summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/57245-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '57245-0.txt')
-rw-r--r--57245-0.txt5000
1 files changed, 5000 insertions, 0 deletions
diff --git a/57245-0.txt b/57245-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..66838b5
--- /dev/null
+++ b/57245-0.txt
@@ -0,0 +1,5000 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57245 ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ EEN NEST MENSCHEN.
+
+
+ DOOR
+
+ AUG. P. VAN GROENINGEN.
+
+ MET VOORWOORD VAN
+ P. TIDEMAN.
+
+
+ AMSTERDAM.--S. L. VAN LOOY.
+
+ 1895.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Bladz.
+
+ Voorwoord I
+ Haagsche Leen 1
+ Eene doode musch 43
+ Besmettelijke ziekte 79
+ Een schaftuur 95
+ Eenzaam 113
+ Kindervreugd 129
+ Op de bewaarschool 141
+ Een dagje uit 159
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD
+
+
+De bedoeling van deze woorden vooraf aan dit sterk-persoonlijk
+sprekende deel van Aug. P. van Groeningen's werk, vroeg werk
+van hem, deze schetsen, maar rijp en wat meer is, buiten dezen
+vergankelijken tijd, onvergankelijk; is belangrijk te maken de
+wetenschap wie de schrijver was. Aanvulling, tevens vervollediging
+van iets, geschreven door den heer F. Netscher over dezen Onbekende,
+stilzwijgend geëlimineerde uit de maatschappelijke vergelijking.
+
+
+
+Echtheid, dat is tevens oorspronkelijkheid, waterlandsche frischheid,
+Rotterdamsche steêkracht, bewustheid dat is objectiviteit tevens
+zelf-dwang tot eenvoud.
+
+
+
+Is het voor kennis van den lyrischen dichter de vraag tweeledig:
+hoè is de Tijd; en; hoè laat hij zich gaan,--wat de epiek-werker is
+wordt beantwoord naar de enkelvoudige vraag: wat wil hij.
+
+De lyricus is zijn werk, op zijn hoògst daar de mensch; de epiek-werker
+is zijn werk niet, maar er boven. En niet voor het onder-gaàn, maar
+voor het begrijpen van epiek diep naarbinnen tot aan haar oorsprong
+toe, is, de wetenschap wie de schrijver zichzelf voelde te zijn,
+met name voor de literaire kritiek de aangewezen, met wiskundige
+vastheid te bouwen weg.
+
+De lyricus kan zijn een onbeduidend mensch, met bij tijden
+blootkomingen van waardeerbare stemmingen van zuiver toongehalte, de
+epiek-werker is uit den aard van zijn wezen volledig, àlles-beduidend
+Mensch met nog iets van een andere essens daarboven, de maat van welks
+aanwezend zijn in de sfeer zijner bewustheden, de mate aangeeft van
+zijn objektief vermogen.
+
+Hoe dus de tijd om Van Groeningen was, wier reactie wel, wier
+meegolvende voortbeweging hij niet is, heeft belang alleen voor de
+lotgevallen van zijn werk; ook liever verzwegen dit, omdat droevig,
+diep-diep-droevig, een geheel nieuwen, 'n somberen blik gunnend op
+de kritiek en de literaire fataliteit van die dagen, toen alleen
+machtig was jong-Amsterdam: zijn harde, zijn superbe werken met den
+elektriseerenden wil, door dien tijd, zijn tegengestelde, van onderop
+is onderbroken en gestort, hetgeen zij kon door eene meerderheid van
+maatschappelijke wijsheid en lichamelijke middelen.
+
+
+
+Wat is zijn Wil?
+
+Hij geeft er in strenge trekken volledige (levens-gevaarlijke)
+openbaring aan in een eenig door hem geschreven (zelf-)kritisch
+artikel, in extenso weer te vinden op pag. 3 van het 1e blad des
+Amsterdammer's van 11 Maart 1890.
+
+»Trachten te-doen door laten.«
+
+»Een kunstenaar (zoo staat er) die objectief wìl (d. i. moet) zijn kan
+door onzen subjectieven, m. a. w., egoïstischen tijd, niet begrepen
+worden, tenzij hij, door bij-omstandigheden beeldt personen die als
+letterkundige kunstenaars in fraaie woorden voelen. Dit is de mate
+van ons democraat zijn, dus van onze naasten-liefde.
+
+»En daar de kunst der dichtstbije toekomst, als iedere reactie de
+negatie van het nu-Heden, zal zijn zooveel mogelijk objectief, bestaat
+heel veel kans op een herleving der romantiek, een nieuw-romantisme,
+met helden en ridders--»tenzij« (men leze hier klemmend, als waren
+de letters allen van ijzer, moeilijk weg te schuiven) »tenzij het
+nu-aan-het-opkomend geslacht moed en zelfverloochening genoeg heeft,
+een tijdje voor minder-knap, minder-vol gehouden te worden. Want
+klassiek (naar-het-wezen-klassiek) werk schijnt in tijden van
+verfijning erg armoedig, omdat het tracht te-doen door-laten: véél
+te zeggen door wéinig te zeggen...«
+
+»Mijn streven is over de stof te heerschen...«
+
+Het is de grauwe, vette, zware kleigrond, waarin gewerkt moet worden
+onder al 't eens-Monumentale, die Van Groeningen hier bloot-legt.
+
+»Voor zoover men van een kunstenaar kan zeggen, dat hij zijn stof
+kan kiezen, zelfbewust, is dat bij mij het geval.«
+
+»»Van alle Tijden«, een groot geheel waarvoor ik ± 10 boeken
+noodig zal hebben, moet worden de verklanking en verbeelding der
+menschen-geschiedenis in het ruim der eeuwen: ('k Geloof dat de stof
+niet erg realistisch is.)
+
+»Die geschiedenis wordt gemaakt door twee elementen: het
+passieve--d. i. het menschengeslacht dat steeds wonderen vraagt
+maar ze niet kan doen--en het actieve, goddelijke, dat ze wèl doet,
+het genie. Daartusschen, overgangsvorm: het half genie, volgroeijing
+van het eerste, aankondiging van het tweede element, dat het door
+bevruchting met het eerste voortbrengt...« »Ter bestudeering van
+dit levensverschijnsel hoefde 'k niet ver van huis te gaan. Men
+vindt het in Bilderdijk, Multatuli die eigenlijk niet verschillen,
+al lijkt dit een paradox...« »Niet slechts personen, ook geheele
+tijdperken hebben een dezer drie individualiteiten. Men denke aan het
+historisch verschijnsel dat alleen onrustige, zeer onrustige tijden
+eene genie voortbrengen...« »In mijn plan komen 4 deelen voor, (nà
+het vierde), die het volkslijden zullen behandelen. Over eenige jaren
+hoop ik daaraan te beginnen. Als de natie tot rust zal zijn gekomen,
+dàn zal ik geven, zonder terughouding, het leven van le peuple...«
+
+Het lijdt geen twijfel, dit nest menschen zou de kern zijn geworden
+dier 4 deelen.
+
+
+
+De dêmoon der artisticiteit heeft de fysieke liefde voor zijn woord.
+
+De lyrische dichter heeft de geestelijke liefde voor zich-zelf.
+
+De epiek-werker heeft de geestelijke, godsliefde tot de Menschheid. Zoo
+is Van Groeningen.
+
+Nog overgebleven papieren, een door bijna-alleen intuïtie tot in
+het 3e boek der Imitatio Christi tot stand gekomen benaderende
+vertaling van Thomas a Kempis, kinder-versjes, opzet en voorspel
+van een tragedie »Jeanne d'Arc,« berythmeeringen van psalmen,
+bewijzen buitenom Van Groeningen's zelf-bewustheid, aangehaald in die
+»voor-rede« voor »Van alle Tijden«, dat hij oprecht in zich zelf had
+gezien te zijn een »geestelijke«, en niet hoogmoediger dan hem paste,
+zich rechtop-standig zette midden in het land als een die den strijd
+zou wagen met den machtigsten moderne-epiek-werker in vruchtbaarder
+klimaat, tusschen zoo fel-, maar minder zwaar- kunstvijandige menschen,
+Balzac. Want »Van alle Tijden« zou worden epos van het grauwe Holland
+in de Comédie humaine.
+
+Onbewust dit zich gaan meten, waaraan ons land met dit boek en met
+»Martha de Bruin« een deel zijner toekomstige glorie dankt, onbewust
+in Van Groeningen.
+
+De vrijheid van zijn bevestigenden, zelf-geziene werkelijkheid in
+magistraal-eenvoudige kunststukken bevestigenden wil, heeft hij niet
+getroubleerd door neven noch achter zich te zien naar anderen. Recht
+voor zich uit keek hij en uit Van Deyssel's proza voor zich zelf wel
+annexeerde hij nieuwe ontdekkingen, nieuwe methoden; maar zijn werk,
+van wezen voelde hij 't: alleen, met allen-verschillend; in zijn
+groote Geheelen zouden plastiek en analyse en muziek strenglijk te
+hanteeren middelen blijven tot de ideeële geschiedbeschrijving;
+dat deed nog geen. Ook het buitenland bleef aan zijn binnenste
+vreemd. Een Hollander uit één stuk was hij tot in zijn diepste en
+teerste vezelen. »Het Land« van Zola las hij in het Hollandsch. Zoo
+is bekend dat hij in '88 met een vriend en ambtgenoot zich opmaakte
+om het Fransch te leeren. Kan er zelfs sprake zijn dan van dadelijken
+invloed van buitenlanders naar hem? Praktisch neen, en theoretisch
+neen! Want zoo is het te voelen en te weten.
+
+Waar het Genie leeft is invloed van anderen alleen een zaak van vorm,
+het lust hem somtijds zich te kleeden in geleend gewaad, hier, daar,
+nu-eens en nog-eens maar; 't is bewust, dit ook is laten met een doel
+het doen, andren te zoeken om zichzelf »van-zelf« te vinden.
+
+Maar bij Van Groeningen bovendien nog: hij wist niet-zoo-heel-lang
+te zullen leven, zocht dadelijk zich-zelf alleen, zijn willen alleen,
+en werkte 't door. Hij had geen tijd naar anderen te luisteren.
+
+
+
+Wie dit boek lezen kan als een vrij-gevoelend man, zal met een
+edeler bewondering dan voor veel wat nu licht geliefd is, danken
+den kunstenaar die, zoo eenvoudig, geeft de ferme knoopen van de
+waarneming en laat den lezer door de mazen zelf zien in de door geen
+woord ontwijdde diepten, door on versierde en water-naakte spraak.
+
+
+7 Sept. '95. P. TIDEMAN.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+HAAGSCHE LEEN.
+
+
+I.
+
+Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje,
+doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten
+zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining;
+maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de
+witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren
+in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.
+
+Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet,
+als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich
+spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere,
+dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil,
+hol vertrek. 's Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de
+andere dagen vroeg uit moest. 's Winters zat ze reeds vóór half zes
+bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten,
+terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot
+warmde. Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en
+ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd
+geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op
+de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en
+versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer
+zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en
+deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het
+vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje
+door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In
+de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de
+oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De
+zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint
+als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur
+moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en
+weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe
+muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door
+schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken
+lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den
+bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood,
+boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde
+en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid
+waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door
+een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.
+
+Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half
+zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en
+nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de
+deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker
+in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest
+afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een
+diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij,
+dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht,
+dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.
+
+In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er 's
+morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen
+kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil
+om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze
+in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te
+verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel
+der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als
+grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en
+geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken
+koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen
+zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf
+harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door
+een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der
+schepen, die op stroom lagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het
+geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op-
+en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille
+fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende
+mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut
+plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich
+op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost
+bij Leen of in de herberg....
+
+Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de
+meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd,
+een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden
+en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.
+
+Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een
+der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd
+boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand
+der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door
+de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig
+welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.
+
+Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der
+wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen,
+haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje
+een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.
+
+»Wat donder.. dag--de Heer vergeve me de zonde ben jij het,
+Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze
+oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want
+ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«
+
+De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.
+
+»Ik dacht, dat ze vergeten en.... vergeven zouden. Mijn God, zouden
+de menschen nog strenger zijn dan God?«
+
+»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige
+zaken praten.«
+
+»Een dief!«
+
+»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam
+noemen. Wegnemen en stelen, 't is één moers kind.... En wat deê je
+in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«
+
+»God Almachtig hoort me« ....
+
+»Gij en zult niet zweren.«
+
+»Ik heb honger« ... zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie
+vingers laten zakken.
+
+»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men
+scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner
+mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als
+een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het
+was maar de kwestie 't zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren
+het niet, die riepen:
+
+»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar
+niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in
+de wagen doen?« »Is 't waar of niet?«
+
+De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.
+
+»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«
+
+»Viseteeren, viseteeren!«
+
+De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën
+knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:
+
+
+ »Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«
+ »Moeder, daar leit een schutter in de goot.«
+
+
+Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«
+
+Nu floot de man: »Turf in je ransel!«
+
+Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen
+als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen. Hij zei maar altijd,
+»laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum
+niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij:
+»die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den
+baas wel als een god om werk willen bidden.«
+
+»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.
+
+»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten
+spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder
+de markt werken. Op 't laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát
+blief je?«
+
+»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van
+de daad.
+
+»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.
+
+»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds
+jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker. Hij toonde zich laf,
+maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken
+aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.
+
+»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord
+wil worden? Om den bliksem niet.«
+
+Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan;
+want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.
+
+»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens,
+wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t'
+avond of te morgen opwachten en tegen zoo'n reus kan ik niet op!«
+besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.
+
+Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.
+
+»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als
+ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een
+pootje helpen.«
+
+»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit,
+hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«
+
+Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en
+klappertandend.
+
+»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man
+omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven
+van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in
+den dikken mist, die in dwarlende massa's vóór de wind uiteen stoof,
+om zich dan weêr samen te pakken.
+
+»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij het Amsterdammer? En
+wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar
+je uitsteken!«
+
+En Leen keek uitdagend rond.
+
+»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op,
+dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien,
+zat hij er nog en iemand die 's Konings livrei heeft gedragen, gaat
+niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat
+gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. 'k
+Heb een groot huishouwen.«
+
+»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren
+bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme
+donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen,
+moeten we het nemen,« merkte Leen aan.
+
+»Aannemen!«
+
+»Die is secuur raak!«
+
+»Hij heeft zijn bekomst!«
+
+Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om
+weer aan den slag te gaan.
+
+Toch waren niet allen op de hand van Leen.
+
+»Wil je er je liefde van maken?«
+
+»Een rijtuig halen voor de trouw?«
+
+»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan
+last van.«
+
+Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.
+
+Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade
+af. Hij droeg den koffieketel.
+
+»Een lieve geleijonker!«
+
+»Ja, een geleijonker, zeg dat wel!« zei de »uienboer.« Het fluitje riep
+hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey's en de steekwagens
+op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een
+stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.
+
+En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.
+
+
+
+Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In
+het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken
+en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde
+hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen
+en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd
+hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap
+uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond,
+toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat
+die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam
+hij toen thuis.
+
+Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste
+gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid
+kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen,
+een lik om de ooren gaf--want hij was in den laatsten tijd wat minder
+bedeesd geworden--barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om
+den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigen oogen
+gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje
+had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde:
+Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de
+moeder op.
+
+»'t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo'n lamzak!«
+
+»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen
+als hij?«
+
+»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«
+
+De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis
+teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op
+de deur.
+
+»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!«
+»Broerling!« »Ludeman!«
+
+Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans
+allen riepen:
+
+»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«
+
+Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na
+eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.
+
+Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou
+te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging,
+had er zich reeds op gespitst. 's Middags schoof ze de geplooide
+ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken
+alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en
+annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje
+van de kous moesten weten. Niemand in de buurt kon een vinger in de
+asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.
+
+'s Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens
+als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze
+op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«
+
+Het hoofd van dit gezin was 's morgens eerst naar de kerk geweest,
+Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had
+hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg
+nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn
+kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat
+te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche
+loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«
+
+Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den
+dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de
+onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d'r tellen te passen!«
+
+Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de
+man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op
+de deur van Leen en vroeg wie er smeerlappen waren. Hij was een groote
+vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur
+ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de
+onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.
+
+»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.
+
+Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riep hij: »Neen,
+verdommeling, jij bent een smeerlap!«
+
+»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op
+hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en
+ging daartoe achteruit.
+
+»Ik ben een... toe dan: een... een!«
+
+Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen
+kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de
+deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.
+
+Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze
+hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken,
+hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.
+
+Daar stond hij nu.
+
+»En nu wil ik weten, wie er een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok
+hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De
+oude juffrouw vond het »ijselijk!«
+
+»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«
+
+»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor
+uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge
+snuiter, die zich kostelijk vermaakte.
+
+»Je... je... kostganger heb ik bedoeld!«
+
+»Mijn wát?«
+
+»Die man, die bij je t'huis is!«
+
+»Bedoel je mijn man?«
+
+»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Je man is het niet; hij
+hokt maar met je« riep men.
+
+Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en
+gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«
+
+»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?«
+vroeg Leen.
+
+»Die heb je niet.«
+
+»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.
+
+»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.
+
+»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven« (aan het adres van vrouw Vis)
+»je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi
+oud en knapjes leelijk!«
+
+Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.
+
+Allen lachten.
+
+»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan
+meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.
+
+De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn
+eigen« moest kijken en dat hij ook niet verkoos, dat men zich met
+zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop
+gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.
+
+Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede
+familie was, maar ze had geen »puf« ruzie te maken, om dit door de
+anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest
+maar zoet!« en kuste hem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte
+de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerels applaudiseerden; maar
+de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes
+dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende,
+dat het »meer als schandalig« was.
+
+Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef
+men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal
+boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen
+komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud
+water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam,
+persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden
+eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in,
+maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer
+lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap
+naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de
+bewoners der gang te bemoeien«.....
+
+Als Leen uitging, sloot ze den man op.
+
+
+
+In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden
+tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij
+meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten
+zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes,
+die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de
+weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen
+de plantjes konden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij
+maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld,
+toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs
+krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes
+en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch,
+levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe,
+morsige steegje te zien.
+
+De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar
+gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te
+zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van
+algeheele verteedering.
+
+Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak
+op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms
+zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er
+een meisje geboren.
+
+In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze
+kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie
+gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke
+burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den
+Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje
+beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles
+zag er toen geheel anders uit.
+
+Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige
+manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen
+en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon,
+want de kleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar
+het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande
+liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.
+
+'s Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. 's Morgens vroeg
+maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade,
+door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon
+tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten
+de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een
+pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant,
+door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door,
+scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor
+tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het
+gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine
+tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen
+de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de
+verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een
+kleine zon.
+
+De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun
+onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd
+uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een
+stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig,
+eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar
+dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet
+lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.
+
+Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten
+tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen
+tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door
+een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes--en dan
+tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel
+verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw
+hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan
+het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de
+eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo'n wandeling
+den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.
+
+'s Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in
+het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef
+staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde,
+kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen
+liep hij dan langs de modderige straten naar huis.
+
+Zijn ochtendwandeling mocht hij 's winters na laten, 's avonds ging
+hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij
+zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de
+wijde wereld.
+
+Hoewel hij alleen 's Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren,
+was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«,
+in de week.
+
+En 's zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums
+rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een
+parasietenleven leidde. Soms, vooral tegen het voor- en het najaar,
+gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch
+bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden;
+maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te
+voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers,
+die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig
+bestaan droegen. Hij riep dan 's Hemels wraak over hen af.
+
+Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet
+mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij
+tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich
+werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding,
+als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit
+instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.
+
+Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare
+moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche
+afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste
+vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch
+en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield
+niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo
+lief een klap in d'r smoel.«
+
+Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door
+een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het
+niet--want het kind was bang voor haar--maar als het eens gebeurde,
+dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zei ze ruw:
+»Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het
+schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet
+alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken,
+zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong
+schijnt verloren te hebben.«
+
+Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak
+kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven
+leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en
+was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij
+twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der
+vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op
+zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich
+met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel
+alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste
+waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter
+pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd,
+zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren
+dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag,
+dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel
+degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig
+uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing,
+had hij bijzonder veel van een idioot.
+
+
+
+Eens op een winteravond was Leen vroeg t' huis gekomen. De man
+zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van
+eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«--hoewel hij
+beweerde, ze gekregen te hebben--waaruit hij eene verzameling dieren
+boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar,
+naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen
+onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen
+te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp
+wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.
+
+Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een
+paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die
+iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen,
+stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen de revue in het
+paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch,
+eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom
+eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan
+weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje
+naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed,
+geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al
+de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de
+ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze
+deden als de vader van 't dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.
+
+Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:
+
+»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«
+
+»Maar Leen« ...
+
+»Maar Leen« ... bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten
+praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou,
+weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«
+
+»Maar Leen! je hebt gezien ...«
+
+»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit
+te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«
+
+»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.
+
+»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop;
+maar Leen hoorde hem niet.
+
+»Berg die bullen op. Denk je dat ik 's nachts nog voor jou aan 't
+redderen wil komen? 'k Zie je eenszoolief in ... in de bestekamer
+zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te
+drukken. »'t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten
+werken om jou aan 't vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«
+
+»Nu moet het uit zijn. Ik kan hier niet blijven!«
+
+»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen
+hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede,
+waar zij met de kinderen sliep.
+
+Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar
+de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in
+de effen zwarte schaduw der zoldering, alleen afgebroken door een
+licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend
+naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij
+verkneukelde zich.
