summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/58487-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-08 19:38:36 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-02-08 19:38:36 -0800
commit5f1bf3cadc57f08096b11e440e7911e6d7683383 (patch)
tree8d39ff26cdd38ae6927438dce3ab8240b3825b61 /58487-0.txt
parentd911d0c01e88310294ae8072d0f53ed936e0ed89 (diff)
Sentinels relocatedHEADmain
Diffstat (limited to '58487-0.txt')
-rw-r--r--58487-0.txt3054
1 files changed, 3054 insertions, 0 deletions
diff --git a/58487-0.txt b/58487-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..ea75172
--- /dev/null
+++ b/58487-0.txt
@@ -0,0 +1,3054 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 58487 ***
+
+
+
+
+
+
+
+ _De kleine Zwerveling_
+ door D.P. Plaatsman
+ [Illustratie: kaft]
+
+
+
+
+[Illustratie: frontispiece]
+
+
+
+
+ DE KLEINE ZWERVELING.
+
+
+
+
+ _ZESTIG CENTS-BIBLIOTHEEK._
+ LECTUUR VOOR JONGENS EN MEISJES
+ ONDER REDACTIE VAN
+ +TITIA VAN DER TUUK.+
+
+
+
+ DE KLEINE
+ ZWERVELING
+
+
+ DOOR
+
+
+ D. P. PLAATSMAN.
+
+
+ GEÏLLUSTREERD DOOR
+
+
+ J. A. S. Z. D. K.
+
+
+
+ DEVENTER -- Æ. E. KLUWER.
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
++Een gewichtig besluit.+
+
+
+Eierland, dat tegenwoordig een goed bebouwde en sterk bevolkte
+polder is, en met Texel één geheel uitmaakt, was vroeger een
+afzonderlijk en bijna onbewoond eiland.
+
+Als ik zeg "onbewoond", dan bedoel ik daarmee echter alleen door
+menschen, want vogels -- vooral watervogels -- huisden er in zulk
+een ontzaglijke menigte, dat men volgens oude schrijvers in het
+voorjaar bijna geen voet kon verzetten, zonder een twee- of drietal
+nesten met eieren onder zijn bereik te hebben. De naam Eierland
+wordt daaruit van zelf verklaard.
+
+Het recht, om die eieren te zoeken, behoorde destijds aan den
+"Kastelein" van het Eierlandsche huis, die daarvoor, benevens voor
+het beweiden van het Eierland met schapen en runderen, een
+jaarlijksche pachtsom aan het Rijk betaalde; want het geheele
+Eierland was toen landseigendom of domeingrond.
+
+Ook het Eierlandsche huis, bijna de eenige woning, welke er te
+vinden was, en die reeds van het jaar 1650 dagteekent, was een
+rijksgebouw. Op het noordelijkste deel van Eierland, aan den
+binnenkant der duinen in een vallei gelegen, diende het
+hoofdzakelijk tot onderhouding van de postgemeenschap met Vlieland;
+maar het had toch ook nog een andere bestemming.
+
+Voor den ingang van het Eierlandsche gat liggen namelijk, evenals
+voor dien van de meeste onzer zeegaten, gevaarlijke zandbanken.
+Hoeveel schepen hier in den loop des tijds wel gestrand zijn, is
+zelfs niet bij benadering op te geven, en ontzettend groot is het
+aantal schipbreukelingen, dat op deze verraderlijke kust zijn graf
+in de golven gevonden heeft!
+
+De noordelijkste uithoek van Eierland, welke sterk vooruitspringt,
+draagt dan ook met recht den naam van "het Engelsche Kerkhof",
+wegens de vele drenkelingen, die er begraven zijn.
+
+Zij, die echter den dood ontkwamen, vonden in het Eierlandsche huis
+steeds een beschermend dak, waar zij liefdevol werden opgenomen en
+verpleegd.
+
+Het groot aantal schipbreuken in de Eierlandsche gronden was
+oorzaak, dat eindelijk op een der hoogste duintoppen een vuurtoren
+werd geplaatst, waarvan het vèrschijnende en draaiende licht reeds
+op mijlen afstands in zee de plaats aanwijst, waar gevaar dreigt.
+
+Ten gevolge daarvan geraakt tegenwoordig niet dan bij uitzondering
+een schip op deze gevaarlijke stranden verzeild. Gelukkig, niet
+waar?
+
+"Gelukkig!" zeggen ook de bewoners van het meer zuidelijk gelegen
+dorpje De Cocksdorp, niettegenstaande zij met het wegblijven der
+schepen een goed deel van hun bestaan zagen verdwijnen.
+
+De Cocksdorp, aldus genoemd naar den Rotterdamschen koopman De Cock,
+die in het jaar 1835 met enkele andere heeren de bedijking van
+Eierland tot stand bracht, ligt een weinig benoorden de zoogenaamde
+Roggesloot, een der talrijke kreekjes, die aan den duinvoet
+ontspringen en den polder in oostelijke richting doorstroomen.
+
+Het bergen van de lading der gestrande schepen bezorgde den De
+Cocksdorpers soms belangrijke voordeelen. Voor het overige
+verdienden zij grootendeels hun brood met de schelpenvisscherij op
+de nabijgelegen zandbanken.
+
+Ook het laatste bedrijf werd echter van jaar tot jaar minder, en het
+weleer bloeiende plaatsje is tengevolge van dat alles zeer
+achteruitgegaan, zoodat het tegenwoordig niet meer dan ongeveer de
+helft van het vroegere aantal bewoners telt.
+
+Vele van de voormalige ingezetenen hebben niet alleen het dorpje en
+het eiland, maar ook het land zelf verlaten en in het verre Amerika
+een nieuw vaderland en een nieuw bestaan gezocht.
+
+Ook Jan Vroolijk, door zijn dorpsgenooten in den regel "Vroolijke
+Jan" genoemd, omdat hij als jongen zulk een vroolijke snuiter was en
+soms zoo aardig uit zijn huisje kon schieten, dacht er sterk over,
+met de zijnen den wijden oceaan over te steken.
+
+Vroeger had hij er nooit van willen weten, hoe schoon de berichten
+ook luidden, welke sommige zijner familieleden, die de groote reis
+reeds achter den rug hadden, van tijd tot tijd overzonden; steeds
+had hij gezegd:
+
+"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kinderen den kost weet te
+verdienen, blijf ik waar ik ben."
+
+Tot zijn vrouw, die er ook zeer tegen opzag om zulk een groote
+zeereis te doen, was zijn gewone zeggen altijd:
+
+
+ "'k Zeg maar altijd, lieve Keetje!
+ Wat je hebt, mijn kind, dat weet je,
+ Wat je krijgt, dat weet je niet!"
+
+
+Nu, zij hadden het dan ook, vooral in den beginne, nog al zoo kwaad
+niet gehad. Maar de omstandigheden waren, in den laatsten tijd
+vooral, vrij wat en alles behalve in hun voordeel, veranderd.
+
+Jan Vroolijk was schelpenvisscher. Acht jaar geleden -- hij telde nu
+dertig jaar -- was hij met Keetje, een meisje van het dorp en van
+zijn leeftijd, getrouwd. Drie kinderen hadden ze in dien tijd gehad.
+De twee oudsten, beiden meisjes, waren echter al heel jong
+gestorven. Alleen 't jongste, een allerliefst knaapje, was hun
+overgebleven. De kleine krullebol was nu ruim drie jaar, en vader en
+moeder waren, zooals licht te begrijpen is, allebei even gek met hun
+ventje. Moeder noemde hem geregeld haar oogappel, en als hij maar
+even klaagde, was de goede vrouw al beangst. Dan dacht zij dadelijk
+aan haar beide gestorven lievelingen en bekroop haar de vrees, dat
+zij ook haar Willem -- zoo heette het ventje -- wel eens zou kunnen
+verliezen. De jongen groeide evenwel als kool en had een kleur als
+een roos. Op en top zijn vader! Als deze thuis was, stond het huis
+geregeld op stelten. Geen wonder, dat de kleine dreumes 's avonds,
+als Jan Vroolijk met zijn schuit uit zee terugkwam, al op den
+uitkijk stond.
+
+Ook nu stond hij weer te turen naar de naderende vaartuigjes, en
+spoedig hadden zijn heldere kijkers den man, naar wien hij zocht, in
+'t oog gekregen.
+
+"Dag! dag!" riep de kleine broekeman, en hij zwaaide als naar
+gewoonte met zijn mutsje zijn vadertje het welkom toe.
+
+Zag vader hem niet, dat zijn groet dezen keer niet beantwoord werd?
+
+"Dag! dag!" riep de kleine nog al eens en nog eens weer; maar Jan
+Vroolijk scheen zijn jongen niet te bemerken of over 't hoofd te
+zien.
+
+Neen, toch! daar zwaaide ook hij met zijn pet, en over zijn gelaat,
+dat er, zooals in de laatste dagen wel meer gebeurde, zeer ernstig
+uitzag, kwam een gelukkige glimlach bij het terugzien van zijn
+lieveling. 't Volgende oogenblik stond zijn gelaat echter weer net
+zoo strak als even te voren.
+
+Wat was er dan gebeurd, dat Vroolijke Jan zoo uit zijn humeur had
+gebracht?
+
+"Zoolang ik in het vaderland voor vrouw en kind den kost kan winnen,
+blijf ik waar ik ben," had hij altijd gezegd. In den laatsten tijd
+scheen het echter, alsof hem dit met den besten wil en de grootste
+krachtsinspanning niet langer mogelijk zou zijn. Sinds het voorjaar
+was het met de schelpenvisscherij van week tot week achteruitgegaan,
+en van daag was 't hem dan al bijzonder tegengeloopen! De schelpen
+waren bij den jongsten storm geheel onder het zand bedolven geraakt,
+en waar hij vroeger met het grootste gemak een rijke lading wist op
+te visschen, gelukte het hem nu slechts met de grootste moeite en
+den meesten ijver, een zeer mager vrachtje aan wal te brengen.
+
+Daar kwam nog meer onheil bij, waardoor zijn gemoedsstemming er ook
+al niet op verbeterde. Tusschen de schuitjes der visscherlieden
+bewoog zich nu ook een stoomschip, dat van een stoomschelpenzuiger
+voorzien was. Daarmede werden de schelpen tot op een diepte van 10 à
+20 voet uit den zeebodem losgewoeld en naar boven gebracht, om
+vervolgens, gewasschen en wel, in een op zijde liggend vaartuig
+overgestort te worden. Het eene schip na het andere werd op deze
+wijze soms in enkele uren met een volle lading bevracht. Dit had
+natuurlijk weer een ongunstigen invloed op den prijs der schelpen,
+waarvan in de kalkovens de metselkalk gebrand wordt en zoo kwam dus
+het eene ongeluk bij het andere.
+
+Geen wonder waarlijk, dat Jan Vroolijk alles behalve prettig gestemd
+was.
+
+Terwijl hij daar aan het roer zat en zijn schuitje landwaarts
+stuurde, was hij er in ernst over begonnen na te denken, of het toch
+maar niet beter zou zijn, bij tijds dit sober bestaantje op te geven
+en iets anders te beginnen, waarmee een beter loon te verdienen
+viel.
+
+Maar wat zou hij aanvangen?
+
+Hij was een uitstekend schipper en had een paar ferme handen aan het
+lijf; maar een ambacht verstond hij niet.
+
+Onwillekeurig dwaalden zijn gedachten zoodoende af naar het verre
+Westen, waarheen reeds zoo vele zijner vroegere dorpsgenooten hem
+waren voorgegaan.
+
+"Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld te
+verdienen," schreef men steeds uit de nieuwe wereld. Nu, werken
+wilde en kon hij zoo goed als de beste, als het slechts brood gaf!
+Zooals de zaken nu stonden, ging hij echter van week tot week
+achteruit.
+
+Aldus in zich zelf redeneerende, kwam hij eindelijk tot de slotsom,
+dat het beste was, er thuis eens ernstig met moeder de vrouw over te
+spreken, wat hun in deze omstandigheden te doen stond. Zóó kon het
+in allen gevalle niet blijven, dat stond als een paal boven water.
+
+Aan wal gekomen, nam hij, zooals hij altijd gewoon was, zijn zoontje
+op den arm, om zich met hem naar huis te begeven. Maar hoe druk die
+twee het anders gewoonlijk ook hadden, dezen keer sprak Jan Vroolijk
+al bijzonder weinig, en ook Willempje scheen, onder den indruk van
+vaders ongewoon gezicht en weinige spraakzaamheid, van den weerstuit
+het babbelen en snappen geheel verleerd te hebben.
+
+Moeder, die haar kleintje geen oogenblik uit het oog verloren had,
+stond hen reeds aan de deur op te wachten. Ook haar viel het
+dadelijk in het oog, dat Jan niet was zooals anders. Bezorgd liep ze
+hem tegemoet, om te vragen of hem ook iets scheelde. "We hebben een
+brief van oom Willem uit Amerika!" riep ze er in één adem bij.
+"Alles gezond volk, hoor!"
+
+"Een brief van oom Willem!" En dat juist nu! 't Kon waarlijk niet
+beter treffen! De gelegenheid om met zijn vrouw te spreken over 't
+geen hem door 't hoofd maalde, bood zich nu als van zelf aan; want
+om de waarheid te zeggen, zag hij daar wel een beetje tegen op. Zijn
+gelaat klaarde dan ook vrij wat op, nu zulk een onverwachte
+bondgenoot hem als 't ware te hulp kwam. Oom Willem zou toch, even
+als altijd, wel weer heel veel moois te vertellen hebben.
+
+"En wat schrijft hij?" vroeg Jan onder het naar binnen gaan, terwijl
+moeder den kleinen Willem van hem overnam.
+
+"Zeg mij liever eerst eens, wat er aan hapert," antwoordde zijn
+vrouw. "Je bent zoo stil...."
+
+"'t Is ook wel, om er stil onder te worden," viel Jan haar in de
+rede. "Er valt langer geen droog brood te verdienen. De schelpen
+zitten meest allemaal onder 't zand, en die er nog zijn, worden ons
+door die verwenschte machine voor den neus weggepikt! Als 't langer
+zoo moet, kunnen we onze matten wel oprollen, vrouwtje! Wist ik maar
+wat anders te bedenken, dan zette ik geen voet meer aan boord; want
+mijn zin is er glad af."
+
+"Nu, lees dan maar eens wat oom Willem schrijft," zeide zijn vrouw,
+terwijl zij een dikken brief, met verscheidene poststempels er op,
+uit de kast te voorschijn haalde, en hem haar man overreikte.
+
+Jan greep begeerig naar den brief en een oogenblik daarna was hij
+geheel in de lezing er van verdiept.
+
+Wat oom Willem schreef?
+
+Dit o.a.:
+
+"We zijn nu ongeveer vier jaar hier en hebben al een aardig
+spaarpotje. Het huisje, dat wij bewonen en dat geheel ons eigendom
+is, ziet er heel aardig uit. Daarbij bezitten wij een flinken tuin
+en ongeveer 3 H.A. weiland. Wij hebben vier beste koeien op stal en
+een varken van ongeveer 150 K.G. op het hok. Dat moet over eenige
+weken in de kuip. Spek en vleesch eten wij zooveel wij lusten.
+Terwijl ik zelf thuis volop werk heb, gaan onze Gerrit en Klaas alle
+dagen naar de fabriek. Zij verdienen nu al een dollar daags en
+krijgen binnen kort weer opslag...."
+
+Toen Jan tot zoover met de lezing van den brief gevorderd was, hield
+hij zuchtend eenige oogenblikken op. 't Schemerde hem voor de oogen
+bij de opsomming van al dat schoons, en als van zelf begon hij
+daarmee zijn eigen sober bestaantje te vergelijken.
+
+"Hadden we vier jaar geleden ook maar besloten om mee te gaan, Kee,"
+zei hij, zijn vrouw, die tegenover hem zat, aanziende; "wie weet,
+hoe goed ook wij het dan nu hadden. Wat oom Willem daar schrijft, is
+om van te watertanden. Al werk ik hier ook van 's morgens vroeg tot
+'s avonds laat, dan kom ik nog geen steek vooruit."
+
+"Och kom, tob daar nu maar niet over," antwoordde de toegesprokene,
+die inmiddels den kleinen Willem in haar schoot liet dansen. "Bedenk
+maar liever eens, wat kapitaal wij hier hebben!"
+
+Dat kapitaal -- hun jongske -- scheen zich bij moeder schadeloos te
+willen stellen, voor 't geen hij straks bij vader te kort gekomen
+was, en het kereltje had een pret van belang. Vader deed zijn naam
+echter alles behalve eer aan. "Daar koopen we toch voor 't oogenblik
+geen brood voor," sprak hij gemelijk en jaloersch op ooms voorspoed.
+
+"Waarom lees je dan niet, wat er verder staat? Misschien brengt je
+dat wel weer een beetje in je humeur!..."
+
+Jan las nu verder, en Keetje merkte op, dat zijn gezicht al spoedig
+een geheel andere uitdrukking aannam. Geen wonder ook. Wat daar
+stond te lezen, was wel in staat, hem weer in een betere stemming te
+brengen.
+
+"... Ik begrijp niet," zoo stond er, "wat je er nog langer tegen
+hebt, om tot ons te komen. Je meeste familie woont hier, en allen
+hebben het even goed, veel beter, dan ze het in Nederland ooit zouden
+gekregen hebben. Ik weet wel, men verlaat niet voor zijn plezier het
+vaderland, om het misschien nooit weer te zien; maar toch zeg ik:
+wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Denk er dus met je
+vrouw nog eens rijpelijk over na, en hapert het je soms aan de
+noodige middelen om over te komen, schrijf het dan maar gerust; want
+daar weten we hier wel raad voor. En als je eenmaal bij ons bent,
+zullen we wel zorgen, dat je onder dak komt en dat er wat voor je te
+doen valt. Voor iemand, die werken kan en wil, is hier altijd geld
+te verdienen. Er komen hier nog steeds handen te kort...."
+
+'t Was, of Jan voelde, dat zijn vrouw, terwijl hij las, de oogen op
+hem gevestigd hield. Toen hij dan ook opkeek, ontmoetten hun blikken
+elkander, en met een vragende uitdrukking op het gelaat zag de een
+den ander aan, alsof ze zeggen wilden: "Nu, hoe denk je er over?"
+
+"Dus zou je me aanraden, er toe over te gaan?" vroeg Jan eindelijk,
+met eenigszins trillende stem. "Ik dacht anders.... Ik vreesde...."
+
+"Ja, ik zou er ook wel erg tegen opzien, lieve man," viel zijn vrouw
+hem in de rede, "maar 't is, zooals oom schrijft: wat het zwaarste
+is, moet het zwaarste wegen. Als we hier langer geen brood hebben en
+'t daar zoo goed kunnen krijgen, zou het dan niet het beste zijn, er
+maar in tijds toe te besluiten, liever dan hier nog langer te
+blijven? Als 't er toch toe komen moet, dan maar hoe eer hoe beter,
+dunkt me."
+
+"Weet je wat, vrouw, we zullen er ons eerst beiden nog eens ernstig
+op bedenken; want de zaak is te gewichtig, om zoo maar één, twee,
+drie een besluit te nemen, vind je ook niet?"
+
+"Dat is zeer verstandig van je bedacht, Jan. Je kunt er dan nog eens
+met den een en ander over spreken ook en zien, wat men je aanraadt."
+
+De goede vrouw, die natuurlijk ook van week tot week ontdekte,
+hoezeer de verdiensten van haar man verminderden, en wel gezien had,
+hoe zijn vroegere opgeruimdheid daarbij geheel verloren ging, had
+den geheelen dag reeds nagedacht over den inhoud van den gewichtigen
+brief, en haar besluit stond reeds vast. Zij was een verstandige
+vrouw en had terecht begrepen, dat van "liever" in de tegenwoordige
+omstandigheden geen sprake kon zijn. Wel was de plek, waar haar twee
+gestorven lievelingen begraven lagen, haar dierbaar en zou zij
+bovendien veel en velen, die haar lief waren, moeten vaarwel zeggen;
+maar zij zou ook weer anderen terugvinden, die zij hier miste; en
+wie haar boven alles en allen aan het hart lagen, had zij immers
+overal bij zich. Wat kwam het er, wel beschouwd, dan ook op aan,
+waar zij in de wereld was. De reis was het ergste; maar daar zou ze
+ook wel overheen komen, nu ze al met het denkbeeld verzoend was.
+Niettemin wilde ze haar besluit niet opdringen. 't Moest met Jans
+eigen vollen zin en wil gebeuren. En besloot hij tóch te blijven,
+welnu, ze hadden tot heden lief en leed samen gedeeld, en dat zou
+ook verder zoo zijn.
+
+Een brief uit Amerika was op het dorp altijd een gewichtige
+gebeurtenis. Dan kwamen buren en kennissen toesnellen, om van den
+inhoud kennis te nemen en de groeten te ontvangen van hun verre
+vrienden. In de meeste gevallen ging zoo'n brief van hand tot hand
+of werd hij aan belangstellenden voorgelezen. En bevatte hij goede
+tijding, dan gaf dit dikwijls aanleiding, dat de een of ander, die
+het met zich zelf nog niet eens was, daardoor tot het vaste besluit
+kwam, om ook eerlang het Oosten met het Westen te verwisselen. Dat
+Jan Vroolijk nieuws had van oom Willem, ging dan ook al spoedig als
+een loopend vuurtje door het dorp rond, en nog denzelfden avond had
+hij bezoek van Jan, Piet en Klaas, die allen nieuwsgierig of
+belangstellend waren naar de ontvangen tijdingen.
