreden +van den bediende. + +Zij was zeer verontwaardigd over 's mans ongemanierdheid, had er al +meer klachten over gehad en dit zou zeker de laatste maal geweest zijn, +want zulke ingebeelde personen kon zij niet gebruiken. + +Piet moest een belooning aannemen voor al de moeite en onaangenaamheid, +die hij ondervonden had, en ofschoon hij herhaaldelijk weigerde en +bedankte, het slot was toch, dat hij een bankbiljet van 25 gulden in +zijn zak had, toen de dame vertrok. + + + +Het geval met den huisknecht bewijst, dat Pietje Bell zich niet liet +afgrauwen en snauwen, en dat dengene, die het met hem probeeren wou, +dan ook maar de gevolgen moest ondervinden. + +Evenmin was hij verlegen in het publiek en hij kon soms op straat of +waar dan ook plotseling een grap uithalen, waar hij een ieder kostelijk +mee amuseerde. Hij was een vrije Hollandsche jongen, nietwaar, en dit +leven was zijn leven, nietwaar, en niemand behoefde hem te vertellen, +wat hij wèl en wat hij nièt doen mocht. Als hij zin had, om iets +te doen, wel, dan deed hij het, en al vond een ander het nu dwaas, +dat maakte voor hem geen verschil. + +Op een avond wandelde hij met Flip Buitenhuis door de stad. + +Het duurde niet lang, of zij ontmoetten Mien Kuijer en Marie van +Zanten. + +"Dag kindertjes," zei Piet... "Quo Vadis?" + +"Overal en nergens," zei Marie. "We wandelen." + +"En wij promeneeren," zei Flip, "dat is nog deftiger." + +"Zeg menschen," vertelde Piet, "ik heb vanmiddag een halfsleet gulden +gevonden in een ouwe jas ..." + +"Van z'n vader ..." + +"Van mezelf ... en nou dien ik motie in om dat kapitaal te verbrassen +in den eersten den besten Lunchroom." + +"De motie is er door," oordeelde Flip. "Ik verwed er een cent onder, +dat de dames meegaan." + +"Hij verwedt een cent," riep Mien ... "gut, wat ben jij roekeloos." + +"Hij verwedt nooit meer," zei Piet. "Toch heeft hij eens vijf centen +verwed, maar toen was hij in een toestand van groote opgewondenheid." + +Op den hoek van een straat stond een jongen met couranten. + +"Nieuws-belaaaaaad!!!..." + +"'n Heel goeie stem," merkte Flip op. + +"Gaat nog al," vond Piet. + +"Toen ik klein was," vertelde Flip, "kreeg ik zangles van een tante. Ik +heb een reuze-geluid ...." + +Ze namen plaats aan een tafeltje in de American Lunchroom, bestelden +thee en gebakjes. + +"Jouw stem," beweerde Piet luidruchtig, "is niet veel. Ik wed, dat +ik harder kan schreeuwen dan jij." + +"Stil toch," vermaande Marie, "de menschen kijken naar ons." + +Maar Flip wond zich op. + +"Denk nou niet, Piet, dat je tegen mijn stem op kunt..." + +"Ik wed met je om de vertering, dat jouw bassie een mussche-sjilp is, +vergeleken bij mijn orkaan." + +"Om de vertering? Aangenomen ... ik begin ..." + +"Flip, je doet het niet, hoor," zei Marie angstig, want ze kende +Pietje en Flip door en door en wist, dat ze tot alles in staat waren. + +Mien Kuijer grinnikte en wachtte vol spanning. + +"Jij begint," zei Piet, "het woord is: Wafels." + +Flip schoof z'n stoel wat achteruit, zette beide handen aan den mond +en riep: + +"Waaaaaaaafels!!!" + +"Ha-ha-ha-ha... is dat alles?" vroeg Piet. "Met zoo'n piepgeluid zong +de baker mij vroeger in slaap. Man, ik heb je niet eens gehoord. Let +nou eens op mijn geloei..." + +Piet ging staan, sperde zijn mond wijd open en schreeuwde: + +"WAAAAAA... fels!!!!" + +De kopjes en schoteltjes rinkelden ervan, twee dames vielen flauw en +de oberkellner kwam met een agent naar het tweetal toe. + +"'n Paar gekken uit Meerenberg ontsnapt," zei hij, "reken ze +asjeblieft in." + +"Kom maar mee," zei de agent. + +"Maar agent, luister... wij zijn nette lui... Mijn vader is +fabrikant..." + +"Jawel, jawel," zei de politie-man, "mijn vader is Julius Ceasar en +ik ben Napoleon... Kom maar gauw mee..." + +Marie van Zanten en Mien Kuijer bleven achter en waren genoodzaakt, +de thee en de taartjes te betalen. + +Op het Politie-bureau was de uitleg spoedig door Pietje gegeven. + +"Wel, meneer de Commissaris, het gebeurde zoo. Wij bevonden ons +met onze dames in den lunchroom, toen mijn vriend en ik een dispuut +begonnen over onze stem. Dit jongmensch beweert, dat hij zangles heeft +gehad, maar dat moet dan bepaald van een doofstomme geweest zijn, want +hij maakt nog geen muis aan 't schrikken. Wel, en toen probeerde ik +hem dat te bewijzen, door hem te laten roepen: wafels. 't Was precies, +of hij fluisterde, meneer de Commissaris, en daarom heb ik hem eens +laten hooren, welk een enorm geluid ik bezit. Ik heb toen ook geroepen: +wafels, maar ik zie heelemaal niet in, hoe ik daarvoor gearresteerd +kan worden... iedereen kan dat doen, als hij er lust in heeft." + +De commissaris wendde zich tot den agent. + +"Wat is eigenlijk de reden van deze arrestatie?" + +"De ober zei, dat het twee verpleegden uit Meerenberg waren." + +Er was een algemeen gelach, waaraan de agent zelf meedeed. + +"Ge kunt gaan," zei de commissaris, "maar doe dergelijke weddenschappen +liever niet in lunchrooms, maar op het voetbalveld." + +"Komaan," zei Pietje, terwijl ze het Politie-bureau verlieten, "laten +we gauw de meisjes weer ophalen, die zullen wel met de vertering +opgescheept zitten. Je hebt dan meteen gelegenheid, je weddenschap +te betalen." + +"Ik?" vroeg Flip. + +"Wel, wie anders? Heb ik het soms verloren? Wie heeft het hardste +geschreeuwd?" + +"Nou, mij goed, ik zal wel opdokken. Zeg Piet, ik ken dien +Politie-commissaris nog van vroeger, hij is al jaren aan dit +bureau. Als kleine jongen had ik eens een cent ingeslikt en in haar +zenuwachtigheid liep mijn moeder met mij naar het politie-bureau. Een +dokter werd geroepen en haalde twee halve centen uit mijn maag te +voorschijn. Het geld was in dien tijd gewisseld." + +"Dat is nog niets vergeleken bij wat mij eens als kind overkomen is," +zei Piet. "Ik was zes jaar en had een politie-fluit gevonden en die +bij ongeluk ingeslikt. Nou had ik juist in dien tijd de kinkhoest en +telkens als ik een hoestbui kreeg, kwamen alle agenten uit de buurt +aanloopen, om te zien, wat er aan de hand was." + +Al pratende hadden de twee vrienden den lunchroom weer bereikt, +maar de dames waren vertrokken. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE CLUBHOND. + + +Eduard Pijpers was 'n type. + +Gekleed naar de laatste mode, damesachtig fijn, was al zijn denken +en doen gewijd aan mooie kleeren en mooie dingen. + +Hij was een van Piets vroegere schoolmakkers, maar behoorde niet tot +zijn bijzondere vrienden. Eduard werd door alle kennissen genoemd +"Eetje." + +Die naam gaf zijn type prachtig weer. + +Eetje was driemaal op de H. B. S. blijven zitten, had vervolgens zijn +geluk in den fruithandel geprobeerd, maar omdat hij meer vruchten +opat, dan verkocht, had Papa hem bij zich in de kleermakerszaak +genomen. Broeken en jassen kun je niet opeten. + +Dit aangename jongmensch was de eenige onder Piets kennissen, +die rookte. + +Turksche cigaretten of een heel licht Havana-sigaartje. Deze gewoonte +had hem een klant gemaakt van Flip, die hem het rookmateriaal verkocht. + +Eduard deed altijd zeer voornaam, had een hoogen dunk van zichzelf +en sprak met een stem als een Haagsch luitenantje. + +Op zekeren avond stapte Eduard den sigarenwinkel van Buitenhuis binnen. + +"Hallo, Eetje," verwelkomde Flip hem. + +"Goeien-évend," was de wedergroet. "Zág Flip, hab je nog vèn die +kleine Hévéné's vén verleden week?" + +"O ja, nog genoeg voor je heele leven. Hoeveel wensch je er, tien, +twintig, honderd, 'n paar duizend?" + +"Merci, merci ... geef me er veef." + +Er kwam een ander jongmensch den winkel binnen, vergezeld van een +reusachtigen hond. Het was een Engelsche bulldog, ruim een meter hoog, +met 'n kop als een tijger. Breed stond het dier op zijn geweldige +pooten, hij had een loerenden blik, die weinig vertrouwen inboezemde. + +Nu had Eduard verbazend veel liefhebberij in honden en kocht en +verkocht ze nu en dan. Hij zei altijd, dat hij een kenner was. + +De eigenaar kocht wat sigaren en onderwijl bestudeerde Eduard het +kolossale dier. + +"'n Préchtbeest, meneer," zei-die eindelijk. + +"Ja," zei de eigenaar, een sigaar bij 't gasvlammetje aanzuigend. "'t +Is een mooi dier en het is jammer, dat ik er afstand van moet doen." + +"Efstènd?" informeerde Eetje. "Hoe dèt zoo?" + +"Wel ziet u, ikzelf ben erg aan den hond gehecht, maar de oudelui +houden niet van dieren en nu ben ik wel genoodzaakt, hem te verkoopen." + +"Wèt vrègt u voor 'm?" vroeg Eduard. + +"O, ik kan dadelijk 50 gulden voor hem krijgen van iemand. Maar die +kerel behandelt zijn dieren niet goed, en daarom verkoop ik hem liever +voor wat minder geld aan een hondenvriend. Het is een alleraardigst +dier en heel vertrouwd met kinderen." + +Flip schoot in een lach. + +"Hij ziet er anders niet naar uit, meneer. Als u 't mij vraagt, is +'t een echte bloedhond en ik zou hem nog niet op mijn ergsten vijand +willen lossturen." + +"O, dat is alleen maar zijn voorkomen. Hij is een lieve hond, +nietwaar, Nero?" + +Nero hief zijn bloeddorstigen kop op en gromde, alsof hij zeggen wilde: + +"Als je dat nog eens zegt, vreet ik je op." + +"Inderdéd... 'n éllerérdigst dier," zei Eetje. "Geef me 'n poot, Nero?" + +Nero loerde hongerig naar den uitgestoken hand en bromde dreigend, +waarbij hij zijn geweldige slagtanden liet zien. + +"Oho... kélm... kélm... niet zoo boosérdig," suste Eduard. + +"Weet u misschien een kooper voor den hond?" vroeg de eigenaar, +die bijzonder veel haast scheen te hebben, om van het dier af te +komen. "Maar hij moet een goed tehuis krijgen, anders geef ik hem +niet." + +"Ikzelf ben een hondenkenner," zei Eduard. "Wat moet ik u voor den +hond geven?" + +"Veertig gulden, omdat u het bent." + +"Dèt ken ik niet betélen, wérde heer." + +"Wat had u gedacht?" + +"Ik zél u 'n tientje geven." + +Het jongmensch dacht even na en zei: + +"Tien gulden is een koopje voor zoo'n hond, maar als u me belooft, +goed voor hem te zijn, wil ik hem wel voor dien prijs afstaan." + +"In orde," zei Eduard. Hij betaalde den prijs en nam den hond over. + +Nero's vroegere meester nam niet eens de moeite, afscheid van hem +te nemen en ook de hond scheen er zich bitter weinig van aan te +trekken. De verkooper had de tien gulden en Eduard voelde zich de +trotsche bezitter van den meest bloeddorstig-uitzienden hond in de +heele stad. + +Flip sloeg zich op de knieën van pret. + +"Ha-ha-ha-ha..." schaterde hij. "Een koopje, Ee, een koopje. Wat ga +je met den leeuw uitvoeren?" + +Maar Eduard was te druk bezig, zich de vriendschap van den hond +te verwerven. + +"Is 't geen préchtdier?" zei hij. "Kom hier Nero, zoete hond, heur, +zoete hond." + +Flip had een idee. + +"Weet je wat," zei-die, "morgen gaat de club een wandeltocht maken +naar Delft. Ik inviteer jou en den hond op dat uitstapje, dan hebben +we nog wat plezier onderweg. Kom om negen uur bij de Heulbrug." + +"Efgesproken," zei Eduard, "ik neem de invitétsie gérne én." + + + +Eduard stak een sigaartje aan, deed dat zorgvuldig in een barnsteenen +pijpje, zei: "adieu zág" tot Flip en leidde voorzichtig den tijgerhond +naar buiten. Op den Coolsingel, waar het druk was van veel wandelaars, +trok hij met zijn hond aller aandacht. Maar de dames deden een paar +stappen terzijde, als ze het paar zagen naderen, moeders trokken +angstig hun kinderen naar zich toe en de mannen keken het stel na en +zeien: da's een kwaaie, hoor. + +Maar Eduard vatte dat alles slechts als bewondering op en voelde er +zich te gelukkiger om. + +Een politie-agent, die al een poosje verdacht naar den hond gekeken +had, sprak Eetje eindelijk aan. + +"Een mooi beest, meneer." + +"Dat zou ik meenen," was het antwoord. + +"Is het ùw hond?" + +"Zeker, nètuurlijk. Ik ben 'n kenner, heb verstand vén honden." + +"Dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zijn belastingpenning laten +zien? En dan wilt u me zeker natuurlijk ook wel zeggen, waarom de +hond geen muilband aanheeft?" + +"Beste vriend, ik heb het dier zoo juist gekocht." + +"Dat zeggen ze allemaal. Van wie?" + +"O, ik weet z'n ném niet." + +"Dacht ik wel. Ik zal u moeten bekeuren. 't Spijt me wel. Als u Maandag +direct den hond aangeeft voor de belasting, komt u er misschien met +een lichte boete af, maar dan hebt u nog het procesverbaal vanwegens +den muilband. Hoe is uw naam?" + +"Eduard Pijpers." + +"Woonplaats?" + +"Goudsche Singel 457." + +"Hoe oud?" + +"Zeventien." + +"In orde, u zult er wel meer van hooren." + +Eduard vervolgde zijn weg en rekende uit, dat met de kosten van twee +boeten van 25 gulden plus de belasting en hetgeen hij al voor den +hond betaald had, het lieve diertje hem op ongeveer 65 gulden kwam +te staan. Die ontdekking was niet bepaald verheugend en het maakte +hem nijdig op den hond. + +Nero bleef even staan en of Eduard al aan den ketting trok, het baatte +niets. Onnadenkend in zijn drift gaf hij den hond een schop. Nero +uitte een vervaarlijk gebrul en deed een nijdigen beet naar Eduards +beenen. Gelukkig hapte hij mis en Eetje gebruikte nu allerlei zoete +woordjes, om het monster tot kalmte te brengen. Met een bezwaard +gemoed bracht hij zoo spoedig mogelijk den hond thuis. + +Achter het kantoortje was een kleine binnenplaats met een ledig +hondehok, en daar legde hij zijn viervoetigen makker aan den ketting +en liet hem voorloopig aan zijn lot over. + +Zondagmorgen. + +Acht uur sloeg de klok van den St. Laurenstoren, toen Eduard beneden +kwam. + +Hij opende het raam van het kantoortje, dat op de binnenplaats uitzag +en keek naar het hok. + +"Nero... Nero... pssst... pssst..." + +De hond stak zijn grimmigen kop naar buiten en zoodra hij zijn nieuwen +baas ontdekte, zette hij een keel op van geweld. Wou-wou-wou-rrrrrr... + +"Hij heeft honger," dacht Eduard en hij vond het maar het beste, +een heel brood te halen en hem dat te geven. Uit den bakkerswinkel +op den hoek haalde hij een lang roggebrood, zoo groot en zwaar, +dat een paard er een indigestie van gekregen zou hebben. + +Hij herinnerde zich nog te goed, hoe Nero hem gisteren trachtte te +bijten, en daarom waagde hij zich nog niet bij den hond. + +Vanuit het raam hield hij hem het brood voor en op het gezicht daarvan +ging het dier nog veel erger te keer. + +Het leek wel, alsof de hond in geen dagen iets te eten had gehad, +en omdat Eduard ervoor bedankte, hem het brood vriendelijk aan te +reiken, wierp hij het hem toe. Met een gebrul als een tijger, die een +stier aanvalt, wierp Nero zich op het brood en had het in een paar +minuten verslonden. Daarop keek hij naar zijn baas met een gezicht, +alsof hij zeggen wou: + +"Is dat alles?" + +"Goeie genade," sprak Eduard in zichzelven, "zou hij nog niet genoeg +hebben?" + +Daarop begon de hond weer te blaffen, dat hooren en zien een mensch +verging. + +"Komaan," dacht zijn jonge baas, "we zullen in vredesnaam nog maar +zoo'n brood halen. Maar als hij van plan is, op die manier door te +eten, dan is hij een dure kostganger." + +Hij keerde spoedig met een tweede roggebrood terug en presenteerde +dat den hond op dezelfde manier. + +"Daar gulzigaard, en nou krijg je niet meer." + +Met dezelfde bloeddorstigheid als den eersten keer wierp de hond +zich op het nieuwe maal en verslond dat weer even gretig, hoewel nu +wat langzamer. + +Hij scheen verzadigd te raken en liet zoowaar een klein stuk liggen. + +Eduard probeerde hem nu voorzichtig te naderen en hield hem het +overgebleven stuk brood voor, maar Nero draaide den kop om. "Merci, +eet 't zelf maar." + +Het werd tijd, zich naar de plaats van samenkomst te begeven, want +hij had de uitnoodiging van Flip niet vergeten en verheugde zich nu +op het wandeltochtje, waarbij hij natuurlijk verschrikkelijk met den +reuzehond kon geuren en de bewondering opwekken der jongedames. + +Na zijn ouders goedendag gezegd te hebben en Nero een muilkorf te +hebben voorgedaan, begaf hij zich op weg. + +Het was heerlijk Zondagsweer--'n zonnetje en 'n blauwe lucht. + +De straten waren stil van rust en 'n enkele vroege wandelaar liep kalm +van 't zonnetje te genieten. Nero liep rustig naast zijn baas voort, +snuffelde hier en daar eens en gedroeg zich over het algemeen netjes. + + + +Bij de Heulbrug, de plaats van afspraak, was het grootste gedeelte +van de Vroolijke Bende al present. Pietje Bell was er het eerste +geweest met Harry en in een groepje waren de anderen komen aanzetten, +behalve Alida Specht. + +Flip had de bende in geuren en kleuren het geval verteld van Eduard +Pijpers en zijn bulldog, en de club was het er algemeen over eens, +dat het gezelschap van dat tweetal een vermaak zou worden. + +"Daar komt hij zoowaar aan," zei Jacob Mantel, en hij wees naar de +Schiekade, waar onze vriend met Nero deftig kwam aanstappen. + +"Hemelsche goedheid," riep Marie van Zanten uit, "wat een beest +... het lijkt wel een leeuw!" + +"Voorzichtig nou allemaal, luidjes," maande Flip aan, want die wist +ervan. "Pas nou een beetje op, anders bijt-ie je in je vlerk." + +"Goeie-mogge èllemél," zei Eetje, toen hij de groep genaderd was. + +"Morgen, Ee, ... krimmeneelen wat 'n stier heb jij daar bij je. Noem +je dat een hond? 't Lijkt wel een rhinoceros," zei Pietje. + +"Wat een prachtige kop," zei Mien Kuijer, en ze streelde Nero. + +"Pas op, pas op," zei Marie. + +Nero keek van den een naar den ander met oogen, die zeiden: nou, +dat is me ook een stelletje om mee uit te gaan. + +"Zeg, waar blijft Spinnetje toch?" vroeg Flip, "zou ze niet meekomen?" + +"Ik mag 't lijen," zei Mien, "dat wurm heeft altijd wat op mij aan +te merken." + +"Tut-tut," zei Jacob, die de vrede in de Bende bewaarde, "denk er om, +de eerste bepaling van ons reglement zegt: Vriendschap is ons aller +doel en streven..." + +"Nou," beweerde Mien, "dat mag je dan haar wel eens vertellen, die +Spin ..." + +"Sssssst ... daar komt ze." + +"'k Ben laat, hè?" hijgde Alida, buiten adem. "Gunst, ik kan er +niets aan doen, ik moest op het laatste oogenblik Pa's overhemd nog +strijken en dat vragen ze je natuurlijk altijd, als je de meeste +haast hebt. Bonjour Ee, ... gunst, is dat jouw hond?" + +"Komaan menschen," zei Piet, "op die manier staan we hier morgenochtend +nog." + +De Vroolijke Bende zette zich in beweging en wandelde het smalle pad +af, dat langs de molens voert. + +De meisjes in haar kleurige toiletjes voorop, daarachter de jongens +in groepjes van twee of drie, kuierde het gezelschap rustig voort, +genietend van den zomerschen Zondag. + +De hond stapte rustig mee, bromde wel een enkele maal tegen een +passeerenden boer, maar gedroeg zich heusch als een fatsoenlijk mensch. + +"Ik stel voor," opperde Flip, "dat we Nero benoemen tot clubhond van +de bende." + +"Geen kwaad idee," vond Jacob, "maar zijn baas is geen lid van de +vereeniging." + +"Heb je geen zin om lid te worden, Ee?" + +"Ik heb zoo weinig tijd." + +"O ... je behoeft niet mee te spelen," zei Pietje, "als je maar +contributie betaalt. 'n Kwartje per week en we maken je opzichter +over den clubhond." + +"Hee kinderen," riep Harry de meisjes toe, "iemand er op tegen om +Eduard en zijn tijger lid van de Bende te maken?" + +De dames hadden geen bezwaar, maar protesteerden tegen het woord +"kinderen." + +"Zeg, ouwe Grootvader," riep Mien terug, terwijl ze Harry een +vernietigenden blik toewierp, "waag het niet, mij nog eens een kind +te noemen ... volgende week ben ik al zestien." + +Piet viel flauw in het gras. + +"Help ... politie ... water ... die jongejuffrouw vertelt d'r +leeftijd!" schreeuwde hij. + +De wandeling was geanimeerd door de vroolijke gesprekken en nu en +dan verwisselden de groepjes, zoo liepen ze, genoeglijk babbelend, +als een echt gelukkig clubje van jonge menschen, die genieten van +hun jonge jaren en den heerlijken zomer. + +Pietje, die vol zat met vroolijke geschiedenissen, welke hij voor het +meerendeel uit zijn duim zoog, hield den gang er in, als de gesprekken +wat verflauwden. + +"Zeg lui," vertelde hij, "ik had vroeger een meester, die Ster +heette. Het was een aardige oude man. Op zekeren dag bij de rekenles +vroeg hij aan de klas: "Jongens, als ik een pond vleesch heb en +ik snijd dat in zestien stukjes, hoe heet dan ieder stukje?" Nou, +Keessie was knap en zei: "Een zestiende." Best... heel goed... zei +meester. "Maar als ik ieder stukje dan weer in tweeën snijd?" Dat +wist Keessie óók nog. "Een twee-en-dertigste."--"En als ik dan wéér +ieder stukje in tweeën snijd?"--Oogenblik stilte. "Jij Jan?"--"Gehakt +Meester," antwoordde Jan, de zoon van een slager." + +'t Gezelschap lachte, maar de meesten geloofden het toch niet, ze +wisten wel, dat Piet altijd van die verhalen er op na hield. + +"Je kunt het gelooven of niet," zei Pietje met het ernstigste gezicht +ter wereld, "het is zoo waar als ik hier zit, en een uur..." + +"Gunst kind, je zit niet, je loopt," merkte Marie van Zanten op. + +"En een uur later," vervolgde Pietje onverstoorbaar, "kwam het zoo te +pas bij de taalles, dat meester een woord vroeg dat begint met een +r en eindigt met een r. Wel, dat ging best, hè? Roer was het woord +natuurlijk. Maar Keessie wist er nog eentje.--"Capucijners!"-- + +"Wat?... Capucijners?"-- + +"Ja meester dat zijn ook allemaal erretjes!" + +"Maak dat je grootmoeder wijs," merkte Harry de Graaf op. + +Jacob Mantel protesteerde, hij was kweekeling en leerde voor +onderwijzer, en de kinderen op zijn school zouden zooiets niet zeggen. + +Maar Piet stond voor zijn verhaal in en ging het nog eens op z'n +gemak in het gras liggen betoogen. + +Maar ondertusschen werd het schoone van den wandeltocht niet vergeten +en Nero gedroeg zich zoo bewonderenswaardig, dat zijn baas bepaald +trotsch op hem ging worden. + +Zij wandelden langs uitgestrekte landerijen, waarin het talrijke vee +graasde. Zoo rustig was alles... er waren weinig menschen op pad, +want het was kerktijd... het riet aan den slootkant wuifde heel, +heel langzaam... de molens in het polderland staken scherp tegen de +blauwe lucht af en hielden ook Zondag.... Wat een rust... in de verte +sloeg een torenklok.... ergens blafte een hond. + +Maar die landelijke rust zou plotseling wreed verstoord worden. + +Nero, tot nog toe rustig en fatsoenlijk, had al een paar malen met +bloeddorstige oogen naar een kudde schapen gekeken... het roofdier +ontwaakte weer in hem... hij gromde dreigend... + +"Koessst, Nero," zei Eduard. + +"Wel," vroeg Pietje, "wat is er met onzen clubhond aan de hand?" + +"Ik denk," zei Ee, "dat hij idee heeft, die schépen een bezoek te +brengen. Stil Nero, blijf bij de bés. Heur je me... heur je me?..." + +De meisjes gichelden en de jongens keken elkander aan. + +"O," sneed Eduard op, "jullie behoeft niet te denken, dét ik hem niet +in bedwéng heb. Ik heb mér zeu met m'n hénd te doen en hij geheurzémt." + +Nero keek zijn baas bij deze woorden even aan, alsof hij zeggen wilde: +Nou, vrind, dat zullen we dan wel eens zien. + +De geweldige bulldog wendde den kop weer naar de grazende schapen +in het weiland en--alsof hij plotseling een besluit nam--gaf een +onverwachten ruk aan den ketting, die Eduard in de hand hield. + +"Hierrr... hierrrr..." schreeuwde Ee, die voelde, dat er iets +gebeuren ging. + +Maar Nero trok den baas met zich mee, of hij een veertje was. + +Sneller en sneller liep de hond en sneller moest Eduard mee. + +De bende gierde van het lachen. + +"Leg zout op zijn staart," riep Flip. + +"Licht hem een beentje," schreeuwde Pietje. + +De hond ging op hol. + +Eduard kon hem niet meer houden en bovendien scheurde de ketting +hem bijna het vleesch van de handen. Nero rukte zich los en met +reuzesprongen bereikte hij de rustig grazende schapen. + +Een paniek ontstond tusschen de arme dieren en ze stoven verschrikt +uiteen, angstig blatend, vluchtend in de richting van de boerderij. + +Eduard stond doodsangsten uit en de anderen niet minder. + +Nero rende tusschen de schapen en joeg ze op. Het was een geluk, +dat de hond gemuilkorfd was en dus niet in staat te bijten. + +Plotseling kwamen vanuit een schuur drie boerenknechts aanhollen. + +Ze zwaaiden met stokken en liepen op Nero toe. De hond liet de schapen +in den steek en richtte zich op de knechts. + +"Hier Nero," schreeuwde Eduard. + +"Hierrr hond," riep de heele Bende. + +Maar ze hadden evengoed kunnen roepen: "mooie aardbeien," want de +hond was veel te druk met zijn aanvallers bezig. + +Het was maar goed, dat de knechts met hun drieen waren, want nu kreeg +de hond er zoo geweldig van langs, dat hij het spelletje gauw opgaf +en zoowaar op de vlucht sloeg. + +Maar nu begon de pret pas. + +De knechts kwamen naar ons gezelschap toe. + +"Zeg eres," begon de grootste van het drietal, "van wie is die hond?" + +"Van mij," zei Ee. + +"Waarom stuur jij die hond op mijn schapen af mooie jongen met je +zije dassie?" + +En tegelijk greep hij Eetje bij de borst en rammelde hem stevig +door elkaar. + +"Dèt... dèt heb ik niet gedaan," beefde Eduard verschrikt. + +Pietje Bell zag, dat Eduard geen portuur was voor den knecht en zich +niet zou kunnen verdedigen. + +"Nou, jou aangekleede aap," vervolgde de boer tot Ee, "ik ga jou +met m'n stok een aframmeling geven, die je leeren zal, schapen op +te jagen." + +De stok ging omhoog en... + +"Wacht even, vrind," zei Piet vriendelijk tot den boer, en met een +vlugge jiu-jitsu-greep lag de stok op den grond, en had hij den arm +van den knecht in een kronkel. + +"Au... au... verdikke... la-los," schreeuwde hij. + +Pietje voldeed aan het verzoek en glimlachte. + +"'t Spijt me," zei hij, "maar m'n vrind hier is pas ziek geweest en +daarom zal ik de aframmeling voor hem in ontvangst nemen, tenminste, +als je daar kans toe ziet." + +De club schaarde zich vol belangstelling om het geval, want allemaal +kenden ze Piets ongeëevenaarde vechtkunst, die door zijn komische +kalmte en de bedaardheid, waarmede hij zijn tegenstanders aanvatte, +nog veel onbegrijpelijker werd. + +"Je kunt den stok wel weer opnemen," zei Pietje, "want die neem ik +je toch weer af." + +"Dat zullen we zien," riep de knecht, raapte den knuppel op en ging +er Piet mee te lijf. + +Maar hij had den stok evengoed thuis kunnen laten, want met een +bliksemsnellen draaigreep had Piet hem dien ontnomen en slingerde +hem ver weg. Daarop nam hij den rechterarm van zijn aanvaller en boog +dien achterwaarts en omhoog, zoodat de knecht geheel machteloos was. + +"Ga je gang nou maar," zei Piet, "en geef me een pak slaag." + +De heele bende juichte. + +"Goed zoo, Piet. Mooi zoo... houd hem vast." + +"Laat los... laat los..." schreeuwde de knecht. + +Men zal bemerkt hebben, dat Piet zich alleen verdedigde en niet +aanviel, want dat liet hij aan den ander over. + +De boerejongen zag dan ook in, dat hij tegen Piets vreemde vechtwijze +niet opgewassen was en gaf het op. + +"Komaan," zei Piet, hem loslatend en op den schouder kloppend, +"laat ik je nou even vertellen, vrind, dat we 't heelemaal niet zoo +kwaad bedoeld hebben. Dien grooten hond hebben we pas vandaag voor het +eerst en we wisten niet, dat het zoo'n kwaaie was. We konden hem niet +houden en hij rukte zich los. 't Spijt ons erg, jullie zoo'n moeite +veroorzaakt te hebben. Weet je wat, Eetje, geef jij die knechts wat +voor hun Zondag en dan gaan we weer op stap." + +Eduard was blij, dat hij er zoo afkwam en gaf ze ieder een kwartje. + +De knechts keken nog wel een beetje raar en de grootste wreef nog +wel pijnlijk zijn arm, maar daarbij bleef het toch en getroost door +de kwartjes gingen ze weer terug. + +"Die Piet, die Piet," zeien de meisjes, "dat is me toch een +vechtersbaas." + +Maar Piet protesteerde. + +"Nee kinderen, dat ben ik niet, ik daag niemand uit en ik val +niemand aan. Maar wie het met mij probeeren wil, mag gerust zijn gang +gaan... tien tegen een, dat ik hem in vijf tellen buiten gevecht stel, +en, wanneer het noodig is, hem een tarentella laat dansen, waarvan +de dansmeester aan het hof van den keizer van Lutjebroek een koliek +van nijd en jaloerschheid krijgt." + +Eduard ondertusschen had Nero teruggebracht, die heel wat kalmer +geworden was. + +"Weet je wat ik doe, lui?" zei die. "Ik ga weer terug met Nero, +anders bederf ik jullie plezier voor den heelen dag. Wie weet wat een +last we nog met den hond krijgen en dén zou Piet weer én 't vechten +moeten. Tot ziens heur, en veel genoegen véndég." + +En zoo zette de Vroolijke Bende den wandeltocht naar Delft voort, +minus Eetje en den clubhond. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE NIEUWE BETREKKING. + + +Op zekeren avond las Pietje de volgende advertentie in de Morgenpost. + + + JOURNALIST. + + Aan het bureau van dit blad kan geplaatst worden een jongste + bediende, 16 jaar, ten einde als verslaggever te worden + opgeleid. Sollicitanten moeten zich aan een klein vergelijkend + examen onderwerpen. Brieven met volledige inlichtingen worden + ingewacht tot uiterlijk Dinsdag 12 uur v.m. bij de Directie. + + +Piet sprong op, gooide zijn stoel om en liep naar Vader in den winkel. + +Hij had zich tot nog toe nog geen duidelijk idee gevormd, vanwat hij +eigenlijk wenschte te worden. + +Op ontelbare annonces had hij geschreven, maar geen der uitkomsten +was aanlokkelijk geweest, en na informatie was hij er ten slotte niet +eens op af gegaan. Deze advertentie echter trok hem bijzonder aan. Hij +had een zekere handigheid in het weergeven van zijn gedachten en de +door hem geschreven verslagen van de club waren het lachsuccès van +de vergaderingen. + +Deze annonce bracht hem op een idee: hij zou zijn aanleg voor schrijven +in praktijk brengen als journalist. + +"Vader, lees eens." + +"Wat is het, jongen, een brand?" + +"Veel erger, vader, er wordt een jongste bediende gevraagd aan de +Morgenpost, om als verslaggever te worden opgeleid... en dat ben ik." + +"Ben jij dat? Wie zegt dat?" + +"Dat zeg ik." + +Bell las de advertentie, keek Pietje met groote oogen aan en vroeg +verbaasd: + +"En durf jij dat aan?" + +"Wel vader," zei Piet, "ik ga er direct heen." + +"Maar je moet per brief antwoorden, staat hier." + +"Jawel vader, dat kennen we. Misschien krijg ik dan niet eens +antwoord. Neen, ik weet beter." + +Vijf minuten later was Pietje op weg, en toen hij de bureaux van +de Morgenpost bereikt had, vroeg hij aan den portier den directeur +te spreken. + +De man zette een bedenkelijk gezicht en zei: "Ik denk niet, dat +het gaat." + +Maar Piet gaf den man een dubbeltje en nu was het merkwaardig om te +zien, hoe gemakkelijk het wél ging. + +"Kom maar mee," sprak de man, "we zullen probeeren." + +Ze beklommen een trap en kwamen op een breede corridor met tal van +vertrekken. Eén ervan was de Directeurskamer. + +"Klop hier maar aan," zei de man, "en zeg het aan den bediende hier." + +Pietje deed zooals hem gezegd was en stond eenige oogenblikken later +tegenover een aangenaam uitziend jongmensch, dat den toegang tot het +allerheiligste van den Directeur bewaakte. + +"Wat wenscht u?" was de vraag. + +Piet zette een gewichtig gezicht. + +"Wilt u zoo goed zijn, even belet te vragen voor mij bij de directie, +ik heb een zeer dringende zaak te bespreken." + +Dit scheen indruk te maken, maar toch vroeg de bediende even: + +"Kan ik de boodschap ook aannemen?" + +"Dat zal niet gaan," beweerde Piet op denzelfden gewichtigen toon, +"het is daarvoor een veel te belangrijke kwestie." + +"Een oogenblik dan." + +Twee minuten later keerde de jongeman terug. + +"Het spijt me," zei hij, "maar de Directeur heeft op het oogenblik +geen tijd." + +"Ik evenmin," zei Piet snel en keek daarbij op zijn horloge, "en als +ik hem niet gauw te spreken krijg, ga ik naar een andere courant en +dat zal de Directie later ten zeerste betreuren." + +"Wacht u nog even," zei de bediende, zich bedenkend, "ik zal nog +eens zien." + +Piets argument scheen geholpen te hebben, de jonge man keerde terug +met de mededeeling: + +"Gaat u maar binnen." + +Zoo deed Piet. + +Het was een ruim en hoog vertrek, met zware tapijten belegd. Een +reusachtige antieke kast bedekte bijna den heelen muur, in de kamer +was een groot schrijfbureau, waaraan de Directeur gezeten was. + +"Wel, jongmensch," begon deze, "wat had u mij voor belangrijks mede +te deelen?" + +"U zoekt een jongsten bediende om als verslaggever opgeleid te worden," +zei Piet, "en u heeft hem al gevonden ook." + +"Is 't waar, wel, waar is hij dan?" + +"Ik ben het." + +"Is dat alles, wat u mij te zeggen heeft?" + +"Pardon, er is nog iets. Denk eens, wat een moeite ik u bespaar, +door zelf dadelijk hierheen te komen. Denk eens aan de vijfhonderd +brieven, die op de advertentie zullen komen en aan al het werk, dat +die u zullen veroorzaken. Per slot van rekening zult u mijn brief +eruit pikken en het met mij probeeren." + +"Gelooft u, jonge vriend, dat ge op deze manier een kans hebt, de +positie te krijgen?" + +"Ik ben er zeker van," zei Pietje, "want een verslaggever moet er als +de kippen bij zijn, speciaal een verslaggever van de Morgenpost. Ik +lever u elken dag vijftig nieuws-berichten, en als er geen nieuws +gebeurt dan maak ik nieuws." + +De directeur wist niet, of hij Pietje de deur moest uitgooien of hem +dadelijk in dienst stellen. Hij streek zijn knevel eens op, keek Piet +over zijn bril heen aan en dacht na. + +Ik wil eens zien--dacht hij bij zichzelf--of het den jongen ernst is. + +Een goed reporter laat zich nooit afschepen en houdt tot het laatste +toe vol. Was het den jongen ernst of stelde hij zich maar wat aan? + +De proef zou genomen worden. + +De directeur drukte op een knopje en de bediende verscheen. + +"Laat dit jongemensch uit." + +Piet groette beleefd en verliet het vertrek. + +Bij den portier informeerde hij naar de woonplaats van den Directeur +en op welken tijd deze thuis was. + +Dit bleek des avonds na zes uur te zijn. + +Dienzelfden avond zeven uur belde Piet bij de woning aan. Het was +een groot heerenhuis aan den Eendrachtsweg. Piet bedacht, dat de +heer Peters--de directeur--nog niet eens zijn naam wist en dat gaf +hem gelegenheid, zijn kaartje aan de dienstbode te overhandigen. + +Hij werd in de voorkamer gelaten, waar spoedig de heer Peters +verscheen. + +Maar nauwelijks had deze Piet bemerkt, of hij riep vol verbazing uit: + +"Wel... de brutaliteit... Wat verlangt u nu weer?" + +"Ik wilde u een zeer belangrijk schrijven overhandigen, mijnheer." + +En bij deze woorden reikte Piet hem een groote enveloppe over. Het +was de vereischte sollicitatie-brief, keurig geschreven en duidelijk +gesteld. + +"Die kunt u morgen op het bureau in de bus doen, ik doe geen zaken +thuis." + +"Maar mijnheer? Morgen gebeurt er iets verschrikkelijks," zei Pietje +met ontsteld gezicht. + +"Iets verschrikkelijks? Wat is dat nu weer?" + +"Morgen voor twaalf uur zult u vijf-, zeshonderd brieven van totaal +ongeschikte sollicitanten hebben te lezen... iedere brief neemt +minstens twee minuten... dat is twaalfhonderd minuten voor de +zeshonderd brieven of een arbeid van twintig uren..." + +"Bedankt voor de inlichting. U kunt gaan, en als u weer aan de voordeur +van mijn huis komt, laat ik u door de politie wegjagen." + +Piet groette alweer beleefd en verliet het huis. + +Hij bemerkte, dat een zijgang langs het huis liep naar den achtertuin. + +Vijf minuten later kwam de meid den heer Peters vertellen, dat het +jongemensch er weer was. + +"Wat?... alweer?... wat drommel, ik heb hem zooeven gezegd, dat ik hem +door de politie zou laten wegjagen, als hij weer aan de voordeur kwam." + +"Jawel, meneer," zei de meid, "maar het jongemensch zei, dat u niets +gezegd had van de achterdeur." + +"Hm... al goed... laat hem weer in de voorkamer." + +Piet volgde de meid voor de tweede maal en wachtte lijdzaam af, +wat hem nu weer te beurt zou vallen. + +Hij had al ruim tien minuten daar gezeten, toen de deur héél langzaam +geopend werd en een klein meisje naar binnen kwam. 'n Leuk typetje, +lange bruine krullen met 'n breed rose lint, groote vraagoogen en +kersemondje. + +Ze was misschien vijf jaar. Eerst nam ze Piet eens op en kwam toen +naar hem toe. + +"Ik ben Mies," zei ze gewichtig. + +"Aangenaam kennis te maken," zei Piet, "mijn naam is Pietje Bell." + +"Niets geen mooie naam," vond ze. + +"Verschil van smaak, ik vind 'm prachtig." + +"Kan jij verhalen vertellen?" vroeg Mies, tegen Piets knie aanleunend. + +"Dat zal waar wezen," zei Piet. "Der was eens..." + +"Nog niet beginne... broer moet het ook hooren..." + +En weg huppelde ze de kamer uit, kwam twee minuten later terug met +een driejarig broertje aan de hand. + +"Nou komme we op je knie zitten," zei Miesje. + +"Welja, dat is goed... doe maar net of je thuis bent," berustte Piet. + +Hij trok de peuters op zijn knie en terwijl de groote, bruine kijkers +van het tweetal vragend tot hem opzagen, begon hij: + +"Nou dan... D'r was eens een verschrikkelijke groote reuze-leeuw, +die een knecht wou hebben. Die knecht moest natuurlijk ook een dier +wezen, een beest uit het bosch. De leeuw had heele lange haren en die +moesten elken avond uitgekamd en gechampooi'd worden en z'n nagels +moesten gemanicuurd en z'n staart uitgeborsteld worden. Maar dat werk +deed meestal mevrouw de leeuwin. Begrijp je dat?" + +"Nee," zei Mies. + +"Best, ik ook niet," zei Piet. "Nu sliep de leeuw elken dag heel vast +en kon des avonds bijna niet wakker worden. + +"Hij had al verschillende soorten wekkerklokken geprobeerd, maar +hij sliep er vierkant doorheen. Het geblaf van den hond en zelfs het +gebrul van den tijger konden hem niet uit zijn slaap wekken. + +"Nou enne toen zette hij een advertentie in de Morgenpost..." + +"Van Pa," zei Mies. + +"Juist, de Morgenpost van Pa. En den volgenden morgen kwamen al de +beesten uit het bosch, want die hadden natuurlijk allemaal de krant +gelezen. Ieder op zijn beurt, ook de mug." + +"Wat kom jij hier doen?" vroeg de leeuw. + +"Wel, Sire Majesteit van Leeuwenburg," piepte de mug, "ik kom op +die advertentie." + +De leeuw lachte zoo hard, dat een paar honderdjarige boomen, die op +honderd meter afstand stonden, van schrik omvielen. + +"Ga maar gauw naar huis," zei de leeuw, "we kunnen jou toch niet +gebruiken." + +"Dat zal je gewaar worden," dacht de mug. Des avonds kwamen de dieren +uit het bosch probeeren, om den leeuw wakker te maken. De hond miauwde, +de kat blafte, de kip kraaide en de haan kakelde, de ezel brulde en +de tijger balkte, het schaap loeide en de koe blaatte, maar de leeuw +sliep precies, alsof er een liedje voor hem gezongen werd. + +"Schuif een eindje om," zei de mug, "daar kom ik." De dieren begonnen +allemaal te lachen, maar de mug stoorde zich daar niet aan. Hij vloog +naar het hol van den leeuw en zonder aan te kloppen ging hij binnen. + +"Wat een lawaai met al die beesten aan de deur," zei de mug tegen de +leeuwin. "Ik zal zijne Majesteit wel even wekken." + +"O ja," viel Mies in de rede, "ik weet het al... en toen prikte de +mug den leeuw in zijn neus." + +"Wie zegt dat?" vroeg Piet. + +"Dat zegt Juf." + +"Juf weet 'r niks van... dat deden die ouderwetsche muggen... mijn mug +beet den leeuw in het puntje van zijn staart en toen sloeg de leeuw +zoo hard met zijn staart tegen den muur, dat al de schilderijtjes +op den grond vielen. Nou en toen was-ie gelijk wakker, dat begrijp +je. Hij hoorde het geloei en gebrul van de dieren en was met een paar +sprongen buiten zijn hol. + +"Hij brulde verschrikkelijk en had in minder dan geen tijd +twee koeien, drie paarden, vijf kikvorschen en tien olifanten +verscheurd... brrrrr... En de mug? Wel, die kreeg de betrekking van +Koninklijke Hofstaartprikker van Zijne Majesteit de Koning. Mooi hè, +en nou is 't uit." + +"Vertel nog eens wat," inviteerde Mies. + +Maar de deur ging open en de heer Peters trad binnen, gevolgd door +de juf. + +"Wel, wel, kijk me dat daar eens," zei mijnheer. "Zeg snuiters, +iedereen loopt zich suf te zoeken naar jullie. Gauw naar bed en met +Juf mee." + +Het afscheid viel de kleintjes zwaar. + +"Kom je morgenavond weer?" vroeg Mies. + +"Dat hangt er van af," zei Piet, "het zou best kunnen, dat ik hier +morgenavond weer ben." + +De kinderen werden weggebracht. + +"Luister, jongeman," sprak de heer Peters. "Je lijkt me aardig +doortastend en niet gauw uit het veld geslagen. Welnu, ik wil het +eens met je probeeren." + +De directeur vroeg hem nog eenige inlichtingen aangaande het onderwijs, +dat hij genoten had, las den brief door en zei hem, zich den volgenden +Maandagmorgen om half negen te melden bij den stads-redacteur. + +"Dank u wel, mijnheer," zei Piet, "ik zal er zijn en voor u werken, +dat de vonken eraf vliegen." + +"Wel?" vroeg zijn vader, die met moeder in het kantoortje achter den +winkel zat. + +"Dierbare ouwetjes," zei Pietje plechtig, "ik heb de eer u edele te +berichten, dat uw zoon Pieter benoemd is tot jongste redacteur van +de Morgenpost. En ik verzoek u, mij vanaf heden met de mij daarbij +toekomende onderscheiding te behandelen." + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN UITSTAPJE NAAR SCHEVENINGEN. + + +Zoo had Piet dus nog een week den tijd. + +Hij hield het echter voorloopig nog geheim, zou ze later wel allemaal +verrassen met het feit, dat hij "redacteur" was, wat blieft u? + +Intusschen deed hij trouw mee aan de oefeningen van de club en als +Pietje er was, wel dan was het altijd feest. + +Flip Buitenhuis, die altijd vol vroolijke plannen zat, had het +idee geopperd, om met de heele club een uitstapje te maken naar +Scheveningen, en wel op den eerstvolgenden Zaterdag. + +Het plan was met algemeene stemmen aangenomen, en ook Eduard Pijpers, +die inmiddels, zonder Nero, lid van de club was geworden, zou meegaan. + +Flip, die daartoe van allen het meest geschikt was, zou +ceremonie-meester gedurende den tocht zijn en tevens kassier voor de +algemeene onkosten. + +Natuurlijk bleef ieder vrij om voor eigen rekening meerdere of mindere +uitgaven te doen. + +Om kort te gaan, dien Zaterdagmorgen--het weer was, wat men maar +wenschen kon--was de gansche Vroolijke Bende aan het station van de +Electrische present. + +Kwart voor negen wees de klok en over een kwartier zou de trein +vertrekken. Hun vroolijk gepraat en gelach vervulde de hooge hal, +waar de loketten waren. Ze waren met hun negenen, een nog zomersch +gekleed clubje van pretmakers, die er eens een ongegeneerd-fijnen +dag van gingen nemen. + +Pietje ging met Flip de kaartjes halen. + +"Negen retours Scheveningen--vier vooruit--en vijf achteruitrijden," +zei Piet. + +"Denkt u soms, dat ik hier voor mal sta?" vroeg de beambte geprikkeld, +hem de kaartjes toeschuivend. + +"Groote hemel, wat kunt u goed gedachtenlezen," zei Flip. + +Grinnekend schoof de troep langs de controle, waar de kaartjes geknipt +werden, en dan de trappen op naar het perron. + +Ze gingen in een groep bij elkander zitten, pakjes en mantels en +taschjes in de netten werpend. + +Mien Kuijer hing uit het raam. + +"Gut," riep ze uit, zoodat alle overige passagiers naar haar keken, +"kijk me daar eens een regiment aankomen, die moeten we hier niet +hebben, hoor." + +'t Heele gezelschap leunde nu naar buiten. + +"Is deze trein voor Scheveningen?" vroeg een dikke, puffende, +róódgloeiende burgerjuffrouw, die twee karbiezen, drie hengselmandjes +en zeven kinderen met zich voortzeulde. + +"Jawel," antwoordde Flip, "maar dan moet u in den volgenden wagen +gaan zitten." + +"O juist, dank u wel," was het antwoord en het regiment marcheerde +naar den anderen wagen. + +Er werd gefloten en de trein zette zich in beweging. + +Over de viaduct kronkelde de wagensliert zich tusschen de huizenrijen +door. Door de openstaande ramen der woningen zag men de huisvrouwen +aan haar ochtendwerkzaamheden. + +Of soms lag een minder ijverige dito op de ellebogen uit het raamkozijn +en dan riep de vroolijke bende haar iets vriendelijks toe: + +"Dag juf ... overwerk je niet ..." + +"Moeder ... je pap staat aan te branden ... heusch waar ... ik ruik +het hier." + +"Juf ... juf ... d'r staat een vent achter je met een geladen zakmes!" + +Er was een onophoudelijk gelach en gepraat. + +De meeste passagiers in den wagen, ook voor een dag uit, hadden +schik in het jonge troepje, behalve een zeer geleerd uitziend man, +die met een barsche uitdrukking op zijn gezicht een ochtendblad poogde +te lezen. + +De vroolijke gesprekken en de herhaalde jolige uitroepen van de club +schenen hem geweldig te hinderen. + +Piet vertelde weer een grap. + +"Kijk," wees hij naar een der ramen, "daar staat zoowaar mijnheer +Paganini viool te spelen. Meneer Paganini had een knecht, die niet +bepaald het buskruit uitgevonden had. + +"Op zekeren dag zegt meneer Paganini tot den knecht: Jan, loop eens +gauw naar mijnheer Victrola en vraag om de partituur van Beethoven, +het kwartet van Mozart en het trio van Liszt.--Jan komt bij meneer +Victrola en zegt: Meneer Victrola, complement van meneer Paganini en +of u me wilt geven de paraplu van Beethoven, het karpet van Mozart +en het riool van Liszt." + +Alle medereizenden lachten zoo hard, dat genoemde courant-lezende +heer in het naaste compartiment opstond, zich over de leuning van +zijn plaats boog en op minder vriendelijken toon zei: + +"Mag men om wat stilte verzoeken? Men kan geen woord verstaan, van +hetgeen men leest." + +Alle passagiers waren verbaasd, de club niet het minst. + +Een vader met twee jongens, die pret had om Piet, antwoordde: + +"Als deze jongelui zich vermaken willen en zich behoorlijk gedragen, +kunnen zij dat doen, zonder eerst daarvoor uw toestemming te vragen." + +Piet dacht opeens weer aan zijn voorouders en den tachtigjarigen +oorlog. + +"Wel, meneer, laten we er geen ruzie om maken. Als u lezen wilt, leest +u en als wij pretmaken willen, doen wij het ook. Toen ik zes jaar was, +ging ik eens met mijn vader en moeder naar den Haag en in den trein +zat ook iemand, die almaar lezen wou en niet luisterde. Ik herinner +mij nog goed, dat ik tegen hem zei, dat hij zoo'n gekke snor had, +net een kerstboom ..." + +Het heele gezelschap schaterde en de man smeet woedend zijn krant +neer en ging brommend naar buiten kijken. + +Verschrikkelijk, die jongelui van tegenwoordig! + +Toen hij jong was, zat men stil en las een boek of luisterde naar +een verstandig woord. + +Na twintig minuten rolde de trein het Haagsche station binnen en een +groot aantal reizigers stapte uit. + +Er kwam wat meer ruimte, waarvan Jacob Mantel direct gebruik maakte, +om zijn city-bag uit het net te visschen en er een geduchten stapel +boterhammen uit te halen. + +"Ga jij nou al eten?" vroeg Alida Specht. "Heb je dan vanmorgen +niet ontbeten?" + +"O, dat was niet veel," zei Jacob. "Alleen maar vier boterhammen met +kaas, twee krentenbroodjes en twee koppen thee." + +"Hoe laat was dat?" informeerde Flip. + +"Acht uur zoowat." + +"Sapperloot, het is nu nog geen half tien. Jij moet een eetlust hebben +als een herkauwend dier!" + +"Ik val al weer om van den honger," beweerde Jacob en beet gretig in +een dik-gemeubileerde boterham. + +Het traject den Haag-Scheveningen was spoedig afgelegd en weldra had +de Vroolijke Bende de plaats van aankomst bereikt. + +Ze beklommen een hoog duin, rechts van het Palace-Hotel en lieten zich +op en top in 't zand neervallen, plannen makend voor het programma +van dien dag. + +Diepblauw welfde de hemel zich over de zee, wier groene golven met +witte schuimkoppen rommelend aanrolden, om dan ruischend over 't +strand uit te vloeien. + +Naar links was het strand drukker, daar waren de tallooze tenten en +badstoelen met overal oranjevlaggen of het rood-wit-blauw wapperend +in den gouden zonnedag. + +"Wel, ceremonie-meester," vroeg Pietje Bell aan Flip, "wat doen +we vandaag?" + +"Ik had gedacht, we konden tot één uur aan 't strand blijven, dan +maken we een wandeling door de Scheveningsche boschjes naar de Bataaf, +gaan dáár koffiedrinken, en wandelen langs den Ouden Weg weer terug +naar 't strand. Daar weer blijven tot zes uur. Vervolgens gaan eten +en vanavond om acht uur naar de voorstelling in "Scala"." + +"Prachtig, fijn, dat doen we," riep Piet en allen waren het er mee +eens, dat het een uitstekend programma was. + +Toen ze daar een kwartier gezeten hadden, holden ze het duin af, maar +vóór ze zoover waren, moest Marie van Zanten even Mien en Alida te +hulp komen, wier lange vlechten door Pietje aan elkaar gebonden waren. + +Beneden aan 't strand mengde de club zich onder de vele bezoekers en +ze veroverden een breeden kuil, waarin ze zich rustig neervlijden en +vanwaar ze héél 't gezellige badplaats-gedoe konden waarnemen. + +Gansche families trokken langs hen heen, vaders, moeders, gevolgd +door bataljons en regimenten van kinderen, allen beladen met pakken +en tasschen. + +"Als zoo'n familie een dag uit is," beweerde Harry, "werken ze nog +harder, dan wanneer ze thuisblijven." + +"En ze hebben 't veel slechter dan thuis," voegde Jacob erbij. + +"Kijk," riep Eetje Pijpers opeens uit, "dér komt zoowér mijn Oom uit +den Hég èn." + +Hij sprong op en de club zag, hoe hij een kort, dikbuikig heertje de +hand schudde, die het verschrikkelijk te kwaad scheen te hebben met +de warmte en daarom met zijn jasje over den arm liep. + +Eetje stelde de leden van de Vroolijke Bende aan Oom voor en Oom aan +de leden. + +"Oom Hérry Pijpers, lui," zei-die. + +Allen stonden op, maar 't korte, dikke Oompje zei puffend: + +"Blijf zitten ... dames heewen ... te wawm ... te wawm ... pfff +... komt nog meew hitte ... mowgen ... ovewmowgen ..." + +'t Bleek duidelijk, dat Oom Harry en de letter r besliste vijanden +waren, en de ondeugende Mien Kuijer kneep haar neus dicht, beet zich +op de lippen en gaf Alida Specht een por in de ribben. + +"Au ... valsch dier ..." riep Spinnetje ... "stomp je grootmoeder." + +"Foei ... da's niet aawdig ..." zei oom Harry glimlachend. "En uw +gwootmoedew zou ook bezwaaw maken." + +Maar Oom's opmerking maakte de zenuwachtige lachlust van de heele +club nog veel erger, zoodat het bepaald een benauwd oogenblikje was, +vooral daar men niet onfatsoenlijk wilde zijn en hardop lachen. + +"Mag ik de jongedames en heewen twakteewen op een sowbet en wat +taawtjes?" was het vriendelijke aanbod. + +"Wel, Oom, niemand zél bezwér méken," zei Eetje. + +"Pwachtig! Al ben ik een man van vijf-en-vijftig jaaw ... ik mag +gwaag jongelui zien ... en de lieve meisjes ... zoo chawmant, nietwaaw +... zoo lief en allewaawdigst. Kom eens hiew, jongen ..." sprak hij +tot een passeerenden visschersknaap, "haal jij eens in die gwoote +tent daaw tien sowbets en twintig taawtjes ... vwaag om iets, om +'t in te dwagen, hè? Hiew is geld." + +"Woont u in den Haag?" vroeg Piet, toen de jongen verdween. + +"Juist, juist, in 't Haagje." + +"Prettige stad wel," vond Marie, die alle moeite deed, om Mien stil +te houden. + +"O heel pwettig, heel pwettig!" + +Mien gaf een gilletje en bedekte haar gezicht met haar zakdoek. + +"Wat scheelt jou?" vroeg Flip. + +"Ze heeft ineens zoo'n kiespijn ..." hielp Marie, "soms krijgt ze +van die steken, hè?" + +"Och, hoe jammew op zoo'n dag. Dan moet u maaw geen taawtjes eten +stwaks." + +Maar dàt was Mien Kuijer toch te bar. + +Het feit, dat anderen zouden smullen aan de heerlijke sorbets en +taartjes ... en zij zou mogen toekijken vanwege de kiespijn, die ze +NIET had ... stelde haar in staat, haar lachen te kunnen bedwingen. + +"O," zei ze snel, "zoo erg is het niet ... het zakt al weer." + +"Dacht ik wel," lachte Oom Harry. "Kijk, hiew komt de jongen aan." + +'t Werd een genoeglijke smulpartij. + +Piet duwde zijn roomhoorn tegen Miens neus en kreeg van haar als +dankbetuiging een schuimtaartje op zijn oog, waarna beiden de +overblijfselen smakelijk verslonden. + +Na de tractatie verdween Oom Harry, wilde niet de plannen der jongelui +"vewstowen" en vertrok onder dankbetuigingen en hartelijke groeten. + +Er zat een goeie stemming in en ze hadden allemaal schik in den dag, +die zoo goed begon. + +Piet kreeg een dolle bui en ging op zijn handen loopen, maar +toen hij zijn beenen opzwaaide vloog er een bui van zand naar den +naasten kuil, waar een kantoorbediende-met-vacantie een boek las, +en ongelukkigerwijze de zandbui gedeeltelijk in z'n mond kreeg. + +Hij sprong nijdig op en naar Piet kijkend, riep hij: + +"Is u heelemaal gek geworden?" + +"Stapelgek, waarde heer," zei Piet, steeds op zijn handen loopend, "Ik +bekijk de wereld van den onderkant ... ook wel grappig, vind-u niet?" + +"U is het toppunt van idiotisme!" bitste de ander terug. + +"Wel, ik ben altijd blij, als ik een record kan slaan," juichte Piet +en de heele club gierde. + +"U ... u ... heeft in uw heele lijf nog niet zooveel fatsoen als ik +in mijn pink," sputterde de kantoorbediende. + +"Is 't waar? Dat moet me dan ook een fatsoenlijke pink wezen, die +u hebt." + +"Over pinken gesproken," zei Flip, naar de zee wijzend, "heeft u al +een zeetochtje gemaakt?" + +"Och, jullie bent een troep losgelaten gekken," schold de kantoorman, +die zijn kruit verschoten had. + +Maar Piet, die juist weer op zijn beenen neerkwam, deed een +paar stappen in de richting van zijn slachtoffer en zei, met z'n +van-ouds-beroemde welbespraaktheid: + +"Zeg eres, als je schelden wilt, kun je bij mij les komen nemen, +want daar heb ik een middelbaar diploma in, begrijp je dat, jou +barbaarsch middeleeuwsch-voor-historisch present-exemplaar van een +oneindig-grenzeloos-crimineel-verstokte achterlijkheid!!!! Mijn +achter-over-grootmoeder was sergeant-majoor bij de Volendamsche +landweerstorm, maar man, ze had jou nog niet eens kunnen gebruiken +voor sabelkwast, want daar ben je veel te stijf voor." + +De achtbare leden van de Vroolijke Bende rolden van het lachen tegen +elkaar aan en zelfs een troepje omstanders proestte het uit. + +De kantoorman wilde nog iets zeggen, maar zijn woordenboek bevatte +niets meer, dat hij hier met eenig succès gebruiken kon, en juist wilde +hij weer in het zand gaan zitten, toen een talrijke familie zich van +zijn kuil meester maakte en er zich zonder complimenten in neerzette. + +"Hee, hee ... dat is mijn kuil!" riep hij. + +"Wel," zei lachend de vader van het talrijke huisgezin, "U kunt een +advocaat nemen en ons een proces aandoen. Maar omdat niemand hier zit, +gaan wij hier zitten." + +Opnieuw weerklonk het gelach van alle kanten en de kantoorman wist niet +beter te doen, dan in vredesnaam zijn heil maar verderop te zoeken. + +Pietje Bell en zijn gezelschap bleven nog wat vroolijk napraten met +de nieuwe bewoners van den zandkuil en toen gaf Flip het sein tot +voortzetting van den tocht. + +Jongelui aan het strand zijn altijd dorstig en het eerste het beste +limonadetentje werd al bestormd. + +Jacob verbaasde de Bende door het drinken van vier groote glazen +ijslimonade, terwijl Pietje aan het vechten raakte met een geweldig +stuk Turksche noga, dat hij met geen mogelijkheid tusschen zijn tanden +en kiezen uit kon krijgen. + +Toen verlieten ze het strand, sloegen den weg naar de Scheveningsche +boschjes in en hadden weldra de bekende speeltuin en uitspanning +"De Bataaf" bereikt. Zij zetten zich onder het lommer van een grooten +kastanjeboom neer en begonnen hun proviand voor den dag te halen. + +Weldra verscheen de kellner. + +De man keek met een minachtenden blik naar de pakjes en tasschen +en zei: + +"U kunt dat hier niet opeten!" + +"Hoeveel?" vroeg Piet. + +"Ik zeg, u kunt dat hier niet opeten." + +"Daar verwed ik wat onder," zei Piet en maakte zijn pakje open. + +Maar de man wees op een bord, dat tegen een der boomen gespijkerd was: + + + +----------------------+ + | VERBODEN | + | Consumptie mede te | + | Brengen. | + +----------------------+ + + +"Gut, mag je hier niet eens eten?" vroeg Mien Kuijer, "ik rammel." + +"U kunt alles hier bestellen... biefstuk... gebakken +aardappelen... broodjes met vleesch... kaas... ei... gehakt... wat +u maar wil. Maar geen eigen consumptie hier." + +"Wel, dan zullen we eerst maar een kop koffie nemen," zei Piet. + +Weldra bracht de kellner negen koppen koffie. + +Flip betaalde, gaf den man een fooi en zei met 'n knipoogje: + +"Vergeet nou voor 'n oogenblik dezen kant uit te kijken, hè?" + +"Ja meneer, 't kan mij natuurlijk niet schelen... maar de patroon..." + +"Wel, de patroon éét toch ook." + +"Als u maar weet, dat ik u gewaarschuwd heb." + +"Doe ons nou de vreugde aan van te verdwijnen, hè?" + +Zoo gebruikte dus de Bende, tegen den regel van 't huis, de +meegebrachte consumptie tot er geen kruimel meer van overbleef--alleen +de papiertjes. Pietje stapelde ze zorgvuldig op en schreef op het +bovenste, vettige velletje: + + + Als ik het had geweten, + Had ik hier niet gegeten; + Maar toen 'k vandaag hier kwam, + Had ik mijn boterham, + M'n vleeschje en m'n eitje, + M'n heele eetgereitje + Gewikkeld in een pak, + Heel netjes in mijn zak. + Ik heb toen met geweld + Wat koffie hier besteld, + Daarop werd mij verteld, + Ik stond er van versteld: + Dat men hier niet mag eten + Wat hier niet is gekocht. + 'k Heb toen het bord gelezen, + Herlezen zelfs.