summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--57245-0.txt (renamed from 57245-8.txt)2477
-rw-r--r--57245-h/57245-h.htm416
2 files changed, 1046 insertions, 1847 deletions
diff --git a/57245-8.txt b/57245-0.txt
index ea92b64..66838b5 100644
--- a/57245-8.txt
+++ b/57245-0.txt
@@ -1,36 +1,8 @@
-Project Gutenberg's Een nest menschen, by August Pieter van Groeningen
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57245 ***
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-Title: Een nest menschen
-
-Author: August Pieter van Groeningen
-
-Contributor: Pieter J. Tideman (1871-1943)
-
-Release Date: May 31, 2018 [EBook #57245]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN NEST MENSCHEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
@@ -94,22 +66,22 @@ van hem, deze schetsen, maar rijp en wat meer is, buiten dezen
vergankelijken tijd, onvergankelijk; is belangrijk te maken de
wetenschap wie de schrijver was. Aanvulling, tevens vervollediging
van iets, geschreven door den heer F. Netscher over dezen Onbekende,
-stilzwijgend geëlimineerde uit de maatschappelijke vergelijking.
+stilzwijgend geëlimineerde uit de maatschappelijke vergelijking.
Echtheid, dat is tevens oorspronkelijkheid, waterlandsche frischheid,
-Rotterdamsche steêkracht, bewustheid dat is objectiviteit tevens
+Rotterdamsche steêkracht, bewustheid dat is objectiviteit tevens
zelf-dwang tot eenvoud.
Is het voor kennis van den lyrischen dichter de vraag tweeledig:
-hoè is de Tijd; en; hoè laat hij zich gaan,--wat de epiek-werker is
+hoè is de Tijd; en; hoè laat hij zich gaan,--wat de epiek-werker is
wordt beantwoord naar de enkelvoudige vraag: wat wil hij.
-De lyricus is zijn werk, op zijn hoògst daar de mensch; de epiek-werker
-is zijn werk niet, maar er boven. En niet voor het onder-gaàn, maar
+De lyricus is zijn werk, op zijn hoògst daar de mensch; de epiek-werker
+is zijn werk niet, maar er boven. En niet voor het onder-gaàn, maar
voor het begrijpen van epiek diep naarbinnen tot aan haar oorsprong
toe, is, de wetenschap wie de schrijver zichzelf voelde te zijn,
met name voor de literaire kritiek de aangewezen, met wiskundige
@@ -117,7 +89,7 @@ vastheid te bouwen weg.
De lyricus kan zijn een onbeduidend mensch, met bij tijden
blootkomingen van waardeerbare stemmingen van zuiver toongehalte, de
-epiek-werker is uit den aard van zijn wezen volledig, àlles-beduidend
+epiek-werker is uit den aard van zijn wezen volledig, àlles-beduidend
Mensch met nog iets van een andere essens daarboven, de maat van welks
aanwezend zijn in de sfeer zijner bewustheden, de mate aangeeft van
zijn objektief vermogen.
@@ -141,81 +113,81 @@ openbaring aan in een eenig door hem geschreven (zelf-)kritisch
artikel, in extenso weer te vinden op pag. 3 van het 1e blad des
Amsterdammer's van 11 Maart 1890.
-»Trachten te-doen door laten.«
+»Trachten te-doen door laten.«
-»Een kunstenaar (zoo staat er) die objectief wìl (d. i. moet) zijn kan
-door onzen subjectieven, m. a. w., egoïstischen tijd, niet begrepen
+»Een kunstenaar (zoo staat er) die objectief wìl (d. i. moet) zijn kan
+door onzen subjectieven, m. a. w., egoïstischen tijd, niet begrepen
worden, tenzij hij, door bij-omstandigheden beeldt personen die als
letterkundige kunstenaars in fraaie woorden voelen. Dit is de mate
van ons democraat zijn, dus van onze naasten-liefde.
-»En daar de kunst der dichtstbije toekomst, als iedere reactie de
+»En daar de kunst der dichtstbije toekomst, als iedere reactie de
negatie van het nu-Heden, zal zijn zooveel mogelijk objectief, bestaat
heel veel kans op een herleving der romantiek, een nieuw-romantisme,
-met helden en ridders--»tenzij« (men leze hier klemmend, als waren
-de letters allen van ijzer, moeilijk weg te schuiven) »tenzij het
+met helden en ridders--»tenzij« (men leze hier klemmend, als waren
+de letters allen van ijzer, moeilijk weg te schuiven) »tenzij het
nu-aan-het-opkomend geslacht moed en zelfverloochening genoeg heeft,
een tijdje voor minder-knap, minder-vol gehouden te worden. Want
klassiek (naar-het-wezen-klassiek) werk schijnt in tijden van
-verfijning erg armoedig, omdat het tracht te-doen door-laten: véél
-te zeggen door wéinig te zeggen...«
+verfijning erg armoedig, omdat het tracht te-doen door-laten: véél
+te zeggen door wéinig te zeggen...«
-»Mijn streven is over de stof te heerschen...«
+»Mijn streven is over de stof te heerschen...«
Het is de grauwe, vette, zware kleigrond, waarin gewerkt moet worden
onder al 't eens-Monumentale, die Van Groeningen hier bloot-legt.
-»Voor zoover men van een kunstenaar kan zeggen, dat hij zijn stof
-kan kiezen, zelfbewust, is dat bij mij het geval.«
+»Voor zoover men van een kunstenaar kan zeggen, dat hij zijn stof
+kan kiezen, zelfbewust, is dat bij mij het geval.«
-»»Van alle Tijden«, een groot geheel waarvoor ik ± 10 boeken
+»»Van alle Tijden«, een groot geheel waarvoor ik ± 10 boeken
noodig zal hebben, moet worden de verklanking en verbeelding der
menschen-geschiedenis in het ruim der eeuwen: ('k Geloof dat de stof
niet erg realistisch is.)
-»Die geschiedenis wordt gemaakt door twee elementen: het
+»Die geschiedenis wordt gemaakt door twee elementen: het
passieve--d. i. het menschengeslacht dat steeds wonderen vraagt
-maar ze niet kan doen--en het actieve, goddelijke, dat ze wèl doet,
+maar ze niet kan doen--en het actieve, goddelijke, dat ze wèl doet,
het genie. Daartusschen, overgangsvorm: het half genie, volgroeijing
van het eerste, aankondiging van het tweede element, dat het door
-bevruchting met het eerste voortbrengt...« »Ter bestudeering van
+bevruchting met het eerste voortbrengt...« »Ter bestudeering van
dit levensverschijnsel hoefde 'k niet ver van huis te gaan. Men
vindt het in Bilderdijk, Multatuli die eigenlijk niet verschillen,
-al lijkt dit een paradox...« »Niet slechts personen, ook geheele
+al lijkt dit een paradox...« »Niet slechts personen, ook geheele
tijdperken hebben een dezer drie individualiteiten. Men denke aan het
historisch verschijnsel dat alleen onrustige, zeer onrustige tijden
-eene genie voortbrengen...« »In mijn plan komen 4 deelen voor, (nà
+eene genie voortbrengen...« »In mijn plan komen 4 deelen voor, (nà
het vierde), die het volkslijden zullen behandelen. Over eenige jaren
hoop ik daaraan te beginnen. Als de natie tot rust zal zijn gekomen,
-dàn zal ik geven, zonder terughouding, het leven van le peuple...«
+dàn zal ik geven, zonder terughouding, het leven van le peuple...«
Het lijdt geen twijfel, dit nest menschen zou de kern zijn geworden
dier 4 deelen.
-De dêmoon der artisticiteit heeft de fysieke liefde voor zijn woord.
+De dêmoon der artisticiteit heeft de fysieke liefde voor zijn woord.
De lyrische dichter heeft de geestelijke liefde voor zich-zelf.
De epiek-werker heeft de geestelijke, godsliefde tot de Menschheid. Zoo
is Van Groeningen.
-Nog overgebleven papieren, een door bijna-alleen intuïtie tot in
+Nog overgebleven papieren, een door bijna-alleen intuïtie tot in
het 3e boek der Imitatio Christi tot stand gekomen benaderende
vertaling van Thomas a Kempis, kinder-versjes, opzet en voorspel
-van een tragedie »Jeanne d'Arc,« berythmeeringen van psalmen,
+van een tragedie »Jeanne d'Arc,« berythmeeringen van psalmen,
bewijzen buitenom Van Groeningen's zelf-bewustheid, aangehaald in die
-»voor-rede« voor »Van alle Tijden«, dat hij oprecht in zich zelf had
-gezien te zijn een »geestelijke«, en niet hoogmoediger dan hem paste,
+»voor-rede« voor »Van alle Tijden«, dat hij oprecht in zich zelf had
+gezien te zijn een »geestelijke«, en niet hoogmoediger dan hem paste,
zich rechtop-standig zette midden in het land als een die den strijd
zou wagen met den machtigsten moderne-epiek-werker in vruchtbaarder
klimaat, tusschen zoo fel-, maar minder zwaar- kunstvijandige menschen,
-Balzac. Want »Van alle Tijden« zou worden epos van het grauwe Holland
-in de Comédie humaine.
+Balzac. Want »Van alle Tijden« zou worden epos van het grauwe Holland
+in de Comédie humaine.
Onbewust dit zich gaan meten, waaraan ons land met dit boek en met
-»Martha de Bruin« een deel zijner toekomstige glorie dankt, onbewust
+»Martha de Bruin« een deel zijner toekomstige glorie dankt, onbewust
in Van Groeningen.
De vrijheid van zijn bevestigenden, zelf-geziene werkelijkheid in
@@ -225,10 +197,10 @@ voor zich uit keek hij en uit Van Deyssel's proza voor zich zelf wel
annexeerde hij nieuwe ontdekkingen, nieuwe methoden; maar zijn werk,
van wezen voelde hij 't: alleen, met allen-verschillend; in zijn
groote Geheelen zouden plastiek en analyse en muziek strenglijk te
-hanteeren middelen blijven tot de ideeële geschiedbeschrijving;
+hanteeren middelen blijven tot de ideeële geschiedbeschrijving;
dat deed nog geen. Ook het buitenland bleef aan zijn binnenste
-vreemd. Een Hollander uit één stuk was hij tot in zijn diepste en
-teerste vezelen. »Het Land« van Zola las hij in het Hollandsch. Zoo
+vreemd. Een Hollander uit één stuk was hij tot in zijn diepste en
+teerste vezelen. »Het Land« van Zola las hij in het Hollandsch. Zoo
is bekend dat hij in '88 met een vriend en ambtgenoot zich opmaakte
om het Fransch te leeren. Kan er zelfs sprake zijn dan van dadelijken
invloed van buitenlanders naar hem? Praktisch neen, en theoretisch
@@ -237,7 +209,7 @@ neen! Want zoo is het te voelen en te weten.
Waar het Genie leeft is invloed van anderen alleen een zaak van vorm,
het lust hem somtijds zich te kleeden in geleend gewaad, hier, daar,
nu-eens en nog-eens maar; 't is bewust, dit ook is laten met een doel
-het doen, andren te zoeken om zichzelf »van-zelf« te vinden.
+het doen, andren te zoeken om zichzelf »van-zelf« te vinden.
Maar bij Van Groeningen bovendien nog: hij wist niet-zoo-heel-lang
te zullen leven, zocht dadelijk zich-zelf alleen, zijn willen alleen,
@@ -268,7 +240,7 @@ HAAGSCHE LEEN.
I.
Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje,
-doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten
+doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten
zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining;
maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de
witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren
@@ -279,7 +251,7 @@ als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich
spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere,
dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil,
hol vertrek. 's Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de
-andere dagen vroeg uit moest. 's Winters zat ze reeds vóór half zes
+andere dagen vroeg uit moest. 's Winters zat ze reeds vóór half zes
bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten,
terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot
warmde. Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en
@@ -304,7 +276,7 @@ bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood,
boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde
en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid
waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door
-een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.
+een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.
Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half
zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en
@@ -353,160 +325,160 @@ welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.
Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der
wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen,
haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje
-een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.
+een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.
-»Wat donder.. dag--de Heer vergeve me de zonde ben jij het,
+»Wat donder.. dag--de Heer vergeve me de zonde ben jij het,
Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze
oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want
-ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«
+ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«
De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.
-»Ik dacht, dat ze vergeten en.... vergeven zouden. Mijn God, zouden
-de menschen nog strenger zijn dan God?«
+»Ik dacht, dat ze vergeten en.... vergeven zouden. Mijn God, zouden
+de menschen nog strenger zijn dan God?«
-»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige
-zaken praten.«
+»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige
+zaken praten.«
-»Een dief!«
+»Een dief!«
-»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam
-noemen. Wegnemen en stelen, 't is één moers kind.... En wat deê je
-in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«
+»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam
+noemen. Wegnemen en stelen, 't is één moers kind.... En wat deê je
+in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«
-»God Almachtig hoort me« ....
+»God Almachtig hoort me« ....
-»Gij en zult niet zweren.«
+»Gij en zult niet zweren.«
-»Ik heb honger« ... zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie
+»Ik heb honger« ... zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie
vingers laten zakken.
-»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men
+»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men
scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner
mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als
een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het
was maar de kwestie 't zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren
het niet, die riepen:
-»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar
+»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar
niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in
-de wagen doen?« »Is 't waar of niet?«
+de wagen doen?« »Is 't waar of niet?«
De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.
-»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«
+»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«
-»Viseteeren, viseteeren!«
+»Viseteeren, viseteeren!«
-De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën
+De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën
knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:
- »Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«
- »Moeder, daar leit een schutter in de goot.«
+ »Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«
+ »Moeder, daar leit een schutter in de goot.«
-Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«
+Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«
-Nu floot de man: »Turf in je ransel!«
+Nu floot de man: »Turf in je ransel!«
Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen
als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen. Hij zei maar altijd,
-»laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum
-niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij:
-»die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den
-baas wel als een god om werk willen bidden.«
+»laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum
+niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij:
+»die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den
+baas wel als een god om werk willen bidden.«
-»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.
+»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.
-»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten
-spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder
-de markt werken. Op 't laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát
-blief je?«
+»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten
+spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder
+de markt werken. Op 't laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát
+blief je?«
-»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van
+»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van
de daad.
-»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.
+»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.
-»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds
+»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds
jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker. Hij toonde zich laf,
maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken
aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.
-»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord
-wil worden? Om den bliksem niet.«
+»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord
+wil worden? Om den bliksem niet.«
Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan;
-want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.
+want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.
-»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens,
+»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens,
wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t'
-avond of te morgen opwachten en tegen zoo'n reus kan ik niet op!«
+avond of te morgen opwachten en tegen zoo'n reus kan ik niet op!«
besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.
Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.
-»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als
+»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als
ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een
-pootje helpen.«
+pootje helpen.«
-»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit,
-hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«
+»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit,
+hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«
Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en
klappertandend.
-»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man
+»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man
omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven
van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in
-den dikken mist, die in dwarlende massa's vóór de wind uiteen stoof,
-om zich dan weêr samen te pakken.
+den dikken mist, die in dwarlende massa's vóór de wind uiteen stoof,
+om zich dan weêr samen te pakken.
-»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij het Amsterdammer? En
+»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij het Amsterdammer? En
wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar
-je uitsteken!«
+je uitsteken!«
En Leen keek uitdagend rond.
-»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op,
-dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien,
+»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op,
+dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien,
zat hij er nog en iemand die 's Konings livrei heeft gedragen, gaat
niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat
-gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. 'k
-Heb een groot huishouwen.«
+gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. 'k
+Heb een groot huishouwen.«
-»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren
+»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren
bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme
donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen,
-moeten we het nemen,« merkte Leen aan.
+moeten we het nemen,« merkte Leen aan.
-»Aannemen!«
+»Aannemen!«
-»Die is secuur raak!«
+»Die is secuur raak!«
-»Hij heeft zijn bekomst!«
+»Hij heeft zijn bekomst!«
Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om
weer aan den slag te gaan.
Toch waren niet allen op de hand van Leen.
-»Wil je er je liefde van maken?«
+»Wil je er je liefde van maken?«
-»Een rijtuig halen voor de trouw?«
+»Een rijtuig halen voor de trouw?«
-»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan
-last van.«
+»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan
+last van.«
Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.
Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade
af. Hij droeg den koffieketel.
-»Een lieve geleijonker!«
+»Een lieve geleijonker!«
-»Ja, een geleijonker, zeg dat wel!« zei de »uienboer.« Het fluitje riep
+»Ja, een geleijonker, zeg dat wel!« zei de »uienboer.« Het fluitje riep
hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey's en de steekwagens
op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een
stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.
@@ -516,8 +488,8 @@ En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.
Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In
-het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken
-en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde
+het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken
+en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde
hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen
en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd
hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap
@@ -537,70 +509,70 @@ had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde:
Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de
moeder op.
-»'t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo'n lamzak!«
+»'t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo'n lamzak!«
-»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen
-als hij?«
+»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen
+als hij?«
-»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«
+»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«
De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis
teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op
de deur.