+
+"Goede raad is duur," zegt het spreekwoord; doch als alle
+raadgevingen, welke Jan Vroolijk en zijn vrouw ontvingen, goed waren
+-- goed gemeend waren ze in elk geval -- dan waren ze dien avond
+integendeel al zeer goedkoop.
+
+"Als ik in je plaats was, Jan, dan aarzelde ik geen oogenblik," zei
+de een; "je zoudt dwaas zijn, als je de gelegenheid niet met beide
+handen aangreept," beweerde weer een ander. "'k Wou, dat het mij zoo
+mooi aangeboden werd; wat zou ik gauw toeslaan!" voegde een derde
+hem toe.
+
+En Jan Vroolijk zelf?
+
+Hij kon maar niet tot een besluit komen. Hoezeer hij ook naar
+verandering en verbetering wenschte, -- nu hij slechts had te
+schrijven: "Wij komen," om bijna zeker te zijn van verbetering, nu
+zag hij er bepaald tegen op. Vooral de vrees, dat zijn vrouw alleen
+ter wille van hem haar mindere ingenomenheid van vroeger had laten
+varen, maakte hem huiverig. Als zij eens ziek werd of berouw kreeg,
+of als zijn jongen eens niet bestand bleek tegen de verre zeereis,
+of als.... Kortom, een berg van bezwaren rees voor hem op! Het
+duurde dan ook een heelen tijd, voor die alle uit den weg geruimd
+waren.
+
+Toen hem echter duidelijk bleek, dat zijn vrouw volkomen met het
+denkbeeld verzoend was en er op geen andere wijze verbetering van
+bestaan te verwachten was, werd op zekeren dag oom Willems brief
+beantwoord met de mededeeling, dat men na lang en goed beraad
+besloten had tot hem te komen. Die brief werd wel is waar onder
+tranen geschreven, maar toch, hij werd geschreven en op de post
+gedaan ook! En weldra verspreidde zich over het dorp het nieuws, dat
+Jan Vroolijk en de zijnen ook naar Amerika gingen.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
++De landverhuizers.+
+
+
+We bevinden ons te Rotterdam.
+
+Wie van leven en beweging houdt, is hier aan het rechte kantoor.
+Geen drukker plekje toch in ons geheele land dan Rotterdam aan den
+Maaskant, aan de zoogenaamde Boompjes. Daar kent men geen rust; daar
+wordt het nooit nacht! Een onafzienbare, twee-, driedubbele rij van
+schepen strekt zich langs den oever uit, en zonder ophouden is men
+er aan het laden en lossen. Een bijenzwerm gelijk, zoo woelt en
+krioelt daar alles door elkander. Het geraas van honderden
+voertuigen, vermengd met het gegons van duizenden schreeuwende en
+zingende menschenstemmen en het onophoudelijk gegil der stoomfluiten
+doet iemand hooren en zien vergaan. Ieder oogenblik komen en
+vertrekken er stoomschepen en andere vaartuigen, en de rivier voor
+de stad biedt een tooneel aan van leven en bedrijvigheid, zooals men
+dat bijna nergens anders aantreft. Uit alle oorden der wereld komen
+reusachtige zeekasteelen hier de schatten brengen, waarmee zij
+bevracht zijn; naar alle hemelstreken vertrekken zij weer, voorzien
+van niet minder kostbare lading, dan zij hebben aangebracht!
+
+Ziet gij daar dat groote stoomschip met zijn rookende schoorsteenen
+en vroolijk wapperende vlaggen aan den top der masten?
+
+Honderden menschen verdringen zich in de nabijheid van dat vaartuig,
+en gedurig ziet men enkelen uit de massa de loopplank betreden en
+zich aan boord begeven.
+
+Het is een passagiersboot, die tot vertrek gereed ligt!
+
+Maar voor hun plezier schijnen de reizigers dan toch niet uit te
+gaan; want het schreien staat den meesten nader dan het lachen.
+Velen kunnen zelfs hun tranen niet bedwingen; terwijl enkelen, die
+den voet reeds op de loopplank gezet hebben, nogmaals en nogmaals
+terugkeeren, om afscheid te nemen van hen, die achterblijven en ze
+tot hiertoe hebben uitgeleid.
+
+Hier zien we een zoon, die zijn oude moeder om den hals valt; daar
+een man, die vrouw en kinderen teeder omhelst en innig aan het hart
+drukt; ginder weer een ander tooneel, dat aan afscheidnemen voor
+langen, zeer langen tijd doet denken.
+
+En te midden van dat alles worden kisten en koffers aangevoerd en in
+het schip geladen, terwijl elke aankomende trein of boot het aantal
+passagiers nog doet vermeerderen.
+
+Ziet ge geen kennissen te midden van al die vreemde, meest treurige
+gezichten?....
+
+Neen?.... Ja toch, daar komt nog een klein gezelschap, dat we meer
+moeten gezien hebben.
+
+'t Bestaat slechts uit drie personen: man, vrouw en kind.
+
+Wie het dan zijn?
+
+Niemand anders dan Jan Vroolijk en zijn vrouw met hun kleinen
+Willem.
+
+Begrijpt ge nu ook, wat de reden is van al die droefheid en
+treurigheid om u heen?
+
+Het stoomschip, dat ge daar voor u ziet liggen, is de "Maasdam" van
+de Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij en ligt gereed
+om den Atlantischen Oceaan over te steken naar Amerika.
+
+Drie maanden geleden was met een ander stoomschip van dezelfde
+Maatschappij de brief verzonden, waarin zij oom Willem hun plan, om
+over te komen, hadden medegedeeld, en nu stonden zij gereed, de
+groote reis te aanvaarden.
+
+Wat een drukte en beslommering was er evenwel aan dit oogenblik
+voorafgegaan!
+
+Verkooping van huis en schuit en 't overtollige huisraad,
+afscheidsbezoeken aan familie en bekenden, te veel om te noemen.
+
+Gelukkig, dat oom Willem het niet bij woorden had gelaten, maar "uit
+voorzorg" zooals hij schreef, alvast maar een plaatsbillet, dat hun
+vrijen overtocht op de boot verzekerde, had overgezonden; want toen
+alles verkocht was en allen, die iets van Jan Vroolijk te vorderen
+hadden, tot den laatsten cent waren afbetaald, schoot er waarlijk
+niet veel over.
+
+Waar de visscherij geheel verviel en dientengevolge reeds zooveel
+woningen ledig stonden, kon de opbrengst van hun geringe bezittingen
+natuurlijk slechts luttel zijn.
+
+Eindelijk stonden zij aan den vooravond van hun vertrek. Van allen
+hadden zij afscheid genomen, en den volgenden morgen vroeg zouden ze
+in alle stilte afreizen.
+
+Nog één bezoek slechts wenschten zij af te leggen, en dat zeker wel
+niet het minst treffende: een bezoek aan het kerkhof.
+
+Jan Vroolijk en zijn vrouw konden den vaderlandschen bodem niet
+verlaten, konden niet van hun dorpje scheiden, zonder eerst nog
+eenmaal de plek bezocht te hebben, waar hun twee gestorven
+lievelingen begraven lagen. Dat daar heete tranen geschreid werden,
+behoef ik u zeker niet te zeggen.
+
+Maar gelukkig behoefden zij toch niet alles achter te laten, wat hun
+lief en dierbaar was! Zij hadden immers hun ventje nog, hun
+oogappel, zooals moeder hem noemde!
+
+Hoe zacht en rustig sliep hij daar voor de laatste maal in zijn
+bedje, onbewust van alles wat hem wachtte!
+
+Konden vader en moeder ook slechts zoo slapen! Maar de herinneringen
+aan het verleden en de gedachten aan de toekomst, die zij
+tegengingen, waren hun te machtig.
+
+Bijna slapeloos brachten zij den nacht door en de volgende morgen
+vond hen al weer vroeg op de been.
+
+'t Was maar goed, dat moeder eenige afleiding vond in haar jongske,
+dat wat in zijn schik was met het nieuwe pakje, 't welk voor deze
+gelegenheid aangeschaft was en hem nu werd aangetrokken.
+
+Eten?
+
+Kom, een klein stukje toch! De reis naar Rotterdam is zoo lang!....
+Maar de bete blijft in de keel steken.
+
+Hoor! daar rolt een rijtuig door de stille dorpsstraat. Voor de deur
+der woning houdt het stil.
+
+"'t Is tijd, vrienden!" zoo klinkt de stem van den koetsier.
+
+Werktuiglijk staan allen op.
+
+Nog een kus, nog een handdruk, nog een laatste blik her- en
+derwaarts, en zij zitten in het rijtuig.
+
+"Dag! dag!" roept de kleine Willem boven alles uit, en hij klapt in
+de handen van pret, dat hij mee uit rijden mag gaan.
+
+"Ga met God en gelukkige reis!" is het laatste, wat zij hooren, en
+daar gaat het.... het dorp uit en den weg op!....
+
+Aan de boot, die ter afvaart gereed ligt en den achteraankomenden
+door een schel en snijdend gefluit tot spoed aanmaant, vinden we hen
+terug. Hun bagage, een groote kist, waarin 't beste en kostbaarste,
+wat zij bezitten is geborgen, bevindt zich reeds aan boord en na
+eenige oogenblikken zijn ook zij achter de hooge verschansing van
+het vaartuig verdwenen.
+
+Daar, op het dek van het groote stoomschip, heerscht intusschen niet
+minder drukte dan aan den wal.
+
+Het aantal passagiers bedraagt dan ook stellig eenige honderden. En
+niet alleen Nederlanders treffen we hier aan, verscheidene volken
+van Europa hebben hun deel geleverd aan het groot aantal van hen,
+die het gemeenschappelijk doel "Amerika" binnen deze beperkte ruimte
+bijeengebracht heeft.
+
+Duitschers, Russen, Zwitsers,.... allen richten hun blik naar de
+Nieuwe Wereld en keeren het oude, vergrijsde Europa den rug toe, in
+de hoop, daar ginds bij een meer onbezorgd bestaan een minder
+donkere toekomst te zullen tegengaan.
+
+Toch valt het scheiden den meesten zwaar, en ons drietal ziet zich
+dan ook door alles behalve vroolijke gezichten omringd.
+
+In groepjes bijeengeschaard, naar gelang van den verschillenden
+land- en volksaard, tracht men elkander te troosten en te
+bemoedigen, wat evenwel niet belet, dat menig overkropt gemoed een
+oogenblik later weer in tranen en snikken uitbarst.
+
+Geen wonder, dat ook de pas bedwongen smart van Jan Vroolijk en zijn
+vrouw zich, te midden van zooveel treurigheid, op nieuw deed gelden.
+
+In een afgezonderd hoekje zette de moeder zich neer. Met haar
+kleinen Willem, die het moede hoofdje tegen haar liet aanvallen en
+weldra in slaap viel, op den schoot, zat zij in stilte te weenen, en
+ook Jan kwam tot de ontdekking, dat de laatste loodjes niet het
+minst zwaar wegen. "Waren we maar goed en wel in zee!" zuchtte hij
+in zich zelf, toen een hand op zijn schouder gelegd werd en hij,
+zich omkeerende, een ouden bekende voor zich zag staan.
+
+"Wat drommel, vroolijke Jan, zet eens een ander gezicht, opdat ik
+zien kan, of ik den rechten wel voor heb! Je lip hangt zoowaar op 't
+derde knoopsgat." Aldus schertsende stak Piet Vlug, een
+schoolkameraad van Jan Vroolijk en nu als bootsman op de Maasdam in
+dienst, den toegesprokene de hand toe, die Jan, aangenaam verrast,
+met warmte drukte.
+
+"En jij, Keetje, ken jij me niet meer?" ging Piet Vlug in één adem
+voort. "We hebben mekaar ook in zoo lang niet gezien. Maar je
+herinnert je toch immers Vlugge Piet nog wel, al noemde je hem ook
+meestal: 'Nare Piet', omdat hij je altijd zoo'n beetje voor den gek
+hield! Komaan, meid, droog je tranen en ga jelui maar met mij mee,
+dan zal ik je wel zoo'n beetje terecht helpen. Ik onderstel toch,
+dat je hier niet per abuis verzeild bent, maar plan hebt, om met ons
+naar den overkant te gaan!"
+
+"O, wat treffen we dat, Jan!" zei Keetje, die zich een hart onder de
+riem gestoken voelde bij deze onverwachte ontmoeting. "Zeker ken ik
+je nog, Piet!.... En vaar jij hier op dit schip?".....
+
+Zij was inmiddels opgestaan met het kleine ventje, dat zijn hoofdje
+tegen haar had aangevlijd en onder alle aandoeningen zijner ouders
+rustig doorsliep. "Lag je maar goed en wel in je bedje, mijn
+jongen!" zuchtte zij, voorzichtig een kus op zijn voorhoofdje
+drukkend.
+
+"Wacht, daar is raad voor!" sprak Piet Vlug, haar op zijde komende.
+"Geef dien kleinen kleuter maar hier en volg mij dan maar. Ik zal
+jelui in mijn logies brengen, dan kan je daar alvast een beetje van
+den schrik bekomen."
+
+Zij gingen nu naar het voorschip, waar zich het logies van de
+bemanning bevindt en waar Piet Vlug als bootsman zijn afzonderlijke
+hut met kooi had. Daar aangekomen, lei de goedhartige zeeman het
+kleine mannetje voorzichtig onder de dekens, bood vervolgens zijn
+oude kennissen elk een vouwstoeltje aan en spoedde zich toen met de
+woorden: "Zie zoo, kom nu eerst maar een beetje tot je zelf", naar
+de kombuis, om aan den kok een keteltje koffie te vragen.
+
+Belast en beladen kwam hij een oogenblik later weer terug, zette een
+en ander op een klein kleptafeltje, dat aan den wand hing en nu op-
+en vastgezet werd en sprak toen: "Zie zoo, dat is beter, dan daar
+boven aan dek te midden van al die narigheid! Als ik je nu een
+goeien raad mag geven, eet en drink dan eens wat; want daar zal
+zeker vandaag nog niet veel van gekomen zijn; dan kom je van zelf
+weer wat op je verhaal. Als ik dan strakjes, wanneer we in 't ruime
+sop zijn, eens een slippertje kan maken, kom ik een half uurtje bij
+jelui praten. Je hebt immers je papieren en staat op de
+scheepsrol?.... Mooi! blijf dan maar rustig bij mekaar, en doe of je
+thuis waart, net als die daar in mijn kooi! Als de rol afgelezen
+wordt, zal ik je wel even waarschuwen. Tot straks!".... Met wipte
+hij de hut uit en was in een ommezien weer aan dek, waar men reeds
+druk in de weer was, om de kettingen en trossen, waaraan het schip
+gemeerd lag, los te maken en binnen boord te halen, daar het
+oogenblik van vertrek -- op de minuut af bepaald -- met rassche
+schreden naderde.
+
+De kapitein en de loods bevonden zich op de brug; de officieren
+liepen heen en weer op het dek en deelden hun bevelen uit; het
+scheepsvolk trok onder het aanheffen van een vroolijk matrozenliedje
+aan de touwen; de machinisten beneden brachten de machine in
+beweging, zoodat het schip door al zijn leden trilde, evenals de
+passagiers, die begrepen, dat nu het beslissende oogenblik gekomen
+was.
+
+Zij, die familieleden aan den wal hadden staan, rekten zich nogmaals
+over de verschansing van het zwaaiende schip heen, om nog een
+laatsten groet -- een allerlaatst vaarwel -- op te kunnen vangen, en
+dan zoolang naar dezelfde plek te staren, tot alles zich voor hun
+beneveld oog in een grauwe, golvende massa oploste, waaruit zij
+echter toch nog altijd de gelaatstrekken der hunnen meenden te
+kunnen herkennen.
+
+Jan Vroolijk en zijn vrouw bleven, den raad van hun vriend
+opvolgende, stilletjes beneden in de hut; maar de eerste slagen der
+machine deden niettemin ook hen geweldig schokken. Willem bleef
+echter, ten spijt van alle geweld en geraas, rustig doorslapen, en
+als zoo iets in staat was, hen weer tot kalmte te brengen, dan was
+het zeker wel het gezicht van hun slapenden lieveling!
+
+Na een poosje lag de Maasdam op stroom, met den steven naar den
+Oceaan gekeerd, zachtjes dansend op de kabbelende golfjes, die
+krijgertje speelden om den boeg en het schoone vaartuig hun welkom
+op de baren toezongen.
+
+Nog enkele formaliteiten slechts en de reis zou beginnen. Het schip
+moest namelijk nog "uitgeklaard" worden, m. a. w. door daartoe van
+wege het Rijk aangestelde ambtenaren moesten de scheepspapieren
+worden onderzocht. Toen deze echter in orde waren bevonden, en toen
+zoowel de bemanning als de ingeschreven passagiers allen aanwezig
+bleken te zijn -- onze bootsman had volgens belofte zijn kennissen
+bijtijds van het aflezen der scheepsrol verwittigd -- en eindelijk
+ook de laatste boot het schip had verlaten, om naar den wal terug te
+roeien, belette niets meer, het anker te lichten en zee te kiezen.
+
+Daar rammelt de zware ijzeren ketting in de kluisgaten bij het
+draaien aan het spil en -- de laatste boei is verbroken.
+
+"Vooruit!" klinkt het bevelend van de brug, en het schip zet zich in
+beweging. Een dikke rookwolk stijgt uit beide schoorsteenen omhoog,
+en met de vlag aan den top van den grooten mast wordt driemaal
+gesalueerd, welken groet het op stroom liggende wachtschip der
+Marine op gelijke wijze beantwoordt.
+
+Langzaam en statig beweegt zich nu het trotsche stoomgevaarte
+tusschen allerlei op- en afzeilende vaartuigen, en hoewel aller blik
+nog achterwaarts gericht is, gaat het toch steeds onverbiddelijk
+voorwaarts. Weldra heeft men de Nieuwe Maas achter zich; nog een
+uur, en ook de Nieuwe Waterweg is ten einde gestoomd. Reeds rollen
+de golven der Noordzee schuimend en bruisend op het vaartuig aan, om
+het welkom van daar straks luide en krachtig te herhalen.
+
+Daar dreunt een kanonschot over het water, een oogenblik later nog
+een en nog een, en als tegengroet zendt ook het vaderland den
+vertrekkenden landverhuizers uit de stalen vuurmonden van het fort
+in de duinen een tot driemaal herhaald vaarwel toe!
+
+Nauwelijks is het geluid weggestorven, of het schip bevindt zich in
+zee.
+
+"Met volle kracht vooruit!" beveelt nu de kapitein, die zijn post op
+de brug nog niet verlaten heeft, en daar gaat het den oceaan op!
+
+'t Is omstreeks acht uur in den avond. Het Augustuszonnetje neigt
+ten ondergang en haar laatste stralen verlichten de toppen der
+duinen, de laatste punten van het steeds dieper wegzinkende land,
+waarop nogtans zoo velen weemoedige blikken onafgebroken gericht
+zijn. Daar gaat de zon onder, en ook de laatste oneffenheid aan den
+horizon is verdwenen. Water, niets dan water breidt zich rondom hen
+uit!
+
+Wie schetst, wat daar omgaat in zoo menig hart, als het vochtig oog
+zich eindelijk van de verdwenen kust afwendt!
+
+"Komaan, nu eens te loevert uitgekeken! Er valt aan lij toch niets
+meer te zien, al kijk je je oogen ook blind!" Met deze woorden
+voegde onze bootsman zich eindelijk weer bij zijn vrienden. Dezen
+waren, toen de kleine Willem door de geloste schoten wakker geworden
+was, weer aan dek verschenen en stonden nu, in gedachten verzonken,
+nog altijd de plek na te staren, waar het meest vooruitspringende
+deel der vaderlandsche kust zoo even in zee was weggedoken.
+
+"Ja, jij hebt goed praten, Piet!" zei Jan Vroolijk bewogen, "jij
+keert over een week drie, vier terug; maar wij zien het vaderland
+hoogst waarschijnlijk nimmer weer."
+
+"Och kom, kwel je daar nu niet langer mee! Je bent nu toch eenmaal
+in het schuitje en -- wie in het schuitje zit, moet meevaren. Wie
+weet, hoe spoedig je voor je plezier eens een uitstapje naar Holland
+terug maakt!... Maar wordt het niet te koud aan dek voor dien
+kleinen landverhuizer, Kee?.... 't Ventje ziet zoo bleek!.... Zou
+hij misschien al last beginnen te krijgen van...?"
+
+"Van zeeziekte, bedoel je?" vroeg Keetje, haar knaapje bezorgd
+aanziende.
+
+"Wees wijzer, vrouw!" sprak de vader; "met die gekheid houden we ons
+niet op. Maar de jongen krijgt slaap. We moesten met hem naar
+beneden gaan, dunkt je niet?"