--Mij docht + Gij zegt wel: 't Is verboden + Consumptie mee te brengen, + Maar niet het op te eten, + Dus waarde Batavier, + Ik zeg het eerlijk hier: + Gij maakte wel deez' wet + Maar 't is precies een net + Je vangt er wellicht mee de allergrootste dwazen, + Maar slimmerds zooals wij, die kruipen door de mazen. + + ROTTERDAMSCHE KORFBALCLUB: DE VROOLIJKE BENDE. + + +Na de clandestiene koffiemaaltijd in "de Bataaf" begaf de club zich +weer op pad. Ze doorwandelden de heerlijke boschjes, stoeiden tusschen +de boomen en struiken als kleine kinderen en kwamen, moe en wel, +op den Ouden Scheveningschen weg, vanwaar ze door de Keizerstraat +terugliepen naar het strand. + +Ze hadden alweer dorst, waarop Pietje voorstelde, den melksalon +"De Sierkan" binnen te gaan. + +Toen ze daar goed en wel gezeten waren, kwam Flip tot de ontdekking, +dat ze met hun achten waren en "Eetje" ontbrak. + +Maar die kwam al gauw opdagen. + +Hij was een winkeltje binnengeloopen en had er een grooten zak vol +serpentines, confetti en "rotjes" gekocht. + +"Om d'r een beetje feestelijk kérékter én te geven," zei hij. + +De serpentines en confetti werden uitgedeeld en weldra nam het feest +een aanvang. + +Een blonde juffrouw in 't Scheveningsch costuum bracht de glazen +melk en Flip bestrooide haar met een handvol confetti, wat ze lachend +aanvaardde. Daarop slingerde Pietje een serpentine door den melksalon +wat dadelijk door de overige leden gevolgd werd en weldra hingen over +de gaskronen, koperen melkkannen, stoelen en tafeltjes de veelkleurige +linten, waardoor de melksalon er uit zag als een bruiloftszaal. + +Over het algemeen nam men het nogal van den vroolijken kant op, zelfs +de kellnerinnen, die waarschijnlijk den boel weer moesten opruimen, +hadden schik in onze Vroolijke Bende. + +Het was nog eens een veranderingetje in het meestal eentonige melkgedoe +en de vroolijke grappen van Piet en de anderen gingen er in als koek. + +Maar natuurlijk zou het wel een wonder geweest zijn, als er niet +iemand wat van te zeggen had. + +Een zwaarlijvige, purperkleurige, blazende heer, die zijn jas over de +leuning van zijn stoel gehangen had en er nogal onsmakelijk uitzag, +kreeg bij toeval een serpentine over zich heen, en dat bleek genoeg +te zijn, om z'n woede op te wekken. + +"Verfluchte dinger ..." raasde hij. "Kann man nicht sein glaasjen +mielk trinken hier?" + +"Kom meneer," zei een andere bezoeker, "lach maar mee, lach maar mee!" + +Maar de man, die zijn best deed, zich in 't Hollandsch uit te drukken, +had geen lachlust meer ... had dien al sinds lang verloren. + +"Soll man lachen bij solchen onsinn? Onsinn ... komm iek hier mein +glaasjen mielk zu trinken ... will ruhig sitzen ... verwünschtes +kabaal und diese verfluchte dinger ..." + +Piet had de lont van een rotje aangestoken en toen het ding begon te +sputteren, wierp hij het ongezien onder de tafel van den mopperaar. + +"Pánggg!!! + +"Hei! Potzhimmel-donner-schweinerkraut!!!!" + +Het heele gezelschap gierde. + +"Zegt u dat nog eens," verzocht Pietje beleefd .... "ik verzamel +graag buitenlandsche postzegels." + +Pang!!! + +Een tweede rotje ging af. + +Rrrrrt ... vlogen de serpentines door den melksalon. + +"Sollk iek mein laten handeln wie ein straatjongen ... iek bin ein +Edelman ... iek bin Graf von Weinberg ..." + +"Daar ziet u anders heelemaal niet naar uit," schoot Spinnetje +opeens af. + +"Zoo te zitten bij dames staat lang niet adellijk," vond Jacob. + +"Iest mein saak ... iest ganz und gar mein saak ... komm iek hier +mein glaasjen mielk trinken ... will iek ruhig sitzen ... in mein +oberhemd ... macht nichts ... in mein hemd ... iest mein saak ..." + +"Ho-ho, da's niet adellijk, da's niet fijn!" + +"Das soll mein 'nen Sorg sein!" + +"Foei, wat is u onverschillig," zei Piet. "Maar we doen geen +mensch kwaad, nietwaar lui? Allemaal een serpentine klaar? Aáááánnn +... Vùùrrrr!!!" + +Rrrrrt ... daar suisden negen serpentines door de hal, die nu een +waar lintenpakhuis leek. + +En stroomen confetti dwarrelden over de hoofden der bezoekers, +die meest allen voor 'n dag uit waren en grooten schik hadden in de +gebeurtenis. Flip betaalde de vertering en arm in arm ging de Bende +weer verderop. + +Op den hoek van een zijstraat zag Piet 'n ledige kist staan, die daar +waarschijnlijk door den kruidenier was neergezet. + +Met één sprong stond hij er bovenop. + +"Wat krijgen we nou?" informeerde Jacob. + +"Ga je straatredenaar spelen?" vroeg Harry. + +"'k Wed met je om een plak chocola, dat je 't niet durft," daagde +Mien uit. + +"Top! Weddenschap aangenomen!" riep Pietje. "Waarover moet ik spreken?" + +"Over sigaretten," suggereerde Flip. + +"Best!" + +De club schaarde zich om het spreekgestoelte heen en terwijl +langzamerhand zich meer omstanders bij de jongelui voegden, schudde +Pietje den volgenden onzin uit den mouw: + +"Dames en kinderen, mannen en heeren, me-, juf-, en jonkvrouwen van +scheel Heveningen! Boeren, burgers, buiten- en binnenlui, ik heb +de eer u mezelven voor te stellen als Professor Nicotinus van het +gedemobiliseerde Laboratorium in de Amsterdamsche Cigaretten-fabriek +"De Hoestbui". En bij mijn laatste scheikundige, trans-atlantische, +laboratorische nicotine-proefnemingen heb ik een belangrijke ontdekking +gedaan, een ontdekking, mijne heeren, die een geheele omwenteling +teweeg zal brengen, wat zeg ik, een revolutie, meneer, een revolutie +onder de cigarettenrookers van de heele wereld. + +"Je hebt allen wel eens gehoord van Karel de Kale? + +"Welnu, Karel de Kale was een kleinzoon van Napoleon, je weet wel, die +Willem de Zwijger geholpen heeft in den veldslag tegen de Filistijnen +onder de brandend heete zonnestralen van Nova-Zembla. + +"Karel de Kale was zóó kaal, dat een biljartbal bij hem vergeleken +nog dik-behaard was. + +"En waarom was hij zoo kaal? + +"Wel, doodeenvoudig omdat hij al zijn haren verrookt had! + +"Verrookt, meneer! + +"Bij bosjes had-ie ze uitgerukt en er cigaretten van gerold met +schuurpapier. Na drie maanden was hij zoo kaal als de scheurkalender +op 31 December!" + + + +Hier keek Pietje even om zich heen en zag tot zijn genoegen, dat de +menigte steeds toenam. + +De Vroolijke Bende proestte het af en toe uit en de omstanders +niet minder. + +"En toen Karel de Kale geen haar meer had en niet regeeren kon, +omdat hij niets te rooken had, stuurde hij een draadloos telegram +naar mij, Professor Nicotinus van de Amsterdamsche cigaretten-fabriek +"De Hoestbui". + +"En omdat ik nog een afstommeling ben van Karel de Kale, aangetrouwd +in de familie--zijn moeder en mijn moeder waren moeders--heb ik hem +het recept gegeven van mijn nieuw-ontdekte cigaret, waaraan ik den +naam gegeven heb: Grafwaarts. + +"Hier zijn ze--en Piet nam een handvol cigaretten van Eetje aan--de +beroemde Manilla Asthma Stinka Gloria ... Ik heb er tweeduizend van +verkocht aan een jongeman in Groningen, en waar denk je, dat hij +nu is?" + +"Op het kerkhof!" riep een slagersjongen. + +"Mis ... nou is hij hoofdvertegenwoordiger voor deze beroemde cigaret +in de Sahara. En ze kosten geen gulden ... geen negentig ... geen +tachtig ... zeventig, zestig cent ... maar òp is òp en wèg is wèg +... wie ze pakt, die heeft ze voor 5 dubbeltjes ... 50 cent ... een +halven gulden ..." + +"Pas op, daar komt een agent," waarschuwde Harry. + +Piet sprong snel van de kist en verdween tusschen de omstanders. + +Mien was haar plak chocola kwijt en Pietje nam het aan, om het dadelijk +daarop de meisjes weer aan te bieden. + +"Wat doen we nou?" vroeg Jacob. + +"Laten we ansichten naar huis sturen," stelde Marie voor. + +"Ja, hier is een boekwinkel, kom mee." + +Er was een lange, smalle schrijftafel aan het einde van den boekwinkel, +bestemd voor het verzenden van prent-briefkaarten. + +De Bende marcheerde naar binnen en zette zich met veel drukte aan de +tafel, vechtend om de pennen. + +Ieder kocht vijf kaarten en onder het schrijven legde Piet stilletjes +een rotje onder de tafel. Na een oogenblik ging het af: + +Pánng!!! + +De boekhandelaar dronk juist een glaasje water, maar liet het van +schrik uit de handen vallen. + +Kletterend sloeg het op den vloer in stukken. + +"Alle duivels!" riep hij. "Wa's dat?" + +Maar Piet schreef rustig voort, niet luisterend naar de algemeene +uitroepen van schrik en ontsteltenis. + +"Hè gut, kijk nou hier," riep Mien, "een groote vlek!" + +Pietje vroeg den boekhandelaar, of deze ook briefkaarten verkocht met +de foto aan den anderen kant, maar de man antwoordde, dat hij alleen +maar kaarten had met de fotografie aan deze zijde. + +Het schrijven der kaarten nam zoowat tien minuten en allen waren ermee +gereed, behalve Jacob, die elke briefkaart van boven tot onder vulde +met een kriebelig klein schrift. + +"Zeg, wat maak jij ze allemaal voor leugens wijs?" + +"De menschen, die jouw kaarten krijgen, mogen wel ermee naar het +microscopisch laboratorium gaan, Jacob." + +Maar al hun spotten en plagen hielp niets en daarom gingen ze maar +wat in den winkel rondkijken. + +Ze hielden allemaal van boeken en platen. + +Marie bladerde in een stapel muziek. + +"Weet je, wát een mooi piano-stuk is," zei Pietje, "De Max Havelaar +van Multatuli." + +"Ga weg, idioot, dat is een boek." + +"Mijn nicht kan prachtig piano spelen," vertelde Flip. "Eerst speelt ze +een stuk heelemaal door en dan keert ze haar muziekboek onderst-boven +en man! dan hoor je weer 'n heel ander stuk. Ze speelt zóó mooi, dat +ze al vijfmaal in één jaar hebben moeten verhuizen vanwege de buren." + +"Klaar!" riep Jacob en gaarde zijn briefkaarten bijeen. + +Daarop bedankte de Vroolijke Bende den boekhandelaar voor de verleende +gastvrijheid, en duwde elkaar onder veel lawaai naar buiten. + +Na een kwartiertje waren ze weer op het strand en liepen tot voorbij +de Naald, waaraan, zooals Piet opmerkte, het oog vergeten was. + +Daar genoten ze nog ruim een uur, starend naar de wijde, wijde zee, +met hier en daar héél ver een schip. + +Maar de tijd vervloog en ze gingen per tram naar den Haag, waar ze +zouden dineeren. Ze verlangden echter allemaal naar de voorstelling in +"Scala", en Flip deelde tot aller genoegen mede, dat de kas van de club +toeliet, om voor dien avond een heele loge in het theater te nemen. + +Flip en Harry gingen om zeven uur naar het gebouw en waren zoo +gelukkig, de eerste loge bij het tooneel te krijgen en precies acht +uur nam de Vroolijke Bende zijn stelling voor dien avond in. + +De zaal was stampvol en weldra weerklonken de lustige tonen van den +Welkomstmarsch. + +Daarop rees het scherm en traden de Gezusters Wight op, twee Engelsche +danseresjes, die tevens lustige liedekens zongen. + +Toen trad op Professor Magnolia... Imitateur en Illusionist. + +De Professor kon allerlei dierengeluiden nabootsen, heel mooi, maar +dat kon Flip ook heel meesterlijk. + +En toen de Professor het woedend, grommend geblaf van een grooten +bloedhond nabootste, klonk daar opeens tusschen door het schril, +nijdig gekef van een juffershondje, en de zaal barstte uit in een +daverend gelach. + +Flip had nog meer succès dan de Professor, die vreesde, dat de jongeman +misschien een nòg handiger imitateur was dan hij en daarom tot zijn +goocheltoeren overging. + +Daarna verscheen een zangeres, die zich met behulp van schmink en +poeder een jeugdig voorkomen geschilderd had, maar die in werkelijkheid +wel vier kruisjes achter den rug moest hebben. Ze zong een aandoenlijk +lied: Keer weer, mijn kind! En toen ze aan den regel kwam: Mijn zoon, +kom aan mijn hart! moest de heele Bende Pietje tegenhouden, want die +had zijn been al over de balustrade om die moederlijke aanbeveling +op te volgen. + +Het eene nummer volgde het andere en het slot was als gewoonlijk een +Bioscoopvertooning. Moe, maar hoogst tevreden over den heerlijken, +ongegeneerd-fijnen dag keerde de club huiswaarts en nog lang daarna +was dit uitstapje het onderwerp hunner gesprekken. + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +HET VEELBEWOGEN LEVEN VAN EEN JONG VERSLAGGEVER. + + +Het anders zoo kalme huishoudentje van schoenmaker Bell stond er van +overeind, dat Pietje "aan de krant" ging. Vooral Moeder was er van +overstuur, omdat ze 't toch wel een héél ding vond, dat haar Piet nu +ging behooren tot dien geheimzinnigen kring van courantenmenschen, +die in haar verbeelding toch allemaal wel heel knappe heeren waren, +om alles, wat ze vertellen, zoo maar met drukletters in de courant +te kunnen zetten. + +Vader vond het ook wel gewichtig, maar bekeek de zaak toch niet zoo +angstig als Moeder. + +"Doe nou goed je best, Piet," zei Moeder, "wees beleefd en haal in +vredesnaam geen onzin uit." + +"Wees gerust, Moedertje," antwoordde Piet, zijn lunch-boterham in +'n zwart zeiltje pakkend, "u zult eens zien, hoe goed het gaat." + +"O zoo," bevestigde Vader glimlachend, "en dan zullen we dien drogen +drogist van 'n Geelman eens laten zien, dat onze Piet het nog wel +verder kan brengen dan zijn zoon Jozef."--Piet vertrok. + +Het was heerlijk na-zomerweer, de boomen al wat geel en bruin, maar +nog vol genoeg om wat schaduw te geven. + +Kwart over acht wees de klok en 't nam Piet maar tien minuten om de +bureaux van de Morgenpost te bereiken. + +Hij voelde een zekere gewichtigheid over zich en besefte, dat zijn +nieuwe betrekking een veel grooter verantwoordelijkheid met zich +meebracht, dan wanneer hij bijvoorbeeld naar een gewoon handelskantoor +was gegaan. + +Ha-ha, hij was nu een persoon van beteekenis, ... en ... en ... al +de menschen, die hij hier nou op straat tegenkwam ... hij kon ze +allemaal in de courant zetten, als hij dat verkoos, o zoo ... met 'r +naam en d'r adres ... en hij zou feuilletons schrijven en al de lui, +die hier liepen, zouen ze lezen ... en later zouen ze zeggen: + +Daar heb je 'm nou... + +Die gedachten waren Piet aangenaam, hij neuriede van pure pret en +ambitie op de maat van zijn passen ... tom-tiderom-ta-ta ... + +"Gut, wat heb jij 'n schik!" klonk een bekende meisjesstem achter hem. + +'t Was Mien Kuijer, gewapend met een boekentasch. + +"Hallo kleintje," zei Piet genadig. + +"Hallo Goliath," pareerde Mien, "vanwaar die vreugd?" + +"Nieuwe betrekking, zeer schitterende positie, hoogst verantwoordelijk +ambt ... Raad eens ..." + +"Loopjongen in een krentenpakhuis!" + +"Loop naar de pomp." + +"Nou, dan geef ik het op." + +"'k Heb den tijd ... raad nog maar eens ... en als je 't niet raden +kunt, moet je 't maar te weten zien te komen." + +"Zeg 't nou, Piet." + +"'t Is een geheim voor wie 't niet weet," plaagde Piet, die er plezier +in had, Miens nieuwsgierigheid gaande te maken. + +"Gut, ik wil het niet eens meer weten... wat 'n verbeelding... waarom +draai je er zoo omheen?" + +"Wel, ik heb nou eens zin om er omheen te draaien, zooals de machinist +zei, die door het vliegwiel van zijn machine gegrepen was." + +"O wel, 't is goed, ik zal het heusch toch wel te weten komen." + +"Mooi zoo. Waar ga jij heen, Mien?" + +"O, veel te gewichtig om te vertellen. Raad eens..." + +"Wel er is maar een plaats, waar jij thuishoort." + +"Waar is dat dan?" + +"In den hemel bij al de andere engeltjes. Dag Mien, 'k ga hier +linksaf. Saluut." + +Opgewekt, 't hoofd in den nek, stapte Pietje verder. + +Tom-tidera-tom-tom... journalist, wat?... tom-tom-tarara... zouen de +menschen nu aan hem kunnen zien, dat hij... och nee... natuurlijk niet, +he... tom-tom-tidera... een leuke snuit, die Mien Kuijer... razend +zouen ze zijn van nieuwsgierigheid... ha-ha... nou en daar had je +'t bureau van de Morgenpost, tom-tidera-pompom. + +Piet stapte het hooge bordes op en liep door de vestibule met een +houding, alsof hij al jarenlang aan het blad verbonden was. + +"Wèl?" vroeg de portier, die in Piet niets anders dan een bezoeker zag. + +"Zeer wel, dank u," antwoordde Piet en wilde verder gaan. + +"Halt... waar gaat u heen?" + +"Naar boven, zooals je ziet." + +"Maar er is hier geen vrije toegang." + +"Moet het personeel dan entree betalen, om het kantoor binnen te +gaan? Dat is wat nieuws." + +"Natuurlijk niet, maar u behoort ook niet tot het personeel." + +"Daar verwed ik op staanden voet tien gulden onder, en als je wilt, +wel honderd en nog meer." + +"Maar verleden week nog kwam je hier, om den directeur te spreken," +zei de portier verbaasd. + +"Precies, juist, mooi, krek zoo," lachte Piet. "Maar de directeur +heeft mij bij Koninklijk besluit aangesteld tot HOOFDREDACTEUR... wat +blief je?..." + +"Nou... je begint al jong... ik ben hier al twintig jaar portier... en +elke reporter beweert hier de Hoofdredacteur te zijn... maar jij +slaat het record. Afijn, 't zal mij 'n zorg zijn... waar moet u wezen?" + +"Bij den stadsredacteur." + +"Dacht ik wel... schaar en lijmpot... kamer 15... tweede trap op." + +De stadsredacteur, de heer van Dalen, was een zeer vriendelijk man, +die zelf hard werkte en dat ook van zijn helpers eischte. Hij hield +niet van veel praten en wie in zijn afdeeling kwam werken, werd +verondersteld dat werk te kénnen. + +"Ziehier jonge vriend," sprak hij, "er is hier werk van den vroegen +morgen tot in den nacht toe en zelfs de kleintjes moeten dikwijls groot +werk doen. De verslaggever van de Rechtbank is ziek en ik denk jou om +te beginnen naar de Rechtszaal te sturen voor de strafzitting. Maak +dat je er om tien uur bent. Kan je stenografeeren?" + +"Zeker, meneer." + +"Mooi, het kan te pas komen, maar is niet altijd noodig. Onderweg in +de tram lees je maar in het blad van gisteren, hoe je voorganger het +deed. Om twaalf uur stuur ik Jantje om copie... om drie uur Kees +voor de rest. Meld je hier vanmiddag na de zitting voor verdere +orders. Schrijfmateriaal vindt je in je lessenaar." + +De orders waren duidelijk, kort en krachtig. + +"Begrepen, meneer," zei Piet, die van aanpakken hield. Het is nu half +negen, ik kan in een half uurtje aan het Gerechtsgebouw zijn... wat +doe ik in dat uur? + +"'k Zal een persdiploma voor je invullen," sprak de heer van Dalen, +"hoe was je naam ook weer?" + +"Pieter Bell... meestal genoemd Pietje Bell, meneer." + +"Pietje Bell?... Pietje Bell?... drommels... waar heb ik dien naam meer +gehoord... Komt me zoo bekend voor... net of ik jaren geleden... Wacht +eens... ik geloof, dat ik er ben! Voor jaren terug zond iemand mij +geregeld berichten over een zekeren Pietje Bell... een kwajongen, +die telkens de heele buurt overeind zette. Was jij dat soms? + +"Was het Pietje Bell uit de Breestraat, meneer?" + +"Ja juist, Pietje Bell uit de Breestraat!" + +"Dan was ik het. Maar als ik u vragen mag, wie stuurde u die berichten +over mij?" + +"Laat eens zien, als ik mij goed herinner, was het een zeker +jongmensch, genaamd Geelman." + +"Jozef Geelman, de zoon van den Drogist... dus de wind waaide uit +dien hoek! Dat heb ik nooit geweten..." + +"Wel, we hebben al genoeg gepraat nu," hernam de stadsredacteur, +"en we zitten tot over de ooren in het werk. Je kunt hier mijnentwege +de boel opvroolijken, zooveel je maar wilt. Maar denk er in de eerste +plaats aan, dat er hier gewerkt moet worden. Maak nu tot nader order +maar even kennis met je lessenaar." + +Maar Piet zou, voor dien dag althans, de rechtbank niet te zien +krijgen. + +Op het oogenblik wist hij daar nog niets van en zette zich aan zijn +schrijftafel met de gewichtigheid van een President. + +Pietje voelde nu ten volle de ernstige beteekenis van zijn ambt, +en het feit, dat hij straks zou plaatsnemen aan de perstafel in de +rechtszaal, maakte diepen indruk op hem. + +Nu zou hij dus in aanraking komen met het geheimzinnige leven der +misdadigers, hij zou hun leven leeren kennen en de menschen mogen +vertellen van hun avontuurlijke, nachtelijke rooftochten. + +O, het zouden verhalen worden van gemaskerde inbrekers, gewapend +met revolvers, gevechten met de politie...pistoolschoten +in nachtdonker... vlucht over daken... en door donkere +achtertuinen. Dan... de arrestatie... de rechtszaal... en hij... Pietje +Bell... die vroeger als kleine jongen elken politie-agent op straat +een hand ging geven, zou daar zitten als man van de pers... ahem! + +Piets overpeinzingen werden gestoord door de komst van den directeur. + +De heer Peters was altijd vroeg present, controleerde iedere afdeeling +in het gebouw van de Morgenpost, inspecteerde ieder departement +en had voor àl zijn werkers, vanaf den krantenbezorger tot aan den +hoofdredacteur, een vriendelijken groet en een aanmoedigend woordje. + +Toen hij Pietje bemerkte, knipoogde hij tegen den heer van Dalen. + +Pietje stond op en boog. + +"Jonge vriend," sprak de directeur, "ik heb om te beginnen een mooi +stukje werk voor je. Aan de Hoogstraat nummer 186 wordt een nieuw +Rijwielmagazijn geopend. De winkelier heeft een flink contract gesloten +voor advertenties en heeft recht op een stukje onder Stadsnieuws. Geef +een goede beschrijving van den winkel en recommandeer de zaak." + +"En de rechtszaal?" vroeg Pietje. + +"Gaat hij naar de rechtszaal?" vroeg de heer Peters. + +"Ik had hem daarvoor aangewezen," sprak de stadsredacteur, "omdat +Konijn vandaag ziek is." + +"Laat Willemse dan vandaag naar het gerechtsgebouw gaan. Ik zal onzen +jeugdigen vriend voorloopig werk geven, om hem wat te wennen aan zijn +nieuwen arbeid. Dit dus maar eerst, Bell. Hier is het adres. Heeft +hij al een perskaart?" + +"Ik heb er juist een voor hem ingevuld," was het antwoord. "Als u +even wilt teekenen?" + +Dit was spoedig gebeurd en kort daarop verliet Pietje het bureau en +was op weg naar het nieuwe magazijn, dat voor hem de stof zou leveren +voor zijn eerste courantenbericht. + +Het adres was spoedig bereikt en niet zonder trots vertoonde Piet +zijn gloed-nieuwe perskaart aan den beleefden winkelier. + +"O, is u van de Morgenpost? Gaat u zitten. Hoe vindt u de nieuwe +zaak? Ja, er zijn kosten noch moeiten aan gespaard. En de beste +rijwielen, die er in de wereld te krijgen zijn. Alles Hollandsch +fabrikaat, want meneer, 'n Hollandsch karretje, dat is je karretje, +dat is HET karretje..." + +Piet was er van overtuigd, je hoefde die pracht-uitstalling van +schitterende dames- en heerenrijwielen maar aan te zien om je hart +te voelen opengaan. + +Piet maakte wat aanteekeningen, noodige en heel wat onnoodige ook, +omtrent het nieuw geopende magazijn en begaf zich weer naar het bureau, +teneinde zijn verslag op te maken. + +Hij zette zich aan zijn lessenaar en begon vlug te werken. + +Maar omdat hij nog geen ervaring had in het beknopt weergeven van +zijn gedachten, maakte hij het stuk veel te groot en te omslachtig. + +Het leek dan ook meer op een verhaaltje dan op een stadsbericht. + +En op een hutspotje. + +Piets eerste courantenbericht luidde aldus: + + + Nieuw Rijwielmagazijn aan de Hoogstraat. + + O hoe schoon is het, wanneer men des zomers zeer vroeg opstaat + en zijn fonkelnieuw Burgers-rijwiel uit het Magazijn van den Heer + Wielerman aan de Hoogstraat no. 186 ter hand neemt. Hoe heerlijk, + als men rustig voortpeddelt door Holland's schoone dreven. + + Men hoort het lieflijk zingen der vogelijns en geniet van het + frissche groen der groene buitenwegen. + + Helaas.... zoo menigmaal wordt zulk een schoon natuurtafereel + niet naar waarde genoten, omdat men vaak rijdt op een hard zadel, + een zeer zwaar trappende fiets, slechte banden... etcetera.... enz. + + Maar wanneer men een rijwiel berijdt uit het naar de hoogste + eischen des tijds ingerichte magazijn van den heer Wielerman, + kan men de schoonste panorama's op het land genieten, zonder + onaangenaam gestoord te worden door knarsende wielen of moeilijk + gaande pedalen. + + De nieuwe winkel is van electrisch licht voorzien en geheel in + wit en goud geschilderd. + + Ook zijn er motorrijwielen voorhanden. + + Langs den eenen muur is een wandschildering aangebracht, + voorstellende een gezelschap dames en heeren op rijwielen. + + Zij bevinden zich op een schoonen landweg, omgeven door het rijke + zomernatuurschoon. + + Welvarende boerderijen passeeren zij op hunnen tocht en men ziet + aan de vroolijke gezichten, hoe zij genieten van den heerlijken + plezierrit op de fonkelnieuwe fietsen uit het magazijn van den + heer Wielerman, waar ook alle onderdeelen tegen vaste prijzen + verkrijgbaar zijn. + + Licht, lucht en ruimte schijnt het doel van den heer Wielerman + geweest te zijn bij het verbouwen en de winkel maakt dan ook een + aangenamen, royalen indruk. + + En des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn en + de blinkende rijwielen schitteren in dien gouden gloed, is het + dan een wonder, dat tienduizenden voorbijgangers zich verdringen + voor de prachtige uitstallingen?? + + Ik wensch den heer Wielerman van harte succès toe met zijn nieuwe + zaak en ik hoop, dat hij aan onze stadgenooten vele rijwielen mag + verkoopen, opdat steeds meerderen de gelegenheid zullen hebben, + voortsnellende op het stalen ros de schoonheid van de Hollandsche + natuur te leeren kennen en dan beter beseffen de heerlijke woorden + van den dichter Poot: + + Hoe genoeglijk rolt het leven + Des gerusten landmans heen, + Die zijn zalig lot--hoe kleen-- + Voor geen koningskroon zou geven. + + P. BELL. + + +Piet leverde zijn verslag bij den stadsredacteur in, die het vlug +doorlas en herhaaldelijk lachte. + +"Sapperloot, Piet, da's een heel stuk letterkunde..." + +"Niet goed, meneer?" + +"Niet goed? Kerel, 't is prachtig!" + +En de heer van Dalen lachte nog harder. + +"Ha-ha-ha... hoe wil je 't hebben Piet, als hoofdartikel of als +feuilleton?" + +"O wel... wat weet ik niet... dat is mij hetzelfde," zei Piet, die +nog maar niet begreep, dat hij voor 't lapje gehouden werd. + +Hij verkeerde in de heilige overtuiging, dat zijn ingeleverd verslag +correct was en het dien avond als een der voornaamste artikelen in de +courant zou prijken. Maar hoe groot was zijn verbazing en niet minder +zijn teleurstelling, toen hij dien namiddag bij het verschijnen van +de courant zijn prachtig stuk in dezen vorm terugvond: + + + NIEUW RIJWIELMAGAZIJN. + + Aan de Hoogstraat no. 186 heeft de heer Wielerman een geheel + naar de eischen des tijds ingericht Rijwielmagazijn geopend, + dat een sieraad voor den winkelstand mag heeten. Licht, lucht + en ruimte schijnen het doel bij de verbouwing geweest te zijn + en des avonds, wanneer alle electrische lampen ontstoken zijn, + is het geen wonder, dat drommen voorbijgangers zich verdringen + voor de prachtige uitstallingen. Het is aan alles te zien, dat + de heer Wielerman getracht heeft het beste brengen en daarvoor + zij hem van harte succès gewenscht. + + +Natuurlijk vond Pietje zijn stuk veel mooier, maar de stadsredacteur +bracht hem aan het verstand, dat de berichten, welke niet om de een +of andere reden zeer belangrijk waren, altijd in beknopten vorm, +kort en krachtig moesten worden opgesteld. + +Want als ieder reporter zijn berichten inzond op dezelfde manier +als Pietje, dan zou iedere Morgenpost wel uit tien bladen en vijf +bijbladen moeten bestaan. Maar Piet was vlug van aannemen. + +Hij leerde iederen dag meer in zijn nieuwen werkkring en was na enkele +dagen al aardig bruikbaar geworden. + +O ja, werken was het, en als hij des avonds na zes uur het bureau +verliet, was hij heusch niet altijd vrij tot den volgenden morgen, +maar werd vaak nog gestuurd naar een of andere vereeniging, die een +vergadering hield of een uitvoering gaf. + +Nu eens was het een bal-masqué, dan een tooneeluitvoering, een +liefhebberij-concert of een erg droge werklieden-vergadering. + +Bijna iedere avond bracht wat anders. + +In het eerst--toen het nog een nieuwtje was--vond Piet dat bijwonen +van al die uitvoeringen, gezellige avondjes en vergaderingen wel leuk, +maar toen het nieuwtje er af was, bleef er ook niet veel aardigs meer +over en werd het louter plicht. + +Maar--het moet gezegd--Piet deed die plicht steeds met opgewektheid +en middernacht vond hem nog vaak op zijn kamer aan de werktafel, +bezig met het opmaken zijner verslagen. + +O ja, Piet vervulde zijn plicht getrouw! + +Op één keer na! + +Die eene keer was op een Zaterdagavond. + +Dien namiddag vijf uur waren de werkzaamheden op het bureau afgeloopen. + +Juist wilde Pietje naar huis gaan, toen hem Konijn, een der andere +jonge verslaggevers, op den schouder tikte. + +"Zeg Piet," sprak Konijn, "heb jij vanavond wat?" + +"Neen," was 't antwoord, "ik ben vrij." + +"Och, als je er geen bezwaar tegen hebt, neem dan voor mij die +uitvoering waar van de vereeniging: De Oranjevlag. Ze hebben vanavond +een feestelijke jaarvergadering in de Nutszaal, en ik was juist van +plan tot morgenavond naar den Haag te gaan op familiebezoek. Hier is +programma en kaart." + +"All right... 