diff options
Diffstat (limited to '58487-0.txt')
| -rw-r--r-- | 58487-0.txt | 3054 |
1 files changed, 3054 insertions, 0 deletions
diff --git a/58487-0.txt b/58487-0.txt new file mode 100644 index 0000000..ea75172 --- /dev/null +++ b/58487-0.txt @@ -0,0 +1,3054 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 58487 *** + + + + + + + + _De kleine Zwerveling_ + door D.P. Plaatsman + [Illustratie: kaft] + + + + +[Illustratie: frontispiece] + + + + + DE KLEINE ZWERVELING. + + + + + _ZESTIG CENTS-BIBLIOTHEEK._ + LECTUUR VOOR JONGENS EN MEISJES + ONDER REDACTIE VAN + +TITIA VAN DER TUUK.+ + + + + DE KLEINE + ZWERVELING + + + DOOR + + + D. P. PLAATSMAN. + + + GEÏLLUSTREERD DOOR + + + J. A. S. Z. D. K. + + + + DEVENTER -- Æ. E. KLUWER. + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + ++Een gewichtig besluit.+ + + +Eierland, dat tegenwoordig een goed bebouwde en sterk bevolkte +polder is, en met Texel één geheel uitmaakt, was vroeger een +afzonderlijk en bijna onbewoond eiland. + +Als ik zeg "onbewoond", dan bedoel ik daarmee echter alleen door +menschen, want vogels -- vooral watervogels -- huisden er in zulk +een ontzaglijke menigte, dat men volgens oude schrijvers in het +voorjaar bijna geen voet kon verzetten, zonder een twee- of drietal +nesten met eieren onder zijn bereik te hebben. De naam Eierland +wordt daaruit van zelf verklaard. + +Het recht, om die eieren te zoeken, behoorde destijds aan den +"Kastelein" van het Eierlandsche huis, die daarvoor, benevens voor +het beweiden van het Eierland met schapen en runderen, een +jaarlijksche pachtsom aan het Rijk betaalde; want het geheele +Eierland was toen landseigendom of domeingrond. + +Ook het Eierlandsche huis, bijna de eenige woning, welke er te +vinden was, en die reeds van het jaar 1650 dagteekent, was een +rijksgebouw. Op het noordelijkste deel van Eierland, aan den +binnenkant der duinen in een vallei gelegen, diende het +hoofdzakelijk tot onderhouding van de postgemeenschap met Vlieland; +maar het had toch ook nog een andere bestemming. + +Voor den ingang van het Eierlandsche gat liggen namelijk, evenals +voor dien van de meeste onzer zeegaten, gevaarlijke zandbanken. +Hoeveel schepen hier in den loop des tijds wel gestrand zijn, is +zelfs niet bij benadering op te geven, en ontzettend groot is het +aantal schipbreukelingen, dat op deze verraderlijke kust zijn graf +in de golven gevonden heeft! + +De noordelijkste uithoek van Eierland, welke sterk vooruitspringt, +draagt dan ook met recht den naam van "het Engelsche Kerkhof", +wegens de vele drenkelingen, die er begraven zijn. + +Zij, die echter den dood ontkwamen, vonden in het Eierlandsche huis +steeds een beschermend dak, waar zij liefdevol werden opgenomen en +verpleegd. + +Het groot aantal schipbreuken in de Eierlandsche gronden was +oorzaak, dat eindelijk op een der hoogste duintoppen een vuurtoren +werd geplaatst, waarvan het vèrschijnende en draaiende licht reeds +op mijlen afstands in zee de plaats aanwijst, waar gevaar dreigt. + +Ten gevolge daarvan geraakt tegenwoordig niet dan bij uitzondering +een schip op deze gevaarlijke stranden verzeild. Gelukkig, niet +waar? + +"Gelukkig!" zeggen ook de bewoners van het meer zuidelijk gelegen +dorpje De Cocksdorp, niettegenstaande zij met het wegblijven der +schepen een goed deel van hun bestaan zagen verdwijnen. + +De Cocksdorp, aldus genoemd naar den Rotterdamschen koopman De Cock, +die in het jaar 1835 met enkele andere heeren de bedijking van +Eierland tot stand bracht, ligt een weinig benoorden de zoogenaamde +Roggesloot, een der talrijke kreekjes, die aan den duinvoet +ontspringen en den polder in oostelijke richting doorstroomen. + +Het bergen van de lading der gestrande schepen bezorgde den De +Cocksdorpers soms belangrijke voordeelen. Voor het overige +verdienden zij grootendeels hun brood met de schelpenvisscherij op +de nabijgelegen zandbanken. + +Ook het laatste bedrijf werd echter van jaar tot jaar minder, en het +weleer bloeiende plaatsje is tengevolge van dat alles zeer +achteruitgegaan, zoodat het tegenwoordig niet meer dan ongeveer de +helft van het vroegere aantal bewoners telt. + +Vele van de voormalige ingezetenen hebben niet alleen het dorpje en +het eiland, maar ook het land zelf verlaten en in het verre Amerika +een nieuw vaderland en een nieuw bestaan gezocht. + +Ook Jan Vroolijk, door zijn dorpsgenooten in den regel "Vroolijke +Jan" genoemd, omdat hij als jongen zulk een vroolijke snuiter was en +soms zoo aardig uit zijn huisje kon schieten, dacht er sterk over, +met de zijnen den wijden oceaan over te steken. + +Vroeger had hij er nooit van willen weten, hoe schoon de berichten +ook luidden, welke sommige zijner familieleden, die de groote reis +reeds achter den rug hadden, van tijd tot tijd overzonden; steeds +had hij gezegd: + +"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kinderen den kost weet te +verdienen, blijf ik waar ik ben." + +Tot zijn vrouw, die er ook zeer tegen opzag om zulk een groote +zeereis te doen, was zijn gewone zeggen altijd: + + + "'k Zeg maar altijd, lieve Keetje! + Wat je hebt, mijn kind, dat weet je, + Wat je krijgt, dat weet je niet!" + + +Nu, zij hadden het dan ook, vooral in den beginne, nog al zoo kwaad +niet gehad. Maar de omstandigheden waren, in den laatsten tijd +vooral, vrij wat en alles behalve in hun voordeel, veranderd. + +Jan Vroolijk was schelpenvisscher. Acht jaar geleden -- hij telde nu +dertig jaar -- was hij met Keetje, een meisje van het dorp en van +zijn leeftijd, getrouwd. Drie kinderen hadden ze in dien tijd gehad. +De twee oudsten, beiden meisjes, waren echter al heel jong +gestorven. Alleen 't jongste, een allerliefst knaapje, was hun +overgebleven. De kleine krullebol was nu ruim drie jaar, en vader en +moeder waren, zooals licht te begrijpen is, allebei even gek met hun +ventje. Moeder noemde hem geregeld haar oogappel, en als hij maar +even klaagde, was de goede vrouw al beangst. Dan dacht zij dadelijk +aan haar beide gestorven lievelingen en bekroop haar de vrees, dat +zij ook haar Willem -- zoo heette het ventje -- wel eens zou kunnen +verliezen. De jongen groeide evenwel als kool en had een kleur als +een roos. Op en top zijn vader! Als deze thuis was, stond het huis +geregeld op stelten. Geen wonder, dat de kleine dreumes 's avonds, +als Jan Vroolijk met zijn schuit uit zee terugkwam, al op den +uitkijk stond. + +Ook nu stond hij weer te turen naar de naderende vaartuigjes, en +spoedig hadden zijn heldere kijkers den man, naar wien hij zocht, in +'t oog gekregen. + +"Dag! dag!" riep de kleine broekeman, en hij zwaaide als naar +gewoonte met zijn mutsje zijn vadertje het welkom toe. + +Zag vader hem niet, dat zijn groet dezen keer niet beantwoord werd? + +"Dag! dag!" riep de kleine nog al eens en nog eens weer; maar Jan +Vroolijk scheen zijn jongen niet te bemerken of over 't hoofd te +zien. + +Neen, toch! daar zwaaide ook hij met zijn pet, en over zijn gelaat, +dat er, zooals in de laatste dagen wel meer gebeurde, zeer ernstig +uitzag, kwam een gelukkige glimlach bij het terugzien van zijn +lieveling. 't Volgende oogenblik stond zijn gelaat echter weer net +zoo strak als even te voren. + +Wat was er dan gebeurd, dat Vroolijke Jan zoo uit zijn humeur had +gebracht? + +"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kind den kost kan winnen, +blijf ik waar ik ben," had hij altijd gezegd. In den laatsten tijd +scheen het echter, alsof hem dit met den besten wil en de grootste +krachtsinspanning niet langer mogelijk zou zijn. Sinds het voorjaar +was het met de schelpenvisscherij van week tot week achteruitgegaan, +en van daag was 't hem dan al bijzonder tegengeloopen! De schelpen +waren bij den jongsten storm geheel onder het zand bedolven geraakt, +en waar hij vroeger met het grootste gemak een rijke lading wist op +te visschen, gelukte het hem nu slechts met de grootste moeite en +den meesten ijver, een zeer mager vrachtje aan wal te brengen. + +Daar kwam nog meer onheil bij, waardoor zijn gemoedsstemming er ook +al niet op verbeterde. Tusschen de schuitjes der visscherlieden +bewoog zich nu ook een stoomschip, dat van een stoomschelpenzuiger +voorzien was. Daarmede werden de schelpen tot op een diepte van 10 à +20 voet uit den zeebodem losgewoeld en naar boven gebracht, om +vervolgens, gewasschen en wel, in een op zijde liggend vaartuig +overgestort te worden. Het eene schip na het andere werd op deze +wijze soms in enkele uren met een volle lading bevracht. Dit had +natuurlijk weer een ongunstigen invloed op den prijs der schelpen, +waarvan in de kalkovens de metselkalk gebrand wordt en zoo kwam dus +het eene ongeluk bij het andere. + +Geen wonder waarlijk, dat Jan Vroolijk alles behalve prettig gestemd +was. + +Terwijl hij daar aan het roer zat en zijn schuitje landwaarts +stuurde, was hij er in ernst over begonnen na te denken, of het toch +maar niet beter zou zijn, bij tijds dit sober bestaantje op te geven +en iets anders te beginnen, waarmee een beter loon te verdienen +viel. + +Maar wat zou hij aanvangen? + +Hij was een uitstekend schipper en had een paar ferme handen aan het +lijf; maar een ambacht verstond hij niet. + +Onwillekeurig dwaalden zijn gedachten zoodoende af naar het verre +Westen, waarheen reeds zoo vele zijner vroegere dorpsgenooten hem +waren voorgegaan. + +"Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld te +verdienen," schreef men steeds uit de nieuwe wereld. Nu, werken +wilde en kon hij zoo goed als de beste, als het slechts brood gaf! +Zooals de zaken nu stonden, ging hij echter van week tot week +achteruit. + +Aldus in zich zelf redeneerende, kwam hij eindelijk tot de slotsom, +dat het beste was, er thuis eens ernstig met moeder de vrouw over te +spreken, wat hun in deze omstandigheden te doen stond. Zóó kon het +in allen gevalle niet blijven, dat stond als een paal boven water. + +Aan wal gekomen, nam hij, zooals hij altijd gewoon was, zijn zoontje +op den arm, om zich met hem naar huis te begeven. Maar hoe druk die +twee het anders gewoonlijk ook hadden, dezen keer sprak Jan Vroolijk +al bijzonder weinig, en ook Willempje scheen, onder den indruk van +vaders ongewoon gezicht en weinige spraakzaamheid, van den weerstuit +het babbelen en snappen geheel verleerd te hebben. + +Moeder, die haar kleintje geen oogenblik uit het oog verloren had, +stond hen reeds aan de deur op te wachten. Ook haar viel het +dadelijk in het oog, dat Jan niet was zooals anders. Bezorgd liep ze +hem tegemoet, om te vragen of hem ook iets scheelde. "We hebben een +brief van oom Willem uit Amerika!" riep ze er in één adem bij. +"Alles gezond volk, hoor!" + +"Een brief van oom Willem!" En dat juist nu! 't Kon waarlijk niet +beter treffen! De gelegenheid om met zijn vrouw te spreken over 't +geen hem door 't hoofd maalde, bood zich nu als van zelf aan; want +om de waarheid te zeggen, zag hij daar wel een beetje tegen op. Zijn +gelaat klaarde dan ook vrij wat op, nu zulk een onverwachte +bondgenoot hem als 't ware te hulp kwam. Oom Willem zou toch, even +als altijd, wel weer heel veel moois te vertellen hebben. + +"En wat schrijft hij?" vroeg Jan onder het naar binnen gaan, terwijl +moeder den kleinen Willem van hem overnam. + +"Zeg mij liever eerst eens, wat er aan hapert," antwoordde zijn +vrouw. "Je bent zoo stil...." + +"'t Is ook wel, om er stil onder te worden," viel Jan haar in de +rede. "Er valt langer geen droog brood te verdienen. De schelpen +zitten meest allemaal onder 't zand, en die er nog zijn, worden ons +door die verwenschte machine voor den neus weggepikt! Als 't langer +zoo moet, kunnen we onze matten wel oprollen, vrouwtje! Wist ik maar +wat anders te bedenken, dan zette ik geen voet meer aan boord; want +mijn zin is er glad af." + +"Nu, lees dan maar eens wat oom Willem schrijft," zeide zijn vrouw, +terwijl zij een dikken brief, met verscheidene poststempels er op, +uit de kast te voorschijn haalde, en hem haar man overreikte. + +Jan greep begeerig naar den brief en een oogenblik daarna was hij +geheel in de lezing er van verdiept. + +Wat oom Willem schreef? + +Dit o.a.: + +"We zijn nu ongeveer vier jaar hier en hebben al een aardig +spaarpotje. Het huisje, dat wij bewonen en dat geheel ons eigendom +is, ziet er heel aardig uit. Daarbij bezitten wij een flinken tuin +en ongeveer 3 H.A. weiland. Wij hebben vier beste koeien op stal en +een varken van ongeveer 150 K.G. op het hok. Dat moet over eenige +weken in de kuip. Spek en vleesch eten wij zooveel wij lusten. +Terwijl ik zelf thuis volop werk heb, gaan onze Gerrit en Klaas alle +dagen naar de fabriek. Zij verdienen nu al een dollar daags en +krijgen binnen kort weer opslag...." + +Toen Jan tot zoover met de lezing van den brief gevorderd was, hield +hij zuchtend eenige oogenblikken op. 't Schemerde hem voor de oogen +bij de opsomming van al dat schoons, en als van zelf begon hij +daarmee zijn eigen sober bestaantje te vergelijken. + +"Hadden we vier jaar geleden ook maar besloten om mee te gaan, Kee," +zei hij, zijn vrouw, die tegenover hem zat, aanziende; "wie weet, +hoe goed ook wij het dan nu hadden. Wat oom Willem daar schrijft, is +om van te watertanden. Al werk ik hier ook van 's morgens vroeg tot +'s avonds laat, dan kom ik nog geen steek vooruit." + +"Och kom, tob daar nu maar niet over," antwoordde de toegesprokene, +die inmiddels den kleinen Willem in haar schoot liet dansen. "Bedenk +maar liever eens, wat kapitaal wij hier hebben!" + +Dat kapitaal -- hun jongske -- scheen zich bij moeder schadeloos te +willen stellen, voor 't geen hij straks bij vader te kort gekomen +was, en het kereltje had een pret van belang. Vader deed zijn naam +echter alles behalve eer aan. "Daar koopen we toch voor 't oogenblik +geen brood voor," sprak hij gemelijk en jaloersch op ooms voorspoed. + +"Waarom lees je dan niet, wat er verder staat? Misschien brengt je +dat wel weer een beetje in je humeur!..." + +Jan las nu verder, en Keetje merkte op, dat zijn gezicht al spoedig +een geheel andere uitdrukking aannam. Geen wonder ook. Wat daar +stond te lezen, was wel in staat, hem weer in een betere stemming te +brengen. + +"... Ik begrijp niet," zoo stond er, "wat je er nog langer tegen +hebt, om tot ons te komen. Je meeste familie woont hier, en allen +hebben het even goed, veel beter, dan ze het in Nederland ooit zouden +gekregen hebben. Ik weet wel, men verlaat niet voor zijn plezier het +vaderland, om het misschien nooit weer te zien; maar toch zeg ik: +wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Denk er dus met je +vrouw nog eens rijpelijk over na, en hapert het je soms aan de +noodige middelen om over te komen, schrijf het dan maar gerust; want +daar weten we hier wel raad voor. En als je eenmaal bij ons bent, +zullen we wel zorgen, dat je onder dak komt en dat er wat voor je te +doen valt. Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld +te verdienen. Er komen hier nog steeds handen te kort...." + +'t Was, of Jan voelde, dat zijn vrouw, terwijl hij las, de oogen op +hem gevestigd hield. Toen hij dan ook opkeek, ontmoetten hun blikken +elkander, en met een vragende uitdrukking op het gelaat zag de een +den ander aan, alsof ze zeggen wilden: "Nu, hoe denk je er over?" + +"Dus zou je me aanraden, er toe over te gaan?" vroeg Jan eindelijk, +met eenigszins trillende stem. "Ik dacht anders.... Ik vreesde...." + +"Ja, ik zou er ook wel erg tegen opzien, lieve man," viel zijn vrouw +hem in de rede, "maar 't is, zooals oom schrijft: wat het zwaarste +is, moet het zwaarste wegen. Als we hier langer geen brood hebben en +'t daar zoo goed kunnen krijgen, zou het dan niet het beste zijn, er +maar in tijds toe te besluiten, liever dan hier nog langer te +blijven? Als 't er toch toe komen moet, dan maar hoe eer hoe beter, +dunkt me." + +"Weet je wat, vrouw, we zullen er ons eerst beiden nog eens ernstig +op bedenken; want de zaak is te gewichtig, om zoo maar één, twee, +drie een besluit te nemen, vind je ook niet?" + +"Dat is zeer verstandig van je bedacht, Jan. Je kunt er dan nog eens +met den een en ander over spreken ook en zien, wat men je aanraadt." + +De goede vrouw, die natuurlijk ook van week tot week ontdekte, +hoezeer de verdiensten van haar man verminderden, en wel gezien had, +hoe zijn vroegere opgeruimdheid daarbij geheel verloren ging, had +den geheelen dag reeds nagedacht over den inhoud van den gewichtigen +brief, en haar besluit stond reeds vast. Zij was een verstandige +vrouw en had terecht begrepen, dat van "liever" in de tegenwoordige +omstandigheden geen sprake kon zijn. Wel was de plek, waar haar twee +gestorven lievelingen begraven lagen, haar dierbaar en zou zij +bovendien veel en velen, die haar lief waren, moeten vaarwel zeggen; +maar zij zou ook weer anderen terugvinden, die zij hier miste; en +wie haar boven alles en allen aan het hart lagen, had zij immers +overal bij zich. Wat kwam het er, wel beschouwd, dan ook op aan, +waar zij in de wereld was. De reis was het ergste; maar daar zou ze +ook wel overheen komen, nu ze al met het denkbeeld verzoend was. +Niettemin wilde ze haar besluit niet opdringen. 