+
+»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man
+had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over
+het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf
+meisje worden!«
+
+Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er
+eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon
+geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken;
+maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t'huis, mokkend en zwijgend
+en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen
+handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld
+was.
+
+De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen
+hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd
+was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken,
+waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene
+der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het
+midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende
+vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar
+de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere
+slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein,
+telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in
+slaap. In den nanacht had hij een naar jenever en tabak stinkende
+kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken,
+te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog
+eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet
+hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een
+oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte
+gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje
+onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de
+gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te
+blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.
+
+Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit
+in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant
+van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel,
+zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren
+reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen
+slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn,
+dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.
+
+
+Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«
+
+
+
+
+
+II.
+
+Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte
+altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst
+begaf ze zich dan naar de Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een
+massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis--waarin
+en waarboven het kantoor was gevestigd--uit- en in-stroomden. Ze
+praat'ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar
+als 't koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne
+rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis,
+waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige
+schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het
+vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen
+bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels
+van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.
+
+Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood
+op stelten.«
+
+Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten
+of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten
+dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd
+levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze
+wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven
+en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te
+dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd,
+die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en
+werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist
+en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het
+minste geld gaven. De onderwerpen, die de jongeren bezig hielden,
+waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen
+opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat
+alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men
+baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door
+een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas
+Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien
+kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was,
+werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei
+men van hem dat hij »bakker aan« was.
+
+Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer
+onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of
+legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in
+het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste
+bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht
+op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op,
+met een houding als de groote Mogol zelf.
+
+Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof
+de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd
+voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met
+een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat
+dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman
+ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde:
+er waren er ook, die aan een haarlok trokken of met den wijsvinger
+aan hun slaap kwamen.
+
+Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór
+te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen,
+die in vaders plaats geld kwamen beuren.
+
+Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.
+
+De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren
+gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de
+schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk
+een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze
+merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan
+hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben,
+kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten,
+dat er iets aan 't handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«
+
+Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel
+liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en
+kon zijn keel wel aan den kapstok hangen--geen droppel kreeg hij
+meer op krediet--dat alles was waar; doch--hij maande niet. En dat
+deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen
+Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar
+had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren,
+beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het
+eergevoel van den een gekwetst door op beschermenden toon tot hem te
+zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar
+de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.«
+Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze
+t'huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten
+inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen
+broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook
+niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En
+eerlijk!--nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de
+deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.
+
+
+
+Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet
+zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een
+kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de
+lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als
+de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar
+menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.
+
+Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.
+
+Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter
+de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene
+andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg
+wijdde ze Lou--met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist
+geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was--in
+de geheimen van haar bedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet
+borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als
+je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant
+betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van
+belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg,
+net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair
+geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg,
+waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over
+graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar
+neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen,
+als ze broodjes van den vorigen dag kregen--die Leen heel goedkoop
+inkocht--al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als
+voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van
+borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen
+aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste
+niet als de kippen bij was.
+
+Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een
+godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was
+wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet
+net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.
+
+Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met
+slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den
+achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche
+grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen. Alleen
+in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere
+haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan
+het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide
+lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte
+af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende
+lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als
+weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind,
+ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het
+oord iets ruïneachtigs.
+
+Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een
+gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens
+vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar
+een deel der sjouwers betaald werd.
+
+Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal
+werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld
+verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt,
+als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven
+uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der
+traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier,
+familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor
+de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen
+was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos
+boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men iets te
+gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men
+van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van
+dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De
+vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.--Als de
+baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard,
+die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En .... hoeveel
+vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door
+somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet
+verleiden--ik weet niet, of er ooit zoo iemand was--door de vraag
+des waards bezweek.
+
+Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze
+posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen,
+die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten
+laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.
+
+Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden,
+kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was
+geen genade, wisten ze. En doorsnappen--daartoe bestond geen kans,
+nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond
+zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas
+Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder
+het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.
+
+In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend
+de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van
+een trompet, die geblazen werd in een danshuis, een paar honderd
+schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den
+overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond,
+met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en
+op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat
+het de vrouw van den plakker zou zijn.
+
+Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch
+geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar
+hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd
+geen aangenomen werk!« Maar zoo'n vent, die den godganschelijken avond
+achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak
+zou kunnen worden van gebroken ruiten--»wie zal dat betalen, zoete
+lieve Gerritje« floot de waard--zoo'n vent zou de kastelein wel dood
+willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker
+als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch
+hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder
+handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik
+jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.--Met
+dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door,
+volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in
+kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht,
+verschikte het een en ander, en... Maar zijn herbergiersgevoel
+veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te
+jagen. Men kon nooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen
+dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul--een
+half ei is beter dan een leegen dop. Allicht had ook hij zijn rojale
+buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.
+
+»Woon je ver weg?«
+
+»Neen.«
+
+»Stik« dachten ze gelijktijdig.....
+
+»Wou je nog een glas?«
+
+»Neen, ik heb nog!«
+
+»Barst!« dachten ze.
+
+De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige
+waard begreep--hij kende het klappen van de zweep--dat zijn gast in
+de rats zat.
+
+De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het
+papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de
+zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters
+geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon
+men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd,
+onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte,
+navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.
+
+Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik
+jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde
+hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan,
+wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen
+hoorde haar zeggen:
+
+»Jan kom nu meê! 'k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn
+zoo koud.«
+
+»Meegaan! 'k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«
+
+»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net
+als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit,
+nooit meer zou gebeuren.«
+
+De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het
+kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.
+
+»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind
+achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk
+loopen. 'k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig,
+sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den
+nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later
+zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder
+geld op zak te loopen, net als arremie. 'k Heb muizenissen genoeg!«
+
+De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem....
+
+»Loop naar den bliksem!«
+
+Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven
+scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden,
+die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.
+
+Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je,
+dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló,
+marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«
+
+De vrouw keerde zich om.
+
+»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu
+op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man,
+slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »'t Spijt me erg, maar je
+zult moeten wachten. 't Komt me niet gelegen!«
+
+»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor
+zoo'n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder
+op zeggen!«
+
+»Nou, maak maar zoo'n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal
+je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je
+verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je,
+flikkersteen! En nu, ik ga!«
+
+Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.
+
+»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we
+leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«
+
+Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de
+twistenden hadden gevormd.
+
+»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.
+
+»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?«
+wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«
+
+»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je
+opendoen!«
+
+»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,«
+riep Jan's vrouw onder algemeene hilariteit.
+
+»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is
+een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen,
+als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«)
+»Zet hem onder een stolp.«
+
+Onder een homerisch gelach beval Jan statig:
+
+»Ga heen, Jo, je past hier niet.«
+
+»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het
+zeerebeenenhuis.«
+
+Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht
+te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels
+naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust
+en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.
+
+De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.
+
+»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!«
+Jan antwoordde op dit ultimatum:
+
+»Neen, voor den donder! neen, neen!«
+
+»Maak plaats, jongens!« beval Leen.
+
+Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu
+bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle
+bewegingen goed zichtbaar waren.
+
+De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot
+dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen
+vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar
+op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.
+
+Zij beproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel
+dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij
+kokhalsde en liet los.
+
+»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.
+
+»Neen, verdomme!«
+
+Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan's vrouw zich op haar
+en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken
+vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men
+wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te
+hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne
+vijandin.--Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog
+van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid,
+onder haar.
+
+Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep
+een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen,
+zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het
+bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van
+zijn bemodderde, gescheurde jas.
+
+Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met
+de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze
+bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende,
+als ze eene arm voelde naderen.
+
+Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De
+toeschouwers gingen geheel in den strijd op. Hun oogen puilden
+uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten
+gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en
+vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat
+en boezem--geheel ontbloot--waren met lange krabben bedekt. Wild
+golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld,
+wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op
+het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had
+losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het
+achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken
+kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren
+door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe,
+den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.
+
+Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het
+ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met
+een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar
+succes, begaf zich op zij.
+
+Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.
+
+»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader
+aan zijn haar te trekken.«
+
+»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«
+
+»Ja, maar dat 's iets anders. Hij heeft gelijk!«
+
+Lou haalde hare schouders op.
+
+»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? 't Is me wat moois,
+dat eene vrouw vecht. Bah!«
+
+Lou zocht een ander plaatsje.
+
+Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders
+lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem
+zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«
+
+Maar dat gebeurde niet. Door Leen's slagen en zijne vergeefsche
+pogingen om zich aan Leen's ijzeren knieën te ontworstelen, raakte
+hij bekaf. Zij was letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat
+sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig
+niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«
+
+Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.
+
+»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen
+gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«
+
+Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek,
+die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af
+en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.
+
+Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te
+banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem
+kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak
+plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn
+blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen
+was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand
+agent?« antwoordde hij norsch: »In de hel!« De oude juffrouw vond
+dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een
+oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.«
+Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep
+jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«
+
+Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van
+Leen had gekregen.
+
+»Ja, Jan, maar.....«
+
+»Hier of ik spring in 't water.«
+
+»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«
+
+»En nu, opgerukt, marsch!«
+
+En ze ging.
+
+»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »'t Lijkt wel eten van
+de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te
+hoog hingen.
+
+Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed
+hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«
+
+Men verspreidde zich.
+
+Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep
+ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De
+spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«
+
+De haven werd stil en ledig.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EENE DOODE MUSCH.
+
+
+»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«
+
+Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen
+op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen
+telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar
+er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens
+weder terug.
+
+»Anneke, tanneke, tooverheks!«
+
+»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare
+kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«
+
+Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis,
+zoodat het sarrende deuntje ophield.
+
+Vrouw Helms, aldus was de burgerlijken naam der heks, zag er wel
+naar uit, om kinderen schrik aan te jagen. Haar geel, perkamentachtig
+gelaat was omlijst door een neepjeskapje en bezet met eene neus, die
+neiging had, in haar kin te pikken. Ze was zindelijk gekleed. Dat ze
+niet vuil was, bewees ook hare kamer, van de blinkende koperen rand
+om de kachel tot de witte geplooide gordijntjes voor de ramen.
+
+Ze was nu bezig koffie te zetten in een wit aarden pot met bruin
+deksel. Een zwart-grijze poes zat met knippende oogen in den wasem
+te turen en ontving de vleiende namen met een air, of het zoo
+behoorde. Soms keek ze peinzend door de ramen, waardoor ze echter
+niets kon zien. De waterdroppels, die langs de ruiten biggelden,
+maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de
+bewaarplaats van afbraak, aan den overkant.
+
+Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel,
+wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur,
+van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur
+open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche
+stem: »'k Zal je leeren te zeggen: »'k doe het niet.« Pakaan!« Dit
+laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help
+buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, 'k zal het aan
+vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen,
+geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans,
+ze riep: »Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«
+
+»'k Moet op straat.«
+
+»Neen!«
+
+»Ja, ik moet!«
+
+»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent net zoo'n drein als je
+vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen
+hebben!«
+
+Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap
+aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde
+hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder
+gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever
+te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van
+haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer
+stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk
+scheen aan te trekken--riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?«
+Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een
+sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden
+kwamen. Vrouw Helms schonk vast in.
+
+»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist
+eens opzoeken.«
+
+»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef
+water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel
+voordeeliger uit, zie je!«
+
+»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid
+fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat
+ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb
+je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders
+sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen
+medicijnflesch... Ze hebben me wel eens verteld, dat het Vrijdagsnachts
+feest is bij kaartlegsters. Dan komt Heintje Pik ook. Dat 's waar,
+ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten
+heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want
+ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d'r poot zuigen! Weet je
+wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«
+
+Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat
+te vertrekken.
+
+De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die
+zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig
+vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik
+heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het
+zuiverste water.«
+
+De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen,
+die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje
+van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere
+verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de
+handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met
+elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend,
+balkte hij op eens:
+
+»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«
+
+Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«
+
+»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«
+
+En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen
+en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En
+in zijn kommetje turende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog
+onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps
+plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had
+aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel
+omgaat. Je bent ook eene mooie!«
+
+»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.
+
+»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag
+koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu
+zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.«
+Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat
+niets als een kipje!« balkte buurvrouws spruit aan de trap.
+
+»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.
+
+»Ik ga paaltje springen.«
+
+De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na
+het intermezzo zegt ze:
+
+»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«
+
+»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.
+
+»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den
+nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een
+week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal
+je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd
+want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is 't waar of niet?«
+Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd:
+»Piet Bartelsz.«
+
+»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar
+boven, vader!«
+
+»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,«
+mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen.
+
+Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer
+in en zei:
+
+»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw,
+de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«
+
+»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«
+
+»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je
+weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk
+rijk. Hij bulkt van het geld.«
+
+»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.
+
+»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn
+leven. Een mooi vak, een best vak!«
+
+»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd
+baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger.... Vet zal het
+je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den
+man aan met een kritischen blik.
+
+»Wie is die brombeer?«
+
+»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.
+
+»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je
+er af. Mijn principaal«....
+
+»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er
+afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze
+móeten me uitstel geven: het is winterdag. Anders zullen ze me het
+huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle
+weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al
+een vette acht gulden!«
+
+»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.
+
+»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.
+
+»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je
+neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«
+
+»Bloedzuiger,« bromde oom.
+
+Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat.
+
+»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man
+en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van
+de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«
+
+»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is
+goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,«
+zei vrouw Helms.
+
+»Ja, bij ons arme donders.... Binnen!«
+
+»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan
+rammelen.... Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen,
+die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het
+jongetje keek tersluiks naar den vreemden man.
+
+»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van
+afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar
+maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden
+week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. 't Was een gloeiend
+schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op een steenen vloer
+rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me
+voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je
+vader en je moeder je aan 't werk zetten.«
+
+»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.
+
+»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik
+vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden
+van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«
+
+De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.
+
+Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!«
+Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het
+knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik
+ze het inpeperen!«
+
+Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op
+en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«
+
+»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk
+zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo
+zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei:
+Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed
+om te halen.«
+
+Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen.
+
+
+
+Het weer was intusschen veranderd. In de donkergrijze lucht waren
+bleekblauwe gaten gekomen en het grijze gordijn rolde zich op tot
+grillig afgebrokkelde wolken, aan de randen verzilverd met gouden
+weerschijn, die statig zuidoostwaarts dreven. In het westen hingen
+echter nog een massa opeengestapelde zwarte koppen. Een weenend
+zonnetje bescheen de afbraak aan de overkant en lachte zichzelf
+weemoedig toe in de gebroken ruiten van de vervelooze ramen, die
+tusschen deuren en oude planken tegen de ruwe heining stonden te
+leunen. Alles was overgoten met een valsch, schel licht, dat de oogen
+zeer deed.
+
+Vrouw Helms keek in haar spionnetje, na eerst de beslagen ruiten
+met de hand afgeveegd te hebben. Ze moest daartoe de raampjes even
+openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de
+natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen
+de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar
+worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien
+voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu
+daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die
+sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. 't Is
+een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.
+
+»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt
+hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft
+ze rijksdaalders in d'r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik
+het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden
+van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij en een ander
+de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt 's Zondags maar op laarsjes
+met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad,
+stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer
+op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere
+de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene
+gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen
+zitten »te stikken van 't lachen.«
+
+»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d'r aan
+komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer
+op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik
+naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. 't
+Is of ze in de maan gebakken is, net de dood van Ieperen. Maar wat
+ik zeggen wil, 't is vast een leugen. o Ja, ik was van morgen bij
+haar om.... om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp
+voorover. Armoe is geen schande; maar beroerd lastig. Het is tobben
+van den eersten Januari tot den een-en-dertigsten December. Maar wat ik
+zeggen wil en jokken niet, ik ging dan bij haar leenen, want je weet,
+dat ze dat doet tegen een dubbeltje van de gulden. Het ongelukkigste
+is, dat je er als een hollend paard door achteruit gaat. Maar ik zit
+nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men
+heeft. 's Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik
+ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje
+naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan
+'s Maandags weêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast
+noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen,
+ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo
+denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje
+van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een
+tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide,
+weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze
+hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al
+origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je
+dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer
+ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! 'k
+Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«
+
+»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.
+
+»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze
+kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat
+van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen,
+heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«
+
+»Maar je zei:....«
+
+»Ja, 't is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg
+Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je
+dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze
+en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een
+kleine jongen. In 't voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd,
+over één oog heen. O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je
+moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren
+geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon
+armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders
+op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de
+mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d'r slasmoel, »d'r is
+iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging
+naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje
+aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte
+er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«
+
+»Gisteravond was ze ook al op den snor.«
+
+»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me
+halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef
+heel bedaard zitten. Wat kan 't mij schelen? Maak je maar niet dik,
+dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica,
+er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en
+met d'r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman
+maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg
+legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze
+had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel
+wegkijken. En mensch«.... (spreekster slaat de handen in elkaar en
+zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie)
+»als je dat gezien had. In een oogenblik had ze haast al d'r meubelen
+weggestopt, tot d'r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg,
+gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder
+die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus
+van komsa. Ik bleef maar stiekem zitten. Ze keek me aan, zoo kwaad
+als een spin, maar ze kon me kwalijk wegjagen. Ze koos dan eieren
+voor haar geld. Het heertje hield net of ik er niet was. Of 't mij
+kon schelen?! En toen hoorde ik, dat Trijn gezegd had, dat d'r man
+ziek was--het is notabene d'r man niet eens--en dat hij versterkende
+middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven
+en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d'r
+oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want
+hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is 't
+niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »'t wordt tóch gegeven,
+of ik of een ander 't inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,«
+zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf
+onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat 't zoo onrechtvaardig
+gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op,
+dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar
+een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze
+naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te
+weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van
+'s nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden
+dag geen draad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen
+de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij
+zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen,
+men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard,
+we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar
+huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet
+zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een
+wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »'k Heb geld
+genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in 't
+zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een
+armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te
+gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had
+ze wel kunnen crepeeren, het was al een week geleden. Nu dan! Toen ik
+naar den jongen ging kijken, hoorde ik dat hij honger had. Ik keek in
+de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat
+het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen;
+maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig
+spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek
+kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar
+van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een
+boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik
+was aan 't kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig
+verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar op mijn hoofd aan den
+armenbezoeker dacht. Als 't niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen
+gezond uur meer heb«.... Zoover was ze gevorderd, toen het kleine
+hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje,
+maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien
+gulden onkosten op gevallen.
+
+Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om
+aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken,
+dat is gauw klaar!«
+
+De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets
+woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of
+het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik
+zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar
+een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op 's mans
+demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend
+heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms
+zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk
+ze nog ettelijke kopjes koffie en at boterhammen met hompjes kaas, die
+ze van een groot stuk vol maden afsneed. 's Zaterdags ging ze altijd
+de kaaskraampjes langs en nam van elk een gratis proefje, hoewel ze van
+te voren wist, wiens beurt het was, om door haar begunstigd te worden.
+
+Intusschen was buurvrouw bezig met het gereedmaken van 't maal. Dit
+bleek; want haar veelbelovend zoontje, dat zich door belofte van
+een paar centen had laten bewegen, iets voor zijne moeder te doen,
+kwam bij vrouw Helms achtereenvolgens leenen: een beetje blom, een
+stroopflap, twee borden, twee tinnen lepels, vier centen voor jenever
+voor zijn vader, een potlepel, een stukje boter en een stoel, onder
+belofte van spoedige teruggaaf.
+
+Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit
+in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die
+in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen
+waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam
+in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen
+groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd
+aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht
+bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle
+tint. De donkere daken staken scherp af tegen de lucht. Waar de zon
+stond, zag men een groot koperkleurig gat in de wolkenmassa, aan de
+randen bewasemd; en ook naar het oosten toe behielden ze dien glans
+van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele
+groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa
+op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog
+een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst
+door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen,
+zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De
+dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil.
+
+Toen de wolken waren voorbij gedreven, hield het zachte sneeuwen
+op en op den lichten achtergrond bewogen zich nog slechts eenige
+purpergrijze koppen, in het oosten zich tot strepen uitbreidend,
+welke boven de huizen bleven hangen, om zich na een poos op te lossen.
+
+Het westen had nu een kleur als messing.....
+
+
+
+Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt
+gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan
+zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te
+gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman
+van zijn ambacht.
+
+Onder het genot van nog een kopje--het was nu »grondsop voor de
+goddeloozen,« zei de gastvrouw--hervatte ze na een lange inleiding
+haar verhaal.
+
+»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar
+de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de
+armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had:
+»Nu, nu, 't zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,«
+of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo
+rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout
+is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute
+schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje
+tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho
+maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel
+aardig. Eerst zei hij: »Ja, ja, we kennen dat. Zeker een weduwvrouw,
+hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,«
+zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen
+zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor
+niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder
+was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan
+had hij wat uit zijn zak gegeven. Maar ik heb geen hondeneus. Je kunt
+alles niet vooruit weten, is 't waar of niet? Nu dan, of ik al hoog
+of laag sprong, ik kreeg twee vette soepkaartjes. Maar ik dankte er
+hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op
+hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij
+hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart
+gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het
+nog geen doodwond. 't Kan beter van een stad dan van een dorp.«
+
+»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar
+gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde
+niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze
+een broertje dood.
+
+Na nog eenige nabetrachtingen ging de buurvrouw heen.
+
+Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had
+geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen
+door het gordijntje te zitten koekeloeren.
