diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-06 20:09:40 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-02-06 20:09:40 -0800 |
| commit | 81aaff5c686c4428aa78f78832d1a73cef161f6c (patch) | |
| tree | 6082c60c818a101c9dc870d1cdbe11c29d6c89d5 | |
| parent | d6a4b82ece8813f7d7b55d91f6c39f657482550e (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/53926-8.txt | 14553 | ||||
| -rw-r--r-- | old/53926-8.zip | bin | 287532 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53926-h.zip | bin | 437148 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53926-h/53926-h.htm | 15043 | ||||
| -rw-r--r-- | old/53926-h/images/book.png | bin | 364 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53926-h/images/card.png | bin | 249 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53926-h/images/external.png | bin | 172 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53926-h/images/titelpagina.jpg | bin | 52439 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/53926-h/images/voorkant.jpg | bin | 69865 -> 0 bytes |
12 files changed, 17 insertions, 29596 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..58ac95c --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #53926 (https://www.gutenberg.org/ebooks/53926) diff --git a/old/53926-8.txt b/old/53926-8.txt deleted file mode 100644 index 2132a5f..0000000 --- a/old/53926-8.txt +++ /dev/null @@ -1,14553 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Jacob Martens, by G. C. Hoogewerff - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Jacob Martens - Een verhaal uit de zestiende eeuw - -Author: G. C. Hoogewerff - -Release Date: January 8, 2017 [EBook #53926] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JACOB MARTENS *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - - - - JACOB MARTENS - - EEN VERHAAL UIT DE ZESTIENDE EEUW - - DOOR - - G. C. HOOGEWERFF - - - Een goede zaak wordt niet slecht, omdat - sommige van hare voorstanders kwaad - hebben bedreven; zij wordt reiner in - onze oogen, naarmate zij zich scherper - van het bedrijf der zoodanigen afscheidt. - - R. Fruin - - - - NIJKERK--G. F. CALLENBACH - 1921 - - - - - - - -I. - - -'t Was een van de eerste dagen van Zomermaand van het jaar 1566, -zeer vroeg in den ochtend. - -De zware voordeur van een deftige heerenhuizing, gelegen aan de -Vrijdaegsmarkt te Gent, werd voorzichtig geopend en twee jongelieden -traden naar buiten. Ze waren voorzien van lange, groengeschilderde -hengelroeden en stevige linnen tasschen: blijkbaar was het om -een aanslag op het "schubbigh watervolck" te doen, dat zij zoo -vroeg uit de veeren waren, nu, volgens de oud-stedelijke keure, -"het visschen met angelroeden, schakelen ende ander visscherstuygh" -sinds den eersten van Zomermaand weder was geoorloofd. - -Een van de beide hengelaars was haastig het met boomen bezette plein -een eindweegs opgeloopen en had een blik geworpen op de windvaan onder -'t kruis van de St. Jacobskerk, die haar ouden, zwaren toren statig -boven de deftige huizen van de Oostzijde der markt verhief. - ---"Een Zuidwesten wind en een beloken lucht, Thierry," riep hij -vroolijk. "Dat belooft een goede vangst!" - ---"'t Mag zeker wat bijzonders zijn, als 't de moeite zal loonen, -zoo voor dag en dauw het bed te ruimen," zei de aangesprokene, die -blijkbaar niet zeer in zijn humeur was. - -'t Was een slank jonkman van ongeveer twintig jaren, met een donker -uiterlijk. Een trek van onverschillige hooghartigheid lag op het -welbesneden, bleek gelaat en de koele, gebiedende blik der donkere -oogen versterkte dien indruk. - -Hoewel het doel van den tocht zeker een eenvoudige kleeding het -meest doelmatig en wenschelijk maakte, was hij keurig gekleed in een -wambuis en broek van bruin Diestsch laken, waarvan de insnijdingen -in de opgedofte mouwen de geelsatijnen voering vertoonden. De lange -zeemlederen hozen verdwenen in een paar keurige rijlaarzen. - -Zijn makker scheen iets jonger. 't Was een echte zoon van het -land. Lange blonde haren fladderden in den frisschen morgenwind, om een -echt Vlaamsch gezicht, wit en rood, met heldere blauwe oogen. Die oogen -tintelden thans van schalkheid en levenslust, maar het hooge voorhoofd -en de fijn besneden mond deden vermoeden, dat ze veel méér konden -uitdrukken, dat ze konden fonkelen van toorn en verontwaardiging en -voor zich uit staren met den zoekenden blik van den dichter en dweper. - -Hij zag er vrij wat eenvoudiger uit dan zijn metgezel. Hij droeg -een nauwsluitend pak van groen laken, al tamelijk versleten, en -een kaproen van dezelfde stof, terwijl zijn bruine hozen haast niet -zichtbaar waren door een paar flinke waterlaarzen. - -Thans keek hij den ander aan met een oolijken trek op het gelaat. - ---"Arme kerel," zei hij spottend, "heb je de veêren zoo lief? Hoe -je Brussel zult missen in ons goede, oude Gent. Maar wij geven je -wat wij hebben, en als de Fonteynisten, onze kamerbroeders, niet -spelen en de Gilden geen feest geven, dan schieten wij met den boog -of wij visschen." - ---"Ik zal je wat anders laten zien, als je te onzent komt, te Brussel," -zei Thierry, met een minachtenden glimlach. "Een zomerfeest in de -tuinen van Mevrouw van Parma is wat eêls! En al geven de Geuzen-edelen -hun lakeien een grauwe livrei, om Mevrouw te plagen, hunne feesten -zijn er niet minder om! Floris van Culemborg weet te leven!" - -Al sprekende waren de beide jongelieden het met boomen bezette plein -overgestoken. Achter hen sloeg de zware klok van St. Jakob drie uren. - ---"Culemborg, Brederode en de hunnen weten te leven, Jacques, dat zeg -ik je," herhaalde Thierry. "Jammer dat 't verraders zijn van onzen -Heere, den Koning van Spangiën." - -'t Werd op spottenden, tartenden toon gezegd, blijkbaar om verzet uit -te lokken, en de spreker slaagde naar wensch. Een hooge blos kleurde -het gelaat van den jongen Vlaming en zijn blauwe oogen flikkerden. - ---"'t Zijn geen verraders, die de rechten en vrijheden van den lande -verdedigen tegen vreemd geweld!" riep hij levendig. - ---"Vreemd geweld! En dat van den Koning, onzen genadigen Heere!" spotte -de ander. "Fraaie taal voor den zoon van den president van 't Hof van -Vlaanderen! Jacobje, Jacobje, wat een rebelsche taal. Draag je nog geen -geuzennapje op de muts, als je vrienden in Brussel en Antwerpen? Fij -van zoo'n jongen rebel!" - ---"Fij van den Nederlander, die heult met de creaturen van den -Kardinaal, Thierry de St. Foy!" riep de blonde jonkman met vuur. - -Thierry lachte gedwongen. - ---"Als de visch straks zoo goed bijt, als jij, Jacob Martens," zei -hij schijnbaar luchtig, "dan vangen wij de Lys leeg! Een enkel woord -over de kostelijke voorvechters van je dierbare vrijheden is lokaas -genoeg! Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat je vrijheidszin je -hoffelijk maakt voor je gast!" liet hij er ernstiger op volgen. - -Jacob Martens bleef staan. - ---"Je hebt gelijk, Thierry!" zei hij gulhartig. "Vergeef mij mijn -uitval. Je bent te Brussel aan 't hof en misschien kun je voor deze -dingen niet zóó voelen als wij!" - ---"Alsof 't er op aankwam, wat wij voelden of dachten!" riep -Thierry. "Geloof maar vrij, dat Brederode en Culemborg de zaken niet -zoo ernstig opnemen als jij, eeuwige dweper! Zij mogen schreeuwen over -de plakkaten en de Inquisitie en hun bedienden in grauw livrei steken, -zij vieren feest en laten het geld rollen en drinken als tempeliers!" - ---"Laten we liever over wat anders spreken!" zei Jacob Martens. - ---"Bijvoorbeeld over de mooie bruine oogen van joffer Madeleine?" zei -St. Foy met een snellen, loerenden blik. - -Jacob Martens kleurde. - ---"De oogen van joffer Madeleine de Bette behoeven niet te worden -besproken door twee jonge fanten, die uit visschen gaan!" zei hij -kort en droog. - -Weer barstte Thierry in lachen uit. - ---"Of je je verliefdheid verraadt, Jacques! 't Is aandoenlijk! De -mooie oogen van joffer Madeleine te heilig om er over te praten? Ik -weet, dat zij er anders over denkt! Ze glinsterden ten minste van -pleizier, toen je neef Boelman, de Fonteynist, het refrein voorlas, -dat hij voor haar gemaakt had. Hoe was 't ook weer: - -"Twee vierighe keerskens, die bernen als sonnen!" - -Jacob Martens antwoordde niet en liep stevig door. - ---"Ben je al geen retrosijn, Jacques, je hebt toch zeker ook al -verzen voor haar geschreven. Mag ik 't haar eens vragen?" ging de -plaaggeest voort. - -Jacob had zich intusschen hersteld en begrepen, dat hij het best deed -zijn makker met gelijke munt te betalen. - ---"Je moogt wel praten van verliefdheid, Thierry de St. Foy," -antwoordde hij vroolijk. "Wie zoekt er altijd het gezelschap van -de zoete joffers, en houdt amoureuse propoosten? Als een jonker uit -Brussel ze bezighoudt, hebben de meiskes oogen noch ooren voor een -simpelen scholier als ik." - -Nu was de beurt aan Thierry om te kleuren. - ---"Zeg maar, dat je jaloersch bent, Jacques!" zei hij. - ---"Natuurlijk! Wie zou er niet jaloersch zijn, als de zoete meiskes -zoo aan je lippen hangen, wanneer je vertelt van het Hof van Mevrouw -van Parma en de schoone feesten en brillante partijen, van menuetten -en sarabandes. Wat zullen wij simpele Vlaamsche knechten beginnen, -als een page van den hertog van Aerschot onze maagdekens het hoofd -op hol komt maken." - -De donkere jonkman beet zich op de lippen. - ---"De zoon van den president van den Raad van Vlaanderen behoeft niet -jaloersch te zijn van een armen hofjonker," zei hij bits. "Joffer -Madeleine en haar schoon goed zijn u in de wieg al toegedacht." - -Jacob Martens zweeg, verontwaardigd en verlegen tegelijk. Hij -was overtuigd, dat hij geen aanleiding gegeven had tot den ruwen -uitval. Maar wat zou hij er op antwoorden? Hij had er niet aan gedacht, -zijn vriend, een jongeren zoon uit een verarmde adellijke familie -uit Brabant, te kwetsen, en zoo hij zich schertsend had verdedigd, -dan was het omdat hij zeker in Thierry geen vertrouwde gevonden had -voor zijn gevoel voor Madeleine de Bette, die hij liefhad met de -mooie eerste liefde van een jong en rein hart. - -Zwijgend stapten de beide jongelieden voort door de slapende straten -van de oude Vlaamsche hoofdstad. De luiken der schilderachtige gevels -waren overal nog gesloten op dit vroege ochtenduur, en Gent sliep -nog in de grijze grauwe morgenschemering. - -Ze gingen langs het Hagenklooster en het sombere Simpelhuys met zijn -getraliede vensters, langs het groote klooster der Penitenten en het -Hebbeliens-hospitaal en liepen thans langs een der gemetselde kaden, -waartusschen de Lys vloeide. De deftige huizen maakten plaats voor -eenvoudiger woningen met uitstekende of overhangende houten gevels, -de steenen muur ging over in een met gras begroeide kade, de nauwe -straten gingen over in verstrooide buurten, en eindelijk liepen zij -tusschen weiden en korenvelden, want het oude Gent had zich uitgebreid -en zijne landelijke voorsteden gastvrij opgenomen in zijn beschermende -wallen. De weg liep uit op een zonderling en grillig gebouwtje: het -oude Peterscellepoortje, of Pieterseliepoortje, zooals het volk zeide. - ---"Is dàt de poort? En zouden ze ons zoo vroeg openmaken?" vroeg -Thierry. - ---"Geen nood!" zei Jacob Martens. "Aegte Jansdochter, mijn oude min, -is er portierster. Ik heb haar een boodschap gezonden, dat zij van -morgen vroeg poortgeld kon verdienen, en zij zou meer voor mij doen, -als 't noodig was, dan eens wat vroeg uit de veeren te zijn. En buiten -de poort wacht ons de beier met het aas." - -Hij had niet tevergeefs op de portierster gerekend. Een kloek Vlaamsch -wijf kwam uit het lage huisje bij de poort schieten en heette hen -met een vriendelijk lachend gezicht welkom. - ---"Hoe gaat het, Aegte? Niet boos, omdat wij je zoo vroeg uit de -veeren halen?" vroeg Jacob Martens gul. - ---"'t Is de eerste keer niet, jonker Jacob, dat je mij te vroeg uit -'t bedde haalt," zei Aegte Jansdochter met een breeden lach. "En dat -heb ik wel voor mijn voedsterkind over. Alles wel thuis, jonker?" - ---"Best, Aegt. Moeder alleen is, als altijd, zwak. Maar nu de -sleutels! Wij gaan visschen!" - -De sleutels rammelden; het winket in een der zware poortdeuren draaide -knarsend op zijn hengsels en Aegt stak de poortstuivers op. - ---"Goede vangst, jonkers!" - -De beide hengelaars stonden buiten de poort en zagen om zich -heen. Achter hen lag de slapende stad, vóór hen strekten zich de -welige landouwen van West-Vlaanderen uit, de vette weiden en golvende -korenvelden, sluimerende onder de lichte morgennevels van een beloken -Junimorgen. Rechts slingerde zich de Lys, aan haar steenen banden -ontkomen, langs haar met riet en lisch begroeide boorden, in breede -bochten door het groene landschap. - -Jacob Martens en zijn gast verlieten den weg en sloegen een voetpad -in, dat hen door de akkers naar de rivier voerde. - ---"Waar blijft de koddebeier nu, met het aas?" vroeg de Brusselaar. - -Martens wees op een alleenstaanden boom, dicht aan den oever. - ---"Daarginds, bij dien esch, zou hij ons wachten. Je zult hem wel -zoo dadelijk zien. De Welle is een man van zijn woord." - -Weldra hadden ze den oever en den boom bereikt. Een man, die, tegen -den stam geleund, peinzend naar de kabbelende golfjes van de Lys had -staan kijken, trad hen tegemoet. - -'t Was een lange, magere gestalte, gehuld in een grijslinnen kiel, die -hem tot aan de knieën reikte. Op het rossig blonde haar droeg hij een -ruige muts, waarin een eikelkapje was gestoken. Het bruine, door wind -en zon getaande gelaat was vol rimpels, als een overjarige appel. Twee -felle, lichtblauwe oogen keken de beide jongelieden aan met den -scherpen blik, dien men zoo dikwijls bij jagers en boschbewoners vindt. - ---"Goed op je tijd gepast, Pieter de Welle," riep Jacob Martens, -terwijl hij den langen man trouwhartig de hand reikte. "Wat dunkt je -van het weer?" - -De koddebeier bracht even de hand aan zijn ruige muts. - ---"Een kostelijke dag, jonker Jacob. De visch zal goed bijten." - -De toon van den man was noch lomp noch overdreven onderdanig. Er -sprak een ruwe vriendelijkheid en zekere gemeenzaamheid uit. Zijn -felle blauwe oogen richtten zich nu onderzoekend op Thierry de St. Foy. - ---"Een vriend van mij, Pieter," zeide Jacob, als antwoord op den -vragenden blik. "Onze gast uit Brussel." - -De koddebeier knikte weer. Thierry ergerde zich blijkbaar aan den -gemeenzamen toon en den onderzoekenden blik van den langen man en -draaide hem den rug toe. - ---"Hier is het aas, jonker," zei de Welle, terwijl hij op een -houten bak wees, die aan den voet van den boom stond. "Levende -voorntjes, dauwwormen en geronnen ossenbloed! Zal ik de hengels maar -klaarmaken? Hier heb ik het schepnet." - -Hij nam de hengels en hield zich ijverig bezig met de snoeren en -simmen. De jonkers zouden eerst hun geluk beproeven op snoek, met -vischjes en stukken geronnen bloed. - -Terwijl de koddebeier de vischsnoeren op de vereischte lengte bracht -en het aas aan de haken bevestigde, trad Thierry op zijn makker toe. - ---"Die koddebeier van je vader is een Geus!" beet hij hem in het oor. - ---"Och kom!" riep de ander ongeloovig. - ---"'t Is een Geus, zeg ik je," hield Thierry vol. "Kijk maar naar -dat eikelkapje op zijn muts. Dat is het teeken. De edelen en burgers -dragen de houten napjes aan den hoed en de boeren de eikelkapjes. Ik -heb ze te Brussel gezien, uit de omstreken van Antwerpen. Dààr wemelt -het van Geuzen en Sacramentarissen!" - ---"'t Mag zijn," zei Jacob Martens schouderophalend, "Geus of niet, -'t is altijd een eerlijke kerel geweest en ik mag hem graag lijden." - ---"Een mooie dienaar voor den president!" schimpte Thierry. - -Weer kleurde Jacob en schitterden zijn oogen. - ---"Wil dan toch begrijpen, Thierry," zei hij heftig, "dat wij, -Gentenaars anders denken dan jelui te Brussel. Wat raakt het mijn -vader, hoe het hof over zijn dienaars denkt?" - ---"Je vader is een dienaar van den Koning!" hield Thierry vol. - ---"Wij zijn dienaars van den Koning, als graaf van Vlaanderen!" riep -Jacob levendig. "Maar wij zijn vrije mannen van Gent en houden vast -aan onze rechten en privilegiën." - ---"Voor zooveel de Keizer die den vromen Gentenaars gelaten heeft," -tergde St. Foy. - ---"'t Aas is klaar, jonkers!" riep de Welle. - -Hij had ongemerkt meer van het gesprek verstaan, dan de beide -jongelieden dachten, en hij achtte het verstandig, het af te breken. - -Jacob Martens vatte den langen hengel en liet het levend aas met -den vluggen zwaai van een geoefend visscher in de golfjes van de -Lys neerploffen. Thierry volgde zijn voorbeeld, maar hij bleek -onhandig. Zijn snoer verwarde in het riet en de Welle moest hem te -hulp komen. - -Toch scheen de fortuin den onbekwamen visscher te -begunstigen. Nauwelijks dreef zijn dobber op het water, of hij verdween -met een korten ruk en de lijn van de klos, die aan zijn voeten lag, -liep snel af. - ---"Een flinke snoek! Vieren, jonker!" riep de koddebeier. - -Thierry liet de lijn uitloopen en palmde die toen, op de Welle's -aanwijzing, zachtjes en voorzichtig in. Toen de snoek weer aan de -oppervlakte was, schoot hij weer de diepte in en het snoer werd -weer gevierd. - -St. Foy kreeg pleizier in het werk. Aanvankelijk had hij zijn gastheer -slechts met tegenzin vergezeld, maar het geluk lachte hem toe. Jacob, -de ervaren visscher, werkte tevergeefs met zijn lijn, en hij had -terstond beet. Het lag in zijn aard, gaarne de eerste te zijn. - -Hij had er behoefte aan, op zijn succes te pochen en zijn makker -te plagen. - ---"Ik heb hem vast!" riep hij zegevierend. "Ik heb hem, als de Koning -zijn erflanden. De edelen mogen spartelen aan de lijn, maar ze komen -niet los! Zoo min als de snoek!" - -'t Was of het beest hem verstond, of misschien verzuimde de koddebeier -opzettelijk, het sein te geven om de lijn op het juiste oogenblik te -laten schieten. De kop van den snoek, die nog lang niet vermoeid was, -verscheen boven de oppervlakte van het water. Te vroeg! Een forsche -slag met den staart en bevrijd van den hoek schoot de visch weg in -de diepte. - -Jacob schoot in een luiden lach, toen, hij het beteuterd gezicht -van zijn makker zag, die met de losse lijn in de hand, vol -teleurstelling in het water staarde. Achter hen klonk een onderdrukt -gegrinnik. Thierry wendde zich boos om, maar het gerimpeld gezicht van -den koddebeier bewoog niet. Alleen de kleine blauwe oogen flikkerden -van inwendig genoegen. - -Met een boozen blik en een gemompelde verwensching wendde de Brusselaar -zich af. - ---"Neem mij niet kwalijk, Thierry," zei Jacob, die begreep, dat zijn -gast beleedigd kon zijn door zijn lachen, "'t spijt me heusch, dat -je zoo ongelukkig was. Maar 't was ook al te dwaas! Jij de Koning, -de snoek, de erflanden, die zoo vast aan de lijn zaten! En dan... paf, -weg was de snoek!" - ---"Lach maar!" bromde de teleurgestelde visscher. "De Koning zal jou -en alle Geuzen het lachen wel verleeren." - -Hij wierp een schamperen blik op Pieter de Welle, maar deze scheen -niet op hem te letten en hield zich ijverig bezig met den hengel, -dien hij opnieuw van levend aas voorzag. - -De visschers volgden den linkeroever van de Lys. Ze zouden de rivier -afvisschen tot boven Gent; dan zouden zij den stroom oversteken en -de stad door de Walepoort weer binnenkomen. - -De morgenschemering begon meer en meer te wijken. 't Liet zich echter -aanzien, dat de zon niet zou doorbreken. De hemel bleef egaal grijs, -met hier en daar een donkergrauw wolkje. Soms vielen er eenige -regendruppels, die kringetjes maakten in het loodkleurige water. - -De zilveren pluimen der rietbossen wuifden zachtjes in het Zuidwesten -windje. Soms vloog een eend of een pluvier, luid krijschend, op. Anders -lag het schoone landschap in kalme, droomerige rust. - -Ondertusschen werd de Lys ijverig afgevischt, maar het duurde eenigen -tijd voor zich weder een visch liet verschalken. Ditmaal was Jacob -de gelukkige. Zijn dobber dook met een korten slag onder en de lijn -liep met vaart uit. - ---"Een mooie snoek, jonker! Minstens een achtponder!" riep de Welle. - -Jacob vierde de lijn en begon toen voorzichtig in te palmen. - ---"Willen we nu ook eens wedden, Thierry?" riep hij vroolijk. "De -snoek is 's lands vrijheid! We hebben ze en we houden ze!" - -St. Foy haalde de schouders op, maar keek toch oplettend naar zijn -makker, die, als een geoefend hengelaar, met den snoek speelde, de -lijn behoedzaam inpalmde, maar die steeds op het juiste oogenblik -weer vierde. - -Eindelijk begon de snoek moe te worden, de lijn liep met telkens -minder vaart uit en Jacob Martens begon zijn buit voorzichtig naar -den oever te halen. Pieter de Welle nam het schepnet en stapte tot de -knieën in het water, Jacob fleurde den snoek zachtjes en met beleid -al nader en nader en weldra spartelde de visch in het net. - ---"We hebben hem! Leve onze vrijheden en privilegiën!" juichte Jacob -Martens en Pieter de Welle grimlachte. - ---"Zonder het schepnet had je hem nooit gekregen," zei Thierry met -een jaloerschen blik. - ---"Precies, jonker! We moeten passen op den rechten tijd, maar dan -krijgen wij den snoek ook!" zei de Welle, terwijl hij den visch met -een kennersblik beschouwde, voor hij dien in zijn tasch stak. "Een -mooie, jonker! Tien pond op zijn minst." En de koddebeier bracht den -hengel weder in orde, terwijl Thierry hem wantrouwend aankeek. - -Het geluk was hem gunstig. Hij ving twee kleinere snoeken en door -ditmaal getrouw de aanwijzingen van Jacob Martens en de Welle te -volgen, kreeg hij ze gelukkig aan land. En toen men, verder op den -ochtend, met dauwwormen naar baars begon te visschen,--waarbij het -minder op de bekwaamheid van den hengelaar aankwam--kon hij vrijwel -meedoen en hij geraakte gaandeweg geheel in zijn humeur. - -Zoo werd de Lys afgevischt, tot waar de rivier zich, ten Noorden -van de stad, met een andere vereenigt; hier was een veerpont, een -eenvoudige houten bak, waarmede de hengelaars naar den anderen oever -werden overgezet. - -Onderweg hadden zij een eenvoudig ontbijt van brood en kaas gebruikt, -maar thans was hun voorraad op, de veldflesschen waren ledig en zij -waren moe en hadden honger. Zij besloten dus, de visscherij er voor -heden aan te geven, en door de weilanden heen den weg naar Lokeren -te bereiken en zoo door de Walepoort naar de stad terug te keeren. - -De wind begon op te steken. Grauwe luchten kwamen aandrijven uit het -Zuidwesten en van tijd tot tijd viel er een warme regenbui. De zware -laarzen der hengelaars zoenden en smakten in de klei der vochtige -voetpaden en gleden uit langs de glibberige wallen der slooten. Doornat -en moe bereikten zij eindelijk de heirbaan en weldra naderden zij de -vestingwerken der stad. - -Het liep tegen acht uur. De poorten waren reeds lang open en de -hengelaars vonden op den weg verscheidene landlieden uit den omtrek, -die zich steewaarts begaven, en met wie Jacob Martens en Pieter de -Welle van tijd tot tijd een morgengroet wisselden. - -Plotseling rees in de stille zomerochtendlucht het gelui van een -klokje, schrille, scherpe klanken, die met naar geluid opjammerden uit -de slapende stad en klagend heenzweefden over het rustige landschap. - -Jacob Martens zag den koddebeier veelbeteekenend aan. - ---"'t Klokje van het Minorietenklooster," zei hij, "'t -armezondaarsklokje! Zou er halsrecht worden gedaan? Zoo vroeg?" - -Zij naderden de brug over de Nieuwe vaart, die naar de Walepoort -leidde. Even voor de poort verbreedde de voor de binnenlandsche -scheepvaart zoo belangrijke vaart zich tot een wijde haven. Aan de -kaden waren tal van vaartuigen vastgemeerd, en groote stapels van -balen en vaten getuigden van den bloeienden handel der Vlaamsche -hoofdstad. Gewoonlijk was de drukte des morgens reeds in vollen -gang. Thans echter stond het werk stil: schippers, waagdragers en -sjouwerlieden stonden in groepjes bijeen en tuurden naar de poort. - -Bij de brug stond een troepje mannen en vrouwen in de dracht der -West-Vlaamsche landlieden. Ook zij tuurden in dezelfde richting. Hunne -gezichten stonden ernstig en bedrukt; verscheidene der vrouwen -schreiden. Een kleine kreupele man bewoog zich onder deze groep en -sprak nu eens den een, dan weder den ander aan. Men luisterde naar hem, -maar de starende oogen bleven op de poort gericht. - -Boven de stad klepte en jammerde het armezondaarsklokje. - -In de grauwsteenen lijst der Walepoort verscheen een droevige stoet, -waarvan alle toeschouwers maar al te goed de beteekenis begrepen. - -Eerst kwam een ruiter, op een zwaar bont paard gezeten en gekleed -in een korten, zwarten tabbaard, met een tweekleurige baret op het -hoofd. In de hand droeg hij een rood geschilderden staf. - -Het was de "Roode Roede", de gerechtsbode van de Schepenbank. - -Achter den ruiter kwam een lage kar, getrokken door een mager paard -en begeleid door eenige gewapende dienaars. Voor de kar uit liep -een man, gekleed in een nauwsluitend gewaad van grove, roode serge, -met een muts van dezelfde stof op het hoofd. Hij werd op den voet -gevolgd door twee mannen in de gewone volksdracht, maar eveneens met -roode mutsen. Eén leidde het karrepaard bij den teugel, terwijl de -andere een rol touw droeg. - -Het waren de beul van Gent en zijne knechten. - -Op de kar, op een paar bossen stroo, zat de veroordeelde. Het -was een nog jonge vrouw: ze mocht ongeveer dertig jaar zijn. Ze -was blootshoofds en bij het dichte zwarte haar stak het strakke, -doodsbleeke gelaat scherp af. De donkere oogen blikten van tijd tot -tijd schuw rond; dan weder, als met eene uiterste inspanning van -den wil, wendde zij zich af van haar omgeving en zag zij op naar den -hemel. Een wijd kleed van bruine stof, dat aan een monnikspij deed -denken, bedekte hare gestalte tot den hals en een overslag hing als -een breede kraag van hare schouders af in breede plooien. - -Een oude monnik in bruine pij, een Minoriet, zat naast haar. Hij -hield een crucifix in de hand en van tijd tot tijd zag men zijne -lippen bewegen. - -De kar rolde de poort uit; een oogenblik klotsten de paardenhoeven -over de houten brug; toen boog de stoet links af, naar de haven. - -Boven de stad jammerde, pijnlijk schril en schel, steeds het -armezondaarsklokje. - -Zoodra de kar buiten de poort en over de brug was, sloten de mannen -en vrouwen, die haar blijkbaar hadden opgewacht, zich bij den stoet -aan en volgden dien naar de haven. Ook de beide jongelieden en hun -metgezel verhaastten hun stap en liepen mede, gedreven door de wreede -nieuwsgierigheid, die den mensch onwillekeurig drijft tot het huiverend -aanschouwen van wat hij verafschuwt. Weldra stonden zij tusschen de -boeren en schippers. Pieter de Welle had ruim baan voor hen gemaakt, -en velen kenden Jacob Martens, den zoon van den president, en gingen -voor hem op zijde. - -Zóó stonden zij in de eerste rijen, bij de stadskraan Daar hield de -kar stil. De knecht, die het paard voortleidde, had het dier doen -keeren, zoodat het krat van het voertuig naar het water was gericht. - -De schoutendienaars hielden het opdringende volk tegen, terwijl de -beul op een wenk van de "Roode Roe" op de kar klom en de veroordeelde -naderde. - -De oude monnik boog zich voorover; hij sprak luid en dringend en -hield de vrouw het kruisbeeld voor het gelaat. - -Zij wendde het hoofd af en keek met angstoogen naar het donkere water, -naar het volk om haar heen... - -Daar klonk een stem uit de menigte, een krachtige mannenstem. - ---"Sijt getrouwe tot in den doet, ende ick zal u geven die crone -des levens!" - -Een der vrouwen had de lange, zwarte huif afgeworpen en hield een -kind op hare armen omhoog, het hoog optillende boven de hoofden -der omstanders. - -De veroordeelde had omgezien, toen zij het Bijbelwoord hoorde. De -strakke angstblik verdween uit de starende oogen. Zij richtten zich -op het kind en vulden zich met tranen, de lippen beefden... - -De "Roode Roe", die kalm en onverschillig op zijn paard zat, had, -bij het hooren van den roep, vertoornd omgekeken en daarop een snellen -blik met de dienaars gewisseld. Hij knikte den beul toe. - -Deze greep de afhangende plooien van het bruine kleed, wenkte den -monnik terug en sloeg ze over het hoofd der veroordeelde. Het bleek -gelaat der vrouw verdween; hare blikken waren tot het laatste oogenblik -op het kind gericht. - -Het bruine kleed, blijkbaar een wijde zak, werd stevig boven het hoofd -van de veroordeelde toegesnoerd met het dunne, maar sterke touw, -dat de tweede knecht had gedragen. En nu reikte de beul voorover -en greep den ketting van de kraan, waarvan hij den haak in een lus -bevestigde. Daarop liet hij het krat vallen en terwijl de beide -knechts zich bij het windas plaatsten, vatte hij post bij den kop -van het paard en keek naar de "Roode Roe". - -De gerechtsbode was blijkbaar uit zijne onverschilligheid -opgeschrikt. Hij wierp onrustige blikken om zich heen; nu eens keek -hij naar het volk, dat met bleeke, strakke gezichten het tooneel -aanschouwde, dan weer als verlangend naar de stad. - -Daar dreunde het dof door de stilte; de Zuid-Wester deed de slagen -duidelijk hooren: acht uren! Het schelle klokje zweeg. - -De "Roode Roe" trok zijn gezicht in den ambtsplooi. Hij prevelde snel -eenige woorden en brak zijn staf. De beul gaf zijn helpers een wenk; -het windas piepte, de ketting spande zich en de zak rees omhoog aan den -arm van de kraan, terwijl de beul het paard een paar stappen vooruit -deed gaan. Een oogenblik zweefde de zak boven het donkere water van de -haven, toen lieten de knechts de spaken los, de ketting ratelde over -de katrollen, en met een doffen plomp verdween de last in het water. - -Een gesmoord snikken klonk uit het volk, dat, nu niet meer door -de dienaars weerhouden, naar den kant drong en zwijgend, met -angstige blikken, naar de breede waterrimpels staarde. De beul, -wiens aanraking allen angstig vermeden, stond op de steenen rollaag -en keek met kennersblik naar de opstijgende luchtbellen, daar, waar -de zak was gezonken. De knechten hielden zich bezig met de kar; een -van hen, een kerel met een dom, rood drankgezicht, haalde van onder -de voorbank een bierkruik te voorschijn en nam een flinken slok, -waarna hij de kruik aan zijn makker toereikte. - -Met een bleek gelaat had Jacob Martens het sombere tooneel -aanschouwd. Hij was een kind van zijn tijd; halsrecht en lijfstraf -waren een gewoon schouwspel in Gent en hij had reeds herhaaldelijk -een terechtstelling gezien. Zoo hij al medelijden had gevoeld voor -een gestraften misdadiger, 't was van voorbijgaanden aard geweest -en hij had altijd berust in 't noodzakelijke van de dikwijls wreede -straffen en volkomen vertrouwen gesteld in 't beleid der justitie -van Mijn Heere den Hoog-baljuw en Schepenen van Gent. Maar deze -vrouw was geen misdadige; hij had het maar al te goed begrepen aan -de houding van de omstanders, de zenuwachtige onrust der met de -terechtstelling belasten en de wijze, waarop de veroordeelde den -biechtvader had afgeweerd. Hij had een slachtoffer zien sterven van -de wreede plakkaten tegen de ketterijen, door Karel V uitgevaardigd, -door Filips herhaald en verscherpt, van die plakkaten, die een bloedige -geloofsvervolging bevalen, waaronder het land ging gebukt en die door -Roomsch en Onroomsch werden bestreden. - -Dat was geen justitie! dat was een moord! - -Jacob Martens wierp een blik naar zijne beide metgezellen. Thierry de -St. Foy was ook bleek geworden, toen de noodlottige zak neerplompte in -het water, maar hij dwong zijn gelaat tot een koelen, minachtenden -grimlach. Maar Pieter de Welle stond daar met gebalde vuisten -en saamgeklemde lippen, en zijne kleine, felblauwe oogen schoten -vonken. De kleine kreupele--'t was dezelfde, die de veroordeelde het -Bijbelwoord had toegeroepen--stond naast hem en die twee spraken tot -elkander met gesmoorde stem. - -Plotseling deed Jacob eenige schreden voorwaarts en drong door tot den -"Roode Roe". Hij trok den beambte aan den tabbaard. - -Wrevelig wendde de man het hoofd om en een lompe terechtwijzing lag -hem blijkbaar op de lippen. Toen hij echter den zoon van den president -van den Raad herkende, veranderde hij terstond van houding en nam -onderdanig zijn baret af. - ---"Wie was die vrouw, Rogiersz?" vraagde Jacob. "Wat had zij gedaan?" - ---"Een kettersche, jonker Jacob," antwoordde de beambte. "Agneta -Jansdochter, uit de Cellebroerstraat." - ---"Een kettersche? Maar ik dacht, dat Heeren Schepenen in den laatsten -tijd over Lutherye niet wilden vonnissen, zoomin als de heeren van -Antwerpen?" vraagde Martens. "De deken Titelman heeft er bij mijn -vader over geklaagd." - ---"Lutherije niet, jonker," zei de "Roode Roe" gewichtig. "Maar Agneta -Jansd. was eene Doopersche. Dat is "zware ketterije" en die wordt -nergens geduld. Ook voor de Sacramentarissen, die van de Geneefsche -ketterije, zijn Mijne Heeren van den Gerechte veel strenger dan voor -de Lutheranen. Maar vergeef mij, jonker, de executie is afgeloopen. Ik -moet naar de stad." - -De jonge man merkte, dat veler oogen nieuwsgierig of uitvorschend op -hem waren gericht. Het hinderde hem en hij wenkte zijn vriend en den -koddebeier, om te vertrekken. - -De meeste omstanders bleven staan wachten, om te zien, hoe het lijk -van de veroordeelde uit het water zou worden opgehaald. - -Zwijgend gingen de twee jongelieden, door de Welle gevolgd, over de -brug en door de Walepoort. - -Jacob Martens was ontroerd. Wat hij zooeven gezien had, had zijn -licht bewogen gemoed geschokt. Steeds zag hij den droevigen blik der -bleeke vrouw, tot het laatste oogenblik, eer de noodlottige zak, -die haar doodskleed zijn zou, haar gelaat bedekte, op haar kind -gericht. Weer een slachtoffer van dien heilloozen geloofsdwang, -den vrijen Nederlanden opgedrongen door den vreemden Heerscher, voor -wiens gezag zij zoo ongaarne bogen. Wat wisten de vrije steden van -Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Brabant in hun eigen, eeuwenoude -rechtspleging van kettervervolging? Zou de Gentsche regeering zich -hebben geleend tot het vellen van een doodvonnis over een vrouw uit -het Vrije der Stede, om zulk een oorzaak, als Keizer Karel haar niet -machteloos had gemaakt, de oude Gentsche democratie had ontwricht -en haar zijn eigen creaturen in een nieuwbakken regeeringsvorm had -opgedrongen? - -In tal van gemoederen in Holland, Brabant en Vlaanderen hadden de -woorden van 't verzoekschrift der edelen weerklank gevonden, "dat de -Inquisitie en de plakkaeten voortaen niet geschaepen zijn, dan afkeer, -onrust, oproer met allerley jammer en 's lands ondergang te baeren." - -'t Was een feit, wat de Edelen des lands daar hadden uitgesproken. Wat -had de Koning van Spanje zijne erflanden dien last der Inquisitie op -te dringen, wat, de aloude wetten en costuymen in een land van goede -justicie te verderven door zijn plakkaten? - -Hoe moedig was die vrouw in den dood gegaan--voor eene dwaling? Ja, -was het een dwaling? - -Jacob Martens was, als de meeste ontwikkelden van zijne tijdgenooten, -wel op de hoogte van den strijd, die in en om de Kerk werd gevoerd. Zoo -hij de geschriften van Erasmus niet had gelezen, hij had er toch over -hooren spreken. Het had hem tot nog toe weinig gedeerd. De ketters, -"die van de nye leere", waren het uitschot van de maatschappij, -lieden, die, om hun slordigen levenswandel ongestoord te kunnen -voortzetten, de banden van het geestelijk gezag hadden verbroken; -dit was de gewone opvatting, die algemeen geldig was in den kring, -waarin hij verkeerde. Wat hemzelf betrof, zijn godsdienst bestond -tot dusverre in een gedachteloos nakomen van zijn kerkelijke plichten. - -Maar nu hij in den laatsten tijd belang had leeren stellen in -den strijd van Oranje, Culemborg, Brederode en de hunnen tegen de -Inquisitie en de aanmatigingen van het gezag, was hij er vanzelf toe -gekomen om zich ook met de godsdienstige quaestie bezig te houden. - -En toen had hij gezien, dat het begrip "godsdienst" voor vele van -die ketters heel iets anders was, dan voor hem. Dat het voor hen -een geduchte realiteit was, een hoogste goed, waarvoor alles werd -prijsgegeven, als het zijn moest. Wat was dat dan toch voor een wondere -macht, welke die vrouw uit het volk den moed gaf, zwijgend neer te -zinken in het donkere water? Wat was die godsdienst, die de moeder -afscheid deed nemen van haar kind, en den bitteren dood deed kiezen -boven het leven, het kalme, rustige leven in den schoot der Kerk? - -De stem van Thierry wekte hem uit zijne overpeinzingen. - ---"Wat loop je te droomen, Jacob? Je bent zoo stom, als de visschen -in de ben! Heeft die kettersche het je aangedaan?" - ---"Een gruwelijk stuk! Dat die van Gent het lijdelijk aanzien!" riep -Jacob Martens, meer als uiting van zijn verontwaardiging, dan als -antwoord op de vraag van zijn metgezel. - ---"Een akelig gezicht, dat erken ik," zei Thierry, die het noodig vond -een zekere onverschilligheid te veinzen, hoewel het sombere tooneel -ook op hem indruk had gemaakt. "Maar wat wilt ge? Het Heilige Officie -en Mijne Heeren van den Gerechte kunnen wel niet anders doen! Waarom -blijven die ketters zoo hardnekkig aan hunne dolingen hangen? De -plakkaten.." - ---"Vermaledijd mogen de plakkaten en de Inquisitie zijn," riep Jacob -opgewonden. "Dolen de ketters, laat de Kerk ze dan onderwijzen. Dwaling -is geen misdaad!" - ---"Dat klinkt Erasmiaansch, om niet te zeggen rebelsch," zei Thierry -spottend. "Goed dat de deken het niet hoort." - -De ander haalde de schouders op en zwijgend vervolgde het gezelschap -zijn weg door de nu reeds drukker wordende straten. Weldra was het -huis van den president bereikt. Nauwelijks was de klopper gevallen -en de voordeur geopend, of Thierry snelde naar binnen, en naar zijn -kamer, bevreesd als hij was, dat joffer Madeleine hem in zijn nat, -bemodderd visscherspak zou zien. - -Pieter de Welle had zwijgend maar met zichtbaar welgevallen naar de -hartstochtelijke woorden van zijn jonker Jacob geluisterd. Toen deze -met een vriendelijk woord afscheid nam, zei hij eensklaps: - ---"Wanneer vertrekt die Brusselaar weer, jonker?" - ---"Overmorgen, Pieter!" - ---"Vraag dan aan den president of je met mij mede moogt gaan naar -Gentbrugge. Ik moet er een dasvarken uitgraven." - ---"Een dasvarken? Ik ben van de partij!" riep Jacob. - ---"Ja, een raar dasvarken!" zei de koddebeier geheimzinnig. "Ga met -mij mede, jonker! Zoo'n jacht heb je in je leven niet bijgewoond." - - - - - - - -II. - - -Voor een der hooge, smalle vensters van de ruime "sale" der deftige -heerenhuizinge zijner ouders stond Jacob Martens, tegen het uur van -het noen-maal en staarde peinzend naar buiten. - -Men zou in den keurig gekleeden jonker den natten, bemodderden visscher -van dien morgen niet hebben herkend. Een nauwsluitend donkerblauw -fluweelen wambuis, met nauwe, aan de schouders opgedofte mouwen, deed -zijn flinke gestalte goed uitkomen. De insnijdingen in de doffen der -mouwen lieten de witsatijnen voering zien, terwijl de korte broek, -van dezelfde stof als het wambuis, eveneens met witsatijnen linten aan -de knie was opgebonden. Verder droeg hij witzijden hozen en schoenen -van fijn Spaansch leder. - -Jacob Martens staarde naar buiten, voor zoover de gekleurde ruitjes, -die de roode rozen op gouden grond uit het wapen der Vlaamsche -Martensen in allerlei schakeering vertoonden, dit toelieten. Hij keek -naar het drukke tooneel, dat de Vrijdaegsmarkt aanbood, en zeker -moesten er allerlei gedachten opkomen in het brein van den jongen -Gentenaar, als hij staarde naar dat breede, met boomen beplante plein, -waaraan zulke machtige herinneringen verbonden waren aan een groot -verleden. - -Hier werden, sinds eeuwen, de "blijde inkomsten" der graven van -Vlaanderen gevierd, wanneer zij, na de privilegiën en rechten der stad -te hebben bezworen, door de trotsche mannen van Gent als heer werden -erkend. Hier hadden op den noodlottigen "kwaden Maandag" van het -jaar 1345 de machtige gilden van wevers en vollers in noodlottigen -kamp tegenover elkander gestaan en vijfhonderd slachtoffers -van dien treurigen burgertwist waren gevallen onder de geduchte -"goedendachs". Hier had, 40 jaren later, Philip van Artevelde den eed -der burgers ontvangen, toen hij ze aanvoerde tegen graaf Lodewijk, -den gehaten gunsteling van den Franschen koning. Hier was bij menig -oproer, bij menigen opstand de verzamelplaats geweest der Gentsche -burgers en er was een tijd geweest, dat de Dulle Griet van Gent, het -reusachtig kanon, dat daarginds op zijn steenen voetstuk sluimerde, -aan de vijanden van de oude stad haar donderend "halt" had toegeroepen. - -Waar waren de oude dagen van vrijheid en glorie gebleven. De Gentsche -vrijheden waren verbroken door de ijzeren vuist van keizer Karel; -Vlaanderen, met de andere Nederlandsche gewesten, boog zich noode -onder vreemden dwang, en voelde de vreemde, drukkende en dwingende -hand steeds zwaarder... - -Wat zou het worden? Wat zou er komen van den strijd tusschen den -koning en de edelen? Zag de jonge droomer misschien reeds het bloed -der edelste burgers van Gent, dat daar weldra zou rooken op diezelfde -Vrijdaegsmarkt? - -De breede deur der sale ging open en er vertoonde zich een groepje, -dat Jacob zeker haastig zou hebben doen omzien, wanneer hij niet -zoo in zijn gedachten verdiept was geweest. 't Waren twee meisjes, -die binnen traden, van negentien à twintig jaren: - - - "Sonne end mane, so vol van clementie, - "Vol suuvere claerheit end' soet indulgentie, - "Venus ende Juno, twee godinnen soet, - "Vol wonderbaer gratie ende fierheyt groet!" - - -had een rijmelaar, een kamerbroeder van de "Fonteyne" van de beide -"volscone maechdekens" gezongen, bij gelegenheid van het zilveren -bruiloftsfeest van Mr. Willem Martens, president van den Raad van -Vlaanderen, en zulks tot groote stichting van al de gasten en van de -"volscone maechdekens" in 't bijzonder. Maar zoo 's mans gerijmel -de beide meiskens zeker geen recht deed wedervaren, het contrast -tusschen beider schoonheid had hij zeer wel opgemerkt. Clara Martens, -de dochter des huizes, een blonde Vlaamsche, was het evenbeeld van -haar broeder, die slechts een jaar ouder was dan zij. Dezelfde blauwe -oogen tintelden met zachten gloed in het goelijke, frissche gelaat -der Gentsche schoone, en het scheen of broeder en zuster elkaar -volgden tot in de keuze van de kleur hunner kleeding. Clara toch -droeg een nauwsluitend jakje of kassekijntje van blauwe zijde, met -een rok van dezelfde stof; het zieltje of "hongerlyn", dat den boezem -bedekte, was blauw satijnbrocaat van een lichter tint, met zilveren -bloempjes geborduurd, terwijl de ingesneden doffen aan de mouwen -en de ter zijde opgenomen rok een ondergewaad toonden van dezelfde -kleur als het hongerlyn. De gevulde, poezele hals werd omsloten door -een eenvoudigen, platten Duitschen kraag, terwijl de blonde haren in -twee zware vlechten om het hoofd waren gewonden. - -Maar naast deze blonde schoonheid was de fiere gestalte van Madeleine -de Bette, de pupil en huisgenoot van den president, als de "sonne" -bij de "maen", zooals de kamerbroeder had gezegd. Zoo men op den -duur de frissche en goelijke Clara mocht hebben gekozen boven haar -schitterende vriendin, wie de beide meisjes bij elkaar zag, moest -geboeid worden door Madeleine's sprekende bruine oogen, door het -fijn besneden, ietwat bleeke gelaat, met dien trotschen mond, met de -volle rijpe lippen. Zij was grooter dan Clara en hare indrukwekkende -gestalte was haast te gevuld voor een meisje van haar leeftijd, maar -zeker was zij, zooals zij daar de sale binnentrad, in haar gewaad -van purperkleurige brocaatzijde een imposante verschijning. Het -ondergewaad, alsook het "hongerlyn" waren van licht geel "armosijn", -maar de stof van het laatste ging geheel schuil onder het rijke -borduursel van gouddraad. Een donkerrood fluweelen kapje, met een -juweelen bagge versierd, hield het ietwat kroezende zwarte haar in -bedwang en het schoone hoofd scheen te rusten op de plooien van een -statigen, Spaanschen kraag. - -Achter de beide meisjes kwam Thierry de St. Foy, en ook hij scheen bij -deze gelegenheid een bijzondere zorg aan zijn toilet te hebben besteed -en zag er uit, zooals men van een page van den hertog van Aerschot -mocht verwachten. Thierry droeg een zwart fluweelen wambuis, met tal -van kleine gouden knoopjes op de borst gesloten en van insnijdingen -voorzien, zoo aan de mouwen als op de borst, waardoor de geelzijden -voering zichtbaar werd. De zeer korte, opgedofte broek was met -geelzijden linten bevestigd aan de lange hozen van fijn zeemleder en -de hooggehakte schoenen waren versierd met groote rosetten van geel -satijn lint. Hij droeg een fluweelen hoed, tamelijk hoog van bol -en met smallen rand, en daarin schitterde de zilveren medaille met -de afbeelding van Onze Lieve Vrouw van Halle, door zijn pompeusen, -maar dommen meester, den hertog van Aerschot, aan de aanhangers van -de koningsgezinde partij opgedrongen als partijteeken en tegenhanger -van den Geuzenpenning. - -Toen het drietal den mijmerenden jonkman bespeurde, bleven zij staan, -terwijl zij een blik van verstandhouding met Thierry wisselden. Een -oogenblik hielden zij zich goed; toen barstten zij in een vroolijk -lachen uit, dat den armen Jacob verward en verschrikt deed omzien. - ---"Jacques, droomer die je bent! Op wie van de schoone meiskes van Gent -dicht je wel een zoet refereynke?" riep het blonde Klaartje vroolijk. - ---"Jacob is een tweede de Coninck. Hij peist op een conspiratie tegen -de Walschen. De Hoog-baljuw mag wel oppassen," grinnikte Thierry. - ---"Wel neen, hij was verdiept in de beschouwing van de roode rozen -van zijn wapen, daar op 't raam," spotte Madeleine. "Hij mijmert -over de groote en glorieuse daden, die hij eens zal verrichten, -als een tweede Heer Amadis van Gaulen." - -Maar Jacob had zich intusschen hersteld en was gereed den driedubbelen -aanval af te slaan. - ---"'t Is oirbaar te peizen over soete jofferen en over 's lands -vrijheden," zei hij, "maar als ik schoone rozen wil zien, zoek ik ze -elders, Madeleine, en ik vind ze ook!" - -Zijn bewonderende blik op de schoone jonkvrouw tegenover hem deden -een blosje rijzen op de bleeke wangen, terwijl Klaartje lachend riep: - ---"Ei, wat hoffelijke jonker! Wat kan hij schoon kallen! Maar zeg, -Jacob, wanneer je zoo graag de rozen bewondert op de wangen der -joffers, waarom heb je ons, arme meiskes, dan zoo den heelen morgen -alleen in den hof gelaten? Dat is te zeggen, alleen met mijnheere de -St. Foy, die ons aangenaam heeft bezig gehouden met een beschrijving -van het toilet van de hertogin van Aerschot, op het laatste festijn -bij Mevrouwe van Parma," voegde zij er spottend bij. - -Thierry beet zich op de lippen. - ---"En ik had een dankbaar gehoor, want de joffers luisterden zeer -aandachtig," kaatste hij terug. "Maar ge moet den armen Jacques -vergeven, joffer Madeleine, zijn gevoelig herte is te zeer aangedaan -om te ontluiken, zelfs in den gloed van uwe schoone oogen. Hij denkt -aan de kettersche, waarvan wij dezen morgen toevallig de executie -hebben bijgewoond." - ---"Een kettersche?" vraagde Klaartje. - ---"Ja, een van de Doopersche secte! 't Was een pijnlijk tooneel, waarop -Mijne Heeren van den Gerechte ons zoo ongezocht vergastten. Maar 's -Konings plakkaten moeten worden uitgevoerd en het baat zeker niemand, -als wij ons zoo zoet gezelschap ontzeggen uit teerhartigheid voor -een gestrafte sectarisse." - -Klaartje wierp een snellen, medelijdenden blik op haar broeder, -wiens sympathieën zij kende en waardeerde. Madeleine trok het fraai -gevormde neusje op. - ---"Hoe is het, kinderen? Al bij den noen en het ammelaken nog niet -gespreid?" zeide een strenge stem. - -In de deur stond de deftige gestalte van Vrouwe Martens, de moeder -van Jacob en Klaartje. De raadsheersvrouwe, in haar kleed van -fijn zwart laken, den kanten kraag om den nog gevulden hals en de -witte huive, die het gladgestreken grijze haar van voren slechts -gedeeltelijk bedekte, was een statige verschijning. Aan haar gordel -hingen sleutelring en stokbeurs, de teekenen harer waardigheid als -vrouw des huizes, benevens een rozenkrans met groot zilveren kruis, -want Vrouwe Martens was een geloovige katholieke. Haar streng gelaat, -met den vastgesloten mond en koele, grijze oogen, was meer geschikt -om eerbied en ontzag, dan om liefde in te boezemen. Toch werd haar -blik zachter, nu hij op de groep der schertsende jongelieden rustte, -en op vriendelijker toon herhaalde zij haar vraag. - ---"Fy, meiskens, hoe zijt ge zoo laat? 't Is al bij den noen en het -ammelaken is nog niet eens gespreid. De president kan elk oogenblik -komen." - ---"De jonkers hebben ons meiskens weer van onze taak afgehouden, -als gewoonlijk, moeder," zeide Klaartje, met een oolijken blik op de -beide beschuldigden. "Tot hun straf zullen zij helpen, de tafel aan -te rechten. Komt, heeren, maakt u nuttig en helpt ons." - -En onder het besturend oog van Vrouwe Martens begonnen de beide meisjes -de lange tafel--een eenvoudig blad op stevige houten schragen--te -dekken en aan te rechten, terwijl zij Jacob en Thierry lieten draven, -aanbrengen en wegdragen wat zij noodig of niet noodig hadden, alles -onder luide verwijten over hunne onhandigheid en onbeholpenheid. - -De jonker de St. Foy nam blijkbaar met hart en ziel deel aan dit -spel, veel meer dan zijn vriend, die, hoewel hij zich met zekere -goedhartigheid leende tot de plagerijen der vroolijke meisjes, -toch moeite had om niet te zeer te toonen, dat zijne gedachten -eigenlijk elders waren. Hij kon den hevigen indruk, dien hij van het -tooneel van dien morgen had ontvangen, niet van zich zetten en hij -merkte nauwelijks op, dat Thierry bijzonder veel werk maakte van de -mooie Madeleine. Hij vloog op haar wenken, nam haar spotternijen en -berispingen ootmoedig aan en antwoordde met vleiende complimentjes. De -schoone liet hem begaan en scheen niet ongevoelig voor de haar zoo -openlijk gebrachte hulde. Toch wierp zij van tijd tot tijd een snellen, -ongeduldigen blik op Jacob; het hinderde haar blijkbaar, dat deze, -anders haar gehoorzame slaaf en vurige bewonderaar, haar coquetteeren -met Thierry ditmaal niet eens scheen te merken. - -Ondertusschen hadden de beide meisjes het "ammelaken" over den disch -gespreid, terwijl aan het hooge einde daarvan nog een tweede tafellaken -van fijn linnen werd gelegd: het doblet. Uit de daarvoor bestemde -"nappe" werden de servetten of "dwalen" aan het hooger einde gelegd, -naast de tinnen teljoren, terwijl de messen met hoornen heften en de -ronde zilveren lepels mede niet werden vergeten. Het zout werd aan het -boveneinde, het brood aan het benedeneinde geplaatst en daarmede was -de tafel aangerecht. Thans was de beurt aan het fraai geschilderde -buffet van "wagenschot", en het was of de raadsheersvrouwe al de -heerlijkheden van haar "dressoir" voor hare gasten wilde ten toon -spreiden, want weldra prijkte het met een fijn ammelaken bedekte -bovenblad met zilveren en tinnen bekers, kroezen en "coppetassen", -pimpels, pyntgens en cannen, terwijl twee fraaie "barils", vaatjes van -buitenlandsch hout met zilver beslag, den wijn bevatten, die straks -den dischgenooten zou worden voorgezet. Tinnen en zilveren schotelen -en plateelen stonden in rekken naast andere van fijn aardewerk. - ---"Hebt ge ons niet voor een gast te veel laten dekken, lieve -moeder?" vraagde Klaartje, terwijl zij op de gedekte tafel wees. - ---"Neen, kindlief," antwoordde Vrouwe Martens; "uw vader heeft juist -heden morgen bericht ontvangen, dat de raadsheer Hopperus den coadjutor -zal vergezellen." - ---"O wee! Komt Ja-Mevrouw?" riep Jacob met komischen schrik. - ---"Jacob!" riep Vrouwe Martens bestraffend. - -De jonge man kreeg een kleur en zweeg. Hij wist, dat zijne -streng-katholieke, koningsgezinde moeder niet kon dulden, dat men -met minachting van de regeering en hare dienaren sprak. De spottende -bijnamen, door de oppositie aan verscheidene staatsdienaren gegeven, -waren haar een ergernis, en zoo de raadsheer Joachim Hopperus, -de vriend van president Viglius, zich door zijn meegaandheid en -eerbied voor de Landvoogdesse in den Raad van State den bijnaam van -"Ja, Mevrouw!" had verworven, zij duldde niet, dat die in haar huis -werd gebruikt. - -Aan het oogenblik van pijnlijke stilte, dat volgde op Jacobs -onvoorzichtigen uitval, werd een einde gemaakt door het binnentreden -van den heer des huizes, Mr. Willem Martens, president van den -Raad van Vlaanderen. Wie den kloeken man, met het open, schrandere -gelaat, aanzag, behoefde niet te vragen, of hij de vader van Jacob -en Clara was. Zij hadden dezelfde helderblauwe oogen, het volle -blonde haar. Alleen de mond en de volle kin hadden iets zwaks, -iets weifelends; dat bij zijn kinderen ontbrak. Vooral Jacob had den -vastberaden mond en de vierkante, van geestkracht sprekende kin van -zijn moeder. - -De president wierp een onderzoekenden blik door de "sale" en zei toen, -op den ontevreden toon van een man, die niet gaarne wacht, dat de -gasten laat waren. Hij trad naar het raam om naar buiten te zien. - -Zooals president Martens daar stond, in zijn deftigen zwarten -tabberd, volgens de mode dier tijden ook in dit seizoen met een -smallen rand bont omzoomd, was hij de type van den magistraat der -16e eeuw. Minzaam en populair en toch zich zijner waardigheid ten -volle bewust, levenslustig en zelfs, als 't er op aankwam, niet -afkeerig van een "goeden, Duytschen dronk", en tegelijk een bekwaam -en schrander jurist, wiens woorden met eerbied werden aangehoord, -stond hij bij beide partijen in hooge achting. - -Nog in het vorige jaar was hij met den Heer van Persijn, president -van het Hof van Utrecht en de bisschoppen Rithovius, Havet en -Homricourt--"tous gens doctes et excellens et fort suffisans," zooals -Hopperus verzekert--door de Landvoogdes naar Brussel geroepen, om te -beraadslagen over mogelijke hervormingen in leer en kerktucht en de -herziening der plakkaten. Hij had er geadviseerd tegen den zin der -invloedrijke oppositie, tegen het gevoelen der "drie heeren",--Oranje, -Egmond en Hoorne--maar hij had de achting der tegenpartij niet -verloren. - -Ondertusschen scheen de president, die door de kleine, in lood gevatte -ruitjes zijn blik over de drukke Vrijdaegsmarkt liet weiden, zijne -vrienden in het oog gekregen te hebben, want met een luiden uitroep -trad hij van het venster en naar de deur der sale. Weldra meldde de -slag van den zwaren klopper de komst der lang verwachte gasten en -Mr. Martens ging zelf naar beneden, om ze in het voorhuis te ontvangen. - -Een oogenblik later leidde hij ze binnen: eerst Viglius van Aytta -van Zuychim, een klein, schraal man, met lang geelgrauw haar en dito -baard en een paar slimme, diepliggende groene oogen boven bolle, roode -gerimpelde wangen. Hij was, zeker ter eere van het geestelijk ambt, -waartoe hij pas onlangs was benoemd--coadjutor van St. Bavo--in een -half wereldlijk, half geestelijk gewaad gekleed, stemmig in 't zwart -zonder eenig versiersel. Hem volgde de raadsheer Joachim Hopperus, zijn -vriend en geestverwant, die hem tijdelijk had vervangen als voorzitter -van den Geheimen Raad. 