-»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!«
-»Broerling!« »Ludeman!«
+»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!«
+»Broerling!« »Ludeman!«
Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans
allen riepen:
-»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«
+»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«
Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na
-eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.
+eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.
Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou
te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging,
had er zich reeds op gespitst. 's Middags schoof ze de geplooide
ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken
alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en
-annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje
+annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje
van de kous moesten weten. Niemand in de buurt kon een vinger in de
asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.
's Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens
als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze
-op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«
+op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«
Het hoofd van dit gezin was 's morgens eerst naar de kerk geweest,
Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had
-hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg
-nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn
+hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg
+nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn
kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat
te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche
-loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«
+loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«
Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den
dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de
-onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d'r tellen te passen!«
+onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d'r tellen te passen!«
Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de
man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op
de deur van Leen en vroeg wie er smeerlappen waren. Hij was een groote
vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur
ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de
-onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.
+onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.
-»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.
+»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.
-Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riep hij: »Neen,
-verdommeling, jij bent een smeerlap!«
+Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riep hij: »Neen,
+verdommeling, jij bent een smeerlap!«
-»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op
+»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op
hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en
ging daartoe achteruit.
-»Ik ben een... toe dan: een... een!«
+»Ik ben een... toe dan: een... een!«
Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen
kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de
@@ -612,75 +584,75 @@ hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.
Daar stond hij nu.
-»En nu wil ik weten, wie er een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok
+»En nu wil ik weten, wie er een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok
hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De
-oude juffrouw vond het »ijselijk!«
+oude juffrouw vond het »ijselijk!«
-»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«
+»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«
-»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor
-uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge
+»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor
+uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge
snuiter, die zich kostelijk vermaakte.
-»Je... je... kostganger heb ik bedoeld!«
+»Je... je... kostganger heb ik bedoeld!«
-»Mijn wát?«
+»Mijn wát?«
-»Die man, die bij je t'huis is!«
+»Die man, die bij je t'huis is!«
-»Bedoel je mijn man?«
+»Bedoel je mijn man?«
-»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Je man is het niet; hij
-hokt maar met je« riep men.
+»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Je man is het niet; hij
+hokt maar met je« riep men.
Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en
-gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«
+gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«
-»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?«
+»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?«
vroeg Leen.
-»Die heb je niet.«
+»Die heb je niet.«
-»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.
+»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.
-»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.
+»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.
-»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven« (aan het adres van vrouw Vis)
-»je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi
-oud en knapjes leelijk!«
+»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven« (aan het adres van vrouw Vis)
+»je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi
+oud en knapjes leelijk!«
Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.
Allen lachten.
-»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan
-meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.
+»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan
+meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.
-De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn
-eigen« moest kijken en dat hij ook niet verkoos, dat men zich met
+De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn
+eigen« moest kijken en dat hij ook niet verkoos, dat men zich met
zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop
gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.
Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede
-familie was, maar ze had geen »puf« ruzie te maken, om dit door de
-anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest
-maar zoet!« en kuste hem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte
+familie was, maar ze had geen »puf« ruzie te maken, om dit door de
+anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest
+maar zoet!« en kuste hem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte
de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerels applaudiseerden; maar
de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes
dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende,
-dat het »meer als schandalig« was.
+dat het »meer als schandalig« was.
Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef
men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal
-boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen
+boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen
komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud
water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam,
-persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden
+persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden
eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in,
maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer
-lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap
+lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap
naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de
-bewoners der gang te bemoeien«.....
+bewoners der gang te bemoeien«.....
Als Leen uitging, sloot ze den man op.
@@ -689,12 +661,12 @@ Als Leen uitging, sloot ze den man op.
In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden
tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij
meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten
-zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes,
+zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes,
die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de
weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen
de plantjes konden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij
-maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld,
-toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs
+maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld,
+toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs
krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes
en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch,
levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe,
@@ -723,7 +695,7 @@ manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen
en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon,
want de kleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar
het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande
-liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.
+liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.
's Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. 's Morgens vroeg
maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade,
@@ -757,7 +729,7 @@ verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw
hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan
het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de
eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo'n wandeling
-den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.
+den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.
's Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in
het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef
@@ -766,12 +738,12 @@ kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen
liep hij dan langs de modderige straten naar huis.
Zijn ochtendwandeling mocht hij 's winters na laten, 's avonds ging
-hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij
+hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij
zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de
wijde wereld.
Hoewel hij alleen 's Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren,
-was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«,
+was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«,
in de week.
En 's zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums
@@ -785,8 +757,8 @@ die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig
bestaan droegen. Hij riep dan 's Hemels wraak over hen af.
Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet
-mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij
-tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich
+mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij
+tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich
werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding,
als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit
instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.
@@ -795,23 +767,23 @@ Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare
moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche
afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste
vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch
-en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield
+en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield
niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo
-lief een klap in d'r smoel.«
+lief een klap in d'r smoel.«
Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door
een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het
niet--want het kind was bang voor haar--maar als het eens gebeurde,
dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zei ze ruw:
-»Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het
+»Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het
schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet
-alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken,
+alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken,
zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong
-schijnt verloren te hebben.«
+schijnt verloren te hebben.«
Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak
kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven
-leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en
+leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en
was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij
twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der
vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op
@@ -822,7 +794,7 @@ waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter
pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd,
zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren
dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag,
-dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel
+dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel
degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig
uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing,
had hij bijzonder veel van een idioot.
@@ -831,7 +803,7 @@ had hij bijzonder veel van een idioot.
Eens op een winteravond was Leen vroeg t' huis gekomen. De man
zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van
-eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«--hoewel hij
+eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«--hoewel hij
beweerde, ze gekregen te hebben--waaruit hij eene verzameling dieren
boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar,
naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen
@@ -855,47 +827,47 @@ deden als de vader van 't dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.
Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:
-»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«
+»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«
-»Maar Leen« ...
+»Maar Leen« ...
-»Maar Leen« ... bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten
+»Maar Leen« ... bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten
praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou,
-weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«
+weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«
-»Maar Leen! je hebt gezien ...«
+»Maar Leen! je hebt gezien ...«
-»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit
-te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«
+»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit
+te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«
-»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.
+»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.
-»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop;
+»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop;
maar Leen hoorde hem niet.
-»Berg die bullen op. Denk je dat ik 's nachts nog voor jou aan 't
+»Berg die bullen op. Denk je dat ik 's nachts nog voor jou aan 't
redderen wil komen? 'k Zie je eenszoolief in ... in de bestekamer
-zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te
-drukken. »'t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten
-werken om jou aan 't vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«
+zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te
+drukken. »'t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten
+werken om jou aan 't vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«
-»Nu moet het uit zijn. Ik kan hier niet blijven!«
+»Nu moet het uit zijn. Ik kan hier niet blijven!«
-»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen
-hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede,
+»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen
+hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede,
waar zij met de kinderen sliep.
Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar
de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in
de effen zwarte schaduw der zoldering, alleen afgebroken door een
licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend
-naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij
+naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij
verkneukelde zich.
-»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man
+»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man
had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over
-het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf
-meisje worden!«
+het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf
+meisje worden!«
Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er
eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon
@@ -924,7 +896,7 @@ oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte
gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje
onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de
gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te
-blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.
+blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.
Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit
in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant
@@ -935,7 +907,7 @@ slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn,
dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.
-Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«
+Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«
@@ -957,13 +929,13 @@ vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen
bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels
van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.
-Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood
-op stelten.«
+Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood
+op stelten.«
Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten
-of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten
-dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd
-levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze
+of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten
+dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd
+levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze
wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven
en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te
dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd,
@@ -973,57 +945,57 @@ en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het
minste geld gaven. De onderwerpen, die de jongeren bezig hielden,
waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen
opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat
-alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men
+alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men
baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door
een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas
Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien
kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was,
werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei
-men van hem dat hij »bakker aan« was.
+men van hem dat hij »bakker aan« was.
Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer
onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of
legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in
het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste
-bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht
+bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht
op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op,
met een houding als de groote Mogol zelf.
Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof
-de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd
-voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met
-een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat
+de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd
+voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met
+een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat
dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman
-ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde:
+ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde:
er waren er ook, die aan een haarlok trokken of met den wijsvinger
aan hun slaap kwamen.
-Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór
+Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór
te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen,
die in vaders plaats geld kwamen beuren.
Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.
De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren
-gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de
+gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de
schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk
een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze
merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan
hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben,
kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten,
-dat er iets aan 't handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«
+dat er iets aan 't handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«
Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel
liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en
kon zijn keel wel aan den kapstok hangen--geen droppel kreeg hij
meer op krediet--dat alles was waar; doch--hij maande niet. En dat
-deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen
+deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen
Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar
had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren,
beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het
eergevoel van den een gekwetst door op beschermenden toon tot hem te
zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar
-de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.«
+de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.«
Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze
t'huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten
inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen
@@ -1082,7 +1054,7 @@ af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende
lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als
weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind,
ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het
-oord iets ruïneachtigs.
+oord iets ruïneachtigs.
Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een
gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens
@@ -1094,7 +1066,7 @@ werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld
verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt,
als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven
uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der
-traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier,
+traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier,
familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor
de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen
was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos
@@ -1104,9 +1076,9 @@ van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van
dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De
vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.--Als de
baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard,
-die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En .... hoeveel
-vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door
-somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet
+die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En .... hoeveel
+vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door
+somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet
verleiden--ik weet niet, of er ooit zoo iemand was--door de vraag
des waards bezweek.
@@ -1118,9 +1090,9 @@ laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.
Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden,
kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was
geen genade, wisten ze. En doorsnappen--daartoe bestond geen kans,
-nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond
+nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond
zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas
-Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder
+Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder
het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.
In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend
@@ -1134,15 +1106,15 @@ het de vrouw van den plakker zou zijn.
Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch
geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar
-hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd
-geen aangenomen werk!« Maar zoo'n vent, die den godganschelijken avond
-achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak
-zou kunnen worden van gebroken ruiten--»wie zal dat betalen, zoete
-lieve Gerritje« floot de waard--zoo'n vent zou de kastelein wel dood
+hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd
+geen aangenomen werk!« Maar zoo'n vent, die den godganschelijken avond
+achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak
+zou kunnen worden van gebroken ruiten--»wie zal dat betalen, zoete
+lieve Gerritje« floot de waard--zoo'n vent zou de kastelein wel dood
willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker
als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch
hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder
-handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik
+handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik
jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.--Met
dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door,
volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in
@@ -1154,25 +1126,25 @@ dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul--een
half ei is beter dan een leegen dop. Allicht had ook hij zijn rojale
buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.
-»Woon je ver weg?«
+»Woon je ver weg?«
-»Neen.«
+»Neen.«
-»Stik« dachten ze gelijktijdig.....
+»Stik« dachten ze gelijktijdig.....
-»Wou je nog een glas?«
+»Wou je nog een glas?«
-»Neen, ik heb nog!«
+»Neen, ik heb nog!«
-»Barst!« dachten ze.
+»Barst!« dachten ze.
De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige
waard begreep--hij kende het klappen van de zweep--dat zijn gast in
de rats zat.
De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het
-papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de
-zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters
+papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de
+zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters
geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon
men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd,
onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte,
@@ -1180,88 +1152,88 @@ navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.
Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik
jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde
-hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan,
-wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen
+hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan,
+wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen
hoorde haar zeggen:
-»Jan kom nu meê! 'k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn
-zoo koud.«
+»Jan kom nu meê! 'k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn
+zoo koud.«
-»Meegaan! 'k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«
+»Meegaan! 'k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«
-»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net
+»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net
als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit,
-nooit meer zou gebeuren.«
+nooit meer zou gebeuren.«
De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het
kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.
-»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind
+»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind
achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk
loopen. 'k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig,
-sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den
+sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den
nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later
zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder
-geld op zak te loopen, net als arremie. 'k Heb muizenissen genoeg!«
+geld op zak te loopen, net als arremie. 'k Heb muizenissen genoeg!«
De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem....
-»Loop naar den bliksem!«
+»Loop naar den bliksem!«
Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven
scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden,
die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.
-Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je,
-dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló,
-marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«
+Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je,
+dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló,
+marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«
De vrouw keerde zich om.
-»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu
-op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man,
-slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »'t Spijt me erg, maar je
-zult moeten wachten. 't Komt me niet gelegen!«
+»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu
+op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man,
+slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »'t Spijt me erg, maar je
+zult moeten wachten. 't Komt me niet gelegen!«
-»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor
+»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor
zoo'n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder
-op zeggen!«
+op zeggen!«
-»Nou, maak maar zoo'n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal
+»Nou, maak maar zoo'n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal
je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je
verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je,
-flikkersteen! En nu, ik ga!«
+flikkersteen! En nu, ik ga!«
-Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.
+Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.
-»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we
-leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«
+»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we
+leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«
Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de
twistenden hadden gevormd.
-»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.
+»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.
-»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?«
-wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«
+»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?«
+wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«
-»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je
-opendoen!«
+»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je
+opendoen!«
-»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,«
+»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,«
riep Jan's vrouw onder algemeene hilariteit.
-»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is
+»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is
een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen,
-als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«)
-»Zet hem onder een stolp.«
+als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«)
+»Zet hem onder een stolp.«
Onder een homerisch gelach beval Jan statig:
-»Ga heen, Jo, je past hier niet.«
+»Ga heen, Jo, je past hier niet.«
-»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het
-zeerebeenenhuis.«
+»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het
+zeerebeenenhuis.«
Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht
te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels
@@ -1270,12 +1242,12 @@ en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.
De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.
-»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!«
+»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!«
Jan antwoordde op dit ultimatum:
-»Neen, voor den donder! neen, neen!«
+»Neen, voor den donder! neen, neen!«
-»Maak plaats, jongens!« beval Leen.
+»Maak plaats, jongens!« beval Leen.
Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu
bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle
@@ -1290,16 +1262,16 @@ Zij beproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel
dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij
kokhalsde en liet los.
-»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.
+»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.
-»Neen, verdomme!«
+»Neen, verdomme!«
Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan's vrouw zich op haar
en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken
vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men
wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te
hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne
-vijandin.--Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog
+vijandin.--Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog
van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid,
onder haar.
@@ -1336,34 +1308,34 @@ succes, begaf zich op zij.
Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.
-»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader
-aan zijn haar te trekken.«
+»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader
+aan zijn haar te trekken.«
-»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«
+»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«
-»Ja, maar dat 's iets anders. Hij heeft gelijk!«
+»Ja, maar dat 's iets anders. Hij heeft gelijk!«
Lou haalde hare schouders op.
-»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? 't Is me wat moois,
-dat eene vrouw vecht. Bah!«
+»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? 't Is me wat moois,
+dat eene vrouw vecht. Bah!«
Lou zocht een ander plaatsje.
Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders
lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem
-zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«
+zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«
Maar dat gebeurde niet. Door Leen's slagen en zijne vergeefsche
-pogingen om zich aan Leen's ijzeren knieën te ontworstelen, raakte
+pogingen om zich aan Leen's ijzeren knieën te ontworstelen, raakte
hij bekaf. Zij was letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat
-sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig
-niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«
+sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig
+niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«
Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.
-»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen
-gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«
+»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen
+gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«
Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek,
die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af
@@ -1371,41 +1343,41 @@ en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.
Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te
banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem
-kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak
-plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn
+kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak
+plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn
blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen
-was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand
-agent?« antwoordde hij norsch: »In de hel!« De oude juffrouw vond
+was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand
+agent?« antwoordde hij norsch: »In de hel!« De oude juffrouw vond
dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een
-oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.«
+oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.«
Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep
-jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«
+jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«
Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van
Leen had gekregen.
-»Ja, Jan, maar.....«
+»Ja, Jan, maar.....«
-»Hier of ik spring in 't water.«
+»Hier of ik spring in 't water.«
-»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«
+»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«
-»En nu, opgerukt, marsch!«
+»En nu, opgerukt, marsch!«
En ze ging.
-»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »'t Lijkt wel eten van
-de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te
+»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »'t Lijkt wel eten van
+de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te
hoog hingen.
Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed
-hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«
+hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«
Men verspreidde zich.
Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep
ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De
-spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«
+spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«
De haven werd stil en ledig.
@@ -1420,7 +1392,7 @@ De haven werd stil en ledig.
EENE DOODE MUSCH.
-»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«
+»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«
Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen
op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen
@@ -1428,10 +1400,10 @@ telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar
er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens
weder terug.
-»Anneke, tanneke, tooverheks!«
+»Anneke, tanneke, tooverheks!«
-»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare
-kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«
+»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare
+kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«
Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis,
zoodat het sarrende deuntje ophield.
@@ -1452,47 +1424,47 @@ maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de
bewaarplaats van afbraak, aan den overkant.
Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel,
-wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur,
+wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur,
van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur
open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche
-stem: »'k Zal je leeren te zeggen: »'k doe het niet.« Pakaan!« Dit
-laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help
-buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, 'k zal het aan
-vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen,
+stem: »'k Zal je leeren te zeggen: »'k doe het niet.« Pakaan!« Dit
+laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help
+buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, 'k zal het aan
+vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen,
geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans,
-ze riep: »Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«
+ze riep: »Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«
-»'k Moet op straat.«
+»'k Moet op straat.«
-»Neen!«
+»Neen!«
-»Ja, ik moet!«
+»Ja, ik moet!«
-»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent net zoo'n drein als je
+»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent net zoo'n drein als je
vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen
-hebben!«
+hebben!«
Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap
aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde
-hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder
+hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder
gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever
te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van
haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer
stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk
-scheen aan te trekken--riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?«
+scheen aan te trekken--riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?«
Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een
sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden
kwamen. Vrouw Helms schonk vast in.
-»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist
-eens opzoeken.«
+»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist
+eens opzoeken.«
-»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef
+»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef
water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel
-voordeeliger uit, zie je!«
+voordeeliger uit, zie je!«
-»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid
-fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat
+»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid
+fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat
ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb
je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders
sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen
@@ -1501,164 +1473,164 @@ feest is bij kaartlegsters. Dan komt Heintje Pik ook. Dat 's waar,
ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten
heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want
ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d'r poot zuigen! Weet je
-wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«
+wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«
Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat
te vertrekken.
De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die
zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig
-vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik
+vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik
heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het
-zuiverste water.«
+zuiverste water.«
-De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen,
-die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje
+De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen,
+die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje
van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere
verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de
-handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met
+handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met
elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend,
balkte hij op eens:
-»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«
+»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«
-Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«
+Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«
-»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«
+»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«
En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen
en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En
in zijn kommetje turende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog
onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps
plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had
-aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel
-omgaat. Je bent ook eene mooie!«
+aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel
+omgaat. Je bent ook eene mooie!«
-»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.
+»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.
-»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag
+»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag
koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu
-zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.«
-Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat
-niets als een kipje!« balkte buurvrouws spruit aan de trap.
+zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.«
+Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat
+niets als een kipje!« balkte buurvrouws spruit aan de trap.
-»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.
+»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.
-»Ik ga paaltje springen.«
+»Ik ga paaltje springen.«
De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na
het intermezzo zegt ze:
-»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«
+»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«
-»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.
+»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.
-»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den
+»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den
nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een
week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal
je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd
-want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is 't waar of niet?«
+want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is 't waar of niet?«
Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd:
-»Piet Bartelsz.«
+»Piet Bartelsz.«
-»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar
-boven, vader!«
+»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar
+boven, vader!«
-»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,«
+»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,«
mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen.
-Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer
+Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer
in en zei:
-»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw,
-de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«
+»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw,
+de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«
-»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«
+»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«
-»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je
+»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je
weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk
-rijk. Hij bulkt van het geld.«
+rijk. Hij bulkt van het geld.«
-»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.
+»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.
-»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn
-leven. Een mooi vak, een best vak!«
+»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn
+leven. Een mooi vak, een best vak!«
-»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd
+»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd
baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger.... Vet zal het
-je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den
+je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den
man aan met een kritischen blik.
-»Wie is die brombeer?«
+»Wie is die brombeer?«
-»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.
+»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.
-»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je
-er af. Mijn principaal«....
+»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je
+er af. Mijn principaal«....
-»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er
+»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er
afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze
-móeten me uitstel geven: het is winterdag. Anders zullen ze me het
+móeten me uitstel geven: het is winterdag. Anders zullen ze me het
huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle
weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al
-een vette acht gulden!«
+een vette acht gulden!«
-»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.
+»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.
-»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.
+»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.
-»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je
-neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«
+»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je
+neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«
-»Bloedzuiger,« bromde oom.
+»Bloedzuiger,« bromde oom.
Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat.
-»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man
+»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man
en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van
-de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«
+de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«
-»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is
-goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,«
+»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is
+goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,«
zei vrouw Helms.
-»Ja, bij ons arme donders.... Binnen!«
+»Ja, bij ons arme donders.... Binnen!«
-»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan
-rammelen.... Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen,
+»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan
+rammelen.... Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen,
die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het
jongetje keek tersluiks naar den vreemden man.
-»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van
+»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van
afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar
maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden
week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. 't Was een gloeiend
schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op een steenen vloer
rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me
voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je
-vader en je moeder je aan 't werk zetten.«
+vader en je moeder je aan 't werk zetten.«
-»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.
+»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.
-»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik
+»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik
vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden
-van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«
+van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«
-De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.
+De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.
-Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!«
+Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!«
Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het
-knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik
-ze het inpeperen!«
+knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik
+ze het inpeperen!«
Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op
-en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«
+en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«
-»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk
+»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk
zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo
zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei:
Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed
-om te halen.«
+om te halen.«
Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen.
@@ -1681,25 +1653,25 @@ openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de
natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen
de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar
worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien
-voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu
-daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die
+voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu
+daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die
sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. 't Is
-een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.
+een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.
-»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt
+»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt
hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft
ze rijksdaalders in d'r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik
het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden
van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij en een ander
de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt 's Zondags maar op laarsjes
met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad,
-stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer
+stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer
op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere
de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene
gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen
-zitten »te stikken van 't lachen.«
+zitten »te stikken van 't lachen.«
-»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d'r aan
+»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d'r aan
komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer
op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik
naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. 't
@@ -1715,48 +1687,48 @@ nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men
heeft. 's Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik
ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje
naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan
-'s Maandags weêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast
+'s Maandags weêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast
noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen,
ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo
denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje
-van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een
-tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide,
+van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een
+tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide,
weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze
-hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al
+hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al
origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je
dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer
ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! 'k
-Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«
+Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«
-»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.
+»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.
-»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze
+»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze
kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat
van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen,
-heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«
+heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«
-»Maar je zei:....«
+»Maar je zei:....«
-»Ja, 't is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg
+»Ja, 't is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg
Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je
dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze
en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een
kleine jongen. In 't voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd,
-over één oog heen. O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je
+over één oog heen. O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je
moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren
geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon
armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders
op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de
-mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d'r slasmoel, »d'r is
-iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging
+mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d'r slasmoel, »d'r is
+iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging
naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje
aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte
-er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«
+er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«
-»Gisteravond was ze ook al op den snor.«
+»Gisteravond was ze ook al op den snor.«
-»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me
-halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef
+»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me
+halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef
heel bedaard zitten. Wat kan 't mij schelen? Maak je maar niet dik,
dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica,
er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en
@@ -1764,9 +1736,9 @@ met d'r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman
maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg
legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze
had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel
-wegkijken. En mensch«.... (spreekster slaat de handen in elkaar en
-zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie)
-»als je dat gezien had. In een oogenblik had ze haast al d'r meubelen
+wegkijken. En mensch«.... (spreekster slaat de handen in elkaar en
+zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie)
+»als je dat gezien had. In een oogenblik had ze haast al d'r meubelen
weggestopt, tot d'r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg,
gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder
die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus
@@ -1779,25 +1751,25 @@ middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven
en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d'r
oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want
hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is 't
-niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »'t wordt tóch gegeven,
-of ik of een ander 't inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,«
-zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf
-onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat 't zoo onrechtvaardig
+niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »'t wordt tóch gegeven,
+of ik of een ander 't inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,«
+zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf
+onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat 't zoo onrechtvaardig
gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op,
dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar
een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze
-naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te
+naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te
weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van
's nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden
dag geen draad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen
de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij
zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen,
-men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard,
+men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard,
we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar
-huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet
+huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet
zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een
-wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »'k Heb geld
-genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in 't
+wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »'k Heb geld
+genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in 't
zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een
armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te
gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had
@@ -1807,26 +1779,26 @@ de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat
het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen;
maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig
spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek
-kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar
-van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een
+kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar
+van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een
boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik
was aan 't kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig
verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar op mijn hoofd aan den
armenbezoeker dacht. Als 't niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen
-gezond uur meer heb«.... Zoover was ze gevorderd, toen het kleine
+gezond uur meer heb«.... Zoover was ze gevorderd, toen het kleine
hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje,
maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien
gulden onkosten op gevallen.
-Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om
+Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om
aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken,
-dat is gauw klaar!«
+dat is gauw klaar!«
De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets
-woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of
+woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of
het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik
zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar
-een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op 's mans
+een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op 's mans
demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend
heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms
zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk
@@ -1847,7 +1819,7 @@ Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit
in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die
in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen
waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam
-in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen
+in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen
groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd
aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht
bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle
@@ -1858,7 +1830,7 @@ van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele
groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa
op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog
een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst
-door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen,
+door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen,
zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De
dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil.
@@ -1872,28 +1844,28 @@ Het westen had nu een kleur als messing.....
Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt
-gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan
+gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan
zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te
gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman
van zijn ambacht.
-Onder het genot van nog een kopje--het was nu »grondsop voor de
-goddeloozen,« zei de gastvrouw--hervatte ze na een lange inleiding
+Onder het genot van nog een kopje--het was nu »grondsop voor de
+goddeloozen,« zei de gastvrouw--hervatte ze na een lange inleiding
haar verhaal.
-»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar
+»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar
de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de
armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had:
-»Nu, nu, 't zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,«
+»Nu, nu, 't zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,«
of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo
-rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout
-is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute
+rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout
+is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute
schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje
tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho
maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel
-aardig. Eerst zei hij: »Ja, ja, we kennen dat. Zeker een weduwvrouw,
-hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,«
-zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen
+aardig. Eerst zei hij: »Ja, ja, we kennen dat. Zeker een weduwvrouw,
+hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,«
+zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen
zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor
niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder
was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan
@@ -1904,9 +1876,9 @@ hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op
hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij
hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart
gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het
-nog geen doodwond. 't Kan beter van een stad dan van een dorp.«
+nog geen doodwond. 't Kan beter van een stad dan van een dorp.«
-»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar
+»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar
gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde
niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze
een broertje dood.
@@ -1917,11 +1889,11 @@ Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had
geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen
door het gordijntje te zitten koekeloeren.
-»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het
-komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met
+»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het
+komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met
een prijsje uit de loterij kwam. Hein zou er met zijn doode vingers
afblijven, dat geef ik je op een briefje. 'k Zou wel zalig oppassen,
-dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«
+dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«
En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel
afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der
@@ -1929,101 +1901,101 @@ buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur;
zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje
thee naast zich en haar kat aan haar voeten......
-»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze
+»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze
mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der
-leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D'r is niemand
-op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »'t Ga je goed, hoor!«
+leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D'r is niemand
+op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »'t Ga je goed, hoor!«
-»Wat zou er nu aan 't handje zijn?« mompelde Neel.
+»Wat zou er nu aan 't handje zijn?« mompelde Neel.
-»Open, of ik trap de deur in.«
+»Open, of ik trap de deur in.«
-»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«
+»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«
-»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.
+»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.
-»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:
+»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:
- »Atju we moeten, elkander groeten.«
+ »Atju we moeten, elkander groeten.«
Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet.
Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan,
-als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de
-kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!«
+als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de
+kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!«
Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok
onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op
zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen.
-»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men
+»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men
op het portaal.
-»We hebben hem verleid.«
+»We hebben hem verleid.«
-En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders«
+En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders«
de trap af.
-»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de
-dampen aan!«
+»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de
+dampen aan!«
Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het
-ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen
-de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten:
-de honderdduizend is op ons lot gevallen.«
+ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen
+de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten:
+de honderdduizend is op ons lot gevallen.«
-»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.«
+»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.«
Haar gelaat klaarde wat op.
-»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende:
-»Zeker en zeker is twee. Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader
-zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.«
+»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende:
+»Zeker en zeker is twee. Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader
+zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.«
En toch heb ik hem zelf naar 't kerkhof gebracht en ik heb zelf de
-briefjes gezien waarop stond: »Rust in 't Putje.« Maar je ziet zooveel
-gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«
+briefjes gezien waarop stond: »Rust in 't Putje.« Maar je ziet zooveel
+gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«
-»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je
-het zeker van het lot?«
+»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je
+het zeker van het lot?«
-»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen
+»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen
en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand:
-»Ik heb er nog al hoop op!.... Nu zullen we het er van nemen!«
+»Ik heb er nog al hoop op!.... Nu zullen we het er van nemen!«
-»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld
-gekocht!«
+»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld
+gekocht!«
-»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, 'k Zou me
-schamen om er over te spreken.«
+»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, 'k Zou me
+schamen om er over te spreken.«
-»Je schaamt je niet om er van te vreten.«
+»Je schaamt je niet om er van te vreten.«
-»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin
-volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«
+»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin
+volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«
-»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden,
-maar dat is ook op en al.«
+»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden,
+maar dat is ook op en al.«
Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij
vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding
wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij
een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan
-»de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.
+»de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.
-»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij:
-»D'r moest wat op vallen. Vier staarten, heb je 't ooit mooier gezien?«
+»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij:
+»D'r moest wat op vallen. Vier staarten, heb je 't ooit mooier gezien?«
Hij begon te deklameren:
-»'t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«
+»'t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«
-»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen
+»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen
varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin
van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken.
-»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo'n verrekt blad, die je altijd
+»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo'n verrekt blad, die je altijd
voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat
-geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op
-z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een
+geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op
+z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een
brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haar schotel
met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat
het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande
@@ -2043,101 +2015,101 @@ tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten
varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen
een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden
tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te
-vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij
+vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij
beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been
drong. Doodsangst lag op zijn gelaat.
-»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de
-gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den
+»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de
+gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den
staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn
-hart te kunnen ophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden
+hart te kunnen ophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden
komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in
-'t vat ligt, dat en zuurt niet.«
+'t vat ligt, dat en zuurt niet.«
Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie.
De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was
-onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«
+onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«
-»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt,
-doe ik het jullie.«
+»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt,
+doe ik het jullie.«
-»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.
+»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.
-»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.
+»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.
-»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie
-meêgegeten, toen ik klein was?«
+»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie
+meêgegeten, toen ik klein was?«
-»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.
+»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.
-»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«
+»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«
-»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?«
+»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?«
zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader
op zee voer.
Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat;
maar hij zei:
-»Vergeten? Het is daarom dat ik je dit bezoek breng.«
+»Vergeten? Het is daarom dat ik je dit bezoek breng.«
-»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel
-nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene
+»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel
+nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene
erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van
daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop
-te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkige beeldspraak. »Maar
+te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkige beeldspraak. »Maar
veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht,
om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je
-zult zien!«
+zult zien!«
-»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel
+»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel
keek hem leelijk aan.
-»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht
+»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht
ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit,
versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik
een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven,
-je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«
+je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«
-»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje
-doe je heel wat!« meende Helms.
+»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje
+doe je heel wat!« meende Helms.
Neel knikte ontkennend.
-»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je
+»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je
archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor
je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek
voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt
-al je levensdagen in een gangetje gewoond«....
+al je levensdagen in een gangetje gewoond«....
-»Hohó!«
+»Hohó!«
-»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c'est egal, zegt de
+»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c'est egal, zegt de
Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet
laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter
-niet.... niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar
+niet.... niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar
zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooit
sprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus
belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven,
laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb
ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef
-elk een kleinigheid«....
+elk een kleinigheid«....
-»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.
+»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.
-»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn
+»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn
zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening,
-vóór ik je het geld op deze zelfde tafel--of bij mij aan huis--kan
-uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van
+vóór ik je het geld op deze zelfde tafel--of bij mij aan huis--kan
+uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van
verlichting: ze was als gebiologeerd geweest.
-»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.«
+»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.«
Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins
haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat
-neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te
+neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te
gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat
-hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en
+hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en
hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets
uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand.
@@ -2145,99 +2117,99 @@ Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd.
-Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch
+Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch
zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was
toch maar eerst gewoon bosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo
-wat en nu woont hij in een villa!«
+wat en nu woont hij in een villa!«
-»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer
-krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«
+»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer
+krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«
-»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«
+»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«
-»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont
+»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont
eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij
slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en
-koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«
+koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«
-»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«
+»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«
-»Ja! en?«....
+»Ja! en?«....