+
+»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het
+komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met
+een prijsje uit de loterij kwam. Hein zou er met zijn doode vingers
+afblijven, dat geef ik je op een briefje. 'k Zou wel zalig oppassen,
+dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«
+
+En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel
+afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der
+buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur;
+zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje
+thee naast zich en haar kat aan haar voeten......
+
+»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze
+mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der
+leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D'r is niemand
+op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »'t Ga je goed, hoor!«
+
+»Wat zou er nu aan 't handje zijn?« mompelde Neel.
+
+»Open, of ik trap de deur in.«
+
+»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«
+
+»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.
+
+»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:
+
+
+ »Atju we moeten, elkander groeten.«
+
+
+Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet.
+
+Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan,
+als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de
+kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!«
+Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok
+onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op
+zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen.
+
+»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men
+op het portaal.
+
+»We hebben hem verleid.«
+
+En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders«
+de trap af.
+
+»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de
+dampen aan!«
+
+Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het
+ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen
+de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten:
+de honderdduizend is op ons lot gevallen.«
+
+»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.«
+Haar gelaat klaarde wat op.
+
+»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende:
+»Zeker en zeker is twee. Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader
+zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.«
+En toch heb ik hem zelf naar 't kerkhof gebracht en ik heb zelf de
+briefjes gezien waarop stond: »Rust in 't Putje.« Maar je ziet zooveel
+gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«
+
+»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je
+het zeker van het lot?«
+
+»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen
+en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand:
+»Ik heb er nog al hoop op!.... Nu zullen we het er van nemen!«
+
+»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld
+gekocht!«
+
+»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, 'k Zou me
+schamen om er over te spreken.«
+
+»Je schaamt je niet om er van te vreten.«
+
+»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin
+volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«
+
+»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden,
+maar dat is ook op en al.«
+
+Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij
+vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding
+wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij
+een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan
+»de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.
+
+»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij:
+»D'r moest wat op vallen. Vier staarten, heb je 't ooit mooier gezien?«
+Hij begon te deklameren:
+
+»'t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«
+
+»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen
+varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin
+van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken.
+
+»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo'n verrekt blad, die je altijd
+voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat
+geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op
+z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een
+brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haar schotel
+met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat
+het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande
+deur van 't keukentje tintelde een bundel zonnestralen naar binnen
+en vormde op den vloer een gouden streep, die telkens verdween,
+als de deur door een tochtje dicht waaide. Poes maakte er jacht op
+en trok zich telkens terug, als de streep verdween, om het volgende
+oogenblik er weer op toe te springen.
+
+Het gekef van Fidel, die, soms maar een praatje makende met andere
+honden, steeds gewoon was alle bezoekers aan te kondigen en het
+vooral druk had als er eene equipage voor de deur stil hield, wier
+bezitster de kaart wou laten leggen--het gekef van Fidel waarschuwde,
+dat er bezoek was. Toen Neel de deur opende, zag ze een heer, die de
+slippen van zijn kale jas onder den arm droeg, om ze te beschermen
+tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten
+varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen
+een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden
+tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te
+vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij
+beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been
+drong. Doodsangst lag op zijn gelaat.
+
+»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de
+gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den
+staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn
+hart te kunnen ophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden
+komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in
+'t vat ligt, dat en zuurt niet.«
+
+Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie.
+
+De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was
+onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«
+
+»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt,
+doe ik het jullie.«
+
+»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.
+
+»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.
+
+»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie
+meêgegeten, toen ik klein was?«
+
+»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.
+
+»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«
+
+»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?«
+zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader
+op zee voer.
+
+Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat;
+maar hij zei:
+
+»Vergeten? Het is daarom dat ik je dit bezoek breng.«
+
+»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel
+nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene
+erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van
+daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop
+te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkige beeldspraak. »Maar
+veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht,
+om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je
+zult zien!«
+
+»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel
+keek hem leelijk aan.
+
+»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht
+ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit,
+versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik
+een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven,
+je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«
+
+»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje
+doe je heel wat!« meende Helms.
+
+Neel knikte ontkennend.
+
+»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je
+archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor
+je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek
+voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt
+al je levensdagen in een gangetje gewoond«....
+
+»Hohó!«
+
+»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c'est egal, zegt de
+Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet
+laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter
+niet.... niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar
+zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooit
+sprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus
+belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven,
+laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb
+ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef
+elk een kleinigheid«....
+
+»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.
+
+»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn
+zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening,
+vóór ik je het geld op deze zelfde tafel--of bij mij aan huis--kan
+uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van
+verlichting: ze was als gebiologeerd geweest.
+
+»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.«
+Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins
+haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat
+neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te
+gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat
+hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en
+hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets
+uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand.
+
+Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd.
+
+
+
+Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch
+zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was
+toch maar eerst gewoon bosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo
+wat en nu woont hij in een villa!«
+
+»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer
+krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«
+
+»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«
+
+»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont
+eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij
+slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en
+koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«
+
+»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«
+
+»Ja! en?«....
+
+»Maar dan moeten ze toch maar niet op d'r gemak zijn. Ik ga maar bij me
+zelven na: 'k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«
+
+»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein
+gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme
+lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die
+gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t'huis zijn.«
+
+»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende... Weet je, waar ik
+over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo
+rijk als Kresus.«
+
+»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«
+
+»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«
+
+»Ja.«
+
+»Heeft ze kinderen?«
+
+»Niets als een meid en een kat, kind noch kraai. Ja, erven doen
+we vast of.... ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d'r graf
+meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was,
+want je bent nu tusschen hangen en worgen.«
+
+»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog
+wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.
+
+»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De
+aardappelen werden geteld. D'r man zaliger had geen lor in te brengen,
+hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zou mij moeten overkomen,«
+(zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht
+voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d'r
+man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te
+doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk,
+zei ze. Bocht kon ze niet velen.«
+
+»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«
+
+»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. 'k Zal straks
+eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«
+
+»Een kwartje?«
+
+»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.
+
+»Nou, omdat het zoo'n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«
+
+Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met
+koffie en vertrok.
+
+»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.
+
+»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.
+
+»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze
+deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken
+vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte,
+om eens een kijkje in dat hok te nemen.
+
+Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?«
+
+»Neen, alleen wat brood met kaas!«
+
+»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk
+aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een
+paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken
+gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«
+
+»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.
+
+
+
+De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De
+raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar
+dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk
+van het dier.
+
+Een zee van lage pannendaken lag omlaag, want het huis was nog al hoog
+en Neel woonde op de tweede verdieping. Hier en daar strekte zich een
+dak wat hooger op; maar omdat men bezig was daar eene straat door te
+breken, bleef een groot vak van de lucht open. Ver weg, over de huizen
+heen, was de lucht rood gloeiend. Een paar grijze strepen liepen door
+den vuurgloed heen en eindigden in een zwarten stapel, aan de randen
+verguld. Het noordwesten spuwde nog steeds grijze massa's uit, die
+een oogenblikje de geheele lucht overtrokken als een grijze wasem,
+om dan weer door den wind weggeblazen te worden. Enkele gaspitten
+stonden stil tegen den horizon, die al grijzer en grijzer werd. Maar
+er vertoonde zich eindelijk een open vak, doorloeid van kronkelende
+vlammen, als door den wind allen naar denzelfden kant gebogen. Toen
+kreeg het noordwesten een kleur als geel koper, dat doffer en doffer
+werd. Een mat licht doortrok den ganschen atmospheer. In de verte
+schenen zich de zwarte huizen uit te rekken en de lantaarnpitten
+leken groote vonken, in de duisternis verspreid....
+
+Binnen in de kamer was het al geheel donker. Het knerpen van de
+keukendeur, door de tocht bewogen; het getiktak van den klokslinger
+en het gepruttel van den koffiepot op de kachel braken de hoorbare
+stilte af. Een groote lichte plek werd door het kachelgat op den vloer
+geworpen. Telkens als er stukjes asch omlaag vielen, was dit ook op
+den grond te zien. Op den gloeienden pot speelden sprankelende vonken
+krijgertje. Telkens als de vlammen opflikkerden, waren menigvuldige
+gaatjes en scheuren in de kachel zichtbaar, evenals de stukken
+waschgoed, die in het duister hun nevelige armen en beenen uitstrekten
+en waartegen de spelende vlammen gedempt uitkwamen. Ze bewogen zich
+zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm.
+
+De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende
+kachel.
+
+»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur
+wel gesloten.«
+
+»Zou je denken?«
+
+»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als
+een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou,
+het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die
+kachel eens: de mijne is er heilig bij.«
+
+»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«
+
+»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen
+niet om te halen, wel?«
+
+Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen
+neerliet en de lamp opstak, zei ze: »'k Zal de lamp maar opsteken,
+al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat
+ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de
+hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de
+in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend:
+»Wat kom jullie doen?«
+
+»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement
+wat brengen. Heb je iets warms?«
+
+»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«
+
+»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is 't niet stief,
+het is warm in 't lief. Ik houd anders wel van iets hartigs. Als
+'k zei, dat 't niet waar was, zou 'k liegen.« Ze slurpten langzaam
+haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met
+de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam:
+
+»Je weet, dat je moeder van d'r eerste man Halen heette. 't Was
+een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen--Kalen;
+want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor
+aardappelenbak.--Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man,
+een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen
+tegen«.... »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,«
+zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je
+zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.«
+»Toch was hij neef.«
+
+»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«
+
+»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en
+met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat
+niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan
+ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn
+gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit
+nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één
+moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog
+wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen
+hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijn beroerde
+klauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele
+konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig
+gulden en«.... »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het
+adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is God geklaagd: we zijn
+rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou
+nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het
+zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«
+
+»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo
+iets«.... »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd
+mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«
+
+»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.
+
+»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«....
+
+Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd:
+»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht
+van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar
+buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben.
+
+Men besloot, de kwestie open te laten.
+
+»Nou dan, zoo'n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule
+voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«
+
+»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als
+iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de
+Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht
+is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. 't Zou al casueel zijn,
+als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest op
+audiëntie«.... »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen
+en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«
+
+»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar..... daar hoor ik Hein.«
+
+»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die
+is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we
+later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende
+handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet:
+Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat
+ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze
+over een erfenis kwam malen.
+
+»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte
+Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet
+groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier,
+ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij
+was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met
+zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.«
+Boven gekomen, riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«
+
+»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.
+
+»Dronken? 'k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja.... één
+borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.
+
+»Eens in je leven? Wel, wel?«
+
+»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«
+
+»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«
+
+»Van Piehiet? Je bent stapel. Heb ik dat gezegd? Dat kan ik niet gezegd
+hebben, want het is niet waar. Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw
+wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde.... de dwarsdrijver! En
+nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.
+
+»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo'n verrot end. En dat zit nog
+met zijn sliksporen op mijn sporten.«
+
+»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. 'k Heb
+kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je
+hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van
+tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«
+
+»Wat is er van het prijsje?«
+
+»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is
+een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor
+van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige
+streek. Wat scheelt je oude?«
+
+»Wat zeg je daar? Is er niets«....
+
+»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We
+hebben pret genoeg gehad. Ik ben«....
+
+»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+BESMETTELIJKE ZIEKTE.
+
+
+In de stad heerschten de pokken. De namen van die er aan bezweken
+vormden in de couranten heele lijsten. Een vunzige lucht, doortrokken
+van carbol en chloor, hing in de nauwe straat, waarover zich dag aan
+dag een naargeestige, vuil-grijze hemel uitstrekte. De zwarte gevels
+zweetten de besmetting uit, die zich bijeentrok om de witte repen
+papier, op deuren en kozijnen geplakt. De vrouwen, die 's morgens voor
+den haard van de water- en vuurnering de hoofden bij elkaar staken,
+hadden het over niets anders als nieuwe sterfgevallen en nieuwe grepen
+van de gevreesde ziekte, die zijn klauwen links en rechts uitsloeg,
+als een grimmig roofdier, overal tegenwoordig, niets ontziende. De
+huizen stonden te rillen, deemoedig vol angst en vrees.
+
+In de nering hing een vuile nevel, die zich voor het vuur bijeentrok
+in gelige klampen, met een stank van vuile eieren. Het was een vuil
+gezin. De weinige meubelen waren bedekt met een dikke laag vuil en
+doortrokken met een zwaveligen turfdamp. Het kleine jongetje lag tot
+den middag in zijn goor ledekantje naar de vlammen te kijken en liep de
+andere helft van den dag in een vuile hanssop, met ongewassen gezicht
+en steil rechtopstaand, geel haar. Even vuil was z'n moeder, met een
+taankleurig, gemeen gezicht en een rok, waar de flarden bij hingen. De
+man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd,
+en die op een vuilniskar reed, bracht 's morgens de theestoven weg,
+terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. 's Avonds zat
+hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z'n vrouw bij
+het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een
+stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met
+deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok
+hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar
+leunende tegen den grooten, zwarten doofpot.
+
+Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk.
+
+»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.
+
+»In godsnaam, d'r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor! Ik
+zou je danken! Dan krijg je zoo'n verrekt briefje op je deur en je
+klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en
+'t is hier toch al niet opgeschept!«
+
+»Enfin, we zullen afwachten!«
+
+»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter
+komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«
+
+Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgende dagen telkens
+in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg
+het op, om het wat »op te monteren.« »'t Was altijd zoo'n oud ventje,
+maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest
+wat op 't plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door
+hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig
+lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude
+valwinden, die op z'n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur
+aan uur met vochtige oogen te klappertanden en te rillen onder de
+liefkozingen van het monster, de pokken.
+
+Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon
+niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit
+bed wou nemen.
+
+»Daar heb je 't gedonder, zie je wel?«
+
+»'k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar 'n dokter komt hier
+niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een
+jankende vent, 't is wat lekkers! Meteen zal 'k een bedje in de
+keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we
+worden bekend als de bonte hond.«
+
+»Ik heb er 'n zwaar hoofd in, anders zeg 'k niets.«
+
+»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, 't is ook wat! En 't
+is maar 'n kind. Erger zou 't zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan
+liep de heele boel in 't honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er
+meê optrekken doe 'k niet. 'k Mot den heelen dag genoeg vort met
+m'n donder!«
+
+»Ik zal wel waken, als 't noodig is.«
+
+Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op
+drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun
+dekentje, vol gaten en tot den naad versleten. Daar lag het te
+turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts,
+naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De
+wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen
+in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke
+gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, 'k ben zoo bang!«
+
+Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de
+doffe trillingen sneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees
+ineenkrinkelde.
+
+De rukwinden deden de ruiten daveren. De snijdende huilingen van
+den hond, de verwarde stemmenklateringen der klanten, de zwavelige,
+gele turflucht doezelden ineen tot een walgelijke massa, waarin de
+kleine lijder lag te stuiptrekken. Een jong varken op 'n mesthoop!
+
+En 's avonds keek het naar het dansende vlammetje in het glas olie
+en water en naar de wemelende repen schaduw, telkens afdwalende naar
+den donkeren gapenden mond der schoorsteen, vol stille ontzetting,
+vol stomme doodsangst. En als het vlammetje knetterend uitging,
+dan sparde de vreeselijke muil zich open en deed een grooten hap,
+alles verzwelgende. Het kind greep wanhopig het dek, de armpjes
+langs het lijf, de schouders omhoog getrokken. Tot de koorts weer het
+zwakke lichaampje deed schudden, met ijskouden tocht het levensvonkje
+beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend.
+
+Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes
+in de zijne.
+
+»M'n lief, arm ventje. M'n lief, arm ventje.«
+
+De derde dag, 's Zaterdagsavonds, zei de man:
+
+»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m'n hart me in de keel.« Hij
+liet z'n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig
+dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te
+maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z'n bezige
+handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z'n versuft brein. Hij
+gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde
+hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van
+ingehouden tranen zeggend: »M'n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet
+meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z'n handen.
+
+Tot z'n verwondering spoorde z'n vrouw hem aan, om een dokter te
+gaan. De zaak was, dat ze van de onteigening had gehoord. Er was
+'n slaatje te slaan. En als er geen dokter bij geweest was, kwam er
+niets van in, meende ze.
+
+De geneesheer voer hevig uit.
+
+»'t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie
+ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«
+
+»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen
+op veere bedde kunne legge. Weet u wát een schandaal is? Dat we met
+al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan
+weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.
+
+De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z'n pet in de
+handen rond.
+
+»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er
+toch op de wereld.«
+
+Toen hij weg was, ging de vrouw op 'n vreeselijke manier te keer. Ze
+vervloekte hemel en aarde. 't Briefje, dat op de deurpost geplakt werd,
+scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam
+kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had
+wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een
+besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel,
+het er weêr af te scheuren.
+
+Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen
+dag met den tang rond zich te slaan, leelijk vloekend. In het
+huis hing een walgelijke lucht van carbol, waarmee de vloer werd
+besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar
+nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar
+lijden, dat 't gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets
+als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal
+moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar,
+zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren.
+
+Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »'t Is dood!«
+
+»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? 't Hangt
+me de keel uit.«
+
+De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord,
+dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«
+
+»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat
+af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in
+z'n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van
+gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den
+dood van 't kind, wie weet, had het niet nog blijven leven. Zoo gaat
+het, een arm mensch is niet in tel. Dien dokter was 't zeker gaan
+vervelen en daarom had hij 't maar kapot gemaakt. En hij balde de
+vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en
+allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen.
+
+Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren
+en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt.
+
+De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich
+pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had
+kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«
+
+Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek
+van twee vrouwen had gehoord. 's Dokters naam was genoemd:
+
+»Die? 't Is 'n knap man, daar zal 'k niks van zegge, maar van pokke
+heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal,
+allemaal! Maar 't is 'n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een
+voor, die de rijke niet hebbe wille.«
+
+»Zoo is 't,« juichte de man in z'n binnenst. »De armen motten er onder,
+wat dondert het, of er 'n paar krepeeren? Er zijn er genog.«
+
+Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een
+enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders
+motten er an.« En hij vloekte ruw.
+
+Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich
+den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij
+hoorde ze spottend, ernstig, klagend, met schaterlachen, met bleeke,
+weemoedige glimlachjes, op allerlei toonhoogten, elkaar verdringend,
+op elkaar opstapelend, samensmeltend tot 'n afgrijselijk koor,
+waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er 'n opening in
+gemaakt, die 'n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde,
+langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij
+zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de
+rechtbank, zóó, dat ieder 't goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij
+zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We
+willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons
+niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z'n bed,
+trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist
+hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig.
+
+»De pokstof in m'n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat
+hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja,
+dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te
+werken. 't Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had
+ingezien. Bah!«
+
+Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. 's
+Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat 't
+kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken,
+present te zijn.
+
+»Vooruit ezel! werk! werk!«
+
+Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z'n
+eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.
+
+In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde
+giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den
+voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En
+zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d'r eigen
+vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«
+
+Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de
+arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen
+op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen,
+dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het
+hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen
+en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde
+hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep
+hier. Als 'k nou mijn kind eens wou opzoeken, zou 'k niet eens weten,
+waar 'k 't kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal
+verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor
+menschen op de wereld. Bah! Allemaal in 'n put en 'n zwaren steen er
+op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«
+
+Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel
+lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het
+werktuig om zich.
+
+»'n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel
+de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de
+eer, den overledene bewezen en ze gingen terug.
+
+Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden
+zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.
+
+»Neen.«
+
+De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en
+neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i,
+op den bok. Heb je ooit?«
+
+Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar
+woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.
+
+Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed.
+
+'s Morgens ging hij naar z'n werk, ontevreden en knorrig.
+
+Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteur met
+'n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles
+aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken,
+kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een
+paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek....
+
+»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een
+nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van 'n broek.«
+
+»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als 'n nieuwe. Als die weg is,
+motten we 'n nieuwe koopen.«
+
+De taxatie viel nog al meê. Wat kon 't haar schelen, dat de inspekteur
+iets mompelde van: »Lamme lui, die 't onderste uit de kan willen
+hebben?« Het geld is er immers voor?
+
+Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen
+de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd.
+
+Na een poosje kwamen mannen den vloer schrobben met carbol. 't Vuile,
+berookte behangsel trokken ze af en de muren werden gewit. Een agent,
+'n klein, bol, mottig ventje, zat midden in 't vertrek op een stoel,
+toe te kijken en te praten. De vrouw trakteerde eerst op jenever
+en toen deden de mannen het zichzelf. Ieder gaf op z'n beurt een
+rondje. Ze verdienden grof geld. De vrouw meende te verstaan een
+riksdaalder per dag. Onder ruwe scherts deden ze hun werk, de mouwen
+van hun pilow kielen en de pijpen van hun broeken opgestroopt.
+
+Toen ze 's avonds heen gingen, lieten ze een akelige lucht na van
+jenever, vuile tabak, carbol en chloor.
+
+Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven
+hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van
+een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken
+zou krijgen.
+
+»Toen z'n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen
+'t kind dood was en 't huis geredderd was, kwam hij weer naar z'n
+vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd
+aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem
+zien. 'n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou 't niet gebeurd
+zijn,« meenden de mannen.
+
+»Wierook, wierook!«
+
+Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed 'n paar stukken in 'n
+test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt
+te hebben.
+
+Langzaam werd het vertrek gevuld met een gelen, dikken,
+verstikkenden walm, die haar op de hersenen drukte en de vlam der
+lamp verdonkerde. Langzaam klampten ze op tegen de wanden, naar den
+zolder en kringelden er langs en daalden af en klommen weer op, de
+eene rookkring over den ander, door elkaar, in elkaar. Ze schoven
+over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart
+naar toe vlogen, als opgezogen.
