diff options
Diffstat (limited to '57245-0.txt')
| -rw-r--r-- | 57245-0.txt | 5000 |
1 files changed, 5000 insertions, 0 deletions
diff --git a/57245-0.txt b/57245-0.txt new file mode 100644 index 0000000..66838b5 --- /dev/null +++ b/57245-0.txt @@ -0,0 +1,5000 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57245 *** + + + + + + + + + + + + + EEN NEST MENSCHEN. + + + DOOR + + AUG. P. VAN GROENINGEN. + + MET VOORWOORD VAN + P. TIDEMAN. + + + AMSTERDAM.--S. L. VAN LOOY. + + 1895. + + + + + + + + + +INHOUD. + + + Bladz. + + Voorwoord I + Haagsche Leen 1 + Eene doode musch 43 + Besmettelijke ziekte 79 + Een schaftuur 95 + Eenzaam 113 + Kindervreugd 129 + Op de bewaarschool 141 + Een dagje uit 159 + + + + + + + + + +VOORWOORD + + +De bedoeling van deze woorden vooraf aan dit sterk-persoonlijk +sprekende deel van Aug. P. van Groeningen's werk, vroeg werk +van hem, deze schetsen, maar rijp en wat meer is, buiten dezen +vergankelijken tijd, onvergankelijk; is belangrijk te maken de +wetenschap wie de schrijver was. Aanvulling, tevens vervollediging +van iets, geschreven door den heer F. Netscher over dezen Onbekende, +stilzwijgend geëlimineerde uit de maatschappelijke vergelijking. + + + +Echtheid, dat is tevens oorspronkelijkheid, waterlandsche frischheid, +Rotterdamsche steêkracht, bewustheid dat is objectiviteit tevens +zelf-dwang tot eenvoud. + + + +Is het voor kennis van den lyrischen dichter de vraag tweeledig: +hoè is de Tijd; en; hoè laat hij zich gaan,--wat de epiek-werker is +wordt beantwoord naar de enkelvoudige vraag: wat wil hij. + +De lyricus is zijn werk, op zijn hoògst daar de mensch; de epiek-werker +is zijn werk niet, maar er boven. En niet voor het onder-gaàn, maar +voor het begrijpen van epiek diep naarbinnen tot aan haar oorsprong +toe, is, de wetenschap wie de schrijver zichzelf voelde te zijn, +met name voor de literaire kritiek de aangewezen, met wiskundige +vastheid te bouwen weg. + +De lyricus kan zijn een onbeduidend mensch, met bij tijden +blootkomingen van waardeerbare stemmingen van zuiver toongehalte, de +epiek-werker is uit den aard van zijn wezen volledig, àlles-beduidend +Mensch met nog iets van een andere essens daarboven, de maat van welks +aanwezend zijn in de sfeer zijner bewustheden, de mate aangeeft van +zijn objektief vermogen. + +Hoe dus de tijd om Van Groeningen was, wier reactie wel, wier +meegolvende voortbeweging hij niet is, heeft belang alleen voor de +lotgevallen van zijn werk; ook liever verzwegen dit, omdat droevig, +diep-diep-droevig, een geheel nieuwen, 'n somberen blik gunnend op +de kritiek en de literaire fataliteit van die dagen, toen alleen +machtig was jong-Amsterdam: zijn harde, zijn superbe werken met den +elektriseerenden wil, door dien tijd, zijn tegengestelde, van onderop +is onderbroken en gestort, hetgeen zij kon door eene meerderheid van +maatschappelijke wijsheid en lichamelijke middelen. + + + +Wat is zijn Wil? + +Hij geeft er in strenge trekken volledige (levens-gevaarlijke) +openbaring aan in een eenig door hem geschreven (zelf-)kritisch +artikel, in extenso weer te vinden op pag. 3 van het 1e blad des +Amsterdammer's van 11 Maart 1890. + +»Trachten te-doen door laten.« + +»Een kunstenaar (zoo staat er) die objectief wìl (d. i. moet) zijn kan +door onzen subjectieven, m. a. w., egoïstischen tijd, niet begrepen +worden, tenzij hij, door bij-omstandigheden beeldt personen die als +letterkundige kunstenaars in fraaie woorden voelen. Dit is de mate +van ons democraat zijn, dus van onze naasten-liefde. + +»En daar de kunst der dichtstbije toekomst, als iedere reactie de +negatie van het nu-Heden, zal zijn zooveel mogelijk objectief, bestaat +heel veel kans op een herleving der romantiek, een nieuw-romantisme, +met helden en ridders--»tenzij« (men leze hier klemmend, als waren +de letters allen van ijzer, moeilijk weg te schuiven) »tenzij het +nu-aan-het-opkomend geslacht moed en zelfverloochening genoeg heeft, +een tijdje voor minder-knap, minder-vol gehouden te worden. Want +klassiek (naar-het-wezen-klassiek) werk schijnt in tijden van +verfijning erg armoedig, omdat het tracht te-doen door-laten: véél +te zeggen door wéinig te zeggen...« + +»Mijn streven is over de stof te heerschen...« + +Het is de grauwe, vette, zware kleigrond, waarin gewerkt moet worden +onder al 't eens-Monumentale, die Van Groeningen hier bloot-legt. + +»Voor zoover men van een kunstenaar kan zeggen, dat hij zijn stof +kan kiezen, zelfbewust, is dat bij mij het geval.« + +»»Van alle Tijden«, een groot geheel waarvoor ik ± 10 boeken +noodig zal hebben, moet worden de verklanking en verbeelding der +menschen-geschiedenis in het ruim der eeuwen: ('k Geloof dat de stof +niet erg realistisch is.) + +»Die geschiedenis wordt gemaakt door twee elementen: het +passieve--d. i. het menschengeslacht dat steeds wonderen vraagt +maar ze niet kan doen--en het actieve, goddelijke, dat ze wèl doet, +het genie. Daartusschen, overgangsvorm: het half genie, volgroeijing +van het eerste, aankondiging van het tweede element, dat het door +bevruchting met het eerste voortbrengt...« »Ter bestudeering van +dit levensverschijnsel hoefde 'k niet ver van huis te gaan. Men +vindt het in Bilderdijk, Multatuli die eigenlijk niet verschillen, +al lijkt dit een paradox...« »Niet slechts personen, ook geheele +tijdperken hebben een dezer drie individualiteiten. Men denke aan het +historisch verschijnsel dat alleen onrustige, zeer onrustige tijden +eene genie voortbrengen...« »In mijn plan komen 4 deelen voor, (nà +het vierde), die het volkslijden zullen behandelen. Over eenige jaren +hoop ik daaraan te beginnen. Als de natie tot rust zal zijn gekomen, +dàn zal ik geven, zonder terughouding, het leven van le peuple...« + +Het lijdt geen twijfel, dit nest menschen zou de kern zijn geworden +dier 4 deelen. + + + +De dêmoon der artisticiteit heeft de fysieke liefde voor zijn woord. + +De lyrische dichter heeft de geestelijke liefde voor zich-zelf. + +De epiek-werker heeft de geestelijke, godsliefde tot de Menschheid. Zoo +is Van Groeningen. + +Nog overgebleven papieren, een door bijna-alleen intuïtie tot in +het 3e boek der Imitatio Christi tot stand gekomen benaderende +vertaling van Thomas a Kempis, kinder-versjes, opzet en voorspel +van een tragedie »Jeanne d'Arc,« berythmeeringen van psalmen, +bewijzen buitenom Van Groeningen's zelf-bewustheid, aangehaald in die +»voor-rede« voor »Van alle Tijden«, dat hij oprecht in zich zelf had +gezien te zijn een »geestelijke«, en niet hoogmoediger dan hem paste, +zich rechtop-standig zette midden in het land als een die den strijd +zou wagen met den machtigsten moderne-epiek-werker in vruchtbaarder +klimaat, tusschen zoo fel-, maar minder zwaar- kunstvijandige menschen, +Balzac. Want »Van alle Tijden« zou worden epos van het grauwe Holland +in de Comédie humaine. + +Onbewust dit zich gaan meten, waaraan ons land met dit boek en met +»Martha de Bruin« een deel zijner toekomstige glorie dankt, onbewust +in Van Groeningen. + +De vrijheid van zijn bevestigenden, zelf-geziene werkelijkheid in +magistraal-eenvoudige kunststukken bevestigenden wil, heeft hij niet +getroubleerd door neven noch achter zich te zien naar anderen. Recht +voor zich uit keek hij en uit Van Deyssel's proza voor zich zelf wel +annexeerde hij nieuwe ontdekkingen, nieuwe methoden; maar zijn werk, +van wezen voelde hij 't: alleen, met allen-verschillend; in zijn +groote Geheelen zouden plastiek en analyse en muziek strenglijk te +hanteeren middelen blijven tot de ideeële geschiedbeschrijving; +dat deed nog geen. Ook het buitenland bleef aan zijn binnenste +vreemd. Een Hollander uit één stuk was hij tot in zijn diepste en +teerste vezelen. »Het Land« van Zola las hij in het Hollandsch. Zoo +is bekend dat hij in '88 met een vriend en ambtgenoot zich opmaakte +om het Fransch te leeren. Kan er zelfs sprake zijn dan van dadelijken +invloed van buitenlanders naar hem? Praktisch neen, en theoretisch +neen! Want zoo is het te voelen en te weten. + +Waar het Genie leeft is invloed van anderen alleen een zaak van vorm, +het lust hem somtijds zich te kleeden in geleend gewaad, hier, daar, +nu-eens en nog-eens maar; 't is bewust, dit ook is laten met een doel +het doen, andren te zoeken om zichzelf »van-zelf« te vinden. + +Maar bij Van Groeningen bovendien nog: hij wist niet-zoo-heel-lang +te zullen leven, zocht dadelijk zich-zelf alleen, zijn willen alleen, +en werkte 't door. Hij had geen tijd naar anderen te luisteren. + + + +Wie dit boek lezen kan als een vrij-gevoelend man, zal met een +edeler bewondering dan voor veel wat nu licht geliefd is, danken +den kunstenaar die, zoo eenvoudig, geeft de ferme knoopen van de +waarneming en laat den lezer door de mazen zelf zien in de door geen +woord ontwijdde diepten, door on versierde en water-naakte spraak. + + +7 Sept. '95. P. TIDEMAN. + + + + + + + + + +HAAGSCHE LEEN. + + +I. + +Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje, +doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten +zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining; +maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de +witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren +in een eeuwigdurenden nacht gedompeld. + +Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet, +als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich +spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere, +dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil, +hol vertrek. 's Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de +andere dagen vroeg uit moest. 's Winters zat ze reeds vóór half zes +bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten, +terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot +warmde. Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en +ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd +geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op +de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en +versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer +zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en +deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het +vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje +door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In +de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de +oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De +zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint +als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur +moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en +weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe +muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door +schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken +lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den +bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood, +boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde +en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid +waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door +een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant. + +Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half +zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en +nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de +deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker +in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest +afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een +diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, +dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, +dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken. + +In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er 's +morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen +kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil +om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze +in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te +verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel +der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als +grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en +geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken +koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen +zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf +harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door +een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der +schepen, die op stroom lagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het +geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- +en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille +fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende +mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut +plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich +op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost +bij Leen of in de herberg.... + +Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de +meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd, +een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden +en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren. + +Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een +der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd +boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand +der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door +de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig +welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op. + +Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der +wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen, +haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje +een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier. + +»Wat donder.. dag--de Heer vergeve me de zonde ben jij het, +Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze +oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want +ze hebben niet graag knechts met lange vingers.« + +De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich. + +»Ik dacht, dat ze vergeten en.... vergeven zouden. Mijn God, zouden +de menschen nog strenger zijn dan God?« + +»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige +zaken praten.« + +»Een dief!« + +»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam +noemen. Wegnemen en stelen, 't is één moers kind.... En wat deê je +in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?« + +»God Almachtig hoort me« .... + +»Gij en zult niet zweren.« + +»Ik heb honger« ... zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie +vingers laten zakken. + +»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men +scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner +mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als +een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het +was maar de kwestie 't zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren +het niet, die riepen: + +»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar +niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in +de wagen doen?« »Is 't waar of niet?« + +De man poogde achter de wagens om weg te sluipen. + +»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.« + +»Viseteeren, viseteeren!« + +De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën +knikten. Eensklaps begon hij te fluiten: + + + »Zwavelstokkie, zwavelstokkie,« + »Moeder, daar leit een schutter in de goot.« + + +Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!« + +Nu floot de man: »Turf in je ransel!« + +Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen +als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen. Hij zei maar altijd, +»laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum +niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij: +»die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den +baas wel als een god om werk willen bidden.« + +»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in. + +»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten +spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder +de markt werken. Op 't laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát +blief je?« + +»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van +de daad. + +»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af. + +»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds +jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker. Hij toonde zich laf, +maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken +aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen. + +»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord +wil worden? Om den bliksem niet.« + +Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan; +want hij had den naam van een »uienboer« te zijn. + +»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens, +wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t' +avond of te morgen opwachten en tegen zoo'n reus kan ik niet op!« +besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend. + +Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring. + +»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als +ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een +pootje helpen.« + +»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit, +hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!« + +Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en +klappertandend. + +»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man +omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven +van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in +den dikken mist, die in dwarlende massa's vóór de wind uiteen stoof, +om zich dan weêr samen te pakken. + +»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij het Amsterdammer? En +wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar +je uitsteken!« + +En Leen keek uitdagend rond. + +»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op, +dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien, +zat hij er nog en iemand die 's Konings livrei heeft gedragen, gaat +niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat +gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. 'k +Heb een groot huishouwen.« + +»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren +bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme +donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen, +moeten we het nemen,« merkte Leen aan. + +»Aannemen!« + +»Die is secuur raak!« + +»Hij heeft zijn bekomst!« + +Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om +weer aan den slag te gaan. + +Toch waren niet allen op de hand van Leen. + +»Wil je er je liefde van maken?« + +»Een rijtuig halen voor de trouw?« + +»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan +last van.« + +Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet. + +Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade +af. Hij droeg den koffieketel. + +»Een lieve geleijonker!« + +»Ja, een geleijonker, zeg dat wel!« zei de »uienboer.« Het fluitje riep +hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey's en de steekwagens +op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een +stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood. + +En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot. + + + +Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In +het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken +en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde +hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen +en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd +hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap +uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond, +toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat +die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam +hij toen thuis. + +Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste +gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid +kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen, +een lik om de ooren gaf--want hij was in den laatsten tijd wat minder +bedeesd geworden--barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om +den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigen oogen +gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje +had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde: +Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de +moeder op. + +»'t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo'n lamzak!« + +»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen +als hij?« + +»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!« + +De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis +teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op +de deur. + +»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!« +»Broerling!« »Ludeman!« + +Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans +allen riepen: + +»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!« + +Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na +eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien. + +Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou +te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging, +had er zich reeds op gespitst. 's Middags schoof ze de geplooide +ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken +alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en +annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje +van de kous moesten weten. Niemand in de buurt kon een vinger in de +asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij. + +'s Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens +als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze +op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!« + +Het hoofd van dit gezin was 's morgens eerst naar de kerk geweest, +Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had +hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg +nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn +kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat +te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche +loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.« + +Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den +dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de +onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d'r tellen te passen!« + +Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de +man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op +de deur van Leen en vroeg wie er smeerlappen waren. Hij was een groote +vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur +ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de +onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen. + +»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe. + +Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riep hij: »Neen, +verdommeling, jij bent een smeerlap!« + +»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op +hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en +ging daartoe achteruit. + +»Ik ben een... toe dan: een... een!« + +Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen +kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de +deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde. + +Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze +hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken, +hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand. + +Daar stond hij nu. + +»En nu wil ik weten, wie er een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok +hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De +oude juffrouw vond het »ijselijk!« + +»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!« + +»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor +uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge +snuiter, die zich kostelijk vermaakte. + +»Je... je... kostganger heb ik bedoeld!« + +»Mijn wát?« + +»Die man, die bij je t'huis is!« + +»Bedoel je mijn man?« + +»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Je man is het niet; hij +hokt maar met je« riep men. + +Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en +gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!« + +»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?« +vroeg Leen. + +»Die heb je niet.« + +»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam. + +»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie. + +»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven« (aan het adres van vrouw Vis) +»je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi +oud en knapjes leelijk!« + +Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven. + +Allen lachten. + +»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan +meê?« Dat was tot de omstaanders gericht. + +De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn +eigen« moest kijken en dat hij ook niet verkoos, dat men zich met +zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop +gaar liet kooken, anders had hij den duivel in. + +Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede +familie was, maar ze had geen »puf« ruzie te maken, om dit door de +anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest +maar zoet!« en kuste hem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte +de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerels applaudiseerden; maar +de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes +dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende, +dat het »meer als schandalig« was. + +Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef +men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal +boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen +komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud +water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam, +persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden +eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in, +maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer +lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap +naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de +bewoners der gang te bemoeien«..... + +Als Leen uitging, sloot ze den man op. + + + +In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden +tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij +meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten +zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes, +die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de +weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen +de plantjes konden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij +maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld, +toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs +krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes +en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch, +levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe, +morsige steegje te zien. + +De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar +gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te +zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van +algeheele verteedering. + +Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak +op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms +zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er +een meisje geboren. + +In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze +kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie +gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke +burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den +Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje +beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles +zag er toen geheel anders uit. + +Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige +manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen +en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon, +want de kleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar +het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande +liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën. + +'s Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. 