't Moest met Jans +eigen vollen zin en wil gebeuren. En besloot hij tóch te blijven, +welnu, ze hadden tot heden lief en leed samen gedeeld, en dat zou +ook verder zoo zijn. + +Een brief uit Amerika was op het dorp altijd een gewichtige +gebeurtenis. Dan kwamen buren en kennissen toesnellen, om van den +inhoud kennis te nemen en de groeten te ontvangen van hun verre +vrienden. In de meeste gevallen ging zoo'n brief van hand tot hand +of werd hij aan belangstellenden voorgelezen. En bevatte hij goede +tijding, dan gaf dit dikwijls aanleiding, dat de een of ander, die +het met zich zelf nog niet eens was, daardoor tot het vaste besluit +kwam, om ook eerlang het Oosten met het Westen te verwisselen. Dat +Jan Vroolijk nieuws had van oom Willem, ging dan ook al spoedig als +een loopend vuurtje door het dorp rond, en nog denzelfden avond had +hij bezoek van Jan, Piet en Klaas, die allen nieuwsgierig of +belangstellend waren naar de ontvangen tijdingen. + +"Goede raad is duur," zegt het spreekwoord; doch als alle +raadgevingen, welke Jan Vroolijk en zijn vrouw ontvingen, goed waren +-- goed gemeend waren ze in elk geval -- dan waren ze dien avond +integendeel al zeer goedkoop. + +"Als ik in je plaats was, Jan, dan aarzelde ik geen oogenblik," zei +de een; "je zoudt dwaas zijn, als je de gelegenheid niet met beide +handen aangreept," beweerde weer een ander. "'k Wou, dat het mij zoo +mooi aangeboden werd; wat zou ik gauw toeslaan!" voegde een derde +hem toe. + +En Jan Vroolijk zelf? + +Hij kon maar niet tot een besluit komen. Hoezeer hij ook naar +verandering en verbetering wenschte, -- nu hij slechts had te +schrijven: "Wij komen," om bijna zeker te zijn van verbetering, nu +zag hij er bepaald tegen op. Vooral de vrees, dat zijn vrouw alleen +ter wille van hem haar mindere ingenomenheid van vroeger had laten +varen, maakte hem huiverig. Als zij eens ziek werd of berouw kreeg, +of als zijn jongen eens niet bestand bleek tegen de verre zeereis, +of als.... Kortom, een berg van bezwaren rees voor hem op! Het +duurde dan ook een heelen tijd, voor die alle uit den weg geruimd +waren. + +Toen hem echter duidelijk bleek, dat zijn vrouw volkomen met het +denkbeeld verzoend was en er op geen andere wijze verbetering van +bestaan te verwachten was, werd op zekeren dag oom Willems brief +beantwoord met de mededeeling, dat men na lang en goed beraad +besloten had tot hem te komen. Die brief werd wel is waar onder +tranen geschreven, maar toch, hij werd geschreven en op de post +gedaan ook! En weldra verspreidde zich over het dorp het nieuws, dat +Jan Vroolijk en de zijnen ook naar Amerika gingen. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + ++De landverhuizers.+ + + +We bevinden ons te Rotterdam. + +Wie van leven en beweging houdt, is hier aan het rechte kantoor. +Geen drukker plekje toch in ons geheele land dan Rotterdam aan den +Maaskant, aan de zoogenaamde Boompjes. Daar kent men geen rust; daar +wordt het nooit nacht! Een onafzienbare, twee-, driedubbele rij van +schepen strekt zich langs den oever uit, en zonder ophouden is men +er aan het laden en lossen. Een bijenzwerm gelijk, zoo woelt en +krioelt daar alles door elkander. Het geraas van honderden +voertuigen, vermengd met het gegons van duizenden schreeuwende en +zingende menschenstemmen en het onophoudelijk gegil der stoomfluiten +doet iemand hooren en zien vergaan. Ieder oogenblik komen en +vertrekken er stoomschepen en andere vaartuigen, en de rivier voor +de stad biedt een tooneel aan van leven en bedrijvigheid, zooals men +dat bijna nergens anders aantreft. Uit alle oorden der wereld komen +reusachtige zeekasteelen hier de schatten brengen, waarmee zij +bevracht zijn; naar alle hemelstreken vertrekken zij weer, voorzien +van niet minder kostbare lading, dan zij hebben aangebracht! + +Ziet gij daar dat groote stoomschip met zijn rookende schoorsteenen +en vroolijk wapperende vlaggen aan den top der masten? + +Honderden menschen verdringen zich in de nabijheid van dat vaartuig, +en gedurig ziet men enkelen uit de massa de loopplank betreden en +zich aan boord begeven. + +Het is een passagiersboot, die tot vertrek gereed ligt! + +Maar voor hun plezier schijnen de reizigers dan toch niet uit te +gaan; want het schreien staat den meesten nader dan het lachen. +Velen kunnen zelfs hun tranen niet bedwingen; terwijl enkelen, die +den voet reeds op de loopplank gezet hebben, nogmaals en nogmaals +terugkeeren, om afscheid te nemen van hen, die achterblijven en ze +tot hiertoe hebben uitgeleid. + +Hier zien we een zoon, die zijn oude moeder om den hals valt; daar +een man, die vrouw en kinderen teeder omhelst en innig aan het hart +drukt; ginder weer een ander tooneel, dat aan afscheidnemen voor +langen, zeer langen tijd doet denken. + +En te midden van dat alles worden kisten en koffers aangevoerd en in +het schip geladen, terwijl elke aankomende trein of boot het aantal +passagiers nog doet vermeerderen. + +Ziet ge geen kennissen te midden van al die vreemde, meest treurige +gezichten?.... + +Neen?.... Ja toch, daar komt nog een klein gezelschap, dat we meer +moeten gezien hebben. + +'t Bestaat slechts uit drie personen: man, vrouw en kind. + +Wie het dan zijn? + +Niemand anders dan Jan Vroolijk en zijn vrouw met hun kleinen +Willem. + +Begrijpt ge nu ook, wat de reden is van al die droefheid en +treurigheid om u heen? + +Het stoomschip, dat ge daar voor u ziet liggen, is de "Maasdam" van +de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij en ligt gereed +om den Atlantischen Oceaan over te steken naar Amerika. + +Drie maanden geleden was met een ander stoomschip van dezelfde +Maatschappij de brief verzonden, waarin zij oom Willem hun plan, om +over te komen, hadden medegedeeld, en nu stonden zij gereed, de +groote reis te aanvaarden. + +Wat een drukte en beslommering was er evenwel aan dit oogenblik +voorafgegaan! + +Verkooping van huis en schuit en 't overtollige huisraad, +afscheidsbezoeken aan familie en bekenden, te veel om te noemen. + +Gelukkig, dat oom Willem het niet bij woorden had gelaten, maar "uit +voorzorg" zooals hij schreef, alvast maar een plaatsbillet, dat hun +vrijen overtocht op de boot verzekerde, had overgezonden; want toen +alles verkocht was en allen, die iets van Jan Vroolijk te vorderen +hadden, tot den laatsten cent waren afbetaald, schoot er waarlijk +niet veel over. + +Waar de visscherij geheel verviel en dientengevolge reeds zooveel +woningen ledig stonden, kon de opbrengst van hun geringe bezittingen +natuurlijk slechts luttel zijn. + +Eindelijk stonden zij aan den vooravond van hun vertrek. Van allen +hadden zij afscheid genomen, en den volgenden morgen vroeg zouden ze +in alle stilte afreizen. + +Nog één bezoek slechts wenschten zij af te leggen, en dat zeker wel +niet het minst treffende: een bezoek aan het kerkhof. + +Jan Vroolijk en zijn vrouw konden den vaderlandschen bodem niet +verlaten, konden niet van hun dorpje scheiden, zonder eerst nog +eenmaal de plek bezocht te hebben, waar hun twee gestorven +lievelingen begraven lagen. Dat daar heete tranen geschreid werden, +behoef ik u zeker niet te zeggen. + +Maar gelukkig behoefden zij toch niet alles achter te laten, wat hun +lief en dierbaar was! Zij hadden immers hun ventje nog, hun +oogappel, zooals moeder hem noemde! + +Hoe zacht en rustig sliep hij daar voor de laatste maal in zijn +bedje, onbewust van alles wat hem wachtte! + +Konden vader en moeder ook slechts zoo slapen! Maar de herinneringen +aan het verleden en de gedachten aan de toekomst, die zij +tegengingen, waren hun te machtig. + +Bijna slapeloos brachten zij den nacht door en de volgende morgen +vond hen al weer vroeg op de been. + +'t Was maar goed, dat moeder eenige afleiding vond in haar jongske, +dat wat in zijn schik was met het nieuwe pakje, 't welk voor deze +gelegenheid aangeschaft was en hem nu werd aangetrokken. + +Eten? + +Kom, een klein stukje toch! De reis naar Rotterdam is zoo lang!.... +Maar de bete blijft in de keel steken. + +Hoor! daar rolt een rijtuig door de stille dorpsstraat. Voor de deur +der woning houdt het stil. + +"'t Is tijd, vrienden!" zoo klinkt de stem van den koetsier. + +Werktuiglijk staan allen op. + +Nog een kus, nog een handdruk, nog een laatste blik her- en +derwaarts, en zij zitten in het rijtuig. + +"Dag! dag!" roept de kleine Willem boven alles uit, en hij klapt in +de handen van pret, dat hij mee uit rijden mag gaan. + +"Ga met God en gelukkige reis!" is het laatste, wat zij hooren, en +daar gaat het.... het dorp uit en den weg op!.... + +Aan de boot, die ter afvaart gereed ligt en den achteraankomenden +door een schel en snijdend gefluit tot spoed aanmaant, vinden we hen +terug. Hun bagage, een groote kist, waarin 't beste en kostbaarste, +wat zij bezitten is geborgen, bevindt zich reeds aan boord en na +eenige oogenblikken zijn ook zij achter de hooge verschansing van +het vaartuig verdwenen. + +Daar, op het dek van het groote stoomschip, heerscht intusschen niet +minder drukte dan aan den wal. + +Het aantal passagiers bedraagt dan ook stellig eenige honderden. En +niet alleen Nederlanders treffen we hier aan, verscheidene volken +van Europa hebben hun deel geleverd aan het groot aantal van hen, +die het gemeenschappelijk doel "Amerika" binnen deze beperkte ruimte +bijeengebracht heeft. + +Duitschers, Russen, Zwitsers,.... allen richten hun blik naar de +Nieuwe Wereld en keeren het oude, vergrijsde Europa den rug toe, in +de hoop, daar ginds bij een meer onbezorgd bestaan een minder +donkere toekomst te zullen tegengaan. + +Toch valt het scheiden den meesten zwaar, en ons drietal ziet zich +dan ook door alles behalve vroolijke gezichten omringd. + +In groepjes bijeengeschaard, naar gelang van den verschillenden +land- en volksaard, tracht men elkander te troosten en te +bemoedigen, wat evenwel niet belet, dat menig overkropt gemoed een +oogenblik later weer in tranen en snikken uitbarst. + +Geen wonder, dat ook de pas bedwongen smart van Jan Vroolijk en zijn +vrouw zich, te midden van zooveel treurigheid, op nieuw deed gelden. + +In een afgezonderd hoekje zette de moeder zich neer. Met haar +kleinen Willem, die het moede hoofdje tegen haar liet aanvallen en +weldra in slaap viel, op den schoot, zat zij in stilte te weenen, en +ook Jan kwam tot de ontdekking, dat de laatste loodjes niet het +minst zwaar wegen. "Waren we maar goed en wel in zee!" zuchtte hij +in zich zelf, toen een hand op zijn schouder gelegd werd en hij, +zich omkeerende, een ouden bekende voor zich zag staan. + +"Wat drommel, vroolijke Jan, zet eens een ander gezicht, opdat ik +zien kan, of ik den rechten wel voor heb! Je lip hangt zoowaar op 't +derde knoopsgat." Aldus schertsende stak Piet Vlug, een +schoolkameraad van Jan Vroolijk en nu als bootsman op de Maasdam in +dienst, den toegesprokene de hand toe, die Jan, aangenaam verrast, +met warmte drukte. + +"En jij, Keetje, ken jij me niet meer?" ging Piet Vlug in één adem +voort. "We hebben mekaar ook in zoo lang niet gezien. Maar je +herinnert je toch immers Vlugge Piet nog wel, al noemde je hem ook +meestal: 'Nare Piet', omdat hij je altijd zoo'n beetje voor den gek +hield! Komaan, meid, droog je tranen en ga jelui maar met mij mee, +dan zal ik je wel zoo'n beetje terecht helpen. Ik onderstel toch, +dat je hier niet per abuis verzeild bent, maar plan hebt, om met ons +naar den overkant te gaan!" + +"O, wat treffen we dat, Jan!" zei Keetje, die zich een hart onder de +riem gestoken voelde bij deze onverwachte ontmoeting. "Zeker ken ik +je nog, Piet!.... En vaar jij hier op dit schip?"..... + +Zij was inmiddels opgestaan met het kleine ventje, dat zijn hoofdje +tegen haar had aangevlijd en onder alle aandoeningen zijner ouders +rustig doorsliep. "Lag je maar goed en wel in je bedje, mijn +jongen!" zuchtte zij, voorzichtig een kus op zijn voorhoofdje +drukkend. + +"Wacht, daar is raad voor!" sprak Piet Vlug, haar op zijde komende. +"Geef dien kleinen kleuter maar hier en volg mij dan maar. Ik zal +jelui in mijn logies brengen, dan kan je daar alvast een beetje van +den schrik bekomen." + +Zij gingen nu naar het voorschip, waar zich het logies van de +bemanning bevindt en waar Piet Vlug als bootsman zijn afzonderlijke +hut met kooi had. Daar aangekomen, lei de goedhartige zeeman het +kleine mannetje voorzichtig onder de dekens, bood vervolgens zijn +oude kennissen elk een vouwstoeltje aan en spoedde zich toen met de +woorden: "Zie zoo, kom nu eerst maar een beetje tot je zelf", naar +de kombuis, om aan den kok een keteltje koffie te vragen. + +Belast en beladen kwam hij een oogenblik later weer terug, zette een +en ander op een klein kleptafeltje, dat aan den wand hing en nu op- +en vastgezet werd en sprak toen: "Zie zoo, dat is beter, dan daar +boven aan dek te midden van al die narigheid! Als ik je nu een +goeien raad mag geven, eet en drink dan eens wat; want daar zal +zeker vandaag nog niet veel van gekomen zijn; dan kom je van zelf +weer wat op je verhaal. Als ik dan strakjes, wanneer we in 't ruime +sop zijn, eens een slippertje kan maken, kom ik een half uurtje bij +jelui praten. Je hebt immers je papieren en staat op de +scheepsrol?.... Mooi! blijf dan maar rustig bij mekaar, en doe of je +thuis waart, net als die daar in mijn kooi! Als de rol afgelezen +wordt, zal ik je wel even waarschuwen. Tot straks!".... Met wipte +hij de hut uit en was in een ommezien weer aan dek, waar men reeds +druk in de weer was, om de kettingen en trossen, waaraan het schip +gemeerd lag, los te maken en binnen boord te halen, daar het +oogenblik van vertrek -- op de minuut af bepaald -- met rassche +schreden naderde. + +De kapitein en de loods bevonden zich op de brug; de officieren +liepen heen en weer op het dek en deelden hun bevelen uit; het +scheepsvolk trok onder het aanheffen van een vroolijk matrozenliedje +aan de touwen; de machinisten beneden brachten de machine in +beweging, zoodat het schip door al zijn leden trilde, evenals de +passagiers, die begrepen, dat nu het beslissende oogenblik gekomen +was. + +Zij, die familieleden aan den wal hadden staan, rekten zich nogmaals +over de verschansing van het zwaaiende schip heen, om nog een +laatsten groet -- een allerlaatst vaarwel -- op te kunnen vangen, en +dan zoolang naar dezelfde plek te staren, tot alles zich voor hun +beneveld oog in een grauwe, golvende massa oploste, waaruit zij +echter toch nog altijd de gelaatstrekken der hunnen meenden te +kunnen herkennen. + +Jan Vroolijk en zijn vrouw bleven, den raad van hun vriend +opvolgende, stilletjes beneden in de hut; maar de eerste slagen der +machine deden niettemin ook hen geweldig schokken. Willem bleef +echter, ten spijt van alle geweld en geraas, rustig doorslapen, en +als zoo iets in staat was, hen weer tot kalmte te brengen, dan was +het zeker wel het gezicht van hun slapenden lieveling! + +Na een poosje lag de Maasdam op stroom, met den steven naar den +Oceaan gekeerd, zachtjes dansend op de kabbelende golfjes, die +krijgertje speelden om den boeg en het schoone vaartuig hun welkom +op de baren toezongen. + +Nog enkele formaliteiten slechts en de reis zou beginnen. Het schip +moest namelijk nog "uitgeklaard" worden, m. a. w. door daartoe van +wege het Rijk aangestelde ambtenaren moesten de scheepspapieren +worden onderzocht. Toen deze echter in orde waren bevonden, en toen +zoowel de bemanning als de ingeschreven passagiers allen aanwezig +bleken te zijn -- onze bootsman had volgens belofte zijn kennissen +bijtijds van het aflezen der scheepsrol verwittigd -- en eindelijk +ook de laatste boot het schip had verlaten, om naar den wal terug te +roeien, belette niets meer, het anker te lichten en zee te kiezen. + +Daar rammelt de zware ijzeren ketting in de kluisgaten bij het +draaien aan het spil en -- de laatste boei is verbroken. + +"Vooruit!" klinkt het bevelend van de brug, en het schip zet zich in +beweging. Een dikke rookwolk stijgt uit beide schoorsteenen omhoog, +en met de vlag aan den top van den grooten mast wordt driemaal +gesalueerd, welken groet het op stroom liggende wachtschip der +Marine op gelijke wijze beantwoordt. + +Langzaam en statig beweegt zich nu het trotsche stoomgevaarte +tusschen allerlei op- en afzeilende vaartuigen, en hoewel aller blik +nog achterwaarts gericht is, gaat het toch steeds onverbiddelijk +voorwaarts. Weldra heeft men de Nieuwe Maas achter zich; nog een +uur, en ook de Nieuwe Waterweg is ten einde gestoomd. Reeds rollen +de golven der Noordzee schuimend en bruisend op het vaartuig aan, om +het welkom van daar straks luide en krachtig te herhalen. + +Daar dreunt een kanonschot over het water, een oogenblik later nog +een en nog een, en als tegengroet zendt ook het vaderland den +vertrekkenden landverhuizers uit de stalen vuurmonden van het fort +in de duinen een tot driemaal herhaald vaarwel toe! + +Nauwelijks is het geluid weggestorven, of het schip bevindt zich in +zee. + +"Met volle kracht vooruit!" beveelt nu de kapitein, die zijn post op +de brug nog niet verlaten heeft, en daar gaat het den oceaan op! + +'t Is omstreeks acht uur in den avond. Het Augustuszonnetje neigt +ten ondergang en haar laatste stralen verlichten de toppen der +duinen, de laatste punten van het steeds dieper wegzinkende land, +waarop nogtans zoo velen weemoedige blikken onafgebroken gericht +zijn. Daar gaat de zon onder, en ook de laatste oneffenheid aan den +horizon is verdwenen. Water, niets dan water breidt zich rondom hen +uit! + +Wie schetst, wat daar omgaat in zoo menig hart, als het vochtig oog +zich eindelijk van de verdwenen kust afwendt! + +"Komaan, nu eens te loevert uitgekeken! Er valt aan lij toch niets +meer te zien, al kijk je je oogen ook blind!" Met deze woorden +voegde onze bootsman zich eindelijk weer bij zijn vrienden. Dezen +waren, toen de kleine Willem door de geloste schoten wakker geworden +was, weer aan dek verschenen en stonden nu, in gedachten verzonken, +nog altijd de plek na te staren, waar het meest vooruitspringende +deel der vaderlandsche kust zoo even in zee was weggedoken. + +"Ja, jij hebt goed praten, Piet!" zei Jan Vroolijk bewogen, "jij +keert over een week drie, vier terug; maar wij zien het vaderland +hoogst waarschijnlijk nimmer weer." + +"Och kom, kwel je daar nu niet langer mee! Je bent nu toch eenmaal +in het schuitje en -- wie in het schuitje zit, moet meevaren. Wie +weet, hoe spoedig je voor je plezier eens een uitstapje naar Holland +terug maakt!... Maar wordt het niet te koud aan dek voor dien +kleinen landverhuizer, Kee?.... 't Ventje ziet zoo bleek!.... Zou +hij misschien al last beginnen te krijgen van...?" + +"Van zeeziekte, bedoel je?" vroeg Keetje, haar knaapje bezorgd +aanziende. + +"Wees wijzer, vrouw!" sprak de vader; "met die gekheid houden we ons +niet op. Maar de jongen krijgt slaap. We moesten met hem naar +beneden gaan, dunkt je niet?" + +"Wel ja, laten we van de gelegenheid profiteeren," zei Piet Vlug. +"Ik heb de hondenwacht en zou het heel prettig vinden, samen nog een +uurtje te keuvelen. 