+
+Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de
+borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch 't kwam haar vóor, dat
+daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had
+samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar te
+omwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op 'n stoel en hield de
+test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of
+wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van 't hoesten en was als bezeten
+van 'n geheime angst. Haar verwarde, losgevallen, drooge haren slierden
+langs haar gezicht, als kronkelende slangen. Het licht werd donkerder,
+omhuifd door 'n vuil gelen nevel. De rookwolken vormden allerlei
+dreigende gezichten, die haar uit de donkere hoeken toegrijnsden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN SCHAFTUUR.
+
+
+De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen,
+toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een
+herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten
+dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap
+was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas,
+die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te
+zetten en de slippen wat in te korten; het meisje door een dikken,
+verschoten grijze doek, over het hoofd geslagen, eenige malen
+om het lijf gewonden en met een dikken, dubbelen knoop op den
+rug vastgemaakt. Toch bibberden ze. Frans merkte spoedig, dat het
+verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje
+brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie,
+in een doek gewikkeld.
+
+»Zeg, Leentje, ik wou, dat ik het brood mocht dragen.« Het meisje
+keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan.
+
+»Waarom?«
+
+»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van
+die lekkere diepe!«
+
+»Nou, als je wilt« ... Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door
+zelfzucht laten leiden:
+
+»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte
+ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans
+had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze
+met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken.
+
+De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De
+enkele parapluie's dreven snel over de straat en ook de lieden zonder
+regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de
+gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast
+elkaar. Ze hadden sinds 's morgens niet gegeten. »Het laatste stuk
+brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet,
+mochten ze 't opeten« was hun zuchtend gezegd.
+
+Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte
+en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en
+huizen. Geen mensch was er te zien. De schepen schenen geen bewoners
+te hebben. De huizen keken bedroefd op hen neer. Een mantelmagazijn
+en een ijzerwinkel hadden het licht nog op en de vlammetjes keken
+spleenziek naar buiten.--Tot tijdverdrijf maten de kinderen met
+schreden de afstanden tusschen de lantarens. Het water sieperde uit
+hun schoenen, telkens als ze de voet neerzett'en. De straat was zeer
+modderig en waar de steenen door de sleeperswagens verzakt waren,
+hadden zich donkere plassen gevormd, die het geringste lichtstraaltje
+gretig opvingen en weerkaatsten.
+
+Ze gingen voorbij de zeetijdingen, die door een lamp achter traliewerk
+verlicht waren. Een man stond ze te bestudeeren.
+
+Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader
+werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij
+pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen,
+dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood
+en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden
+was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje,
+zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op
+planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van
+een lantaarn, die op den grond bij het huisje stond, viel op de grove
+gezichten, zwart van kolenstof; gezichten zonder eenige uitdrukking,
+stomp en wezenloos; en deed het wit der oogen glinsteren, als bij
+negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet.
+
+Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand
+boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had
+het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing
+om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige,
+vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou
+kunnen worden.
+
+»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten. Of je vader honger
+lijdt kan je niet.... Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is
+toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al
+het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid,
+en de borst van den jongen piepte en knerpte.--De man ging hun met
+vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek,
+het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling
+op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien,
+die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij
+wendde zich rechts en kwam in een lange gang, slechts aan den ingang
+verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis
+hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen
+door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven
+stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg
+tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond
+eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en
+roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk
+heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de
+machines, dan op de kombuis.
+
+De vader had onderwijl plaats genomen.
+
+»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen
+toon en met een blomzoet lachje.
+
+Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid.
+
+»De jongeheer schijnt boos te zijn.«
+
+»Dát moest er waarachtig nog bij komen. Ik heb reden«....
+
+»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«
+
+»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit
+en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun
+duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er
+zenuwachtig van.
+
+»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare
+scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt
+pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij
+met Jan Rap en zijn maat«....
+
+»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.
+
+»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«
+
+»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude
+drukte van belang, net als de burgemeester van 't afgebrande dorp. Ik
+kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op
+zijn zang!«..
+
+»Nu ja, maar ik doe als de vader van 't dolhuis: Ik stoor me aan
+geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en 'k denk ondertusschen:
+»'k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen
+aangenomen werk!«
+
+»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek
+benul.«....
+
+»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee
+maal twee.«
+
+»Haha! daar heb je ze, die 't Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in
+de steel.«
+
+En de mannen lachten.
+
+»En dat is nog al van 't hondje gebeten.
+
+»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de
+zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«
+
+»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet
+weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de
+weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet
+koestem is, dan.... dan weet ik het niet.«
+
+»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«
+
+»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt
+hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de
+schuld... Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. 't Is makkelijk
+genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken,
+en 's Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«
+
+»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.
+
+Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak
+gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een
+groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald,
+volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van
+het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de
+boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een
+vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn
+lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten
+en stooten.
+
+»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig
+gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.
+
+Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen
+verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo'n schop
+zouden wij een dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur
+wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op
+het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden,
+inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel
+geheel in het licht. De vlammen oefenden op Frans een merkwaardige
+aantrekkingskracht uit. Hij kwam naderbij.
+
+De mannen aten samen de boterhammen op. Leentje hield met moeite een
+zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene
+vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen
+mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was--ze had een
+lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat
+is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een
+woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan
+het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig
+glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar
+spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht.
+
+De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero
+Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde
+de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef
+voor de kombuis staan. Dadelijk werd voor hem ingeschoven. Ze zaten
+nu schouder aan schouder, elboog aan elboog.
+
+»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de
+deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te
+toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen«
+zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater
+in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen:
+de keel was haar als toegesnoerd.
+
+De boterhammen waren op een na verdwenen.
+
+»Dáár, eet jullie 'm maar op, holle Gijzen.«
+
+»Ik lust niet« zei Leentje.
+
+»Hier Frans!«
+
+»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«
+
+Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk
+in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en
+hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet
+toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans
+haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik.
+
+»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed
+als vreemden.«
+
+Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak
+slaag. Elk woord was een vloek.
+
+»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo
+geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten,
+dat de nagels in het vleesch drongen.
+
+»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij op de steenkolen
+geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop
+vuur weg.
+
+Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »'k Zal
+je leeren, op den poot te spelen.«
+
+Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij
+dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van
+machtelooze woede.
+
+»Zoo'n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«
+
+»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit,
+dat beroerde koppen.«
+
+Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg
+had gehad.
+
+»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze
+was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.
+
+Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart
+fleschje. »Medicijnen« lachte hij. Leentje keek toe. Ze zag den
+stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De
+steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel
+en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne
+beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze
+van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een
+gedienstig lachje: »'t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen
+kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.«
+En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te
+pas, als je kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte
+de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de
+Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak,
+Hottentot! Maar allà, wat kan 't mij schelen. Ze zullen den negenden
+dag wel boven water komen. 't Is tuig van Laban!«
+
+De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te
+zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al
+volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken
+aan: »o vader, o vader, kom t'huis.«
+
+Daar begon de dronkaard:
+
+
+ »Als 't kermis is, als 't kermis is,
+ Dan slacht mijn vaêr een bok,
+ Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder,
+ Al in haar blauwen rok!«
+
+
+Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter
+meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied.
+
+Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden,
+vond roode Jan. Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor
+je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis,
+als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest
+je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch
+nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor
+een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat de anderen ook zoo
+moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij 't eten wilde.
+
+Frans Sr. betoogde, dat hij zich ook niet op den kop liet zitten. Nog
+gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij 't vierkant in
+het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de
+verdommenis niet. Naar zijn pijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte
+wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten,
+dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht
+Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar
+de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik
+weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.
+
+Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel,
+dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het
+was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden
+bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was
+geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze
+elkaar hartelijk de hand en fluisterden elkaar nietsbeteekenende
+geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap.
+
+
+
+De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding
+gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende
+de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking
+verdween dan ook van het bleeke gezichtje.
+
+Vader riep hen. Ze pakten de kruik in maar hielden op, toen de man
+de kom aan stukken gooide, met een gezicht als waarmee een rijke
+verkwister een banknoot zou verbranden. De leege flesch ging denzelfden
+weg. Nu was het Jan's beurt en gedachtig aan het »van andermans leer
+is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen,
+van zins, ook de breekbaarheid van deze te bewijzen.
+
+Toen vloog Frans op hem aan, klemde zijn armen om 's mans hals en
+trapte hem met alle macht tegen het lijf, zoodat Jan het uitbrulde van
+pijn. Hij hief de kruik in de hoogte om haar op het hoofd zijns vijands
+te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je
+den boel kapot gooien, waar moeder zoo hard voor moet werken? Al laat
+hij het toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend
+uit. Zijn vader was verbluft en keek met open mond toe. Werktuigelijk
+stak hij de hand uit, om den jongen tegen den grond te kwakken, maar
+de stoker voorkwam hem. Behoedzaam, maar met kracht rukte hij Frans
+van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.«
+
+Jan herstelde zich en dreigde sarrend zijn voornemen toch ten
+uitvoer te brengen. Frans stampte op den grond, klemde de tanden
+opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar
+toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?«
+Half en half verwachtte hij, evenals Simson, eensklaps krachtig te
+worden, om zijn vijand te kunnen verslaan. Het gevoel van minderheid
+bracht hem opnieuw tot woede.
+
+»Ik wou, dat«... De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan
+zei sarrend: »Het komt niet van 't wenschen,« zei de boer: »dat mijn
+kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier
+stonden twee vijandige dieren tegenover elkaar: het eene machteloos,
+het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was,
+o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er
+schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die
+zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.«
+Hij begon zich te schamen. De armen vielen hem slap langs het lijf. De
+stoker duwde hen zachtjes voort om hen naar boven te brengen. Jan
+fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een
+uil in doodsnood!«
+
+Nadat de stoker de kinderen de stelling had afgeholpen, bracht hij
+Jan onder het oog, dat hij een flauwe kerel was en zich behoorde te
+schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd:
+toen men keek of ik een jongentje of een meisje was. Nu draag ik
+een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei:
+»Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je
+tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.«
+En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet
+vóór de ander buiten gehoor was.
+
+Frans Sr. tuurde op de gebroken jeneverflesch. Eensklaps brak hij in
+tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan
+haalde de schouders op en ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik,
+dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.«
+
+
+
+Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart
+vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.«
+
+Ze waren de stelling afgeloopen. De mannen, die met eten klaar
+waren, zaten te schertsen met hunne of andermans vrouw. De kinderen
+beproefden, de balken en planken te doen wippen, op gevaar af, ze te
+breken. Het licht van den lantaarn bij het huisje scheen Frans rooder
+dan straks. Vurige stralen schoten heen en weer als bliksemflitsen. De
+balen katoen schenen aan te rukken om hem op de borst te vallen. De
+lichtjes, die hem anders van de overkant toepinkten, waren nu niet
+te zien...
+
+Hier en daar was men weer aan 't werk begonnen. De steekwagens
+en de stoomlieren ratelden van verre. Mannen schreeuwden. Enkele
+sleepersknollen stonden nog als in de aarde geplant; andere werden
+reeds onbarmhartig voortgezweept.
+
+De kinderen liepen voort, naast elkaar en toch als door eene muur van
+elkaar gescheiden. Op de haven was het doodstil en donker. De boomen
+schenen met lange vingers dreigend naar den hemel te wijzen... Het
+was droog, maar zwarte wolken dreven pijlsnel voort, alsof ze het
+oord wilden ontvluchten....
+
+Een dienstmeid wierp eten achter een boom. Een havelooze,
+schokschouderende kerel, die zeker in een der wagens had gelegen, welke
+daar stonden, raapte het eten op, eer de meid, wier lichte kleeding
+scherp afstak tegen den donkeren achtergrond, in de deur was verdwenen.
+
+De kinderen gingen bij stilzwijgende overeenkomst eenige schreden terug
+en een steeg door, die hen op den Dijk bracht. Voorbij het armhuis,
+een grooten, grijzen klomp zonder licht, somber en dreigend. En slechts
+eenige huizen verder klonk dansmuziek. De triangel klonk boven uit,
+schril als de roode bol boven de deur afstak tegen het duister in
+de verte en rondom. Opgeschoten jongens stonden eene vrouw aan te
+gapen, die in een witte verlepte jurk met zilveren loovertjes voor
+de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der
+bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar
+kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat,
+eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig
+voort. De torenklok sloeg elf uur. De herbergen waren natuurlijk nog
+druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten
+op den rand van het trottoir, dat bij een pakhuis ophield. Het zweet
+brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De
+lantarens geleken op groote, vurige oogen, die stralen uitschoten. Het
+was of de straat een berg vormde, die eenige meters van hem af
+veranderde in een afgrond, langs welks wanden alles, ook hijzelf,
+in duizelingwekkende vaart afgleed. Dan weder golfde de bodem in de
+breedte. Hij rolde om en om met huizen en al. Rondom was het licht als
+bij brand en hij hoorde sterke geluiden, alsof er op trompetten werd
+geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een
+grooten, grijzen bol, die vervolgens zichzelf in het midden uitholde,
+toen dubbelviel, weder een bol werd en zich splitste in donkergrijze
+en zwarte balletjes, die op een paars veld ronddwarrelden. Frans
+stond op en ging wankelend verder. De bollen draaiden van hem af en
+naar hem toe, tot lang, nadat hij reeds te bed lag. Hijzelf zag in
+hetgeen hem overkwam de straf voor het gebeurde op de boot. Leentje
+scheen dat gevoelen te deelen; althans, toen ze nog op den stoep zaten,
+had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!«
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EENZAAM.
+
+
+'t Was een donkere Zaterdagavond in November. Door had gehoord,
+dat haar zoon bedankt zou worden. Het waaide nog al en een fijne,
+nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind
+liep ze voort, huiverend in haar koude omslagsdoek vol gaten,
+een erfstuk. Ze liep door de natte, huiverige straten, vervuld van
+beginnende Zaterdagavonddrukte en kwam eindelijk op een glibberige
+kade, waar haar voeten telkens uitgleden. Enkele dunne kale boompjes
+schudden weemoedig 't hoofd en lieten groote droppels als tranen
+neervallen. 't Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen,
+ruw-afgebrokkelden weg. Door de neteldoeken gordijnen van een eenzaam
+huisje goot een lampje een plas licht in de zwarte duisternis. Een
+vrouwestem zong:
+
+
+ »Slaap, kindje, slaap!
+ Daarbuiten loopt een schaap.
+ Het schaap heeft witte voetjes,
+ Het drinkt zijn melkje zoetjes.«--
+
+
+op een zeurigen wijs om een kind te doen bedaren, dat eentonig, gillend
+huilde. De tranen sprongen Door in de oogen. Door de overspanning,
+waarin ze verkeerde en de inspanning van het loopen waren haar zenuwen
+geheel van streek. Ze gevoelde zich krachteloos en geheel passief en
+kwam in een melancholische, weeke stemming.
+
+Eindelijk naderde ze de fabriek. Achter de heg van vlierstruiken,
+daar tegenover, op een plek, waar 's zomers een lang, spichtig gras
+en lischdodden groeiden, stond eene oude, donkere kermiswagen. Een
+groote bandrekel, die er onder lag, huilde telkens, als de wind
+met een nijdigen ruk uitschoot en kroop dan in de donkere schaduw
+terug. Van bewoners geen spoor. Een paar knotwilgen hieven hun stompe
+armen omhoog, als in vertwijfeling.
+
+Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime
+erf, welks eenige stoffeering bestond in een grooten, donkeren hoop
+sintels, dof glimmend van vochtigheid en een vervallen hondehok. Het
+erf was door een paar olielichten op nog nieuwe palen weifelend
+verlicht. De vlammen stonden soms eenige oogenblikken stil en wierpen
+dan lange strepen geel licht op de glimmende asch, om ze bij een
+windvlaag uit te vegen, in te krimpen en tot cirkels te ronden, in wild
+gewoel.--Achter de matglazen ruiten van het gebouw zweefden telkens
+donkere schaduwen als chineesche schimmen voorbij. Eentonig droppelde
+het vocht van de uitstekende lijsten op de koolasch. Regelmatige
+slagen als van een pompzwengel bonsden naar buiten.
+
+Door verschool zich achter het hondehok, tegenover een klein deurtje
+met ijzeren tralies. Naast deze uitgang bevond zich een ruwe, houten
+trap, met een halven spiraal de duisternis indringende en waarlangs de
+bovenverdieping kon ontruimd worden. Daar stond ze met onafgewenden
+blik naar de fabriek te turen. Door de eentonige, bulderende vlagen
+en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze
+geheel en al tijd en plaats vergat. Werktuiglijk kromp ze voor de
+kou ineen. Het gebouw scheen weg te deinzen in de dikke duisternis
+rondom, die de roodachtige olievlammen oploste. Het gehuil van den
+hond, bij tusschenpozen herhaald, maakte haar zenuwachtig. En het
+gezang der vrouw, die het kindje stil zong, klonk haar aanhoudend
+in de ooren, nu flauwer, dan sterker. Dezelfde moedeloosheid als
+straks maakte zich van haar meester; een dierlijke vrees, ze wist
+niet voor wien of waarvoor. Als de hond jankte, scheen het gevaar te
+genaken. Haar keel werd dan als toegesnoerd en ze hapte naar adem. Op
+zoo'n avond moest het geweest zijn, dat haar melancholische vader zich
+had verdronken. Als de omtrek lichter geweest was, had ze de plek
+kunnen zien, waar hij was opgehaald, tusschen de palen gekneld, met
+kroos bedekt, bij de lange spookachtige brug, waaronder het bruine,
+opgezweepte water heenrolde, ver weg, ver weg, in het dikke duister
+zich verliezende..... Een drukking op de borst, door geslaakte zuchten
+niet afgewenteld, verpletterde haar. Maar als de hond zweeg, liet
+ze zich zachtjes afdrijven op de murmelende golfjes en de breede
+windvlagen schenen haar op te voeren en in een onmetelijke ruimte
+neer te werpen, vol rust en stilte. Een stille, namelooze smart
+overweldigde haar, wier planteleven anders zonder groote schokken
+voorbijging. Het gevoel van een ledig rond haar, dat haar aangreep,
+als ze 's avonds alleen zat en het holle vertrek haar aangaapte,
+overviel haar ook nu. Haar ontbrak iets en ze kon toch niet zeggen
+wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg
+dezelfde heimweeachtige stemming als de regenachtige Novemberavond.
+
+Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid,
+hoewel ze het droomige gevoel niet van zich kon afschudden. De
+dierlijke angst beving haar weder. De meeste lichten op de
+bovenverdieping werden uitgedraaid en na eenige oogenblikken daalden
+eenige mannen de trap af, zich aan de waggelende leuning vastklampende,
+want de treden waren zeer glibberig.
+
+»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij
+belazerd!«
+
+»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.«
+
+»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is
+de zjooze!«
+
+De mannen hadden de jassen met de mouwen om den hals geknoopt. Onder
+aan den trap vormden ze een kring, den man die bedankt was, in 't
+midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,«
+want wat deed je met die rompslomp, je kwam er maar door in last. Maar
+hij verdomde het. Dacht je, dat hij voor dien salamander bang was? Om
+de verdommenis niet. Negen jaar wilde hij er aan wagen. Krijgen zou
+hij hem, al moest hij drie dagen en drie nachten als een bandrekel
+voor de deur liggen.--De andere gingen door, want ze wilden niet in
+moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen
+verwijderden zich kletsend. Nu en dan bleven ze een oogenblikje
+staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!«
+Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen
+nog dompiger dan daareven. Eindelijk hoorde men niets meer.
+
+De achtergeblevene sloeg met de armen over elkaar, stak een kort pijpje
+aan, op den regen en den wind vloekende, en stampte met de klompen op
+den grond. De laatste lichten boven waren gedoofd. Op het portaal van
+den trap klonk sleutelgerammel en na eenig getalm vroeg een heesche
+mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige
+heeren tippelden de trap af, met zwaren stap voorafgegaan door een man
+met lakensche pet, die een geldzak, een bos sleutels en een slingerende
+lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen
+vielen tegen den glinsterenden muur, met lichtspikkels bezaaid. De
+man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór
+moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert
+jou niet. De weg is vrij; 'k zal gaan waar ik wil, al wou ik naar de
+hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat
+ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? 'k Verdom ze lekker!«
+De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal
+je wel eens op je verdommenis komen, wacht maar!« Maar de kleine deur
+was reeds achter hen dichtgevallen.