+
+"Wel ja, laten we van de gelegenheid profiteeren," zei Piet Vlug.
+"Ik heb de hondenwacht en zou het heel prettig vinden, samen nog een
+uurtje te keuvelen. 't Is toch nog te vroeg om naar kooi te gaan."
+
+"Maar waar belanden we dan straks?" vroegen man en vrouw tegelijk.
+
+"Heb daarvoor geen zorg," Was het antwoord. "Je logies is besteld,
+en straks breng ik je zelf naar je logement!"
+
+Een oogenblik daarna zaten ze samen heel gezellig in het appartement
+van den bootsman bij elkaar, en ontbrak het den bezoekers in den
+beginne ook al aan de noodige opgewektheid om veel te spreken, Piet
+Vlug had zooveel te vertellen en te vragen naar alles, wat op het
+dorpje achter de duinen van Eierland en zijn bewoners betrekking
+had, dat de tongen van lieverlede loskwamen en zij hun leed weldra
+voor een wijle konden vergeten.
+
+Willem zat overeind in de kooi van den bootsman en liet zich bij het
+regelmatig op- en neergaan van het schip, waarin de jeugdige zeeman
+veel schik scheen te hebben, telkens met een "plof" achterover
+vallen. Eindelijk echter zou hij toch afgezakt zijn, waarom moeder
+voorstelde nu het nachtkwartier op te zoeken.
+
+"Weet je, wat ik daar zoo dacht?" zei de bootsman daarop.
+
+"Welnu?"
+
+"Dat je hier maar stilletjes bij je ventje in mijn kooi moest gaan
+liggen. 't Is tusschendeks op 't oogenblik zoo'n verschrikkelijke
+herrie, dat ik er tegen opzie, om je er naar toe te brengen. Daar
+zijn er nu zeker minstens een paar honderd, die hun tol aan Neptunus
+betalen en dat is waarlijk geen aangenaam gezelschap. We hebben hier
+vlak bij wel een paar hangmatten in voorraad, waarin je man en ik
+den nacht kunnen doorbrengen. Je kunt dan morgen altijd zien. Bevalt
+het je hier goed, en staat de kapitein het toe, dan sta ik je met
+plezier gedurende de reis mijn hut af. Ik slaap toch ook eigenlijk
+veel liever tusschen de touwen dan op de planken."
+
+Ge begrijpt, hoe het aanbod van den bootsman met blijdschap
+aangenomen en met dankbaarheid aanvaard werd.
+
+"We konden het toch waarlijk niet beter getroffen hebben," herhaalde
+Keetje nog eens.
+
+"Nu, maak het je dan maar zoo gemakkelijk mogelijk, en zorg, dat je
+gauw onder de wol en in slaap komt. Ik ga al vast afbrassen en zie
+een paar kooien op te duiken."
+
+Met deze woorden liet hij het echtpaar alleen, stak zijn neus nog
+even in den wind en begaf zich daarop naar het kooienhok, vanwaar
+hij weldra, met bed en bulster beladen, terugkeerde.
+
+Spoedig lag hij zeer behagelijk in zijn matje te schommelen, door
+Jan gevolgd, die als oud Marine-milicien het ongewone slapen in een
+hangmat ook nog niet verleerd was.
+
+En terwijl de Maasdam haar reis geregeld vervolgde en, begunstigd
+door schoon weder, met een twaalfmijlsvaart koers zette naar "De
+Hoofden," zochten en vonden onze vermoeide vrienden eindelijk in den
+slaap de zoo noodige en gewenschte rust.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
++Op den Oceaan.+
+
+
+Wie den volgenden dag in de courant de rubriek scheepstijdingen
+naging, zou daar onder meer hebben kunnen lezen: "Vertrokken van
+Rotterdam met bestemming naar New-York, het stoomschip "de Maasdam,"
+met 70 kajuitspassagiers, t. w. Mijnheer A... Mevrouw B...
+Mejuffrouw C... enz. enz. benevens 525 tusschendekspassagiers."
+Voegen we daarbij nog de équipage van het schip, die uit ruim 50
+koppen bestond, dan zien wij, dat ongeveer 650 menschen,
+overeenkomende met de geheele bevolking van een flink dorp, aan
+boord bijeen waren.
+
+"Hoe is het mogelijk," zegt gij, "dat zulk een groot aantal menschen
+binnen zoo'n beperkte ruimte plaats kan vinden? Ze mogen wel als
+haringen in een ton gepakt zijn!" Nu, heel veel ruimte is er dan ook
+voor ieder niet beschikbaar; daarin hebt gij gelijk. Maar de
+schepen, waarmee landverhuizers naar de Nieuwe Wereld vervoerd
+worden, zijn er bijzonder op ingericht, om een groot aantal
+passagiers te kunnen bergen, en er is zooveel mogelijk van elke
+beschikbare ruimte partij getrokken. Zoo vindt men o. a. in de
+hutten voor de passagiers, die langs de zijden van het schip zijn
+geplaatst, soms drie kooien boven elkander, waardoor een talrijk
+gezin binnen een oppervlakte van slechts enkele vierkante Meters kan
+gehuisvest worden.
+
+De kajuit, die zich in het achterschip bevindt en een groot en
+sierlijk gemeubeld vertrek vormt, strekt tot gezelschapszaal voor de
+passagiers der eerste klasse, wier afzonderlijke hutten er alle op
+uitkomen. Ook de kapitein en de stuurlieden hebben in dit gedeelte
+van het schip hun verblijf.
+
+De machinekamer, met haar reusachtige machines, welke het trotsche
+zeegevaarte met groote kracht en snelheid over den Oceaan
+voortstuwen, scheidt de kajuit van het tusschendek, waar de talrijke
+tweede-klasse passagiers zich zoo goed mogelijk met de beschikbare
+ruimte moeten behelpen.
+
+Onder het tusschendek is het scheepsruim, waarin de lading geborgen
+is, en nog verder naar voren heeft de equipage, zooals we trouwens
+reeds zagen, haar gemeenschappelijk logies.
+
+Ter weerszijden van het schip hangen, in zware ijzeren davids,
+verscheidene booten, die in geval van nood in een oogenblik tijds te
+water gelaten kunnen worden. Of zij echter voldoende zijn, om allen,
+die zich aan boord bevinden, op te nemen, daaraan valt wel te
+twijfelen. En toch -- maar laten we, na in hoofdzaken de inrichting
+van het schip te hebben medegedeeld, tot ons verhaal terugkeeren.
+
+Van de eerste dagen der reis valt niet veel belangrijks te zeggen.
+
+Toen de Hoofden, waar Engeland en Frankrijk het hoofd bijna aan
+elkander stooten, gepasseerd waren, had de loods zijn moeielijke
+taak verricht. Aan den ingang van het Kanaal ging hij over op den
+loodskotter, welke daar steeds kruisende is, om binnenvallende
+schepen van loodsen te voorzien, of de loodsen van uitzeilende
+schepen weer op te nemen. De man verliet het schip evenwel niet,
+zonder belast te zijn met een heele bezending in haast geschreven
+brieven, om de betrekkingen in het vaderland nog met eenige tijding
+omtrent het aanvankelijk welslagen der reis te verrassen.
+
+Jan Vroolijk bleef natuurlijk niet achter, om te vertellen welk een
+onverwacht geluk hem en de zijnen te beurt gevallen was, door zijn
+vroegeren kameraad, Piet Vlug, hier als bootsman op de Maasdam terug
+te vinden. En wel mocht hij van geluk spreken; want tusschendeks,
+waar zooveel menschen waren opeengehoopt, was het lang niet alles.
+Zeeziekte, -- vooral onder degenen, die voor dezen nog nooit den
+voet op een schip gezet hadden, -- gevoegd bij een benauwde en
+drukkende warmte, maakte er het verblijf ver van benijdenswaardig.
+
+In het voorschip daarentegen was het luchtig en frisch, en de
+kapitein had het verzoek van den bootsman, om zijn logies met een
+paar kennissen onder de passagiers te mogen deelen, gereedelijk
+toegestaan.
+
+Dezen wenschten natuurlijk niets liever en maakten het er zich zoo
+gemakkelijk mogelijk.
+
+Ook met de bemanning stonden zij weldra op een goeden voet. Jan
+Vroolijk toch, die het luieren en niets doen volstrekt niet gewoon
+was, en aan niets ter wereld meer hekel had dan aan stilzitten,
+hielp den volgenden dag reeds een handje bij het scheepswerk en gaf
+daarbij, nu zijn oude vroolijkheid te midden van zulk een opgewekte
+omgeving langzamerhand terugkeerde, ook al eens een kwinkslag ten
+beste. Zijn vrouw wist zich mede verdienstelijk te maken, door voor
+dezen en genen eens een knoop aan een broek te zetten of een scheur
+in een wambuis te herstellen.
+
+En de kleine Willem?
+
+Na twee dagen was hij de lieveling van de geheele bemanning. Hij
+ging van knie op knie, of lag, tot groot vermaak van Janmaat, langs
+het dek te rollen met den grooten scheepshond "Ami", een echte
+New-Foundlander, die wat in zijn schik was met zulk een aardigen
+speelkameraad!
+
+Het goedige dier hechtte zich weldra zoo zeer aan het ventje, dat
+hij geregeld voor de deur der hut op wacht lag en de kleine dus wèl
+bewaakt zou geweest zijn, ook al had de moeder hem voor een
+oogenblik alleen gelaten. Daarvoor was deze echter veel te bezorgd.
+Als hem eens een ongeluk overkwam!....
+
+Als.... Ze zou blij zijn, als ze eerst maar weer goed en wel aan wal
+stonden, hoe best ze het overigens ook getroffen hadden. Daaraan was
+evenwel nog in lang geen denken. Men bevond zich nog nauwelijks op
+den Oceaan. De Scilly-eilanden, het laatste wat men van Europa ziet,
+waren nog maar eenige uren uit het gezicht.
+
+Ook zonder den minsten tegenspoed zou het dus nog minstens een dag
+of acht duren, eer aan gene zijde van den onmetelijken waterplas,
+waarop men zich thans bevond, het land weer voor hun oog verrijzen
+zou, al beweerde Piet Vlug ook schertsende, dat hij den reuk van de
+Amerikaansche kust al in den neus kreeg.
+
+"Ja, de bootsman ruikt zelfs de spekpannekoeken al, die ze daar
+bakken," sprak een ander tot Jan Vroolijk. "Hij heeft een echten
+hondeneus!"
+
+Onze gewezen schelpenvisscher bleef echter het antwoord niet
+schuldig. Met een ondeugend glimlachje wees hij naar het topje van
+den mast, en zei: "'k Dacht, dat een hond alleen vóór den wind af
+rook. Maar wil ik je eens wat zeggen. Jelui schiet met spek. De geur
+van de soep uit de kombuis zit je in den neus!"
+
+'t Was tegen schafttijd, moet ge weten. En zooals te denken is, had
+de kok een aardig keteltje met dat heerlijke gerecht te vuur.
+
+Nu, waar zooveel monden moesten eten, mocht dat ook wel!
+
+Het voedsel aan boord liet inderdaad niets te wenschen over. Al
+kwamen slager, bakker en melkboer hier ook niet aan de deur, zooals
+thuis, toch had men elken morgen versch brood en evenzoo iederen
+middag versch vleesch op tafel.
+
+En melk bij de koffie ook?
+
+Zonder twijfel. In gindsche stallen ziet ge eenige melkkoeien
+geplaatst, benevens het noodige vette vee, dat bestemd is om
+gedurende de reis geslacht te worden. Een slagerij ontbreekt dus
+evenmin als een bakkerij, en elken dag heeft men zoowel versch
+vleesch aan den haak, als nieuwe broodjes op de plaat.
+
+De reis ging bij dat alles zeer naar wensch. De eene dag na den
+anderen verliep onder het heerlijkste zomerweder, en een goede wind
+en kalme zee maakten, dat ook zij, die in den beginne zeer aan
+zeeziekte geleden hadden, spoedig weer op hun verhaal kwamen en
+langzamerhand aller blikken hoopvol naar het verre Westen gericht
+waren.
+
+Allerlei spelletjes werden bedacht, om zich den tijd te korten, en
+vooral als de warmte van den dag voor een heerlijk avondkoeltje had
+plaats gemaakt, heerschte er aan dek van de Maasdam een gezellige
+drukte.
+
+Overal zag men troepjes landgenooten bijeen, en uit elk gezelschapje
+steeg bij wijlen een hartelijke lach op.
+
+Hier vertelde men elkander van het oude vaderland; daar deelde men
+elkaar zijn plannen en vooruitzichten voor de toekomst mee, en
+ginder weer bracht de een of andere grappenmaker met zijn
+aardigheden de lachspieren der luisteraars in beweging.
+
+Als dat zoo eenigen tijd geduurd had, verstomden meestal de
+gesprekken en richtte zich aller oog en oor naar een troepje jonge
+Duitschers, die met volle en schoone stem een heerlijk avondlied
+aanhieven en over den Oceaan deden weerklinken.
+
+Soms ook klonken de tonen van het een of ander muziekinstrument, en
+in een oogenblik was dan het dek van de Maasdam in een dansvloer
+herschapen, waarop vroolijke en levenslustige knapen en meisjes op
+de maat der muziek rondhuppelden.
+
+Ten slotte echter zocht ieder zijn kooi weer op, om te gaan slapen
+met de hoop, dat de volgende dag even schoon weer mocht brengen en
+dat men spoedig behouden in het land zijner wenschen en droomen zou
+mogen aanlanden.
+
+Op soortgelijke wijze was ook de avond van den 29 Augustus, den
+tienden dag der reis, in de meest opgewekte stemming voorbijgegaan.
+Men had geschertst, gezongen en gedanst en zich eindelijk vol moed
+ter ruste begeven, daar de onmiskenbare teekenen van het naderend
+einde der reis reeds duidelijk zichtbaar begonnen te worden.
+
+Zeevogels waren dien dag over het schip heengevlogen; en had men
+midden op den oceaan slechts nu en dan in de verte een zeil ontdekt,
+gedurende de laatste uren waren daarentegen verscheidene schepen
+links en rechts de Maasdam gepasseerd, van welke men er zelfs enkele
+gepraaid had.
+
+Voor velen, die maar niet konden begrijpen, hoe met voorbijzeilende
+schepen een buurpraatje kan gehouden worden, ook al is de afstand
+tusschen beide vaartuigen zóó groot, dat men elkaar niet beroepen,
+veel minder verstaan kan, was dit nog iets nieuws geweest.
+
+Zij zagen nu, hoe verscheidene vlaggetjes van verschillenden vorm en
+kleur omhoog geheschen, daarna weer omlaag gehaald en door andere
+vervangen werden. Zij zagen ook, hoe daar ginds dezelfde bewegingen
+werden verricht met vlaggen van andere kleur en vorm en waren niet
+weinig verwonderd, als uitkomst van dat geheimzinnig gesprek te
+vernemen, dat het gepraaide schip zus of zoo heette, van A. of B.
+kwam en naar Y. of Z. bestemd was, dat men zooveel dagen reis had,
+dat alles wel aan boord was, enz. enz.
+
+Gij zult zonder twijfel begrepen hebben, dat de inhoud der
+gesprekken, welke op deze wijze tusschen schepen op zee gewisseld
+worden, vooruit vastgesteld en aan de zeelieden bekend moet zijn.
+
+In het daartoe aangelegde "Seinboek" is alles, wat men elkaar op zee
+al zoo te zeggen kan hebben, opgenomen en door vlaggen voorgesteld.
+Met dit boek in de hand kan men dus omtrent vele dingen aan boord
+inlichtingen geven en ontvangen en elkander belangrijke zaken, de
+reis betreffende, mededeelen.
+
+Een andere zaak, van het uiterste gewicht voor schepen, die den
+oceaan bevaren, betreft de bepalingen, welke vastgesteld zijn voor
+het varen gedurende den nacht en bij mistig weder. In het eerste
+geval dienen lantaarns, die een verschillend gekleurd licht geven,
+om de plaats waar zich het schip bevindt en de richting waarin het
+zich beweegt, aan te wijzen; in het tweede dienen daartoe kortere of
+langere stooten op den misthoorn of met de stoomfluit.
+
+Hoe nuttig deze en dergelijke bepalingen zijn en hoe noodzakelijk
+het is, dat ze zorgvuldig nageleefd worden, blijkt maar al te
+dikwijls.
+
+Niet zelden toch hebben er aanvaringen op zee plaats, die soms aan
+honderden menschen het leven kosten en doorgaans hun oorzaak hebben
+in gebrekkige naleving of verwaarloozing van de bestaande
+voorschriften.
+
+Op de Maasdam werden deze echter ten strengste gehandhaafd. De
+kapitein gevoelde te zeer de groote verantwoordelijkheid, welke op
+hem rustte, om ook slechts een enkelen maatregel te verwaarloozen,
+welke de veiligheid van zijn schip en van hen, die zich daarop
+bevonden, kon bevorderen. Nauwelijks was dus de zon onder, of de
+lichten werden ontstoken, en den uitkijk voor op den boeg werd
+verdubbelde oplettendheid aanbevolen.
+
+Ook den avond van den 29 Augustus, waarop zooveel onbezorgde
+vroolijkheid aan dek van de Maasdam heerschte, waren de noodige
+voorzorgsmaatregelen genomen, te meer noodig, nu men zich bij het
+naderen der kust langzamerhand te midden van drukker scheepvaart
+bevond. De nacht ging dan ook, zonder dat er iets bijzonders plaats
+had, voorbij; maar toen de dag aanbrak, hing er een zware, dichte
+mist over het water, die het uitzicht geheel belemmerde.
+
+De kapitein liet dadelijk de vaart van het schip aanmerkelijk
+verminderen en gaf bevel tot het stipt uitvoeren der voorgeschreven
+signalen.
+
+Daar weerklonk het eerste langgerekte gegil der stoomfluit, weldra
+door verscheidene korte stooten gevolgd.
+
+De passagiers ontwaakten verschrikt uit hun slaap, en velen spoedden
+zich half gekleed naar boven, om te zien, wat er aan de hand was.
+
+Tot de laatsten behoorde ook de vrouw van Jan Vroolijk. Door het
+ongewone leven ontwaakt, stond zij stilletjes op, om haar zoontje
+niet te wekken. En toen zij noch haar man, noch den bootsman in de
+kooi vond, snelde zij naar het dek, om daar van hen te vernemen, wat
+er aan de hand was.
+
+De nevel was echter zoo dicht, dat het zelfs onmogelijk was, de
+lengte van het schip geheel te overzien en zij, naar wie de beangste
+vrouw zocht, schenen nergens te vinden.
+
+Zij bevonden zich op het achterdek, waar de bootsman, voorzichtig
+als hij was, in alle stilte de sloepen zorgvuldig een voor een
+inspecteerde, om zich te overtuigen, dat alles in orde was.
+
+"Beter bij tijds gezorgd, dan te laat geklaagd," merkte hij op. "Je
+kunt nooit weten...." Verder kwam hij niet. "Maak dat je bij je
+vrouw en kind komt, Jan!" riep hij op eens ten hoogste verschrikt
+uit. "Zoo aanstonds gebeurt er een ongeluk!..."
+
+Op 't zelfde oogenblik, dat de kapitein, die met het horloge in de
+hand op de brug stond, bevel gaf tot herhaling van het signaal,
+doemde voor zijn zeemansoog, dat den nevel trachtte te doorboren,
+een zwarte massa op, die met onheilspellende vaart op de Maasdam
+scheen aan te vallen....
+
+"Schip te loevert uit!" schreeuwde de uitkijk op den boeg. "Roer aan
+lij!.... Stoppen!.... Met volle kracht achteruit!" klonk het
+vastberaden uit den mond van den kapitein. "Passagiers aan dek en
+achteruit!"
+
+Hij meende door een snelle wending van het schip een botsing nog te
+kunnen voorkomen; doch hoe spoedig de gegeven bevelen ook werden
+opgevolgd, 't was reeds te laat. Een oogenblik nog... en daar
+stootten de twee schepen met volle kracht op elkander!
+
+Dit alles was in zoo korten tijd gebeurd, dat Jan Vroolijk, die zich
+met ontzettende moeite door de gillende en naar achteren vluchtende
+passagiers heendrong, het voorschip nog niet bereikt had, toen de
+noodlottige aanvaring reeds had plaats gehad.
+
+Daar zag hij zijn vrouw handenwringend over het dek heen en weer
+loopen en in minder dan geen tijd was hij bij haar.
+
+"Ons kind!" riep hij in doodsangst, toen hij zijn Willem miste,
+"waar is ons kind?"
+
+De arme moeder, die zoo bezorgd was geweest voor haar lieveling en
+hem voor het noodlottig oogenblik geen stonde uit het oog verloren
+had, kon geen woord spreken. In haar radeloosheid wees zij naar
+beneden en Jan, die geen woord noodig had, om haar te begrijpen,
+ijlde naar de trap....
+
+Maar vol ontzetting bleef hij op eenmaal staan.