's Morgens vroeg +maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade, +door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon +tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten +de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een +pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant, +door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door, +scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor +tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het +gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine +tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen +de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de +verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een +kleine zon. + +De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun +onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd +uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een +stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig, +eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar +dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet +lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren. + +Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten +tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen +tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door +een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes--en dan +tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel +verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw +hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan +het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de +eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo'n wandeling +den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei. + +'s Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in +het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef +staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde, +kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen +liep hij dan langs de modderige straten naar huis. + +Zijn ochtendwandeling mocht hij 's winters na laten, 's avonds ging +hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij +zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de +wijde wereld. + +Hoewel hij alleen 's Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren, +was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«, +in de week. + +En 's zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums +rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een +parasietenleven leidde. Soms, vooral tegen het voor- en het najaar, +gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch +bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden; +maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te +voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers, +die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig +bestaan droegen. Hij riep dan 's Hemels wraak over hen af. + +Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet +mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij +tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich +werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding, +als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit +instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd. + +Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare +moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche +afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste +vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch +en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield +niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo +lief een klap in d'r smoel.« + +Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door +een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het +niet--want het kind was bang voor haar--maar als het eens gebeurde, +dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zei ze ruw: +»Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het +schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet +alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, +zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong +schijnt verloren te hebben.« + +Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak +kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven +leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en +was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij +twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der +vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op +zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich +met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel +alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste +waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter +pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd, +zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren +dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag, +dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel +degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig +uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing, +had hij bijzonder veel van een idioot. + + + +Eens op een winteravond was Leen vroeg t' huis gekomen. De man +zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van +eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«--hoewel hij +beweerde, ze gekregen te hebben--waaruit hij eene verzameling dieren +boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar, +naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen +onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen +te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp +wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek. + +Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een +paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die +iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen, +stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen de revue in het +paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch, +eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom +eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan +weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje +naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed, +geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al +de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de +ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze +deden als de vader van 't dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek. + +Onverwacht slaat Leen op tafel en roept: + +»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?« + +»Maar Leen« ... + +»Maar Leen« ... bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten +praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou, +weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.« + +»Maar Leen! je hebt gezien ...« + +»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit +te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?« + +»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou. + +»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop; +maar Leen hoorde hem niet. + +»Berg die bullen op. Denk je dat ik 's nachts nog voor jou aan 't +redderen wil komen? 'k Zie je eenszoolief in ... in de bestekamer +zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te +drukken. »'t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten +werken om jou aan 't vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!« + +»Nu moet het uit zijn. Ik kan hier niet blijven!« + +»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen +hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede, +waar zij met de kinderen sliep. + +Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar +de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in +de effen zwarte schaduw der zoldering, alleen afgebroken door een +licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend +naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij +verkneukelde zich. + +»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man +had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over +het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf +meisje worden!« + +Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er +eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon +geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken; +maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t'huis, mokkend en zwijgend +en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen +handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld +was. + +De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen +hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd +was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken, +waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene +der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het +midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende +vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar +de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere +slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein, +telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in +slaap. In den nanacht had hij een naar jenever en tabak stinkende +kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken, +te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog +eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet +hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een +oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte +gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje +onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de +gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te +blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen. + +Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit +in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant +van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel, +zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren +reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen +slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn, +dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot. + + +Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.« + + + + + +II. + +Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte +altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst +begaf ze zich dan naar de Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een +massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis--waarin +en waarboven het kantoor was gevestigd--uit- en in-stroomden. Ze +praat'ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar +als 't koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne +rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis, +waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige +schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het +vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen +bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels +van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel. + +Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood +op stelten.« + +Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten +of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten +dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd +levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze +wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven +en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te +dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd, +die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en +werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist +en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het +minste geld gaven. De onderwerpen, die de jongeren bezig hielden, +waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen +opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat +alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men +baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door +een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas +Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien +kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was, +werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei +men van hem dat hij »bakker aan« was. + +Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer +onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of +legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in +het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste +bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht +op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op, +met een houding als de groote Mogol zelf. + +Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof +de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd +voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met +een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat +dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman +ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde: +er waren er ook, die aan een haarlok trokken of met den wijsvinger +aan hun slaap kwamen. + +Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór +te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen, +die in vaders plaats geld kwamen beuren. + +Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken. + +De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren +gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de +schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk +een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze +merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan +hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben, +kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten, +dat er iets aan 't handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.« + +Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel +liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en +kon zijn keel wel aan den kapstok hangen--geen droppel kreeg hij +meer op krediet--dat alles was waar; doch--hij maande niet. En dat +deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen +Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar +had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren, +beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het +eergevoel van den een gekwetst door op beschermenden toon tot hem te +zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar +de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.« +Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze +t'huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten +inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen +broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook +niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En +eerlijk!--nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de +deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler. + + + +Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet +zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een +kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de +lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als +de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar +menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen. + +Gewoonlijk kraaide heur haan victorie. + +Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter +de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene +andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg +wijdde ze Lou--met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist +geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was--in +de geheimen van haar bedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet +borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als +je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant +betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van +belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg, +net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair +geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg, +waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over +graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar +neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen, +als ze broodjes van den vorigen dag kregen--die Leen heel goedkoop +inkocht--al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als +voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van +borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen +aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste +niet als de kippen bij was. + +Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een +godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was +wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet +net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat. + +Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met +slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den +achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche +grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen. Alleen +in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere +haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan +het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide +lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte +af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende +lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als +weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind, +ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het +oord iets ruïneachtigs. + +Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een +gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens +vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar +een deel der sjouwers betaald werd. + +Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal +werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld +verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt, +als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven +uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der +traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier, +familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor +de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen +was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos +boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men iets te +gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men +van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van +dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De +vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.--Als de +baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard, +die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En .... hoeveel +vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door +somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet +verleiden--ik weet niet, of er ooit zoo iemand was--door de vraag +des waards bezweek. + +Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze +posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen, +die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten +laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen. + +Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden, +kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was +geen genade, wisten ze. En doorsnappen--daartoe bestond geen kans, +nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond +zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas +Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder +het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek. + +In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend +de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van +een trompet, die geblazen werd in een danshuis, een paar honderd +schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den +overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond, +met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en +op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat +het de vrouw van den plakker zou zijn. + +Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch +geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar +hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd +geen aangenomen werk!« Maar zoo'n vent, die den godganschelijken avond +achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak +zou kunnen worden van gebroken ruiten--»wie zal dat betalen, zoete +lieve Gerritje« floot de waard--zoo'n vent zou de kastelein wel dood +willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker +als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch +hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder +handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik +jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.--Met +dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door, +volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in +kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht, +verschikte het een en ander, en... Maar zijn herbergiersgevoel +veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te +jagen. Men kon nooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen +dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul--een +half ei is beter dan een leegen dop. Allicht had ook hij zijn rojale +buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies. + +»Woon je ver weg?« + +»Neen.« + +»Stik« dachten ze gelijktijdig..... + +»Wou je nog een glas?« + +»Neen, ik heb nog!« + +»Barst!« dachten ze. + +De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige +waard begreep--hij kende het klappen van de zweep--dat zijn gast in +de rats zat. + +De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het +papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de +zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters +geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon +men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd, +onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte, +navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen. + +Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik +jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde +hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan, +wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen +hoorde haar zeggen: + +»Jan kom nu meê! 'k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn +zoo koud.« + +»Meegaan! 'k Zou verdomme niet weten, waarvoor.« + +»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net +als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit, +nooit meer zou gebeuren.« + +De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het +kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil. + +»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind +achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk +loopen. 'k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig, +sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den +nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later +zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder +geld op zak te loopen, net als arremie. 'k Heb muizenissen genoeg!« + +De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem.... + +»Loop naar den bliksem!« + +Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven +scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden, +die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden. + +Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je, +dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló, +marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!« + +De vrouw keerde zich om. + +»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu +op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man, +slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »'t Spijt me erg, maar je +zult moeten wachten. 't Komt me niet gelegen!« + +»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor +zoo'n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder +op zeggen!« + +»Nou, maak maar zoo'n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal +je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je +verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je, +flikkersteen! En nu, ik ga!« + +Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd. + +»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we +leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!« + +Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de +twistenden hadden gevormd. + +»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie. + +»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?« +wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!« + +»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je +opendoen!« + +»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,« +riep Jan's vrouw onder algemeene hilariteit. + +»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is +een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen, +als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«) +»Zet hem onder een stolp.« + +Onder een homerisch gelach beval Jan statig: + +»Ga heen, Jo, je past hier niet.« + +»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het +zeerebeenenhuis.« + +Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht +te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels +naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust +en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak. + +De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan. + +»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!« +Jan antwoordde op dit ultimatum: + +»Neen, voor den donder! neen, neen!« + +»Maak plaats, jongens!« beval Leen. + +Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu +bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle +bewegingen goed zichtbaar waren. + +De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot +dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen +vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar +op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken. + +Zij beproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel +dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij +kokhalsde en liet los. + +»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend. + +»Neen, verdomme!« + +Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan's vrouw zich op haar +en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken +vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men +wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te +hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne +vijandin.--Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog +van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid, +onder haar. + +Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep +een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen, +zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het +bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van +zijn bemodderde, gescheurde jas. + +Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met +de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze +bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende, +als ze eene arm voelde naderen. + +Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De +toeschouwers gingen geheel in den strijd op. Hun oogen puilden +uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten +gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en +vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat +en boezem--geheel ontbloot--waren met lange krabben bedekt. Wild +golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld, +wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op +het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had +losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het +achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken +kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren +door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe, +den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen. + +Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het +ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met +een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar +succes, begaf zich op zij. + +Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen. + +»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader +aan zijn haar te trekken.« + +»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?« + +»Ja, maar dat 's iets anders. Hij heeft gelijk!« + +Lou haalde hare schouders op. + +»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? 't Is me wat moois, +dat eene vrouw vecht. Bah!« + +Lou zocht een ander plaatsje. + +Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders +lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem +zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.« + +Maar dat gebeurde niet. Door Leen's slagen en zijne vergeefsche +pogingen om zich aan Leen's ijzeren knieën te ontworstelen, raakte +hij bekaf. Zij was letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat +sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig +niet op te warmen. Ze is mans genoeg!