'k zal 't wel voor je opknappen, Knaagdier." + +"Bell... je bent 'n swell," riep Konijn dankbaar uit. + +Blij, van het baantje af te zijn, gaf Konijn het programma aan Piet, +benevens de perskaart en een welgemeenden slag op z'n rug. Nou, +Bell was een reuzekerel hoor, dee altijd wat voor je als je 't vroeg, +'n lollig type ook. Geen wonder dat-ie altijd vrienden bij tientallen +maakte. + +Acht uur dien avond begaf Pietje zich op weg naar de Nutszaal, die +hoogstens tien minuten van zijn woning verwijderd was. + +Maar nauwelijks had hij drie minuten geloopen, toen hij een in de +puntjes gekleed jongmensch ontmoette, die plotseling hem beide handen +toestak en hartelijk uitriep: + +"Pietje Bell! Wel heb je ooit van je leven!!... Ben je het of ben je +het niet?" + +"Ik ben het," zei Piet verbaasd, maar nog zonder de uitgestoken handen +te grijpen, "maarre... wie is u?..." + +"Wel Piet... ken je Frans Basters niet meer.... Weet jij niet meer, +hoe jij vroeger circus-directeur speelde in 't straatje en je mij +clown wou maken met een oud karpet aan mijn lijf gebonden? Ik moest +hard schreeuwen als je mij een imitatie-oorvijg gaf, maar je gaf mij +zoo'n heuschen oplawaai, dat ik vierkant tegen den muur smakte en +moord en brand gilde." + +"Ja... verdraaid!!... ik weet het!... Frans... Frans... beste kerel, +we hebben mekaar in geen jaren meer gezien!" + +En toen greep Piet de twee handen en drukte ze zoo hartelijk en +langdurig, dat de voorbijgangers lachend keken naar de twee vrienden +en Frans riep: + +"Au-au... Piet... dank je... au!" + +"Wat ben jij 'n reus geworden," vond Piet. + +"Ja, we zijn allebei een beetje grooter geworden sinds dien tijd," +zei Frans. "Wat doe jij voor den kost?" + +"Journalist," zei Piet, "en wat maak jij voor rommel?" + +"Prentjes," zei Frans. "Ze noemen mij een illustrator, geloof ik." + +"Zoo, teeken jij? Vaste betrekking?" + +"Nee, 'k studeer nog. M'n ouders zijn beiden gestorven." + +"Maar..." begon Piet. Hij eindigde den zin echter niet, omdat hij +niet onbeleefd wilde schijnen. Er was namelijk iets raadselachtigs +in het geval. + +De ouders van Frans Basters waren eigenlijk maar arme stumpers geweest, +wat Piet zeer goed wist. + +Nu waren ze dood en hier was hun zoon, nauwelijks zeventien jaar, +keurig gekleed en... had niet eens een betrekking. + +Frans keek Piet even aan. + +"O, zeg het maar," zei hij lachend. "Je wou me vragen hoe het mogelijk +is, dat je mij hier in dezen toestand voor je ziet, na de armoede van +vroeger? Gauw gezegd. Mijn moeder was afkomstig van rijke familie, +maar trouwde tegen den wil van haar ouders, broers en zusters met +mijn vader, die wel arm, maar een knap werkman was. + +"Een ongeluk met zijn been maakte verder werken onmogelijk en vanaf +dien tijd gingen ze achteruit. + +"De familie wilde niets meer met moeder te doen hebben, maar toen +eerst zij en daarna vader gestorven was, werd ik door mijn Grootvader +in huis opgenomen. + +"Grootvader is een op en top gentleman en laat mij studeeren. Vandaar +de verandering, Piet." + +"Je bent 'n geluksvogel," vond Pietje. + +"Jij moet beslist met mij meekomen," inviteerde Frans. "We hebben +een klein verjaringspartijtje aan huis en ik zal je wel introduceeren." + +"Wel," zei Piet, "ik moet vanavond ook nog even naar de Nutszaal, maar +daar kan ik later in den avond wel even aanloopen, daar er bal na is." + +"Aangenomen," besloot Frans, "laten we hier de tram nemen." + + + +De bijzonderheden van het verjaringspartijtje hebben weinig met den +loop van Piets avontuur te maken. + +Alleen dient vermeld, dat er door den gullen gastheer een overvloed +van zoeten wijn geschonken werd, waarvan ook Pietje een weinig +gebruikt had. + +Het fuifje was zoo geanimeerd en gezellig, dat Piet langzamerhand +begon te vergeten, dat er nog een Morgenpost bestond, die op een +zeker verslag wachtte. + +Om kort te gaan, het was twaalf uur, toen Piet in vroolijke stemming +de laatste tram huiswaarts nam. + +Het was in den laatsten tijd volstrekt niets ongewoons, dat Piet soms +zeer laat thuis kwam van de een of andere uitvoering. + +Om niet altijd genoodzaakt te zijn, laat op te zitten tot hij +thuiskwam, hadden zijn ouders hem een huissleutel gegeven en lieten +hem kalm zijn gang gaan. + +Op zijn kamer stak Piet de lamp aan. + +Toen hij zijn jasje over den stoel wou hangen, viel het programma +van de vereeniging "De Oranjevlag" eruit. + +Hij raapte het op... en schrikte!! + +Drommels... die jaarvergadering... glad vergeten... Ja, het was nu +veel te laat, om er nog heen te gaan, dat stond doodeenvoudig niet. + +Sapperloot... dat was me nu ook een mooie geschiedenis... + +En Piet bedacht, wat voor excuus hij nu Maandagmorgen zou maken, totdat +hem opeens een plan te binnenschoot, dat het heele probleem oploste! + +Hij had immers het programma van de vereeniging? + +Wel, dáárop stond immers, wat er dien avond gebeurd was? + +Een klein kunstje dus, om volgens dat programma een verslag te +fantaseeren! Komaan, hier was het. + +Maar dadelijk doen, dat was het beste. + +Nou... Feestelijke jaarvergadering van de +Buurtvereeniging... enz... enz... Programma... Opening door den +Voorzitter.. Jaarverslag... Vioolsolo... Voordracht... Tooneelstukje... +enz.... enz... enz... Vijftien gevarieerde artiesten-nummers. O hee, +Pietje kende dat soort feestelijke jaarvergaderingen. De meeste dames +en heeren, die aan zoo'n programma meewerken, hadden in 't geheel +geen of bitter weinig talent voor muziek of letteren. + +En Piet, die naast het vele knoeierige geliefhebber ook al heel veel +goeds gehoord en gezien had, zag maar al te goed en al te vaak het +belachelijke van dergelijke avonden. + +Om niet te zeggen ongenietbaar. + +Wel, zooals gezegd, 't was een klein kunstje om aan de hand van dit +programma een flink verslag te fantaseeren. + +Kort en goed... Piet schreef het verslag en ging met een in slaap +gesust geweten onder zeil. + +Des Maandagavonds lazen de lezers van de Morgenpost het volgende +verslag onder Stadsnieuws: + + + Buurtvereeniging: De Oranjevlag. + + Genoemde vereeniging hield Zaterdagavond in de Nutszaal haar + gewone feestelijke jaarvergadering. Nadat de Voorzitter, + de heer Spreekteveel, met een woord van welkom de aanwezigen + had begroet, werd door den Secretaris Pennewip het jaarverslag + uitgebracht. Spreker constateerde het uitbreidende aantal leden + en ook den toenemenden vooruitgang van de vereeniging. + + Mejuffrouw Krasmaar speelde een zeer schoone vioolsolo, waarna + de heer Spriethaar zeer veel succes behaalde met zijn dramatische + voordracht: De ontvluchte Zuigeling. + + Een stormachtigen bijval oogstten eenige dames en heerenleden + met de opvoering van het kluchtige stukje: Het wanhopige Paard. + + Het is ondoenlijk het rijk voorziene programma in alle onderdeelen + te bespreken, maar het dient gezegd, alle optredenden hadden + een dankbaar succes. Alles en alles bij elkaar genomen, kan de + Vereeniging met genoegen en tevredenheid op dezen welgeslaagden + feestavond terugzien. + + +"Ziezoo," zei Piet lachend, toen hij des Maandagavonds zijn verslag +in de krant over las, "dat is alweer goed afgeloopen." + +Maar Dinsdagmorgen werd hij bij den directeur in het privé-kantoor +geroepen. + +"Luister eens, vriend Bell," sprak de heer Peters, en keek daarbij +Pietje onderzoekend aan. "Is het waar, dat Konijn u Zaterdag gevraagd +heeft, voor hem naar de vereeniging "De Oranjevlag" te gaan?" + +"Jawel, mijnheer." + +"Dus ù heeft dit verslag uitgebracht?"--De heer Peters sprak steeds +zijn ondergeschikten met u aan, nimmer het woord jij gebruikend. + +"Jawel, mijnheer, op Konijns verzoek heb ik dien avond bijgewoond." + +"Hm... bijgewoond, zegt u?" + +"Zeker..." + +"En was het een welgeslaagde feestavond?" + +"O jawel... natuurlijk..." + +"Zijn er dan geen bloemen aan de dames gegeven?" + +"Niet dat ik weet." + +"Wel... het is een grappige geschiedenis." + +"Wat bedoelt u?" + +"Ik bedoel, vriend Bell, dat u heelemaal niet naar de Nutszaal is +geweest en ik bedoel ook, dat de bewuste feestelijke jaarvergadering +in het geheel niet is doorgegaan. + +"Het bestuur heeft mij vanmorgen opgebeld en gevraagd, wat deze flauwe +aardigheid beteekende, aangezien de avond wegens sterfgeval van een der +bestuursleden uitgesteld was. Wel, wat heeft u als verontschuldiging +in te brengen?" + +Piet wenschte zichzelf ergens in Rusland. + +Hij voelde, dat hij een belachelijk figuur maakte en vond het ten +slotte maar het beste, alles aan den heer Peters te vertellen. + +Na Piets biecht moest de heer Peters toch inwendig lachen, maar dat +liet hij natuurlijk niet merken. + +"Jongmensch," sprak hij, "een der eerste vereischten van een +verslaggever is accuratesse. Gelukkig is de zaak in dit geval niet zoo +heel ernstig, hoewel de courant door uw schuld een mal figuur maakt. Ik +zal de zaak aan het bestuur van de vereeniging uitleggen en namens u +excuus vragen. Zorg echter voortaan, u op de hoogte te stellen van zulk +een gelegenheid, als ge om de een of andere reden verhinderd zijt, er +persoonlijk heen te gaan. Even de vereeniging opbellen is voldoende." + +Piet wist weinig te zeggen en boog. + +Terwijl hij de kamer van den directeur verliet, voelde hij zich als +een schooljongen, die door den meester op bedrog betrapt is. + +Hij had tot nog toe nimmer een standje of maar zelfs een vermaning +gehad, dit was de eerste maal. + +Hij verwenschte Frans Basters, diens rijken Grootvader en het zoete +wijntje en zwoer bij hoog en laag, dat dit de laatste maal zou zijn, +dat hij zulk een domheid begaan had. + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +PIETS' LEVENSGESCHIEDENIS NEEMT EEN GEHEIMZINNIGE WENDING. + + +Het duurde niet lang, of Pietje onderscheidde zich aan het bureau +van de Morgenpost door zijn ijver en scherpzinnigheid. + +Hij was altijd vlug van begrip geweest, had steeds goed geleerd, hoewel +hij nimmer een buitengewonen aanleg voor studie had aan den dag gelegd. + +Maar hoe langer hij aan de courant verbonden was, hoe meer de lust +tot studeeren in hem ontwikkelde. + +Hij ondervond iederen dag, wat een massa er nog voor hem te leeren +was, hij nam een voorbeeld aan de oudere redactie-leden, waaronder +zich doctors en rechtsgeleerden bevonden. + +En langzamerhand begon Pietje zich boeken aan te schaffen. + +Het was een bont mengelmoesje, dat is waar, maar hij wenschte van +alles wat op te pikken en zijn algemeene kennis zooveel mogelijk uit +te breiden. + +Op zijn zeventienden verjaardag gaf zijn vader hem een boekenkast en +weldra prijkten daarin boeken over Staathuishoudkunde, Electriciteit, +Letterkunde, Spiritisme, Crimineele Wetgeving, Encyclopedie, +Aardrijkskunde, etc. etc.--Romans van Henri Borel naast de Fransche +Revolutie, de Avonturen van Sherlock Holmes naast de leer van +Darwin. Het kapitaal van Marx naast de Statenbijbel. Hij las van alles, +maar zijn vak vereischte ook, dat hij van alles op de hoogte was. + +Pietje werd na eenigen tijd als verslaggever naar de Rechtszaal +gezonden, en driemaal per week woonde hij er de zittingen van de +Arrondissements-rechtbank bij. + +Voor dat werk had hij een bijzondere belangstelling opgevat en het +leven der misdadigers begon hem van dag tot dag meer te interesseeren. + +En langzamerhand kwam hij geheel en al op de hoogte met het leven +van hen, die rooven en stelen aangenamer en gemakkelijker vinden, +dan op een eerlijke wijze aan den kost te komen. + +Piet wilde graag méér van hun gewoonten en levenswijze leeren kennen, +zonder daarbij aan persoonlijk gevaar te denken. + +En zijn bekwaamheid in gymnastiek en boksen, het echte Engelsche +boksen, en de Japansche vechtkunst Jiu-Jitsu zouden hem daarbij wel +eens te pas kunnen komen. + + + +Op zekeren morgen zat Piet naast zijn collega's van de andere +stadsbladen aan de Perstafel in de Rechtszaal, toen er een jonge man +terecht stond wegens het stelen van diamanten en gouden sieraden. + +Of eigenlijk gezegd waren er twee beschuldigden, want genoemde jonge +man had een medeplichtige gehad, die hem bij den diefstal had geholpen. + +Ze hadden het heel slim aangelegd. + +Gerrit Lijster--zoo heette de eerste--was met Barend de Kort op +een middag den juweliers-winkel van de firma Voorschoten & Zonen +binnengestapt. + +Beide jongelui zagen er keurig gekleed uit, spraken zeer beschaafd +en de bediende vroeg hun buigend, wat ze verlangden. + +Lijster vertelde den bediende, dat zij eenige groote bestellingen +wilden doen voor een aanstaande trouwgelegenheid en daarvoor gaarne +persoonlijk met den patroon wilden onderhandelen. + +"O, dat treft u slecht," had de bediende gezegd, "want de patroon is +heden voor zaken naar Amsterdam en ik ben hier geheel alleen." + +Wel, dat wisten de twee bezoekers wel, maar ze vroegen--ook alweer +zeer beleefd en beschaafd--of ze dan met den bediende over de aan te +koopen kostbare geschenken konden spreken. + +"Met zeer veel genoegen," was het antwoord. + +"Laten we dan in het kantoor achter den winkel gaan," stelden Lijster +en de Kort voor. "Want als toevallig een onzer vrienden passeerde, +zou het geheim verraden en de aardigheid eraf zijn." + +"Natuurlijk, natuurlijk," glimlachte de bediende, "gaat u binnen." + +Maar eenmaal binnen het kantoortje veranderden de heeren van gedrag. + +Lijster bond hem bliksemsnel een doek voor den mond, terwijl de Kort +hem een geladen revolver onder den neus hield. + +"Ziezoo," sprak Lijster, "nu zullen we je op dezen stoel binden, +want we kunnen de rest wel zonder je af." + +Terwijl de Kort den machteloozen bediende bewaakte begaf Lijster zich +naar den winkel, trok eerst de gordijnen omlaag en vulde daarop al +zijn zakken, benevens nog een grooten handkoffer, met diamantringen, +gouden horloges, armbanden, kettingen en broches. + +Dat was in vijf minuten klaar en daarop verlieten de heeren rustig +den winkel, na zorgvuldig den sleutel meegenomen en de deur achter +zich op slot gedraaid te hebben. + +Maar de arm van het gerecht reikt ver. + +Dienzelfden avond nog werden de heeren bij aankomst van den laatsten +trein in Leeuwarden gearresteerd, want ze waren twee oude bekenden +van politie en justitie. + +Maar van het gestolen goud en zilver en diamantwerk was geen spoor +te vinden. Alles bij elkaar was het een waarde van honderd veertig +duizend gulden. + +De Rechter ondervroeg de twee jonge dieven, bedreigde, pleitte, +verzocht en bulderde hen ten slotte toe, dat ze er voor twintig +jaar achter gingen, als ze het gestolen goed niet terug gaven ... of +tenminste zeiden, waar de buit was. + +Maar de beklaagden beweerden, dat vergeten te hebben. + + + +Piet schreef er een groot stuk over, dat dien avond door de lezers +van de Morgenpost met angstige belangstelling verslonden werd. En +Piet deed vreemd dien avond. + +Hij zat op zijn kamer en had een spiegeltje voor zich op de tafel +gezet. + +Met scherpe nauwkeurigheid plakte hij zich een klein zwart kneveltje +onder den neus. + +Zijn gewoonlijk hoog opstaande kuif maakte hij nat en dan plakte +hij de haren met cosmétique plat op zijn hoofd, met een aan 't eind +weggestreken draailok. Een platte pet zette hij op en over een niet +al te helder sporthemd deed hij een oud jasje. + +Hij bekeek zich nog eens goed in den spiegel, trok een scheeven hoek +aan zijn mond en ging geruischloos de kamer uit en de trap af. + +Op straat kocht hij een pakje cigaretten, waarvan hij er een opstak. + +Daarna, handen in de zakken, de cigaret onverschillig tusschen de +minachtende lippen hangend, liep hij weer terug en trad zijn vaders +winkel in. + +"Kan je main niet segge, waar Smiese woont?" vroeg Pietje op ruwen +toon aan Vader Bell, die den bezoeker met niet al te vertrouwelijke +blikken aankeek. + +"Smiese? ... Smiese? ... Nooit van gehoord .... wacht eens ... Vrouw, +ken jij eene Smiese hier in de buurt?" + +Moeder kwam naar den winkel sloffen, keek ook niet al te vriendelijk +naar den ruwen klant, het echte type van een diefachtigen leeglooper. + +"Smiese ... nee ... ken ik niet ... Hier ben je bij Bell." + +"Bell? Zeg eris, juffrou, ben je soms femilie van dat stuk verslaggever +an de rechtbank?" + +Moeder verschoot van kleur ... dáár had je 't nou al! + +Ze had het nooit erg op die rechtbank begrepen. + +Was dat nou niet gevaarlijk voor háár Pietje, om dieven en moordenaars +in de krant te zetten? + +Als-ie wat van ze schreef, dat hun niet beviel, konden ze hem er wel +eens wat voor doen. Ze moest er niet aan denken! + +En daar had je nou al zoo'n exemplaar ... dat achter de tralies +thuishoorde ... Maar 't vernuft van een Moeder is héél groot. + +"Familie? ... nee man ... die woont hier niet ..." + +"Nou, as je dat petret soms tegenkomp, seg 'm dan maar uit main naam, +dat ik em in de gaten houw." + +En met deze woorden verliet Piet den winkel, zonder herkend te zijn. + +Hij dwaalde straat in, straat uit, liep onverschillig met de handen +in de zakken en rookte de eene cigaret na de andere. + +Aan de Korte Hoogstraat nabij de Passage ontmoette hij Eetje Pijpers, +die een straatje omliep met Jeanne d'Arc, alias Jannetje de Boog, +en haar zijn uitgebreide kennis van het hondenras opdrong. + +Piet bonsde tegen Eetje aan en mompelde iets onverstaanbaars. + +Eetjes hoed viel op den grond door den geweldigen bons. + +Hij raapte hem op en keek den achterbuurt-klant na. + +"Onbeschémd répélje ..." schold Eetje, zijn hoed af stoffend +... "minderwérdige slémpémpers!!" + +Piet grinnikte inwendig en liep den Schiedamschen dijk op, waar hij +eindelijk een der talrijke donkere zijstraatjes insloeg. + +Hij was erheen gegaan met geen ander doel, dan zich eens te mengen +onder het gedeelte der maatschappij, hetwelk men wel eens de +"onderwereld" noemt. + +Het was alweer zijn zucht tot onderzoeken en leeren, die hem in deze +ongewone kleedij hierheen dreef. + +Het opdoen van nieuws, nooit gekende indrukken, het +verzamelen van materiaal voor een Zaterdag-avond-feuilleton, het +geheimzinnig-aantrekkelijke van nieuwe avonturen waren mede de redenen +van zijn tocht. + +Hij slenterde--steeds in dezelfde, onverschillige houding--langs de +zeemans-café's en danshuizen. + +Ten slotte bleef hij voor een der grootste danszalen staan. + +Een gloed van lamplicht en rook kwam naar buiten en 't schetterend +ge-tsieng-boem van een automatisch orgel dreunde het straatje door, +valsch begeleid door een harmonica-met-piano in 't café daarnaast. + +Piet trad de ruime danszaal binnen en vatte post in een hoek, leunend +tegen een der pilaren. + +Op de maat der valsche schettermuziek walsten mannen en vrouwen, +meestal typen van het minste allooi. + +Er waren heel wat zeelui onder, die een gezelligen avond aan wal +zochten, en dan altijd in dergelijke inrichtingen verzeild raakten. + +In negen van de tien gevallen zijn ze den volgenden morgen hun +geld kwijt, want wat ze niet aan drank verteren, wordt hun wel met +kaartspelen of op andere manieren afgenomen. + +Piet had daar misschien tien minuten gestaan, toen een man, die een +zeer ongunstig voorkomen had, hem aansprak. + +"Dans jij niet, maat?" + +"Nee," zei Piet, "nou niet." + +"En waarom niet?" + +"Ik ken geen mensch hier. Ik kom van Amsterdam ... zoek een karwei." + +"Zoo ... zoek jij een karwei? ... Ben je ook van de beweging?" + +Bij het laatste woord maakte de man een grijpend gebaar, dat diefstal +moest beteekenen. + +"Jij bent niet nieuwsgierig, maar je weet graag alles," zei Piet +voorzichtig. + +"Mijn kan je vertrouwen," zei de man knipoogend. "Ze noeme me Rooie +Tinus vanwege m'n pruik. 'k Ben jarenlang al in de negosie, versta +je? En nooit geknipt!" + +"Wat zou je me aanraaie," vroeg Piet, die zijn rol van "toffe jongen" +prachtig volhield. + +"We kenne hier niet praten," zei Rooie Tinus, "d'r loopen hier teveel +"dof gajes" [1] rond. Maar als je nou om één uur vannacht in 't Wapen +van Vlaanderen komt, kan je wel eens kans krijgen op goed werk." + +Op dit oogenblik ontstond er een geweldig tumult onder de dansers. + +Een paar zeelui hadden twist gekregen met hun maats over de vertering, +een ieder wilde de eer hebben voor het heele gezelschap te betalen +en toen ze niet tot een minnelijke schikking konden komen, begonnen +ze op elkander in te hakken en weldra vlogen bierglazen, tafels, +stoelen en vloermatten door de dansruimte. + +De muziek stopte en alsof er een afspraak tusschen de aanwezigen +gemaakt was, begon een ieder mee te vechten, links en rechts er op +in te slaan zonder aanzien des persoons. + +Gemoedelijke groepjes, die een oogenblik te voren heel broederlijk +met elkaar hadden gedronken, vielen plots als bloeddorstige tijgers +op elkander aan. + +Rooie Tinus verdween snel en liet Pietje aan zijn lot over. + +Het gevecht was plotseling zóó algemeen, dat Piet er eigenlijk om +lachen moest. Hij schoof langzaam en voorzichtig langs de vechtenden +heen, voetje voor voetje den uitgang naderend. + +Maar voor hij dien bereikt had, rolde de troep vechtenden in zijn +richting, en voor Piet het aan zag komen of verhinderen kon, voelde +hij zich door een zwaar voorwerp aan het achterhoofd getroffen. + +Bewusteloos zakte hij ineen. + +Een onbekend man nam Pietje op en droeg hem door een paar in elkander +loopende gangen van het huis, daalde vervolgens een trapje met hem +af en legde hem neer op den vloer van een kelder. + +Maar de man aarzelde nu een oogenblik, hij scheen van plan te +veranderen. + +Nu nam hij Piet weer op, droeg hem opnieuw naar boven en verliet +het huis door een zijdeur, verdwijnend in de duisternis van de +krottenbuurt. + +Uit de danszaal klonk de draaiorgelmuziek weer ... koperschetterend +... oorverscheurend ... de menigte danste weer ... + + + +Piet kwam dien avond en zelfs dien nacht niet thuis... + +Zijn ouders hadden zich om 11 uur ter rust begeven, want ze hadden +niet de minste reden tot ongerustheid, aangezien Piet heel vaak zeer +laat naar huis keerde. + +Bepaald weer de een of andere groote vergadering, dachten ze en gingen +daarom gerust slapen. + +Maar den volgenden morgen, toen het almaar stil bleef op Piets kamer +en hij ook om kwartier over achten nog niet aan het ontbijt was, +besloot Moeder, den jongen maar even te wekken. + +Ze opende de deur van zijn kamer en vond ... alles in de volmaaktste +orde ... het bed onbeslapen ... en geen spoor van kleeren! + +In één seconde had Moeder het begrepen. + +Piet was dien nacht niet thuisgeweest! + +Met van angst dichtgeknepen keel riep ze Vader, die haastig naar +boven kwam. + +"Vader ... onze jongen ... is er niet!" + +"Wat? ... is hij er niet?" + +Verstomd keken beiden een poos de kamer rond. + +Er was niets bijzonders te bemerken. + +Moeder opende de kastdeur. + +"En al zijn goed hangt hier!" riep ze opeens verbaasd uit. "Zie, Vader, +hier hangen zijn twee daagsche pakken en daar is zijn Zondagsche." + +"Drie hoeden heeft hij," voegde Vader erbij, "en die zijn er ook." + +Opeens begon hij te lachen. + +"Wel," zei hij, "dan moet hij op de badkamer zijn." + +"Maar het bed is niet eens beslapen." + +Op de badkamer was Piet al evenmin. + +Het werd inmiddels negen uur en de onrust der ouders steeg met iederen +tik van de klok. + +Daar klonk de telefoonschel in den winkel. + +Vader snelde naar het toestel. + +"Hallo?" + +"Is u meneer Bell? Is uw zoon ziek, dat hij niet op het bureau +komt?" klonk de stem van den heer van Dalen, den stads-redacteur. + +"Pieter is niet thuisgeweest sinds gisteravond ... en ... zijn moeder +... en ik weten niet ... waar hij is ..." sprak Vader, met van angst +trillende stem. + +"Niet thuisgeweest, zegt u? Waar is hij dan heengegaan?" + +"Dat heeft hij niet gezegd." + +"Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien?" + +"Gisteravond om zes uur, aan het avondeten." + +"Wel ... dat is vreemd ..." + +"Zoudt u niet willen helpen, hem te zoeken, meneer?" + +"Dat spreekt vanzelf. Ik zal oogenblikkelijk de politie in kennis +stellen. Heeft u ook een portret van hem?" + +"Jawel, en een goed gelijkend ook." + +"Kunt u mij dat laten bezorgen?" + +"Ik zal het direct zelf brengen." + +"Best, doet u dat. Ik zal er dan dadelijk hier een partij afdrukken +van laten maken." + +"Dank u ... Ik kom dadelijk." + +Het portret werd voor den dag gehaald en de bezorgde Vader haastte +zich ermee naar de bureaux van de Morgenpost. + +Het bericht van Piets verdwijnen vloog als een vuurtje door het gebouw +van het dagblad. + +Iedereen kende Pietje, iedereen hield van hem, ieder betreurde het +geval en was vol belangstelling. + +De heer Peters, de dagblad-directeur, had telefoonen telegraaf +toestellen in werking gesteld, binnen een uur tijds was de zaak door +heel Nederland bekend, maar er kwam geen bevredigend antwoord, niet +de minste inlichting. + +Vader zat, ten prooi aan den vreeselijksten angst, in het privé-kantoor +van den directeur, die hem op alle manieren trachtte te troosten. + +Hij roemde Piets ijver, zei, dat de jongen misschien ergens opgehouden +was, liep naar de telefoon, belde weer iemand anders op. + +Toen kwam er een auto aantoeteren en hield voor den ingang van het +gebouw stil. + +Een jongmensch stapte eruit, betaalde den chauffeur en sprong haastig +de trappen op. + +De deur van de directeurskamer werd wijd open geworpen en daar +stond... Pietje Bell... welvarend en blakend van gezondheid! + +Hij maakte lachend een buiging, zette een zwaren tasch op den grond +en zei: + +"Hier ben ik, heeren. Excuseert u alstublieft mijn costuum, ik ben +vannacht op een klein karweitje uitgeweest." + +En met deze woorden opende Piet den tasch, welke gevuld was met +diamanten en gouden voorwerpen. + +"Jongen!" riep Vader Bell verschrikt, "je hebt dat toch niet +ge... ge... sto..." + +"Juist, vadertje, precies. Dat heb ik gestolen. Maar ik heb het +gestolen van de dieven met de bedoeling, het weer aan den rechtmatigen +eigenaar terug te geven." + +En zich tot den heer Peters wendend, voegde Pietje erbij: + +"Dit zijn de gestolen sieraden van de juweliersfirma Voorschoten & +Zonen. Die zaak is juist gisteren voor de rechtbank geweest. Gerrit +Lijster en Barend de Korte zullen wel niet erg in hun schik zijn, +dat ik de kaas van hun brood gegeten heb." + +"Prachtig!... prachtig!... kerel, wat een stuk voor de +courant!!... Maar hoe heb je 'm dat nu geleverd?" + +"Dat zal ik u vertellen," zei Piet. + +En nu deed Piet een getrouw verhaal van hetgeen de lezer reeds weet, +tot hij aan het punt kwam, waar hij door iemand van achteren werd +aangevallen en bewusteloos op den grond ineenzakte. + + + +"In minder dan geen tijd," vervolgde Piet, die weer als altijd +een vloed van buitenmodel bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden +gebruikte, was het heele bataljon land- en zeerotten aan het snelvuren +met bierglazen, limonadefleschjes en stoelen en daarom vond ik het +maar het beste, er stilletjes tusschenuit te knijpen. + +Net was ik bij de deur, toen me daar opeens zoo'n vechtende kleipeer +achter mij aankwam en mij meedeelde, dat ik niet teveel hier was, +maar alleen overschoot. + +Of hij mij dat vertelde met een tafelpoot of een bierglas, weet ik +niet meer precies, maar ik heb er nog een buil van op mijn kersepit. + +Wat er daarna met mij gebeurd is, kan ik mij niet goed herinneren, +maar toen ik weer tot het land der levenden terugkeerde, lag ik in +een donkere ruimte. Ik heb toen eerst even onderzocht, of ik heelemaal +compleet was en toen stak ik een lucifer aan. + +Ik zag gauw genoeg, dat het een oude zolder, of beter nog, een vliering +was, waar ik lag. De eigenlijke zolder was daar weer onder. + +De vloerplanken, waarop ik lag, waren niet tegen elkaar getimmerd, +maar hadden wel een handbreed tusschenruimte. + +Ik heb me toen, geloof ik, wel een uur stilgehouden, want ik wou niet +graag voor de tweede maal mijn hoofd stooten aan een bierglas. + +Ik lag maar aldoor te verzinnen, op welke manier ik hier vandaan kon +komen zonder opnieuw een van die gezellige nachtridders te ontmoeten. + +En toen hoorde ik voetstappen.... + +Het duurde niet lang, of er werd op den zolder een lantaarn aangestoken +en ik zag twee edellieden, die er uitzagen als een paar gasten van +Hotel de Tralie. Zij schenen niet te weten, dat ik daar was en al +hun doen en laten van tusschen de vloerplanken zien kon. + +De een droeg een zware tasch--deze hier--en zei tegen z'n compagnon: + +"Wel Dries, ik denk, dat de aap hier mooi veilig is." + +"Veilig genoeg voor 'n dag of wat. Maar hoe kom je erbij, om juist +dit krot er voor uit te pikken?" + +"Orders van Gerrit Lijster," zei de eerste. "Overmorgen komt Fransche +Lowie uit Rosendaal de aap weghalen en krijgen wij ons deel. 't Huis +was door Gerrit aangewezen ... 