't Is toch nog te vroeg om naar kooi te gaan." + +"Maar waar belanden we dan straks?" vroegen man en vrouw tegelijk. + +"Heb daarvoor geen zorg," Was het antwoord. "Je logies is besteld, +en straks breng ik je zelf naar je logement!" + +Een oogenblik daarna zaten ze samen heel gezellig in het appartement +van den bootsman bij elkaar, en ontbrak het den bezoekers in den +beginne ook al aan de noodige opgewektheid om veel te spreken, Piet +Vlug had zooveel te vertellen en te vragen naar alles, wat op het +dorpje achter de duinen van Eierland en zijn bewoners betrekking +had, dat de tongen van lieverlede loskwamen en zij hun leed weldra +voor een wijle konden vergeten. + +Willem zat overeind in de kooi van den bootsman en liet zich bij het +regelmatig op- en neergaan van het schip, waarin de jeugdige zeeman +veel schik scheen te hebben, telkens met een "plof" achterover +vallen. Eindelijk echter zou hij toch afgezakt zijn, waarom moeder +voorstelde nu het nachtkwartier op te zoeken. + +"Weet je, wat ik daar zoo dacht?" zei de bootsman daarop. + +"Welnu?" + +"Dat je hier maar stilletjes bij je ventje in mijn kooi moest gaan +liggen. 't Is tusschendeks op 't oogenblik zoo'n verschrikkelijke +herrie, dat ik er tegen opzie, om je er naar toe te brengen. Daar +zijn er nu zeker minstens een paar honderd, die hun tol aan Neptunus +betalen en dat is waarlijk geen aangenaam gezelschap. We hebben hier +vlak bij wel een paar hangmatten in voorraad, waarin je man en ik +den nacht kunnen doorbrengen. Je kunt dan morgen altijd zien. Bevalt +het je hier goed, en staat de kapitein het toe, dan sta ik je met +plezier gedurende de reis mijn hut af. Ik slaap toch ook eigenlijk +veel liever tusschen de touwen dan op de planken." + +Ge begrijpt, hoe het aanbod van den bootsman met blijdschap +aangenomen en met dankbaarheid aanvaard werd. + +"We konden het toch waarlijk niet beter getroffen hebben," herhaalde +Keetje nog eens. + +"Nu, maak het je dan maar zoo gemakkelijk mogelijk, en zorg, dat je +gauw onder de wol en in slaap komt. Ik ga al vast afbrassen en zie +een paar kooien op te duiken." + +Met deze woorden liet hij het echtpaar alleen, stak zijn neus nog +even in den wind en begaf zich daarop naar het kooienhok, vanwaar +hij weldra, met bed en bulster beladen, terugkeerde. + +Spoedig lag hij zeer behagelijk in zijn matje te schommelen, door +Jan gevolgd, die als oud Marine-milicien het ongewone slapen in een +hangmat ook nog niet verleerd was. + +En terwijl de Maasdam haar reis geregeld vervolgde en, begunstigd +door schoon weder, met een twaalfmijlsvaart koers zette naar "De +Hoofden," zochten en vonden onze vermoeide vrienden eindelijk in den +slaap de zoo noodige en gewenschte rust. + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + ++Op den Oceaan.+ + + +Wie den volgenden dag in de courant de rubriek scheepstijdingen +naging, zou daar onder meer hebben kunnen lezen: "Vertrokken van +Rotterdam met bestemming naar New-York, het stoomschip "de Maasdam," +met 70 kajuitspassagiers, t. w. Mijnheer A... Mevrouw B... +Mejuffrouw C... enz. enz. benevens 525 tusschendekspassagiers." +Voegen we daarbij nog de équipage van het schip, die uit ruim 50 +koppen bestond, dan zien wij, dat ongeveer 650 menschen, +overeenkomende met de geheele bevolking van een flink dorp, aan +boord bijeen waren. + +"Hoe is het mogelijk," zegt gij, "dat zulk een groot aantal menschen +binnen zoo'n beperkte ruimte plaats kan vinden? Ze mogen wel als +haringen in een ton gepakt zijn!" Nu, heel veel ruimte is er dan ook +voor ieder niet beschikbaar; daarin hebt gij gelijk. Maar de +schepen, waarmee landverhuizers naar de Nieuwe Wereld vervoerd +worden, zijn er bijzonder op ingericht, om een groot aantal +passagiers te kunnen bergen, en er is zooveel mogelijk van elke +beschikbare ruimte partij getrokken. Zoo vindt men o. a. in de +hutten voor de passagiers, die langs de zijden van het schip zijn +geplaatst, soms drie kooien boven elkander, waardoor een talrijk +gezin binnen een oppervlakte van slechts enkele vierkante Meters kan +gehuisvest worden. + +De kajuit, die zich in het achterschip bevindt en een groot en +sierlijk gemeubeld vertrek vormt, strekt tot gezelschapszaal voor de +passagiers der eerste klasse, wier afzonderlijke hutten er alle op +uitkomen. Ook de kapitein en de stuurlieden hebben in dit gedeelte +van het schip hun verblijf. + +De machinekamer, met haar reusachtige machines, welke het trotsche +zeegevaarte met groote kracht en snelheid over den Oceaan +voortstuwen, scheidt de kajuit van het tusschendek, waar de talrijke +tweede-klasse passagiers zich zoo goed mogelijk met de beschikbare +ruimte moeten behelpen. + +Onder het tusschendek is het scheepsruim, waarin de lading geborgen +is, en nog verder naar voren heeft de equipage, zooals we trouwens +reeds zagen, haar gemeenschappelijk logies. + +Ter weerszijden van het schip hangen, in zware ijzeren davids, +verscheidene booten, die in geval van nood in een oogenblik tijds te +water gelaten kunnen worden. Of zij echter voldoende zijn, om allen, +die zich aan boord bevinden, op te nemen, daaraan valt wel te +twijfelen. En toch -- maar laten we, na in hoofdzaken de inrichting +van het schip te hebben medegedeeld, tot ons verhaal terugkeeren. + +Van de eerste dagen der reis valt niet veel belangrijks te zeggen. + +Toen de Hoofden, waar Engeland en Frankrijk het hoofd bijna aan +elkander stooten, gepasseerd waren, had de loods zijn moeielijke +taak verricht. Aan den ingang van het Kanaal ging hij over op den +loodskotter, welke daar steeds kruisende is, om binnenvallende +schepen van loodsen te voorzien, of de loodsen van uitzeilende +schepen weer op te nemen. De man verliet het schip evenwel niet, +zonder belast te zijn met een heele bezending in haast geschreven +brieven, om de betrekkingen in het vaderland nog met eenige tijding +omtrent het aanvankelijk welslagen der reis te verrassen. + +Jan Vroolijk bleef natuurlijk niet achter, om te vertellen welk een +onverwacht geluk hem en de zijnen te beurt gevallen was, door zijn +vroegeren kameraad, Piet Vlug, hier als bootsman op de Maasdam terug +te vinden. En wel mocht hij van geluk spreken; want tusschendeks, +waar zooveel menschen waren opeengehoopt, was het lang niet alles. +Zeeziekte, -- vooral onder degenen, die voor dezen nog nooit den +voet op een schip gezet hadden, -- gevoegd bij een benauwde en +drukkende warmte, maakte er het verblijf ver van benijdenswaardig. + +In het voorschip daarentegen was het luchtig en frisch, en de +kapitein had het verzoek van den bootsman, om zijn logies met een +paar kennissen onder de passagiers te mogen deelen, gereedelijk +toegestaan. + +Dezen wenschten natuurlijk niets liever en maakten het er zich zoo +gemakkelijk mogelijk. + +Ook met de bemanning stonden zij weldra op een goeden voet. Jan +Vroolijk toch, die het luieren en niets doen volstrekt niet gewoon +was, en aan niets ter wereld meer hekel had dan aan stilzitten, +hielp den volgenden dag reeds een handje bij het scheepswerk en gaf +daarbij, nu zijn oude vroolijkheid te midden van zulk een opgewekte +omgeving langzamerhand terugkeerde, ook al eens een kwinkslag ten +beste. Zijn vrouw wist zich mede verdienstelijk te maken, door voor +dezen en genen eens een knoop aan een broek te zetten of een scheur +in een wambuis te herstellen. + +En de kleine Willem? + +Na twee dagen was hij de lieveling van de geheele bemanning. Hij +ging van knie op knie, of lag, tot groot vermaak van Janmaat, langs +het dek te rollen met den grooten scheepshond "Ami", een echte +New-Foundlander, die wat in zijn schik was met zulk een aardigen +speelkameraad! + +Het goedige dier hechtte zich weldra zoo zeer aan het ventje, dat +hij geregeld voor de deur der hut op wacht lag en de kleine dus wèl +bewaakt zou geweest zijn, ook al had de moeder hem voor een +oogenblik alleen gelaten. Daarvoor was deze echter veel te bezorgd. +Als hem eens een ongeluk overkwam!.... + +Als.... Ze zou blij zijn, als ze eerst maar weer goed en wel aan wal +stonden, hoe best ze het overigens ook getroffen hadden. Daaraan was +evenwel nog in lang geen denken. Men bevond zich nog nauwelijks op +den Oceaan. De Scilly-eilanden, het laatste wat men van Europa ziet, +waren nog maar eenige uren uit het gezicht. + +Ook zonder den minsten tegenspoed zou het dus nog minstens een dag +of acht duren, eer aan gene zijde van den onmetelijken waterplas, +waarop men zich thans bevond, het land weer voor hun oog verrijzen +zou, al beweerde Piet Vlug ook schertsende, dat hij den reuk van de +Amerikaansche kust al in den neus kreeg. + +"Ja, de bootsman ruikt zelfs de spekpannekoeken al, die ze daar +bakken," sprak een ander tot Jan Vroolijk. "Hij heeft een echten +hondeneus!" + +Onze gewezen schelpenvisscher bleef echter het antwoord niet +schuldig. Met een ondeugend glimlachje wees hij naar het topje van +den mast, en zei: "'k Dacht, dat een hond alleen vóór den wind af +rook. Maar wil ik je eens wat zeggen. Jelui schiet met spek. De geur +van de soep uit de kombuis zit je in den neus!" + +'t Was tegen schafttijd, moet ge weten. En zooals te denken is, had +de kok een aardig keteltje met dat heerlijke gerecht te vuur. + +Nu, waar zooveel monden moesten eten, mocht dat ook wel! + +Het voedsel aan boord liet inderdaad niets te wenschen over. Al +kwamen slager, bakker en melkboer hier ook niet aan de deur, zooals +thuis, toch had men elken morgen versch brood en evenzoo iederen +middag versch vleesch op tafel. + +En melk bij de koffie ook? + +Zonder twijfel. In gindsche stallen ziet ge eenige melkkoeien +geplaatst, benevens het noodige vette vee, dat bestemd is om +gedurende de reis geslacht te worden. Een slagerij ontbreekt dus +evenmin als een bakkerij, en elken dag heeft men zoowel versch +vleesch aan den haak, als nieuwe broodjes op de plaat. + +De reis ging bij dat alles zeer naar wensch. De eene dag na den +anderen verliep onder het heerlijkste zomerweder, en een goede wind +en kalme zee maakten, dat ook zij, die in den beginne zeer aan +zeeziekte geleden hadden, spoedig weer op hun verhaal kwamen en +langzamerhand aller blikken hoopvol naar het verre Westen gericht +waren. + +Allerlei spelletjes werden bedacht, om zich den tijd te korten, en +vooral als de warmte van den dag voor een heerlijk avondkoeltje had +plaats gemaakt, heerschte er aan dek van de Maasdam een gezellige +drukte. + +Overal zag men troepjes landgenooten bijeen, en uit elk gezelschapje +steeg bij wijlen een hartelijke lach op. + +Hier vertelde men elkander van het oude vaderland; daar deelde men +elkaar zijn plannen en vooruitzichten voor de toekomst mee, en +ginder weer bracht de een of andere grappenmaker met zijn +aardigheden de lachspieren der luisteraars in beweging. + +Als dat zoo eenigen tijd geduurd had, verstomden meestal de +gesprekken en richtte zich aller oog en oor naar een troepje jonge +Duitschers, die met volle en schoone stem een heerlijk avondlied +aanhieven en over den Oceaan deden weerklinken. + +Soms ook klonken de tonen van het een of ander muziekinstrument, en +in een oogenblik was dan het dek van de Maasdam in een dansvloer +herschapen, waarop vroolijke en levenslustige knapen en meisjes op +de maat der muziek rondhuppelden. + +Ten slotte echter zocht ieder zijn kooi weer op, om te gaan slapen +met de hoop, dat de volgende dag even schoon weer mocht brengen en +dat men spoedig behouden in het land zijner wenschen en droomen zou +mogen aanlanden. + +Op soortgelijke wijze was ook de avond van den 29 Augustus, den +tienden dag der reis, in de meest opgewekte stemming voorbijgegaan. +Men had geschertst, gezongen en gedanst en zich eindelijk vol moed +ter ruste begeven, daar de onmiskenbare teekenen van het naderend +einde der reis reeds duidelijk zichtbaar begonnen te worden. + +Zeevogels waren dien dag over het schip heengevlogen; en had men +midden op den oceaan slechts nu en dan in de verte een zeil ontdekt, +gedurende de laatste uren waren daarentegen verscheidene schepen +links en rechts de Maasdam gepasseerd, van welke men er zelfs enkele +gepraaid had. + +Voor velen, die maar niet konden begrijpen, hoe met voorbijzeilende +schepen een buurpraatje kan gehouden worden, ook al is de afstand +tusschen beide vaartuigen zóó groot, dat men elkaar niet beroepen, +veel minder verstaan kan, was dit nog iets nieuws geweest. + +Zij zagen nu, hoe verscheidene vlaggetjes van verschillenden vorm en +kleur omhoog geheschen, daarna weer omlaag gehaald en door andere +vervangen werden. Zij zagen ook, hoe daar ginds dezelfde bewegingen +werden verricht met vlaggen van andere kleur en vorm en waren niet +weinig verwonderd, als uitkomst van dat geheimzinnig gesprek te +vernemen, dat het gepraaide schip zus of zoo heette, van A. of B. +kwam en naar Y. of Z. bestemd was, dat men zooveel dagen reis had, +dat alles wel aan boord was, enz. enz. + +Gij zult zonder twijfel begrepen hebben, dat de inhoud der +gesprekken, welke op deze wijze tusschen schepen op zee gewisseld +worden, vooruit vastgesteld en aan de zeelieden bekend moet zijn. + +In het daartoe aangelegde "Seinboek" is alles, wat men elkaar op zee +al zoo te zeggen kan hebben, opgenomen en door vlaggen voorgesteld. +Met dit boek in de hand kan men dus omtrent vele dingen aan boord +inlichtingen geven en ontvangen en elkander belangrijke zaken, de +reis betreffende, mededeelen. + +Een andere zaak, van het uiterste gewicht voor schepen, die den +oceaan bevaren, betreft de bepalingen, welke vastgesteld zijn voor +het varen gedurende den nacht en bij mistig weder. In het eerste +geval dienen lantaarns, die een verschillend gekleurd licht geven, +om de plaats waar zich het schip bevindt en de richting waarin het +zich beweegt, aan te wijzen; in het tweede dienen daartoe kortere of +langere stooten op den misthoorn of met de stoomfluit. + +Hoe nuttig deze en dergelijke bepalingen zijn en hoe noodzakelijk +het is, dat ze zorgvuldig nageleefd worden, blijkt maar al te +dikwijls. + +Niet zelden toch hebben er aanvaringen op zee plaats, die soms aan +honderden menschen het leven kosten en doorgaans hun oorzaak hebben +in gebrekkige naleving of verwaarloozing van de bestaande +voorschriften. + +Op de Maasdam werden deze echter ten strengste gehandhaafd. De +kapitein gevoelde te zeer de groote verantwoordelijkheid, welke op +hem rustte, om ook slechts een enkelen maatregel te verwaarloozen, +welke de veiligheid van zijn schip en van hen, die zich daarop +bevonden, kon bevorderen. Nauwelijks was dus de zon onder, of de +lichten werden ontstoken, en den uitkijk voor op den boeg werd +verdubbelde oplettendheid aanbevolen. + +Ook den avond van den 29 Augustus, waarop zooveel onbezorgde +vroolijkheid aan dek van de Maasdam heerschte, waren de noodige +voorzorgsmaatregelen genomen, te meer noodig, nu men zich bij het +naderen der kust langzamerhand te midden van drukker scheepvaart +bevond. De nacht ging dan ook, zonder dat er iets bijzonders plaats +had, voorbij; maar toen de dag aanbrak, hing er een zware, dichte +mist over het water, die het uitzicht geheel belemmerde. + +De kapitein liet dadelijk de vaart van het schip aanmerkelijk +verminderen en gaf bevel tot het stipt uitvoeren der voorgeschreven +signalen. + +Daar weerklonk het eerste langgerekte gegil der stoomfluit, weldra +door verscheidene korte stooten gevolgd. + +De passagiers ontwaakten verschrikt uit hun slaap, en velen spoedden +zich half gekleed naar boven, om te zien, wat er aan de hand was. + +Tot de laatsten behoorde ook de vrouw van Jan Vroolijk. Door het +ongewone leven ontwaakt, stond zij stilletjes op, om haar zoontje +niet te wekken. En toen zij noch haar man, noch den bootsman in de +kooi vond, snelde zij naar het dek, om daar van hen te vernemen, wat +er aan de hand was. + +De nevel was echter zoo dicht, dat het zelfs onmogelijk was, de +lengte van het schip geheel te overzien en zij, naar wie de beangste +vrouw zocht, schenen nergens te vinden. + +Zij bevonden zich op het achterdek, waar de bootsman, voorzichtig +als hij was, in alle stilte de sloepen zorgvuldig een voor een +inspecteerde, om zich te overtuigen, dat alles in orde was. + +"Beter bij tijds gezorgd, dan te laat geklaagd," merkte hij op. "Je +kunt nooit weten...." Verder kwam hij niet. "Maak dat je bij je +vrouw en kind komt, Jan!" riep hij op eens ten hoogste verschrikt +uit. "Zoo aanstonds gebeurt er een ongeluk!..." + +Op 't zelfde oogenblik, dat de kapitein, die met het horloge in de +hand op de brug stond, bevel gaf tot herhaling van het signaal, +doemde voor zijn zeemansoog, dat den nevel trachtte te doorboren, +een zwarte massa op, die met onheilspellende vaart op de Maasdam +scheen aan te vallen.... + +"Schip te loevert uit!" schreeuwde de uitkijk op den boeg. "Roer aan +lij!.... Stoppen!.... Met volle kracht achteruit!" klonk het +vastberaden uit den mond van den kapitein. "Passagiers aan dek en +achteruit!" + +Hij meende door een snelle wending van het schip een botsing nog te +kunnen voorkomen; doch hoe spoedig de gegeven bevelen ook werden +opgevolgd, 't was reeds te laat. Een oogenblik nog... en daar +stootten de twee schepen met volle kracht op elkander! + +Dit alles was in zoo korten tijd gebeurd, dat Jan Vroolijk, die zich +met ontzettende moeite door de gillende en naar achteren vluchtende +passagiers heendrong, het voorschip nog niet bereikt had, toen de +noodlottige aanvaring reeds had plaats gehad. + +Daar zag hij zijn vrouw handenwringend over het dek heen en weer +loopen en in minder dan geen tijd was hij bij haar. + +"Ons kind!" riep hij in doodsangst, toen hij zijn Willem miste, +"waar is ons kind?" + +De arme moeder, die zoo bezorgd was geweest voor haar lieveling en +hem voor het noodlottig oogenblik geen stonde uit het oog verloren +had, kon geen woord spreken. In haar radeloosheid wees zij naar +beneden en Jan, die geen woord noodig had, om haar te begrijpen, +ijlde naar de trap.... + +Maar vol ontzetting bleef hij op