+
+Weder hoorde men een geroezem binnen. Het licht achter de matte
+ruiten verdween. Een enkel raam stond nu als een vierkante gouden
+vlek, stil tegen de gedeukte, donkere massa. Het geroezem werd een
+dreigend gemompel, dat overging in een hevige woordenwisseling tusschen
+eenige personen. Op eens werd de deur opengesmakt en een stem, schor
+van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa
+elkaar kruisende armen werd een jonge, bleeke, haveluinige kerel naar
+buiten gegooid, zoodat hij met zijn gelaat op de scherpe koolasch
+viel. Zijn pet werd hem nageworpen. Na een oogenblik krabbelde hij
+op, zette met een versuft gezicht zijn pet op, veegde het bloedend
+gelaat af en begon te vloeken, zijn magere armen naar de gesloten deur
+uitstrekkend met zoo'n kracht dat zijn geheele lijf schudde. De andere
+kerel, die aanvankelijk met een levenloos dom gelaat had toegekeken,
+legde de hand op zijn schouder en sprak zachtjes met hem. Het zwarte
+dronkemansgelaat; de roode zakdoek om den hals; de klompen met hooi;
+de korte, slobberige broek en de klungelige jas gaven hem het voorkomen
+van een landlooper. Na eenigen tijd kletsten ze heen, de modderige
+plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien,
+dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je
+zou je eigen aan den galg helpen!«
+
+
+
+De jonge man, met zijn mager, bleekgeel gelaat en zijn brandende
+oogen, in diepe kassen en onder de borstelige wenkbrouwen weggezonken,
+was haar zoon. En toch was het, of hij haar vreemd was, zoodat ze
+geen moed had, hem toe te spreken. Ze zag hem zelden, want van zijn
+twaalfde jaar af bijna, zat hij tot diep in den nacht te kaartspelen,
+terwijl zijn ruwe stem boven de andere uitklonk. En later werd hij een
+trouw bezoeker van danshuizen. Soms kwam hij 's nachts in het geheel
+niet t'huis en sliep dan op een brits in een politiebureau of op andere
+plaatsen. Zijn luttel kostgeld legde hij altijd op den schoorsteen in
+een kopje, zonder iets te zeggen. 's Morgens ging hij naar de fabriek,
+het brood meenemend, dat ze voor hem had klaargezet. Hij was geheel
+verdierlijkt en alleen op zijn gemak bij het kaartspel en gemeene
+meiden. Zoo kwam het dat ze in hem een vreemde zag.
+
+De teederheid van een wijfjesdier, die haar een oogwenk van afgunstig,
+hunkerend verlangen vervulde, trok zich terug. Het was haar of het
+namelooze, waarnaar ze verlangde, een eind weggeslingerd werd. Het
+wijfje kende haar welp niet meer.
+
+De fabriek spuwde de overige werklieden uit. In groepjes gingen ze
+heen, luid pratend. De oudere lieten zich wel zeer voorzichtig uit, en
+spraken met gedempten stem; maar de jonge kerels gaven in ruwe woorden
+hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten,
+zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een
+marcheerende soldatentroep, waren weldra niet meer te hooren.--Het
+eenige licht venster verdween. Toen vertrokken de heeren, door den
+man met de lantaren onderdanig uitgeleid. Ze droegen hem op, alles
+nog eens na te gaan en gingen heen, zachtjes pratend.
+
+Hij sloot zorgvuldig de deur en schreed in alle richtingen de werf
+over, fluitende met een schril geluid.
+
+»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.«
+
+Ze klappertandde.
+
+»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!«
+
+»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. 't
+Gaat me niet aan. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Wat? Ik voor
+hem in de bres springen? Morgen brengen.«
+
+Door ging sloffend heen.
+
+»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij
+me geen hand of vinger aanraakt, want zoo waarachtig als God leeft,
+al moet ik hemel en aarde bewegen, hij gaat naar Leeuwarden. Laat
+hem dat gezegd zijn!«
+
+Door had suffend staan luisteren, zonder zich om te keeren. Als een
+sleepersknol ging ze heen, slobberend door de nog meer dan straks
+doorweekte klei, een stil gevoel van treurigheid en verlatenheid
+meêdragende.
+
+De man bleef een poos nadenkend staan.
+
+»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De
+heeren willen nu eenmaal niet gebrutaliseerd zijn, dat weet een kind
+wel. Wie is ook zoo stom, om zijn eigen glazen in te gooien? Met een
+zacht woordje krijg je veel meer van ze gedaan. Als 't mij te doen
+stond, zou ik me languit op den weg gegooid hebben en ik zou niet
+opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó
+zijn ze nu niet, dat ze over een mensch zouden heenloopen. Maar die
+dondersche jonge kerels denken er zoo licht over, om weggejaagd te
+worden!... Nu ja, men noemt me een strooplikker. Dat ben ik en dat
+moet je wel zijn, als je brood wilt hebben. Ik heb de wereld niet
+gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging.
+
+Een paar schrille tonen fluitend, die wanluidend door de stille
+duisternis klonken, dribbelde hij heen en weer, de donkere hoeken
+belichtend en de olielampen uitdovend. In zichzelf vloekte hij op het
+smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende
+lantaren langs het pad. Eensklaps viel ze omlaag en doofde uit. Ruwe
+vloeken en een flauw geschreeuw om hulp drongen tegen den wind in.
+
+
+
+Een uurtje later lag hij in het eenzame huisje, bleek en
+bewusteloos. Door perste haar verwilderd gezicht stijf tegen de ruiten,
+op gevaar af van ze te breken. Een zacht kermende vrouw hield een
+met bloed doortrokken doek tegen zijn hoofd en had oog nog oor voor
+het jongetje, dat, haastig neergelegd, zich had bloot gewoeld en nu,
+huilend met de roze, harde armpjes en beentjes lag te spartelen. Het
+had verdriet: de tranen biggelden langs zijn wangen, maar toen het de
+lamp in het oog kreeg, hield het er de verduisterde oogjes opgericht
+en knipte de traantjes weg, die tusschen de wimpers hingen.
+
+En de vrouw keek radeloos rond, of er niemand was om naar den dokter
+te zenden. Misschien was haar man, die langzaam doodbloedde, nog
+te redden.
+
+Eerst na een poos bekwam Door uit hare verdoving. Ze kreeg een gevoel
+van voldaanheid: de tijgerin zag bloed. Nu ze wist, Hein verloren
+te hebben, scheen ze door nieuwe banden aan hem verbonden. Een
+tijgerachtige wreedheid kwam over haar en doortrok haar gansche
+wezen en schudde haar op uit de nevelige soezigheid. Ze haatte op
+dit oogenblik alle menschen met een teugelloozen haat, uit zijn
+onbewustheid opflikkerend met een verteerenden gloed.
+
+De bulderende wind; het donkere water; de gapende zwijgende ruimte
+om haar--daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van
+zelfbeschuldiging maakte haar behoefte om te haten, nog sterker. Half
+razend ging ze naar huis, door dik en dun stappend met stevigen, vasten
+tred; de vuisten dicht geklemd, dat de nagels in het vel drongen;
+stijf in de lucht starend. Ze moest vernielen en haar vuisten knepen
+flarden van den doek. De tanden knarsten. T'huis wierp ze verschillende
+voorwerpen met kracht tegen den grond. Toen ze was uitgewoed, hoosde
+ze eerst wat koud water naar binnen en dronk daarna een donkergroen
+fleschje leeg, meer dan half gevuld met jenever. Dat fleschje hield
+haar steeds op de tafel gezelschap, door lappen en papieren aan de
+oogen van vreemden onttrokken.--Ze vloekte, schopte de kat en beet
+op de vuisten, haar muts verscheurende, heur haren los trekkende,
+tot ze in eene doffe sluimering viel. Met een flauw, mat gevoel van
+onvoldaanheid en ontevredenheid ontwaakte ze en slechts na opnieuw
+jenever gedronken te hebben, herinnerde ze zich, wat er gebeurd
+was. De eerste dagen was ze aanhoudend in eene roes.
+
+
+
+
+
+II.
+
+Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings
+warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze
+staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit
+te hooren, als vroeger.--Het was eenzaam. In de verte klonk alleen
+het wegstervende, melodieus geroep van den venter met Engelsche
+bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen
+de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de
+doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauw twintelende stippen
+bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de
+scherpe lijnen uitdoezelde.--De schaduwen krompen in en een wit, koud
+licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De
+witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond
+de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De
+schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend.
+
+Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid'den zich uit, de
+punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele
+straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens
+de verschillende verdiepingen met een dun floers overtrekkend, dat
+dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de
+lichte gevels afbeet.
+
+Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den
+donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met
+sloffende schreden--ze had het water--verdween ze in de nauwe gang,
+waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles
+lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met
+breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het
+koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de
+blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En
+van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het
+weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek
+met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.
+
+Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in
+plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof
+onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog
+in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het
+eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor
+het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich
+welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt.
+
+Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende
+langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde
+naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende
+schreeuwen der kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige
+branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan
+hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.
+
+Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel,
+tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en
+zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer
+en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders
+opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar,
+van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel,
+dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes
+aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht,
+dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het
+vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes
+op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug,
+terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk
+dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de
+armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht,
+waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De
+dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels
+staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille
+schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan
+weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard,
+maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met
+de handen om zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af,
+op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde
+zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde
+nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte
+een oogwenk op de zwartgroene flesch--toen nam ze alle licht meê.
+
+Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe
+vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+KINDERVREUGD.
+
+
+Als hunne moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk den dag op
+straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis om hun boterhammen op
+te eten, die moeder 's morgens in de kast had klaargezet.
+
+Maar nu regende het.
+
+Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen
+gekeken en naar het druipende dak met groote, glimmende plekken. Frans
+volgde met de oogen de heldere regendroppels langs de ruiten,
+die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar
+toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken,
+die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze:
+
+--Zouwe Lou en Jan op straat zijn?
+
+Eene kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje,
+dat onder een grooten, verlepten tuithoed nog ouwelijker leek.
+
+Frans zei op slaperigen, onverschilligen toon:
+
+--Weet ik het? 't kan me niet schelen ook.
+
+--Nou, neem dan je beenen op en ga is kijke, toe!
+
+De jongen ging slenterend den trap af.
+
+Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld
+was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede,
+naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In
+den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote
+koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp
+stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle
+kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van
+blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad
+door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam
+leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden
+twee vuurroode stoven opgestapeld. Een paar glimmende kopjes op den
+schoorsteenrand en een Mariabeeld tusschen een paar bloempotten op een
+hoekplankje bij het eene raam--meer was in het vertrek niet te zien.
+
+Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp
+van een nest jonge vogels in de dakgoot.
+
+--Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel
+een heelen dag wille slape.
+
+Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om.
+
+--Ze komme! Maar wat motte we in gosnaam spele?
+
+--Foei, niet vloeke. Dat's groote zonde, niewaar? Onze lieve Heer
+kan alles zien en hoore.
+
+--Nou ja. Hou nou maar je vervelende bek dicht. Dat weet ik al
+lang. Waar is God? Op aarde, in den Hemel en op alle plaatsen. Weet
+God alles? Ja, God weet en ziet alles.... Ik zit ommers een leering
+hooger dan jij.... Daar heb je ze al.
+
+Op den trap rommelden klompen. Leentje schoot naar de deur en riep:
+Doe jullie je klompe uit, wil je? Anders mot moeder d'r eige morg'
+ochend weer kepot boene.
+
+Een gemompel beantwoordde haar.--De twee kinderen kwamen op hun
+kousen boven.
+
+--Jonge, veeg je neus af, dan krijg je een kouwe arepel.
+
+De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde.
+
+--We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?
+
+--Moedertje spele? stelde Leentje voor.
+
+--Heb je wat?
+
+--Neen.... ja, nou jok ik. Moeder heeft een broederpannetje uit d'r
+werkhuis meegebracht.
+
+--Nou ja, maar je mot toch wat hebbe, om te bakke? zei Frans.
+
+--We kenne uit gekkie spele.
+
+--Nee, daar is niks an!
+
+--Ajakkie. nee!
+
+--Wacht jullie effe--Lou ging op een drafje heen. Ze kwam terug
+met wat raapolie en een zakje meel. Onderwijl had Jan opgemerkt:
+we zouwe wat kenne koope. Doch hij was door Leentje afgescheept met:
+Eerst hebbe, dan lebbe.
+
+Lou hielp ze uit den brand.
+
+--Meid, durf je dat uit de kast te neme?
+
+--Denk je, dat 'k zoo'n bange schijtert ben as jij!
+
+--Ik zou ook wel durreve, verzekerde Jan.
+
+--Moeder zegt er toch niks van. En dat beetje lampolie? Ze bakt
+toch nooit. Ze gebruikt het alleen voor d'r haar. En as 't op is, is
+'t koke gedaan.
+
+--D'r is nog genog te koop, vulde Jan aan.
+
+Leentje en Lou maakten deeg. Jan's diensten werden daarbij onnoodig
+gekeurd. Eindelijk zei Leentje:
+
+--Hou jij die lepel vast, dan doe je ook wat voor de kost. Ik hou
+niet van die mensche, die met d'r arme in den weg zitten. Ze doen
+ordiner wat kwaads.
+
+Nu merkten ze, dat ze geen vuur hadden. Ze keken verslagen.
+
+--Jan, ga jij voor twee cente vuur hale. Zeg maar, dat moeder het
+wel geve zal. Hard loope, hoor!
+
+Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze
+'n Zaterdagavond de borgcenten betaalde.
+
+De meisjes zetten zich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren
+komfoor, waarop het pannetje siste.
+
+Leentje zorgde voor de toekomst:
+
+--Nou hebben we nog geen stroop.
+
+Lou zond de beide jongens weg om een paar roestige hoepels te
+verkoopen, die Jan voor eenige dagen beweerde gevonden te hebben. Lou
+begreep echter, dat hij ze gegapt had; maar was wijs genoeg te zwijgen.
+
+De jongens hadden er twee centen voor gekregen. Jan beweerde, dat het
+veel was. Het kwam, omdat hij den smous had verneukt, door hem wijs
+te maken, dat hij van avond nog meer zou komen verkoopen. Wat hij
+verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had.
+
+--Je had niet motte liege, begon Leentje weer: Dat is zonde.
+
+--Zonde, wat is dat?
+
+--Kwaad.
+
+--Ik krijg nooit geen slaag van moeder. 'k Zou het niet toelate
+ook. 'k Zou moord roepe en ze in d'r handen of in d'r beenen bijte,
+dát zou ik!--Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.--Lou, die krijgt
+dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat.
+
+--Je had het den man niet motte wijsmake.
+
+--Watte? 't Is maar een smous. Frans heeft me zelf wel is gezegd,
+dat je die....
+
+--Frans weet nergens van. Die geeft om God noch zijn gebod.
+
+--Nou, heilige Leen, hou nou je smoel maar, zei Frans, met imitatie
+van z'n vader, als deze dronken was.
+
+De kinderen keken verlangend naar het blauwe, oppruttelende plakje
+meel in het pannetje.
+
+--Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje.
+
+--Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je
+hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op
+loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!
+
+--Nee, dat 's flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je 't nou nog
+van Lou zei. Maar wat mótte we doen?
+
+--Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje.
+
+--Ikke? Niks. Ik verlam het om te werke.
+
+Leentje lachte: Je wilt zeker je vrouw voor je late werke? Maar ik
+zou je danke, dan heb ik geen man noodig.
+
+--Nee, zei Jan, dat wil ik niet.
+
+--Nou, weet je wat? Jij moet daar in dien hoek gaan staan hamere en
+Frans zal houwe, of t'i kole van zolder haalt en dan an de blaasbalk
+trekke.
+
+Lou zat aldoor in 't pannetje te roeren.
+
+Frans, die om ongegronde redenen liever niet het vertrek wou verlaten,
+keek naar den aangewezen hoek en mompelde: Er ligge kole genog op
+'t vuur. 't Kan nog wel een dag brande. 'k Zal maar ineens an de
+blaasbalk gaan trekke.
+
+En hij trok zich zweetparels op het voorhoofd, zonder echter het
+pannetje uit het oog te verliezen. Jan hamerde er geducht op los,
+in de lucht.
+
+Een paar baksels waren klaar en voor elk werd een blauw plakje meel
+met een bruin tintje op een theeschoteltje gelegd.
+
+--Lou, ga jij is gauw naar onze manne en zeg, dat ze subiet t'huis
+komme. Er is geen stroop. Ik weet niet, wat ik beginne mot. Ik heb
+geen rooie halve cent en alles staat al in de lommerd, anders zou ik
+een pandje make.
+
+Lou meende, dat de mannen misschien wat verdiend hadden. Ze ging ze
+halen. Gebukt, met loome schreden kwamen ze aan en vielen zuchtend
+in een stoel. Jan deed Frans in alles na.
+
+--Laat ze eerst wat bekomme. Je mot ze nooit op d'r dak valle. Ik
+ken de manne, 't is lastig goedje. As je d'r met iets ankomt as ze
+pas van d'r werk komme, krijg je maar gehaspel en dat weet wat in
+een huishouwe, zei Leentje ernstig.
+
+Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen:
+
+--Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop.
+
+--Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld noodig. Wij
+motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en 't is gebrek
+hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele....
+
+--Laat 'm in 's hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat
+hij ons heele armoedje kepot.
+
+--En wat zou dat? stoof Frans op: 'k mot er zellef voor werke.
+
+--Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar
+straks cente in zijn zak hoore rammele.
+
+Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de
+centen te geven.
+
+--Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug.
+
+--Dat heeft niet noodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze
+natuurlijk van m'n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En
+ik heb toch al zoo'n moeite om rond te komme. En dan houd hij me nog
+geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een
+moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze weenend.
+
+Jan zat als versteend.
+
+--Werachtig niet. 't Is van de hoepels en de.... Hij bemerkte nog
+tijdig, dat hij zich ging verspreken.
+
+Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort.
+
+--Je mot drie cente hebben.
+
+Toen werd Frans edelmoedig. Hij ging naar de kast en stelde zijn
+moeders stroopflap ter beschikking van de anderen.
+
+Leentje protesteerde. Moeder zou het merke als ze van avond boterhammen
+smeerde. Jan vroeg verbaasd: Hebbe jullie dan geen boter op je brood?
+
+--Meid, maak zoo'n bombarie niet, zei Lou. Laat mijn maar is ottere,
+zei Lou. Ze liet Frans uit den emmer, die op het zoldertje stond,
+wat water halen, liet wat stroop in een kopje loopen en vulde toen
+de flap met water aan, zoodat de moeder van Leentje en Frans dien
+avond vergeefs trachtte, stroop op haar mes te nemen.
+
+--Nou zie je is, zei Lou met zelfvoldoening: klaar is kees. Je moeder
+zal er niks van merke.
+
+Leentje legde zich erbij neer. Ze stond voor een voldongen feit.
+
+Bij afwisseling werd nu gewerkt en gesmuld, tot het meel opwas[typo? op
+was].
+
+Toen begon Frans het harde werken den keel uit te hangen en daarom
+stelde hij voor, kerkje te spelen.
+
+--Maar dan mot ik wat stroopwater hebbe.
+
+Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een
+hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij
+plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat
+op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den
+Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z'n armen, rustte een
+poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk
+zei hij: Amen! met een langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had
+niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou
+hij daarom dit keer maar nalaten.
+
+--Ik had een rooie zakdoek voor m'n neus en een witte voor m'n
+gezicht motte hebbe. D'r is d'r geeneen, die preekt, of hij heeft
+twee zakdoeke. Je kunt niet goed preeke, as je ze niet hebt.
+
+Lou en Jan waren geen deskundigen. Frans haakte dus naar een
+goedkeurend woord van zijn zusje.
+
+--Zeg, Leen, zeg jij niks. Wat ben je stil.
+
+--M'n hoofd staat er niet naar.--Ze tobde over de stroop.
+
+Jan en Lou waren een en al verbazing. Schuchter bood Lou aan Frans
+haar deel van het stroopwater aan. Hij nam het minzaam en dronk het
+plechtig op.
+
+Langzaam stierf het daglicht weg. Het glimmerde flauw over het dak.
+
+De kinderen gingen stil bij het raam zitten. Eensklaps hieven de
+jongens vol bacchantische geestdrift aan:
+
+
+ De Amsterdamsche keukemeid
+ En die kan zoo lekker kooke....
+
+
+Maar de meisjes waren voor vertellen.
+
+Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot
+ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te
+bewegen. Het vertellen hield op.
+
+Zoo zaten ze bij elkaar, met zwoegende borsten, vol vrees en
+benauwdheid, door een lichtloosheid vol ontzetting omgeven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+OP DE BEWAARSCHOOL.
+
+
+De bewaarschool ging aan. De vrouwen gaven hun meerendeels
+huilende kinderen aan de deur af en een helpster bracht ze naar hun
+plaatsen. Zuster Angelica bleef met de moeders nog wat praten, die
+onder druipende, glimmende regenschermen elkaar stonden te verdringen,
+luid kwebbelend. De non hield de tippen van haar sluier met de witte
+rechterhand bij elkaar, om haar streng, koud en bleek gelaat tegen
+den regen te beschutten. Vóór de doffe schoolramen stonden een paar
+druipende handwagens, glimmerig van het nat, en waarin half-verrotte
+stukjes koolblâren vastkleefden. Een drietal zinken goten in de
+nabijheid klitterden hun water op de straat, nú met forsche gulpen,
+door den wind opgejaagd, dán zachtjes, dun klipklitterend. Breede
+rimpels vaarden over den grooten plas bij de deur, telkens als de
+wind uitschoot. De vrouwen hadden dan beide handen noodig om haar
+parapluies rechtóp te houden. Zij beklaagden de kinderen, die, dun
+gekleed, met roode, geweekte gezichten en handen aankwamen, druipend
+en bibberend in elkâar geslonsd.
+
+Een klaterig geroezemoes van kinderstemmen en klompengestommel
+rolde door het schoollokaal, een plomp, vierkant vertrek. Door den
+achterwand, grootendeels bestaande uit een glazen beschot, zag men,
+over een klein plaatsje met eene pomp heen, in een tweede lokaal,
+waarin de oudere kinderen zaten, die op de banken klommen om naar de
+huilende kleinen te kijken.
+
+Deze zaten op lage bankjes, met de handen op de knieën, benauwd
+rondturende naar de witte wanden en naar het kruisbeeld van wit gips,
+op een kruis van ebbenhout uitgestrekt, tusschen eene Maria Onbevlekte
+Ontvangenis en een Jozef, die stijf rechtop tegen den muur stonden.