't Was een lang man, met een ernstig gelaat, -een hoog, gerimpeld voorhoofd, donkere, droefgeestige oogen en een -korten, zwarten puntbaard. Een geleerd, vroom en welmeenend man, maar -vreesachtig en beschroomd. Een trouw dienaar van het gezag, evenals -Viglius, maar eerlijker en onbaatzuchtiger dan deze; een geloovig -katholiek, doch wars van alle geweldige maatregelen en een vijand -van geloofsvervolging. Een man, die oneindig hooger stond en zijn -land en volk meer liefhad, dan de roerige, luidruchtige adel van zijn -tijd, die met groot vertoon van patriottisme een hoog woord voerde, -toen het gevaar verre was, en weldra, voor het grootste deel althans, -sidderend voor den overweldiger boog,--toch een man, wien het aan moed -en geestkracht ontbrak om veel voor zijn volk te zijn, en die bestemd -was om slechts de historieschrijver te zijn van den woeligen tijd, dien -hij beleefde, en om, na als een plooibaar, vreesachtig karakter het -gewillige werktuig te zijn geweest van een gouvernement, welks daden -hij moest veroordeelen, zijn leven te eindigen aan het hof te Madrid, -als Raad en Zegelbewaarder voor de zaken der Nederlanden,--wiens -gevoelen alleen dan werd gevraagd, als de achterdochtige Philips het -noodig oordeelde den eerlijken, maar al te plooibaren ambtenaar te -gebruiken, om zijn ware bedoelingen te verbergen. - -Vrouwe Martens ontving hare gasten met statige hoffelijkheid, getemperd -door Vlaamsche gulheid. - -Madeleine, Clara en Jacob, die zich bescheiden op den achtergrond -hadden gehouden, begroetten vol eerbied de beide staatslieden, waarvan -hun vader en voogd steeds met waardeering en hoogachting sprak, en -Thierry de St. Foy maakte zijn buiging met al den hoofschen zwier, -dien hij van de Spaansche en Waalsche edellieden in de omgeving van -de Landvoogdes had afgezien. - -Na eenige onbeduidende opmerkingen over het weder en de reis, zette -men zich aan tafel. De oudere leden van het gezelschap namen plaats -aan het hooger eind op lage met leder bekleede stoelen met hooge -ruggen, de jongelieden zetten zich aan het lager einde op met tapijt -bekleede banken. - -Nadat de "nappe" met frisch water was rondgegaan en allen de vingers -aan het fijne "dwale" hadden afgewischt, werd het eerste gerecht, -bestaande uit een salade van latuwe, zwijgend genuttigd, daar de -dienstboden nog af en aan liepen. Alleen deelde Hopperus op een -vraag van de gastvrouw mede, dat zijn bezoek een afscheidsbezoek -mocht heeten. Alle aanwezigen wisten, dat de raadsheer binnenkort -naar Spanje zou vertrekken, als opvolger van de Tisnacq, om aan het -Hof te Madrid den post van Groot-Zegelbewaarder en Raad voor de zaken -der Nederlanden te gaan bekleeden. - -Het tweede gerecht, bestaande uit een gebraden osserib, met een -potagie van bereide varkenspooten, schotels warmoes en grauwe erwten, -werd opgedragen. De tinnen kroezen, waarin anders het bier, dubbel -Leuvensch of Utrechtsch bruin, werd geschonken, bleven thans ongebruikt -op het dressoir staan. Vrouwe Martens schonk haar aanzienlijke gasten -edeler drank: uit de beide fraaie "barils" vloeide de wijn, Fransche -"claret" of "malveseye" in de zilveren of fijn houten met zilver -beslagen bekers. - -Zoodra het hoofdgerecht was opgedragen en de dienstboden zich hadden -verwijderd, opende president Martens het gesprek over het onderwerp, -dat aller harten en hoofden bezighield: het compromis der edelen, hun -smeekschrift en de houding der regeering tegen dit stoute optreden van -den adel. Het was algemeen bekend, dat de "Moderatie" der plakkaten, -door Viglius en Barlaimont ontworpen in afwachting van de koninklijke -goedkeuring, aan de Gewestelijke staten waren toegezonden, maar dat -men zich met het voorstel weinig ingenomen had getoond. - -Het gesprek werd beurtelings in de landstaal en in het Fransch gevoerd. - ---"Het is voorwaar voor allen, die het wèl meenen met den lande -en onze Heilige Religie, te hopen, dat Madame zich geen vreeze -late aanjagen door de Heeren--"gueux" noemen ze zich immers? wel -terecht!"--zeide Vrouwe Martens met een strengen trek om den harden -mond. "Deze ketterijen--sectes dampnables et réprouvées--zijn de -oorzaak van alle troebelen in den lande." - -Hopperus bewoog zich zenuwachtig in zijn ruimen zetel heen en weer. Hij -was een geloovig katholiek en een gehoorzaam zoon der kerk, maar -ketterjacht en Inquisitie stuitten hem tegen de borst. Hij droomde -van een hervorming in den boezem der kerk, van een vernieuwing van -haar geestelijk leven, waardoor zij de afvalligen en ongehoorzamen -weer in haar schoot zou verzamelen. - -Viglius nam op zich de strenge vrouw te beantwoorden. - ---"In trouwe, Vrouwe Martens," zei hij, met de sluwe, doordringende -oogjes knippend, "als Madame slechts doen kon, wat zij wilde! Maar -voor 't oogenblik zijn de Heeren haar te machtig en is de gemeente -te woelig. Het ware thans niet geraden, met geweld te weerstreven. En -zoo het slechts de heeren alleen waren! Zoo er geen ander zich achter -hen verschool!" - ---"Gij meent, dat de prince van Oranje?".... vraagde de oude Martens. - -Viglius knikte veelbeteekenend. - ---"Hij beweert, niets van het Compromis te weten, en het af te keuren," -vervolgde hij. "Alsof zijn broeder, Louis van Nassau, iets zou doen -zonder hem! Alsof Brederode, Culemborg en van den Bergh alleen dit -spel zouden durven spelen." - ---"Maar het zijn niet de edelen, die te vreezen zijn," ging hij na -eenige oogenblikken voort. "Wat de vijand is, dat is de ongehoorzame -en rebelsche geest dezer landen, die geen meester wil erkennen. Ieder -is zijn eigen meester! Ieder gewest, elke stad, heeft zijne vrijheden -en rechten en denkt slechts aan zijne belangen en niet aan die des -konings en van den lande. Als de koning herwaarts komt, dan zal het -slechts zijn om zijn erflanden te brengen tot één bestuur, onder -eenzelfde wet. Eén koning, één religie, één wet! En daartoe moeten -alle trouwe dienaren en onderdanen krachtig medewerken." - -En wat Viglius zeide, meende hij. Hij was de man der monarchie. Hij -verdedigde de belangen van zijn meester, den koning van Spanje--al -vergat hij daarbij zijn eigen belangen niet!--maar hij meende toch -in oprechtheid zóó ook zijn vaderland te dienen. De toestand der -Nederlandsche gewesten leek dezen strengen jurist een toestand van -anarchie en willekeur en hij wenschte een vast bestuur en eerbied voor -de wet. Hij vond een bonte verscheidenheid van zeden en gewoonten, -van rechten en belangen, soms van de meest tegenstrijdige, en hij -wilde éénheid, eenheid en eendracht. Jammer maar, dat hij zich geen -anderen weg kon denken om zijn schoone gedachte te verwezenlijken, dan -de weg van het absolutisme, van het van boven opgelegde. Een eenheid, -die opgroeien, die zich ontwikkelen zou uit die bonte verscheidenheid, -de gedachte was hem te hoog; hij wilde zijn ideaal bereiken, door die -woelende, bonte massa--een volk in wording--te wringen in den vorm, -zooals hij en zijn meester dien hadden uitgedacht. - -Viglius' uitval had op de aanwezigen een zeer verschillenden indruk -gemaakt. Vrouwe Martens knikte goedkeurend, met gefronst voorhoofd en -streng toegeknepen lippen. De president bewoog zich onrustig op zijn -stoel heen en weer: hoe koningsgezind hij ook heette, hij kon soms niet -vergeten, dat hij een vrije Vlaming en een Gentenaar was. Hopperus -keek zijn kloekeren vriend vol bewondering aan. Thierry de St. Foy -luisterde met een voornaam glimlachje en stiet Madeleine eens aan, -terwijl hij met een knipoogje naar Jacob wees, die den spreker met -fonkelende oogen en een blos van ergernis op de wangen, zat aan te -staren. Zijn eerbied voor zijne ouders en de beide deftige staatslieden -weerhield hem nauwelijks, zich in het gesprek te mengen. Clara keek -met eenige onrust naar haar broeder, terwijl de fiere Madeleine zich -blijkbaar ergerde. - ---"Wat zou de adel toch ten slotte bedoelen, met dat ijveren -tegen de plakkaten en de Inquisitie en dat tegenwerken der nieuwe -bisschoppen?" vraagde president Martens. "Wat willen de Heeren toch -bereiken?" - -Viglius lachte schamper. - ---"Dat zouden de Heeren misschien zelve niet weten te zeggen," zeide -hij. "Er zijn zeer verscheiden stroomingen onder, voorwaar! Daar -zijn de oudsten en machtigsten, wien het leed is, dat de Koning -zijne raadslieden kiest, en de hooge ambten niet wegschenkt aan de -Nederlandsche Heeren, omdat ze een wijd-klinkenden naam dragen. Daar -zijn de loshoofden en roekeloozen, die vreezen voor de tucht der -geestelijkheid, als er goede en heilige mannen op den bisschoppelijken -stoel zitten. Daar zijn de loozen en eerzuchtigen, die in troebel -water denken te visschen en dan ten slotte de groote hoop, de jonge -Heeren, die allen bezield zijn door een geest van pestilente rebellie -en oppositie tegen het gouvernement. Zij spelen met vuur, die dwazen, -en zij verleiden het volk, dat op hen steunt en rekent en waarover -zij nog een zee van jammer en ellende zullen brengen." - -En weer zag Jacob Martens den spreker aan met een blik van weerzin -en ongeloof. Het kon niet waar zijn! Die mannen, die daar te Brussel -pal hadden gestaan voor de vrijheden des lands, zouden slechts een -bende eerzuchtigen, intriganten en oproermakers zijn! Onmogelijk! - -Hij hoorde, hoe de grijze staatsman, terwijl de jongere leden van -het gezelschap een eerbiedig stilzwijgen bewaarden, de voornaamste -leden van het Verbond der Edelen besprak en daarbij vooral hun -"chronique scandaleuse" niet vergat, want de oude Viglius was geen edel -tegenstander, aanvallen van persoonlijken aard waren in die dagen aan -de orde van den dag en de zeden van den adel gaven maar al te veel stof -aan een booze en scherpe tong,--ook al waren die van de partijgenooten -van den spreker niet beter, al waren de Croys om hun zedeloosheid -berucht en al was Granvelle's leven lang niet onberispelijk geweest. - ---"En de gemeente? Vreest ge geen woelingen onder het volk?" vraagde -de oude Martens. "Men zegt, dat het weder te Antwerpen zeer roerig -toegaat, en dat het Consistorie van die van de Geneefsche ketterije -zich krachtig weert." - ---"De gemeente vermag niets, zonder den adel, waarop zij steunt en -die haar beheerscht," zeide Viglius, een der gezegden bezigend uit -zijn befaamde toespraak tot het kapittel der Vliesridders. "En als -wij de edelen onderwerpen, volgen de "cleyne luyden" vanzelf." - -En de Geschiedenis heeft den kortzichtigen staatsman in het ongelijk -gesteld. Zijne partij heeft den adel onderworpen. Binnen weinige jaren -zouden de Heeren, die thans zoo fier en stout zich kantten tegen het -gezag, en vrijheid eischten, vrijheid des gewetens bovenal, voor -een deel vreesachtig het hoofd hebben gebogen, en voor een ander -deel als verraders en afvalligen in Spaanschen dienst diezelfde -vrijheid bestrijden, terwijl slechts enkelen trouw bleven aan de -goede zaak. Maar de "cleyne luyden", de burgers en boeren, bogen niet -en werden niet afvallig! Thans gloeide en smeulde het vuur onder de -asch: als de vlam zou uitslaan, dan zouden absolutisme en Inquisitie -in dien gloed verteren! - ---"De Martinisten, die van de Augsburgsche confessie," doceerde Viglius -weder, op een vraag van Vrouwe Martens, "zijn minder te vreezen in -zaken van politiek. Zij mogen een gereprouveerde secte zijn, sinds zij -zich met de Duitsche vorsten verdroegen, zijn zij minder geneigd tot -rebellie. Er zijn er zelfs onder ons, die zich met hen zouden willen -verdragen, al zal de Koning hierin nimmer toestemmen. Maar die van -de Geneefsche ketterije, die men Sacramentarissen of Gereformeerden -noemt, en die het Heilig Sacrament der Misse ten eenenmale verwerpen, -zijn gevaarlijke sectarissen, die groeien in de perturbatie van den -lande. Zij worden steeds stouter en driester, en naar ik heb hooren -verluiden, vervorderen zij zich geheime conventikelen te houden, -waar hunne predikanten leeren en zelfs doopen. Deze secte neemt, -zoo hier als in Brabant en Holland, onrustbarend toe, ondanks de -plakkaten en de bemoeiïngen der Eerwaarde Heeren Inquisiteuren." - ---"Zou het niet beter zijn," waagde Hopperus schuchter, "dat men niet -zoozeer onderscheid maakte tusschen Christenen en Christenen, en dat -men die van de nieuwe religie van dolinge zocht te overtuigen! En -zouden geestelijken en klerken niet beter door een heiligen en -godzaligen wandel dan door vier en zwaard de dolenden in den schoot -der Kerke terugbrengen?" - ---"In trouwe, neen!" barstte Vrouwe Martens heftig uit, terwijl een -blos van ergernis hare bleeke wangen kleurde. "Wat zou men zachtheid -met de ketters gebruiken, die moedwillig aan hunne dolingen blijven -hangen? Zij verwerpen boosaardiglijk de leer der Heilige Kerke en -hare geestelijke banden om te kunnen leven in vuige bandeloosheid. - - - "Der heyligher Kercken goedertieren lasten - "Versmaet Luther met sijnen ondieren gasten!" - - -zooals het vrome maagdeken, Anna Byns, tot Antwerpen, in haar suverlyck -boeksken zegt. En wat de weinigen aangaat, die in onwetendheid dolen, -het is voor hunner ziele zaligheid, zoo zij hier smarte lijden en -zoo hunne zielen van de helsche straffen bevrijden." - -Een oogenblik van pijnlijke stilte volgde op dezen uitval. Hopperus -zweeg verlegen, want Viglius wierp hem een bestraffenden blik -toe. Jacob staarde peinzend voor zich uit. Weer zag hij voor zich het -bleeke, berustende gelaat der veroordeelde ketterinne, de ernstige -strakke gezichten der omstanders, blijkbaar hare geloofsgenooten: -dat waren voorzeker geen "ondiere gasten", die de geestelijke tucht -verwierpen om ongestraft te kunnen zondigen. Hij wist ook wel, hoe de -"nieuwe leer", vooral die, welke zijne moeder de Geneefsche ketterije -noemde, uit Noord-Frankrijk over de grenzen gedrongen, overal ingang -vond; hoe de ketters in de Vlaamsche steden en op het platteland -bij duizenden gevonden werden. Wat was dan toch die vreemde macht, -welke die eenvoudige menschen noopte een godsdienst te belijden, -die hun slechts ellende en dood kon brengen. En of zij dwaalden -of niet--waarom mochten de vrije mannen en vrouwen van Vlaanderen -niet denken en gelooven, wat zij wilden? En wanneer hij dacht aan de -woorden van president Viglius, den trouwen steunpilaar der regeering, -dan begreep hij, dat men te Brussel slechts tijd wilde winnen, en dat -de Koning aan de wenschen van zijn Nederlandsche onderdanen nimmer -zou toegeven. - -Maar het "tweede gerecht" was geëindigd; de "nappe" met de "dwale" -ging weder rond om de gasten in de gelegenheid te stellen, de vingers -te reinigen, de "natuurlijke vorken", waarmede zij gegeten hadden, -en de "naedisch" werd opgedragen, bestaande uit "frituyren ende -gebacken", "een gedopte taert" en eenige schotels met kleiner gebak, -"roffiaelen, St. Jacobsschelpen en wafelen", de triomf van Vrouwe -Martens. Vruchten, kaas en suikerconfijt, "om de maag te sluiten", -vormden het slot van het nagerecht, waarbij "Rhijnsche wijn" werd -gedronken uit groene glazen fluiten. - -Thierry de St. Foy kon, ondanks zijn gewijde medaille, niet nalaten bij -deze gelegenheid een zijner booze pagestreken uit te halen. Met een -uitgestreken gezicht en hoofschen zwier bood hij den ouden Viglius -een schaal met oranjeappelen aan, en merkte schijnbaar niet op, -dat de grijsaard, bij zijn stugge weigering, rood werd van ergernis. - -President Martens wierp een ontevreden blik op zijn onbescheiden gast: -hij en alle aanwezigen begrepen de booze bedoeling zeer wel, want het -was algemeen bekend, hoe gespannen de verhouding was tusschen Viglius -en den prins van Oranje sedert de stoute redevoering van den laatste -in den Raad van State, in het late najaar van 1564. De anders zoo -voorzichtige Oranje had bij die gelegenheid stoutelijk uitgesproken, -dat hij, "hoewel hij had voorgenomen de katholieke religie aan te -hangen, nochtans niet goed kon vinden, dat de Prinsen gebied willen -voeren over de gemoederen der menschen en hun de vrijheid des geloofs -en der Religie willen benemen." En Viglius had zich dien stouten aanval -tegen het gezag zoo aangetrokken, dat hij na een slapeloozen nacht des -anderen daags door een beroerte was overvallen. Geruimen tijd had hij -zijn ambt niet kunnen waarnemen en Hopperus had hem moeten vervangen. - -Het "noenmaal" was nu afgeloopen, en, op verzoek van den gastheer, -had Viglius, in zijn nieuwe geestelijke waardigheid, de "benedijst" -uitgesproken. - -Terwijl de oudere leden van het gezelschap nog bijeenbleven, om het -gesprek over het onderwerp van den dag voort te zetten, gingen de -jongelui naar een ander vertrek, om er te spelen met de "plombeelen", -looden schijven, die met een soort kolven over een daartoe ingerichte -tafel werden voortgeschoven. Na een poosje scheen het spel de schoone -Madeleine te verdrieten; zij wierp haar kolf weg en liep den hof in en -Jacob volgde haar, onder voorwendsel, dat zijne weêrpartij hem in den -steek liet en dat hij haar moest gaan halen. Ook Thierry zou gaarne -het spel hebben gestaakt, maar Klaartje, die de bedoeling van haar -broeder uitstekend begreep en hem als een trouwe zuster wilde helpen, -liet er hem geen gelegenheid toe, terwijl zij er lachend op aandrong, -dat hij de partij met haar zou uitspelen. Uit beleefdheid tegenover -de dochter des huizes dorst hij niet weigeren. - -Het duurde een poos, voor Jacob in den vrij uitgestrekten hof zijne -schoone gevonden had. Eindelijk zag hij het purperen kleed tusschen -het groen doorschemeren. Madeleine de Bette stond bij een rozenperk -en ontbladerde achteloos een vroege Juniroos. Toen de jonge man haar -naderde, wendde zij zich als ongeduldig af. - ---"Dat is niet mooi van je, Madeleine, dat je ons zoo in den steek -laat," zeide Jacob schuchter. - ---"Als de jonkers het gezelschap van ons meiskes niet op prijs stellen, -doen wij beter hen aan hun lot over te laten en zelve troost te zoeken -in de eenzaamheid," zeide de schoone spijtig. - ---"Ge hebt u anders over de jonkers niet te beklagen, joffer -Madeleine," antwoordde Jacob, thans op zijn beurt geprikkeld. "Thierry -de St. Foy heeft u den ganschen dag het hof gemaakt en het scheen u -wèl te bevallen!" - ---"Hij heeft althans aan het Hof te Brussel hoofsche manieren -geleerd en weet, hoe met de joffers te kouten," zei Madeleine met -een zijdelingschen blik, "'t ware te wenschen, dat onze Vlaamsche -jonkers wat bij die van Brabant ter schole gingen." - ---"Ze behoeven er althans geen trouwe te leeren, zooals voor Vlaamsche -meiskes wel noodig schijnt," riep Jacob, nu ernstig boos. "Ik laat -u dan maar aan uwe gepeizen over de galante Brabantsche jonkers, -joffer Madeleine." - -Het meisje zag hem even lachend na, terwijl hij met groote stappen -het tuinpad opliep. - ---"Jacques!" riep zij toen. - -De jonge man keerde zich om. Er lag een uitdrukking van zachtheid -en teerheid op het gelaat der fiere jonkvrouw. Hare donkere oogen -lachten hem toe. Hij vloog op haar toe en vatte hare beide handen. - ---"Niet boos zijn, Jacques!" vleide zij. "Je moogt niet jaloersch -zijn! Maar waarom ben je ook zoo stil en ingetrokken vandaag? Is dat -nu al om die gevonniste ketterin?" - ---"Dat kun je niet begrijpen, Madeleine!" zei Jacob ernstig. "Ik wou, -dat ik 't je zeggen kon, wat mij beweegt, maar...." - ---"Nu, en dat wil ik ook niet begrijpen," zei het meisje -ongeduldig. "Al dat praten over zaken van politiek en religie vind -ik vervelend. Dat is goed voor je vader en den ouden president. Maar -zeg mij eens, Jacques, hoe lang zul je nog te Leuven studeeren?" - ---"Nog twee jaren, vóór ik magister ben," zei Jacob. "Een eeuwigheid, -Madeleine!" - ---"En dan vraag je je vader om je een post te bezorgen te Brussel, -Jacques! Ik hunker naar Brussel, als Thierry van die feesten -vertelt. En men zal je gaarne zien aan het hof van Madame!" - -Een wolk trok over het voorhoofd van den jongen man. - ---"Een post bij de regeering!" zeide hij. "Vóór dien tijd kan er veel -gebeuren, Madeleine, en..." - ---"Maar niets tusschen ons toch, Jacques," fluisterde het meisje, -en zag hem diep in de oogen. - -Jacob sloeg in vervoering zijn arm om haar slanke leest. Zij weerde -hem niet af. - -Toen de twee jongelieden na een poos weder aan de "plombeeltafel" -verschenen, droeg Jacob een roode, half ontloken Juniroos in zijn -wambuis. Hij was het verdere gedeelte van dien dag bijzonder opgewekt, -terwijl Thierry nu op zijn beurt verdrietig en gemelijk was. - - - - - - - -III. - - -Eenige dagen later, op een schoonen Junimorgen, bevond Jacob Martens -zich met Pieter de Welle even buiten het Vrije van Gent, op den -weg naar Oudenaerde. Thierry de St. Foy was weder naar Brussel -vertrokken en had zijn best gedaan, om in de laatste dagen van zijn -verblijf te Gent bij het gezin Martens en inzonderheid bij de beide -meisjes, een aangenamen indruk achter te laten van zijne hoffelijke -persoonlijkheid. Jacob wilde het zich niet bekennen, maar hij was in -zijn hart blijde, dat de page van den hertog van Aerschot vertrokken -was. Het welgevallen, waarmede de meisjes, en vooral Madeleine, -luisterden naar de verhalen en complimenten van den hoofschen jonker, -was aan die stemming niet vreemd, maar toch was er ook een edeler -oorzaak voor de verkoeling van zijn vriendschap. Thierry was de -dienaar van het huis Croy, de page van Aerschot, het hoofd der -regeeringspartij. Hij was een ijverig aanhanger der regeering, en -daar hij wel wist, dat ook de president en vooral Vrouwe Martens door -en door koningsgezind waren, en het streven der edelen, der Geuzen, -zooals het toen reeds heette, verfoeiden, verzuimde hij niet, steeds -zijn gehechtheid aan koning en kerk duidelijk te doen uitkomen. Hij -had er een boosaardig vermaak in gevonden, den armen Jacob, wiens -nationale en vrijheidlievende sympathieën voor zijne huisgenooten -geen geheim waren, in tegenwoordigheid zijner ouders te prikkelen -tot tegenspraak, tot verdediging van hen, die de maatregelen der -regeering, vooral de vervolging om des geloofs wil, bestreden, en de -toornige uitvallen van den president, de harde en strenge woorden -der moeder tegen den zoon, die zijn medegevoel voor de rebellen en -ketters niet verborg, het minachtend glimlachje van Madeleine de Bette, -wanneer zij sprak over Jacques' liefde voor 't vileijn gepeupel, waren -naar het hart van den Brabantschen jonker. Zoo ontstond tusschen de -vroegere vrienden eene verwijdering, dezelfde verwijdering, die in -die droeve dagen bestond tusschen betrekkingen en vrienden, tusschen -landgenooten en bloedverwanten, en die weldra zou aangroeien tot een -onoverkomelijke klove. - -En ondertusschen hadden Jacobs denkbeelden en sympathieën zijn -bezorgden vader aanleiding gegeven, om zijn zoon, bij het toenemen -van den oproerigen geest in Vlaanderen en Brabant, nog niet naar de -universiteit te Leuven te doen vertrekken, maar hem terug te houden -te Gent. - -En zoo was Jacob Martens thans, in plaats van zich bezig te houden -met het Romeinsche recht, met Pieter de Welle, den koddebeier, op het -pad naar Gentbrugge, waar president Martens inderdaad bouwlanden en -bosschen bezat, om, zooals de Welle hem had beloofd, een "dasvarken" -uit te graven. - -Jacob had de uitnoodiging van den beier in vollen ernst aangenomen. De -jacht op den das was in heel Duitschland en ook in de Nederlanden een -geliefkoosd vermaak bij de gezellen van St. Huibert, wanneer de jacht -op hazen en hoenders gesloten was,--want verordeningen en plakkaten -om het wild te beschermen bestonden er toen als nu. Meester Grimbaert -was echter, evenals zijn neef, de vos, buiten de wet gesteld. Hem -mocht men te allen tijde vervolgen. Wanneer zijn hol was ontdekt, -werd hij met dashonden door de gangen zijner woning naar den "ketel" -gedreven, het ruime, ronde hol, dat zijn eigenlijk verblijf was. Dààr -hield hij stand, om zich met zijn geduchte klauwen tegen zijn keffende -belagers te verdedigen. Hoorde de jager, aan het aanslaan der honden, -diep onder den grond, dat de das tot staan was gebracht, dan werd -het hol met spaden opgegraven en het arme dier met de dasvork, -een lansijzer in den vorm van een kurketrekker aan een langen stok, -gespiest en uit zijn hol getrokken. - ---"Waar is het hol, Pieter?" vraagde Jacob. - ---"In het Oudegeester bosch, achter Gentbrugge," antwoordde de Welle, -geheimzinnig lachend. "Je zult vandaag een jacht hebben, jonker, zooals -je nog nooit hebt gehad. Maar we gaan eerst naar mijn huis. Mieke -zal wel een bol brood met kaas en een nap wei voor ons hebben." - ---"Durf je je mooie dochtertje zoo maar alleen thuis laten, -Pieter?" vraagde Jacob. "Je bent zoo dag en macht op het pad. En -zeker zijn er wel vrijers, die op het mooie meiske loeren." - ---"Mieke is een goed en vroom kind," zeide de koddebeier. "Sinds hare -moeder--God hebbe haar ziel--van mij werd weggenomen, heeft zij mij -geen uur van zorg gegeven. En zoo daar al rauwe kornuiten mochten -zijn, die het haar lastig zouden willen maken, dan weten zij wel, -dat Pieter de Welle een stevige kodde voert." - -Een poosje gingen beiden zwijgend verder. Jacob had opgemerkt, dat -de Welle, toen hij zijn gestorven vrouw herdacht, geen kruis had -geslagen. Zijn oog viel verder op het eikelkapje in de kaproen van -zijn metgezel en hij dacht aan diens houding bij de terechtstelling -der ketterinne buiten de poort en de bewering van Thierry de St. Foy, -dat de koddebeier het herkenningsteeken der Geuzen droeg. Hij had -er den man gaarne naar gevraagd, maar hij durfde niet. Hoe kon men -iemand vragen, of hij behoorde tot die van de "nye leere", in die -dagen, toen ketterij een halsmisdaad was? - -Met eenige verwondering merkte Jacob Martens op, dat het op de -landwegen niet zoo stil en eenzaam was als hij gedacht had. Er waren -veel voetgangers en ongewoon veel huifkarren. En door de stille -morgenlucht kon men in de verte, op de breede kleiwegen, het geroep -der voerlieden en het kletsen en knallen der zweepen vernemen. - ---"'t Is druk van morgen," merkte hij op, "is er ergens in de buurt -een kermis of doelfeest?" - -Pieter de Welle schudde geheimzinnig het hoofd. Zijn gerimpeld gezicht -stond strakker dan ooit. - -Men bereikte de woning van den koddebeier; een kleine boerderij, ter -zijde van den weg. Op het oogenblik, dat zij het erf betraden, kwam er -een jonge man uit het huisje, in de gewone kleeding van een Vlaamschen -boer, maar met een zwaren kruisboog onder den arm. Zoodra hij de Welle -en diens metgezel zag, bleef hij een oogenblik als verlegen staan. De -boschwachter van zijn kant uitte een half gesmoorde verwensching, en -zijn kodde steviger vattende, trad hij dreigend op den jongeling toe. - ---"Wat moet jij hier?" vraagde hij barsch. - -De jonge boer had de dreigende beweging van den boschwachter gezien -en juist dat gebaar scheen hem moed te geven. Flink keek hij den -toornige aan met een paar levendige blauwe oogen, die flikkerden van -stoutmoedigen levenslust. - ---"Maak je maar niet boos, de Welle," zei hij luchtig. "Ik heb Mieke -maar om een dronk water gevraagd. Dat zul je toch een vermoeiden -wandelaar, die heel van Poperingen komt loopen, niet weigeren." - ---"Ik wacht geen stroopers als gasten in mijn huis!" was het norsche -antwoord. - ---"Is het dat?" En de jonge man keek lachend naar zijn armborst. "Om -een paar hazen en hoenders, die aan niemand toebehooren, zou je -een flinken borst je huis ontzeggen! Maar wees content, man! Ik kom -niet om je hoenders. Als ik heden schieten moet, wat God verhoede, -dan zal het zijn op ander wild!" - ---"Jij, Daniël, je zoudt hier zijn om...?" - ---"Om dezelfde reden als jij, de Welle. Ik weet, hoe het met je -gesteld is, man!" - -Hij wees op het eikelkapje in de muts van den boschwachter. Toen -haalde hij van onder zijn kiel een houten napje te voorschijn, dat -hij aan een koord om den hals droeg. - ---"Zie hier!" zei hij; "dat heb ik van een nobelen heer tot Poperingen -gekregen. Vive le Geus is nu de leus, de Welle, en je moet een vriend -er niet zuur om aanzien, al heeft hij je vroeger wel eens bij den -neus gehad en soms een haas geschoten op het goed van den president." - -De koddebeier wierp een schuwen blik op Jacob Martens, die zwijgend -en aandachtig luisterde naar het gesprek. - ---"Jij een Geus, Daniël? Jij van de nieuwe religie?" zei hij eindelijk -ongeloovig. - ---"Van de nieuwe religie?" zei de ander luchtig, "wel, Pieter, ik -vreeze, dat het met mijn religie nog een schrale bestelling is. Maar -toch zeg ik," ging hij ernstiger voort, "al ben ik maar een losse -en ruwe kwant, die geuzenpredikanten hebben meer te zeggen dan onze -pastoor en de dikke monniken van de abdij te zamen, en als ik nog -eens als een goed Christen mocht sterven, dan zal het in hunne leer -en religie zijn." - ---"'k Mag het lijden," zeide de Welle droog, "maar Daniël Tistz., houd -het je voor gezegd: zoolang je niet als een goed Christen wilt leven, -duld ik je niet op mijn erf en bij mijn dochter, Geus of geen Geus!" - -En hij maakte een veelbeteekenend gebaar. - ---"Nu, ik ga al," zei de strooper schouderophalend. "Straks zullen we -elkander wel zien! En pas maar op, de Welle. Je zoudt nog wel eens -om Daniël kunnen roepen, als de bloedhonden van den deken Titelman -het in den neus kregen, dat jij noch Mieke de misse meer bezoekt!" - -En zijn armborst met lossen zwier over den schouder werpende, -verwijderde hij zich, na een lichten, doch niet onbeleefden groet, -terwijl hij uit volle borst een verboden liedje aanhief: - - - De Monniken in 't Monniken Convent - Die waren tot sterken drank gewent, - Sy hadden drie groote kannen, - Die hadden namen als mannen. - De eene hiete Huigemond, - De tweede hiete Maekeblij, - De derde hiete Drinkom! - - -De koddebeier zag hem hoofdschuddend na. - ---"Een losse kwant, jonker," zei hij. "Hij is meer in de taveerne en -bij het verkeerbord dan op het land en aan zijn werk. Jammer van den -jongen, want hij is een wakkere gast, en, dat moet men hem laten, -een goed schutter. Hij heeft al driemaal op 't Doelfeest van het -gilde te Poperingen de duif van den paal geschoten." - ---"En hij heeft een goed oog op je Mieke?" vroeg Jacob. - ---"Daar kan niets van komen," zei de Welle beslist. "Een strooper, -een drinker en een tuischer! En een eerlijk mans kind! Die passen -niet bij elkander." - -Ze traden de woning binnen, waar zij door Mieke, een mooi, blozend -Vlaamsch boerinnetje, werden ontvangen. Het meisje groette Jacob met -zekere gemeenzaamheid: ze kenden elkander van hun vroegste jeugd en -hadden als kinderen samen gespeeld. Met een schuchteren blik en een -hooge kleur zag ze echter op tot haar vader: blijkbaar vreesde ze, -dat deze boos zou zijn om het bezoek van den jongen Daniël. - ---"Wat deed die kwant weer hier, Mieke?" vroeg de Welle, inderdaad -barsch genoeg. - ---"Hij was in de keuken, voor ik er op verdacht was, vader," antwoordde -het meisje met neergeslagen oogen. "Hij was moe en warm, en vroeg om -een dronk water." - ---"En die kon je hem niet weigeren? 't Is wel! Alevel, denk er om, -dochter, dat er niets mag zijn tusschen u en dien loshoofd en dat ik -zulke rauwe kornuiten niet op mijn erf wil zien." - -Het meisje boog het hoofd en deed moeite om haar tranen te -verbergen. Blijkbaar dacht zij gunstiger over den koenen boogschutter -dan haar strenge vader. - -De Welle keek zijn dochter een oogenblik ontevreden aan, maar hij wilde -in de tegenwoordigheid van den zoon van zijn meester niet verder op -de zaak ingaan. - ---"Kom, Mieke," zei hij, niet onvriendelijk, "wij zijn óók warm en -moe. Geef den jonker een nap melk, of wei, zoo 't hem lust en breng -ons brood en zuivel, want 't kan heden lang duren, voor wij weer -iets over de lippen krijgen. En maak je dan klaar, om mede te gaan, -kind. Je weet, waarheen." - ---"Ja, jonker," ging de koddebeier voort, toen Jacob hem met een -verwonderden blik aanzag, "'k zal 't je maar zeggen. Met dat dasvarken -is het niets. 't Was louter een list, om je mee te krijgen. Maar nu -zul je toch weten, wat hier staat te gebeuren en dan kun je zelf -toezien, of je wilt gaan of blijven. Want zie, ik zou niet gaarne -willen, dat je door mijn toedoen in moeilijkheid kwaamt en 't is ook -niet goed iets tegen het geweten te doen. In hoeverre je hierin je -ouders moet gehoorzamen, jonker Jacob, moet je met God den Heere en -je geweten uitmaken." - ---"Toen ik je zag, laatst bij de haven, toen die arme Doopersche -werd verdronken en toen ik je hoorde spreken tegen dien Brusselschen -jonker," vervolgde de Welle, "dacht ik bij mijzelf: Onze jonker heeft -ook al lang genoeg van de papistische bijgeloovigheden, en als hij -maar de Evangelische waarheid mocht vernemen, zou zijn hart er dra -voor geopend zijn. En nu, jonker Jacob, kort en goed: we gaan hier -straks ter preeke! Een dienaar des Woords zal hier de verstrooide -leden der ware kerke Gods komen stichten. Indien je wilt, kun je -komen en hooren." - ---"Ik ga mede!" riep Jacob driftig. "Reeds lang wilde ik gaarne hooren, -wat die van de nieuwe religie leeren." - ---"Nu dan, maak haast met je maal, want het wordt tijd," zei de -Welle. "En de Heere God opene je ooren, om de waarheid te verstaan." - -Mieke trad binnen, gereed om te vertrekken. Trots het zachte -weder en hoewel er geen regen dreigde, had het meiske haar huik -omgehangen. Jacob begreep den voorzichtigheidsmaatregel. Het -lange, vormlooze regenkleed kon, als 't noodig was, voor vermomming -dienen. Hij huiverde even, toen hij dacht aan den stervensblik der -Doopersche; wat waagden deze eenvoudigen voor hun godsdienst! - -Ze traden naar buiten en sloegen den weg naar Gentbrugge in. De -levendigheid en de drukte op de wegen was nog toegenomen, 't -Was inderdaad, of er in het dorp een kermis of een doelfeest zou -worden gehouden, zoo groot was de toeloop uit de naburige steden en -dorpen. Maar de drukte was van een geheel anderen aard. Geen gelach, -gezang of gejoel werd gehoord. Zwijgend en ernstig gingen ze voort, -die Vlaamsche boeren en burgers, die, spijt plakkaten en Inquisitie, -daar heen trokken, om Gods Woord te gaan hooren, en die om dat Woord -te hooren wellicht vrijheid en leven gingen wagen. - -Een dof gerucht, een verward gegons van stemmen, toonde aan, dat men -de vergaderplaats naderde, en bij een bocht van den weg zag Jacob -Martens die plotseling voor zich. 't Was een groote weide, door den -eigenaar zeker voor dit doel afgestaan. Van voren was zij door een -vrij breede sloot van den weg gescheiden, terwijl ze aan drie zijden -omringd was door bosschen van hoog opgaand eikenhakhout. - -Een bonte menigte bedekte het weiland en krioelde er dooreen. Men -beweerde later, dat er zeven duizend menschen bijeen waren geweest, -en al is dit getal waarschijnlijk overdreven, het bewijst toch, -hoe groot de belangstelling was in deze eerste openbare prediking in -Vlaanderen. Landlieden en de kleine burgerij uit de Vlaamsche steden -vormden het grootste deel van het gehoor; mannen en vrouwen uit -aanzienlijken stand zag men er slechts weinigen. De burgers toonden -zich over het algemeen vreesachtiger dan de Vlaamsche boeren. De -laatsten liepen overal rond, zonder eenige vrees te toonen, terwijl -de stedelingen, de mannen in hunne mantels gehuld en den hoed diep -in de oogen getrokken, de vrouwen, weggedoken in hare wijde huiken, -in groepen bijeen stonden en iedereen met argwaan aanzagen, die in -hunne nabijheid kwam. Er was wellicht eenige reden voor, want zij -waren meer in het bereik hunner plaatselijke overheden, dan de meer -verspreid wonende plattelandsbevolking. - -Bij het hek, dat toegang gaf tot het weiland, stonden eenige mannen, -met stevige stokken gewapend, die de aankomenden zorgvuldig opnamen -en soms dezen en genen aanhielden en eerst na een kort onderhoud -doorlieten. Bij zulk een groote volksverzameling mocht het wel -onmogelijk heeten, alle spionnen en verklikkers te weren, maar men -kon er althans voor zorgen, dat de erkende handlangers der Inquisitie -de samenkomst niet bezochten. - -Even binnen het hek stonden een paar kraampjes, waar eenige -boekverkoopers goede zaken maakten, naar het scheen, want een groot -aantal menschen verdrong er zich, om de "verboden boeken", hier -zoo stoutmoedig in 't openbaar aangeboden, te zien en te koopen, en -menigeen droeg de in bruin leder of wit perkament gebonden schatten -mede, hetzij in triomf ze toonend, hetzij zorgvuldig verborgen onder -mantel of huik. Men vond er den "Bijbel van Liesveld" in twee deelen, -het Nieuwe Testament, naar Luthers vertaling verduitscht en in 1523 te -Antwerpen verschenen, maar ook reeds den "Embdenschen Gereformeerden -Bijbel", die door eenige Nederlanders bewerkt was naar de uitgave -van Zwingli en, in 1560 door Nicolaas Biestkens verbeterd uitgegeven, -door de Gereformeerden vooral gretig was ontvangen. - -Ook werd er een kleiner boekje druk verkocht. Het was iets nieuws, -want het was eerst in Mei van dat jaar verschenen. Het was een -Nederduitsche berijming der Psalmen, naar de Fransche dichtmaat en -zangwijze van Clement Marot en Beza vervaardigd door Petrus Dathenus: -de strijdliederen der Nederlandsche Hervorming! - -Jacob Martens keek vol nieuwsgierigheid het gewoel om zich heen aan, -terwijl hij de Welle volgde, die voortdrong naar een der zijden van -het weiland, waar, vlak tegen het hakhout aan, een boerenwagen was -geplaatst: de geïmproviseerde kansel bij deze godsdienstoefening in -de open lucht. - -"De groene preek!" Geen wonder, dat de duizenden belijders der -"nieuwe religie" in Vlaanderen van alle kanten waren toegestroomd, -nu hun voor 't eerst de gelegenheid werd geboden in 't openbaar de -verkondiging des Woords te hooren. Voor 't eerst! Wel had reeds in -1528 de bittere Anna Bijns van de Lutheranen gezongen: - - - Selden oft nemmermeer gaen zij te sermoene, - Maer preect er ergens een ketter in 't groene, - Dan loopen zij om elc d' eerste te sijne! - - -Maar dit waren, bij de strenge toepassing der plakkaten, slechts -kleine conventikelen geweest. Thans, aangemoedigd door het stoute -optreden der edelen en de kennelijke verlegenheid der regeering, -waagden de Gereformeerden het openlijk de plakkaten te trotseeren in -"de openbare preek". - -Pieter de Welle drong met zijne breede schouders door de dichte menigte -heen tot dicht bij den boerenwagen en Jacob en Mieke volgden lijdzaam -hun stevigen gids, die hier blijkbaar een goede bekende was, voor wien -men gewillig plaats maakte. Al voortgaande, ving Jacob een en ander op -van de gesprekken, die om hem heen werden gevoerd. Men sprak over den -predikant, die weldra zou optreden, en 't was merkwaardig, dat de titel -der Roomsche geestelijken steeds bij dien naam werd gevoegd. "Pater -Herman", "pastoor de Strijker",--zoo klonk het onder het volk. - ---"Wie zal er seffens preeken?" vroeg hij de Welle. - ---"De predikant van die van de Gereformeerde religie te Oudenaerde," -antwoordde deze. "Hij was vroeger monnik bij de Preekheeren. Herman -de Strijker heet hij; hij wordt ook wel Modet genoemd." - -Er was plotseling een hevige beweging onder het volk rondom den -wagen. Allen drongen naar den geïmproviseerden kansel heen, en een -oogenblik later verscheen een man op de kar, die met een breed en -gebiedend gebaar de menigte wenkte te zwijgen. - -Jacob zag een man van betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd, een flinke -gestalte, met onregelmatige, maar niet onaangename trekken. Zijn -donkere oogen hadden een gebiedenden blik, de koene rechte neus, de -vastgesloten mond en de vierkante, massieve kin spraken van kloekheid -en vastberadenheid. Het was het gelaat van een dweper en drijver, een -man met één idee, die voor de verwezenlijking van dat ééne denkbeeld -alles zou over hebben en zich door niets zou laten weerhouden,--niet -door de vreeze, maar evenmin door de liefde. - -Zóó was Herman Modet, een man van zijn tijd en geschikt voor zijn tijd, -die sinds deze eerste openbare predikatie op de weide bij Gentbrugge -nog een belangrijke rol zou spelen in de geschiedenis van zijn land -en zijn Kerk. - -Het duurde eenigen tijd, eer de opdringende menschenmassa rustig -genoeg was, om met de godsdienstoefening aan te vangen. Toen klonk -de zware stem van den priester-predikant: men zou een psalm zingen, -een psalm Davids! - -Het boekje van Dathenus, zoo juist van pas verschenen om der strijdende -en lijdende gemeente haar lied te schenken, deed aanstonds goede -diensten. Waren ook de woorden voor de meesten nog nieuw, de melodieën -waren het niet! De psalmen van Marot, door de Fransche Hugenoten -gezongen, waren aan hunne broederen in de aan Frankrijk grenzende -gewesten niet vreemd. Eerst weifelend, maar weldra luid en krachtig, -klonk het uit duizenden kelen: - - - Wilt Godt lof en eer geven, - Groot is sijn vriendlickheyt, - En sijn goetheyt verheven - Blijft in der eeuwigheyt: - Sy die vry zijn gekocht, - Sullen sijn Naem verclaeren, - En die Godt heeft gekocht - Uyt angst en groot beswaren. - - So sy bidden den Heere - In al haer lyden swaer, - Haer cruys om sijns Naems eere - Weert Hy hen haest daarnaar. - Als Hy spreect een woort goet, - Gesondheyt sij verwerven; - Daerdoor sijn sy behoet - Van den doodt en 't verderven. - - -Het psalmgezang zweeg en Herman Modet hief zijn stem op in het -gebed. Een lang, vurig gebed was het, uitgestort uit een onstuimige -ziel, die de schreiende nooden van een onstuimigen tijd, de kreet -van een worstelende gemeente opvoerde tot voor den troon Gods. - -Zoo de vorm, de drukke, overladen stijl, de vaak platte beeldspraak -van den prediker in andere tijden en voor ooren, aan gekuischten smaak -gewoon, hinderlijk mocht geweest zijn, de toehoorders stootten zich -daaraan niet, want het waren de vormen, die zij kenden en vereerden, -en bovenal, door alles heen, sprak het vurig geloof, het vaste -Godsvertrouwen van den bidder. - -Jacob Martens staarde getroffen en verbaasd naar den prediker en naar -de hoorders. Hoe anders trad hem hier de godsdienst tegen dan in de -gewelven van de St. Jacobskerk, waar in het schemerlicht, dat door -de geschilderde glazen nog binnendrong, de priester aan het altaar -de mis bediende in het blauwe waas der wierookwolkjes, terwijl het -gezang van het koor zoet en week boven zijn hoofd psalmodieerde en de -gele vlammetjes der waskaarsen trilden voor de heiligenbeelden. Hoe -dikwijls had hij daar neergezeten, half gedachteloos, half in een -droomerige godsdienstige stemming, hoorende, zonder te verstaan, -knielende zonder veneratie, prevelende zonder te bidden, omdat dàt -nu eenmaal, naar hij meende, godsdienst was. Hoe anders was het -hier! Hoe ernstig, hoe op den man af! Hier in het volle zonlicht, -onder Gods blauwen hemel! - -Maar het gebed was afgeloopen, de aangezichten waren in gespannen -verwachting naar den prediker gekeerd, en deze had zijn bijbel geopend -en las zijn tekst. Het was 1 Timotheüs 4 : 7: "Maer wechwerpet -die godtloose ende oudwijfsche fabelen; ende oefen uselven tot -godtsaligheyt." - -Het was geen woord van opbeuring en vertroosting, dat de strijdende -en lijdende gemeente van Vlaanderen van dezen forschen voorvechter -der Reformatie ontving. In Modet--een onzer groote auteurs heeft -het terecht gezegd--was vooral het revolutionaire karakter van de -Hervorming dier dagen belichaamd. Zijne predikatie was in de eerste -plaats een geweldige aanval op wat hij de "paepsche afgoderije" en de -"verdoemelijke oudwijfsche fabelen van het pausdom" schold. Het klonk -Jacob vreemd in de ooren, toen hij daar alle ceremoniën en kerkelijke -gebruiken, die hij van zijn vroegste jeugd af had leeren eerbiedigen, -als onafscheidelijk verbonden met godsdienst en vroomheid, met ruwe -welsprekendheid hoorde verguizen en bespotten, toen hij het Sacrament -der Mis, het middelpunt van den Roomschen eeredienst, met felheid -hoorde aanvallen en ontwijden. Hij voelde zich angstig en beklemd, -en als hij om zich heen zag, las hij op de gezichten der ademloos -luisterende toeschouwers hun volle instemming met die vreeselijke -woorden, zag hij de harde trekken op die verweerde gezichten en de -vlammende oogen, die gloeiden van fellen haat en verterenden ijver. - -Maar de geweldige prediker, de stoute bestrijder van Rome, had toch -meer te geven, was toch dienaar des Evangelies! Toen hij sprak over de -"oefeningen der godtsaligheyt", werd zijn toon anders. Wat waarachtige -godzaligheid was, hoe men die zou oefenen in deze zware tijden, hoe -men ze zou ontvangen, door de genade van Christus alleen,--het werd de -ademloos luisterende toehoorders in forsche taal uiteengezet. Het werd -Jacob wonderlijk te moede. Hij werd medegesleept door den geweldigen -ernst, de machtige overtuiging van den spreker; hier was een man, -die wist en innig gevoelde, dat hij stond tegenover zijn God, dat er -niemand was tusschen zijn God en hem en die zijne hoorders ook van -die overtuiging zocht te doordringen. Geen middelaar tusschen den -zondaar en zijn God, dan de eenige Middelaar, Christus Jezus! - -Zonder dat hij het wist, had Jacob Martens in die gewichtige stonde -zijns levens de groote leidende gedachte der Reformatie gevoeld -en verstaan. - -Maar waarom haperde Herman Modet? Waarom zweeg hij, na nog eenige -volzinnen te hebben uitgesproken? Wat beteekende dat rumoer bij het -hek, dat toornig gemompel onder de luisterende menigte en het angstig -opdringen der vrouwen? - -Jacob zag om en ontdekte weldra de oorzaak der opschudding. Een -ruiter trachtte, met den blooten degen in de vuist, door het volk -heen te dringen, terwijl hij zijn paard liet trappelen en steigeren, -om ruim baan te maken. Achter hem zag men de speren flikkeren van -eenige gewapenden. - -Het was Cornelis Croese, de schout van Gentbrugge, een ijverig -aanhanger der regeering en een brutaal, ondernemend man. Zoodra hij -vernomen had, dat de Sacramentarissen zich onderstonden, om binnen zijn -rechtsgebied, met volslagen verachting der plakkaten, een openbare -preek te houden, had hij, zijne beide dienaars en een paar pachters -der kerk opgeroepen en gewapend en was moedig naar de plaats getogen, -waar, naar men hem had bericht, de predikatie zou plaats hebben, om de -vergadering uiteen te drijven en zoo mogelijk den geuzenprediker te -vatten. De menigte was veel talrijker, dan hij zich had voorgesteld, -maar aan moed ontbrak het den Schout niet. Hij spoorde zijn paard -aan, terwijl hij zijne dienaars beval hem te volgen, en met een: -"Staat ons bij, luijden, zoo gij den Koning trouw zijt!" trachtte -hij heen te dringen naar den wagen, die Modet tot kansel diende. - -Er volgde een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring. De schare -stond een oogenblik als besluiteloos. De vrouwen gilden en kreten, de -mannen mompelden dreigementen en verwenschingen, maar bleven werkeloos, -terwijl zij onrustig rondzagen,--naar een uitweg of een leider. Modet -was van den wagen afgeklommen en de groep getrouwen, die er om heen -stonden geschaard, namen den prediker in hun midden en drongen langzaam -naar het bosch eikenhakhout, waaraan het weiland grensde. - -Schout Croese zag het en hij begreep, dat zijn prooi hem ging -ontsnappen. Hij dreef zijn paard aan en sloeg met de platte kling -naar de opeengedrongen menschenmassa, die hem den weg versperde. - -Zijn drift werd zijn ongeluk. Het wapen trof een jonge vrouw aan het -hoofd en bracht haar een bloedende wonde toe: de vrouw zonk neer, -meer door schrik dan door den slag. - -En nu won de toorn en de verontwaardiging het van de vreeze! - ---"Slaat dood den beul! Slaat dood den papenknecht!" klonk het van -alle kanten. - -Het volk was ongewapend, maar de puinweg werd een arsenaal: een steen -gonsde door de lucht en rukte den Schout den hoed van het hoofd. Het -voorbeeld vond navolging. Een hagelbui van groote en kleine steenen -troffen paard en ruiter, terwijl de schoutendienaars, opgedrongen door -eene woedende menigte, geen gebruik konden maken van hunne wapenen, -ook al hadden zij gedurfd. - ---"Slaat dood!" de oude aanvalskreet der strijdbare Vlamingen, klonk -aan alle kanten. Schout Croese zag, dat het bloedige ernst werd en -dat hij te veel had gerekend op het ontzag voor de justitie. Bebloed -en gekneusd door de steenworpen, wierp hij zijn rapier weg en wendde -den teugel. - -Een luide juichkreet, een stormachtig: Slaat dood! Men had zijne -beweging, gezien en begrepen! De Schout gaf het op! De Schout vluchtte! - -Een aantal jonge boeren drongen op, het mes in de vuist, om hem tegen -te houden. - -Maar oudere, bezadigde mannen kwamen tusschenbeide. Met geweld en -doodslag, met den moord van een grafelijk ambtenaar, werd de zaak der -jeugdige Kerk niet gediend. Half met geweld, half door overreding, -maakten zij ruim baan voor den Schout, en Cornelis Croese reed -spoorslags weg, onder het uitjouwend gejubel der menigte. - -Van een hervatten der godsdienstoefening was geen sprake meer. De -schare verspreidde zich, sommigen opgewonden en vol hoop, anderen -vreesachtig en terneergeslagen. Ook Jacob Martens ging met de Welle -naar diens woning, om tegen het vallen van den avond naar Gent terug -te keeren. - -Allerlei aandoeningen vervulden hem en voerden strijd in zijne -ziel. Hij gevoelde, hoe de kloof, die hem van de zijnen scheidde, -steeds breeder en dieper werd. Modet's prediking had hem machtig -aangegrepen en de strijd van zijn volk tegen vreemde dwingelandij en -geloofsdwang, dien hij reeds sinds lang met belangstelling en sympathie -had aanschouwd, scheen hem meer en meer een heilige strijd, en mede -te kampen een heilige plicht. Maar--hij moest zich losscheuren van -zooveel, waarmee hij was opgegroeid: meeningen, gewoonten, sympathieën, -ook een zeker onbestemd geloof in dingen, die hem, naar hij dacht, -altijd onverschillig waren geweest en waarvan hij zich nu toch zoo -moeilijk kon losmaken, nu het er op aan kwam, om er afscheid van te -nemen, voorgoed. - -En zijne ouders! En Madeleine! - -Met een bedrukt hart betrad Jacob Martens in den avond van dien dag -het ouderlijk huis. - - - - - - - -IV. - - -Ongeveer vier weken na de onstuimige "groene preek" te Gentbrugge -zat Jacob Martens op een schoonen Julimorgen in den "hof" van het -ouderlijk huis, bijna aan de voeten van Madeleine de Bette, die hem -haar sierlijk eikenhouten spinnewiel in de schaduw van een bloeiende -linde had doen dragen en hem met behaagzieke speelschheid een laag -bankje had aangewezen, waarop hij zijne schoone gebiedster mocht -voorlezen uit de Historie van Amadis van Gaulen, of van Palmeryn -van Olyven, de Hollandsche vertalingen van Spaansche ridderromans, -waarmee joffer Madeleine dweepte. - -Jacob was niet naar Leuven teruggekeerd. De politieke toestand in -den lande werd steeds moeilijker, de oppositie tegen de invoering -van de Inquisitie steeds heviger en de partij der Gereformeerden -trad overal, maar vooral in Vlaanderen en Brabant, steeds stouter -op. President Martens, die zeer wel bemerkte, dat de sympathieën -van zijn zoon meer en meer uitgingen naar den kant der "sectarissen -ende rebellen", zooals hij ze noemde, had het voorzichtiger geacht, -den jongen enthusiast onder zijn persoonlijk toezicht te houden. Hij -wist door den Hoog-baljuw, dat Jacob in de laatste weken herhaaldelijk -was gezien in gezelschap van verdachte personen, van dezulken, die -onder zware suspicie stonden van te zijn besmet met de kettersche -gevoelens der Sacramentarissen en tegen wie men wel gaarne krachtig -zou zijn opgetreden,--als men maar gedurfd had! - -Ook Vrouwe Martens, de strenge moeder, die onder haar hard -uiterlijk toch een schat van liefde verborg voor hare kinderen, -had met blijdschap vernomen, dat haar zoon niet naar de universiteit -zou terugkeeren, voor de algemeene opgewondenheid in den lande was -bedaard. Met klimmende onrust had zij gezien, hoe Jacob meer en meer -overhelde tot de kettersche gevoelens, hoe hij--naar de overtuiging der -geloovige, ijverende Roomsche--zijn eeuwig heil dreigde te verbeuren -door te luisteren naar die gevaarlijke geuzenpredikers, die wervers -voor het rijk van den Satan! Nog ging hij met haar ter Misse, als zij -hem verzocht haar te begeleiden, maar zij zag het maar al te wel, -zijn hart was niet bij de heilige plechtigheid, hij was verstrooid -en onrustig. - -Scherpe en harde woorden had zij reeds gesproken; zij zelve leed er -onder, maar zij was geen teedere moeder, die het vertrouwen harer -kinderen wist te winnen. En toch voelde zij thans dubbel die leemte -en de fiere vrouw ging gebukt onder het leed, dat zij niemand toonde. - -O, die Geuzen! die verwaten edelen vooral, rebellen tegen hun Kerk -en hun Landsheer! Waren zij niet weder samengekomen te St. Truyen, -in 't Luiksche, om ongehinderd te kunnen samenspannen tegen het -wettig gezag? Gingen er geen geruchten over de ongehoorde eischen, -die zij de regeering zouden stellen? Men zou voorwaar het volk geen -enkele religie voorschrijven, maar een iegelijk vrij laten in zijne -keuze! Een snood bestaan, om den ketterschen leeraars vrijheid te -geven, het onwetende volk ter helle te voeren! Er waren er, naar -men zeide, die tegen den Koning wilden opstaan, om met geweld te -verkrijgen, wat men in het Smeekschrift had gevraagd. En haar eenige -zoon zou de zaak dier ketters en rebellen voorstaan! - -IJveriger en trouwer dan ooit nam de arme Vrouwe Martens hare -godsdienstplichten waar, en zoo was zij ook dezen morgen naar de -St. Jacobskerk gegaan, om er den schutsheilige van haar zoon aan te -roepen, om er te bidden voor het zieleheil van haar kind. - -En Madeleine, blijde, dat het strenge oog der ijverige huismoeder -haar niet gadesloeg, had zich gehaast, om het huiswerk, dat op haar -rustte, over te dragen aan de goedhartige Klaartje en had Jacob naar -den hof geroepen, om er zich te vermaken met de avonturen der dolende -ridders en met het kwellen van haar trouwen bewonderaar, dien haar -behaagzieke plaagzucht geen oogenblik met rust liet. - -Het scheen, dat de merkwaardige lotgevallen van den dapperen -Palmeryn Jacob ditmaal niet konden boeien. Hij was verstrooid en -afgetrokken. Hij haperde nu en dan en versprak zich. De schoone -Madeleine bemerkte het. - ---"Als je soms genoeg van mijn gezelschap hebt," zei ze spijtig, -"laat ik je dan toch vooral niet ophouden!" - -Jacob keek verschrikt op. - ---"Ja, zeker!" vervolgde de vertoornde schoone schamper. "Als je soms -verlangt naar het gezelschap van je geuzenpredikanten, ik weerhoud -je niet, hoor!" - ---"Madeleine!" zei Jacob, en hij wilde haar hand vatten, maar zij -stiet hem terug. - ---"Je meent er niets van!" pruilde zij. "Je zit hier voor mij te -lezen, maar je hart is er niet bij. Wie weet, waar? Misschien bij -een of andere ketterinne! Je bent er tòch zoo vol van!" - -Jacob deed het eenige, wat hij in deze omstandigheden kon doen: hij -wierp zijn boek weg, vatte het weerstrevende handje en sloeg zijn -arm om de leest der spijtige joffer. Het draadje brak... - -De verzoening was spoedig genoeg tot stand gekomen, maar Jacob begreep, -dat hij zich toch moest verdedigen. - ---"Ik kan het niet helpen, Madeleine, dat ik thans geen vermaak heb -in deze Walsche poëterijen, die u zooveel vreugde en jolijt geven," -zei hij ernstig. "Mijn hart is vol van andere dingen!" - ---"Zie je nu wel!" pruilde het meisje. - ---"Van u, allerliefste! Ge hebt er de eerste plaats in!" verzekerde -Jacob haastig. "Maar zeg, begrijp je er niets van, dat men bezig kan -zijn met ernstiger gedachten in deze dagen, nu het gaat om de vrijheid -des lands en om wat dienen kan tot onzer zielen zaligheid!" - -Een minachtende trek plooide het mondje van Madeleine. - ---"Ga je mij een sermoen houden, Jacques?" klonk het spottend. "Voor -onzer zielen zaligheid zorgt de Kerk met hare genademiddelen, zegt -mijn biechtvader, en zoo bekreune ik mij daar niet om. En 's lands -vrijheden? De Koning is onze Heer en hij doet, wat den lande oirbaar -is,--zoo zegt je vader en ik houd dit met hem. 