eenmaal staan. + +De toegang tot het scheepslogies was geheel versperd. Het vreemde +stoomschip was met vreeselijk gekraak midden in het voorschip van de +Maasdam geloopen, had het dek opengespleten en verbrijzeld en stak er +met zijn steven hoog boven uit. + +Arme ouders! Wat was er van hun jongske geworden? Verpletterd +wellicht tusschen de verbrijzelde planken en balken, of omgekomen in +het water, dat met geweld het schip binnenstroomde en den kop van 't +vaartuig reeds aanmerkelijk deed zinken! Redding was dus onmogelijk, +en toch zou het niet in hen opgekomen zijn, deze gevaarlijke plaats +te verlaten, als Piet Vlug hen niet met geweld van daar verwijderd +en naar het achterschip gebracht had. + +Daar waren intusschen alle sloepen reeds te water gelaten en met +passagiers gevuld. Door de kalmte en vastberadenheid van den +kapitein en de stuurlieden en, dank zij het zorgvuldig onderzoek van +den bootsman, zoo te juister tijd ingesteld, was alles in de beste +orde afgeloopen en had men allen kunnen opnemen, daar velen, aan +niets anders denkende dan aan 't behoud van hun leven, reeds direct +na de aanvaring op 't vreemde schip waren overgesprongen. + +Ook hier was men evenwel ver van veilig. + +De "Columbus" -- zoo heette 't stoomschip, dat den weg van de +Maasdam zoo ongelukkig gekruist had -- deed wel alle mogelijke +moeite om zich van 't zinkende schip te bevrijden, doch hoe krachtig +zij haar machines ook deed werken en achteruit liet slaan, niets +mocht baten, en 't scheen wel, dat de beide zeegevaarten gedoemd +waren in hun vreeselijke omarming samen in de diepte te verdwijnen. + +Juist echter toen de laatste man de Maasdam verlaten en ook de +wakkere kapitein in de boot plaats genomen had, ontworstelde de +Columbus zich met inspanning van alle krachten aan de doodelijke +omhelzing harer zuster en stoomde met volle kracht achteruit. + +Met groote golven stroomde nu het water door de gapende wonde naar +binnen, en de stoere zeeman, die liever met zijn schip te gronde +gegaan zou zijn, dan het te verlaten, zoolang zich nog iemand aan +boord bevond, zag, met een traan in het mannelijk oog, zijn schoon +vaartuig hoe langer hoe meer in de diepte wegzinken. + +En toch -- had hij geweten, wat die radelooze vrouw in de groote +boot, die de beide handen hartstochtelijk naar het wrak uitstak en +door twee mannen nauwelijks tegengehouden kon worden, om zich in de +golven te storten -- had hij geweten, wat die vrouw bewoog, zich zoo +wanhopend aan te stellen, hij zou stellig teruggekeerd zijn en, +eigen leven geringschattend getracht hebben, de gefolterde moeder +haar kind, 't zij levend, 't zij dood, terug te geven. + +Nu evenwel bleef hem niets anders over, dan de arme, voor het +grootste deel halfgekleede schipbreukelingen, die niets dan het +leven hadden kunnen redden, aan boord van de Columbus in veiligheid +te brengen. Wel had ook deze belangrijke schade bekomen; doch bij +een haastig ingesteld onderzoek bleek, dat de averij zich hier meer +boven dan onder de waterlijn bevond en men dus met behulp der +dadelijk in het werk gestelde pompen het schip waarschijnlijk boven +water zou kunnen houden. + +Dat de beide kapiteins elkander met alles behalve opgewekte +gezichten begroetten, valt gemakkelijk te begrijpen. Zonder evenwel +voor 't oogenblik te twisten over de vraag, wie van beiden de +schuldige was -- een later onderzoek zou dat van zelf aan 't licht +brengen -- werd besloten, dat de Columbus, die van Charleston naar +Boston bestemd en als vrachtboot volstrekt niet ingericht was om +zooveel menschen te herbergen, New-York zou aandoen, om de +passagiers en bemanning der Maasdam zoo spoedig mogelijk op de +plaats hunner bestemming te brengen. + +En de Maasdam zelf? + +Evenals een lijkkist in de groeve wordt neergelaten en na een +oogenblik voor 't gezicht der schreiende omstanders verdwijnt, zoo +zonk ook zij al dieper en dieper in den Oceaan, die haar zoo lang en +zoo dikwijls had gedragen, om zich eindelijk over haar te sluiten en +haar graf met zijn rustelooze golven te bedekken. De nog altijd +hangende nevel en de afstand, welke gaandeweg tusschen beide schepen +ontstaan was, maakte evenwel, dat de laatste doodstrijd van het +schoone vaartuig aan het oog der geredden onttrokken werd. + +Zoo snel, als de toestand, waarin het schip verkeerde en het +beperkte uitzicht slechts toelieten, werd nu recht op de +Amerikaansche kust aangehouden, om zoo mogelijk, voor den avond +New-York nog te bereiken. + +Eindelijk, daar week de nevel, en evenals de matrozen van Columbus +bij de ontdekking van Amerika den kreet: "Land! land!" hadden +aangeheven, toen het onbekende werelddeel zich eindelijk aan hun oog +vertoonde, juichten ook de landverhuizers aan boord van het naar hem +genoemde vaartuig, toen zij eensklaps de kust uit de zee zagen +oprijzen. + +"Land! land!" jubelden honderden stemmen tegelijk, en alle leed +scheen op eens vergeten en voor blijde hoop plaats te hebben +gemaakt. + +Wie er echter niet jubelden, dat waren Jan Vroolijk en zijn vrouw, +die zonder hun kind in het verre, vreemde land zouden aankomen! + +De ongelukkige moeder lag in een ijlende koorts, en de vader zat in +stomme smart bij haar, bevreesd, dat het verlies van hun jongske, +ook den dood van zijn vrouw ten gevolge zou hebben!.... + +Aan den landingssteiger, waar de stoomschepen der Maatschappij hun +ligplaats hadden, heerschte intusschen al geruimen tijd een +buitengewone drukte. De Maasdam werd reeds den geheelen dag +verwacht. Eindelijk, daar meende men haar te zien naderen. Maar +neen, dat was de Maasdam, niet. Toch richtte het schip den steven +naar de gewone aanlegplaats om er zijn ongewone lading af te zetten, +en weldra ging het nieuws van de plaats gehad hebbende ramp van mond +tot mond. + +Wie drong daar zoo ontstuimig naar voren, alsof hij kennissen of +bloedverwanten zocht onder de aangekomenen? + +Niemand anders dan oom Willem, die reeds den vorigen dag uit +Holland, een meest door Nederlanders bewoond stadje in den staat +Michigan dicht bij Chicago, te New-York was aangekomen, om zijn +familieleden af te halen. + +"Allen behouden?" vroeg hij gejaagd bij het vernemen van de ramp. + +"Allen, op een jongetje na," was het antwoord, en op 't zelfde +oogenblik stond Piet Vlug naast hem. + +"Komaan, daar zie ik al vast een bekend gezicht," riep hij nu +verheugd uit. "En waar zijn Jan en zijn vrouw, met hun jongen?" + +Piet Vlug vertelde hem nu van het droeve ongeluk en den wreeden +slag, die juist hen zoo noodlottig getroffen had. + +"Maar dat is ontzettend!" riep de man diep getroffen uit, terwijl +hij zich naar de bedroefde ouders liet brengen. + +Dat was een heel andere ontmoeting, dan hij gehoopt en verwacht had! +Sprakeloos drukten de mannen elkander de hand en de kranke vrouw +herkende hem zelfs niet! + +Van meegaan was natuurlijk geen sprake. De zieke moest in het +hospitaal worden opgenomen, en daar 't niet in Jan opkwam, zijn +vrouw alleen te laten, nam oom Willem den volgenden dag de terugreis +weer aan, om aan de zijnen het treurige nieuws mede te deelen. + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + ++Gescheiden.+ + + +Wij keeren nogmaals naar het tooneel der zeeramp terug. Zooals wij +zagen, had de dikke mist het zinkende wrak der Maasdam reeds op +geringen afstand aan het oog der schipbreukelingen onttrokken. Erger +evenwel was het, dat ten gevolge van de buitengewone verwarring en +drukte aan boord van de Columbus ook aan hun gehoor ontsnapte, wat +de nevel hun belette te zien. Anders toch hadden zij kunnen en +moeten hooren, hoe zich daar ginder nog leven bevond, dat op luide +en angstige wijze om hulp en redding vroeg. Wat kon dat zijn?... + +Het vee had men, om den dieren een langen en smartelijken doodstrijd +te besparen, ten spoedigste gedood. Doch de hond, waar was die +beland? O, die zal wel een goed heenkomen gezocht hebben, zegt ge. +En toch.... klonk daar geen luid geblaf over het water? En hoor!.... +waren dat niet de kreten van een kind? Zoo ja, van wien anders +konden die dan zijn, dan van het knaapje, dat, dood of erger +nog naar men meende, op het wrak was achtergebleven? En zoo was het +ook werkelijk. Het kind was op wonderlijke wijze door zijn trouwen +vriend "Ami" gered. + +Toen Willems moeder bij het gegil der stoomfluit verschrikt naar +boven was gevlucht, lag Ami als gewoonlijk met den kop tusschen de +pooten voor de deur der hut. De openstaande deur was voor hem een +uitnoodiging om binnen te treden en zijn speelkameraad een visite te +brengen. Op hondenmanier gaf hij het knaapje een morgenkus, en toen +deze daardoor wakker werd, noodigde hij zijn harigen vriend uit, de +door moeder verlaten plaats te komen innemen. + +Zoo lagen Willem en Ami rustig en wel bij elkander, toen de +verschrikkelijke botsing plaats had, die beiden uit de kooi deed +tuimelen en in het scheepslogies opsloot. De geheele bemanning +bevond zich aan dek, en er was dus niemand om hen te helpen. +Intusschen stroomde het water naar binnen, en weldra stond het zoo +hoog, dat niets het hulpelooze knaapje langer een veilige +schuilplaats aanbood. Nog een oogenblik -- daar dreef het kleine +ventje op het water. Zeker was hij verdronken, als Ami hem niet +beetgepakt en, al heen en weer zwemmende door de steeds enger +wordende ruimte, met het hoofdje boven water gehouden had. + +Eindelijk echter kwam er beweging; de schepen geraakten van +elkander. Maar de vernielde trap en de op en door elkander geschoven +balken en planken beletten het wakkere dier spoedig genoeg een +uitweg te vinden. En toen hem dit eindelijk gelukt was.... hadden +allen het schip reeds lang verlaten en bevond de moedige redder +zich met het bewustelooze knaapje alleen op het zinkende wrak. Was +hij geheel alleen geweest, zeker had hij zich zonder dralen in zee +gestort, om de wegzeilenden na te zwemmen, maar nu...? Zorgvuldig +zocht hij dat deel van 't schip op, 't welk zich nog het meest boven +water verhief; hij legde zijn kostbare vracht daar voorzichtig neer, +om vervolgens een luid geblaf aan te heffen en zoo de opmerkzaamheid +tot zich te trekken. Dat geblaf bracht ook het knaapje weer tot +bewustzijn, wiens geroep om "Moeder! Moeder!" echter al evenmin +gehoord werd, als het blaffen van het edele, trouwe dier. + +Langzamerhand was het geluid in de verte geheel weggestorven, en hoe +Ami de ooren ook spitste, geen geruisch zelfs anders dan van den +wind en het klokkende water drong meer tot hem door. + +Het schreiensmoede knaapje was eindelijk in slaap gevallen. Maar de +hond bleef waken. Met de beide voorpooten lag hij over het jongske +heen, om het verkleumde kind te verwarmen, en met zijn schrandere +oogen keek hij in het rond. 't Was alsof het verstandige dier zag, +dat het gevaar met elk oogenblik grooter werd en of hij, voelende, +dat het steeds dieper wegzinkende schip weldra geheel zou +verdwijnen, naar een middel omkeek, om zich met zijn vriendje op de +beste wijze aan het nakende onheil te onttrekken. + +Reeds bedekten de golven het voorschip; nog een oogenblik, en ook de +plaats, waar hij zich met het knaapje bevond, zou niet meer veilig +zijn. + +Niets ontging evenwel aan het oog van het waakzame dier. En zie, +daar richtte hij zich plotseling met een blijden kreet op, greep het +nog steeds slapende kind bij den schouder en was met één sprong +op de verschansing. Wat was er gebeurd? + +De scheepsvlet of jol, die midden op het voordek stond, was driftig +geraakt en over de verschansing buiten boord geslagen. Dat had de +hond gezien en vandaar zijn blijdschap en haastige bewegingen. + +De boot gleed rakelings langs de zijde van het schip naar achteren. +Daar bereikte zij de plek, waar de hond zich op post had gezet en +van het rechte oogenblik gebruik makende, sprong hij zoo behoedzaam +mogelijk in het ranke vaartuigje over. + +Voor het oogenblik althans waren ze gered en gelukkig juist te +rechter tijd, want de jol kon nauwelijks honderd meter weggedreven +zijn, of het dek van de Maasdam barstte door de spanning van de +samengeperste lucht, welke zich in het hol van het schip bevond, met +een vreeselijken slag uit elkander, waarop het vaartuig in eenige +minuten vol water liep en in de diepte verdween. + +Daar dobberde nu het kleine hulkje midden op den grooten Oceaan. +Gelukkig, dat de zee kalm was, anders zou het notedopje ongetwijfeld +spoedig omgeslagen zijn, en dan was alle kans op redding, zowel voor +den hond als voor het kind, verloren geweest. + +Maar waarheen dreef het scheepje? Waarheen richtte het den steven, +zee- of landwaarts?.... + +Doch ook zelfs in het laatste geval zou het zeker nog minstens een +paar dagen duren, voor het de kust bereikt had, en wat zou er in +dien tijd van de beide vrienden worden, zonder voedsel, zonder een +enkelen druppel water zelfs? + +Alleen van een voorbijzeilend schip was uitkomst voor hen te +wachten. En alsof de altijd wakkere Ami dat scheen te begrijpen, +richtte hij zich, met de voorpooten tegen den rand der boot geleund, +overeind, zoodat hem niets, wat redding kon aanbrengen, zou +ontsnappen. Daarbij vergat hij echter de zorg voor zijn jeugdig +vriendje niet. Bij de minste beweging van het ventje, dat op den +bodem der boot lag uitgestrekt, keerde hij zich om, om evenwel +dadelijk zijn vorige houding weer aan te nemen, als het bleek, dat +het kind rustig bleef doorslapen. + +Eindelijk, daar week de nevel, en daarmee daagde ook hier de +redding! Een groot schip, dat tot op dat oogenblik onzichtbaar +geweest was, vertoonde zich op eenigen afstand en naderde meer en +meer de plek, waar het bootje ronddobberde. Zou het kleine hulkje +daarginds opgemerkt worden?... 't Leed geen twijfel; want zie, daar +draaide het schip reeds bij den wind! Een sloep werd te water +gelaten en het volgende oogenblik roeiden vier paar sterke armen met +krachtige slagen op de jol aan. + +Kwispelstaartend en luid blaffend gaf de hond zijn blijdschap te +kennen. En daarbij schudde en likte het van vreugde uitgelaten dier +onzen Willem zoolang, dat deze eindelijk de oogen opende en, als +verbeeldde hij zich nog bij moeder in zijn bedje te liggen, de armen +om Ami heen sloeg. + +Arme kleine! Wat was hij ver verwijderd van de arme vrouw, die in +haar ijlen ook niets anders deed dan roepen om haar lieveling! En +wat begon hij jammerlijk te schreien, toen hij zijn vergissing +bemerkte en zag, waar hij zich bevond. + +Maar de redding was nabij. Het geluid van het schreiende kind, dat +nu ook zijn hoofdje boven de boot uitstak, werd reeds in de sloep +gehoord. + + +[Illustratie: Het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.] + + +De roeiers verdubbelden daarop nog hun krachtsinspanning, en met +eenige snelle slagen hadden zij de jol bereikt. Daar zat het +knaapje, midden op den bodem van het kleine vaartuig in zijn hemd +bijna en strekte de handjes uit naar zijn redders, die het tooneel +met bewogen oogen aanzagen. + +"Moetje toe! moetje toe!" snikte hij, terwijl men hem met Ami in de +sloep opnam. + +"De stumper roept om zijn moeder," zei de matroos, die hem +overtilde; want hoewel geen Hollandsch, maar Engelsch sprekend +verstond hij toch de woorden van den kleine zeer goed, daar de +moedernaam in de meeste talen al vrijwel dezelfden klank heeft. + +"Nu, dan vrees ik zeer, dat hij die niet weer zal zien," merkte een +ander op. "Er is vast een ongeluk gebeurd met den mist. Zie maar +eens in het rond: daar drijven verschillende dingen, die van een +schip afkomstig zijn." + +Werkelijk waren, tegelijk met de boot, nog verschillende andere +losse deelen van de Maasdam in dezelfde richting komen afdrijven. + +De hond week intusschen niet van Willems zijde, maar keek daarbij +den spreker van zoo even met zijn groote, goedige oogen zoo +verstandig aan, alsof hij diens bewering bevestigen wilde. + +"Jij bent een beste, brave hond, hoor!" zei deze daarop, het goede +dier vertrouwelijk op den rug kloppend. "'t Heeft je zeker vrij wat +moeite gekost, om je kleinen meester tot zoover te behouden. Nu, je +zult het goed bij ons hebben, hoor!" + +De jol was middelerwijl aan de sloep vastgemaakt, daar men het zonde +achtte, ze op nieuw te laten drijven, en nu gingen de riemen +handig weer te water, om met spoed naar het wachtende schip terug te +keeren. + +De "Franklin" -- dit was de naam van het vaartuig -- was een groote +Amerikaansche driemaster en met een lading petroleum naar Sidney in +Australië bestemd. Het schip had reeds voor twee dagen de haven van +New-York verlaten, maar was, door den zwaren mist opgehouden, nog +weinig gevorderd. De equipage bestond, met inbegrip van den +gezagvoerder, kapitein Smartt en de stuurlieden, uit vijf en twintig +koppen, en passagiers bevonden zich niet aan boord, één +uitgezonderd, welke men evenwel moeielijk als zoodanig kon +beschouwen, daar het de vrouw van den kapitein was. + +Deze vergezelde haar man liever op zijn tochten over den oceaan, dan +geheel alleen, aan allerlei angst en onrust ten prooi, achter te +blijven, als hij naar zee ging. Kinderen, die haar dit belet zouden +hebben, bezaten zij niet, of liever bezaten zij niet meer; want hun +eenig zoontje, een knaapje van ongeveer gelijken leeftijd als +Willem, was voor een paar jaar gestorven. + +Ge begrijpt dus, hoe de vrouw ontroerde, toen de matrozen met het +geredde kind uit de sloep bij den valreep opklauterden en niets +beter wisten te doen, dan haar het schreiende knaapje in de armen te +leggen. + +Met tranen in de oogen snelde zij met Willem naar de kajuit, op den +voet gevolgd door Ami, die zijn plaats dáar achtte, waar zijn kleine +beschermeling bleef. + +De kapitein zag met innige voldoening, hoe zijn vrouw zich dadelijk +het lot van het kind aantrok, en hij wreef zich in de handen van +genoegen toen zij zich verwijderde. "Nu wordt ze weer dezelfde van +vroeger," dacht hij bij zich zelf. "'t Is een geschenk der +Voorzienigheid, dat ons daar is toegezonden!" + +Onderwijl was er een flinke bries komen opzetten, en toen nu de +sloep weer in de davids hing en ook de kleine