+
+Leentje, de helpster, bracht maar steeds kinderen aan. Ze deed ze
+jassen en hoofddeksels af en stapelde de trommeltjes met boterhammen,
+die sommigen meêbrachten, op een plank tot een staanden driehoek. De
+kast was vol uitwasemingen der natte kleêren.
+
+Leentje was zeer aardig voor de kinderen. Ze sprak ze vriendelijk
+toe en troostte hen de tranen weg, die bij sommigen tusschen de
+wimpers glommen.
+
+De statige zuster aan de deur had woorden. Koud drongen haar woorden
+naar binnen naast de zenuwachtige, lauwe geluidstukjes van eene vrouw.
+
+--Zeg, eerwaarde zuster, m'n kleine Jan krijgt 's middags geen
+wateremelk, en 'k betaal er toch ampart vóór, iederen dag twee cente.
+
+--Hoor is, vrouwtje, op praatjes van kindere mot je niet afgaan. We
+trekke niemand voor. Je vertrouwt ons toch wel?
+
+--Wel zeker zuster, maar....
+
+--Nu dan, dan kunne we onze diskussie stake.
+
+--O, ik houw ook niet van diskedië, maar, ziet u, het is eige vleesch
+en bloed, mot u maar denke. Wel bedankt zuster! Dag zuster!
+
+Statig boog deze. De vrouw nam met de linkerhand--in de rechter droeg
+ze haar ouwe parapluie--haar beslikte rok op en ging heen met een
+lachje van voldoening, dat ze zoo goed haar fatsoen wist te houden. Als
+ze een voet optilde, kwamen dik-gestopte roode kousen met zwarte
+voeten boven haar klompen uit, waarin van onder groote gaten waren.
+
+--Leentje, je kunt de deur sluiten, zei de zuster en ging naar binnen.
+
+Leentje nam de zware ijzeren ketting in de hand en boog zich om de
+deur heen, om te zien, of er nog kinderen kwamen. De lange, smalle
+straat lijnde zwaar voort, stil en leeg. Een menigte plassen glommen
+onder de grijze lucht, die aan het einde der straat afgestoken werd
+door een dompigen, zwaren toren, die plomp op den grond stond.
+
+Leentje liet haar oogen door de straat gaan, tot ze bleven rusten op
+de ramen van de school aan den overkant. Een bleek, gebrild hoofd
+met kortgeknipte haren, waaraan dikwijls een pen was drooggemaakt,
+keek haar aan en knikte half deftig, half jolig; maar jolig op
+eene bijzondere manier. Leentje kreeg een kleur en flapte de deur
+dicht. Na een oogenblik echter stond ze weer tegenover het bleeke
+hoofd, dat even de oogen sloot en toen achter de onderste betraliede
+doffe ruiten wegzonk. Toen ze nu voor de tweede maal de deur sloot,
+bromde ze: zoo'n kwibus.--
+
+Het schoolvertrek was vol van een nattig, ongezellig licht, dat
+door de krijtwitte ruiten binnendrong. Helder waren alleen de vier
+bovenste ruiten, waartegen zich de gevel van de school aan den overkant
+plaatste, in drukkende platheid.
+
+De zuster deed een gebed, waarna de kinderen op zingenden toon
+het wees-gegroet baden, de groote massa met een naren dreun,
+een eentonig vlak, waarop lichtere stemmetjes nu en dan krullen
+en spiralen ornamenteerden. Hier en daar liep er een vooruit en na
+iederen zin kwamen eenige doffe galmen, waardoorheen haastige beetjes
+brabbelden.--Vervolgens zongen ze eenige liedjes met kerkmelodiën:
+»Heilige Jozef, kinderhoeder«--en tenslotte, op de vroolijke wijze
+van een studentenlied: »De winter komt ons zijn afscheid brengen«. De
+zuster gaf telkens den toon aan en de kinderen zongen verder, zonder
+eenige maat, lieten hun stemmen over elkaar buitelen en doorslaan,
+en eindigden met een overmatig schreeuwen, als in overmoedige wanhoop.
+
+Zoo werd het half tien.
+
+De kinderen kregen van Leentje leiën om wat te teekenen. Een doffe
+stilte, nu en dan even onderbroken door snerpende krassen op de
+leiën. De zuster stond met de helpster te praten, bijna onhoorbaar,
+zacht op de heupen wiegelend. Leentje leunde op één been en plukte aan
+haar rok en aan de knoopen van haar japon, met een verveeld gezicht.
+
+Als een zacht opkomend windje begon het onder de kinderen te suisen,
+even zwijgend, dan in een anderen hoek wêer beginnend, hier en daar met
+brokjes ondersteund, tot de zuster in haar gesprek gestoord werd. Ze
+ging rond om naar de handen te zien. Een vuile jongen met gescheurde
+kleeren, waardoorheen zijn bloote lichaam zichtbaar was, werd op bevel
+van de zuster door Leentje naar het plaatsje gesleurd. De pompzwengel
+piep-bonsde en de jongen begon te schreeuwen, dat het water zoo koud
+was. Alle kinderen keken er naar en die uit het achterste lokaal gingen
+daartoe op de banken staan. Telkens als hij schreeuwde, lachten ze.
+
+Den heelen morgen zat hij stug vóór zich te kijken, met het natte
+haar over oogen en ooren. Eén ondeelbaar oogenblik ontluikten de
+oogen van den tienjarigen jongen en keken de zuster honend aan.
+
+Leentje keek nu de leiën na en prees of laakte. Plotseling boog ze
+zich over een kleinen, blonden krullebol met roode wangen en blauwe
+kijkers, en gaf hem een kus. Een bleek jongetje, dat naast hem zat,
+keek vluchtig toe en wendde snel het hoofd af.
+
+De kinderen moesten hun leiën onder hun bankjes leggen en er werd een
+sprookje verteld. Met ingehouden adem luisterden ze toe, dicht bij
+elkaar geschoven, met open monden en uitgerekte halzen. De stugkop,
+met zijn steil, nat haar, kneep in vervoering zijn buurjongetje in de
+armen, doch toen de zuster, die tegen het raam geleund haar rozenkrans
+bad, hem aankeek, nam hij weêr een gereserveerde houding aan. Zijn
+buurjongetje keek droomend vóór zich, nu en dan zijn gebalde handen
+ontspannend om zich aan de tafel vast te houden. Vele kinderen zaten,
+half over de bank geleund, te rijden.
+
+Na het vertellen werd nog even gezongen en het was halftwaalf. De
+zuster vroeg, wie der kinderen alleen naar huis gingen. Leentje pakte
+ze zoo goed mogelijk in en ze stommelden weg. De ketting werd van de
+deur gedaan en de kinderen wrongen zich tusschen de vrouwen heen,
+die onder hare regenschermen op een hoopje stonden. Namen werden
+gezegd en galmend door de school geroepen en door de zuster, die bij
+het plaatsje stond, aan zuster Monica, uit het achterste lokaal,
+gezegd. Telkens stond er dan een kleintje op en waggelde naar de
+kleerkast, waar Leentje het aankleedde. De zuster nam het aan eene
+hand en bracht het naar zijne moeder. De jongens, die alleen naar huis
+gegaan waren, liepen door de nauwe straat te schreeuwen, de petten en
+jassen in de hand rondzwaaiend. Een trekhond schoot blaffend uit een
+nauw steegje op hen aan en vervolgde hen tot ze de straat uit waren.
+
+Eindelijk waren de moeders afgetrokken. De deur werd gesloten. De
+zusters gingen door een achterdeur heen en Leentje bleef met de
+overblijvers achter. Ze haalde een bruine kan met melk van de
+hooge kolomkachel en deed er water uit de pomp bij. Toen deelde ze
+de trommeltjes met boterhammen uit en vroeg, wie er melk moesten
+hebben. Slechts een paar hadden het geluk en mochten beurtelings een
+slokje uit de kan nemen. Wier moeders niet voor melk betaald hadden,
+kregen uit een grooten tinnen kroes een paar slokken water.
+
+Een kleine, bleeke jongen zat nog even onbeweeglijk als onder het
+vertellen. Toen Leentje haar bemoeiingen met de water-en-melk geëindigd
+had, merkte ze hem op.
+
+--Frans, mot jij niet ete?
+
+--'k Heb geen brood. Moeder had niet.
+
+De kleine krullebol, een zoontje van een hoedenfabrikant, had als
+gewoonlijk te veel. Leentje zei, dat hij een paar boterhammen aan
+Frans moest brengen.
+
+--Ik mot naar huis. Moeder heeft gezegd, dat ik t'huis most komme.
+
+--Kom, jonge, je moeder zal niet wille hebbe, dat je alleen gaat. Kijk
+me nou zoo'n snotblaag is simme.
+
+--Ik mot naar huis.
+
+--En waarom heb je dat niet eerder gezegd? Kijk is hoe het regent? Als
+ik jou was, zou ik de boterhamme maar neme. Moeder heeft misschien
+toch geen ete, net zoo min as van morrege.
+
+Het kind voelde, dat de oogen der anderen op hem gericht waren. Hij
+werd wrevelig en huilend liep hij naar de deur. Leentje hem na.
+
+--Ho eve! mot je je jas en je pet niet hebbe, stoute jonge?
+
+De jas was onder de andere niet zoo gemakkelijk te vinden, Leentje
+werd boos. »Wat een last heb je toch van die ape. Jonge, blijf hier!«
+
+--Daar is t'i, dáár, met die groene voering.
+
+--Neen! en ze rukte alles door elkaar. Eindelijk toch vond ze het
+stuk. Zij kleedde Frans aan, duwde hem de pet over de oogen en zette
+hem de deur uit.
+
+--Daar, ondeugd! nu sta je in den regen. Wij gaan lekker spele. Hoe is
+'t? Wil je blijve?
+
+Frans liep hard weg. Eenige huizen verder keek hij om en toen hij
+Leentje niet meer zag, ging hij met het hoofd tegen den muur staan
+snikken. Een vrouw, die in een steegje stond te wasschen, riep: Ga
+naar huis, jongen, je zult doorwaternat worde. 't Regent, dat het
+giet. En tot eene buurvrouw riep ze: Een ander mensch zou blij zijn,
+als t'i er in kon blijve.
+
+Dikke regenstralen sabelden neer en kletterden op de straat,
+opsputterend. Een paar lantarens staken als druipende vuisten uit
+de natte muren der huizen. Aan het eind van de straat was een kolk,
+tusschen twee sluizen. Een schip lag daar te druipen, log en koud
+ineengeplompt, met glimmerig dek. De schipper in blauw-baaien hemdrok
+pompte. Met horten spuwde de pomp kleine brokjes water uit. Eén
+der brugwachters stond te visschen, de andere, met de kraag van
+zijn blauwe jas opgeslagen een zwart eindje pijp in den mond, duwde
+met een langen haak de sluisdeuren open. Zijn handen waren rood en
+opgezwollen van de regen. Frans bleef naar hem staan kijken, tot
+hij verdween in zijn geelhouten huisje met kleine raampjes. Een paar
+bakjes met klimop stonden treurig in de smalle kozijnen. De blaadjes
+wind-trilden bij beetjes.
+
+Frans liep de smalle ka langs, de handen in de jaszakken, als een oud
+ventje en was nu spoedig t'huis. Zijn moeder wrong zijne natte kleeren
+uit. »Waarom was hij niet in school gebleve? »Ete had ze niet. Van
+avond zou vader misschien wat geld meêbrenge, want hij was niet t'huis
+gekomme en werkte dus zeker.« Frans bleef in een oud kiekje, dat zijne
+moeder tot borstrok gemaakt had door er de mouwen af te snijden, een
+poos voor de lage ramen kijken, die dik met stof en zeepsopspatten
+bezet waren. Eene waschvrouw aan den overkant was voor den regen
+naar binnen gegaan. Naast haar kuip, die door een engelsch hemd en
+een deken toegedekt was, lag een hoop vuil goed in een klein plasje.
+
+Toen het tijd voor school werd, kleedde zijn moeder hem aan en ging
+met hem meê. De deur was nog niet open. Even als 's morgens stonden
+troepjes vrouwen met kinderen te wachten. Zijne moeder sloeg haar
+sloof om Frans heen. Frans vroeg waar kleine Leentje was. Die was
+bij de buurvrouw, zei zijne moeder. Ze had naar vader gezocht en had
+vergeten, het kind terug te halen, toen ze t'huis gekomen was. Dat
+kwam doordat Frans zoo nat t'huis kwam.
+
+De schooldeur ging open. Voor en na verdwenen de kinderen in het
+vierkante gat en de vrouwen gingen paarsgewijze heen, met hun klompen
+de dunne modder opspattend. Met de eene hand tilden ze hare rokken op.
+
+Frans ging schoorvoetend naar binnen. »Niet met de zuster prate,«
+verzocht hij. Doch zijne moeder vroeg aan zuster Angelica, of hij
+voortaan bij zoo'n weêr binnen mocht blijven. Het was geen weêr,
+om er een hond door te jagen. En dan een kind, dat zoo weinig aan
+z'n lijf had.
+
+De zuster, die door Leentje reeds ingelicht was, zei: dat hij om huis
+geschreeuwd had. Ze hadden hem brood wille geve; maar hij wou niet. Er
+zat een leelijken kop op dien jongen. Hij was wel bedaard en stil,
+daarvan wou ze niets zegge; maar hij kon soms zoo norsch en koppig
+zijn. Die kop most gebroke worden, dat was z'n moeder verplicht. Anders
+kwam er niks van hem terecht. En dan speelde hij nooit is met andere
+kindere, er zat niet bij. Geen tier kon je er in krijge.
+
+De moeder gaf haar gelijk. Ze wist niet naar wien hij een aard had. Zij
+was voor haar trouwen zoo stil niet geweest en wou wel weten, dat ze
+toen lang geen kniesoor was.
+
+Enfin, de zuster zou hem voortaan binnen houden. »Met geweld, zuster,
+gerust, ik geef u permissie.«
+
+De kinderen waren dien middag erg woelig. Vóór schooltijd al klommen
+de ouderen op de banken en liepen mekaar na. Er was tusschen den
+middag geen raam open geweest en de kachel had aldoor fel gebrand,
+zoodat een klammige warmte uit de kleederen der kinderen opsteeg en hun
+handen en gezicht begroezelde. De zuster bad weêr, de kinderen baden en
+zongen, iets lijziger dan 's morgens, en kregen hun leiën. Er werd een
+plaat aan den muur gehangen, die voorstelde: Roodkapje door den wolf
+verscheurd. Alleen het roode kapje van het meisje en de witte tanden
+van den wolf waren op een afstand te onderscheiden. De brekebeenen,
+die déze plaat niet konden nateekenen, mochten hun krachten beproeven
+aan een vruchtenstukje: een sinaasappel, een appel, een peer, een knol,
+een peen, een tros druiven, een aardappel, een hoopje aardbeien en
+een komkommer.
+
+De kinderen knarsten met hun griffels. Een kwartiertje was Leentje
+met de grootste bezig. Ze zei: spa-a; slee-e en de anderen schreeuwden
+haar na. Eindelijk zei de zuster, dat het dien middag toch niet ging
+en dat de kinderen dus maar wat moesten gaan teekenen.
+
+De goot op het plaatsje pitte-pette: de regen scheen opgehouden te
+hebben. Soms even zwiensde het water langs het zink en plits-pletste
+op de gele steentjes. Glimmende droppels licht zaten verspreid tegen
+de bewasemde ruiten en biggelden van tijd tot tijd een eindje naar
+beneden.
+
+Het begon al vroeg donker te worden. Het licht schimde door het
+overwarme schoolvertrek, waarin een hooge kachel stond te gloeien. De
+hoofden van Maria en Jozef waren niet meer te zien. Als twee donkere
+vlekken, even naar vóór uitkomend, stonden ze daar omhoog. In het
+toenemende donker trokken hunne voeten op en de beelden werden twee
+wanstaltige, in elkaar geplompte gedaanten. De kinderen konden niet
+meer op hun leiën zien. In het achterlokaal was het licht aangestoken,
+doch in dit waren geen gaslichten aangebracht.
+
+Er werd gebeden en gezongen en Leentje deed de ketting van de
+deur. Toen ze de deur opende, zwiepte de regen haar in het gezicht. Ze
+sloeg haar rood-wit-gestreept-katoenen schortje over het hoofd en
+hield het met de linkerhand onder haar kin vast. De punten zwibberden
+schik-schokkerend-klip-klap langs haar gezicht. In de donkere ruimte
+tusschen de deurstijlen verschenen vrouwengezichten, onder flauw
+beglimplichte regenschermen. Ze noemden een naam, die door Leentje
+hoog-gillend in de school gestooten werd, tusschen de duisternis. De
+kinderen kwamen met slapende voeten aandribbelen. Ze werden door hunne
+moeders in jassen en doeken gerold en groetten de zuster, die stijf
+rechtop naast Leentje was komen staan. Flauw-wit schemerde haar kap,
+als ze het hoofd boog om terug te groeten. Zwijgend stond ze daar en
+liet de kralen van haar rozenkrans tusschen de vingers glijden.
+
+Tegelijk, dat een man de lantaarn bij de bewaarschool opstak, werden
+ook de ramen van de school aan den overkant verlicht. Strak holoogden
+de ramen. Het licht schimmerde over de natte straat, tusschen de
+voeten van de silhouetten der menschen door, wierp strepen schamplicht
+langs de natte rokken der vrouwen en glom langs het plafond der
+zusterschool. De doffe ruiten hadden een flauwen goudgloed.
+
+Een woelig geluid drong uit het achterlokaal in het verlaten vertrek,
+waar nog slechts enkele kinderhoofdjes in het halfdonker op de bankjes
+verspreid stonden. Heel in de verte naderde het geratelwiel van een
+rijtuig, op de ongelijke steenen ophotsend. Het kwam nader en werd
+toen dunner en onduidelijker.
+
+Leentje hielp de laatste kinderen aankleeden. Geeuwend zei de zuster:
+wat een landziekig weêr, hè? en ze rekte zich uit.--Zou zuster Monica
+d'r kindere nog langer houwe? Ga 't is vrage, Leen!
+
+Leentje kwam met de boodschap, dat zuster Monica dadelijk gereed
+was. Terwijl ze Frans aankleedde zei ze:--Je kon het an de kindere wel
+zien. Ze ware zoo slaperig as de wiedeweegaai.--Ze boog plotseling het
+hoofd en schuinoogde naar zuster Angelica, die haar echter niet gehoord
+had en met haar rozekrans spelend in de lichte hokjes stapte, tusschen
+de schaduwlijnen die de raamsponningen op den vloer wierpen. Van tijd
+tot tijd geeuwde ze en eindelijk liep ze naar het plaatsje en opende de
+schooldeur. Ze stond zwart tegen den gouden achtergrond, die van licht
+en leven tintelde. De kleine, vroolijke, mollige zuster Monica verbood
+met haar lieve stem de lastige kinderen, die aan haar armen en haar
+zwart nonnenkleed hingen. Ze ging door het holle voorvertrek en het
+jolige troepje maakte zich van haar los en liep lachend de straat op.
+
+Frans werd door Leentje met nog een paar kinderen op straat
+gebracht.--Jullie moeders komme niet opzette, zei Leentje. We kanne
+je van nacht niet houwe.
+
+Koud klamden Frans de kleêren aan het lijf. Hij liep door de donkere
+straat, tusschen de overhangende gevels. De lantaarns leken dun
+en teêr en hun treurige, bekoper-randgele vlammetjes met zwarte
+hartjes strakten in den regen, die grijsgestreept neersabelde in het
+opeengepakte kildonker tusschen de huizen, welke als verschroeide,
+uitgebrande, holle geraamten op en tegen elkaar huiverden, blind
+en koud in den regen. De regendroppels plekten kringetjes in de
+zwartgroening van de kolk, die tegen den steenen kant opkabbelde
+in zachte, schommelende deining. Voor één der gele raampjes van
+het brugwachtershuisje, die een gezellig licht uitwierpen, zat een
+man te eten uit een dampend ijzeren pannetje. Frans keek naar de
+sluis. Tusschen de sluisdeuren brabbel-zwalpte het water met witte
+bruisjes. Uit tal van reten lekte het in fijne dunningen, dooraderd
+van straaltjes lantaarnlicht.
+
+De straten waren hol en leeg en lijnden moeielijk voort in de
+dompige atmosfeer. De lantaarns leken met een stamp in den grond
+gezet en streken langwerpige lichtplassen van zich af over de natte
+kleibollingen.
+
+Een buurmeisje, dat boter en kaas gehaald had en op een stukje krant
+in de handen droeg, zei tegen Frans, terwijl ze nu en dan van de kaas
+snoepte: Je moeder heeft zoo gehuild. Ik heb het zelf gehoord. Je
+vader is dronke t'huis gebracht door drie mannen en hij heeft haar
+geslage. As ik jou was, ging ik gauw is kijke.--Frans liep op een
+drafje het steegje in. De lamp was nog niet op. De waschvrouw stond
+te boenen bij het licht van een petroleumlamp, die voor het raam
+gezet was. Het glinsterende, rookende zeepsop schuimvlokte langs haar
+armen. Ze had een witte doek om haar hoofd geslagen en stond in een
+plas licht voor de kuip, waarnaast vuilwit en rood en blauw goed op
+een viezen hoop lag, door den regen in elkaar geslensd.
+
+In het donkere benedenhuis viel door de twee bezeepsopte ramen een
+twijfellicht, dat de enkele meubelen even liet onderscheiden. Op een
+stoel voor het raam zat zijne moeder. Een dof, reutelend gesnork klonk
+uit een hoek. Nu en dan bromde de dronkaard, die daar was neêrgevallen
+ruwe vloeken en heesche uitroepen. Plotseling richtte hij zich soms
+op en slingerde lange verwenschingen rond zich. Frans was stil bij
+zijn moeder gaan zitten. Ze legde zijne hand in de hare.