« + +Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe. + +»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen +gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.« + +Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek, +die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af +en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering. + +Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te +banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem +kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak +plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn +blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen +was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand +agent?« antwoordde hij norsch: »In de hel!« De oude juffrouw vond +dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een +oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.« +Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep +jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!« + +Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van +Leen had gekregen. + +»Ja, Jan, maar.....« + +»Hier of ik spring in 't water.« + +»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.« + +»En nu, opgerukt, marsch!« + +En ze ging. + +»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »'t Lijkt wel eten van +de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te +hoog hingen. + +Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed +hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!« + +Men verspreidde zich. + +Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep +ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De +spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.« + +De haven werd stil en ledig. + + + + + + + + + +EENE DOODE MUSCH. + + +»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!« + +Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen +op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen +telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar +er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens +weder terug. + +»Anneke, tanneke, tooverheks!« + +»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare +kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!« + +Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis, +zoodat het sarrende deuntje ophield. + +Vrouw Helms, aldus was de burgerlijken naam der heks, zag er wel +naar uit, om kinderen schrik aan te jagen. Haar geel, perkamentachtig +gelaat was omlijst door een neepjeskapje en bezet met eene neus, die +neiging had, in haar kin te pikken. Ze was zindelijk gekleed. Dat ze +niet vuil was, bewees ook hare kamer, van de blinkende koperen rand +om de kachel tot de witte geplooide gordijntjes voor de ramen. + +Ze was nu bezig koffie te zetten in een wit aarden pot met bruin +deksel. Een zwart-grijze poes zat met knippende oogen in den wasem +te turen en ontving de vleiende namen met een air, of het zoo +behoorde. Soms keek ze peinzend door de ramen, waardoor ze echter +niets kon zien. De waterdroppels, die langs de ruiten biggelden, +maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de +bewaarplaats van afbraak, aan den overkant. + +Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel, +wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur, +van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur +open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche +stem: »'k Zal je leeren te zeggen: »'k doe het niet.« Pakaan!« Dit +laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help +buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, 'k zal het aan +vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen, +geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans, +ze riep: »Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?« + +»'k Moet op straat.« + +»Neen!« + +»Ja, ik moet!« + +»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent net zoo'n drein als je +vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen +hebben!« + +Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap +aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde +hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder +gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever +te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van +haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer +stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk +scheen aan te trekken--riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?« +Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een +sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden +kwamen. Vrouw Helms schonk vast in. + +»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist +eens opzoeken.« + +»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef +water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel +voordeeliger uit, zie je!« + +»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid +fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat +ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb +je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders +sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen +medicijnflesch... Ze hebben me wel eens verteld, dat het Vrijdagsnachts +feest is bij kaartlegsters. Dan komt Heintje Pik ook. Dat 's waar, +ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten +heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want +ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d'r poot zuigen! Weet je +wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?« + +Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat +te vertrekken. + +De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die +zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig +vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik +heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het +zuiverste water.« + +De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen, +die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje +van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere +verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de +handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met +elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend, +balkte hij op eens: + +»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?« + +Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?« + +»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!« + +En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen +en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En +in zijn kommetje turende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog +onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps +plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had +aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel +omgaat. Je bent ook eene mooie!« + +»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek. + +»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag +koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu +zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.« +Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat +niets als een kipje!« balkte buurvrouws spruit aan de trap. + +»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder. + +»Ik ga paaltje springen.« + +De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na +het intermezzo zegt ze: + +»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.« + +»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man. + +»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den +nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een +week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal +je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd +want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is 't waar of niet?« +Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd: +»Piet Bartelsz.« + +»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar +boven, vader!« + +»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,« +mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen. + +Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer +in en zei: + +»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw, +de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.« + +»Hangen heeft geen haast. Een kopje?« + +»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je +weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk +rijk. Hij bulkt van het geld.« + +»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom. + +»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn +leven. Een mooi vak, een best vak!« + +»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd +baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger.... Vet zal het +je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den +man aan met een kritischen blik. + +»Wie is die brombeer?« + +»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje. + +»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je +er af. Mijn principaal«.... + +»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er +afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze +móeten me uitstel geven: het is winterdag. Anders zullen ze me het +huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle +weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al +een vette acht gulden!« + +»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom. + +»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer. + +»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je +neef A. B. C. Waren. Weet ik het?« + +»Bloedzuiger,« bromde oom. + +Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat. + +»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man +en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van +de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.« + +»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is +goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,« +zei vrouw Helms. + +»Ja, bij ons arme donders.... Binnen!« + +»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan +rammelen.... Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen, +die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het +jongetje keek tersluiks naar den vreemden man. + +»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van +afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar +maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden +week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. 't Was een gloeiend +schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op een steenen vloer +rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me +voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je +vader en je moeder je aan 't werk zetten.« + +»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op. + +»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik +vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden +van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.« + +De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond. + +Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!« +Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het +knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik +ze het inpeperen!« + +Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op +en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?« + +»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk +zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo +zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei: +Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed +om te halen.« + +Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen. + + + +Het weer was intusschen veranderd. In de donkergrijze lucht waren +bleekblauwe gaten gekomen en het grijze gordijn rolde zich op tot +grillig afgebrokkelde wolken, aan de randen verzilverd met gouden +weerschijn, die statig zuidoostwaarts dreven. In het westen hingen +echter nog een massa opeengestapelde zwarte koppen. Een weenend +zonnetje bescheen de afbraak aan de overkant en lachte zichzelf +weemoedig toe in de gebroken ruiten van de vervelooze ramen, die +tusschen deuren en oude planken tegen de ruwe heining stonden te +leunen. Alles was overgoten met een valsch, schel licht, dat de oogen +zeer deed. + +Vrouw Helms keek in haar spionnetje, na eerst de beslagen ruiten +met de hand afgeveegd te hebben. Ze moest daartoe de raampjes even +openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de +natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen +de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar +worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien +voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu +daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die +sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. 't Is +een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid. + +»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt +hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft +ze rijksdaalders in d'r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik +het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden +van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij en een ander +de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt 's Zondags maar op laarsjes +met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad, +stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer +op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere +de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene +gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen +zitten »te stikken van 't lachen.« + +»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d'r aan +komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer +op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik +naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. 't +Is of ze in de maan gebakken is, net de dood van Ieperen. Maar wat +ik zeggen wil, 't is vast een leugen. o Ja, ik was van morgen bij +haar om.... om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp +voorover. Armoe is geen schande; maar beroerd lastig. Het is tobben +van den eersten Januari tot den een-en-dertigsten December. Maar wat ik +zeggen wil en jokken niet, ik ging dan bij haar leenen, want je weet, +dat ze dat doet tegen een dubbeltje van de gulden. Het ongelukkigste +is, dat je er als een hollend paard door achteruit gaat. Maar ik zit +nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men +heeft. 's Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik +ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje +naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan +'s Maandags weêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast +noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen, +ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo +denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje +van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een +tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide, +weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze +hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al +origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je +dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer +ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! 'k +Ging nog liever, waar God me goed land gaf!« + +»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren. + +»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze +kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat +van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen, +heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!« + +»Maar je zei:....« + +»Ja, 't is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg +Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je +dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze +en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een +kleine jongen. In 't voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd, +over één oog heen. O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je +moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren +geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon +armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders +op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de +mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d'r slasmoel, »d'r is +iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging +naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje +aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte +er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.« + +»Gisteravond was ze ook al op den snor.« + +»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me +halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef +heel bedaard zitten. Wat kan 't mij schelen? Maak je maar niet dik, +dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica, +er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en +met d'r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman +maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg +legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze +had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel +wegkijken. En mensch«.... (spreekster slaat de handen in elkaar en +zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie) +»als je dat gezien had. In een oogenblik had ze haast al d'r meubelen +weggestopt, tot d'r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg, +gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder +die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus +van komsa. Ik bleef maar stiekem zitten. Ze keek me aan, zoo kwaad +als een spin, maar ze kon me kwalijk wegjagen. Ze koos dan eieren +voor haar geld. Het heertje hield net of ik er niet was. Of 't mij +kon schelen?! En toen hoorde ik, dat Trijn gezegd had, dat d'r man +ziek was--het is notabene d'r man niet eens--en dat hij versterkende +middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven +en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d'r +oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want +hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is 't +niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »'t wordt tóch gegeven, +of ik of een ander 't inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,« +zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf +onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat 't zoo onrechtvaardig +gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op, +dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar +een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze +naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te +weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van +'s nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden +dag geen draad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen +de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij +zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen, +men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard, +we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar +huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet +zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een +wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »'k Heb geld +genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in 't +zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een +armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te +gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had +ze wel kunnen crepeeren, het was al een week geleden. Nu dan! Toen ik +naar den jongen ging kijken, hoorde ik dat hij honger had. Ik keek in +de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat +het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen; +maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig +spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek +kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar +van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een +boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik +was aan 't kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig +verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar op mijn hoofd aan den +armenbezoeker dacht. Als 't niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen +gezond uur meer heb«.... Zoover was ze gevorderd, toen het kleine +hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje, +maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien +gulden onkosten op gevallen. + +Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om +aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken, +dat is gauw klaar!« + +De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets +woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of +het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik +zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar +een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op 's mans +demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend +heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms +zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk +ze nog ettelijke kopjes koffie en at boterhammen met hompjes kaas, die +ze van een groot stuk vol maden afsneed. 's Zaterdags ging ze altijd +de kaaskraampjes langs en nam van elk een gratis proefje, hoewel ze van +te voren wist, wiens beurt het was, om door haar begunstigd te worden. + +Intusschen was buurvrouw bezig met het gereedmaken van 't maal. Dit +bleek; want haar veelbelovend zoontje, dat zich door belofte van +een paar centen had laten bewegen, iets voor zijne moeder te doen, +kwam bij vrouw Helms achtereenvolgens leenen: een beetje blom, een +stroopflap, twee borden, twee tinnen lepels, vier centen voor jenever +voor zijn vader, een potlepel, een stukje boter en een stoel, onder +belofte van spoedige teruggaaf. + +Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit +in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die +in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen +waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam +in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen +groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd +aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht +bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle +tint. De donkere daken staken scherp af tegen de lucht. Waar de zon +stond, zag men een groot koperkleurig gat in de wolkenmassa, aan de +randen bewasemd; en ook naar het oosten toe behielden ze dien glans +van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele +groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa +op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog +een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst +door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen, +zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De +dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil. + +Toen de wolken waren voorbij gedreven, hield het zachte sneeuwen +op en op den lichten achtergrond bewogen zich nog slechts eenige +purpergrijze koppen, in het oosten zich tot strepen uitbreidend, +welke boven de huizen bleven hangen, om zich na een poos op te lossen. + +Het westen had nu een kleur als messing..... + + + +Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt +gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan +zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te +gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman +van zijn ambacht. + +Onder het genot van nog een kopje--het was nu »grondsop voor de +goddeloozen,« zei de gastvrouw--hervatte ze na een lange inleiding +haar verhaal. + +»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar +de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de +armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had: +»Nu, nu, 't zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,« +of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo +rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout +is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute +schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje +tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho +maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel +aardig. Eerst zei hij: »Ja, ja, we kennen dat. Zeker een weduwvrouw, +hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,« +zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen +zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor +niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder +was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan +had hij wat uit zijn zak gegeven. Maar ik heb geen hondeneus. Je kunt +alles niet vooruit weten, is 't waar of niet? Nu dan, of ik al hoog +of laag sprong, ik kreeg twee vette soepkaartjes. Maar ik dankte er +hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op +hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij +hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart +gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het +nog geen doodwond. 't Kan beter van een stad dan van een dorp.« + +»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar +gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde +niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze +een broertje dood. + +Na nog eenige nabetrachtingen ging de buurvrouw heen. + +Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had +geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen +door het gordijntje te zitten koekeloeren. + +»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het +komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met +een prijsje uit de loterij kwam. Hein zou er met zijn doode vingers +afblijven, dat geef ik je op een briefje. 'k Zou wel zalig oppassen, +dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.« + +En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel +afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der +buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur; +zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje +thee naast zich en haar kat aan haar voeten...... + +»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze +mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der +leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D'r is niemand +op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »'t Ga je goed, hoor!« + +»Wat zou er nu aan 't handje zijn?« mompelde Neel. + +»Open, of ik trap de deur in.« + +»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.« + +»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander. + +»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in: + + + »Atju we moeten, elkander groeten.« + + +Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet. + +Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan, +als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de +kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!« +Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok +onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op +zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen. + +»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men +op het portaal. + +»We hebben hem verleid.« + +En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders« +de trap af. + +»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de +dampen aan!« + +Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het +ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen +de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten: +de honderdduizend is op ons lot gevallen.« + +»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.« +Haar gelaat klaarde wat op. + +»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende: +»Zeker en zeker is twee. Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader +zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.« +En toch heb ik hem zelf naar 't kerkhof gebracht en ik heb zelf de +briefjes gezien waarop stond: »Rust in 't Putje.« Maar je ziet zooveel +gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.« + +»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je +het zeker van het lot?« + +»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen +en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand: +»Ik heb er nog al hoop op!.... Nu zullen we het er van nemen!« + +»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld +gekocht!