't is een leegstaand pakhuis, zooals +je ziet, afgekeurd door de groote Pieten en nergens meer goed voor." + +"Nou, u begrijpt," zei Piet, "een verlaten pakhuis, dat knoopte ik +goed in m'n gehoorapparaten. Ik begreep natuurlijk al gauw, dat de +aap niets meer of minder was dan de gestolen sieraden van Voorschoten +en om u de waarheid te zeggen, beefde ik zoo van opwinding, dat de +zolder ervan schudde. + +"Toen de nachtpitten met den lantaarn vertrokken, was het weer +stikdonker. Ik heb toen nog een uur of zoo gewacht en daarna heb ik +het maar geriskeerd. + +"Voetje voor pootje ben ik het laddertje afgeslopen. + +"Sjonge, het leek me wel honderd jaar te duren, voor ik bij de "aap" +was, want ik durfde geen geraas te maken, daar 't huis wel eens bewaakt +kon zijn. Bovendien maakte elke plank van 't rotte huis zoo'n kermend +lawaai, als ik een stap deed, dat ik me bijna niet durfde bewegen. + +"Stil ... daar kwamen weer voetstappen 't straatje in ... ik voelde +m'n hart in m'n teenen kloppen ... maar gelukkig kreeg ik geen tweede +visite. D'r was een raam open en daar heb ik even door naar 't straatje +gekeken. Jawel hoor, ... aan den eenen hoek van 't steegje stond een +man ... aan den anderen kant ook zoo'n exemplaar, die een pijp rookte. + +"'t Zaakje werd bewaakt, dat kon je wel op je ribben uittellen. + +"Wel, ik ben niet zoo heel erg bang uitgevallen, maar toen ik die +twee sinjeurs daar op post zag staan, misschien allebei wel met een +geladen erwtenschieter in hun zak, was ik toch niet zoo heel erg in +mijn schik met het geval. + +"Terwijl ik zoo bij mezelf een conferentie houd, schop ik tegen iets +zwaars aan. Ik kon het in dat stikke-donker niet onderscheiden, maar +op den tast bemerkte ik, dat het een looden gewicht uit een der oude +vensters moest zijn. + +"Ik weet zelf niet, hoe ik op de gedachte kwam maar ik nam het stuk +lood in de eene hand, de tasch in de andere en klom zachtjes van den +zolder naar beneden. + +"Wat ik met het looden gewicht ging uitvoeren, wist ik op dat oogenblik +zelf niet, maar in elk geval was het een wapen, waarmee je van je +naasten's hersepan heel geschikt haché kon maken. + +"Toen ik beneden was, keek ik eerst voorzichtig naar de twee +schildwachts en tegelijkertijd bemerkte ik een openstaande deur in +'t huis aan den overkant van het straatje. + +"De bewakers keken niet in mijn richting en in twee sprongen had ik +het portaal van het andere huis bereikt. + +"Nu moest ik die twee gluipers van hun hinderlijken post zien weg +te krijgen en dat was gemakkelijk genoeg, zooals de aviateur zei, +die van 2000 meter hoogte in zee viel. + +"Ik zette eerst den tasch neer en smeet toen het looden gewicht door +een der ramen van het pakhuis. + +"Het maakte een lawaai, alsof de heele steeg in elkaar stortte. + +"Nou, u snapt dat ik me gauw verschool achter de deur, maar ik kon +net zien door een kier, hoe de twee sinjeurs kwamen toeloopen en +'t pakhuis binnenrenden. + +"Toen ze goed en wel op de trap waren, holde ik met de tasch het +straatje uit. Op den Schiedamschen dijk ben ik langzaam gaan loopen, +tot ik een taxi zag staan. Ik heb me toen naar de Geldersche kade +laten rijden en deed precies, of ik logeeren ging in Hotel de Kat. + +"Maar nauwelijks was m'n chauffeurtje vertrokken, of ik wandelde +verderop en heb een kamer genomen in Hotel Maaszicht. + +"De rest is eenvoudig. + +"Ik heb geslapen als een dooie marmot en toen ben ik met een andere +automaat hierheen gekomen. + +"En hier is de "aap"." + +"Wel Piet," zei de directeur, "je verhaal is goud waard en je avontuur +niet minder; de stad zal ervan versteld staan. Maar om nu je persoon +niet in gevaar te brengen zullen we niet schrijven, dat je Pieter +Bell heet en verslaggever aan de Rechtbank bent, want dat zou wel eens +minder aangename gevolgen voor je kunnen hebben. Doch dat zaakje zal +ik wel voor je opknappen. Gaat nu met je Vader naar huis en meld je +vanmiddag om twee uur bij mij." + +Vader Bell was nu niet weinig trotsch op Piets avontuur. + +"Maar moeder zit nog in doodsangst," zei hij. "Laten we gauw een +rijtuig nemen, Piet, want je ziet me er te schooierig uit, om met je +in de tram te zitten." + +"Ik heb Moeder al getelefoneerd voor ik hier kwam. Ze vertelde mij, +dat u naar de Morgenpost was." + +Daarop riep Vader Bell een rijtuig aan en een kwartier later had Moeder +haar jongen weer in de armen en tranen van blijdschap in de oogen. + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +ZWARTE OOGEN EN DE "MILLIONS D'ARLEQUIN." + + +Dien avond wijdde de Morgenpost een sensatie-wekkend artikel aan +Piets avontuur, echter zonder zijn naam te noemen. + +Inplaats daarvan werd medegedeeld dat een zeker detective de geheele +zaak geleid en tot een succesvol einde had gebracht. + +De juweliers-firma Voorschoten & Zonen werd weer in het bezit gesteld +van haar eigendom en bood Piet een schitterende belooning aan. + +Piet echter bedankte de heeren en wilde geen geld ervoor aannemen. + +"Maar dat is dwaasheid," sprak de heer Voorschoten. "Ge kunt het geld, +dat wij u aanbieden, naar de bank brengen en later, als ge het voor +de een of andere onderneming noodig mocht hebben, zal het u zeer te +pas komen." + +"Jawel," zei Piet eenvoudig, "maar ik heb geen recht op zulk een +groot bedrag en dan ook nog, ik heb geen geld noodig en geef er ook +niets om." + +"Maar de belooning is werkelijk zoo groot niet. Gij hebt ons bewaard +voor een schade van honderd-veertig duizend gulden, en de vijfhonderd +gulden belooning is daar maar een druppel van." + +"Wel mijnheer," zei Piet lachend, "als ik geld noodig heb, dan werk +ik ervoor en behoef tegen niemand "dank je" te zeggen. Uw vriendschap +en achting zijn me meer waard dan geld, maar mocht ik later uw hulp +en medewerking noodig hebben, dan hoop ik niet tevergeefs bij u aan +te kloppen." + +"Jonge vriend," sprak de heer Voorschoten ernstig, en hij drukte Piet +de hand met warmte, "je bent een uitzondering op den regel en je +zult het zéér ver brengen in de wereld. Gelukkig is de mensch, die +niet steeds op geld loert, maar integendeel liefde heeft voor zijn +werk. Wanneer we met plezier en toewijding onzen arbeid verrichten, +vriend Bell, komt de rest vanzelf. En luister nu eens: kunt ge +aanstaanden Zondag bij ons komen dineeren?" + +"Zeer gaarne, mijnheer. Op welken tijd zal ik komen?" + +"Wel, wij dineeren gewoonlijk om zes. Laten we dus afspreken vijf +uur bij mij aan huis, Westersingel 895." + +Piet drukte den heer Voorschoten nogmaals de hand en vertrok. + +Hij had een belooning van vijfhonderd gulden afgewezen, maar daar +heeft hij nooit berouw van gehad. + + + +Twee dagen later werd er op Piets kamer door Moeder een kistje +gebracht, dat zooeven bezorgd was door een knecht van de +juweliers-firma. + +Moeder kon haar ongeduld nauwelijks bedwingen, maar Vader zeide haar, +dat Piet geen klein kind meer was en niemand dan hijzelf recht had, +het pak te openen. Piet opende het des avonds in tegenwoordigheid +van zijn ouders. + +Keurig verpakt in vloeipapier en watten kwam er een prachtvolle +zilveren beker uit te voorschijn, waarin gegraveerd stond: + + + UIT DANKBAARHEID + VOOR BEWEZEN DIENSTEN AAN + Voorschoten & Zonen. + + +Vader en Moeder Bell waren een tijdlang sprakeloos van bewondering. + +"'t Is een prachtstuk," zei Vader, "en we zullen het een eereplaats +geven in de voorkamer, Piet," en hier klopte hij zijn zoon op den +schouder, "je bent 'n kráán. Ik zou misschien de vijfhonderd pop +aangepakt hebben, maar...." + +"Daar zou het dan ook mee afgeloopen geweest zijn," merkte Moeder +op. "Voor Piet begint het pas... en ik zeg je... de jongen heeft wijs +gedaan... en..." + +"Piet doet altijd wijs," zei Vader, "dat heb ik altijd gezegd." + + + +Den volgenden Zaterdagavond bracht Piet een bezoek aan den barbier. + +Waarom? + +Wel, om zich te laten scheren, natuurlijk. + +Want Piets bovenlip ging angstig-verdacht doen in den laatsten tijd en +Piet meende, dat hij zich niet beter van dien hinderlijken haardos--het +waren precies vijftien zwarte, onnoozele donsvezeltjes--kon ontdoen, +dan er moedig het mes in te laten zetten. + +Al verscheidene malen had hij voor den spiegel getracht een puntje +aan den dreigend-opkomenden knevel te draaien ... ook dacht hij +reeds aan een "knevelbinder", maar deze pogingen waren tot nog toe +vruchteloos geweest. + +Piet zette zich bij den barbier in den scheerstoel. + +"Haarknippen, meneer?" + +"Scheren," commandeerde Piet. + +"Schee ... ???" + +De barbier bekeek Piets aangezicht. + +"Wat is 'r?" vroeg Piet. + +"O ... niets ... absoluut niets ... 'k zal u scheren, meneer." + +"Mes goed meneer, of trek het ook?" + +"Merci, 't is best." + +"U zult een zwaren baard krijgen, meneer. Poeder en haar opmaken?" + +"Jawel, dat is goed." + +De barbier spoot een geurig, fijn parfum over Piets haardos. + +"Dat ruikt lekker," zei Piet. + +"Fransche haar-lotion, meneer. Flora-Mije van Pivèr, Parijs. Kost +één gulden vijftig de flacon. Een meenemen, meneer?" + +"O nee ... ik ben geen jongejuffrouw ..." + +"Is zeer goed voor het haar, meneer. Aangenaam van geur ... verkoop +er zeer veel van aan de klanten." + +"Jawel ... jawel ... ik houd niet van dien rommel." + +De barbier zweeg beleedigd, nam Piets kwartje aan. + +"Precies gepast, meneer." + +Opgewekt stapte Piet naar buiten ... geschoren.... voor de eerste +maal in zijn leven geschoren! + +En 't geurtje van Parijs dwarrelde almaar om zijn hoofd ... hij snoof +'t af en toe op ... lekker hoor.... Komaan, nu een straatje om en +bij Flip Buitenhuis wat cigaretten gekocht. + +O ja, sinds het avontuur in de achterbuurt was Piet aan de cigaret +gaan doen. Matigjes ... een paar per dag ... + +'t Stònd ... niewaar ... de meeste lui van zijn leeftijd rookten al +'n licht sigaartje, maar hij vond de cigaret meer in stijl. + +Zwaaiend z'n rotting flaneerde hij lustig tusschen de Zaterdag-avond +wandelaars door. + +'n Groepje bakvischjes met groote strikken in de haren keek hem +lachend na. Piet keek even om, lachte ook en kleurde hevig. + +Maar daar had je den sigarenwinkel. + +Flip was druk bezig met het bedienen der talrijke klanten. + +"Hallo, Piet. Uit vanavond?" + +"'n Loopje maken. Geef me 'n doos Russen." + +"Asjeblieft. Geen nieuws?" + +"Niet dat ik weet." + +"'k Heb gelezen in de krant van dien detective, die de gestolen buit +van Voorschoten teruggebracht heeft. Was 't stuk van jou?" + +"Nee, van v. Dalen." + +"Handige vent, die detective. Daar moet je je pet voor afnemen." + +"Ga je gang," zei Piet. + +"O, meen je soms van niet? Ik vind het een mooi vak. Je ziet nog eens +wat van het leven en je maakt wat mee." + +"Maar er is heel wat gevaar aan verbonden," zei Piet, die zijn avontuur +zooveel mogelijk geheim gehouden had. + +"Daar zou ik niet om geven," beweerde Flip. "Ik zou best eens een +tijd onder die lui willen leven, om zoodoende hun doen en laten eens +te bekijken, weet je." + +"Welke lui?" + +"Wel, die inbrekers en dieven en dat soort." + +"'t Zou je tegenvallen, Flip. Geloof me, ik ken die heeren, want ik +zie ze elke week voor 't gerecht staan. Ze zijn niet voor de poes." + +"Toch zou ik best willen." + +"Ik wed met je om een gulden, dat je het niet aandurft, om als schooier +verkleed met mij de achterbuurten in te gaan." + +"Om een gulden? Dat doe ik met je!" + +"Maar reken er op, dat ik je in de verschrikkelijkste gangen en stegen +breng, waar je wel eens een pak slaag kon oploopen, vooral wanneer +ze zien, dat je niet van de hunnen bent." + +"Best, ik doe het ... Wanneer gaan we?" + +"Maandagavond dan." + +"Afgesproken, na het sluiten van den winkel ben ik je man." + +Pietje verliet den winkel en wandelde verder. + +Ha-ha, hij was toch benieuwd, hoe Flip zich houden zou. + +O ja, ze wilden graag allemaal zooiets meemaken, maar vóór het zoover +kwam, trokken ze zich meestal terug, hadden een uitvlucht en waren +van plan veranderd. Nou, hij zou Flip er eens van laten lusten! + +Flip was een beste vent, hoor, wât een fijne vrind en 'n leuk type +ook, maar 't was de vraag, of hij moed genoeg bezat voor wat Piet 'n +liefhebberij noemde. Wel, Maandag zou Piet hem op de proef stellen, +en niet zoo'n beetje ook. + +Hij wandelde de Diergaardelaan in, ontmoette onverwachts den heer +Voorschoten, die een allerliefste jongedame aan den arm had, een +ongeveer zestien-jarig meisje, met ravenzwarte haren en zwarte oogen, +die schitterden als gitten. + +"Daar is zoowaar m'n vriend Bell," sprak de heer Voorschoten op +hartelijken toon. "Wel vriend, aan het wandelen? Dit is mijn dochter +Bella. Heel aardige ontmoeting, moet ik zeggen." + +Dat vond Piet ook en met 'n lichte buiging zei hij: + +"Aangenaam kennis te maken ... Mijnheer, mag ik u zeer hartelijk +bedanken voor den prachtigen beker ... het is een groote verrassing +... en ik ... ik bedoel ..." + +Bella glimlachte en keek hem aan. + +Piet begon te stotteren, niet omdat hij verlegen tegenover meisjes +was, loop heen, vraag maar aan de Vroolijke Bende, maar ... omdat die +zwarte oogen van Bella iets meelijdend-spotachtigs hadden ... iets +... iets ... waardoor je je nou net een klein kind voelde bij haar. + +"O, dat is maar een souveniertje," sprak de heer Voorschoten, "en in +verhouding met hetgeen u voor ons gedaan heeft maar een bagatel. Hebt +ge de invitatie nog niet vergeten voor morgen?" + +"Zeker niet, meneer, ik zal er zijn." + +"En dan vertelt u zeker Moeder en mij uw verschrikkelijk +avontuur?" verzocht Bella. + +Het leek Piet, of ze het een beetje ironisch zei. + +"Och jawel ... als u dat wenscht ... danne ... maarre ... wil ik +zeggen ..." + +"Dus tot morgen dan," besloot de heer Voorschoten. "We gaan nu op +familie-bezoek en zijn wat gehaast." + +Ook Bella stak Piet de hand toe. + +"Tot morgen," zei ze vriendelijk. + +Piet nam z'n hoed onwillekeurig dieper af, dan hij doorgaans gewend +was en vervolgde zijn wandeling. + +Hij stak een tweede cigaret op, blies volle rookwolken uit. + +Hee, wat was het toch mooi weer van avond en wat zagen de menschen +er vroolijk uit! + +Aardige man, die meneer Voorschoten ... en wat 'n zwarte oogen had +die Bella ... wel 'n leuke naam ... Bel-la ... net één letter meer +dan zijn naam ... Bell-a ... klonk wel aardig ... maar 'n mirâkel +zwarte oogen ... en wat ze je daarmee aankijken kon ... schuw! + +Piet sloeg den terugweg naar huis in. + +Op zijn kamer stond de beker nog. + +Piet stak zijn lamp aan, deed de rood-zijden kap erover, zoodat het +gezellige vertrek in een fantastisch-rossen schemer gehuld was. + +Hij zette zich aan zijn schrijftafel, steunde het hoofd in de handen +en liet zijn gedachten maar gaan. + +Het was een veel bewogen week geweest, vooral met dat avontuur ... maar +zijn hart haakte naar meer, naar beter ... + +Voor 't oogenblik was het goed zoo ... zijn leven van jongste +verslaggever aan de Morgenpost ... maar hij voelde ... hij kon dat +niet blijven doen ... iederen dag maar weer op datzelfde bureau +... schrijven voor altijd weer dezelfde lezers ... altijd weer over +dieven en politie en nachttafereelen... Als hij maar vrij was, geen +baantje van alle dag weer denzelfden sleur te moeten volgen ... dan +zou hij de wereld ingaan en de menschen en de natuur leeren kennen, +en dan zou-die over veel mooier dingen schrijven dan alleen maar +rechtszaken... + +Hij voelde, dat het zou komen ... later ... dat hij eerst nog moest +studeeren ... heel veel studeeren ... en dan ... het leven en de +wereld in ... het rijke, bruisende, groeiende bloeiende leven! + +In gedachten keek hij naar den zilveren beker. + +In den donkerrooden gloed scheen het spottend-lachende hoofd van +Bella uit het ding omhoog te rijzen.... + +Piet zag duidelijk de gitzwarte lach-oogen ... de roode lippen ... de +hagelwitte tanden ... ze lachte ... lachte om zijn gedachten. + +Piet wreef zich de oogen uit ... maar het was weg. + +Nijdig smeet hij een boek op den grond. + +"Loop naar de maan!" + + + +Den volgenden Zondagmorgen góót het! + +De regen stroomde in dikke stralen neer op de straten, het water in +de goten vormde snelstroomende rivieren. + +"Dat ziet er plezierig uit voor vandaag," mompelde Piet, toen hij de +gordijnen openschoof. + +Hij waschte en kleedde zich vlug en begaf zich naar de huiskamer, +waar knusse Zondagmorgen-gezelligheid heerschte. + +Zijn ouders wachtten hem aan de ontbijttafel. + +"Morgen ouwetjes," was Piets hartelijke begroeting. "Lekker weertje, +he? Daar zou een eend in verdrinken." + +"Morgen jongen, goed geslapen?" + +"Als een ijsbeer, Moeder. Is dat mijn thee?" + +"Ja, ga je gang." + +Moeder stapelde de versche krenten-boterhammen op, ging de eieren +uit den ketel halen. + +"Heb je dat gehoord van den hond van hiernaast?" vroeg Vader, een +kadetje met ham beleggend. + +"Neen Vader, wat is daarmee gebeurd?" + +"Wel, buurman's hond was gistermiddag weggeloopen en niemand had hem +sinds dien tijd gezien. Nou werd er vanmorgen om zeven gebeld en raad +eens, wie daar was?" + +"De hond," zei Piet. + +"Mis, de melkboer! Ha-ha-ha! daar loop je in, Piet, daar heb +ik je! Ha-ha-ha!!" lachte Vader en hij verslikte zich in zijn +thee. "Uche-uche ... ha-ha ... uche!!" + +"Kalm nou ... kalm nou ..." vermaande Moeder, die een aangeboren +angst voor verslikken had, en haastig toe kwam loopen om vader op +den rug te kloppen. + +Piet intusschen pelde een versch, warm eitje en zon op wraak. + +Hij vertelde van zijn ontmoeting met den heer Voorschoten en Bella +en verzuimde niet te beschrijven, welk een verbazend zwarte oogen +het meisje had. + +"Waar zoo'n jongen al niet naar kijkt," zei Moeder lachend. + +"Zulke domme dingen heb ik nooit gedaan," beweerde Vader, een kruimig, +knappend waterbroodje smerend. "Geef me nog een kop thee, Moeder." + +"Hoor me nou zoo'n man eens aan," zei Moeder. "Heb jij nooit naar +zwarte oogen gekeken, toen je zeventien ..." + +"Al goed, al goed," zei Vader en alle drie lachten hartelijk. + +"Wel," zei Piet een oogenblik later. "Dat zal me ook een heele stoet +wezen, als de Minister begraven wordt." + +"Is de Minister dan dood?" vroeg Vader verbaasd. + +"Heelemaal niet," zei Piet. "Ik zei: als de Minister begraven +wordt. Ha-ha!! daar heb ik je, vadertje ... nou doe ik de ha-ha-ha!" + +Moeder gierde het uit en Vader lachte maar mee. + +Zoo zaten de drie opgeruimde menschen in rustige tevredenheid bijeen: +de een gelukkig met den ander en allen gelukkig met elkaar. + +Meestal maakte Piet des Zondagsmorgens een wandeling, maar bij dit +weer was er natuurlijk geen sprake van. + +In zoo'n geval bleef hij altijd op zijn kamer, waar 't gezellig was. + +Dan las-ie een nieuwe roman of werkte aan een feuilleton voor de +krant. Dat laatste deed-ie graag. + +'t Waren meestal eenvoudige schetsjes, vroolijke brokjes stadsleven, +maar hij had een groote vaardigheid verkregen in het vertellen van +humoristische straattooneeltjes. + +En als er dan des Zaterdagsavonds zoo'n onderhoudend stukje +straatleven, onderteekend P. B. in de krant stond, glimlachten +de lezers al bij voorbaat, gingen eens extra op hun gemak zitten +en zeiden: + +"Ha, daar heb je 'r weer een." + +Dien heelen morgen bleef Piet lezen en toen het tegen den middag droog +werd en de hemel mooi opklaarde, maakte hij zich gereed om uit te gaan. + +De club speelde altijd Zondags op het terrein, maar Piet ging er +niet heen. + +Hij nam de tram en reed tot buiten de stad naar een groote +uitspanningsplaats, waar hij een boot huurde. + +Hij bleef een paar uren op het water en begaf zich tijdig naar huis, +teneinde zich te kleeden voor het diner bij den heer Voorschoten. + + + +De woning van den juwelier Herman Voorschoten was een der rijkste aan +den Westersingel. Piet schelde aan en een geluid als van een zwaren +gong klonk door het huis. + +Een zwart-en-wit-geuniformde dienstbode opende de deur en toen Piet +zijn kaartje overhandigde, werd hem medegedeeld, dat de familie hem +verwachtte in den tuin. + +Hij hing zijn hoed op en volgde het meisje. + +De hall was ruim en hoog, een paar hertegeweien versierden de wanden, +dikke tapijten bedekten den marmeren vloer en in den achtermuur was +een groot kerkraam met geschilderd glas gebouwd, dat een vreemd getint +licht naar binnen wierp. + +De tuin was zichtbaar door de openstaande deuren, een bosch van groen +en een ongekende weelde van rozen ... dat was alles, wat Piet zag +... groen en rozen ... rozen en groen. + +Een overweldigende rozengeur kwam hem in den tuin tegemoet. + +'t Dienstmeisje wees hem een pad aan, hetwelk hij volgde, maar hij +zag niemand. + +"Wel, wat heb ik nou aan mijn pet hangen?" mompelde Piet. "De familie +is in den tuin, zegt die zwart-jurk, maar ik ben een pepernoot als +ik er wat van zie." + +Hij sloeg een zijpaadje in. + +Aan het eind daarvan zag hij een dichtbegroeid prieel van klimrozen +... en midden in die rozen zat een meisje in 't wit ... witte kousen +... witte schoentjes net een wolk van witte tulle en satijn ... maar +met ravenzwarte haren en koolzwarte oogen. + +Ze scheen erg verdiept in 'n boek. + +Piet bleef staan. + +Dat was Bella ... maar waar was de rest van de familie? Had ze hem +niet hooren aankomen of deed ze maar alsóf? ... + +"Ahem," kuchte Piet. + +Nu keek ze op, sprong dadelijk overeind en kwam naar hem toe. + +"Oh ... is u het? Hoe gaat het? Ik had wel voetstappen gehoord, maar +ik dacht, dat Vader het was. Heeft u vader en moeder nog niet gezien?" + +"Neen, maar 't is zóó ook goed," zei Piet leuk. "Wat een heerlijke +rozentuin heeft u hier, en wat een prachtig prieel. Mag ik daar ook +eens inzitten?" + +"Wel waarom niet?" lachte Bella. + +De witgelakte tuinstoelen, opgevuld met kleurige kussens, noodden +wel tot een zitje uit. + +"Een heerlijk hoekje hier," vond Piet, en op 't boek wijzend, vroeg +hij: "Wat leest u daar?" + +"Sturmfels van Marie Boddaert. 't Is een snoes van een boek. Houdt +u van lezen?" + +"Schùw." + +"Wat zegt u?" + +"Heel veel. Ik lees alles, komt zoo bij m'n vak te pas, weet u?" + +"Is 't niet een vree-se-lijk interessant werk, dat van u?" + +"Wel, dat hangt er van af, zooals de man zei, die in een afgrond viel, +en nog gauw een tak greep." + +Bella schaterde. + +"Gunst, praat u altijd zoo grappig?" + +"Alleen, als m'n humeur op temperatuur is, Bel ... juffrouw ..." + +"U moogt wel Bella zeggen. Gisteren dacht ik, dat u verlegen was ..." + +"Verlegen ... ik? ... waarom?" + +"Omdat u stotterde, toen ik u aankeek ... Ha-ha ... willen we jij en +jou zeggen?" + +"In orde, overste... Zoo, stotterde ik? ... dat kwam ... door ..." + +"Wel?" + +"Nee ... dat zeg ik niet ..." + +"He ... hoe flauw." + +"Nou dan ... als je 't weten wilt ... Ik wil je heelemaal niet vleien +of complimentjes maken ... maar zulke zwarte oogen als jij hebt +... die moesten ze verbieden ... daar moest de politie naar kijken ..." + +"Je vergeet, dat jezelf zwart bent ... Kijk daar komen vader en +moeder aan." + +Arm in arm kwamen de heer en mevrouw Voorschoten aanwandelen. + +"Zoo Bella, heb je visite? Kijk, het is zoowaar onze gast," sprak de +heer Voorschoten op zeer hartelijken toon. "Welkom, jonge vriend! Dit +is onze held, meneer Bell, Emma." + +Mevrouw drukte Piet de hand. + +"Ik heb al zooveel goeds van u gehoord," sprak ze, "dat het mij een +groot genoegen is, kennis met u te maken." + +"Piet heeft me beleedigd ..." zei Bella op komisch-boozen toon. + +"Piet? ... maar Bella ... schaam je ... hoe durf je? ..." vroeg +mevrouw verontwaardigd. + +"O ... we jijen en jouen al ..." + +"Dat is vlug," lachte vader. "En waarin bestaat de beleediging?" + +"Wel, dit jongmensch heeft wat van m'n oogen te zeggen." + +Om zes uur ging men aan tafel. + +Op verzoek van mevrouw Voorschoten deed Piet na afloop van het diner +het verhaal van zijn avontuur. + +Ze zaten toen weer in den tuin, waar langzaam de avondschemer te +dalen begon. Sterk geurden de rozen... + +"Wil jij wat voor ons spelen, Bella?" vroeg haar vader. + +Bella verdween ... en weldra kwam door het violet van den vallenden +avond de rossige schijn van een piano-lamp. + +Het was stil in den tuin; 't leek wel, of alles wachtte... + +Dan klonken ... heel eenvoudig ... maar met gevoel gespeeld, de +charmeerende tonen van de "Millions d'Arlequin" naar buiten, deinend, +walsend gedragen op de rozengeuren ... + +En Piet zat stil en luisterde ... 't hoofd zachtjes meewiegend +... tata-tatatata tatatata ... + +Wat was de avond mooi en wat hoorde al dat moois hier toch bij elkaar +... die tuin ... die geuren ... die muziek ... en wat paste Bella +daar in! + +Na de "Millions d'Arlequin" volgden nog een paar stukjes ... Bella +speelde werkelijk heel fijn ... heel artistiek ... en Mendelssohn's +"Frülingslied" deed ze feestelijk uitjubelen. + +"'t Is prachtig," zei Piet. "Ik heb nooit geweten, dat piano-muziek +zóó mooi kon zijn." + +De heer Voorschoten bewees, een aangenaam prater te zijn en op zijn +beurt deed Piet dan weer een of ander verhaal, waarmede hij de anderen +gezellig onderhield. Intusschen draaiden de wijzers van de klok en +Piet meende, dat tien uur een mooie tijd was om afscheid te nemen. + +Hij moest beloven, dat dit niet zijn laatste bezoek zou zijn en hij +drukte allen hartelijk de hand met de belofte, spoedig weer te komen. + +Piet wandelde langzaam huiswaarts. + +Maar gedurende heel den terugweg rook hij rozen ... zag hij 'n +meisje in 't wit bij den rossen schijn van een pianolamp ... hoorde +hij voortdurend die deinende walsende melodie ... tata ... tatatata +... tatatata ... + + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +AANGENAME EN ONAANGENAME LOTGEVALLEN. + + +De Morgenpost had in den laatsten tijd veel goede diensten bewezen +aan arme ouden van dagen, die een jubileum te herdenken hadden, maar +geen geld bezaten, om het ook maar allerminst feestelijk te vieren. + +Wanneer bijvoorbeeld een zeer oud en zeer arm echtpaar zijn 50-jarig +huwelijk zou herdenken, deelde de Morgenpost dit reeds eenige weken +te voren mede aan weldadige stadgenooten, kennissen en buren. + +Wel, wanneer de groote dag dan aanbrak, kwamen van alle kanten der +stad de gaven en geschenken binnenstroomen, hadden buren de woning +en soms zelfs het straatje feestelijk versierd en was er aan eten, +drinken en snoeperij geen gebrek. En dan werd op zulk een dag ook +een der reporters van de courant naar de fuivende familie gezonden, +ten einde de vreugde nog te verhoogen door een officieel verslag van +de feestelijkheid. + +Die eer viel op zekeren dag te beurt aan ons Pietje. + +Het was een zeer oud, onaanzienlijk en vervallen straatje, waarheen +Piet dien middag zich begaf. + +Vanaf den ingang zag hij reeds, hoe vriendelijke buren het versierd +hadden met papieren slingers, bloemen en lampions. + +Zelfs een draaiorgel, met oranje en groene guirlandes behangen, +was voor dien dag afgehuurd en draaide zijn afgezaagde deunen +onophoudelijk af. + +Kinderen dansten op de maat der muziek en zelfs hadden eenige mannen +en vrouwen een dansje niet kunnen versmaden, zoodat er bijna heel +den dag in het armoe-straatje "bal-champêtre" was. + +Maar er is een zeker gedeelte onder het volk, dat een bruiloft of +welke andere feestviering dan ook, niet als compleet beschouwt, als +er niet een vechtpartij, of zelfs ook maar een flinke ruzie op het +programma voorkomt. + +Dit zou Piet vandaag ondervinden. + +Hij bekeek lachend de versierde woningen, vond het aardig, hoe +die brave buren zoo meehielpen, den feestvierenden oudjes een +onvergetelijken dag te bereiden. + +Maar het taaltje, dat die buurtgenooten gebruikten ... o semaaje!! + +"Mot je hier weese, meester?" + +"Jongen kaikeris watten faine ridder ..." + +"'t Laikt Piek & Clompenburg wel, Mie." + +"Mot je bai 't bruidspaar weese, meheer?" + +Piet zag zich spoedig door de steegbewoners omringd. + +Het draaiorgel jengelde zonder ophouden. + +Het was moeilijk, zich verstaanbaar te maken. + +"O heere-m'n-tijd, Kee!!!" gilde een schommelende vischvrouw, "hij komp +om een piereverschrikkertje!!! Lussie ook koekies, mooie kanebraaier?" + +"Zeg 'm maar," riep Kee van verre uit een raam, "dat-ie de zon in +z'n nek laat schijnen, dan krijgt-ie nog wat warms in z'n lijf." + +Piet, als altijd vatbaar voor humor, schoot in een lach en keek naar +de vriendelijke spreekster, die haar tong tegen hem uitstak en een +langen neus maakte. Toen vroeg hij: + +"En waar woont nu het bruidspaar?" + +"Linksom en je neus achterna, meheer." + +Piet wendde zich links en zag een versierde deur, waarop een hevig +verguld schild getimmerd was, dat te lezen gaf: + + + Hulde aan bRuiT en bRuiDegoM + + +Piet wreef eerst zijn oogen een paar malen uit, omdat hij dacht, +dat het Russisch was, maar ten slotte ontcijferde hij het toch. + +Een tienjarig meisje in een stijfgestreken jurkje, en met witte, veel +te groote handschoenen, die over de toppen der vingers neerhingen, +opende hem de deur en vroeg: + +"Mot u hier weese?" + +"Ik denk het wel," zei Piet. "Ik ben van de krant." + +Waarop het kind een paar stappen deed in de richting van de trap, +beide handen aan de mond zette, om het geraas van boven te overstemmen +en schreeuwde: + +"Oomè!!! ... Oome Hain!! ..." + +"Wel, wat mot-je?" klonk het minzaam van boven. + +"Oome ... hier is een man voor de krante ..." + +"Krante? Me hebbe geen ouwe krante ..." + +Piet deed een stap nader. + +"Ik ben van de Morgenpost," verklaarde hij. + +"O ... da's andere koffie ... 