-»Maar dan moeten ze toch maar niet op d'r gemak zijn. Ik ga maar bij me
-zelven na: 'k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«
+»Maar dan moeten ze toch maar niet op d'r gemak zijn. Ik ga maar bij me
+zelven na: 'k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«
-»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein
-gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme
+»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein
+gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme
lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die
-gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t'huis zijn.«
+gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t'huis zijn.«
-»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende... Weet je, waar ik
+»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende... Weet je, waar ik
over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo
-rijk als Kresus.«
+rijk als Kresus.«
-»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«
+»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«
-»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«
+»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«
-»Ja.«
+»Ja.«
-»Heeft ze kinderen?«
+»Heeft ze kinderen?«
-»Niets als een meid en een kat, kind noch kraai. Ja, erven doen
+»Niets als een meid en een kat, kind noch kraai. Ja, erven doen
we vast of.... ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d'r graf
-meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was,
-want je bent nu tusschen hangen en worgen.«
+meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was,
+want je bent nu tusschen hangen en worgen.«
-»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog
-wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.
+»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog
+wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.
-»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De
+»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De
aardappelen werden geteld. D'r man zaliger had geen lor in te brengen,
-hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zou mij moeten overkomen,«
-(zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht
+hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zou mij moeten overkomen,«
+(zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht
voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d'r
man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te
doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk,
-zei ze. Bocht kon ze niet velen.«
+zei ze. Bocht kon ze niet velen.«
-»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«
+»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«
-»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. 'k Zal straks
-eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«
+»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. 'k Zal straks
+eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«
-»Een kwartje?«
+»Een kwartje?«
-»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.
+»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.
-»Nou, omdat het zoo'n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«
+»Nou, omdat het zoo'n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«
Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met
koffie en vertrok.
-»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.
+»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.
-»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.
+»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.
-»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze
+»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze
deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken
vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte,
om eens een kijkje in dat hok te nemen.
-Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?«
+Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?«
-»Neen, alleen wat brood met kaas!«
+»Neen, alleen wat brood met kaas!«
-»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk
+»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk
aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een
paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken
-gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«
+gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«
-»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.
+»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.
-De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De
+De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De
raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar
dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk
van het dier.
@@ -2274,150 +2246,150 @@ zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm.
De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende
kachel.
-»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur
-wel gesloten.«
+»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur
+wel gesloten.«
-»Zou je denken?«
+»Zou je denken?«
-»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als
+»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als
een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou,
het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die
-kachel eens: de mijne is er heilig bij.«
+kachel eens: de mijne is er heilig bij.«
-»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«
+»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«
-»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen
-niet om te halen, wel?«
+»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen
+niet om te halen, wel?«
Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen
-neerliet en de lamp opstak, zei ze: »'k Zal de lamp maar opsteken,
+neerliet en de lamp opstak, zei ze: »'k Zal de lamp maar opsteken,
al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat
-ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de
-hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de
+ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de
+hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de
in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend:
-»Wat kom jullie doen?«
+»Wat kom jullie doen?«
-»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement
-wat brengen. Heb je iets warms?«
+»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement
+wat brengen. Heb je iets warms?«
-»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«
+»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«
-»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is 't niet stief,
+»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is 't niet stief,
het is warm in 't lief. Ik houd anders wel van iets hartigs. Als
-'k zei, dat 't niet waar was, zou 'k liegen.« Ze slurpten langzaam
+'k zei, dat 't niet waar was, zou 'k liegen.« Ze slurpten langzaam
haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met
de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam:
-»Je weet, dat je moeder van d'r eerste man Halen heette. 't Was
+»Je weet, dat je moeder van d'r eerste man Halen heette. 't Was
een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen--Kalen;
want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor
aardappelenbak.--Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man,
een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen
-tegen«.... »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,«
-zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je
-zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.«
-»Toch was hij neef.«
+tegen«.... »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,«
+zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je
+zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.«
+»Toch was hij neef.«
-»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«
+»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«
-»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en
+»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en
met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat
niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan
ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn
gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit
-nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één
+nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één
moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog
wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen
hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijn beroerde
klauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele
-konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig
-gulden en«.... »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het
-adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is God geklaagd: we zijn
+konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig
+gulden en«.... »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het
+adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is God geklaagd: we zijn
rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou
-nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het
-zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«
+nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het
+zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«
-»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo
-iets«.... »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd
-mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«
+»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo
+iets«.... »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd
+mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«
-»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.
+»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.
-»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«....
+»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«....
Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd:
-»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht
+»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht
van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar
buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben.
Men besloot, de kwestie open te laten.
-»Nou dan, zoo'n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule
-voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«
+»Nou dan, zoo'n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule
+voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«
-»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als
+»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als
iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de
Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht
is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. 't Zou al casueel zijn,
als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest op
-audiëntie«.... »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen
-en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«
+audiëntie«.... »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen
+en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«
-»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar..... daar hoor ik Hein.«
+»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar..... daar hoor ik Hein.«
-»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die
-is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we
-later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende
+»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die
+is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we
+later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende
handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet:
-Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat
+Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat
ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze
over een erfenis kwam malen.
-»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte
-Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet
-groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier,
-ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij
-was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met
-zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.«
-Boven gekomen, riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«
+»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte
+Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet
+groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier,
+ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij
+was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met
+zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.«
+Boven gekomen, riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«
-»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.
+»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.
-»Dronken? 'k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja.... één
-borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.
+»Dronken? 'k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja.... één
+borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.
-»Eens in je leven? Wel, wel?«
+»Eens in je leven? Wel, wel?«
-»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«
+»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«
-»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«
+»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«
-»Van Piehiet? Je bent stapel. Heb ik dat gezegd? Dat kan ik niet gezegd
+»Van Piehiet? Je bent stapel. Heb ik dat gezegd? Dat kan ik niet gezegd
hebben, want het is niet waar. Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw
-wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde.... de dwarsdrijver! En
-nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.
+wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde.... de dwarsdrijver! En
+nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.
-»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo'n verrot end. En dat zit nog
-met zijn sliksporen op mijn sporten.«
+»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo'n verrot end. En dat zit nog
+met zijn sliksporen op mijn sporten.«
-»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. 'k Heb
+»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. 'k Heb
kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je
hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van
-tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«
+tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«
-»Wat is er van het prijsje?«
+»Wat is er van het prijsje?«
-»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is
+»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is
een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor
van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige
-streek. Wat scheelt je oude?«
+streek. Wat scheelt je oude?«
-»Wat zeg je daar? Is er niets«....
+»Wat zeg je daar? Is er niets«....
-»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We
-hebben pret genoeg gehad. Ik ben«....
+»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We
+hebben pret genoeg gehad. Ik ben«....
-»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.
+»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.
@@ -2454,7 +2426,7 @@ man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd,
en die op een vuilniskar reed, bracht 's morgens de theestoven weg,
terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. 's Avonds zat
hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z'n vrouw bij
-het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een
+het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een
stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met
deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok
hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar
@@ -2462,23 +2434,23 @@ leunende tegen den grooten, zwarten doofpot.
Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk.
-»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.
+»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.
-»In godsnaam, d'r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor! Ik
+»In godsnaam, d'r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor! Ik
zou je danken! Dan krijg je zoo'n verrekt briefje op je deur en je
klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en
-'t is hier toch al niet opgeschept!«
+'t is hier toch al niet opgeschept!«
-»Enfin, we zullen afwachten!«
+»Enfin, we zullen afwachten!«
-»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter
-komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«
+»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter
+komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«
Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgende dagen telkens
in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg
-het op, om het wat »op te monteren.« »'t Was altijd zoo'n oud ventje,
+het op, om het wat »op te monteren.« »'t Was altijd zoo'n oud ventje,
maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest
-wat op 't plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door
+wat op 't plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door
hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig
lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude
valwinden, die op z'n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur
@@ -2489,23 +2461,23 @@ Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon
niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit
bed wou nemen.
-»Daar heb je 't gedonder, zie je wel?«
+»Daar heb je 't gedonder, zie je wel?«
-»'k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar 'n dokter komt hier
+»'k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar 'n dokter komt hier
niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een
jankende vent, 't is wat lekkers! Meteen zal 'k een bedje in de
keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we
-worden bekend als de bonte hond.«
+worden bekend als de bonte hond.«
-»Ik heb er 'n zwaar hoofd in, anders zeg 'k niets.«
+»Ik heb er 'n zwaar hoofd in, anders zeg 'k niets.«
-»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, 't is ook wat! En 't
+»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, 't is ook wat! En 't
is maar 'n kind. Erger zou 't zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan
-liep de heele boel in 't honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er
-meê optrekken doe 'k niet. 'k Mot den heelen dag genoeg vort met
-m'n donder!«
+liep de heele boel in 't honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er
+meê optrekken doe 'k niet. 'k Mot den heelen dag genoeg vort met
+m'n donder!«
-»Ik zal wel waken, als 't noodig is.«
+»Ik zal wel waken, als 't noodig is.«
Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op
drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun
@@ -2514,7 +2486,7 @@ turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts,
naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De
wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen
in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke
-gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, 'k ben zoo bang!«
+gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, 'k ben zoo bang!«
Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de
doffe trillingen sneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees
@@ -2538,18 +2510,18 @@ beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend.
Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes
in de zijne.
-»M'n lief, arm ventje. M'n lief, arm ventje.«
+»M'n lief, arm ventje. M'n lief, arm ventje.«
De derde dag, 's Zaterdagsavonds, zei de man:
-»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m'n hart me in de keel.« Hij
+»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m'n hart me in de keel.« Hij
liet z'n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig
dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te
maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z'n bezige
handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z'n versuft brein. Hij
gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde
hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van
-ingehouden tranen zeggend: »M'n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet
+ingehouden tranen zeggend: »M'n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet
meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z'n handen.
Tot z'n verwondering spoorde z'n vrouw hem aan, om een dokter te
@@ -2559,19 +2531,19 @@ niets van in, meende ze.
De geneesheer voer hevig uit.
-»'t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie
-ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«
+»'t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie
+ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«
-»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen
-op veere bedde kunne legge. Weet u wát een schandaal is? Dat we met
+»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen
+op veere bedde kunne legge. Weet u wát een schandaal is? Dat we met
al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan
-weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.
+weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.
De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z'n pet in de
handen rond.
-»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er
-toch op de wereld.«
+»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er
+toch op de wereld.«
Toen hij weg was, ging de vrouw op 'n vreeselijke manier te keer. Ze
vervloekte hemel en aarde. 't Briefje, dat op de deurpost geplakt werd,
@@ -2579,7 +2551,7 @@ scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam
kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had
wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een
besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel,
-het er weêr af te scheuren.
+het er weêr af te scheuren.
Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen
dag met den tang rond zich te slaan, leelijk vloekend. In het
@@ -2588,18 +2560,18 @@ besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar
nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar
lijden, dat 't gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets
als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal
-moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar,
+moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar,
zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren.
-Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »'t Is dood!«
+Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »'t Is dood!«
-»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? 't Hangt
-me de keel uit.«
+»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? 't Hangt
+me de keel uit.«
De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord,
-dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«
+dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«
-»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat
+»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat
af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in
z'n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van
gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den
@@ -2609,27 +2581,27 @@ vervelen en daarom had hij 't maar kapot gemaakt. En hij balde de
vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en
allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen.
-Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren
+Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren
en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt.
De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich
-pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had
-kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«
+pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had
+kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«
Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek
van twee vrouwen had gehoord. 's Dokters naam was genoemd:
-»Die? 't Is 'n knap man, daar zal 'k niks van zegge, maar van pokke
+»Die? 't Is 'n knap man, daar zal 'k niks van zegge, maar van pokke
heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal,
-allemaal! Maar 't is 'n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een
-voor, die de rijke niet hebbe wille.«
+allemaal! Maar 't is 'n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een
+voor, die de rijke niet hebbe wille.«
-»Zoo is 't,« juichte de man in z'n binnenst. »De armen motten er onder,
-wat dondert het, of er 'n paar krepeeren? Er zijn er genog.«
+»Zoo is 't,« juichte de man in z'n binnenst. »De armen motten er onder,
+wat dondert het, of er 'n paar krepeeren? Er zijn er genog.«
Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een
-enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders
-motten er an.« En hij vloekte ruw.
+enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders
+motten er an.« En hij vloekte ruw.
Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich
den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij
@@ -2640,34 +2612,34 @@ waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er 'n opening in
gemaakt, die 'n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde,
langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij
zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de
-rechtbank, zóó, dat ieder 't goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij
-zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We
+rechtbank, zóó, dat ieder 't goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij
+zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We
willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons
-niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z'n bed,
+niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z'n bed,
trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist
hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig.
-»De pokstof in m'n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat
-hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja,
+»De pokstof in m'n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat
+hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja,
dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te
werken. 't Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had
-ingezien. Bah!«
+ingezien. Bah!«
Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. 's
Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat 't
kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken,
present te zijn.
-»Vooruit ezel! werk! werk!«
+»Vooruit ezel! werk! werk!«
Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z'n
-eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.
+eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.
In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde
-giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den
-voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En
+giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den
+voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En
zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d'r eigen
-vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«
+vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«
Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de
arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen
@@ -2675,52 +2647,52 @@ op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen,
dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het
hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen
en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde
-hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep
+hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep
hier. Als 'k nou mijn kind eens wou opzoeken, zou 'k niet eens weten,
waar 'k 't kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal
verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor
menschen op de wereld. Bah! Allemaal in 'n put en 'n zwaren steen er
-op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«
+op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«
Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel
lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het
werktuig om zich.
-»'n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel
+»'n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel
de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de
eer, den overledene bewezen en ze gingen terug.
Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden
-zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.
+zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.
-»Neen.«
+»Neen.«
-De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en
-neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i,
-op den bok. Heb je ooit?«
+De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en
+neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i,
+op den bok. Heb je ooit?«
Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar
-woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.
+woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.
Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed.
's Morgens ging hij naar z'n werk, ontevreden en knorrig.
Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteur met
-'n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles
+'n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles
aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken,
kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een
paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek....
-»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een
-nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van 'n broek.«
+»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een
+nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van 'n broek.«
-»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als 'n nieuwe. Als die weg is,
-motten we 'n nieuwe koopen.«
+»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als 'n nieuwe. Als die weg is,
+motten we 'n nieuwe koopen.«
-De taxatie viel nog al meê. Wat kon 't haar schelen, dat de inspekteur
-iets mompelde van: »Lamme lui, die 't onderste uit de kan willen
-hebben?« Het geld is er immers voor?
+De taxatie viel nog al meê. Wat kon 't haar schelen, dat de inspekteur
+iets mompelde van: »Lamme lui, die 't onderste uit de kan willen
+hebben?« Het geld is er immers voor?
Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen
de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd.
@@ -2739,17 +2711,17 @@ jenever, vuile tabak, carbol en chloor.
Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven
hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van
-een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken
+een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken
zou krijgen.
-»Toen z'n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen
+»Toen z'n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen
't kind dood was en 't huis geredderd was, kwam hij weer naar z'n
vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd
aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem
zien. 'n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou 't niet gebeurd
-zijn,« meenden de mannen.
+zijn,« meenden de mannen.
-»Wierook, wierook!«
+»Wierook, wierook!«
Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed 'n paar stukken in 'n
test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt
@@ -2764,9 +2736,9 @@ over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart
naar toe vlogen, als opgezogen.
Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de
-borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch 't kwam haar vóor, dat
+borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch 't kwam haar vóor, dat
daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had
-samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar te
+samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar te
omwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op 'n stoel en hield de
test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of
wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van 't hoesten en was als bezeten
@@ -2788,7 +2760,7 @@ EEN SCHAFTUUR.
De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen,
toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een
-herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten
+herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten
dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap
was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas,
die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te
@@ -2800,18 +2772,18 @@ verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje
brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie,
in een doek gewikkeld.
-»Zeg, Leentje, ik wou, dat ik het brood mocht dragen.« Het meisje
+»Zeg, Leentje, ik wou, dat ik het brood mocht dragen.« Het meisje
keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan.
-»Waarom?«
+»Waarom?«
-»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van
-die lekkere diepe!«
+»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van
+die lekkere diepe!«
-»Nou, als je wilt« ... Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door
+»Nou, als je wilt« ... Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door
zelfzucht laten leiden:
-»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte
+»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte
ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans
had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze
met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken.
@@ -2820,9 +2792,9 @@ De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De
enkele parapluie's dreven snel over de straat en ook de lieden zonder
regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de
gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast
-elkaar. Ze hadden sinds 's morgens niet gegeten. »Het laatste stuk
+elkaar. Ze hadden sinds 's morgens niet gegeten. »Het laatste stuk
brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet,
-mochten ze 't opeten« was hun zuchtend gezegd.
+mochten ze 't opeten« was hun zuchtend gezegd.
Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte
en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en
@@ -2843,7 +2815,7 @@ Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader
werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij
pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen,
dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood
-en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden
+en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden
was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje,
zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op
planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van
@@ -2855,16 +2827,16 @@ negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet.
Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand
boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had
het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing
-om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige,
+om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige,
vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou
kunnen worden.