« + +»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, 'k Zou me +schamen om er over te spreken.« + +»Je schaamt je niet om er van te vreten.« + +»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin +volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.« + +»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden, +maar dat is ook op en al.« + +Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij +vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding +wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij +een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan +»de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan. + +»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij: +»D'r moest wat op vallen. Vier staarten, heb je 't ooit mooier gezien?« +Hij begon te deklameren: + +»'t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.« + +»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen +varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin +van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken. + +»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo'n verrekt blad, die je altijd +voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat +geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op +z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een +brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haar schotel +met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat +het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande +deur van 't keukentje tintelde een bundel zonnestralen naar binnen +en vormde op den vloer een gouden streep, die telkens verdween, +als de deur door een tochtje dicht waaide. Poes maakte er jacht op +en trok zich telkens terug, als de streep verdween, om het volgende +oogenblik er weer op toe te springen. + +Het gekef van Fidel, die, soms maar een praatje makende met andere +honden, steeds gewoon was alle bezoekers aan te kondigen en het +vooral druk had als er eene equipage voor de deur stil hield, wier +bezitster de kaart wou laten leggen--het gekef van Fidel waarschuwde, +dat er bezoek was. Toen Neel de deur opende, zag ze een heer, die de +slippen van zijn kale jas onder den arm droeg, om ze te beschermen +tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten +varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen +een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden +tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te +vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij +beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been +drong. Doodsangst lag op zijn gelaat. + +»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de +gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den +staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn +hart te kunnen ophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden +komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in +'t vat ligt, dat en zuurt niet.« + +Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie. + +De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was +onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.« + +»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt, +doe ik het jullie.« + +»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich. + +»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot. + +»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie +meêgegeten, toen ik klein was?« + +»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel. + +»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.« + +»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?« +zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader +op zee voer. + +Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat; +maar hij zei: + +»Vergeten? Het is daarom dat ik je dit bezoek breng.« + +»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel +nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene +erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van +daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop +te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkige beeldspraak. »Maar +veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht, +om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je +zult zien!« + +»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel +keek hem leelijk aan. + +»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht +ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit, +versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik +een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven, +je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?« + +»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje +doe je heel wat!« meende Helms. + +Neel knikte ontkennend. + +»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je +archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor +je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek +voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt +al je levensdagen in een gangetje gewoond«.... + +»Hohó!« + +»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c'est egal, zegt de +Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet +laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter +niet.... niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar +zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooit +sprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus +belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven, +laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb +ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef +elk een kleinigheid«.... + +»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop. + +»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn +zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening, +vóór ik je het geld op deze zelfde tafel--of bij mij aan huis--kan +uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van +verlichting: ze was als gebiologeerd geweest. + +»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.« +Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins +haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat +neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te +gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat +hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en +hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets +uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand. + +Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd. + + + +Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch +zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was +toch maar eerst gewoon bosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo +wat en nu woont hij in een villa!« + +»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer +krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.« + +»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.« + +»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont +eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij +slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en +koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!« + +»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?« + +»Ja! en?«.... + +»Maar dan moeten ze toch maar niet op d'r gemak zijn. Ik ga maar bij me +zelven na: 'k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!« + +»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein +gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme +lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die +gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t'huis zijn.« + +»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende... Weet je, waar ik +over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo +rijk als Kresus.« + +»Ja, die totebel leeft toch voor niets.« + +»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?« + +»Ja.« + +»Heeft ze kinderen?« + +»Niets als een meid en een kat, kind noch kraai. Ja, erven doen +we vast of.... ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d'r graf +meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was, +want je bent nu tusschen hangen en worgen.« + +»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog +wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel. + +»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De +aardappelen werden geteld. D'r man zaliger had geen lor in te brengen, +hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zou mij moeten overkomen,« +(zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht +voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d'r +man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te +doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk, +zei ze. Bocht kon ze niet velen.« + +»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?« + +»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. 'k Zal straks +eens even aanloopen. Heb je een kwartje?« + +»Een kwartje?« + +»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor. + +»Nou, omdat het zoo'n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.« + +Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met +koffie en vertrok. + +»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na. + +»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had. + +»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze +deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken +vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte, +om eens een kijkje in dat hok te nemen. + +Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?« + +»Neen, alleen wat brood met kaas!« + +»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk +aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een +paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken +gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?« + +»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg. + + + +De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De +raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar +dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk +van het dier. + +Een zee van lage pannendaken lag omlaag, want het huis was nog al hoog +en Neel woonde op de tweede verdieping. Hier en daar strekte zich een +dak wat hooger op; maar omdat men bezig was daar eene straat door te +breken, bleef een groot vak van de lucht open. Ver weg, over de huizen +heen, was de lucht rood gloeiend. Een paar grijze strepen liepen door +den vuurgloed heen en eindigden in een zwarten stapel, aan de randen +verguld. Het noordwesten spuwde nog steeds grijze massa's uit, die +een oogenblikje de geheele lucht overtrokken als een grijze wasem, +om dan weer door den wind weggeblazen te worden. Enkele gaspitten +stonden stil tegen den horizon, die al grijzer en grijzer werd. Maar +er vertoonde zich eindelijk een open vak, doorloeid van kronkelende +vlammen, als door den wind allen naar denzelfden kant gebogen. Toen +kreeg het noordwesten een kleur als geel koper, dat doffer en doffer +werd. Een mat licht doortrok den ganschen atmospheer. In de verte +schenen zich de zwarte huizen uit te rekken en de lantaarnpitten +leken groote vonken, in de duisternis verspreid.... + +Binnen in de kamer was het al geheel donker. Het knerpen van de +keukendeur, door de tocht bewogen; het getiktak van den klokslinger +en het gepruttel van den koffiepot op de kachel braken de hoorbare +stilte af. Een groote lichte plek werd door het kachelgat op den vloer +geworpen. Telkens als er stukjes asch omlaag vielen, was dit ook op +den grond te zien. Op den gloeienden pot speelden sprankelende vonken +krijgertje. Telkens als de vlammen opflikkerden, waren menigvuldige +gaatjes en scheuren in de kachel zichtbaar, evenals de stukken +waschgoed, die in het duister hun nevelige armen en beenen uitstrekten +en waartegen de spelende vlammen gedempt uitkwamen. Ze bewogen zich +zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm. + +De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende +kachel. + +»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur +wel gesloten.« + +»Zou je denken?« + +»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als +een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou, +het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die +kachel eens: de mijne is er heilig bij.« + +»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.« + +»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen +niet om te halen, wel?« + +Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen +neerliet en de lamp opstak, zei ze: »'k Zal de lamp maar opsteken, +al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat +ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de +hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de +in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend: +»Wat kom jullie doen?« + +»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement +wat brengen. Heb je iets warms?« + +»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!« + +»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is 't niet stief, +het is warm in 't lief. Ik houd anders wel van iets hartigs. Als +'k zei, dat 't niet waar was, zou 'k liegen.« Ze slurpten langzaam +haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met +de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam: + +»Je weet, dat je moeder van d'r eerste man Halen heette. 't Was +een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen--Kalen; +want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor +aardappelenbak.--Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man, +een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen +tegen«.... »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,« +zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je +zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.« +»Toch was hij neef.« + +»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.« + +»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en +met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat +niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan +ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn +gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit +nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één +moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog +wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen +hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijn beroerde +klauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele +konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig +gulden en«.... »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het +adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is God geklaagd: we zijn +rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou +nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het +zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.« + +»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo +iets«.... »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd +mijn jas vast, dat ik eens uitlach.« + +»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch. + +»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«.... + +Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd: +»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht +van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar +buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben. + +Men besloot, de kwestie open te laten. + +»Nou dan, zoo'n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule +voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.« + +»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als +iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de +Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht +is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. 't Zou al casueel zijn, +als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest op +audiëntie«.... »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen +en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.« + +»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar..... daar hoor ik Hein.« + +»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die +is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we +later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende +handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet: +Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat +ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze +over een erfenis kwam malen. + +»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte +Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet +groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier, +ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij +was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met +zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.« +Boven gekomen, riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!« + +»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel. + +»Dronken? 'k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja.... één +borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein. + +»Eens in je leven? Wel, wel?« + +»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.« + +»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!« + +»Van Piehiet? Je bent stapel. Heb ik dat gezegd? Dat kan ik niet gezegd +hebben, want het is niet waar. Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw +wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde.... de dwarsdrijver! En +nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken. + +»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo'n verrot end. En dat zit nog +met zijn sliksporen op mijn sporten.« + +»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. 'k Heb +kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je +hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van +tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!« + +»Wat is er van het prijsje?« + +»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is +een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor +van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige +streek. Wat scheelt je oude?« + +»Wat zeg je daar? Is er niets«.... + +»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We +hebben pret genoeg gehad. Ik ben«.... + +»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel. + + + + + + + + + +BESMETTELIJKE ZIEKTE. + + +In de stad heerschten de pokken. De namen van die er aan bezweken +vormden in de couranten heele lijsten. Een vunzige lucht, doortrokken +van carbol en chloor, hing in de nauwe straat, waarover zich dag aan +dag een naargeestige, vuil-grijze hemel uitstrekte. De zwarte gevels +zweetten de besmetting uit, die zich bijeentrok om de witte repen +papier, op deuren en kozijnen geplakt. De vrouwen, die 's morgens voor +den haard van de water- en vuurnering de hoofden bij elkaar staken, +hadden het over niets anders als nieuwe sterfgevallen en nieuwe grepen +van de gevreesde ziekte, die zijn klauwen links en rechts uitsloeg, +als een grimmig roofdier, overal tegenwoordig, niets ontziende. De +huizen stonden te rillen, deemoedig vol angst en vrees. + +In de nering hing een vuile nevel, die zich voor het vuur bijeentrok +in gelige klampen, met een stank van vuile eieren. Het was een vuil +gezin. De weinige meubelen waren bedekt met een dikke laag vuil en +doortrokken met een zwaveligen turfdamp. Het kleine jongetje lag tot +den middag in zijn goor ledekantje naar de vlammen te kijken en liep de +andere helft van den dag in een vuile hanssop, met ongewassen gezicht +en steil rechtopstaand, geel haar. Even vuil was z'n moeder, met een +taankleurig, gemeen gezicht en een rok, waar de flarden bij hingen. De +man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd, +en die op een vuilniskar reed, bracht 's morgens de theestoven weg, +terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. 's Avonds zat +hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z'n vrouw bij +het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een +stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met +deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok +hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar +leunende tegen den grooten, zwarten doofpot. + +Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk. + +»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man. + +»In godsnaam, d'r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor! Ik +zou je danken! Dan krijg je zoo'n verrekt briefje op je deur en je +klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en +'t is hier toch al niet opgeschept!« + +»Enfin, we zullen afwachten!« + +»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter +komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.« + +Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgende dagen telkens +in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg +het op, om het wat »op te monteren.« »'t Was altijd zoo'n oud ventje, +maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest +wat op 't plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door +hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig +lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude +valwinden, die op z'n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur +aan uur met vochtige oogen te klappertanden en te rillen onder de +liefkozingen van het monster, de pokken. + +Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon +niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit +bed wou nemen. + +»Daar heb je 't gedonder, zie je wel?« + +»'k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar 'n dokter komt hier +niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een +jankende vent, 't is wat lekkers! Meteen zal 'k een bedje in de +keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we +worden bekend als de bonte hond.« + +»Ik heb er 'n zwaar hoofd in, anders zeg 'k niets.« + +»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, 't is ook wat! En 't +is maar 'n kind. Erger zou 't zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan +liep de heele boel in 't honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er +meê optrekken doe 'k niet. 'k Mot den heelen dag genoeg vort met +m'n donder!« + +»Ik zal wel waken, als 't noodig is.« + +Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op +drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun +dekentje, vol gaten en tot den naad versleten. Daar lag het te +turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts, +naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De +wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen +in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke +gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, 'k ben zoo bang!« + +Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de +doffe trillingen sneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees +ineenkrinkelde. + +De rukwinden deden de ruiten daveren. De snijdende huilingen van +den hond, de verwarde stemmenklateringen der klanten, de zwavelige, +gele turflucht doezelden ineen tot een walgelijke massa, waarin de +kleine lijder lag te stuiptrekken. Een jong varken op 'n mesthoop! + +En 's avonds keek het naar het dansende vlammetje in het glas olie +en water en naar de wemelende repen schaduw, telkens afdwalende naar +den donkeren gapenden mond der schoorsteen, vol stille ontzetting, +vol stomme doodsangst. En als het vlammetje knetterend uitging, +dan sparde de vreeselijke muil zich open en deed een grooten hap, +alles verzwelgende. Het kind greep wanhopig het dek, de armpjes +langs het lijf, de schouders omhoog getrokken. Tot de koorts weer het +zwakke lichaampje deed schudden, met ijskouden tocht het levensvonkje +beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend. + +Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes +in de zijne. + +»M'n lief, arm ventje. M'n lief, arm ventje.« + +De derde dag, 's Zaterdagsavonds, zei de man: + +»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m'n hart me in de keel.« Hij +liet z'n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig +dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te +maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z'n bezige +handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z'n versuft brein. Hij +gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde +hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van +ingehouden tranen zeggend: »M'n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet +meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z'n handen. + +Tot z'n verwondering spoorde z'n vrouw hem aan, om een dokter te +gaan. De zaak was, dat ze van de onteigening had gehoord. Er was +'n slaatje te slaan. En als er geen dokter bij geweest was, kwam er +niets van in, meende ze. + +De geneesheer voer hevig uit. + +»'t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie +ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.« + +»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen +op veere bedde kunne legge. Weet u wát een schandaal is? Dat we met +al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan +weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten. + +De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z'n pet in de +handen rond. + +»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er +toch op de wereld.« + +Toen hij weg was, ging de vrouw op 'n vreeselijke manier te keer. Ze +vervloekte hemel en aarde. 't Briefje, dat op de deurpost geplakt werd, +scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam +kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had +wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een +besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel, +het er weêr af te scheuren. + +Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen +dag met den tang rond zich te slaan, leelijk vloekend. In het +huis hing een walgelijke lucht van carbol, waarmee de vloer werd +besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar +nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar +lijden, dat 't gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets +als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal +moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar, +zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren. + +Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »'t Is dood!« + +»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? 't Hangt +me de keel uit.« + +De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord, +dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?« + +»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat +af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in +z'n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van +gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den +dood van 't kind, wie weet, had het niet nog blijven leven. Zoo gaat +het, een arm mensch is niet in tel. Dien dokter was 't zeker gaan +vervelen en daarom had hij 't maar kapot gemaakt. En hij balde de +vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en +allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen. + +Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren +en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt. + +De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich +pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had +kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?« + +Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek +van twee vrouwen had gehoord. 's Dokters naam was genoemd: + +»Die? 't Is 'n knap man, daar zal 'k niks van zegge, maar van pokke +heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal, +allemaal! Maar 't is 'n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een +voor, die de rijke niet hebbe wille.« + +»Zoo is 't,« juichte de man in z'n binnenst. »De armen motten er onder, +wat dondert het, of er 'n paar krepeeren? Er zijn er genog.« + +Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een +enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders +motten er an.