'k Doch dat je 'n krante-jood was." + +"Kom maar bove ... kee-je de trap zien?" + +"Dat gaat wel," zei Piet, op den tast in het donker naar de eerste +trede zoekend. + +"Nee," klonk het weer van boven, "daar is de trap niet ... dan mot-je +nog een beetje verder doorloopen..." + +"O..." zei Piet, die vrij dwaas in het donkere portaal met z'n +rechterbeen stond te zwaaien. + +Toen klom hij naar boven, waarbij een vettig touw hem als leuning +diende. + +Boven, waar het weer lichter was, zag hij een klein kamertje, versierd +met schreeuwend-helle kleuren, benauwd, vòl rook, vòl menschen ... + +Flesschen en glazen en kopjes op de tafel. + +Twee ouwetjes--beduusd door de ongewone herrie--stil in een +groengemaakt hoekje, waarboven alweer zoo'n schild prijkte, +vermoedelijk door denzelfden artist vervaardigd. + +"Kom d'r in, meheer," zei dezelfde stem, die hem aan de trap met +"krantejood" betiteld had. + +"Goeiemiddag," zei Piet, "en is dáár het bruidspaar?" + +"Ja, 't benne me grootvader en me grootmoeder, vijftig jaar +getrouwd. Hier vader, hij is van de krant." + +Dit laatste schreeuwde hij den ouden man toe, die zeer doof bleek te +zijn, en wees op Piet. + +Deze drukte de oudjes de hand en kreeg een stoel naast hen. + +Ze zeiden niets en keken maar naar de rumoerige familieleden, die +kris-kras door elkaar redeneerden en daarbij den inhoud der flesschen +in de glazen en daarna in hun monden lieten verdwijnen. + +De mannen zaten in hun hemdsmouwen en rookten zwarte sigaren, de +vrouwen bespraken familie-zaken en haalden de afwezigen over den hekel, +buiten jengelde het draaiorgel onvermoeid door en er doorheen huilde +een lastige zuigeling. + +"Een heele feestdag," zei Piet tot den ouden bruidegom, om maar wat +te zeggen. + +"Zoowat twee uur, denk ik," was het antwoord van den man, die het +natuurlijk niet verstaan had. + +"Ik zeg ... een heel féést ..." sprak Piet nu wat luider. + +"Zoo ... kom je van Weesp?" + +Piet gaf het op, bovendien werd zijn aandacht afgeleid door een der +Ooms, die al een merkwaardig aantal malen zijn glas gevuld en weer +geledigd had en met luider stem zijn meening over de familie zei. + +"Nou ... en jullie magge 't allemaal hoore ... ik ben van geen mens +bang ... Oom Tinus heit ze allemaal praatjes waisgemaak ... jullie +net zoo goed ... en z'n cente ... z'n cente heit-ie netjes zellef +gehouwe ..." + +"Wat weet jai nou van Oome Tinus z'n cente?" krijschte een tante, +met welgevallen haar glaasje uitlikkend. + +"Hou jai je d'r nou buiten, Knelia," suste haar buurvrouw. + +Maar de Oom sloeg op tafel, dat de glazen en kopjes ervan rinkelden. + +"Ik zeg ... asdat Tinus ..." + +"Nau ja, we weten dat jij en Tinus ... jij en Tinus .... dronke +benne ...?" + +"Zeg dat nog is," daagde Oom uit, "als je dat nog is zegt, zal 'k je +in me knuisten neme ..." + +"Drònke ... drònke," herhaalde de neef, "en dat zeggen wij hier +allemaal." + +PATS!!! ... kreeg de neef een haal om zijn ooren. + +Dat was het sein tot het hoofdnummer van het feestprogramma! + +Ieder nam deel aan het gevecht, de mannen sloegen op elkaar in, +de vrouwen bewerkten elkanders aangezichten met haarspelden. + +Het werd Piet een beetje al te geanimeerd en hij zette zijn hoed op +om te vertrekken. + +"Jij!" brulde een der gasten hem toe, "wat doe jij hier? Van de krant, +hè? Heb jij 't hart in je falie om ons weer 's in de krant te zette +... wáág het is ... dan sla 'k je hoed over je ooge ... kijk zóó!!" + +En bom!! daalde een krachtige vuist op Piets hoed neer, die hem tot +aan den neus over het hoofd zakte. + +Hoewel Piet absoluut niet bang was, den hardhandigen geweldenaar een +staaltje van zijn vechtkunst te toonen, vond hij het toch maar beter +te verdwijnen, omdat hij begreep, dat hij in minder dan geen tijd de +heele familie en de heele buurt tegen zich zou hebben. + +En Pietje bedankte ervoor, op zulk een jeugdigen leeftijd reeds +"gelijncht" te worden. + +Zonder een woord te zeggen, trok hij zich den hoed uit de oogen, +verliet de vechtende feestelingen en herademde eerst weer, toen hij +veilig en wel de hoofdstraat bereikt had ... + +In 't steegje klonk nog 't draaiorgel, dansten de buren en vocht de +familie, alles ter eere van bruidegom en bruid! + + + +Een paar weken later vond Piet zijn vader in bezorgde stemming. + +Vader Bell liep met groote stappen den winkel op en neer, en bleef +telkens nadenkend staan voor een groote partij doozen, netjes volgens +maat in de muurkast opgestapeld. + +Piet kwam fluitend den winkel in en bemerkte al gauw, dat er iets +met vader niet in den haak was. + +Hij ging naast hem staan, keek eens naar de rijen doozen en zei: + +"Dat zijn er heel wat!" + +"Tien vakken vol ... elk vak honderd paar ... duizend paar schoenen +en geen cent waard." + +"Geen cent waard?" + +"Wel, dit zijn ouderwetsche, grove schoenen, ... maar +ijzersterk. Moeten tien gulden kosten. Maar de menschen koopen +tegenwoordig dit soort schoenen niet meer ... ze willen fijne schoenen +hebben, lakpunten, knoopen, gummihakken en zolen ... Heb ik ook, +meer dan genoeg .... maar hoe kom ik van die oude partij af?" + +Piet opende een der doozen en bekeek het stevige schoeisel. + +"Ziet er sterk en solide uit," meende hij. + +Toen zette hij zich op een stoel neer en dacht na. + +"Weet jij er soms wat op?" vroeg Vader. + +"Misschien, op 't oogenblik nog niet." + +Al maar keek Pietje naar die duizend doozen. Gedurende zijn werken +aan de Morgenpost was hij vaak met handelslui in aanraking gekomen, +had veel geleerd omtrent zakendoen. + +Aan vader had hij al lang geleden bewezen, dat geregeld adverteeren in +de courant steeds nieuwe klanten aanbrengt en hij begreep, dat er ook +een middel moest zijn, om Vader van deze partij schoenen af te helpen. + +"Wel vader," zei Piet, "ik moet nu naar het bureau, maar ik zal er +goed over denken." + +Op den weg naar het kantoor passeerde Pietje verscheidene +schoenwinkels, maar geen ervan deed iets bijzonders. + +En toen schoot Piet opeens een verhaal te binnen, dat Flip hem +verteld had. + +Het was gebeurd in Flips sigarenwinkel. + +Daar was op zekeren dag een heer binnengekomen met de vraag naar +goede Manilla sigaren. + +Flip gaf hem de beste, die er maar te krijgen waren, merk: Bouquet. + +De klant nam een kistje mee op proef, maar bracht het den volgenden +dag weer terug met de boodschap, dat ze niet naar genoegen waren en +hij betere verlangde. + +"Best meneer," had Flip gezegd, het kistje weer aannemend. Maar Flip +had geen betere, en wist, dat er ook geen betere te koop waren. En +daarop had hij dezelfde sigaren in een nieuw kistje gedaan en ze +heetten nu: Perfectos. + +Toen de klant dit kistje mee naar huis genomen had, kwam hij denzelfden +dag nog zeggen, dat deze Manilla's veel beter waren en bijzonder naar +zijn genoegen. + +Piet dacht, als dat met sigaren gebeurd is, kan het ook wel met +schoenen. + +En op het verhaal van Flip baseerde hij zijn plan. + +Wat drommel, daar had zijn vader duizend paar schoenen, niet bijzonder +fraai en fijn, dat is waar, maar ijzersterk en mooi genoeg voor +de werkdagen! + +En wat je de menschen voorzei, dat zeien ze na, vooral wanneer het +in de krant stond. + +De krant!!... een idee!! + +Al zoovele malen had hij verslag gegeven van de opening eener nieuwe +zaak, van het aan de markt brengen van een nieuw artikel. + +Een nieuw artikel! + +Dáár had je 't. + +Vaders duizend schoenen waren het nieuwe artikel. Wel, veel erger, +ze waren een nieuwe uitvinding! + +Een nieuw soort leer... NIJLPAARDEN leer!!!!! + +Pas uitgevonden... Als dat niet werkte!!! + +Piet verhaastte zijn schreden en op het kantoor aangekomen, meldde +hij zich bij den directeur. + +"Wel, jonge vriend, wat kan ik voor u doen?" was de vriendelijke +begroeting. + +"Mijnheer," begon hij, "mijn vader heeft een zeer belangrijke +uitvinding gedaan. Een uitvinding, die een geheele omwenteling teweeg +zal brengen op het gebied der schoen-industrie." + +"Komaan, en waarin bestaat dat?" + +"Wel meneer, verleden jaar bracht een kennis van vader, die op de +Middellandsche Zee vaart, de huid van een nijlpaard mee en gaf die +aan ons cadeau. + +"Eerst liet vader het ding aan een spijker hangen, maar later kwam +hij op de gedachte de huid te looien en als leer te bewerken." + +"Ja... en toen?" + +"Het leer viel een beetje grof uit, maar door herhaalde bewerkingen +slaagde mijn vader er in, het zacht en buigzaam te maken en ten slotte +maakte hij er een paar schoenen van, zoo sterk, dat ze maanden gedragen +kunnen worden." + +"Wel, die uitvinding is goud waard!" + +"Goud meneer? Diamant, radium! Toen heeft Vader driehonderd nijlpaarden +laten vangen en villen en uit die driehonderd huiden heeft hij precies +duizend schoenen gemaakt. Ze zijn een wonder! + +"Wel, wel," lachte de heer Peters. "Wat kan jij ze vertellen! Maar +wat wou u nu eigenlijk? Mij 'n paar ervan verkoopen?" + +"O, u kunt er zooveel van koopen, als u maar wilt. Maar dat bedoel +ik nu niet." + +"Wat dan?" + +"Och, vader adverteert geregeld in de Morgenpost en nu wou ik een +stukje in de kolommen zetten." + +"Wel, daar is niets tegen ... ga je gang ... Bell." + +Daar was het Piet alleen om te doen en na den directeur bedankt te +hebben, verliet hij het vertrek. + +Dien avond luidde de advertentie van vader Bell aldus: + + + GROOTE UITVINDING + op het gebied der + SCHOEN-INDUSTRIE. + Machinaal bewerkt NIJLPAARDEN-LEER + De STERKSTE schoen ter wereld. + + Alleen Zaterdag a. s.--Verkoop begint twaalf uur v.m. + 10 gulden--10 gulden--10 gulden--10 gulden + Alle maten voorhanden.--Let wel.--Alleen Zaterdag. + + P. BELL'S SCHOENENMAGAZIJN + + Heerenstraat 234 + + +En onder de rubriek stadsnieuws schreef Piet een zeer uitgebreid en +fantastisch verhaal over vaders uitvinding en de nijlpaarden. + +Dat was Donderdag-avond. + +Den volgenden dag kwamen al een paar concurrenten-schoenhandelaars +bij vader Bell informeeren naar de nieuwe uitvinding, maar vader zei +niet veel, alleen, dat hij 't nog geheim moest houden. + +Pietje kwam Vrijdags thuis met een pak etiketten, waarop met groote +letters in rood en zwart gedrukt was: + + + DE STERKSTE SCHOEN TER WERELD. + + N. P. Leer.--Tien gulden. + + +Vrijdagavond ging er een extra groote advertentie in de krant, waar +Piet weer al zijn vernuft aan besteed had. + +Des Zaterdagsmorgens 10 uur stond er al een rij klanten buiten de +deur te wachten en die rij groeide gestadig aan. + +Om kwart voor twaalf was er geen houden meer aan en Vader telefoneerde +naar het Politie-bureau om een paar agenten, teneinde de orde te +bewaren. + +Een der koopers, een jonge man, die zag, dat Vader en Moeder Bell de +drukte alleen niet aankonden, bood zijn diensten voor dien dag aan, +hetgeen maar al te gaarne aanvaard werd. + +Er was geen tijd tot eten ... het eene paar schoenen vloog na het +andere ... ieder wilde een stel nijlpaarden-schoenen hebben ... en +heel den dag hield de stroom van koopers aan. + +En toen vader dienzelfden Zaterdag-avond den winkel om 12 uur sloot, +was er van de duizend paar schoenen niet één over. + +Zoo'n dag had hij nog nooit meegemaakt ... + + + +"Wel vader," vroeg Piet, "heeft mijn plan gewerkt?" + +"Jongen, je idee was Amerikaansch ... maar ... zie je ... ik heb nog +nooit van mijn leven zaken gedaan op die manier ... want ... zie je +... het is toch eigenlijk géén nijlpaardenleer ..." + +"Wat doet dat er toe? Zijn 't geen bèste schoenen?" + +"O ja, puikbest ... beter dan menig andere ..." + +"Dus in ieder geval hebben de menschen beste waar voor hun geld, +nietwaar?" + +"Zeker, jongen." + +"Wel wat doet de naam er dan toe? Olifanten, konijnen, nijlpaarden +of spinnekoppenleer ... als 't maar sterk en goed is!" + +"En dát is het, Piet." + + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +PIET HELPT ZIJN VRIEND JACOB UIT EEN LEELIJK GEVAL. + + +Piet mocht soms zoo graag op zijn kamer zitten en zijn gedachten +laten gaan. + +Heel vaak kon hij--ondanks zijn ingeboren vroolijkheid--ernstig aan +zijn schrijftafel zitten, zijn werk maar voor een poosje laten liggen +en niets anders doen dan droomen, droomen ... + +Of wel hij wandelde tot buiten de stad en liet zich dan aan den kant +van het water in het gras neer. + +Dan luisterde hij naar het zacht-ruischende riet en staarde in de +blauwe lucht waarin heel, héél hoog een leeuwerik jubelend opsteeg. + +In zulke oogenblikken van eenzaamheid in de rustige natuur kon Piet +soms zoo haken en snakken naar vrijheid. + +Daarmee bedoelde hij geen lui, ledig, werkeloos leven ... verre +van dat! + +Maar hij wilde onafhankelijk zijn, niet alle dagen weer datzelfde +lijntje volgen van gisteren en eergisteren. + +Hij wilde werkend het leven en de wereld zien ... hij kon zich niet +tevreden stellen met ergens een vaste betrekking met een vast weekloon +en vaste vrienden en een vast adres. + +O ... dat vaste!! + +Neen, hij wilde de menschen over de heele wereld leeren kennen en +dan vertellen van hun leven, hun daden, hun gedachten ... + +Ja, het was alles wel goed en mooi hier ... zijn brave liefhebbende +ouders ... zijn beste vrienden ... heel die Vroolijke Bende... zijn +werk aan de courant... o ja maar er was zoo'n stil verlangen in hem +om deel te nemen aan de gróóte dingen in het leven ... en te reizen +... en vreemde landen te zien.... + +En de leden van de club nu--och, het waren allemaal beste, brave +luidjes hoor, maar och heden, zoo vreeselijk oppervlakkig en gewoontjes +... alleen Jacob Mantel kon wel eens ernstig praten en Harry ook +wel ... maar de meeste anderen waren toch niet meer dan fladderende +vlinders, alleen uit op pretmaken en aangenaam den tijd passeeren ... + +Wel, Pietje zelf kon daaraan meedoen ... en niet zoo'n beetje ... maar +daarmee kon je toch je leven niet heelemaal vullen en een jongen had +toch een levensdoel, nietwaar? En idealen, nietwaar? + +En dan kon Piet droomen, droomen van zijn toekomstig leven ... een +leven vol van afwisseling.... + +Geen kalm, recht lijntje van altijd weer dezelfde kleine levensdingen +... maar een bruisende vloed van krachtige golven ... een leven +met alles wat het leven geven kan ... vreugd en leed, genietingen +en ontberingen, lachen en tranen en dan ... door worstelen tot +overwinnen!! + +Dan zou hij één vriend willen hebben ... één trouwen makker, die alles +met hem zou meemaken en met wien hij kon meeleven ... die ook wilde, +wat hij wou. + +Van zulke gedachten was Piet ook weer op zekeren avond vervuld, +toen hij--laat nog--een brief naar de post ging brengen. + +Het was guur najaarsweer en het had al dagenlang geregend, zoodat de +straten er modderig uitzagen. + +Gedoken in de kraag van zijn jas, huiverend in den killen wind na de +gezellige warmte van zijn kamer, haastte Piet zich voort. + +Hij had juist den brief in de bus gedaan en den terugweg ingeslagen, +toen hij zich op den schouder voelde tikken en een vreemde man +hem vroeg: + +"Is u Mr. Bell?" + +Piet knikte en wilde juist wat vragen, toen de vreemdeling hem een +papiertje in de hand duwde en haastig verdween. + +Eerst wilde Piet den man naloopen, maar deze was zoo spoedig uit +zijn oog verdwenen, dat hij die gedachte liet varen en het papier +openvouwde: + + + Beste Vriend! + + Ik zit in grooten nood. Help mij! Kom dadelijk per stoomtram naar + Westdijke, Sanatorium. Schel niet aan. Fluit aan den achterkant + van 't gebouw. Daar zal ik alles uitleggen. Kom vlug. + + Jacob Mantel. + + +Nu verbaasde Piet zich niet gauw over iets, maar dit leek toch wel +een beetje al te kras! + +Zou het een grap wezen? + +Het leek wel iets van een dubbeltjes-roman. + +Maar ... het mòcht eens wáár zijn ... géén grap ... géén +dubbeltjes-roman, maar werkelijke ernst ... + +Pietje dacht even na ... Jacob in het Sanatorium te Westdijke? Wel, +dat was een soort van krankzinnigen-gesticht ... Wat ter wereld had +Jacob dáárheen gevoerd? + +Met het briefje in de hand stond Piet onder het licht van een +straatlantaarn. De regen begon met hernieuwde kracht te vallen ... + +Hij stak het papiertje bij zich en keek op zijn horloge. + +Bij tienen. + +Om elf uur ging de laatste stoomtram en die kon hij gemakkelijk halen. + +Toen liep hij nog even langs zijn huis, waar Vader juist den winkel +sloot. + +Piet vertelde hem, dat het wel laat zou zijn, voor hij terug kwam, +en Vader nam daar genoegen mee, overtuigd, dat Piet een goede reden +had en niet voor plezier uitging in dit weer. + +In ruim een uur bracht de stoomtram Piet te Westdijke, een klein vlek +op een der Zuid-Hollandsche eilanden. + +Piet was de eenige, die aan het open, verlaten station afstapte. + +Het was trouwens niet meer dan een halte, een overdekt perronnetje, +door één klaaglijke olielamp verlicht. + +De wind gierde door de telegraafdraden ... de rossige wolken joegen +door het luchtruim en de kille regen daalde gestadig neer ... + +"Brrrr ..." rilde Piet, "dat ziet er hier ook gezellig uit ... En +wat een donker gat is het hier ... Heelemaal geen lantaarns!" + +Wel, er waren lantaarns langs den weg, maar de wind had ze al lang +uitgewaaid. Maar dat kwam er niet op aan ook, want de bewoners van +het gehucht waren allemaal te bed en wie had er nu nog lantaarns op +den weg noodig? + +Ondertusschen stond Piet mooi in 't donker en wist niet eens, welken +weg hij moest inslaan naar het Sanatorium. + +Bovendien maakte opnieuw de gedachte zich van hem meester, dat het tóch +misschien maar een grap was ... om hem eens een poets te spelen ... + +Maar neen ... dat was niets voor Jacob ... Flip zou wellicht zooiets +doen ... Jacob niet ... die was daar heelemaal de jongen niet naar. + +Vergeefs poogde hij met zijn oogen de duisternis te doordringen, +toen hij opeens voetstappen hoorde. + +Klompen deden het grint kraken en vanuit het donker kwam de gedaante +van een man te voorschijn. + +Hij nam den lantaarn uit het wachthuisje--er kwam geen tram meer voor +den volgenden morgen--en ging er weer mee terug. + +Piet, die door den man niet opgemerkt was, riep hem aan: + +"Hallo daar ... Goeien avond!" + +De man schrikte zoo hevig van dat plotselinge geroep in het +middernachtelijk uur, dat hij aan geesten dacht en het op een loopen +zette. + +Maar dat was heelemaal Piet's bedoeling niet en omdat hij in dien +man zijn eenige redding zag, liep hij hem na. + +Doch dat deed den vluchteling eerst recht op hol slaan en Piet zag, +hoe de man op korten afstand een tamelijk groot gebouw binnen rende. + +"Bepaald een groote boerderij," dacht Piet. + +Maar dat had hij mis. + +Het bedoelde gebouw was het Sanatorium, waar de wisselwachter van de +stoomtram des avonds den nachtportier van die inrichting gezelschap +hield en een partijtje kaart met hem speelde. + +Ontsteld kwam hij de portiers-kamer binnenhollen. + +"Blaarveld ..." riep hij, en zakte, naar adem snakkend, op een stoel +... "Op de baan ... geesten ... één liep mij na ... waarachtig!!!" + +"Weet je 't zeker?" vroeg de portier, die veel over geesten gelezen +had en niet tot de dappersten behoorde. + +"Beslist man ... beslist ... Hallo daar ... zei die ... en nog +wat... Sluit asjeblieft de deur..." + +De portier was lang niet op zijn gemak ... je zat hier in een +krankzinnigen-gesticht en daar kon je juist zóóiets verwachten ... + +Beide mannen zaten bevend en zwijgend bijeen en luisterden naar +'t huilen van den wind. + +"Ik ga ... nog niet ... naar huis ..." zuchtte de baanwachter, +"ik blijf je nog wat gezelschap houden." + +"Ja, dat is wel goed," antwoordde de portier met een zucht van +verlichting. + +Intusschen had Piet, wat langzamer, den weg gevolgd en ontdekte, +dat hij niet een boerderij, maar een veel grooter gebouw voor zich had. + +Flauw schemerde een wit bord aan den ingang, maar het was onmogelijk, +iets erop te lezen in deze ondoordringbare duisternis. + +Slechts één raam was verlicht, dat van de portierskamer. + +Piet probeerde een lucifer aan te strijken, dichtbij het bord. + +Maar pas bij de zesde las hij een brokstuk: Sana ... + +"Wel," dacht Piet, "dat is meer geluk dan wijsheid. Hier is dus het +Sanatorium! Nu probeeren, om ongemerkt aan den achterkant te komen ..." + +Hij sloop over het bruggetje, dat naar den ingang leidde en liep +voetje voor voetje, telkens wachtend en luisterend, langs den zijkant +van het gebouw. + +Het gieren van den wind en het kletteren van den regen zorgden er +wel voor, dat er van zijn bewegingen niets gehoord werd. + +Aan den achterkant nam hij, voor zooverre hij het in den nacht +onderscheiden kon, het huis eens op. + +Het had twee verdiepingen ... langs den muur liep een ijzeren +brandladder. + +Piet floot het signaal van de club en herhaalde dat eenige malen. + +"Stil ... hoorde je dat?" vroeg de baanwachter. + +"Neen ... 't is de wind," zei de portier, die ook beefde. + +Aan de achterzijde zag Piet, hoe voor een der ramen iets wits heen +en weer gezwaaid werd. + +De ijzeren brandladder liep langs dat raam. + +Vlug klom Piet er tegen op en zag spoedig, hoe iemand achter het +raam een handdoek zwaaide, hoewel hij het gezicht van den persoon +niet kon onderscheiden. + +Maar toen de ander zijn gelaat tegen het glas drukte, zag hij het toch, +hoewel onduidelijk. + +Het was inderdaad Jacob Mantel. + +Luid spreken was natuurlijk onmogelijk en zou dra de bewakers gewekt +hebben. + +"Als ik maar eerst bij hem ben," dacht Piet, "dan zal ik er wel meer +van hooren." + +Maar het groote venster was van stevige sloten voorzien, en hoewel +er geen tralies voor waren, was het niet mogelijk, het zonder sleutel +te openen. + +Piet trachtte door gebaren Jacob instructies te geven, maar dat +was niet eens noodig, aangezien Jacob de zaak al lang en breed +uitgedacht had. + +Hij nam een deken van zijn bed en drukte die tegen een der groote +ruiten van het venster aan. + +Daarop gebaarde hij Piet, de ruit in te duwen. + +Pietje kende dergelijke kunstjes vanuit de rechtszaal. + +Hij trok zijn jas uit, rolde die op en drukte langzaam steeds sterker +en sterker tegen het glas, dat het met een scherpen knars afknapte. + +'t Geluid ging in den wind verloren. + +Jacob ving geluidloos de stukken in den deken op, terwijl Piet de +overige brokken uit de sponningen trok. + +Dat alles gebeurde zonder spreken. + +Toen klom Piet met eenige moeite naar binnen en zette zich bij Jacob +op het bed neer. + +Deze legde den vinger op den mond en luisterde. + +Maar alles bleef stil. + +"Piet," fluisterde Jacob dicht aan het oor van zijn vriend, "laten we +heel, héél zacht spreken. Ik moet hier vandaan ... zoo gauw mogelijk +... Ik zal je later alles verklaren ... alles vertellen ... Maar ik +moet hier weg ... Het ergste is, ik heb hier geen kleeren ... die +hebben ze mij ontnomen ..." + +"Maar ..." + +Snel legde Jacob zijn hand op Piets mond. + +Voetstappen naderden in de corridor. + +"Vlug ... kruip weg ... de nachtronde ..." + +Jacob rolde zich in zijn bed en hield zich slapende, terwijl Piet +zich stijf tegen den muur drukte, naast de deur. + +De voetstappen hielden stil ... een luikje werd geopend in de deur +en de electrische stralenbundel van een zaklantaarn viel op Jacob's +gezicht. + +'t Licht verdween weer ... 't luikje klapte dicht ... de voetstappen +gingen weer verderop. + +Piet en Jacob wachtten nog even, tot het geluid der voetstappen +verstorven was. + +"Luister," zei Piet zachtjes, toen Jacob weer uit het bed gekomen +was. "Trek zoolang mijn overjas aan, ik zal om ieder been van je een +laken winden, bij wijze van schoen, snap je?" + +Jacob liet zich door Piet bekleeden en daarop deed deze hem zijn +eigen overjas aan. + +Geluidloos kropen ze door de opening van het venster en daalden de +brandladder af. + + + +Ruim tien minuten lang liepen ze zwijgend langs de trambaan, toen ze +aan een andere halte kwamen, waar een wachtershuisje stond. + +Beiden hadden het erg koud en waren doornat. + +Piet bemerkte tot zijn groote vreugde, dat de deur van het huisje +niet eens gesloten was. + +Ze traden er voorzichtig binnen. + +De baanwachter was natuurlijk al lang naar bed en had zijn kacheltje +met kolen opgeladen, om de warmte in het wachthuisje te bewaren. + +Piet stookte het vuur wat op, dat dra begon te snorren en bij die +warmte droogden ze hunne doorweekte kleeren. + +"En hier hangt me zoowaar een baanwerkerspak aan den muur," zei +Piet. "Trek het aan, Jacob, ik zal wel wat geld hier neerleggen voor +den eigenaar, hoewel het heele stelletje geen twee kwartjes waard is." + +"Het is mij wel honderd gulden waard," zuchtte Jacob. "Wil je mij +mee naar je huis nemen, Piet?" + +"Natuurlijk," zei Piet, "maar vertel me nu eerst eens, hoe jij in +dien gekkenboel verzeild geraakt bent! Toen ik je briefje kreeg, +dacht ik eerst, dat het veel leek op een dubbeltjes-roman, en toen +weer, dat het een mop van je was, maar nou begin ik toch weer sterk +aan den dubbeltjes-roman te denken." + +"Wel, het lijkt er een beetje op," zei Jacob. "Men zou niet denken, +dat in ons landje in deze beschaafde wereld, zulke dingen konden +gebeuren, maar ik zal je bewijzen, dat het nog wèl kan." + +"Best, maar kleed je eerst in dit werkpak, dan kunnen we onder 't +loopen wel praten." + +Buiten gierde de wind, maar de regen verminderde gaandeweg. + +Jacob had de lakens ineengerold onder den arm en zonder verder +tijdverlies verlieten de jongelieden het wachthuisje. + +"Je moet dan weten," begon Jacob, terwijl ze de trambaan volgden, +"dat ik een Grootvader heb, die zóó gelukkig is geweest in den handel +in Javasuiker, dat hij schatten op schatten gestapeld heeft en wel +millionair zal zijn. Nu heb ik het ongeluk, zijn erfgenaam te zijn en +zijn naamgenoot, dus wanneer Grootvader sterft, erf ik het grootste +deel van zijn eigendommen." + +Een andere zoon van Grootvader, mijn vaders broer, heeft zich vroeger +aan bedrog schuldig gemaakt en werd onterfd. + +Dat is mijn Oom Karel. + +Die Oom Karel heeft zich later met Grootvader in zooverre verzoend, +dat, als ik niet instaat ben, de erfenis te aanvaarden, deze zal +overgaan op Oom Karels kinderen. + +Wel, Grootvader is ernstig ziek geworden en zal waarschijnlijk wel +sterven, en toen heeft Oom Karel de familie-raad bijeen geroepen +en mij geestelijk ziek verklaard. Ik denk, dat hij aan alle tantes, +neven en nichten aanzienlijke geldsommen beloofd heeft, want plotseling +verklaarden allen mij voor ontoerekenbaar en ze hebben mij eergisteren, +zonder er ook maar één dokter bij geraadpleegd te hebben, naar het +Sanatorium gebracht. Ik denk, dat het in Oom Karels plan lag, mij +hiervandaan stilletjes naar een afgelegen oord in het buitenland +te transporteeren, alleen maar om zich meester te maken van die +erfenis. De man, die jou het briefje gaf, was een ontslagen patient, +die meelij met mij had en je het papiertje zou geven, zonder dat +iemand het bemerkte. + +En nu weet je dus, hoe ik in die inrichting kwam. + +"Maar ik weet zeker," zei Piet, "dat niemand in zulk een inrichting +opgenomen kan worden zonder een verklaring van een dokter." + +"Wel, iemand als mijn oom Karel deinst voor niets terug. + +"Hij had de verklaring zelf opgesteld onder den naam van een zekeren +dokter Moolerheide, die natuurlijk heelemaal niet bestaat." + +"Dat wordt een groote rechtszaak," zei Piet. "Als je wilt, gaat je +oom met de familie achter de tralies!" + +"Niets daarvan," zei Jacob. "Ik zal je later wel vertellen, wat mijn +verdere plannen zijn." + +Na ruim drie uren geloopen te hebben, hadden zij de stad weer bereikt +en waren spoedig daarna bij Piets woning aangekomen. + + + +Piets ouders waren niet weinig verbaasd, toen hun zoon den volgenden +morgen een slaapkameraad meebracht aan de ontbijttafel. + +Maar Jacob verklaarde met een paar algemeene en weinigzeggende woorden, +dat hij "onaangenaamheden" met zijn familie had gehad en daarvoor +Piets gastvrijheid had ingeroepen. + +Jacob vertrouwde Piets ouders natuurlijk wel, maar wenschte voorloopig +in het geheel niet over de zaak te spreken, daar zou later altijd +gelegenheid voor zijn. Uit bescheidenheid drongen Vader en Moeder +Bell dan ook niet op verdere uitlegging van het geval aan. + +Ze vertrouwden Piet ten volle en later zou deze wel alles verklaren. + +Zoo werd het dan afgesproken, dat Jacob voor enkele dagen hun gast +zou zijn. + +"Zeg, Piet," vroeg Jacob hem, "weet jij niet op een handige manier +aan wat kleeren en ondergoed van mij te komen?" + +"Waar is dat?" + +"Wel, op mijn kamer in Oom Karels huis. Je bent er immers laatst +nog geweest?" + +"O zeker, dan weet ik er alles van. Hoe laat komt je Oom gewoonlijk +thuis?" + +"Zes uur 's avonds. Maar mijn neef en nicht, Gerrit en Lucie, zijn +meestal om vijf uur al binnen." + +"Best ... ik zal wel een maniertje verzinnen. Hebben jullie datzelfde +dienstmeisje nog, die zeven kanten tegelijk uitkijkt?" + +"Bertha ... ja, die is er nog." + +"Mooi, vanavond heb jij je kleeren." + +Dien middag belde Pietje bij Jacobs vroegere woning aan. + +Het dienstmeisje, dat "zeven kanten tegelijk uit keek", deed de +deur open. + +"Dag Bertha," groette Piet vriendelijk. + +"Dag meneer Bell," sprak Bertha met slissende tong, "meneer Jacob is +uit de stad." + +"Dat weet ik," zei Piet snel, "en hij stuurt mij hierheen, om wat +kleeren en ondergoed te halen, want hij heeft daarvan niet genoeg +bij zich. Jacob heeft mij gevraagd, dat voor hem in te pakken en op +te zenden." + +"O, dat is heel goed," zei Bertha, die klaarblijkelijk van de heele +zaak niets wist en werkelijk in den waan verkeerde, dat Jacob "uit +de stad" was. + +Piet begaf zich naar boven, had in tien minuten Jacobs koffer gepakt +en was er spoedig mee verdwenen. + +Maar dienzelfden avond kreeg Pietje bezoek van Jacobs Oom. + +Hij was zeer deftig gekleed en vroeg aan Vader Bell, of Jacob daar +ook was. + +Vader zei, dat hij eens zou gaan zien, maar ging natuurlijk de jongelui +waarschuwen. Piet kwam met Vader naar beneden en deed zeer vriendelijk. + +"U is Jacobs vriend?" vroeg de bezoeker scherp. + +"Dat ben ik," zei Piet welgemeend. + +"En u heeft dezen middag zijn koffer met kleeren weggehaald?" + +"Dat heb ik," zei Piet met 'n lichte buiging. + +"Wie gaf u daar het recht toe?" + +"Het recht? Dat weet ik niet. Ik deed het op Jacobs verzoek."