't Is een schoone weg, -om een ambt te verkrijgen van de regeering, als je eenmaal magister -zult zijn, wanneer je nu gaat heulen met hen, die snoode rebellie -drijven tegen hun wettigen Overheer en de Heilige Kerke! En onze -schoone plannen, Jacques? Gelden die je niets?" - -Jacob zag de driftige spreekster aan met teer verwijt. - ---"Zonder jou is de toekomst, is het heele leven mij niets, -Madeleine," fluisterde hij, "maar wat, als ik eens niet kon doen, -wat je wenschte? Als ik geen post van deze regeering mocht aannemen?" - ---"Geen ambt van de regeering? Maar ik wil in Brussel wonen, heb ik -je altijd gezegd!" pruilde het bedorven kind. - ---"Als we elkander liefhebben, Madeleine..." - ---"Och, wat liefhebben! Je hebt mij niet lief, anders zou je niet zoo -naar zijn! Alles opgeven ter wille van dat minne volk, van de Geuzen -en de ketters! Een fraaie zaak!" - ---"De Pallandts, en de Nassau's, en Brederode zijn toch geen min -Geuzenvolk, Madeleine!" - ---"Oproerkraaiers zijn het, die spelen met vuur! Ik heb het den -president hooren zeggen! Ze verleiden het domme volk, dat wordt -aangehitst door de kettersche predikanten, en ze storten het volk en -zichzelf in 't verderf! Als de Koning komt..." - ---"De Koning is onze rechte Heer, dien God behoede, maar onze rechten -en vrijheden moet hij ons laten! En--die van St. Truyen hebben -gelijk--ieder diene God naar de inspraak zijns harten, zonder geweld -of molest." - ---"Je hadt geuzenpredikant moeten worden, Jacques!" - -Jacob wendde zich driftig om en liep zenuwachtig het tuinpad op en -af. Toen wendde hij zich weder tot het meisje. - ---"Je oordeelt over wat je niet kent, Madeleine!" zeide hij met -kwalijk bedwongen aandoening. "Ik wilde zoo gaarne, dat je met mij -waart in deze zake! Ga na den noen met mij mede." - ---"Waarheen? ter preeke?" vraagde zij spottend. - ---"Wist je dat dan?" vraagde Jacob verrast. - -Madeleine barstte uit in een schaterend gelach. - ---"Zoo heb ik dan waarlijk goed geraden? Domme jongen, dacht je, -dat ik naar de "groene preek" zou gaan? Wat zou ik mijn biechtvader -zeggen? En wat aan je moeder?" - ---"Je zegt, dat ik je heb meegetroond, en dat zal de waarheid zijn. Al -heeten we niet verloofd, we behooren elkander toch toe en zou ik mijn -bruid niet mogen heenleiden, waar zij de waarheid kan leeren verstaan, -zonder een priester te vragen?" riep Jacob heftig. - ---"Je bruid? Zoover is het lang niet. Ik heb het jawoord niet gegeven, -dat ik wete! En als je je zoo aanstelt als een rustre en een vileijn, -zal 't er nimmer van komen ook!" - -'t Was koel en bits gezegd en Madeleine nam haar spinrokken weer ter -hand en begon met veel ijver haar draadje te hechten. - ---"Madeleine!" riep Jacob. - ---"Och, ga toch heen! Ga heusch maar naar je kettersche preek! 't -Spijt me, dat ik je vroeg in den hof te komen!" - -Jacob stond een oogenblik besluiteloos. Toen boog hij stijf en -verwijderde zich langzaam. - -Madeleine keek hem met een spottend glimlachje na. - ---"Hij ziet er goed uit, als hij boos wordt!" prevelde zij. "Hij is -knapper dan Thierry! Als hij die grillen uit het hoofd wilde zetten, -dan... Of het waar zou zijn, wat Thierry beweert, dat hij goede -vooruitzichten heeft op faveur en avancement in den dienst van den -hertog van Aerschot...?" - -Het spinnewiel snorde niet meer. De jonkvrouw keek peinzend voor zich -uit, en zij glimlachte, want zij zag zich op de feesten aan het hof -te Brussel--de gevierde koninginne van den dag! - -'t Was in minder vroolijke stemming, dat Jacob Martens zich naar -zijne kamer begaf. Hij had van dat onderhoud zoo veel gehoopt! Hij -zou Madeleine overtuigen, dat de zaak der vrijheid een heilige zaak -was, dat de godsdienst iets meer, veel meer was, dan zij tot nu toe -had gemeend; niet een gedachtelooze sleur van vormendienst, maar een -aangrijpende werkelijkheid, waarvan hij de macht in zijn eigen hart -en leven begon te ervaren. En ze zou naar hem luisteren, want zij -had hem immers lief! En nu,--hij had niet eenmaal durven aandringen: -haar spottende glimlach, haar koele toon hadden hem de woorden van de -lippen genomen. Hij had gevoeld, dat alles, wat hij zou kunnen zeggen, -vergeefsch zou zijn. - -Was Madeleine dan voor hem verloren? - -Want dat hij niet kon terugkeeren op den weg, dien hij zich gekozen -had, stond bij hem vast. Hij overschatte de beweging der edelen, als -duizenden met hem deden. Hij zag in hen de voorvechters der vrijheid, -van het recht der vrije Nederlanden tegenover de aanmatigingen van -het gezag. En in zijn geestdrift voor het edele doel zag hij niet de -lichtzinnigheid en wereldzin, de onedele bijbedoelingen van velen onder -hen, die zich hadden geschaard aan de zijde van de bestrijders der -regeering. Maar hijzelf meende het eerlijk. Met al den gloed zijner -jeugd, met den ingeboren vrijheidszin van den Vlaming had hij het -schoone ideaal der vrijheid omhelsd; en hij wilde er voor strijden -en lijden, als het zijn moest. - -Daarbij, was het eerst slechts zijn weerzin geweest tegen Inquisitie en -geloofsdwang, die hem had heengedreven naar de zijde der Hervormden, -de geloofsmoed der martelaren, de gloed der onstuimige prediking, -hadden hem verder gebracht dan hijzelf had vermoed. De indruk, dien -hij te Gentbrugge had ontvangen, dat deze menschen iets hadden, dat -hij miste, dat zij een overtuiging bezaten, die hun het hoogste was, -was hem bijgebleven. Hij had hun godsdienst vergeleken bij zijn eigen -kalm indifferentisme, en hij had zich geschaamd. Als wat de Kerk -leerde waarheid was, als Jezus Christus was gestorven voor de zonden -der wereld, als de zonde zulk een verschrikkelijke macht was, dat de -Zone Gods, om haar te overwinnen, in den dood had moeten gaan,--dan -hadden de ketters gelijk, die den zondaar rechtstreeks leidden aan -den voet van het kruis, hem stelden tegenover een barmhartigen, -machtigen Verlosser, dan had de Kerk ongelijk, die de Moedermaagd en -de heiligen en den schutspatroon en ten slotte nog den priester had -geschoven tusschen den zondaar en den Christus. - -Zóó had Jacob gepeinsd en gevraagd en gezucht. Het was hem niet -moeilijk gevallen in deze dagen, nu de regeering bevreesd was voor -uiterste maatregelen, en hare tegenpartij steeds stouter optrad, -zich een Liesveldschen bijbel te verschaffen. Hij had dien veilig -geborgen op zijn kamer en hij las er vlijtig in, des morgens vroeg -en des avonds, als hij zeker was, niet gestoord te zullen worden. En -meer en meer begon hij de "nye leere" te verstaan, meer en meer werd -het licht in zijn ziel, en al stond hij nog van verre, hij begon de -waarde te beseffen van het heil, dat in Christus is. - -Kon hij ook de zijnen, die hem lief waren, leiden op den weg, dien hij -had gevonden? De president, op het punt van den godsdienst tamelijk -onverschillig, beschouwde toch elke afwijking van de leer der Kerk als -eene aanranding van het gezag, dat hij diende; zijne moeder was een -strenge Roomsche, en de goedaardige Klaartje zou bij het eerste woord, -dat haar aan "ketterije" deed denken, van schrik en ontsteltenis zijn -verstijfd. Maar Madeleine? Hij zag het wufte kind in den schoonen -glans, waarin zijne jonge liefde haar hulde. Haar vurige geest, -haar kloek verstand zouden het schoone van het ideaal der vrijheid, -de waarachtigheid van een godsdienst, die zijn macht bewees in het -leven en sterven zijner belijders, moeten begrijpen en waardeeren, -meende hij. Hij zou trachten haar belang in te boezemen voor de dingen, -die hem zoo na aan het hart lagen en zij zou luisteren en volgen, -eerst uit liefde voor hem, dan uit heilige overtuiging! - -Hoe jammerlijk was zijn eerste poging mislukt! - -Maar hij zou het er niet bij laten. 't Was natuurlijk, dat een -jonkvrouw in al de vroolijke rust van haar onbezorgde jeugd, niet -aanstonds wilde luisteren naar ernstige woorden, naar de groote vragen -des tijds, die zoo dringend een antwoord eischten. Hij zou wachten, -hij zou bidden... ja bidden voor Madeleine, want ook dat had hij -geleerd, sinds weinige weken. - -Maar als zijn gebed niet werd verhoord? Als Madeleine hem niet wilde -volgen; als zij zich hardnekkig afkeerde van de waarheid. Wat dan? - -Jacob had het Liesveldsche Nieuwe Testament uit zijn verborgen -schuilhoek te voorschijn gehaald; eerst bladerde hij er gedachteloos -in, want zijn hart was vol van bittere teleurstelling. Maar -weldra boeiden hem de heilige verhalen van het leven des Heeren, -dubbel aantrekkelijk, omdat ze zoo nieuw voor hem waren. Hij las de -aangrijpende geschiedenis in het tiende hoofdstuk van Markus, van -één, die veel goederen had, maar wien het hoogste goed ontbrak. Hij -begreep den ontzettenden eisch, alles op te geven, om dat hoogste goed -te gewinnen,--voorwaar, een eisch, die in zijne dagen tot menigeen -kwam in al zijn vreeselijken ernst. En met diepe ontroering las -hij: "Voorwaer segge ik ulieden: Daer en is niemant, die verlaten -heeft huys, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of wijf, -of kinderen, of ackers, om mijnent wille ende des Evangeliums, of -hij ontfangt honderdvoud nu in desen tijd huyzen ende broeders ende -susters ende moeders, ende kinders ende ackers, met de vervolgingen, -ende in de toekomende eeuwe het eeuwige leven." - -Dat waren wèl de woorden, die hij thans noodig had! Met een diepen -zucht, maar toch met een biddenden blik naar boven en een vastberaden -trek om den jeugdigen mond stond hij op, legde het boek op zijn plaats, -en staarde door het kleine venster naar buiten. - ---"God helpe mij!" fluisterde hij. - -Er zijn soms oogenblikken in het leven, zoo gewichtig, "inhaltschwer", -als de dichter zegt, dat het een geluk voor ons is, dat wij er het -volle gewicht niet van beseffen, wanneer wij ze doorleven. Jacob -Martens wist het niet, maar hij nam in deze ure afscheid van zijn -onbezorgde jeugd, hij stond af zijn liefde, zijn familie, zijn -toekomst, en hij koos de ballingschap en den schier hopeloozen strijd. - -Hij greep zijn baret en maakte zich gereed het huis te verlaten. Het -was niet voor niet, dat hij juist dezen dag had gekozen om met -Madeleine te spreken. In den nanoen zou er iets gewichtigs gebeuren. De -Gereformeerden te Gent waren stoutmoedig geworden, nu de regeering -weifelde en scheen te willen toegeven aan de eischen der verbonden -edelen. Predikten de Gereformeerde predikanten buiten Antwerpen niet -openlijk voor vergaderingen van vijftien en zestien duizend man, -zonder dat de overheid er iets tegen vermocht? Welnu, te Gent zou -men dit voorbeeld volgen! Weldra zou men de kerken opeischen voor de -ware religie, maar ondertusschen zou men onder de muren der stad een -"groene preek" houden en men tartte den Hoog-baljuw om het hun te -beletten. In den nanoen van dezen drie-en-twintigsten Juli zou men -op een groot terrein buiten de Brugsche poort vergaderen en Modet -zou van Oudenaerde komen, om er te prediken. - -Toen Jacob het ouderlijk huis had verlaten en den weg naar de -Brugsche poort had ingeslagen, bleek het hem weldra, dat de groote -gebeurtenissen van den dag zich in de bijzondere belangstelling van -de Gentenaren mocht verheugen. Het was bijzonder druk en levendig -op straat. Groote troepen nieuwsgierigen trokken in de richting van -de Brugsche poort en vele eerzame burgers en winkeliers, bevreesd -voor oproer of openlijke rebellie, hadden voorzichtig hunne luiken -gesloten. De dienaren van den Hoog-baljuw hielden zich schuil of traden -zoo bescheiden mogelijk op, blijkbaar niet op hun gemak. Van tijd -tot tijd trokken kleine troepjes burgers, met ernstig en vastberaden -gelaat, gewapend met pieken en "goedendags", ja sommigen zelfs met -vuurroeren, door de woelende menigte heen en het volk maakte ruim baan -en men wees ze elkander aan en fluisterde, dat dàt nu de ketters, -de Sacramentarissen waren. Van een poging der overheid, om de preek -te beletten, bleek niets. Alles ging rustig zijn gang. - -Toch bespeurde Jacob, toen hij het terrein naderde, voor de -godsdienstoefening bestemd, dat de leiders van de beweging hunne -voorzorgen goed hadden genomen, en dat men, als het noodig mocht zijn, -geweld met geweld zou keeren. Van de talrijke wagens en karren had men -op de wijze der ouden een wagenburg gemaakt en bij de toegangen tot -de zoo omheinde ruimte stonden gewapende wachten. Een groot aantal -der mannen, die de afgezette ruimte vulden, waren mede gewapend: -speren, bijlen en vuurroeren flikkerden overal in de stralen der -Julizon en overal zag men ernstige, vastberaden gezichten. Indien -de Hoog-baljuw het mocht wagen, de vergadering te storen, waren de -gevolgen niet te voorzien. - -Maar Adolf van Bourgondië, Heer van Wokkene en Hoog-baljuw van Gent, -was allerminst de man, om op eigen verantwoording tot zoo forsche -maatregelen over te gaan. Hij wist te wel, hoe gespannen de toestand -was: een enkele onvoorzichtigheid en geheel West-Vlaanderen kwam in -opstand! En zoo liet men de Gereformeerden rustig hun gang gaan. - -Toen Jacob Martens het afgesloten terrein betrad, wisselde hij een -groet met Daniël, den boogschutter van Poperingen, die, op zijn -armborst geleund, mede de wacht hield bij den ingang. De forsche, -jonge Vlaming wierp hem, grinnekend van pleizier, een blik van -verstandhouding toe; een vergadering als deze, met de wapens in de -vuist, waarbij men het gezag openlijk tartte en nog kans had op een -gevecht bovendien, was juist een kolfje naar zijn hand. - -Voor het overige geleek het tooneel, dat de jonge man thans -aanschouwde, veel op dat van Gentbrugge. Ook hier waren kramers en -boekverkoopers, thans in grooten getale uit Antwerpen overgekomen, -druk bezig met het venten van bijbels en andere verboden boeken, -die gretig werden gekocht en openlijk meegedragen. Er was meer moed -en zelfvertrouwen onder het volk. Men voelde zich sterk genoeg, om -de plakkaten des konings openlijk te trotseeren. De Reformatie was -in Vlaanderen een geduchte macht geworden, waarmee de regeering zou -hebben te rekenen. - -Terwijl hij zich langzaam een weg baande naar de houten stellage,--ook -ditmaal weder een boerenwagen, met eenige planken gedekt,--die tot -kansel zou dienen, bemerkte Jacob Pieter de Welle, die in ernstig -gesprek was gewikkeld met twee mannen, die blijkbaar tot de hoogere -standen behoorden. De een droeg het gewaad van een edelman, in de -stemmige kleuren, die nog altijd de Geuzen-edelen van de voorstanders -der regeering onderscheidden; de baret, met een veder getooid, en -de lange degen bewezen echter zijn rang. Om den hals droeg hij aan -een rooden sluier een vreemdsoortig sieraad, dat Jacob niet kende: -'t was een zilveren medaille, waaraan drie kleine napjes bengelden, -van 'tzelfde metaal. - -De ander was een nog jong man, met een bleek, fijn besneden gelaat -en donkere oogen, eenvoudig in 't zwart gekleed. - -De Welle had blijkbaar zijne beide metgezellen op den jongen Martens -opmerkzaam gemaakt, want de drie mannen traden op hem toe. - ---"De jonker van Treslong en de Eerwaarde Junius wenschen kennis met -u te maken, jonker Jacob," zei de koddebeier op dien eigenaardigen -toon van eerbiedige gemeenzaamheid, waarmede hij tot den zoon van -zijn meester sprak. - -Jacob zag op met blijde verrassing, want het waren twee beroemde -namen, die hij hoorde: twee namen van goeden klank onder allen, -die God wilden dienen naar de inspraak huns harten en die het wèl -meenden met de vrijheid des lands. - -Jan Blois van Treslong, de broeder van den lateren admiraal van -Zeeland, met de beide Marnixen misschien de eenige "ridders zonder -vrees of blaam" in die woelige dagen, waarin zooveel zelfzucht, -zooveel eerzucht, zooveel lichtzinnigheid en wereldzin schuilden onder -den mantel van vrijheidszin en patriottisme. De edele kampioen der -ontwakende vrijheid, die welhaast de martelaar zou worden voor zijn -schoone zaak. En Franciscus Junius, de jonge Fransche edelman, uit -Genève naar de bedrukte Fransche gemeente te Antwerpen als predikant -gezonden, die weldra zulk een groot aandeel zou nemen in den heiligen -strijd tegen geloofsdwang en Inquisitie, de mede-arbeider der edelen -en de getuige van hun verbond, maar die ook de eenvoudigen dorst -stichten door Christelijke vertroosting en gebed, terwijl door de -vensters van de geheime vergaderplaats de vlammen van den mutsaard -flikkerden, waarop daar beneden op het plein de bloedgetuigen den -marteldood stierven voor dezelfde goede belijdenis, die hij daar -verkondigde. De getrouwe herder, die, overal vervolgd en belaagd, -toch van de kudde niet wijken wilde, en daarbij de ontwikkelde man, -met den ruimen blik, die verder zag dan de welmeenende, maar vaak -bekrompen ijveraars, naast wie hij streed, en die zoo vaak door hun -onberaden ijver zooveel bedierven, maar die zich toch niet afwendde -van den heiligen strijd, trots verdachtmaking en verkeerd begrijpen; -de theoloog, die voor de eenvoudige Limburgsche boeren predikte, -en de aan hare zaligheid wanhopende krankzinnige wist te brengen tot -Christus, en die eenmaal een sieraad zou zijn der Leidsche hoogeschool. - -Jacob Martens wist natuurlijk niets van de beide mannen, dan dat hij -ze in den laatsten tijd, dikwijls had hooren noemen, door de eene -partij als steunpilaren der "gesuyverde Gereformeerde religie", door -de andere als twee sectehoofden der kettersche Sacramentarissen en -rebellen tegen 's konings gezag. Hij wist echter, dat het mannen van -beteekenis waren en beantwoordde beleefd hun hoffelijken groet. De -Welle verwijderde zich op een wenk van Treslong en voegde zich bij -de gewapende bewakers van het terrein. - ---"Het verheugt mij te zien, jonker Martens," zeide Treslong, "dat uw -goede stad Gent voor Antwerpen niet onder wil doen. Wij dachten niet, -dat de onzen het wagen zouden, ter preek te gaan onder de wallen der -stad. Vreest gij, dat de overheid wat tegen ons in 't schild voert -en dat zij trachten zal de vergadering te verstoren?" - ---"Mij dunkt van niet," zeide Jacob, "de Hoog-baljuw is geen man van -geweld. Hij zal niets doen, dan op bevel der hooge Regeering. Trouwens, -hier te Gent was de vervolging in zaken van religie nooit hevig." - -Het gesprek werd in het Fransch gevoerd ter wille van Junius, die de -landstaal nog niet volkomen machtig was. - ---"Een goede tijding, dat laatste, voor onzen broeder Junius," zeide -Treslong. "Hij denkt een poos te Gent te vertoeven, om de broeders -te bemoedigen, vooral hen, die uit Frankrijk zijn overgekomen, en om -er te werken voor de zaak van ons verbond." - ---"Ik ben hier in Gent niet meer in gevaar dan elders," zeide -Junius met een fijnen glimlach. "Ge weet, ze hebben ons predikanten -uitgesloten van wat ze de "moderatie" noemen, maar men vaart toch -flauwelijk voort met de vervolging, en ik meen, dat wij eenige rust -zullen hebben, tot de Heeren Bergen en Montigny, die eerlang met -een zending naar den Koning zullen vertrekken, teruggekeerd zullen -zijn van hunne reize. Toch past het den Christen, te waken voor zijne -veiligheid en God niet te verzoeken en ik zal mij verblijden, als ik -hier eenigen tijd in rust en veiligheid kan doorbrengen. Ik heb reeds -met verscheidene broeders kennis gemaakt. Zijn er ook onder de edele -geslachten van Gent aanhangers der Reformatie, jonker Martens?" - ---"Onder de gezeten burgers en onder het volk zijn vele -Gereformeerden," antwoordde Jacob, "maar onder den ouden Gentschen -adel zijn er slechts weinig. De Imbyze's misschien. Jonker Jan van -Imbyze..." - ---"Een vurig ijveraar!" riep Treslong. - -Op het bleeke gelaat van Junius speelde een glimlach. - ---"Er zijn veel zulke ijveraars onder onze edelen!" zei hij droog. - ---"En gelukkig!" riep Treslong met een vroolijken lach. "Ja, Junius, -schud het hoofd maar! Als de Koning aan onze beden geen gehoor wil -geven, als het zwaard moet spreken, dan zult ge zien, wat onze jonge -adel vermag!" - ---"Ik hoop het!" zei Junius, maar zijn gezicht betrok. - ---"En ook in u groeten wij blij een nieuwen bondgenoot, jonker -Martens," ging de geestdriftige jonge edelman voort. "Maar zeg mij, -waarom draagt ge ons bondsteeken niet. Laat mij u er mee mogen -versieren." - -Hij nam den rooden sluier met den zilveren penning van den hals -en hing hem Jacob om. Deze dankte hoffelijk voor het geschenk en -bekeek den penning nieuwsgierig. Aan de eene zijde vertoonde die -het borstbeeld van den koning, aan de andere een gesloten pelgrims- -of bedelaarstasch. Ook de zilveren bekertjes hadden den vorm der -zoogenaamde bedelaarsnapjes. - ---"Fidèles au roi jusq'à la besace!" lachte Treslong, terwijl hij naar -het randschrift wees. "Wij zijn de bedelaars, de Geuzen! Ge weet, -zoo noemde ons Barlaimont, de oude vrek. We zijn nòg bedelaars! We -smeeken bij den Koning om ons goed recht, om vrijheid van geloofsdwang, -om handhaving van de vrijdommen van den adel en de steden. Wij smeeken -nog, maar als wij vorderen gaan..." - ---"Komt," zeide Junius, "onze wellieve broeder Modet zal zoo aanstonds -optreden. Laat ons dichterbij gaan, anders kunnen wij niets verstaan." - -Inderdaad verscheen weldra de forsche gestalte van Modet op den kansel -en zijn zware stem klonk over de opeengepakte volksmenigte. De schare -der toehoorders was hier veel grooter dan te Gentbrugge. Het terrein -lag zoo dicht bij de stad, en de overtuiging, dat de overheid toch -niets tegen de wèlgewapende ketters zou durven ondernemen, had vele -nieuwsgierigen naar de "groene preek" gelokt, terwijl bovendien op alle -wegen en paden in den omtrek posten waren geplaatst, die de voetgangers -uitnoodigden om aan de godsdienstoefening deel te komen nemen. - -Voor het overige werd die gehouden op dezelfde wijze als te -Gentbrugge. Het scheen echter, dat de algemeene opgewondenheid zich van -den prediker had meester gemaakt. Hij had tot tekst gekozen Exodus 20: -4 en 5 en heftig viel hij in zijne uiteenzetting van het tweede gebod -den beeldendienst der Roomsche Kerk aan, "de verdoemelijke afgoderij -der Papisten ende Baälsdienaren", zooals hij dien noemde. En toen hij, -medegesleept door zijn eigen woorden, met wilden ijver betoogde, dat -men ze "zoowel uit het oogh, als uit het hert behoorde te werpen," -zag Jacob Martens hoe Treslong met fonkelende oogen als aan de lippen -van den spreker hing, terwijl Junius verdrietig het hoofd schudde. - -Het doopen van een kind, volgens de wijze der Gereformeerden,--'t -was de eerste maal, dat dit in het openbaar geschiedde--waarmede de -godsdienstoefening werd besloten, wekte algemeene belangstelling, -niet het minst onder de aanwezige Roomschen, waaronder er velen waren, -die meenden, dat de "Sacramentarissen" evenals de Wederdoopers den -kinderdoop verwierpen. - -Daarop werd de wagenburg afgebroken en onder het zingen van de thans -reeds populair geworden psalmen van Dathenus trokken de Gereformeerden -in kleine groepjes huiswaarts. - ---"Ge waart niet voldaan, Eerwaarde Heer?" vraagde Jacob aan Junius, -die peinzend de zingende groepen nakeek. - ---"Ik vreeze zeer, dat onze wellieve broeder Modet, door zijn ijver -voor de zuivere leer vervoerd, de aandacht der schare al te zeer -vestigt op die uiterlijke vormen, die, zoo ze verkeerd zijn, toch -het wezen der religie niet raken," zei de Fransche predikant. "'t Is -gevaarlijk, in deze dagen de hartstochten van het volk te prikkelen!" - ---"Ei wat!" zei Treslong luchthartig. "Een klein oproer zou niet -ondienstig zijn voor onze plannen! 't Zou Madame doen inzien, dat -wij het meenen en dat er niet met ons valt te gekken!" - -Een lang man, in het zwart gewaad van den gegoeden burgerstand, -trad haastig op hen toe. - ---"Wat zegt ge er van, Eerwaarde?" vraagde hij in gebrekkig Fransch, -terwijl zijn onrustig flikkerende grijze oogen zich beurtelings op -Junius en diens metgezellen vestigden. "Een man Gods, nietwaar? Een -tweede Elia! Daar moet het heen! Of wij al klagen en bidden, het -helpt niet. Wij moeten de handen aan het werk slaan en den gruwel der -afgoderij uit ons midden wegdoen! Is het geen schande, dat de ware -Kerk moet vergaderen onder den blooten hemel, terwijl onze kerken -tot Baälstempels zijn gemaakt. Wat zegt ge, Eerwaarde? Er zijn genoeg -rappe gasten onder de gilden, die op een woord van u..." - ---"Ik heb van niemand den last of de roeping ontvangen om dat woord -te spreken, Lieven Ongena," antwoordde Junius rustig. "Zie toe, -dat de vijanden der gezuiverde religie geen oorzake vinden om ons -van oproer en van verstoring van 's Konings vrede te betichten." - ---"Maar de afgoderij der Paapschen...." begon Lieven Ongena. - ---"Ons is het niet gegeven, in zoodanige zaken iets te doen, hetzij -dan dat wij een wettige roeping hebben, broeder," zeide Junius. "Het is -de wil des Heeren, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. Wij -spreken hierover nader." - -Met een verlegen groet droop de drukke man af, blijkbaar ontevreden, -maar toch zonder verdere tegenspraak. - ---"Zoo ziet ge, dat de woorden van onzen broeder Modet in vruchtbare -aarde vallen," zeide Junius, die hem hoofdschuddend nazag. "Ik vrees, -jonker Martens, dat ons bange en droeve tijden te wachten staan." - -Hij nam afscheid van Jacob, terwijl hij diens aanbod om hem te -begeleiden heuschelijk afwees, hetzij omdat hij den jongen man -te weinig kende, hetzij omdat hij den zoon van den president van -Vlaanderen in geen moeilijke positie wilde brengen, door hem in kennis -te stellen van de woning, waar hij zich schuil hield. - -Treslong, die het gesprek van zijn vriend met Lieven Ongena met -blijkbaar ongeduld had aangehoord, fluisterde Jacob bij het scheiden -in: - ---"Mocht het aan den dans gaan, jonker, en mocht ge lust hebben -een slag te wagen voor de gezuiverde leer en tegen de Inquisitie, -kom dan te Antwerpen en vraag er in de taveerne "de Fonteyne" naar -hopman van der Aa. Die zal u meer zeggen!" - -Toen Jacob dien avond thuis kwam, ontvluchtte hij de donkere blikken -van zijn vader en moeder en het minachtend glimlachje van Madeleine -op zijn kamer. Hij haalde den Geuzenpenning te voorschijn, het -heilig verbondsteeken, gekozen door hen, die de verre strekking van -hun daad niet begrepen, een scherts, die eerlang zulk een vreeselijk -angstige beteekenis zou krijgen. Voor Jacob was het aanvaarden van den -bondspenning heilige ernst. Hij was thans voorgoed aan de heilige zaak -der vrijheid verbonden,--en hij had afstand gedaan van wat hij zich -gedroomd had als het hoogste geluk, het offer aan zijn hoog Ideaal. - - - - - - - -V. - - -Hoe was het begonnen? Wie waren de aanstichters geweest? Wie had het -bevel gegeven tot de noodlottige daad? - -Als een dreigend onweer was het komen opzetten over Vlaanderen en -Brabant. De spanning was al grooter geworden; een uitbarsting was -onvermijdelijk en de Regeering stond machteloos om het naderend onheil -te keeren. De landvoogdes drong bij den Koning aan op een antwoord op -hare voorstellen, op toegeven aan de dringende eischen der tegenpartij, -om een burgeroorlog te voorkomen, en Philips draalde.... draalde... en -draaide en zocht uitvluchten, wel vast besloten om nimmer toe te staan, -wat hij vooralsnog niet openlijk durfde weigeren. - -Nog den 7den Augustus had Margaretha den Koning geschreven en -aangedrongen op een spoedig antwoord op hare voorstellen omtrent -de bijeenroeping der Staten. De rust des lands, zoo schreef zij, -hing van dat antwoord af, ja, voor dat het kon zijn aangekomen, -zou misschien reeds de burgeroorlog zijn ontbrand. - -En de landvoogdes had juist gezien. Den 14den Augustus, den dag vóór -Maria Hemelvaart, brak het onweer los. - -Tusschen de Schelde en de Leye, in de nabijheid van St. Omer, verscheen -plotseling een hoop volk, voorzien van bijlen, ladders en touwen, -die het werk begonnen. Het eerst moesten de kapellen en kruisbeelden -langs de wegen het ontgelden, maar weldra vielen de beeldstormers -de kerken en kloosters in en om St. Omer aan. Den 13den hadden 500 -Geuzen het klooster en de kerk van den Heiligen Antonius bij Belle -aangevallen en alles wat er aan den Roomschen eeredienst herinnerde, -vernield. Als een lawine nam de beweging toe, honderden sloten zich -bij de beeldstormers aan, zoowel de vurige ijveraars als de boeven -en landloopers, die te dien dage het platteland onveilig maakten. Op -Maria Hemelvaart werden de kerken en kloosters te Richebourg, Estères, -Laventhie, Meenen, Meter, Vrulle, Capelle, Gevinchy, Lorgies en -die rondom Yperen bestormd en de beelden en de altaren verbrijzeld, -terwijl die van de stad Yperen zelve den volgenden dag aan de beurt -waren. In drie dagen tijds waren meer dan vierhonderd kerken en -kapellen verwoest. - -Den 20sten Augustus begon de beeldstorming te Antwerpen, 't Was er -juist kermis en de stad was vol vreemd volk, terwijl de aanvoerders der -beweging tevens een schoone gelegenheid hadden, om hunne aanhangers -ongemerkt binnen de stad te brengen. Het eerst was de schoone -hoofdkerk aan de beurt: de beelden, de schilderijen, het orgel, alles -werd er vernield, terwijl de andere kerken en kapellen hetzelfde lot -ondergingen. De magistraat was machteloos tegen de volkswoede en liet, -na een vruchtelooze poging om de kathedraal te redden, de beeldstormers -begaan. Van vijf uur in den avond tot 's morgens waren de verwoesters -aan het werk en toen waren ongeveer dertig kerken en kapellen vernield. - -Van Antwerpen sloeg de beweging over naar Gent. - -Nauwelijks waren daar de geruchten van wat er in de groote Scheldestad -was voorgevallen bekend geworden, of er ontstond een hevige -beweging onder het volk. Men wist wel, wat er in de laatste dagen -op het platteland was voorgevallen, maar dat telde niet. Doch nu te -Antwerpen! Men had dan gedurfd! De ure der bevrijding was gekomen! De -macht der geestelijkheid, waarvoor men zoolang had gesidderd, was -nietig gebleken, en de regeering zelve had niets durven ondernemen, -toen het Gereformeerde volk optrad en de teekenen der paapsche -afgoderij neerwierp en verbrijzelde en de kerken zuiverde. Waarom -niet te Gent zoo goed als te Antwerpen? - -Zoo had men geredeneerd en gevraagd en het gerucht liep door de stad, -dat er des anderen daags--het was de 24ste Augustus--op de Vischmarkt -een groote volksbijeenkomst zou plaats hebben, waar men de zuivering -der kerken te Gent zou bespreken. Het "Vive le Geus" had den geheelen -avond luide door de stad geklonken. Groote troepen volks liepen -zingend rond. Soms klonken op de slepende wijzen van Clement Marot, de -Datheensche psalmen door de straten, dan waren het weer Geuzenliederen, -plotseling ontstaan, vervaardigd door onbekende dichters, maar die -in enkele dagen door het heele land werden verspreid en gezongen. - - - "Alle de Santen sijn gaen duyken, - "Sy en doen geen miraaklen meer!" - - -Zoo zongen de Gentsche Geuzen en de magistraat, de geestelijkheid en -dat gedeelte der burgerij, dat de regeering en de oude religie trouw -was gebleven, ze wachtten vol onrust en bekommering op de dingen, -die komen zouden. - -Jacob Martens was dien avond vroeg naar zijn kamer gegaan. In het -anders zoo vroolijke huisvertrek was het de laatste dagen weinig -opwekkend. De president correspondeerde druk met de regeering te -Brussel, en wanneer hij in den huiselijken kring verscheen, was zijn -voorhoofd bewolkt en zijn toon kort en barsch. Het gelaat van Vrouwe -Martens stond strenger dan ooit en hare woorden vielen koud als ijs -en scherp als staal op haar zoon, den afvallige van zijn Koning en -zijn Kerk. Madeleine bejegende hem koel en bits; met een smadelijk -glimlachje zag zij neer op den dommen dweper, die zijn overtuiging -dorst stellen boven haar, en Klaartje keek hem verschrikt met haar -groote blauwe oogen aan, als kon zij het vreeselijk feit maar niet -begrijpen, dat haar broeder een Geus, een ketter was geworden. - -De gebeurtenissen der laatste dagen hadden Jacob verontrust en -ontsteld. Hij kon wat hij zag en hoorde niet overeen brengen met de -eischen van Gods Woord en van zijn geweten. De ruwe baldadigheid der -beeldstormers stuitte hem tegen de borst. De domme vernielzucht, die -alles verwoestte en vertrapte wat schoon en liefelijk was, wat door de -vrome vereering van vele eeuwen was gewijd, deed hem pijnlijk aan. Hij -had den geloofsmoed der Hervormden bewonderd, hij had de macht hunner -overtuiging erkend, hij had de kracht van hun geloof aan zijn eigen -ziel ervaren,--maar was het noodig, om de zuivere Kerk van Christus -te stichten, dat men zoo rauwelijk brak met het verleden? Eerde men -den Christus, als men het kruisbeeld smadelijk vertrapte? - -De meesten zijner geloofsgenooten meenden het. Zij juichten de beweging -met geestdrift toe en zij verwachtten blijkbaar, dat hij doen zou -als zij. Was het dan misschien tòch een Gode welgevallig werk, dat -zoo vele ernstige, vrome mannen het verdedigden en prezen? Was het -laakbare zwakheid, gehechtheid aan de Paapsche afgoderij, zooals -zijne geestverwanten het noemden, dat hij deze dingen niet zien kon -zooals zij? - -Franciscus Junius alleen scheen er over te denken als hij. In de -laatste dagen had hij den Franschen predikant, die zich nog altijd te -Gent ophield, herhaaldelijk ontmoet, en hij had het bleeke, verstandige -gelaat meer dan eens peinzend en bedrukt gezien. Junius zeide niet -veel van de beeldstormerij. Hij was blijkbaar van oordeel, dat bij de -algemeene opgewondenheid een afkeurend of waarschuwend woord niet zou -worden aangehoord en dat hij, die het te kwader uur sprak, den invloed -kon verliezen, dien hij in de moeilijke dagen, die aanstaande waren, -maar àl te zeer zou behoeven. En hetzij terecht of ten onrechte, -Junius verzette zich niet openlijk tegen den beeldenstorm, althans -niet, toen die wellicht nog ware te keeren geweest. - -Toch keurde hij de beweging niet goed, Jacob wist het zeker. Hij had -met den predikant over het Couter gewandeld, toen de drukke ijveraar, -Lieven Ongena, beweeglijk als altijd, op hen was toegeschoten, en hen -met luidruchtige betuigingen van blijdschap en instemming had verhaald, -wat er te Antwerpen was voorgevallen. "Weldra," zoo verzekerde de -man, "zou het volk te Gent het voorbeeld der Antwerpsche broeders -volgen. Zou het dan, naar het oordeel van den Eerwaarden Junius, -geraden zijn, zelf mee de hand aan het werk te slaan en als leider -dier beweging op te treden?" - -Junius had den opgewonden man kalm en met een fijnen glimlach -aangezien. - ---"Wellieve broeder," had hij gezegd, "wij moeten alleen datgene -doen, waartoe wij van God geroepen zijn. Gij hebt hiertoe geen -gewone roeping, want ge zijt geen Magistraat en ge hebt geenerlei -wettige bevoegdheid of autoriteit. En ge hebt ook tot dit werk geen -buitengewone roeping, want ge vraagt mij om raad, en dat zoudt ge -niet doen, als ge wist, dat ge tot dit werk van God geroepen waart." - -Lieven Ongena had op zijn neus gekeken, en had zich hoofdschuddend -verwijderd, blijkbaar uit zijn humeur, omdat zijn ijver zoo weinig -werd gewaardeerd. - -Maar anderen hadden gesproken, zooals hij. De beeldenstorm van -Antwerpen had onder het volk luide toejuiching gevonden; er was -gisting en woeling in de stad. - -Jacob had het venster van zijn kamer geopend, en, op het kozijn -geleund, staarde hij naar buiten, in den schoonen zomernacht. Vóór -hem lag de donkere stad, maar 't was er niet, zooals anders op -dit uur, rustig en stil. Verwarde geluiden stegen op uit den nacht; -gejoel en psalmgezang, geschreeuw en getier, dan weer de galm van een -Geuzenlied. Van tijd tot tijd werden de donkere straten even verlicht -door een rossen gloed, als er een troep, met harstoorts of pekkrans -zwaaiend, daarheen trok. - -En plotseling stegen er uit die duisternis vreemde geluiden op, -nu schril en schetterend en schel, als het hoongelach van duivelen, -dan brommend en loeiend, als een monster in doodsangst. Het galmde en -schaterde door de nauwe straten, en de Gentsche burgers, die deuren -en luiken eerst angstig gesloten hielden, vertoonden zich nu met -ontstelde gezichten aan hunne vensters, om te weten welke helsche -macht er over hunne stad was losgelaten. - -Ook Jacob boog zich, verwonderd en ontsteld, voorover. Het gebriesch, -het gillend gegalm kwam nader en nader, een tierende hoop kwam -langs de "dulle Griete" de Vrijdaegsmarkt op, verlicht door -hunne pekfakkels,--wrongen van zeildoek of werk, in teer gedoopt -en aangestoken. Het rosse licht viel op de mannen en opgeschoten -jongens, die voor aan den stoet liepen. Zij waren voorzien van lange, -blinkende instrumenten, waarin zij bliezen met de volle kracht hunner -longen, onder het geschater der omstanders. Eén oogenblik stond Jacob -verbaasd; toen begreep hij wat er gaande was, en hij schaamde zich -voor zijn angst. Die instrumenten waren de orgelpijpen der Antwerpsche -kerkorgels, door de beeldstormers naar Gent gebracht, en uitgedeeld -onder het grauw. - -En al gillend en huilend voorspelden ze den ondergang van de -heiligenbeelden te Gent. - -Den volgenden morgen was Jacob al vroeg op straat. Hij vreesde, -dat zijn vader hem zou verbieden, het ouderlijk huis te verlaten en -een koortsachtige nieuwsgierigheid dreef hem naar buiten, om te zien -wat er zou gebeuren. Want dat de beeldenstorm dien dag naar Gent zou -overslaan, stond vast. - -Het was druk op straat. De meeste gildebroeders hadden zich uit eigen -beweging naar hunne loopplaatsen begeven, en wachtten op de bevelen -hunner overlieden. Evenals den vorigen avond trokken er troepen volk -door de stad, soms benden opgeschoten knapen, tierend en schreeuwend, -blijkbaar in hun element, maar ook wel andere groepen, mannen met -stroeve gezichten en saamgeknepen lippen, of anderen, met wilde, -dwepende oogen, die in woeste geestvervoering de Datheensche psalmen -zongen. Het volk stroomde naar het Raadhuis, waar de overheid, de zes -en twintig "mannen oprechte", en de overlieden der twee en vijftig -ambachten en der wevers, waren vergaderd, onder voorzitterschap -van den Hoog-baljuw. Jacob volgde den stroom en bevond zich weldra -voor het eerwaardige gebouw. Juist kwam hij er aan, toen hij een -groep burgers zag, die de trappen van de hooge stoep opklommen. Hij -herkende terstond eenige der voornaamste Gereformeerden en aan hun -hoofd, met een grooten, gezegelden brief in de hand, bevond zich de -roerige Lieven Ongena,--die weinig vermoedde, dat die gang hem binnen -weinige maanden het hoofd zou kosten. - -Na eenigen tijd kwam de deputatie terug, ditmaal vergezeld door een -wacht van hellebaardiers. Het gezicht van Lieven Ongena glom van -genoegen, zijne onrustige oogen flikkerden zenuwachtig en met luider -stem riep hij het volk toe: - ---"De beelden worden weggenomen op last van Mijnheer den -Hoog-Baljuw! Naar St. Baef!" - ---"Naar St. Baef! Naar de kerk!" jubelde het volk. "Weg met de -Santen! Weg met de afgodsbeelden!" - -En juichend, onder het zingen van psalmen en Geuzenliederen, trok -men naar de hoofdkerk. - -Vol verbazing over de zonderlinge toegeeflijkheid van den Hoog-baljuw -sprak Jacob Martens een van de leden der deputatie aan, dien hij kende. - ---"Zeg mij toch eens, Meester Geleynsz, hoe heeft Lieven Ongena dàt -er door gekregen?" vraagde hij nieuwsgierig. - -De Gentenaar lachte spottend. - ---"Ze zijn daarginds met blindheid geslagen of zot!" zei hij. "Lieven -Ongena trad stout voor den Hoog-baljuw en zeide, dat er last was, om -de beelden uit de kerken weg te doen. "Van wien is die last?" vraagde -men. "Van de hoogste Majesteit!" zei Lieven en hij wees op zijn -verzegeld perkament. En zoudt ge 't gelooven? de ezel liep in den -strik en zei, dat hij 's Konings bevel moest gehoorzamen. Lieven -Ongena bedoelde natuurlijk, dat men de beelden moest afwerpen volgens -den last des Heeren, in het tweede gebod." - -Zóó was het. Het ongelooflijke was geschied. Al is 't niet aan te -nemen, dat de weifelende Adolf van Bourgondië inderdaad meende, dat -er een bevelschrift der hooge Regeering was, om een daad te plegen, -die zij moest verfoeien, hij verschool zich achter die bewering, om -oproer te voorkomen. "De beelden zouden ordelijk worden weggenomen -en geborgen, en niemand zou eenig geweld plegen." - -Maar zoo hij gemeend had, op deze wijze den storm te bezweren, het -mislukte hem deerlijk. Wat Lieven Ongena wellicht had beloofd, hij -was er de man niet naar, om een volksbeweging te leiden. Nauwelijks -waren de kerkdeuren van St. Bavo geopend, of het volk, door eenige -Antwerpsche beeldstormers geleid, drong de kerk binnen en begon het -werk der verwoesting. - -Waar men zoo spoedig de ladders, de touwen en het overige gereedschap -vandaan haalde, begreep Jacob niet, maar in een oogenblik stonden de -hooge leeren tegen de zuilen der kerk en jonge gasten klommen als -katten naar boven. Om het hoofd der heiligenbeelden werd een strop -geslagen. "Berg je beneden!" klonk het en een schaar van mannen -en vrouwen spanden zich juichend aan het afhangend touw. Nog een -oogenblik en het zware beeld stortte van zijn voetstuk en viel op de -zerken te pletter. - -Van een geregeld wegnemen en opbergen der beelden en schilderijen, -zooals de leiders misschien hadden bedoeld, kwam niets. Het volk was -niet te houden. Jacob Martens, die niet ver van het altaar het werk der -verwoesting aanschouwde, zag met ontzetting de uitbarsting van den wrok -van het lang geplaagde volk. Het aantal van hen, die eigenlijk het werk -deden, was niet zoo groot, maar de schare stond er bij, en zag het aan, -met kennelijk welgevallen, soms met luide toejuiching. Hij zag, hoe -eenige jonge knapen zich van een langen sliet hadden meester gemaakt -en er onder luid gelach de schoone schilderijen, de meesterwerken der -oude Vlaamsche school, die de wanden der kerk versierden, mee stuk -stieten. Geschilderde glazen en fraai houtsnijwerk, gouden en zilveren -kelken en gedreven koperwerk, alles werd vernield en vertrapt door -de fanatieke menigte, die van kunst geen begrip had en in dit alles -slechts de symbolen zag van een eeredienst, dien zij verfoeide. - -Het altaar was tot nog toe gespaard. Het was, alsof een zekere schroom -de beeldstormers had weerhouden zich te vergrijpen aan wat velen hunner -in hun jeugd heilig was geweest. Nu vloog echter een schippersknecht -de trappen op, stiet de gewijde kaarsen omver en rukte het ciborium -open. Hij nam den monstrans en hield dien een oogenblik in de hoogte, -terwijl hij spottend den priester nabootste. Toen opende hij de vaas -en nam er de gewijde ouwels uit. - ---"Melis! Melis! Jan de Witte!" [1] juichte het volk. - ---"Wie wil een God?" schreeuwde de schipper. "Wie er aan een niet -genoeg heeft, kan er twee krijgen." - ---"Ik! Geef hier!" klonk het van alle kanten. - ---"Pak aan!" En in een oogenblik waren de ouwels verdeeld onder -het tierende volk, dat er met baldadigen spot allerlei ruwe grappen -mede uithaalde. - -In minder dan een uur was de trotsche hoofdkerk een ontredderde romp -en de beeldstormers, die zagen, dat de overheid hen hun gang liet gaan -en zelfs geen poging waagde om het oproer te onderdrukken, togen naar -de andere kerken en de kapellen der kloosters, om daar het werk der -verwoesting voort te zetten. - -Jacob raakte met het volk op straat en zag de joelende menigte -aftrekken. Juist stond hij besluiteloos, of hij de beeldstormers -zou volgen, of naar huis terugkeeren, toen hij een man den hoek der -straat zag omslaan, in wien hij tot zijne blijdschap Franciscus Junius -herkende. Hij snelde den predikant tegemoet. - ---"Wat een dag, Eerwaarde! Hebt gij 't gezien? Wat zal daarvan worden?" - ---"Wat daarvan worden zal, is den Heere God bekend!" zeide hij. "Maar -ik vreeze zeer, dat die van onze religie door deze onberaden daad -zelf de koorden hebben gedraaid, waarmede men ze ter slachtbank -zal sleepen!" - ---"Maar de beelden in de kerken..." - ---"Zijn stomme afgoden! Hun tijd zou vanzelf wel gekomen zijn! Niet met -hen behoorde men te beginnen, waar het geldt, de zuivere Kerke Christi -te stichten. Maar het dwaze volk ziet slechts aan wat voor oogen is!" - ---"Maar als toch uw vriend Treslong gelijk heeft? Als dit het begin -van den opstand was...?" - -Een pijnlijke glimlach speelde om de lippen van den Franschman. - ---"Wellieve broeder," zei hij vriendelijk, "ge zijt nog jong en -moet de menschen nog leeren kennen. Jan Blois van Treslong heeft een -hart van goud en is dapper als een leeuw, maar hij is allerminst een -staatsman. In den strijd kunt ge op hem rekenen, maar niet in de ure -der beproeving!" - ---"Neen," ging hij voort, terwijl hij peinzend voor zich uit -staarde. "Deze beweging komt te vroeg, en zij had ook zóó niet moeten -komen. Dit volk heeft geen leiders. Er moeten nog andere tijden komen, -eer de mannen zullen opstaan, die het groote werk zullen volbrengen. Op -Gods tijd zal Hij den Mozes zenden, die Zijn volk verlossen zal uit -het diensthuis van Egypte!" - ---"Maar als nu toch de edelen zich eens aan het hoofd zetten der -beweging?" - ---"De edelen? Reken