jol binnen boord +geheschen was, werd het roer opnieuw gewend, waarop het schip door +den wind ging en zijn vorigen koers hernam. + +In de kajuit had de kapiteinsvrouw het intusschen heel druk. Haar +eerste zorg was, Willem en Ami, hongerig en dorstig als ze waren, +wat te eten en te drinken te geven, wat beiden zich uitmuntend +lieten smaken. Ami had al in lang zulke lekkere hapjes niet +geproefd, als hij hier te bikken kreeg. Nu, die had hij ook wel +verdiend! + +Verzadigd legde hij zich eindelijk in een hoekje neder en keek met +welgevallen in het rond. En alsof hij zijn kleinen beschermeling nu +volkomen veilig achtte, lei hij ten slotte den kop tusschen de +vooruitgestoken pooten, om van de welverdiende rust te genieten en +op zijn gemak een dutje te doen. + +Onze Willem gevoelde zich ook al heel spoedig op zijn gemak met de +vriendelijke dame. Hij zat zeer vertrouwelijk op haar schoot en liet +zich, als was zij zijn moedertje, zeer gewillig door haar wasschen +en kleeden. De kleertjes van haar jongetje, die zij nog steeds +bewaarde, kwamen haar daarbij uitnemend te pas, en het ventje zag +met glinsterende oogjes, hoe mooi hij werd in het vreemde pakje, dat +hem werd aangetrokken. + +"Mooi! mooi! Wimpje mooi worden!" riep hij aanhoudend, en mevrouw +Smartt, die wel begreep, wat de dreumes bedoelde, al verstond zij +ook zijn woorden niet, begon hoe langer hoe meer schrik in hem te +krijgen. De blonde krullebol zag er dan ook wezenlijk uit om te +stelen! "Precies ons ventje," dacht ze, toen hij geheel aangekleed +was. Schreiend en lachend tegelijk nam ze hem op en gaf hem een +hartelijken kus op de blozende wangen. En toen Willem, aanvallig als +hij was, daarop beide armpjes om haar hals sloeg, had hij haar hart +geheel gestolen! + +Juist wilde ze haar man gaan opzoeken, toen deze, die haar met opzet +zoolang alleen gelaten had, de kajuit inkwam. En ziedaar, het was +alles gekomen, zooals kapitein Smartt zoo hartelijk hoopte! Zijn +vrouw, die na den dood van haar kind steeds droevig en in zich zelf +gekeerd was geweest, kwam hem met het knaapje op den arm en een +glimlach op de lippen tegemoet. + +Onwillekeurig deed hij echter een stap achteruit. Waarom? In het hem +welbekende pakje gestoken, geleek onze krullebol zoozeer op het +overleden jongetje van den kapitein, dat deze er ten zeerste door +getroffen werd. En dat zijn vrouw het hierin met hem eens was, +bewezen al dadelijk haar woorden: "Nu, wat zeg je van den jongen? Ik +heb hem al vast maar wat aangekleed. Vind je niet, dat hij op onzen +Willy gelijkt?" + +"Zoozeer," sprak de kapitein met bewogen stem, "dat ik bij 't +inkomen van de kajuit inderdaad een oogenblik meende, dat je ons +ventje op den arm hadt. Je hebt de gelijkenis dan ook wel zeer doen +uitkomen met dat pakje!" En met een zucht voegde hij er bij: "Och, +dat de schijn werkelijkheid ware!" + +"Maar wat belet ons," hernam nu zijn vrouw teeder, "het arm wurm, +wiens ouders waarschijnlijk beiden omgekomen zijn, als kind aan te +nemen. Ik gevoel, dat ik als een moeder voor hem zal kunnen zijn, en +ik twijfel er niet aan, of gij zelf zult ook van het kind +beginnen te houden." + +Ze waren aldus sprekende, bij elkander aan tafel gaan zitten, en de +kapitein zag met vreugde, hoe het op zulk een wonderbare wijze +geredde kind plotseling weer een blosje op de wangen zijner schoone, +doch bleeke vrouw scheen teruggetooverd te hebben. + +"Toch moeten we ons niet te zeer aan het ventje hechten," bracht hij +voorzichtig in het midden; "want het zou kunnen wezen, dat zijn +ouders nog wel degelijk leven, en 't is natuurlijk onze plicht, zoo +spoedig mogelijk onderzoek daarnaar te doen. En als ze dan +teruggevonden mochten worden....." + +"Zal ik het knaapje met liefde aan zijn moeder teruggeven," viel +zijn vrouw hem in de rede. "We weten immers beiden wat het zegt, een +bemind kind te verliezen!" + +"Nu, dan is 't goed," sprak kapitein Smartt gerustgesteld. "Maar zou +'t jongske zelf ons misschien niet iets kunnen zeggen of beduiden, +waaruit het een of ander is op te maken?" + +"Ja, hij heeft al genoeg gebabbeld; maar ik versta hem niet." + +"Komaan, laat mij 't dan eens probeeren. Misschien, dat het mij +gelukt, uit zijn gekeuvel wijs te worden." + +De kapitein, die verscheidene talen sprak, nam nu onzen Willem op +zijn knie en deze, die op de Maasdam al zooveel vreemde gezichten +gezien en op zoo menige knie geschommeld had, toonde zich ook +tegenover hem volstrekt niet schuw. Maar of hij Willem in 't +Engelsch of Fransch of Duitsch aansprak, de kleine verstond titel +noch jota van 't geen hem gevraagd werd. + +"Moetje weg, vader weg, allemaal weg! Schip ook weg!" riep hij op 't +laatst in zijn onnoozelheid. + +"O, nu zijn we er!" riep de kapitein verrast, maar tevens vol +ontzetting uit bij het hooren van zooveel ongeluk. "'t Is een +Hollandsch kind, en wat hij daar vertelt, is inderdaad +allertreurigst. Vader weg, moeder weg, schip weg! Er moet dus +bepaald een aanvaring plaats gehad hebben; want slecht weer is het +de laatste dagen niet geweest, en lang heeft het ventje ook bepaald +niet rondgezwalkt." En zich daarop weer tot Willem wendende, vroeg +hij -- maar nu in 't Hollandsch -- naar alles, wat den kleinen +schipbreukeling wedervaren was. Veel wijzer werd hij echter niet. 't +Ventje kon hem slechts weinig en gebrekkig inlichten. Vader en +moeder heetten bij hem, als bij de meeste kleine kinderen eenvoudig +"vader en moeder," en hij zelf was "Willem," zonder meer. + +"Dus de kleine heeft tot zelfs den naam met onzen jongen gemeen," +merkte de kapitein met zichtbare ontroering op. + +"O, dat is heerlijk! Die naam is mij zoo lief!" antwoordde zijn +vrouw levendig. "'k Wilde je juist voorstellen om hem William te +noemen." En het knaapje, daarop beide handen toestekend, vervolgde +zij: "Willy, we zullen elkaar wel spoedig leeren verstaan!" + +"Begrijpen doet hij je ten minste nu al," sprak de kapitein lachend, +toen Willem dadelijk de toegestoken handen greep en op haar schoot +plaats nam. "En voor de rest zal ik wel zoo'n beetje voor tolk +spelen. Maar nu ga ik het gebeurde in het scheepsjournaal boeken. +Bovendien zal ik er een acte van opmaken en die door de geheele +equipage laten onderteekenen. Misschien kan dat stuk den knaap +nog eenmaal dienen om iets omtrent zijn ouders of +familiebetrekkingen te vernemen, als dat ons niet gelukken mocht." + +Terwijl de kapitein nu een uitvoerig relaas van 't gebeurde +opstelde, begaf mevrouw Smartt zich met Willem aan dek, gevolgd door +Ami, die door het gesprek der beide echtgenooten uit zijn dutje +ontwaakt was en nu bedaard achter haar kwam aanstappen, alsof hij er +bij behoorde en hier al zijn leven thuis geweest was. + +De geheele bemanning van "de Franklin" was opgetogen over den +aardigen, blozenden krullebol, en Ami werd om zijn moedig gedrag +door ieder om 't zeerst aangehaald en geprezen. + +Eenige oogenblikken later verscheen ook kapitein Smartt weer aan +dek. Hij had de bewuste acte reeds in de hand en gaf nu bevel, dat +allen achter den grooten mast op het halfdek zouden verschijnen, om +het stuk te hooren voorlezen en van hun naamteekening te voorzien. + +De lange zomerdag spoedde intusschen ten einde, en voor onzen +Willem, over wiens jeugdig hoofdje gedurende de laatste +vier-en-twintig uren zooveel gevaren waren heengegaan, was het meer +dan bedtijd geworden. Dit begreep mevrouw Smartt ook, en als een +echte moeder spreidde zij het verweesde kind een zacht en mollig +bedje, waarop hij weldra zoo gerust en heerlijk insliep, alsof zijn +eigen moetje hem zooeven den nachtkus gegeven had. + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + ++Het gevonden spoor.+ + + +Sidney in Australië en het stadje Holland in Noord-Amerika, welk een +afstand! En toch -- hoe ver beide plaatsen ook van elkander +verwijderd mogen zijn -- hebben wij onze kennissen, die wij tot +dusver gevolgd hebben, zoowel hier als daar terug te zoeken. + +Langen tijd zweefde Jan Vroolijks vrouw tusschen leven en dood, en +dikwijls vreesde de arme man ook zijn Kee te moeten missen. +Hartverscheurend was het, de kranke soms in de koorts plotseling te +zien oprijzen en daarbij, wild en woest om zich heen grijpende, om +haar kind te hooren roepen, om eindelijk, afgemat en uitgeput, in +haar kussen terug te vallen. + +Eindelijk echter was de crisis gekomen, en toen die voorbij was, +viel de zieke in een gerusten slaap. "Is er nog hoop?" vroeg Jan +Vroolijk telkens aan den geneesheer; maar deze had iederen keer de +schouders opgehaald en hem door dit ontwijkende antwoord meer te +vreezen dan te hopen gegeven. Nu echter drukte de man der +wetenschap hem de hand en sprak: "Dank God! Uw vrouw is gered!" +'t Was Jan Vroolijk, of hem een centenaarslast van het hart werd +gewenteld. Zoo innig als hij gebeden had om het behoud van haar, die +hem boven alles ter wereld lief en dierbaar was, zoo vurig dankte +hij nu voor haar aanvankelijk herstel! En toen zijn vrouw kort +daarna de oogen opsloeg en hem met volle bewustzijn aanzag en de +hand toestak, was het hem, als had hij haar uit den dood +wedergekregen. Hij kuste haar vermagerde hand en besproeide ze met +zijn tranen, tranen van dankbaarheid en vreugde! + +De zieke nam nu wel langzaam, maar toch gestadig in beterschap toe, +en eindelijk was ze in zooverre hersteld, dat men er in ernst over +kon denken, om de op zoo noodlottige wijze afgebroken reis te +hervatten. + +Oom Willem, door Jan Vroolijk voortdurend op de hoogte gehouden van +den toestand zijner vrouw, spoedde zich op dit gunstige bericht +dadelijk weer naar New-York, om hen af te halen, en nadat hij alles +voor hen in orde gebracht had, namen ze samen den terugtocht aan. + +"Komaan, daar ben je dan toch eindelijk!" zei tante Betje, oom +Willems vrouw, toen ze na de lange spoorreis haar gastvrije woning +binnentraden. "Goddank, dat ik je zie, kinderen!" + +"Maar we komen met ons beidjes in plaats van met ons drieën, tante!" +sprak Jan op droeven toon, terwijl Keetje in snikken uitbarstte en +het nog altijd zwakke hoofd aan tantes borst verborg. + +"Gelukkig, dat je nog met je tweeën komt!" troostte tante. "Hoezeer +hebben we niet in angst verkeerd, dat we ook Keetje niet terug +zouden zien!" + +En toen de geschokte vrouw nog immer voortging met schreien en Jan +haar met zachte woorden tot bedaren trachtte te brengen, vervolgde +ze: "Laat haar maar eens goed uitschreien, dat zal haar goed doen." + +"En weet je, wat ik nu gedacht heb, moeder?" sprak oom Willem tot +zijn vrouw. + +"Nu, wat dan man?" + +"Dat we onze gasten vooreerst maar hier bij ons moesten houden. Ons +huis is groot genoeg. Ze kunnen dus gemakkelijk bij ons inwonen. Dat +zal goed zijn voor jou en voor Keetje beiden, geloof ik. Ze kan dan +eerst weer een beetje op haar verhaal komen, en later kunnen we dan +altijd nog zien." + +Hoezeer sprak de goede man naar het hart van zijn brave vrouw. Ook +zij had het zwaar beproefde ouderpaar reeds een plaatsje in haar +woning toegedacht, en daar Jan Vroolijk en zijn vrouw van hun kant +ook niets liever wenschten, was alles weldra in orde. + +Werk was spoedig gevonden en voor Keetje was het dagelijksch bijzijn +van tante Betje, die innig deelnam in het ongeluk van haar zusters +eenig kind, een ware troost. + +Omstreeks denzelfden tijd, dat de onder den zwaren slag gebukt +gaande ouders in oom Willems vriendelijke en gastvrije woning zoo +hartelijk werden verwelkomd en opgenomen, zeilde "de Franklin", na +een voorspoedige en gelukkige reis, de haven van Sidney binnen. En +zooals het allen kleinen kinderen gaat, wanneer zij in een andere +omgeving worden overgeplaatst, waar zij het zeer naar hun zin +hebben, n.l.: "uit het oog, uit het hart," zoo was het ook onzen +Willem gegaan. Praatte hij in den beginne nog al eens over moetje en +vader of van oom Piet -- zooals hij Piet Vlug altijd noemde -- +spoedig scheen de kleine het verleden geheel vergeten en +gevoelde hij zich in den tegenwoordigen toestand en omgeving recht +tevreden en gelukkig. Mevrouw Smartt was dan ook als een ware moeder +voor hem. Moest haar man gedurende de eerste dagen nog al eens als +tolk dienst doen, weldra had zij zich de nog geringe woordenschat +van den aardigen babbelaar zoo goed eigen gemaakt, dat deze hulp +geheel overbodig was, te meer, daar ook Willem op zijn beurt van +lieverlede de Hollandsche woorden door Engelsche ging vervangen. Zoo +konden zij dus binnen korten tijd naar hartelust met elkander praten +en babbelen, en de aanvalligheid van het knaapje, aan wien de edele +vrouw zich van het eerste oogenblik zoo gehecht had, verhoogde nog +van dag tot dag haar genegenheid. Ook kapitein Smartt begon hoe +langer hoe meer behagen in den vluggen en vroolijken krullebol te +scheppen, en ten slotte was het moeilijk te zeggen, wie van beiden +wel het meest van hem hield. + +De een zoowel als de ander zou het knaapje dus wel altijd bij zich +hebben willen houden. Niettemin achtte de gezagvoerder van "de +Franklin" zich verplicht, dadelijk bij zijn aankomst te Sidney een +onderzoek naar de herkomst van het kind in te stellen. Ook naar +dezen verren uithoek der wereld zou toch wel eenige tijding omtrent +het vergaan van een schip op de Amerikaansche kust en het lot der +opvarenden overgewaaid zijn, meende hij. En zoo was het ook +werkelijk. Evenals op de meeste voorname zeeplaatsen werd ook te +Sidney een "Zeepost" uitgegeven, d. i. een nieuwsblad, waarin +scheepstijdingen uit alle oorden der wereld worden opgenomen, +tijdingen omtrent aankomst en vertrek der schepen en van plaats +gehad hebbende zeerampen. Door een aandachtig nagaan van de laatste +rubriek in de bladen, welke omstreeks den tijd, dat het ongeluk +moest plaats gehad hebben, waren uitgegeven, kwam kapitein Smartt al +spoedig tot de ontdekking, dat werkelijk in den vroegen morgen van +den 30sten Augustus -- dus juist op den datum der opname van Willem +en Ami aan boord van "de Franklin" -- bij dikken mist niet ver van +de Amerikaansche kust een aanvaring had plaats gehad tusschen de +stoomschepen de Maasdam en de Columbus, waarbij het eerste zoo +beschadigd was geraakt, dat het na verloop van een paar uur in de +diepte was verdwenen. Tevens werd in het bericht vermeld, dat de +bemanning van het gezonken schip, zoomede de passagiers, aan boord +van de Columbus overgegaan en behouden te New-York waren +aangebracht. Alleen van de laatsten was slechts één, en wel een +kind, bij de ramp omgekomen. + +"Daar kan niemand anders mee bedoeld zijn dan Willy" sprak de +kapitein. "Het kind, dat men dood waant, is door den hond gered!" + +"En intusschen wordt hij door de arme ouders als een doode beweend," +antwoordde zijn vrouw bewogen. "Wie weet, wat heete tranen er om +zijn verlies geschreid worden! Misschien was hij ook wel een eenig +kindje, evenals onze eigen Willy." + +Verstond Ami hun gesprek, dat hij zoo met alle aandacht naar hen zat +te luisteren en nu den een, dan den ander met zijn verstandige oogen +aankeek? + +Kapitein Smartt scheen er werkelijk zoo over te denken; want terwijl +hij het goede dier streelde, zeide hij: "Kon jij maar praten, hé! +dan zouden we zeker heel gauw op de hoogte zijn." En zich daarop +weer tot zijn vrouw wendende, vroeg hij: "Maar wat zullen we nu +beginnen?" + +"Het kind blijven liefhebben en als we weer behouden in Amerika +terug mogen keeren, nauwkeurig onderzoek doen naar zijn ouders," +antwoordde deze; "dat is alles wat we kunnen doen." + +"Je hebt gelijk, vrouw," hernam de kapitein. "Intusschen zal ik +aangifte doen van het geval, opdat het naar Holland en New-York +overgeseind en in de nieuwsbladen opgenomen kan worden. Allicht komt +het bericht dan onder de oogen van den een of ander, die met de zaak +bekend is, of iets omtrent de ouders van het kind en hun +verblijfplaats weet en ons het onderzoek alzoo gemakkelijk kan +maken. Met de wetenschap toch, dat zijn ouders nog leven, kunnen we +ons het knaapje onmogelijk toeeigenen, hoe 't mij ook aan mijn hart +gaat, hem weer te moeten missen." + +De zucht, die mevrouw Smartt ontsnapte, was wel het sprekendste +bewijs, hoe noode ook zij het kind weer zou afstaan. + +We moeten nu in gedachten eenige weken teruggaan en weer naar +New-York, waar de schipbreukelingen der Maasdam door de Columbus +waren aangebracht, terugkeeren. + +In de verwarring van het oogenblik had niemand er aan gedacht, dat +behalve de kleine passagier nog iemand anders ontbrak, toen aan +boord van de Columbus appèl voor de geredden werd gehouden. Eerst +bij de ontscheping te New-York trok het de aandacht van den +bootsman, dat de hond zich niet onder hen bevond. + +"Waar mag Ami toch zijn?" vroeg hij, overal rond kijkende. + +Niemand had iets van het dier gezien, + +"Dan is hij bepaald bij Willem in de hut geweest en op de Maasdam +gebleven," dacht Piet vlug. "Het arme dier! Wat hield hij veel +van het ventje! Zouden ze samen in de diepte zijn verdwenen?.... +Maar als het Ami eens gelukt was, zich met het kind te redden! Als +hij eens..... dat zou ontzettend zijn! En toch, hoe meer ik er over +denk, hoe waarschijnlijker 't mij voorkomt. Wie weet, hoe lang het +wrak nog is blijven drijven! Maar dan moeten ze ten slotte toch +omgekomen zijn, of een ander schip moest ze opgenomen hebben. Wacht, +ik ga zoodra mogelijk op verkenning uit! Als ik de vermisten eens +terugvond! Maar laat ik er vooral Jan niets van zeggen en geen +nieuwe hoop opwekken, die misschien toch ijdel zou blijken te zijn." + +Vol van deze gedachten spoedde de wakkere zeeman zich -- eigen +verlies vergetende -- zoodra hij kon voort, om inlichtingen in te +winnen aangaande de schepen, welke dien dag de haven waren +binnengekomen. Zijn onderzoek liep echter op teleurstelling uit. Ook +de scheepstijdingen van elders gaven hem niet, wat hij zocht. En +toch liet het eens opgevatte denkbeeld hem niet los. Integendeel, +hoe langer hij nadacht en de zaak van alle kanten overwoog, hoe meer +het bij hem vaststond, dat Ami wel een middel zou gevonden hebben, +om zich met zijn makker aan