+
+Een ongezellige koude kleumde in het vertrek.
+
+Zacht vertelde de vrouw aan Frans, dat zijn vader 's middags t'huis
+gebracht was. Hij had een halven dag gewerkt maar door den regen
+hadden ze moeten uitscheiden. Toen was hij in een herberg gaan
+zitten.--Eten had ze niet, kleine Leentje had straks ook al om eten
+geschreeuwd. Moeder was blij, dat ze sliep. Frans moest maar gauw
+naar bed gaan, dan lag hij warm. Misschien kwam er van nacht wel
+uitkomst. Of ze de lamp aanstak? Er was nog maar een beetje olie in,
+en dat moest ze sparen. Je kon niet weten, wat er van nacht gebeurde.
+
+Eensklaps begon de dronkaard in den hoek benauwd te gorgelen. En de
+vrouw barstte plotseling in woede los: Stik maar! ellendeling!
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN DAGJE UIT.
+
+
+Het liep naar negen uur, toen hij ontwaakte. Een poosje bleef hij
+liggen soezen, den vorigen dag overpeinzende, zich koesterende in de
+gedachte, dat hij vrij was. Vrij van het eentonige dagelijksche werk,
+dat z'n zenuwen opvrat, jaren achtereen. In een onstuimige opwelling
+had hij zich al de kleine ergernissen van het lijf geschud. De korf
+was deze bij te klein geworden.
+
+Forsch bruischte het bloed door z'n lichaam en zweepte hem
+op. Vlug schoot hij een sjamberloek aan en wierp een raam open,
+om de walgelijk-lauwe lucht in de kamer te verfrisschen. Haastig
+ontbeet hij. De akelig-rechte, stijve gevels, allen van een zelfden
+model, gluurden hem door de ruiten aan. Een zwoele lomerigheid, die
+van de strakblauwe lucht omlaag suizelde, sloeg de groentenventers
+met stomheid en de bakkers, die brood rondbrachten, zwetende onder
+hun stroohoeden, belden met lamme armen. In huis hing een saaie
+stilte, een warm halfduister, langs de gestukadoorde wanden naar het
+plafond opklimmende en langs de trappen naar beneden doezelend. In
+de kamer was het smoorheet. Het sombere behangsel en de zware
+overgordijnen voerden maar steeds warmte aan, die onophoudelijk de
+kamer inkringelde. Terloops keek hij eenige tijdschriften in; maar
+wierp ze spoedig van zich.
+
+--Bah! hoe eeuwig saai!
+
+Haastig maakte hij »toilet«, greep hoed en stok en stormde de trappen
+af. Met een smak trok hij de voordeur achter zich toe. Een trage galm
+trok een donkere, vibreerende streep door de lauwe lucht op de trap.
+
+Hij was den hoek omgeslagen en liep nu op den lijnrechten Singel,
+blakerende in den zonneschijn, die de kale, magere boompjes
+verschroeide en het blikkerende water scheen te drogen. Hij baande
+zich een weg door de stofwolk van verveling, die boven de witgrijze,
+pulverige steenen hing te twintelen. Het prikkelde hem de lui, die met
+gebogen hoofd voortsloften, achter zich te laten, aardigheden zeggend
+aan de dienstmeiden, die met gloeiende gezichten, losgemaakte mutsen
+en bloote, rooie armen de belknoppen stonden te poetsen, zwijgend en
+puffend. Een oogenblik bleef hij staan voor een boekwinkeltje, wierp
+een blik op de slaperige, godgeleerde titels en ging dan verder, zich
+met z'n rotting een fikschen slag tegen het been gevend. De tramwagens,
+die hem voorbij kropen, waren vol stof en zweet, die de lieden, welke
+er in zaten, deden stikken. Den koetsiers was het teveel, de teugels
+aan te halen en de suffende paarden, die een sukkeldrafje hadden,
+liepen gevaar óm te vallen en poogden vergeefs, hun koppen op te
+heffen boven de stofwolk, die ze zelf opwierpen. Zoo kropen ze voort,
+kleiner en kleiner wordend op den weg, die als een gele streep langs
+het water lag. Nu en dan hoorde men een dun belletje met een zweterig
+stemmetje, spoedig wegsmeltend.
+
+Op een groot, wittig plein, naast een brug, zat een oud man onder
+een zeildoeken tentje vreedzaam een pijp te rooken, omgeven van 'n
+vak bloempotten, die de oogen deden schemeren door hun schitterende,
+helle kleuren, aangezet tot barstens toe. Een paar vlinders fladderden
+rond, op en neer dansend in den zonneschijn.
+
+Toen kwam hij op een lijnrechte kade naast een breed water, met een
+warrel schepen, door zonneschijn overgoten. De teer liep langs de
+naden. Een grijsaard met blauwkatoenen slaapmuts, geduldig bossen
+talhout op elkaar stapelend, was het eenig levend wezen, dat men
+op die schepen zag. Een troep vischvrouwen, in den smallen reep
+schaduw bij de vischmarkt opeengepakt, leunden op hunne wagens,
+zwetend en zwijgend, op den afslag te wachten. De spiegelruiten voor
+de akelig lege, vervelend holle winkelkasten, schampten het sterke
+licht af. Eenige jongens stonden op trapleertjes de ruiten te poetsen
+als in een nevel van licht, die de randen van hun vormen opslorpte.
+
+Eensklaps sloeg hij 'n nauw, donker zijstraatje in, van plan, een neef
+te bezoeken, die daar in de buurt een aardappelzaak moest hebben. Sinds
+jaren hadden ze elkaar niet gezien.
+
+In het heete, doffe licht van den winkel zag hij een rij eenvormige
+bakken, als troggen, blauw van buiten, vuil wit van binnen. Een paar
+maten, wier gepoetste koperen naamplaatjes wat licht pakten, lagen te
+knipoogen in het heete aardappelstof, dat den winkel doortrok. Het
+hysterisch getinkel van den bel schoot witte kringels door de gele
+atmosfeer. Een man in paars boezeroen deed de bewitgordijnde deur van
+het achtervertrek open en schoot op een beroerd saaie manier een paar
+muilen aan, die voor het dorpeltje stonden te gapen. Na opheldering en
+wederzijdsche herkenning werd »neef Henri« door z'n rooien, vleezigen
+bloedverwant met gouden ringetjes in de ooren, uitgenoodigd, »door te
+lope«. In statige langzaamheid, vol burgerlijke zelfgenoegzaamheid,
+ging de man vóór. De kamer was smaakvol gemeubeld, in donkerrooden
+toon. Het schreeuwend-pretentieuse ontbrak hier. Bij de groote
+deurramen, die op een kil tuintje uitzagen, zat een bleek, melancholies
+meisje, die aan 'n haakwerkje bezig was en even 't hoofdje ophief, om
+den bezoeker te groeten, met een stillen, bleeken groet. Aan de tafel
+zat een warme schommel van 'n stijve vijftig, aan blauw-wollen kousen
+voeten te breien. De heer des huizes, die z'n sloffen had uitgedaan,
+wierp zich in z'n stoel. Statig zei hij: Daar is neef Henri. Het
+meisje hief levendig het hoofd op en keek neef oplettend aan. Toen
+stond ze op om naar hem toe te komen, vol kinderlijke blijdschap;
+maar Henri voorkwam haar. Ze gaven elkaar hartelijk de hand.
+
+»Ik zou haast vergeten hebben, dat er een neef Henri bestond.« Moeder
+de vrouw was opgestaan, de kous in haar hand. Haar goedig gezicht
+met dikke plooien werd met een zweem van ongeloovige verrukking en
+blije verrassing naar neef gericht. Met schitterende oogen keek ze
+hem door haar bril aan.
+
+»Kom, dat 's goed, dat 's goed, dat je je familie niet vergeet.«
+
+»Nou maar, moeder, hij was anders goed op weg, om ons te vergeten. 'k
+Was nog pas«.....
+
+»Ja, je was nog een kind. Maar als 'k geweten had, dat 'k zoo'n
+lieve nicht had«..... Hij hield verbluft stil. Tante had van z'n
+onbeleefdheid niets gemerkt en zei: Wel, gossiemijntijd, wat lijk je
+veel op je moeder. Sprekend, hè, Aai?
+
+Aai brandde z'n lippen aan z'n heete kop koffie en bromde misnoegd:
+weet ik het?
+
+Neef kreeg natuurlijk ook koffie en zat weldra al z'n adem uit z'n
+longen te blazen. Onderwijl ondervroeg tante hem, of ze rechter
+van instructie was. Nicht was weêr in haar stoel gezegen en
+hield zich bezig met bleeke overdenkingen, neef van tijd tot tijd
+steelsgewijze aankijkend. Arie leunde achterover in z'n stoel, de
+beenen ver uitgestrekt, de duimen in de armsgaten van z'n vest, de
+borst vooruit, met 'n verwaand, blasé gezicht toe te luisteren. Als
+hij door z'n zenuwachtig kwebbelende vrouw tot getuige werd geroepen,
+antwoordde hij met 'n enkel woord, wrevelig, laatdunkend. Niets kon
+hem deren! Hij zat in 'n wolk van kouwe majesteit.
+
+Maar Henri merkte, dat hij alleen sprak en 't hinderde hem. Hij
+werd woedend op z'n tante, die hem met haar botten glimlach zat
+aan te starogen. Hij hoorde nog, dat al de andere kinderen getrouwd
+waren en de jongens fatsoenlijke baantjes bekleedden. Ze hadden een
+zorgvuldige opvoeding gehad, die handen vol geld kostte, zooals Arie
+zei. De Heer had hem gezegend en als Die mét ons is, wie zal tegen
+ons zijn? Dit zei hij op dikken, zelfgenoegzamen toon, met de plompe
+duimen draaiend. »Zoo ben jij de eenige, die nog thuis is,« merkte
+Henri tegen nicht op, min of meer gedwongen. En ze antwoordde met
+'n licht zuchtje: Ik ben niet gelukkig geweest.
+
+'t Was frisch in het vertrek. Neef kreeg een kil gevoel en 'n
+afstotende magneetkracht werkte op z'n zenuwen. Van hartelijkheid was
+in dit gezin geen spoor te vinden. De ontvangst van z'n tante kwam
+hem voor, exceptioneel te zijn. Ieder stond op zichzelf. De witte
+neteldoeken gordijnen, door magere koordjes met schrale kwastjes
+opgehouden, in hun eentonige netheid ontnamen het licht, dat van
+buiten kwam, alle warmtestralen. Een walgelijke geest van doodende
+tevredenheid vulde de kamer met 'n koude klaarte, die zich tegen hem
+aanwierp met 'n korten slag. De zelfgenoegzame man met z'n ringetjes
+leek 'n bloedzuiger, zat van voldane begeerte, die daarom zijn prooi
+had losgelaten.
+
+Het burgerlijke liberalisme.
+
+Toen Henri weer op straat was, voelde hij 'n ledig om en in zich. De
+holle straten, waarin de zon nog niet had geschenen, waaierden hem
+een vochtige lucht tegemoet. In een koffiehuis, dat hij binnentrad,
+waren de kelners bezig met het afnemen en wrijven van de tafeltjes en
+namen geen notitie van hem. Eenige kranten, nog vochtig van de pers,
+lagen in wanorde op een paar tafeltjes verspreid, als vuile witte
+vlekken. Een muffe, vochtige donkere lucht hing in de zaal, die galmde,
+als er 'n stoel werd verzet. De weinige woorden, die de knechts en
+de juffrouwen van het buffet wisselden, klonken hol als uit een graf.
+
+Spoedig begaf hij zich weer op straat en begon langs de winkels
+te slenteren. Een lusteloosheid begon zich van hem meester te
+maken. Onverwacht werd hij op den schouder getikt. Een jong, net heer
+met militairen knevel en losse manieren keek hem oplettend aan.
+
+--Henri, geloof ik?
+
+Henri herkende in hem 'n koffiehuiskennis van vóór 'n paar jaar,
+die alle mogelijke dingen bij de hand had en het leven doorrolde,
+tot hij aan een jong, lief, tamelijk rijk meisje, een wees, bleef
+hangen. Toen had hij zich uit de kring zijner bekenden teruggetrokken
+en bezocht met haar Brussel, Parijs, en Napels.
+
+--Wel, woon je hier? En ze gaven elkaar hartelijk de hand.--Ik
+woon hier al een maand of wat. Dat we mekaar nooit eens tegen 't
+lijf geloopen hebben! Maar vandaag zal je me niet ontloopen, dat
+is afgesproken.
+
+--Hoe vaart je vrouw?
+
+--Wist je 't niet? Dood, man, de tering. Was wel te
+zien. Sentimenteel.--Hij haalde even de schouders op.--Anders een
+verdomd lief ding. Aangenamen tijd samen doorgebracht. Maar er is
+niets an te doen. Geen kruid voor gewassen. Sukkelen lang, maar
+eens is eens. Enfin, 't hoofd maar boven water gehouden. Knerpen en
+triesten dient nergens toe. 't Maakt je oud voor je tijd... Maar 'k
+ben allemachtig blij, dat 'k je zie. Een verdomd triestige stad hier 's
+morgens, hè? Allemachtig saai. De lui hebben tot 's avonds de slaap in
+d'r oogen. En wat doe je? Ik ben een poos aan een dagblad geweest. 'k
+Kreeg opeens een werkmanie. Maar dat beroerde gezemel. 'k Ga weer
+naar België, misschien naar Parijs. Leven wil 'k zien. Hier? Lui
+zonder bloed, bah!... Rooken? Heerlijk, delicieus.... 'k Ben een paar
+dagen uit de stad geweest, voor een rechtszaak. Maar daar had je bij
+moeten wezen.... En hij lachtte, dat de menschen bleven staan.--'k
+Heb hem vierkant uit 't veld geslagen, de pruik! Een smerig zaakje van
+'n vriend, 'k zal je later wel eens vertellen. 't Moest noodzakelijk
+de wereld uit. Onverwacht deê de pruik een strikvraag. Maar 'k was
+op m'n »quivive.« 'k Zei!.....
+
+Hij bleef staan, nam z'n rotting onder den arm, pakte z'n vriend bij
+de schouders en draaide hem om. Toen nam hij heel diep z'n hoed af
+en maakte een diepe buiging--Edelachtbare!
+
+Met een stem als een fransch tenor, begon hij verbazend rad te
+spreken en artikelen van het code aan te halen, zoodat het z'n
+hoorder begon te duizelen. Spreker was geheel in vuur. Hij hoorde
+niet, dat een dienstmeisje stond te ginnegappen. Hij zag niet,
+hoe een paar vuile straatjongens hem van onder de kleppen hunner
+petten aangluipten. Onder 't spreken nam hij z'n rotting in de hand
+en begon er op een vervaarlijke manier meê te schermutselen, zoodat
+een hond, die in een vuilnisbak wroette, vreesachtig z'n mager lijf
+ineenstuipte en wegsloop, de staart tusschen de beenen, telkens den
+kop schichtig omdraaiend en met een paar schuchtere, waterige oogen
+den man aankijkend.
+
+Zoo stond deze wel een half uur te oreeren en gestes te maken, op
+een drukke plek in den barren zonneschijn, terwijl hij elk oogenblik
+gevaar liep, door sleperswagens overreden te worden. Toen barstte
+hij in 'n zilverigen lach uit.
+
+Plotseling zei 't dienstmeisje met een leelijken, platten tongval:
+Z'n mond gaat as een lazerusklep.
+
+Hij onderbrak z'n lach. 'n Wolk kwam over z'n geestig gelaat. Ruw
+baande hij zich een weg door de jongens, met fiksche striemen. Met
+groote stappen liep hij vooruit.--Bah! Dit zei hij op een zeer
+verachtelijken toon. Maar langzamerhand kwam hij tot bedaren.
+
+Dat was specifiek Hollands! en hij vaagde de onaangename herinnering
+weg. Toen vervolgde hij:
+
+Hoe von j' 'm? We wonnen het zaakje. De slaapmutsen lachten zich
+ongansch en het publiek applaudiseerde als in een schouwburg. Wacht,
+ginds is een gezellig kroegje. En straks moet je meê naar m'n
+kast. Je dineert bij me en neemt tot souvenier wat boeken van me
+meê. 'k Heb Toussaint, van Lennep, Dickens, Beets, van Beers,
+Hugo, Lamertine, Heine, Byron en alles, wat er in den laatsten
+tijd is uitgekomen. Enfin, je zult zien. Ik voor mij houd niet
+van hollandsche romans. Die beroerde flauwe vertellinkjes! Maar je
+dient op de hoogte van je tijd te zijn. Geen leven, geen vleesch en
+bloed. Schimmetjes! Schimmetjes die verliefd zijn en kwelen van d'r
+meisjes mooie vlechten, net of ze daarmeê tevreden zijn. Of stervende
+lievelingen met een diep kijkje in de andere wereld, die er dan uitziet
+als een vlaamsch interieurtje. Allemaal schimmetjes. Ze zijn dit,
+ze zijn dat, ze zijn zus, ze zijn zoo, maar alles behalve werkelijke
+menschen. Geen aasje realiteit, geen sikkepitje moderns. Aangekleede
+papieren poppetjes. Nagemaakte romantiesche onzin, die heel wat bij
+lamplicht schijnt maar vervliegt als de zon er op schijnt. Goed voor
+ouwe wijven en kindermeisjes bij 'n kaarsje, op 'n zolderkamertje. Maar
+die vinden ze nog te laf en lezen vertaalde fransche. Neen, heilig
+dan Multatuli, die heeft nog vuur in z'n bast. Die strandt niet
+op de klippen van konventioneele deugden, op den zandbank van het
+fatsoen. Ja, wat is dat? Fatsoen? Ik weet heusch niet wat het
+is. Schijn wat je bent en wind er geen doekjes om. Dat is mijn
+stelregel. En knijp geen katjes in 't donker....
+
+--Misschien heb je gehoord, dat er 'n nieuwe kommentaar op Genesis
+is geleverd.
+
+--Laat hooren. Ik geef anders om dien heelen rommel geen steek.
+
+--Toen God de aarde geschapen had, en alles wat er op is en de zeeën
+en de visschen....
+
+--Nu ja.
+
+--Toen wreef hij vergenoegd in z'n handen.
+
+--Dat had hij wel kunnen laten.
+
+--Maar toen kwam de duivel....
+
+--Een slimme snuiter.
+
+--Hou je vervelende mond, of ik zwijg als een mof.
+
+--Nu, vooruit dan, sammel niet. Die oudtestamentische
+langdradigheid....
+
+--Jan Rap! Nu dan! Toen kwam de duivel en zag, dat het goed was.
+
+--Je zet Genesis om. Vervalsching in geschrifte.
+
+--Een nieuwe lezing.
+
+--De Genestet zou het noemen: rechtgeloovig knoeien. Ga voort.
+
+--En hij zei: Laten we er wat op verzinnen. Want er was tusschen hem
+en God een toestand van represaille. En hij vond het fatsoen uit.
+
+--Bravo! En van toen af werden de edelste gevoelens schuil gehouden. En
+van toen af was het uit met den mensch. En van toen af werd hij
+geregeerd door z'n lusten in het geheim, door z'n fatsoen in 't
+openbaar. Altijd slaaf.
+
+--Dat wou 'k juist niet zeggen. 'k Meende: En toen zag de mensch,
+dat hij naakt was. En hij sidderde.
+
+--Een verdomde leugen. Toen kwam de goeie tijd voor modemaaksters
+en zielenlapzalvers.
+
+--Je bent profaan! Je bent, je bent vuurrood.
+
+--Ja, ik ben een levend wezen. Als ik dood ben, zal ik ook doktrinair
+en fatsoenlijk en nederig en zoet zijn, wat je maar wilt. Misschien
+word ik dan nog wel lid van 'n parlement of zoo iets... Neen maar, er
+moet 'n andere geest hier komen. 't Moet uit zijn met die beunhazerij
+over stille nederigheid en rein geluk en eer en fatsoen, weet ik
+het? Praatjes voor den vaak.
+
+Ze hadden gelukkig het koffiehuis bereikt. Henri was op. Hij voelde
+zich als in een gulp heet water, borlend zonder ophouden. Een eentonig
+geratel klepperde op z'n trommelvlies, dan een zin herhalende, als
+de ander aan 'n volgenden bezig was, of eenige schakels overslaand,
+om de gedachte van den ander vooruit te loopen en er zich vóór te
+plaatsen. Een bonte warreling van denkbeelden vloog hem in allerlei
+kleuren en verschillende gedaante voorbij, over elkaar rollend en
+buitelend, als golven op een strand, dat wittig glinstert in den
+zonneschijn.
+
+Weldra daverde het lage zaaltje van 's mans opgewondenheid. Als
+elektrische vonken, elkaar snel opvolgend, knetterden z'n korte
+zinnetjes, om weldra een lyrische vlucht te nemen en met een ode aan
+Heine en de Levenslust te eindigen. Toen prees hij bedaard de bitter.
+
+Een kleurloos, hel licht vulde het zaaltje, als een lichte nevel,
+waarin de andere gasten heen-en-weer zweefden. Een nare reuk
+van wierook steeg in de neusgaten van z'n hoorder op. Z'n slapen
+klopten. Hij voelde 'n drukking op het hoofd en de maag werd hem als
+omgekeerd. Hij was blij, toen ze weer op straat waren.