+
+De toegang tot het scheepslogies was geheel versperd. Het vreemde
+stoomschip was met vreeselijk gekraak midden in het voorschip van de
+Maasdam geloopen, had het dek opengespleten en verbrijzeld en stak er
+met zijn steven hoog boven uit.
+
+Arme ouders! Wat was er van hun jongske geworden? Verpletterd
+wellicht tusschen de verbrijzelde planken en balken, of omgekomen in
+het water, dat met geweld het schip binnenstroomde en den kop van 't
+vaartuig reeds aanmerkelijk deed zinken! Redding was dus onmogelijk,
+en toch zou het niet in hen opgekomen zijn, deze gevaarlijke plaats
+te verlaten, als Piet Vlug hen niet met geweld van daar verwijderd
+en naar het achterschip gebracht had.
+
+Daar waren intusschen alle sloepen reeds te water gelaten en met
+passagiers gevuld. Door de kalmte en vastberadenheid van den
+kapitein en de stuurlieden en, dank zij het zorgvuldig onderzoek van
+den bootsman, zoo te juister tijd ingesteld, was alles in de beste
+orde afgeloopen en had men allen kunnen opnemen, daar velen, aan
+niets anders denkende dan aan 't behoud van hun leven, reeds direct
+na de aanvaring op 't vreemde schip waren overgesprongen.
+
+Ook hier was men evenwel ver van veilig.
+
+De "Columbus" -- zoo heette 't stoomschip, dat den weg van de
+Maasdam zoo ongelukkig gekruist had -- deed wel alle mogelijke
+moeite om zich van 't zinkende schip te bevrijden, doch hoe krachtig
+zij haar machines ook deed werken en achteruit liet slaan, niets
+mocht baten, en 't scheen wel, dat de beide zeegevaarten gedoemd
+waren in hun vreeselijke omarming samen in de diepte te verdwijnen.
+
+Juist echter toen de laatste man de Maasdam verlaten en ook de
+wakkere kapitein in de boot plaats genomen had, ontworstelde de
+Columbus zich met inspanning van alle krachten aan de doodelijke
+omhelzing harer zuster en stoomde met volle kracht achteruit.
+
+Met groote golven stroomde nu het water door de gapende wonde naar
+binnen, en de stoere zeeman, die liever met zijn schip te gronde
+gegaan zou zijn, dan het te verlaten, zoolang zich nog iemand aan
+boord bevond, zag, met een traan in het mannelijk oog, zijn schoon
+vaartuig hoe langer hoe meer in de diepte wegzinken.
+
+En toch -- had hij geweten, wat die radelooze vrouw in de groote
+boot, die de beide handen hartstochtelijk naar het wrak uitstak en
+door twee mannen nauwelijks tegengehouden kon worden, om zich in de
+golven te storten -- had hij geweten, wat die vrouw bewoog, zich zoo
+wanhopend aan te stellen, hij zou stellig teruggekeerd zijn en,
+eigen leven geringschattend getracht hebben, de gefolterde moeder
+haar kind, 't zij levend, 't zij dood, terug te geven.
+
+Nu evenwel bleef hem niets anders over, dan de arme, voor het
+grootste deel halfgekleede schipbreukelingen, die niets dan het
+leven hadden kunnen redden, aan boord van de Columbus in veiligheid
+te brengen. Wel had ook deze belangrijke schade bekomen; doch bij
+een haastig ingesteld onderzoek bleek, dat de averij zich hier meer
+boven dan onder de waterlijn bevond en men dus met behulp der
+dadelijk in het werk gestelde pompen het schip waarschijnlijk boven
+water zou kunnen houden.
+
+Dat de beide kapiteins elkander met alles behalve opgewekte
+gezichten begroetten, valt gemakkelijk te begrijpen. Zonder evenwel
+voor 't oogenblik te twisten over de vraag, wie van beiden de
+schuldige was -- een later onderzoek zou dat van zelf aan 't licht
+brengen -- werd besloten, dat de Columbus, die van Charleston naar
+Boston bestemd en als vrachtboot volstrekt niet ingericht was om
+zooveel menschen te herbergen, New-York zou aandoen, om de
+passagiers en bemanning der Maasdam zoo spoedig mogelijk op de
+plaats hunner bestemming te brengen.
+
+En de Maasdam zelf?
+
+Evenals een lijkkist in de groeve wordt neergelaten en na een
+oogenblik voor 't gezicht der schreiende omstanders verdwijnt, zoo
+zonk ook zij al dieper en dieper in den Oceaan, die haar zoo lang en
+zoo dikwijls had gedragen, om zich eindelijk over haar te sluiten en
+haar graf met zijn rustelooze golven te bedekken. De nog altijd
+hangende nevel en de afstand, welke gaandeweg tusschen beide schepen
+ontstaan was, maakte evenwel, dat de laatste doodstrijd van het
+schoone vaartuig aan het oog der geredden onttrokken werd.
+
+Zoo snel, als de toestand, waarin het schip verkeerde en het
+beperkte uitzicht slechts toelieten, werd nu recht op de
+Amerikaansche kust aangehouden, om zoo mogelijk, voor den avond
+New-York nog te bereiken.
+
+Eindelijk, daar week de nevel, en evenals de matrozen van Columbus
+bij de ontdekking van Amerika den kreet: "Land! land!" hadden
+aangeheven, toen het onbekende werelddeel zich eindelijk aan hun oog
+vertoonde, juichten ook de landverhuizers aan boord van het naar hem
+genoemde vaartuig, toen zij eensklaps de kust uit de zee zagen
+oprijzen.
+
+"Land! land!" jubelden honderden stemmen tegelijk, en alle leed
+scheen op eens vergeten en voor blijde hoop plaats te hebben
+gemaakt.
+
+Wie er echter niet jubelden, dat waren Jan Vroolijk en zijn vrouw,
+die zonder hun kind in het verre, vreemde land zouden aankomen!
+
+De ongelukkige moeder lag in een ijlende koorts, en de vader zat in
+stomme smart bij haar, bevreesd, dat het verlies van hun jongske,
+ook den dood van zijn vrouw ten gevolge zou hebben!....
+
+Aan den landingssteiger, waar de stoomschepen der Maatschappij hun
+ligplaats hadden, heerschte intusschen al geruimen tijd een
+buitengewone drukte. De Maasdam werd reeds den geheelen dag
+verwacht. Eindelijk, daar meende men haar te zien naderen. Maar
+neen, dat was de Maasdam, niet. Toch richtte het schip den steven
+naar de gewone aanlegplaats om er zijn ongewone lading af te zetten,
+en weldra ging het nieuws van de plaats gehad hebbende ramp van mond
+tot mond.
+
+Wie drong daar zoo ontstuimig naar voren, alsof hij kennissen of
+bloedverwanten zocht onder de aangekomenen?
+
+Niemand anders dan oom Willem, die reeds den vorigen dag uit
+Holland, een meest door Nederlanders bewoond stadje in den staat
+Michigan dicht bij Chicago, te New-York was aangekomen, om zijn
+familieleden af te halen.
+
+"Allen behouden?" vroeg hij gejaagd bij het vernemen van de ramp.
+
+"Allen, op een jongetje na," was het antwoord, en op 't zelfde
+oogenblik stond Piet Vlug naast hem.
+
+"Komaan, daar zie ik al vast een bekend gezicht," riep hij nu
+verheugd uit. "En waar zijn Jan en zijn vrouw, met hun jongen?"
+
+Piet Vlug vertelde hem nu van het droeve ongeluk en den wreeden
+slag, die juist hen zoo noodlottig getroffen had.
+
+"Maar dat is ontzettend!" riep de man diep getroffen uit, terwijl
+hij zich naar de bedroefde ouders liet brengen.
+
+Dat was een heel andere ontmoeting, dan hij gehoopt en verwacht had!
+Sprakeloos drukten de mannen elkander de hand en de kranke vrouw
+herkende hem zelfs niet!
+
+Van meegaan was natuurlijk geen sprake. De zieke moest in het
+hospitaal worden opgenomen, en daar 't niet in Jan opkwam, zijn
+vrouw alleen te laten, nam oom Willem den volgenden dag de terugreis
+weer aan, om aan de zijnen het treurige nieuws mede te deelen.
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
++Gescheiden.+
+
+
+Wij keeren nogmaals naar het tooneel der zeeramp terug. Zooals wij
+zagen, had de dikke mist het zinkende wrak der Maasdam reeds op
+geringen afstand aan het oog der schipbreukelingen onttrokken. Erger
+evenwel was het, dat ten gevolge van de buitengewone verwarring en
+drukte aan boord van de Columbus ook aan hun gehoor ontsnapte, wat
+de nevel hun belette te zien. Anders toch hadden zij kunnen en
+moeten hooren, hoe zich daar ginder nog leven bevond, dat op luide
+en angstige wijze om hulp en redding vroeg. Wat kon dat zijn?...
+
+Het vee had men, om den dieren een langen en smartelijken doodstrijd
+te besparen, ten spoedigste gedood. Doch de hond, waar was die
+beland? O, die zal wel een goed heenkomen gezocht hebben, zegt ge.
+En toch.... klonk daar geen luid geblaf over het water? En hoor!....
+waren dat niet de kreten van een kind? Zoo ja, van wien anders
+konden die dan zijn, dan van het knaapje, dat, dood of erger
+nog naar men meende, op het wrak was achtergebleven? En zoo was het
+ook werkelijk. Het kind was op wonderlijke wijze door zijn trouwen
+vriend "Ami" gered.
+
+Toen Willems moeder bij het gegil der stoomfluit verschrikt naar
+boven was gevlucht, lag Ami als gewoonlijk met den kop tusschen de
+pooten voor de deur der hut. De openstaande deur was voor hem een
+uitnoodiging om binnen te treden en zijn speelkameraad een visite te
+brengen. Op hondenmanier gaf hij het knaapje een morgenkus, en toen
+deze daardoor wakker werd, noodigde hij zijn harigen vriend uit, de
+door moeder verlaten plaats te komen innemen.
+
+Zoo lagen Willem en Ami rustig en wel bij elkander, toen de
+verschrikkelijke botsing plaats had, die beiden uit de kooi deed
+tuimelen en in het scheepslogies opsloot. De geheele bemanning
+bevond zich aan dek, en er was dus niemand om hen te helpen.
+Intusschen stroomde het water naar binnen, en weldra stond het zoo
+hoog, dat niets het hulpelooze knaapje langer een veilige
+schuilplaats aanbood. Nog een oogenblik -- daar dreef het kleine
+ventje op het water. Zeker was hij verdronken, als Ami hem niet
+beetgepakt en, al heen en weer zwemmende door de steeds enger
+wordende ruimte, met het hoofdje boven water gehouden had.
+
+Eindelijk echter kwam er beweging; de schepen geraakten van
+elkander. Maar de vernielde trap en de op en door elkander geschoven
+balken en planken beletten het wakkere dier spoedig genoeg een
+uitweg te vinden. En toen hem dit eindelijk gelukt was.... hadden
+allen het schip reeds lang verlaten en bevond de moedige redder
+zich met het bewustelooze knaapje alleen op het zinkende wrak. Was
+hij geheel alleen geweest, zeker had hij zich zonder dralen in zee
+gestort, om de wegzeilenden na te zwemmen, maar nu...? Zorgvuldig
+zocht hij dat deel van 't schip op, 't welk zich nog het meest boven
+water verhief; hij legde zijn kostbare vracht daar voorzichtig neer,
+om vervolgens een luid geblaf aan te heffen en zoo de opmerkzaamheid
+tot zich te trekken. Dat geblaf bracht ook het knaapje weer tot
+bewustzijn, wiens geroep om "Moeder! Moeder!" echter al evenmin
+gehoord werd, als het blaffen van het edele, trouwe dier.
+
+Langzamerhand was het geluid in de verte geheel weggestorven, en hoe
+Ami de ooren ook spitste, geen geruisch zelfs anders dan van den
+wind en het klokkende water drong meer tot hem door.
+
+Het schreiensmoede knaapje was eindelijk in slaap gevallen. Maar de
+hond bleef waken. Met de beide voorpooten lag hij over het jongske
+heen, om het verkleumde kind te verwarmen, en met zijn schrandere
+oogen keek hij in het rond. 't Was alsof het verstandige dier zag,
+dat het gevaar met elk oogenblik grooter werd en of hij, voelende,
+dat het steeds dieper wegzinkende schip weldra geheel zou
+verdwijnen, naar een middel omkeek, om zich met zijn vriendje op de
+beste wijze aan het nakende onheil te onttrekken.
+
+Reeds bedekten de golven het voorschip; nog een oogenblik, en ook de
+plaats, waar hij zich met het knaapje bevond, zou niet meer veilig
+zijn.
+
+Niets ontging evenwel aan het oog van het waakzame dier. En zie,
+daar richtte hij zich plotseling met een blijden kreet op, greep het
+nog steeds slapende kind bij den schouder en was met één sprong
+op de verschansing. Wat was er gebeurd?
+
+De scheepsvlet of jol, die midden op het voordek stond, was driftig
+geraakt en over de verschansing buiten boord geslagen. Dat had de
+hond gezien en vandaar zijn blijdschap en haastige bewegingen.
+
+De boot gleed rakelings langs de zijde van het schip naar achteren.
+Daar bereikte zij de plek, waar de hond zich op post had gezet en
+van het rechte oogenblik gebruik makende, sprong hij zoo behoedzaam
+mogelijk in het ranke vaartuigje over.
+
+Voor het oogenblik althans waren ze gered en gelukkig juist te
+rechter tijd, want de jol kon nauwelijks honderd meter weggedreven
+zijn, of het dek van de Maasdam barstte door de spanning van de
+samengeperste lucht, welke zich in het hol van het schip bevond, met
+een vreeselijken slag uit elkander, waarop het vaartuig in eenige
+minuten vol water liep en in de diepte verdween.
+
+Daar dobberde nu het kleine hulkje midden op den grooten Oceaan.
+Gelukkig, dat de zee kalm was, anders zou het notedopje ongetwijfeld
+spoedig omgeslagen zijn, en dan was alle kans op redding, zowel voor
+den hond als voor het kind, verloren geweest.
+
+Maar waarheen dreef het scheepje? Waarheen richtte het den steven,
+zee- of landwaarts?....
+
+Doch ook zelfs in het laatste geval zou het zeker nog minstens een
+paar dagen duren, voor het de kust bereikt had, en wat zou er in
+dien tijd van de beide vrienden worden, zonder voedsel, zonder een
+enkelen druppel water zelfs?
+
+Alleen van een voorbijzeilend schip was uitkomst voor hen te
+wachten. En alsof de altijd wakkere Ami dat scheen te begrijpen,
+richtte hij zich, met de voorpooten tegen den rand der boot geleund,
+overeind, zoodat hem niets, wat redding kon aanbrengen, zou
+ontsnappen. Daarbij vergat hij echter de zorg voor zijn jeugdig
+vriendje niet. Bij de minste beweging van het ventje, dat op den
+bodem der boot lag uitgestrekt, keerde hij zich om, om evenwel
+dadelijk zijn vorige houding weer aan te nemen, als het bleek, dat
+het kind rustig bleef doorslapen.
+
+Eindelijk, daar week de nevel, en daarmee daagde ook hier de
+redding! Een groot schip, dat tot op dat oogenblik onzichtbaar
+geweest was, vertoonde zich op eenigen afstand en naderde meer en
+meer de plek, waar het bootje ronddobberde. Zou het kleine hulkje
+daarginds opgemerkt worden?... 't Leed geen twijfel; want zie, daar
+draaide het schip reeds bij den wind! Een sloep werd te water
+gelaten en het volgende oogenblik roeiden vier paar sterke armen met
+krachtige slagen op de jol aan.
+
+Kwispelstaartend en luid blaffend gaf de hond zijn blijdschap te
+kennen. En daarbij schudde en likte het van vreugde uitgelaten dier
+onzen Willem zoolang, dat deze eindelijk de oogen opende en, als
+verbeeldde hij zich nog bij moeder in zijn bedje te liggen, de armen
+om Ami heen sloeg.
+
+Arme kleine! Wat was hij ver verwijderd van de arme vrouw, die in
+haar ijlen ook niets anders deed dan roepen om haar lieveling! En
+wat begon hij jammerlijk te schreien, toen hij zijn vergissing
+bemerkte en zag, waar hij zich bevond.
+
+Maar de redding was nabij. Het geluid van het schreiende kind, dat
+nu ook zijn hoofdje boven de boot uitstak, werd reeds in de sloep
+gehoord.
+
+
+[Illustratie: Het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.]
+
+
+De roeiers verdubbelden daarop nog hun krachtsinspanning, en met
+eenige snelle slagen hadden zij de jol bereikt. Daar zat het
+knaapje, midden op den bodem van het kleine vaartuig in zijn hemd
+bijna en strekte de handjes uit naar zijn redders, die het tooneel
+met bewogen oogen aanzagen.
+
+"Moetje toe! moetje toe!" snikte hij, terwijl men hem met Ami in de
+sloep opnam.
+
+"De stumper roept om zijn moeder," zei de matroos, die hem
+overtilde; want hoewel geen Hollandsch, maar Engelsch sprekend
+verstond hij toch de woorden van den kleine zeer goed, daar de
+moedernaam in de meeste talen al vrijwel dezelfden klank heeft.
+
+"Nu, dan vrees ik zeer, dat hij die niet weer zal zien," merkte een
+ander op. "Er is vast een ongeluk gebeurd met den mist. Zie maar
+eens in het rond: daar drijven verschillende dingen, die van een
+schip afkomstig zijn."
+
+Werkelijk waren, tegelijk met de boot, nog verschillende andere
+losse deelen van de Maasdam in dezelfde richting komen afdrijven.
+
+De hond week intusschen niet van Willems zijde, maar keek daarbij
+den spreker van zoo even met zijn groote, goedige oogen zoo
+verstandig aan, alsof hij diens bewering bevestigen wilde.
+
+"Jij bent een beste, brave hond, hoor!" zei deze daarop, het goede
+dier vertrouwelijk op den rug kloppend. "'t Heeft je zeker vrij wat
+moeite gekost, om je kleinen meester tot zoover te behouden. Nu, je
+zult het goed bij ons hebben, hoor!"
+
+De jol was middelerwijl aan de sloep vastgemaakt, daar men het zonde
+achtte, ze op nieuw te laten drijven, en nu gingen de riemen
+handig weer te water, om met spoed naar het wachtende schip terug te
+keeren.
+
+De "Franklin" -- dit was de naam van het vaartuig -- was een groote
+Amerikaansche driemaster en met een lading petroleum naar Sidney in
+Australië bestemd. Het schip had reeds voor twee dagen de haven van
+New-York verlaten, maar was, door den zwaren mist opgehouden, nog
+weinig gevorderd. De equipage bestond, met inbegrip van den
+gezagvoerder, kapitein Smartt en de stuurlieden, uit vijf en twintig
+koppen, en passagiers bevonden zich niet aan boord, één
+uitgezonderd, welke men evenwel moeielijk als zoodanig kon
+beschouwen, daar het de vrouw van den kapitein was.
+
+Deze vergezelde haar man liever op zijn tochten over den oceaan, dan
+geheel alleen, aan allerlei angst en onrust ten prooi, achter te
+blijven, als hij naar zee ging. Kinderen, die haar dit belet zouden
+hebben, bezaten zij niet, of liever bezaten zij niet meer; want hun
+eenig zoontje, een knaapje van ongeveer gelijken leeftijd als
+Willem, was voor een paar jaar gestorven.
+
+Ge begrijpt dus, hoe de vrouw ontroerde, toen de matrozen met het
+geredde kind uit de sloep bij den valreep opklauterden en niets
+beter wisten te doen, dan haar het schreiende knaapje in de armen te
+leggen.
+
+Met tranen in de oogen snelde zij met Willem naar de kajuit, op den
+voet gevolgd door Ami, die zijn plaats dáar achtte, waar zijn kleine
+beschermeling bleef.
+
+De kapitein zag met innige voldoening, hoe zijn vrouw zich dadelijk
+het lot van het kind aantrok, en hij wreef zich in de handen van
+genoegen toen zij zich verwijderde. "Nu wordt ze weer dezelfde van
+vroeger," dacht hij bij zich zelf. "'t Is een geschenk der
+Voorzienigheid, dat ons daar is toegezonden!"
+
+Onderwijl was er een flinke bries komen opzetten, en toen nu de
+sloep weer in de davids hing en ook de kleine jol binnen boord
+geheschen was, werd het roer opnieuw gewend, waarop het schip door
+den wind ging en zijn vorigen koers hernam.
+
+In de kajuit had de kapiteinsvrouw het intusschen heel druk. Haar
+eerste zorg was, Willem en Ami, hongerig en dorstig als ze waren,
+wat te eten en te drinken te geven, wat beiden zich uitmuntend
+lieten smaken. Ami had al in lang zulke lekkere hapjes niet
+geproefd, als hij hier te bikken kreeg. Nu, die had hij ook wel
+verdiend!
+
+Verzadigd legde hij zich eindelijk in een hoekje neder en keek met
+welgevallen in het rond. En alsof hij zijn kleinen beschermeling nu
+volkomen veilig achtte, lei hij ten slotte den kop tusschen de
+vooruitgestoken pooten, om van de welverdiende rust te genieten en
+op zijn gemak een dutje te doen.