niet op hen! O, ik heb ze wel doorzien, daarginds -te St. Truyen. Wat al lichtzinnigheid, en eerzucht en valsche ijver! Ge -zult het zien: de Roomsche edelen zullen zich thans terugtrekken -en de Gereformeerde zullen bevreesd zijn voor de gevolgen van hun -optreden. Neen, jonker Martens, onder hen schuilt de Mozes niet!" - -Al sprekende waren zij op de Vischmarkt aangekomen, waar Junius -eenige leiders der Gereformeerden hoopte te ontmoeten. Hun aandacht -werd weldra getrokken door een oploop. Een hoop volk, grootendeels -bestaande uit vischwijven en straatjongens, had zich verzameld bij -den ingang der overdekte halle, op de plaats, waar nog dien morgen -het groote kruisbeeld had gestaan. Toornige kreten en nu en dan een -daverend gelach stegen uit den hoop op. - -Naderbij gekomen, zagen Junius en Jacob Martens, dat een aantal -opgeschoten kwajongens een ouden monnik plaagden en sarden. Zij hadden -een kring om den ouden man gevormd en wilden hem niet doorlaten, voor -hij hun de absolutie had gegeven, die zij met luid misbaar van hem -eischten. De monnik van zijn kant verkeerde blijkbaar in een toestand -van dolle opgewondenheid. Het oude gezicht was hoogrood gekleurd, -hij dreigde de spottende knapen met de gebalde vuist en schold en -vervloekte hen, beurtelings in het Vlaamsch en in slecht Latijn. - ---"Apage te, Satanas! Voort, kettersch gespuis, uitbroedsel der -hel! Maledicat vos Deus omnipotens! Blijf af van den gezalfde des -Heeren met je vuile drakenpooten!" - ---"Absolutie, pater, geef ons de absolutie!" schreeuwden de bengels, -terwijl zij den ouden man aan zijn pij heen en weer trokken. "De -absolutie! Dan laten we je gaan!" - ---"Dat moet niet voortgaan!" zei Junius verontwaardigd. "Kom, jonker!" - -En door Jacob geholpen, stiet hij de grinnekende vischwijven op zijde -en bevrijdde den ouden man uit de handen zijner plaaggeesten. - ---"Meent gij de zaak des Heeren en die der Kerk te dienen door het -mishandelen van een grijsaard?" voegde hij de verblufte knapen in -gebroken Vlaamsch toe. - -De toon van gezag, waarmede hij hen toesprak, en zijn deftige -kleeding boezemden den ruwen klanten ontzag in. Toch zouden ze zich -waarschijnlijk niet lang hebben laten terughouden, zoo een paar hunner -den predikant niet hadden herkend. - ---"Ds. Junius! De Waalsche predikant!" werd er gemompeld, en de -aanvallers traden bedremmeld terug. - -Maar de oude monnik, wel verre van den man dankbaar te zijn, die hem -van zijn kwelgeesten had bevrijd, trad bij het hooren van dien naam -met een van woede vertrokken gezicht op den predikant toe. - ---"Zijt gij Junius?" krijschte hij. "De sectaris, de aartsketter, -de verloopen Hugenoot? Gij zijt de aanstoker van deze plonderfielen, -de deken van deze rabauwige tempelschenners! Geef mij het zilveren -zegel terug, dat die dieven uit St. Jan hebben gestolen! Ze hebben -het u gebracht..." - ---"Man, wat raaskalt gij? Wat weet ik van uw zegel?" riep Junius. - ---"Gij zijt de dief, ja, de dief!" gilde de oude. "Geef het terug, -Judas!" - -Met uitgestrekte grijpvingers drong hij op den predikant aan, maar -de omstanders hielden hem tegen. - ---"Ziet gij wel, Eerwaarde," riepen zij, "dat de paap bezeten is? Laten -wij hem in 't kanaal gooien, om te zien, of hij drijft." - ---"Laat den man gaan!" zei Junius met gezag en in het Fransch vervolgde -hij tot Jacob: "De schrik heeft den oude zinneloos gemaakt!" - -Tierend en scheldend verwijderde zich de oude monnik. - -Junius wendde zich tot zijn metgezel. - ---"Zoo zal het gaan!" zeide hij. "Wij zullen worden beschuldigd, -dat wij deze zaak hebben gewild. Wat eenige baldadigen en onbedachte -ijveraars hebben bedreven, zal op allen worden verhaald. En dat -juist thans! Weinig dingen, die Mevrouw van Parma en haar raadgevers -zóó van pas konden komen, tot schade van de goede zaak en de Kerke -Christi. Doch, de Heere God regeert!" - - - - - - - -VI. - - -Bij het uitbreken van het oproer, bij het vernemen van het stoutmoedig -optreden der beeldstormers was de Landvoogdes eerst radeloos -geweest. Zij vreesde het ergste; zij had zelfs uit Brussel willen -vluchten en slechts met moeite, bijna met geweld, hadden Oranje, -Egmond, Hoorne en Viglius haar kunnen bewegen, van dien stap af te -zien. Toen had zij, bevreesd voor den omvang der oproerige beweging, -bewilligd in een verdrag, waarbij de plakkaten werden geschorst en de -openbare prediking aan die van de Nieuwe Religie werd toegestaan. En -inderdaad, wat de Regeering op dat oogenblik door geen geweld van -wapenen had kunnen verkrijgen, het werd door dit besluit als met een -tooverslag bereikt. De oproerige bewegingen hielden op. De Geuzen -legden de wapenen neder en de mannen van Vlaanderen en Brabant keerden -tot hun dagelijkschen arbeid terug. Zij wilden niet opstaan tegen hun -Landsheer. Zij verlangden slechts vrijheid, om hun God te dienen naar -de inspraak van hun geweten, zonder voor zichzelf en voor hun dierbaren -te moeten vreezen voor de gehate Inquisitie, voor kerker en schavot. - -Wat ook misschien in die dagen van woeling de politieke bijoogmerken -mochten zijn van de leiders der beweging, het volk deed niet aan -politiek. Het vroeg slechts naar datgene, wat het het naast aan -het hart lag,--waarop het een heilig recht had. En in een lange en -bange worsteling heeft dat volk bewezen, dat het voor dat recht alles -veil had! - -Maar toen Margaretha van Parma zag, dat de storm voor het oogenblik -was bezworen, herademde zij, en weldra bleek het, dat zij zou doen, -wat zij kon, om aan de bepalingen van het haar afgedwongen verdrag te -ontkomen. De beeldstormers werden overal met de grootste gestrengheid -vervolgd,--dit was te begrijpen--maar ook de bepalingen omtrent de -vrije prediking des Woords werden niet nagekomen. Overal, waar men -er kans toe zag, werd den Hervormden de voet dwars gezet. - -En ondertusschen wapende zich de Landvoogdes om een tweeden opstand met -geweld te kunnen onderdrukken. Zij nam troepen in dienst, die onder -aanvoering stonden van hare getrouwe aanhangers, en zij schreef aan -den Koning, dat hij toch spoedig zou komen om den oproerigen geest -der landzaten voorgoed te fnuiken... - - - -Met een bedrukt hart zat Vrouwe Martens in haar bidvertrek. - -Zij was in zware zorg. Het was haar spoedig genoeg ter oore gekomen, -dat haar zoon zich had bevonden onder de beeldstormers van St. Bavo. De -Hoog-baljuw had het den president zelf meegedeeld: zijn spionnen hadden -Jacob Martens gezien; zij hadden ook gezien, hoe hij, in gezelschap -van den beruchten ketterschen predikant Junius, de hoofdkerk had -verlaten. Op de hevige verwijten, die men hem had gedaan, had Jacob -geantwoord, dat slechts een begrijpelijke nieuwsgierigheid hem naar -buiten had gedreven, dat hij aan de beeldstormerij geen deel had -genomen en dat hij die woeste uitspattingen der vernielzucht zeer -zeker niet goedkeurde. Zijn ouders hadden hem nauwelijks geloofd in -hun angst en hun opgewondenheid,--en voor dien angst was er reden -genoeg. Vrouwe Martens wist van haar man, dat de Regeering, een -oogenblik onthutst, weldra weer moed had gevat, toen zij zag, dat de -beweging geen verdere gevolgen had, en dat zij zich gereed maakte voor -een vreeselijke wraakoefening. Zij kon het doen, want het aantal der -ontevreden edelen, ontnuchterd en verschrikt door de gevolgen van hun -verzet, hadden de zaak der vrijheid verlaten en zich aan hare zijde -geschaard. Zelfs Egmond, de stadhouder van Vlaanderen,--een der "drie -Heeren", die het de Landvoogdes soms zoo bang maakten,--stemde in met -de plannen voor een geduchte strafoefening en zou eerlang persoonlijk -zijn gewest bezoeken, om er de vervolging der schuldigen te leiden. - -Hoe gemakkelijk kon Jacob in die vervolging worden betrokken! Ja, -wat meer was, hij was schuldig volgens de plakkaten, door zijn -omgang met Junius, die zelfs bij de Moderatie buiten de wet was -gesteld. Welke gevolgen zou dit alles hebben voor Jacob zelf? En ook -voor zijne ouders? - -En meer dan dit alles kwelde de vrome Katholieke de angst om het -zieleheil van haar kind, haar bittere smart, dat hààr kind, hààr zoon -was afgedoold van de immers toch alléén zaligmakende Moederkerk, -dat het besmettelijk euvel der ketterij ook hem had aangetast en -dat hij voor eeuwig verloren was. Zij had hem lief, op hare wijze, -een liefde, die zich nimmer toonde in eenig zacht of liefkoozend -woord, die zij immer zorgvuldig verborg, als een zwakheid, die -zij zich schaamde, maar toch een echte, sterke liefde, die er niet -voor zou hebben geschroomd, om haar eigen zaligheid te verbeuren, -als zij er die van haar zoon mee had kunnen koopen. Vele uren had -zij doorgebracht op haar bidstoel; tallooze malen gleden de kralen -van haar rozenkrans door hare vingeren, als zij de Moedermaagd, haar -bijzondere patronesse, smeekte, om haar zoon terug te voeren van zijn -doolweg, om hem te redden van de eeuwige pijnen der hel, om hem te -behoeden ook voor de gevolgen zijner dwaasheid in de naaste toekomst, -voor het zwaard van den beul misschien! - -Ook ditmaal was zij weder verzonken geweest in het gebed, maar het had -haar geen troost gebracht. Droevig staarde zij naar het Mariabeeld: -de Moeder Gods moest toch weten, wat in haar omging, zij, die zelve -van zoovele smarten was doorstoken, aan den voet van het Heilige Kruis. - -Zij had haar nood geklaagd aan haar biechtvader, den goeden, -ouden pastoor der St. Jacobskerk, maar de grijsaard had haar niet -veel troost kunnen geven, en haar slechts opgewekt tot vurig gebed -en--berusting. En berusting was wel het moeilijkst voor een natuur -als die van Vrouwe Martens. - -Plotseling staarde zij strak voor zich uit. Een licht rood kleurde -haar bleeke wangen. Een gedachte was in haar opgerezen, die redding -kon brengen: dat was eene verhooring van haar gebed, eene ingeving -van de Heilige Maagd! - -Zij zou zich wenden tot den geleerden en vromen prior van het -Dominicaner klooster. Vader Anselmus, een man, die gezien was bij -hoog en laag, om zijn edel hart en zijn kloek verstand, en van wien -slechts de inquisiteur Titelman en zijn aanhangers beweerden dat hij -te laks was in zijn ijveren tegen de ketters. - -Vrouwe Martens kende den prior. De eerwaardige man, die anders zijn -studeercel zelden verliet, had haar en haar echtgenoot enkele malen -bezocht, om te spreken over zekere landerijen van het klooster, -welke grensden aan een stuk land van den president. Zij had toen een -goeden indruk ontvangen van de kalmte en het beleid, waarmede Vader -Anselmus de zaken behandelde. Later had hij zijn bezoek herhaald; -er was toen ook gesproken--kon het wel anders?--over den toestand -des lands, en hoewel de vurige ziel van Vrouwe Martens geen vrede -kon hebben met de rustige beschouwingen van den ouden priester, die -haar halfheid en lafheid toeschenen, een weifelaar slechts waardig als -Hopperus, toch had zij als goede Roomsche een diepen eerbied voor zijn -priesterlijk ambt en geestelijke waardigheid. Wellicht gevoelde zij, -dat hij de afdwalingen van haar zoon zachter zou beoordeelen dan zij -zelve het vermocht. - -Snel stond zij op. Na zich als een goede huisvrouw overtuigd te hebben, -dat Klaartje en Madeleine, zoowel als hare dienstboden, het haar -opgedragen huiswerk inderdaad behoorlijk volbrachten, hing zij haar -huik om en verliet het huis. 't Was stil op straat, een doodsche, -leege stilte, na de opgewondenheid van weinige dagen geleden. Het -was of Gent, na de woeste oproerkreten en de uitspattingen van den -beeldenstorm, verschrikt over eigen roekeloosheid, thans sidderend -den slag afwachtte, die dreigde, dreigde--en maar al te spoedig en -te onbarmhartig zou treffen. - -Vrouwe Martens had weldra het klooster der Dominicanen of Predikheeren -bereikt: een statig gebouw, aan den waterkant van de gekanaliseerde -Leye, die hier langs steenen kaden door de stad stroomde. Zij -noemde haar naam aan den broeder-portier, en weldra stond zij in de -kloosterbibliotheek tegenover den prior. - -Zij begon haar verhaal, eerst stroef en kort,--maar de meewarige -blik van den grijsaard, die haar lijden begreep, boezemde haar -vertrouwen in en maakte haar tong los. Tranen, heete tranen van smart -en teleurstelling, vloten de fiere vrouw langs de wangen; zij sidderde -voor het eeuwig heil van haar zoon, maar niet minder haast leed zij, -onder de krenking van haar trots, wanneer zij dacht aan al wat haar -eerzucht van Jacobs toekomst had gedroomd,--droomen, die wel nimmer -verwezenlijkt zouden worden. Wat zou het lot zijn van den ketter, -den rebel? - -De grijze priester had haar zwijgend aangehoord. - -Toen zij uitgesproken had, schudde hij droevig het grijze hoofd. - ---"Het zijn booze tijden, Vrouwe Martens!" zeide hij, "en ik vreeze -zeer, dat nog boozere in aantocht zijn. De afval is groot--en men -zal dien nog grooter maken door onverstandige strengheid. Wat men -had moeten trekken met koorden der liefde, heeft men willen drijven -met den staf van het geweld,--en nu moet men wel voortgaan op dien -weg. Wel moeten onze zonden groot zijn voor Gods aangezicht, dat Hij -zijne Kerke aldus bezoekt." - ---"Maar de ketters en sectarissen zijn toch vijanden van God en zijn -Kerk, Vader," zei Vrouwe Martens heftig. - ---"De ketters zijn de dwalende schapen der Kerk," zeide de prior -kalm. "De goede herder moet ze terugbrengen tot de kudde, en ze niet -heendrijven naar de grijpende wolven." - ---"Maar de Inquisitie, Vader..." - ---"De Inquisitie is goed bedoeld, maar verkeerd begrepen. Zij moest -ten zegen en ter redding zijn, en zij is een vloek geworden voor deze -landen. De Inquisitie moest zijn de arts, die de krankheid naspeurt, -de wonde peilt om haar te genezen, niet de rechter, die de misdaad -zoekt om haar te straffen. Ook gij, dochter, met uw echtgenoot, -hebt dwaas en zondig gehandeld tegenover uw zoon." - -Trotsch hief Vrouwe Martens het hoofd op; een scherp antwoord rees -haar op de lippen, en al de eerbied, dien het ambt en de leeftijd -van den prior haar inboezemden, was noodig om haar te beletten het -te uiten. Toch kleurde zij van ergernis. - ---"Wat natuurlijker," ging Vader Anselmus voort, "voor een -jong en edelmoedig herte, dan dat het medevoelt met ellendigen en -verdrukten. En hoe snel komt de onbedachte jeugd er niet toe, om partij -te trekken voor wat haar verdrukt schijnt, zonder te vragen naar de -oorzaak van het leed, dat zij wil verzachten. Uw zoon heeft gedwaald, -maar 't is de dwaling van een edel gemoed. En in plaats van hem met -liefde te leiden hebt ge hem met harde, bittere woorden bejegend, -en hem zóó voortgedreven op zijn weg, voort naar de sectarissen, -tot gij zelve vreest, dat hij betrokken zal worden als medeschuldige -aan hun heiligschennend werk." - -Jacobs moeder boog bedroefd het hoofd. - ---"Maar wij willen hem redden," ging de prior voort. "Ik geloof -met u, dat de regeering de rebellen zwaar zal straffen, en dat wie -in de eerste hitte des toorns worden getroffen, voor velen zullen -boeten. Maar de "vrijheid" van ons klooster, ons recht van vrijplaats, -is nog nimmer aangetast. Spreek met den president, en breng ons uw -zoon, voor eenige weken, voor eenige maanden misschien. Men zal den -zoon van den president van Vlaanderen, wiens ijver voor de zaak des -Konings bekend is, niet al te zeer zoeken, meene ik. Men zal ook -deernis hebben met zijne jonge jaren. Hij zal hier veilig zijn, -en als hij wil, kan hij de studie der oude Heidensche schrijvers -weder opvatten, waarbij ik hem gaarne naar mijne zwakke krachten -zal bijstaan." - -Vrouwe Martens slaakte een zucht van verlichting. Dit voorstel -bracht inderdaad redding. Zelfs al wilde men Jacob vervolgen om zijn -omgang met Junius, en het deel, dat hij, zij het dan als lijdelijk -toeschouwer, had genomen aan de beeldstormerij, onder de hoede der -Dominicanen zou hij veilig zijn. En wie kon er beter geschikt zijn, -om hem van zijne kettersche afdwalingen te genezen, dan een heilig man, -als de prior? - -Maar haar gelaat betrok weder. - ---"Ik vreeze, Eerwaarde Vader," zeide zij onrustig, "dat mijn zoon -zóó is aangetast door het gif der ketterije, dat hij mogelijk niet -zal inzien, wat tot zijn heil dient en zal weigeren, zich onder uw -hoede te stellen. Dat ik het van mijn kind getuigen moet! Hij is -onze gehoorzame zoon in alle dingen, maar in zake van deze rebellie -en ketterije hebben wij geen invloed meer op hem, zijn vader, noch -ik. Zouden wij dan... met geweld..." - -Vader Anselmus schudde afkeurend het hoofd. - ---"Geen geweld en geen dwang, dochter, het zou den knaap slechts -verbitteren, en daarbij,--nog is alles in gisting, nog hebben die van -de Calvinische secte grooten aanhang in de stad,--het ware wellicht -niet geraden. Er zijn andere wegen om een jeugdigen dwaas te redden, -al is het tegen zijn wil. Luister! Kom morgen met uw zoon naar den -vesperdienst in onze kapel. Na den dienst zal een der broeders u -tot mij leiden. Ge verlaat het klooster,--en ge laat het mij over -met den jonker Martens te spreken. Zoo ge hem misleidt, het is voor -zijn welzijn. Een tijd van stille afzondering zal hem heilzaam zijn -en met de hulpe van onzen heiligen Patroon geef ik hem u terug als -een gehoorzamen zoon en een goed Christen." - -Blijde stemde Vrouwe Martens in met het voorstel van den prior. Met -een verlicht hart verliet zij het klooster en zocht, thuisgekomen, -aanstonds den president op, met wien zij een langdurig onderhoud had. - -Op bevel van zijn vader had Jacob sinds den beeldenstorm de ouderlijke -woning niet verlaten. Hij wilde zich in alles, waar hij het kon en -mocht, een goeden en gehoorzamen zoon toonen. Het smartte hem, dat hij -zijne ouders een groot verdriet moest aandoen, maar mocht hij, ja kòn -hij anders? Hij kon haar niet dooden, die diepgevoelde overtuiging, -die er leefde in zijn ziel en die het beste was, wat hij bezat. Hij -kon evenmin huichelen. Wat kon hij dan anders, dan zwijgen, dulden, -en afwachten? - -Inmiddels kropen de dagen traag voorbij. Zijn boeken en zijn -Liesveldsche Bijbel, dien hij met zijn geuzenpenning zorgvuldig -verborgen had gehouden, waren zijn eenige troost. Berichten van zijne -vrienden konden hem niet bereiken, want president Martens had strenge -bevelen gegeven, dat niemand bij zijn zoon mocht worden toegelaten. Wat -hij nog vernam, hetzij door de fluisterende gesprekken der dienstboden, -die hij opving, of uit de weinige woorden, die zijne ouders aan tafel -wisselden, waren geruchten over de dreigende houding der Regeering, -over den toorn des Konings en over de ellende, die de oproerige edelen -en hun aanhang over het land brachten. Zijn vader was kortaf en stroef, -zijne moeder, als altijd, hard en koud, Madeleine behandelde hem met -smalende minachting en wees elke poging tot verzoening af. Alleen -zijn zuster trachtte hem te troosten, maar haar troost baatte -hem niet veel. De goede Klaartje kon maar niet begrijpen, waarom -Jacques opeens zoo koppig en dwars was geworden. Wat konden hem toch -die Geuzen schelen, die oproermakers, waarvoor zij bang was en die -kettersche predikanten, wier eenige toeleg immers was, de menschen -in 't verderf te storten. Haar biechtvader had het haar verzekerd -en haar moeder geloofde het ook. Waarom kon Jacques weer niet zijn -als vroeger en ter misse en te biecht gaan? Dan zou alles weer goed -zijn en met Madeleine zou het dan ook wel weer in orde komen, want -die hield zich maar boos.... En haar mooie, blauwe oogen keken den -armen Jacques verwijtend aan. - -Niet weinig was Jacob verwonderd, toen zijne moeder hem, op zachter -toon dan gewoonlijk, verzocht haar te vergezellen naar den vesperdienst -in de kapel van het klooster der Predikheeren. Die kapel was nog -ongeschonden. Was het toeval? Hadden de hooge kloostermuren haar -beschermd, of was de gunst, waarin de Predikheeren zich bij het volk -mochten verheugen, hun in deze woelige dagen te stade gekomen? Hoe het -zij, de kapel was niet door de beeldstormers bezocht en het klooster -had geen last geleden. Het kon niemand verwonderen, dat Vrouwe Martens, -nu haar parochiekerk, de oude St. Jacobus, was vernield en ontwijd, -den dienst ging bijwonen in de stille kapel. - -Jacob was terstond bereid; hij was verheugd over dit bewijs van -toenadering. Zelfs al meende zijne moeder, dat hij, door haar te -vergezellen, tegen zijn overtuiging handelde en dat hij reeds begon -te wankelen, dan mocht hij toch haar wensch niet weerstreven. Hij -nam zijn bonnet en den korten Spaanschen mantel, die toen reeds door -aanzienlijke jongelieden werden gedragen, en hij maakte zich gereed -zijne moeder naar het Dominicanerklooster te vergezellen. - -Toen hij zijn kamer verliet, en de breede trap afdaalde naar het -voorhuis, ontmoette hij de beide meisjes. Madeleine wierp hem een -vreemden, spottenden blik toe, terwijl zij coquet met een medaille van -Onze Lieve Vrouwe van Halle speelde, die aan een snoer van gouddraad -om haar hals hing. Klaartje echter viel haar broeder onstuimig om -den hals, en kuste hem, met tranen in de oogen. - -Juist wilde hij haar vragen, wat toch haar tranen en haar -hartstochtelijke teederheid beteekenden, toen de gebiedende stem -zijner moeder in het voorhuis klonk. Met een kus en een schertsend -woord maakte hij zich los uit de armen zijner zuster, en na een -hoffelijken groet aan joffer de Bette, snelde hij ijlings naar beneden. - -De avond was reeds gevallen, toen moeder en zoon het klooster -bereikten. De groote poort, die anders des morgens en des avonds open -stond, om de geloovigen, die dat mochten verlangen, de gelegenheid te -geven de mis of de vesper in de kloosterkapel bij te wonen, was thans, -met het oog op de onrustige tijden, gesloten. Ook het kloosterklokje -klepte niet: de klokken der kerken en kapellen van Gent, die anders -zoo vroolijk jubelend konden beieren bij mis of vesperdienst, zwegen nu -over de ontwijde bedehuizen en de kapel der Dominicanen stemde in met -den algemeenen rouw der Kerk. Mogelijk wenschte men ook wel de aandacht -van het nog altijd oproerige gemeen niet op het klooster te vestigen. - -De ijzeren klopper dreunde op de eikenhouten deuren; het gebaarde -gelaat van den broeder portier verscheen een oogenblik voor het -getraliede luikje; toen ging de poort open en Vrouwe Martens trad -met haar zoon binnen. - -Een tweede binnenpoort, eveneens van zwaar eikenhout, met ijzeren -bouten en klinknagels beslagen, gaf toegang tot het "claustrum", -het eigenlijk gezegde klooster, afgesloten van de woelige wereld -daarbuiten. Zij bevonden zich nu in de groote kruisgang, die heenleidde -naar de verschillende gedeelten van het reusachtig gebouw. De dienst -zou spoedig beginnen. Van alle kanten verschenen de spookachtige -gedaanten der monniken, in hunne witte pijen, met de kappen diep over -de oogen getrokken en de handen gevouwen onder het zwarte scapulier, -om zich op te stellen in het claustrum voor den gang ter kapel. - -Vrouwe Martens en Jacob gingen den zwijgenden stoet voorbij en -betraden de kloosterkerk. Een jonge monnik, geknield bij de deur, -bood hun het wijwater aan en met een donkeren blik zag de moeder, -dat haar zoon de heilige gave met een lichte handbeweging afwees. - -In het middenschip der kapel gekomen, in de ruimte, voor de geloovigen -buiten het klooster bestemd, knielde Vrouwe Martens neder, terwijl -Jacob bleef staan in de schaduw van een der zware pilaren, waar -hij den dienst onopgemerkt kon bijwonen. Een oogenblik nog, en de -witte stoet der monniken, door hun prior voorafgegaan, schuifelde -de kapel binnen. De monniken en conversen namen hun plaatsen in, -het hamertje van den prior gaf het teeken, allen stonden op en de -krachtige mannenstemmen hieven een "Gloria in excelsis!" aan. - -Met ongeduld wachtte Jacob in de schaduw van zijn pilaar op het -einde van den dienst. Als meer jonge menschen, die zich pas een eigen -overtuiging verworven hebben, was hij geneigd tot eenzijdigheid en -overdrijving. Hij vergeleek den vormendienst der zingende monniken met -de eenvoudige verkondiging van het Woord Gods onder den blauwen hemel, -het Latijnsche kerklied met het goed-ronde Vlaamsch der Datheensche -psalmen, het versierde altaar met de flikkerende kaarsen bij het -zonlicht, dartelend door het jonge gebladerte ter "groene preek",--en -met minachting wendde hij zich af van de oude religie en hare vormen, -die zijne Gereformeerde vrienden hem hadden leeren minachten als -"Paepsche mommerijen". Hij had op dat oogenblik geen oog voor de -schoone mystiek van den Roomschen eeredienst; hij vergat, dat ook die -vormen eens nieuw waren geweest, dat ook zij eens uitdrukking waren -geweest van het geloof eener strijdende gemeente en dat die vormen -op zichzelf niet verwerpelijk waren, als de inhoud maar aanwezig was: -waarachtig geloof en verootmoediging des harten;--hij zag er slechts -de symbolen in van een godsdienst, die niet troostte, maar vervolgde, -die wilde heerschen in stede van te dienen, en dien hij, en duizenden -met hem, hadden leeren haten en verachten. - -De dienst was geëindigd. De witte gedaanten der monniken verdwenen -door de deur der kapel, maar nog altijd lag Vrouwe Martens, in gebed -verzonken, naar het scheen, op haar knielbank. Jacob wachtte, tegen -zijn pilaar geleund, geduldig, tot zijne moeder gereed zou zijn met -hare devotie. Op dat oogenblik trad een monnik de kapel binnen; hij -ging op de geknielde vrouw toe en scheen haar iets in te fluisteren. - -Vrouwe Martens stond op. - ---"De Eerwaarde prior wenscht mij te spreken, Jacob," zeide zij, -weer op zachter toon dan gewoonlijk. "Wacht hier op mij. Uw verblijf -in het huis Gods zij gezegend!" - -Verbeeldde hij het zich, of was het een vreemde, schuwe blik, waarmede -zijne anders zoo fiere en strenge moeder hem aanzag? - -Jacob zette zich neer en wachtte. Droomerig staarde hij naar de gele -vlammetjes der waskaarsen, naar het matte schijnsel van de eeuwige lamp -voor het altaar. Het was doodstil in de kapel. De dikke kloostermuren -lieten geen geluid van buiten doordringen en het klooster zelf scheen -uitgestorven. Zonder dat hij het wist of wilde, vielen zijn oogen toe. - -Hij ontwaakte met een lichten schrik en een gevoel, alsof hij niet -langer alleen was. Een oogenblik moest hij zich bezinnen, waar hij -zich bevond. Hij zag om zich heen. De broeder-sacristijn was bezig, -om, geholpen door twee convers-broeders, de kaarsen te dooven en de -kapel weder in orde te brengen. - -Naast hem stond een lange gestalte, in de witte pij der orde. Het -gelaat was verborgen in de wijde kap, maar aan het gouden kruis op -de borst herkende Jacob den prior. - ---"Is mijne moeder gereed?" vroeg hij verward. - ---"Uwe vrouw moeder is reeds lang vertrokken," zeide de prior bedaard -en ernstig. "Wees gerust, een vertrouwd man heeft haar begeleid." - ---"En ik, die haar moest vergezellen? Zij zal meenen, dat ik zonder -haar ben heengegaan!" zeide Jacob. "Vergeef mij, Vader," vervolgde -hij haastig. "Mijne moeder heeft u misschien verzocht met mij te -spreken. Een andermaal gaarne, maar thans moet ik terstond naar -huis. Mijne moeder mag niet denken.." - ---"Uw moeder weet, dat ge hier zijt, jonker," viel hem de prior in -de rede. "Het is op haar verlangen, dat ik u heb opgezocht. Het is -haar wensch en ook die van uw vader, dat ge eenigen tijd hier bij -ons zoudt vertoeven, als onze gast." - -Verschrikt staarde Jacob den monnik aan. Hij begon te begrijpen. Het -was hem een oogenblik of de steenen vloer der kapel onder hem -wegzonk. Men wilde hem in het klooster gevangen houden. - -Hij herstelde zich en wierp een snellen blik naar de deur der kapel. - ---"Ik kan uw gastvrijheid niet aannemen, Eerwaarde Vader," zei hij -met een stem, waaraan hij tevergeefs trachtte de noodige vastheid te -geven. "Ik moet gaan." - -Hij deed een stap naar de deur. Was het toeval, dat de beide gespierde -leekebroeders zich daar thans bevonden? Ze waren ijverig bezig met -hun arbeid en schenen niet op hem te letten, maar hij kon de deur -niet bereiken, zonder hen voorbij te gaan. - -Vader Anselmus leide hem de hand op den schouder. - ---"Als onze geëerde gast," herhaalde hij, langzaam en met nadruk. "Ik -vertrouw, dat het zóó zal zijn, jonker, en niet als een ongehoorzame -zoon, die zich de tucht ontwassen waant." - ---"Als een ongehoorzame zoon," mompelde Jacob, terwijl hij den prior -met een bleek en ontsteld gelaat aanstaarde. - ---"Uw ouders wenschen u te behoeden voor de gevolgen van uw dwaas en -onvoorzichtig gedrag in de laatste maanden," zeide Vader Anselmus met -gedempte stem, terwijl hij den jongen man doordringend aanzag. "Het -was hun uitdrukkelijke wensch, dat wij u onder onze hoede zouden -nemen. "Eert uw vader en uwe moeder" is een gebod, dat, naar ik meen, -ook nog onder de nieuwe religie in eere wordt gehouden." - -Jacob boog het hoofd. Een stroom van aandoeningen en verwarde gedachten -overstelpte hem. - ---"Onze broeder-gastmeester zal u uw kamer wijzen," zei de prior kalm -en beslist. Toen ging hij voort, met meer hartelijkheid, dan Jacob -van den strengen man had verwacht: - ---"Wees niet zoo bedroefd en ontsteld, mijn zoon. Wij meenen het -wel met u. Gij kunt bij ons uwe studiën voortzetten. Ik zelf zal -uw leermeester zijn, en ge kunt hier rustig toeven, tot het onweer, -dat dit ongelukkige land bedreigt, zal zijn afgedreven." - -De prior gaf den broeder-sacristijn een wenk. Deze verwijderde zich -en kwam weldra terug met een anderen monnik, den broeder-gastmeester, -wien Vader Anselmus met een kort woord de zorg voor zijn gast opdroeg. - -Met een stommen groet volgde Jacob zijn gids, die hem voorging naar -een der cellen, die voor logeerkamers waren ingericht. Hoffelijk -doch kloek wees hij het aanbod van den monnik af, die hem aanbood -zijn avondeten voor ditmaal naar zijne cel te doen brengen. - -Zijn gemoed was vol. Hij, Jacob Martens, de zoon van den president -van Vlaanderen, in een kloostergevangenis! En daar listig heen gelokt -door zijne moeder! O, nu begreep hij haar afscheidswoord! - -Zijne verbittering belette hem, over de handelwijze zijner ouders -billijk te oordeelen. Hij kon er op dat oogenblik niet aan denken, -dat er liefde kon schuilen in hunne zorg, om de gevaren, die hij niet -kende of niet telde, af te wenden van zijn hoofd. Al wat een jong en -vurig gemoed moet voelen, als het zich ziet gedwongen te buigen voor -harden dwang, als het zich moet schikken in het onvermijdelijke, -kookte en bruiste in zijn binnenste en deed zijn hart kloppen en -zijn oogen branden. Hij trachtte te bidden, maar het was te onstuimig -daarbinnen. Hij kon zijne gedachten niet verzamelen, zijne ziel niet -verheffen tot den Heer. - -Eindelijk wierp hij zich, bedroefd en afgemat, op het eenvoudige bed, -maar het duurde lang, eer hij den slaap kon vatten. Eerst tegen den -morgen viel hij in een onrustige sluimering. Toen hij wakker werd, -waren zijn bovenkleederen, die hij had afgelegd, verdwenen. In hunne -plaats vond hij een witte pij van de Dominicaner-orde met het korte -scapulier der novicen. - - - - - - - -VII. - - -Vader Anselmus was een te verstandig man en een te goed menschenkenner, -om zijn "gast" aanstonds over zijne "kettersche gevoelens" te -onderhouden. - -Nauwelijks had Jacob zich dien eersten morgen niet zonder weerzin in -het kloostergewaad gekleed, of een leekebroeder verscheen in zijn cel, -om hem te zeggen, dat de prior hem wenschte te spreken. - -Jacob moest wel gehoorzamen: hij zag zeer tegen dat onderhoud op, -want hij vreesde, zijn godsdienstige gevoelens te moeten verdedigen -tegen den statigen kloostergeleerde, voor wien hij, als een natuurlijk -gevolg van zijp opvoeding en de gewoonte van jaren, een heimelijk -ontzag had. Doch het onderhoud viel hem bijzonder mede. De prior -sprak met geen enkel woord over het gevreesde onderwerp, doch deelde -hem eenvoudig mede, dat hij op zich genomen had de studiën van zijn -gast te leiden, tot deze weer naar de Leuvensche School zou kunnen -terugkeeren. Hij wees Jacob de Grieksche en Romeinsche schrijvers aan, -die hij had te bestudeeren en spoorde hem aan tot vlijtigen arbeid; -de tijd moest in het klooster niet in ledigheid worden gesleten. De -vroegdiensten behoefde hij niet bij te wonen, maar de prior rekende -er op, dat Jacob bij de mis en den vesperdienst niet zou ontbreken. - -Het werd gezegd op een kalmen toon van gezag, die geen tegenspraak -toeliet. Toen Jacob een enkele toespeling waagde op het hem opgedrongen -kloosterkleed, antwoordde de prior, dat het een eere was, het kleed -van den Heiligen Dominicus te mogen dragen, en dat het zeker niet te -veel verlangd was, dat jonker Martens, in ruil voor de gastvrijheid, -die hij genoot, zich schikte naar de regelen van het huis, dat hem -een schuilplaats bood. Met een enkele handbeweging werd hij daarop -ontslagen. - -Met zeer gemengde aandoeningen keerde Jacob naar zijn eigen cel terug, -die uitzag op den ruimen kloosterhof. Hij had zich dat onderhoud -heel anders gedacht. Hij had gemeend, zich te moeten verdedigen, zijn -geloof te moeten handhaven tegen den fellen aanval van een geleerden -priester der Roomsche Kerk, even bekwaam in de godgeleerdheid als in -de dialectiek, hij had er op gerekend, dat hij zou moeten protesteeren -tegen gewetensdwang, hij had zich bijna een aanstaanden martelaar -gewaand,--en niets van dat alles was geschied. Hij had eenvoudig -een taak gekregen, als een gewoon scholier. Hij had zich in den -geest gewapend tot een hevigen strijd,--en hij had geen tegenstander -gevonden. Op zijn overspanning volgde natuurlijk een toestand van -matheid en moedeloosheid,--en dat was het juist, wat Vader Anselmus -had verwacht en gewenscht. - -Jacob zette zich aan zijn taak en trachtte in de verzen van Virgilius -de gedachten, die hem kwelden, te vergeten. Hij had er aan gedacht, te -weigeren om de viering der mis bij te wonen, maar na zijn nederlaag -zonder strijd--de zwaarste beproeving voor een karakter als het -zijne--ontbrak hem daar thans de veerkracht toe. Toen de kloosterklok -het teeken gaf, nam hij zijn plaats in, achter in de rij, die zich -opstelde in de breede kruisgang en ging hij mee ter kapel. Wel knielde -hij niet neder, toen de officieerende broeder den monstrans ophief, -om de hostie ter vereering aan de geloovigen te toonen, maar het -scheen, dat niemand daar op lette. - -De dag kroop voorbij. De prior had zijn maatregelen goed genomen en -zijne bevelen werden stipt uitgevoerd. Noch in den refter, de eetzaal -van het klooster, waar de monniken zwijgend aten, terwijl één hunner -voorlas uit een kerkvader, noch in het recreatie-uur, dat in den -kloosterhof werd doorgebracht, wijdde iemand eenige bijzondere aandacht -aan den jongen gast. Men behandelde hem beleefd en vriendelijk, -maar juist, alsof hij al jaren in het klooster had doorgebracht. - -Eindelijk sloeg het uur van den vesper. Moe van den ingespannen -arbeid, was Jacob thans blijde, dat hij naar de schoone kloosterkapel -kon gaan. Hij troostte zich met de gedachte, dat de psalmen Davids, -die straks door de monniken zouden worden aangeheven, toch dezelfde -liederen waren, als de kloeke psalmen van Datheen, die hij ter "groene -preek" uit den mond der Vlaamsche landlieden had gehoord. En toen -de broeders psalm 138 aanhieven, luisterde hij aandachtig en weldra -stemde hij mede in: - -"Si sumpsero pinnas meas diluculo et habitavero in extremis maris," - -"Etenim illuc manus tua deducet me, et tenebit me dextera tua." - -"Et dixi: forsitan tenebrae conculbalunt me, et nox illuminatio mea -in deliciis meis." - -"Quia tenebrae non obscurabuntur a te"... [2] - -"De duisternis is voor U niet donker," klonk het na in Jacobs ziel. God -sprak tot hem door Zijn Woord, want het wàs toch Zijn Woord, dat -hem daar uit het Latijnsch kerkgezang tegenklonk. Hij gevoelde zich -getroost en bemoedigd: God was ook in het klooster, Zijn rechterhand -zou hem houden, op Zijn tijd zou het alles goed worden. - -De dagen verliepen en werden tot weken en nog altijd was Jacob in -het Dominicaner klooster. - -Hij studeerde er vlijtig onder de leiding van den prior, die zich -een streng, maar uitstekend leermeester toonde. Bezoeken ontving hij -niet. Wel kreeg hij brieven: soms een enkel stroef woord van zijn -moeder, maar daarentegen lange en hartelijke brieven van Klaartje, -soms in deftig Fransch, soms in wat onbeholpen Vlaamsch. Clara -schreef hem over zijn vader, die thans dikwijls door de Regeering -werd geraadpleegd over de zaken des lands, over Madeleine, die een -uitnoodiging had aangenomen van hare bloedverwanten te Brussel, -omdat zij zich in Gent niet veilig achtte voor de vileynighe Geuzen, -zooals zij zeide. Madeleine had met veel opgewondenheid geschreven over -de feesten, die zij had bijgewoond,--want ook de treurige toestand -des lands kon den Brusselschen adel niet tot ernst stemmen--en, -zoo liet het zusje er niet zonder onrust op volgen, zij schreef zoo -herhaaldelijk over Thierry de St. Foy, die bij meer dan een gelegenheid -haar cavalier was geweest. - -En als Jacob zulk een brief had ontvangen, dan liep hij met een bleek -gezicht en saamgeknepen lippen zijn cel op en neer en dan kwam er van -het werken weinig. Hij had Madeleine afgestaan, hij had zichzelf en -zijn jonge liefde verloochend, zeker, zeker!--en toch was er op den -bodem van zijn hart nog een heimelijke hoop, dat hij het offer niet -zou behoeven te brengen, dat ook voor Madeleine nog eens het licht -der waarheid zou opgaan en dan... - -Dan was het weer over de onrust der tijden, dat Klaartje schreef: -wel wat verward, want het goede kind kon de verschillende partijen -niet wel uit elkander houden. Zij klaagde maar over de "quellagiën -ende de errueren", de troebelen en de twisten, die den vrede van haar -jong leven waren komen verstoren en die haar haar broeder en haar -vriendin hadden ontroofd. Toch vernam Jacob van haar, dat op last -van Egmond een aantal van de hoofden der beeldstormers waren gevat, -en dat zij weldra zouden worden terechtgesteld. - -Maar ook op andere wijze drongen de geruchten over den toestand -des lands binnen de gewijde kloostermuren, want de broeders, de -Predikheeren of Witheeren, zooals zij onder het volk werden genoemd, -leidden geen afgetrokken en beschouwend kloosterleven, maar bewogen -zich, volgens den eisch van den stichter hunner orde, in de wereld -"tot verdediging des geloofs en ter bestrijding der ketterij". Uit hun -midden werden zelfs veelal de inquisiteurs gekozen en zoo de Gentsche -Dominicanen niet als zoodanig optraden, dan was dit slechts, omdat hun -prior van alle bloedige geloofsvervolging afkeerig was. Maar in het -"recreatie-uur" werd de geschiedenis van den dag besproken, soms juist, -soms overdreven voorgesteld, en dikwijls gaven de loopende geruchten -aanleiding tot een levendigen woordentwist, want onder de monniken -waren er zonen des lands, die, al waren ze de Kerk getrouw, toch het -vertrappen van de vrijheden van hun vaderland met leede oogen zagen. - -Onder de monniken was er één, die reeds dikwijls Jacobs aandacht had -getrokken. Broeder Bernardus, zoo heette hij, was een lang en mager -man, van ongeveer veertig jaren. Hij had een geel-bleek gezicht, met -scherpe trekken en groote, donkere oogen, die soms dof en peinzend -voor zich uit staarden en dan weer konden flikkeren van een vreemd -vuur, wanneer de monnik in het recreatie-uur met groote stappen den -kloostertuin doorkruiste. - ---"Broeder Bernardus is weer bezeten!" fluisterden dan de novicen -en de jongere convers-broeders spottend, en Jacob had opgemerkt, dat -de oudere monniken den bleeken man dikwijls met onrust of wantrouwen -nastaarden. - -'t Had zijn aandacht getrokken, dat de donkere oogen van broeder -Bernardus dikwijls lang en strak op hem gericht waren. In den refter of -de kapittelzaal was die vreemde, starende blik soms hinderlijk. Slechts -wanneer een der andere broeders dit opmerkte, wendde de monnik de -oogen schielijk af en keek weder ootmoedig voor zich. - -Op zekeren dag, toen zij toevallig in een der lanen van den -kloostertuin alleen waren, trad broeder Bernardus haastig op -Jacob toe, en vroeg hem snel en gejaagd, of hij het groote nieuws -reeds had vernomen. De "Martinisten" waren met de "Calvinischen" -overeengekomen, den Koning drie millioen gulden te bieden als hij -vrijheid van godsdienst wilde verleenen. Men geloofde echter niet, -dat het ernst was met dat aanbod en te Brussel hield men het er voor, -dat de ingezamelde gelden moesten dienen om krijgsvolk tegen den Koning -te werven. De Landvoogdes had soldaten in Duitschland geworven, om -de oproerige beweging te beteugelen. Brederode versterkte Vianen en -dreigde met openlijk verzet. Elk oogenblik kon de algemeene opstand -uitbarsten. - -Toen de zonderlinge man dit in korte, afgebroken zinnen gezegd had, -legde hij met een veelbeteekenend gebaar de vingers op de lippen en -verwijderde zich haastig. - -Jacob zag hem verwonderd na. Wat beteekende die mededeeling? Was deze -broeder Bernardus een vriend of een vijand? Kon het zijn, dat hij, -de Dominicaner monnik, de zaak der Geuzen was toegedaan? Of wilde men -hem in een val lokken, door zijn vertrouwen te winnen? Hij besloot -op zijn hoede te zijn, en, zoo mogelijk, den monnik tot verdere -mededeelingen uit te lokken, zonder zich bloot te geven. - -Het was op zekeren Decembermorgen, een mooien, stillen winterdag. De -monniken kwamen uit de kapel, in hun gewonen statigen optocht, om in -de kruisgang te scheiden en aan hun gewonen arbeid te gaan. Ook Jacob -maakte zich gereed, zijn studeercel en zijn Virgilius weder op te -zoeken, toen een conversbroeder op hem toetrad, en hem zeide, dat de -prior hem op den belfroot wenschte te spreken. Verwonderd volgde Jacob, -den man naar den klokketoren, den "belfroot", zooals de kloosterlingen -hem noemden. Wat kon Vader Anselmus hem juist daar te zeggen hebben? - -De prior leunde tegen de lage borstwering van den omgang van den -belfroot. Schijnbaar merkte hij de komst van Jacob niet op en staarde, -in zijn witte pij gewikkeld, over de stad, die met haar grillig -gevormde daken en gevels zich aan zijne voeten uitbreidde. - -Het was prachtig, stil weder. Zelfs op den toren voelde men nauwelijks -een zuchtje. De hemel was diep blauw en de bleeke Decemberzon scheen -vroolijk over de oude Vlaamsche hoofdstad. - -Als in gedachten verzonken staarde de oude monnik over de huizenzee -aan zijn voet, en verder, over de wijde velden van Vlaanderen. Zooals -de regel het voorschreef, wachtte Jacob eerbiedig, tot de prior hem -zou toespreken. - -Plotseling klonk, boven het gegons, dat uit de stad tot hen opsteeg, -het schel geklep van een klokje, een schril, jammerend geluid, -dat als een wanklank opsteeg in de fijne, zuivere winterlucht. Jacob -kende dien klank maar al te wel. Het was hetzelfde klokje, dat hij had -gehoord op dien lentemorgen, toen hij de arme Doopersche in de gracht -had zien wegzinken, dat hij, zoo jong als hij was, reeds zoo dikwijls -had vernomen in die dagen van straffe justitie: het armezondaarsklokje -van het Minorietenklooster klepte bij den laatsten gang van een ter -dood veroordeelde. - -Nu wendde Vader Anselmus zich om en zag den jongen man doordringend -aan. - ---"Hoor, Jacob Martens," zei hij ernstig, "ik heb u hier doen komen om -te hooren. Daar gaan de onzaligen ter dood, die zich hebben vergrepen -aan de heiligheid van Gods huis in deze stad. Twaalf beeldbrekers -zullen heden op de Vrijdaegsmarkt worden onthalsd. Dank het Gods genade -en de tusschenkomst der Heilige Moedermaagd, dat ook gij, dwaze knaap, -daar thans niet moet knielen op het zwarte kleed... Laat ons bidden -voor de ziel van die ongelukkigen, of God hun nog in de ure des doods -de genade der boetvaardigheid mocht schenken." - -De kralen van den rozenkrans gleden door de vingers van den -monnik. Ook Jacob bad, al liet hij het paternoster rusten, dat aan zijn -zijde hing. Wie het waren, die daar ter dood gingen,--hij wist het -niet. Hadden zij de beelden neergeworpen uit verdoolden geloofsijver -of uit baldadige vernielzucht? Hij wist, dat er onder de leiders der -beeldbrekers mannen waren van allerlei slag. Waren het martelaars -of misdadigers, die daarginds zouden sterven? Hij wist het niet, -neen,--maar het waren zondaren, zondaren als hij zelf, die de genade -van den Heiland behoefden, ook in deze bittere ure. Jacob bad. - -Een dof tromgeroffel klonk uit de verte. De Magistraat had blijkbaar -voorzorgen genomen en het schavot door gewapenden doen omringen. Het -roeren van de trom was het teeken, dat de veroordeelden de plaats -der terechtstelling hadden bereikt. Het klokje zweeg. - -Toen klonk er van de Vrijdaegsmarkt een dof rumoer, dat aangroeide -als het rollen van een verre branding en dat plotseling ophield, -als met een kermenden zucht. - -De executie was afgeloopen. - -De prior wenkte den bleeken Jacob hem te volgen. Zij daalden de trappen -van den belfroot af en bereikten weldra de cel van Vader Anselmus. De -oude man wenkte zijn jongen metgezel zich neer te zetten op een der -houten schabellen, terwijl hijzelf plaats nam op den eenvoudigen stoel, -met hoogen, rechten rug, waarop zijn kloosterrang hem recht gaf. Toen -zeide hij met goedheid: - ---"En nu, mijn zoon, wensch ik eindelijk van u te vernemen, wat er -u toe gebracht heeft, zoo jammerlijk af te dolen van de Kerk, onze -Heilige Moeder. Wat heeft er u toch toe bewogen, u, den zoon van vrome -ouders, het gezelschap te zoeken dier jammerlijke dwaalgeesten, die -zich de luyden van de nieuwe religie noemen, om zóó dwaas uwe hope -prijs te geven voor dit leven en voor de eeuwigheid?" - -Jacob sidderde van inwendige ontroering. Hij had tegen dit onderhoud -opgezien. Hoe zou hij, de onwetende, onervaren jongeling, den strijd -aanbinden met den grijzen priester, den godgeleerde, voor wiens -uitspraken zelfs eerwaardige geestelijken zich bogen? Daarbij, bij een -karakter als het zijne, was zijne pas verworven geloofsovertuiging -meer een zaak des harten dan het gevolg van diep nadenken en van -ernstige studie. Jacob voelde dat onwillekeurig, al had hij het niet -onder woorden kunnen brengen--maar hij kon den kamp niet ontwijken, -en met een stil gebed om kracht aanvaardde hij dien. - ---"Als de Kerk onze moeder is, Eerwaarde Vader," zeide hij vast maar -bescheiden, "dan is zij toch voor deze arme landen een stiefmoeder. Als -zij oordeelt, dat die van de nieuwe religie dolen, dan dolen zij -toch te goeder trouwe, uit liefde tot Gods waarheid en om hunner -zielen zaligheid. Laat de kerk dezulken van dwaling overtuigen, -als zij daartoe bij machte is, maar hen niet straffen als misdadigers." - -De prior schudde nadenkend het grijze hoofd. - ---"Ik zou kunnen antwoorden, mijn zoon," zeide hij zachtmoedig, -"dat de ketters vervolgd en gestraft worden volgens de plakkaten van -Zijne Keizerlijke Majesteit, vernieuwd en verscherpt door onzen Heere, -den Koning van Spanje, maar het zou een ijdele uitvlucht zijn. Het is -waar, er zijn er onder de dienaars der Kerk velen, die meenen, dat -men het euvel der ketterije moet uitbranden door strenge justitie, -in plaats van het te heelen met zachtmoedigheid, en gij weet, dat -ik het niet met hen houde... Maar gij, wellieve zoon, die zegt, dat -die van de nieuwe leer te goeder trouw dolen, waarom strekt gij uwe -Christelijke liefde niet uit tot die priesters, die als herders der -kudde den wolf zien komen, den wolf der ketterije, door Satan gezonden -om de schapen der kudde te verderven, en die nu, ook ter goeder trouw, -de met ketterije besmetten overgeven tot verderving des vleesches, -opdat de geheele kudde niet verloren ga?" - ---"De priesters onze herders, die met liefde waken voor de kudde!" - -Het was er uit, voor Jacob er om dacht. Hij vergat, dat hij sprak -tot een man, die den eernaam van priester waardig was. Maar hij -dacht aan de bekende zedeloosheid, aan de onverschilligheid van -zoovele geestelijken en de woorden van Vader Anselmus schenen hem -een bespotting. - -De grijze monnik fronste het voorhoofd. - ---"Arglistig is het hart van den mensch en zwak is zijn kracht," -antwoordde hij ernstig; "ook priesters zijn zondige menschen en dit -is een zondige tijd. Maar wie zijt gij, jonge man, die den strijd -des levens nog moet beginnen, dat gij anderen oordeelt, die dien -strijd hebben gestreden en gevallen zijn? Hun val, hun zonde neemt -de wijding niet weg, die zij met het priesterambt ontvingen; God zal -hen oordeelen, maar dat ontslaat hen niet van hun plicht om te waken -voor de Kerk, die zij dienen. En kunt gij het niet begrijpen, dat -de arts naar het mes grijpt of naar het vuur, om het kankergezwel -weg te snijden of uit te branden, eer het den kranke bezwijken -doet? Zóó dreigt dit rampzalige land te gronde te gaan, door het gif -der ketterije en door den oproerigen geest, die rebelleert tegen het -wettig gezag. Nog eens, ik houde het niet met diegenen mijner broeders, -die door vervolging en straf het kwaad zoeken te keeren,--maar hen -begrijpen kan ik wel." - ---"Het gif der ketterije, waarvan Uw Eerwaarde spreekt," zeide Jacob, -die nu ook in vuur begon te raken, "het is toch slechts, dat de -armen God wenschen te dienen naar hun geweten en de uitspraken van -Zijn Woord; die geest van oproer is slechts de verdediging van hun -plechtig bezworen rechten. Als de Koning de plakkaten herroept en de -Inquisitie doet ophouden, zal hij geen gehoorzamer onderdanen hebben -dan de inwoners van deze landen." - ---"En de "drie heeren" tot zijne meesters," viel de prior uit, -"en een hoop losbandige edelen tot zijn wetgevers. En wat kalt gij, -knaap, dat de ketters God zouden dienen naar Zijn Woord? Heeft Hij -Zijn Woord niet toebetrouwd aan Zijne Kerk? Is het geen dwaasheid? De -ongeleerde, de ambachtsman, van weefstoel of schaafbank weggeloopen, -de eerste de beste spinster en naaister, ze zouden zich met hunne -uitlegging der Schrift stellen tegenover het gezag der Kerk, tegenover -haar eeuwenoude tradities, tegen het gezag der vrome kerkvaders? Gij -zelf, dwaze knaap, wat geldt uw kennis, uw inzicht, uw verklaring -en uitlegging--zoo noemt ge het immers--van Gods Woord, tegen de -leer der Kerk, op dat Woord gegrond, tegen de uitspraken van haar, -die Christus' belofte heeft, onze Moeder en Middelares?" - ---"Er is slechts één Middelaar tusschen God en den mensch,--de Mensch -Christus Jezus!" - -Vast klonk het Schriftwoord uit den mond van den jongen belijder. Hij -wist, wat hij waagde. Hij wist, dat hij zich geheel in de macht bevond -van dien ouden man, en hij wist ook, hoever die macht reikte, maar de -woorden van den prior hadden weer in hem doen ontwaken de overtuiging, -die in die dagen krachtig opleefde in de harten van duizenden, die bij -hem haast in slaap was gewiegd door den sleur van het kloosterleven, -dat de zondaar moet staan tegenover zijn God, alléén met zijn Verlosser -en Middelaar, den Heere Jezus Christus, en dat geen mensch, ook niet -de vroomste en heiligste, het recht heeft zich te dringen tusschen den -mensch en zijn Schepper. Zooals die beiden, de man en de jongeling, -daar tegenover elkander stonden, waren ze het beeld van de idee, -die zij verdedigden. De oude monnik, steunende op zijn geleerdheid, -op de eeuwenoude tradities zijner Kerk, op al den invloed, die eeuwen -van onaangevochten heerschappij haar gaven over de geesten, was een -waardig vertegenwoordiger van het Catholicisme tegenover dien jongen -man, in alle opzichten zijn mindere, maar die deze ééne gedachte had -vastgegrepen: geen andere Middelaar, dan Christus alléén. Zoo stond -Jacob Martens daar, het beeld van de jonge worstelende kerken der -Reformatie: de dwerg, die den strijd had aangebonden tegen den reus, -en die onoverwinnelijk was door die ééne Godsgedachte. - -De prior begreep, dat hij zich te vroeg met een gemakkelijke -overwinning had gevleid, en dat hij had misgetast, toen hij meende, -dat hij slechts te doen had met de grillen van een overspannen knaap, -die de stilte en de eenzaamheid