+
+De zon brandde de keien tot pulver. De galanterieën lagen in
+de vitrines te slapen, door en door gestoofd. Op het brandende
+papier, waarmee de voorwerpen in de kast van een kunsthandel waren
+bedekt, zaten eenige bewustelooze vliegen vastgekleefd als zwarte
+stippen. Alles scheen in damp op te gaan. Een paar werklieden, die
+naar karwei gingen, zochten zorgvuldig de kleine plekjes schaduw op
+onder de dunne, verdorde boompjes, wier verschroeide, uitgedroogde
+bladeren als vodden aan de takken hingen.
+
+Ze wandelden een paar havens langs en gingen het Park in. Kerels
+lagen met het gezicht voorover in 't gras te slapen, de pet achter op
+'t hoofd. Een kindermeisje duwde met slappe handen een wagentje voort,
+'n jongetje aan haar rokken meêslepend en een paar meisjes met bloote
+knieën en armen en met schopjes en emmertjes telkens verbiedend.
+
+Aan den rivierkant zegen ze neer op 'n bank, puffend en hijgend. In
+de laatste oogenblikken had geen van beiden gesproken. Na wat bekomen
+te zijn, staken ze een sigaar op, de blauwe, kringelende wolkjes
+naturende. Kleine zonnebeeldjes plekten de donkere kiezellaan, door
+zwaar geboomte beschaduwd. Vlak vóór hen lag de Maas, sprankende
+van goud en hijgend naar koelte. Het was eb en geen rimpel oneffende
+den gladden spiegel. De dofgroene oever aan den overkant trilde in
+den lichtgulp. Er was niemand te zien op de schepen, die ter zijde,
+in een klein groepje, bewusteloos en mat neerlagen. Om hen was het
+doodstil. Geen vogel deed de twijgen wiegelen, geen windje de blaren
+ritselen.
+
+Een hazewind vloog voorbij, de tong uit den bek, de achterpoten
+met moeite naslepend. Een fluitje in de verte riep hem terug. 'n
+Oogenblik kraakten de kiezelsteenen van een naburig laantje; doch
+die niet voorbij ging scheen een bank bereikt te hebben.
+
+Albert kwam in een erotische stemming. Hij begon eenige brokken uit
+Heine en uit de Duitsche Lier te deklameeren en zong eenige fransche
+en duitsche minneliedjes.
+
+Hij maakte Henri bekend met het beeld, waaronder hij de rivier
+zag. Een jonge vrouw, die zich tegen de hitte voor 'n groot deel
+ontkleed heeft. De roze boezem golft onder het lichte omhulsel,
+waardoor de weelderige vormen uitpuilen. Het deed het bloed vlammen,
+vond hij. Hij verging van weelde. En hij zong van »mädchen en veilchen«
+en deklameerde van »duftende« lotusbloemen. Samen zongen ze eenige
+stukken, die ze indertijd als lid van een zangvereeniging hadden helpen
+uitvoeren en eindigden weemoedig met de Loreley. Albert verklaarde,
+dat hij Heine bewonderde. Heine gevoelde zuiver, vond hij, wat wij,
+lieden van de helft der negentiende eeuw, onbestemd óók voelen. En
+voor dat gevoel had hij de juiste formule gevonden. En hij droeg den
+»Felsenbaum« en andere gedichten van zijn lievelingsdichter voor. Zij
+maakten zich overgevoelig.
+
+De vloed was opgekomen, zachtjes, met breede bewegingen, eerst vleiende
+en kussende en zacht langs de oppervlakte strijkende, om opeens 'n
+fikschen duw van zich af te geven. Een zacht koeltje flapperde. De
+dodderende schoone voelde zich nieuw leven toestroomen en rees als half
+overeind, nat van weelde, koket, uitdagend glimlachend, de volle, roode
+lippen wat van elkaar af, met de eene hand haar lichaam steunende,
+met de andere haar kleeding nauw aansluitende om haar vormen, zoodat
+deze frisch en malsch uitkwamen, vol levenssappen. Ze scheen gereed
+om te stoeien.
+
+--Felicite, mompelde Albert. Beiden gingen geheel in het tooneel op.
+
+Voller werden de slagen, flapperender de kabbelingen langs de kant,
+breeder de rimpelingen. De rivier bewoog zich als onder weelderige
+stuiptrekkingen, zuchtend van genot, in elkaar kronkelend en dan zich
+met kracht uitstrekkend.
+
+Albert leunde achterover, geheel ontzenuwd. Plotseling sprong hij op
+en trok Henri meê. Beweging of ik sterf!
+
+Met groote passen liep hij voort. Z'n oogen glinsterden.
+
+Op den stoffigen dijk matigde hij z'n vaart. Ze gingen nu langs den
+buitensingel. Langs den kant, op den afhellenden grasrand, waren
+veelkleurige bloemperken aangelegd en hier en daar werd het vuile,
+drabbige water, waarin slabladeren en stukken papier dreven, door
+kleine groepjes boomen gemaskerd. Een duister, warm licht vol zoelen
+waterdamp hing over den pas besproeiden, belommerden kiezelweg. De
+buitenplaatsen dommelden in een halfslaap.
+
+Albert nam z'n vriend meê naar z'n kast. Ze brachten daar eenigen tijd
+door met 't bezien van etsen en platen en de gastheer onthaalde Henri
+op mooie plaatsen uit verschillende schrijvers, door vouwen en dikke
+strepen in de boeken aangewezen. En onder een glaasje ontwikkelde
+hij verschillende denkbeelden.
+
+
+
+Tegen den avond begaven ze zich weer op straat, nog opgewondener. Ze
+spraken luid, tot ergernis en twijfel van eerzame burgers. Nu en
+dan zei Albert tegen een nufje 'n aardigheid en maakte z'n vriend
+deelgenoot van zielkundige opmerkingen, naar aanleiding van de
+houding en het antwoord van 't meisje. Zelfs eerbare burgerdochters,
+door haar vaders begeleid, onderwierp hij aan deze psychologische
+proefnemingen. Ze legden in verscheidene koffiehuizen aan en hun toon
+werd steeds luider.
+
+De lantarens waren aangestoken en vonkten in het flauwe licht, dat
+tusschen de huizen wemelde. Het was nog snikheet. Zware dotten menschen
+verdrongen zich op de smalle trottoirs en maakten den Rotterdamschen
+cirkelgang: Hoogstraat--Blaak--Hoofdsteeg.
+
+Toen ze weer een snikheet koffiehuis uitkwamen zei Albert: Dat is waar
+ook. Er is van avend muziek in 't Park. Er op af! Henri merkte op,
+dat het om dezen tijd al gedaan was. Dat speet Albert. Maar je had
+er toch versche lucht en daarom stelde hij voor, niet langer tusschen
+die nare gevels te blijven hangen en er heen te gaan.
+
+Ze gingen dan langs de Boompjes en spraken over het heden, het
+verleden en de toekomst. Midden in een frase bleef Albert staan,
+om het riviergezicht te bewonderen.
+
+--Je kunt ons heele land kado krijgen voor zoo 'n kijkje!
+
+--Jammer, dat het hier eigenlijk een groot dorp is, verdomd
+»kleinstädtisch«. Het is niet an de lui besteed.
+
+
+
+Het bleek, dat de muziek gedaan was. Maar de paadjes braakten nog
+onder de flaneerende voetstappen en de banken waren nog vol donker
+gefluister, waardoorheen gele kussen flitsten. Ze kwamen in een jolige
+stemming en doorkruisten het park in alle richtingen. Toen ze er uit
+kwamen, had ieder een dienstmeisje aan den arm, wier kokette witte
+schortjes tegen hun donkere jassen slierden. Heldere flitsende lachen
+en fluisterend gegichel fosforiseerde op de warme grijsgele stem van
+Albert en de roodbruine van Henri. Ze gingen in een café, waar meiden
+zich lieten kussen, dat het klapte en famieljaar uit de glaasjes der
+mannen meêdronken. Henri fluisterde: Waar raken we in verzeild?
+
+--Laissez aller! Ik heb een kattennatuur en kom altijd op m'n beenen
+terecht. Ik beloof me veel van ons koopje! Voor een keer is 't wel
+eens aardig!
+
+Ze namen plaats in het donkere voorgedeelte van de zaal, afgescheiden
+door een donkerpaars gordijn, van de straat door groote, donkergroene
+bakken met dichte bukspalmen. Daar dronken de twee vrienden cognac
+en de meisjes frambozenlimonade, tot alles lichtgeel om hen werd en
+ze zich op den stroom hunner zinnen lieten afdrijven. Het duistere
+hoekje vormde een paarse vlek tegen de roezemoezige zaal.
+
+Op straat begon Albert onder een gaslantaarn, den arm om den hals van
+het meisje, dat een kop als vuur had en zich tegen hem aandrong, een
+romance te zingen, die hij in een café-chantant had opgedaan. Een paar
+honderd schreden verder kommandeerde hij halt: de meisjes hadden hun
+dienst bereikt, een donkere buitenplaats, vol zwarte stukken geboomte,
+waardoorheen een geel lampje op den achtergrond zichtbaar was. Een poos
+bleven ze staan fluisteren tegen het hek leunende. Albert smoezelde
+wat aan haar oor; maar het meisje zei: Neen dat kan nou niet. Ze
+kenne elk oogenblik komme.
+
+Maar je komt toch morg'avond terug? Met moeite kregen ze de heeren weg,
+nadat ze omhelsd waren en omhelsd hadden.
+
+Albert begon weemoedig te zingen:
+
+
+ Adieu, adieu, la belle France
+ Adieu, je t'aimerai toujours.
+
+
+Een rijtuig kwam pijlsnel aanvliegen en hield stil voor den tuin. De
+glinsterende lantarens wierpen lichte plekken op den grond. De knecht
+opende het portier. Een heer hielp een dame uitstijgen. 'n Oogwenk
+keken ze naar den zanger en verdwenen toen in den donkeren tuin. De
+knecht steeg op den bok, het rijtuig maakte 'n korten draai. Zacht
+krittelend schoof het over de kiezel. In het voorbijgaan riep de knecht
+Albert toe: Afblijven daar! Albert was verontwaardigd. Hij deed met
+z'n rotting 'n slag in de lucht en bleef het rijtuig, dat onhoorbaar
+naar den horizon schoof, nakijken. Henri suste hem.--Ja, maar, beste
+jongen, dat 's allemaal goed en wel; maar ik kán morgenavend niet. 'k
+Moet morgen vroeg weg, voor goed. Eeuwig jammer. En hij begon te
+klagen van »la belle France«. Hij vertelde vervolgens, dat hij dit
+lied door een bleeke Elzassche had hooren zingen, in 71 of zoo, drie,
+viermaal achtereen, tot hij de tranen in de oogen kreeg. Toen had hij
+en nog eenige jongelui van 'n zelfde klubje haar verzocht bij hen te
+komen zitten; maar het preutsche ding wou niet. Poeh!
+
+En toen hadden ze zich maar vergenoegd met een mollige Duitsche, in
+tricot, met heerlijke beenen en zonder pruderie. Ze lachte even hard
+als de anderen, toen d'r tricot scheurde. En Albert moet later aan
+het vechten geraakt zijn. Hij had z'n hand een paar keer op haar dijen
+gelegd en ze had maar eens witjes gelachen. Maar er was er een, die 't
+kwalijk nam, dat een dame in z'n bijzijn werd beleedigd enz. enz. En
+daar had je het. Ze ranselden elkaar met de stokken af. En toen
+ging primo de dame op den loop, en secundo werden ze uit het café
+gebliksemd en tertio sliepen ze dien nacht op een brits. Albert kon
+er zich niks meer van herinneren.
+
+Maar z'n vrienden hadden hem verteld, dat 't zoo gebeurd was.--Beiden
+waren den singel afgeloopen. Een agent, die hen een eind gevolgd had,
+werd door Albert afgesnauwd. Hij bleef verschrikt staan, hen naturende.
+
+In de stad was het stil. De koffiehuizen werden gesloten en de laatste
+bezoekers gingen in groepjes heen.
+
+Jonge en oude dames, min of meer deftig gekleed, zwermden paarsgewijze
+de groepjes tegemoet en bleven in hun nabijheid op en neer drentelen,
+zacht neuriënd.
+
+--Zeg, krullebol, je kunt je parasol wel neêr doen. De zon zal je
+vel niet verbranden, zei Albert tot een dame met tartende oogen.
+
+--Kom liever met me meê naar m'n kamer, in plaats van die praatjes.
+
+--Praatjes vullen geen gaatjes, hé? en hij begon verschillende
+variatiën op dit thema aan haar oor te fluisteren, zeer vertrouwelijk,
+doch z'n armen waarin ze de hare wilde haken, vrij houdend. Henri
+weerde zich tegen 'n heel kringetje, dat in 't fransch, duitsch en
+hollandsch tegen elkaar opbood.
+
+De vrienden maakten echter korte metten. Weldra gingen ze samen verder.
+
+--'k Zou ze lekker danken. 'k Ben lekker »gris«.
+
+De dames keken hen na, om dan fluisterend hun wandeling te hervatten.
+
+--Je brengt me toch naar huis? Anders raak ik in polities handen en
+'k moet morgen vroeg weg. Ik ken de agenten hier niet.
+
+Op z'n kast moesten ze nog eens klinken. Henri zat op een stoel te
+soezen, terwijl Albert z'n koffer pakte en op alle wijzen beproefde,
+'t deksel dicht te krijgen.
+
+Na veel mislukte pogingen wierp hij er alles uit en flapte den koffer
+toe. Hij ging er op zitten »speechen«.
+
+Henri, die zich den heelen dag al onder invloed van den ander
+gevoelde, was sufferig en verlangde hartstochtelijk naar het eind,
+dat eindelijk kwam.
+
+Toen hij den trap afging, lag de gastheer op 't portaal, zoo lang
+als hij was, met den bol van de petroleumlamp in de hand, heen en
+weer te zwaaien. Onderwijl zong hij: Behuet dich Gott.
+
+Henri begeleidde hem, op den trap stilstaand, terwijl hij met z'n stok
+tegen het houten beschot sloeg dat alle buren wakker werden en men
+in de verschillende kamers hoorde mopperen. Nadat het lied uit was,
+voelde Albert zich genoopt te roepen, dat Henri zich maar niet moest
+storen aan die slaapmutsen. Ze konden het wel in hun hoofd krijgen
+om midden op den dag naar bed te gaan. Als de lui getrouwd waren,
+konden ze niet zien, dat de zon in 't water scheen. Hij vertrok
+gelukkig morgen, waren dat menschen? En hij eindigde met de voor de
+buren verkwikkelijke mededeeling, dat hij van nacht toch wel niet zou
+kunnen slapen. Ze riepen elkaar nog eens vaarwel toe. Albert zwaaide
+op vervaarlijke manier met de petroleumbol, als een saluut, en Henri
+ging op de teenen den trap af. Albert begon opnieuw aan z'n koffer,
+onderwijl verschillende aria's zingend en soms de bewegingen van
+operazangers nadoende en hun houdingen aannemend. Eindelijk staakte
+hij z'n vergeefsche pogingen en ontkleedde zich onder 't zingen van
+het afscheidslied. 't Was toch ellendig, dat hij nu juist weg moest,
+nu hij 'n vriend had gevonden. Onder het in-bed-stappen dacht hij er
+aan, z'n vertrek uit te stellen. Terwijl hij lag te wikken en te wegen,
+viel hij in slaap. En 's morgens was hij alles glad vergeten.
+
+
+
+Henri gevoelde een lichte huivering, toen hem de nachtlucht tegemoet
+kwam. Een zwak koeltje zefierde over de daken en suizelde door de
+straten, in de broeiende warmte luwe openingen makend.
+
+De stem van z'n vrind gonsde nog in z'n ooren en onwillekeurig
+herhaalde hij het lied van den Trompetter en zong hij het zwanenlied
+uit Lohengrin. Weemoed begon in z'n stemming te domineeren. De
+straatsteenen weken onder hem uit en behoedzaam pakte hij de hekjes op
+z'n weg beet. Het harde ijzer was onder z'n opgezwollen, tintelende
+handen week als boter. Zoo sukkelde hij door een geligen nevel, van
+sterk zonlicht doortrokken, waaruit nu en dan een bekend gezicht zich
+loswikkelde. 'n Paar dames, in wit-grijs-geblokte doeken, begonnen
+zachtjes te zingen, toen hij voorbijging; maar hij zag ze niet. Met
+moeite opende hij de deur van z'n woning, een poos morrelend met
+den sleutel. In 't breede, hooge portaal bij den trap brandde 'n
+lichtje, dat door z'n flikkeringen, die langs de treden dansten,
+hem nog duizeliger maakte. Eerst toen 't weer stil stond, waagde
+hij het, den spiegelenden, bruinen trap te beklimmen, voorafgegaan
+door z'n schaduw. Boven werd er uit een kamer geroepen: Is u daar,
+m'nheer? Het was de volbloedige stem, warm en zinnelijk, van z'n
+over-vriendelijke hospita. Na 'n bevestigend antwoord wilde hij naar
+boven gaan; maar de stem vervolgde op innig-hartelijken toon: Ik heb uw
+lamp maar aangestoke, anders moet m'nheer zoo in den donker morrele,
+dacht ik. Werktuiglijk ging hij naar de kamerdeur, die op 'n breeden,
+warm-gele kier stond, om de juffrouw voor hare attentie te danken.
+
+»Komt u maar binne!«
+
+Een groote petroleumvlam doortrok het niet ruime vertrek van 'n warm,
+innig licht, dat langs het lichte behangsel opklom naar 't plafond
+en tot de kleinste hoeken met een heldere klaarte vulde. Zacht
+wemelde het en gleed het in de dekens en langs de hoofdkussens van
+het open ledekant, dat in een zeer ondiepe alkoof stond, in mollige,
+heldere smetloosheid. Een zwartmarmeren pendule met coupes en eenige
+achterover leunende fantasieportretten teekenden hun achterzijde
+af in den grooten spiegel met dof vergulden lijst, die aan den
+schoorsteen hing en de voorwerpen overgoot met het licht dat hij
+terugkaatste. Aan de tafel stonden eenige luierstoelen en in één
+daarvan zat de juffrouw, zoo goed als geheel ontkleed, puffende en
+blazende. Het roze, volbloedige vleesch trilde van begeerte onder de
+kantjes van het laag uitgesneden hemd.
+
+--Ze hoefden zich voor elkaar niet te schamen, zei ze.
+
+Ze waren geen kinderen.--Haar oogen zwommen in flitsende stralen die
+uit fosforische wolken schoten.
+
+Haar volle kin trilde, haar lichaam sidderde. Haar onderlip klemde
+zich koortsig tegen den bovenkaak, zoodat ze ternauwernood hare
+woorden uiten kon.
+
+Hij bleef aan de deur staan, overstelpt door de nieuwe voorstellingen,
+die met z'n stemming kampten. De kamer vulde zich met een zacht, roze
+licht en hij kreeg een gevoel, of hij door 'n zachte, warme hand om
+de lenden gegrepen en opgetild werd. De last, die hem in de laatste
+ogenblikken op de schouders had gewogen, viel af. Hij voelde zich
+verslonden, één worden met de vrouw tegenover hem. Ze was opgestaan
+en ontnam hem hoed en stok, z'n beenen met de hare beroerende. Een
+bliksem flitste door de kamer, gevolgd van lichte strepen, die
+zich omhoog spiraalden, zich in elkaar verwarden, weder oplosten en
+verdwenen, kleine brokjes achterlatende, die fosforiseerden. Alle
+lijnen trilden. De wanden der kamer kwamen op hem toe en drukten hem
+te pletter. Rozengeur steeg in z'n hoofd en geur van heliotropen.
+
+Ze drong hem naar 'n stoel en zette zich tegenover hem. Hij zag haar
+niet; maar voelde hare warme uitstraling. Met bevende handen schonk
+hij in, op haar herhaalde uitnoodiging. Hij moest toonen, dat hij
+de consessies waard was, die ze deed. Ze zou het als een beleediging
+opnemen, als hij weigerde.
+
+Ze leunde achterover in haar stoel, hem verslindend, en zich nu en dan
+wat lucht toewuivend. Hij voelde zich versuft en tuurde strak door het
+raam. De gordijnen waren opgenomen en het raam opengeschoven. In het
+donkere verschiet zag hij flauwverlichte ramen opritsen en bevende
+lichtjes pinken. In z'n hoofd gonsde het en z'n gloeiend achterhoofd
+klopte. Langzaam liet ze haar bovenlijf hem naderen, hem omringende met
+een warme wolk van zinnelijkheid, trillende van de forsche bloedgulpen,
+die naar de huid stroomden.
+
+Hij sprong op. Een donkerpaarse, walgelijke heliotroopgeur, doorloeid
+van hel-opflikkerende vlammen, wikkelde alles in z'n plooien. Het
+vertrek vulde zich met den schijn van donker gaslicht. Walging trok
+haar lijnen op z'n gelaat. Forsche tonen overstemden de lispende
+stem der vrouw. Wilde bekkensslagen rolden er over heen. Iedere
+spier van hem rilde van afkeer, iedere zenuw rekte zich uit en kromp
+snel ineen. Hij werd naar de deur gedreven en beklom werktuiglijk
+de trap. Uit een wolk achter hem suizelde een vrouwestem, als uit
+'n verre verte.
+
+Op z'n kamer blies hij de lamp uit en ontkleedde zich haastig. Toen
+schoof hij het raam open. Een frisch koeltje drong zich als 'n zilveren
+wig tusschen de vuile dampen in de kamer.
+
+Een poos lag hij in de duisternis te turen.
+
+
+
+Toen na een poosje zachtjes de deur geopend werd en hij een zacht
+warme adem over z'n gelaat en een strelende hand over z'n beenen
+voelde glijden, zei hij kallem: Je zult kouvatten, juffrouw.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Een nest menschen, by August Pieter van Groeningen
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57245 ***