« En hij vloekte ruw. + +Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich +den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij +hoorde ze spottend, ernstig, klagend, met schaterlachen, met bleeke, +weemoedige glimlachjes, op allerlei toonhoogten, elkaar verdringend, +op elkaar opstapelend, samensmeltend tot 'n afgrijselijk koor, +waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er 'n opening in +gemaakt, die 'n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde, +langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij +zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de +rechtbank, zóó, dat ieder 't goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij +zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We +willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons +niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z'n bed, +trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist +hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig. + +»De pokstof in m'n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat +hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja, +dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te +werken. 't Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had +ingezien. Bah!« + +Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. 's +Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat 't +kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken, +present te zijn. + +»Vooruit ezel! werk! werk!« + +Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z'n +eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten. + +In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde +giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den +voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En +zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d'r eigen +vleesch en bloed had ze niet omgekeken.« + +Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de +arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen +op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen, +dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het +hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen +en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde +hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep +hier. Als 'k nou mijn kind eens wou opzoeken, zou 'k niet eens weten, +waar 'k 't kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal +verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor +menschen op de wereld. Bah! Allemaal in 'n put en 'n zwaren steen er +op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!« + +Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel +lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het +werktuig om zich. + +»'n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel +de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de +eer, den overledene bewezen en ze gingen terug. + +Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden +zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten. + +»Neen.« + +De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en +neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i, +op den bok. Heb je ooit?« + +Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar +woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr. + +Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed. + +'s Morgens ging hij naar z'n werk, ontevreden en knorrig. + +Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteur met +'n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles +aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken, +kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een +paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek.... + +»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een +nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van 'n broek.« + +»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als 'n nieuwe. Als die weg is, +motten we 'n nieuwe koopen.« + +De taxatie viel nog al meê. Wat kon 't haar schelen, dat de inspekteur +iets mompelde van: »Lamme lui, die 't onderste uit de kan willen +hebben?« Het geld is er immers voor? + +Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen +de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd. + +Na een poosje kwamen mannen den vloer schrobben met carbol. 't Vuile, +berookte behangsel trokken ze af en de muren werden gewit. Een agent, +'n klein, bol, mottig ventje, zat midden in 't vertrek op een stoel, +toe te kijken en te praten. De vrouw trakteerde eerst op jenever +en toen deden de mannen het zichzelf. Ieder gaf op z'n beurt een +rondje. Ze verdienden grof geld. De vrouw meende te verstaan een +riksdaalder per dag. Onder ruwe scherts deden ze hun werk, de mouwen +van hun pilow kielen en de pijpen van hun broeken opgestroopt. + +Toen ze 's avonds heen gingen, lieten ze een akelige lucht na van +jenever, vuile tabak, carbol en chloor. + +Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven +hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van +een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken +zou krijgen. + +»Toen z'n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen +'t kind dood was en 't huis geredderd was, kwam hij weer naar z'n +vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd +aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem +zien. 'n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou 't niet gebeurd +zijn,« meenden de mannen. + +»Wierook, wierook!« + +Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed 'n paar stukken in 'n +test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt +te hebben. + +Langzaam werd het vertrek gevuld met een gelen, dikken, +verstikkenden walm, die haar op de hersenen drukte en de vlam der +lamp verdonkerde. Langzaam klampten ze op tegen de wanden, naar den +zolder en kringelden er langs en daalden af en klommen weer op, de +eene rookkring over den ander, door elkaar, in elkaar. Ze schoven +over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart +naar toe vlogen, als opgezogen. + +Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de +borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch 't kwam haar vóor, dat +daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had +samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar te +omwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op 'n stoel en hield de +test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of +wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van 't hoesten en was als bezeten +van 'n geheime angst. Haar verwarde, losgevallen, drooge haren slierden +langs haar gezicht, als kronkelende slangen. Het licht werd donkerder, +omhuifd door 'n vuil gelen nevel. De rookwolken vormden allerlei +dreigende gezichten, die haar uit de donkere hoeken toegrijnsden. + + + + + + + + + +EEN SCHAFTUUR. + + +De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen, +toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een +herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten +dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap +was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas, +die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te +zetten en de slippen wat in te korten; het meisje door een dikken, +verschoten grijze doek, over het hoofd geslagen, eenige malen +om het lijf gewonden en met een dikken, dubbelen knoop op den +rug vastgemaakt. Toch bibberden ze. Frans merkte spoedig, dat het +verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje +brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie, +in een doek gewikkeld. + +»Zeg, Leentje, ik wou, dat ik het brood mocht dragen.« Het meisje +keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan. + +»Waarom?« + +»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van +die lekkere diepe!« + +»Nou, als je wilt« ... Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door +zelfzucht laten leiden: + +»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte +ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans +had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze +met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken. + +De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De +enkele parapluie's dreven snel over de straat en ook de lieden zonder +regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de +gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast +elkaar. Ze hadden sinds 's morgens niet gegeten. »Het laatste stuk +brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet, +mochten ze 't opeten« was hun zuchtend gezegd. + +Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte +en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en +huizen. Geen mensch was er te zien. De schepen schenen geen bewoners +te hebben. De huizen keken bedroefd op hen neer. Een mantelmagazijn +en een ijzerwinkel hadden het licht nog op en de vlammetjes keken +spleenziek naar buiten.--Tot tijdverdrijf maten de kinderen met +schreden de afstanden tusschen de lantarens. Het water sieperde uit +hun schoenen, telkens als ze de voet neerzett'en. De straat was zeer +modderig en waar de steenen door de sleeperswagens verzakt waren, +hadden zich donkere plassen gevormd, die het geringste lichtstraaltje +gretig opvingen en weerkaatsten. + +Ze gingen voorbij de zeetijdingen, die door een lamp achter traliewerk +verlicht waren. Een man stond ze te bestudeeren. + +Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader +werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij +pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen, +dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood +en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden +was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje, +zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op +planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van +een lantaarn, die op den grond bij het huisje stond, viel op de grove +gezichten, zwart van kolenstof; gezichten zonder eenige uitdrukking, +stomp en wezenloos; en deed het wit der oogen glinsteren, als bij +negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet. + +Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand +boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had +het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing +om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige, +vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou +kunnen worden. + +»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten. Of je vader honger +lijdt kan je niet.... Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is +toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al +het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid, +en de borst van den jongen piepte en knerpte.--De man ging hun met +vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek, +het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling +op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien, +die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij +wendde zich rechts en kwam in een lange gang, slechts aan den ingang +verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis +hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen +door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven +stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg +tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond +eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en +roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk +heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de +machines, dan op de kombuis. + +De vader had onderwijl plaats genomen. + +»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen +toon en met een blomzoet lachje. + +Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid. + +»De jongeheer schijnt boos te zijn.« + +»Dát moest er waarachtig nog bij komen. Ik heb reden«.... + +»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.« + +»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit +en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun +duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er +zenuwachtig van. + +»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare +scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt +pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij +met Jan Rap en zijn maat«.... + +»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode. + +»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.« + +»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude +drukte van belang, net als de burgemeester van 't afgebrande dorp. Ik +kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op +zijn zang!«.. + +»Nu ja, maar ik doe als de vader van 't dolhuis: Ik stoor me aan +geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en 'k denk ondertusschen: +»'k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen +aangenomen werk!« + +»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek +benul.«.... + +»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee +maal twee.« + +»Haha! daar heb je ze, die 't Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in +de steel.« + +En de mannen lachten. + +»En dat is nog al van 't hondje gebeten. + +»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de +zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.« + +»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet +weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de +weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet +koestem is, dan.... dan weet ik het niet.« + +»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.« + +»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt +hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de +schuld... Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. 't Is makkelijk +genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken, +en 's Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.« + +»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans. + +Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak +gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een +groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald, +volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van +het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de +boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een +vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn +lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten +en stooten. + +»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig +gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan. + +Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen +verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo'n schop +zouden wij een dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur +wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op +het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden, +inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel +geheel in het licht. De vlammen oefenden op Frans een merkwaardige +aantrekkingskracht uit. Hij kwam naderbij. + +De mannen aten samen de boterhammen op. Leentje hield met moeite een +zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene +vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen +mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was--ze had een +lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat +is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een +woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan +het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig +glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar +spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht. + +De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero +Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde +de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef +voor de kombuis staan. Dadelijk werd voor hem ingeschoven. Ze zaten +nu schouder aan schouder, elboog aan elboog. + +»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de +deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te +toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen« +zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater +in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen: +de keel was haar als toegesnoerd. + +De boterhammen waren op een na verdwenen. + +»Dáár, eet jullie 'm maar op, holle Gijzen.« + +»Ik lust niet« zei Leentje. + +»Hier Frans!« + +»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.« + +Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk +in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en +hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet +toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans +haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik. + +»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed +als vreemden.« + +Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak +slaag. Elk woord was een vloek. + +»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo +geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten, +dat de nagels in het vleesch drongen. + +»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij op de steenkolen +geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop +vuur weg. + +Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »'k Zal +je leeren, op den poot te spelen.« + +Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij +dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van +machtelooze woede. + +»Zoo'n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.« + +»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit, +dat beroerde koppen.« + +Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg +had gehad. + +»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze +was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief. + +Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart +fleschje. »Medicijnen« lachte hij. Leentje keek toe. Ze zag den +stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De +steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel +en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne +beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze +van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een +gedienstig lachje: »'t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen +kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.« +En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te +pas, als je kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte +de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de +Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak, +Hottentot! Maar allà, wat kan 't mij schelen. Ze zullen den negenden +dag wel boven water komen. 't Is tuig van Laban!« + +De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te +zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al +volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken +aan: »o vader, o vader, kom t'huis.« + +Daar begon de dronkaard: + + + »Als 't kermis is, als 't kermis is, + Dan slacht mijn vaêr een bok, + Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder, + Al in haar blauwen rok!« + + +Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter +meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied. + +Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden, +vond roode Jan. Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor +je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis, +als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest +je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch +nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor +een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat de anderen ook zoo +moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij 't eten wilde. + +Frans Sr. betoogde, dat hij zich ook niet op den kop liet zitten. Nog +gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij 't vierkant in +het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de +verdommenis niet. Naar zijn pijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte +wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten, +dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht +Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar +de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik +weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij. + +Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel, +dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het +was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden +bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was +geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze +elkaar hartelijk de hand en fluisterden elkaar nietsbeteekenende +geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap. + + + +De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding +gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende +de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking +verdween dan ook van het bleeke gezichtje. + +Vader riep hen. Ze pakten de kruik in maar hielden op, toen de man +de kom aan stukken gooide, met een gezicht als waarmee een rijke +verkwister een banknoot zou verbranden. De leege flesch ging denzelfden +weg. Nu was het Jan's beurt en gedachtig aan het »van andermans leer +is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen, +van zins, ook de breekbaarheid van deze te bewijzen. + +Toen vloog Frans op hem aan, klemde zijn armen om 's mans hals en +trapte hem met alle macht tegen het lijf, zoodat Jan het uitbrulde van +pijn. Hij hief de kruik in de hoogte om haar op het hoofd zijns vijands +te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je +den boel kapot gooien, waar moeder zoo hard voor moet werken? Al laat +hij het toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend +uit. Zijn vader was verbluft en keek met open mond toe. Werktuigelijk +stak hij de hand uit, om den jongen tegen den grond te kwakken, maar +de stoker voorkwam hem. Behoedzaam, maar met kracht rukte hij Frans +van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.« + +Jan herstelde zich en dreigde sarrend zijn voornemen toch ten +uitvoer te brengen. Frans stampte op den grond, klemde de tanden +opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar +toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?« +Half en half verwachtte hij, evenals Simson, eensklaps krachtig te +worden, om zijn vijand te kunnen verslaan. Het gevoel van minderheid +bracht hem opnieuw tot woede. + +»Ik wou, dat«... De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan +zei sarrend: »Het komt niet van 't wenschen,« zei de boer: »dat mijn +kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier +stonden twee vijandige dieren tegenover elkaar: het eene machteloos, +het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was, +o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er +schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die +zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.« +Hij begon zich te schamen. De armen vielen hem slap langs het lijf. De +stoker duwde hen zachtjes voort om hen naar boven te brengen. Jan +fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een +uil in doodsnood!« + +Nadat de stoker de kinderen de stelling had afgeholpen, bracht hij +Jan onder het oog, dat hij een flauwe kerel was en zich behoorde te +schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd: +toen men keek of ik een jongentje of een meisje was. Nu draag ik +een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei: +»Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je +tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.« +En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet +vóór de ander buiten gehoor was. + +Frans Sr. tuurde op de gebroken jeneverflesch. Eensklaps brak hij in +tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan +haalde de schouders op en ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik, +dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.« + + + +Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart +vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.« + +Ze waren de stelling afgeloopen. De mannen, die met eten klaar +waren, zaten te schertsen met hunne of andermans vrouw. De kinderen +beproefden, de balken en planken te doen wippen, op gevaar af, ze te +breken. Het licht van den lantaarn bij het huisje scheen Frans rooder +dan straks. Vurige stralen schoten heen en weer als bliksemflitsen. De +balen katoen schenen aan te rukken om hem op de borst te vallen. De +lichtjes, die hem anders van de overkant toepinkten, waren nu niet +te zien... + +Hier en daar was men weer aan 't werk begonnen. De steekwagens +en de stoomlieren ratelden van verre. Mannen schreeuwden. Enkele +sleepersknollen stonden nog als in de aarde geplant; andere werden +reeds onbarmhartig voortgezweept. + +De kinderen liepen voort, naast elkaar en toch als door eene muur van +elkaar gescheiden. Op de haven was het doodstil en donker. De boomen +schenen met lange vingers dreigend naar den hemel te wijzen... Het +was droog, maar zwarte wolken dreven pijlsnel voort, alsof ze het +oord wilden ontvluchten.... + +Een dienstmeid wierp eten achter een boom. Een havelooze, +schokschouderende kerel, die zeker in een der wagens had gelegen, welke +daar stonden, raapte het eten op, eer de meid, wier lichte kleeding +scherp afstak tegen den donkeren achtergrond, in de deur was verdwenen. + +De kinderen gingen bij stilzwijgende overeenkomst eenige schreden terug +en een steeg door, die hen op den Dijk bracht. Voorbij het armhuis, +een grooten, grijzen klomp zonder licht, somber en dreigend. En slechts +eenige huizen verder klonk dansmuziek. De triangel klonk boven uit, +schril als de roode bol boven de deur afstak tegen het duister in +de verte en rondom. Opgeschoten jongens stonden eene vrouw aan te +gapen, die in een witte verlepte jurk met zilveren loovertjes voor +de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der +bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar +kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat, +eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig +voort. De torenklok sloeg elf uur. De herbergen waren natuurlijk nog +druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten +op den rand van het trottoir, dat bij een pakhuis ophield. Het zweet +brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De +lantarens geleken op groote, vurige oogen, die stralen uitschoten. Het +was of de straat een berg vormde, die eenige meters van hem af +veranderde in een afgrond, langs welks wanden alles, ook hijzelf, +in duizelingwekkende vaart afgleed. Dan weder golfde de bodem in de +breedte. Hij rolde om en om met huizen en al. Rondom was het licht als +bij brand en hij hoorde sterke geluiden, alsof er op trompetten werd +geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een +grooten, grijzen bol, die vervolgens zichzelf in het midden uitholde, +toen dubbelviel, weder een bol werd en zich splitste in donkergrijze +en zwarte balletjes, die op een paars veld ronddwarrelden. Frans +stond op en ging wankelend verder. De bollen draaiden van hem af en +naar hem toe, tot lang, nadat hij reeds te bed lag. Hijzelf zag in +hetgeen hem overkwam de straf voor het gebeurde op de boot. Leentje +scheen dat gevoelen te deelen; althans, toen ze nog op den stoep zaten, +had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!« + + + + + + + + + +EENZAAM. + + +'t Was een donkere Zaterdagavond in November. Door had gehoord, +dat haar zoon bedankt zou worden. Het waaide nog al en een fijne, +nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind +liep ze voort, huiverend in haar koude omslagsdoek vol gaten, +een erfstuk. Ze liep door de natte, huiverige straten, vervuld van +beginnende Zaterdagavonddrukte en kwam eindelijk op een glibberige +kade, waar haar voeten telkens uitgleden. Enkele dunne kale boompjes +schudden weemoedig 't hoofd en lieten groote droppels als tranen +neervallen. 't Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen, +ruw-afgebrokkelden weg. Door de neteldoeken gordijnen van een eenzaam +huisje goot een lampje een plas licht in de zwarte duisternis. Een +vrouwestem zong: + + + »Slaap, kindje, slaap! + Daarbuiten loopt een schaap. + Het schaap heeft witte voetjes, + Het drinkt zijn melkje zoetjes.