-»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten. Of je vader honger
-lijdt kan je niet.... Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is
+»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten. Of je vader honger
+lijdt kan je niet.... Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is
toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al
-het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid,
+het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid,
en de borst van den jongen piepte en knerpte.--De man ging hun met
-vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek,
+vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek,
het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling
op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien,
die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij
@@ -2873,96 +2845,96 @@ verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis
hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen
door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven
stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg
-tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond
+tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond
eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en
roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk
-heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de
+heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de
machines, dan op de kombuis.
De vader had onderwijl plaats genomen.
-»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen
+»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen
toon en met een blomzoet lachje.
Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid.
-»De jongeheer schijnt boos te zijn.«
+»De jongeheer schijnt boos te zijn.«
-»Dát moest er waarachtig nog bij komen. Ik heb reden«....
+»Dát moest er waarachtig nog bij komen. Ik heb reden«....
-»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«
+»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«
-»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit
+»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit
en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun
-duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er
+duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er
zenuwachtig van.
-»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare
+»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare
scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt
pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij
-met Jan Rap en zijn maat«....
+met Jan Rap en zijn maat«....
-»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.
+»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.
-»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«
+»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«
-»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude
+»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude
drukte van belang, net als de burgemeester van 't afgebrande dorp. Ik
kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op
-zijn zang!«..
+zijn zang!«..
-»Nu ja, maar ik doe als de vader van 't dolhuis: Ik stoor me aan
-geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en 'k denk ondertusschen:
-»'k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen
-aangenomen werk!«
+»Nu ja, maar ik doe als de vader van 't dolhuis: Ik stoor me aan
+geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en 'k denk ondertusschen:
+»'k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen
+aangenomen werk!«
-»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek
-benul.«....
+»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek
+benul.«....
-»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee
-maal twee.«
+»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee
+maal twee.«
-»Haha! daar heb je ze, die 't Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in
-de steel.«
+»Haha! daar heb je ze, die 't Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in
+de steel.«
En de mannen lachten.
-»En dat is nog al van 't hondje gebeten.
+»En dat is nog al van 't hondje gebeten.
-»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de
-zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«
+»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de
+zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«
-»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet
+»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet
weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de
weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet
-koestem is, dan.... dan weet ik het niet.«
+koestem is, dan.... dan weet ik het niet.«
-»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«
+»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«
-»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt
+»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt
hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de
schuld... Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. 't Is makkelijk
genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken,
-en 's Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«
+en 's Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«
-»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.
+»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.
Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak
gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een
groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald,
-volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van
-het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de
-boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een
-vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn
+volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van
+het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de
+boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een
+vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn
lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten
en stooten.
-»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig
-gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.
+»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig
+gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.
Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen
-verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo'n schop
-zouden wij een dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur
+verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo'n schop
+zouden wij een dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur
wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op
het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden,
inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel
@@ -2974,101 +2946,101 @@ zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene
vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen
mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was--ze had een
lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat
-is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een
-woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan
+is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een
+woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan
het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig
glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar
spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht.
-De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero
-Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde
+De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero
+Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde
de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef
voor de kombuis staan. Dadelijk werd voor hem ingeschoven. Ze zaten
nu schouder aan schouder, elboog aan elboog.
-»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de
+»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de
deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te
-toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen«
-zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater
-in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen:
+toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen«
+zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater
+in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen:
de keel was haar als toegesnoerd.
De boterhammen waren op een na verdwenen.
-»Dáár, eet jullie 'm maar op, holle Gijzen.«
+»Dáár, eet jullie 'm maar op, holle Gijzen.«
-»Ik lust niet« zei Leentje.
+»Ik lust niet« zei Leentje.
-»Hier Frans!«
+»Hier Frans!«
-»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«
+»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«
-Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk
-in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en
+Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk
+in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en
hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet
toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans
haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik.
-»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed
-als vreemden.«
+»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed
+als vreemden.«
Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak
slaag. Elk woord was een vloek.
-»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo
-geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten,
+»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo
+geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten,
dat de nagels in het vleesch drongen.
-»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij op de steenkolen
+»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij op de steenkolen
geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop
vuur weg.
-Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »'k Zal
-je leeren, op den poot te spelen.«
+Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »'k Zal
+je leeren, op den poot te spelen.«
-Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij
-dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van
+Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij
+dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van
machtelooze woede.
-»Zoo'n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«
+»Zoo'n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«
-»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit,
-dat beroerde koppen.«
+»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit,
+dat beroerde koppen.«
Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg
had gehad.
-»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze
-was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.
+»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze
+was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.
-Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart
-fleschje. »Medicijnen« lachte hij. Leentje keek toe. Ze zag den
+Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart
+fleschje. »Medicijnen« lachte hij. Leentje keek toe. Ze zag den
stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De
steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel
en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne
beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze
van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een
-gedienstig lachje: »'t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen
-kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.«
-En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te
-pas, als je kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte
-de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de
+gedienstig lachje: »'t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen
+kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.«
+En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te
+pas, als je kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte
+de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de
Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak,
-Hottentot! Maar allà, wat kan 't mij schelen. Ze zullen den negenden
-dag wel boven water komen. 't Is tuig van Laban!«
+Hottentot! Maar allà, wat kan 't mij schelen. Ze zullen den negenden
+dag wel boven water komen. 't Is tuig van Laban!«
De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te
-zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al
-volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken
-aan: »o vader, o vader, kom t'huis.«
+zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al
+volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken
+aan: »o vader, o vader, kom t'huis.«
Daar begon de dronkaard:
- »Als 't kermis is, als 't kermis is,
- Dan slacht mijn vaêr een bok,
+ »Als 't kermis is, als 't kermis is,
+ Dan slacht mijn vaêr een bok,
Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder,
- Al in haar blauwen rok!«
+ Al in haar blauwen rok!«
Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter
@@ -3076,10 +3048,10 @@ meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied.
Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden,
vond roode Jan. Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor
-je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis,
-als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest
-je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch
-nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor
+je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis,
+als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest
+je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch
+nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor
een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat de anderen ook zoo
moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij 't eten wilde.
@@ -3088,13 +3060,13 @@ gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij 't vierkant in
het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de
verdommenis niet. Naar zijn pijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte
wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten,
-dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht
+dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht
Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar
-de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik
-weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.
+de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik
+weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.
-Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel,
-dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het
+Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel,
+dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het
was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden
bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was
geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze
@@ -3104,68 +3076,68 @@ geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap.
De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding
-gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende
+gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende
de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking
verdween dan ook van het bleeke gezichtje.
Vader riep hen. Ze pakten de kruik in maar hielden op, toen de man
de kom aan stukken gooide, met een gezicht als waarmee een rijke
verkwister een banknoot zou verbranden. De leege flesch ging denzelfden
-weg. Nu was het Jan's beurt en gedachtig aan het »van andermans leer
-is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen,
+weg. Nu was het Jan's beurt en gedachtig aan het »van andermans leer
+is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen,
van zins, ook de breekbaarheid van deze te bewijzen.
Toen vloog Frans op hem aan, klemde zijn armen om 's mans hals en
trapte hem met alle macht tegen het lijf, zoodat Jan het uitbrulde van
pijn. Hij hief de kruik in de hoogte om haar op het hoofd zijns vijands
-te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je
+te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je
den boel kapot gooien, waar moeder zoo hard voor moet werken? Al laat
-hij het toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend
+hij het toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend
uit. Zijn vader was verbluft en keek met open mond toe. Werktuigelijk
stak hij de hand uit, om den jongen tegen den grond te kwakken, maar
de stoker voorkwam hem. Behoedzaam, maar met kracht rukte hij Frans
-van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.«
+van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.«
Jan herstelde zich en dreigde sarrend zijn voornemen toch ten
uitvoer te brengen. Frans stampte op den grond, klemde de tanden
-opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar
-toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?«
+opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar
+toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?«
Half en half verwachtte hij, evenals Simson, eensklaps krachtig te
worden, om zijn vijand te kunnen verslaan. Het gevoel van minderheid
bracht hem opnieuw tot woede.
-»Ik wou, dat«... De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan
-zei sarrend: »Het komt niet van 't wenschen,« zei de boer: »dat mijn
-kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier
+»Ik wou, dat«... De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan
+zei sarrend: »Het komt niet van 't wenschen,« zei de boer: »dat mijn
+kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier
stonden twee vijandige dieren tegenover elkaar: het eene machteloos,
-het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was,
-o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er
-schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die
-zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.«
+het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was,
+o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er
+schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die
+zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.«
Hij begon zich te schamen. De armen vielen hem slap langs het lijf. De
stoker duwde hen zachtjes voort om hen naar boven te brengen. Jan
-fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een
-uil in doodsnood!«
+fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een
+uil in doodsnood!«
Nadat de stoker de kinderen de stelling had afgeholpen, bracht hij
Jan onder het oog, dat hij een flauwe kerel was en zich behoorde te
-schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd:
+schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd:
toen men keek of ik een jongentje of een meisje was. Nu draag ik
-een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei:
-»Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je
-tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.«
-En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet
-vóór de ander buiten gehoor was.
+een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei:
+»Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je
+tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.«
+En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet
+vóór de ander buiten gehoor was.
Frans Sr. tuurde op de gebroken jeneverflesch. Eensklaps brak hij in
-tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan
-haalde de schouders op en ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik,
-dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.«
+tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan
+haalde de schouders op en ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik,
+dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.«
-Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart
-vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.«
+Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart
+vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.«
Ze waren de stelling afgeloopen. De mannen, die met eten klaar
waren, zaten te schertsen met hunne of andermans vrouw. De kinderen
@@ -3199,21 +3171,21 @@ eenige huizen verder klonk dansmuziek. De triangel klonk boven uit,
schril als de roode bol boven de deur afstak tegen het duister in
de verte en rondom. Opgeschoten jongens stonden eene vrouw aan te
gapen, die in een witte verlepte jurk met zilveren loovertjes voor
-de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der
-bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar
-kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat,
-eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig
+de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der
+bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar
+kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat,
+eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig
voort. De torenklok sloeg elf uur. De herbergen waren natuurlijk nog
-druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten
+druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten
op den rand van het trottoir, dat bij een pakhuis ophield. Het zweet
-brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De
+brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De
lantarens geleken op groote, vurige oogen, die stralen uitschoten. Het
was of de straat een berg vormde, die eenige meters van hem af
veranderde in een afgrond, langs welks wanden alles, ook hijzelf,
in duizelingwekkende vaart afgleed. Dan weder golfde de bodem in de
breedte. Hij rolde om en om met huizen en al. Rondom was het licht als
bij brand en hij hoorde sterke geluiden, alsof er op trompetten werd
-geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een
+geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een
grooten, grijzen bol, die vervolgens zichzelf in het midden uitholde,
toen dubbelviel, weder een bol werd en zich splitste in donkergrijze
en zwarte balletjes, die op een paars veld ronddwarrelden. Frans
@@ -3221,7 +3193,7 @@ stond op en ging wankelend verder. De bollen draaiden van hem af en
naar hem toe, tot lang, nadat hij reeds te bed lag. Hijzelf zag in
hetgeen hem overkwam de straf voor het gebeurde op de boot. Leentje
scheen dat gevoelen te deelen; althans, toen ze nog op den stoep zaten,
-had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!«
+had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!«
@@ -3236,22 +3208,22 @@ EENZAAM.
't Was een donkere Zaterdagavond in November. Door had gehoord,
dat haar zoon bedankt zou worden. Het waaide nog al en een fijne,
-nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind
+nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind
liep ze voort, huiverend in haar koude omslagsdoek vol gaten,
een erfstuk. Ze liep door de natte, huiverige straten, vervuld van
beginnende Zaterdagavonddrukte en kwam eindelijk op een glibberige
kade, waar haar voeten telkens uitgleden. Enkele dunne kale boompjes
schudden weemoedig 't hoofd en lieten groote droppels als tranen
-neervallen. 't Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen,
+neervallen. 't Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen,
ruw-afgebrokkelden weg. Door de neteldoeken gordijnen van een eenzaam
huisje goot een lampje een plas licht in de zwarte duisternis. Een
vrouwestem zong:
- »Slaap, kindje, slaap!
+ »Slaap, kindje, slaap!
Daarbuiten loopt een schaap.
Het schaap heeft witte voetjes,
- Het drinkt zijn melkje zoetjes.«--
+ Het drinkt zijn melkje zoetjes.«--
op een zeurigen wijs om een kind te doen bedaren, dat eentonig, gillend
@@ -3268,7 +3240,7 @@ met een nijdigen ruk uitschoot en kroop dan in de donkere schaduw
terug. Van bewoners geen spoor. Een paar knotwilgen hieven hun stompe
armen omhoog, als in vertwijfeling.
-Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime
+Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime
erf, welks eenige stoffeering bestond in een grooten, donkeren hoop
sintels, dof glimmend van vochtigheid en een vervallen hondehok. Het
erf was door een paar olielichten op nog nieuwe palen weifelend
@@ -3285,7 +3257,7 @@ met ijzeren tralies. Naast deze uitgang bevond zich een ruwe, houten
trap, met een halven spiraal de duisternis indringende en waarlangs de
bovenverdieping kon ontruimd worden. Daar stond ze met onafgewenden
blik naar de fabriek te turen. Door de eentonige, bulderende vlagen
-en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze
+en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze
geheel en al tijd en plaats vergat. Werktuiglijk kromp ze voor de
kou ineen. Het gebouw scheen weg te deinzen in de dikke duisternis
rondom, die de roodachtige olievlammen oploste. Het gehuil van den
@@ -3309,54 +3281,54 @@ overweldigde haar, wier planteleven anders zonder groote schokken
voorbijging. Het gevoel van een ledig rond haar, dat haar aangreep,
als ze 's avonds alleen zat en het holle vertrek haar aangaapte,
overviel haar ook nu. Haar ontbrak iets en ze kon toch niet zeggen
-wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg
+wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg
dezelfde heimweeachtige stemming als de regenachtige Novemberavond.
-Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid,
+Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid,
hoewel ze het droomige gevoel niet van zich kon afschudden. De
dierlijke angst beving haar weder. De meeste lichten op de
bovenverdieping werden uitgedraaid en na eenige oogenblikken daalden
eenige mannen de trap af, zich aan de waggelende leuning vastklampende,
want de treden waren zeer glibberig.
-»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij
-belazerd!«
+»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij
+belazerd!«
-»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.«
+»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.«
-»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is
-de zjooze!«
+»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is
+de zjooze!«
De mannen hadden de jassen met de mouwen om den hals geknoopt. Onder
aan den trap vormden ze een kring, den man die bedankt was, in 't
-midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,«
+midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,«
want wat deed je met die rompslomp, je kwam er maar door in last. Maar
hij verdomde het. Dacht je, dat hij voor dien salamander bang was? Om
de verdommenis niet. Negen jaar wilde hij er aan wagen. Krijgen zou
hij hem, al moest hij drie dagen en drie nachten als een bandrekel
voor de deur liggen.--De andere gingen door, want ze wilden niet in
-moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen
+moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen
verwijderden zich kletsend. Nu en dan bleven ze een oogenblikje
-staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!«
-Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen
+staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!«
+Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen
nog dompiger dan daareven. Eindelijk hoorde men niets meer.
De achtergeblevene sloeg met de armen over elkaar, stak een kort pijpje
aan, op den regen en den wind vloekende, en stampte met de klompen op
den grond. De laatste lichten boven waren gedoofd. Op het portaal van
den trap klonk sleutelgerammel en na eenig getalm vroeg een heesche
-mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige
+mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige
heeren tippelden de trap af, met zwaren stap voorafgegaan door een man
met lakensche pet, die een geldzak, een bos sleutels en een slingerende
-lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen
+lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen
vielen tegen den glinsterenden muur, met lichtspikkels bezaaid. De
-man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór
-moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert
+man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór
+moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert
jou niet. De weg is vrij; 'k zal gaan waar ik wil, al wou ik naar de
-hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat
-ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? 'k Verdom ze lekker!«
-De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal
-je wel eens op je verdommenis komen, wacht maar!« Maar de kleine deur
+hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat
+ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? 'k Verdom ze lekker!«
+De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal
+je wel eens op je verdommenis komen, wacht maar!« Maar de kleine deur
was reeds achter hen dichtgevallen.
Weder hoorde men een geroezem binnen. Het licht achter de matte
@@ -3364,7 +3336,7 @@ ruiten verdween. Een enkel raam stond nu als een vierkante gouden
vlek, stil tegen de gedeukte, donkere massa. Het geroezem werd een
dreigend gemompel, dat overging in een hevige woordenwisseling tusschen
eenige personen. Op eens werd de deur opengesmakt en een stem, schor
-van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa
+van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa
elkaar kruisende armen werd een jonge, bleeke, haveluinige kerel naar
buiten gegooid, zoodat hij met zijn gelaat op de scherpe koolasch
viel. Zijn pet werd hem nageworpen. Na een oogenblik krabbelde hij
@@ -3376,9 +3348,9 @@ legde de hand op zijn schouder en sprak zachtjes met hem. Het zwarte
dronkemansgelaat; de roode zakdoek om den hals; de klompen met hooi;
de korte, slobberige broek en de klungelige jas gaven hem het voorkomen
van een landlooper. Na eenigen tijd kletsten ze heen, de modderige
-plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien,
-dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je
-zou je eigen aan den galg helpen!«
+plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien,
+dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je
+zou je eigen aan den galg helpen!«
@@ -3404,8 +3376,8 @@ wijfje kende haar welp niet meer.