+
+Onze Willem gevoelde zich ook al heel spoedig op zijn gemak met de
+vriendelijke dame. Hij zat zeer vertrouwelijk op haar schoot en liet
+zich, als was zij zijn moedertje, zeer gewillig door haar wasschen
+en kleeden. De kleertjes van haar jongetje, die zij nog steeds
+bewaarde, kwamen haar daarbij uitnemend te pas, en het ventje zag
+met glinsterende oogjes, hoe mooi hij werd in het vreemde pakje, dat
+hem werd aangetrokken.
+
+"Mooi! mooi! Wimpje mooi worden!" riep hij aanhoudend, en mevrouw
+Smartt, die wel begreep, wat de dreumes bedoelde, al verstond zij
+ook zijn woorden niet, begon hoe langer hoe meer schrik in hem te
+krijgen. De blonde krullebol zag er dan ook wezenlijk uit om te
+stelen! "Precies ons ventje," dacht ze, toen hij geheel aangekleed
+was. Schreiend en lachend tegelijk nam ze hem op en gaf hem een
+hartelijken kus op de blozende wangen. En toen Willem, aanvallig als
+hij was, daarop beide armpjes om haar hals sloeg, had hij haar hart
+geheel gestolen!
+
+Juist wilde ze haar man gaan opzoeken, toen deze, die haar met opzet
+zoolang alleen gelaten had, de kajuit inkwam. En ziedaar, het was
+alles gekomen, zooals kapitein Smartt zoo hartelijk hoopte! Zijn
+vrouw, die na den dood van haar kind steeds droevig en in zich zelf
+gekeerd was geweest, kwam hem met het knaapje op den arm en een
+glimlach op de lippen tegemoet.
+
+Onwillekeurig deed hij echter een stap achteruit. Waarom? In het hem
+welbekende pakje gestoken, geleek onze krullebol zoozeer op het
+overleden jongetje van den kapitein, dat deze er ten zeerste door
+getroffen werd. En dat zijn vrouw het hierin met hem eens was,
+bewezen al dadelijk haar woorden: "Nu, wat zeg je van den jongen? Ik
+heb hem al vast maar wat aangekleed. Vind je niet, dat hij op onzen
+Willy gelijkt?"
+
+"Zoozeer," sprak de kapitein met bewogen stem, "dat ik bij 't
+inkomen van de kajuit inderdaad een oogenblik meende, dat je ons
+ventje op den arm hadt. Je hebt de gelijkenis dan ook wel zeer doen
+uitkomen met dat pakje!" En met een zucht voegde hij er bij: "Och,
+dat de schijn werkelijkheid ware!"
+
+"Maar wat belet ons," hernam nu zijn vrouw teeder, "het arm wurm,
+wiens ouders waarschijnlijk beiden omgekomen zijn, als kind aan te
+nemen. Ik gevoel, dat ik als een moeder voor hem zal kunnen zijn, en
+ik twijfel er niet aan, of gij zelf zult ook van het kind
+beginnen te houden."
+
+Ze waren aldus sprekende, bij elkander aan tafel gaan zitten, en de
+kapitein zag met vreugde, hoe het op zulk een wonderbare wijze
+geredde kind plotseling weer een blosje op de wangen zijner schoone,
+doch bleeke vrouw scheen teruggetooverd te hebben.
+
+"Toch moeten we ons niet te zeer aan het ventje hechten," bracht hij
+voorzichtig in het midden; "want het zou kunnen wezen, dat zijn
+ouders nog wel degelijk leven, en 't is natuurlijk onze plicht, zoo
+spoedig mogelijk onderzoek daarnaar te doen. En als ze dan
+teruggevonden mochten worden....."
+
+"Zal ik het knaapje met liefde aan zijn moeder teruggeven," viel
+zijn vrouw hem in de rede. "We weten immers beiden wat het zegt, een
+bemind kind te verliezen!"
+
+"Nu, dan is 't goed," sprak kapitein Smartt gerustgesteld. "Maar zou
+'t jongske zelf ons misschien niet iets kunnen zeggen of beduiden,
+waaruit het een of ander is op te maken?"
+
+"Ja, hij heeft al genoeg gebabbeld; maar ik versta hem niet."
+
+"Komaan, laat mij 't dan eens probeeren. Misschien, dat het mij
+gelukt, uit zijn gekeuvel wijs te worden."
+
+De kapitein, die verscheidene talen sprak, nam nu onzen Willem op
+zijn knie en deze, die op de Maasdam al zooveel vreemde gezichten
+gezien en op zoo menige knie geschommeld had, toonde zich ook
+tegenover hem volstrekt niet schuw. Maar of hij Willem in 't
+Engelsch of Fransch of Duitsch aansprak, de kleine verstond titel
+noch jota van 't geen hem gevraagd werd.
+
+"Moetje weg, vader weg, allemaal weg! Schip ook weg!" riep hij op 't
+laatst in zijn onnoozelheid.
+
+"O, nu zijn we er!" riep de kapitein verrast, maar tevens vol
+ontzetting uit bij het hooren van zooveel ongeluk. "'t Is een
+Hollandsch kind, en wat hij daar vertelt, is inderdaad
+allertreurigst. Vader weg, moeder weg, schip weg! Er moet dus
+bepaald een aanvaring plaats gehad hebben; want slecht weer is het
+de laatste dagen niet geweest, en lang heeft het ventje ook bepaald
+niet rondgezwalkt." En zich daarop weer tot Willem wendende, vroeg
+hij -- maar nu in 't Hollandsch -- naar alles, wat den kleinen
+schipbreukeling wedervaren was. Veel wijzer werd hij echter niet. 't
+Ventje kon hem slechts weinig en gebrekkig inlichten. Vader en
+moeder heetten bij hem, als bij de meeste kleine kinderen eenvoudig
+"vader en moeder," en hij zelf was "Willem," zonder meer.
+
+"Dus de kleine heeft tot zelfs den naam met onzen jongen gemeen,"
+merkte de kapitein met zichtbare ontroering op.
+
+"O, dat is heerlijk! Die naam is mij zoo lief!" antwoordde zijn
+vrouw levendig. "'k Wilde je juist voorstellen om hem William te
+noemen." En het knaapje, daarop beide handen toestekend, vervolgde
+zij: "Willy, we zullen elkaar wel spoedig leeren verstaan!"
+
+"Begrijpen doet hij je ten minste nu al," sprak de kapitein lachend,
+toen Willem dadelijk de toegestoken handen greep en op haar schoot
+plaats nam. "En voor de rest zal ik wel zoo'n beetje voor tolk
+spelen. Maar nu ga ik het gebeurde in het scheepsjournaal boeken.
+Bovendien zal ik er een acte van opmaken en die door de geheele
+equipage laten onderteekenen. Misschien kan dat stuk den knaap
+nog eenmaal dienen om iets omtrent zijn ouders of
+familiebetrekkingen te vernemen, als dat ons niet gelukken mocht."
+
+Terwijl de kapitein nu een uitvoerig relaas van 't gebeurde
+opstelde, begaf mevrouw Smartt zich met Willem aan dek, gevolgd door
+Ami, die door het gesprek der beide echtgenooten uit zijn dutje
+ontwaakt was en nu bedaard achter haar kwam aanstappen, alsof hij er
+bij behoorde en hier al zijn leven thuis geweest was.
+
+De geheele bemanning van "de Franklin" was opgetogen over den
+aardigen, blozenden krullebol, en Ami werd om zijn moedig gedrag
+door ieder om 't zeerst aangehaald en geprezen.
+
+Eenige oogenblikken later verscheen ook kapitein Smartt weer aan
+dek. Hij had de bewuste acte reeds in de hand en gaf nu bevel, dat
+allen achter den grooten mast op het halfdek zouden verschijnen, om
+het stuk te hooren voorlezen en van hun naamteekening te voorzien.
+
+De lange zomerdag spoedde intusschen ten einde, en voor onzen
+Willem, over wiens jeugdig hoofdje gedurende de laatste
+vier-en-twintig uren zooveel gevaren waren heengegaan, was het meer
+dan bedtijd geworden. Dit begreep mevrouw Smartt ook, en als een
+echte moeder spreidde zij het verweesde kind een zacht en mollig
+bedje, waarop hij weldra zoo gerust en heerlijk insliep, alsof zijn
+eigen moetje hem zooeven den nachtkus gegeven had.
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
++Het gevonden spoor.+
+
+
+Sidney in Australië en het stadje Holland in Noord-Amerika, welk een
+afstand! En toch -- hoe ver beide plaatsen ook van elkander
+verwijderd mogen zijn -- hebben wij onze kennissen, die wij tot
+dusver gevolgd hebben, zoowel hier als daar terug te zoeken.
+
+Langen tijd zweefde Jan Vroolijks vrouw tusschen leven en dood, en
+dikwijls vreesde de arme man ook zijn Kee te moeten missen.
+Hartverscheurend was het, de kranke soms in de koorts plotseling te
+zien oprijzen en daarbij, wild en woest om zich heen grijpende, om
+haar kind te hooren roepen, om eindelijk, afgemat en uitgeput, in
+haar kussen terug te vallen.
+
+Eindelijk echter was de crisis gekomen, en toen die voorbij was,
+viel de zieke in een gerusten slaap. "Is er nog hoop?" vroeg Jan
+Vroolijk telkens aan den geneesheer; maar deze had iederen keer de
+schouders opgehaald en hem door dit ontwijkende antwoord meer te
+vreezen dan te hopen gegeven. Nu echter drukte de man der
+wetenschap hem de hand en sprak: "Dank God! Uw vrouw is gered!"
+'t Was Jan Vroolijk, of hem een centenaarslast van het hart werd
+gewenteld. Zoo innig als hij gebeden had om het behoud van haar, die
+hem boven alles ter wereld lief en dierbaar was, zoo vurig dankte
+hij nu voor haar aanvankelijk herstel! En toen zijn vrouw kort
+daarna de oogen opsloeg en hem met volle bewustzijn aanzag en de
+hand toestak, was het hem, als had hij haar uit den dood
+wedergekregen. Hij kuste haar vermagerde hand en besproeide ze met
+zijn tranen, tranen van dankbaarheid en vreugde!
+
+De zieke nam nu wel langzaam, maar toch gestadig in beterschap toe,
+en eindelijk was ze in zooverre hersteld, dat men er in ernst over
+kon denken, om de op zoo noodlottige wijze afgebroken reis te
+hervatten.
+
+Oom Willem, door Jan Vroolijk voortdurend op de hoogte gehouden van
+den toestand zijner vrouw, spoedde zich op dit gunstige bericht
+dadelijk weer naar New-York, om hen af te halen, en nadat hij alles
+voor hen in orde gebracht had, namen ze samen den terugtocht aan.
+
+"Komaan, daar ben je dan toch eindelijk!" zei tante Betje, oom
+Willems vrouw, toen ze na de lange spoorreis haar gastvrije woning
+binnentraden. "Goddank, dat ik je zie, kinderen!"
+
+"Maar we komen met ons beidjes in plaats van met ons drieën, tante!"
+sprak Jan op droeven toon, terwijl Keetje in snikken uitbarstte en
+het nog altijd zwakke hoofd aan tantes borst verborg.
+
+"Gelukkig, dat je nog met je tweeën komt!" troostte tante. "Hoezeer
+hebben we niet in angst verkeerd, dat we ook Keetje niet terug
+zouden zien!"
+
+En toen de geschokte vrouw nog immer voortging met schreien en Jan
+haar met zachte woorden tot bedaren trachtte te brengen, vervolgde
+ze: "Laat haar maar eens goed uitschreien, dat zal haar goed doen."
+
+"En weet je, wat ik nu gedacht heb, moeder?" sprak oom Willem tot
+zijn vrouw.
+
+"Nu, wat dan man?"
+
+"Dat we onze gasten vooreerst maar hier bij ons moesten houden. Ons
+huis is groot genoeg. Ze kunnen dus gemakkelijk bij ons inwonen. Dat
+zal goed zijn voor jou en voor Keetje beiden, geloof ik. Ze kan dan
+eerst weer een beetje op haar verhaal komen, en later kunnen we dan
+altijd nog zien."
+
+Hoezeer sprak de goede man naar het hart van zijn brave vrouw. Ook
+zij had het zwaar beproefde ouderpaar reeds een plaatsje in haar
+woning toegedacht, en daar Jan Vroolijk en zijn vrouw van hun kant
+ook niets liever wenschten, was alles weldra in orde.
+
+Werk was spoedig gevonden en voor Keetje was het dagelijksch bijzijn
+van tante Betje, die innig deelnam in het ongeluk van haar zusters
+eenig kind, een ware troost.
+
+Omstreeks denzelfden tijd, dat de onder den zwaren slag gebukt
+gaande ouders in oom Willems vriendelijke en gastvrije woning zoo
+hartelijk werden verwelkomd en opgenomen, zeilde "de Franklin", na
+een voorspoedige en gelukkige reis, de haven van Sidney binnen. En
+zooals het allen kleinen kinderen gaat, wanneer zij in een andere
+omgeving worden overgeplaatst, waar zij het zeer naar hun zin
+hebben, n.l.: "uit het oog, uit het hart," zoo was het ook onzen
+Willem gegaan. Praatte hij in den beginne nog al eens over moetje en
+vader of van oom Piet -- zooals hij Piet Vlug altijd noemde --
+spoedig scheen de kleine het verleden geheel vergeten en
+gevoelde hij zich in den tegenwoordigen toestand en omgeving recht
+tevreden en gelukkig. Mevrouw Smartt was dan ook als een ware moeder
+voor hem. Moest haar man gedurende de eerste dagen nog al eens als
+tolk dienst doen, weldra had zij zich de nog geringe woordenschat
+van den aardigen babbelaar zoo goed eigen gemaakt, dat deze hulp
+geheel overbodig was, te meer, daar ook Willem op zijn beurt van
+lieverlede de Hollandsche woorden door Engelsche ging vervangen. Zoo
+konden zij dus binnen korten tijd naar hartelust met elkander praten
+en babbelen, en de aanvalligheid van het knaapje, aan wien de edele
+vrouw zich van het eerste oogenblik zoo gehecht had, verhoogde nog
+van dag tot dag haar genegenheid. Ook kapitein Smartt begon hoe
+langer hoe meer behagen in den vluggen en vroolijken krullebol te
+scheppen, en ten slotte was het moeilijk te zeggen, wie van beiden
+wel het meest van hem hield.
+
+De een zoowel als de ander zou het knaapje dus wel altijd bij zich
+hebben willen houden. Niettemin achtte de gezagvoerder van "de
+Franklin" zich verplicht, dadelijk bij zijn aankomst te Sidney een
+onderzoek naar de herkomst van het kind in te stellen. Ook naar
+dezen verren uithoek der wereld zou toch wel eenige tijding omtrent
+het vergaan van een schip op de Amerikaansche kust en het lot der
+opvarenden overgewaaid zijn, meende hij. En zoo was het ook
+werkelijk. Evenals op de meeste voorname zeeplaatsen werd ook te
+Sidney een "Zeepost" uitgegeven, d. i. een nieuwsblad, waarin
+scheepstijdingen uit alle oorden der wereld worden opgenomen,
+tijdingen omtrent aankomst en vertrek der schepen en van plaats
+gehad hebbende zeerampen. Door een aandachtig nagaan van de laatste
+rubriek in de bladen, welke omstreeks den tijd, dat het ongeluk
+moest plaats gehad hebben, waren uitgegeven, kwam kapitein Smartt al
+spoedig tot de ontdekking, dat werkelijk in den vroegen morgen van
+den 30sten Augustus -- dus juist op den datum der opname van Willem
+en Ami aan boord van "de Franklin" -- bij dikken mist niet ver van
+de Amerikaansche kust een aanvaring had plaats gehad tusschen de
+stoomschepen de Maasdam en de Columbus, waarbij het eerste zoo
+beschadigd was geraakt, dat het na verloop van een paar uur in de
+diepte was verdwenen. Tevens werd in het bericht vermeld, dat de
+bemanning van het gezonken schip, zoomede de passagiers, aan boord
+van de Columbus overgegaan en behouden te New-York waren
+aangebracht. Alleen van de laatsten was slechts één, en wel een
+kind, bij de ramp omgekomen.
+
+"Daar kan niemand anders mee bedoeld zijn dan Willy" sprak de
+kapitein. "Het kind, dat men dood waant, is door den hond gered!"
+
+"En intusschen wordt hij door de arme ouders als een doode beweend,"
+antwoordde zijn vrouw bewogen. "Wie weet, wat heete tranen er om
+zijn verlies geschreid worden! Misschien was hij ook wel een eenig
+kindje, evenals onze eigen Willy."
+
+Verstond Ami hun gesprek, dat hij zoo met alle aandacht naar hen zat
+te luisteren en nu den een, dan den ander met zijn verstandige oogen
+aankeek?
+
+Kapitein Smartt scheen er werkelijk zoo over te denken; want terwijl
+hij het goede dier streelde, zeide hij: "Kon jij maar praten, hé!
+dan zouden we zeker heel gauw op de hoogte zijn." En zich daarop
+weer tot zijn vrouw wendende, vroeg hij: "Maar wat zullen we nu
+beginnen?"
+
+"Het kind blijven liefhebben en als we weer behouden in Amerika
+terug mogen keeren, nauwkeurig onderzoek doen naar zijn ouders,"
+antwoordde deze; "dat is alles wat we kunnen doen."
+
+"Je hebt gelijk, vrouw," hernam de kapitein. "Intusschen zal ik
+aangifte doen van het geval, opdat het naar Holland en New-York
+overgeseind en in de nieuwsbladen opgenomen kan worden. Allicht komt
+het bericht dan onder de oogen van den een of ander, die met de zaak
+bekend is, of iets omtrent de ouders van het kind en hun
+verblijfplaats weet en ons het onderzoek alzoo gemakkelijk kan
+maken. Met de wetenschap toch, dat zijn ouders nog leven, kunnen we
+ons het knaapje onmogelijk toeeigenen, hoe 't mij ook aan mijn hart
+gaat, hem weer te moeten missen."
+
+De zucht, die mevrouw Smartt ontsnapte, was wel het sprekendste
+bewijs, hoe noode ook zij het kind weer zou afstaan.
+
+We moeten nu in gedachten eenige weken teruggaan en weer naar
+New-York, waar de schipbreukelingen der Maasdam door de Columbus
+waren aangebracht, terugkeeren.
+
+In de verwarring van het oogenblik had niemand er aan gedacht, dat
+behalve de kleine passagier nog iemand anders ontbrak, toen aan
+boord van de Columbus appèl voor de geredden werd gehouden. Eerst
+bij de ontscheping te New-York trok het de aandacht van den
+bootsman, dat de hond zich niet onder hen bevond.
+
+"Waar mag Ami toch zijn?" vroeg hij, overal rond kijkende.
+
+Niemand had iets van het dier gezien,
+
+"Dan is hij bepaald bij Willem in de hut geweest en op de Maasdam
+gebleven," dacht Piet vlug. "Het arme dier! Wat hield hij veel
+van het ventje! Zouden ze samen in de diepte zijn verdwenen?....
+Maar als het Ami eens gelukt was, zich met het kind te redden! Als
+hij eens..... dat zou ontzettend zijn! En toch, hoe meer ik er over
+denk, hoe waarschijnlijker 't mij voorkomt. Wie weet, hoe lang het
+wrak nog is blijven drijven! Maar dan moeten ze ten slotte toch
+omgekomen zijn, of een ander schip moest ze opgenomen hebben. Wacht,
+ik ga zoodra mogelijk op verkenning uit! Als ik de vermisten eens
+terugvond! Maar laat ik er vooral Jan niets van zeggen en geen
+nieuwe hoop opwekken, die misschien toch ijdel zou blijken te zijn."
+
+Vol van deze gedachten spoedde de wakkere zeeman zich -- eigen
+verlies vergetende -- zoodra hij kon voort, om inlichtingen in te
+winnen aangaande de schepen, welke dien dag de haven waren
+binnengekomen. Zijn onderzoek liep echter op teleurstelling uit. Ook
+de scheepstijdingen van elders gaven hem niet, wat hij zocht. En
+toch liet het eens opgevatte denkbeeld hem niet los. Integendeel,
+hoe langer hij nadacht en de zaak van alle kanten overwoog, hoe meer
+het bij hem vaststond, dat Ami wel een middel zou gevonden hebben,
+om zich met zijn makker aan het dreigende gevaar te ontworstelen, en
+daarna op de een of andere wijze gered zou zijn.
+
+"Maar 't kan ook evengoed een uitzeilend als een binnenvallend schip
+geweest zijn, dat hen heeft opgenomen," redeneerde hij bij zich
+zelf. En nu volgde een vernieuwd onderzoek naar alle schepen, welke
+omstreeks den tijd van het ongeluk ter hoogte van de aanvaring
+konden geweest zijn. Nauwkeurig teekende hij aan, welke schepen de
+laatste twee dagen de haven van New-York en die van andere plaatsen
+hadden verlaten en waarheen ze bestemd waren, om later, bij 't
+bericht van hun aankomst, te kunnen nagaan, of ook de een of andere
+bijzonderheid vermeld werd, welke hem eenige zekerheid omtrent zijn
+vermoeden kon verschaffen.