«-- + + +op een zeurigen wijs om een kind te doen bedaren, dat eentonig, gillend +huilde. De tranen sprongen Door in de oogen. Door de overspanning, +waarin ze verkeerde en de inspanning van het loopen waren haar zenuwen +geheel van streek. Ze gevoelde zich krachteloos en geheel passief en +kwam in een melancholische, weeke stemming. + +Eindelijk naderde ze de fabriek. Achter de heg van vlierstruiken, +daar tegenover, op een plek, waar 's zomers een lang, spichtig gras +en lischdodden groeiden, stond eene oude, donkere kermiswagen. Een +groote bandrekel, die er onder lag, huilde telkens, als de wind +met een nijdigen ruk uitschoot en kroop dan in de donkere schaduw +terug. Van bewoners geen spoor. Een paar knotwilgen hieven hun stompe +armen omhoog, als in vertwijfeling. + +Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime +erf, welks eenige stoffeering bestond in een grooten, donkeren hoop +sintels, dof glimmend van vochtigheid en een vervallen hondehok. Het +erf was door een paar olielichten op nog nieuwe palen weifelend +verlicht. De vlammen stonden soms eenige oogenblikken stil en wierpen +dan lange strepen geel licht op de glimmende asch, om ze bij een +windvlaag uit te vegen, in te krimpen en tot cirkels te ronden, in wild +gewoel.--Achter de matglazen ruiten van het gebouw zweefden telkens +donkere schaduwen als chineesche schimmen voorbij. Eentonig droppelde +het vocht van de uitstekende lijsten op de koolasch. Regelmatige +slagen als van een pompzwengel bonsden naar buiten. + +Door verschool zich achter het hondehok, tegenover een klein deurtje +met ijzeren tralies. Naast deze uitgang bevond zich een ruwe, houten +trap, met een halven spiraal de duisternis indringende en waarlangs de +bovenverdieping kon ontruimd worden. Daar stond ze met onafgewenden +blik naar de fabriek te turen. Door de eentonige, bulderende vlagen +en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze +geheel en al tijd en plaats vergat. Werktuiglijk kromp ze voor de +kou ineen. Het gebouw scheen weg te deinzen in de dikke duisternis +rondom, die de roodachtige olievlammen oploste. Het gehuil van den +hond, bij tusschenpozen herhaald, maakte haar zenuwachtig. En het +gezang der vrouw, die het kindje stil zong, klonk haar aanhoudend +in de ooren, nu flauwer, dan sterker. Dezelfde moedeloosheid als +straks maakte zich van haar meester; een dierlijke vrees, ze wist +niet voor wien of waarvoor. Als de hond jankte, scheen het gevaar te +genaken. Haar keel werd dan als toegesnoerd en ze hapte naar adem. Op +zoo'n avond moest het geweest zijn, dat haar melancholische vader zich +had verdronken. Als de omtrek lichter geweest was, had ze de plek +kunnen zien, waar hij was opgehaald, tusschen de palen gekneld, met +kroos bedekt, bij de lange spookachtige brug, waaronder het bruine, +opgezweepte water heenrolde, ver weg, ver weg, in het dikke duister +zich verliezende..... Een drukking op de borst, door geslaakte zuchten +niet afgewenteld, verpletterde haar. Maar als de hond zweeg, liet +ze zich zachtjes afdrijven op de murmelende golfjes en de breede +windvlagen schenen haar op te voeren en in een onmetelijke ruimte +neer te werpen, vol rust en stilte. Een stille, namelooze smart +overweldigde haar, wier planteleven anders zonder groote schokken +voorbijging. Het gevoel van een ledig rond haar, dat haar aangreep, +als ze 's avonds alleen zat en het holle vertrek haar aangaapte, +overviel haar ook nu. Haar ontbrak iets en ze kon toch niet zeggen +wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg +dezelfde heimweeachtige stemming als de regenachtige Novemberavond. + +Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid, +hoewel ze het droomige gevoel niet van zich kon afschudden. De +dierlijke angst beving haar weder. De meeste lichten op de +bovenverdieping werden uitgedraaid en na eenige oogenblikken daalden +eenige mannen de trap af, zich aan de waggelende leuning vastklampende, +want de treden waren zeer glibberig. + +»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij +belazerd!« + +»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.« + +»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is +de zjooze!« + +De mannen hadden de jassen met de mouwen om den hals geknoopt. Onder +aan den trap vormden ze een kring, den man die bedankt was, in 't +midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,« +want wat deed je met die rompslomp, je kwam er maar door in last. Maar +hij verdomde het. Dacht je, dat hij voor dien salamander bang was? Om +de verdommenis niet. Negen jaar wilde hij er aan wagen. Krijgen zou +hij hem, al moest hij drie dagen en drie nachten als een bandrekel +voor de deur liggen.--De andere gingen door, want ze wilden niet in +moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen +verwijderden zich kletsend. Nu en dan bleven ze een oogenblikje +staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!« +Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen +nog dompiger dan daareven. Eindelijk hoorde men niets meer. + +De achtergeblevene sloeg met de armen over elkaar, stak een kort pijpje +aan, op den regen en den wind vloekende, en stampte met de klompen op +den grond. De laatste lichten boven waren gedoofd. Op het portaal van +den trap klonk sleutelgerammel en na eenig getalm vroeg een heesche +mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige +heeren tippelden de trap af, met zwaren stap voorafgegaan door een man +met lakensche pet, die een geldzak, een bos sleutels en een slingerende +lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen +vielen tegen den glinsterenden muur, met lichtspikkels bezaaid. De +man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór +moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert +jou niet. De weg is vrij; 'k zal gaan waar ik wil, al wou ik naar de +hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat +ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? 'k Verdom ze lekker!« +De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal +je wel eens op je verdommenis komen, wacht maar!« Maar de kleine deur +was reeds achter hen dichtgevallen. + +Weder hoorde men een geroezem binnen. Het licht achter de matte +ruiten verdween. Een enkel raam stond nu als een vierkante gouden +vlek, stil tegen de gedeukte, donkere massa. Het geroezem werd een +dreigend gemompel, dat overging in een hevige woordenwisseling tusschen +eenige personen. Op eens werd de deur opengesmakt en een stem, schor +van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa +elkaar kruisende armen werd een jonge, bleeke, haveluinige kerel naar +buiten gegooid, zoodat hij met zijn gelaat op de scherpe koolasch +viel. Zijn pet werd hem nageworpen. Na een oogenblik krabbelde hij +op, zette met een versuft gezicht zijn pet op, veegde het bloedend +gelaat af en begon te vloeken, zijn magere armen naar de gesloten deur +uitstrekkend met zoo'n kracht dat zijn geheele lijf schudde. De andere +kerel, die aanvankelijk met een levenloos dom gelaat had toegekeken, +legde de hand op zijn schouder en sprak zachtjes met hem. Het zwarte +dronkemansgelaat; de roode zakdoek om den hals; de klompen met hooi; +de korte, slobberige broek en de klungelige jas gaven hem het voorkomen +van een landlooper. Na eenigen tijd kletsten ze heen, de modderige +plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien, +dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je +zou je eigen aan den galg helpen!« + + + +De jonge man, met zijn mager, bleekgeel gelaat en zijn brandende +oogen, in diepe kassen en onder de borstelige wenkbrouwen weggezonken, +was haar zoon. En toch was het, of hij haar vreemd was, zoodat ze +geen moed had, hem toe te spreken. Ze zag hem zelden, want van zijn +twaalfde jaar af bijna, zat hij tot diep in den nacht te kaartspelen, +terwijl zijn ruwe stem boven de andere uitklonk. En later werd hij een +trouw bezoeker van danshuizen. Soms kwam hij 's nachts in het geheel +niet t'huis en sliep dan op een brits in een politiebureau of op andere +plaatsen. Zijn luttel kostgeld legde hij altijd op den schoorsteen in +een kopje, zonder iets te zeggen. 's Morgens ging hij naar de fabriek, +het brood meenemend, dat ze voor hem had klaargezet. Hij was geheel +verdierlijkt en alleen op zijn gemak bij het kaartspel en gemeene +meiden. Zoo kwam het dat ze in hem een vreemde zag. + +De teederheid van een wijfjesdier, die haar een oogwenk van afgunstig, +hunkerend verlangen vervulde, trok zich terug. Het was haar of het +namelooze, waarnaar ze verlangde, een eind weggeslingerd werd. Het +wijfje kende haar welp niet meer. + +De fabriek spuwde de overige werklieden uit. In groepjes gingen ze +heen, luid pratend. De oudere lieten zich wel zeer voorzichtig uit, en +spraken met gedempten stem; maar de jonge kerels gaven in ruwe woorden +hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten, +zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een +marcheerende soldatentroep, waren weldra niet meer te hooren.--Het +eenige licht venster verdween. Toen vertrokken de heeren, door den +man met de lantaren onderdanig uitgeleid. Ze droegen hem op, alles +nog eens na te gaan en gingen heen, zachtjes pratend. + +Hij sloot zorgvuldig de deur en schreed in alle richtingen de werf +over, fluitende met een schril geluid. + +»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.« + +Ze klappertandde. + +»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!« + +»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. 't +Gaat me niet aan. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Wat? Ik voor +hem in de bres springen? Morgen brengen.« + +Door ging sloffend heen. + +»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij +me geen hand of vinger aanraakt, want zoo waarachtig als God leeft, +al moet ik hemel en aarde bewegen, hij gaat naar Leeuwarden. Laat +hem dat gezegd zijn!« + +Door had suffend staan luisteren, zonder zich om te keeren. Als een +sleepersknol ging ze heen, slobberend door de nog meer dan straks +doorweekte klei, een stil gevoel van treurigheid en verlatenheid +meêdragende. + +De man bleef een poos nadenkend staan. + +»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De +heeren willen nu eenmaal niet gebrutaliseerd zijn, dat weet een kind +wel. Wie is ook zoo stom, om zijn eigen glazen in te gooien? Met een +zacht woordje krijg je veel meer van ze gedaan. Als 't mij te doen +stond, zou ik me languit op den weg gegooid hebben en ik zou niet +opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó +zijn ze nu niet, dat ze over een mensch zouden heenloopen. Maar die +dondersche jonge kerels denken er zoo licht over, om weggejaagd te +worden!... Nu ja, men noemt me een strooplikker. Dat ben ik en dat +moet je wel zijn, als je brood wilt hebben. Ik heb de wereld niet +gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging. + +Een paar schrille tonen fluitend, die wanluidend door de stille +duisternis klonken, dribbelde hij heen en weer, de donkere hoeken +belichtend en de olielampen uitdovend. In zichzelf vloekte hij op het +smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende +lantaren langs het pad. Eensklaps viel ze omlaag en doofde uit. Ruwe +vloeken en een flauw geschreeuw om hulp drongen tegen den wind in. + + + +Een uurtje later lag hij in het eenzame huisje, bleek en +bewusteloos. Door perste haar verwilderd gezicht stijf tegen de ruiten, +op gevaar af van ze te breken. Een zacht kermende vrouw hield een +met bloed doortrokken doek tegen zijn hoofd en had oog nog oor voor +het jongetje, dat, haastig neergelegd, zich had bloot gewoeld en nu, +huilend met de roze, harde armpjes en beentjes lag te spartelen. Het +had verdriet: de tranen biggelden langs zijn wangen, maar toen het de +lamp in het oog kreeg, hield het er de verduisterde oogjes opgericht +en knipte de traantjes weg, die tusschen de wimpers hingen. + +En de vrouw keek radeloos rond, of er niemand was om naar den dokter +te zenden. Misschien was haar man, die langzaam doodbloedde, nog +te redden. + +Eerst na een poos bekwam Door uit hare verdoving. Ze kreeg een gevoel +van voldaanheid: de tijgerin zag bloed. Nu ze wist, Hein verloren +te hebben, scheen ze door nieuwe banden aan hem verbonden. Een +tijgerachtige wreedheid kwam over haar en doortrok haar gansche +wezen en schudde haar op uit de nevelige soezigheid. Ze haatte op +dit oogenblik alle menschen met een teugelloozen haat, uit zijn +onbewustheid opflikkerend met een verteerenden gloed. + +De bulderende wind; het donkere water; de gapende zwijgende ruimte +om haar--daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van +zelfbeschuldiging maakte haar behoefte om te haten, nog sterker. Half +razend ging ze naar huis, door dik en dun stappend met stevigen, vasten +tred; de vuisten dicht geklemd, dat de nagels in het vel drongen; +stijf in de lucht starend. Ze moest vernielen en haar vuisten knepen +flarden van den doek. De tanden knarsten. T'huis wierp ze verschillende +voorwerpen met kracht tegen den grond. Toen ze was uitgewoed, hoosde +ze eerst wat koud water naar binnen en dronk daarna een donkergroen +fleschje leeg, meer dan half gevuld met jenever. Dat fleschje hield +haar steeds op de tafel gezelschap, door lappen en papieren aan de +oogen van vreemden onttrokken.--Ze vloekte, schopte de kat en beet +op de vuisten, haar muts verscheurende, heur haren los trekkende, +tot ze in eene doffe sluimering viel. Met een flauw, mat gevoel van +onvoldaanheid en ontevredenheid ontwaakte ze en slechts na opnieuw +jenever gedronken te hebben, herinnerde ze zich, wat er gebeurd +was. De eerste dagen was ze aanhoudend in eene roes. + + + + + +II. + +Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings +warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze +staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit +te hooren, als vroeger.--Het was eenzaam. In de verte klonk alleen +het wegstervende, melodieus geroep van den venter met Engelsche +bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen +de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de +doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauw twintelende stippen +bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de +scherpe lijnen uitdoezelde.--De schaduwen krompen in en een wit, koud +licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De +witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond +de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De +schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend. + +Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid'den zich uit, de +punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele +straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens +de verschillende verdiepingen met een dun floers overtrekkend, dat +dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de +lichte gevels afbeet. + +Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den +donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met +sloffende schreden--ze had het water--verdween ze in de nauwe gang, +waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles +lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met +breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het +koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de +blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En +van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het +weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek +met een ijslaag bedekt, koud glinsterend. + +Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in +plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof +onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog +in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het +eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor +het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich +welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt. + +Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende +langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde +naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende +schreeuwen der kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige +branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan +hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou. + +Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel, +tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en +zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer +en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders +opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar, +van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel, +dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes +aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht, +dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het +vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes +op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug, +terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk +dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de +armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht, +waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De +dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels +staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille +schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan +weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard, +maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met +de handen om zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af, +op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde +zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde +nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte +een oogwenk op de zwartgroene flesch--toen nam ze alle licht meê. + +Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe +vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht. + + + + + + + + + +KINDERVREUGD. + + +Als hunne moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk den dag op +straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis om hun boterhammen op +te eten, die moeder 's morgens in de kast had klaargezet. + +Maar nu regende het. + +Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen +gekeken en naar het druipende dak met groote, glimmende plekken. Frans +volgde met de oogen de heldere regendroppels langs de ruiten, +die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar +toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken, +die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze: + +--Zouwe Lou en Jan op straat zijn? + +Eene kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje, +dat onder een grooten, verlepten tuithoed nog ouwelijker leek. + +Frans zei op slaperigen, onverschilligen toon: + +--Weet ik het? 't kan me niet schelen ook. + +--Nou, neem dan je beenen op en ga is kijke, toe! + +De jongen ging slenterend den trap af. + +Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld +was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede, +naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In +den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote +koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp +stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle +kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van +blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad +door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam +leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden +twee vuurroode stoven opgestapeld. Een paar glimmende kopjes op den +schoorsteenrand en een Mariabeeld tusschen een paar bloempotten op een +hoekplankje bij het eene raam--meer was in het vertrek niet te zien. + +Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp +van een nest jonge vogels in de dakgoot. + +--Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel +een heelen dag wille slape. + +Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om. + +--Ze komme! Maar wat motte we in gosnaam spele? + +--Foei, niet vloeke. Dat's groote zonde, niewaar? Onze lieve Heer +kan alles zien en hoore. + +--Nou ja. Hou nou maar je vervelende bek dicht. Dat weet ik al +lang. Waar is God? Op aarde, in den Hemel en op alle plaatsen. Weet +God alles? Ja, God weet en ziet alles.... Ik zit ommers een leering +hooger dan jij.... Daar heb je ze al. + +Op den trap rommelden klompen. Leentje schoot naar de deur en riep: +Doe jullie je klompe uit, wil je? Anders mot moeder d'r eige morg' +ochend weer kepot boene. + +Een gemompel beantwoordde haar.--De twee kinderen kwamen op hun +kousen boven. + +--Jonge, veeg je neus af, dan krijg je een kouwe arepel. + +De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde. + +--We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie? + +--Moedertje spele? stelde Leentje voor. + +--Heb je wat? + +--Neen.... ja, nou jok ik. Moeder heeft een broederpannetje uit d'r +werkhuis meegebracht. + +--Nou ja, maar je mot toch wat hebbe, om te bakke? zei Frans. + +--We kenne uit gekkie spele. + +--Nee, daar is niks an! + +--Ajakkie. nee! + +--Wacht jullie effe--Lou ging op een drafje heen. Ze kwam terug +met wat raapolie en een zakje meel. Onderwijl had Jan opgemerkt: +we zouwe wat kenne koope. Doch hij was door Leentje afgescheept met: +Eerst hebbe, dan lebbe. + +Lou hielp ze uit den brand. + +--Meid, durf je dat uit de kast te neme? + +--Denk je, dat 'k zoo'n bange schijtert ben as jij! + +--Ik zou ook wel durreve, verzekerde Jan. + +--Moeder zegt er toch niks van. En dat beetje lampolie? Ze bakt +toch nooit. Ze gebruikt het alleen voor d'r haar. En as 't op is, is +'t koke gedaan. + +--D'r is nog genog te koop, vulde Jan aan. + +Leentje en Lou maakten deeg. Jan's diensten werden daarbij onnoodig +gekeurd. Eindelijk zei Leentje: + +--Hou jij die lepel vast, dan doe je ook wat voor de kost. Ik hou +niet van die mensche, die met d'r arme in den weg zitten. Ze doen +ordiner wat kwaads. + +Nu merkten ze, dat ze geen vuur hadden. Ze keken verslagen. + +--Jan, ga jij voor twee cente vuur hale. Zeg maar, dat moeder het +wel geve zal. Hard loope, hoor! + +Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze +'n Zaterdagavond de borgcenten betaalde. + +De meisjes zetten zich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren +komfoor, waarop het pannetje siste. + +Leentje zorgde voor de toekomst: + +--Nou hebben we nog geen stroop. + +Lou zond de beide jongens weg om een paar roestige hoepels te +verkoopen, die Jan voor eenige dagen beweerde gevonden te hebben. Lou +begreep echter, dat hij ze gegapt had; maar was wijs genoeg te zwijgen. + +De jongens hadden er twee centen voor gekregen. Jan beweerde, dat het +veel was. Het kwam, omdat hij den smous had verneukt, door hem wijs +te maken, dat hij van avond nog meer zou komen verkoopen. Wat hij +verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had. + +--Je had niet motte liege, begon Leentje weer: Dat is zonde. + +--Zonde, wat is dat? + +--Kwaad. + +--Ik krijg nooit geen slaag van moeder. 'k Zou het niet toelate +ook. 'k Zou moord roepe en ze in d'r handen of in d'r beenen bijte, +dát zou ik!--Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.--Lou, die krijgt +dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat. + +--Je had het den man niet motte wijsmake. + +--Watte? 't Is maar een smous. Frans heeft me zelf wel is gezegd, +dat je die.... + +--Frans weet nergens van. Die geeft om God noch zijn gebod. + +--Nou, heilige Leen, hou nou je smoel maar, zei Frans, met imitatie +van z'n vader, als deze dronken was. + +De kinderen keken verlangend naar het blauwe, oppruttelende plakje +meel in het pannetje. + +--Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje. + +--Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je +hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op +loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge! + +--Nee, dat 's flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je 't nou nog +van Lou zei. Maar wat mótte we doen? + +--Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje. + +--Ikke? Niks. Ik verlam het om te werke. + +Leentje lachte: Je wilt zeker je vrouw voor je late werke? Maar ik +zou je danke, dan heb ik geen man noodig. + +--Nee, zei Jan, dat wil ik niet. + +--Nou, weet je wat? Jij moet daar in dien hoek gaan staan hamere en +Frans zal houwe, of t'i kole van zolder haalt en dan an de blaasbalk +trekke. + +Lou zat aldoor in 't pannetje te roeren. + +Frans, die om ongegronde redenen liever niet het vertrek wou verlaten, +keek naar den aangewezen hoek en mompelde: Er ligge kole genog op +'t vuur. 't Kan nog wel een dag brande. 'k Zal maar ineens an de +blaasbalk gaan trekke. + +En hij trok zich zweetparels op het voorhoofd, zonder echter het +pannetje uit het oog te verliezen. Jan hamerde er geducht op los, +in de lucht. + +Een paar baksels waren klaar en voor elk werd een blauw plakje meel +met een bruin tintje op een theeschoteltje gelegd. + +--Lou, ga jij is gauw naar onze manne en zeg, dat ze subiet t'huis +komme. Er is geen stroop. Ik weet niet, wat ik beginne mot. Ik heb +geen rooie halve cent en alles staat al in de lommerd, anders zou ik +een pandje make. + +Lou meende, dat de mannen misschien wat verdiend hadden. Ze ging ze +halen. Gebukt, met loome schreden kwamen ze aan en vielen zuchtend +in een stoel. Jan deed Frans in alles na. + +--Laat ze eerst wat bekomme. Je mot ze nooit op d'r dak valle. Ik +ken de manne, 't is lastig goedje. As je d'r met iets ankomt as ze +pas van d'r werk komme, krijg je maar gehaspel en dat weet wat in +een huishouwe, zei Leentje ernstig. + +Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen: + +--Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop. + +--Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld noodig. Wij +motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en 't is gebrek +hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele.... + +--Laat 'm in 's hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat +hij ons heele armoedje kepot. + +--En wat zou dat? stoof Frans op: 'k mot er zellef voor werke. + +--Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar +straks cente in zijn zak hoore rammele. + +Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de +centen te geven. + +--Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug. + +--Dat heeft niet noodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze +natuurlijk van m'n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En +ik heb toch al zoo'n moeite om rond te komme. En dan houd hij me nog +geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een +moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze weenend. + +Jan zat als versteend. + +--Werachtig niet. 't Is van de hoepels en de.... Hij bemerkte nog +tijdig, dat hij zich ging verspreken. + +Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort. + +--Je mot drie cente hebben. + +Toen werd Frans edelmoedig. Hij ging naar de kast en stelde zijn +moeders stroopflap ter beschikking van de anderen. + +Leentje protesteerde. Moeder zou het merke als ze van avond boterhammen +smeerde. Jan vroeg verbaasd: Hebbe jullie dan geen boter op je brood? + +--Meid, maak zoo'n bombarie niet, zei Lou. Laat mijn maar is ottere, +zei Lou. Ze liet Frans uit den emmer, die op het zoldertje stond, +wat water halen, liet wat stroop in een kopje loopen en vulde toen +de flap met water aan, zoodat de moeder van Leentje en Frans dien +avond vergeefs trachtte, stroop op haar mes te nemen. + +--Nou zie je is, zei Lou met zelfvoldoening: klaar is kees. Je moeder +zal er niks van merke. + +Leentje legde zich erbij neer. Ze stond voor een voldongen feit. + +Bij afwisseling werd nu gewerkt en gesmuld, tot het meel opwas[typo? op +was]. + +Toen begon Frans het harde werken den keel uit te hangen en daarom +stelde hij voor, kerkje te spelen. + +--Maar dan mot ik wat stroopwater hebbe. + +Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een +hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij +plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat +op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den +Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z'n armen, rustte een +poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk +zei hij: Amen! met een langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had +niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou +hij daarom dit keer maar nalaten. + +--Ik had een rooie zakdoek voor m'n neus en een witte voor m'n +gezicht motte hebbe. D'r is d'r geeneen, die preekt, of hij heeft +twee zakdoeke. Je kunt niet goed preeke, as je ze niet hebt. + +Lou en Jan waren geen deskundigen. Frans haakte dus naar een +goedkeurend woord van zijn zusje. + +--Zeg, Leen, zeg jij niks. Wat ben je stil. + +--M'n hoofd staat er niet naar.