--"Op +Jacobs verzoek? Is hij dan hier?" + +Piet schudde het hoofd, had er schik in, den intriganten oom om den +tuin te leiden. + +"Hier geweest," zei hij. "Een uur geleden vertrokken naar Amsterdam." + +"Hoe laat kwam hij dezen morgen hier?" + +"Ongeveer tien uur ... en hij had een inspecteur van politie bij zich." + +Oom Karel werd wit. + +"Wat ... wat vertelde Jacob u?" vroeg hij. + +"Zeer weinig," zei Piet. "Alleen meende ik hem te hooren zeggen, +dat hij een schurk achter de tralies ging zetten ..." + +De bezoeker voelde zich lang niet op zijn gemak en dacht even na. + +De jongen was dus naar Amsterdam ... bepaald de familie daar gaan +opzoeken, maar die waren ook in 't spel. Ze zouden dus Jacob wel +vasthouden en daarom zou het maar het beste zijn, dat hijzelf er alvast +heen ging, om den lastigen jongeling weer terug te brengen. Maar als +Jacob de politie erin had gehaald, stond de zaak leelijk. + +Zonder verder een woord te zeggen, draaide Oom Karel zich om en +verliet den winkel. + +Piet ging weer naar boven, waar zijn vriend hem in angstige spanning +wachtte. + +"Wel, wat zei hij?" + +"Ha-ha-ha," lachte Piet. "Die is voorloopig je spoor kwijt. Ik vertelde +hem, dat je vanmorgen hier gekomen was met een inspecteur van politie +en toen werd hij zoo wit als een ijsbeer ... en ook heb ik maar gezegd, +dat je naar Amsterdam was gegaan ..." + +"Je hebt me zoo prachtig in deze zaak geholpen, Piet, dat ik je er +mijn leven lang dankbaar voor blijf." + +Jacobs lippen trilden en zijn mondhoeken trokken zenuwachtig. + +"Dat ellendige ... vervloekte geld ..." vervolgde hij met bevende stem +... "wat maal ik er om ... waarom laten ze mij niet met rust? ... laten +zij hun centen houden ... ik ben gelukkig met m'n boeken ... met m'n +werk ..." + +Hier barstte Jacob eerst recht in snikken uit; hij had de laatste dagen +ook zooveel verschrikkelijks doorleefd zònder een klacht te uiten +of een traan te laten ... maar nu kwam het los ... het opgekropte, +het ingehouden verdriet over het groote onrecht, hem aangedaan ... + +Piet begreep het gevoelen van Jacob ten volle en liet hem stil begaan. + +Hij legde zijn hand op Jacobs schouder en zei: + +"Kom, ouwe jongen, laat jij oom Karel en zijn heele kliek naar de +maan loopen. Als ik jou was, keek ik ze nooit weer aan en zocht mijn +eigen weg. Je hebt je kleeren en je hebben en houwen in je koffertje +... de wereld ligt voor je open ... het eenige, wat je te doen hebt, +is te werken ..." + +Jacob glimlachte zoowaar weer. + +"Piet, wat zou jij dan doen ... ik bedoel ... waarheen? ..." + +"O lala ... China ... Japan ... Lutjebroek ... Amerika ... doet er +niet toe. Overal wordt brood gebakken. Maar hier moet je vandaan +... zoo gauw mogelijk. De oudelui en ik zullen je wel helpen." + +"Beste kerel, hoe kan ik je ooit danken?" + +"Door mij altijd 'n brief of 'n kaart te sturen." + +"Is dat alles?" + +"Door steeds m'n vriend te willen zijn." + +"Graag, Piet, graag." + +"Uitstekend, afgesproken ... En nou haal je je asjeblieft geen +onnoodige zorg of angst in je hoofd, terwijl ik weg ben--want ik moet +alweer naar m'n redactie-bureau--en je amuseert je maar met m'n boeken, +d'r staan er genoeg." + + + +Een week later was Jacob, de erfgenaam van een millioen, aangenomen +als bediende op een Amerikaansche boot. + +Het afscheid tusschen hem en Piet was hartelijk. + +Jacob beloofde, voortdurend Piet op de hoogte te houden. + +"Want," had Piet gezegd, "terwijl jij in veiligheid bent, Jacob, +zullen Vader en ik een oogje in 't zeil houden, je begrijpt me, he?" + + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE IJSCLUB EN DE SOIRÉE VAN DE VROOLIJKE BENDE. + + +De winter, die tot half Januari het menschdom vergast had op de eene +regenbui na de andere, soms afgewisseld met wat natte sneeuw, begon +zich op den zestienden van een anderen kant te laten zien. + +Den avond te voren waren de straten nog nat en modderig van de +aanhoudende regens, maar des nachts draaide de wind naar het noorden en +begon het opeens zoo sterk te vriezen, dat de straten weldra ijsbanen +leken en het verkeer groote moeilijkheden opleverde. + +Het was Zaterdag en dus wat drukker dan gewoonlijk, wat nog meer +verwarring gaf. + +Het was zoo glad, dat Piet--die bovendien zich dien morgen nog +verslapen had en zeer gehaast was--twee stappen achteruit gleed als +hij er één voorwaarts deed. + +Hij draaide zich dus om en liep weer naar huis en bereikte op die +manier de Morgenpost-bureaux. + +Een paar dagen vroor het buitengewoon en Piet vertelde aan zijn ouders, +dat het zoo koud was, dat de ijskegels aan zijn vulpenhouder hingen, +als hij er mee schrijven wou. + +Het duurde dan ook niet lang, of de groote plassen buiten de stad +openden hun ijsbanen en weldra wapperde de driekleur van de vele +rieten tentjes, waar heete anijsmelk, korstjes en polkabrokken +verkocht werden. + +Waar er maar een gelegenheid van openbaar vermaak was, kon men de +Vroolijke Bende vinden. + +De jongelui van de club hadden "gezelligheid" tot een van hun grootste +deugden gemaakt en ze zochten elkaar dan ook altijd weer op. + +Zelfs wanneer een hunner een apart uitgaanspartijtje had, noodigde +hij altijd een der anderen uit, met hem mee te gaan en zoo was het +niet meer dan vanzelfsprekend, dat Piet den volgenden Woensdagmorgen +Mien Kuijer opbelde. + +Mien was thuis en nam bij het weerklinken van de schel de telefoon +van den haak. + +"Hallo ... wie daar?" + +Piet hoorde dadelijk aan de stem, dat Mien het was. + +"Hallo Mientje ... Pietje Bell!" + +"O ben jij 't, Piet? Wat scheelt er aan?" + +"'n Heeleboel, kind. Ik heb vanmiddag vrij en ga naar de ijsclub. Heb +je zin om mee te gaan?" + +"Nou, asjeblieft ... Dolletjes ... Wacht even, 'k zal Moes vragen." + +Piet wachtte even, maar gauw kwam ze weer terug. + +"Hallo Piet ... ben je daar?" + +"Heelemaal. Wat zei Hare Majesteit?" + +"'t Is goed, Piet, kom je me halen?" + +"Met de stafmuziek. Kan je zwieren?" + +"Beter dan jij?" + +"Dat doe ik met je. Nou, om twee uur dan. Dag zwierbol!" + +"Dag idioot, kom niet te laat hoor. Anders ga 'k met Harry." + +"Moest je 't hart eens hebben ... Dag wurm!" + +Precies twee uur was Piet present. + +Hij had zijn blinkende kunstrijders-schaatsen over den schouder, +'n pet en 'n wit wollen sporthemd stonden hem flink bij de korte +pofbroek en de sportkousen. Met z'n gezond, door de kou frisch-rood +gekleurd gezicht was hij het type van den fikschen, kerngezonden +Hollandschen jongen. + +Mien had een witte baret en een wit manteltje, waarover haar kastanje +bruine lokken met 'n witten strik bijeengebonden, neerhingen. + +"Wel Piet," zei Miens moeder, "dat is nu eens aardig van je, om +Mientje te komen halen." + +"Och," zei Piet, "alleen heb je er weinig aan, en wij leden van de +Vroolijke Bende houden van gezelligheid." + +"Misschien zien we de rest van de Bende ook nog op de ijsclub," +giste Mien. + +"Daar heb je kans op. Ik hoop het." + +"Waarom? Heb je aan mijn gezelschap niet genoeg?" pruilde ze. + +"O jawel, maar hoemeer zieltjes, hoemeer vreugd. En dan heb ik ook nog +een kansje om eens met Marie van Zanten te rijden. Die zwiert fijn." + +"En ik met Harry," plaagde Mien. "Die trekt je zoo heerlijk mee!" + +"Wel, om te beginnen zal ik je maar meetrekken," lachte Piet, "want +we staan hier mooi onzen tijd te verpraten." + +"Dag schàttemoes," riep Mien en ze vloog haar moeder aan, of ze voor +goed op reis ging. + +"Dag kinderen, amuseer je. En om zes uur thuis Mien. Zal je ervoor +zorgen, Piet?" + +"In orde, mevrouw. Ik zal ze in vloeipapier pakken en niet +kreukelen. Of anders plak ik wel een postzegel op haar gezicht en +stop ze in een brievenbus." + +Lachend gingen ze op stap, beiden verlangend naar de heerlijke +ijsbanen. + +Vertrouwelijk stak Mien haar arm door dien van Piet en zoo wandelden +ze naar de halte, vanwaar ze de tram namen naar de ijsclub. + +De vier banen van de ijsclub waren over de geheele lengte met vlaggen +versierd. Het was koud, maar stil, helder weer en de vroolijke muziek +van het Huzaren-regiment weerklonk over de vlakte, waar reeds honderden +rijders van het mooie ijs genoten. + +Zooals het een beleefden en galanten jonkman betaamt, bond Piet de +schaatsen voor Mien aan. + +Ze zat op een stoeltje, terwijl hij geknield de schaatsen vastmaakte. + +"Au, niet zoo stijf, duvel!" riep ze. + +"Kom ze moeten stevig zitten, anders rij je ernaast." + +"Nou ... wacht even ... ja, zoo is 't goed." + +"Tot uw dienst, Hoogheid." + +Daar kwamen zoowaar Flip en Marie aanzwieren. + +"Bonjour luidjes," riep Flip hen toe. "Harry en Spinnetje zijn ook aan +'t krabbelen. We zijn dus al met ons zessen." + +"Is de baan goed?" informeerde Piet, die zijn slachtoffer losliet en +een paar sierlijke krullen maakte, om zijn schaatsen te probeeren. + +"Buitengewoon fijn ... geen geultje en geen krasje." + +"Kom mee, Mien," inviteerde Piet. "Eerst maar een baantje om!" + +Ze kruisten de armen en met breede, krachtige slagen voerde Piet haar +met zich mee. + +"Gut, wat zwier jij," riep Mien, "dat kan ik niet." + +"Larie ... kan iedereen ... Zet je voeten buitenwaarts neer. Juist +zoo ... zie je nou wel? Rustig aan nou ... fijn." + +Zoo zweefden ze over de ijsbaan, naijverig nagekeken door menigeen. + +Aan het einde van de baan kwam Harry hen een eindje tegemoet. + +"We zullen een lollig stelletje beleven," vertelde hij hun. "Eetje +is op de baan verschenen. Hij heeft een compleet sport-costuum, +maar heeft nog nooit gereden." + +"Wat ... heeft hij nog nooit schaatsen gereden?" vroeg Mien verbaasd. + +"Neen ... dit is de eerste maal. Hij wou niet voor de anderen onderdoen +en is daarom ook maar gekomen." + +"Stil ... daar komt hij." + +Als een levende reclame voor zijn Vaders zaak kwam Eduard aankrabbelen. + +Zijn lichtgrijs sportkostuum sloot hem nauw om de magere leden, de pet +leek wat te groot, en de handen had hij gestoken in roodbruine glacé +handschoenen, die te meer in 't oog liepen, omdat hij voortdurend +met de armen in het rond zwaaide. + +Lachend om zijn eigen armen- en beenengemaai naderde hij de anderen, +slippend, struikelend en cirkels in de lucht teekenend ... + +"Dég lui! Ook op de schétsen véndég?" + +"Nee, heelemaal niet, we loopen stelten," zei Piet. + +"Je rijdt al aardig, Ee," zei Mien. + +"O, 'k begin pés ... Mér 't gét best ... 't gét best ... En tegelijk +gleed Eetje onderuit en smakte met z'n zit-vlak een ster in 't ijs. + +"Zeker," zei Flip, "'t gaat best." + +"Zal ik een baantje met je rijden?" vroeg Piet, daarbij de anderen +een knipoogje gevend. + +"Heel grég, Piet, heel grég." + +"Hou vast dan ... nee niet zoo ... bee jij betoeterd!! Armen +gekruist. Nou, sla uit je linkervlerk ... mooi ... nou je rechter +... nee, bee-je gek, niet allebei tegelijk!" + +"Ho-ho! ... ik vél...." sidderde Eetje. + +"Nee, je valt niet, ik heb je vast ... zet maar niet zoo'n benauwd +gezicht ... Komaan ... een-twéé ... een-twee ..." + +Geholpen door Piet ging 't nu vrij goed, maar toen ze bijna aan 't +eind van de baan waren en een stevig vaartje hadden, liet Piet Eetje +opeens los en gaf hem nog een flinken zet, waardoor de hulpelooze +jongeling als een pijl uit den boog voortvloog en met wijd-geopende +armen op de massa toeschouwers afschoot. + +Hij werd met een hoera-tje opgevangen en sloeg zijn armen om een +dikke dame, vergeefs een steunpunt op het gladde ijs zoekend. + +"Hee-hee, wilt u me wel eens loslaten!" riep de dame, die door Eet +je bijna gewurgd werd. + +Alle omstanders gierden het uit. + +"Ik ... ik kan niet!" hijgde Eduard en bleef almaar uitglijden en +krabbelen, steeds de dame om den hals hangend. + +Maar daar kwam de echtgenoot van de dame te hulp. + +"Laat los!" bulderde hij en tegelijk greep hij Eetje in de lenden, +tilde hem op en duwde hem met een flinke vaart over de ijsbaan. + +Eetje gleed op één schaats voort, 't andere been omhoog houdend +en weer met beide armen wijd uitgestrekt, totdat hij wat teveel +achter-overhelde en met een duidelijk hoorbaren smak een tweeden ster +op het ijs maakte. + +Eduards zitdeelen waren door deze athletische toeren zóó beschadigd, +dat hij van verdere pogingen afzag, en op dezelfde plek zijn schaatsen +afbond. Daarna voegde hij zich maar bij de toeschouwers. + +De Vroolijke Bende bleef rijden, tot het donker begon te worden en +ging toen in een groepje huiswaarts. + +"Wanneer wordt onze Soirée nu gehouden?" vroeg Mien. + +"Over drie weken," zei Harry, "ik heb vanmorgen den Schouwburg +gehuurd." + +"Dan mogen we wel voortmaken met ons programma." + +"Wel, het tooneelstukje zit er al bijna in en voor de rest hebben we +de aparte nummers maar in te vullen." + +Pietje had voor de winter-soirée van de club een tooneelstukje +geschreven, een klucht in twee bedrijven. + +Gedurende de laatste vier weken hadden de leden het ijverig onder +zijn leiding ingestudeerd en het beloofde wel een succes te worden. + +Hij had het speciaal voor de leden van de club ineengezet en voor +ieder een geschikte rol geschreven. + +Harry zou de huisheer zijn en Marie de huisvrouw, Mien hun groote, +kattige dochter, Jannetje de Boog een voorname huurster, Eetje +een verwaand kostganger, Flip een reiziger in wijn en hijzelf een +Engelschman, terwijl voor Spinnetje, die weinig speeltalent bezat, +de rol van dienstmeisje was bestemd. + +"Vergeet niet de repetitie van morgenavond," zei Piet. + +Vroolijk babbelend over de komende soirée kuierden ze gezellig naast +elkander voort, tot ze weer de tram konden nemen naar huis. + +Galant bracht Piet zijn dame weer thuis. + +"Wel bedankt Piet," zei Mien. "Gaan we morgen weer?" + +"Op je kattenoogen! Wat denk je, dat ik wel ben ... Millionair? 'k +Moet werken hoor. Dag garnaal!" + + + +Toen Piet dien avond thuiskwam, lag er een brief voor hem. + +Een brief uit Amerika! Van Jacob natuurlijk! + +Haastig verbrak hij het couvert en las: + + + New-York, 2 Januari 19.... + + Riverside Drive 1490 + + Beste, trouwe Vriend! + + Hier is dan m'n eerste brief! Och, kerel, wat is er veel gebeurd + in den tijd, sinds ik jou en al de lieve vrienden van de Vroolijke + Bende achterliet! Ik heb in die paar maanden zooveel doorgemaakt, + Piet, dat ik er een boek mee zou kunnen vullen. Wat heb ik vaak + terugverlangd naar den goeden tijd, toen ik nog temidden van + al mijn vrienden was! Zijn jullie allen nog gezond en wel, en + je beste ouders ook? Elken dag weer denk ik aan Holland en de + goeie Hollanders! Niet, dat ik spijt heb over mijn reis, verre + van daar. Nu is alles weer goed, maar de eerste tijd hier was + dan ook meer dan erg. + + Toen ik van de boot na een stormachtige reis aan land stapte, ging + ik met slechts een paar uren verlof. Ik was koksjongen geweest, + waar ik achteraf beschouwd, blij om ben, want een bediende heeft + het veel harder te verantwoorden. Maar omdat het zeeleven en de + nederige betrekking niet naar mijn zin waren, besloot ik, niet aan + boord terug te keeren. Ik had zoowat vijftig Hollandsche guldens in + mijn zak en toen ik die tegen Amerikaansch geld ingewisseld had, + bezat ik twintig Dollars. Nu doe je met een Dollar in Amerika + evenveel als met een gulden in Holland, dus je begrijpt dat mijn + middelen zeer beperkt waren. + + Na twee weken was ik dan ook zoo goed als door mijn geld heen, en + den heelen dag liep ik maar door de stad te dwalen, niet wetend, + wat ik moest beginnen. Ik had nog één dollar over en dien dorst + ik niet uit te geven. Het is mij toen zoo hoog in de keel gaan + zitten, ik was zoo wanhopig, dat ik in een der stadsparken op + een bank aan het huilen raakte. Stel je voor, zoo'n groote kerel + als ik, als een klein kind aan het huilen.--Wel Piet, en na die + huilpartij voelde ik me opgelucht en m'n angst was verdwenen.--Wat + drommel, ik moest toch eten? Nu liep er een schoenpoetsersjongen + door het park en ik vroeg hem, wat hij voor zijn schoenbak met + gereedschappen hebben moest. "Een dollar," zegt hij--en ik betaalde + hem twee gulden vijftig voor een vies kistje met wat borstels, + lappen en smeer. Ik ging er mee op een druk punt van de stad + staan en verdiende dien eersten dag anderhalven dollar. + + Piet, en nu mag je mij gelooven of niet, ik heb nog nooit + zoo lekker gegeten als dien avond voor 50 cent in een klein + restaurant. Slapen deed ik op een kamertje, waarvoor ik twee + dollar per week betaalde en na een paar dagen maakte ik bijna + drie dollars per dag. + + Op zekeren middag poetste ik de schoenen van een heer, die + doodbedaard de Morgenpost uit zijn zak haalde en begon te + lezen. Wel, zoolang ik hier was, had ik geen Hollandsch gehoord + of gelezen, en stel je mijn blijdschap voor, Piet, toen ik boven + een feuilleton de woorden las: Schets van P. Bell.--Opeens zeg + ik: Is u Hollander, meneer?--Nou, en toen had je hem moeten + zien.--Welzeker, zegt hij, jij ook? En hij vroeg me, of ik niet + wat anders kon dan schoenen poetsen, maar toen heb ik hem eens + gauw mijn wedervaren verteld en gedeeltelijk ook de reden van + mijn vertrek uit Holland. De naam van dien heer is Wortelman en + hij scheen veel belang te stellen in mijn geschiedenis.--Hoe heet + je Grootvader? vroeg hij. David Mantel, zei ik.--David Mantel, + de groote suikerfirma uit Amsterdam? Maar jongen, dan ben je de + kleinzoon van mijn besten vriend. + + En toen, Piet, heb ik de schoenpoets-affaire cadeau gegeven aan + een armen stakker en ben met den heer Wortelman mee gegaan. Hij + nam mij op in zijn woning en nu ben ik zijn secretaris, weet + je? En ik denk, dat door zijn toedoen Oom Karel nog wel meer + van de zaak zal hooren. Ik ben zoo gezond als een visch en heel + gelukkig. Als je lust hebt, naar Amerika te komen, zal je door + ons hartelijk ontvangen worden. In mijn volgenden brief schrijf + ik wel wat over New-York, enz. + + Wel kerel, voorloopig dit krabbeltje. Hartelijke groeten aan je + brave ouders. Geef je lieve moeder een extra zoen van mij en dat + mag je mijnentwege ook doen aan Marie, Mien, Jeanne en Spinnetje. + + Met beste groeten en 'n stevigen handdruk, + + Je vriend, + Jacob Mantel. + + +Piet liep met den brief naar beneden, waar zijn Moeder het avondeten +gereed maakte. Hij hield haar den brief voor, gaf haar een klinkenden +zoen en zei: + +"Van Jacob." + +Moeder lachte. + +"Wat bedoel je, den brief of den zoen?" + +"Beide, moedertje. Lees maar." + +Ze zette haar bril op en las met prevelende lippen. + +"Wel, wel, die is goed af, Piet. Maar jij mag ons nog niet verlaten, +hoor." + +"O neen, zoover zijn we nog niet. Later ... misschien ..." + +"Ik moet er niet aan denken, Piet, dat jij ons nog eens zult verlaten." + +"Wat is dat? Piet ons verlaten?" klonk Vaders stem. + +Bell was binnengekomen en had juist Moeders laatste woorden opgevangen. + +"Geen sprake nog van," lachte Piet. "We hadden het over Jacob +Mantel. Hier is een brief van hem uit New-York". + +"Wel, die is goed te land gekomen. De arme jongen verdient het dubbel +en dwars. Maar wat moet jij daar nu gaan doen, Piet? Wou je daar ook +gaan schoenpoetsen?" + +"Dat zal niet noodig zijn," zei Piet. + +Moeder stonden de tranen in de oogen. + +"Wat nou, moeder?" vroeg vader, haar op den rug kloppend. "Wat ga je +nou doen?" + +"Piet moet niet weggaan ..." snikte ze. + +"Wel, er is geen haar op mijn hoofd, dat eraan denkt," zei +Piet. "Voorloopig heb ik het best naar mijn zin." + +"Och," beweerde Vader, rustig zijn pijp stoppend, "ik weet nog niet, +wat ik zou doen, als ik in Piets plaats was. Hij is op het oogenblik +nog wat jong en onervaren voor zulk een groote onderneming en daarbij +heeft hij ons nog, om voor hem te zorgen." + +"Toen ik echter zoo oud was als hij, miste ik reeds m'n beide ouders +en stond ik vrijwel alleen. + +"Ik had een oudere zuster, Cato, en die deed mij in de leer bij een +schoenmaker. Sinds heb ik al mijn leven schoenen gemaakt en heb er +mij met een vroolijk liedje doorheen geslagen. Maar als ik het nog +eens mocht doen ... wel ... ik denk ... dat ik de wereld eens ging +bekijken en als Piet daar later lust in heeft, dan zal ik wel de +laatste wezen, om hem tegen te houden. Wij beginnen zoetjesaan een +dagje ouder te worden, Moeder, en tot nog toe is ons leven niets +anders dan werken geweest. En daarom heb ik er eens over gedacht, +de zaken aan kant te doen en een aardig huisje in Bussum of Hilversum +te huren. Piet zou dan Zondags bij ons kunnen komen." + +Moeder had wel lust om buiten te gaan wonen, maar dat ze haar jongen +zou moeten afstaan ... neen ... daar moest ze niet aan denken. + + + +Drie weken later werden de deuren van den Tivoli-Schouwburg geopend +voor de Soirée van de Vroolijke Bende. + +Pietje had herhaalde malen door een berichtje in de courant de aandacht +op het feit gevestigd en aangezien in de laatste maanden meer dan +eens grappige verhalen omtrent dat lustige clubje in de Morgenpost +voorkwamen, was het publiek nieuwsgierig geworden en wilde graag de +Vroolijke Bende eens leeren kennen. + +Geen wonder, dat dan ook reeds twee dagen voor de uitvoering alle +kaarten waren uitgegeven en des avonds aan de cassa het bordje: +UITVERKOCHT prijkte. + +Vroeg reeds waren de leden present in de kleedkamers achter het +tooneel. + +Piet, die als schrijver van het tooneelstuk ook dienstdeed als +regisseur, had het druk. + +Hij liep over het tooneel met al de gewichtigheid van een geroutineerd +tooneelmeester. + +"Is Boedels hier?" riep hij. "O ben je daar ... is alles present? De +schemerlamp, de klok, de vaas met bloemen? En het boekenrekje?" + +"Piet," riep een stem uit een der kleedkamers, "hier is de kapper." + +"Kom direct." + +Tooneelknechts plaatsten de coulissen. + +"De piano hier," wees Piet aan. "Het tooneelstukje gaat pas voor de +pauze, eerst hebben we muziek en voordrachten." + +"Piet, of je even in de zaal komt." + +"Wat is er dan?" + +"D'r is een dame met twee dochters en die hebben per abuis inplaats +van hun toegangskaarten drie lommerdbriefjes meegebracht ..." + +"Dan kunnen ze de voorstelling achter de schuine deur gaan zien +.... roep Harry maar ... ik heb het te druk." + +"Piet ... de kapperrrrr!!!" + +"Jááá, ik kom ... Hee, leg een paar kleine tapijtjes hier over dit +kleed. D'r zitten zooveel gaten in, dat een vergiettest er jaloersch +van zou worden. Zet die canapé daar in dien hoek, mooi." + +Piet haastte zich naar de kleedkamer, waar de kapper zijn ingrediënten +uitpakte. + +"Goeien avond, meneer Smalt. Hier is de lijst van uw typen. Hebt u +geschikte pruiken kunnen vinden?" + +"Alles in orde, meneer Bell. Wie eerst?" + +"Ik eerst!" riep Mien Kuijer. + +Ze zette zich in den stoel en de kapper begon haar gezicht te bewerken +met schmink, rood en poeder, maakte haar kastanjebruine haren op, +zoodat ze er spoedig uitzag als de alleraardigste dochter des huizes. + +De anderen keken vol belangstelling naar de bewegingen van den kapper +en wachtten hun beurt af. + +"Piet, daar zijn de solisten voor vanavond!" + +Twee jongedames in witte avondtoiletten, bedekt door hemelsch-blauwe +capes en zware bonten, verschenen in de corridor, gevolgd door een +heer in smoking. + +Er werden handjes gegeven, er werd voorgesteld en Piet bracht het +muzikale drietal naar de hun aangewezen kleedkamers. + +"Piet, de kapelmeester van het orkest wil je spreken." + +"Allright ... een oogenblik." + +Zoo was het Piet voor en Piet na! + +Maar eindelijk sloeg het acht uur en een vroolijke marsch weerklonk. + +De schouwburg was stampvol. + +Natuurlijk waren alle ouders en familie-leden van de clubgenooten +present en ook Vader en Moeder Bell, die voor dien avond de zaak +gesloten hadden, namen een eereplaats in, daar had Piet wel voor +gezorgd. + +Na den welkomst-marsch rees het scherm. + +Het eerste nummer van het programma luidde: + + + OPENING EN WELKOMSTWOORD door den heer P. BELL. + + +Door een portière op den achtergrond verscheen Piet op het tooneel +en trad naar voren. + +Een hartelijk applaus begroette hem, de menschen stootten elkander aan +en gaven 'n knipoogje, alsof ze zeggen wilden: Nu zal je wat hooren! + +Piet maakte lachend een paar buiginkjes links en rechts ... maar +'t geklap hield eenigen tijd aan, waarop hij de zaal rondkeek met +een paar oogen, die zeiden: ben ik nou aan 't woord of jullie? + +Maar toen het stil werd, begon hij zijn openingsrede, die hij vergeten +had, voor te bereiden. + +"Zeer verdachte--ik wil zeggen zeer geachte aanwezigen--het is een +groote onderscheiding voor de korfbalclub De Vroolijke Bende zulk +een groote massa vrienden en belangstellenden hier bijeen te zien en +het is dan ook met een kloppend oog en een traan in 't hart, dat ik +u namens mijn handlangers een gelukkig Nieuwjaar ... een hartelijk +welkom, wil ik zeggen ... toeroep. + +"Zooals u op het programma ziet (en hier begon Piet eerst goed +den draak te steken met de verschillende nummers) hebben we +ons de medewerking verzekerd van de dames De Bruijn, sopraan +en alt van de Koninklijke Hofopera in Noord-Siberië en het +dubbelschroef-conservatorium in Delfzijl. De heer Kramp zal de +schoone liederen der dames op de piano begeleiden en heeft daarin +een wereldberoemde vaardigheid verkregen. + +"De heer Kramp is opgetreden voor de voornaamste gekroonde +en ontkroonde hoofden van Europa ... den hertog van Luxemburg, +Middelburg, Limburg, Uilenburg en Vlooien burg. Hij is bekleed met +de orde van den Witten Olifant, Den Zwarten Stier, het Roode Hert en +de Cypersche Kat. Wanneer de heer Kramp al zijn ridderorden draagt, +heeft hij een heele diergaarde aan zijn borst hangen." + +De zaal daverde van het gelach, maar Pietje vervolgde met een leuk +gezicht, zelf af en toe meegrinnekend: + +"Verder zal ondergeteekende u eenige malen vervelen met zijn flauwe +voordrachten, gedurende welke u evengoed de zaal uit kunt gaan en +een kop koffie kunt drinken, en ook nog prijkt op ons program een +tooneelstukje in twee bedrijven, waarin de leden van de Vroolijke +Bende u blijken van hun onbedrevenheid in het Tooneelspel zullen geven. + +"En met dit korte, ernstige woord, waarvan ik hoop, dat ge er dezen +avond bij het huis gaan iets van zult meedragen ter overdenking, +verklaar ik dezen feestavond geopend." + +Een vroolijk, langdurig handgeklap dankte Piet voor zijn schoone +woorden. + +Naast Piets vader zat toevallig de vader van Jannetje de Boog, die +zijn boerderij voor dien avond verlaten had om de Soirée van zijn +dochter bij te wonen. + +De man was zoo goedlachs, dat hij bij iederen zet van Piet diens +vader een stomp in de zij gaf. + +Vader Bell lachte eerst maar mee, maar toen de stompen al harder en +harder werden, nam hij maatregelen en onder een schaterend "Ha-ha-ha" +gaf hij den buurman zulk een geweldigen por in de ribben, dat deze +verbaasd zijn lachen inhield en van verdere stompen afzag. + +De dames de Bruijn en heer Kramp waren te goed in de stad bekend, +dan dat Piets grappenmakerij hun eenige schade kon doen. + +Bovendien, men kende Piet ook maar al te goed en zijn onschuldige +ironie werd dan ook door de optredenden zelf met hartelijk lachen +als een grap opgenomen. Iedereen wist, dat de Vroolijke Bende steeds +zijn naam eer aandeed en niet van vormelijkheid hield of van droge, +stijve redevoeringen. + +Men kwam hier voor zijn plezier en, wel... men hád het! + +Dat nam niet weg, dat de liederen van de zangeressen met stille +bewondering werden aangehoord en allen een dankbaar applaus oogstten. + +Maar toen het tooneelstukje aan de beurt was, kwamen de lachspieren +weer in werking. + +Mientje Kuijer veroverde stormenderhand aller harten door haar lieve +verschijning, haar welluidende stem en haar alleraardigst spel. + +Alida Specht was een echt Spinnetje en had heel wat lachsucces, +terwijl de anderen uitstekend hunne rollen vervulden. + +En Piet, die een Engelschman voorstelde, deed met zijn gebroken +Hollandsch zóó herhaaldelijk de zaal in schaterlachen uitbarsten, +dat hij telkens even moest wachten tot het gegier bedaard was eer +hij weer verder kon gaan. + +Na het zakken van het scherm was er een aanhoudend geroep om den +schrijver van het stukje en de zaal weergalmde van het geroep: + +"Pietje Bell!! ... Pietje Bell!!! ..." + +En weer rees het scherm en kwam de held van den avond naar voren +... lachend en buigend ... en daverend weerklonk het applaus uit den +stampvollen schouwburg. + +Vader en Moeder Bell straalden van trots en genoegen, want, nietwaar, +dat was hùn zoon, hùn Piet! + + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +OP EIGEN BEENEN. + + +De winter verstreek en de lente deed zijn intocht. + +Maar hoemeer het schoone jaargetijde naderde, hoemeer Vader Bell zijn +plan, om de zaken aan kant te doen en rustig te gaan leven overdacht +en met Moeder besprak. + +"Ik zou wel liever onzen jongen meenemen," zei Vader, "maar hij heeft +hier zijn werk en op een dorp kan hij weinig uitvoeren. Het liefste +zou ik willen, dat hij met een vriend op kamers ging en ons elke +week bezocht." + +Moeder had eerst nog wel wat bezwaren, maar ze verlangde toch ook +naar wat rust in de natuur, en ten slotte stemde ze toe. + +Piet werd met de nieuwe plannen in kennis gesteld. Onze vriend was +er in het eerst niet bijzonder mee ingenomen. + +Zijn ouders waren zijn allerbeste vrienden en aan het ouderlijke +huis, waar hij altijd zoo gelukkig was