zouden genezen, terwijl de schok, -dien hij meende dat de terechtstelling der beeldstormers den jongen -man noodzakelijk moest geven, de zegepraal zou voltooien. Hij zag -dat hij zich vergist had, en onwillekeurig liet hij zich vervoeren -tot een woordenstrijd. - ---"Christus onze Middelaar!" zeide hij langzaam. "Alsof ook de Kerk een -anderen kende! Maar wat moet ik denken van uw Christelijken ootmoed, -wanneer gij meent tot Hem te kunnen gaan, zonder de genademiddelen, -die Hij u aanbiedt in Zijne Kerk? Gij wilt tot Hem gaan? Maken -uwe zonden geen scheiding tusschen Hem, den Heilige Gods, en u, -den schuldigen zondaar? Durft gij Hem naderen, zooals gij zijt, -zonder het sacrament der biecht, zonder ootmoedig de voorbede in te -roepen van de Heilige Maagd, de barmhartige Moeder, van de Heiligen, -die juichen met de Overwinnende Kerk daarboven, maar nog bidden voor -ons, de Strijdende Kerk daar beneden? Maar gij hebt hunne voorbede niet -noodig, voorwaar! Gij, jonge dwaas, die u vermeet te oordeelen over de -hooge dingen des geloofs, waarover de vrome vaderen der Kerk hebben -gepeinsd en geworsteld in den gebede, Hoogmoed, zondige hoogmoed, -is uw ketterije, die zich durft beroepen op het Woord van God." - -Een hoog rood bedekte Jacobs bleeke wangen. - ---"Spreek zoo niet, Eerwaarde Vader!" riep hij bijna smeekend. "Tracht -niet, mij mijn Heiland te ontnemen, dien ik zoo pas heb gevonden. O, -een zondaar ben ik,--maar Hij heeft gezegd: "Wie tot Mij komt, zal -Ik geenszins uitwerpen,"--en ik ben tot Hem gegaan en Hij heeft mij -niet verworpen. Ik voel het, ik weet het. O, de Kerk heeft de Heilige -Maagd, en de Heiligen, en den priester geschoven tusschen den zondaar -en zijn Verlosser, en nu was Hij zoo ver, zóó ver, dat wij Hem hadden -vergeten. Maar Hij is barmhartig geweest, en Hij heeft zich opnieuw -aan Zijn volk gegeven, in de gesuyverde religie, ons gepredikt door -de mannen Gods uit Genève." - -De prior stond op van zijn zetel. Met gefronste wenkbrauwen wees hij -gebiedend naar de deur. - ---"Ga naar uwe cel, verstokte en hoogmoedige knaap," zei hij -met van bedwongen toorn trillende stem. "Lang hebben wij u met -zachtmoedigheid gedragen, maar onze goedheid is aan u verspild. Gij -zijt geen verdoolde, maar een, die moedwillig het harte verhardt. Zoo -mogen dan de geloofsrechters uitmaken, hoe men met een als gij zijt -te handelen heeft..." - -Het was Vader Anselmus geen ernst met zijne bedreiging en -in een oogenblik van kalm nadenken zou hij die niet hebben -uitgesproken. Maar--hij was vertoornd en teleurgesteld. Hij moest -zichzelven bekennen, dat hij had gedwaald. Dat was niet de taal -van een, die in jeugdigen overmoed, in opgewondenheid of uit zucht -tot avonturen zich had aangesloten bij de vijanden der Kerk. Jacob -had gesproken met al het vuur zijner overtuiging--en de prior had -hem begrepen. Dàt was de taal der "ketterij", die niet wilde buigen -voor eenig gezag, ook niet voor dat der Kerke, dat den ouden man het -hoogste was. - -Ondertusschen had hij een groote fout gemaakt. Hij had in Jacob -gewekt, wat dreigde in te sluimeren,--en juist op dat oogenblik had -hij dien jongen, vurigen geest tot verzet geprikkeld door zijne -bedreiging. De jonge man had zich zonder morren geschikt in zijn -gedwongen verblijf in het klooster: het was de wil en de wensch -zijner ouders en hij was hun, volgens Gods Woord en volgens de stem -van zijn geweten, gehoorzaamheid verschuldigd. Maar nu, nu dreigde -hem zelf de Inquisitie, de gehate geloofsdwang. Nu zou men hem met -geweld willen dwingen, zijn overtuiging prijs te geven. Nu zou hem de -keuze worden gelaten, zijn Heer en Heiland te verloochenen, of het -overige van zijn leven door te brengen in een kloostergevangenis, -als althans ook hem het zwaard van den beul van Gent niet wachtte, -daarginds op de Vrijdaegsmarkt. En hij was in het net. Hoe zou hij -aan de macht van den prior kunnen ontsnappen? - -Hij bracht den geheelen dag in de eenzaamheid door. De prior deed hem -niet ontbieden voor de gewone lessen en toen het klokje luidde voor den -maaltijd in den refter, verscheen de sub-prior met een conversbroeder, -die in een houten nap het eenvoudig kloostermaal droeg. De monnik -deelde hem mede, dat hij, volgens den wensch van den eerwaarden prior, -den tijd zijner "poenitentie" in de eenzaamheid zou doorbrengen. Alleen -de gewone diensten in de kapel zou hij bijwonen. - -Jacob ging dien avond naar den vesper,--maar hij zat er niet neder als -gedurende de laatste weken, half gedachteloos, half meegedragen door -den statigen eeredienst. De zoon der Reformatie was in hem voorgoed -ontwaakt. O, de vormen waren schoon, zinrijk zelfs in vele opzichten, -maar het was er mee gegaan als met alle vormen, die niet langer de -noodzakelijke uitdrukking zijn van een krachtig geestelijk leven: -ze waren dood en ze gaven den dood. Neen, nimmer zou zijn ziel weer -in slaap worden gesust door de uiterlijke plechtigheden van Rome! - -Na afloop van den dienst keerde hij terug naar zijn cel. Licht -mochten de kloosterbroeders niet hebben en hij kon dus niet lezen of -studeeren. Hij was dan ook trouwens den geheelen dag met zijne boeken -bezig geweest, om zoo mogelijk de pijnigende gedachten te verdrijven, -die hem geen rust lieten. Thans was hij moede naar lichaam en ziel. Na -een kort gebed, wierp hij zich op zijn harde matras en trachtte -te slapen. - -Maar hoe moe hij ook was, hij kon den slaap niet vatten. Een vreemde -onrust maakte zich van hem meester. Hij wentelde zich om en om, maar -de slaap wilde niet komen. Zijn hoofd gloeide koortsachtig. Alles, -wat hij in dat voor hem zoo gewichtige jaar had gezien en ondervonden, -drong zich als een bonte, driftig voortjagende stoet van beelden aan -zijne verbeelding op. - -Het was doodstil in het klooster. Alles was in diepe rust. Buiten -gierde de Noordwesten wind, want het was ruw en onstuimig weder. In -de paneelen der zware deur tikte een houtwormpje. Jacob dwong zich, te -luisteren naar het eentonig geluid, om zoo afleiding te zoeken van de -gedachten en herinneringen, die hem kwelden, maar het baatte hem niet. - -Plotseling schrikte hij op. Hij had duidelijk het slot van de deur -zijner cel hooren knarsen. Langzaam en voorzichtig werd die geopend. - -Jacob vloog overeind. Verwarde gedachten van een nachtelijke -oplichting, van vreemde kloostergeschiedenissen, die hij vroeger wel -eens had gehoord, schoten bliksemsnel door zijn brein. Maar slechts -één enkele witte gedaante sloop de cel binnen. - ---"Schrik niet!" fluisterde een heesche stem. "Ik ben het: broeder -Bernardus." - -De monnik haalde van onder zijn pij een hoornen lantaarn, waarin een -smeerkaarsje een dof licht verspreidde, en zette die op een stapel -boeken. Jacob zag zijn bezoeker ontsteld aan; het was den monniken -en conversen streng verboden na het luiden van den Angelus elkanders -cel te betreden. Wat kwam de vreemde man bij hem zoeken? - ---"Er is geen tijd te verliezen, jonker Martens," zeide de monnik -haastig. "Ik kom van Pieter de Welle." - ---"Van Pieter de Welle?" herhaalde Jacob ongeloovig. - ---"Ja! Ge gelooft mij niet? Goed; hij gaf mij een waarspreuk: -"Denk aan het dasvarken van Gentbrugge." Ge zoudt het begrijpen, -zeide hij. En, hier is zijn kruismes." - -Jacob nam het mes aan en bekeek het bij het flauwe licht van de -lantaarn. Hij herkende het wapen. Dikwijls had hij er als jongen mee -gespeeld en gewenscht het te bezitten. Zou deze monnik inderdaad door -de Welle zijn gezonden? De koddebeier kon in de handen der justitie -zijn gevallen en dit kon een strik zijn, dien men hem spande. Maar -de waarspreuk dan, die niemand dan hij kon begrijpen, juist om zijn -zonderlingen inhoud. - ---"En wat zoudt ge mij van Pieter de Welle te zeggen hebben?" vraagde -hij. - -Zijn toon klonk nog steeds ongeloovig. De monnik bemerkte het. De -man was blijkbaar zenuwachtig en opgewonden, maar hij had een doel, -dat hij wilde bereiken. - ---"Zie hier, jonker," zei hij en hield den verbaasden Jacob een paar -dunne boekjes voor, die hij onder zijn pij te voorschijn haalde. Het -waren een paar van die streng verboden pamfletten, die in die dagen -ook te Gent, maar vooral te Antwerpen in menigte werden gedrukt. Het -bezit van die boekjes was op zich zelf reeds een misdrijf, waarop -volgens de plakkaten de doodstraf stond. Voor een Dominicaner monnik -was het zeker een ongehoord waagstuk, zulke verboden boeken in het -klooster te brengen. - ---"Hoor, jonker Martens," ging broeder Bernardus voort, gejaagd, -maar toch met iets vastberadens in stem en houding, "ik waag mijn -vrijheid en mijn leven, om u te dienen, maar ik heb het de Welle -beloofd en mijn woord wil ik houden. Geloof mij of geloof mij niet, -zooals ge wilt. Maar ik zeg u, dat men u nimmer zal laten gaan, om vrij -en ongehinderd God te dienen volgens uw geweten en te strijden voor -de vrijheid van dit arme land. Als gij standvastig blijft, zal men u -in het klooster houden,--en de Welle meent, dat gij liever een slag -zoudt slaan voor de vrijheid. Er worden groote dingen voorbereid..." - ---"Maar wat wilt ge dan?" vraagde Jacob verbijsterd. - ---"Vluchten! Ik vlucht mede. Ik heb genoeg van de pij! Ik had -het eer moeten doen, maar ik durfde niet. Nu wantrouwen ze mij en -laten mij niet meer buiten de clausuur. Maar ge moet een besluit -nemen--terstond! De Welle wacht met een roeiboot aan de waterpoort -in den hof." - -Onthutst zag Jacob zijn vreemden bezoeker aan. - -Vluchten uit het klooster? Met dezen man? En waarheen? En dan terstond -te moeten besluiten? Jacob was geen lafaard, maar toch ging er een -koude rilling door zijn leden, nu hij zich zag gesteld voor een -besluit, waarvan zóóveel afhing. Zenuwachtig stond hij op. - ---"Dat kan immers niet," zei hij gejaagd. "De hofpoort en de waterpoort -zijn beide gesloten." - ---"Het kan wel! Zie daar,"--en de monnik haalde een paar zonderling -gevormde haken van onder zijn pij te voorschijn. "Met deze haken kan ik -de sloten openmaken. 't Heeft heel wat moeite gekost! Eerst was stelen -van de kaarsen in de kapel. Toen een afdruk maken van de sleutels, -die altijd in de cel van den sub-prior hangen. Toen naar dien afdruk -deze haken smeden in de keuken; ik moest den broeder-keukenmeester -wijsmaken, dat het kraphaken waren voor het groote crucifix in -het claustrum, dat dreigde te vallen, en hij geloofde mij, de oude -suffer. Maar thans is alles gereed!" - ---"Maar hoe hebt ge de Welle kunnen spreken, als ge het klooster niet -hebt kunnen verlaten?" vroeg Jacob, nog altijd wantrouwend. - ---"Hij gaf mij het mes reeds weken geleden. Maar ik durfde u niet -vertrouwen. Ge hadt mij kunnen verraden, als het den prior gelukt was -u terug te winnen voor de Kerk. O, het heeft weinig gescheeld! Ik heb -u gadegeslagen! Maar thans zijt ge gered. Anselmus heeft gespeeld en -verloren. Kom mede,--het is haast tijd! Anders ga ik alleen en gij -blijft gevangen, misschien voorgoed." - ---"Maar hoe weet ge, dat de Welle op ons wacht?" - ---"Hij gaf mij een teeken. Aan de overzijde van de Leye woont een -vrouw, die tot de Calvinischen behoort, en uit haar zoldervenster -waaide heden een witte doek. Dat is het afgesproken sein. Hij zal -van middernacht tot één uur op ons wachten. Maar nu genoeg van uw -wantrouwen. Ga of blijf." - ---"Ik ga met u! Ik wil het wagen!" zei Jacob met gesmoorde stem. - ---"Goed! Snel dan; er is geen tijd te verliezen! Hier, neem het -kruismes, als wij ons moeten verdedigen. Want wij moeten slagen, -voor u en voor mij!" - -En zijn lantaarn opnemende, die hij weder onder zijn pij verborg, -wenkte Bernardus Jacob hem te volgen. - ---"Doe uw schoenen uit!" fluisterde de monnik. - -Jacob gehoorzaamde en zonder gedruisch gleden de twee witte gedaanten -door de donkere kloostergangen en daalden de steenen trappen -af. Jacob zou in het duister nimmer den weg gevonden hebben, maar -broeder Bernardus, die vele jaren in het klooster had doorgebracht, -aarzelde geen oogenblik. - -Thans waren zij beneden, in het achterhuis, waar zich de keuken, de -bakkerij en de toegangen tot de ruime kelders bevonden. Plotseling -bleef Bernardus staan: hij had een deur hooren kraken. Haastig duwde -hij Jacob in den donkeren hoek van een uitbouwsel der verwulfde gang. - -Een donkere gedaante schreed langzaam op hen toe. Wie kon het -zijn? Waren zij niet de eenige vluchtelingen? Of was het een spion? Had -men iets van Bernardus' plannen vermoed? Jacobs hart bonsde. - -De gestalte kwam nader en nader. Hij moest hen zien in hunne witte -pijen, als hij voorbijsloop. - -Broeder Bernardus aarzelde niet. Haastig ontdeed hij zich van het lange -kloostergewaad, en toen de gedaante vlak bij hen was, wierp hij haar -met een snelle beweging zijner lange armen de pij over het hoofd. Men -hoorde een gesmoorden uitroep, het rinkelen van brekend aardewerk, -maar voor de man zich te weer kon stellen, had de monnik met een -kracht en behendigheid, die men niet bij hem zou hebben vermoed, -den nachtelijken zwerver achterover op den grond geworpen. Haastig -wond hij den gordel van sterk touw, dien hij had gereed gehouden, -om de pij, die hoofd en hals van zijn slachtoffer bedekte, en knoopte -het koord stevig vast. - ---"Uw gordel los! Bind hem de voeten!" beet hij Jacob toe. - -Deze gehoorzaamde werktuiglijk. Hij greep de beenen van den -spartelenden man en bond die aan de enkels stevig vast. De gevangene -kreunde dof, maar lag nu onbeweeglijk stil. - -Bernardus greep zijn lantaarn en lichtte bij. Een gebroken kruik lag -op den grond en de sterke reuk van bier drong in hun neus. - ---"Een leekebroeder, die uit zijn cel is geslopen, om bier uit den -kelder te stelen," mompelde de monnik. "Spoedig vooruit! Als iemand -het breken van de kruik heeft gehoord, zijn wij verloren!" - -Zij snelden naar de achterpoort. Jacob wierp nog een blik achteruit, -naar den betrapten kloosterdief. - ---"Zou hij niet stikken, onder die pij?" vroeg hij. - ---"Geen nood! Hij heeft zijn handen vrij! Als niemand het breken van -die verwenschte kruik heeft gehoord, kan hij zich wel loswringen. Maar -voor 't oogenblik is hij onschadelijk. Voort, hij moet ons zien -noch hooren!" - -Zij waren bij de gesloten tuindeur. De grendels en bouten waren spoedig -weggeschoven. Bernardus haalde een zijner haken voor den dag en het -bleek, dat hij een handige smid was. Het slot ging zonder moeite open. - ---"Ik had het goed gesmeerd--met olie uit de heilige lamp van het -altaar," fluisterde hij. "Naar de waterpoort!" - -Zij snelden den kloosterhof door. Het weder, dien morgen zoo schoon -en stil, was tegen den avond omgeslagen. Er woei een gure wind en -zwart-grijze wolkgevaarten dreven in ijlende vaart langs den hemel, -waar van tijd tot tijd de maan even doorbrak. Men kon het klotsen -van de golven van de Leye duidelijk hooren. - -Achter hen bleef alles stil. De gebonden conversbroeder had zich nog -niet bevrijd, of wellicht dreef de angst voor eigen veiligheid hem, -om zich stil te houden. - -Nu waren zij aan de waterpoort. Broeder Bernardus had zijn lantaarn -uitgeblazen en weggeworpen, opdat het licht hen niet zou verraden. Hij -klappertandde van de koude, want de nacht was guur en hij miste zijn -warme pij. Zenuwachtig haalde hij zijn tweeden haak te voorschijn -en boog zich over het slot, maar zijn handen beefden en hij kon het -sleutelgat niet vinden. - ---"Beproef gij het!" fluisterde hij met heesche stem. - -Jacob nam den haak. Juist brak de maan voor een oogenblik door de -wolken en zonder moeite stak hij het ijzer in de kleine, donkere -opening. Hij drukte en wrong, maar het slot week niet. - ---"Het gaat niet!" fluisterde hij. Hij was niet minder zenuwachtig dan -zijn metgezel. Wat, als zij de poort niet open konden krijgen? Wat, -als de monnik zich vergist had? Als de boot met de Welle er niet was, -en zij, al was de deur open, radeloos zouden staan voor de donkere -golven van de Leye? - -Broeder Bernardus veegde zich het angstzweet van het voorhoofd. - ---"Het moet gaan!" hijgde hij. "Op zijde! Laat mij bij de deur!" - -Hij greep den haak met zijn lenige, gespierde vingers en drukte -voorzichtig. De veer van het slot gaf niet mede. Buiten schuurde -iets tegen het paalwerk van de breede stoep, die uitgebouwd was in -de rivier. - ---"De boot!" steunde Bernardus, angstig omziende. "Het moet! Hier, -uw scapulier!" - -Hij rukte Jacob het korte scapulier van de schouders en wikkelde het -om het einde van den haak. Voorzichtig stak hij dien nogmaals in het -sleutelgat en drukte met kracht. Het slot gaf mede. - -Met een zucht van verlichting opende de monnik de deur en keek naar -buiten. Aan de stoep lag een roeiboot. Een man stond er in en hield -haar met een bootshaak tegen het paalwerk. - ---"Is de jonker bij u?" vraagde een gesmoorde stem. Jacob herademde: -het was de stem van Pieter de Welle. - ---"Ja!" juichte broeder Bernardus, terwijl hij Jacob meetrok. - ---"Schreeuw zoo niet, gek! Goddank, jonker, dat ik je weerzie!" zei -de Welle heftig. "Doe die vervloekte witte pij uit! Hier zijn kleeren." - -Hij wierp een bundel op de stoep. Jacob ontdeed zich haastig van -zijn kloostergewaad en broeder Bernardus, opgewonden van blijdschap -over het aanvankelijk slagen van het plan, wierp het kleed met een -forschen zwaai over den hoogen kloostermuur, waar het aan een der -ijzeren punten bleef hangen. - ---"'t Wordt waar, wat de devote Anna Byns, de Antwerpsche bagijn, -in haar refereyn heeft gezegd," zei hij uitgelaten: - - - "De monnicken hangen hun cappen opten tune - "En gaen als ruters den cost bejaghen." - - ---"Vooruit, en dan--vive le Geus!" - ---"Houd u stil en kom in de boot!" zei de Welle, "ge zijt de poort -nog niet uit." - -Jacob had zich intusschen in een grove greinen pij gestoken, zooals de -boeren en visschers die des winters droegen. De Welle reikte hem een -wollen muts toe. De beide mannen stapten in de boot en de koddebeier -begon voorzichtig te roeien, terwijl hij zooveel mogelijk in de -schaduw van den walkant bleef. Maar zijn voorzichtigheid was noodeloos: -straatverlichting was er in die dagen nog niet en de nachtwachts van -den Hoog-baljuw vonden het weder veel te guur, om langs de kade van -de Leye te dwalen en zaten zeker warm en wel in het wachthuis. - -Zij roeiden een eind voort, tot zij bij een kleine scheepstimmerwerf -kwamen. Hier legde de Welle de boot vast. De drie mannen stapten aan -wal en klommen zonder moeite het lage houten hek over, dat de werf -van den openbaren weg scheidde. - ---"Waarheen nu?" vroeg Bernardus. - ---"Wij moeten voor poortopenen de stad uit," zei de Welle. "De rakkers -van den Baljuw zullen morgen met den vroegste de geheele stad afzoeken -naar den jonker. Wij moeten de poort uit!" - ---"Kan dat?" vroeg Bernardus. - ---"We gaan naar 't Pieterseliepoortje," zei de Welle. "Aegt Jansdochter -wacht ons, jonker. Ze zal ons 't poortje uitlaten, en dan over de -velden naar Antwerpen." - ---"Naar Antwerpen?" vraagde Jacob. - ---"Ja! Dat is nu de stad voor die van de ware religie!" zei de -Welle. "De Papisten noemen ze 't Vlaamsche Genève. Daar zal de dans -beginnen, jonker, en we zullen de papisten met de Inquisitie het land -uitdansen. Maar nu vooruit, we hebben geen tijd te verliezen." - ---"Laat ons over de Markt gaan," verzocht Jacob. - -Pieter de Welle knikte en de mannen liepen vlug door de nauwe, donkere -straten, tot zij de Vrijdaegsmarkt bereikten. Daar stonden zij even -stil. Jacob Martens staarde naar zijn ouderlijk huis, waarvan hij -den gevel flauw kon onderscheiden. Dààr sliepen zijne ouders, zijn -lieve Klaartje; daar had hij een blijde jeugd doorgebracht; daar was -hij gelukkig geweest in de liefde van Madeleine--en nu, hij ging dat -alles achterlaten. Hij nam afscheid--voorgoed. Eén oogenblik kwam -de gedachte bij hem op, of hij niet te hoog een prijs betaalde voor -zijne overtuiging. Bliksemsnel trok de verzoeking door zijn geest: -hij behoefde zijn makkers slechts vaarwel te zeggen en den klopper te -laten vallen. De zijnen zouden verwonderd en vertoornd zijn, als zij -hem zoo onverwachts terugzagen, maar als hij zich onderwierp aan den -wil zijner ouders, ja, al was het maar in schijn, als hij voor het -uiterlijk maar een goede Roomsche was, dan zou alles wèl zijn. Zijn -vader had invloed genoeg om het verleden te doen vergeten. En hij -zou alles terug ontvangen: de liefde der zijnen, zijn eervolle plaats -in zijn omgeving, als jonker Martens, den zoon van den president van -Vlaanderen, de minne van de fiere Madeleine de Bette... - -De strijd was kort en hevig. Toen, na een laatsten blik, wendde Jacob -zich af. - ---"Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig," -klonk het in zijn ziel, "ja, Heere God,--maar o het is zoo hard!" - -Zwijgend ging het drietal verder, tot zij het Petercelle-poortje -bereikten. Het portiershuis stond daar, met gesloten luiken. Alles -scheen in diepe rust, doch toen Pieter de Welle zachtjes driemaal tegen -het vensterluik tikte, stond Aegt Jansdochter geheel gekleed voor hen. - ---"Is de jonker er bij?" vraagde zij. "Ja? St. Aegte zij geprezen, -jonker, dat je uit dat klooster zijt geraakt. Mijn jonker een -Witheer? Dat nooit, al breek ik mijn eed als portierster en waag ik -er mijn post en mogelijk mijn hals bij!" - ---"Maar dat mag ik niet toelaten!" riep Jacob Martens -ontsteld. "Pieter, we kunnen misschien elders..." - ---"Ze heeft gezworen op Paapsche reliquieën," zei de Welle norsch, -"en dien eed kan zij breken. Voort, jonker, onze hals is in gevaar, -meer dan die van Aegte. Wie zal haar verraden?" - -De portierster trok Jacob naar zich toe en drukte hem een moederlijken -kus op het voorhoofd. - ---"Dan moeten de president en de Hoog-baljuw maar niet aan mijn -voedsterkind raken," zei het kloeke wijf hartelijk. "Wees gerust, -jonker, pater Adriaan, mijn biechtvader, is de kwaadste niet. Voor -een pond waskaarsen krijg ik absolutie." - -Jacob wilde nog iets zeggen, maar Aegte opende snel en voorzichtig -de poortdeur en Pieter de Welle vatte hem bij den arm en drong hem -naar buiten. Achter hen werd het poortje voorzichtig gesloten. - -Toen de grauwe, kille Decembermorgen aanbrak, waren de drie -vluchtelingen reeds ver van Gent, op hun weg naar Antwerpen. De grijze -toren van St. Bavo scheen hen over de velden na te staren. - - - - - - - -VIII. - - -Antwerpen, "dat broeinest van ketters", zooals de Landvoogdes aan -Philips II schreef, "het Noordsche Genève", zooals de Gereformeerden -het noemden, verdiende die namen in den winter van 1566-67. Bestuurd -door zijn burgemeester Anthonie van Stralen, onder zijn markgraaf, -den Prins van Oranje, had het een gewetensvrijheid weten te veroveren, -die men elders in den lande vergeefs zou zoeken. Openlijk hadden -de Gereformeerden na den beeldenstorm in de ontwijde Roomsche -kerken gepredikt, ja doop en avondmaal bediend en zij hadden ze -eerst teruggegeven, toen men hun op drie plaatsen in de stad vaste -kerken aanwees, waar elken Zondag door Gereformeerde leeraars, -zoo Vlamingen als Huguenoten, het Woord Gods werd verkondigd en de -doop werd bediend. En de Lutherschen, de "Martinisten", zooals ze -werden genoemd, hadden dat voorbeeld gevolgd en ook zij hadden drie -bedehuizen weten te veroveren. - -Wel had Margaretha van Parma toornig geëischt, dat men die bepalingen -zou intrekken, dat de openbare prediking niet langer zou worden geduld, -maar het volk van Antwerpen had dien eisch afgewezen: de kerken der -Hervorming bleven openstaan en Antwerpens grootsche kathedraal stond -daar nog altijd, ledig en ontwijd. De woelige Brederode had er een -poos vertoefd en werd door het volk op de handen gedragen, en wel -zond de Landvoogdes den Prins van Oranje er heen, om het gezag der -regeering te doen eerbiedigen, wel scheen de Zwijger geneigd, haar -te gehoorzamen, wel onderhandelde hij met de mannen van den Breeden -Raad, met de besturen der gilden en der cameren van Rhetorica--maar de -toestand bleef, zooals hij was. En de Landvoogdes, die Doornik weldra -voor haar wil zou doen bukken, die het kleine, oproerige Valenciennes -deed belegeren door de troepen van Noircarmes, zij durfde de machtige -handelsstad niet dwingen tot gehoorzaamheid,--nòg niet althans. - -En ondertusschen werden dààr groote plannen gesmeed voor de -toekomst. De koning zou komen, ja, maar hij zou komen met een -groot leger, en allen, zoo de edelen als het volk, wisten, wat dat -beteekende. Zou men buigen? Zou men de pas verworven vrijheid des -gewetens weer prijs geven? Zou men toestaan, dat de Inquisitie, dàn -gehandhaafd door den sterken arm van het koninklijk gezag, weer de -verkondiging van het Woord Gods zou trachten te smoren? - -Het was woelig in Antwerpen, in de laatste dagen van 1566. Het -consistorie der Gereformeerde Kerk zat niet ledig en onderhandelde -steeds met de andere kerken, zoo in de Nederlanden, als in -Frankrijk. Taffin, Petrus Dathenus en Herman Modet, meer volksmannen -dan Junius, hielden door hun heftige predikatiën een oproerigen geest -onder het volk levendig en verkondigden openlijk den aanstaanden val -van den Antichrist en de verlossing van het volk des Heeren. Jan van -Thoulouse, de broeder van Philips van Marnix en Jan van Treslong -wierven er, naar men openlijk vertelde, manschappen aan, om dan -te zamen met den graaf van Culemborch zich te verzetten tegen het -gezag des Konings en de Inquisitie uit het land te verdrijven. In -Duitschland, heette het, werden hulpbenden aangenomen, die, als het -tijd was, de beweging zouden steunen. De Prins van Condé zou hulp -hebben beloofd; een leger der Huguenoten stond gereed, de grenzen over -te trekken, om de broeders in Vlaanderen ter hulp te snellen. Zoo -sprak men en men verwachtte groote gebeurtenissen en men sprak het -benarde Valenciennes moed in. Het moest volhouden, het moest niet -bukken voor de macht der Landvoogdes. Er zou ontzet komen, zeker! - -En Oranje? Hij moet geweten hebben wat er broeide; zijn broeder -Lodewijk en zijn beste vrienden waren in de beweging betrokken. Voor -het oog was hij de regeering getrouw, maar heeft hij niet gedacht, dat -de ure der bevrijding toen reeds zou slaan? Heeft hij niet gemeend, -dat het gewapend verzet van de mannen van Antwerpen de vonk in het -buskruit zou zijn, die den opstand door het geheele land zou doen -ontbranden? Wie zal het zeggen? Hij heeft al wat daar geschied is -in het voorjaar zien aankomen; hij schijnt de beweging te hebben -begunstigd, hij heeft haar althans niet verhinderd. Maar toen deze -stoute zet op het politieke schaakbord te vroeg bleek gedaan, heeft hij -met gevaar van zijn leven Antwerpen behoed voor de wraak der regeering -en niemand kon hem beschuldigen, dat hij deel had aan de onderneming, -die zulk een rampzalig einde moest nemen. - -De ure der vrijheid had nog niet geslagen! - - - -De grauwe Decembermorgen brak over Jacob Martens en zijn beide -metgezellen aan, toen zij door de vlakke velden van het rijke "Land -van Waes" heentogen naar de groote Scheldestad. Zij hadden onderweg -niet veel gesproken. Pieter de Welle, die het landschap door en -door kende, had zorgvuldig de groote wegen vermeden, en hen langs -binnenpaden en door weilanden voortgeleid. Soms had hij hen met -een kort woord gewaarschuwd, hem op den voet te volgen, omdat de -streek moerassig was. Nu hadden zij eindelijk een breede heerbaan -bereikt. De Welle wierp een onderzoekenden blik naar alle kanten, -maar hij zag niets, wat hen kon verontrusten. Het winterlandschap lag -doodsch en eenzaam; slechts de rook, die opsteeg uit de schouwen der -boerenwoningen, die hier en daar tusschen hoog geboomte verscholen -lagen, toonde aan, dat hier menschen woonden. De koddebeier knikte -tevreden. Hij haalde brood en spek uit de linnen tasch, die hij om de -schouders droeg, en gaf het zijn beide reisgenooten, die gretig hun -eenvoudig ontbijt nuttigden. Opeens begon broeder Bernardus, die met -zijn magere gestalte in het huismanspak, dat hem veel te wijd was, -een zonderlinge vertooning maakte, luide te lachen. Pieter de Welle -fronste het voorhoofd en zag hem uitvorschend aan. - ---"Wat lacht ge, Gheleijn de Keijzer?" zei hij stroef. "Wacht liever -met uw vroolijkheid, tot wij, door Gods goedheid, veilig binnen -Antwerpen zijn." - ---"Ik lach om dien dommen convers," zei de beweeglijke man, dien -Jacob Martens slechts had gekend onder den naam van broeder Bernardus, -maar die nu weder Gheleijn de Keijzer heette, als vroeger. "'t Was de -"botte Peer-Tist", zooals wij hem in het klooster noemden. Of hij heeft -durven schreeuwen? En hoe hij het bij den sub-prior zal goedmaken, -dat hij des nachts met een gevulde bierkruik uit den kelder kwam? Ik -wou ondertusschen, dat ik een teuge biers hier had, want mijn keel -is zoo droog, als een preek van vader Anselmus in de vasten." - ---"Was dan bij de vleeschpotten van Egypte en uwe Paepsche afgoderijen -gebleven!" bromde de Welle norsch. "Wat deedt ge het klooster te -verlaten, man, wanneer ge nog hunkert naar het patersbier, als God -u pas heeft bevrijd." - ---"Is dat mijn dank, omdat ik u geholpen heb den jonker uit het -klooster te krijgen?" zei de zonderlinge man lachend. "Houd het mij -ten beste, jonker Martens," vervolgde hij tegen Jacob, "zoo ik een -loshoofd schijn. Ik ben zoo dartel als een jong veulen in de wei, -nu ik die verwenschte witte pij heb uitgetrokken." - ---"Waart ge het kloosterleven zoo moede, broeder Bernardus?" vraagde -Jacob, verwonderd over de verandering van den vroeger zoo schuwen, -stillen man. - ---"Noem mij niet meer met dien verbruiden kloosternaam! Ik ben weer -Gheleijn de Keijzer, meester in de conste van het snijden en drijven -van koper, die ik vroeger was, vroeger, eer ik mij, gefoold door booze -gedachten, omdat een deerne mij had bedrogen, in de pij liet steken." - ---"Of er nog een vroom predikant uit u groeien mocht, als de godzalige -Dathenus en Modet, of Octiviaan van Bacourt, die dienaar des Woords -is te Laventhie, en die ook een witheer was," meende Pieter de Welle. - ---"Een predikant? Zeg liever een goed landsknecht of een ruiter! Ge -zegt immers, dat het aan den dans gaat met de knechten der -Landvoogdes?" lachte de andere. - ---"Maar ge behoort toch tot de onzen? Ge zijt toch mede van de -gesuyverde religie?" vraagde Jacob bevreemd. - ---"Van de gesuyverde religie? Zeker wel! Leert gijlieden niet, dat -men de kloosters moet sluiten, en dat monniken en nonnen moeten -hijlikken? En dat vasten en penitentie Paapsche bijgeloovigheden -zijn? Ik behoor tot u, met lichaam en ziel! Reken op Gheleijn de -Keijzer." - -Jacob zweeg. Zijn eenvoudig, vroom gemoed kon de lichtzinnigheid van -den ander niet begrijpen. Hij had met hart en ziel de zaak des geloofs -en der vrijheid omhelsd, hij had voor zijn overtuiging alles veilgehad: -zijn toekomst, zijn liefde, zijn levensgeluk. Hij begreep niet, dat er -onder de strijders voor de vrijheid óók konden zijn, wier geestdrift -welde uit troebele bron en die de heilige zaak dienden om vaak zeer -onedele beweegredenen. - -Na een korte rust brak het gezelschap weder op. Het duurde nu niet -lang meer, of de statige toren van den Dom van Antwerpen trad uit de -morgennevelen te voorschijn. Het werd drukker op den weg, want tal -van landlieden gingen stadwaarts, zoo te voet, als met de Vlaamsche -huifkarren. Nog altijd keek Pieter de Welle met scherpe blikken rond, -maar er was niets verdachts te bespeuren, en zonder bemoeilijkt te -worden bereikten de drie mannen de breede Schelde. De winter was tot -nog toe zacht geweest en er was geen ijs op de rivier. Zonder moeite -vonden zij plaats op een der veerponten, die het verkeer der machtige -handelsstad met Vlaanderen onderhielden, en weldra betraden zij de -drukke straten van het "Vlaamsche Genève". Zij waren er in veiligheid: -het trotsche Antwerpen had het juk der geloofsvervolging afgeworpen -en zelfs de invloed van den president van den Raad van Vlaanderen zou -niet groot genoeg zijn, om de Magistraat te bewegen, zijn zoon uit -te leveren, wanneer die er eenmaal in geslaagd was zich te stellen -onder de bescherming van de hoofden der Geuzen, die er een tijd lang -feitelijk de macht in handen hadden. - -Pieter de Welle, die ook in de stad welbekend was, leidde zijne -beide metgezellen langs den kortsten weg naar de "Meere", het groote -marktplein der stad, waar zich de taveerne de "Fonteyne" bevond, -dezelfde herberg, die Jan van Treslong in het voorjaar aan Jacob -Martens genoemd had, als het hoofdkwartier der Geuzen. - -Hoewel het nog vroeg in den morgen was, was het reeds druk in de -taveerne, en de waard, een stevige kaerel, die brutaalweg op zijn -muts van otterbont een Geuzenpenning droeg, had het met zijn knecht -druk om de ongeduldige gasten te bedienen en hun de kroezen heet bier -te reiken, die zij telkens verlangden. Die gasten vormden een vreemd -mengelmoes: men zag er den fluweelen of fijn laken mantel, met bont -omzoomd, van den edelman, zoowel als de grofgreinen pij van den huisman -en het zwart lakensche wambuis van den deftigen poorter. Er werd -heftig en druk gesproken, en de gezichten stonden ernstig en strak. - -Het binnenkomen van de Welle en zijne beide metgezellen veroorzaakte -eenige opschudding. Sommigen staakten hun gesprek, anderen keken -den waard vragend aan, maar deze, die met den koddebeier een -vriendschappelijken groet had gewisseld, knikte even geruststellend, -en dat scheen voldoende, want de gesprekken werden weder voortgezet. - -De Welle eischte een kroes heet bier voor zich en zijne beide -makkers. Toen zette hij zich neer op een der lage houten banken en -monsterde het gezelschap met een opmerkzamen blik. Op de bank in -de breede schouw--de eereplaats--zaten een paar edellieden en voor -hen stond een forsch, breed geschouderd man, die sprak met heftige -gebaren en een toornigen gloed in de oogen. Hij was gekleed als een -Vlaamsche boer en hield de wollen muts in de hand, maar iets in zijn -houding en gebaar toonde, dat hij niet de eenvoudige huisman was, -die hij schijnen wilde. - -Pieter de Welle boog zich voorover naar Jacob. - ---"Ziet ge dien grooten kerel daar, jonker, die met die edellui -aan het redekavelen is? Dat is Jean Denijs, de vroegere baljuw van -Roosbrugge. Hij is door den gouverneur afgezet om zijne geuzerije en nu -is hij een van de felste aanhangers van den Heer van Brederode. Zie, -hoe driftig hij zich maakt! Zeker willen die twee niet naar hem -luisteren." - -Jacob keek naar den haard en met blijdschap herkende hij in een der -edellieden jonker Jan Blois van Treslong. Ook de Welle herkende den -jongen edelman. - ---"Daar zit zoo waarlijk de jonker van Treslong!" riep hij -luidruchtig. "Die zal ons voorthelpen," en zonder er zich om te -bekommeren, dat hij de drie mannen in hun gesprek stoorde, trok hij -Jacob mede naar de schouw. - -Treslong herkende hen terstond en ontving hen hartelijk. - ---"Zoo, jonker Martens," zei hij vroolijk, "ge hebt dan toch mijn -uitnoodiging niet vergeten? Zijt ge er in geslaagd, den gestrengen -President om den tuin te leiden?" - ---"Maar dat vertelt gij mij later wel eens," ging hij voort, toen -hij zag, dat zijn vraag Jacob pijnlijk aandeed. "Laat ik u eerst -voorstellen aan mijn vriend en krijgsmakker, den Heer van Thoulouse." - -De andere edelman, een tengere jonge man, met een ernstig, schrander -gelaat, boog en schudde Jacob vriendelijk de hand. Eerst later dacht -de jonge man er aan, dat niemand eenige bevreemding had laten blijken, -dat zij hem zagen in huismanskleeren, maar het duurde niet lang of -hij bemerkte, dat de gasten in de taveerne de Fonteyne lang niet -altijd waren, wat ze schenen. - -Hij was de Welle zijns ondanks gevolgd en wilde zich nu bescheiden -terugtrekken, maar Blois van Treslong hield hem tegen. - ---"Gij zijt van de onzen, jonker Martens," zei hij gul, "en voor de -Welle hebben wij geen geheimen. Wees gerust, allen, die hier zijn, -weten, dat er groote dingen op handen zijn, en de spionnen van de -regeering zullen zich hier niet zoo licht wagen. Wij zijn gereed te -strijden voor de gezuiverde religie en de vrijheden des lands, maar -onze vriend Denijs hier wil ons overhalen tot een dwaze onderneming, -die tot niets goeds kan leiden." - ---"Ik zeg nog eens," zei de forsche man, met een stem, die trilde van -bedwongen toorn, "dat wij verraders zijn van de goede zaak, als wij -de broeders te Valencijn zonder hulp laten. Is het niet onze zaak, -die zij daarginds verdedigen? Hebben niet de vrome predikanten de Bray -en Herlin gehandeld in 't geloove en vertrouwende op de hulpe Gods? En -zou hun geloof door onze flauwhartigheid beschaamd worden? Valencijn -mag niet verloren gaan! Het is de poort, waardoor onze broeders, -de Huguenoten, het land zullen binnenrukken..." - -Treslong haalde ongeduldig de schouders op. De Heer van Thoulouse -nam het woord. - ---"Geloof mij, vriend Denijs," zeide hij ernstig en met waardigheid, -"het lot van onze broeders gaat ons niet minder ter harte dan u. Maar -wij mogen niet alles wagen aan een zoo onzekere kans. Ge weet, dat er -groote dingen te wachten zijn. Ge weet, waartoe wij hier zijn. De heer -van Brederode versterkte Vianen, in Duitschland zijn vendels geworven, -hier... maar ge weet dit alles zoo goed als wij. We moeten wachten, -omdat overijling alles zou doen mislukken." - ---"En ondertusschen moet Valencijn worden uitgemoord door Noircarmes -en zijn benden?" zeide Denijs bitter. - ---"Laat ons hopen, dat het niet zoover komen zal, en het zàl -zoover niet komen, zoo God wil," zeide Thoulouse. "De broeders te -Valenciennes zijn vrome mannen, maar geen krijgslieden. Ze hebben -onberaden gehandeld, zonder eerst te vragen naar den raad van hen, -van wie zij nu hulp verlangen. Maar de stad is sterk; ze kan het -weken tegen Noircarmes uithouden. Nog een paar weken,--en alles zal -gereed zijn tot den grooten slag, dien wij willen slaan. Ge weet, -wat ik bedoel, Denijs! En gelukt onze onderneming, dan sluiten de -edelen zich bij ons aan, tal van steden in het Zuiden kiezen onze -partij. Brederode rukt op uit Vianen, Condé en zijn Huguenots zullen -ons helpen, de Duitsche vendels rukken aan ter versterking en wij -zullen Mevrouwe van Parma en den Koning dwingen, ons toe te staan, -waarom wij tevergeefs hebben gesmeekt: de vrijheid van religie en de -afschaffing der Inquisitie. Dan wordt Noircarmes vanzelf genoodzaakt -het beleg van Valenciennes op te breken. Deden wij uw zin, kwamen -wij thans openlijk in verzet, vóór alles gereed is, dan zouden -wij de stad misschien kunnen ontzetten voor korten tijd, maar wij -zouden op den duur stellig de nederlaag lijden tegen de troepen der -Landvoogdes. Valenciennes moet geduld hebben." - ---"En terwijl gij plannen beraamt en uw luchtkasteelen bouwt, neemt -Noircarmes ondertusschen de stad misschien met storm en worden onze -broeders vermoord," zeide Jean Denijs bitter. "Neen, jonker van Marnix, -wij kunnen niet wachten. Met u, of zonder u,--wij zullen Valencijn -verlossen. Wèl zegt de vrome Cornelis, dat het den Heere hetzelfde is, -verlossing te geven door velen of door weinigen!" - ---"Cornelis? Is dat niet de wezen hoefsmid, die te Laventhie heeft -gepredikt?" vraagde Treslong. "Neem u in acht, Denijs, de Eerwaarde -Junius noemt den man een gevaarlijk geestdrijver." - ---"Omdat hij spreekt, wat de Geest hem geeft te spreken!" riep de -vroegere baljuw bijna toornig. "Ik zeg u nog eens: God zal met ons -strijden, Heeren! Wacht niet tot het uw tijd is! Sla toe op Gods tijd!" - ---"Wat wilt gij met uw gewapend landvolk tegen de vendels van -Noircarmes?" zeide Treslong schouderophalend. - ---"Wij hebben meer! De broeders Wattepatte te Laventhie, die getrouwe -dienaren van God en zijn kerk, zijn de laatste weken ijverig bezig -geweest. Zij hebben geld verzameld en soldaten geworven: acht vendels -Franschen en Walen. Ze zijn in 't geheim gelegerd in de trouwe dorpen -van den Westhoek,--maar dat kan niet lang duren. De huislieden lijden -last: 't zijn rauwe gasten, al strijden zij voor een goede zaak. Ook -daarom moeten wij toeslaan, voor de vendels verloopen. Nog eenmaal, -trekt gij met ons op?" - -Thoulouse en Treslong wisselden een blik van verstandhouding. - ---"Wij kunnen niet en wij mogen niet!" zeide de eerste, zacht, -maar beslist. "En wij bidden u, Jean Denijs, zie af van die dwaze -onderneming." - ---"Welnu, dan zonder u! Gods vloek over u, gij edellieden zonder hart, -die het arme volk laat vermoorden!" riep de forsche man toornig, -en hij wendde zich driftig af, terwijl hij naar hoed en mantel -greep. Eensklaps echter keerde hij terug. - ---"Neen, zoo wil ik toch geen afscheid van u nemen, heeren!" zei hij -hartstochtelijk. "Gij meent het wèl met de kerke Gods, ook al zijt -ge gevangen in het net der wereldsche politieke redenen. Vaartwel, -we zullen elkander misschien hier op aarde niet wederzien!" - -Hij reikte hun de hand ten afscheid, en wilde heengaan. - ---"Halt! neem mij mede, als het er op los zal gaan," riep plotseling -een zenuwachtige stem, en Gheleijn de Keijzer, de gewezen broeder -Bernardus, die ongemerkt genaderd was en het gesprek had aangehoord, -versperde den baljuw stoutmoedig den weg. - ---"Neem mij mede," herhaalde hij, "en geef mij een armborst en -degen. Ik kon den vogel raken in mijn jeugd; en ik verlang er naar, -weer eens een bout te doen vliegen!" - ---"Wie is dat? Wat wil die man?" vroeg Jean Denijs verwonderd. - -Pieter de Welle trad op hem toe en fluisterde hem iets in. De baljuw -keek den gewezen monnik scherp aan. - ---"Ge hebt geluisterd?" vraagde hij kortaf. - ---"Met uw verlof, heer hopman of wat ge wezen moogt," zei de -zonderlinge man, "ik zou wel eens willen weten, hoe ik het had moeten -aanleggen om niet te luisteren. Ge hebt waarlijk luid genoeg gesproken, -om op de Meer te worden verstaan. Ik zeg nog eens: Neem mij mede. 't -Zal niet voor de eerste maal zijn, dat ik een kruisboog of een degen -heb gehanteerd." - ---"En wie zegt mij, dat gij geen spion van Noircarmes zijt?" vraagde -Denijs. - ---"Deze jonker, dien ik uit het klooster heb helpen ontvluchten, op -gevaar van mijn hals," antwoordde Gheleijn de Keijzer vrijmoedig. "Als -die van Gent of mijn vrienden, de Witheeren, mij in hunne handen -mochten krijgen, dan wacht mij de strop." - ---"En toch wilt ge uw hals wagen in een onderneming, waar het heet zal -toegaan en die deze heeren te gewaagd achten?" zeide Denijs spottend. - ---"Dat is wat anders!" meende Gheleijn; "zoo ik slagen krijg, ik -zal er ook kunnen uitdeelen, en als ik mijn hals waag, dan doe ik -het tenminste voor een goede zaak. Dat is heel wat anders, dan op de -Vrijdaegsmarkt te Gent te staan bibberen, tot de Roode Roê het stokje -breekt en dan te worden opgehangen, als een varken aan de leer." - ---"Waarom wacht ge niet liever met den jonker en de Welle op de -groote onderneming, waarvan de heeren spreken?" vraagde Denijs niet -zonder bitterheid. - ---"Ik heb lang genoeg gewacht! Zie, heer, ik ben kunstenaar geweest en -in een onzalig oogenblik heb ik mij in de pij laten steken. Zes jaren -van mijn leven heb ik in 't klooster doorgebracht. Ik ben ziek van het -knielen en gebeden prevelen, ik walg van meditaties en penitenties. Ik -wil leven, leven zooals vroeger,--al was het dan maar een korte poos." - ---"Dat laatste kunt ge gedaan krijgen!" zeide Denijs grimmig. "Kom -mede, man! Vaartwel, heeren!" - -Na een haastig afscheid volgde Gheleijn de Keijzer zijn nieuwen -aanvoerder. Een paar mannen in schippersdracht, die in een hoek van -het vertrek het gesprek zwijgend hadden aangehoord, ledigden hunne -"pottekens" en sloten zich bij de twee mannen aan. - ---"Dat is een dapper man!" zeide Jacob, terwijl hij Jean Denijs -peinzend nakeek. Het liefst had hij zich bij de moedige strijders -aangesloten, die in ongelijken kamp hun leven gingen wagen voor -hunne broeders, maar hij gevoelde zich nog te vreemd in deze nieuwe -omgeving, en te jong en te onervaren om te durven handelen tegen het -gevoelen van Treslong en Thoulouse, die zich zoo ernstig tegen het -plan hadden verzet. - ---"Een dapper man, maar een dweper!" zei Treslong. "Die van Laventhie -loopen blindelings in hun verderf. Die predikant Cornelis, en ook Modet -en Dathenus hebben het volk in het Zuiden letterlijk dol gemaakt. Men -hoort er van niets dan van St. Gideon, meen ik, die de Sarracenen -versloeg ..." - ---"Hei wat, Jan," viel Thoulouse hem in de rede, "de Eerwaarde -Junius moet u beter uw bijbel leeren. Als mijn broeder Philips -u hoorde! Gideon was een richter in Israël, die zijn volk van de -Midianieten verloste," - ---"Dat waren Sarracenen!" hield Treslong vol. - ---"Vraag het aan Junius!" zei de ander glimlachend. "En laat ons niet -spotten met het geloof van die eenvoudigen." - ---"Geloof? Geestdrijverij! Wat kunnen zij met hun bijeengeraapte -vendels uitrichten tegen de veteranen van Noircarmes?" vraagde Treslong -driftig. "Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken," dat staat óók -in den bijbel, "Jan van Marnix." - ---"Het is waar! En ik vrees, dat zij het zullen ervaren, dat daarop -geen zegen rust!" zei Thoulouse treurig. "Om te doen, wat Gideon -deed, moet men zich als Gideon geroepen weten. Maar daar is hopman -van der Aa..." - -Een kort, gezet man, met een rood, verhit gezicht, was de taveerne -binnengetreden. Hij was gekleed in zwart fluweel, met roode sjerp en -bandelier, waarin een degen hing, die veel te groot scheen voor zijn -korte gestalte. Hij wierp een onderzoekenden blik door het vertrek -en trad, zoodra hij de edellieden bemerkte, driftig op hen toe. - ---"Hebt ge 't gehoord, heeren," riep hij, zonder zijn rood gepluimden -hoed af te nemen, "Denijs trekt met zijn mannen weg en er hebben zich -nog meer bij hem aangesloten. Wat moet dat geven, als die domkoppen -reeds nu zóó beginnen?" - ---"Wij weten het, helaas, hopman," zei Thoulouse, "en wij betreuren -het niet minder dan gij. Maar ga zitten; ondertusschen hebben wij -hier twee nieuwe recruten, die wij aan u willen voorstellen." - -Simon van der Aa, de dappere hopman van Brederode en tevens een handig -werfofficier, zette zich bij het gezelschap aan de tafel, want ook -de Welle, die, zooals Jacob weldra bleek, hoog bij de aanvoerders -der Geuzen stond aangeschreven, werd door de beide edellieden -uitgenoodigd; de bierkroezen werden door den waard gevuld met goed -Utrechtsch bier, "heet ende gecruyt", en weldra sprak men druk over -het groote onderwerp: de aanstaande onderneming tegen de Regeering, en -de plannen des Konings, die, naar men zeker wist, met een groot leger -naar zijne erflanden zou komen, om aan elk verzet een einde te maken. - -Het moge vreemd klinken, dat men in een stad als Antwerpen, op -klaarlichten dag, in een taveerne, waar ieder toegang had, openlijk een -samenzwering smeedde en plannen beraamde tegen de bestaande regeering, -toch was dat werkelijk de toestand. Antwerpen was in den winter van -1566-1567 feitelijk in de handen der Geuzen. Niet alleen werd er elken -Zondag in de kerken openlijk gepredikt, maar er werd evenzeer openlijk -volk geworven voor Brederode en zijne medestanders, en hopman van -der Aa stak zijn plannen niet onder stoelen en banken. Nog weinige -weken en het Geuzenlegertje zou met vliegende vaandels en slaande -trom Antwerpens straten doortrekken en de poort uitrukken, zonder -dat de Magistraat dit kon of wilde beletten. - -Nog dienzelfden dag nam Jacob dienst bij hopman van der Aa, als -"cadet". Treslong bezorgde hem een kwartier in zijn eigen woning en -bediende zich van hem als geheimschrijver. Zoo kwam hij op de hoogte -van den toestand. Hij begon meer en meer te begrijpen wat Oranje, -Brederode en Nieuwenaar beoogden. Hij wist ook, dat Egmond, op wien -het volk nog steeds hoopte, ondanks zijn streng optreden tegen de -beeldstormers, zijn vroegere medestanders den rug had toegekeerd en -zich schaarde aan de zijde der Regeering. Maar in hoeverre Oranje -Brederode's plannen goedkeurde, wist hij niet en meer en meer scheen -het hem toe, dat de bondgenooten het zelf niet wisten. - -Voor het overige scheen hij veilig onder de bescherming der -Geuzenaanvoerders. Wel was het te Gent bekend geworden, waar hij zich -bevond en had de Hoog-baljuw hem, op verzoek van zijn vader, doen -opeischen, maar hoezeer de Antwerpsche Magistraat een invloedrijk -persoon als de president van den Raad van Vlaanderen misschien -gaarne ter wille was geweest, zij durfde geen geweld gebruiken tegen -de hoofden der Geuzen. Zij wist te wel, hoe gespannen de toestand -was. Eén enkele onvoorzichtigheid was genoeg, om een oproer te doen -uitbarsten, waarbij de beeldenstorm kinderspel zou zijn geweest. Zoo -zocht de Magistraat uitvluchten en liet Jacob Martens uitnoodigen, -de stad en haar vrijdom te verlaten, eene uitnoodiging, waaraan deze -zich niet stoorde. - -Op zekeren dag, kort na zijn komst te Antwerpen, begaf hij zich -met Thoulouse en Treslong naar de Fonteyne, toen hun aandacht werd -getrokken door een gejuich, dat achter hen opging. Drie edellieden -kwamen langzaam door de nauwe straat aanrijden onder een luid "Vive -le Geus!" van het gemeen, waarmee sommige burgers hartelijk instemden, -terwijl anderen zich haastig verwijderden. - ---"Let op den middelste!" zeide Treslong haastig. "Dat is Oranje! De -anderen zijn van Hoogstraten en burgemeester van Stralen." - -Jacob zag een edelman met een fijn, bleek gezicht en een paar diepe, -donkere oogen, gedost in een met bont omzoomden mantel en met een -hoogen fluweelen hoed op het hoofd, die met zijn beide metgezellen -een ongedwongen gesprek scheen te onderhouden, terwijl hij van tijd -tot tijd het hem toejuichende volk minzaam groette. Prins Willem van -Oranje was toen drie en dertig jaar, maar hij scheen ouder dan hij -was. Het hoofd zijner politieke partij, zoo in den Raad van State als -daarbuiten, de man, op wien Roomsch en Onroomsch de oogen gevestigd -hield, had hij de laatste jaren doorgebracht in het gewoel van den -strijd der staatkundige partijen en de sporen van dien kamp waren -te zien in de diepe gedachtenrimpels op het hooge voorhoofd. Oranje -was in die dagen de sfinx, de ondoorgrondelijke, wiens gedachten de -Spaansche partij tevergeefs trachtte te peilen, wiens verreikende -plannen zij niet kon omvademen, maar die tegelijk een raadsel was -voor zijn eigen partij. Men doet der historie geweld aan, als men in -Willem van Oranje, in de dagen, die den grooten strijd voorafgingen, -reeds den geloofsheld wil zien van later tijd. Veel moest er ook over -dat hoofd heengaan, eer hij het leerde buigen voor den "Potentaat -aller potentaten", met Wien hij eens een vast verbond zou maken. Ook -hij moest gelouterd worden in de harde school van den tegenspoed, -ook hij moest zijn Jacobsworsteling nog doormaken, en op het stille -Dillenburg,--de brieven zijner vrome moeder getuigen het--zou de -schrandere politicus, het geniale partijhoofd, eerst als een arm, -verlaten zondaar moeten staan voor zijn Heiland en Verlosser, voor -hij den Geest zou ontvangen, die zijn streven zou heiligen, die hem -den moed zou geven tot een schier hopeloozen strijd voor de zaak der -verdrukten, die hem in waarheid zou maken tot Vader des vaderlands. - -Thans reed hij daarheen, te midden der Antwerpsche burgerij, en -schoon hij den jubelenden groet der menigte vriendelijk beantwoordde, -fronsten zich zijn wenkbrauwen soms ongeduldig bij het luid schaterend -"Vive le Geus!", dat hem overal tegenklonk. Hij wenschte te Brussel -niet te worden aangezien als het hoofd van een opgewonden menigte, en -hij wist daarbij te goed, hoe wispelturig de volksgunst is. Datzelfde -volk, dat hem thans huldigde en toejuichte, zou hem over weinige -weken uitjouwen, en zelfs zijn leven bedreigen, wanneer hij hen en -hun stad door zijn wijs beleid behoedde voor plundering en moord. - -Jacob zag den man na, van wien hij zooveel had gehoord, onder wiens -vanen hij weldra zou strijden, en dien hij eerst na verscheidene -jaren en onder geheel andere omstandigheden zou weerzien. - -De beide