+
+Met deze gegevens voor zich doorsnuffelde hij nu van dag tot dag
+alle mogelijke scheepstijdingen; doch ontmoette hij ook al eens een
+bericht over de aankomst van een door hem aangeteekend schip,
+nergens was sprake van datgene, waarnaar hij met zooveel verlangen
+en ongeduld zocht. En intusschen naderde meer en meer de dag, waarop
+de bemanning der Maasdam met een ander stoomschip der Maatschappij
+de terugreis naar het vaderland zou aanvaarden.
+
+Eindelijk was die dag daar.
+
+Maar toen Piet Vlug zijn aanteekeningen voor de laatste maal inzag,
+was daarop ook bijna alles doorgehaald, waarop hij zijn hoop
+gevestigd had. Deze was dan ook langzamerhand vrij wat verminderd en
+eindelijk zoo goed als vernietigd.
+
+Nog slechts de namen van twee schepen en daaronder die van "de
+Franklin" van New-York naar Sidney stonden daar, zonder dat het
+potlood er de noodlottige streep doorheen getrokken had, die van
+zijn teleurgestelde verwachting getuigenis aflegde. Op deze beide
+namen was dus het restje van zijn hoop gebouwd. Maar Sidney was zoo
+ver. Nog weken zou het duren, voor "de Franklin" aan het einde der
+reis was. En intusschen had hij Amerika verlaten, en daarmee was de
+kans om vooreerst iets omtrent de aankomst van het schip te
+vernemen, zoo goed als vervlogen! Wat het andere schip aangaat,
+daarmede was het ook al niet beter gesteld.
+
+Zou hij dus zijn vrienden nog iets mededeelen van zijn vermoeden,
+voor hij naar Holland terugkeerde?
+
+Maar dat vermoeden was al zoo dikwijls op teleurstelling
+uitgeloopen, dat hij ze er niet aan mocht of durfde wagen.
+
+Na een hartelijk afscheid vertrok hij dus met het stellige
+voornemen, om bij aankomst in Holland direct zijn onderzoek voort te
+zetten. Want dat Willem en Ami verdronken zouden zijn, wilde er --
+ten spijt van alles -- nog maar niet bij hem in.
+
+"Wat men hoopt, gelooft men," zegt een spreekwoord, en zoo was het
+met den bootsman ook.
+
+Het proces, ten gevolge van de aanvaring ontstaan, was middelerwijl
+afgeloopen en ten voordeele van de Maasdam beslist, daar uit de
+verklaringen, zoo van gezagvoerder en stuurlieden als van bemanning
+en passagiers, ten duidelijkste bleek, dat men zich aan boord van
+dit schip in alle opzichten aan de bepalingen, voor het verkeer ter
+zee vastgesteld, gehouden had, terwijl die voorschriften van de
+andere zijde schromelijk bleken verwaarloosd te zijn.
+
+De reederij der Columbus werd dus tot geheele schadevergoeding van
+schip en lading veroordeeld, en de kapitein van de Maasdam kon,
+zonder dat op zijn zeemansnaam zelfs de minste blaam bleef rusten,
+met zijn equipage naar het vaderland terugkeeren.
+
+Eenigen tijd later vinden we onzen bootsman dus te Rotterdam terug.
+
+Nauwelijks aan wal, richt hij zijn schreden naar het
+zeemanskoffiehuis, waar hij weldra met een stapel couranten voor
+zich zit. Doch ook hier loopt zijn onderzoek op niets uit. Het eene
+blad na het andere wordt door hem op zij gelegd, tot hij eindelijk,
+mismoedig over zooveel teleurstelling, ook het laatste weer toevouwt
+en zich gereed maakt om heen te gaan. Op 't zelfde oogenblik
+echter verschijnt de courantenjongen aan de deur, om 't laatste
+nieuws af te geven. Dadelijk heeft Piet Vlug het nieuwsblad in
+handen.
+
+"'t Zal wel vergeefsche moeite zijn," mompelt hij, "maar enfin! 'k
+Moet toch even kijken." En nu leest hij: "Aangekomen te Bombay....
+Calcutta.... Singapore... Batavia.... Sidney...." Plotseling
+verheldert zijn gelaat en met den blijden uitroep: "Eindelijk toch
+gevonden!" werpt hij het blad op de tafel.
+
+"Kastelein!" roept hij vervolgens, terwijl hij weer plaats neemt --
+"breng mij nog een half fleschje Beiersch!" en dan tot zich zelf:
+"Daar kan een extra glas op staan!.... Waar stond het ook?... O ja,
+hier is 't!...." En nu leest hij half overluid: "Sidney....
+Aangekomen 'de Franklin' van New-York. Onder de Amerikaansche kust
+in zee drijvende gevonden een boot, waarin een kind van ongeveer
+vier jaar en een hond.".... "Maar hoe blikslager is dat mogelijk,"
+zegt hij na eenigen tijd nadenkens met de hand aan het hoofd. "We
+hadden toch alle booten meegenomen!.... En toch -- 't kan niet
+anders zijn.... Haal ze den drommel! dat ze er den naam van 't kind
+en van den hond niet bijgezet hebben. Dan was alle twijfel dadelijk
+opgeheven!.... Doch" -- en hij begon hartelijk te lachen -- "hoe kan
+ik ook zoo dom zijn!.... Ze zullen den kleuter met zijn gebroken
+Hollandsch niet verstaan hebben!.... of" -- en op eens nam zijn
+gelaat een geheel andere uitdrukking aan -- "of zou de stumperd
+misschien al dood geweest zijn?.... Maar," -- en weer keek hij het
+korte telegrafische bericht na -- "dan zou er toch gestaan hebben:
+het lijkje van een kind, -- dunkt me.... 't Is waarachtig om dol te
+worden!.... Wat heb ik nu eigenlijk aan zoo'n bericht?....
+Zijn ze 't, of zijn ze 't niet?... En zoo ja, leven ze nog, of zijn
+ze dood?.... 'k Dacht die arme stakkers daar ginder zoo heerlijk te
+verrassen!.... Maar zoo gaat het niet.... 'k Moet eerst meer
+zekerheid hebben. Er zit niets anders op dan nog wat geduld te
+oefenen en intusschen 'de Franklin' in de gaten te houden, want
+gelooven doe ik het toch! Wacht, ik moest die courant in mijn zak
+steken!.... Kastelein!"
+
+"Asjeblieft, mijnheer!"
+
+"Als ik je een gulden geef voor dit blad, mag ik het dan houden?"
+
+"Met alle plezier," zegt de kastelein lachend, "als ge er zooveel
+belang in stelt. Maar aan het bureau en op straat koopt ge er
+anders een voor een stuiver."
+
+"Dat doet er niet toe!" antwoordt Jan, een rijksdaalder uit zijn
+vollen buidel op tafel werpend en meteen de courant in den zak van
+zijn jekker stekend. "Ik verkies nu juist dit blad te hebben en geen
+ander!"
+
+"Nu, zooals ge wilt," herneemt de kastelein, terwijl hij den
+rijksdaalder aanneemt en eenig klein geld terug geeft, dat de
+bootsman achteloos op zak steekt. "Veel luk er mee!.... Zeker een
+prijs uit de loterij, niet waar?"
+
+"Als 't waar is, wat hierin staat," zegt Jan, op zijn jekker
+slaande, "dan kon je dat wel zoo mis niet hebben. Adjuus!"
+
+En met de gewichtige tijding op zak, verliet hij het
+zeemanskoffiehuis.
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
++Een geluk bij een ongeluk.+
+
+
+Nadat de Franklin gelost was en de gezagvoerder eenigen tijd te
+vergeefs op nieuwe lading gewacht had, besloot hij den steven naar
+Indië te richten, in de hoop aldaar geschikte retourvracht voor zijn
+bodem te vinden.
+
+Doch te Soerabaja, waar men na eenige dagen aankwam, werd alleen
+scheepsruimte gevraagd voor Europeesche havens, terwijl de kapitein,
+ook met het oog op zijn kleinen passagier, gehoopt had naar Amerika
+terug te kunnen keeren.
+
+Met een leeg schip den Oceaan over te steken, was echter nog minder
+gewenscht. Derhalve besloot kapitein Smartt eindelijk van den nood
+een deugd te maken en zijn schip naar Europa, en wel naar Hamburg,
+te bevrachten.
+
+De reis zou zoodoende wel wat langer duren; maar hij mocht de
+belangen zijner reeders toch niet aan die van het kind opofferen. En
+bij nader inzien waren de laatste misschien aan deze zijde van
+den Atlantische Oceaan nog beter gediend dan aan gene.
+
+Van Hamburg naar Holland was toch slechts een uitstapje van
+hoogstens een paar dagen, redeneerde de kapitein. Een onderzoek
+aldaar bij de reederij van het verongelukte schip, waarvan Willem,
+naar hij vermoedde, afkomstig was, zou misschien nog beter resultaat
+opleveren, dan het zoeken naar zijn ouders in Amerika zelf. De
+lading, die hoofdzakelijk uit koffie en suiker bestond, werd
+derhalve ingenomen, en weldra verliet het schip met zijn kostbare
+vracht de haven van Soerabaja, om zijn nieuwe bestemming te volgen.
+
+Piet Vlug had "den Amerikaan", zooals hij de Franklin voortaan
+noemde, intusschen goed in de gaten gehouden. Dag in, dag uit zat
+hij in de courant te snuffelen, om te zien, werwaarts hij zijn koers
+zou richten. Zoodoende droeg hij niet alleen kennis van de aankomst
+der Franklin te Soerabaja, maar ook van haar vertrek en bestemming
+naar Hamburg.
+
+"Wel drommels, waarom niet liever naar Holland gekomen," pruttelde
+hij bij het lezen van de laatste tijding. "Nu ben ik, zoo waar, nog
+genoodzaakt naar Hamburg te reizen, als 't zoo laat is; wanneer ik
+ten minste zekerheid omtrent het ventje wil hebben. Maar enfin, dat
+is minder, als de moeite maar beloond wordt. Kon ik eerst nog maar
+een reisje doen; want zoolang aan wal te blijven hangen.... Wacht,
+laat me eens uitrekenen.... Het is vandaag de 23e April en de
+Amerikaan is uitgezeild op den 15en April. Dat is, als alles goed
+gaat, omstreeks 't begin van Juni aan de Kaap en zoo ongeveer half
+Juli hier voor de kust.... Maar dan moet ook alles meeloopen en
+broeder Jonathan al een snelle zeiler zijn.... Als wij dus over
+veertien dagen uitzeilen, zijn we tegen dien tijd al lang en breed
+weer in Holland terug.... Wel ja, dat lappen we hem met glans, als
+er ten minste geen tweede Columbus in ons vaarwater komt. Maar dan
+mag ik lijen, dat de baas zelf naar den kelder gaat!"
+
+Onze bootsman had zijn berekening inderdaad niet slecht gemaakt.
+Nu, daarvoor had hij dan ook in eigen persoon meer dan eens dezelfde
+reis gedaan. Voor hij namelijk bij de Maatschappij, waarvoor hij
+thans voer, in dienst kwam, was hij verscheidene malen naar Indië
+geweest.
+
+Hij wist er dus alles van en maakte zich dan ook volstrekt niet
+ongerust, dat de Amerikaan hem tijdens zijne afwezigheid zou
+ontsnappen.
+
+Willem had zich intusschen van lieverlede zoodanig aan zijn goede
+pleegouders gehecht, dat hij het verlies van vader en moeder geheel
+vergeten scheen. En de kapitein en zijn vrouw? Als de kleine
+praatjesmaker, die nu reeds aardig Engelsch had leeren babbelen, zoo
+tusschen hen in zat, voelden zij meermalen den wensch bij zich
+opkomen, dat het onderzoek, dat zij wilden instellen maar op niets
+mocht uitloopen. Indien de ouders nog leefden, wisten zij immers
+toch niet beter, dan dat hun kind dood was, en misschien hadden zij
+zich reeds met dat denkbeeld verzoend. En zij daarentegen? Hoe
+zouden zij hem missen! Vooral mevrouw Smartt kon er niet aan denken,
+dat zij mogelijk spoedig weer afstand van haar Willy zou moeten
+doen.
+
+En toch, hoe meer de Franklin haar bestemming naderde, hoe meer dat
+denkbeeld zich aan haar opdrong. Soms zelfs maakte zich een
+gevoel als van een naderend onheil van haar meester, en als haar man
+zich aan dek bevond, zat zij dikwijls met het knaapje op haar schoot
+in stilte te schreien. Maar dan sloeg Willy zijn armpjes om haar
+hals, en door zijne lieftalligheid wist hij haar sombere gedachten
+te verdrijven.
+
+Zoo bereikte de Franklin eindelijk den ingang van het Kanaal. Juist
+acht dagen te voren was het stoomschip de Rotterdam, waarmee Piet
+Vlug ditmaal de reis naar Amerika gemaakt had, Kaap Lizard
+gepasseerd. En niettegenstaande de bootsman op zijn vingers kon
+narekenen, dat de Amerikaan op dat tijdstip nog onmogelijk op
+dezelfde hoogte, veel minder hem reeds vooruit kon zijn, nam hij
+toch elk schip, dat den steven naar het Noorden gericht had, met
+zijn kennersblik zorgvuldig op, om zich te vergewissen, of hij zich
+soms ook in zijn berekening mocht vergist hebben.
+
+"Je kunt nooit weten," dacht hij. "Dat volkje van den overkant is
+zoo vlug als water. Als je meent, ze te hebben, glijden ze je nog
+tusschen de vingers door."
+
+Doch onder de massa schepen, die het Kanaal opvoeren, was geen enkel
+Amerikaansch fregat te bekennen.
+
+Onze bootsman zou dus al den tijd gehad hebben, om van de
+vermoeienissen der reis uit te rusten, voor hij op zijn
+ontdekkingstocht uitging, als geen onverwachte gebeurtenis tusschen
+beide gekomen was, die al zijn plannen in duigen dreigde te werpen.
+
+Nauwelijks een paar dagen aan wal ontving hij namelijk een brief van
+De Cocksdorp op Texel, waarin hem dringend verzocht werd onverwijld
+over te komen, daar zijn oude grootvader bedenkelijk ziek was.
+
+"Als ge hem nog levend zien wilt, zult ge u moeten haasten," luidde
+het droevig bericht.
+
+"De oude man gaat van dag tot dag achteruit en heeft al verscheidene
+malen naar u gevraagd. Misschien heeft hij u nog wat te zeggen of te
+vragen...."
+
+Geen tien minuten later stond de bootsman al met den brief in de
+eene en de muts in de andere hand bij den kapitein in de kajuit.
+
+"Wat heb je, bootsman?" vroeg deze, van zijn schrijfwerk opziende.
+
+"Ik zou u wel om eenige dagen verlof willen vragen, kapitein,"
+antwoordde de bootsman. "Zooeven ontving ik dezen brief. Als de
+kapitein dien eens even wou inzien."
+
+Zonder den toegestoken brief evenwel aan te nemen, vroeg de kapitein
+weer: "Wat behelst de brief? Toch geen ziek volk, wil ik hopen?"
+
+"Ja, kapitein," hernam Piet bewogen. "Mijn grootvader is stervende,
+en naar 't schijnt wou de oude man, alvorens hij de groote reis gaat
+doen, mij nog eens zien."
+
+"Nu, maak dan maar gauw, dat je voort komt," sprak de kapitein
+daarop. "Je hebt onbepaald verlof. Goeie reis!"
+
+"Dank u, kapitein!" zei Piet. Maar terwijl hij zijn muts al heen en
+weer draaide, scheen hem nog iets op de tong te liggen; althans hij
+maakte nog geen haast om te vertrekken.
+
+"Had je nog iets, bootsman?" vroeg de kapitein nu op nieuw.
+
+"Ja, kapitein!" sprak Piet een weinig verlegen. "'k Zou u eigenlijk
+nog wel iets willen vragen."
+
+"En dat is?"
+
+"Ik zie dagelijks in de scheepsberichten uit naar de aankomst
+van het Amerikaansche fregat de Franklin. Dat schip moet vandaag of
+morgen te Hamburg binnenvallen, en nu ik heel naar Texel ga, zou me
+'t bericht daarvan gemakkelijk kunnen ontgaan."
+
+"En nu zou je dus willen....?"
+
+"Dat u eens voor me woudt uitkijken naar dien sinjeur, als het ten
+minste niet te veel moeite is, kapitein!" sprak Jan. En als vreesde
+hij, dat zijn verzoek eigenlijk wel wat misplaatst was, voegde hij
+er bij: "Ziet u, kapitein, 'k zou het ook wel aan een ander kunnen
+vragen; maar er is mij zooveel aan gelegen, dat ik het waarlijk
+niemand anders durf toevertrouwen."
+
+"Wel zoo, bootsman!" sprak de kapitein lachend, "dan sta ik zeker
+goed bij je aangeschreven. Nu, ik zal zorgen, dat ik je vertrouwen
+in mij niet beschaam. Zoodra ik het bericht lees, stuur ik je een
+telegram! Maar mag ik, zonder nieuwsgierig te zijn, nu ook vragen,
+wat het is, dat je zooveel belang in dat schip doet stellen?"
+
+"Zeker, kapitein!" antwoordde Jan, die deze vraag verwacht had.
+Daarom had hij dan ook al de couranten en aanteekeningen, welke hij
+had verzameld, bij zich gestoken. Terwijl hij deze nu uit den
+binnenzak van zijn pijjekker te voorschijn haalde, ging hij voort:
+"Gij herinnert u zeker nog wel, kapitein, dat we verleden jaar, bij
+het ongeluk met de Maasdam een kleinen passagier, benevens onze Ami,
+kwijtgeraakt zijn?"
+
+De kapitein knikte bevestigend.
+
+"Nu dan," vervolgde de bootsman, "'t wou er van den beginne af
+eigenlijk niet goed bij mij in, dat die twee werkelijk om zeep
+gegaan zijn. En nu meen ik de bewijzen te hebben, die mijn vermoeden
+wettigen. Zie slechts!" Hierbij toonde hij den kapitein de
+berichten in de nieuwsbladen, benevens de verschillende door hem
+gemaakte aanteekeningen. "Eén ding slechts begrijp ik niet," zei hij
+ten slotte, "hoe ze namelijk in die boot gekomen zijn, daar we alle
+sloepen meegenomen hebben."
+
+"Dat begrijp ik wel," sprak de kapitein, die met klimmende
+belangstelling des bootsmans mededeelingen had aangehoord. "De jol
+stond immers op den bak!"
+
+"Stommerik, die ik ben! dat ik daar niet aan gedacht heb," zei Jan,
+zich voor het hoofd slaande.
+
+"Hoor eens," sprak nu de kapitein, opstaande en hem de hand op den
+schouder leggende, "je bent integendeel een wakkere, flinke kerel!
+Ga nu maar gerust je grootvader opzoeken. Ik stel er een eer in niet
+alleen, maar acht me ook ten zeerste verplicht je zooveel mogelijk
+bij te staan. Zoodra de Franklin te Hamburg is gearriveerd, zal ik
+per telegraaf informatiën inwinnen, en is je vermoeden juist,
+waaraan ik intusschen niet twijfel, dan reis ik er zelf heen, om het
+kind en den hond af te halen. Als je dan terugkomt, stel ik ze je
+hier weer ter hand."
+
+"God geve het, kapitein:" sprak Piet aangedaan. "O, wat zou die
+ongelukkige moeder weer opleven, als ze haar jongen, dien ze dood
+waant, gezond en wel weer terugzag!.... Maar die papieren?"
+
+"Jongen ja, laat me die houden," zei de kapitein. "Ik mocht ze nog
+noodig hebben."
+
+Met een hartelijken groet liet hij nu den bootsman vertrekken, die
+zich daarop in der haast wat aankleedde en een en ander bij elkaar
+zocht.
+
+Een paar uren later zat hij dan ook al in den sneltrein van
+Rotterdam naar Amsterdam, en nog denzelfden avond stond hij
+voor de deur van grootvaders woning. Het laatste gedeelte der reis,
+van de hoofdplaats van Texel tot de Cocksdorp -- een afstand van
+ongeveer drie uren -- had hij geheel te voet moeten afleggen.
+Doodmoe lichtte hij de klink op. Als grootvader nu nog slechts
+leefde en hem herkende!.... Helaas! hoe hij zich ook gehaast had,
+hij kwam nogtans te laat. De zieke had een half uurtje te voren den
+laatsten adem uitgeblazen. Zacht en kalm had de oude man den geest
+gegeven, nog een laatsten groet voor zijn kleinkind achterlatende.
+
+Droevig staarde Piet Vlug den ontslapene aan. Hij was de oudste
+kleinzoon, en grootvader had van hem altijd zoo bijzonder veel
+gehouden, al waren er later ook meer kleinkinderen gekomen.
+
+Nu schoot hem niets anders over, dan den geliefden doode de laatste
+eer te bewijzen.
+
+Drie dagen later zien we hem dan ook te midden zijner familieleden
+het kleine dorpskerkhof betreden, achter de zwarte baar, waarop
+grootvaders lijk grafwaarts gedragen wordt.