De fabriek spuwde de overige werklieden uit. In groepjes gingen ze
heen, luid pratend. De oudere lieten zich wel zeer voorzichtig uit, en
spraken met gedempten stem; maar de jonge kerels gaven in ruwe woorden
-hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten,
-zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een
+hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten,
+zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een
marcheerende soldatentroep, waren weldra niet meer te hooren.--Het
eenige licht venster verdween. Toen vertrokken de heeren, door den
man met de lantaren onderdanig uitgeleid. Ze droegen hem op, alles
@@ -3414,46 +3386,46 @@ nog eens na te gaan en gingen heen, zachtjes pratend.
Hij sloot zorgvuldig de deur en schreed in alle richtingen de werf
over, fluitende met een schril geluid.
-»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.«
+»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.«
Ze klappertandde.
-»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!«
+»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!«
-»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. 't
+»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. 't
Gaat me niet aan. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Wat? Ik voor
-hem in de bres springen? Morgen brengen.«
+hem in de bres springen? Morgen brengen.«
Door ging sloffend heen.
-»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij
+»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij
me geen hand of vinger aanraakt, want zoo waarachtig als God leeft,
al moet ik hemel en aarde bewegen, hij gaat naar Leeuwarden. Laat
-hem dat gezegd zijn!«
+hem dat gezegd zijn!«
Door had suffend staan luisteren, zonder zich om te keeren. Als een
sleepersknol ging ze heen, slobberend door de nog meer dan straks
doorweekte klei, een stil gevoel van treurigheid en verlatenheid
-meêdragende.
+meêdragende.
De man bleef een poos nadenkend staan.
-»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De
+»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De
heeren willen nu eenmaal niet gebrutaliseerd zijn, dat weet een kind
wel. Wie is ook zoo stom, om zijn eigen glazen in te gooien? Met een
zacht woordje krijg je veel meer van ze gedaan. Als 't mij te doen
stond, zou ik me languit op den weg gegooid hebben en ik zou niet
-opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó
+opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó
zijn ze nu niet, dat ze over een mensch zouden heenloopen. Maar die
dondersche jonge kerels denken er zoo licht over, om weggejaagd te
worden!... Nu ja, men noemt me een strooplikker. Dat ben ik en dat
moet je wel zijn, als je brood wilt hebben. Ik heb de wereld niet
-gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging.
+gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging.
Een paar schrille tonen fluitend, die wanluidend door de stille
duisternis klonken, dribbelde hij heen en weer, de donkere hoeken
belichtend en de olielampen uitdovend. In zichzelf vloekte hij op het
-smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende
+smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende
lantaren langs het pad. Eensklaps viel ze omlaag en doofde uit. Ruwe
vloeken en een flauw geschreeuw om hulp drongen tegen den wind in.
@@ -3482,7 +3454,7 @@ dit oogenblik alle menschen met een teugelloozen haat, uit zijn
onbewustheid opflikkerend met een verteerenden gloed.
De bulderende wind; het donkere water; de gapende zwijgende ruimte
-om haar--daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van
+om haar--daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van
zelfbeschuldiging maakte haar behoefte om te haten, nog sterker. Half
razend ging ze naar huis, door dik en dun stappend met stevigen, vasten
tred; de vuisten dicht geklemd, dat de nagels in het vel drongen;
@@ -3535,7 +3507,7 @@ lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met
breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het
koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de
blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En
-van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het
+van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het
weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek
met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.
@@ -3556,7 +3528,7 @@ hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.
Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel,
tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en
-zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer
+zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer
en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders
opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar,
van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel,
@@ -3565,20 +3537,20 @@ aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht,
dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het
vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes
op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug,
-terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk
+terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk
dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de
armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht,
waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De
dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels
staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille
-schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan
-weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard,
+schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan
+weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard,
maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met
-de handen om zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af,
+de handen om zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af,
op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde
zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde
nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte
-een oogwenk op de zwartgroene flesch--toen nam ze alle licht meê.
+een oogwenk op de zwartgroene flesch--toen nam ze alle licht meê.
Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe
vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.
@@ -3622,11 +3594,11 @@ De jongen ging slenterend den trap af.
Een vochtige atmosfeer doortrok het vertrek, dat armoedig gemeubeld
was. Een helwit wijwaterbakje hing tegen de geelroode bedstede,
-naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In
+naast de witte, in stijve plooien gestreken bedsteêgordijnen. In
den hoek bij den schoorsteen stond een laag latafeltje met groote
koperen beugels aan de laden. Een ouderwetsche, plompe petroleumlamp
stond er op, omgeven door een lampekleedje, dat van allerlei helle
-kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van
+kleuren schitterde. Tusschen de twee ramen, waarvóór gordijnen van
blauw-grijs behangselpapier hingen, stond een plompe tafel, wier blad
door het boenen een twijfelachtige kleur gekregen had. Tegen elk raam
leunde een wrakke stoel met kapotte zitting en onder de tafel stonden
@@ -3637,7 +3609,7 @@ hoekplankje bij het eene raam--meer was in het vertrek niet te zien.
Het meisje keek peinzend naar buiten. Ze luisterde naar het gesjilp
van een nest jonge vogels in de dakgoot.
---Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel
+--Ajakkes, wat een slaperig weêr. Een mensch zou met zulk weêr wel
een heelen dag wille slape.
Frans kwam naar boven drijven en draaide lam de deurknop om.
@@ -3663,7 +3635,7 @@ kousen boven.
De ruwe Jan, met zijn gluiperig gezicht, gehoorzaamde.
---We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?
+--We motte des hebbe, hé? meende Lou. Wat doe jullie?
--Moedertje spele? stelde Leentje voor.
@@ -3714,7 +3686,7 @@ wel geve zal. Hard loope, hoor!
Jan borgde vuur. Zijne moeder zou er toch niets van merken, als ze
'n Zaterdagavond de borgcenten betaalde.
-De meisjes zetten zich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren
+De meisjes zetten zich neer op de twee stoven, vóór het ijzeren
komfoor, waarop het pannetje siste.
Leentje zorgde voor de toekomst:
@@ -3738,7 +3710,7 @@ verzweeg was, dat hij ook den kachelpook van zijn moeder verkocht had.
--Ik krijg nooit geen slaag van moeder. 'k Zou het niet toelate
ook. 'k Zou moord roepe en ze in d'r handen of in d'r beenen bijte,
-dát zou ik!--Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.--Lou, die krijgt
+dát zou ik!--Met zijne vuist veegde hij zijn neus af.--Lou, die krijgt
dikwijls. Maar ze is gek, dat ze het toelaat.
--Je had het den man niet motte wijsmake.
@@ -3757,11 +3729,11 @@ meel in het pannetje.
--Nou motte jullie gaan werke, zei Leentje.
--Wat nou alweer? vroeg Frans; kommandeer je honden of blaf zelf. Je
-hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op
-loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!
+hebt altijd van die rare ideeën. Maar ik weet wel, waar je op
+loert. Dan vrete jullie alles stikum op, hè? Op je ooge!
--Nee, dat 's flauw. Dat zal Leentje niet doen. Als je 't nou nog
-van Lou zei. Maar wat mótte we doen?
+van Lou zei. Maar wat mótte we doen?
--Wat word je, as je groot ben? vroeg Leentje.
@@ -3869,7 +3841,7 @@ Frans deed een ouden rok van zijne moeder aan, plaatste zich in een
hoek en begon op onverstaanbare manier te zingen. Daarna trad hij
plechtstatig naar een stoel, beklom dien, stroopte zijn mouwen wat
op en begon: Geliefde Mede-Gristenen! Broeders en zusters in den
-Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z'n armen, rustte een
+Heere! wà, wàwàwà! En aldoor zwaaide hij met z'n armen, rustte een
poosje, snoot met veel geweld zijn neus en begon dan weer. Eindelijk
zei hij: Amen! met een langen galm en kwam van zijn stoel af. Hij had
niet zooveel voldoening van zijne preek als anders. De processie zou
@@ -3902,7 +3874,7 @@ jongens vol bacchantische geestdrift aan:
Maar de meisjes waren voor vertellen.
-Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot
+Jan en Frans vertelden om beurten spook- en dievenhistoriën, tot
ze zichzelf bang verteld hadden. Ze dorsten zich haast niet te
bewegen. Het vertellen hield op.
@@ -3926,16 +3898,16 @@ plaatsen. Zuster Angelica bleef met de moeders nog wat praten, die
onder druipende, glimmende regenschermen elkaar stonden te verdringen,
luid kwebbelend. De non hield de tippen van haar sluier met de witte
rechterhand bij elkaar, om haar streng, koud en bleek gelaat tegen
-den regen te beschutten. Vóór de doffe schoolramen stonden een paar
+den regen te beschutten. Vóór de doffe schoolramen stonden een paar
druipende handwagens, glimmerig van het nat, en waarin half-verrotte
-stukjes koolblâren vastkleefden. Een drietal zinken goten in de
-nabijheid klitterden hun water op de straat, nú met forsche gulpen,
-door den wind opgejaagd, dán zachtjes, dun klipklitterend. Breede
+stukjes koolblâren vastkleefden. Een drietal zinken goten in de
+nabijheid klitterden hun water op de straat, nú met forsche gulpen,
+door den wind opgejaagd, dán zachtjes, dun klipklitterend. Breede
rimpels vaarden over den grooten plas bij de deur, telkens als de
wind uitschoot. De vrouwen hadden dan beide handen noodig om haar
-parapluies rechtóp te houden. Zij beklaagden de kinderen, die, dun
+parapluies rechtóp te houden. Zij beklaagden de kinderen, die, dun
gekleed, met roode, geweekte gezichten en handen aankwamen, druipend
-en bibberend in elkâar geslonsd.
+en bibberend in elkâar geslonsd.
Een klaterig geroezemoes van kinderstemmen en klompengestommel
rolde door het schoollokaal, een plomp, vierkant vertrek. Door den
@@ -3944,15 +3916,15 @@ over een klein plaatsje met eene pomp heen, in een tweede lokaal,
waarin de oudere kinderen zaten, die op de banken klommen om naar de
huilende kleinen te kijken.
-Deze zaten op lage bankjes, met de handen op de knieën, benauwd
+Deze zaten op lage bankjes, met de handen op de knieën, benauwd
rondturende naar de witte wanden en naar het kruisbeeld van wit gips,
op een kruis van ebbenhout uitgestrekt, tusschen eene Maria Onbevlekte
Ontvangenis en een Jozef, die stijf rechtop tegen den muur stonden.
Leentje, de helpster, bracht maar steeds kinderen aan. Ze deed ze
jassen en hoofddeksels af en stapelde de trommeltjes met boterhammen,
-die sommigen meêbrachten, op een plank tot een staanden driehoek. De
-kast was vol uitwasemingen der natte kleêren.
+die sommigen meêbrachten, op een plank tot een staanden driehoek. De
+kast was vol uitwasemingen der natte kleêren.
Leentje was zeer aardig voor de kinderen. Ze sprak ze vriendelijk
toe en troostte hen de tranen weg, die bij sommigen tusschen de
@@ -3962,7 +3934,7 @@ De statige zuster aan de deur had woorden. Koud drongen haar woorden
naar binnen naast de zenuwachtige, lauwe geluidstukjes van eene vrouw.
--Zeg, eerwaarde zuster, m'n kleine Jan krijgt 's middags geen
-wateremelk, en 'k betaal er toch ampart vóór, iederen dag twee cente.
+wateremelk, en 'k betaal er toch ampart vóór, iederen dag twee cente.
--Hoor is, vrouwtje, op praatjes van kindere mot je niet afgaan. We
trekke niemand voor. Je vertrouwt ons toch wel?
@@ -3971,7 +3943,7 @@ trekke niemand voor. Je vertrouwt ons toch wel?
--Nu dan, dan kunne we onze diskussie stake.
---O, ik houw ook niet van diskedië, maar, ziet u, het is eige vleesch
+--O, ik houw ook niet van diskedië, maar, ziet u, het is eige vleesch
en bloed, mot u maar denke. Wel bedankt zuster! Dag zuster!
Statig boog deze. De vrouw nam met de linkerhand--in de rechter droeg
@@ -4008,23 +3980,23 @@ het wees-gegroet baden, de groote massa met een naren dreun,
een eentonig vlak, waarop lichtere stemmetjes nu en dan krullen
en spiralen ornamenteerden. Hier en daar liep er een vooruit en na
iederen zin kwamen eenige doffe galmen, waardoorheen haastige beetjes
-brabbelden.--Vervolgens zongen ze eenige liedjes met kerkmelodiën:
-»Heilige Jozef, kinderhoeder«--en tenslotte, op de vroolijke wijze
-van een studentenlied: »De winter komt ons zijn afscheid brengen«. De
+brabbelden.--Vervolgens zongen ze eenige liedjes met kerkmelodiën:
+»Heilige Jozef, kinderhoeder«--en tenslotte, op de vroolijke wijze
+van een studentenlied: »De winter komt ons zijn afscheid brengen«. De
zuster gaf telkens den toon aan en de kinderen zongen verder, zonder
eenige maat, lieten hun stemmen over elkaar buitelen en doorslaan,
en eindigden met een overmatig schreeuwen, als in overmoedige wanhoop.
Zoo werd het half tien.
-De kinderen kregen van Leentje leiën om wat te teekenen. Een doffe
+De kinderen kregen van Leentje leiën om wat te teekenen. Een doffe
stilte, nu en dan even onderbroken door snerpende krassen op de
-leiën. De zuster stond met de helpster te praten, bijna onhoorbaar,
-zacht op de heupen wiegelend. Leentje leunde op één been en plukte aan
+leiën. De zuster stond met de helpster te praten, bijna onhoorbaar,
+zacht op de heupen wiegelend. Leentje leunde op één been en plukte aan
haar rok en aan de knoopen van haar japon, met een verveeld gezicht.
Als een zacht opkomend windje begon het onder de kinderen te suisen,
-even zwijgend, dan in een anderen hoek wêer beginnend, hier en daar met
+even zwijgend, dan in een anderen hoek wêer beginnend, hier en daar met
brokjes ondersteund, tot de zuster in haar gesprek gestoord werd. Ze
ging rond om naar de handen te zien. Een vuile jongen met gescheurde
kleeren, waardoorheen zijn bloote lichaam zichtbaar was, werd op bevel
@@ -4033,22 +4005,22 @@ piep-bonsde en de jongen begon te schreeuwen, dat het water zoo koud
was. Alle kinderen keken er naar en die uit het achterste lokaal gingen
daartoe op de banken staan. Telkens als hij schreeuwde, lachten ze.
-Den heelen morgen zat hij stug vóór zich te kijken, met het natte
-haar over oogen en ooren. Eén ondeelbaar oogenblik ontluikten de
+Den heelen morgen zat hij stug vóór zich te kijken, met het natte
+haar over oogen en ooren. Eén ondeelbaar oogenblik ontluikten de
oogen van den tienjarigen jongen en keken de zuster honend aan.
-Leentje keek nu de leiën na en prees of laakte. Plotseling boog ze
+Leentje keek nu de leiën na en prees of laakte. Plotseling boog ze
zich over een kleinen, blonden krullebol met roode wangen en blauwe
kijkers, en gaf hem een kus. Een bleek jongetje, dat naast hem zat,
keek vluchtig toe en wendde snel het hoofd af.
-De kinderen moesten hun leiën onder hun bankjes leggen en er werd een
+De kinderen moesten hun leiën onder hun bankjes leggen en er werd een
sprookje verteld. Met ingehouden adem luisterden ze toe, dicht bij
elkaar geschoven, met open monden en uitgerekte halzen. De stugkop,
met zijn steil, nat haar, kneep in vervoering zijn buurjongetje in de
armen, doch toen de zuster, die tegen het raam geleund haar rozenkrans
-bad, hem aankeek, nam hij weêr een gereserveerde houding aan. Zijn
-buurjongetje keek droomend vóór zich, nu en dan zijn gebalde handen
+bad, hem aankeek, nam hij weêr een gereserveerde houding aan. Zijn
+buurjongetje keek droomend vóór zich, nu en dan zijn gebalde handen
ontspannend om zich aan de tafel vast te houden. Vele kinderen zaten,
half over de bank geleund, te rijden.
@@ -4076,7 +4048,7 @@ slokje uit de kan nemen. Wier moeders niet voor melk betaald hadden,
kregen uit een grooten tinnen kroes een paar slokken water.