--Ze tobde over de stroop. + +Jan en Lou waren een en al verbazing. Schuchter bood Lou aan Frans +haar deel van het stroopwater aan. Hij nam het minzaam en dronk het +plechtig op. + +Langzaam stierf het daglicht weg. Het glimmerde flauw over het dak. + +De kinderen gingen stil bij het raam zitten. Eensklaps hieven de +jongens vol bacchantische geestdrift aan: + + + De Amsterdamsche keukemeid + En die kan zoo lekker kooke.... + + +Maar de meisjes waren voor vertellen. + +Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot +ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te +bewegen. Het vertellen hield op. + +Zoo zaten ze bij elkaar, met zwoegende borsten, vol vrees en +benauwdheid, door een lichtloosheid vol ontzetting omgeven. + + + + + + + + + +OP DE BEWAARSCHOOL. + + +De bewaarschool ging aan. De vrouwen gaven hun meerendeels +huilende kinderen aan de deur af en een helpster bracht ze naar hun +plaatsen. Zuster Angelica bleef met de moeders nog wat praten, die +onder druipende, glimmende regenschermen elkaar stonden te verdringen, +luid kwebbelend. De non hield de tippen van haar sluier met de witte +rechterhand bij elkaar, om haar streng, koud en bleek gelaat tegen +den regen te beschutten. Vóór de doffe schoolramen stonden een paar +druipende handwagens, glimmerig van het nat, en waarin half-verrotte +stukjes koolblâren vastkleefden. Een drietal zinken goten in de +nabijheid klitterden hun water op de straat, nú met forsche gulpen, +door den wind opgejaagd, dán zachtjes, dun klipklitterend. Breede +rimpels vaarden over den grooten plas bij de deur, telkens als de +wind uitschoot. De vrouwen hadden dan beide handen noodig om haar +parapluies rechtóp te houden. Zij beklaagden de kinderen, die, dun +gekleed, met roode, geweekte gezichten en handen aankwamen, druipend +en bibberend in elkâar geslonsd. + +Een klaterig geroezemoes van kinderstemmen en klompengestommel +rolde door het schoollokaal, een plomp, vierkant vertrek. Door den +achterwand, grootendeels bestaande uit een glazen beschot, zag men, +over een klein plaatsje met eene pomp heen, in een tweede lokaal, +waarin de oudere kinderen zaten, die op de banken klommen om naar de +huilende kleinen te kijken. + +Deze zaten op lage bankjes, met de handen op de knieën, benauwd +rondturende naar de witte wanden en naar het kruisbeeld van wit gips, +op een kruis van ebbenhout uitgestrekt, tusschen eene Maria Onbevlekte +Ontvangenis en een Jozef, die stijf rechtop tegen den muur stonden. + +Leentje, de helpster, bracht maar steeds kinderen aan. Ze deed ze +jassen en hoofddeksels af en stapelde de trommeltjes met boterhammen, +die sommigen meêbrachten, op een plank tot een staanden driehoek. De +kast was vol uitwasemingen der natte kleêren. + +Leentje was zeer aardig voor de kinderen. Ze sprak ze vriendelijk +toe en troostte hen de tranen weg, die bij sommigen tusschen de +wimpers glommen. + +De statige zuster aan de deur had woorden. Koud drongen haar woorden +naar binnen naast de zenuwachtige, lauwe geluidstukjes van eene vrouw. + +--Zeg, eerwaarde zuster, m'n kleine Jan krijgt 's middags geen +wateremelk, en 'k betaal er toch ampart vóór, iederen dag twee cente. + +--Hoor is, vrouwtje, op praatjes van kindere mot je niet afgaan. We +trekke niemand voor. Je vertrouwt ons toch wel? + +--Wel zeker zuster, maar.... + +--Nu dan, dan kunne we onze diskussie stake. + +--O, ik houw ook niet van diskedië, maar, ziet u, het is eige vleesch +en bloed, mot u maar denke. Wel bedankt zuster! Dag zuster! + +Statig boog deze. De vrouw nam met de linkerhand--in de rechter droeg +ze haar ouwe parapluie--haar beslikte rok op en ging heen met een +lachje van voldoening, dat ze zoo goed haar fatsoen wist te houden. Als +ze een voet optilde, kwamen dik-gestopte roode kousen met zwarte +voeten boven haar klompen uit, waarin van onder groote gaten waren. + +--Leentje, je kunt de deur sluiten, zei de zuster en ging naar binnen. + +Leentje nam de zware ijzeren ketting in de hand en boog zich om de +deur heen, om te zien, of er nog kinderen kwamen. De lange, smalle +straat lijnde zwaar voort, stil en leeg. Een menigte plassen glommen +onder de grijze lucht, die aan het einde der straat afgestoken werd +door een dompigen, zwaren toren, die plomp op den grond stond. + +Leentje liet haar oogen door de straat gaan, tot ze bleven rusten op +de ramen van de school aan den overkant. Een bleek, gebrild hoofd +met kortgeknipte haren, waaraan dikwijls een pen was drooggemaakt, +keek haar aan en knikte half deftig, half jolig; maar jolig op +eene bijzondere manier. Leentje kreeg een kleur en flapte de deur +dicht. Na een oogenblik echter stond ze weer tegenover het bleeke +hoofd, dat even de oogen sloot en toen achter de onderste betraliede +doffe ruiten wegzonk. Toen ze nu voor de tweede maal de deur sloot, +bromde ze: zoo'n kwibus.-- + +Het schoolvertrek was vol van een nattig, ongezellig licht, dat +door de krijtwitte ruiten binnendrong. Helder waren alleen de vier +bovenste ruiten, waartegen zich de gevel van de school aan den overkant +plaatste, in drukkende platheid. + +De zuster deed een gebed, waarna de kinderen op zingenden toon +het wees-gegroet baden, de groote massa met een naren dreun, +een eentonig vlak, waarop lichtere stemmetjes nu en dan krullen +en spiralen ornamenteerden. Hier en daar liep er een vooruit en na +iederen zin kwamen eenige doffe galmen, waardoorheen haastige beetjes +brabbelden.--Vervolgens zongen ze eenige liedjes met kerkmelodiën: +»Heilige Jozef, kinderhoeder«--en tenslotte, op de vroolijke wijze +van een studentenlied: »De winter komt ons zijn afscheid brengen«. De +zuster gaf telkens den toon aan en de kinderen zongen verder, zonder +eenige maat, lieten hun stemmen over elkaar buitelen en doorslaan, +en eindigden met een overmatig schreeuwen, als in overmoedige wanhoop. + +Zoo werd het half tien. + +De kinderen kregen van Leentje leiën om wat te teekenen. Een doffe +stilte, nu en dan even onderbroken door snerpende krassen op de +leiën. De zuster stond met de helpster te praten, bijna onhoorbaar, +zacht op de heupen wiegelend. Leentje leunde op één been en plukte aan +haar rok en aan de knoopen van haar japon, met een verveeld gezicht. + +Als een zacht opkomend windje begon het onder de kinderen te suisen, +even zwijgend, dan in een anderen hoek wêer beginnend, hier en daar met +brokjes ondersteund, tot de zuster in haar gesprek gestoord werd. Ze +ging rond om naar de handen te zien. Een vuile jongen met gescheurde +kleeren, waardoorheen zijn bloote lichaam zichtbaar was, werd op bevel +van de zuster door Leentje naar het plaatsje gesleurd. De pompzwengel +piep-bonsde en de jongen begon te schreeuwen, dat het water zoo koud +was. Alle kinderen keken er naar en die uit het achterste lokaal gingen +daartoe op de banken staan. Telkens als hij schreeuwde, lachten ze. + +Den heelen morgen zat hij stug vóór zich te kijken, met het natte +haar over oogen en ooren. Eén ondeelbaar oogenblik ontluikten de +oogen van den tienjarigen jongen en keken de zuster honend aan. + +Leentje keek nu de leiën na en prees of laakte. Plotseling boog ze +zich over een kleinen, blonden krullebol met roode wangen en blauwe +kijkers, en gaf hem een kus. Een bleek jongetje, dat naast hem zat, +keek vluchtig toe en wendde snel het hoofd af. + +De kinderen moesten hun leiën onder hun bankjes leggen en er werd een +sprookje verteld. Met ingehouden adem luisterden ze toe, dicht bij +elkaar geschoven, met open monden en uitgerekte halzen. De stugkop, +met zijn steil, nat haar, kneep in vervoering zijn buurjongetje in de +armen, doch toen de zuster, die tegen het raam geleund haar rozenkrans +bad, hem aankeek, nam hij weêr een gereserveerde houding aan. Zijn +buurjongetje keek droomend vóór zich, nu en dan zijn gebalde handen +ontspannend om zich aan de tafel vast te houden. Vele kinderen zaten, +half over de bank geleund, te rijden. + +Na het vertellen werd nog even gezongen en het was halftwaalf. De +zuster vroeg, wie der kinderen alleen naar huis gingen. Leentje pakte +ze zoo goed mogelijk in en ze stommelden weg. De ketting werd van de +deur gedaan en de kinderen wrongen zich tusschen de vrouwen heen, +die onder hare regenschermen op een hoopje stonden. Namen werden +gezegd en galmend door de school geroepen en door de zuster, die bij +het plaatsje stond, aan zuster Monica, uit het achterste lokaal, +gezegd. Telkens stond er dan een kleintje op en waggelde naar de +kleerkast, waar Leentje het aankleedde. De zuster nam het aan eene +hand en bracht het naar zijne moeder. De jongens, die alleen naar huis +gegaan waren, liepen door de nauwe straat te schreeuwen, de petten en +jassen in de hand rondzwaaiend. Een trekhond schoot blaffend uit een +nauw steegje op hen aan en vervolgde hen tot ze de straat uit waren. + +Eindelijk waren de moeders afgetrokken. De deur werd gesloten. De +zusters gingen door een achterdeur heen en Leentje bleef met de +overblijvers achter. Ze haalde een bruine kan met melk van de +hooge kolomkachel en deed er water uit de pomp bij. Toen deelde ze +de trommeltjes met boterhammen uit en vroeg, wie er melk moesten +hebben. Slechts een paar hadden het geluk en mochten beurtelings een +slokje uit de kan nemen. Wier moeders niet voor melk betaald hadden, +kregen uit een grooten tinnen kroes een paar slokken water. + +Een kleine, bleeke jongen zat nog even onbeweeglijk als onder het +vertellen. Toen Leentje haar bemoeiingen met de water-en-melk geëindigd +had, merkte ze hem op. + +--Frans, mot jij niet ete? + +--'k Heb geen brood. Moeder had niet. + +De kleine krullebol, een zoontje van een hoedenfabrikant, had als +gewoonlijk te veel. Leentje zei, dat hij een paar boterhammen aan +Frans moest brengen. + +--Ik mot naar huis. Moeder heeft gezegd, dat ik t'huis most komme. + +--Kom, jonge, je moeder zal niet wille hebbe, dat je alleen gaat. Kijk +me nou zoo'n snotblaag is simme. + +--Ik mot naar huis. + +--En waarom heb je dat niet eerder gezegd? Kijk is hoe het regent? Als +ik jou was, zou ik de boterhamme maar neme. Moeder heeft misschien +toch geen ete, net zoo min as van morrege. + +Het kind voelde, dat de oogen der anderen op hem gericht waren. Hij +werd wrevelig en huilend liep hij naar de deur. Leentje hem na. + +--Ho eve! mot je je jas en je pet niet hebbe, stoute jonge? + +De jas was onder de andere niet zoo gemakkelijk te vinden, Leentje +werd boos. »Wat een last heb je toch van die ape. Jonge, blijf hier!« + +--Daar is t'i, dáár, met die groene voering. + +--Neen! en ze rukte alles door elkaar. Eindelijk toch vond ze het +stuk. Zij kleedde Frans aan, duwde hem de pet over de oogen en zette +hem de deur uit. + +--Daar, ondeugd! nu sta je in den regen. Wij gaan lekker spele. Hoe is +'t? Wil je blijve? + +Frans liep hard weg. Eenige huizen verder keek hij om en toen hij +Leentje niet meer zag, ging hij met het hoofd tegen den muur staan +snikken. Een vrouw, die in een steegje stond te wasschen, riep: Ga +naar huis, jongen, je zult doorwaternat worde. 't Regent, dat het +giet. En tot eene buurvrouw riep ze: Een ander mensch zou blij zijn, +als t'i er in kon blijve. + +Dikke regenstralen sabelden neer en kletterden op de straat, +opsputterend. Een paar lantarens staken als druipende vuisten uit +de natte muren der huizen. Aan het eind van de straat was een kolk, +tusschen twee sluizen. Een schip lag daar te druipen, log en koud +ineengeplompt, met glimmerig dek. De schipper in blauw-baaien hemdrok +pompte. Met horten spuwde de pomp kleine brokjes water uit. Eén +der brugwachters stond te visschen, de andere, met de kraag van +zijn blauwe jas opgeslagen een zwart eindje pijp in den mond, duwde +met een langen haak de sluisdeuren open. Zijn handen waren rood en +opgezwollen van de regen. Frans bleef naar hem staan kijken, tot +hij verdween in zijn geelhouten huisje met kleine raampjes. Een paar +bakjes met klimop stonden treurig in de smalle kozijnen. De blaadjes +wind-trilden bij beetjes. + +Frans liep de smalle ka langs, de handen in de jaszakken, als een oud +ventje en was nu spoedig t'huis. Zijn moeder wrong zijne natte kleeren +uit. »Waarom was hij niet in school gebleve? »Ete had ze niet. Van +avond zou vader misschien wat geld meêbrenge, want hij was niet t'huis +gekomme en werkte dus zeker.« Frans bleef in een oud kiekje, dat zijne +moeder tot borstrok gemaakt had door er de mouwen af te snijden, een +poos voor de lage ramen kijken, die dik met stof en zeepsopspatten +bezet waren. Eene waschvrouw aan den overkant was voor den regen +naar binnen gegaan. Naast haar kuip, die door een engelsch hemd en +een deken toegedekt was, lag een hoop vuil goed in een klein plasje. + +Toen het tijd voor school werd, kleedde zijn moeder hem aan en ging +met hem meê. De deur was nog niet open. Even als 's morgens stonden +troepjes vrouwen met kinderen te wachten. Zijne moeder sloeg haar +sloof om Frans heen. Frans vroeg waar kleine Leentje was. Die was +bij de buurvrouw, zei zijne moeder. Ze had naar vader gezocht en had +vergeten, het kind terug te halen, toen ze t'huis gekomen was. Dat +kwam doordat Frans zoo nat t'huis kwam. + +De schooldeur ging open. Voor en na verdwenen de kinderen in het +vierkante gat en de vrouwen gingen paarsgewijze heen, met hun klompen +de dunne modder opspattend. Met de eene hand tilden ze hare rokken op. + +Frans ging schoorvoetend naar binnen. »Niet met de zuster prate,« +verzocht hij. Doch zijne moeder vroeg aan zuster Angelica, of hij +voortaan bij zoo'n weêr binnen mocht blijven. Het was geen weêr, +om er een hond door te jagen. En dan een kind, dat zoo weinig aan +z'n lijf had. + +De zuster, die door Leentje reeds ingelicht was, zei: dat hij om huis +geschreeuwd had. Ze hadden hem brood wille geve; maar hij wou niet. Er +zat een leelijken kop op dien jongen. Hij was wel bedaard en stil, +daarvan wou ze niets zegge; maar hij kon soms zoo norsch en koppig +zijn. Die kop most gebroke worden, dat was z'n moeder verplicht. Anders +kwam er niks van hem terecht. En dan speelde hij nooit is met andere +kindere, er zat niet bij. Geen tier kon je er in krijge. + +De moeder gaf haar gelijk. Ze wist niet naar wien hij een aard had. Zij +was voor haar trouwen zoo stil niet geweest en wou wel weten, dat ze +toen lang geen kniesoor was. + +Enfin, de zuster zou hem voortaan binnen houden. »Met geweld, zuster, +gerust, ik geef u permissie.« + +De kinderen waren dien middag erg woelig. Vóór schooltijd al klommen +de ouderen op de banken en liepen mekaar na. Er was tusschen den +middag geen raam open geweest en de kachel had aldoor fel gebrand, +zoodat een klammige warmte uit de kleederen der kinderen opsteeg en hun +handen en gezicht begroezelde. De zuster bad weêr, de kinderen baden en +zongen, iets lijziger dan 's morgens, en kregen hun leiën. Er werd een +plaat aan den muur gehangen, die voorstelde: Roodkapje door den wolf +verscheurd. Alleen het roode kapje van het meisje en de witte tanden +van den wolf waren op een afstand te onderscheiden. De brekebeenen, +die déze plaat niet konden nateekenen, mochten hun krachten beproeven +aan een vruchtenstukje: een sinaasappel, een appel, een peer, een knol, +een peen, een tros druiven, een aardappel, een hoopje aardbeien en +een komkommer. + +De kinderen knarsten met hun griffels. Een kwartiertje was Leentje +met de grootste bezig. Ze zei: spa-a; slee-e en de anderen schreeuwden +haar na. Eindelijk zei de zuster, dat het dien middag toch niet ging +en dat de kinderen dus maar wat moesten gaan teekenen. + +De goot op het plaatsje pitte-pette: de regen scheen opgehouden te +hebben. Soms even zwiensde het water langs het zink en plits-pletste +op de gele steentjes. Glimmende droppels licht zaten verspreid tegen +de bewasemde ruiten en biggelden van tijd tot tijd een eindje naar +beneden. + +Het begon al vroeg donker te worden. Het licht schimde door het +overwarme schoolvertrek, waarin een hooge kachel stond te gloeien. De +hoofden van Maria en Jozef waren niet meer te zien. Als twee donkere +vlekken, even naar vóór uitkomend, stonden ze daar omhoog. In het +toenemende donker trokken hunne voeten op en de beelden werden twee +wanstaltige, in elkaar geplompte gedaanten. De kinderen konden niet +meer op hun leiën zien. In het achterlokaal was het licht aangestoken, +doch in dit waren geen gaslichten aangebracht. + +Er werd gebeden en gezongen en Leentje deed de ketting van de +deur. Toen ze de deur opende, zwiepte de regen haar in het gezicht. Ze +sloeg haar rood-wit-gestreept-katoenen schortje over het hoofd en +hield het met de linkerhand onder haar kin vast. De punten zwibberden +schik-schokkerend-klip-klap langs haar gezicht. In de donkere ruimte +tusschen de deurstijlen verschenen vrouwengezichten, onder flauw +beglimplichte regenschermen. Ze noemden een naam, die door Leentje +hoog-gillend in de school gestooten werd, tusschen de duisternis. De +kinderen kwamen met slapende voeten aandribbelen. Ze werden door hunne +moeders in jassen en doeken gerold en groetten de zuster, die stijf +rechtop naast Leentje was komen staan. Flauw-wit schemerde haar kap, +als ze het hoofd boog om terug te groeten. Zwijgend stond ze daar en +liet de kralen van haar rozenkrans tusschen de vingers glijden. + +Tegelijk, dat een man de lantaarn bij de bewaarschool opstak, werden +ook de ramen van de school aan den overkant verlicht. Strak holoogden +de ramen. Het licht schimmerde over de natte straat, tusschen de +voeten van de silhouetten der menschen door, wierp strepen schamplicht +langs de natte rokken der vrouwen en glom langs het plafond der +zusterschool. De doffe ruiten hadden een flauwen goudgloed. + +Een woelig geluid drong uit het achterlokaal in het verlaten vertrek, +waar nog slechts enkele kinderhoofdjes in het halfdonker op de bankjes +verspreid stonden. Heel in de verte naderde het geratelwiel van een +rijtuig, op de ongelijke steenen ophotsend. Het kwam nader en werd +toen dunner en onduidelijker. + +Leentje hielp de laatste kinderen aankleeden. Geeuwend zei de zuster: +wat een landziekig weêr, hè? en ze rekte zich uit.--Zou zuster Monica +d'r kindere nog langer houwe? Ga 't is vrage, Leen! + +Leentje kwam met de boodschap, dat zuster Monica dadelijk gereed +was. Terwijl ze Frans aankleedde zei ze:--Je kon het an de kindere wel +zien. Ze ware zoo slaperig as de wiedeweegaai.--Ze boog plotseling het +hoofd en schuinoogde naar zuster Angelica, die haar echter niet gehoord +had en met haar rozekrans spelend in de lichte hokjes stapte, tusschen +de schaduwlijnen die de raamsponningen op den vloer wierpen. Van tijd +tot tijd geeuwde ze en eindelijk liep ze naar het plaatsje en opende de +schooldeur. Ze stond zwart tegen den gouden achtergrond, die van licht +en leven tintelde. De kleine, vroolijke, mollige zuster Monica verbood +met haar lieve stem de lastige kinderen, die aan haar armen en haar +zwart nonnenkleed hingen. Ze ging door het holle voorvertrek en het +jolige troepje maakte zich van haar los en liep lachend de straat op. + +Frans werd door Leentje met nog een paar kinderen op straat +gebracht.--Jullie moeders komme niet opzette, zei Leentje. We kanne +je van nacht niet houwe. + +Koud klamden Frans de kleêren aan het lijf. Hij liep door de donkere +straat, tusschen de overhangende gevels. De lantaarns leken dun +en teêr en hun treurige, bekoper-randgele vlammetjes met zwarte +hartjes strakten in den regen, die grijsgestreept neersabelde in het +opeengepakte kildonker tusschen de huizen, welke als verschroeide, +uitgebrande, holle geraamten op en tegen elkaar huiverden, blind +en koud in den regen. De regendroppels plekten kringetjes in de +zwartgroening van de kolk, die tegen den steenen kant opkabbelde +in zachte, schommelende deining. Voor één der gele raampjes van +het brugwachtershuisje, die een gezellig licht uitwierpen, zat een +man te eten uit een dampend ijzeren pannetje. Frans keek naar de +sluis. Tusschen de sluisdeuren brabbel-zwalpte het water met witte +bruisjes. Uit tal van reten lekte het in fijne dunningen, dooraderd +van straaltjes lantaarnlicht. + +De straten waren hol en leeg en lijnden moeielijk voort in de +dompige atmosfeer. De lantaarns leken met een stamp in den grond +gezet en streken langwerpige lichtplassen van zich af over de natte +kleibollingen. + +Een buurmeisje, dat boter en kaas gehaald had en op een stukje krant +in de handen droeg, zei tegen Frans, terwijl ze nu en dan van de kaas +snoepte: Je moeder heeft zoo gehuild. Ik heb het zelf gehoord. Je +vader is dronke t'huis gebracht door drie mannen en hij heeft haar +geslage. As ik jou was, ging ik gauw is kijke.--Frans liep op een +drafje het steegje in. De lamp was nog niet op. De waschvrouw stond +te boenen bij het licht van een petroleumlamp, die voor het raam +gezet was. Het glinsterende, rookende zeepsop schuimvlokte langs haar +armen. Ze had een witte doek om haar hoofd geslagen en stond in een +plas licht voor de kuip, waarnaast vuilwit en rood en blauw goed op +een viezen hoop lag, door den regen in elkaar geslensd. + +In het donkere benedenhuis viel door de twee bezeepsopte ramen een +twijfellicht, dat de enkele meubelen even liet onderscheiden. Op een +stoel voor het raam zat zijne moeder. Een dof, reutelend gesnork klonk +uit een hoek. Nu en dan bromde de dronkaard, die daar was neêrgevallen +ruwe vloeken en heesche uitroepen. Plotseling richtte hij zich soms +op en slingerde lange verwenschingen rond zich. Frans was stil bij +zijn moeder gaan zitten. Ze legde zijne hand in de hare. + +Een ongezellige koude kleumde in het vertrek. + +Zacht vertelde de vrouw aan Frans, dat zijn vader 's middags t'huis +gebracht was. Hij had een halven dag gewerkt maar door den regen +hadden ze moeten uitscheiden. Toen was hij in een herberg gaan +zitten.--Eten had ze niet, kleine Leentje had straks ook al om eten +geschreeuwd. Moeder was blij, dat ze sliep. Frans moest maar gauw +naar bed gaan, dan lag hij warm. Misschien kwam er van nacht wel +uitkomst. Of ze de lamp aanstak? Er was nog maar een beetje olie in, +en dat moest ze sparen. Je kon niet weten, wat er van nacht gebeurde. + +Eensklaps begon de dronkaard in den hoek benauwd te gorgelen. En de +vrouw barstte plotseling in woede los: Stik maar! ellendeling! + + + + + + + + + +EEN DAGJE UIT. + + +Het liep naar negen uur, toen hij ontwaakte. Een poosje bleef hij +liggen soezen, den vorigen dag overpeinzende, zich koesterende in de +gedachte, dat hij vrij was. Vrij van het eentonige dagelijksche werk, +dat z'n zenuwen opvrat, jaren achtereen. In een onstuimige opwelling +had hij zich al de kleine ergernissen van het lijf geschud. De korf +was deze bij te klein geworden. + +Forsch bruischte het bloed door z'n lichaam en zweepte hem +op. Vlug schoot hij een sjamberloek aan en wierp een raam open, +om de walgelijk-lauwe lucht in de kamer te verfrisschen. Haastig +ontbeet hij. De akelig-rechte, stijve gevels, allen van een zelfden +model, gluurden hem door de ruiten aan. Een zwoele lomerigheid, die +van de strakblauwe lucht omlaag suizelde, sloeg de groentenventers +met stomheid en de bakkers, die brood rondbrachten, zwetende onder +hun stroohoeden, belden met lamme armen. In huis hing een saaie +stilte, een warm halfduister, langs de gestukadoorde wanden naar het +plafond opklimmende en langs de trappen naar beneden doezelend. In +de kamer was het smoorheet. Het sombere behangsel en de zware +overgordijnen voerden maar steeds warmte aan, die onophoudelijk de +kamer inkringelde. Terloops keek hij eenige tijdschriften in; maar +wierp ze spoedig van zich. + +--Bah! hoe eeuwig saai! + +Haastig maakte hij »toilet«, greep hoed en stok en stormde de trappen +af. Met een smak trok hij de voordeur achter zich toe. Een trage galm +trok een donkere, vibreerende streep door de lauwe lucht op de trap. + +Hij was den hoek omgeslagen en liep nu op den lijnrechten Singel, +blakerende in den zonneschijn, die de kale, magere boompjes +verschroeide en het blikkerende water scheen te drogen. Hij baande +zich een weg door de stofwolk van verveling, die boven de witgrijze, +pulverige steenen hing te twintelen. Het prikkelde hem de lui, die met +gebogen hoofd voortsloften, achter zich te laten, aardigheden zeggend +aan de dienstmeiden, die met gloeiende gezichten, losgemaakte mutsen +en bloote, rooie armen de belknoppen stonden te poetsen, zwijgend en +puffend. Een oogenblik bleef hij staan voor een boekwinkeltje, wierp +een blik op de slaperige, godgeleerde titels en ging dan verder, zich +met z'n rotting een fikschen slag tegen het been gevend. De tramwagens, +die hem voorbij kropen, waren vol stof en zweet, die de lieden, welke +er in zaten, deden stikken. Den koetsiers was het teveel, de teugels +aan te halen en de suffende paarden, die een sukkeldrafje hadden, +liepen gevaar óm te vallen en poogden vergeefs, hun koppen op te +heffen boven de stofwolk, die ze zelf opwierpen. Zoo kropen ze voort, +kleiner en kleiner wordend op den weg, die als een gele streep langs +het water lag. Nu en dan hoorde men een dun belletje met een zweterig +stemmetje, spoedig wegsmeltend. + +Op een groot, wittig plein, naast een brug, zat een oud man onder +een zeildoeken tentje vreedzaam een pijp te rooken, omgeven van 'n +vak bloempotten, die de oogen deden schemeren door hun schitterende, +helle kleuren, aangezet tot barstens toe. Een paar vlinders fladderden +rond, op en neer dansend in den zonneschijn. + +Toen kwam hij op een lijnrechte kade naast een breed water, met een +warrel schepen, door zonneschijn overgoten. De teer liep langs de +naden. Een grijsaard met blauwkatoenen slaapmuts, geduldig bossen +talhout op elkaar stapelend, was het eenig levend wezen, dat men +op die schepen zag. Een troep vischvrouwen, in den smallen reep +schaduw bij de vischmarkt opeengepakt, leunden op hunne wagens, +zwetend en zwijgend, op den afslag te wachten. De spiegelruiten voor +de akelig lege, vervelend holle winkelkasten, schampten het sterke +licht af. Eenige jongens stonden op trapleertjes de ruiten te poetsen +als in een nevel van licht, die de randen van hun vormen opslorpte. + +Eensklaps sloeg hij 'n nauw, donker zijstraatje in, van plan, een neef +te bezoeken, die daar in de buurt een aardappelzaak moest hebben. Sinds +jaren hadden ze elkaar niet gezien. + +In het heete, doffe licht van den winkel zag hij een rij eenvormige +bakken, als troggen, blauw van buiten, vuil wit van binnen. Een paar +maten, wier gepoetste koperen naamplaatjes wat licht pakten, lagen te +knipoogen in het heete aardappelstof, dat den winkel doortrok. Het +hysterisch getinkel van den bel schoot witte kringels door de gele +atmosfeer. Een man in paars boezeroen deed de bewitgordijnde deur van +het achtervertrek open en schoot op een beroerd saaie manier een paar +muilen aan, die voor het dorpeltje stonden te gapen. Na opheldering en +wederzijdsche herkenning werd »neef Henri« door z'n rooien, vleezigen +bloedverwant met gouden ringetjes in de ooren, uitgenoodigd, »door te +lope«. In statige langzaamheid, vol burgerlijke zelfgenoegzaamheid, +ging de man vóór. De kamer was smaakvol gemeubeld, in donkerrooden +toon. Het schreeuwend-pretentieuse ontbrak hier. Bij de groote +deurramen, die op een kil tuintje uitzagen, zat een bleek, melancholies +meisje, die aan 'n haakwerkje bezig was en even 't hoofdje ophief, om +den bezoeker te groeten, met een stillen, bleeken groet. Aan de tafel +zat een warme schommel van 'n stijve vijftig, aan blauw-wollen kousen +voeten te breien. De heer des huizes, die z'n sloffen had uitgedaan, +wierp zich in z'n stoel. Statig zei hij: Daar is neef Henri. Het +meisje hief levendig het hoofd op en keek neef oplettend aan. Toen +stond ze op om naar hem toe te komen, vol kinderlijke blijdschap; +maar Henri voorkwam haar. Ze gaven elkaar hartelijk de hand. + +»Ik zou haast vergeten hebben, dat er een neef Henri bestond.« Moeder +de vrouw was opgestaan, de kous in haar hand. Haar goedig gezicht +met dikke plooien werd met een zweem van ongeloovige verrukking en +blije verrassing naar neef gericht. Met schitterende oogen keek ze +hem door haar bril aan. + +»Kom, dat 's goed, dat 's goed, dat je je familie niet vergeet.« + +»Nou maar, moeder, hij was anders goed op weg, om ons te vergeten. 