het dreigende gevaar te ontworstelen, en +daarna op de een of andere wijze gered zou zijn. + +"Maar 't kan ook evengoed een uitzeilend als een binnenvallend schip +geweest zijn, dat hen heeft opgenomen," redeneerde hij bij zich +zelf. En nu volgde een vernieuwd onderzoek naar alle schepen, welke +omstreeks den tijd van het ongeluk ter hoogte van de aanvaring +konden geweest zijn. Nauwkeurig teekende hij aan, welke schepen de +laatste twee dagen de haven van New-York en die van andere plaatsen +hadden verlaten en waarheen ze bestemd waren, om later, bij 't +bericht van hun aankomst, te kunnen nagaan, of ook de een of andere +bijzonderheid vermeld werd, welke hem eenige zekerheid omtrent zijn +vermoeden kon verschaffen. + +Met deze gegevens voor zich doorsnuffelde hij nu van dag tot dag +alle mogelijke scheepstijdingen; doch ontmoette hij ook al eens een +bericht over de aankomst van een door hem aangeteekend schip, +nergens was sprake van datgene, waarnaar hij met zooveel verlangen +en ongeduld zocht. En intusschen naderde meer en meer de dag, waarop +de bemanning der Maasdam met een ander stoomschip der Maatschappij +de terugreis naar het vaderland zou aanvaarden. + +Eindelijk was die dag daar. + +Maar toen Piet Vlug zijn aanteekeningen voor de laatste maal inzag, +was daarop ook bijna alles doorgehaald, waarop hij zijn hoop +gevestigd had. Deze was dan ook langzamerhand vrij wat verminderd en +eindelijk zoo goed als vernietigd. + +Nog slechts de namen van twee schepen en daaronder die van "de +Franklin" van New-York naar Sidney stonden daar, zonder dat het +potlood er de noodlottige streep doorheen getrokken had, die van +zijn teleurgestelde verwachting getuigenis aflegde. Op deze beide +namen was dus het restje van zijn hoop gebouwd. Maar Sidney was zoo +ver. Nog weken zou het duren, voor "de Franklin" aan het einde der +reis was. En intusschen had hij Amerika verlaten, en daarmee was de +kans om vooreerst iets omtrent de aankomst van het schip te +vernemen, zoo goed als vervlogen! Wat het andere schip aangaat, +daarmede was het ook al niet beter gesteld. + +Zou hij dus zijn vrienden nog iets mededeelen van zijn vermoeden, +voor hij naar Holland terugkeerde? + +Maar dat vermoeden was al zoo dikwijls op teleurstelling +uitgeloopen, dat hij ze er niet aan mocht of durfde wagen. + +Na een hartelijk afscheid vertrok hij dus met het stellige +voornemen, om bij aankomst in Holland direct zijn onderzoek voort te +zetten. Want dat Willem en Ami verdronken zouden zijn, wilde er -- +ten spijt van alles -- nog maar niet bij hem in. + +"Wat men hoopt, gelooft men," zegt een spreekwoord, en zoo was het +met den bootsman ook. + +Het proces, ten gevolge van de aanvaring ontstaan, was middelerwijl +afgeloopen en ten voordeele van de Maasdam beslist, daar uit de +verklaringen, zoo van gezagvoerder en stuurlieden als van bemanning +en passagiers, ten duidelijkste bleek, dat men zich aan boord van +dit schip in alle opzichten aan de bepalingen, voor het verkeer ter +zee vastgesteld, gehouden had, terwijl die voorschriften van de +andere zijde schromelijk bleken verwaarloosd te zijn. + +De reederij der Columbus werd dus tot geheele schadevergoeding van +schip en lading veroordeeld, en de kapitein van de Maasdam kon, +zonder dat op zijn zeemansnaam zelfs de minste blaam bleef rusten, +met zijn equipage naar het vaderland terugkeeren. + +Eenigen tijd later vinden we onzen bootsman dus te Rotterdam terug. + +Nauwelijks aan wal, richt hij zijn schreden naar het +zeemanskoffiehuis, waar hij weldra met een stapel couranten voor +zich zit. Doch ook hier loopt zijn onderzoek op niets uit. Het eene +blad na het andere wordt door hem op zij gelegd, tot hij eindelijk, +mismoedig over zooveel teleurstelling, ook het laatste weer toevouwt +en zich gereed maakt om heen te gaan. Op 't zelfde oogenblik +echter verschijnt de courantenjongen aan de deur, om 't laatste +nieuws af te geven. Dadelijk heeft Piet Vlug het nieuwsblad in +handen. + +"'t Zal wel vergeefsche moeite zijn," mompelt hij, "maar enfin! 'k +Moet toch even kijken." En nu leest hij: "Aangekomen te Bombay.... +Calcutta.... Singapore... Batavia.... Sidney...." Plotseling +verheldert zijn gelaat en met den blijden uitroep: "Eindelijk toch +gevonden!" werpt hij het blad op de tafel. + +"Kastelein!" roept hij vervolgens, terwijl hij weer plaats neemt -- +"breng mij nog een half fleschje Beiersch!" en dan tot zich zelf: +"Daar kan een extra glas op staan!.... Waar stond het ook?... O ja, +hier is 't!...." En nu leest hij half overluid: "Sidney.... +Aangekomen 'de Franklin' van New-York. Onder de Amerikaansche kust +in zee drijvende gevonden een boot, waarin een kind van ongeveer +vier jaar en een hond.".... "Maar hoe blikslager is dat mogelijk," +zegt hij na eenigen tijd nadenkens met de hand aan het hoofd. "We +hadden toch alle booten meegenomen!.... En toch -- 't kan niet +anders zijn.... Haal ze den drommel! dat ze er den naam van 't kind +en van den hond niet bijgezet hebben. Dan was alle twijfel dadelijk +opgeheven!.... Doch" -- en hij begon hartelijk te lachen -- "hoe kan +ik ook zoo dom zijn!.... Ze zullen den kleuter met zijn gebroken +Hollandsch niet verstaan hebben!.... of" -- en op eens nam zijn +gelaat een geheel andere uitdrukking aan -- "of zou de stumperd +misschien al dood geweest zijn?.... Maar," -- en weer keek hij het +korte telegrafische bericht na -- "dan zou er toch gestaan hebben: +het lijkje van een kind, -- dunkt me.... 't Is waarachtig om dol te +worden!.... Wat heb ik nu eigenlijk aan zoo'n bericht?.... +Zijn ze 't, of zijn ze 't niet?... En zoo ja, leven ze nog, of zijn +ze dood?.... 'k Dacht die arme stakkers daar ginder zoo heerlijk te +verrassen!.... Maar zoo gaat het niet.... 'k Moet eerst meer +zekerheid hebben. Er zit niets anders op dan nog wat geduld te +oefenen en intusschen 'de Franklin' in de gaten te houden, want +gelooven doe ik het toch! Wacht, ik moest die courant in mijn zak +steken!.... Kastelein!" + +"Asjeblieft, mijnheer!" + +"Als ik je een gulden geef voor dit blad, mag ik het dan houden?" + +"Met alle plezier," zegt de kastelein lachend, "als ge er zooveel +belang in stelt. Maar aan het bureau en op straat koopt ge er +anders een voor een stuiver." + +"Dat doet er niet toe!" antwoordt Jan, een rijksdaalder uit zijn +vollen buidel op tafel werpend en meteen de courant in den zak van +zijn jekker stekend. "Ik verkies nu juist dit blad te hebben en geen +ander!" + +"Nu, zooals ge wilt," herneemt de kastelein, terwijl hij den +rijksdaalder aanneemt en eenig klein geld terug geeft, dat de +bootsman achteloos op zak steekt. "Veel luk er mee!.... Zeker een +prijs uit de loterij, niet waar?" + +"Als 't waar is, wat hierin staat," zegt Jan, op zijn jekker +slaande, "dan kon je dat wel zoo mis niet hebben. Adjuus!" + +En met de gewichtige tijding op zak, verliet hij het +zeemanskoffiehuis. + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + ++Een geluk bij een ongeluk.+ + + +Nadat de Franklin gelost was en de gezagvoerder eenigen tijd te +vergeefs op nieuwe lading gewacht had, besloot hij den steven naar +Indië te richten, in de hoop aldaar geschikte retourvracht voor zijn +bodem te vinden. + +Doch te Soerabaja, waar men na eenige dagen aankwam, werd alleen +scheepsruimte gevraagd voor Europeesche havens, terwijl de kapitein, +ook met het oog op zijn kleinen passagier, gehoopt had naar Amerika +terug te kunnen keeren. + +Met een leeg schip den Oceaan over te steken, was echter nog minder +gewenscht. Derhalve besloot kapitein Smartt eindelijk van den nood +een deugd te maken en zijn schip naar Europa, en wel naar Hamburg, +te bevrachten. + +De reis zou zoodoende wel wat langer duren; maar hij mocht de +belangen zijner reeders toch niet aan die van het kind opofferen. En +bij nader inzien waren de laatste misschien aan deze zijde van +den Atlantische Oceaan nog beter gediend dan aan gene. + +Van Hamburg naar Holland was toch slechts een uitstapje van +hoogstens een paar dagen, redeneerde de kapitein. Een onderzoek +aldaar bij de reederij van het verongelukte schip, waarvan Willem, +naar hij vermoedde, afkomstig was, zou misschien nog beter resultaat +opleveren, dan het zoeken naar zijn ouders in Amerika zelf. De +lading, die hoofdzakelijk uit koffie en suiker bestond, werd +derhalve ingenomen, en weldra verliet het schip met zijn kostbare +vracht de haven van Soerabaja, om zijn nieuwe bestemming te volgen. + +Piet Vlug had "den Amerikaan", zooals hij de Franklin voortaan +noemde, intusschen goed in de gaten gehouden. Dag in, dag uit zat +hij in de courant te snuffelen, om te zien, werwaarts hij zijn koers +zou richten. Zoodoende droeg hij niet alleen kennis van de aankomst +der Franklin te Soerabaja, maar ook van haar vertrek en bestemming +naar Hamburg. + +"Wel drommels, waarom niet liever naar Holland gekomen," pruttelde +hij bij het lezen van de laatste tijding. "Nu ben ik, zoo waar, nog +genoodzaakt naar Hamburg te reizen, als 't zoo laat is; wanneer ik +ten minste zekerheid omtrent het ventje wil hebben. Maar enfin, dat +is minder, als de moeite maar beloond wordt. Kon ik eerst nog maar +een reisje doen; want zoolang aan wal te blijven hangen.... Wacht, +laat me eens uitrekenen.... Het is vandaag de 23e April en de +Amerikaan is uitgezeild op den 15en April. Dat is, als alles goed +gaat, omstreeks 't begin van Juni aan de Kaap en zoo ongeveer half +Juli hier voor de kust.... Maar dan moet ook alles meeloopen en +broeder Jonathan al een snelle zeiler zijn.... Als wij dus over +veertien dagen uitzeilen, zijn we tegen dien tijd al lang en breed +weer in Holland terug.... Wel ja, dat lappen we hem met glans, als +er ten minste geen tweede Columbus in ons vaarwater komt. Maar dan +mag ik lijen, dat de baas zelf naar den kelder gaat!" + +Onze bootsman had zijn berekening inderdaad niet slecht gemaakt. +Nu, daarvoor had hij dan ook in eigen persoon meer dan eens dezelfde +reis gedaan. Voor hij namelijk bij de Maatschappij, waarvoor hij +thans voer, in dienst kwam, was hij verscheidene malen naar Indië +geweest. + +Hij wist er dus alles van en maakte zich dan ook volstrekt niet +ongerust, dat de Amerikaan hem tijdens zijne afwezigheid zou +ontsnappen. + +Willem had zich intusschen van lieverlede zoodanig aan zijn goede +pleegouders gehecht, dat hij het verlies van vader en moeder geheel +vergeten scheen. En de kapitein en zijn vrouw? Als de kleine +praatjesmaker, die nu reeds aardig Engelsch had leeren babbelen, zoo +tusschen hen in zat, voelden zij meermalen den wensch bij zich +opkomen, dat het onderzoek, dat zij wilden instellen maar op niets +mocht uitloopen. Indien de ouders nog leefden, wisten zij immers +toch niet beter, dan dat hun kind dood was, en misschien hadden zij +zich reeds met dat denkbeeld verzoend. En zij daarentegen? Hoe +zouden zij hem missen! Vooral mevrouw Smartt kon er niet aan denken, +dat zij mogelijk spoedig weer afstand van haar Willy zou moeten +doen. + +En toch, hoe meer de Franklin haar bestemming naderde, hoe meer dat +denkbeeld zich aan haar opdrong. Soms zelfs maakte zich een +gevoel als van een naderend onheil van haar meester, en als haar man +zich aan dek bevond, zat zij dikwijls met het knaapje op haar schoot +in stilte te schreien. Maar dan sloeg Willy zijn armpjes om haar +hals, en door zijne lieftalligheid wist hij haar sombere gedachten +te verdrijven. + +Zoo bereikte de Franklin eindelijk den ingang van het Kanaal. Juist +acht dagen te voren was het stoomschip de Rotterdam, waarmee Piet +Vlug ditmaal de reis naar Amerika gemaakt had, Kaap Lizard +gepasseerd. En niettegenstaande de bootsman op zijn vingers kon +narekenen, dat de Amerikaan op dat tijdstip nog onmogelijk op +dezelfde hoogte, veel minder hem reeds vooruit kon zijn, nam hij +toch elk schip, dat den steven naar het Noorden gericht had, met +zijn kennersblik zorgvuldig op, om zich te vergewissen, of hij zich +soms ook in zijn berekening mocht vergist hebben. + +"Je kunt nooit weten," dacht hij. "Dat volkje van den overkant is +zoo vlug als water. Als je meent, ze te hebben, glijden ze je nog +tusschen de vingers door." + +Doch onder de massa schepen, die het Kanaal opvoeren, was geen enkel +Amerikaansch fregat te bekennen. + +Onze bootsman zou dus al den tijd gehad hebben, om van de +vermoeienissen der reis uit te rusten, voor hij op zijn +ontdekkingstocht uitging, als geen onverwachte gebeurtenis tusschen +beide gekomen was, die al zijn plannen in duigen dreigde te werpen. + +Nauwelijks een paar dagen aan wal ontving hij namelijk een brief van +De Cocksdorp op Texel, waarin hem dringend verzocht werd onverwijld +over te komen, daar zijn oude grootvader bedenkelijk ziek was. + +"Als ge hem nog levend zien wilt, zult ge u moeten haasten," luidde +het droevig bericht. + +"De oude man gaat van dag tot dag achteruit en heeft al verscheidene +malen naar u gevraagd. Misschien heeft hij u nog wat te zeggen of te +vragen...." + +Geen tien minuten later stond de bootsman al met den brief in de +eene en de muts in de andere hand bij den kapitein in de kajuit. + +"Wat heb je, bootsman?" vroeg deze, van zijn schrijfwerk opziende. + +"Ik zou u wel om eenige dagen verlof willen vragen, kapitein," +antwoordde de bootsman. "Zooeven ontving ik dezen brief. Als de +kapitein dien eens even wou inzien." + +Zonder den toegestoken brief evenwel aan te nemen, vroeg de kapitein +weer: "Wat behelst de brief? Toch geen ziek volk, wil ik hopen?" + +"Ja, kapitein," hernam Piet bewogen. "Mijn grootvader is stervende, +en naar 't schijnt wou de oude man, alvorens hij de groote reis gaat +doen, mij nog eens zien." + +"Nu, maak dan maar gauw, dat je voort komt," sprak de kapitein +daarop. "Je hebt onbepaald verlof. Goeie reis!" + +"Dank u, kapitein!" zei Piet. Maar terwijl hij zijn muts al heen en +weer draaide, scheen hem nog iets op de tong te liggen; althans hij +maakte nog geen haast om te vertrekken. + +"Had je nog iets, bootsman?" vroeg de kapitein nu op nieuw. + +"Ja, kapitein!" sprak Piet een weinig verlegen. "'k Zou u eigenlijk +nog wel iets willen vragen." + +"En dat is?" + +"Ik zie dagelijks in de scheepsberichten uit naar de aankomst +van het Amerikaansche fregat de Franklin. Dat schip moet vandaag of +morgen te Hamburg binnenvallen, en nu ik heel naar Texel ga, zou me +'t bericht daarvan gemakkelijk kunnen ontgaan." + +"En nu zou je dus willen....?" + +"Dat u eens voor me woudt uitkijken naar dien sinjeur, als het ten +minste niet te veel moeite is, kapitein!" sprak Jan. En als vreesde +hij, dat zijn verzoek eigenlijk wel wat misplaatst was, voegde hij +er bij: "Ziet u, kapitein, 'k zou het ook wel aan een ander kunnen +vragen; maar er is mij zooveel aan gelegen, dat ik het waarlijk +niemand anders durf toevertrouwen." + +"Wel zoo, bootsman!" sprak de kapitein lachend, "dan sta ik zeker +goed bij je aangeschreven. Nu, ik zal zorgen, dat ik je vertrouwen +in mij niet beschaam. Zoodra ik het bericht lees, stuur ik je een +telegram! Maar mag ik, zonder nieuwsgierig te zijn, nu ook vragen, +wat het is, dat je zooveel belang in dat schip doet stellen?" + +"Zeker, kapitein!" antwoordde Jan, die deze vraag verwacht had. +Daarom had hij dan ook al de couranten en aanteekeningen, welke hij +had verzameld, bij zich gestoken. Terwijl hij deze nu uit den +binnenzak van zijn pijjekker te voorschijn haalde, ging hij voort: +"Gij herinnert u zeker nog wel, kapitein, dat we verleden jaar, bij +het ongeluk met de Maasdam een kleinen passagier, benevens onze Ami, +kwijtgeraakt zijn?" + +De kapitein knikte bevestigend. + +"Nu dan," vervolgde de bootsman, "'t wou er van den beginne af +eigenlijk niet goed bij mij in, dat die twee werkelijk om zeep +gegaan zijn. En nu meen ik de bewijzen te hebben, die mijn vermoeden +wettigen. Zie slechts!" Hierbij toonde hij den kapitein de +berichten in de nieuwsbladen, benevens de verschillende door hem +gemaakte aanteekeningen. "Eén ding slechts begrijp ik niet," zei hij +ten slotte, "hoe ze namelijk in die boot gekomen zijn, daar we alle +sloepen meegenomen hebben." + +"Dat begrijp ik wel," sprak de kapitein, die met klimmende +belangstelling des bootsmans mededeelingen had aangehoord. "De jol +stond immers op den bak!" + +"Stommerik, die ik ben! dat ik daar niet aan gedacht heb," zei Jan, +zich voor het hoofd slaande. + +"Hoor eens," sprak nu de kapitein, opstaande en hem de hand op den +schouder leggende, "je bent integendeel een wakkere, flinke kerel! +Ga nu maar gerust je grootvader opzoeken. Ik stel er een eer in niet +alleen, maar acht me ook ten zeerste verplicht je zooveel mogelijk +bij te staan. Zoodra de Franklin te Hamburg is gearriveerd, zal ik +per telegraaf informatiën inwinnen, en is je vermoeden juist, +waaraan ik intusschen niet twijfel, dan reis ik er zelf heen, om het +kind en den hond af te halen. Als je dan terugkomt, stel ik ze je +hier weer ter hand." + +"God geve het, kapitein:" sprak Piet aangedaan. "O, wat zou die +ongelukkige moeder weer opleven, als ze haar jongen, dien ze dood +waant, gezond en wel weer terugzag!.... Maar die papieren?" + +"Jongen ja, laat me die houden," zei de kapitein. "Ik mocht ze nog +noodig hebben." + +Met een hartelijken groet liet hij nu den bootsman vertrekken, die +zich daarop in der haast wat aankleedde en een en ander bij elkaar +zocht. + +Een paar uren later zat hij dan ook al in den sneltrein van +Rotterdam naar Amsterdam, en nog denzelfden avond stond hij +voor de deur van grootvaders woning. Het laatste gedeelte der reis, +van de hoofdplaats van Texel tot de Cocksdorp -- een afstand van +ongeveer drie uren -- had hij geheel te voet moeten afleggen. +Doodmoe lichtte hij de klink op. Als grootvader nu nog slechts +leefde en hem herkende!.... Helaas! hoe hij zich ook gehaast had, +hij kwam nogtans te laat. De zieke had een half uurtje te voren den +laatsten adem uitgeblazen. Zacht en kalm had de oude man den geest +gegeven, nog een laatsten groet voor zijn kleinkind achterlatende. + +Droevig staarde Piet Vlug den ontslapene aan. Hij was de oudste +kleinzoon, en grootvader had van hem altijd zoo bijzonder veel +gehouden, al waren er later ook meer kleinkinderen gekomen. + +Nu schoot hem niets anders over, dan den geliefden doode de laatste +eer te bewijzen. + +Drie dagen later zien we hem dan ook te midden zijner familieleden +het kleine dorpskerkhof betreden, achter de zwarte baar, waarop +grootvaders lijk grafwaarts gedragen wordt. + +'t Was een sombere begrafenisdag. De lucht zag er al haast even +treurig uit als de gezichten van hen, die om de groeve geschaard +stonden, waarin de lijkkist werd neergelaten. Het zonnetje bleef den +geheelen dag achter dichte, grauwe wolken verborgen, die met +onheilspellende vaart door het luchtruim werden voortgejaagd. De +wind begon al meer en meer op te steken en deed het zand der duinen +dwarrelend omhoog stuiven. Menigeen richtte het oog bezorgd naar +boven en vroeg zich af, waar dat op uitloopen zou. Veel goeds scheen +het in allen gevalle niet te voorspellen. Het weerglas begon snel te +dalen. Weldra stond het op storm en nog steeds ging het +achteruit. Tegen den avond wees het zelfs orkaan aan. En 's +nachts?... Daar begon het! Vreeselijk, wat raasde de wind! Wat +huilde hij door de toppen der boomen, wat floot hij door reten en +scheuren! De huizen schudden, schoorsteenen waggelden en vielen naar +beneden, pannen werden van de daken geslingerd! De menschen waren +zelfs bang in huis! En daarbuiten, aan het strand en op zee? +Huizenhoog rezen de golven En met donderend geraas vielen zij +schuimend en bruisend op de kust, als wilden ze het geheele eiland +in hun gapenden muil verzwelgen! 