Een kleine, bleeke jongen zat nog even onbeweeglijk als onder het
-vertellen. Toen Leentje haar bemoeiingen met de water-en-melk geëindigd
+vertellen. Toen Leentje haar bemoeiingen met de water-en-melk geëindigd
had, merkte ze hem op.
--Frans, mot jij niet ete?
@@ -4104,9 +4076,9 @@ werd wrevelig en huilend liep hij naar de deur. Leentje hem na.
--Ho eve! mot je je jas en je pet niet hebbe, stoute jonge?
De jas was onder de andere niet zoo gemakkelijk te vinden, Leentje
-werd boos. »Wat een last heb je toch van die ape. Jonge, blijf hier!«
+werd boos. »Wat een last heb je toch van die ape. Jonge, blijf hier!«
---Daar is t'i, dáár, met die groene voering.
+--Daar is t'i, dáár, met die groene voering.
--Neen! en ze rukte alles door elkaar. Eindelijk toch vond ze het
stuk. Zij kleedde Frans aan, duwde hem de pet over de oogen en zette
@@ -4127,7 +4099,7 @@ opsputterend. Een paar lantarens staken als druipende vuisten uit
de natte muren der huizen. Aan het eind van de straat was een kolk,
tusschen twee sluizen. Een schip lag daar te druipen, log en koud
ineengeplompt, met glimmerig dek. De schipper in blauw-baaien hemdrok
-pompte. Met horten spuwde de pomp kleine brokjes water uit. Eén
+pompte. Met horten spuwde de pomp kleine brokjes water uit. Eén
der brugwachters stond te visschen, de andere, met de kraag van
zijn blauwe jas opgeslagen een zwart eindje pijp in den mond, duwde
met een langen haak de sluisdeuren open. Zijn handen waren rood en
@@ -4138,9 +4110,9 @@ wind-trilden bij beetjes.
Frans liep de smalle ka langs, de handen in de jaszakken, als een oud
ventje en was nu spoedig t'huis. Zijn moeder wrong zijne natte kleeren
-uit. »Waarom was hij niet in school gebleve? »Ete had ze niet. Van
-avond zou vader misschien wat geld meêbrenge, want hij was niet t'huis
-gekomme en werkte dus zeker.« Frans bleef in een oud kiekje, dat zijne
+uit. »Waarom was hij niet in school gebleve? »Ete had ze niet. Van
+avond zou vader misschien wat geld meêbrenge, want hij was niet t'huis
+gekomme en werkte dus zeker.« Frans bleef in een oud kiekje, dat zijne
moeder tot borstrok gemaakt had door er de mouwen af te snijden, een
poos voor de lage ramen kijken, die dik met stof en zeepsopspatten
bezet waren. Eene waschvrouw aan den overkant was voor den regen
@@ -4148,7 +4120,7 @@ naar binnen gegaan. Naast haar kuip, die door een engelsch hemd en
een deken toegedekt was, lag een hoop vuil goed in een klein plasje.
Toen het tijd voor school werd, kleedde zijn moeder hem aan en ging
-met hem meê. De deur was nog niet open. Even als 's morgens stonden
+met hem meê. De deur was nog niet open. Even als 's morgens stonden
troepjes vrouwen met kinderen te wachten. Zijne moeder sloeg haar
sloof om Frans heen. Frans vroeg waar kleine Leentje was. Die was
bij de buurvrouw, zei zijne moeder. Ze had naar vader gezocht en had
@@ -4159,9 +4131,9 @@ De schooldeur ging open. Voor en na verdwenen de kinderen in het
vierkante gat en de vrouwen gingen paarsgewijze heen, met hun klompen
de dunne modder opspattend. Met de eene hand tilden ze hare rokken op.
-Frans ging schoorvoetend naar binnen. »Niet met de zuster prate,«
+Frans ging schoorvoetend naar binnen. »Niet met de zuster prate,«
verzocht hij. Doch zijne moeder vroeg aan zuster Angelica, of hij
-voortaan bij zoo'n weêr binnen mocht blijven. Het was geen weêr,
+voortaan bij zoo'n weêr binnen mocht blijven. Het was geen weêr,
om er een hond door te jagen. En dan een kind, dat zoo weinig aan
z'n lijf had.
@@ -4177,19 +4149,19 @@ De moeder gaf haar gelijk. Ze wist niet naar wien hij een aard had. Zij
was voor haar trouwen zoo stil niet geweest en wou wel weten, dat ze
toen lang geen kniesoor was.
-Enfin, de zuster zou hem voortaan binnen houden. »Met geweld, zuster,
-gerust, ik geef u permissie.«
+Enfin, de zuster zou hem voortaan binnen houden. »Met geweld, zuster,
+gerust, ik geef u permissie.«
-De kinderen waren dien middag erg woelig. Vóór schooltijd al klommen
+De kinderen waren dien middag erg woelig. Vóór schooltijd al klommen
de ouderen op de banken en liepen mekaar na. Er was tusschen den
middag geen raam open geweest en de kachel had aldoor fel gebrand,
zoodat een klammige warmte uit de kleederen der kinderen opsteeg en hun
-handen en gezicht begroezelde. De zuster bad weêr, de kinderen baden en
-zongen, iets lijziger dan 's morgens, en kregen hun leiën. Er werd een
+handen en gezicht begroezelde. De zuster bad weêr, de kinderen baden en
+zongen, iets lijziger dan 's morgens, en kregen hun leiën. Er werd een
plaat aan den muur gehangen, die voorstelde: Roodkapje door den wolf
verscheurd. Alleen het roode kapje van het meisje en de witte tanden
van den wolf waren op een afstand te onderscheiden. De brekebeenen,
-die déze plaat niet konden nateekenen, mochten hun krachten beproeven
+die déze plaat niet konden nateekenen, mochten hun krachten beproeven
aan een vruchtenstukje: een sinaasappel, een appel, een peer, een knol,
een peen, een tros druiven, een aardappel, een hoopje aardbeien en
een komkommer.
@@ -4208,10 +4180,10 @@ beneden.
Het begon al vroeg donker te worden. Het licht schimde door het
overwarme schoolvertrek, waarin een hooge kachel stond te gloeien. De
hoofden van Maria en Jozef waren niet meer te zien. Als twee donkere
-vlekken, even naar vóór uitkomend, stonden ze daar omhoog. In het
+vlekken, even naar vóór uitkomend, stonden ze daar omhoog. In het
toenemende donker trokken hunne voeten op en de beelden werden twee
wanstaltige, in elkaar geplompte gedaanten. De kinderen konden niet
-meer op hun leiën zien. In het achterlokaal was het licht aangestoken,
+meer op hun leiën zien. In het achterlokaal was het licht aangestoken,
doch in dit waren geen gaslichten aangebracht.
Er werd gebeden en gezongen en Leentje deed de ketting van de
@@ -4242,7 +4214,7 @@ rijtuig, op de ongelijke steenen ophotsend. Het kwam nader en werd
toen dunner en onduidelijker.
Leentje hielp de laatste kinderen aankleeden. Geeuwend zei de zuster:
-wat een landziekig weêr, hè? en ze rekte zich uit.--Zou zuster Monica
+wat een landziekig weêr, hè? en ze rekte zich uit.--Zou zuster Monica
d'r kindere nog langer houwe? Ga 't is vrage, Leen!
Leentje kwam met de boodschap, dat zuster Monica dadelijk gereed
@@ -4262,15 +4234,15 @@ Frans werd door Leentje met nog een paar kinderen op straat
gebracht.--Jullie moeders komme niet opzette, zei Leentje. We kanne
je van nacht niet houwe.
-Koud klamden Frans de kleêren aan het lijf. Hij liep door de donkere
+Koud klamden Frans de kleêren aan het lijf. Hij liep door de donkere
straat, tusschen de overhangende gevels. De lantaarns leken dun
-en teêr en hun treurige, bekoper-randgele vlammetjes met zwarte
+en teêr en hun treurige, bekoper-randgele vlammetjes met zwarte
hartjes strakten in den regen, die grijsgestreept neersabelde in het
opeengepakte kildonker tusschen de huizen, welke als verschroeide,
uitgebrande, holle geraamten op en tegen elkaar huiverden, blind
en koud in den regen. De regendroppels plekten kringetjes in de
zwartgroening van de kolk, die tegen den steenen kant opkabbelde
-in zachte, schommelende deining. Voor één der gele raampjes van
+in zachte, schommelende deining. Voor één der gele raampjes van
het brugwachtershuisje, die een gezellig licht uitwierpen, zat een
man te eten uit een dampend ijzeren pannetje. Frans keek naar de
sluis. Tusschen de sluisdeuren brabbel-zwalpte het water met witte
@@ -4297,7 +4269,7 @@ een viezen hoop lag, door den regen in elkaar geslensd.
In het donkere benedenhuis viel door de twee bezeepsopte ramen een
twijfellicht, dat de enkele meubelen even liet onderscheiden. Op een
stoel voor het raam zat zijne moeder. Een dof, reutelend gesnork klonk
-uit een hoek. Nu en dan bromde de dronkaard, die daar was neêrgevallen
+uit een hoek. Nu en dan bromde de dronkaard, die daar was neêrgevallen
ruwe vloeken en heesche uitroepen. Plotseling richtte hij zich soms
op en slingerde lange verwenschingen rond zich. Frans was stil bij
zijn moeder gaan zitten. Ze legde zijne hand in de hare.
@@ -4351,7 +4323,7 @@ wierp ze spoedig van zich.
--Bah! hoe eeuwig saai!
-Haastig maakte hij »toilet«, greep hoed en stok en stormde de trappen
+Haastig maakte hij »toilet«, greep hoed en stok en stormde de trappen
af. Met een smak trok hij de voordeur achter zich toe. Een trage galm
trok een donkere, vibreerende streep door de lauwe lucht op de trap.
@@ -4369,7 +4341,7 @@ met z'n rotting een fikschen slag tegen het been gevend. De tramwagens,
die hem voorbij kropen, waren vol stof en zweet, die de lieden, welke
er in zaten, deden stikken. Den koetsiers was het teveel, de teugels
aan te halen en de suffende paarden, die een sukkeldrafje hadden,
-liepen gevaar óm te vallen en poogden vergeefs, hun koppen op te
+liepen gevaar óm te vallen en poogden vergeefs, hun koppen op te
heffen boven de stofwolk, die ze zelf opwierpen. Zoo kropen ze voort,
kleiner en kleiner wordend op den weg, die als een gele streep langs
het water lag. Nu en dan hoorde men een dun belletje met een zweterig
@@ -4404,10 +4376,10 @@ hysterisch getinkel van den bel schoot witte kringels door de gele
atmosfeer. Een man in paars boezeroen deed de bewitgordijnde deur van
het achtervertrek open en schoot op een beroerd saaie manier een paar
muilen aan, die voor het dorpeltje stonden te gapen. Na opheldering en
-wederzijdsche herkenning werd »neef Henri« door z'n rooien, vleezigen
-bloedverwant met gouden ringetjes in de ooren, uitgenoodigd, »door te
-lope«. In statige langzaamheid, vol burgerlijke zelfgenoegzaamheid,
-ging de man vóór. De kamer was smaakvol gemeubeld, in donkerrooden
+wederzijdsche herkenning werd »neef Henri« door z'n rooien, vleezigen
+bloedverwant met gouden ringetjes in de ooren, uitgenoodigd, »door te
+lope«. In statige langzaamheid, vol burgerlijke zelfgenoegzaamheid,
+ging de man vóór. De kamer was smaakvol gemeubeld, in donkerrooden
toon. Het schreeuwend-pretentieuse ontbrak hier. Bij de groote
deurramen, die op een kil tuintje uitzagen, zat een bleek, melancholies
meisje, die aan 'n haakwerkje bezig was en even 't hoofdje ophief, om
@@ -4419,32 +4391,32 @@ meisje hief levendig het hoofd op en keek neef oplettend aan. Toen
stond ze op om naar hem toe te komen, vol kinderlijke blijdschap;
maar Henri voorkwam haar. Ze gaven elkaar hartelijk de hand.
-»Ik zou haast vergeten hebben, dat er een neef Henri bestond.« Moeder
+»Ik zou haast vergeten hebben, dat er een neef Henri bestond.« Moeder
de vrouw was opgestaan, de kous in haar hand. Haar goedig gezicht
met dikke plooien werd met een zweem van ongeloovige verrukking en
blije verrassing naar neef gericht. Met schitterende oogen keek ze
hem door haar bril aan.
-»Kom, dat 's goed, dat 's goed, dat je je familie niet vergeet.«
+»Kom, dat 's goed, dat 's goed, dat je je familie niet vergeet.«
-»Nou maar, moeder, hij was anders goed op weg, om ons te vergeten. 'k
-Was nog pas«.....
+»Nou maar, moeder, hij was anders goed op weg, om ons te vergeten. 'k
+Was nog pas«.....
-»Ja, je was nog een kind. Maar als 'k geweten had, dat 'k zoo'n
-lieve nicht had«..... Hij hield verbluft stil. Tante had van z'n
+»Ja, je was nog een kind. Maar als 'k geweten had, dat 'k zoo'n
+lieve nicht had«..... Hij hield verbluft stil. Tante had van z'n
onbeleefdheid niets gemerkt en zei: Wel, gossiemijntijd, wat lijk je
-veel op je moeder. Sprekend, hè, Aai?
+veel op je moeder. Sprekend, hè, Aai?
Aai brandde z'n lippen aan z'n heete kop koffie en bromde misnoegd:
weet ik het?
Neef kreeg natuurlijk ook koffie en zat weldra al z'n adem uit z'n
longen te blazen. Onderwijl ondervroeg tante hem, of ze rechter
-van instructie was. Nicht was weêr in haar stoel gezegen en
+van instructie was. Nicht was weêr in haar stoel gezegen en
hield zich bezig met bleeke overdenkingen, neef van tijd tot tijd
steelsgewijze aankijkend. Arie leunde achterover in z'n stoel, de
beenen ver uitgestrekt, de duimen in de armsgaten van z'n vest, de
-borst vooruit, met 'n verwaand, blasé gezicht toe te luisteren. Als
+borst vooruit, met 'n verwaand, blasé gezicht toe te luisteren. Als
hij door z'n zenuwachtig kwebbelende vrouw tot getuige werd geroepen,
antwoordde hij met 'n enkel woord, wrevelig, laatdunkend. Niets kon
hem deren! Hij zat in 'n wolk van kouwe majesteit.
@@ -4454,9 +4426,9 @@ werd woedend op z'n tante, die hem met haar botten glimlach zat
aan te starogen. Hij hoorde nog, dat al de andere kinderen getrouwd
waren en de jongens fatsoenlijke baantjes bekleedden. Ze hadden een
zorgvuldige opvoeding gehad, die handen vol geld kostte, zooals Arie
-zei. De Heer had hem gezegend en als Die mét ons is, wie zal tegen
+zei. De Heer had hem gezegend en als Die mét ons is, wie zal tegen
ons zijn? Dit zei hij op dikken, zelfgenoegzamen toon, met de plompe
-duimen draaiend. »Zoo ben jij de eenige, die nog thuis is,« merkte
+duimen draaiend. »Zoo ben jij de eenige, die nog thuis is,« merkte
Henri tegen nicht op, min of meer gedwongen. En ze antwoordde met
'n licht zuchtje: Ik ben niet gelukkig geweest.
@@ -4491,7 +4463,7 @@ met militairen knevel en losse manieren keek hem oplettend aan.
--Henri, geloof ik?
-Henri herkende in hem 'n koffiehuiskennis van vóór 'n paar jaar,
+Henri herkende in hem 'n koffiehuiskennis van vóór 'n paar jaar,
die alle mogelijke dingen bij de hand had en het leven doorrolde,
tot hij aan een jong, lief, tamelijk rijk meisje, een wees, bleef
hangen. Toen had hij zich uit de kring zijner bekenden teruggetrokken
@@ -4511,17 +4483,17 @@ niets an te doen. Geen kruid voor gewassen. Sukkelen lang, maar
eens is eens. Enfin, 't hoofd maar boven water gehouden. Knerpen en
triesten dient nergens toe. 't Maakt je oud voor je tijd... Maar 'k
ben allemachtig blij, dat 'k je zie. Een verdomd triestige stad hier 's
-morgens, hè? Allemachtig saai. De lui hebben tot 's avonds de slaap in
+morgens, hè? Allemachtig saai. De lui hebben tot 's avonds de slaap in
d'r oogen. En wat doe je? Ik ben een poos aan een dagblad geweest. 'k
Kreeg opeens een werkmanie. Maar dat beroerde gezemel. 'k Ga weer
-naar België, misschien naar Parijs. Leven wil 'k zien. Hier? Lui
+naar België, misschien naar Parijs. Leven wil 'k zien. Hier? Lui
zonder bloed, bah!... Rooken? Heerlijk, delicieus.... 'k Ben een paar
dagen uit de stad geweest, voor een rechtszaak. Maar daar had je bij
moeten wezen.... En hij lachtte, dat de menschen bleven staan.--'k
Heb hem vierkant uit 't veld geslagen, de pruik! Een smerig zaakje van
'n vriend, 'k zal je later wel eens vertellen. 't Moest noodzakelijk
-de wereld uit. Onverwacht deê de pruik een strikvraag. Maar 'k was
-op m'n »quivive.« 'k Zei!.....