edellieden gingen met hun jongen geheimschrijver naar de -Fonteyne en hoorden er van Hopman van der Aa, hoe het ging met de -werving. Toen bezochten ze verschillende hoofden hunner partij, om -berichten te ontvangen, bevelen of wenken uit te deelen of plannen -te smeden voor de toekomst. Tegen den avond, na een werkzamen dag, -begaven zij zich naar de woning van Thoulouse, waar de jonge, bevallige -Vrouwe hare gasten, de voornaamsten der Geuzenpartij, met vriendelijke -bevalligheid ontving. Jacob Martens ontmoette er tal van mannen, -die weldra in de geschiedenis van den opstand een blijde of droevige -vermaardheid zouden krijgen. Hij zag er den vurigen Joris Sylvanus, -den moedigen predikant, die weldra als balling de stad en zijn gemeente -zou verlaten, den dichter van het aandoenlijke afscheidslied, waarin -de verdrukte Kerke Christi klaagt tot haren God; den verstandigen -Marco Perea, den rijken koopman, die zijn persoon en zijn fortuin ten -dienste had gesteld der goede zaak; Mr. Gillis de Clercq, en nog vele -anderen. Men was er vol hoop op de toekomst. Had men eenmaal maar een -voldoende krijgsmacht te velde, en een paar sterke steden bezet, dan -kon men de macht der Landvoogdes trotseeren, dan zouden de steden den -moed hebben om zich openlijk voor de partij der vrijheid te verklaren, -dan zouden de edelen zich stellen aan het hoofd des volks, en dan,--ja -dan zou men den Koning weten te dwingen, de vrijheden des volks te -eerbiedigen, dan zou de Inquisitie verdwijnen en er zou vrijheid -zijn van geweten en vrijheid van eeredienst,--want verder dacht men -niet. Niemand wilde den Koning van Spanje de gehoorzaamheid opzeggen: -de Heer der Nederlanden zou slechts den gehaten geloofsdwang in zijne -erflanden opheffen,--en men zou de wapens neerleggen en allen zouden -weder zijne getrouwe onderdanen zijn. - -Met zorg volgden intusschen de leiders de beweging in het Zuiden des -lands. Zij wisten, dat Jean Denijs zijn plan had volvoerd en met een -gewapenden hoop volk een paar dorpen had bezet; en zij wisten ook, dat -de moedige, maar onbezonnen Wattepatte's hunne vendels samentrokken, -om zoo mogelijk Valenciennes te ontzetten en zij vreesden, dat de -sluwe Noircarmes, die zijn tegenstanders rustig hun gang liet gaan, -het gunstig oogenblik afwachtte, om de overmoedige en onervaren -strijders met één slag te vernietigen. - -Op Vrijdag den 26sten December verspreidde zich te Antwerpen het -gerucht, dat er bij Watrelos gevochten was en dat de Geuzen het hadden -verloren. Nadere berichten kwamen er niet, maar Zondag, den 28sten -December, kwam de bevestiging van het treurige bericht. - -Men was dien avond naar de "Ronde Kerk" ter preek geweest, en, naar -de gewoonte dier dagen, had Meester Joris Sylvanus zijne gemeente -niet alleen getroost en bemoedigd, maar hij had ook niet geschroomd, -de politiek van den dag op den kansel te brengen, en in vurige taal -zijne toehoorders opgewekt, nu met hun lijf of hun goed de mannen te -steunen, die als in de dagen van Josia de Baälpriesters en hun aanhang -zouden verdelgen van voor het aangezicht des Heeren. En zinspelende -op het pas gevierde Kerstfeest, had hij gezegd, dat Christus voor -de Nederlanden eerst recht zou zijn geboren, als zijn Evangelie er -onbedekt en openlijk voor allen kon worden gepredikt. - -Thans waren de hoofden der beweging bijeen ten huize van Thoulouse -en men besprak er de geruchten der laatste dagen, de berichten, die -men van Brederode had ontvangen, en de "groote onderneming", waarvan -men zoo was vervuld, en die toch niet in bijzonderheden werd aangeduid. - -Het was reeds vrij laat, althans voor die dagen, toen de klopper -aan de voordeur met een zacht, voorzichtig tikje neerviel op den -metalen knop. Na een oogenblik verscheen er een bediende, die met -een ontsteld gelaat den gastheer iets influisterde. Thoulouse stond -haastig op, men hoorde in het voorhuis zware schreden, een levendige -woordenwisseling, en weldra verscheen hij weder, met een man, in een -langen mantel gewikkeld en den slappen hoed diep in de oogen gedrukt. - -Met een wenk liet de Vrouwe van Thoulouse de bedienden vertrekken. De -man wierp met een zucht van verlichting hoed en mantel ter zijde -en viel neer op den zetel, dien Blois van Treslong haastig had -aangeschoven. Het was Jean Denijs. Zijne kleeding was beslijkt en -bebloed, en een breede hoofdwonde, slechts ruw met eenige lappen -verbonden, misvormde zijn bleek gelaat. - -Met een kreet van ontsteltenis sprongen de aanwezigen op. - ---"Dus geslagen?" riep Treslong, terwijl Mevrouw van Thoulouse haastig -de kamer verliet, ten einde het noodige te halen, om den gewonde te -verbinden, een kunst, waarin zij, als vele vrouwen van dien tijd, -bedreven was. - ---"Alles verloren!" kermde Jean Denijs. - -Hij ledigde den beker wijn, dien Thoulouse hem aanbood. Een licht -rood kleurde zijn door vermoeienis en bloedverlies bleek gelaat, -en hij vervolgde met van aandoening trillende stem: - ---"Gij hebt gelijk gehad, heeren! Ik was een ezel, te denken, dat wij -met een ordeloozen hoop iets konden uitrichten tegen Noircarmes. Maar -het is er mij naar gegaan!" - -Hij zweeg een oogenblik en dronk een teug wijn. Toen ging hij voort: - ---"Wij trokken op met een sterken troep en goed gewapend ook. Wij -zouden ons bij Watrelos met die van Armentières en Doornik vereenigen, -om dan samen Valenciennes te ontzetten. Wèl wisten wij, dat de Heer van -Rottinghem, de stadhouder van Donai en Rijsel, ons wilde tegenhouden, -maar hij had maar tweehonderd man, en die telden wij niet. Domkop, -die ik was! Bij, Watrelos viel hij ons aan en hij joeg ons uiteen, -als een kudde schapen. Waren de Wattepatte's met hunne vendels er -maar geweest! Maar zij kwamen te laat; die Cornelis, hun predikant, -had hen opgezet, om vast onderweg de kloosters in brand te steken; -zij hadden het krijgsvolk niet onder tucht weten te houden en zoo -waren zij opgehouden. Ik was te paard en ik vluchtte naar het leger, -en wij rukten voort naar Watrelos om wraak te nemen, en Noircarmes -te verrassen, maar hij verraste ons vandaag. Wij waren van morgen in -het bosch van Lannoy, toen hij ons plotseling overviel. Hij had tien -vendels en zeshonderd ruiters en hij viel ons aan, voor wij wisten, dat -hij in de nabijheid was. Alles is verloren! De onzen waren dadelijk in -verwarring en ze werden ingesloten en in de pan gehakt. Onze vaandels -en de veldstukken, die de Wattepatte's in Frankrijk hadden gekocht, -alles is weg! Een paar van ons zijn het naar Antwerpen ontkomen, maar -Pieter en Philip Wattepatte zijn door Noircarmes' ruiters ingehaald -en gevangen genomen." - -Thoulouse en Blois van Treslong wisselden bezorgde blikken. - ---"Hadden wij uwe vendels en uwe kanonnen gehad, als de tijd daar is, -dat wij ze zullen kunnen gebruiken," zuchtte Thoulouse. "Wat al geld -en kostbaar bloed verspild in een nuttelooze onderneming!" - -Jean Denijs boog beschaamd het hoofd. - ---"Ik meende den Heere en Zijne verdrukte Kerk te dienen," zei hij -ootmoedig. "En wat zal er nu met onze arme broeders te Valencijn -gebeuren?" - ---"Houd moed, broeder," zei Treslong trouwhartig. "Ge hebt gehandeld -naar uw geweten. En zoo ons plan gelukt, wat God geve, dan zal de -Landvoogdes zoo de handen vol hebben, dat Noircarmes Valencijn wel -met rust zal moeten laten. Maar zeg mij, heeft men u de poort zien -binnenkomen?" - ---"Wij waren met ons vijven. De portier van "de Roode Poort" is -ons genegen, al durft hij niet ter preeke komen. Hij liet ons tegen -'t gewone poortgeld binnen en vroeg niets." - -Jean Denijs zeide het met een pijnlijk vertrokken gezicht. Zijne -wonde begon hem hier in het warme vertrek te hinderen. - ---"Zoo zijt gij hier veilig," zeide Thoulouse. "Mijne vrouw zal u -verbinden, en dan--gij hebt rust noodig. De wond is niet ernstig en -gij zult ons nog helpen, uw nederlaag op Noircarmes te wreken. Morgen -verhaalt ge ons meer!" - -Mevrouw van Thoulouse verscheen met linnen en pluksel, met water en -azijn, en met alle verdere hulpmiddelen, die haar eenvoudige heelkunst -haar leerde en haar goed hart haar ingaf. De wonde werd gereinigd en -opnieuw verbonden. - -Toen bracht Thoulouse zijn gast naar zijn kamer, maar de forsche -man was door bloedverlies en afmatting zoo uitgeput, dat Treslong en -Jacob Martens hem beiden moesten ondersteunen. - - - - - - - -IX. - - -Ja, de moedige, maar onberaden poging om Doornik te helpen -en Valenciennes te ontzetten, was jammerlijk mislukt. Tal van -vluchtelingen, die aan de ruiters van Noircarmes ontkomen waren, -en die den guren winternacht in allerlei schuilhoeken hadden -doorgebracht, kwamen de volgende dagen ongehinderd Antwerpen binnen, -en ze bevestigden de tijding, die Jean Denijs had gebracht. 't Was -een verpletterende nederlaag geweest, dat gevecht bij Lannoy. Een -verrassing, even sluw beraamd als stout uitgevoerd door den dapperen -en bekwamen Noircarmes, die van zijn krijgsmanskunst zoo wèl gebruik -had weten te maken tegen zijn ongeoefende tegenstanders. De overval -was volkomen geweest: het geheele Geuzenlegertje was vernietigd en -de troepen der Landvoogdes hadden nagenoeg geen verliezen geleden. - -Van Jean Denijs, die zich in het huis van Thoulouse schuil hield, -om er van zijn hoofdwonde te genezen, vernamen de bondgenooten -nog nadere bijzonderheden. Zij vernamen van hem ook den dood van -Gheleijn de Keijzer, die in het gevecht bij Watrelos was gebleven. De -gewezen monnik had niet lang genoegen gehad van zijn pas verworven -vrijheid. Jean Denijs verhaalde, hoe hij het vuurroer, waarmee men hem -had willen uitrusten, minachtend had afgewezen; hoe hij, met een langen -handboog gewapend, als een echte Vlaamsche schutter met zijne pijlen -verscheidene van van Rossinghem's volk had neergelegd, en hoe hij -eindelijk met een "goedendag" als wapen, tegen de opdringende knechten -had standgehouden, en, vechtende tot het laatste, was gevallen. - -Zou de dood dier martelaren worden gewroken? Jacob Martens vroeg het -met koortsig ongeduld. Hij brandde van verlangen om ten strijde te -trekken tegen de troepen der Regeering, die het land verdrukte. "Nu -of nooit!" dacht hij en dat dachten duizenden met hem. Brederode, de -kloeke, voortvarende Brederode, scheen het hoofd der beweging. Hij -was de man van het oogenblik, op wien aller oogen waren gevestigd, -het hoofd der partij van actie, die dreef tot onmiddellijk handelen, -tot krachtig doortasten. - -En Oranje, de zwijgende, bedachtzame schaakspeler, die nimmer een -haastigen, onberaden zet op het politieke schaakbord deed, wachtte af! - -Nu of nooit! Handelen moest men, of alles was verloren! Namen de -geruchten, dat de Koning met een geducht leger herwaarts zou komen, -niet steeds vaster vorm aan? Wist men niet met zekerheid, dat die -troepen zouden worden aangevoerd door Philips' besten veldheer, -den geweldigen hertog van Alva? Mocht men wachten, tot de Kerk van -Christus, tot de Nederlandsche vrijheid zou worden vertrapt onder de -ijzeren zool der Spaansche huurbenden? - -Nu of nooit! En het Consistorie der Gereformeerde kerken, -te Antwerpen vergaderd, benoemde hun held en hun voorvechter -tot opperbevelhebber. Brederode benoemde Philips van Marnix -van St. Aldegonde tot penningmeester der beweging. Het geld -der Gereformeerden vloeide toe, want men verwachtte veel van -de onderneming. Openlijk werden in Antwerpen troepen geworven op -Brederode's last. Antony van Bombergen, de vermetele aanvoerder, die -onder Condé had gediend, maakte zich meester van 's Hertogenbosch en -trotseerde er de Regeering. Maastricht dreigde afvallig te worden: -het was reeds wederspannig. - -En het was nu geen geheim meer, dat de Geuzen het oog hadden geslagen -op Zeeland. Dààr wilden zij zich nestelen, om de Spaansche vloot,--want -men verwachtte de troepen des Konings over zee--den doortocht te -betwisten. Als Alva kwam, dan zou hij, naar men meende, het geheele -land onder de wapenen vinden. - -Zoo dacht men, en steeds zag men op Oranje. Maar ondanks het -aandringen der bondgenooten, ondanks het morren van het volk, bleef -Oranje wachten. Ja, het scheen zelfs, dat hij zich tegen Brederode -keerde. Hadden de aangeworven troepen, die zich in de dorpen bij -Antwerpen hadden gelegerd, niet den last gekregen van den Prins, -als Markgraaf van Antwerpen, om zich aanstonds te verwijderen, onder -bedreiging van geweld, indien zij niet gehoorzaamden? Aarzelend -waren zij afgetrokken, de Geuzenbenden, om zich bij Brederode te -voegen, sommigen te scheep, anderen over Gorcum, en wrokkend zagen de -Antwerpsche Gereformeerden naar den zwijgenden staatsman, die hunne -verwachtingen zoo teleurstelde. - -Toch,--men wist het wel, er was toch nog krijgsvolk te Antwerpen -gebleven en er werden er nog steeds geworven. Zou er dan toch nog -hoop zijn? - -Met een gelaat, gloeiend van geestdrift, trad Jan Blois van Treslong -op een middag in het laatst van Februari de "sale" binnen in het huis -van Thoulouse, waar de hoofden der Antwerpsche beweging vergaderd -waren. De heer des huizes, met Jacob Martens als zijn secretaris, -leidde de bijeenkomst. Men zag er eenige der Antwerpsche predikanten, -den Heer van Walencourt, een uitgeweken Huguenoot, Mr. Gillis le -Clercq, Jean Denijs en de Heeren van der Aa, Waroux, Escaubecque en -Villers, de laatsten allen hoplieden onder Brederode. - ---"Eindelijk, Thoulouse! eindelijk, heeren!" riep de vurige jonge -edelman, terwijl hij zijn vriend een gezegeld stuk overreikte. "De bode -van Mr. Pieter Haeck is zooeven aangekomen. De baljuw wil ons helpen -en hij heeft veel invloed op Walcheren. Zijn wij eerst meester van het -eiland, dan lachen wij met Mevrouw van Parma en hare tachtig vendels!" - -Thoulouse opende den brief van den gewezen Middelburgschen baljuw -en las dien voor. Inderdaad bevatte het schrijven het bericht, dat -Meester Pieter Haeck hun voorstel aannam: De bondgenooten zouden met de -troepen, die zij nog te hunner beschikking hadden, de Schelde afvaren -en een aanslag op Walcheren wagen, Haeck, die zich in Zeeland ophield, -om daar de bevolking te bewerken, zou zich op de rivier bij hen voegen, -en door zijn invloed en dien zijner familie zou hij de voornaamste -steden weten te bewegen, zich voor de Geuzen te verklaren. "En"--zoo -werd er geheimzinnig gefluisterd--"de Prins van Oranje keurde de -onderneming goed. Was niet een zijner officieren, de Heer van Boxtel, -naar Zeeland geweest, om te verhinderen, dat de steden eene bezetting -der regeering zouden innemen? En had de gouverneur van Zeeburg, de -wakkere Roeland van Ghistelle, niet geweigerd, een vendel voetknechten -in de sterkte toe te laten, zonder bijzonderen last van Oranje, -in wiens handen hij den eed had afgelegd?" - -Men was vol geestdrift, vol hoop. Met gejuich werd het schrijven -van Pieter Haeck ontvangen. Nu zou men dan toch eindelijk kunnen -overgaan tot de groote onderneming, waarvan zoo lang was gesproken, -die zoo zorgvuldig was voorbereid. Met kracht, zoo besloot men, zou -men de werving voortzetten. Men had geld, men had geschut en wapens; -men wist over welke schepen men kon beschikken. Drie groote vaartuigen -lagen aan het Vlaamsche hoofd gereed. - -Den 2den Maart 1567, tegen den noen, stond het Antwerpsche volk -met nieuwsgierigheid een bende krijgsvolk aan te staren, die op de -Meere werden gemonsterd. 't Waren drie vendels voetknechten, goed -gewapend met speren en haakbussen, maar 't waren geen stadssoldaten, -dat was duidelijk. Van uniformen wist men in die dagen nog niet veel; -de lederen kolders, de stalen borstharnassen en stormkappen werden -door de soldaten van alle partijen gedragen, maar de officieren en -manschappen hadden groene en witte sjerpen en veldteekens, en de -hoplieden met hunne luitenants, die daar het bevel voerden, waren -voor de Antwerpenaars goede bekenden: dat waren de Geuzenvendels! - -Een oogenblik, en daar roffelden de trommen, daar werden de vaandels -ontplooid, witte banen met een bloedrood St. Andrieskruis, daar -klonken de commando's en in goede orde marcheerden de drie vendels -door de stad en naar het Vlaamsche hoofd, onder het luid gejuich der -Calvinistische burgerij. - -En de Antwerpsche magistraat liet het geschieden, en de stadhouder -verzette zich niet. Wat zouden zij doen? De toekomst was donker,--en -twaalf à veertien duizend Calvinisten, door de gebeurtenissen der -laatste dagen geprikkeld, waren dààr, gereed tot den opstand, zoo -men de Geuzentroepen bemoeilijkte. - -Met de witzijden sjerp--een geschenk der Vrouwe van Thoulouse--over -het gepolijst stalen borstharnas, den breedgeranden hoed met witte -pluimen op het hoofd en den degen op zijde, trad Jacob Martens, die -als cadet in het onmiddellijk gevolg van Thoulouse den tocht zou -meemaken, met een aantal der jonge Geuzenedelen aan het hoofd van -den stoet. De borst sloeg hem hoog en fier, bij de gedachte, dat hij -thans een krijgsman was, dat hij ging strijden voor de schoone zaak -der vrijheid, die hij diende; dat hij zijn volk en de verdrukte Kerke -Christi ging bevrijden van het zware juk der Inquisitie. Want dat de -goede zaak zou zegepralen, nu, oogenblikkelijk,--daaraan twijfelde -hij geen oogenblik. Hij bewonderde Brederode, maar voor Thoulouse -had hij een blinde vereering; hij was zeker van den goeden uitslag, -omdat Jan van Marnix aan het hoofd stond der stoute onderneming. De -geestdrift der aanvoerders had allen aangestoken: daar gingen zij heen, -de redders en bevrijders des volks. - -En onwillekeurig bekroop hem de gedachte: als Madeleine hem nu eens -kon zien, niet meer den jongen, baardeloozen scholier van Leuven, -maar den krijgsman, den vertrouwde van Thoulouse en Treslong! O, -als de overwinning was behaald, en het dankbare volk ook hem dankte -als een van zijn bevrijders, dan zou hij zijn jonge lauweren aan haar -voeten leggen,--en dan zouden ook hààr immers de oogen open gaan, en -zij zou zien hoe schoon en edel de zaak was, die hij diende; moest -toch de fiere Vlaamsche jonkvrouw niet meer sympathie hebben voor -geloofsvrijheid en volksvrijheid, dan voor priesterdwang en tirannie? - -En, zijn schoonen droom voortspinnende, stapte Jacob voort onder de -witte banier met het roode kruis, door de straten van Antwerpen en -naar het Vlaamsche hoofd, waar de drie kagen lagen, die de kleine -strijdmacht zouden opnemen en die hen met vroolijk wapperende wimpels -schenen te begroeten. Nauwelijks was men de poort uit, nauwelijks waren -de schepen in het gezicht, of een daverend hoezee klonk over de breede -kade, en het Geuzen-marschlied werd aangeheven, door pastoor Arent -Dircksz Vos te de Lier met omwerking van een oud drinklied vervaardigd: - - - Slaet opten trommele, van dirredomdeyne, - Slaet opten trommele, van dirredomdoes! - Slaet opten trommele van dirredomdeyne: - "Vive le Geus!" is nu de loes! - - De Spaensche inquisitie, voor God malitie, - De Spaensche inquisitie, als draeckbloet fel, - De Spaensche inquisitie gevoelt punitie, - De Spaensche inquisitie ontvalt haar spel! - - -Het kreupelrijm, in weinige weken zoo populair geworden, en dat -zijn vervaardiger weldra op het schavot zou brengen, werd juichend -meegezongen door het volk, dat met de marcheerende vendels medeliep. - - - Vive le Geus! wilt Christelijck leven, - Vive le Geus, houdt fraeyen moed, - Vive le Geus, God hoede u voor sneven, - Vive le Geus, edel Christenbloed! - - -De kagen, die aan de kade lagen vastgemeerd, waren bereikt. Juichend -wees het volk naar de metalen stukken, die aan de voor- en achtersteven -waren vastgesjord. - -De inscheping had in goede orde plaats. Het eerste schip stond -onder bevel van Thoulouse zelf. Treslong, Gillis de Clercq en Jacob -Martens waren bij hem aan boord. Jean Denijs en de Heer de Walencourt -commandeerden de beide andere vaartuigen. - -De touwen werden losgemaakt; het eene schip na het andere stak van -wal, de zeilen werden geheschen en onder een luid "Vive le Geus!", -dat aan den wal even geestdriftig werd herhaald, zakten de vaartuigen -de Schelde af. - -Het was een schoon gezicht, de breede rivier voor Antwerpen, met de -tallooze vaartuigen, groot en klein, die er door elkander kruisten, -van de kolossale, buikige kraken en galjooten, die uit Spaansche en -Portugeesche havens de kostbare waren uit het Oosten aanbrachten, -tot de armelijke pramen van de visschers en strandjutters. Men zag er -de vlaggen en wimpels van alle natiën, want Antwerpen was de groote -stapelplaats van den goederenhandel, het hart der rijke Nederlanden. - -Tegen den mast geleund, genoot Jacob Martens van het mooie -riviergezicht, dat door een bleek Maartsch zonnetje werd beschenen. De -vlakke, lage oevers gleden aan zijn blik voorbij, soms lange streken -van moeras- en veengrond, waar duizenden watervogels krijschend -en fladderend rondzwierven, soms de wijde velden van Vlaanderen en -Brabant, die zich uitstrekten in eindelooze verte. Vroolijk klonken -de liederen van het bootsvolk en de soldaten, terwijl de laatsten -op het dek en in het ruim ijverig bezig waren met het nazien en in -orde brengen hunner wapenen. De jonge edelen liepen op het dek heen -en weder; voor de meesten was het hun eerste krijgstocht, en zij -stapten vol gewicht rond in hun blinkende wapenrusting en lieten hun -degens kletteren, trotsch als zij waren, dat zij deel mochten nemen -aan een zoo belangrijke onderneming. Treslong was onder hen een van -de vroolijksten en luidruchtigsten. - -Alleen Jan van Thoulouse stond alleen bij den roerganger. Hij tuurde -naar een grooten, zwarten boeier, met een donkerbruin zeil, die op -eenigen afstand de kleine vloot volgde. Jacob voegde zich bij hem. - ---"Ziet gij dien boeier daar?" vraagde de jonge aanvoerder. - -Jacob wierp een blik op het zwarte vaartuig en keek zijn ouderen -vriend aan. - ---"Dat is een spion van de Brusselaars," zei Thoulouse. "Van Antwerpen -af heeft hij al in ons zog gevaren. 't Is een snelle zeiler, dat -kunt ge aan zijn bouw wel zien, en toch komt hij deze logge kagen -niet vóór. Ge kunt er op aan: Mevrouw van Parma laat ons in het oog -houden en die boeier zal haar spoedig bericht brengen van het al of -niet slagen van onze onderneming." - ---"Waarom boort gij hem niet in den grond?" vraagde Jacob, vol -strijdlust. - ---"Hij zou het gemakkelijk ontzeilen. Daarenboven, waartoe zouden wij -ons ophouden, om jacht te maken op zoo'n ellendige schuit. Die van -Brussel mogen weten, wat wij in het schild voeren. Want wij kunnen -niet meer terug, Martens. Het is voor ons overwinnen of sterven. Als -onze onderneming mislukt, zijn wij verloren, want men zal ons te -Brussel nooit vergeven." - ---"O, maar als wij de Zeeuwsche steden bezet hebben, dan beheerschen -wij den mond van de Schelde," meende Jacob, in de kracht van zijn -jeugdig zelfvertrouwen, "en als Brederode ons dan van de landzijde -steunt, zullen wij met Mevrouwe van Parma een gunstig verding kunnen -maken." - ---"Zeker, als wij slagen. Als die Meester Pieter Haeck niet te veel -heeft beloofd. Treslong rekent op hem en vertrouwt hem blindelings -en--anderen doen dit ook. Hij is zeker een trouw aanhanger der goede -zaak, en is zijn invloed te Middelburg en te Vlissingen zoo groot, -dat hij er een ommekeer in den stand van zaken kan teweeg brengen, -dan heeft onze onderneming een schoone kans, zooals ge zegt. Indien -niet..." - -Hij zweeg een oogenblik en keek peinzend naar de grauw-blauwe golven -van de Schelde. - ---"Ik vreeze geen eerlijken krijgsmansdood," zei hij zacht, "maar -mijn arme vrouw!" - ---"Kom, Thoulouse," zei Jacob trouwhartig, "wat stemt u zoo somber -vandaag? Gij, onze aanvoerder en de ziel van onze onderneming! Ge -hebt alle plannen zoo wèl ontworpen, zoo nauwkeurig overwogen en zoo -stout uitgevoerd. Laat ge nu den moed zinken, nu we op het punt zijn -te slagen?" - ---"Ik zou het niet wagen, het aan iemand anders te bekennen, maar ik -weet, dat ik u vertrouwen kan. Begrijpt ge niet, dat juist nu, nu de -teerling is geworpen, nu alles is voorbereid en de strijd zal beginnen, -dat ik juist nu soms een bange vrees in mij voel opkomen? Wat, als -ik eens gedwaald had? Als ik al die jonge edelen, mijne vrienden, al -die dappere mannen in den dood leidde? De Heere God weet, dat ik niet -mijne eere zoek, dat ik Zijn wil heb trachten te verstaan,--maar wat, -als ik mij eens bedrogen had?" - ---"Onmogelijk! Onze zaak is Gods zaak!" riep Jacob vol geestdrift. - ---"Dat is zij! En ook te vallen voor Gods zaak is eene -eere!" antwoordde Thoulouse. "Vrees niet, Jacob Martens! Als ik nu -kleinmoedig ben,--in 't gevecht zult ge mij geen lafaard noemen! Laat -ons Treslong opzoeken." - -Jacob volgde den jongen aanvoerder naar de voorplecht. De ernstige -woorden van Thoulouse hadden indruk op hem gemaakt. Met al den -geestdrift en den moed der jeugd had hij zich bij de onderneming -aangesloten. - -"O, de uitslag was zeker! Mr. Pieter Haeck zou wonderen doen in -Zeeland! En dan Brederode met zijne hulptroepen en de Duitsche benden, -die door Lodewijk van Nassau heetten geworven! En de steun van Condé -en zijne Huguenoten!" - -Zoo spraken de dappere jonge edelen onder elkander, zoo had ook -Jacob Martens gesproken. Thans bedacht hij voor het eerst, dat de -krijg twee kansen heeft. Een somber voorgevoel maakte zich van -hem meester, als hij luisterde naar de schertsende groep op den -voorsteven. Hij keek onwillekeurig naar den zwarten boeier, die nog -steeds op eerbiedigen afstand de kleine vloot volgde: 't was hem, -of daar een zwarte doodsschaduw aan kwam zweven, die weldra al dien -zonnigen jeugdigen overmoed zou komen overdekken. - -Tegen den avond veranderde de wind. De lucht begon te betrekken en -het werd guur en koud. De schepen moesten laveeren en men vorderde -slechts langzaam. De vroolijke luim van het krijgsvolk was reeds -lang voorbij. Zij, die een plaatsje konden krijgen in het vooronder, -zochten er een schuilplaats voor den guren Noord-Wester. De anderen -schoolden op het dek samen en trachtten zich zoo goed mogelijk voor -den wind te beschutten. De jonge edelen hadden zich naar de kajuit -begeven en vermaakten er zich met drinkkroes en verkeerbord. Thoulouse -verliet echter het dek niet en Jacob bleef bij hem; ook Mr. Gillis le -Clercq, een man met een verstandig uiterlijk, bleef bij den aanvoerder -en onderhield zich met hem op zacht fluisterenden toon. - -Het duister was reeds gevallen. Men was nu dicht onder den Zeeuwschen -oever en rechts vooruit ontwaarde men een rood licht; waarschijnlijk -een vuurbaak. - -De schipper naderde Thoulouse en deelde hem met zachte stem iets mede, -terwijl hij op het licht wees. Haastig begaf de aanvoerder zich naar -de voorplecht, door zijne beide metgezellen gevolgd. De schipper -gaf zijn bevelen en weldra heerschte er een zekere bedrijvigheid aan -boord. Een lantaarn werd in den mast geheschen, als sein voor de andere -schepen en een paar knechten kwamen met een teerton en een vuurpot -aansjouwen. Weldra vlamde een warm rood licht op de voorplecht op, -en weerspiegelde in het donkere water der Schelde. Het dek was thans -vol; allen, officieren en manschappen, drongen naar het rechterboord -en keken uit naar den donkeren oever. - -Een oogenblik nog--en een donkerroode gloed werd zichtbaar boven de -waterlijn. Het vuursein werd van daarginds beantwoord. - ---"Ze schijnen daar op ons gewacht te hebben," merkte een -forschgebouwde rotmeester op, die, op zijn hellebaard geleund, naast -Jacob Martens stond en opmerkzaam naar het vuursein scheen te turen. - ---"De Welle!" riep Jacob verrast. - -Na zijne kennismaking met Thoulouse en zijne opneming in den -kring der Geuzenedelen had hij den boschwachter een weinig uit het -oog verloren. Pieter de Welle had zich van zijn kant bescheiden -teruggetrokken, toen hij bemerkte, dat zijn "jonker" de omgeving -had gevonden, waarin hij eigenlijk behoorde. Hij had vrienden onder -zijne geloofsgenooten te Antwerpen en hij had er rustig den loop der -gebeurtenissen afgewacht. Zijne dochter had hij reeds lang te voren -in veiligheid gebracht bij hare moei te Poperingen. - -Toen de werving van krijgsvolk voor Brederode begon, had hij gaarne -het handgeld van hopman van der Aa aangenomen, op voorwaarde, -dat hij dienst zou doen bij het vendel, waartoe ook jonker Martens -behoorde. De hopman had den kloeken, vastberaden man aanstonds tot -rotmeester bevorderd. - -Thans keek hij zijn jonker eens van ter zijde aan en maakte een -beweging als voor een militair saluut, maar Jacob vatte zijn hand en -drukte die hartelijk. - ---"Gij ook hier aan boord, de Welle?" zeide hij. "Daar ben ik hartelijk -blij om!" - ---"Alsof ik je alleen ten oorlog zou laten trekken, jonker," zei -de gewezen boschwachter met ruwe hartelijkheid. "Soms bezwaart -het mij, als ik denk, dat je zonder mij nog veilig en rustig op -de Vrijdaegsmarkt of op de school te Leuven zoudt zitten. Maar dan -denk ik weer: 't Is zóó Gods bestel geweest, dat ik den jonker moest -helpen om de Paepsche dolingen te verlaten en vrede voor zijn ziel -te vinden. Dat was zóó door den Heere God verordineerd, jonker! En -nu zullen wij gaan vechten voor de verdrukte ware Kerk van Christus, -en als wij vallen, zal het in een goede zaak zijn." - ---"Dat zal het, Pieter!" zeide Jacob. "Maar wij zullen nog niet vallen, -man! Wij zullen den Koning en de Gouvernante dwingen, om ons vrij -exercitie van religie toe te staan--en als het eenmaal zoover is, -dan worden wij weer hunne goede en trouwe onderdanen. En mijn vader -zal ons vergeven en jij wordt weer boschwachter en ik ga weer naar -Leuven--als ik tenminste niet vaandrig word bij een van de benden van -ordonnancie, waartoe ik zonderlinge lust gevoel. Maar, over een week -of acht zijn wij misschien weer te Gent." - ---"God geve het!" mompelde de Welle, terwijl hij met een vreemden -trek op zijn gerimpeld gezicht zijn jeugdigen metgezel aanzag. - ---"God geve het!" zeide Jacob ernstig. - -Ondertusschen was het roode licht op den oever gedoofd en ook de -brandende teerton plofte sissend in de golven der Schelde. Van den -Zeeuwschen kant hoorde men het geluid van naderende riemslagen. - ---"Zou dat die Zeeuwsche boerenverklikker zijn, dien we aan boord -moeten nemen?" vroeg de Welle, die, als de meeste Vlamingen, niet -van de Zeeuwen hield. - ---"Zeker wel! Hij zou voor Zeeburg aan boord komen," meende -Jacob. "Daar is hij al!" - -Een roeiboot schoot uit de duisternis naar voren en werd door den -schipper aangeroepen. - -Na een korte woordenwisseling kwam de boot langszij; de valreep werd -neergelaten, en een kort, dik mannetje stapte op het dek, gewikkeld -in een met bont gevoerden en omzoomden mantel. Het ventje beantwoordde -met een zekere nederbuigende welwillendheid den groet der omstanders en -vroeg toen met veel deftigheid onmiddellijk naar den Heer van Thoulouse -te worden geleid. Daar deze hem beleefd aan de valreep had ontvangen, -was dit niet meer noodig. Met een genadig knikje wendde de ex-baljuw -zich nu tot Marnix en begon op een beschermenden toon te vragen naar -zijn plannen, het aantal van zijn manschappen en zijn geschut. De jonge -edelen, om hun vriend en aanvoerder geschaard, verbeten hun lachen, -toen zij bemerkten, dat Mr. Pieter Haeck zichzelf blijkbaar beschouwde -als het hoofd en den leider der gansche onderneming. Het verwaande -manneke sprak met gewicht over de aanstaande gebeurtenissen, alsof -die alleen afhingen van zijn beleid; hij keurde goed en af, berispte -en prees, en maakte het eindelijk zoo bont, dat er onder de groep, -die hem omringde, reeds hier en daar een lach of een kwinkslag werd -gehoord, zoodat Thoulouse, die den Middelburger niet wilde ontstemmen, -hem haastig medenam naar de kajuit. - ---"Als die Zeeuwsche haan even goed kan vechten als kraaien, dan -belooft dat wat goeds!" bromde de Welle, "maar ik houd niet van -dat soort!" - -De komst van den baljuw had echter weer wat levendigheid aan boord -gebracht. Er werd luid gesproken en gelachen en de soldaten hieven, -na een donderend "Vive le Geus!", dat van de andere schepen luide -beantwoord werd, een Geuzenlied aan, dat heenschaterde over de donkere -golven der Schelde en de dorpelingen van Zuid-Beveland angstig deed -vragen, wat dat ongewoon rumoer te beduiden had. - -Tegen middernacht ankerde de kleine vloot niet ver van den oever en -de aanvoerders maanden de soldaten aan, de noodige rust te nemen. Te -vijf uur werden de ankers gelicht en toen de grauwe Maartsche morgen -aanbrak, zag Jacob rechts het breede vaarwater van het Sloe, en recht -voor zich uit een zwart gevaarte, dat uitstak boven de modderbanken -van den oever. Het was het sterke fort Zeeburg, bij Rammekens, de -sleutel van de Schelde. - -En nu was het oogenblik gekomen, dat Mr. Pieter Haeck zou toonen, -wat zijn invloed vermocht. Woei eenmaal de witte banier met het roode -St. Andrieskruis van het sterke Zeeburg, dan was de zaak der vrijheid -haast gewonnen. - -Hij zelf twijfelde geen oogenblik aan den goeden uitslag van zijne -tusschenkomst. Toen de kleine vloot de sterkte zoo dicht mogelijk -genaderd was, stapte hij deftig in de boot, die hem met Mr. Gillis le -Clercq naar wal zou roeien. Met gespannen aandacht keken de Geuzen, -zoo officieren als soldaten, naar de hooge wallen. Elk oogenblik -verwachtten zij het afgesproken sein te zien,--het neerhalen van de -Koningsvlag--dat hen zou waarschuwen, dat zij konden landen en de -sterkte binnenrukken, maar het eerste uur verliep--en er was niets te -zien. Vroolijk wapperde het Bourgondische knoestkruis in den straffen -Noordwester. Eindelijk, na twee uren, verschenen de beide afgezanten op -de houten werf, door een wacht van krijgslieden begeleid. Traag roeide -de boot naar het schip terug. Toen zij naderbij kwam, stond het gelaat -van Gillis le Clercq ernstig en strak, dat van Mr. Pieter Haeck was -rood van gramschap en verlegenheid. Blijkbaar was hun zending mislukt. - -Het ging niet aan, de zaak voor het krijgsvolk geheim te houden en -het werd dan ook niet beproefd. In korte woorden gaf Mr. Gillis le -Clercq aan Thoulouse verslag van den uitslag zijner zending. Kapitein -Roeland van Ghistelle zou niemand binnen de veste laten, die hem geen -lastbrief kon toonen van den Prins van Oranje. - -Pieter Haeck liep stampvoetend van drift het dek op en neder. - ---"Hij is omgekocht! De verrader is omgekocht!" schreeuwde hij. "Hij -had beloofd, ons het kasteel te leveren! Waarom brengt ge uw geschut -niet aan land? Neem de plaats met geweld!" - -Thoulouse en de andere edelen haalden de schouders op. Al waren -de meesten hunner nog nimmer in werkelijken krijgsdienst geweest, -zij leefden in een tijd, toen ieder edelman een krijgsman was en zij -wisten te wel, dat met een zoo kleine macht als de hunne een sterkte -als Zeeburg aan te vallen een roekelooze dwaasheid zou zijn. - -Thoulouse liet de bevelhebbers der beide andere schepen seinen, bij -hem aan boord te komen, om met hem, le Clercq, Haeck en de voornaamste -edelen krijgsraad te beleggen in de kajuit. - -De zwarte boeier, die hen den ganschen nacht gevolgd was, kruiste in -het gezicht der vloot op de breede Schelde. - -De krijgsraad duurde niet lang. Was de aanslag op Zeeburg mislukt, -daarom behoefde toch--zoo meende men--het geheele plan niet te worden -opgegeven. Mr. Pieter Haeck drong er op aan, dat men terstond naar -Vlissingen zou stevenen. Dààr was hij zeker van zijn zaak. Zijn -schoonzoon en zijne vrienden uit Middelburg hadden er voor de -Geuzenpartij gewerkt. De regeering der stad was hem genegen, en zijn -aanhangers en vrienden zouden hem met open armen ontvangen. En wie -Vlissingen en zijn haven in handen had, was meester van Walcheren. - -Hoewel de tegenslag, dien men bij Rammekens had ondervonden, hun -vertrouwen in den drukken, verwaanden Middelburger niet weinig -had geschokt, besloten de aanvoerders der Geuzen toch zijn raad te -volgen. Wat zou men al anders doen? De geheele tocht was ondernomen om -Walcheren te bezetten, om dààr een vast steunpunt te krijgen. Mislukte -dit,--waar moest men dan heen? - -Jean Denijs en de Heer van Walencourt keerden naar hunne schepen -terug, en een luid "Hoezee!" en "Vive le Geus!" begroette het bevel -om het anker te lichten en koers te zetten naar Vlissingen, waarvan -men den statigen toren boven de troebele wateren der Westerschelde -zag uitsteken. - -De schepen liepen de haven binnen met de witte kruisvlag hoog in -top. Men had afgesproken, thans stoutmoedig op te treden en geen tijd -te verspillen met nuttelooze onderhandeling. De komst van drie groote -vaartuigen met gewapenden veroorzaakte geen geringe opschudding onder -de koopvaarders, de krapschuiten en de vliebooten, die in de haven -lagen. Sommige vaartuigen borgen zich onder de beschutting van de -kanonnen der stad; een paar van de vreesachtigste schippers kapten de -ankers en liepen de haven uit, terwijl een aantal visschers van hun -bommen en buizen nieuwsgierig de beweging der vreemde gasten volgden. - -Thoulouse zeilde de haven binnen tot onder de wallen der vesting. Men -zou er de manschappen en het geschut ontschepen en moedig toegang -eischen. Het was duidelijk, dat men in de stad hunne nadering had -bemerkt. De hooge wallen aan de havenzijde waren zwart van de menschen, -die uitzagen naar de kleine vloot. "'t Waren zijn vrienden!" beweerde -baljuw Haeck; "ze wisten, dat hij in aantocht was en ze waren daar om -hem, den teruggekeerden balling, te begroeten." Hij zwaaide met zijn -hoed en deed alles, om de aandacht der starende burgers te trekken. - -Ondertusschen stond Pieter de Welle naast Thoulouse en Jacob Martens -het gewoel op de wallen gade te slaan. Zijn scherpe jagersoogen -merkten alles op; het was duidelijk aan hem te zien, dat hij de -algemeene vreugde en opgewondenheid niet deelde. Plotseling keerde -hij zich om en keek den druk gesticuleerenden Pieter Haeck aan. - ---"Met verlof, Heer baljuw," zeide hij, "uw vrienden schijnen ons -daar warm te willen ontvangen. Ik zie duidelijk, dat ze daar op de -wallen met het geschut bezig zijn." - ---"Onmogelijk, man!" zei Mr. Pieter Haeck haastig. "Mijn schoonzoon -zou nimmer dulden... Of misschien zijn 't saluutschoten, die ze willen -lossen!" voegde hij er vol hoop bij. - -De woorden van den rotmeester waren door Thoulouse, Treslong en -eenige der andere edelen verstaan. Allen keken met inspanning naar -het bastion, waar een groep mannen ijverig aan den arbeid scheen. Men -naderde meer en meer, de omtrekken werden duidelijker--daar flikkerde -een dofroode vlam in een wolk van witten rook op het bastion, de -doffe donder van den slag dreunde over de haven en een kanonskogel -vloog gierend over den kaag heen. - ---"Wat is dat?" riep Mr. Pieter Haeck verbijsterd. - ---"Een saluutschot van uw schoonzoon denkelijk," zeide de Welle -droogjes. - -Nog een oogenblik--en een tweede schot daverde over het water. De -kogel sloeg krakend in den romp van het schip en wondde een paar -soldaten. Blijkbaar wilde Vlissingen zich verdedigen: de vrienden -van den ex-baljuw waren op zijn bezoek niet gesteld, of zij hadden -de burgers niet kunnen belezen, hem en zijne medestanders te ontvangen. - -Een oogenblik stond Thoulouse besluiteloos. Met strakken blik -staarde hij naar de wallen der stad, waarvan hij zoo veel had -gehoopt. Terugtrekken? Het plan opgeven? Maar dan--dan was alles -vergeefsch geweest; dan was het gedaan met de zaak der vrijheid. En -dan was er voor hem en allen die met hem waren geen andere uitkomst -dan de ballingschap of het schavot. - ---"Wij moeten wenden, Thoulouse," riep Treslong, toen een derde schot -het grootzeil doorboorde, "als zij den mast treffen, is het met ons -gedaan. Zie, de Walencourt vlucht!" - -Het was zoo! De kaag, door den Huguenoot gecommandeerd, had den steven -gewend en de zeilen omgebrast. Alleen het vaartuig van Jean Denijs -volgde hen onder klein zeil. Op het bastion was men ijverig bezig -met de kartouwen, blijkbaar om, als het noodig was, de stad bij te -staan. De schipper trad met een angstig gezicht op den aanvoerder -toe en het scheepsvolk stond daar met donkere, dreigende blikken al -mompelend bijeen. - -Toen gaf Thoulouse met een zucht bevel het roer te wenden. Met gebogen -hoofd verliet hij het dek en begaf zich naar de kajuit, terwijl de -schipper haastig zijn bevelen gaf. - -Van de schepen, die in de haven voor anker lagen, ging een luid en -spottend gejuich op, toen men de Geuzen zag aftrekken en de slangen -van het bastion bulderden nog eens en zonden hun kogels na, die echter, -zonder schade aan te richten, over de schepen heen vlogen. - -Juist toen de kaag van Thoulouse de Schelde weer opstevende, schoot een -zwarte boeier haar op een paar scheepslengten voorbij. Jacob Martens, -die met Treslong bij het roer stond, zag plotseling een jonkman in -schippersdracht op de verschansing springen en met zijn muts wuiven. - ---"Adieu, Jacques," klonk het spottend; "hebt ge soms een boodschap -voor joffer Madeleine?" - ---"Thierry!" riep Jacob, die de spottende, scherpe, stem herkende. - ---"'t Is die satansche spion van die van Brussel!" riep Treslong -geërgerd. "Hei daar! arquebusiers daar voor op den boeg, aan de -lont! Zend dien schreeuwer daar eens een paar kogels toe!" - -Een paar soldaten grepen naar hunne haakbussen en bliezen op de -lont. Inderdaad werden er een paar schoten op den wegzeilenden boeier -gelost, maar ze schenen er niemand te treffen. De bemanning schreeuwde -en jouwde en zwaaide uitdagend met de mutsen, en het vlugge vaartuig -danste voort over de golven, om aan de regeering te Brussel het welkome -nieuws te gaan brengen, dat de aanslag der Geuzen was mislukt en dat -Vlissingen den Koning was trouw gebleven. - -Het had niet veel gescheeld, of Mr. Pieter Haeck, wiens verwaandheid -al zoo'n gevoeligen schok had gekregen, was door de verbitterde -soldaten eenvoudig buiten boord gezet, om, zooals zij zeiden, naar -Walcheren te zwemmen, en er, met behulp van zijn schoonzoon, het -eiland te veroveren. Treslong en een paar der andere edelen wisten -hen echter tot rede te brengen. Nog heette alles niet verloren. Met -het opkomen van den vloed zou men het Sloe instevenen en een poging -wagen, om zich in Arnemuiden te nestelen. Wel was die stad van veel -minder belang dan Vlissingen, maar als men ten minste maar ergens -vasten voet had gekregen, dan kon men den loop der gebeurtenissen -afwachten. Men seinde de beide andere schepen, maar deze zagen de -seinen niet, of wilden ze niet zien. Men zag ze, langs den oever -van Zuid-Beveland koersend, de Schelde weder opvaren. De kaag van -Thoulouse slechts zeilde het Sloe op. - -Den volgenden dag liet een groot, sterk bemand kaagschip het anker -vallen voor het dorpje Austruweel, ongeveer een uur van Antwerpen -verwijderd. Het was het vaartuig van Thoulouse. Ook voor Arnemuiden -had men het hoofd gestooten en diep ontmoedigd keerde men terug. Nu de -onderneming was mislukt, wist men niet waarheen zich te wenden. Waar -zou men vluchten voor de wraak der Regeering? De edelen zouden wellicht -een wijkplaats hebben kunnen vinden,--voor een tijd althans--op hunne -landgoederen, of bij Brederode te Vianen, maar Thoulouse, Treslong -en al hun metgezellen wilden hunne krijgsmakkers niet in den steek -laten. Zoo werd dan koers gezet naar Antwerpen. Dààr was nog redding -mogelijk. Als Antwerpen met zijn acht duizend Calvinisten hun partij -koos, als Vlaanderen en Brabant te wapen vlogen, dan kon nog alles -zich ten goede wenden. Een visscher beloofde voor een ruime belooning -de andere schepen op te zoeken, en hun het bevel van Thoulouse mede -te deelen, hem zoo spoedig mogelijk te volgen. - -De boeren van Austruweel zagen met schrik, hoe de krijgslieden zich -ontscheepten en het zich in hunne hoeven gemakkelijk maakten. De -meesten schikten zich zorgeloos in de omstandigheden: wat er van -dit alles worden moest, wisten zij niet. Daar moesten de heeren voor -zorgen. En Thoulouse met zijn kleinen staf wachtte angstig op tijding -uit Antwerpen, waarheen men terstond vertrouwde personen op kondschap -had uitgezonden. - -In den ochtend van den volgenden dag zag Jacob Martens, wiens plicht -het was, de wachten te inspecteeren, van de zijde van Antwerpen een der -stadsschepen naderen. De vlag met het wapen der stad wapperde aan den -mast en bewees, dat er aanzienlijke personen aan boord waren. Het schip -legde aan, een paar personen gingen in de boot en weldra stapten een -viertal heeren aan land, vergezeld van een der stadsboden. Het waren -een edelman uit het huis van Oranje, de Heer van Austruweel, benevens -twee leden van de vroedschap in hunne met bont gevoerde tabberds, -die zich aanstonds aan Jacob bekend maakten, als een gezantschap -van de Antwerpsche Magistraat, en verzochten voor de aanvoerders -van het hier gelegerde krijgsvolk te worden geleid. Toen zij bij -Thoulouse waren gebracht, nam de zendbode van Oranje een grooten, -verzegelden brief van den stadsbode over en overhandigde dien aan den -aanvoerder, die hem, door zijn vrienden omringd, ontving. Thoulouse -las het schrijven en verbleekte. - ---"Zeg aan den Markgraaf en de Magistraat," zeide hij, "dat wij hunne -bevelen zullen gehoorzamen." - -Toen de afgezanten vertrokken waren en allen hem vragend aankeken, -reikte hij den brief aan Treslong over. - ---"Oranje laat ons los!" zeide hij met doffe stem. "God helpe ons -en onze mannen, die wij in den dood hebben gevoerd. Lees den brief -voor, Jan!" - ---"Wij Willem, door de genade Gods Prins van Oranje, Graaf van Nassau, -enz.," zoo las Treslong voor in het Fransch, "en wij Anthonie van -Lalaing, Graaf van Hoogstraten, en wij, Burgemeesters, Schepenen en -Raad der Stad Antwerpen, geven te kennen, dat, dewijl ons ter oore -gekomen is, hoe verscheidene soldaten en oorlogslieden in den omtrek -dezer stad, in het dorp Austruweel, zijn vergaderd, in strijd met -de bevelen van wege Zijne Majesteit in deze stad uitgevaardigd, wij -hebben bevolen en bevelen bij dezen uitdrukkelijk, hun van onzentwege -te verklaren en te gelasten, dat zij binnen twee of drie uren, -na kennisgeving dezes, van de plaats moeten vertrekken, waar zij -zich thans ophouden en zich te wachten van in de omliggende dorpen -te vergaderen of volk te werven op straffe van 's Konings ongenade; -en in geval van weigering of tegenkanting, hun te verklaren, dat wij, -in het belang des Konings en van deze stad, genoodzaakt zullen zijn, -geweld tegen hen te gebruiken." - -Men zag elkander aan. Na dezen brief was er van Antwerpen niets meer -te hopen. - -Er werd haastig krijgsraad belegd en men besloot in schijn aan het -bevel te gehoorzamen, maar posten achter te laten, om de bemanning -der beide andere schepen te waarschuwen, die elk oogenblik konden -verschijnen. Was men weer bijeen, dan zou men nader beraadslagen. - -De trommels roffelden en weldra was het kleine legertje -marschvaardig. Het verliet Austruweel en rukte westwaarts op. Voor de -nacht echter was gevallen, had men reeds bericht, dat de twee andere -schepen in 't zicht waren, en men keerde terug naar Austruweel om hen -af te wachten. De bemanning kwam aan land, en Thoulouse vernam van -Denijs en de Walencourt, dat men tevergeefs had beproefd bij Baarslag -op Zuid-Beveland te landen. De bewoners der omliggende dorpen hadden -zich met de wapens verzet. - -Den volgenden dag kwam er weder een boodschapper van den Antwerpschen -Magistraat, met den last, onmiddellijk te vertrekken, en de Geuzen, -thans vereenigd, en een klein, maar welgewapend legertje vormende, -rukten op in de richting van Merxem en Deurne. - -Het scheen werkelijk een oogenblik, of de kansen keerden. Het volk -van Vlaanderen en Brabant, dat met verontwaardiging de slachting bij -Watrelos en Lannoy had vernomen, dat met spanning den strijd gadesloeg -van hunne broederen te Valenciennes, werd met blijde hoop vervuld, toen -een leger in hun midden verscheen, onder aanvoering van edellieden, die -zij kenden en vereerden. Van alle kanten kwamen recruten aanstroomen, -die door Thoulouse en Treslong gretig werden ontvangen. Weldra was het -legertje vijftien- à zestienhonderd man sterk. Velen kwamen gewapend en -voor de anderen vond men wapenen in de landhuizen en de kasteelen, die -men plunderde. Op dezelfde wijze voorzag men zich van mondbehoeften. - -Zoo het aantal der Geuzen nu was toegenomen, het gehalte was er niet op -verbeterd. Allen, die zich wilden laten aanwerven, werden aangenomen, -en daaronder waren er, die zich blijmoedig wilden offeren voor de zaak -der vrijheid en de Kerke van Christus, maar er waren ook vele boeven en -avonturiers, die zich bij de legerbenden aansloten, met de bedoeling -om te rooven en te plunderen en te leven op den boer. Weldra konden -de aanvoerders de krijgstucht niet meer handhaven onder de woeste -bende. Overal waar zij doortrokken, werden de kerken geplunderd en de -beelden verbrijzeld; de geestelijken werden mishandeld. De soldaten -plunderden hunne huizen en persten hun geld af. De krijgstocht, -zoo moedig begonnen, leek een rooftocht. Toch hield Thoulouse -vol. Er kwamen geruchten van hulpbenden uit Duitschland, door graaf -Lodewijk van Nassau geworven. De Duitsche vorsten, heette het, wilden -helpen. Weer sloeg men het oog op Antwerpen en op Oranje. En toen -de aanvoerders hoorden, dat de Landvoogdes troepen tegen hen zou -zenden, besloten zij terug te keeren naar Austruweel. Dààr konden -zij een sterke positie vinden. De rivier zou hun den rug dekken, een -groot moeras beveiligde hun rechtervleugel en men zou ijlings aarden -versterkingen opwerpen. Zoo zou men den vijand in ontzag houden, -tot de beloofde Duitsche vendels er waren,--en, als het er op aan -kwam,--zoo hoopte men heimelijk--zouden de Antwerpsche Gereformeerden -toch zeker hunne broeders bijspringen. - -En zoo was het Geuzenlegertje den 11den Maart weder te Austruweel -gelegerd, en weldra werkte men ijverig aan de aarden wallen, die -het kamp tegen een overval van de Regeeringstroepen zouden moeten -beschermen. - -Het was de avond van den 12den Maart, en Jacob Martens, thans tot -vaandrig bevorderd, en getooid met sluiersjerp en degen, de teekens -van zijn rang, vergezelde Thoulouse naar de versterkingen. Het kamp -der Geuzen leverde een eigenaardig schouwspel op: een gedeelte der -troepen was in het dorp en de nabijgelegen hoeven ingekwartierd, -maar het grootste gedeelte was gekampeerd om groote vuren, die -men in de dorpsstraat had aangestoken, en die gevoed werden met -het hout van afgebroken schuttingen, schuren en stallen. Allerlei -eigenaardige tooneelen zag men bij den rossen gloed der vlammen. De -soldaten, in allerlei wapenrusting, zonder uniform, maar allen met het -wit-en-roode veldteeken der Geuzen om den arm, brachten hunne wapenen -in orde of zaten in schilderachtige groepen bij elkander. Men kon hier -goed waarnemen, uit welke verschillende elementen het legertje was -samengesteld. Hier zag men eenige Gereformeerden uit Antwerpen, echte -"precisen", zooals men ze in het Noorden noemde, die zich stichtten -met een psalm van Dathenus; daar waren het een paar avonturiers uit -het Luiksche, die zich vermaakten met bierkroes en verkeerbord, -terwijl zij met onverschillige of spottende blikken de zingende -ketters gadesloegen; wat verder waren een paar verdachte gestalten in -de donkere schaduw van een muur bezig met het verdeelen van kleederen -en huisraad, een buit, dien zij waarschijnlijk den een of anderen -armen boer hadden afhandig gemaakt; elders zag men de strenge, donkere -koppen van eenige Huguenoten, met aandacht luisterend naar het Woord -Gods, dat een hunner bij het licht van het vuur hun voorlas. Voor de -dorpssmidse verdrong zich een bonte menigte: daar smeedde en hardde -men speerpunten en klonk ze aan lange stokken, om er de pas geworven -manschappen mede te wapenen. Men zag er tierende en scheldende vrouwen, -die er twistten met de lachende soldaten, om kippen of spek, die men -haar ontstolen had. Het was een tooneel vol leven en bedrijvigheid, -schilderachtig verlicht door de hoog opvlammende