't Was of de zee overeind stond! +Golven van wit schuim stoven tot over de hoogste duintoppen en een +regen van zout water viel daarbinnen op het land. + +"Arme zeelui!" zuchtte men in de huizen. "Wie weet, hoe velen op dit +oogenblik in nood verkeeren!" + +"Ja, wie weet!" zuchtte ook Piet Vlug, die aan niets anders dacht, +dan aan het schip, dat hij reeds weken en maanden in gedachten +gevolgd had en dat nu ongetwijfeld hier of elders voor de kust moest +zijn! "Als het nu eens juist..." + +Ontzettend, wat een hevige windstoot!.... Hij kon het in huis niet +langer uithouden. + +"Ik moet er uit!" riep hij eensklaps, van zijn stoel opspringende. + +"Waar wil je heen?" vroeg zijn neef Klaas, de zoon van oom Hein, bij +wien grootvader had ingewoond. + +"Naar 't strand!" antwoordde Piet kortaf. + +"Dan gaan we samen!" zei Klaas besloten. + +Elk in een oliepak gestoken, met den zuidwester vast op het hoofd +gebonden en een stevigen knuppel in de hand tot steun, zoo verlieten +zij een oogenblik later de woning. + +Verschrikkelijk! wat was het donker buiten. Zwarte nacht +heerschte in het rond. Geen hand voor oogen kon men zien. En 't +scheen wel, of de storm met elk oogenblik nog heviger werd. De wind +stond vlak op de kust. + +Meer kruipend dan loopend gingen de twee neven voort. Aan spreken +was geen denken. Elke vijf minuten moesten zij zich omkeeren, om +adem te scheppen. Eindelijk toch bereikten zij het duin. Hier waren +zij althans eenigszins beschut tegen den storm. + +"Dat 's een heele haal geweest, neef!" zei Klaas hijgend toen zij +even uitrustten, alvorens het duin te beklimmen. + +"Nu, of het!" antwoordde Piet. "Waren we nu ook maar goed en wel aan +den anderen kant!" En een oogenblik later vervolgde hij: "Zouden we +'t nu maar eens probeeren?" + +"Eerst nog even uitblazen," sprak Klaas. "'k Ben nog geheel buiten +adem." + +En terwijl zij daar aan den binnenvoet van het beschermende duin +nieuwe krachten verzamelden voor den verderen tocht, woedde de storm +daarbuiten met onverminderde kracht voort, bergen van wit schuim +over hun hoofden heen slingerend. + +'t Was inderdaad een vreeselijke nacht. 't Geweld der brekende +golven, vermengd met het dof gedreun en gerommel der kokende +branding in de "Gronden" en het bulderen van den orkaan, vormden +samen een orkest, zooals alleen de natuur kan scheppen, als de +elementen het verstoorde evenwicht in den dampkring zoeken te +herstellen. + +"Komaan, laten we 't nu maar eens beproeven," zei Klaas eindelijk, +en daarop stapten zij het duin in. Al op- en afklimmende bereikten +zij ten laatste de buitenste duinenrij. Aan den anderen kant +daarvan beukte de zee. 't Was of de zandmassa onder 't gewicht der +slagen trilde. Toch waagden zij het, ook dit laatste bolwerk te +beklimmen, om daarna, plat op den grond liggende, en met het hoofd +vooruitgestoken over de golven te staren. + +"Als er nu eens een schip in nood verkeerde, Klaas!" zei Piet Vlug. + +"Dat verhoede God!" antwoordde de toegesprokene, "want aan redding +is op 't oogenblik geen denken. Als er met dit weer een schip in 'de +Gronden' verzeilt, is het binnen een kwartier tot splinters +geslagen." + +"Hoor! wat is dat?!" sprak Piet op eens weer, na een oogenblik +zwijgens. Beiden hielden den adem in. Maar zij vernamen niets dan +het loeien van den wind en het geraas der golven. + +Ja, toch, daar was het weer!.... + +"Hoor je het nu, Klaas?" vroeg Piet. + +Een langgerekt gehuil, dat boven wind en golven uitklonk, drong hem +in de ooren. + +"Dat is hier dichtbij," zei Klaas, en zonder verder een woord te +wisselen, kropen beiden zij aan zij op handen en voeten langs de +duinhelling naar beneden. + +Nogmaals hetzelfde gehuil, maar nu veel dichter bij dan een +oogenblik te voren. + +"'t Is een hond, die tegen het duin tracht op te klauteren," +schreeuwde Klaas aan het oor van den bootsman, en een luid geblaf in +de diepte bewees, dat hij zich niet vergist had en tevens dat zij +door het dier waren opgemerkt. + +"Groote God! Als 't Ami eens was," dacht Piet Vlug, en zonder te +bedenken, aan welk gevaar hij zich blootstelde, liet hij zich op +eens naar omlaag glijden. + +"Ami! Ami!" schreeuwde hij met beide handen aan den mond, toen hij +beneden was; maar meteen werd hij door een met groots kracht en +snelheid bij het strand oploopende golf aangegrepen en +omvergeworpen. + +Op het punt om door het afloopende water in de diepte mee gesleurd +te worden, voelde hij zich echter plotseling stevig beetgepakt en +tegengehouden. + +De hond had hem van een wissen dood gered. + +Vlug sprong Piet overeind en betastte zijn harigen redder, die, +druipnat als hij was, tegen den bootsman opsprong en zijn handen en +gelaat besnuffelde. + +"O Hemel! hij is het!" riep Piet Vlug uit. + +Een schier menschelijke kreet was het antwoord van den hond. Beiden +hadden elkaar herkend. + +"De Franklin gestrand!.... Met man en muis vergaan wellicht!... En +de kleine jongen!?".... Bliksemsnel doorkruisten al deze gedachten +het hoofd van den bootsman. Veel tijd om na te denken over 't geen +er gebeurd moest zijn, had hij evenwel niet. + +"Maak, dat je hier komt!" schreeuwde Klaas zoo luid mogelijk, want +een ontzettende golf, wier dof gebrom met elk oogenblik sterker +werd, kwam met alles omverwerpend en vernielend geweld op de kust +aanrollen. Op lijfsbehoud bedacht, klauterde Piet Vlug dan ook, zoo +spoedig hij kon, weer bij het duin op. + +De hond ging hem vooruit. + +Plotseling evenwel bleef het dier achter een eenigszins +vooruitstekende zandrug staan en begon op nieuw hevig te blaffen. + +"Ja, ik kom bij je, ouwe jongen!" riep de bootsman, wien een +voorgevoel nieuwe kracht gaf, hoezeer de storm hem ook bijna tegen +'t duin aandrukte. + + +[Illustratie: Zijn hand gleed over iets nats, dat op den grond lag +uitgestrekt.] + + +"Ben je daar?" riep nu ook Klaas, toesnellende. De bootsman evenwel +antwoordde niet, maar tastte gejaagd om zich heen in de nabijheid +van het blaffende dier. + +Ha! daar vond hij wat. Zijn hand gleed over iets nats, dat op den +grond lag uitgestrekt. Daar voelde hij.... de hand en het gelaat van +een kind!.... IJskoud.... Dood?!.... Geen teeken van leven althans +was meer te bespeuren. + +"Heb ik je dan daarvoor zoo lang nagegaan, om hier slechts je lijkje +te vinden?" zuchtte de bootsman. "Arme jongen! Arme, arme moeder!" + +"Maar misschien is het slechts bewusteloosheid en kunnen de +levensgeesten van het kind nog weer worden opgewekt," zei Klaas, die +intusschen ook naderbij was gekomen. "Doch dan moet er gehandeld +worden en spoedig ook." + +Dat begreep ook de bootsman. Vlug pakte hij derhalve het knaapje op +en snelde er mee voort, het eene duin op, het andere af. 't Was of +de storm hem vleugels gaf, zoo haastte hij zich, om met zijn last +onder dak te komen. + +Aan den binnenkant van het duin stond een kleine hut. Daarheen +richtte het tweetal zijn schreden, op den voet gevolgd door den +hond, die luide zijn blijdschap te kennen gaf. + +Het noodweer had ook de bewoners der hut van het bed gehouden, +zoodat Piet en Klaas een open deur en behulpzame handen vonden. Het +kind werd nu op de tafel uitgestrekt en uitgekleed, waarop men alles +in het werk stelde, om het leven, zoo het nog niet geheel geweken +was, weer op te wekken. De bootsman kende dat werk. Meer dan eens +was hij er getuige van geweest, hoe door kunstmatige +ademhalingsverrichtingen, alsmede door wrijven en borstelen een +drenkeling weer tot het leven teruggebracht werd. De hond zat +het werk bedaard aan te kijken en liet alles geduldig toe. Doch hoe +Piet Vlug zich ook inspande, al zijn moeite scheen tevergeefs. Reeds +had hij de hoop opgegeven, hoewel hij nog steeds voortging de +armpjes van het knaapje op en neer te bewegen. + +Maar daar op eens.... Vergiste hij zich niet?.... Was dat geen +zucht, dien hij hoorde?.... Ademloos legde hij het oor tegen het +ontbloote borstje en.... Ja, daar begon het van binnen weer te +kloppen, daar stroomde het bloed op nieuw door de aderen! + +"Hij leeft! hij leeft!" juichte de bootsman, alsof hij zijn eigen +kind uit den dood had weergekregen! + +Nu ontspanden zich ook de strakke gelaatstrekken van den kleine; de +ademhaling werd al dieper, en eindelijk, daar openden zich de oogen, +eventjes, heel eventjes maar, doch lang genoeg voor Piet Vlug, om +hem ook het laatste greintje twijfel, of hij werkelijk het zoontje +van zijn vrienden voor zich had, te ontnemen. + +"Zie zoo, nu onder de dekens met hem, als 't kan!" zei hij +eindelijk. En toen Willem nu goed en wel in het bed, dat hem +bereidwillig was afgestaan, onder de wol lag en zijn rustige +ademhaling bewees, dat hij een verkwikkenden slaap genoot, kon de +bootsman niet nalaten zijn vol gemoed door eenige mededeelingen +omtrent het gebeurde uit te storten. + +"Zoo is er dus altijd nog een geluk bij een ongeluk," zei hij ten +slotte. "Was grootvader niet gestorven, dan was ik niet hier +geweest, en het ventje zou, na overal de wereld rondgezworven te +hebben, hier in de nabijheid van zijn geboorteplaats waarschijnlijk +den dood gevonden hebben in het duin!" + +Terwijl hij dit zeide, sloop Ami voorzichtig naar de bedstede en +ging op de achterpooten staan, om naar den slapende te kijken. + +De bootsman volgde hem. + +Juist sloeg het kind de oogen op en blikte in het gelaat van den +zeeman. + +"Ken je me nog, mijn jongen?" vroeg hij zacht. + +Plotseling verhelderde een gelukkige glimlach het bleeke +kindergelaat. "Oom Piet! Oom Piet!" kreet de kleine, en meteen +strekte hij als vroeger de beide handjes naar hem uit. + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + ++Bij vader en moeder terug.+ + + +Toen het weerglas zoo snel daalde en kapitein Smartt voorzag, dat er +slecht weer in aantocht was, dacht hij het Gat van Texel binnen te +loopen en te Nieuwediep gunstiger gelegenheid af te wachten om de +reis voort te zetten. De storm overviel hem echter met zulk een +snelheid, dat hij weldra genoodzaakt was, weer van de kust af te +houden, wilde hij zijn vaartuig niet op de gevaarlijke Haaksgronden +zien verbrijzelen. + +Met elk oogenblik werd de storm heviger, en het duurde niet lang, of +hij was tot een vliegenden orkaan aangegroeid. Eenmaal op de kust, +was het de Franklin niet meer mogelijk in volle zee terug te komen. +Wel ging het aanvankelijk nog om den Noord, doch tevens werd het +schip meer en meer naar de kust heengetrokken. De zeilen scheurden +tot flarden, en tot overmaat van ramp begon ook het roer zijn dienst +te weigeren. Nu was het lot van het schoone vaartuig spoedig +beslist. + +Geheel prijsgegeven aan de woede van wind en golven, liep het +ontredderde schip met ontzettende snelheid regelrecht op de kust aan +en werd een oogenblik later in de kokende branding geworpen. Een +geweldige stoot volgde -- de masten kraakten en vielen over boord, +en de matrozen, die in het want gevlucht waren, vonden hun dood in +de golven! Een nieuwe waterberg, die het schip nogmaals opnam en met +zich omhoog voerde, om het eenige honderden meters verder op nieuw +in de branding te slingeren, voltooide het vernielingswerk. + +De verschansing sloeg weg en allen, die zich nog dan boord bevonden, +ook de kapitein en zijn vrouw, benevens de kleine Willem en Ami, de +hond, werden van het dek weggeveegd. + +Eén hartverscheurende kreet, en alles was gedaan! De zee is een +steeds geopend graf, een doodenakker met talrijker bevolking dan het +grootste kerkhof! + +Willem uitgezonderd, ontkwam dan ook niemand aan haar doodelijke +omarming. En ook deze had het behoud van zijn leven slechts aan zijn +trouwen en altijd wakkeren kameraad te danken. + +Door dezelfde golf op het strand geworpen, waar echter niemand +aanwezig was om den kleinen drenkeling te redden, had Ami hem met +inspanning van alle krachten zoover bij het duin weten op te +sleepen, dat de zee zich althans deze prooi ontnomen zag. Maar +niettemin zou het arme kind, dat den dood reeds nabij was, stellig +omgekomen zijn, als het niet nog juist te rechter tijd door den +bootsman en zijn neef Klaas gevonden en opgenomen was. Den geheelen +nacht was de eerste verder in de hut gebleven, en 's morgens droeg +hij Willem, na hem, bezorgd als hij was, goed ingepakt te +hebben, op zijn armen naar het dorp, waar men, inmiddels door Klaas +ingelicht, den wonderdadig geredden schipbreukeling met open armen +ontving en opnam. + +Het bericht van de schipbreuk had de dorpsbewoners intusschen reeds +vroeg op de been gebracht, en ieder spoedde zich nu naar het strand +om te zien, of er nog iets te helpen of te redden viel. + +Helaas! er bleef niets te helpen of te redden over. De storm had +zijn werk niet ten halve gedaan! + +Welk een verwoesting had hij in enkele uren tijds aangericht! 't +Geheele strand lag met de overblijfselen van schip en lading als +bezaaid. Hier en elders vond men ook het lijk van een ongelukkigen +zeeman, en daar ginder, tusschen den Grooten en Kleinen Slufter +(twee diepe geulen in het strand, die tot den duinvoet doorloopen) +vertoonde zich het wrak van het gestrande vaartuig. Straks -- als de +eb was ingevallen -- zou men het misschien te voet kunnen bereiken +en er droogvoets om heen kunnen loopen. Nu echter stond er nog +eenige voeten water omheen, en verscheidene visschersschuitjes lagen +het reeds op zij, om van de lading nog zooveel mogelijk te redden en +daarmee een eerlijk bergloon te verdienen. + +Ook de scheepspapieren, waaruit de naam van schip en gezagvoerder, +alsmede de plaats van herkomst en bestemming kon blijken, werden uit +het wrak gehaald en aan wal gebracht. Onder die papieren bevond zich +o. a. ook de indertijd door kapitein Smartt opgemaakte en door de +geheele equipage der Franklin onderteekende verklaring omtrent het +op de Amerikaansche kust opgevischte tweetal, welke verklaring den +bootsman zeer te stade kwam, om de afkomst der nu op nieuw +geredden voldingend te bewijzen. + +Overigens was ons Willempje er zelf om daaromtrent te overtuigen. +Door het hem bijgebleven gezicht van oom Piet toch leefden ook zijn +sluimerende herinneringen omtrent moetje en vader weer op, en toen +het nu onafscheidelijke drietal eenmaal de straat opkwam en de +voormalige woning van Jan Vroolijk passeerde, liet de kleine op eens +de hand van oom Piet los en holde onder den uitroep: "Moetje toe! +Moetje toe!" de openstaande deur binnen. + +Moetje was er echter niet! Wel had de familie enkele dagen te voren +nog een brief van haar ontvangen, waarin de arme vrouw -- hoe goed +ze 't overigens ook had in de Nieuwe Wereld, -- op hartroerende +wijze over haar verloren lieveling klaagde. + +"Kom maar, mijn jongen!" had de bootsman toen met een kwalijk +weerhouden traan gezegd, "je gaat spoedig met oom Piet naar je +moetje toe, hoor! We zullen haar eens foppen, hé?" + +Foppen, verrassen, heerlijk verrassen! Ja, dat wilde hij de nog +immer treurende ouders. + +Daarom had hij met de familie afgesproken, om alles aan hem over te +laten. + +"Men sterft wel niet van blijdschap," zei hij, "maar het is toch +goed, ze een weinig op hun onverwacht geluk voor te bereiden. Ik heb +al een plannetje bedacht." En het genot, dat hij zich van de +verwezenlijking daarvan voorstelde, maakte, dat hij zich van +genoegen in de handen wreef. "Maar," liet hij er ernstig op volgen, +"laten we ons maar niet te spoedig verheugen. Een ongeluk ligt +soms in zoo'n klein hoekje. En tusschen hier en daar ginds is de +afstand nog zoo groot! 