+de wereld uit. Onverwacht deê de pruik een strikvraag. Maar 'k was
+op m'n »quivive.« 'k Zei!.....
Hij bleef staan, nam z'n rotting onder den arm, pakte z'n vriend bij
de schouders en draaide hem om. Toen nam hij heel diep z'n hoed af
@@ -4533,7 +4505,7 @@ hoorder begon te duizelen. Spreker was geheel in vuur. Hij hoorde
niet, dat een dienstmeisje stond te ginnegappen. Hij zag niet,
hoe een paar vuile straatjongens hem van onder de kleppen hunner
petten aangluipten. Onder 't spreken nam hij z'n rotting in de hand
-en begon er op een vervaarlijke manier meê te schermutselen, zoodat
+en begon er op een vervaarlijke manier meê te schermutselen, zoodat
een hond, die in een vuilnisbak wroette, vreesachtig z'n mager lijf
ineenstuipte en wegsloop, de staart tusschen de beenen, telkens den
kop schichtig omdraaiend en met een paar schuchtere, waterige oogen
@@ -4557,15 +4529,15 @@ weg. Toen vervolgde hij:
Hoe von j' 'm? We wonnen het zaakje. De slaapmutsen lachten zich
ongansch en het publiek applaudiseerde als in een schouwburg. Wacht,
-ginds is een gezellig kroegje. En straks moet je meê naar m'n
+ginds is een gezellig kroegje. En straks moet je meê naar m'n
kast. Je dineert bij me en neemt tot souvenier wat boeken van me
-meê. 'k Heb Toussaint, van Lennep, Dickens, Beets, van Beers,
+meê. 'k Heb Toussaint, van Lennep, Dickens, Beets, van Beers,
Hugo, Lamertine, Heine, Byron en alles, wat er in den laatsten
tijd is uitgekomen. Enfin, je zult zien. Ik voor mij houd niet
van hollandsche romans. Die beroerde flauwe vertellinkjes! Maar je
dient op de hoogte van je tijd te zijn. Geen leven, geen vleesch en
bloed. Schimmetjes! Schimmetjes die verliefd zijn en kwelen van d'r
-meisjes mooie vlechten, net of ze daarmeê tevreden zijn. Of stervende
+meisjes mooie vlechten, net of ze daarmeê tevreden zijn. Of stervende
lievelingen met een diep kijkje in de andere wereld, die er dan uitziet
als een vlaamsch interieurtje. Allemaal schimmetjes. Ze zijn dit,
ze zijn dat, ze zijn zus, ze zijn zoo, maar alles behalve werkelijke
@@ -4585,7 +4557,7 @@ is geleverd.
--Laat hooren. Ik geef anders om dien heelen rommel geen steek.
---Toen God de aarde geschapen had, en alles wat er op is en de zeeën
+--Toen God de aarde geschapen had, en alles wat er op is en de zeeën
en de visschen....
--Nu ja.
@@ -4638,7 +4610,7 @@ Ze hadden gelukkig het koffiehuis bereikt. Henri was op. Hij voelde
zich als in een gulp heet water, borlend zonder ophouden. Een eentonig
geratel klepperde op z'n trommelvlies, dan een zin herhalende, als
de ander aan 'n volgenden bezig was, of eenige schakels overslaand,
-om de gedachte van den ander vooruit te loopen en er zich vóór te
+om de gedachte van den ander vooruit te loopen en er zich vóór te
plaatsen. Een bonte warreling van denkbeelden vloog hem in allerlei
kleuren en verschillende gedaante voorbij, over elkaar rollend en
buitelend, als golven op een strand, dat wittig glinstert in den
@@ -4655,7 +4627,7 @@ van wierook steeg in de neusgaten van z'n hoorder op. Z'n slapen
klopten. Hij voelde 'n drukking op het hoofd en de maag werd hem als
omgekeerd. Hij was blij, toen ze weer op straat waren.
-De zon brandde de keien tot pulver. De galanterieën lagen in
+De zon brandde de keien tot pulver. De galanterieën lagen in
de vitrines te slapen, door en door gestoofd. Op het brandende
papier, waarmee de voorwerpen in de kast van een kunsthandel waren
bedekt, zaten eenige bewustelooze vliegen vastgekleefd als zwarte
@@ -4667,14 +4639,14 @@ bladeren als vodden aan de takken hingen.
Ze wandelden een paar havens langs en gingen het Park in. Kerels
lagen met het gezicht voorover in 't gras te slapen, de pet achter op
't hoofd. Een kindermeisje duwde met slappe handen een wagentje voort,
-'n jongetje aan haar rokken meêslepend en een paar meisjes met bloote
-knieën en armen en met schopjes en emmertjes telkens verbiedend.
+'n jongetje aan haar rokken meêslepend en een paar meisjes met bloote
+knieën en armen en met schopjes en emmertjes telkens verbiedend.
Aan den rivierkant zegen ze neer op 'n bank, puffend en hijgend. In
de laatste oogenblikken had geen van beiden gesproken. Na wat bekomen
te zijn, staken ze een sigaar op, de blauwe, kringelende wolkjes
naturende. Kleine zonnebeeldjes plekten de donkere kiezellaan, door
-zwaar geboomte beschaduwd. Vlak vóór hen lag de Maas, sprankende
+zwaar geboomte beschaduwd. Vlak vóór hen lag de Maas, sprankende
van goud en hijgend naar koelte. Het was eb en geen rimpel oneffende
den gladden spiegel. De dofgroene oever aan den overkant trilde in
den lichtgulp. Er was niemand te zien op de schepen, die ter zijde,
@@ -4695,14 +4667,14 @@ Hij maakte Henri bekend met het beeld, waaronder hij de rivier
zag. Een jonge vrouw, die zich tegen de hitte voor 'n groot deel
ontkleed heeft. De roze boezem golft onder het lichte omhulsel,
waardoor de weelderige vormen uitpuilen. Het deed het bloed vlammen,
-vond hij. Hij verging van weelde. En hij zong van »mädchen en veilchen«
-en deklameerde van »duftende« lotusbloemen. Samen zongen ze eenige
+vond hij. Hij verging van weelde. En hij zong van »mädchen en veilchen«
+en deklameerde van »duftende« lotusbloemen. Samen zongen ze eenige
stukken, die ze indertijd als lid van een zangvereeniging hadden helpen
uitvoeren en eindigden weemoedig met de Loreley. Albert verklaarde,
dat hij Heine bewonderde. Heine gevoelde zuiver, vond hij, wat wij,
-lieden van de helft der negentiende eeuw, onbestemd óók voelen. En
+lieden van de helft der negentiende eeuw, onbestemd óók voelen. En
voor dat gevoel had hij de juiste formule gevonden. En hij droeg den
-»Felsenbaum« en andere gedichten van zijn lievelingsdichter voor. Zij
+»Felsenbaum« en andere gedichten van zijn lievelingsdichter voor. Zij
maakten zich overgevoelig.
De vloed was opgekomen, zachtjes, met breede bewegingen, eerst vleiende
@@ -4723,7 +4695,7 @@ stuiptrekkingen, zuchtend van genot, in elkaar kronkelend en dan zich
met kracht uitstrekkend.
Albert leunde achterover, geheel ontzenuwd. Plotseling sprong hij op
-en trok Henri meê. Beweging of ik sterf!
+en trok Henri meê. Beweging of ik sterf!
Met groote passen liep hij voort. Z'n oogen glinsterden.
@@ -4735,7 +4707,7 @@ kleine groepjes boomen gemaskerd. Een duister, warm licht vol zoelen
waterdamp hing over den pas besproeiden, belommerden kiezelweg. De
buitenplaatsen dommelden in een halfslaap.
-Albert nam z'n vriend meê naar z'n kast. Ze brachten daar eenigen tijd
+Albert nam z'n vriend meê naar z'n kast. Ze brachten daar eenigen tijd
door met 't bezien van etsen en platen en de gastheer onthaalde Henri
op mooie plaatsen uit verschillende schrijvers, door vouwen en dikke
strepen in de boeken aangewezen. En onder een glaasje ontwikkelde
@@ -4770,7 +4742,7 @@ om het riviergezicht te bewonderen.
--Je kunt ons heele land kado krijgen voor zoo 'n kijkje!
--Jammer, dat het hier eigenlijk een groot dorp is, verdomd
-»kleinstädtisch«. Het is niet an de lui besteed.
+»kleinstädtisch«. Het is niet an de lui besteed.
@@ -4781,9 +4753,9 @@ stemming en doorkruisten het park in alle richtingen. Toen ze er uit
kwamen, had ieder een dienstmeisje aan den arm, wier kokette witte
schortjes tegen hun donkere jassen slierden. Heldere flitsende lachen
en fluisterend gegichel fosforiseerde op de warme grijsgele stem van
-Albert en de roodbruine van Henri. Ze gingen in een café, waar meiden
+Albert en de roodbruine van Henri. Ze gingen in een café, waar meiden
zich lieten kussen, dat het klapte en famieljaar uit de glaasjes der
-mannen meêdronken. Henri fluisterde: Waar raken we in verzeild?
+mannen meêdronken. Henri fluisterde: Waar raken we in verzeild?
--Laissez aller! Ik heb een kattennatuur en kom altijd op m'n beenen
terecht. Ik beloof me veel van ons koopje! Voor een keer is 't wel
@@ -4798,7 +4770,7 @@ hoekje vormde een paarse vlek tegen de roezemoezige zaal.
Op straat begon Albert onder een gaslantaarn, den arm om den hals van
het meisje, dat een kop als vuur had en zich tegen hem aandrong, een
-romance te zingen, die hij in een café-chantant had opgedaan. Een paar
+romance te zingen, die hij in een café-chantant had opgedaan. Een paar
honderd schreden verder kommandeerde hij halt: de meisjes hadden hun
dienst bereikt, een donkere buitenplaats, vol zwarte stukken geboomte,
waardoorheen een geel lampje op den achtergrond zichtbaar was. Een poos
@@ -4825,9 +4797,9 @@ krittelend schoof het over de kiezel. In het voorbijgaan riep de knecht
Albert toe: Afblijven daar! Albert was verontwaardigd. Hij deed met
z'n rotting 'n slag in de lucht en bleef het rijtuig, dat onhoorbaar
naar den horizon schoof, nakijken. Henri suste hem.--Ja, maar, beste
-jongen, dat 's allemaal goed en wel; maar ik kán morgenavend niet. 'k
+jongen, dat 's allemaal goed en wel; maar ik kán morgenavend niet. 'k
Moet morgen vroeg weg, voor goed. Eeuwig jammer. En hij begon te
-klagen van »la belle France«. Hij vertelde vervolgens, dat hij dit
+klagen van »la belle France«. Hij vertelde vervolgens, dat hij dit
lied door een bleeke Elzassche had hooren zingen, in 71 of zoo, drie,
viermaal achtereen, tot hij de tranen in de oogen kreeg. Toen had hij
en nog eenige jongelui van 'n zelfde klubje haar verzocht bij hen te
@@ -4840,7 +4812,7 @@ het vechten geraakt zijn. Hij had z'n hand een paar keer op haar dijen
gelegd en ze had maar eens witjes gelachen. Maar er was er een, die 't
kwalijk nam, dat een dame in z'n bijzijn werd beleedigd enz. enz. En
daar had je het. Ze ranselden elkaar met de stokken af. En toen
-ging primo de dame op den loop, en secundo werden ze uit het café
+ging primo de dame op den loop, en secundo werden ze uit het café
gebliksemd en tertio sliepen ze dien nacht op een brits. Albert kon
er zich niks meer van herinneren.
@@ -4853,22 +4825,22 @@ bezoekers gingen in groepjes heen.
Jonge en oude dames, min of meer deftig gekleed, zwermden paarsgewijze
de groepjes tegemoet en bleven in hun nabijheid op en neer drentelen,
-zacht neuriënd.
+zacht neuriënd.
---Zeg, krullebol, je kunt je parasol wel neêr doen. De zon zal je
+--Zeg, krullebol, je kunt je parasol wel neêr doen. De zon zal je
vel niet verbranden, zei Albert tot een dame met tartende oogen.
---Kom liever met me meê naar m'n kamer, in plaats van die praatjes.
+--Kom liever met me meê naar m'n kamer, in plaats van die praatjes.
---Praatjes vullen geen gaatjes, hé? en hij begon verschillende
-variatiën op dit thema aan haar oor te fluisteren, zeer vertrouwelijk,
+--Praatjes vullen geen gaatjes, hé? en hij begon verschillende
+variatiën op dit thema aan haar oor te fluisteren, zeer vertrouwelijk,
doch z'n armen waarin ze de hare wilde haken, vrij houdend. Henri
weerde zich tegen 'n heel kringetje, dat in 't fransch, duitsch en
hollandsch tegen elkaar opbood.
De vrienden maakten echter korte metten. Weldra gingen ze samen verder.
---'k Zou ze lekker danken. 'k Ben lekker »gris«.
+--'k Zou ze lekker danken. 'k Ben lekker »gris«.
De dames keken hen na, om dan fluisterend hun wandeling te hervatten.
@@ -4880,7 +4852,7 @@ soezen, terwijl Albert z'n koffer pakte en op alle wijzen beproefde,
't deksel dicht te krijgen.
Na veel mislukte pogingen wierp hij er alles uit en flapte den koffer
-toe. Hij ging er op zitten »speechen«.
+toe. Hij ging er op zitten »speechen«.
Henri, die zich den heelen dag al onder invloed van den ander
gevoelde, was sufferig en verlangde hartstochtelijk naar het eind,
@@ -4938,7 +4910,7 @@ lamp maar aangestoke, anders moet m'nheer zoo in den donker morrele,
dacht ik. Werktuiglijk ging hij naar de kamerdeur, die op 'n breeden,
warm-gele kier stond, om de juffrouw voor hare attentie te danken.
-»Komt u maar binne!«
+»Komt u maar binne!«
Een groote petroleumvlam doortrok het niet ruime vertrek van 'n warm,
innig licht, dat langs het lichte behangsel opklom naar 't plafond
@@ -4949,7 +4921,7 @@ heldere smetloosheid. Een zwartmarmeren pendule met coupes en eenige
achterover leunende fantasieportretten teekenden hun achterzijde
af in den grooten spiegel met dof vergulden lijst, die aan den
schoorsteen hing en de voorwerpen overgoot met het licht dat hij
-terugkaatste. Aan de tafel stonden eenige luierstoelen en in één
+terugkaatste. Aan de tafel stonden eenige luierstoelen en in één
daarvan zat de juffrouw, zoo goed als geheel ontkleed, puffende en
blazende. Het roze, volbloedige vleesch trilde van begeerte onder de
kantjes van het laag uitgesneden hemd.
@@ -4968,7 +4940,7 @@ die met z'n stemming kampten. De kamer vulde zich met een zacht, roze
licht en hij kreeg een gevoel, of hij door 'n zachte, warme hand om
de lenden gegrepen en opgetild werd. De last, die hem in de laatste
ogenblikken op de schouders had gewogen, viel af. Hij voelde zich
-verslonden, één worden met de vrouw tegenover hem. Ze was opgestaan
+verslonden, één worden met de vrouw tegenover hem. Ze was opgestaan
en ontnam hem hoed en stok, z'n beenen met de hare beroerende. Een
bliksem flitste door de kamer, gevolgd van lichte strepen, die
zich omhoog spiraalden, zich in elkaar verwarden, weder oplosten en
@@ -5025,365 +4997,4 @@ voelde glijden, zei hij kallem: Je zult kouvatten, juffrouw.
End of Project Gutenberg's Een nest menschen, by August Pieter van Groeningen
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN NEST MENSCHEN ***
-
-***** This file should be named 57245-8.txt or 57245-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/7/2/4/57245/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57245 ***
diff --git a/57245-h/57245-h.htm b/57245-h/57245-h.htm
index 8fb6d4d..28b0eb2 100644
--- a/57245-h/57245-h.htm
+++ b/57245-h/57245-h.htm
@@ -795,47 +795,7 @@ font-size:small;
<body>
-<pre>
-
-Project Gutenberg's Een nest menschen, by August Pieter van Groeningen
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-
-
-Title: Een nest menschen
-
-Author: August Pieter van Groeningen
-
-Contributor: Pieter J. Tideman (1871-1943)
-
-Release Date: May 31, 2018 [EBook #57245]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ASCII
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN NEST MENSCHEN ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-
-
-
-
-</pre>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57245 ***</div>
<div class="front">
<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
@@ -6004,379 +5964,7 @@ dat deze links voor u niet werken.</p>
-<pre>
-
-
-
-
-
-End of Project Gutenberg's Een nest menschen, by August Pieter van Groeningen
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN NEST MENSCHEN ***
-
-***** This file should be named 57245-h.htm or 57245-h.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/7/2/4/57245/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This book was produced from scanned images of
-public domain material from the Google Books project.)
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org Section 3. Information about the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-
-
-
-</pre>
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57245 ***</div>
</body>
</html>