houtvuren. - -Buiten het dorp gekomen, richtten de beide jonge mannen zich naar de -aarden verschansingen, waaraan nog ijverig werd gewerkt bij het licht -van een paar teertonnen en toortsen van oud geteerd touw. Thoulouse -inspecteerde het werk, terwijl hij hier en daar een bevel of een -terechtwijzing gaf. Hij keek naar de stelling van de vier ijzeren -veldstukjes, welke de geheele artillerie van het Geuzenlegertje -uitmaakten, en hij wees Jacob aan, hoe zij den breeden landweg -bestreken. - ---"Gij zult met de helft van uw vendel hier na middernacht de -wacht betrekken, Jacques," zeide hij; "ik weet, dat ik mij op u kan -verlaten. Zorg er voor, dat uwe schildwachten waakzaam zijn." - ---"Ik zal mijn best doen, Thoulouse," antwoordde Jacob, verheugd over -het bewijs van vertrouwen, hem geschonken; "de dagen beginnen al mooi -te lengen en het is helder weer. Het zal spoedig dag worden." - ---"Ja, het zal spoedig dag worden!" zei Thoulouse peinzend. Jacob -zag hem vragend aan. - ---"Het zal nu spoedig blijken, wat wij zijn, Jacques," ging de -jonge aanvoerder voort; "men zal ons redders des volks noemen, of -oproermakers en rebellen tegen den Koning, al naar dat de uitslag -is van onzen strijd. Gods wegen zijn niet onze wegen. De aanslag op -Zeeland mislukte, maar als de vendels uit Duitschland ons intijds -bereiken,--als wij, vereenigd met die van binnen, Antwerpen kunnen -bezetten, dan zou het een zegen zijn, dat ons eerste plan mislukte. Dan -zal heel Vlaanderen en Brabant en het Markgraafschap opstaan en de -Regeering zal moeten bukken. Maar zal dat het einde zijn?" - ---"Zie, Jacques," zoo ging hij voort; "het zal nu in elk geval tot een -treffen komen. Onze vrienden te Brussel melden ons, dat er troepen -tegen ons worden gezonden en wij zullen hier stand houden. Mocht ik -vallen in den strijd en mocht gij ontkomen, breng dan, zoo gij kunt, -dit medaillon aan mijne vrouw te Antwerpen, en zeg haar, dat ik ben -gestorven als een goed Christen, mijn hope alleen stellende in de -verdienste van mijn Heer en Heiland, en met mijn liefde voor haar in -het harte." - ---"Waarom toch die sombere gedachten, Thoulouse?" vraagde -Jacob. "Waarom zoudt gij juist vallen? Denk er liever aan, hoe trotsch -en blijde de Vrouwe van Thoulouse u zal ontvangen, als gij terugkomt -als de redder des lands en der verdrukte Kerke." - ---"Zoo God wil, vriend!" zei de aanvoerder. "Ge weet, reeds bij het -begin van onzen tocht had ik een somber voorgevoel. Misschien hebt -gij gelijk,--maar neem het medaillon en beloof mij, dat gij doen zult, -wat ik van u vraag, indien het in uw macht staat." - -Jacob nam het medaillon met een stillen handdruk en de beide jonge -mannen keerden naar het dorp terug. Jacob zocht zijn kwartier op, -om nog eenige uren te slapen, voor hij de wacht moest betrekken. - -Te middernacht werd hij gewekt door Pieter de Welle, die het halve -vendel piekeniers reeds had doen aantreden, en door de nu stille -dorpsstraat, langs de smeulende vuren, waarom de soldaten in allerlei -houdingen lagen te ronken, marcheerde men naar de halfvoltooide -aardwerken. Na van zijn luitenant, die de wacht had, vernomen -te hebben, dat er zich niets verdachts had voorgedaan, maakte -de jonge vaandrig zich tot zijn wacht gereed. Het halve vendel, -dat hij had afgelost, was spoedig in de duisternis verdwenen. De -soldaten, grootendeels recruten, waren blijde, dat zij hunne warme -kwartieren konden opzoeken. Jacob luisterde een oogenblik naar de -zich verwijderende voetstappen en begon toen zijne schildwachten uit -te zetten, terwijl zijne andere manschappen zich legerden achter den -half voltooiden aarden wal. De jonge vaandrig beklom met de Welle het -ravelijn, waar de vier veldslangen in batterij stonden, en staarde -naar het stille landschap, dat zich daar zoo vredig uitstrekte in -het maanlicht. Achter hem lag het dorp en het kamp, hier en daar -grillig verlicht door den rossen gloed der houtvuren, terwijl de -duizenderlei geluiden, die er uit opstegen, zich met het bruisen van -de Schelde vereenigden tot een dof gerucht. Vóór hem was alles schaduw -en stilte. Slechts het dof gehuil van een werfhond klonk uit de verte -over de eenzame vlakte, en--van tijd tot tijd--het eentonig geroep -der schildwachten, die, volgens het consigne, elkander aanspoorden -tot waakzaamheid. De woorden van Thoulouse hadden een diepen indruk -op hem gemaakt. Wat zouden de eerste dagen hem brengen? Zou hij -hier sneuvelen in een onbeduidende schermutseling, een rebel tegen -het gezag van zijn wettigen landsheer, of zou zijn naam weldra met -eere genoemd worden onder de bevrijders zijns volks? Hij dacht aan -de tooneelen van ruw geweld, van brooddronken vernielzucht, die hij -in de laatste dagen had bijgewoond, en die de Geuzenaanvoerders niet -hadden kunnen, en soms ook niet hadden willen verhinderen. O, de zaak, -die hij diende, was de zaak des Heeren, de zaak der vervolgden en -verdrukten daarginds; onder die ruwe soldaten waren zeker ook mannen -Gods, eenvoudige burgers en landlieden, die alles hadden verlaten, -om die heilige zaak te dienen en er voor te sterven, als het zijn -moest. Maar dat waren zij niet allen. Waarom werd die schoone, -heilige zaak al aanstonds bevlekt door zooveel, dat onrein en onheilig -was? Waarom duldden Thoulouse en Treslong die woeste plunderaars, -dien lichtzinnigen hoop avonturiers, in hunne gelederen? Was het -niet beter, te strijden met een Gideonsbende van vrome, ernstige -mannen,--om te overwinnen of onder te gaan, als het Gods wil was, -dan zóó het schoone, reine ideaal der vrijheid te bezoedelen? - -De stem van Pieter de Welle wekte hem uit zijne mijmering. - ---"Zou het nu eindelijk waar zijn, jonker, dat de Duitsche vendels -in aantocht zijn?" vraagde de rotmeester. "Ze spreken er over in het -kamp en ze zeggen, dat het zeker is. De jonker woont als officier den -krijgsraad bij en heeft allicht meer gehoord, dan wij, arme drommels." - -Jacob kon hem niets stelligs mededeelen. Er liepen geruchten, dat -Lodewijk van Nassau en Nicolaas de Hames met troepen in aantocht waren, -maar zelfs de officieren wisten niets met zekerheid. De Welle trok -een bedenkelijk gezicht. - ---"Ik zou met mijn domme verstand zeggen, dat de adellijke heeren, -die ons aanvoeren, wel beter hunne plannen hadden mogen maken, vóór -zij begonnen!" mompelde hij. - -Jacob kon hem geen ongelijk geven. Inderdaad getuigde de geheele -onderneming meer van moed en geestdrift, dan van krijgsbeleid, meer -van een rekenen op mogelijke kansen, dan van een weloverlegd plan. - ---"Ik mag lijden, dat de vendels bijtijds komen," ging de Welle voort, -"want zie, jonker, die kerels daarginds zijn tegen geregelde troepen -niet veel waard. Als die van Brussel verstandig zijn, en goede -soldaten tegen ons uitzenden, vóór wij versterking hebben gekregen, -dan loopt het mis." - ---"Wij vechten voor Gods zaak en voor Zijn Woord, de Welle!" zeide -Jacob. - ---"Voorzeker, jonker! Maar de Heere God beproeft ook Zijn volk, -als het zijn moet. Hij overwint soms met zwakke middelen,--maar -dan waren het Zijn middelen. En als er nu niet een Simson opstaat, -om ons te verlossen van de Filistijnen... Zie, jonker, ik heb bij -St. Quentin gevochten en ik weet, wat de oorlog is en ik zeg u, dat -de kerels daarginds bij den eersten aanstorm van een paar vendels -landsknechten als een kudde schapen uiteen zouden stuiven. En nu, -jonker, nog een woordje. Ik voel mij soms bezwaard, dat ik u hielp -vluchten uit het klooster. Ge zoudt er veilig zijn geweest. Ik dacht -toen, dat onze heeren beter wisten, wat ze eigenlijk wilden, en het -is mij soms, als zou ik uw dood op mijn geweten hebben, als ge kwaamt -te vallen. Vergeef mij dat, jonker!" - -Er kwam een vreemde trek op het gerimpelde gezicht van den ouden -boschwachter. Zijne lippen trilden. Jacob vatte zijn hand. - ---"Ik heb je niets te vergeven, de Welle," zei hij trouwhartig. "Ik -dank je, voor wat je gedaan hebt. Liever val ik in een eerlijken -strijd, dan dat ik zien moet, hoe dit arme volk wordt gemarteld en -verdrukt, terwijl ik een leven van gemak en genot zou leiden. Waarom -is mijn leven meer waard dan het jouwe, en dat van zoovelen onzer -makkers, die óók alles verlaten hebben voor de goede zaak? Nog eens, -ik dank je voor wat je voor mij gedaan hebt, de Welle, en, moet ik -vallen, breng dan mijne groeten aan mijne ouders, aan mijne lieve -zuster, en--en aan joffer de Bette, en zeg hun, dat ik gedaan heb -wat ik moest, maar dat ik ze allen heb liefgehad tot mijn laatste -oogenblik. En voor het overige,--wij zijn in Gods hand!" - ---"Amen, jonker," zeide de Welle ernstig, "zóó is het goed. En nu, -de nacht is nog lang en 't zal morgen een vermoeiende dag zijn. Ik -ben aan het waken gewoon. Als de jonker nu eens een paar uur ging -rusten? Als er iets voorvalt, zal ik u terstond roepen." - -Jacob liet zich overhalen. Hij vond een beschut plekje achter een -paar schanskorven, wikkelde zich in zijn mantel en sliep weldra -rustig in. Hij droomde, dat hij in den hof van het ouderlijk huis -was. Hij zocht er Madeleine en Klaartje, die zich verstopt hadden; -hij hoorde het zacht gelach der meisjes, die zich achter de hooge -palmstruiken verscholen hadden. Hij wilde er heen snellen, maar -een hand greep hem bij den schouder. Hij zag om, het was Thierry de -St. Foy, die hem grijnzend vastgreep. Hij worstelde om los te komen, -maar de ander hield hem vast en schudde hem,--en hij werd wakker. - ---"Jonker! jonker!" riep de stem van de Welle, die hem wakker -schudde. "Kom, er is onraad!" - -Jacob vloog overeind en volgde den rotmeester op het ravelijn. De -dag begon aan te breken, maar de dichte morgennevels bedekten het -lage land. De Welle snoof de frissche lucht krachtig op, terwijl -zijn scherpe oogen naar het Noord-Oosten tuurden, als wilden zij den -mist doordringen. - ---"Ruikt ge niets, jonker?" vraagde hij. - -Een vreemde, flauwe lucht, als van geschroeid vet, kwam op het -scherpe Noordenwindje tot hen. Jacob kende dien reuk. 't Was die van -smeulende lonten. Het kon niet uit het kamp komen, dat beneden den -wind lag. Daarginds naderden soldaten. Maar waren het vrienden of -vijanden? Zie, nu werd ook een der schildwachten, een oud-gediende, -die bij St. Quentin en Grevelingen had gevochten, opmerkzaam en keek -vragend naar den vaandrig en den rotmeester op. - ---"Als ge 't goedvindt, jonker," zeide de Welle, "zal ik een paar -man nemen, en op verkenning uitgaan." - -Jacob stemde toe; de Welle koos een paar mannen uit en verdween met -hen in den nevel, terwijl een korporaal naar het dorp werd gezonden, -om Thoulouse te waarschuwen. De jonge vaandrig bleef op de verschansing -en trachtte den nevel met zijne blikken te doorboren. Weldra vernam -hij het onbestemd gerucht van de nadering van een groote menschenmassa, -maar hij kon nog niets onderscheiden. - -Na een groot half uur kwamen de verkenners terug. Er naderde inderdaad -een groote troepenafdeeling, zoo berichtten zij; 't waren verscheidene -vendels, zoowel landsknechten als arquebusiers en ze hadden ook -geschut bij zich, maar of het vrienden of vijanden waren konden ze -niet zeggen. De vendels marcheerden met opgerolde vaandels. Alleen -een der soldaten, een burger van Antwerpen, die zich het verst vooruit -had gewaagd, wist te vertellen, dat het Duitsche voetknechten waren, -en dat hij Heer Nicolaas de Hames, dien hij dikwijls te Antwerpen -had gezien, duidelijk had herkend. - -Er waren inmiddels soldaten uit het dorp komen toeloopen en terstond -verspreidde zich de tijding door het kamp: "Het waren de Duitsche -hulptroepen, die daar naderden; men had ze herkend." - -En nu bleek het duidelijk, hoe weinig krijgstucht er heerschte -onder dien bijeengeraapten troep krijgsvolk. Tevergeefs roffelden -de trommen en gaven de hoplieden hunne bevelen. Slechts de vendels, -die te Antwerpen waren geworven, schaarden zich om hunne vanen; de -overigen snelden naar de borstwering, en onder luid gejoel en met een -luidruchtig "Vive le Geus!" werden de vermeende bondgenooten afgewacht. - -Jacob stond naast Thoulouse op het ravelijn. Het aangezicht van den -aanvoerder gloeide van spanning en blijde hoop. Toch gaf hij bevel aan -zijne officieren, om hunne soldaten tot hun plicht te roepen. Maar -het was hem aan te zien, dat hij overtuigd was, dat de Antwerpenaar -goed had gezien. Dààr kwamen de Duitschers: alles zou nog goed komen! - -En nu trokken de morgennevels op en men kon de naderende vendels -onderscheiden, die daar zwijgend aanrukten met opgerolde vanen. De -punten der pieken flikkerden in de Maartsche morgenzon. Zij kwamen -nader en nader, onder het luid gejubel der Geuzen. Ze waren al op -een musketschots afstand. Voorop marcheerde een vendel piekeniers, -met stalen stormhoeden en blinkende borstkurassen. "Ha! vive le -Geus! dàt waren de dappere Duitsche landsknechten!" - -Een luid commando klonk, het vendel verdeelde zich, zwenkte links en -rechts en door de opening in de gelederen kwamen in den looppas andere -soldaten, met roode wapenrokken en roode pluimen op de breedgerande -hoeden. Ze waren gewapend met haakbussen, zware lontgeweren, die -bij het schot op een vork of haak werden gelegd. Op het gezicht van -die mannen veranderde het gelaat van Thoulouse. Dat was verraad! Dat -waren de arquebusiers van de lijfwacht der Landvoogdes. Hij wilde een -bevel geven,--maar reeds hadden de schutters zich in twee gelederen -geschaard, reeds vielen de lompe vuurwapenen op de ijzeren haken,--één -oogenblik nog en een daverend salvo klonk en een hagelbui van kogels -sloeg onder de verschrikte Geuzen. - -En tegelijk ontplooiden zich de vaandels en ze vertoonden het Spaansche -knoestkruis; de arquebusiers weken en in gesloten gelederen rukten de -piekeniers voorwaarts, onder het veldgeschrei der Regeeringstroepen: -"Vive le Roy! Slaet dood! Slaet dood!" - -Het was Heer Philip de Lannoy, Heer van Beavoir, met zijne troepen, -door de Landvoogdes gezonden, om den opstand te dempen. - -Er heerschte een onbeschrijfelijke verwarring onder de Geuzen. De -meesten vluchten naar het dorp terug en slechts weinigen schaarden -zich om Thoulouse, om de verschansingen, zoo mogelijk, nog te -verdedigen. Dit bleek echter alras ondoenlijk. De vijand had -thans zijn volle macht kunnen ontwikkelen en tastte nu van drie -zijden het kamp aan. Het dappere, maar kleine troepje dreigde te -worden afgesneden. Pieter de Welle, die zijn vaandrig niet had -willen verlaten, zag het gevaar, waarin de Geuzenaanvoerder met -zijn getrouwen verkeerde. Weinige schreden van hem af stonden de -veldstukken, die door de kanonniers verlaten waren, zonder dat er -een schot was gelost. Een nog smeulende lontstok lag naast de geladen -kanonnen. De Welle greep de lont op en een oogenblik later donderden -de vier schoten over de vlakte. De stukken waren niet gericht en -de losbranding deed den vijand weinig schade, maar de aanvallers -werden een oogenblik in hun vaart gestuit en Thoulouse slaagde er in, -met de zijnen het dorp te bereiken. Hij vond er zijn eigen vendel, -dat zich op een boerenerf zoo goed mogelijk had verschanst, en hij, -Jacob Martens en een edelman uit het geslacht der van Boetzelaers -stelden zich aan het hoofd van deze dappere mannen, om zich tot het -uiterste te verdedigen. - -Van een geregelden tegenstand was trouwens geen sprake meer. De -Geuzen waren wel sterker in getal, dan hun aanvallers, maar zij waren -overvallen en terstond in verwarring gebracht. Hier en daar hadden zij -zich verschanst in de woningen en schuren van het dorp en zij boden -een verwoeden tegenstand, want zij wisten, dat zij vochten voor hun -leven! De soldaten van Lannoy hadden in last, geen kwartier te geven, -en zij gehoorzaamden trouw aan dat bevel. De vluchtende Geuzen werden -zonder genade neergehouwen of doorstoken. - -Thoulouse had een aantal busschieters post doen vatten voor de -vensters der boerenwoning en door hun vuur wisten zij een poos lang -de piekeniers op een afstand te houden, die dekking moesten zoeken in -de naburige huizen, maar nu verschenen de Brusselsche arquebusiers, en -de zware kogels hunner haakbussen sloegen door deuren en vensterluiken -en doodden of verwondden de schutters der Geuzen. De piekeniers rukten -voorwaarts met gevelde speren, het vendel van Marnix deed een uitval -en op het erf voor de hoeve ontstond een moorddadig gevecht. - -Van uit het dakvenster der hoeve wierp Thoulouse een wanhopigen blik -naar Antwerpen, waarvan de torens, ja zelfs de hooge muren nog door -den rook waren te onderscheiden. Zou er geen ontzet komen opdagen? Men -moest er het schieten gehoord hebben; men moest er weten, dat hij en -de zijnen werden vermoord. Zouden de Gereformeerden van Antwerpen -hunne broeders laten slachten? Hoorde hij niet het roffelen der -trommen van de dappere Antwerpsche schutterij? - -Helaas, de hooge muren daarginds bleven doodsch en stom. - -Weinig wist Thoulouse, dat op datzelfde oogenblik een groote menigte -zich verdrong voor de Roode poort, luide eischende, dat men die -zou openen, opdat zij hunne strijdende broeders te hulp mochten -snellen. Dat zijn jonge vrouw, met bleeke wangen en roodbekreten oogen -de burgers smeekte, om toch haar man niet te laten vermoorden door de -bloeddorstige soldaten der Regeering, maar dat Oranje en Hoogstraten, -gehoorzamende aan een harde en pijnlijke noodzakelijkheid, met gevaar -van hun eigen leven het woedende volk in bedwang hielden, en zóó -Antwerpen bewaarden voor het lot, dat weldra Valenciennes zou treffen. - -Nog had de ure der bevrijding niet geslagen. Hij en de zijnen moesten -worden opgeofferd: het kon niet anders. - -Een verdacht geknetter deed zich hooren en een scherpe rook vulde -het vertrek. Een musketier had een brandende lont op het droge rieten -dak geslingerd. Het huis stond in brand. - -In het voorhuis vond Thoulouse Jacob Martens, den Heer van Boetzelaer -en de soldaten, die de hoeve bezet hielden. Zelfs de gewonden hadden -zich hierheen weten te sleepen. - ---"Wij moeten er ons doorheen slaan, kameraden!" zei de -Geuzenaanvoerder met vaste stem. "God zij onze zielen genadig! Vaarwel, -van Boetzelaer! vaarwel, Jacques! Als gij 't ontkomt, denk aan uw -belofte!" - -Een krachtige handdruk tot afscheid en de versperringen werden -weggenomen, de deur ging open en met den degen in de vuist wierpen -zich de Geuzen op de tierende soldaten. - -Het was een kort, wanhopig gevecht tegen een verpletterende overmacht, -maar toch hielden de Geuzen zich dapper tot het laatste. De Heer -van Boetzelaer viel aanstonds, een speer had hem onder den stalen -ringkraag in de keel getroffen. Ook Jacob was gewond, maar hij -voelde het niet. Hij wist niet, wat hij deed, of waar hij zich -bevond. Werktuiglijk verdedigde hij zich tegen de opdringende -soldeniers en weerde stooten af en hieuw en stiet naar de vertrokken -gezichten, die hij voor zich zag,--terwijl er in zijn bewustzijn -een vreemd gevoel van verwondering was, dat hij het was, hij, Jacob -Martens, die daar vocht voor zijn leven. Als in een benauwden droom -zag hij voor een oogenblik het bleeke gelaat van Thoulouse, die, -zonder helm en met gebroken zwaard tegen een schuur stond geleund. Hij -hoorde hem roepen, dat hij Jan van Marnix was, dat hij rantsoen bood, -toen hoonend gelach, woedend geschreeuw,--en hij zag het bleeke gelaat -niet meer. - -De val van Thoulouse had voor een oogenblik de aandacht der soldeniers -afgeleid, en allen waren naar de schuur gesneld, waar,--zooals een -tijdgenoot vermeldt--het lichaam van den edelman letterlijk in stukken -gehouwen werd. Jacob Martens stond een oogenblik, duizelig van het -bloedverlies, tegen den boom van een kar geleund. Een der aanvallers, -een luitenant van het voetvolk van Egmond, dien hij in het gevecht -een lichte wonde had toegebracht, had hem niet uit het oog verloren, -en drong met zijn "halven piek" op hem in. Jacob weerde den stoot af en -deed half werktuiglijk een uitval met zijn degen, maar hij gleed uit -op den van bloed doorweekten grond en viel. In een oogenblik was zijn -tegenstander op hem toegesprongen. Hij drukte hem neer met zijn plompen -voet en zette zijn slachtoffer de punt van de korte speer op de keel. - ---"Bid een Vader ons, jonge Geus!" riep de kerel zegevierend. - -Een donkere gedaante drong door den rook van de brandende hoeve. Het -was Pieter de Welle. Zijn hellebaard had hij bij het begin van het -gevecht gebroken, maar hij had een ander wapen opgeraapt, een "gepinde -kodde", een knots, van stalen punten voorzien, een vreeselijk wapen -in een krachtige hand. Eer de landsknecht den doodelijken stoot kon -toebrengen, suisde de kodde door de lucht en kwam pletterend neer op -den ijzeren stormhoed en de man zakte levenloos ineen. - ---"Kom gauw, jonker," riep de Welle, terwijl hij den half bewusteloozen -vaandrig op de been hielp; "alles is uit! wij moeten zien, dat wij -wegkomen!" - ---"Thoulouse! En onze mannen! Ik kan niet..." stamelde Jacob. - ---"De Heer van Marnix is dood en onze mannen ook! Wij moeten aan ons -zelf denken!" drong de Welle. "Kom, jonker!" - -Half werktuiglijk volgde Jacob den gewezen boschwachter, die ook nu -weer toonde, dat hij een uitstekende gids was. Hij had het terrein -blijkbaar nauwkeurig opgenomen en kende den weg. Tusschen brandende -huizen en schuren door, over den grond kruipend, waar de dichte -rook het soms onmogelijk maakte om rechtop te gaan, bracht hij Jacob -buiten het dorp. Voortsluipend achter een dichte beukenhaag, waarvan -het verdorde loof hen ook nu in dit seizoen voor de blikken van den -vijand verborg, bereikten zij den oever van de Schelde en gleden in het -hooge riet. Daar lag een oude roeiboot, behendig in het riet verborgen. - ---"Die heb ik gisterenavond een eind stroomopwaarts gevonden," zeide de -Welle. "Ik heb ze hier in veiligheid gebracht, want de zaken stonden -mij niet aan en ik wist niet, of zoo'n boot mij niet eens te pas kon -komen. Ga in de schuit liggen, jonker, en houd u stil! Vooreerst zijn -wij hier veilig!" - -Achter hen ging Austruweel in vlammen op. Daar klonk het gejuich en -getier der soldaten en het noodgeschrei der Geuzen, die door hunne -vijanden op de punten der speren in de brandende huizen en schuren -werden gedreven. Een aantal vluchtelingen bereikten hoogerop de -rivier en sprongen in het water, om naar de overzijde te zwemmen, -maar de arquebusiers, die hen vervolgden, laadden hunne haakbussen, -en, luid schreeuwende dat zij op de eendenjacht gingen, schoten zij -op de zwemmers. Verscheidenen hunner werden getroffen, anderen werden -door den sterken stroom meegesleept en verdronken. Slechts een enkele -bereikte den anderen oever. - -De Welle begreep, dat de soldaten, zoodra zij hun bloedig werk in het -dorp hadden verricht, het riet zouden doorzoeken. Hij had echter een -wel overlegd plan. De rivier maakte even vóór Austruweel een bocht en -hij had opgemerkt, dat de stroom met kracht tegen den rechter oever -liep, waar hij zich thans bevond. Voorzichtig trad hij uit het riet -te voorschijn en wierp een stuk hout in het water. Het gebeurde, -zooals hij het had verwacht: het hout werd door den stroom gegrepen -en meegevoerd naar het midden der rivier. - -Hij maakte nu snel de boot los, strekte zich naast Jacob op den bodem -uit en liet het vaartuig met den stroom afdrijven. De boot volgde -denzelfden weg als het stuk hout. Wel losten eenige soldaten hunne -haakbussen en liepen al schreeuwend en dreigend een eind den oever -langs, maar de Welle wachtte zich wel, overeind te komen, vóór hij -wist, dat de trefkans van de schoten der lompe vuurwapenen op een -bewegend doel al zeer gering was. Toen nam hij de riemen op, en, met -een bezorgden blik op zijn jonker, die, uitgeput door bloedverlies, -bewusteloos in de boot lag, roeide hij naar den Vlaamschen oever, -zonder zich te storen aan de matte kogels, die naast en achter de -boot het water hoog deden opspatten. - - - - - - - -X. - - -Vier weken na dien noodlottigen dag naderden twee mannen, als Vlaamsche -boeren gekleed, en waarvan de eene veel jonger was dan de andere, -het dorp Gentbrugge. Behalve hun stevige stokken, aan de punten met -ijzer beslagen, droegen zij geen zichtbare wapenen. - -Het waren Jacob Martens en Pieter de Welle. Na hunne ontsnapping had -de Welle doorgeroeid tot Callo, nadat hij inderhaast Jacobs wonde -zoo goed mogelijk had verbonden, om het bloeden te stelpen. Te Callo -hadden zij onderkomen gevonden bij een visscher, die een geloofsgenoot -bleek, en die hen gaarne een schuilplaats gaf, toen hij vernam, dat zij -vluchtelingen van het leger der Geuzen waren. Zij bleven er tot Jacob, -die door bloedverlies zeer was verzwakt, geheel was hersteld, en in -dien tijd werkte de Welle voor hen beiden, doordat hij den visscher, -hun gastheer, hielp bij zijn bedrijf. Van de marktschippers, die -op Antwerpen voeren, vernamen zij, hoe het met hunne kameraden was -afgeloopen. Het geheele Geuzenleger was vernield; vele vluchtelingen -waren in de Schelde of in de moerassen gesmoord en de Heer de Lannoy -had driehonderd gevangenen aan de boomen in den omtrek laten ophangen. - -Ze hoorden er ook het rampzalig lot van Valenciennes. Ze vernamen, hoe -de ongelukkige stad, na een dapperen tegenweer, zich aan Noircarmes had -moeten overgeven en hoe deze, ondanks zijn belofte van vergiffenis, -den bevelhebber Michel Herlin en zijn zoon had laten onthoofden, -en de predikanten la Grange en Guido de Bray, met nog tweehonderd -Gereformeerden, had laten ophangen. - -Eindelijk hoorden zij, dat de Landvoogdes, moedig geworden door de -overwinning harer troepen, aan de Regeering van Antwerpen den eisch had -gezonden, dat de Hervormde predikanten de stad binnen vier en twintig -uren en het gebied der Nederlanden binnen de drie dagen zouden hebben -te verlaten op straffe van de galg,--en dat de Regeering het hoofd -had gebogen, dat de predikanten hadden gehoorzaamd, en dat met hen -een groot aantal Gereformeerden, bevreesd voor de wraak der Roomsche -partij, de stad hadden verlaten, om naar Engeland of Duitschland uit -te wijken. Het scheen gedaan met de zaak der Reformatie. - -Nu achtte de Welle het ook niet veilig meer, nog langer in de buurt -van Antwerpen te vertoeven. Hij sprak met Jacob af, dat zij eerst, -zoo goed mogelijk vermomd, naar Gentbrugge zouden gaan, waar de -boschwachter in zijn huisje een kleine som geld veilig verborgen had; -vervolgens zouden zij te Poperingen naar Mieke gaan zien, om dan over -Duinkerken met een of ander visschersvaartuig naar Engeland uit te -wijken en dààr betere tijden af te wachten,--zoo die ooit nog voor -de rampzalige Nederlanden mochten aanbreken. - -Vóór het begin der onderneming was hun hunne soldij uitbetaald,--want -het ontbrak de aanvoerders niet aan geld. Ze waren dus in staat -eenvoudige boerenkleeren te koopen, en zoo hadden zij zich op weg -begeven, de groote wegen vermijdend, waar zij de meeste kans liepen, -krijgsvolk der Regeering te ontmoeten. Nu hadden zij het doel van hun -tocht bereikt. Het liep tegen den avond en dat achtte de Welle, die -zorgvuldig de minst bezochte voetpaden had uitgekozen, den geschikten -tijd om zijn plan te volvoeren. Dienzelfden nacht zouden zij verder -gaan, want de buurt was voor hen beiden te gevaarlijk. - -Het huisje van den boschwachter lag daar, eenzaam en verlaten. Daar -stond de oude, holle boom, waarin de Welle vóór zijn vertrek den -sleutel had verborgen. Toch moesten zij zeker weten, dat er geen -verraad was, voor zij de woning binnentraden. Voorzichtig en naar -alle zijden rondziende, traden zij nader. Plotseling greep de Welle -Jacob bij den arm en deed hem stilstaan. Er was een man van achter -het huisje te voorschijn gekomen; thans stond hij voor de gesloten -vensterluiken en trachtte door de reten naar binnen te zien. - ---"'t Is Daniël Tistz," bromde de Welle. "Wat zoekt de strooper hier?" - ---"Hij zal ons niet verraden," meende Jacob, die zich den jongen man -herinnerde; "hij draagt immers ook het Geuzennapje." - ---"Men kan anders zoo'n lossen kwant niet vertrouwen," bromde de -Welle. "Maar voor een verrader zie ik hem toch niet aan. In elk geval, -we kunnen hier niet blijven staan, jonker. Vooruit dan maar!" - -Op dit oogenblik keerde de strooper zich om en zag hen. Met een luiden -uitroep snelde hij op beide mannen toe. Jacob zag, dat de jonge man -er bleek en ontdaan uitzag. - ---"Goddank, dat ik je zie, de Welle!" riep hij heesch. "Daar heb ik -God om gebeden, zooals ik nog nooit gebeden heb. Man, houd je goed, -want je dochter... je Mieke..." - ---"Mieke!" - -De Welle werd wit als een doek. Hij greep Daniël in de borst en -schudde den sterken jongen boer woest heen en weder. - ---"Mieke?" siste hij. "Wat is er gebeurd? Heb jij, roffiaan, haar..." - -Maar Daniël rukte zich los. - ---"Laat los, de Welle!" riep hij met een wilden lach. "Denk je, dat -ik hier zou zijn, als ik je dochter een haar had gekrenkt? Weet je -niet, dat ik wel voor haar had willen sterven, als 'k haar zóó had -kunnen redden? Mieke zit gevangen op 't slot te Poperingen! Ze is in -de handen van Titelman!" - ---"Van Titelman?" - -Naar adem hijgend, met strakke, starende oogen, zag de Welle den -boogschutter aan, en ook Jacob stond verslagen. De arme Mieke in de -handen van de Inquisitie, van Titelman! Heel Vlaanderen kende hem, den -verschrikkelijken deken van Rousselaere, den fanatieken priester, voor -wien zelfs de Landvoogdes bevreesd was. In handen van Titelman,--dat -was erger dan de dood! - -De Welle vermande zich. - ---"Zeg op!" zei hij met schorre stem. "Wat is er gebeurd? Ze was -veilig bij haar moei te Poperingen." - ---"Een stadsklerk heeft haar verraden!" zei Daniël, sidderend van -ingehouden drift. "Als ik den laffen Judas in handen krijg, breek ik -hem den nek. Hij wou naar Mieke vrijen, maar zij wou niets van hem -weten. Toen is hij uit wraak naar den geloofsrechter geloopen. Hij had -haar eens met haar bijbel en haar psalmboek verrast, het arme kind." - ---"En toen...?" - ---"Toen zijn de dienaars van den baljuw gekomen, en hebben haar uit -het huis gehaald. Ik was er niet. Ik zou de kerels met mijn handen -hebben geworgd, eer ze haar lief lijf aanraakten. Ze hebben haar op den -toren van 't slot gebracht, en ze zou, naar ze te Poperingen kallen, -met nog vier, die gevangen zijn om de religie, naar Rousselaere -worden gebracht." - -Pieter de Welle stond daar met gebogen hoofd. Bij de laatste woorden -van den boogschutter schrikte hij op en wrong de handen met een -kermenden zucht. De beide jonge mannen zagen hem medelijdend aan. Zij -wisten, welke geruchten, ze mochten dan gegrond zijn of niet, omtrent -den pastoor van Rousselaere in omloop waren. - ---"En geen redding! Och, Heere God! geen redding!" steunde de arme -vader. - -Daniël Tistz keek hem met flikkerende oogen aan. - ---"Misschien! Als je durft, de Welle!" zei hij driftig. - ---"Durven? Denk je dan, dat mijn leven nog iets waard zou zijn, -als dàt met Mieke gebeuren moest? Zeg op, man, wat bedoel je?" - ---"Kom mee naar Poperingen! Ik zal je bij wakkere kerels brengen. 't -Zijn Geuzen, die 't bij Waterloo ontkomen zijn en die zich nu -schuilhouden. Ze durven, als 't er op aan komt. Als Mieke naar -Rousselaere wordt gebracht, zullen wij 't weten, en dan, als wij -'t goed aanleggen, is er kans, dat wij ze verlossen." - -Gretig luisterde de Welle naar het plan, dat de wildstrooper nu nader -uiteenzette. De weg van Poperingen naar Rousselaere liep, zooals de -boschwachter ook zeer wel wist, gedeeltelijk door een bosch. Daar -zouden, op een geschikt punt, de Geuzen zich in hinderlaag leggen, -de dienaars van den inquisiteur dooden of onschadelijk maken en -de gevangenen bevrijden. De zaak was uitvoerbaar en de Welle en -Jacob waren bereid, haar te beproeven. Men zou zich terstond op -weg begeven. De aangeboren voorzichtigheid van den Vlaamschen -boer zegevierde nu echter over de smart en de angst van den ouden -boschwachter. Hij trad zijn woning binnen, terwijl hij zijn beide -metgezellen wenkte, hem te wachten. Toen hij, na een poos, weer buiten -kwam, hing er een zware lederen tasch aan zijn riem: de Welle had -zijn spaarpenningen opgegraven en nam ze mede. - -Zij liepen verscheidene uren, ook nu weer de hoofdwegen vermijdende, -langs landwegen en boschpaden, die de Welle en Daniël beiden kenden. - -'t Was een schoon land, West-Vlaanderen in zijn frisschen lentetooi, -maar ze hadden geen oog voor het schoone, dat hen omringde. Met -krampachtig gesloten vuisten, soms onverstaanbare woorden mompelend, -dan weer den blik ten hemel slaande, als in stil gebed, schreed -de Welle voort, terwijl zijn beide metgezellen hem van tijd tot -tijd medelijdend aanzagen. Onder het gaan vertelde de strooper -aan Jacob, dat de vervolgingen wegens ketterij in de laatste weken -weder begonnen waren. Sinds den beeldenstorm hadden de inquisiteurs -zich rustig gehouden, maar de overwinningen, door de troepen der -Regeering behaald, hadden hun nieuwen moed gegeven en na den val van -Valenciennes was Titelman aanstonds begonnen, zijn bloedhonden uit -te zenden. Verscheidene personen waren, als verdacht van ketterij, -gevangen genomen en voor de geestelijke rechters gebracht. De -doodvonnissen zouden niet lang op zich laten wachten. - -Men bereikte een groot bosch van eiken en beuken. De laatsten prijkten -reeds met frisch, jong groen, de eersten hadden nog hun winterloof. Het -terrein begon heuvelachtig te worden en de weg, die door het bosch -heenslingerde, was hier en daar door hooge, met zware stammen bezette -wallen omzoomd. - ---"Hier zou het moeten zijn!" zeide de strooper eensklaps, terwijl -hij staan bleef. - -De weg maakte hier een scherpe bocht en liep dan naar beneden. De -bodem was doorweekt door het regenwater, dat er zich had verzameld, -en de diepe karresporen, die in en uit den modderpoel leidden, -stonden vol water. Er groeide dicht struikgewas in de laagte en het -geboomte was zwaar genoeg om een geheele bende te verbergen. 't Was -een uitgezochte plaats voor een hinderlaag. - -De Welle bleef even staan, nam het terrein met een vorschenden blik -op en knikte even goedkeurend. Toen vervolgde hij echter weer zijn -weg, zwijgend en haastig, en de beide jonge mannen, die begrepen, -wat er in hem omging, stoorden hem niet. - -Zij kwamen door het dorp Langem en hier wist Daniël den bedroefden -vader te bewegen, in de taveerne wat uit te rusten en er een potteke -bier te drinken. De Welle had liever den tocht voortgezet, maar de -strooper beet hem toe, dat de jonker niet verder kon. Inderdaad was -Jacob, die niet zooals de beide anderen aan lange dagmarschen gewoon -was en die daarbij pas van zijn wonde was hersteld, doodmoede. - -Zij traden de dorpstaveerne binnen en vonden er niemand, dan een -Dominicaner monnik, die in een hoek van de gelagkamer rustig zijn -potteke dronk, terwijl hij ijverig in zijn brevier las. Daniël nam -den Witheer met booze blikken op, maar deze lette niet op hem. Na een -poos dronk hij zijn potteke leeg en borg het gebedenboek in de tasch -of beurs, die aan zijn gordel hing; tegelijk haalde hij daaruit een -papier te voorschijn, waaraan een groot, rood zegel hing. Hij bezag -het eenige oogenblikken opmerkzaam en stak het toen weder weg. De -strooper zag het en zijne oogen fonkelden. - -Toen de monnik vertrokken was, niet zonder een scherpen blik te hebben -geworpen op de drie mannen, wenkte Daniël zijne beide metgezellen. - ---"Dat is een van de bloedhonden van Titelman," fluisterde hij. "Ik -ken hem wel. Als hij naar Poperingen gaat, dan kunt ge er op aan, -dat hij tijding brengt van den deken. Wij moeten hem in 't oog houden." - -Zij betaalden hunne vertering en volgden den monnik van verre. De -Dominicaner slofte langzaam voort, tot hij de laatste huizen van -het dorp achter den rug had. Toen sloeg hij den breeden karreweg in, -die naar het Zuiden leidde. - ---"Dat gaat naar Poperingen," zei Daniël. "Die brief is van Titelman." - ---"Wij moeten hem hebben," zei de Welle gejaagd. - ---"Juist, kom gauw!" - -Wegduikend achter een hoogen wal van eikenhakhout, kwamen zij -ongemerkt den monnik vooruit. De Welle zoowel als Daniël Tistz -kenden het landschap nauwkeurig. Zij wisten de veldwegen en bijpaden -en zoo, snel en zwijgend voortstappend, bereikten zij den grooten -karreweg weder op een uur afstands van Langem, voor nog de langzaam -voortstappende monnik in het gezicht was. - -Het was een eenzame plaats. De weg liep hier door een stuk broekheide, -die zich aan weerszijden mijlen ver uitstrekte. Naar het Westen zag -men de donkere massa van een bosch. - ---"Wat nu?" vraagde de strooper. - ---"Wij moeten dien brief hebben!" zei de Welle, met de tanden op -elkaar geklemd. - ---"Wil je dan, dat ik...?" Met een veelbeteekenend gebaar trok Daniël -zijn kruismes. - ---"Je wil toch geen moord, de Welle?" vraagde Jacob. - ---"Alsof er aan 't leven van zoo'n paap iets gelegen was," zei de -strooper ruw. "Zullen ze Mieke niet vermoorden en haar martelen -bovendien, als zij kunnen? Je moet niet zoo weekhartig zijn, jonker." - ---"De Heere heeft gezegd: Mij is de wrake! Ik zal het vergelden!" zeide -Jacob ernstig. - ---"Zóó heb ik den bijbel niet gelezen!" lachte de ander grimmig. "Wat -zeg jij, de Welle!" - ---"Laat hem leven, als 't kan," gebood de koddebeier. - ---"Mij is 't wel!" zei Daniël schouderophalend. "Hoewel je er hem -misschien geen dienst mee doet, jonker. Want we kunnen hem niet laten -loopen, en als hij in de handen valt van onze gezellen daarginds..." - -Hij wees met een veelbeteekenden blik naar de bosschen in de verte. - ---"Wat wil je dan doen?" vraagde de Welle. - ---"Laat mij maar begaan," lachte Daniël. "Ik heb wel eens meer een -boschwachter onschadelijk gemaakt. En was 't niet om Mieke geweest, -de Welle... Nu, kijk maar zoo leelijk niet: ik zal niets meer -zeggen. Maar, jonker, heb je wel eens van den Duinkerkschen kneep -gehoord? Niet? Let dan eens op, dan zul je wat wonders zien. Maar -jelui beiden moet je verschuilen, want onze vriend zal nu wel zoo -dadelijk komen." - ---"Achter den wal dan!" gebood de Welle, en de drie mannen verscholen -zich achter het nog dorre eikenhakhout en wachtten. - -De weg was eenzaam en verlaten. Bouwlanden, waar anders nu de boeren -werkten, waren er niet in de nabijheid en de broekheide, waar 's -nachts de grauwe nevel uit opdampte en de dwaallichten flikkerden, -werd door niemand bezocht, die er niet noodig had. Heel uit de verte -klonk van tijd tot tijd het "Alahoe!" van een koewachter, die zijn -beesten langs de wegen liet grazen. - -Weldra zagen zij den Witheer aankomen. De monnik stapte bedaard en -rustig voort, onbewust van het gevaar, dat hem dreigde. - ---"Let op!" mompelde de strooper. - -Snel sloop hij langs den houtwal, om een eind verder weer te voorschijn -te komen. Rustig, met de handen in de zakken en al fluitende, liep hij -den monnik tegemoet. In zijn onmiddellijke nabijheid gekomen, week hij -ter zijde, zoodat de Dominicaan hem rakelings voorbij moest, terwijl -hij, schijnbaar groetend, de hand aan zijn kaproen bracht. Werktuiglijk -hief de monnik de hand zegenend op, om den groet te beantwoorden. - -Plotseling, met een bliksemsnelle beweging, schoot de arm van den -jongen Vlaming uit en omknelde den hals van zijn slachtoffer. Tegelijk -zette hij den rechtervoet vooruit, achter de beenen van den monnik, -en met een forschen ruk wierp hij den man achterover op den grond, -waar hij met een geweldigen smak neerkwam en verdoofd bleef liggen. De -Welle en Jacob, die alles gezien hadden, braken door het kreupelhout -en met hun drieën sleepten zij het bewustelooze lichaam achter den -houtwal. Driftig viel Daniël op de tasch aan en haalde er het papier -uit, dat zij den monnik hadden zien lezen. Hij reikte het de Welle -over. Deze bezag het, doch gaf het hoofdschuddend over aan Jacob. - ---"Ik kan er niets van maken!" zeide hij. "Wat is het, jonker?" - -Jacob doorliep het papier vluchtig. - -De monnik, die als een zoutzak aan hun voeten lag, opende de oogen. Hij -keek verschrikt rond en scheen te willen opstaan. - ---"Houd je gemak, pater!" zei Daniël, terwijl hij zijn gevangene -den voet op de borst zette en zijn kodde dreigend ophief. "Als je -een vin verroert of een kik geeft, zal ik je met dezen wijkwast -zegenen--voorgoed, hoor je? Lees op, jonker!" - ---"Petrus Titelman," vertaalde Jacob, "onwaardig dienaar Gods, priester -en deken te Rousselaere, inquisiteur van Vlaanderen, Douai en Rijssel, -aan Mr. Willem van Bodeghem, schout van Poperingen, groetenis. - -"Krachtens de macht, ons verleend, door den Eerwaarden Ruardus -Tapper, groot-inquisiteur der Nederlanden, en bij decreet van Zijne -Koninklijke Majesteit, Philips II, Koning van Spanje, van den 28sten -November 1555, zenden wij u door de hand van onzen beminden broeder -Clemens, van de orde van den H. Dominicus, last en bevel, om de door -u gevangen gehouden ketters, zoo mannen als vrouwen, den 16den April -naar Rousselaere te zenden onder veilige bewaring van uwe gewapende -dienaars, en dat tegen het vallen van den avond en zonder aan de -zaak ruchtbaarheid te geven, ten einde opschudding onder de bevolking -te voorkomen. - -"Gegeven onder ons zegel, te Rousselaere, den 14den April, Anno -Domini 1566." - -De drie mannen keken elkander ontsteld aan. - ---"Den 16den April,--dat is morgen!" zei Pieter de Welle met gesmoorde -stem. - ---"Maar de baljuw zal niets kunnen doen, nu wij Titelman's postduif -hebben opgevangen," meende Daniël. - ---"Dat baat niet," zeide de Welle. "Als de gevangenen niet aankomen, -en als zijn bode niet terugkeert, dan zendt Titelman een ander, -en dan is hij meteen gewaarschuwd. Als wij alles hadden geweten, -dan hadden wij dien monnik stil moeten laten gaan. Als Daniël ten -minste zijn woord kan houden..." - ---"Dat kan ik!" zei de strooper. "Maar hoe krijgen wij dien brief -naar Poperingen? Wij kunnen er dien eerwaarden pater moeilijk mede -belasten." - -De drie mannen zagen elkander verslagen aan. De monnik loerde naar -hen met schichtige blikken, als een wild dier, dat in de val zit. Hij -had nog geen woord gesproken. - -Plotseling spanden zich zijn trekken. Hij had in de verte een zacht -getingel gehoord, zoo zacht, dat het de drie mannen, die van geheel -andere gedachten waren vervuld, was ontgaan. Het herhaalde zich: dat -waren de bellen aan het haam van een huifkar, die daar naderde. Dààr -was redding! - -Loerend tusschen zijn wimpers door keek de gevangene, zonder een lid -te verroeren, naar zijne vijanden, die fluisterend en met bezorgde -gezichten met elkander spraken. De bellen kwamen al nader en nader, -weldra zou de voerman een hulpschreeuw kunnen hooren. De monnik -steunde reeds de ellebogen tegen den grond, gereed om met een schok -zich op te richten en zijn noodgeschrei aan te heffen. - -Daar klonken op eens de bellen luider en sneller: het voortsjokkende -paard had blijkbaar hevig den kop bewogen. Verrast keken de Welle en -zijne metgezellen op: met een enkelen blik had Daniël den toestand -overzien en het gevaar begrepen. - -Met een sprong was hij bij den monnik. - ---"Ha, wou je dat, schobbejak!" siste hij, terwijl hij den man bij -de keel greep en zijn hoofd neerdrukte in de vochtige heide. - ---"Houd op! Je worgt hem!" fluisterde Jacob. - ---"Laat mij maar begaan!" zei de strooper norsch. - -Hij rukte zich den halsdoek af, draaide dien tot een bal ineen en -wrong hem als een prop in den mond van den gevangene, die tevergeefs -tegenspartelde. Toen, terwijl hij met de eene hand den monnik in -bedwang hield, haalde hij een dun, maar sterk touw uit den zak en -met behulp van de Welle bond hij hem de handen op den rug. - -"Ziezoo, pater!" zei hij grijnzend. "Nu kunt ge ons de misse lezen! Het -belleken klinkt reeds." - -De kar was nu nabijgekomen. Neergehurkt achter het hakhout bij hun -gevangene, zagen de drie Geuzen haar voorbijgaan. Een paar boeren -liepen er naast, pratend en lachend, weinig vermoedend, wat daar -achter den houtwal voorviel. - ---"Wij kunnen hier niet blijven," zei de Welle, toen het gerinkel der -bellen in de verte was weggestorven. "Wij moeten dien pater eerst in -veiligheid brengen." - ---"Hij zou het veiligst zijn op den bodem van een veenplas," gromde -Daniël, terwijl hij met een schuinschen blik naar Jacob zag. - ---"Laat hem!" gebood de Welle. "De jonker heeft gelijk. 