'k Zal blij zijn, als we eerst den overkant +alvast maar te pakken hebben; want op zee is geen heil voor den +jongen, al heeft hij er ook tot nog toe het leven afgebracht!" + +Een week later bracht hetzelfde rijtuigje, dat nu ongeveer een jaar +geleden Jan Vroolijk, met vrouw en kind naar de havenplaats van het +eiland had gereden, den kleinen Willem op nieuw daarheen, nu echter +van twee andere begeleiders vergezeld. + +"Zal je vooral goed op hem passen, Piet?" riepen twee, drie stemmen +tegelijk, die het ventje slechts met hartzeer weer zagen vertrekken. + +"Daar zal niets aan mankeeren, hoor!" antwoordde de bootsman; "reken +daar gerust op!" + +En van het achterbankje, waarop Ami naast Willem had plaats genomen, +om zich -- misschien voor de eerste maal in zijn leven -- ook eens +gemakkelijk te laten rijden, klonk het: "Waf! Waf!" alsof het +wakkere dier zeggen wilde: "Anders ben ik er ook nog!" + +"Nu, vaarwel dan!".... "Dag Willem!".... "Dag beste jongen!".... +klonk het verward dooreen, en.... voort rolde het rijtuig, tot groot +vermaak van het kleine ventje, dat nog evenveel schik in het rijden +had als een jaar te voren. + +Aan boord van de nieuwe Maasdam, die door de Maatschappij ter +vervanging van het verongelukte stoomschip in de vaart was gebracht +en gereed lag om over een paar dagen haar eerste reis te doen, werd +het drietal met een luid "hoezee" verwelkomd. Iedereen schudde den +wakkeren, braven bootsman even hartelijk de hand; niet het +minst de kapitein, die hem bovendien zijn bijzondere tevredenheid te +kennen gaf. Piet Vlug had zich namelijk gehaast, om direct na de +schipbreuk der Franklin zijn kapitein per telegram een korte en +daags daarna per brief een uitvoerige mededeeling van het gebeurde +te doen. + +"En zou je den kleinen zwerveling nu maar niet bij mij achteruit +brengen, bootsman!" vroeg de kapitein. "Hij mocht anders nog eens +weer zoek raken!" + +"Als de kapitein 't mij toestaan wou, zou ik toch maar liever zelf +op hem passen," antwoordde Piet beleefd. "'k Ben wel niet voor +kindermeid in de wieg gelegd, maar Ami zal me wel een handje +helpen." + +Nu, de kapitein had er niets tegen, en een beter oppasser dan Ami +was bezwaarlijk te vinden. Het trouwe dier was nu weer recht op zijn +gemak en speelde en stoeide met Willem, dat het een aard had. Soms +zetten de matrozen den krullebol zelfs op zijn rug en lieten hem zoo +langs het dek rondrijden. Dan zong de kleine ruiter: + + + "Hop, hop! Tra-ra! Hop, hop! Tra-ra! + "Wij rijden naar Amerika," + + +tot groot vermaak van de passagiers, die zijn geschiedenis al +spoedig te weten waren gekomen en hem tengevolge daarvan allen even +hartelijk gezind waren. De eerste reis van het nieuwe stoomschip was +al bijzonder voorspoedig. Van mist of nevel, die de oude Maasdam zoo +noodlottig waren geweest, was ditmaal volstrekt geen sprake. Zonnige +dagen en heldere, vriendelijke nachten wisselden elkander af. +Daarbij was de zee zoo kalm en rustig en speelden de golfjes zoo +vroolijk om den boeg van het schoone vaartuig, dat zelfs de +vreesachtigste voor zijn plezier zulk een tochtje naar de Nieuwe +Wereld zou hebben gemaakt. + +'s Avonds vóór den verwachten dag van aankomst vertoonde zich dan +ook reeds het reusachtige vrijheidsbeeld aan den ingang van de haven +van New-York, dat met zijn schitterend electrisch licht den +landverhuizers als 't ware het welkom na volbrachte reize toeriep. +Nog één nacht -- en de bevolking van Amerika telde weer een +vijfhonderdtal zielen meer. + +Veel geluk, gij allen, die in een nieuw vaderland hoopt te vinden, +wat het oude u niet meer of slechts in onvoldoende mate kon +aanbieden, -- werk en brood! Dat gij al uw wenschen en verwachtingen +moogt bevredigd zien! + +Ginds dampt al het stoompaard, dat gereed staat de emigranten naar +de plaats hunner bestemming heen te voeren; want slechts weinigen +blijven in New-York, de meesten gaan landwaarts naar het Westen, +honderden uren ver! + +Wie komen daar nog op het laatste oogenblik aansnellen, om een +plaatsje in den trein te nemen? + +Een luid geblaf, dat over het perron weerklinkt, zegt het ons reeds. +Piet Vlug staat gereed, om zich van het laatste gedeelte der op zich +opgenomen taak te kwijten en den kleinen zwerveling, dien hij op den +arm draagt, in den kring der zijnen terug te voeren. + +Reeds te Cocksdorp had hij een plannetje bedacht; nu komt het er nog +slechts op aan, dit naar behooren ten uitvoer te brengen. + +Daartoe had hij zich eerst naar het telegraafbureau begeven en daar +aan oom Willem -- of liever aan den heer Willem Vroolijk te Holland +in den Staat Michigan -- het volgende telegram verzonden: + + + "Vertrek heden met trein 8 uur van New-York naar + Holland. Kom mij bij aankomst aldaar afhalen. Kom + vooral alleen. Zeg niemand iets. Breng blijde tijding + mee." P. VLUG. + + +"Hier, bootsman! hier is nog ruimte," hoort hij zich toeroepen uit +een waggon, waarin verscheidene landgenooten hebben plaats genomen. +Hulpvaardige handen worden uitgestoken en nemen het kind van hem +over. Ami wipt er achteraan, en ten slotte stapt ook Piet Vlug in, +waarop het portier wordt dichtgeslagen. + +Nog een oogenblik en de trein vertrekt!.... + +"Een telegram uit New-York!.... Van wien mag dat zijn?" zegt oom +Willem met verklaarbare nieuwsgierigheid, terwijl hij zijn bril op +den neus zet en daarna het couvert haastig verbreekt.... En nu leest +hij -- hardop, zooals hij steeds gewoon is -- wat Piet Vlug hem +tegelijk met zijn vertrek heeft overgeseind. Gelukkig dus, dat zich +niemand in het vertrek bevond; anders zou hij het geheim van den +inhoud stellig verraden hebben. + +"Kom vooral alleen.... Zeg niemand iets.... Breng blijde tijding +mee!" herhaalt hij nog eens, met het papier in de hand het vertrek +op en neer loopende.... "Dat is me zoowaar een raadsel, naar welks +oplossing ik dol nieuwsgierig ben!" + +"Blijde tijding!".... "Nu, die mogen we hier wel eens hebben; want +wat er van die arme Kee nog terecht moet komen, weet de Hemel!" + +Juist werd de deur geopend en zij, over wie oom Willem zich zoo +bezorgd maakte, trad de kamer binnen. + +Haastig verstopte de goede man nu het telegram en zich daarop +tot haar wendende en haar betraande oogen ziende, zei hij zachtjes: +"Al weer gehuild, mijn kind? Kom, verzet je toch eens, en wees niet +altijd zoo bedroefd!" + +"Och, oom!" antwoordde de arme vrouw, die er nog altijd bleek en +lijdend uitzag, "herinnert ge u niet, dat het morgen net een jaar +geleden is met onzen lieveling?" + +"'t Is waar ook," zuchtte oom Willem deelnemend; maar tevens dacht +hij aan de "blijde tijding", welke Piet Vlug kwam brengen, en +nogmaals vroeg hij zich af, wat dat toch wel zijn kon. Als hij +eens.... + +'t Was, of de gedachte hem zoo in eens werd ingegeven. "God, als dat +eens mogelijk was!.... Juist een jaar geleden!.... Maar hoe kom ik +er aan?" ging hij een oogenblik later voort, "de dooden worden +immers niet weer levend!" + +Oom Willem was den geheelen dag zeer onrustig, en 's nachts kon hij +zoowaar geen oog toedoen! Hij legde zich van de eene zij op de +andere, doch kon den slaap maar niet vatten. + +"Wat scheelt je toch, beste man!" vroeg zijn vrouw gedurig; maar +ofschoon 't geheim van het telegram hem op de lippen brandde, toch +hield hij zich goed, en toen hij zich den volgenden morgen naar 't +station begaf, had niemand van de huisgenooten ook maar het minste +vermoeden van 't geen er bij hem omging. + +Jan Vroolijk ging dien dag niet naar de fabriek. Ook hem was de +herinnering aan 't geen vandaag voor een jaar gebeurd was, te +machtig. In elkanders bijzijn herdachten de wreed getroffen ouders +hun lieveling, en met heete tranen beweenden zij zijn droef verlies. + +Oom Willem stond intusschen reeds langer dan een uur op het +perron van het station, om de aankomst van den trein af te wachten. +Vreeselijk, wat duurde dat lang! Was hij dan zoo vroeg, of was de +trein zoo laat?.... + +Al wel tienmaal had hij zijn horloge voor den dag gehaald, dan het +telegram weer ingezien, en vervolgens zijn spoorbiljet nog eens +geraadpleegd. Wachten is altijd onplezierig, en de goede man, die +zich hoe langer hoe meer opwond, gevoelde al het onaangename er van. +Had hij slechts even de stationsklok geraadpleegd, dan zou hij +gezien hebben, dat alleen zijn horloge, dat bijna een uur vóórliep, +hem zulke leelijke parten speelde. + +Precies op de minuut af stoomde de trein het station binnen. De +portieren werden geopend, de reizigers stapten uit, en voor oom +Willem nog den tijd gehad had, om te midden van al het gedrang den +man te herkennen, naar wien hij met zooveel ongeduld zocht, stond +deze reeds in levenden lijve voor hem met Willem en Ami naast zich. +"Ziezoo, daar ben ik!" zei hij opgeruimd, terwijl hij den verbaasden +man hartelijk de hand drukte. "En wie denk je nu wel, dat ik hier +meebreng?" + +Oom Willem behoefde niet lang te raden. Wel had hij de gedachte, die +zijn medelijdend hart hem gisteren had ingegeven, dadelijk als +onzinnig weer verworpen; doch niettemin was ze telkens en telkens +weer teruggekeerd. Ze had hem gedurende den nacht den slaap benomen +en 's morgens reeds een paar uur voor de aankomst van den trein naar +het station gedreven. + +En nu?.... De gelaatstrekken van den kleine, die de vriendelijke +blauwe kijkers naar hem opsloeg, waren te sprekend die zijns vaders, +dan dat twijfel mogelijk zou geweest zijn. + +"Wel man, je komt, of je van onzen Lieven Heer gestuurd bent," sprak +de oude man, tot schreiens toe aangedaan. "We zitten hier zoo in de +treurigheid. Die goeie Kee heeft het er nog altijd te kwaad mee.... +Ze doet niet anders dan huilen.... 't Is immers vandaag net een +jaar?.... Maar nu is alle leed gelukkig ten einde!" + +En terwijl hij het knaapje van den grond beurde en innig geroerd een +kus op het voorhoofd drukte, vroeg hij: "Wat voor wonder is er toch +met jou gebeurd, kleine krullebol?" + +"Dat vertel ik je zoo meteen wel," zei Piet Vlug. "'t Komt er nu +slechts op aan, dat we met een beetje behoedzaamheid te werk gaan en +niet te plotseling met de deur in huis komen vallen." + +"Als ik dan alvast maar vooruitging en ze een weinig op je komst +voorbereidde?" stelde oom Willem voor. + +Maar dat lag niet in het plan, dat onze bootsman opgemaakt en tot nu +toe gevolgd had. + +"O, laat dat maar aan mij over! Ik zal dat zaakje wel naar behooren +opknappen," zei hij met zekere geheimzinnigheid. + +Middelerwijl hadden ze het perron verlaten, en daar de afstand naar +oom Willems woning voor den kleinen naamgenoot wel wat ver was, om +dien wandelend af te leggen, stapten zij in een der gereedstaande +rijtuigen. + +"Moet die hond ook mee?" vroeg oom Willem niet weinig ontsteld, toen +het groote dier, dat tot nu toe minder zijn opmerkzaamheid getrokken +had, mee in het rijtuig sprong. "Wel wis en zeker! Die hoort bij +ons," antwoordde Piet Vlug, het goede dier lachend op den +schranderen kop tikkend. "Wat zeg jij, Ami? Zonder jou zouden +we waarlijk niet hier zitten, hé?" + +Daarop vertelde hij oom Willem in korte woorden de gansche +geschiedenis van het tweetal. De man kon zijn ooren nauwelijks +gelooven bij 't geen hij hoorde, en gedurig sloeg hij de handen vol +verbazing in elkander. + +"Nu, mijn jongen!" zei hij eindelijk met vochtige oogen, "onze Lieve +Heer heeft je wel wonderlijk gespaard, dat moet ik zeggen!..... Wat +zal dat een verandering geven, als we zoo aanstonds thuis komen, +Piet! Ik zie er zoowaar tegen op!" + +"Zijn we er haast?" vroeg Piet Vlug. + +"Met een paar minuten," antwoordde oom Willem. + +"Zie, daar tusschen die boomen ligt ons huisje! Hoe zullen we het nu +aanleggen?" + +"Dat zal ik je zeggen," hernam Piet Vlug. "Ik stap er hier uit en +neem Ami mee, terwijl gij een oogenblik met den kleine achterblijft. +Het terugzien van den hond, dien zij zeker zullen herkennen, zal hen +ongetwijfeld op het denkbeeld brengen, dat ook hun kind...." + +"Uitmuntend! uitmuntend!" viel oom Willem hem in de rede. "Dat is +kostelijk overlegd! Beter kon het niet!" + +"Komaan, Ami! Uitgestapt dan maar!" zei de bootsman. "Nu zal het er +op aan komen, jongen!" + +Ami sprong blaffend op den weg, door Piet Vlug gevolgd, terwijl oom +Willem met het knaapje in het rijtuig bleef zitten, dat langzaam +achter de wandelaars aanreed. + +"Waar mijn man toch den geheelen morgen zitten mag," pruttelde tante +Betje zoo wat binnensmonds, toen plotseling de deur geopend werd +en... onze bootsman voor haar stond. + +"Wel heere mijn tijd! Daar heb je zoowaar Piet Vlug!" riep ze nu, +van verwondering de handen in elkaar slaande. + +"In eigen persoon, moedertje!" lachte de bootsman, terwijl hij haar +de beide handen toestak. "Hoe gaat het je? En hoe is het met de +familie?" + +"Och, niet al te best," zuchtte tante. "Onze jongelui zijn den slag +nog niet te boven, en vooral vandaag..." + +"Ja, ja, dat begrijp ik," viel Piet Vlug haar in de rede. "Daarom +ben ik juist eens over komen waaien. Dat geeft misschien eens wat +afleiding. Maar waar zitten de lui? Geen mensch thuis misschien?" + +"Toch wel," sprak tante, naar de deur van het aangrenzende vertrek +wijzend. "Ze hebben zich daar met hun beidjes teruggetrokken." + +"Zoo, zoo!.... Is het er zoo mee gesteld," zei de bootsman daarop. +"Kom, Ami! ga jij ze dan eens een beetje troosten, mijn jongen! Dat +komt jou toe!" + +En nu haalde hij een papier uit den zak, dat hij den hond in den bek +gaf, waarop hij het gewillige dier, dat het gewicht zijner zending +scheen te begrijpen, zachtjes de aangewezen kamer wist binnen te +smokkelen. + +Tante Betje begreep er niets van. "Wat geeft dat allemaal?" riep ze, +ver van gerust over het groote, vreemde dier, dat Piet Vlug haar +woning had binnengeleid. Maar deze suste haar en zei lachend: "Stel +je maar gerust, hoor! 't Zal alles wel goed afloopen. Luister maar +eens!...." + +De deur stond op een kier, zoodat zij alles, wat daarbinnen +gebeurde, konden hooren en zien. + +Jan Vroolijk en zijn vrouw zaten aan de tafel. Voor hen stond een +kinderportret, dat zij met vochtige oogen beschouwden. 't Was de +beeltenis van hun lieveling! + + +[Illustratie: Hij legde het papier dat hij in den bek hield op +Keetjes schoot.] + + +"O God, Jan!" riep Keetje op eens uit. "Zie eens! Daar heb je....!" + +"Mijn Hemel! dat lijkt.... dat is.... Maar dat kan immers niet?" +sprak de ontroerde man. + +"Waf! Waf!" blafte de hond en meteen sprong hij kwispelstaartend +tegen zijn oude vrienden op en legde het papier, dat hij in den bek +hield, op Keetjes schoot. + +"Lees! lees!" kreet zij met luid kloppend hart. + +Daar stond Jan met de verklaring van kapitein Smartt in de handen. +Het blad trilde hem tusschen zijn bevende vingers.... Hij kon den +inhoud nog slechts moeielijk ontcijferen. Eindelijk echter.... daar +was hij er!.... Zijn gelaat straalde van blijdschap. + +"Hij leeft!.... Hij leeft!" borst Keetje uit, die haar blikken in +ademlooze spanning op hem gevestigd hield. "O, mijn kind!.... Mijn +lieveling!...." + +"Nu is het mijn tijd," zei Piet Vlug, het vertrek binnentredend.... + +Juist hield het rijtuig voor de deur stil. + +"Welnu, vrienden, heeft Ami de boodschap goed overgebracht?" vroeg +hij, zoo kalm mogelijk. + +Beiden tegelijk vlogen ze op den bootsman toe. + +"Piet!.... Beste Piet!.... Waar is hij?.... Heb je hem niet +meegebracht?".... klonk het verward dooreen, terwijl elk een zijner +handen vasthield. + +"Ja, ja, houdt je maar bedaard!" sprak Piet Vlug aangedaan. "Waar de +redder is" -- en hij wees op Ami -- "zal de geredde ook wel niet ver +af zijn." + +"Daar is hij al! Daar is hij al!" riep tante Betje, die nu eerst +recht begreep, wat er aan de hand was. Oom Willem had namelijk op +een teeken van den bootsman de deur geopend en stond nu, met +den kleine aan de hand, op den drempel. + +Een kreet van verrassing ontsnapte de gelukkige moeder. Snikkend van +vreugde breidde zij de armen naar haren lieveling uit, die haar +onder den uitroep: "Moetje! Moetje!! Daar is mijn moetje!" om den +hals viel. + +Naast hen knielde de niet minder gelukkige vader, die moeder en kind +beiden met zijn stevige armen omvatte en aan het kloppend hart +drukte. En daaromheen stonden Piet Vlug met Ami en oom Willem met +tante Betje het heerlijke tooneel met tranen in de oogen gade te +slaan. De kleine zwerveling was eindelijk in behouden haven +aangeland.... + +Drie dagen bleef Piet Vlug de gast van zijn gelukkige vrienden. Wat +had hij hen veel te vertellen! En met hoeveel schrik en ontzetting +luisterden zij naar het verhaal van de gevaren, waaraan hun +lieveling had blootgestaan. Moeder drukte hem nog vaster tegen zich +aan, als vreesde zij, dat ze hem nogmaals verliezen zou! + +En Ami?.... Toen de bootsman na een allerhartelijkst afscheid weer +naar boord terugkeerde, vervuld van blijdschap over het geluk, dat +hij zijn vrienden mocht bereiden, bleef Ami stilletjes waar hij was. +Waar Willem zich bevond, was voortaan ook zijn tehuis, en van alle +zijden gestreeld en geliefkoosd, had hij er een leven als een prins. + +Op het Engelsche kerkhof te Eierland werden omstreeks denzelfden +tijd twee drenkelingen aan den schoot der aarde toevertrouwd! Het +waren Kapitein Smartt en zijn vrouw, wier lijken hier naast elkander +in één graf werden bijgezet. + + + + + INHOUD. + + + Bladz. + HOOFDSTUK + " I. EEN GEWICHTIG BESLUIT . . . . 5 + " II. DE LANDVERHUIZERS . . . . . . 18 + " III. OP DEN OCEAAN . . . . . . . . 31 + " IV. GESCHEIDEN . . . . . . . . . 46 + " V. HET GEVONDEN SPOOR . . . . . 58 + " VI. EEN GELUK BIJ EEN ONGELUK . . 69 + " VII. BIJ VADER EN MOEDER TERUG . . 84 + + + + +[Transcriber's Notes: + + De platte tekst versie van dit ebook gebruikt underscores + voor cursieve tekst en plus-tekens voor vetgedrukte tekst. + + Voor het gemak van de lezer is in de HTML-versie de + inhoudsopgave voorin het boek gezet en is een lijst van + illustraties toegevoegd (direct ná de inhoudsopgave). + + Dit boek bevat een aantal zetfouten. + De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd: + + [aan dit oogenbiik] -> [aan dit oogenblik] + [en zoo iets] -> [en als zoo iets] + [nogtans] (2x) -> archaische spelling. + [alles zeer naar wenseh] -> [alles zeer naar wensch] + [het dek opgespleten] -> [het dek opengespleten] + [en lekte het] -> [en likte het] + ["Intuschen zal ik] -> ["Intusschen zal ik] + ["Veel luk er mee]: "luk" is een archaische vorm van "geluk". + [voelde bij zich] -> [voelde hij zich] + + Er zijn een aantal interpunctie fouten gecorrigeerd maar + die worden hier niet specifiek genoemd. + + In de HTML-versie van dit boek is de originele paginanummering + zichtbaar gemaakt en geplaatst onderaan de pagina's. Als u + zoekt naar een tekst-fragment dat door een paginanummer in + tweeën is gesplitst (of een woord, waardoor er een + afbreekstreepje bij komt) dan wordt het paginanummer genegeerd. + +] + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De kleine Zwerveling, by D. P. Plaatsman + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 58487 *** |