+
+'t Was een sombere begrafenisdag. De lucht zag er al haast even
+treurig uit als de gezichten van hen, die om de groeve geschaard
+stonden, waarin de lijkkist werd neergelaten. Het zonnetje bleef den
+geheelen dag achter dichte, grauwe wolken verborgen, die met
+onheilspellende vaart door het luchtruim werden voortgejaagd. De
+wind begon al meer en meer op te steken en deed het zand der duinen
+dwarrelend omhoog stuiven. Menigeen richtte het oog bezorgd naar
+boven en vroeg zich af, waar dat op uitloopen zou. Veel goeds scheen
+het in allen gevalle niet te voorspellen. Het weerglas begon snel te
+dalen. Weldra stond het op storm en nog steeds ging het
+achteruit. Tegen den avond wees het zelfs orkaan aan. En 's
+nachts?... Daar begon het! Vreeselijk, wat raasde de wind! Wat
+huilde hij door de toppen der boomen, wat floot hij door reten en
+scheuren! De huizen schudden, schoorsteenen waggelden en vielen naar
+beneden, pannen werden van de daken geslingerd! De menschen waren
+zelfs bang in huis! En daarbuiten, aan het strand en op zee?
+Huizenhoog rezen de golven En met donderend geraas vielen zij
+schuimend en bruisend op de kust, als wilden ze het geheele eiland
+in hun gapenden muil verzwelgen! 't Was of de zee overeind stond!
+Golven van wit schuim stoven tot over de hoogste duintoppen en een
+regen van zout water viel daarbinnen op het land.
+
+"Arme zeelui!" zuchtte men in de huizen. "Wie weet, hoe velen op dit
+oogenblik in nood verkeeren!"
+
+"Ja, wie weet!" zuchtte ook Piet Vlug, die aan niets anders dacht,
+dan aan het schip, dat hij reeds weken en maanden in gedachten
+gevolgd had en dat nu ongetwijfeld hier of elders voor de kust moest
+zijn! "Als het nu eens juist..."
+
+Ontzettend, wat een hevige windstoot!.... Hij kon het in huis niet
+langer uithouden.
+
+"Ik moet er uit!" riep hij eensklaps, van zijn stoel opspringende.
+
+"Waar wil je heen?" vroeg zijn neef Klaas, de zoon van oom Hein, bij
+wien grootvader had ingewoond.
+
+"Naar 't strand!" antwoordde Piet kortaf.
+
+"Dan gaan we samen!" zei Klaas besloten.
+
+Elk in een oliepak gestoken, met den zuidwester vast op het hoofd
+gebonden en een stevigen knuppel in de hand tot steun, zoo verlieten
+zij een oogenblik later de woning.
+
+Verschrikkelijk! wat was het donker buiten. Zwarte nacht
+heerschte in het rond. Geen hand voor oogen kon men zien. En 't
+scheen wel, of de storm met elk oogenblik nog heviger werd. De wind
+stond vlak op de kust.
+
+Meer kruipend dan loopend gingen de twee neven voort. Aan spreken
+was geen denken. Elke vijf minuten moesten zij zich omkeeren, om
+adem te scheppen. Eindelijk toch bereikten zij het duin. Hier waren
+zij althans eenigszins beschut tegen den storm.
+
+"Dat 's een heele haal geweest, neef!" zei Klaas hijgend toen zij
+even uitrustten, alvorens het duin te beklimmen.
+
+"Nu, of het!" antwoordde Piet. "Waren we nu ook maar goed en wel aan
+den anderen kant!" En een oogenblik later vervolgde hij: "Zouden we
+'t nu maar eens probeeren?"
+
+"Eerst nog even uitblazen," sprak Klaas. "'k Ben nog geheel buiten
+adem."
+
+En terwijl zij daar aan den binnenvoet van het beschermende duin
+nieuwe krachten verzamelden voor den verderen tocht, woedde de storm
+daarbuiten met onverminderde kracht voort, bergen van wit schuim
+over hun hoofden heen slingerend.
+
+'t Was inderdaad een vreeselijke nacht. 't Geweld der brekende
+golven, vermengd met het dof gedreun en gerommel der kokende
+branding in de "Gronden" en het bulderen van den orkaan, vormden
+samen een orkest, zooals alleen de natuur kan scheppen, als de
+elementen het verstoorde evenwicht in den dampkring zoeken te
+herstellen.
+
+"Komaan, laten we 't nu maar eens beproeven," zei Klaas eindelijk,
+en daarop stapten zij het duin in. Al op- en afklimmende bereikten
+zij ten laatste de buitenste duinenrij. Aan den anderen kant
+daarvan beukte de zee. 't Was of de zandmassa onder 't gewicht der
+slagen trilde. Toch waagden zij het, ook dit laatste bolwerk te
+beklimmen, om daarna, plat op den grond liggende, en met het hoofd
+vooruitgestoken over de golven te staren.
+
+"Als er nu eens een schip in nood verkeerde, Klaas!" zei Piet Vlug.
+
+"Dat verhoede God!" antwoordde de toegesprokene, "want aan redding
+is op 't oogenblik geen denken. Als er met dit weer een schip in 'de
+Gronden' verzeilt, is het binnen een kwartier tot splinters
+geslagen."
+
+"Hoor! wat is dat?!" sprak Piet op eens weer, na een oogenblik
+zwijgens. Beiden hielden den adem in. Maar zij vernamen niets dan
+het loeien van den wind en het geraas der golven.
+
+Ja, toch, daar was het weer!....
+
+"Hoor je het nu, Klaas?" vroeg Piet.
+
+Een langgerekt gehuil, dat boven wind en golven uitklonk, drong hem
+in de ooren.
+
+"Dat is hier dichtbij," zei Klaas, en zonder verder een woord te
+wisselen, kropen beiden zij aan zij op handen en voeten langs de
+duinhelling naar beneden.
+
+Nogmaals hetzelfde gehuil, maar nu veel dichter bij dan een
+oogenblik te voren.
+
+"'t Is een hond, die tegen het duin tracht op te klauteren,"
+schreeuwde Klaas aan het oor van den bootsman, en een luid geblaf in
+de diepte bewees, dat hij zich niet vergist had en tevens dat zij
+door het dier waren opgemerkt.
+
+"Groote God! Als 't Ami eens was," dacht Piet Vlug, en zonder te
+bedenken, aan welk gevaar hij zich blootstelde, liet hij zich op
+eens naar omlaag glijden.
+
+"Ami! Ami!" schreeuwde hij met beide handen aan den mond, toen hij
+beneden was; maar meteen werd hij door een met groots kracht en
+snelheid bij het strand oploopende golf aangegrepen en
+omvergeworpen.
+
+Op het punt om door het afloopende water in de diepte mee gesleurd
+te worden, voelde hij zich echter plotseling stevig beetgepakt en
+tegengehouden.
+
+De hond had hem van een wissen dood gered.
+
+Vlug sprong Piet overeind en betastte zijn harigen redder, die,
+druipnat als hij was, tegen den bootsman opsprong en zijn handen en
+gelaat besnuffelde.
+
+"O Hemel! hij is het!" riep Piet Vlug uit.
+
+Een schier menschelijke kreet was het antwoord van den hond. Beiden
+hadden elkaar herkend.
+
+"De Franklin gestrand!.... Met man en muis vergaan wellicht!... En
+de kleine jongen!?".... Bliksemsnel doorkruisten al deze gedachten
+het hoofd van den bootsman. Veel tijd om na te denken over 't geen
+er gebeurd moest zijn, had hij evenwel niet.
+
+"Maak, dat je hier komt!" schreeuwde Klaas zoo luid mogelijk, want
+een ontzettende golf, wier dof gebrom met elk oogenblik sterker
+werd, kwam met alles omverwerpend en vernielend geweld op de kust
+aanrollen. Op lijfsbehoud bedacht, klauterde Piet Vlug dan ook, zoo
+spoedig hij kon, weer bij het duin op.
+
+De hond ging hem vooruit.
+
+Plotseling evenwel bleef het dier achter een eenigszins
+vooruitstekende zandrug staan en begon op nieuw hevig te blaffen.
+
+"Ja, ik kom bij je, ouwe jongen!" riep de bootsman, wien een
+voorgevoel nieuwe kracht gaf, hoezeer de storm hem ook bijna tegen
+'t duin aandrukte.
+
+
+[Illustratie: Zijn hand gleed over iets nats, dat op den grond lag
+uitgestrekt.]
+
+
+"Ben je daar?" riep nu ook Klaas, toesnellende. De bootsman evenwel
+antwoordde niet, maar tastte gejaagd om zich heen in de nabijheid
+van het blaffende dier.
+
+Ha! daar vond hij wat. Zijn hand gleed over iets nats, dat op den
+grond lag uitgestrekt. Daar voelde hij.... de hand en het gelaat van
+een kind!.... IJskoud.... Dood?!.... Geen teeken van leven althans
+was meer te bespeuren.
+
+"Heb ik je dan daarvoor zoo lang nagegaan, om hier slechts je lijkje
+te vinden?" zuchtte de bootsman. "Arme jongen! Arme, arme moeder!"
+
+"Maar misschien is het slechts bewusteloosheid en kunnen de
+levensgeesten van het kind nog weer worden opgewekt," zei Klaas, die
+intusschen ook naderbij was gekomen. "Doch dan moet er gehandeld
+worden en spoedig ook."
+
+Dat begreep ook de bootsman. Vlug pakte hij derhalve het knaapje op
+en snelde er mee voort, het eene duin op, het andere af. 't Was of
+de storm hem vleugels gaf, zoo haastte hij zich, om met zijn last
+onder dak te komen.
+
+Aan den binnenkant van het duin stond een kleine hut. Daarheen
+richtte het tweetal zijn schreden, op den voet gevolgd door den
+hond, die luide zijn blijdschap te kennen gaf.
+
+Het noodweer had ook de bewoners der hut van het bed gehouden,
+zoodat Piet en Klaas een open deur en behulpzame handen vonden. Het
+kind werd nu op de tafel uitgestrekt en uitgekleed, waarop men alles
+in het werk stelde, om het leven, zoo het nog niet geheel geweken
+was, weer op te wekken. De bootsman kende dat werk. Meer dan eens
+was hij er getuige van geweest, hoe door kunstmatige
+ademhalingsverrichtingen, alsmede door wrijven en borstelen een
+drenkeling weer tot het leven teruggebracht werd. De hond zat
+het werk bedaard aan te kijken en liet alles geduldig toe. Doch hoe
+Piet Vlug zich ook inspande, al zijn moeite scheen tevergeefs. Reeds
+had hij de hoop opgegeven, hoewel hij nog steeds voortging de
+armpjes van het knaapje op en neer te bewegen.
+
+Maar daar op eens.... Vergiste hij zich niet?.... Was dat geen
+zucht, dien hij hoorde?.... Ademloos legde hij het oor tegen het
+ontbloote borstje en.... Ja, daar begon het van binnen weer te
+kloppen, daar stroomde het bloed op nieuw door de aderen!
+
+"Hij leeft! hij leeft!" juichte de bootsman, alsof hij zijn eigen
+kind uit den dood had weergekregen!
+
+Nu ontspanden zich ook de strakke gelaatstrekken van den kleine; de
+ademhaling werd al dieper, en eindelijk, daar openden zich de oogen,
+eventjes, heel eventjes maar, doch lang genoeg voor Piet Vlug, om
+hem ook het laatste greintje twijfel, of hij werkelijk het zoontje
+van zijn vrienden voor zich had, te ontnemen.
+
+"Zie zoo, nu onder de dekens met hem, als 't kan!" zei hij
+eindelijk. En toen Willem nu goed en wel in het bed, dat hem
+bereidwillig was afgestaan, onder de wol lag en zijn rustige
+ademhaling bewees, dat hij een verkwikkenden slaap genoot, kon de
+bootsman niet nalaten zijn vol gemoed door eenige mededeelingen
+omtrent het gebeurde uit te storten.
+
+"Zoo is er dus altijd nog een geluk bij een ongeluk," zei hij ten
+slotte. "Was grootvader niet gestorven, dan was ik niet hier
+geweest, en het ventje zou, na overal de wereld rondgezworven te
+hebben, hier in de nabijheid van zijn geboorteplaats waarschijnlijk
+den dood gevonden hebben in het duin!"
+
+Terwijl hij dit zeide, sloop Ami voorzichtig naar de bedstede en
+ging op de achterpooten staan, om naar den slapende te kijken.
+
+De bootsman volgde hem.
+
+Juist sloeg het kind de oogen op en blikte in het gelaat van den
+zeeman.
+
+"Ken je me nog, mijn jongen?" vroeg hij zacht.
+
+Plotseling verhelderde een gelukkige glimlach het bleeke
+kindergelaat. "Oom Piet! Oom Piet!" kreet de kleine, en meteen
+strekte hij als vroeger de beide handjes naar hem uit.
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
++Bij vader en moeder terug.+
+
+
+Toen het weerglas zoo snel daalde en kapitein Smartt voorzag, dat er
+slecht weer in aantocht was, dacht hij het Gat van Texel binnen te
+loopen en te Nieuwediep gunstiger gelegenheid af te wachten om de
+reis voort te zetten. De storm overviel hem echter met zulk een
+snelheid, dat hij weldra genoodzaakt was, weer van de kust af te
+houden, wilde hij zijn vaartuig niet op de gevaarlijke Haaksgronden
+zien verbrijzelen.
+
+Met elk oogenblik werd de storm heviger, en het duurde niet lang, of
+hij was tot een vliegenden orkaan aangegroeid. Eenmaal op de kust,
+was het de Franklin niet meer mogelijk in volle zee terug te komen.
+Wel ging het aanvankelijk nog om den Noord, doch tevens werd het
+schip meer en meer naar de kust heengetrokken. De zeilen scheurden
+tot flarden, en tot overmaat van ramp begon ook het roer zijn dienst
+te weigeren. Nu was het lot van het schoone vaartuig spoedig
+beslist.
+
+Geheel prijsgegeven aan de woede van wind en golven, liep het
+ontredderde schip met ontzettende snelheid regelrecht op de kust aan
+en werd een oogenblik later in de kokende branding geworpen. Een
+geweldige stoot volgde -- de masten kraakten en vielen over boord,
+en de matrozen, die in het want gevlucht waren, vonden hun dood in
+de golven! Een nieuwe waterberg, die het schip nogmaals opnam en met
+zich omhoog voerde, om het eenige honderden meters verder op nieuw
+in de branding te slingeren, voltooide het vernielingswerk.
+
+De verschansing sloeg weg en allen, die zich nog dan boord bevonden,
+ook de kapitein en zijn vrouw, benevens de kleine Willem en Ami, de
+hond, werden van het dek weggeveegd.
+
+Eén hartverscheurende kreet, en alles was gedaan! De zee is een
+steeds geopend graf, een doodenakker met talrijker bevolking dan het
+grootste kerkhof!
+
+Willem uitgezonderd, ontkwam dan ook niemand aan haar doodelijke
+omarming. En ook deze had het behoud van zijn leven slechts aan zijn
+trouwen en altijd wakkeren kameraad te danken.
+
+Door dezelfde golf op het strand geworpen, waar echter niemand
+aanwezig was om den kleinen drenkeling te redden, had Ami hem met
+inspanning van alle krachten zoover bij het duin weten op te
+sleepen, dat de zee zich althans deze prooi ontnomen zag. Maar
+niettemin zou het arme kind, dat den dood reeds nabij was, stellig
+omgekomen zijn, als het niet nog juist te rechter tijd door den
+bootsman en zijn neef Klaas gevonden en opgenomen was. Den geheelen
+nacht was de eerste verder in de hut gebleven, en 's morgens droeg
+hij Willem, na hem, bezorgd als hij was, goed ingepakt te
+hebben, op zijn armen naar het dorp, waar men, inmiddels door Klaas
+ingelicht, den wonderdadig geredden schipbreukeling met open armen
+ontving en opnam.
+
+Het bericht van de schipbreuk had de dorpsbewoners intusschen reeds
+vroeg op de been gebracht, en ieder spoedde zich nu naar het strand
+om te zien, of er nog iets te helpen of te redden viel.
+
+Helaas! er bleef niets te helpen of te redden over. De storm had
+zijn werk niet ten halve gedaan!
+
+Welk een verwoesting had hij in enkele uren tijds aangericht! 't
+Geheele strand lag met de overblijfselen van schip en lading als
+bezaaid. Hier en elders vond men ook het lijk van een ongelukkigen
+zeeman, en daar ginder, tusschen den Grooten en Kleinen Slufter
+(twee diepe geulen in het strand, die tot den duinvoet doorloopen)
+vertoonde zich het wrak van het gestrande vaartuig. Straks -- als de
+eb was ingevallen -- zou men het misschien te voet kunnen bereiken
+en er droogvoets om heen kunnen loopen. Nu echter stond er nog
+eenige voeten water omheen, en verscheidene visschersschuitjes lagen
+het reeds op zij, om van de lading nog zooveel mogelijk te redden en
+daarmee een eerlijk bergloon te verdienen.
+
+Ook de scheepspapieren, waaruit de naam van schip en gezagvoerder,
+alsmede de plaats van herkomst en bestemming kon blijken, werden uit
+het wrak gehaald en aan wal gebracht. Onder die papieren bevond zich
+o. a. ook de indertijd door kapitein Smartt opgemaakte en door de
+geheele equipage der Franklin onderteekende verklaring omtrent het
+op de Amerikaansche kust opgevischte tweetal, welke verklaring den
+bootsman zeer te stade kwam, om de afkomst der nu op nieuw
+geredden voldingend te bewijzen.
+
+Overigens was ons Willempje er zelf om daaromtrent te overtuigen.
+Door het hem bijgebleven gezicht van oom Piet toch leefden ook zijn
+sluimerende herinneringen omtrent moetje en vader weer op, en toen
+het nu onafscheidelijke drietal eenmaal de straat opkwam en de
+voormalige woning van Jan Vroolijk passeerde, liet de kleine op eens
+de hand van oom Piet los en holde onder den uitroep: "Moetje toe!
+Moetje toe!" de openstaande deur binnen.
+
+Moetje was er echter niet! Wel had de familie enkele dagen te voren
+nog een brief van haar ontvangen, waarin de arme vrouw -- hoe goed
+ze 't overigens ook had in de Nieuwe Wereld, -- op hartroerende
+wijze over haar verloren lieveling klaagde.
+
+"Kom maar, mijn jongen!" had de bootsman toen met een kwalijk
+weerhouden traan gezegd, "je gaat spoedig met oom Piet naar je
+moetje toe, hoor! We zullen haar eens foppen, hé?"
+
+Foppen, verrassen, heerlijk verrassen! Ja, dat wilde hij de nog
+immer treurende ouders.
+
+Daarom had hij met de familie afgesproken, om alles aan hem over te
+laten.
+
+"Men sterft wel niet van blijdschap," zei hij, "maar het is toch
+goed, ze een weinig op hun onverwacht geluk voor te bereiden. Ik heb
+al een plannetje bedacht." En het genot, dat hij zich van de
+verwezenlijking daarvan voorstelde, maakte, dat hij zich van
+genoegen in de handen wreef. "Maar," liet hij er ernstig op volgen,
+"laten we ons maar niet te spoedig verheugen. Een ongeluk ligt
+soms in zoo'n klein hoekje. En tusschen hier en daar ginds is de
+afstand nog zoo groot! 'k Zal blij zijn, als we eerst den overkant
+alvast maar te pakken hebben; want op zee is geen heil voor den
+jongen, al heeft hij er ook tot nog toe het leven afgebracht!"
+
+Een week later bracht hetzelfde rijtuigje, dat nu ongeveer een jaar
+geleden Jan Vroolijk, met vrouw en kind naar de havenplaats van het
+eiland had gereden, den kleinen Willem op nieuw daarheen, nu echter
+van twee andere begeleiders vergezeld.
+
+"Zal je vooral goed op hem passen, Piet?" riepen twee, drie stemmen
+tegelijk, die het ventje slechts met hartzeer weer zagen vertrekken.
+
+"Daar zal niets aan mankeeren, hoor!" antwoordde de bootsman; "reken
+daar gerust op!"
+
+En van het achterbankje, waarop Ami naast Willem had plaats genomen,
+om zich -- misschien voor de eerste maal in zijn leven -- ook eens
+gemakkelijk te laten rijden, klonk het: "Waf! Waf!" alsof het
+wakkere dier zeggen wilde: "Anders ben ik er ook nog!"
+
+"Nu, vaarwel dan!".... "Dag Willem!".... "Dag beste jongen!"....
+klonk het verward dooreen, en.... voort rolde het rijtuig, tot groot
+vermaak van het kleine ventje, dat nog evenveel schik in het rijden
+had als een jaar te voren.
+
+Aan boord van de nieuwe Maasdam, die door de Maatschappij ter
+vervanging van het verongelukte stoomschip in de vaart was gebracht
+en gereed lag om over een paar dagen haar eerste reis te doen, werd
+het drietal met een luid "hoezee" verwelkomd. Iedereen schudde den
+wakkeren, braven bootsman even hartelijk de hand; niet het
+minst de kapitein, die hem bovendien zijn bijzondere tevredenheid te
+kennen gaf. Piet Vlug had zich namelijk gehaast, om direct na de
+schipbreuk der Franklin zijn kapitein per telegram een korte en
+daags daarna per brief een uitvoerige mededeeling van het gebeurde
+te doen.