'k +Was nog pas«..... + +»Ja, je was nog een kind. Maar als 'k geweten had, dat 'k zoo'n +lieve nicht had«..... Hij hield verbluft stil. Tante had van z'n +onbeleefdheid niets gemerkt en zei: Wel, gossiemijntijd, wat lijk je +veel op je moeder. Sprekend, hè, Aai? + +Aai brandde z'n lippen aan z'n heete kop koffie en bromde misnoegd: +weet ik het? + +Neef kreeg natuurlijk ook koffie en zat weldra al z'n adem uit z'n +longen te blazen. Onderwijl ondervroeg tante hem, of ze rechter +van instructie was. Nicht was weêr in haar stoel gezegen en +hield zich bezig met bleeke overdenkingen, neef van tijd tot tijd +steelsgewijze aankijkend. Arie leunde achterover in z'n stoel, de +beenen ver uitgestrekt, de duimen in de armsgaten van z'n vest, de +borst vooruit, met 'n verwaand, blasé gezicht toe te luisteren. Als +hij door z'n zenuwachtig kwebbelende vrouw tot getuige werd geroepen, +antwoordde hij met 'n enkel woord, wrevelig, laatdunkend. Niets kon +hem deren! Hij zat in 'n wolk van kouwe majesteit. + +Maar Henri merkte, dat hij alleen sprak en 't hinderde hem. Hij +werd woedend op z'n tante, die hem met haar botten glimlach zat +aan te starogen. Hij hoorde nog, dat al de andere kinderen getrouwd +waren en de jongens fatsoenlijke baantjes bekleedden. Ze hadden een +zorgvuldige opvoeding gehad, die handen vol geld kostte, zooals Arie +zei. De Heer had hem gezegend en als Die mét ons is, wie zal tegen +ons zijn? Dit zei hij op dikken, zelfgenoegzamen toon, met de plompe +duimen draaiend. »Zoo ben jij de eenige, die nog thuis is,« merkte +Henri tegen nicht op, min of meer gedwongen. En ze antwoordde met +'n licht zuchtje: Ik ben niet gelukkig geweest. + +'t Was frisch in het vertrek. Neef kreeg een kil gevoel en 'n +afstotende magneetkracht werkte op z'n zenuwen. Van hartelijkheid was +in dit gezin geen spoor te vinden. De ontvangst van z'n tante kwam +hem voor, exceptioneel te zijn. Ieder stond op zichzelf. De witte +neteldoeken gordijnen, door magere koordjes met schrale kwastjes +opgehouden, in hun eentonige netheid ontnamen het licht, dat van +buiten kwam, alle warmtestralen. Een walgelijke geest van doodende +tevredenheid vulde de kamer met 'n koude klaarte, die zich tegen hem +aanwierp met 'n korten slag. De zelfgenoegzame man met z'n ringetjes +leek 'n bloedzuiger, zat van voldane begeerte, die daarom zijn prooi +had losgelaten. + +Het burgerlijke liberalisme. + +Toen Henri weer op straat was, voelde hij 'n ledig om en in zich. De +holle straten, waarin de zon nog niet had geschenen, waaierden hem +een vochtige lucht tegemoet. In een koffiehuis, dat hij binnentrad, +waren de kelners bezig met het afnemen en wrijven van de tafeltjes en +namen geen notitie van hem. Eenige kranten, nog vochtig van de pers, +lagen in wanorde op een paar tafeltjes verspreid, als vuile witte +vlekken. Een muffe, vochtige donkere lucht hing in de zaal, die galmde, +als er 'n stoel werd verzet. De weinige woorden, die de knechts en +de juffrouwen van het buffet wisselden, klonken hol als uit een graf. + +Spoedig begaf hij zich weer op straat en begon langs de winkels +te slenteren. Een lusteloosheid begon zich van hem meester te +maken. Onverwacht werd hij op den schouder getikt. Een jong, net heer +met militairen knevel en losse manieren keek hem oplettend aan. + +--Henri, geloof ik? + +Henri herkende in hem 'n koffiehuiskennis van vóór 'n paar jaar, +die alle mogelijke dingen bij de hand had en het leven doorrolde, +tot hij aan een jong, lief, tamelijk rijk meisje, een wees, bleef +hangen. Toen had hij zich uit de kring zijner bekenden teruggetrokken +en bezocht met haar Brussel, Parijs, en Napels. + +--Wel, woon je hier? En ze gaven elkaar hartelijk de hand.--Ik +woon hier al een maand of wat. Dat we mekaar nooit eens tegen 't +lijf geloopen hebben! Maar vandaag zal je me niet ontloopen, dat +is afgesproken. + +--Hoe vaart je vrouw? + +--Wist je 't niet? Dood, man, de tering. Was wel te +zien. Sentimenteel.--Hij haalde even de schouders op.--Anders een +verdomd lief ding. Aangenamen tijd samen doorgebracht. Maar er is +niets an te doen. Geen kruid voor gewassen. Sukkelen lang, maar +eens is eens. Enfin, 't hoofd maar boven water gehouden. Knerpen en +triesten dient nergens toe. 't Maakt je oud voor je tijd... Maar 'k +ben allemachtig blij, dat 'k je zie. Een verdomd triestige stad hier 's +morgens, hè? Allemachtig saai. De lui hebben tot 's avonds de slaap in +d'r oogen. En wat doe je? Ik ben een poos aan een dagblad geweest. 'k +Kreeg opeens een werkmanie. Maar dat beroerde gezemel. 'k Ga weer +naar België, misschien naar Parijs. Leven wil 'k zien. Hier? Lui +zonder bloed, bah!... Rooken? Heerlijk, delicieus.... 'k Ben een paar +dagen uit de stad geweest, voor een rechtszaak. Maar daar had je bij +moeten wezen.... En hij lachtte, dat de menschen bleven staan.--'k +Heb hem vierkant uit 't veld geslagen, de pruik! Een smerig zaakje van +'n vriend, 'k zal je later wel eens vertellen. 't Moest noodzakelijk +de wereld uit. Onverwacht deê de pruik een strikvraag. Maar 'k was +op m'n »quivive.« 'k Zei!..... + +Hij bleef staan, nam z'n rotting onder den arm, pakte z'n vriend bij +de schouders en draaide hem om. Toen nam hij heel diep z'n hoed af +en maakte een diepe buiging--Edelachtbare! + +Met een stem als een fransch tenor, begon hij verbazend rad te +spreken en artikelen van het code aan te halen, zoodat het z'n +hoorder begon te duizelen. Spreker was geheel in vuur. Hij hoorde +niet, dat een dienstmeisje stond te ginnegappen. Hij zag niet, +hoe een paar vuile straatjongens hem van onder de kleppen hunner +petten aangluipten. Onder 't spreken nam hij z'n rotting in de hand +en begon er op een vervaarlijke manier meê te schermutselen, zoodat +een hond, die in een vuilnisbak wroette, vreesachtig z'n mager lijf +ineenstuipte en wegsloop, de staart tusschen de beenen, telkens den +kop schichtig omdraaiend en met een paar schuchtere, waterige oogen +den man aankijkend. + +Zoo stond deze wel een half uur te oreeren en gestes te maken, op +een drukke plek in den barren zonneschijn, terwijl hij elk oogenblik +gevaar liep, door sleperswagens overreden te worden. Toen barstte +hij in 'n zilverigen lach uit. + +Plotseling zei 't dienstmeisje met een leelijken, platten tongval: +Z'n mond gaat as een lazerusklep. + +Hij onderbrak z'n lach. 'n Wolk kwam over z'n geestig gelaat. Ruw +baande hij zich een weg door de jongens, met fiksche striemen. Met +groote stappen liep hij vooruit.--Bah! Dit zei hij op een zeer +verachtelijken toon. Maar langzamerhand kwam hij tot bedaren. + +Dat was specifiek Hollands! en hij vaagde de onaangename herinnering +weg. Toen vervolgde hij: + +Hoe von j' 'm? We wonnen het zaakje. De slaapmutsen lachten zich +ongansch en het publiek applaudiseerde als in een schouwburg. Wacht, +ginds is een gezellig kroegje. En straks moet je meê naar m'n +kast. Je dineert bij me en neemt tot souvenier wat boeken van me +meê. 'k Heb Toussaint, van Lennep, Dickens, Beets, van Beers, +Hugo, Lamertine, Heine, Byron en alles, wat er in den laatsten +tijd is uitgekomen. Enfin, je zult zien. Ik voor mij houd niet +van hollandsche romans. Die beroerde flauwe vertellinkjes! Maar je +dient op de hoogte van je tijd te zijn. Geen leven, geen vleesch en +bloed. Schimmetjes! Schimmetjes die verliefd zijn en kwelen van d'r +meisjes mooie vlechten, net of ze daarmeê tevreden zijn. Of stervende +lievelingen met een diep kijkje in de andere wereld, die er dan uitziet +als een vlaamsch interieurtje. Allemaal schimmetjes. Ze zijn dit, +ze zijn dat, ze zijn zus, ze zijn zoo, maar alles behalve werkelijke +menschen. Geen aasje realiteit, geen sikkepitje moderns. Aangekleede +papieren poppetjes. Nagemaakte romantiesche onzin, die heel wat bij +lamplicht schijnt maar vervliegt als de zon er op schijnt. Goed voor +ouwe wijven en kindermeisjes bij 'n kaarsje, op 'n zolderkamertje. Maar +die vinden ze nog te laf en lezen vertaalde fransche. Neen, heilig +dan Multatuli, die heeft nog vuur in z'n bast. Die strandt niet +op de klippen van konventioneele deugden, op den zandbank van het +fatsoen. Ja, wat is dat? Fatsoen? Ik weet heusch niet wat het +is. Schijn wat je bent en wind er geen doekjes om. Dat is mijn +stelregel. En knijp geen katjes in 't donker.... + +--Misschien heb je gehoord, dat er 'n nieuwe kommentaar op Genesis +is geleverd. + +--Laat hooren. Ik geef anders om dien heelen rommel geen steek. + +--Toen God de aarde geschapen had, en alles wat er op is en de zeeën +en de visschen.... + +--Nu ja. + +--Toen wreef hij vergenoegd in z'n handen. + +--Dat had hij wel kunnen laten. + +--Maar toen kwam de duivel.... + +--Een slimme snuiter. + +--Hou je vervelende mond, of ik zwijg als een mof. + +--Nu, vooruit dan, sammel niet. Die oudtestamentische +langdradigheid.... + +--Jan Rap! Nu dan! Toen kwam de duivel en zag, dat het goed was. + +--Je zet Genesis om. Vervalsching in geschrifte. + +--Een nieuwe lezing. + +--De Genestet zou het noemen: rechtgeloovig knoeien. Ga voort. + +--En hij zei: Laten we er wat op verzinnen. Want er was tusschen hem +en God een toestand van represaille. En hij vond het fatsoen uit. + +--Bravo! En van toen af werden de edelste gevoelens schuil gehouden. En +van toen af was het uit met den mensch. En van toen af werd hij +geregeerd door z'n lusten in het geheim, door z'n fatsoen in 't +openbaar. Altijd slaaf. + +--Dat wou 'k juist niet zeggen. 'k Meende: En toen zag de mensch, +dat hij naakt was. En hij sidderde. + +--Een verdomde leugen. Toen kwam de goeie tijd voor modemaaksters +en zielenlapzalvers. + +--Je bent profaan! Je bent, je bent vuurrood. + +--Ja, ik ben een levend wezen. Als ik dood ben, zal ik ook doktrinair +en fatsoenlijk en nederig en zoet zijn, wat je maar wilt. Misschien +word ik dan nog wel lid van 'n parlement of zoo iets... Neen maar, er +moet 'n andere geest hier komen. 't Moet uit zijn met die beunhazerij +over stille nederigheid en rein geluk en eer en fatsoen, weet ik +het? Praatjes voor den vaak. + +Ze hadden gelukkig het koffiehuis bereikt. Henri was op. Hij voelde +zich als in een gulp heet water, borlend zonder ophouden. Een eentonig +geratel klepperde op z'n trommelvlies, dan een zin herhalende, als +de ander aan 'n volgenden bezig was, of eenige schakels overslaand, +om de gedachte van den ander vooruit te loopen en er zich vóór te +plaatsen. Een bonte warreling van denkbeelden vloog hem in allerlei +kleuren en verschillende gedaante voorbij, over elkaar rollend en +buitelend, als golven op een strand, dat wittig glinstert in den +zonneschijn. + +Weldra daverde het lage zaaltje van 's mans opgewondenheid. Als +elektrische vonken, elkaar snel opvolgend, knetterden z'n korte +zinnetjes, om weldra een lyrische vlucht te nemen en met een ode aan +Heine en de Levenslust te eindigen. Toen prees hij bedaard de bitter. + +Een kleurloos, hel licht vulde het zaaltje, als een lichte nevel, +waarin de andere gasten heen-en-weer zweefden. Een nare reuk +van wierook steeg in de neusgaten van z'n hoorder op. Z'n slapen +klopten. Hij voelde 'n drukking op het hoofd en de maag werd hem als +omgekeerd. Hij was blij, toen ze weer op straat waren. + +De zon brandde de keien tot pulver. De galanterieën lagen in +de vitrines te slapen, door en door gestoofd. Op het brandende +papier, waarmee de voorwerpen in de kast van een kunsthandel waren +bedekt, zaten eenige bewustelooze vliegen vastgekleefd als zwarte +stippen. Alles scheen in damp op te gaan. Een paar werklieden, die +naar karwei gingen, zochten zorgvuldig de kleine plekjes schaduw op +onder de dunne, verdorde boompjes, wier verschroeide, uitgedroogde +bladeren als vodden aan de takken hingen. + +Ze wandelden een paar havens langs en gingen het Park in. Kerels +lagen met het gezicht voorover in 't gras te slapen, de pet achter op +'t hoofd. Een kindermeisje duwde met slappe handen een wagentje voort, +'n jongetje aan haar rokken meêslepend en een paar meisjes met bloote +knieën en armen en met schopjes en emmertjes telkens verbiedend. + +Aan den rivierkant zegen ze neer op 'n bank, puffend en hijgend. In +de laatste oogenblikken had geen van beiden gesproken. Na wat bekomen +te zijn, staken ze een sigaar op, de blauwe, kringelende wolkjes +naturende. Kleine zonnebeeldjes plekten de donkere kiezellaan, door +zwaar geboomte beschaduwd. Vlak vóór hen lag de Maas, sprankende +van goud en hijgend naar koelte. Het was eb en geen rimpel oneffende +den gladden spiegel. De dofgroene oever aan den overkant trilde in +den lichtgulp. Er was niemand te zien op de schepen, die ter zijde, +in een klein groepje, bewusteloos en mat neerlagen. Om hen was het +doodstil. Geen vogel deed de twijgen wiegelen, geen windje de blaren +ritselen. + +Een hazewind vloog voorbij, de tong uit den bek, de achterpoten +met moeite naslepend. Een fluitje in de verte riep hem terug. 'n +Oogenblik kraakten de kiezelsteenen van een naburig laantje; doch +die niet voorbij ging scheen een bank bereikt te hebben. + +Albert kwam in een erotische stemming. Hij begon eenige brokken uit +Heine en uit de Duitsche Lier te deklameeren en zong eenige fransche +en duitsche minneliedjes. + +Hij maakte Henri bekend met het beeld, waaronder hij de rivier +zag. Een jonge vrouw, die zich tegen de hitte voor 'n groot deel +ontkleed heeft. De roze boezem golft onder het lichte omhulsel, +waardoor de weelderige vormen uitpuilen. Het deed het bloed vlammen, +vond hij. Hij verging van weelde. En hij zong van »mädchen en veilchen« +en deklameerde van »duftende« lotusbloemen. Samen zongen ze eenige +stukken, die ze indertijd als lid van een zangvereeniging hadden helpen +uitvoeren en eindigden weemoedig met de Loreley. Albert verklaarde, +dat hij Heine bewonderde. Heine gevoelde zuiver, vond hij, wat wij, +lieden van de helft der negentiende eeuw, onbestemd óók voelen. En +voor dat gevoel had hij de juiste formule gevonden. En hij droeg den +»Felsenbaum« en andere gedichten van zijn lievelingsdichter voor. Zij +maakten zich overgevoelig. + +De vloed was opgekomen, zachtjes, met breede bewegingen, eerst vleiende +en kussende en zacht langs de oppervlakte strijkende, om opeens 'n +fikschen duw van zich af te geven. Een zacht koeltje flapperde. De +dodderende schoone voelde zich nieuw leven toestroomen en rees als half +overeind, nat van weelde, koket, uitdagend glimlachend, de volle, roode +lippen wat van elkaar af, met de eene hand haar lichaam steunende, +met de andere haar kleeding nauw aansluitende om haar vormen, zoodat +deze frisch en malsch uitkwamen, vol levenssappen. Ze scheen gereed +om te stoeien. + +--Felicite, mompelde Albert. Beiden gingen geheel in het tooneel op. + +Voller werden de slagen, flapperender de kabbelingen langs de kant, +breeder de rimpelingen. De rivier bewoog zich als onder weelderige +stuiptrekkingen, zuchtend van genot, in elkaar kronkelend en dan zich +met kracht uitstrekkend. + +Albert leunde achterover, geheel ontzenuwd. Plotseling sprong hij op +en trok Henri meê. Beweging of ik sterf! + +Met groote passen liep hij voort. Z'n oogen glinsterden. + +Op den stoffigen dijk matigde hij z'n vaart. Ze gingen nu langs den +buitensingel. Langs den kant, op den afhellenden grasrand, waren +veelkleurige bloemperken aangelegd en hier en daar werd het vuile, +drabbige water, waarin slabladeren en stukken papier dreven, door +kleine groepjes boomen gemaskerd. Een duister, warm licht vol zoelen +waterdamp hing over den pas besproeiden, belommerden kiezelweg. De +buitenplaatsen dommelden in een halfslaap. + +Albert nam z'n vriend meê naar z'n kast. Ze brachten daar eenigen tijd +door met 't bezien van etsen en platen en de gastheer onthaalde Henri +op mooie plaatsen uit verschillende schrijvers, door vouwen en dikke +strepen in de boeken aangewezen. En onder een glaasje ontwikkelde +hij verschillende denkbeelden. + + + +Tegen den avond begaven ze zich weer op straat, nog opgewondener. Ze +spraken luid, tot ergernis en twijfel van eerzame burgers. Nu en +dan zei Albert tegen een nufje 'n aardigheid en maakte z'n vriend +deelgenoot van zielkundige opmerkingen, naar aanleiding van de +houding en het antwoord van 't meisje. Zelfs eerbare burgerdochters, +door haar vaders begeleid, onderwierp hij aan deze psychologische +proefnemingen. Ze legden in verscheidene koffiehuizen aan en hun toon +werd steeds luider. + +De lantarens waren aangestoken en vonkten in het flauwe licht, dat +tusschen de huizen wemelde. Het was nog snikheet. Zware dotten menschen +verdrongen zich op de smalle trottoirs en maakten den Rotterdamschen +cirkelgang: Hoogstraat--Blaak--Hoofdsteeg. + +Toen ze weer een snikheet koffiehuis uitkwamen zei Albert: Dat is waar +ook. Er is van avend muziek in 't Park. Er op af! Henri merkte op, +dat het om dezen tijd al gedaan was. Dat speet Albert. Maar je had +er toch versche lucht en daarom stelde hij voor, niet langer tusschen +die nare gevels te blijven hangen en er heen te gaan. + +Ze gingen dan langs de Boompjes en spraken over het heden, het +verleden en de toekomst. Midden in een frase bleef Albert staan, +om het riviergezicht te bewonderen. + +--Je kunt ons heele land kado krijgen voor zoo 'n kijkje! + +--Jammer, dat het hier eigenlijk een groot dorp is, verdomd +»kleinstädtisch«. Het is niet an de lui besteed. + + + +Het bleek, dat de muziek gedaan was. Maar de paadjes braakten nog +onder de flaneerende voetstappen en de banken waren nog vol donker +gefluister, waardoorheen gele kussen flitsten. Ze kwamen in een jolige +stemming en doorkruisten het park in alle richtingen. Toen ze er uit +kwamen, had ieder een dienstmeisje aan den arm, wier kokette witte +schortjes tegen hun donkere jassen slierden. Heldere flitsende lachen +en fluisterend gegichel fosforiseerde op de warme grijsgele stem van +Albert en de roodbruine van Henri. Ze gingen in een café, waar meiden +zich lieten kussen, dat het klapte en famieljaar uit de glaasjes der +mannen meêdronken. Henri fluisterde: Waar raken we in verzeild? + +--Laissez aller! Ik heb een kattennatuur en kom altijd op m'n beenen +terecht. Ik beloof me veel van ons koopje! Voor een keer is 't wel +eens aardig! + +Ze namen plaats in het donkere voorgedeelte van de zaal, afgescheiden +door een donkerpaars gordijn, van de straat door groote, donkergroene +bakken met dichte bukspalmen. Daar dronken de twee vrienden cognac +en de meisjes frambozenlimonade, tot alles lichtgeel om hen werd en +ze zich op den stroom hunner zinnen lieten afdrijven. Het duistere +hoekje vormde een paarse vlek tegen de roezemoezige zaal. + +Op straat begon Albert onder een gaslantaarn, den arm om den hals van +het meisje, dat een kop als vuur had en zich tegen hem aandrong, een +romance te zingen, die hij in een café-chantant had opgedaan. Een paar +honderd schreden verder kommandeerde hij halt: de meisjes hadden hun +dienst bereikt, een donkere buitenplaats, vol zwarte stukken geboomte, +waardoorheen een geel lampje op den achtergrond zichtbaar was. Een poos +bleven ze staan fluisteren tegen het hek leunende. Albert smoezelde +wat aan haar oor; maar het meisje zei: Neen dat kan nou niet. Ze +kenne elk oogenblik komme. + +Maar je komt toch morg'avond terug? Met moeite kregen ze de heeren weg, +nadat ze omhelsd waren en omhelsd hadden. + +Albert begon weemoedig te zingen: + + + Adieu, adieu, la belle France + Adieu, je t'aimerai toujours. + + +Een rijtuig kwam pijlsnel aanvliegen en hield stil voor den tuin. De +glinsterende lantarens wierpen lichte plekken op den grond. De knecht +opende het portier. Een heer hielp een dame uitstijgen. 'n Oogwenk +keken ze naar den zanger en verdwenen toen in den donkeren tuin. De +knecht steeg op den bok, het rijtuig maakte 'n korten draai. Zacht +krittelend schoof het over de kiezel. In het voorbijgaan riep de knecht +Albert toe: Afblijven daar! Albert was verontwaardigd. Hij deed met +z'n rotting 'n slag in de lucht en bleef het rijtuig, dat onhoorbaar +naar den horizon schoof, nakijken. Henri suste hem.--Ja, maar, beste +jongen, dat 's allemaal goed en wel; maar ik kán morgenavend niet. 'k +Moet morgen vroeg weg, voor goed. Eeuwig jammer. En hij begon te +klagen van »la belle France«. Hij vertelde vervolgens, dat hij dit +lied door een bleeke Elzassche had hooren zingen, in 71 of zoo, drie, +viermaal achtereen, tot hij de tranen in de oogen kreeg. Toen had hij +en nog eenige jongelui van 'n zelfde klubje haar verzocht bij hen te +komen zitten; maar het preutsche ding wou niet. Poeh! + +En toen hadden ze zich maar vergenoegd met een mollige Duitsche, in +tricot, met heerlijke beenen en zonder pruderie. Ze lachte even hard +als de anderen, toen d'r tricot scheurde. En Albert moet later aan +het vechten geraakt zijn. Hij had z'n hand een paar keer op haar dijen +gelegd en ze had maar eens witjes gelachen. Maar er was er een, die 't +kwalijk nam, dat een dame in z'n bijzijn werd beleedigd enz. enz. En +daar had je het. Ze ranselden elkaar met de stokken af. En toen +ging primo de dame op den loop, en secundo werden ze uit het café +gebliksemd en tertio sliepen ze dien nacht op een brits. Albert kon +er zich niks meer van herinneren. + +Maar z'n vrienden hadden hem verteld, dat 't zoo gebeurd was.--Beiden +waren den singel afgeloopen. Een agent, die hen een eind gevolgd had, +werd door Albert afgesnauwd. Hij bleef verschrikt staan, hen naturende. + +In de stad was het stil. De koffiehuizen werden gesloten en de laatste +bezoekers gingen in groepjes heen. + +Jonge en oude dames, min of meer deftig gekleed, zwermden paarsgewijze +de groepjes tegemoet en bleven in hun nabijheid op en neer drentelen, +zacht neuriënd. + +--Zeg, krullebol, je kunt je parasol wel neêr doen. De zon zal je +vel niet verbranden, zei Albert tot een dame met tartende oogen. + +--Kom liever met me meê naar m'n kamer, in plaats van die praatjes. + +--Praatjes vullen geen gaatjes, hé? en hij begon verschillende +variatiën op dit thema aan haar oor te fluisteren, zeer vertrouwelijk, +doch z'n armen waarin ze de hare wilde haken, vrij houdend. Henri +weerde zich tegen 'n heel kringetje, dat in 't fransch, duitsch en +hollandsch tegen elkaar opbood. + +De vrienden maakten echter korte metten. Weldra gingen ze samen verder. + +--'k Zou ze lekker danken. 'k Ben lekker »gris«. + +De dames keken hen na, om dan fluisterend hun wandeling te hervatten. + +--Je brengt me toch naar huis? Anders raak ik in polities handen en +'k moet morgen vroeg weg. Ik ken de agenten hier niet. + +Op z'n kast moesten ze nog eens klinken. Henri zat op een stoel te +soezen, terwijl Albert z'n koffer pakte en op alle wijzen beproefde, +'t deksel dicht te krijgen. + +Na veel mislukte pogingen wierp hij er alles uit en flapte den koffer +toe. Hij ging er op zitten »speechen«. + +Henri, die zich den heelen dag al onder invloed van den ander +gevoelde, was sufferig en verlangde hartstochtelijk naar het eind, +dat eindelijk kwam. + +Toen hij den trap afging, lag de gastheer op 't portaal, zoo lang +als hij was, met den bol van de petroleumlamp in de hand, heen en +weer te zwaaien. Onderwijl zong hij: Behuet dich Gott. + +Henri begeleidde hem, op den trap stilstaand, terwijl hij met z'n stok +tegen het houten beschot sloeg dat alle buren wakker werden en men +in de verschillende kamers hoorde mopperen. Nadat het lied uit was, +voelde Albert zich genoopt te roepen, dat Henri zich maar niet moest +storen aan die slaapmutsen. Ze konden het wel in hun hoofd krijgen +om midden op den dag naar bed te gaan. Als de lui getrouwd waren, +konden ze niet zien, dat de zon in 't water scheen. Hij vertrok +gelukkig morgen, waren dat menschen? En hij eindigde met de voor de +buren verkwikkelijke mededeeling, dat hij van nacht toch wel niet zou +kunnen slapen. Ze riepen elkaar nog eens vaarwel toe. Albert zwaaide +op vervaarlijke manier met de petroleumbol, als een saluut, en Henri +ging op de teenen den trap af. Albert begon opnieuw aan z'n koffer, +onderwijl verschillende aria's zingend en soms de bewegingen van +operazangers nadoende en hun houdingen aannemend. Eindelijk staakte +hij z'n vergeefsche pogingen en ontkleedde zich onder 't zingen van +het afscheidslied. 't Was toch ellendig, dat hij nu juist weg moest, +nu hij 'n vriend had gevonden. Onder het in-bed-stappen dacht hij er +aan, z'n vertrek uit te stellen. Terwijl hij lag te wikken en te wegen, +viel hij in slaap. En 's morgens was hij alles glad vergeten. + + + +Henri gevoelde een lichte huivering, toen hem de nachtlucht tegemoet +kwam. Een zwak koeltje zefierde over de daken en suizelde door de +straten, in de broeiende warmte luwe openingen makend. + +De stem van z'n vrind gonsde nog in z'n ooren en onwillekeurig +herhaalde hij het lied van den Trompetter en zong hij het zwanenlied +uit Lohengrin. Weemoed begon in z'n stemming te domineeren. De +straatsteenen weken onder hem uit en behoedzaam pakte hij de hekjes op +z'n weg beet. Het harde ijzer was onder z'n opgezwollen, tintelende +handen week als boter. Zoo sukkelde hij door een geligen nevel, van +sterk zonlicht doortrokken, waaruit nu en dan een bekend gezicht zich +loswikkelde. 'n Paar dames, in wit-grijs-geblokte doeken, begonnen +zachtjes te zingen, toen hij voorbijging; maar hij zag ze niet. Met +moeite opende hij de deur van z'n woning, een poos morrelend met +den sleutel. In 't breede, hooge portaal bij den trap brandde 'n +lichtje, dat door z'n flikkeringen, die langs de treden dansten, +hem nog duizeliger maakte. Eerst toen 't weer stil stond, waagde +hij het, den spiegelenden, bruinen trap te beklimmen, voorafgegaan +door z'n schaduw. Boven werd er uit een kamer geroepen: Is u daar, +m'nheer? Het was de volbloedige stem, warm en zinnelijk, van z'n +over-vriendelijke hospita. Na 'n bevestigend antwoord wilde hij naar +boven gaan; maar de stem vervolgde op innig-hartelijken toon: Ik heb uw +lamp maar aangestoke, anders moet m'nheer zoo in den donker morrele, +dacht ik. Werktuiglijk ging hij naar de kamerdeur, die op 'n breeden, +warm-gele kier stond, om de juffrouw voor hare attentie te danken. + +»Komt u maar binne!« + +Een groote petroleumvlam doortrok het niet ruime vertrek van 'n warm, +innig licht, dat langs het lichte behangsel opklom naar 't plafond +en tot de kleinste hoeken met een heldere klaarte vulde. Zacht +wemelde het en gleed het in de dekens en langs de hoofdkussens van +het open ledekant, dat in een zeer ondiepe alkoof stond, in mollige, +heldere smetloosheid. Een zwartmarmeren pendule met coupes en eenige +achterover leunende fantasieportretten teekenden hun achterzijde +af in den grooten spiegel met dof vergulden lijst, die aan den +schoorsteen hing en de voorwerpen overgoot met het licht dat hij +terugkaatste. Aan de tafel stonden eenige luierstoelen en in één +daarvan zat de juffrouw, zoo goed als geheel ontkleed, puffende en +blazende. Het roze, volbloedige vleesch trilde van begeerte onder de +kantjes van het laag uitgesneden hemd. + +--Ze hoefden zich voor elkaar niet te schamen, zei ze. + +Ze waren geen kinderen.--Haar oogen zwommen in flitsende stralen die +uit fosforische wolken schoten. + +Haar volle kin trilde, haar lichaam sidderde. Haar onderlip klemde +zich koortsig tegen den bovenkaak, zoodat ze ternauwernood hare +woorden uiten kon. + +Hij bleef aan de deur staan, overstelpt door de nieuwe voorstellingen, +die met z'n stemming kampten. De kamer vulde zich met een zacht, roze +licht en hij kreeg een gevoel, of hij door 'n zachte, warme hand om +de lenden gegrepen en opgetild werd. De last, die hem in de laatste +ogenblikken op de schouders had gewogen, viel af. Hij voelde zich +verslonden, één worden met de vrouw tegenover hem. Ze was opgestaan +en ontnam hem hoed en stok, z'n beenen met de hare beroerende. Een +bliksem flitste door de kamer, gevolgd van lichte strepen, die +zich omhoog spiraalden, zich in elkaar verwarden, weder oplosten en +verdwenen, kleine brokjes achterlatende, die fosforiseerden. Alle +lijnen trilden. De wanden der kamer kwamen op hem toe en drukten hem +te pletter. Rozengeur steeg in z'n hoofd en geur van heliotropen. + +Ze drong hem naar 'n stoel en zette zich tegenover hem. Hij zag haar +niet; maar voelde hare warme uitstraling. Met bevende handen schonk +hij in, op haar herhaalde uitnoodiging. Hij moest toonen, dat hij +de consessies waard was, die ze deed. Ze zou het als een beleediging +opnemen, als hij weigerde. + +Ze leunde achterover in haar stoel, hem verslindend, en zich nu en dan +wat lucht toewuivend. Hij voelde zich versuft en tuurde strak door het +raam. De gordijnen waren opgenomen en het raam opengeschoven. In het +donkere verschiet zag hij flauwverlichte ramen opritsen en bevende +lichtjes pinken. In z'n hoofd gonsde het en z'n gloeiend achterhoofd +klopte. Langzaam liet ze haar bovenlijf hem naderen, hem omringende met +een warme wolk van zinnelijkheid, trillende van de forsche bloedgulpen, +die naar de huid stroomden. + +Hij sprong op. Een donkerpaarse, walgelijke heliotroopgeur, doorloeid +van hel-opflikkerende vlammen, wikkelde alles in z'n plooien. Het +vertrek vulde zich met den schijn van donker gaslicht. Walging trok +haar lijnen op z'n gelaat. Forsche tonen overstemden de lispende +stem der vrouw. Wilde bekkensslagen rolden er over heen. Iedere +spier van hem rilde van afkeer, iedere zenuw rekte zich uit en kromp +snel ineen. Hij werd naar de deur gedreven en beklom werktuiglijk +de trap. Uit een wolk achter hem suizelde een vrouwestem, als uit +'n verre verte. + +Op z'n kamer blies hij de lamp uit en ontkleedde zich haastig. Toen +schoof hij het raam open. Een frisch koeltje drong zich als 'n zilveren +wig tusschen de vuile dampen in de kamer. + +Een poos lag hij in de duisternis te turen. + + + +Toen na een poosje zachtjes de deur geopend werd en hij een zacht +warme adem over z'n gelaat en een strelende hand over z'n beenen +voelde glijden, zei hij kallem: Je zult kouvatten, juffrouw. + + + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Een nest menschen, by August Pieter van Groeningen + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57245 *** |