geweest, voelde hij zich +sterk gehecht. + +Maar aan den anderen kant begreep hij, dat zijn Vader en Moeder, +na zoovele jaren van arbeid wel een paar jaartjes rust verdiend +hadden en ook lachte het idee van "op eigen beenen te moeten staan" +hem wel weer toe. + +Maar nu kwam de kwestie van een kamervriend ter sprake. + +Deze moeilijkheid werd echter spoediger opgelost, dan men wel +verwacht had. + +Flip, die nog altijd met succes den sigarenwinkel van zijn vader +beheerde, had sinds drie jaren bij een tante gewoond, daar zijn Moeder +vroeg gestorven en zijn Vader bijna voortdurend op reis was. + +Nu kwam deze tante te overlijden en moest er voor Flip een nieuw +verblijf gezocht worden. + +De zaak werd met Flips vader besproken en het slot was, dat toen +Vader Bell voordeelig zijn zaak van de hand had gedaan en naar +Hilversum vertrokken was, waar hij met Moeder een allerliefst huisje +aan den weg naar Laren bewoonde, Pietje en Flip hun kamp opsloegen +in een groote, gezellige kamer aan den Singel. Ze hadden ieder een +slaapkamertje erachter en tot Flips groote vreugde was er ook een piano +aanwezig. Daarbij hadden ze een "engel" van een kamerverhuurster, +een bejaarde juffrouw, die liever een troep vroolijke jongelui op +haar kamer had dan een paar ouwe brombeeren. + +Juffrouw Roest heette ze en ze was een helder uitziende vrouw met +schrandere oogen, maar met een mond, die bijna nooit stilstond. + +Keurig-zindelijk was ze, dat moet gezegd, en haar kamers zagen er +proper en welverzorgd uit. + +En toen begon de juffrouw Piet en Flip een staaltje van haar praatkunst +te geven. + +"Nou, heeren, ik heb verstand van kamers verhuren, asjeblieft! Ouwe +menschen kan je heel den dag naloopen en bedienen, maar jongelui +zijn veel gauwer tevreden. Die gaan den heelen dag naar hun werk en +zoo heb je zelf op die manier ook nog wat aan je kamer. Is 't geen +mooi uitzicht op den Singel? Gunst, heeren, ik ben best in mijn +schik met u, en je moogt je gerust amuseeren hier, zooveel je maar +wilt. Piano spelen ook, daar houd ik van. Ik heb een muzikant hier +op de kamers gehad, die speelde heel den dag en zoo mooi, zóó mooi, +dat je d'r draaierig van werd. Nou maar, die muzikant was ook heel +dikwijls draaierig, maar dat kwam, omdat-ie zooveel glaasjes rum +dronk. Hij had ten slotte zooveel rum gedronken, dat-ie rummetiek +in z'n vingers kreeg en toen had-ie de muziek eraan gegeven en was +chauffeur geworden. Maar dat had ook niet lang geduurd, want toen +hij op een keer weer eens erg last van rummetiek had, reed hij zoo +hard met zijn auto tegen een boom, dat hij eruit vloog en zes meters +onder den grond schoot. Hè-hè-hè ..." en de juffrouw schommelde van +'t lachen ... "en toen was de begrafenis ook meteen afgeloopen." + +"Wel, juffrouw," zei Flip, "ik geloof wel, dat wij het met elkaar +zullen vinden." + +Dat vond de juffrouw ook en als de heeren wat noodig hadden, mochten +ze het gerust zeggen. + +Binnen een paar dagen was de kamer een museum van bezienswaardigheden +geworden. De twee vrienden hadden er al hun rijkdommen heengebracht +en weldra prijkten de muren met tallooze portretten, sportprenten, +programma's, balboekjes en een niet te beschrijven verzameling van +allerlei voorwerpen, waarvan een ieder zijn eigen geschiedenis had. + +Flip werd nu des avonds om zes uur door een ouderen bediende afgelost, +zoodat hij de avonden vrij had en die met Piet op de kamer kon +doorbrengen. + +Hij had tot op heden nooit veel aan lezen gedaan, maar Piet gaf +hem mooie en goede boeken en daar begon Flip hoe langer hoe meer +liefhebberij in te krijgen. Heele avonden bracht hij lezende door, +terwijl Piet aan zijn schrijftafel werkte. + +Zoo gingen de dagen rustig heen, en juffrouw Roest begon zich al over +die kalme jongelui te verbazen, toen een nieuwe huurder wat leven, +of liever gezegd wat lawaai in de brouwerij bracht. + +De nieuwe huurder was warempel alweer een muzikant, maar ditmaal +een dilettant, die lid was van een muziekkorps en een zeer lieflijk +instrument bespeelde. + +Het was de Turksche trom. + +Elken avond na zijn souper begon de musicus te studeeren. + +Tsching-tsching-tsching-boem!!! .... Tsching-boem-tsching!!! + +Den eersten avond, toen Piet en Flip dit geluid hoorden, dachten zij, +dat het onweerde en beiden keken naar de lucht. + +Maar langzamerhand ontdekten zij het ware van de zaak! + +"Ik laat me levend villen, als dat geen Turksche trom is," riep Piet. + +"Je hebt gelijk! ... Hier boven!!" + +Tsching-boem!!! Tsching-boem!!! Tsching-boem!!!! + +"Maar dat is om gek te worden! Hee daar boven! Hou op!!" + +Tsching-boem-boem!! Tsching-boem-boem!!! + +"Zeg, Flip, die vent is krankzinnig ... dat kunnen we zoo niet +uithouden!" + +"Laten we naar boven gaan en hem vragen, op het dak te gaan zitten." + +"Vooruit dan!" + +De beide vrienden beklommen de trap en klopten aan. + +Tsching-boem-boem!!! + +Piet beukte nu zijn vuist op de deur. + +"Alors ... wat isser ... Entrez!" + +De jongelui traden binnen. + +Een vervaarlijk groote trom stond in het midden der kamer, +een muzieklessenaar met 'n studie-boek ervoor, een kort, dik +Franschmannetje met zwarten snor en puntbaardje er achter. + +Verbaasd keek hij de binnentredenden aan. + +"Ah ... les messieurs ... kaat u zitte ... U isse van benee ... premier +etage? ... Oui, oui ... voila des cigarettes ... excusez moi ... iek +studeere ... oui ... iek speel ien de orchestre ..." + +"Pardon," verzocht Piet, "als u zoo goed wilt zijn, even te luisteren?" + +"Loister? ... Mais oui ... iek loister ... wat 'ad u?" + +"Ik at snijboonen met worst," zei Piet, "maar daar gaat het nou niet +over. Is u van plan nog lang op dat hoofd van Jut te slaan?" + +"Oofd fan Juut? Comprends pas ... isse niet 'oofd fan Juut ... isse +die kroote tromme ... fan die orchestre ... moet iek studeere ... oui +... chaque soir ... ielken oavend ..." + +"Elken avond?? Groote genade, moeten wij elken avond in die herrie +zitten?" + +"'Errie ... dies noem u 'errie? Isse la musique ... isse ma chambre +... iek betaal die propriétaire ... kan iek doen wat iek verkies, +n'est-ce pas? Vous jouez du piano ... eh bien ... watte wil u..." + +"Maar waarde heer, dat gaat niet aan," zei Flip, "dat lawaai maakt +een mensch gek!" + +"Oh ... pas du tout ... kaat wel aan ... isse niet zoo erk..." + +"Nou, meneer," zei Piet, "we zullen er dan wel eens met de juffrouw +over spreken." + +"Kaat uw kang ... ça m'est égal .... bonsoir mes amis!" + +Tsching-boem-boem!!! + +BAM!!! sloeg Piet de deur dicht. + +Maar de juffrouw kon er ook niets aan doen. + +De man betaalde zijn huur, nietwaar en zoolang hij de boel niet +beschadigde kon ze weinig zeggen. Het zou immers niet den heelen +avond duren? + +Toen besloten Piet en Flip zelf maatregelen te nemen. + +Na een uur studie hield de muzikant op. + +Het leek wel de stilte na een zwaar onweer. + +"Zeg, Flip," zei Piet, "morgen ben je jarig!" + +"Ik? Je bent dronken ... ik ben pas jarig geweest." + +"Zeur niet ... Als ik zeg, dat je morgen jarig bent, dan ben je +morgen jarig." + +"Nou, mij best ... ik ben morgen jarig ... maar ik tracteer niet, +als je dat maar weet." + +"Hoeft ook niet, luister." + +En Piet fluisterde zijn vriend iets in de ooren, wat dezen de handen +op de knieën deed slaan van pret. + +"Onbetaalbaar!" riep hij, "als dát niet werkt, helpt niets!" + + + +Den avond daarna sleepten de vrienden de volgende muziek-instrumenten +naar binnen: een zinken waschkuip, deksels van potten en pannen, +kermis-toeters en een groote bel. + +Om half acht verschenen de leden van de Vroolijke Bende op uitnoodiging +van Pietje, om den verjaardag van Flip te vieren. + +Maar Piet had ze al gauw op de hoogte gebracht met den stand van zaken. + +"We weten geen ander middel," besloot hij, "om van den muzikant af +te komen en ik denk wel, dat het middel werken zal." + +Het gesprek dwaalde echter van het een op het ander. + +Ze bekeken de kamer en de vele foto's en juist wou Piet de geschiedenis +gaan vertellen, die verbonden was aan een geëmailleerd bordje, waarop +te lezen stond: "Deur sluiten s. v. p." toen opeens de muzikant weer +aan 't studeeren ging. + +Tsching-tsching-boem!!! + +Dadelijk greep ieder zijn muziekinstrument. + +Piet sloeg met een hamer op de zinken waschkuip, Harry luidde de +groote bel, Flip speelde erbarmelijk hard en valsch op de piano, de +anderen toeterden op de hoorns of sloegen potdeksels tegen elkaar en +wie zijn mond vrij had, zong een ander lied dan zijn buurman. + +Het was zulk een ontzettend, oorverscheurend lawaai, dat er twee +bewoners van het huis flauwvielen en de rest op straat vluchtte. + +De groote trom tsching-boemde nog even door. + +Kletterend, donderend, gillend, stampend, schreeuwend, bellend en +schetterend daverde het onmenschelijke, barbaarsche orkest zijn +hemeltergende muziek door de woning en het duurde geen vijf minuten, +of er werd hevig op de deur gebonsd. Het was juffrouw Roest met +den Franschman. + +"Doorspelen," commandeerde Piet. + +Met de handen aan de ooren stonden de juffrouw en de muzikant de +Vroolijke Bende, die wel een troep losgelaten kermisgasten leek, +aan te staren. + +"Hou op... hou op!!!" schreeuwde toen juffrouw Roest. + +En de Franschman voegde er bij: + +"Isse skande... sacré bleu... maak tout le monde siek!!" + +"Ah, monsieur..." zei Piet lachend, "gaat u zitten... U +is van boven?... Tweede étage?... Juist, juist... hier zijn +sigaren... excuseer ons... wij studeeren... dit is ons orkest... wij +studeeren elken avond..." + +"Ielken oavond... ielken oavond dees 'erie?" + +"Herrie? Dit noemt u herrie? Dat is muziek, waarde heer... dit is mijn +kamer... ik betaal de juffrouw... kan ik dus doen wat ik verkies.... U +speelt de groote trom... wel, wat wilt u?" + +"Maar dit kan ik niet toestaan," zei juffrouw Roest, "dit gaat te ver, +meneer Bell." + +"Och kom," zei Piet, "zoolang monsieur van u toestemming heeft, om +dit huis met zijn helsche muziek onbewoonbaar te maken, zoolang zal +mijn orkest hem daarbij helpen. Dus juffrouw, de groote trom eruit +of u verliest òns en de rest van de huurders." + +"Isse skande... isse criminal... mais je me vengerai... iek zal +maatrekele neem... iek betaal niet ma chambre... compris?" + +"Komprie? Komprie?" barstte juffrouw Roest los. "Je lijkt zelf wel +een komprie. Jawel, m'n huur niet betalen en mij nog uitschelden +voor komprie! Je kunt vertrekken met 't eind van de week; +verstaan? Komprie... wel heb je ooit!" + +De Franschman ging mopperend weer naar boven. + +De jongelui moesten juffrouw Roest beloven, nimmer meer tot zulke +radicale middelen over te gaan, hetgeen ze met genoegen deden. + +Maar de groote trom werd niet meer gehoord en den volgenden Zaterdag +vertrok de onruststoker met zijn "'oofd fan Juut". + + + +Drie maanden verstreken, zonder dat er iets bijzonders voorviel in +het leven van Pietje. + +De dagen waren volkomen aan elkander gelijk, de jongelui leefden +rustig samen, ieder zich wijdend aan zijn arbeid. + +Soms vergezelde Flip zijn vriend, als die naar de een of andere +uitvoering ging of een concert moest "verslaan," maar meestal brachten +ze hunne avonden samen op de kamer door. + +Op zekeren dag was er een tweede brief van Jacob uit Amerika +aangekomen. + +Piet was zeer benieuwd, hoe het zijn vriend in de nieuwe wereld +verging en las: + + + New-York, April 19.... + 1490 Riverside Drive. + + Beste kerel, + + Wat was ik blij met je brief, waarin je mij vertelde, dat de + Vroolijke Bende minus mijn persoontje nog gaaf en compleet was en + dat allen, ook je ouders, nog wel zijn. Je vroolijke brief heeft + mij echt goed gedaan en ik heb eruit opgemaakt, dat je nog altijd + dezelfde opgeruimde humorist bent van vroeger. Ook vernam ik uit je + schrijven, dat je vader en moeder voornemens zijn, in het Gooi te + gaan wonen. Zijn ze er al en blijf je nu alleen achter in de stad? + + Zeg Piet, ik ben nog steeds in dienst bij den heer Wortelman, + die hier uitgebreide zaken heeft. We reizen veel en ik heb al + heel veel gezien. Jongen, wat is Amerika toch een wonderlijk + land! Alles is hier zoo grootsch en zóó geweldig, dat jullie + in Holland je er geen begrip van kunt vormen. Je moet het + zien om het te kunnen begrijpen. Huizen van twintig en dertig + verdiepingen zijn heel gewoon en dan het verkeer in de straten, + kerel, dat is verschrikkelijk! Als je maar eens nagaat, dat er in + New-York alleen meer menschen rondloopen dan in heel Nederland, + dat een courant hier vijf-zesmaal per dag verschijnt, dat er meer + dan honderd-duizend auto's door de straten rijden en honderden + treinen onder en boven de stad daveren, dan heb je al een klein + ideetje van het leven hier. Ik ben met den heer Wortelman geweest + naar Philadelphia, Buffalo, Niagara-Falls en Chicago en als ik + jouw schrijftalent bezat, zou ik stapels en stapels verhalen + over die reizen kunnen schrijven. Ik heb nu een vast salaris + van 25 dollar per week, waarvan ik nog geen derde deel gebruik, + omdat alles door den heer Wortelman betaald wordt. + + Tot mijn groote blijdschap is mijn Grootvader weer geheel hersteld + en denkt nog niet aan heengaan, wat Oom Karel zeker wel spijten + zal. Maar mijn vriendelijke patroon heeft Grootvader van alles op + de hoogte gebracht en nu is het testament weer veranderd, zoodat + Oom Karel weinig of niets hebben zal. Och, kerel, mijnentwege + erfde ik niets, zoolang ik maar gezond ben en werken kan wat maal + ik dan om een groot kapitaal? + + Je hebt maar angst om het te verliezen. Piet, wanneer jij met een + paar couranten in Holland een contract kon sluiten voor Brieven + uit Amerika, wat kon je dan heerlijk vrij werken hier, je hebt + immers altijd zoo'n vrijheids-ideaal gehad? Je kon reizen en het + heele werelddeel zien vanaf New-York tot San-Francisco en van + Mexico tot Canada! Zoo vrij als een vogeltje in de lucht! Ikzelf + heb lust om het te doen, maar alles wat ik schrijven kan is een + brief aan jou of de handelscorrespondentie voor mijn baas. + + Denk er eens over, Piet, en als je soms idee in iets anders mocht + hebben, is het ook goed. Wij zullen je hier wel voorthelpen. Nieuws + weet ik op het oogenblik niet verder. Laat me gauw weer wat van + je hooren en doe ze allemaal weer de hartelijke groeten. + + Van je toegenegen vriend: + Jacob Mantel. + + +Piet reikte den brief aan Flip over, die met alle aandacht begon +te lezen. + +"Wel, ik moet zeggen," vond Flip, "dat Jacob ons allemaal de loef +afsteekt. Vijf-en-twintig dollar per week en zoo goed als geen +kosten. En bovendien nog erfgenaam van een millioen! Jacob behoort +tot de menschen, wien nou letterlijk alles meeloopt. Wat kan ik ooit +bereiken? Al verkoop ik nu nog twintig jaar lang sigaren, dan ben ik +precies evenver als nu. Voor jou is er veel meer kans op succès... de +heele wereld ligt voor je open." + +"Wat zou jij in mijn geval doen?" vroeg Piet. + +"In jouw geval? Kerel, iemand met jouw kansen kan precies doen, wat +hij wil. Jacob zegt het ook al in zijn brief. Wanneer jij het er op +aanlegt, reiscorrespondent te worden, is de heele wereld jouw. Waarom +pak je Jacob's voorstel niet aan en praat er eens met je patroon over?" + +Opeens sprong Piet op, zijn stoel omgooiend. + +"Flip! Ik doe het! Ik doe het! Maanden en maanden heeft het al in m'n +hoofd gezeten. Ik probeer het! Natuurlijk zal ik eerst de toestemming +van mijn ouders vragen, maar ik ben zeker, dat ze het mij niet zullen +weigeren." + +"'t Ellendigste voor mij is," zei Flip, "dat ik je dan kwijtraak. De +tijd, dien we samen op deze kamer hebben doorgebracht, is de +heerlijkste van mijn leven geweest. Je hebt mij bijna een ander +mensch gemaakt met je gesprekken en je boeken, Piet, en ik zal je +ontzettend missen." + + + +Piet wachtte niet langer, dan noodig was. + +Den volgenden dag vroeg hij den heer Peters te spreken. + +Toen de directeur Piets ernstige gezicht bemerkte, keek hij een +oogenblik verwonderd op. Piet had altijd een vroolijken trek om den +mond en een eenigszins ondeugende uitdrukking in de oogen, zoodat +deze plotselinge verandering wel verbazing opwekken moest. + +"Wel, wat zullen we nu hebben?" vroeg de heer Peters. "Heeft uw +vader weer een belangrijke uitvinding gedaan of komt u me slecht +nieuws brengen?" + +"Heelemaal niet," zei Piet, die opeens een aanknoopingspunt vond, +waardoor zijn gezicht heelemaal opklaarde. "Heelemaal geen slecht +nieuws, meneer! Ik ga naar Amerika!" + +"Hè... wat... wie???... Ga jij... naar... Amerika? En dat noem je me +geen slecht nieuws brengen? En wat ga je daar in vredesnaam uitvoeren?" + +"Reisbrieven schrijven voor de Morgenpost!" + +De directeur keek Pietje met groote oogen en open mond aan. Hij +vergat van verbazing zijn oude gewoonte om zijn personeel met "u" +aan te spreken. + +"Maar... maar..." begon hij, en hij liep met groote stappen de +kamer op en neer, "ik wil je niet kwijt hier... je doet je werk +goed... uitmuntend... de redacteurs zijn tevreden... je hebt +stijl... pit... goeie vooruitzichten... wat wil je meer? Hoe oud +ben je?" + +"Binnenkort word ik achttien." + +"Binnenkort achttien... nauwelijks de vlegeljaren te boven! En +dan naar Amerika! zonder vaste positie... zonder adres... zonder +vrienden... niet weten wat te doen... dat kennenwe... dat hebbener +al zoovelen geprobeerd... De grootste helft komt terug... een paar +komen er... de rest verzinkt in een leven van tobben en ellende..." + +"Wel," zei Piet beslist, "ik zal dan behooren tot de weinigen, die er +komen. Ik maak mijn eigen werkkring. Ik zend u elke week een feuilleton +en maak een studie van het land. Ik zal een contract sluiten met een +paar Hollandsche tijdschriften voor geregelde correspondentie... ik +heb een vriend te New-York!" + +"O, dat verandert... Hm... anders een duivelsch plan van je... 'k had +je graag hier gehouden, Piet... maar enfin. Wekelijksch feuilleton +zeg je, he? Maak het pittig, interessant... Brieven uit Amerika van +Pietje Bell... de stad zal opkijken... Wel, laten we zeggen... vijftig +gulden per week... om te beginnen... dat wil zeggen, verondersteld +dat ik daarvoor twee brieven krijg... dan heb je daar alvast twintig +dollar wekelijks... behalve je andere contracten. Is dat aangenomen?" + +"Aangenomen, meneer!" riep Piet verheugd. + + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +PIET VERTREKT NAAR DE NIEUWE WERELD. + + +Er waren eenige weken heengegaan en Piet had ten slotte de vereischte +toestemming van zijn Ouders verkregen en ook reeds een antwoord van +Jacob ontvangen, waarin deze hem vol blijdschap meedeelde, dat het +huis van den heer Wortelman voor hem openstond. + +Twee van de vijf weekbladen, welken Piet zijn werk aangeboden had, +namen zijn aanbod aan en sloten ieder een contract met hem. + +Sinds zijn eerste bezoek bij de familie Voorschoten was Pietje er +nog tweemalen geweest, maar had op beide visite's niets te zien of +te hooren gekregen van de zwarte oogen en de "Millions d'Arlequin", +maar hij vond het toch vanzelfsprekend, om voor zijn vertrek de +familie nog eens te gaan bezoeken. + +Dit deed hij op een avond, dat zijn vriend Flip toch niet thuis was. + +En ditmaal vond hij de familie weer voltallig. + +Bella was niet uit, en zelfs was er nog iemand... een bedeesde +jonkman... witblond van haar en angstig-fijn gekleed, met geurende +haren en rose vingers... Dit plakplaatje werd aan Piet voorgesteld +als... de aanstaande van Bella. + +Piet drukte den nieuwen kennis stevig de hand, waarop deze bijna +flauwviel. En vanaf dat oogenblik vond Piet de zwarte oogen lang niet +zoo aardig meer. + +Nadat ze zoo een poosje rustig bijeen gezeten hadden, kwam Pietje +met het groote nieuws voor den dag. + +"De reden, waarom ik eigenlijk vanavond hier ben," begon hij, "is om +afscheid van u te nemen." + +"Afscheid?" riep Bella op verbaasden toon uit. + +"Afscheid?" herhaalde haar vader. + +"Ik ga namelijk naar Amerika," zei Piet. + +"Wat... jij ook al?" vroeg de heer Voorschoten. + +"Ik ook al?... Wie dan nog meer?" + +"Wel, pa gaat ook," zei Bella lachend. + +"Ja," vertelde de juwelier, "eens per jaar ga ik naar New York voor +zaken en keer dan meestal na eenige weken terug. En wat is de reden +van jouw reis, Piet?" + +Piet lachte eens en zei: + +"Ik werk voor de bladen... heb een paar goede contracten... ik houd +wel van werken, maar ik wil vrij zijn." + +"Je hebt hier anders een goede positie, Piet," bracht Mevrouw in +het midden. + +"O ja, mevrouw, heel goed... maar, ziet u... ik kan veel meer, +veel beter doen.... Ik houd van vertellen... en dat vertellen doe +ik het liefste met m'n pen. Maar om wat te vertellen, moet je wat +beleven... en hier beleef ik niets... hier zie ik altijd weer dezelfde +stad met dezelfde gezichten... gebeuren iederen dag weer dezelfde +dingen... en de wereld is zoo groot, mevrouw, zoo rijk aan stof voor +vertellen... en nu ga ik er mijn werk van maken... om de menschen +te vertellen van alles, wat er in die groote wereld gebeurt. En dan +ook zal ik vrij zijn, echt vrij om te gaan naar iedere stad... ieder +land... ieder werelddeel..." + +"'t Is toch gewaagd ..." meende Mevrouw. + +"Piets leven is heelemaal een waagstuk," lachte de heer Voorschoten, +"maar ik heb vertrouwen in zijn onderneming." + +"Piet is een idealist," zei Bella, en zich tot den jonkman aan haar +zijde wendend, vroeg ze: "Zou je daar ook geen lust in hebben, Teddy?" + +"Ik ... o neen ..." lispelde het plakplaatje, "ik blijf bij mama." + +"Piet," sprak de juwelier, "kom even op mijn kamer, ik zal je wat +diamanten laten zien." + +Piet volgde hem en, op de kamer aangekomen, zei de heer Voorschoten: + +"Luister, Piet, dat van die diamanten was maar een voorwendsel. Ik +wou je vragen, met mij samen te gaan naar New-York. We kunnen samen +een hut nemen, en ..." + +"Maar, mijnheer, U reist waarschijnlijk eerste klasse, terwijl voor mij +de tweede goed genoeg is ... u begrijpt ... dat ik ... nog niet ..." + +"Ssssst ... je gaat mee als mijn vriend ... desnoods als mijn +privé-detective ... ik heb voor een kapitaal aan diamanten bij +me. Natuurlijk betaal ik je overtocht, dat is mijn belang, en ook, +omdat ik meen, nog wel eenige verplichting aan je te hebben. Laat mij +nu een oude rekening met je vereffenen, waarde vriend. Bewaar het geld, +dat je al voor de reis bij elkaar had en voeg het bij het honorarium, +dat ik je bij aankomst in New-York zal overhandigen." + +"Maar ..." + +"Piet, nu geen maren of tegenwerpingen. Je weigering zou je mijn +vriendschap kosten. Het is dus besloten!" + +Piet had van pure blijdschap den heer Voorschoten wel om den hals +willen vliegen, maar bepaalde zich er toe, hem zéér stijf de hand te +drukken, waarop de juwelier met pijnlijken blik naar zijn vingers keek. + +Dien avond werd afgesproken, dat ze zouden vertrekken over veertien +dagen met de "Nieuw Amsterdam" en na allen hartelijk gegroet te hebben, +begaf Piet zich weer naar zijn kamer, zoo gelukkig als een jongen, +die zijn levensweg pas goed gaat betreden en zijn ideaal als een +gouden zon voor zich ziet opgaan. + + + +Vader en Moeder Bell waren uit Hilversum overgekomen, om hun jongen +uitgeleide te doen en ook de Vroolijke Bende was compleet. Wie geen +vrij had, had vrijaf gevraagd en zoo was het een heele drukte op +Piets kamer. + +Piet had zijn koffers reeds verzonden en alleen een kleine city-bag +mee te nemen. + +Het was Zaterdagmorgen en een heldere Julizon vroolijkte de stad op. + +Het heele gezelschap nam de tram naar de Boompjes en voor het laatst +reed Piet door de Rotterdamsche straten, waar als gewoonlijk de +draaiorgels gehoord werden. En onwillekeurig dacht Pietje aan zijn +kinderjaren in deze stad, aan den tijd, toen hij iedereen helpen wou, +wat altijd op een pak rammel uitliep. Hij zag de oude Breestraat weer +in gedachten voor zich en de bescheiden schoenmakerij van zijn vader, +hij hoorde hem het leer bekloppen, terwijl Vader altijd weer een schoon +lied zong, bijvoorbeeld: "Trek maar aan het touwtje" of "O Susanna!" + +Vader en Moeder waren een beetje stil, maar de club maakte des te +meer lawaai in de open tram. + +Oude herinneringen van de Vroolijke Bende werden nog eens opgehaald, +opnieuw werd er gelachen om de kostelijke avonturen uit den heerlijken +tijd, dien ze achter den rug hadden. + +Van de Westerkade bracht een stoombootje hen naar het terrein van de +Amerikaansche boot. + +Het was een beetje winderig op het water, dat was wel lekker frisch. + +Maar een steviger bries greep Eduard Pijpers' hoedje, en rrrrt ... ging +het overboord. + +"Ooo ... m'n hoed ... m'n hoed vélt in 't wéter, zég!!" gilde hij. + +De Bende gierde en 't hoedje dreef snel op de Maasgolven weg. + +"Hee, képtein!! képtein!!!" schreeuwde Eetje. "Wil je ésjeblieft m'n +hoed hélen." + +"Haal 'm zelf!" bromde de man en stuurde onverstoord naar den overkant. + +De Nieuw-Amsterdam, kolossaal zeekasteel van de Holland-Amerika-Lijn, +lag aan de kade onder stoom. + +"'k Zou best meewillen, Piet," zei Mien Kuijer. + +"En ik," vond Flip. + +Ja, ze vonden het eigenlijk allemaal, maar wat ze wel het +aller-àllernaarste van de heele zaak vonden, dat was dat ze Piet +gingen verliezen, de ziel van de Vroolijke Bende. Jacob, die altijd +de leiding had gehad, waren ze ook al kwijt, en nou Piet weer. Op +die manier bleef er niets meer van de club over. + +"Hoor eens, luidjes," zei Piet. "Mijn vertrek mag de club niet uiteen +doen vallen. Blijft bij mekaar, jongens, blijft bij mekaar. Bekijk +de dingen altijd van den besten kant en ga nou niet onverschillig +worden en elkaar loslaten. De club moet blijven bestaan en nieuwe +leden moeten er weer bij komen. Als je je gedrukt voelt, probeer dan +eens een deuntje te zingen of te fluiten, wat zegt u, vader?" + +"Zeker, jongen, altijd maar vroolijk zijn," zei Vader, een traan uit +zijn oog wegpinkend. + +Toen betraden ze het terrein van de booten en werden na verkregen +toestemming toegelaten. + +Daar ontmoette Piet den heer Voorschoten, die druk bezig was met het +regelen zijner bagage. + +Allen mochten op de boot komen en toen ze de weelderige inrichting +van de eerste klasse zagen, riepen ze vol bewondering: + +"Maar Piet, je gaat op reis als een koning!" + +In den salon bleven ze nog even praten ... trokken vader en moeder +Piet even terzijde. + +"Jongen," zei Moeder, "heb je nou heusch wel alles? En je geld, +is dat veilig? En heb je 'n zakdoek ... en je zeep ... en ... en +... zal je gauw eens overkomen, jongen, en veel, héél veel schrijven?" + +De zware stoomfluit dreunde ... + +"Van boord!!" + +Piet omhelsde zijn ouders die tranen in de oogen hadden. + +Toen kwam de club aan de beurt. + +Alle vrienden drukten Piet hartelijk de hand en--was het afspraak +of toeval--eerst Marie van Zanten, toen Alida Specht, toen Jannetje +de Boog en ten slotte Mien Kuijer (die deed er 't langst over) die +allen gaven Piet een klinkenden zoen op beide wangen. + +De heer Voorschoten beloofde aan Vader en Moeder een oogje op Piet +te houden en daarna verlieten ze met de jonge vrienden de boot. + +Ten tweeden male dreunde de stoomfluit ... de bruggen werden +ingetrokken ... de kabels losgegooid. + +En langzaam dreef de kolossale stoomer de rivier op. + +Piet en zijn geleider stonden op het dek, wuifden naar den wal. + +De Vroolijke Bende wuifde terug en Piet hoorde hen nog van verre +roepen: + +"Dag Piet!!!" + + + +Drie sleepbooten trokken den geweldigen zeekolos naar het midden der +rivier, daar lieten ze hem los en met eigen kracht begon de Nieuw +Amsterdam zich voort te bewegen. + +Kleiner en kleiner werden de figuren aan den wal. + +En allen wuifden, wuifden maar met hoeden en zakdoeken. + +Piet voelde een prop in de keel, toen hij allen, die hem zoo lief en +dierbaar waren, uit het oog zag verdwijnen. + +Wat hadden ze toch allen een goeden tijd doorgemaakt! + +En wat zou de toekomst brengen? + +Maar Piet slikte den brok weg, richtte zich op en haalde eens diep +adem. + +Onder hem stampten gedempt de machines, die hem naar de nieuwe wereld +zouden overbrengen ... naar het land van zijn droomen en idealen. + +Hij had zijn weg nu eenmaal gekozen, recht vooruit lag het doel ... + +De vlegeljaren had hij achter den rug, en nu zou hij moeten toonen, +dat het hem ernst was met het leven ... dat hij man ging worden ... + +Maar daarin voelde hij zich sterk ... hij wist wat hij wilde ... en +wilde wat hij kon ... + +Zoo moest hij er komen! + + + +De laatste huizen van Rotterdam verdwenen aan den horizon en Piets +lippen fluisterden glimlachend een laatsten groet naar de stad, waar +vele vrienden en kennissen nog dikwijls in hun vroolijke gesprekken +herdenken zouden de jeugd en + +De Vlegeljaren van Pietje Bell. + + + + EINDE + + + + + + + + +AANTEEKENING + + +[1] Dof gajes .... Politie in burger, rechercheurs. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De vlegeljaren van Pietje Bell, by +Chris van Abkoude (1880-1960) + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 58563 *** |