+
+"En zou je den kleinen zwerveling nu maar niet bij mij achteruit
+brengen, bootsman!" vroeg de kapitein. "Hij mocht anders nog eens
+weer zoek raken!"
+
+"Als de kapitein 't mij toestaan wou, zou ik toch maar liever zelf
+op hem passen," antwoordde Piet beleefd. "'k Ben wel niet voor
+kindermeid in de wieg gelegd, maar Ami zal me wel een handje
+helpen."
+
+Nu, de kapitein had er niets tegen, en een beter oppasser dan Ami
+was bezwaarlijk te vinden. Het trouwe dier was nu weer recht op zijn
+gemak en speelde en stoeide met Willem, dat het een aard had. Soms
+zetten de matrozen den krullebol zelfs op zijn rug en lieten hem zoo
+langs het dek rondrijden. Dan zong de kleine ruiter:
+
+
+ "Hop, hop! Tra-ra! Hop, hop! Tra-ra!
+ "Wij rijden naar Amerika,"
+
+
+tot groot vermaak van de passagiers, die zijn geschiedenis al
+spoedig te weten waren gekomen en hem tengevolge daarvan allen even
+hartelijk gezind waren. De eerste reis van het nieuwe stoomschip was
+al bijzonder voorspoedig. Van mist of nevel, die de oude Maasdam zoo
+noodlottig waren geweest, was ditmaal volstrekt geen sprake. Zonnige
+dagen en heldere, vriendelijke nachten wisselden elkander af.
+Daarbij was de zee zoo kalm en rustig en speelden de golfjes zoo
+vroolijk om den boeg van het schoone vaartuig, dat zelfs de
+vreesachtigste voor zijn plezier zulk een tochtje naar de Nieuwe
+Wereld zou hebben gemaakt.
+
+'s Avonds vóór den verwachten dag van aankomst vertoonde zich dan
+ook reeds het reusachtige vrijheidsbeeld aan den ingang van de haven
+van New-York, dat met zijn schitterend electrisch licht den
+landverhuizers als 't ware het welkom na volbrachte reize toeriep.
+Nog één nacht -- en de bevolking van Amerika telde weer een
+vijfhonderdtal zielen meer.
+
+Veel geluk, gij allen, die in een nieuw vaderland hoopt te vinden,
+wat het oude u niet meer of slechts in onvoldoende mate kon
+aanbieden, -- werk en brood! Dat gij al uw wenschen en verwachtingen
+moogt bevredigd zien!
+
+Ginds dampt al het stoompaard, dat gereed staat de emigranten naar
+de plaats hunner bestemming heen te voeren; want slechts weinigen
+blijven in New-York, de meesten gaan landwaarts naar het Westen,
+honderden uren ver!
+
+Wie komen daar nog op het laatste oogenblik aansnellen, om een
+plaatsje in den trein te nemen?
+
+Een luid geblaf, dat over het perron weerklinkt, zegt het ons reeds.
+Piet Vlug staat gereed, om zich van het laatste gedeelte der op zich
+opgenomen taak te kwijten en den kleinen zwerveling, dien hij op den
+arm draagt, in den kring der zijnen terug te voeren.
+
+Reeds te Cocksdorp had hij een plannetje bedacht; nu komt het er nog
+slechts op aan, dit naar behooren ten uitvoer te brengen.
+
+Daartoe had hij zich eerst naar het telegraafbureau begeven en daar
+aan oom Willem -- of liever aan den heer Willem Vroolijk te Holland
+in den Staat Michigan -- het volgende telegram verzonden:
+
+
+ "Vertrek heden met trein 8 uur van New-York naar
+ Holland. Kom mij bij aankomst aldaar afhalen. Kom
+ vooral alleen. Zeg niemand iets. Breng blijde tijding
+ mee." P. VLUG.
+
+
+"Hier, bootsman! hier is nog ruimte," hoort hij zich toeroepen uit
+een waggon, waarin verscheidene landgenooten hebben plaats genomen.
+Hulpvaardige handen worden uitgestoken en nemen het kind van hem
+over. Ami wipt er achteraan, en ten slotte stapt ook Piet Vlug in,
+waarop het portier wordt dichtgeslagen.
+
+Nog een oogenblik en de trein vertrekt!....
+
+"Een telegram uit New-York!.... Van wien mag dat zijn?" zegt oom
+Willem met verklaarbare nieuwsgierigheid, terwijl hij zijn bril op
+den neus zet en daarna het couvert haastig verbreekt.... En nu leest
+hij -- hardop, zooals hij steeds gewoon is -- wat Piet Vlug hem
+tegelijk met zijn vertrek heeft overgeseind. Gelukkig dus, dat zich
+niemand in het vertrek bevond; anders zou hij het geheim van den
+inhoud stellig verraden hebben.
+
+"Kom vooral alleen.... Zeg niemand iets.... Breng blijde tijding
+mee!" herhaalt hij nog eens, met het papier in de hand het vertrek
+op en neer loopende.... "Dat is me zoowaar een raadsel, naar welks
+oplossing ik dol nieuwsgierig ben!"
+
+"Blijde tijding!".... "Nu, die mogen we hier wel eens hebben; want
+wat er van die arme Kee nog terecht moet komen, weet de Hemel!"
+
+Juist werd de deur geopend en zij, over wie oom Willem zich zoo
+bezorgd maakte, trad de kamer binnen.
+
+Haastig verstopte de goede man nu het telegram en zich daarop
+tot haar wendende en haar betraande oogen ziende, zei hij zachtjes:
+"Al weer gehuild, mijn kind? Kom, verzet je toch eens, en wees niet
+altijd zoo bedroefd!"
+
+"Och, oom!" antwoordde de arme vrouw, die er nog altijd bleek en
+lijdend uitzag, "herinnert ge u niet, dat het morgen net een jaar
+geleden is met onzen lieveling?"
+
+"'t Is waar ook," zuchtte oom Willem deelnemend; maar tevens dacht
+hij aan de "blijde tijding", welke Piet Vlug kwam brengen, en
+nogmaals vroeg hij zich af, wat dat toch wel zijn kon. Als hij
+eens....
+
+'t Was, of de gedachte hem zoo in eens werd ingegeven. "God, als dat
+eens mogelijk was!.... Juist een jaar geleden!.... Maar hoe kom ik
+er aan?" ging hij een oogenblik later voort, "de dooden worden
+immers niet weer levend!"
+
+Oom Willem was den geheelen dag zeer onrustig, en 's nachts kon hij
+zoowaar geen oog toedoen! Hij legde zich van de eene zij op de
+andere, doch kon den slaap maar niet vatten.
+
+"Wat scheelt je toch, beste man!" vroeg zijn vrouw gedurig; maar
+ofschoon 't geheim van het telegram hem op de lippen brandde, toch
+hield hij zich goed, en toen hij zich den volgenden morgen naar 't
+station begaf, had niemand van de huisgenooten ook maar het minste
+vermoeden van 't geen er bij hem omging.
+
+Jan Vroolijk ging dien dag niet naar de fabriek. Ook hem was de
+herinnering aan 't geen vandaag voor een jaar gebeurd was, te
+machtig. In elkanders bijzijn herdachten de wreed getroffen ouders
+hun lieveling, en met heete tranen beweenden zij zijn droef verlies.
+
+Oom Willem stond intusschen reeds langer dan een uur op het
+perron van het station, om de aankomst van den trein af te wachten.
+Vreeselijk, wat duurde dat lang! Was hij dan zoo vroeg, of was de
+trein zoo laat?....
+
+Al wel tienmaal had hij zijn horloge voor den dag gehaald, dan het
+telegram weer ingezien, en vervolgens zijn spoorbiljet nog eens
+geraadpleegd. Wachten is altijd onplezierig, en de goede man, die
+zich hoe langer hoe meer opwond, gevoelde al het onaangename er van.
+Had hij slechts even de stationsklok geraadpleegd, dan zou hij
+gezien hebben, dat alleen zijn horloge, dat bijna een uur vóórliep,
+hem zulke leelijke parten speelde.
+
+Precies op de minuut af stoomde de trein het station binnen. De
+portieren werden geopend, de reizigers stapten uit, en voor oom
+Willem nog den tijd gehad had, om te midden van al het gedrang den
+man te herkennen, naar wien hij met zooveel ongeduld zocht, stond
+deze reeds in levenden lijve voor hem met Willem en Ami naast zich.
+"Ziezoo, daar ben ik!" zei hij opgeruimd, terwijl hij den verbaasden
+man hartelijk de hand drukte. "En wie denk je nu wel, dat ik hier
+meebreng?"
+
+Oom Willem behoefde niet lang te raden. Wel had hij de gedachte, die
+zijn medelijdend hart hem gisteren had ingegeven, dadelijk als
+onzinnig weer verworpen; doch niettemin was ze telkens en telkens
+weer teruggekeerd. Ze had hem gedurende den nacht den slaap benomen
+en 's morgens reeds een paar uur voor de aankomst van den trein naar
+het station gedreven.
+
+En nu?.... De gelaatstrekken van den kleine, die de vriendelijke
+blauwe kijkers naar hem opsloeg, waren te sprekend die zijns vaders,
+dan dat twijfel mogelijk zou geweest zijn.
+
+"Wel man, je komt, of je van onzen Lieven Heer gestuurd bent," sprak
+de oude man, tot schreiens toe aangedaan. "We zitten hier zoo in de
+treurigheid. Die goeie Kee heeft het er nog altijd te kwaad mee....
+Ze doet niet anders dan huilen.... 't Is immers vandaag net een
+jaar?.... Maar nu is alle leed gelukkig ten einde!"
+
+En terwijl hij het knaapje van den grond beurde en innig geroerd een
+kus op het voorhoofd drukte, vroeg hij: "Wat voor wonder is er toch
+met jou gebeurd, kleine krullebol?"
+
+"Dat vertel ik je zoo meteen wel," zei Piet Vlug. "'t Komt er nu
+slechts op aan, dat we met een beetje behoedzaamheid te werk gaan en
+niet te plotseling met de deur in huis komen vallen."
+
+"Als ik dan alvast maar vooruitging en ze een weinig op je komst
+voorbereidde?" stelde oom Willem voor.
+
+Maar dat lag niet in het plan, dat onze bootsman opgemaakt en tot nu
+toe gevolgd had.
+
+"O, laat dat maar aan mij over! Ik zal dat zaakje wel naar behooren
+opknappen," zei hij met zekere geheimzinnigheid.
+
+Middelerwijl hadden ze het perron verlaten, en daar de afstand naar
+oom Willems woning voor den kleinen naamgenoot wel wat ver was, om
+dien wandelend af te leggen, stapten zij in een der gereedstaande
+rijtuigen.
+
+"Moet die hond ook mee?" vroeg oom Willem niet weinig ontsteld, toen
+het groote dier, dat tot nu toe minder zijn opmerkzaamheid getrokken
+had, mee in het rijtuig sprong. "Wel wis en zeker! Die hoort bij
+ons," antwoordde Piet Vlug, het goede dier lachend op den
+schranderen kop tikkend. "Wat zeg jij, Ami? Zonder jou zouden
+we waarlijk niet hier zitten, hé?"
+
+Daarop vertelde hij oom Willem in korte woorden de gansche
+geschiedenis van het tweetal. De man kon zijn ooren nauwelijks
+gelooven bij 't geen hij hoorde, en gedurig sloeg hij de handen vol
+verbazing in elkander.
+
+"Nu, mijn jongen!" zei hij eindelijk met vochtige oogen, "onze Lieve
+Heer heeft je wel wonderlijk gespaard, dat moet ik zeggen!..... Wat
+zal dat een verandering geven, als we zoo aanstonds thuis komen,
+Piet! Ik zie er zoowaar tegen op!"
+
+"Zijn we er haast?" vroeg Piet Vlug.
+
+"Met een paar minuten," antwoordde oom Willem.
+
+"Zie, daar tusschen die boomen ligt ons huisje! Hoe zullen we het nu
+aanleggen?"
+
+"Dat zal ik je zeggen," hernam Piet Vlug. "Ik stap er hier uit en
+neem Ami mee, terwijl gij een oogenblik met den kleine achterblijft.
+Het terugzien van den hond, dien zij zeker zullen herkennen, zal hen
+ongetwijfeld op het denkbeeld brengen, dat ook hun kind...."
+
+"Uitmuntend! uitmuntend!" viel oom Willem hem in de rede. "Dat is
+kostelijk overlegd! Beter kon het niet!"
+
+"Komaan, Ami! Uitgestapt dan maar!" zei de bootsman. "Nu zal het er
+op aan komen, jongen!"
+
+Ami sprong blaffend op den weg, door Piet Vlug gevolgd, terwijl oom
+Willem met het knaapje in het rijtuig bleef zitten, dat langzaam
+achter de wandelaars aanreed.
+
+"Waar mijn man toch den geheelen morgen zitten mag," pruttelde tante
+Betje zoo wat binnensmonds, toen plotseling de deur geopend werd
+en... onze bootsman voor haar stond.
+
+"Wel heere mijn tijd! Daar heb je zoowaar Piet Vlug!" riep ze nu,
+van verwondering de handen in elkaar slaande.
+
+"In eigen persoon, moedertje!" lachte de bootsman, terwijl hij haar
+de beide handen toestak. "Hoe gaat het je? En hoe is het met de
+familie?"
+
+"Och, niet al te best," zuchtte tante. "Onze jongelui zijn den slag
+nog niet te boven, en vooral vandaag..."
+
+"Ja, ja, dat begrijp ik," viel Piet Vlug haar in de rede. "Daarom
+ben ik juist eens over komen waaien. Dat geeft misschien eens wat
+afleiding. Maar waar zitten de lui? Geen mensch thuis misschien?"
+
+"Toch wel," sprak tante, naar de deur van het aangrenzende vertrek
+wijzend. "Ze hebben zich daar met hun beidjes teruggetrokken."
+
+"Zoo, zoo!.... Is het er zoo mee gesteld," zei de bootsman daarop.
+"Kom, Ami! ga jij ze dan eens een beetje troosten, mijn jongen! Dat
+komt jou toe!"
+
+En nu haalde hij een papier uit den zak, dat hij den hond in den bek
+gaf, waarop hij het gewillige dier, dat het gewicht zijner zending
+scheen te begrijpen, zachtjes de aangewezen kamer wist binnen te
+smokkelen.
+
+Tante Betje begreep er niets van. "Wat geeft dat allemaal?" riep ze,
+ver van gerust over het groote, vreemde dier, dat Piet Vlug haar
+woning had binnengeleid. Maar deze suste haar en zei lachend: "Stel
+je maar gerust, hoor! 't Zal alles wel goed afloopen. Luister maar
+eens!...."
+
+De deur stond op een kier, zoodat zij alles, wat daarbinnen
+gebeurde, konden hooren en zien.
+
+Jan Vroolijk en zijn vrouw zaten aan de tafel. Voor hen stond een
+kinderportret, dat zij met vochtige oogen beschouwden. 't Was de
+beeltenis van hun lieveling!
+
+
+[Illustratie: Hij legde het papier dat hij in den bek hield op
+Keetjes schoot.]
+
+
+"O God, Jan!" riep Keetje op eens uit. "Zie eens! Daar heb je....!"
+
+"Mijn Hemel! dat lijkt.... dat is.... Maar dat kan immers niet?"
+sprak de ontroerde man.
+
+"Waf! Waf!" blafte de hond en meteen sprong hij kwispelstaartend
+tegen zijn oude vrienden op en legde het papier, dat hij in den bek
+hield, op Keetjes schoot.
+
+"Lees! lees!" kreet zij met luid kloppend hart.
+
+Daar stond Jan met de verklaring van kapitein Smartt in de handen.
+Het blad trilde hem tusschen zijn bevende vingers.... Hij kon den
+inhoud nog slechts moeielijk ontcijferen. Eindelijk echter.... daar
+was hij er!.... Zijn gelaat straalde van blijdschap.
+
+"Hij leeft!.... Hij leeft!" borst Keetje uit, die haar blikken in
+ademlooze spanning op hem gevestigd hield. "O, mijn kind!.... Mijn
+lieveling!...."
+
+"Nu is het mijn tijd," zei Piet Vlug, het vertrek binnentredend....
+
+Juist hield het rijtuig voor de deur stil.
+
+"Welnu, vrienden, heeft Ami de boodschap goed overgebracht?" vroeg
+hij, zoo kalm mogelijk.
+
+Beiden tegelijk vlogen ze op den bootsman toe.
+
+"Piet!.... Beste Piet!.... Waar is hij?.... Heb je hem niet
+meegebracht?".... klonk het verward dooreen, terwijl elk een zijner
+handen vasthield.
+
+"Ja, ja, houdt je maar bedaard!" sprak Piet Vlug aangedaan. "Waar de
+redder is" -- en hij wees op Ami -- "zal de geredde ook wel niet ver
+af zijn."
+
+"Daar is hij al! Daar is hij al!" riep tante Betje, die nu eerst
+recht begreep, wat er aan de hand was. Oom Willem had namelijk op
+een teeken van den bootsman de deur geopend en stond nu, met
+den kleine aan de hand, op den drempel.
+
+Een kreet van verrassing ontsnapte de gelukkige moeder. Snikkend van
+vreugde breidde zij de armen naar haren lieveling uit, die haar
+onder den uitroep: "Moetje! Moetje!! Daar is mijn moetje!" om den
+hals viel.
+
+Naast hen knielde de niet minder gelukkige vader, die moeder en kind
+beiden met zijn stevige armen omvatte en aan het kloppend hart
+drukte. En daaromheen stonden Piet Vlug met Ami en oom Willem met
+tante Betje het heerlijke tooneel met tranen in de oogen gade te
+slaan. De kleine zwerveling was eindelijk in behouden haven
+aangeland....
+
+Drie dagen bleef Piet Vlug de gast van zijn gelukkige vrienden. Wat
+had hij hen veel te vertellen! En met hoeveel schrik en ontzetting
+luisterden zij naar het verhaal van de gevaren, waaraan hun
+lieveling had blootgestaan. Moeder drukte hem nog vaster tegen zich
+aan, als vreesde zij, dat ze hem nogmaals verliezen zou!
+
+En Ami?.... Toen de bootsman na een allerhartelijkst afscheid weer
+naar boord terugkeerde, vervuld van blijdschap over het geluk, dat
+hij zijn vrienden mocht bereiden, bleef Ami stilletjes waar hij was.
+Waar Willem zich bevond, was voortaan ook zijn tehuis, en van alle
+zijden gestreeld en geliefkoosd, had hij er een leven als een prins.
+
+Op het Engelsche kerkhof te Eierland werden omstreeks denzelfden
+tijd twee drenkelingen aan den schoot der aarde toevertrouwd! Het
+waren Kapitein Smartt en zijn vrouw, wier lijken hier naast elkander
+in één graf werden bijgezet.
+
+
+
+
+ INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+ HOOFDSTUK
+ " I. EEN GEWICHTIG BESLUIT . . . . 5
+ " II. DE LANDVERHUIZERS . . . . . . 18
+ " III. OP DEN OCEAAN . . . . . . . . 31
+ " IV. GESCHEIDEN . . . . . . . . . 46
+ " V. HET GEVONDEN SPOOR . . . . . 58
+ " VI. EEN GELUK BIJ EEN ONGELUK . . 69
+ " VII. BIJ VADER EN MOEDER TERUG . . 84
+
+
+
+
+[Transcriber's Notes:
+
+ De platte tekst versie van dit ebook gebruikt underscores
+ voor cursieve tekst en plus-tekens voor vetgedrukte tekst.
+
+ Voor het gemak van de lezer is in de HTML-versie de
+ inhoudsopgave voorin het boek gezet en is een lijst van
+ illustraties toegevoegd (direct ná de inhoudsopgave).
+
+ Dit boek bevat een aantal zetfouten.
+ De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:
+
+ [aan dit oogenbiik] -> [aan dit oogenblik]
+ [en zoo iets] -> [en als zoo iets]
+ [nogtans] (2x) -> archaische spelling.
+ [alles zeer naar wenseh] -> [alles zeer naar wensch]
+ [het dek opgespleten] -> [het dek opengespleten]
+ [en lekte het] -> [en likte het]
+ ["Intuschen zal ik] -> ["Intusschen zal ik]
+ ["Veel luk er mee]: "luk" is een archaische vorm van "geluk".
+ [voelde bij zich] -> [voelde hij zich]
+
+ Er zijn een aantal interpunctie fouten gecorrigeerd maar
+ die worden hier niet specifiek genoemd.
+
+ In de HTML-versie van dit boek is de originele paginanummering
+ zichtbaar gemaakt en geplaatst onderaan de pagina's. Als u
+ zoekt naar een tekst-fragment dat door een paginanummer in
+ tweeën is gesplitst (of een woord, waardoor er een
+ afbreekstreepje bij komt) dan wordt het paginanummer genegeerd.
+
+]
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De kleine Zwerveling, by D. P. Plaatsman
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 58487 ***