't Is een -bloedhond, maar een moord in koelen bloede wil ik niet. We kunnen -hem meenemen naar dien schuilhoek, waarvan je hebt gesproken." - -Nu kwam Jacob met een plan voor den dag. Hij zou de pij van den -Dominicaner monnik aandoen, en in die vermomming naar Poperingen gaan, -om het bevelschrift aan den baljuw te overhandigen, en, zoo mogelijk, -de inlichtingen in te winnen, die zij noodig hadden voor het slagen -van hun plan. Zijn langdurig verblijf in het Dominicaner klooster -maakte, dat hij zonder moeite zijn rol zou kunnen spelen. - -Daniël nam gretig den voorslag aan en maakte zich gereed, den Witheer -van zijn scapulier en opperkleed te ontdoen. De Welle bleef met -gefronst voorhoofd naar den grond staren. - ---"'t Is een gewaagd stuk, jonker!" zei hij eindelijk met gesmoorde -stem. "Als 't niet om Mieke was, dan zou ik... Maar er is toch één -bezwaar." - -Hij wenkte de beide anderen ter zijde en ging fluisterend voort. - ---"Hoe weet ge, of die broeder Clemens niet bij den schout bekend -is? In dat geval zou de jonker terstond gevangen genomen worden en -de schout zou dadelijk begrijpen, dat er onraad was." - ---"We zullen het hem seffens vragen!" zei Daniël. "Hé, paap, zeg op: -hoe ziet de schout van Poperingen er uit?" - -Hij knielde bij den monnik neder en nam de prop uit zijn mond. De -Witheer haalde diep adem, maar gaf geen antwoord. Hij sloot de lippen -vast op elkander en zag den strooper aan met een blik, waaruit haat -en verachting sprak. - ---"Je zult spreken, vermaledijde paap!" siste Daniël woedend. "Jonker, -ga op den weg en houd er de wacht, dat wij niet overvallen worden." - -Jacob bleef een oogenblik weifelend staan. Hij begreep, dat de beide -mannen den monnik tot spreken wilden dwingen. Het stuitte hem tegen -de borst een weerlooze te martelen,--maar Mieke, het onschuldige kind -dan? En hij zag aan de woeste blikken van Daniël, aan de vastberaden -houding van de Welle, dat de beide mannen zich door zijn tegenwerpingen -niet zouden laten weerhouden. - ---"Spreek dan toch, man!" zei hij, dreigend, bijna smeekend. - -De monnik vestigde zijn gloeiende blikken op den jongen man, maar -hij bleef zwijgen. - ---"Ga nu toch, jonker!" riep Daniël Tistz ongeduldig. - -Jacob brak door den houtwal heen en ging een eind den weg op, -tot hij een punt had bereikt, waar hij dien in beide richtingen kon -overzien. Het was een mooie, stille lentemorgen, zacht, met een beloken -lucht. Vredig en kalm strekte zich het landschap rondom hem uit; ook -de landweg was weder eenzaam en verlaten. Slechts een paar kieviten, -wier nest vermoedelijk in de nabijheid was, vlogen, luid krijschend, -in breede kringen rondom den indringer. De bremstruiken aan de zijden -van den weg maakten frissche groene scheuten, en over de heide brak -door het bruine winterkleed de zachtgroene tint van de duizenden -uitbottende heideplantjes. - -Jacob liet zijne oogen over het vreedzame landschap dwalen. Wat -was Gods schepping schoon, en ach, hoe bedierven de menschen al het -schoone en goede, hun door Gods liefde geschonken, door hunne zonden -en hartstochten! Wie, die het vredige landschap, ontluikend in de -jonge lente, aanschouwde, zou hebben vermoed, dat thans in dat schoone -Vlaanderen duizenden harten klopten van bange vreeze of gloeiden van -woeste wraakzucht! - -Onwillekeurig herdacht Jacob de gebeurtenissen der laatste weken. Wat -al blijde hope was daar in weinige dagen vernietigd--voorgoed naar -het scheen. Wat waren zij moedig uitgetrokken, de jonge Geuzenedelen, -om hun land te ontrukken aan het geweld van een Regeering, die een -vrij volk in boeien wilde slaan, het wilde dwingen naar den wil van -een Spaanschen koning, die niet over dat vrije volk wilde regeeren, -maar slechts wilde heerschen over een troep slaven, die nederig voor -hem kropen, die zelfs hun God slechts zóó wilden dienen en belijden, -als hij, de vorst, het hun voorschreef. - -Helaas, wat was er geworden van al die schoone verwachtingen? Thoulouse -was dood! Het Geuzenleger was vernietigd! De edelen waren in -ballingschap, de strijders voor de vrijheid, die niet waren gevallen, -hielden zich schuil in bosschen en moerassen, uit vrees voor de -galg. De Inquisitie loerde overal naar haar prooi. En uit de verte, -uit Spanje, dreigde het onweer: de Koning zou komen, hij zou komen -met een groot leger, om de oproerigen te straffen en de vrijheden -des lands voorgoed te vernietigen. - -Een schorre schreeuw, die van achter het hakhout kwam, -deed hem opschrikken uit zijn gepeins. Dat was blijkbaar de -monnik! Onwillekeurig deed Jacob een paar stappen in de richting -van het geluid. Weder klonk de schreeuw, feller en pijnlijker -dan zooeven. Toen volgde er een dof gemompel van stemmen. Jacob -huiverde. Men martelde den man, dat was duidelijk, en het stuitte -hem tegen de borst, daarvan getuige te moeten zijn. Een oogenblik -stond hij besluiteloos: zou hij tusschenbeide komen? En zou zijn -tusschenkomst iets baten? - -Daar dook de lange gestalte van de Welle uit het hakhout op. De kleine, -helblauwe oogen van den koddebeier fonkelden. - ---"Kom, jonker!" riep hij, "'t is er uit! De paap heeft gebiecht! Wij -weten, wat we noodig hebben!" - -Jacob volgde hem naar de plaats, waar de monnik lag. Daniël Tistz -lag bij den gevangene geknield. Een dun koord met knoopen was om de -slapen en het voorhoofd van den Dominicaan gebonden en daartusschen -had hij het heft van zijn kruismes gewrongen, zóó, dat hij het touw kon -toesnoeren, dat bij elken slag dichter om het hoofd van den gepijnigde -knelde, terwijl de harde knoopen door de huid drongen. Daniël maakte nu -het foltertuig los; een roode striem liep over het bleeke, bebloede -gelaat van den monnik en zijn donkere oogen puilden uit van pijn -en doodsangst. - ---"Ik heb den paap eens laten proeven, hoe de stroppelkoord smaakt, -waar zijn patroon Titelman zoo gul mee is!" zei de strooper woest. "Hij -heeft alles bekend, jonker. Men kent hem niet te Poperingen. Hij is -hier pas aangekomen uit het Maastrichtsche, om den deken te helpen. Nu -de Geuzen verslagen zijn, kreeg de Inquisitie dubbel werk, zoo zei hij, -de bloedhond." - -Hij gaf den monnik een verachtelijken schop. Jacob zag de donkere -oogen in het bebloede gezicht zich op hem vestigen met een blik van -angst en haat. Huiverend wendde hij zich af. - ---"Kom, jonker," zei de Welle, "'t is nu geen tijd om weekhartig te -zijn. Denk aan Mieke en wat er met haar gebeuren zal, als zij eens -te Rousselaere, in de klauwen van Titelman is. Blijft ge bij uw plan, -om naar Poperingen te gaan?" - -Jacob knikte toestemmend. De beide mannen maakten de touwen los, -waarmede de Dominicaan gebonden was en ontdeden hem van zijn pij, -zijn gordel en zijn tasch. Jacob verwisselde zijne boerenkleeren met -het kloostergewaad. Hij droeg in den laatsten tijd het haar kort, -als een krijgsman paste en Daniël, die in de tasch van den monnik -een schaar had gevonden, maakte hem met groote handigheid een tonsuur. - ---"Ziezoo, jonker," zei hij, "nu zie je er uit als een echte paap. Je -bent in 't klooster geweest, zegt de Welle. Dat treft goed. Breng -dien brief aan den schout en zie te weten te komen, hoeveel knechten -hij zal meegeven, en laat dan de rest maar aan ons over." - ---"Ge waagt uw hals, om ons te helpen, jonker," zei de Welle, "en nog -eens, als 't niet om Mieke was... Dien monnik nemen we als gijzelaar -mede, en mocht u iets overkomen, wat God verhoede, zeg dan aan zijne -gezellen, dat wij met hem zullen doen, zooals zij met u doen." - -Nadat men nog had afgesproken, dat de Welle en Daniël Tistz in den -laten namiddag Jacob wachten zouden bij een gebroken steenen kruis, -dat aan den weg stond en gedurende den beeldenstorm was vernield, -namen de beide mannen afscheid van hun bode. Zij zouden met hun -gevangene dwars over de broekheide naar de bosschen trekken, waar -zich de schuilhoek der gevluchte Geuzen bevond, waarvan de strooper -had gesproken. Eerst als zij uit het gezicht waren, zou hij zijn -tocht aanvaarden. Daniël maakte het touw los, waarmede de enkels -van den monnik waren gebonden en hielp hem overeind. Eerst wilde de -Dominicaan niet loopen, maar toen de strooper hem de punt van zijn -kruismes liet voelen, schikte hij zich in zijn lot en volgde gedwee -zijne beide bewakers, die dwars door de drassige heide aanhielden op -den donkeren boschrand aan den horizon. - -Toen zij ver genoeg verwijderd waren, en er geen gevaar meer was, -dat een onverwachte voorbijganger of een dwalend eierenzoeker zou -bemerken, dat zij in elkanders gezelschap waren geweest, sloeg Jacob -den weg in naar Poperingen. Hij was in een alles behalve aangename -stemming. Het tooneel, dat hij zooeven had bijgewoond, had hem pijnlijk -aangedaan. Hij was een kind van zijn tijd en die tijd was ruw en -wreed. Dat men een misdadiger door pijn tot bekentenis dwong, scheen -Jacob Martens volkomen geoorloofd. En in zijn oogen en in die van -zijne medestanders was deze monnik, het werktuig van den inquisiteur, -niets anders dan een boosdoener. Toch scheen het martelen van een -weerlooze hem een laagheid. Ook de taak, die hij op zich had genomen, -was hem weinig naar den zin. Dat 't een gewaagde onderneming was, dat -een enkele onhandigheid of onvoorzichtigheid hem in den kerker en op -'t schavot zou brengen, was nog zoo erg niet. Maar in een vermomming -spionnenwerk te moeten verrichten, te moeten veinzen en bedriegen, -het strookte weinig met zijn aard. Maar hij dacht aan de arme Mieke -en aan het lot, dat haar te wachten stond, hij dacht aan de Welle, -die hem het leven had gered, en hij nam zich voor, de zaak, die hij -op zich genomen had, ten einde toe te volbrengen. - -Het stuk broekland hield weldra op, om plaats te maken voor weiden, -toen voor bouwlanden, braakliggend of met winterkoren bezaaid, -en eindelijk begonnen de hoptuinen, waarom Poperingen zoo beroemd -was. Reeds lang had Jacob de torens der drie kerken, de Sint Bertinus, -de Mariakerk, en die van den Heiligen Johannes den Dooper, over het -lage land in het oog gekregen. Thans kon hij ook de trotsche gebouwen -van de beroemde abdij van Sint Bertinus in de verte zien oprijzen, -waaraan Poperingen zijn ontstaan te danken had. Want de stad was -een leen der abdij, en nog altijd werd het stadsbestuur, bestaande -uit den schout, den "amman", twee burgemeesters en twaalf schepenen, -door den abt van St. Bertinus gekozen en aangesteld. - -Hij bereikte de poort, waar hij door den portier eerbiedig werd -gegroet. Het geestelijk gewaad was in eere te Poperingen. Op zijne -vragen wees men hem het huis van den schout, Mr. Willem van Bodeghem. - -Deze, een stoere Vlaming, met een steenrood, breed en goedmoedig -gezicht, ontving den gewaanden bode van den deken van Rousselaere -met een zekere stugge beleefdheid. Het hinderde den eerzamen schout, -dat hij van een andere geestelijke overheid, dan van zijn Heer, den -abt van St. Bertinus, bevelen moest afwachten, en daarbij, ook de -Roomsche magistraatspersonen waren over het algemeen--tot hun eere -zij het gezegd--afkeerig van de bloedige kettervervolging en vijanden -der Inquisitie en Philips II klaagde bitter over hunne lauwheid in -een zaak, die hem zoo zeer ter harte ging. - -Zoo had Mr. Willem van Bodeghem niet kunnen nalaten, om op aanwijzing -van den inquisiteur de ketters in hechtenis te nemen, die deze hem -aanwees. De plakkaten verplichtten hem er toe. Maar hij had het -ongaarne gedaan en met kwalijk verholen tegenzin ontving hij den -gewaanden monnik. - ---"Veel te jong voor een speurhond van de Inquisitie!" bromde de -eerlijke Vlaming in zijn baard. - -Inderdaad was Jacobs leeftijd bij deze onderneming een gevaar op -zichzelf; de gebeurtenissen der laatste maanden echter en de gevolgen -van zijn wonde deden hem ouder schijnen dan hij was. - ---"Gij zijt dus broeder Clemens, van wien hier gesproken wordt," zeide -de schout, die, als leerling der kloosterschool van Sint Bertinus, -genoeg Latijn verstond, om het geschrift te lezen. "En gij zult zelf -het antwoord aan den Eerwaarden Deken overbrengen. Als ge te avond -mijn gast wilt zijn, zal mijn schrijver morgen het antwoord voor u -gereed hebben. Of misschien vernacht gij liever in de abdij?" - ---"Ik zou gaarne vandaag nog terugkeeren," zeide Jacob. "Mijn boodschap -heeft haast!" - ---"Ja, maar mijn schrijver is er nu niet!" zei de schout verdrietig, -terwijl hij zijn korte, stompe vingers bekeek, die er niet uitzagen, -of zij gewoon waren, de pen te voeren. - ---"Het bevelschrift was niet verzegeld en de inhoud is mij bekend," -zeide Jacob, blij, dat tot nog toe alles zoo voorspoedig ging. "Ik -kan ook een mondeling antwoord medebrengen." - ---"'t Is waar," zei Mr. Willem van Bodeghem, zichtbaar verlicht, -"welnu, broeder, zeg den Eerwaarden deken, dat men er scherp op zal -letten. De gevangen ketters zullen ter bestemder tijd naar Rousselaere -worden gezonden en voor zoover het burgers van onze stad zijn, verzoek -ik den deken, hen met zachtmoedigheid te behandelen. Ik zal mijn -substituut, die hen begeleiden zal, een geschrift over hen medegeven." - ---"Het gerucht wil, dat er kwaad volk in de bosschen omtrent Poperingen -huist," zeide Jacob, terwijl hij zijn best deed, een onverschillig -gezicht te zetten, "de deken wist niet, of de bedekking van uw dienaars -voldoende zou zijn, om..." - -Het gezicht van den Schout werd nog rooder; de blauwe toornaderen -zwollen op zijn voorhoofd en dreunend kwam zijn vuist neer op de -massieve eikenhouten tafel. - ---"Ik ken mijn plicht!" bulderde hij, "en ik behoef dien van geen -inquisiteur ter wereld te leeren! Laat de deken zich met zijn -eigen zaken bemoeien! Ik zal doen, wat 's konings plakkaten mij -voorschrijven, maar verder ben ik niemand rekenschap verschuldigd -dan mijnen heere den Eerwaarden abt van St. Bertinus!" - -Jacob nam haastig afscheid. Eigenlijk had hij den wakkeren schout het -liefst de hand willen drukken. Hij had zijn rol tamelijk onhandig -gespeeld en een magistraat met scherper blik dan de eerzame Willem -van Bodeghem had al licht argwaan kunnen opvatten. Toch was zijn doel -aanvankelijk bereikt. Het bevelschrift van Titelman was in handen van -den schout en hij was er zeker van, dat het ten uitvoer zou worden -gelegd. Ook verder zou het geluk hem dienen. - -Hij was moe van zijn langen tocht en hongerig en dorstig daarbij. Hij -had het gebroken kruis aan den weg gezien, waar de Welle en Daniël -Tistz hem zouden wachten, en hij berekende, dat hij nog tijd genoeg -had, om uit te rusten en wat te eten en te drinken. Het gevaar voor -ontdekking was nu zeer gering; ja, het zou zelfs argwaan kunnen wekken, -wanneer hij het stadje te haastig verliet. Hij trad dus de stadsherberg -binnen en eischte brood en bier. - -Terwijl hij in een hoek van de lage, donkere gelagkamer zijn eenvoudig -maal gebruikte, trad er een man de taveerne binnen, die naar zijn -kleeding te oordeelen tot de beambten der stad moest behooren. Hij -droeg een wambuis, half geel, half blauw, op de borst waarvan het -stadswapen was gewerkt en een kaproen van dezelfde kleuren. Aan zijn -breeden riem hing een kort rapier. - -De schoutendienaar--want het was inderdaad een van de dienaars der -Poperingsche justitie--verlangde van den waard een potteke biers en -begaf zich met hem in ijverig gesprek. Weldra begonnen de beide mannen -veelbeteekenende blikken te werpen op den gewaanden Dominicaner. Jacob -Martens voelde, dat hij bleek werd. Zou de schout toch verdenking -tegen hem hebben opgevat? Als men hem herkende, als het bleek dat hij -een van de vluchtelingen van Austruweel was, dan wachtte hem de galg! - -Het baatte hem echter niet, of hij zich thans verwijderde. Het beste -was, rustig te blijven zitten en schijnbaar geen notitie van de beide -mannen te nemen. - -Nadat het fluisterend gesprek der beide mannen eenige oogenblikken -had geduurd, trad de schoutendienaar op Jacob Martens toe. Deze voelde -een oogenblik zijn hart stilstaan: hij meende, dat hij verloren was. - -De man nam echter beleefd zijn kaproen af, en verzocht verlof zich -bij den eerwaarden broeder neder te zetten en aan zijn tafel zijn -potteke te drinken en weldra bleek het Jacob, dat de eerzame dienaar -allerminst argwaan tegen hem koesterde, maar een gezellige praatvaer -was, die alleen door nieuwsgierigheid gedrongen zich bij hem had -gevoegd. De komst van den "inquisiteur" had opschudding verwekt in -het stille stadje. Ieder wist natuurlijk van de gevangenneming der -ketters en men sprak over hun lot met medelijden, met leedvermaak of -met een stille verwensching, al naar de partij, waartoe men behoorde. - ---"De Schout ziet niet gaarne, dat de ketters worden vervolgd of aan -den lijve gestraft," zeide de schoutendienaar fluisterend en met -een gewichtig gezicht; "maar ik zeg: de plakkaten van den Koning -moeten worden gehandhaafd, anders is er geen denken aan een goede -justitie. Waarom onderwerpen de Sacramentarissen zich niet en gaan -als goede christenen naar de Mis? Dan zou niemand hen deren." - ---"Ge zijt een trouw zoon der Kerk!" zeide Jacob, terwijl hij den -ander niet zonder minachting in het dikke, onbeduidende gezicht keek. - ---"Dat ben ik! Zeg dat aan den deken, eerwaarde broeder. Jurriaan -Jaspersz, de eerste schoutendienaar van Poperingen, heeft een afkeer -van alle kettersche dolingen en hij haat alle ketters, beeldbrekers -en Geuzen. En wanneer, zooals de luiden kallen, de Koning komt met -een leger, om aan alle oproer en de vileynige boosheid der Geuzen een -einde te maken, dan zal de heilige Inquisitie eerst recht de handen vol -krijgen. Zeg aan den vromen pastoor Titelman, eerwaarde broeder, als -hij als hoofd van zijn dienaars een kloeken, frisschen kerel verlangt, -die niet weekhartig en laf is, dan is Jurriaan Jaspersz zijn man." - ---"Ik zal u niet vergeten, Jurriaan Jaspersz," zeide Jacob, die -hartelijk meende wat hij zeide. Toch wilde hij het gesprek niet -afbreken. Hij begreep, dat hij van den praatzieken dienaar wel zou -kunnen vernemen, wat hij verlangde te weten. - ---"Er zijn zes gevangenen, nietwaar?" zeide hij. - ---"Ja, zes, vier mannen en twee vrouwen," zeide Jurriaan Jaspersz. "De -een is een oude klappei, maar de andere... een malsch boutje! Een -paterstuk voor den deken!" - -Jurriaan Jaspersz had de laatste woorden gezegd met een -veelbeteekenenden blik en een grijnslach om den breeden mond, maar hij -schrikte terug bij den vlammenden blik, vol toorn en verontwaardiging, -waarmee de gewaande monnik hem aankeek. - ---"Zeker een jonge heilige kluizenaar, pas uit het klooster," dacht -de man. "De paters zullen hem wel gauw anders leeren. Maar ik heb -mij daar leelijk versproken." - -Jacob bedwong den weerzin, dien hij voor den ruwen kerel gevoelde. - ---"Gij zult zeker de gevangenen begeleiden?" zeide hij. "Is er wel -voldoende bewaking? Men zegt, dat er kwaad volk in de nabijheid is." - ---"O, dat heeft geen nood," zei de praatgrage schoutendienaar. "Wij -gaan met zes dienaars mede, en dan heeft de schout nog om de -zes hellebaardiers van den abt van Sint Bertinus verzocht. Dat is -bedekking genoeg! En daarbij, niemand dan wij en die van het heilig -Officie weten, dat de ketters zullen worden overgebracht." - ---"En gij zult het zeker niet verklappen, nietwaar?" zeide Jacob, -die nu wist, wat hij weten wilde en opstond. Hij betaalde zijn bier -en zijn brood en maakte zich gereed te vertrekken. - ---"Pas goed op uwe gevangenen, Jurriaan Jaspersz," zeide hij, met -lichte spotternij den schoutendienaar groetend. - ---"Uw zegen, eerwaarde pater!" vroeg de man. - ---"Als gij mededoogen hebt met ongelukkigen en uw ziel rein houdt -van onreine gedachten, zal Gods zegen op u rusten,--eer niet!" was -het koele antwoord. - -De schoutendienaar staarde den vermeenden Dominicaan verbluft na. - ---"Dat is een strenge pater, die Witheer," mompelde hij. "Dien zou -ik niet graag voor biechtvader hebben. Dan is onze pastoor een heel -ander man." - -Intusschen haastte Jacob zich, om Poperingen te verlaten. Hij had -er nog een oogenblik aan gedacht, om te trachten, toegang tot de -gevangenen te verkrijgen, en dit zou hem waarschijnlijk zonder moeite -zijn gelukt. Hij vreesde echter, dat de arme Mieke hem zou herkennen, -en, eer hij haar kon waarschuwen, door een onvoorzichtigen uitroep -alles zou verraden. Hij zag dus liever van zijn voornemen af en haastte -zich, de afgesproken plaats te bereiken, waar de Welle en Daniël hem -zouden wachten. - - - - - - - -XI. - - -Toen Jacob het gebroken steenen kruis bereikte, was het reeds laat in -den middag. Het was den geheelen dag een egaal beloken lucht geweest, -een zacht grijze lentedag, en de schemering viel spoedig in. Jacob -had zich gehaast en hij maakte zich reeds ongerust, toen hij niemand -zag. Plotseling echter rezen uit een droge sloot twee donkere gedaanten -op, in wie hij de Welle en Daniël Tistz herkende. - ---"Goed, dat ge er zijt, jonker," zei de laatste, terwijl hij hem -met ruwe hartelijkheid op den schouder klopte. "De Welle begon reeds -ongerust te worden en wilde u met alle geweld gaan zoeken. Ik zei -hem, dat hij zijn hoofd in den strop stak, want hij is te Poperingen -bekend als de bonte hond, maar als het lang had geduurd, was hij niet -te houden geweest." - ---"Zijt ge geslaagd, jonker? Vertel op!" zei de Welle, wiens gezicht -bleek en vertrokken was van angst. - -Jacob gaf haastig maar nauwkeurig verslag van zijn ervaringen. - ---"Dus de schout heeft den brief van Titelman," zei de strooper -zegevierend, "en niemand weet, dat wij zijn bode hebben geknipt! En -er gaan maar twaalf dienaars mede! Dat is kinderspel! Moed, de Welle, -wij zullen Mieke verlossen!" - ---"Maar die mannen zijn welgewapend!" meende Jacob. - ---"Ik geef niet om hun hellebaarden en houwers," spotte Daniël. "Die -Jurriaan Jaspersz! Ik zie zijn domme tronie al voor mij, als wij -den wagen aanhouden. Met hem heb ik ook nog een oude rekening te -vereffenen. Wacht maar!" - -En Daniël liet zijn zwaren eiken stok door de lucht suizen en neerkomen -op een denkbeeldigen rug en dat was de rug van Jurriaan Jaspersz, -den eersten schoutendienaar van Poperingen. - ---"Daar in dien greppel hebben wij uw kleederen, jonker," zeide de -Welle; "trek nu spoedig die verwenschte pij uit. Wij houden de wacht." - -Jacob verwisselde van kleederen en Daniël nam de pij en den gordel -van den monnik over den arm. Bij een diepe kolk gekomen, een weinig -ter zijde van den weg, nam de strooper een paar zware keien op, die -hij blijkbaar met opzet klaar had gelegd, wikkelde die in de pij met -het brevier en den rozenkrans van den Dominicaan, maakte alles stevig -met den gordel vast, en liet toen, na zorgvuldig naar alle kanten om -zich heen te hebben gezien, het pak in het donkere water zinken. - ---"Wat doet ge?" vraagde Jacob verwonderd. "De kleederen zijn immers -het eigendom van den monnik?" - ---"Hij zal ze wel niet meer van noode hebben," zeide de strooper met -een woesten lach, terwijl hij naar de grooter wordende waterkringen -keek. - -Jacob hoorde het, maar hij durfde thans niet vragen naar het lot van -den Dominicaan. - -Zij verlieten nu den weg en liepen langs smalle landwegen, eerst -door de hoptuinen, toen door de bouwlanden, en bereikten eindelijk de -strook broekheide, die zich langs den boschrand uitstrekte. De Welle -en Daniël, die beiden het landschap kenden, aarzelden geen oogenblik, -welk pad zij hadden te kiezen. - -Bij het drassige broekveld gekomen, dat hier en daar door breede -slooten en geulen werd doorsneden, haalde Daniël uit het hooge -heidekruid drie lange polsstokken te voorschijn, die daar zorgvuldig -waren verborgen. De stokken waren aan het boveneind van een stalen -punt voorzien, en vormden zoo een halve piek, een geducht wapen, -dat later in den vrijheidsoorlog beroemd zou worden. - ---"Vooruit nu!" gebood de Welle. "Jonker, loop achter mij en pas -op! 't Is hier gevaarlijke grond. Daniël, gij sluit de rij en kijk -goed uit uw oogen." - -Snel ging het over den drassigen grond voorwaarts. Het water borrelde -soms op uit den veenachtigen bodem, en er waren plekken, waar men, -blijkbaar met opzet, van graszoden en takkenbossen "stappen" had -gemaakt, die een rustpunt boden aan den voet. Een vreemdeling, die -het oord niet kende, zou nimmer door het verraderlijke moeras den weg -hebben gevonden. Breede en diepe slooten moesten worden overgesprongen, -maar de donkere boschrand kwam al nader. - -Eindelijk was het bosch bereikt. Langs slingerpaden en door -kreupelhout leidde Daniël Tistz, die hier in zijn element was, -zijn beide metgezellen tot diep in het hout. Eensklaps hoorde Jacob -verwonderd op. Een gedempt gezang trof zijn oor, psalmgezang. - ---"Ja, jonker," zeide Daniël, die zijne verwondering bemerkte. "We -zijn hier bij een van onze schuilhoeken, waar ik een troepje Geuskens -verborgen houd, die 't te Waterloo en te Oosterweel zijn ontkomen. 't -Is een veilig plekje, en als de Welle nog boschwachter was, zou ik -'t hem nooit hebben verklapt." - -Nog een wending van het pad en men stond voor een breed water. Slechts -een geoefend springer kon er met een pols over komen. Het psalmgezang -klonk duidelijker en ros licht schemerde hier en daar tusschen het -jonge lentegroen door. - -Daniël liet een zacht en eigenaardig gefluit hooren. - ---"Zijt gij daar, Daniël?" vroeg een schorre stem. - ---"Ja," zei de strooper. "Ik breng goed volk! Laat den boom zakken." - -Het ritselde in de blaren en een lange boomstam, die aan een touw -kon worden op en neer gehaald, viel over de sloot heen. Daniël liep -behendig en snel over de smalle brug, die van boven slechts een weinig -was afgeplat. Jacob volgde hem en hoewel de boom zwiepte onder zijn -voet, bereikte hij toch veilig den overkant, waar ook de Welle zich -weldra bij hem voegde. - ---"Zijt gij dat, Peerke?" zei Daniël. - ---"Ja," klonk de schorre stem uit het duister. "Maar wie is de -derde man?" - ---"Goed volk, als ik u zei, een officier uit het leger van Oosterweel," -antwoordde de strooper ongeduldig. "Kom voor den dag en licht ons bij, -want 't is hier zoo donker als de hel." - -Een rosse lichtgloed viel op het pad en een donkere gedaante, die -een stallantaarn met een smeerkaars droeg, kwam nader. - ---"Hier is de ingang van het pad," zei de schorre stem. "Ik zal -jelui voorgaan." - -Ze gingen een smal pad in, dat als een tunnel in het hooge struikgewas -scheen uitgehouwen. Spookachtig viel het roode licht van de lantaarn -op het jonge lentegroen, dat hen aan alle kanten omringde. Het gedempte -psalmgezang klonk duidelijker. - ---"Is er van avond preeke?" vraagde Daniël. - ---"Ja, Jan Machielsz, de manke predikant, heeft de broeders en zusters -voor van avond samengeroepen. Wat je hoort, is het voorgezang. De -preeke zal wel zoo aanstonds beginnen." - -Een donker gevaarte doemde voor hen op uit de duisternis. Een schuur, -naar het scheen. Een mat licht drong door een paar kleine ramen, -met verweerde ruitjes. - -Ze traden zachtjes de schuur binnen. - -'t Was een eigenaardig tafereel, dat ze daar aanschouwden, bij het -licht van een paar lantaarns en baklampen, die hier en daar waren -opgehangen. - -Een dertigtal mannen en vrouwen zaten of stonden in dat gedeelte van -de wijde ruimte, dat het best was verlicht. Voor hen, in een soort -spreekgestoelte, niet zonder vernuft getimmerd van een groote ton, -stond een kleine, in het zwart gekleede man. Hij hield een opgeslagen -bijbel in de hand, en las den tekst voor, op het oogenblik, dat de -drie mannen binnentraden. Het was Deuteronomium 7 : 5. - ---"Maar also sult ghi hun doen:"--zoo klonk het somber door de half -verlichte ruimte--"hare altaers sult ghi afwerpen ende hare opgerichte -beelden verbreecken ende hare bosschen sult ghi afhouwen ende hare -gesnedene beelden met vyer verbranden." - -Toen volde de preek: een wilde, hartstochtelijke toespraak. 't Was -geen verkondiging van het Evangelie, ook geen woord van vertroosting -tot deze ballingen, vermoeiden en bitter bedroefden van ziele. 't -Was een woord van toorn en van wrake. De verstrooide Geuzen werden -vergeleken bij Israël, het volk Gods, dolende in de woestijn, de -Roomschen bij de Kanaänieten, vijanden van God en zijn volk, die het -plicht was te bestrijden, te verdelgen als het kon. - -En Jacob zag, hoe de forsche gezichten van de ademloos luisterende -mannen zich vertrokken tot een wreeden grijns, hoe zij de vuisten -balden of krampachtig den greep van hun lang kruismes omklemden, -als zij den spreker in zijn schilderingen van hun nood en hun lijden -volgden of luisterden naar zijn aanhitsend, wraakademend woord. - -'t Was een vreemde, wilde groep, die daar stond geschaard om den ruwen -kansel, in het spookachtige, rosse licht der walmende olielampen. Zoo -moest eens, in den tijd der Richteren, het volk van Israël zich bij -het roode licht der toortsen hebben verdrongen om een of anderen wilden -woestijnprofeet, die hen aanporde tot opstand tegen hunne verdrukkers. - -De stem van den prediker zweeg. Hij had een psalm opgegeven, den -79sten psalm, het 2de vers. Sommige der aanwezigen drongen naar de -lampen met hunne boeken, maar de meesten kenden het lied van buiten: -een der klaagliederen der verstrooide Gereformeerden dier dagen: - - - Ach, hoe lang sult Gij noch, o Heer geprezen, - Op ons also vergramt en verstoort wezen? - Hoe lang zal noch Uwen toorn sijn ontsteecken - Als een vyer, 't welck men met kracht siet uitbreecken? - Stort Uwen toorne swaer - Over 't volck, dat voorwaer - U niet wil kennen, Heere! - De koninckrijcken 't saem, - Sla Heer, die uwen Naem - Niet aenroepen met eere. - - -Onder het psalmgezang bemerkte Jacob, dat, niet ver van den prediker, -aan een van de ruw behouwen stijlen, die het dak schraagden, een -menschelijke gestalte was vastgebonden. Naderbij gekomen, zag hij, dat -het de monnik was, dien de Welle en Daniël dien morgen hadden gevangen -genomen. Hij stond daar, met gesloten oogen, het hoofd leunend tegen -den paal. Blijkbaar was hij daar vastgebonden, om hem te dwingen, -in dien toestand de godsdienstoefening bij te wonen. - -Het psalmgezang hield op en de prediker nam weer het woord. Thans -was het een bittere aanklacht van de Inquisitie en haar aanhangers, -wien hij een bloedig einde en een vreeselijk oordeel voorspelde. Soms -scheen het, of hij zich opzettelijk tot de gebonden gestalte van den -monnik richtte, en dan volgden aller oogen zijn blik en richtten zich -vol haat en bloeddorst op het bleeke gezicht van den gevangene. Het -was Jacob, of er een spottende glimlach zweefde op de dunne lippen -van den Dominicaan, maar bij het onzekere, flikkerende licht kon hij -zich gemakkelijk vergissen. - -De godsdienstoefening was eindelijk afgeloopen. Zoo hunne binnenkomst -die niet had doen staken, zij waren toch niet onopgemerkt gebleven. De -oudsten der aanwezigen traden met den predikant op hen toe, en -vraagden naar hun wedervaren. Weldra was het gesprek levendig en -algemeen. Dat men zou trachten de gevangenen te bevrijden stond vast; -'t was maar de vraag, hoe dit zou geschieden. Er waren er, die aan -Jacob het bevel over de onderneming wilden opdragen, omdat hij een -officiersrang had bekleed in het leger van Thoulouse, maar deze was -zoo wijs, voor de eer te bedanken. Een onderneming als deze moest aan -een man van meer ervaring worden opgedragen. Eindelijk werd besloten, -dat Pieter de Welle de aanvoerder zou zijn. - -Terwijl eenige vrouwen werden uitgezonden om voor de nieuwaangekomenen -brood, spek en bier te halen, trad de predikant op Jacob Martens toe. - ---"Ik geloof, dat ik u nog eenmaal heb ontmoet, jonker," zeide hij, -Jacob scherp aanziende. - -Inderdaad had Jacob reeds geruimen tijd den indruk, dat hij het bleeke -gelaat van den kreupele en zijn donkere dweperoogen meer had gezien. - ---"Ik weet het!" riep hij plotseling. "Gij, waart er bij, toen verleden -jaar de Doopersche werd verdronken." - -Jan Machielsz knikte. - ---"'t Is nu een jaar geleden, dat de arme Aegte Jansdochter den -martelaarsdood stierf om hare goede belijdenis. Wèl was zij, evenals -ik in die dagen, bevangen in Doopersche dolingen, doch ik geloove -vastelijk, dat de Heer hare ziele in genade zal hebben aangenomen." - ---"Ja," ging de kreupele voort op Jacobs vragenden blik, "ik was -toen nog onkundig van de waarachtige, gezuiverde religie, van de -zuivere leer, zooals die ons uit Genève is verkondigd door den -godzaligen Calvinus en zijn leerling Beza. Ik was als een Apollos, -de Schrift kennende, maar die niet verstaande, maar de Eerwaarde -Dathenus was voor mij als Aquila en Priscilla en hij leide mij den -weg Gods bescheidenlijker uit. Sinds werd ik door het Consistorie -toegelaten als leeraar der Kerke in de verstrooiing en ik trek rond -van schuilhoek tot schuilhoek, om de schaapkens Christi het Woord Gods -te brengen en ook, als het zijn moet, met hen het zwaard te trekken -en hen te leiden in den strijd tegen de onbesnedenen van harte, -de Papisten en hun aanhang." - -Jacob keek naar het bleeke, strakke gelaat en de donkere oogen, die -gloeiden van somber vuur, en hij begreep, hoe deze prediker in de -woestijn, door het lijden en de vervolging verbitterd, er toe kwam om, -liever dan de troost des Evangelies, de wrake Gods te prediken. - -Ondertusschen hadden de vrouwen op een paar op vaatjes gelegde planken -een eenvoudig avondmaal gereed gezet. Jacob maakte zich gereed om -met den predikant, de Welle en de oudsten der kleine kolonie aan te -zitten, toen zijn oog op den monnik viel, die met zijn blikken de -spijzen verslond. - ---"De man heeft honger! Heeft hij niets te eten gehad sinds van -morgen?" vraagde hij. - ---"Wij hebben 't hier zelf niet te breed! Wij hebben geen brood en -bier voor zulk ongedierte!" zei een der Geuzen norsch. - ---"De Papist is het vasten gewoon!" spotte een ander. - ---"Hij zal gauw geen honger of dorst meer hebben. Ik denk, dat Daniël -hem heeft bewaard voor het nagerecht!" meende een ander. - ---"Daniël zal geen weerlooze moorden!" zeide Jacob. "Geef den monnik -te eten, mannen! Uit barmhartigheid!" - ---"Een weerlooze moorden? Barmhartigheid met dien Philistijn?" - -Het was de kreupele predikant, die gesproken had. Zijn kleine, tengere -gestalte scheen te groeien, nu hij opstond en met fonkelende oogen -de hand uitstrekte naar den Dominicaan. - ---"Barmhartigheid met een bloedhond van de Inquisitie? Met een dienaar -van Titelman?" ging hij voort met snijdende stem. "Weet gij, wat gij -zegt, jonker?" - -"Is niet de schoolmeester Geleijn de Muler, van Oudenaarde, geworgd -en verbrand, omdat hij den bijbel las?" - -"Is niet Thomas Calberg, van Doornik, levend verbrand, omdat hij uit -een verboden boek een paar godvruchtige liedekens had overgeschreven?" - -"Is niet Wouter Kapel, van Dixmuyden, een godvreezend man en weldoener -der armen, wegens ketterije verbrand?" - -"En is niet Robert Ogier met zijn vrouw en zijne twee zonen te Rijssel -verbrand, omdat zij niet ter misse gingen, maar in hun huis den Heere -God baden en zijn Woord lazen?" - -"Dat hebben de bloedige Titelman en de zijnen gedaan! En gij spreekt -van mededoogen en barmhartigheid met dezen vijand van Gods volk? Zie -toe, dat het u niet ga als Saul, den zoon van Kis, die Agag, -den Amalekiet, spaarde, toen hij hem moest verbannen van voor het -aangezicht des Heeren!" - ---"Ook onze Heere Christus bad voor zijn moordenaren!" zeide Jacob -onverschrokken. - -Hij begreep den haat en de verbittering dier mannen; soms voelde hij -die zelf smeulen in zijn borst. Hij wist, dat Jan Machielsz de waarheid -had gesproken. Maar hij wilde strijden tegen die onheilige wraakzucht -en doen als zijn bijbel hem leerde. Zonder verlof te vragen nam hij -een kroes bier en bracht dien aan de lippen van den monnik. De man -dronk gretig. - -Er ging een gemompel van afkeuring op onder de Geuzen en men hoorde -hier en daar de opmerking maken, "dat Daniël er nu maar een eind aan -moest maken." - ---"Daniël!" riep Jacob, "wat wilt gij met hem doen?" - ---"Hem houden, jonker, tot wij weten, hoe 't met Mieke gaat. Kunnen -wij haar verlossen, dan--zullen wij zien. Maar valt zij in Titelman's -klauwen,--wat zij haar doen, dat zal ik met dezen paap doen, zoo -waarachtig helpe mij God!" - ---"En zoo doe mij God en zoo doe Hij daartoe, als wij allen u niet -daarin bijstaan!" zei Jan Machielsz. - ---"Goed! Het mag zijn!" zei Jacob, "maar maak den monnik nu los -en geef hem eten en drinken. Wij behoeven van de Inquisitie geen -wreedheid te leeren." - -Een oogenblik aarzelde de strooper. - ---"Je zult je zin hebben, jonker," zei hij eindelijk. "Je hebt vandaag -veel voor Mieke gewaagd en dat vergeet ik niet. Maar wat je om dien -vermaledijden paap geeft, begrijp ik niet." - -Door Daniël geholpen, maakte Jacob thans den monnik los van den paal -en liet hem op een der ruwe banken nederzitten. Het duurde eenigen -tijd, voor de gevangene het gebruik van zijn armen terugkreeg. Toen -viel hij aan op het brood en het bier, dat men hem voorzette en at en -dronk gulzig, maar zonder een woord van dank. Zoodra hij verzadigd -was, leunde hij het hoofd in de handen, en scheen in te slapen. Op -de enkele vragen, die men hem deed, gaf hij geen antwoord. - -Daniël haalde gemelijk de schouders op. Zijne makkers hadden onder -een afkeurend gemompel aangezien, dat de gevangene werd losgemaakt en -klaarblijkelijk gaf hij hun in zijn hart gelijk. Om er zich althans van -te verzekeren, dat zijn prooi hem niet zou ontsnappen, bond hij hem de -voeten weder en bevestigde het touw aan een ijzeren ring in den wand. - -Toen alles voor den volgenden dag was bepaald, scheidde men. Het bleek -Jacob, dat er, behalve de schuur, waarin zij zich bevonden, nog eenige -hutten op het eiland waren, dat de vluchtelingen tot schuilplaats -diende. Voor hem en zijne metgezellen werden bossen stroo gebracht, -waarvan spoedig een goed nachtleger werd gespreid. Voor men zich -ter ruste legde, zag Jacob hoe de Dominicaan weder stevig werd -gebonden. Men gaf ook hem echter wat stroo, om op te slapen. - -Den volgenden morgen was alles in de kolonie der vluchtelingen druk -in de weer. - -Na een korte morgengodsdienstoefening gingen allen aan den -arbeid. Eenige mannen en vrouwen verlieten het eiland en gingen in -verschillende richtingen het bosch in of langs de smalle paden, die -door het veen liepen. Zij moesten de vluchtelingen van levensmiddelen -voorzien. Jan Machielsz verklaarde Jacob, dat dit op verschillende -wijzen geschiedde. Sommigen gingen wild stroopen in het bosch, anderen -kregen bij geloofsgenooten giften van veldvruchten, eieren en vleesch, -terwijl er ook waren, die zich niet ontzagen, de hoeven der kloosters -te plunderen en het vee te rooven. - -Een ander deel der mannen hield zich bezig met het in orde brengen -van hunne wapenen, die nog dienzelfden avond dienst zouden moeten -doen. Sommigen, die vluchtelingen waren van Watrelos en Austruweel, -hadden de hunne medegebracht. Men zag tenminste in het kamp -eenige korte handbussen en een paar pieken. Er waren leden van de -schuttersgilden, die hunne handbogen en armborsten nazagen of pijlen -en bouten maakten. De meeste Geuzen waren echter gewapend met recht -op den stok gesmede zeisen, een verschrikkelijk wapen in krachtige -handen, dat zij thans ijverig slepen en wetten. - -Er was zelfs blijkbaar een klein arsenaal aanwezig, want men bood -terstond aan, Jacob van wapenen te voorzien. Hij kreeg een zeer goeden -degen en een paar pistolen: zware, lompe vuurwapenen met lontsloten, -die, als zij eenmaal waren afgeschoten, niet zoo spoedig weer te laden -waren, maar die toch in een gevecht van man tegen man nuttig konden -zijn. De Welle weigerde elk ander wapen, dan een zware "gepinde kodde", -de met stalen punten bezette knots, waaraan hij gewoon was. - -Tegen den middag werd er een korte krijgsraad belegd, waaraan alle -weerbare mannen deelnamen. De holle weg in het bosch bij Langem, -dezelfde plaats, die door Daniël was aangewezen als geschikt voor een -hinderlaag, werd gekozen om het plan ten uitvoer te brengen. Men kon -die plek, dwars door de bosschen heen, onopgemerkt bereiken, en als -men de gevangenen eenmaal bevrijd had, kon men met alle pogingen tot -vervolging spotten, want op de donkere boschpaden, die de Geuzen zoo -uitstekend kenden, zou men hen nimmer durven volgen. - -Het zou donker zijn, als de huifkar op de bepaalde plaats aankwam -en men moest zeker zijn van zijn slag. Daarom zond de Welle een paar -jonge lieden met eenige bossen stroo vooruit. Zij moesten droge takken -sprokkelen en daarvan, tegen het vallen van den avond aan den kant -van den weg een mutsaard maken om en over het stroo. Zóó zou men, op -het gewenschte oogenblik, een helder brandend vuur kunnen ontsteken, -dat voldoende licht zou verspreiden. - -Te vijf uren begaf men zich op weg. Jan Machielsz had allen, die aan -den tocht deelnamen, in de schuur, die het middelpunt was der kleine -kolonie, verzameld en Gods zegen op de onderneming afgesmeekt. Een -traan biggelde langs de gerimpelde wangen van Pieter de Welle, toen -de predikant zijn Mieke aan God opdroeg, bij Wien veel verlossing -was, en Hem smeekte, de onschuldigen te rukken uit de klauwen van -den wreeden Titelman. Ook Daniël had ontroerd het hoofd gebogen. - -Niemand lette op den monnik, die nog altijd gebonden in de schuur -lag en wiens armen slechts werden losgemaakt, als men hem eten en -drinken bracht. Niemand zag, hoe hij met half gesloten oogen loerde -naar den biddenden predikant en de forsche, gewapende mannen, die -ontroerd naar zijne woorden luisterden. - -Na het gebed begaven zich allen op weg, ook Jan Machielsz, die niet in -het kamp had willen blijven. De plaats, waar men zich in hinderlaag zou -leggen, was ongeveer twee uren van de kolonie verwijderd. Alle weerbare -mannen gingen mede, want voor een aanval op het kamp behoefde men niet -te vreezen: er waren geen soldaten in de buurt gelegerd en de afgelegen -plek was slechts aan weinigen bekend, en die weinigen--eenvoudige -lieden, die in het bosch of het veen woonden--waren vrienden van de -vluchtelingen, en zouden hen niet verraden. - -De bewaking van het kamp was opgedragen aan Peerke, een stevigen -kerel uit Diest, die te Watrelos een kogelwond in het been had -gekregen, welke nog niet geheel genezen was. Voor lange tochten was -hij ongeschikt en hij moest zich dus met den post van portier tevreden -stellen, dien hij al grommende waarnam. - -Nu was Peerke een trouw makker, op wien men in alle opzichten kon -rekenen, zoolang hij niet in de buurt van een kanne biers was. Jan -Machielsz en Daniël wisten dat zeer goed; maar daar er op dat oogenblik -op het eiland niets was dan een ton dun bier, die men van een brouwer -te Diest had gekregen, meenden zij van dien kant veilig te zijn: aan -dat dunne, scherpe vocht zou Peerke zich zeker niet bedrinken. Wat de -aanvoerders echter niet wisten, was, dat Peerke van een van de Geuzen, -die geholpen had bij de plundering van een klooster, een vaatje zoete -malvesye had gekocht, dat hij zorgvuldig in den grond had begraven, met -de bedoeling er zich te gelegener tijd eens rustig aan te goed te doen. - -Die gelegen tijd scheen Peerke thans gekomen. Het zou uren duren, -eer de bende haar schuilhoek weder kon bereiken, en hij had dus den -tijd aan zich. De vrouwen waren met haar kinderen in de hutten en -hij was met den gevangen monnik alleen in de schuur. - -Nu was Peerke op zijn manier een man van geweten en hij wou zich -niet bedrinken, vóór hij wist, dat alles veilig was. Toen het geluid -van de voetstappen zijner makkers was weggestorven, begon hij den -monnik stevig de handen op den rug te binden. Daarop nam hij zijn -hellebaard en strompelde het eiland om, om zich te overtuigen, dat -er inderdaad geen gevaar dreigde. Toen had hij, naar hij meende, -zijn plicht volbracht; hij groef het kostbaar vaatje op en torste -het naar de schuur, sloeg de stop uit het spongat en terwijl hij met -welgevallen den geur van den wijn opsnoof, verzekerde hij den monnik, -dat dit nu een patersvaatje was, dat hij, Peerke, op de gezondheid -van den paus en van alle papen zou gaan leegdrinken. - -Toen nam hij zijn tinnen kroes, zette zich in een gemakkelijke houding -bij de ruw opgemetselde schouw en begon met lange teugen te drinken, -terwijl hij van tijd tot tijd ophield, om zijn gevangene mede te -deelen, dat het kostelijk smaakte en dat de paters wel wisten, wat -goed was. - -De monnik zat roerloos, met gesloten oogen, tegen den paal geleund, -waar Peerke hem had neergekwakt. Hij gaf geen enkel teeken, dat hij -de spotternijen van den Geus verstond. - -Maar de krachtige wijn bleek te sterk voor het hoofd van Peerke, -die slechts aan het zware, Vlaamsche bier gewend was. Weldra werd hij -bijzonder vroolijk; hij begon te zingen: een zonderling mengelmoes van -psalmen en luchtige liedjes en hij werd eindelijk zoo welgemutst, dat -hij een kroes van den wijn nam en daarmee op den monnik toewaggelde. - ---"Ik breng 't je, paap," zei hij met dubbelslaande tong. "Jij kunt -het ook niet helpen, dat je een papist bent." - -De monnik had even het hoofd omgewend, maar hij bedacht zich en dronk -met gretige teugen. - ---"Dat smaakt anders dan slootwater, hè?" zei Peerke. "Weet je -wat?" ging hij voort, op goedigen dronkemanstoon, "je moet niet -teruggaan naar dat vermaledijde klooster. Als je tegen de jongens -zegt, dat je geen papist meer wilt zijn, dan zullen ze je losmaken -en dan kon je bij ons een goed leven hebben. Dan zal ik een sneege -deern voor je opschommelen, en Jan Machielsz zal jelui trouwen. Dat -is beter voor een flinken borst." - -De Dominicaan antwoordde niet. - ---"Je bent een stuursche compaan," zei Peerke boos, "en je laat mij -maar alleen kallen. Ik krijg weer dorst, maar jij krijgt niets meer, -als je niet praten wilt." - -Hij waggelde weer naar zijn vaatje en vulde zijn kroes. Hij werd -steeds luidruchtiger en zijn goede luim van zooeven was weldra geheel -voorbij. Hij werd twistziek en eischte, dat de monnik met hem mee -zou zingen. - ---"Komaan, paap," schreeuwde hij; "dat 's je voor en als ze je niet -meezingt, sla ik je de ribben kapot. Komaan!" - - - "Wie wil hooren een nieu liet! - "Luystert toe, ik salt u singen, - "Wat daer t' Antwerpen is gesciet." - - ---"Je, je z... zingt niet mee, verdoemde paap? Wacht, ik z... zal je -l... leeren!" - -Hij stond op, maar struikelde over het vaatje en viel met een slag op -den grond. Een paar malen beproefde hij op te staan, maar tevergeefs; -zijn schelden werd een onverstaanbaar gemompel en weldra bewees een -zwaar gesnork, dat de dronkaard zijn roes uitsliep. - -Nu kwam er beweging in de roerlooze gestalte van den monnik. Zijn -felle zwarte oogen keken schichtig rond en vlogen toen van den slaper -naar het vuur. - -Loopen kon hij niet, want zijne voeten waren stijf bijeengebonden, -maar hij liet zich op zijne zijde vallen, wentelde zich om en om en -rolde zoo naar het vuur. Hij koos een plek uit, waar een groote turf -geheel was doorgebrand, toen draaide hij zich nogmaals om, met den -rug naar den vuurhaard, en, achteruitschuivende, hield hij zonder -aarzelen zijn gebonden handen tegen het brandende stuk veen. De reuk -van het brandende touw, gepaard met een afschuwelijken stank van het -geschroeide vel en vleesch vervulde de schuur. De monnik was vaalbleek; -het angstzweet parelde op zijn voorhoofd en hij liet een dof gekreun -hooren, maar hij liet niet af, al klemde hij de dunne lippen tusschen -de tanden, om het niet uit te brullen van de pijn. - -Nog een oogenblik en met inspanning van alle krachten rukte de monnik -het half doorgebrande touw los en wikkelde haastig de smeulende einden -van zijn polsen. Kreunend bleef hij liggen, terwijl hij de armen -langzaam heen en weer bewoog, om den bloedsomloop te herstellen. De -rest was gemakkelijk. Het zakmes van Peerke stak in de lederen scheede -uit den zak van den wijden broek en was binnen het bereik van de -hand van den monnik. In een oogenblik had hij het touw doorgesneden, -waarmede zijne voeten waren geboeid. Zijn eerste werk was nu naar de -deur der schuur te strompelen, en die te sluiten met den zwaren boom, -zoodat hij niet kon worden overvallen. Toen liep hij langzaam heen -en weder, tot ook zijn beenen weer hun vroegere kracht en lenigheid -hadden terug gekregen en ondertusschen verslond hij gretig het brood -en het spek, dat voor het avondeten van zijn bewaker was bestemd, -en dronk nog eenige teugen van den krachtigen wijn. Hij doopte een -paar lappen in een pot met melk, dien hij vond, en wikkelde die om -zijn verschroeide polsen. Toen was hij gereed om te vluchten. - -Hij ging naar Peerke en nam het mes, dat hij had laten liggen. Een -oogenblik stond hij besluiteloos bij den snorkenden dronkaard. Het -mes trilde in zijne hand en een wreede, woeste trek kwam op het -bleeke gezicht. Daar viel zijn oog op den kroes, dien de slaper hem -goedhartig had toegereikt en het strakke gezicht werd zachter. - ---"Libera nos a malo!" [3] prevelde de monnik, terwijl hij het mes -wegstak. - -Hij ging naar de deur, nam den boom weg en tuurde even voorzichtig -naar buiten. Toen liep hij vastbesloten het smalle pad af, dat van de -schuur naar de gracht voerde. Een paar kinderen, die hij tegenkwam, -gingen schreeuwend op de vlucht. - -De monnik snelde voort. Achter zich hoorde hij de schelle stemmen der -vrouwen en hij begreep, dat hij zich moest haasten. De knuisten dier -kloeke Vlaamsche wijven waren niet te verachten en zij waren zeer wel -in staat, hem tegen te houden. Hij kwam aan de breede gracht. Zonder -te aarzelen sprong hij in het water en met een paar slagen had hij -den overkant bereikt. Toen, zonder zich om de scheldwoorden der -hem vervolgende vrouwen te bekommeren, sloeg hij den weg in, die de -uitgetrokken bende had genomen, wier breed spoor gemakkelijk te volgen -was. Zoo kwam hij veilig door het moeras. Hij was doornat en rilde van -de koude in de vochtige voorjaarslucht, doch hij draafde verder, steeds -het spoor der Geuzen volgende, tot hij in de verte de hooge boomen -zag, die langs den karreweg naar Poperingen stonden. Toen sloeg hij -rechtsaf en springend en soms wadend door de plassen van den broekigen -grond bereikte hij den weg. Eenige oogenblikken rustte hij uit, om -op adem te komen en zijn doornatte kleederen zoo goed mogelijk uit -te wringen. Toen stapte hij ijlings voort in de richting van de stad. - -Intusschen was de bende, onder aanvoering van de Welle en Daniël Tistz -op de plaats aangekomen, waar men, volgens afspraak, de gevangenen -met hun geleide zou opwachten. De jongens, die vooruitgezonden waren, -hadden niets verdachts bespeurd. Zij hadden zich ijverig geweerd: -aan beide kanten van den hollen weg hadden zij een mutsaard gemaakt -van stroo en droge takken, die in een oogenblik kon worden aangestoken. - -De Welle en Daniël begonnen nu hunne mannen hun posten aan te -wijzen. Twee handbusschutters werden met smeulende lonten bij de mijten -geplaatst, met den last om die, op een bepaald sein, aan te steken. De -andere Geuzen, die met bussen, handbogen en armborsten gewapend waren, -werden op de hellingen ter weerszijden van den hollen weg verdekt -opgesteld, om de hellebaardiers van het escorte in bedwang te houden, -terwijl de met pieken en zeisen gewapenden zich in twee partijen -verdeelden, en post vatten in de laagte, waar zij zich in greppels en -achter boomen verscholen. De bedoeling was om den wagen aan te houden -in het laagste gedeelte van den hollen weg, waar de paarden moeite -zouden hebben, de zware huifkar door de modder te trekken. Bij het -licht der ontstoken houtvuren zou men de bewakers achteruitdringen en -ontwapenen. Wie zich verzette, zou worden neergestooten. Dan zou men -de gevangenen bevrijden en met hen, langs de welbekende sluipwegen, -vluchten naar den schuilhoek der Geuzen, aan den boschrand, waar men -voorloopig in veiligheid zou zijn. Dan wilde de Welle met zijn dochter -uitwijken naar Engeland en Jacob had besloten, hem te vergezellen. - -Een oogenblik was het rumoerig geweest in het bosch, toen de Geuzen -hunne posten bezetten, maar weldra was alles stil, want de leiders -hadden hun mannen de grootste omzichtigheid aanbevolen. Schildwachten -waren uitgezet aan beide zijden van het pad, hoewel men geen verraad -te duchten had, en een paar kloeke jongens waren een eind den weg op -gezonden, om de nadering van den wagen te berichten. - -Jacob stond met de Welle en Daniël Tistz dicht bij een der -mutsaarden. Het was reeds zeer donker, want de lucht was nog steeds -betrokken. Men zag maan noch sterren heenschemeren door het jonge -lentegroen der boomen. 't Was stil in het bosch. Men hoorde niets dan -dat eigenaardig murmelen van den wind in de boomtoppen, de eigen stem -der wouden, die de stilte nog schijnt te vermeerderen. Het naargeestig -krassen van een boschuil klonk uit de takken boven hun hoofd. - -Daniël huiverde. - ---"Een kwaad voorteeken," mompelde hij; "als ik nog een papist was, -zou ik een kruis slaan." - ---"Wees stil, ongeluksprofeet!" beet hem de Welle toe, die -zenuwachtiger werd, naarmate het oogenblik naderde, waarop men den -wagen kon verwachten, en die ongeduldig heen en weer liep. Ook Jacob -had moeite rustig te blijven; telkens meende hij eenig gerucht te -hooren op den weg, het kraken der raderen of het klappen van de zweep -en dan betastte hij zenuwachtig de kolf van zijn pistolen. De angst -van de Welle en de gedachte aan het lot, dat de arme Mieke te wachten -stond, als het opzet mislukte, misten ook op hem hunne uitwerking niet. - -Het was nu zeer donker. Hier en daar zag men een vurig punt: de -smeulende lont van een busschieter. Jacob kon de gestalte van Daniël, -die toch vlak naast hem stond, nauwelijks onderscheiden. - -Plotseling boog de strooper zich voorover en luisterde aandachtig. Zijn -geoefend oor had iets vernomen, dat Jacob was ontgaan. Een oogenblik -later hoorde men haastige voetstappen. - ---"Hier!" riep de Welle. - -Een gedaante dook uit de duisternis op; 't was een van de jongens, -die als spionnen waren uitgezonden. Hijgend vertelde de knaap, dat -de wagen er aankwam. - ---"Zijn er soldaten bij, jongen?" vraagde de Welle. - ---"Veel!" verzekerde de knaap, "wel vijftig!" - ---"Onmogelijk!" zei Daniël ongeloovig. "Je hebt ze niet kunnen tellen, -Tist. 't Is te donker!" - -Neen, geteld had de knaap ze niet. Maar hij was den wagen tegemoet -geloopen tot buiten het dorp, waar geen boomen stonden en daar was -het zoo donker niet. Hij was zeker, dat er een groot aantal soldaten, -vijftig of zestig wel, bij de kar waren. - ---"De jongen is gek," meende de strooper. "Waar zou de schout van -Poperingen opeens zooveel soldaten vandaan halen?" - ---"Je hebt je toch niet vergist, jonker?" vraagde de Welle met een -licht trillende stem. - ---"Zeker niet," antwoordde Jacob. "Die schoutendienaar sprak van een -twaalftal hellebaardiers. Meer waren er niet!" - ---"Ik begrijp het niet," zei de oude boschwachter heesch. "Als die -jongen gelijk heeft..." - -Hij voltooide zijn zin niet en ook de beide anderen zeiden niets. Zij -wisten, wat hij bedoelde: hun geheele bende was slechts een twintigtal -mannen sterk. - -Maar nu hoorde men flauw in de verte de klets van de zweep van den -voerman. Een zacht fluiten, dat hier en daar herhaald werd, gaf aan -de in hinderlaag liggende Geuzen het teeken, om zich gereed te houden. - -Het kraken van de wielen van de huifkar, het klotsen van zware -voetstappen, het kletteren van wapenen, eerst flauw, dan duidelijker -en duidelijker aankomend door het donkere bosch. Op den weg een -flikkerend licht, op en neer dansend, zwaaiend en schokkend: de -lantaarn van de kar, die aan den disselboom opgehangen, den weg voor -het tweespan verlichtte. - -Het beslissend oogenblik was daar. - -In ademlooze spanning zag Jacob het zwaaiende licht nader en nader -komen, en, terwijl hij staarde, meende hij op de hellingen boven zich -een onverklaarbaar gedruisch te hooren, het kraken van takken, het -ritselen van dorre blaren. Een paar nachtvogels vlogen krijschend op. - -Hij had geen tijd, om zich rekenschap te geven van die geheimzinnige -geluiden, want de wagen had nu het laagste punt van den weg bereikt en -de pooten der paarden klotsten in het modderige water. De Welle bracht -den koehoorn, die aan een koord om zijn hals hing, aan den mond en het -holle geluid klonk door het bosch. Een rood vlammetje verscheen aan -den kant, waar de mutsaard stond. Het droge stroo vatte vuur; roode -en gele vlammen lekten naar boven en een rossige gloed verlichtte de -donkere stammen en wierp zijn schijnsel op den wagen en de mannen, -die hem begeleidden. - ---"Vive le Geus!" klonk het uit twintig schorre kelen en een troep -mannen, met pieken en omgesmede zeisen gewapend, sprong van achter -de boomen te voorschijn en versperde den weg. - -Maar wat was dat? - -Een zware losbranding op de helling boven hen, donderend voortrollend -door de boschlanen, nog een--en nog een! Roode vuurtongen, -uitschietende uit de duisternis--en een paar van de schutters der -Geuzen, die, door den gloed der opvlammende houtmijten beschenen, -een voortreffelijk mikpunt aanboden, zonken ineen. Op den weg klonk -een luid commando en de verbijsterde aanvoerders zagen een half -vendel soldaten, die zich in goede orde met gevelde pieken om den -wagen schaarden. - ---"Vive le Roy! Slaet dood de Geuzen!" klonk het uitdagend. - -Het toeval was den monnik gunstig geweest. Hij had niet alleen den -wagen met zijn escorte kunnen ophouden, maar hij had ook een half -vendel van het voetvolk van Egmond ontmoet, dat zich van Rijssel naar -zijne kwartieren in Zeeuwsch-Vlaanderen begaf. Toen de jonge luitenant, -die den troep commandeerde, hoorde wat er gaande was, had hij niet -alleen terstond aangeboden, den wagen met de gevangenen veilig naar -Rousselaere te geleiden, maar hij had zelfs een plan gemaakt, om de -Geuzen in hun eigen strik te vangen, en hun een geduchten slag toe -te brengen. - -De monnik had goed geluisterd. Hij kende het plan, want men had het -in zijn bijzijn besproken, en niemand had er aan gedacht, zich in -acht te nemen voor den hulpeloozen gevangene. De schoutendienaars -uit Poperingen kenden de plek, door den Dominicaner beschreven, en de -luitenant had de zes arquebusiers, die zich bij zijn troep bevonden, -de helling doen beklimmen, zoodat zij op het beslissende oogenblik -met hun vuurroeren de aanvallers in den rug konden bestoken. - -Eén oogenblik stond de Welle het tooneel beneden hem met verwilderden -blik aan te staren. Hij werd door het volle licht van een der -mutsaards beschenen en een kogel snorde hem langs het hoofd, uit een -der Spaansche vuurroeren. Maar de gevangenen in den wagen konden hem -daar ook zien en herkennen. Een schreeuw klonk van de kar, de huik -van een der ineengedoken gestalten viel af en Mieke stond rechtop, -met uitgestrekte armen, naast den voerman. - ---"Vader!" gilde zij; "vader! hulp!"... - -Het meisje maakte een beweging, als wilde zij van de kar springen, -maar een donkere gedaante kwam achter uit den wagen te voorschijn, -een lange, magere arm werd om haar heen geslagen, en dwong haar terug -op haar bank. Een bleek, vertrokken gezicht keek hoonlachend op naar -de Geuzen. - ---"Hel en verdoemenis! De monnik!" siste Daniël. "Wacht, Judas!" - -Met een ruk had hij den armborst aan den schouder, de pees klonk, en -met een bout in de keel tuimelde de monnik achterover. Niemand dan de -schutterkoning van Poperingen had, bij dit onzekere licht, het schot -kunnen wagen, zonder gevaar te loopen het jonge meisje te treffen. - -Maar de hulpschreeuw van zijn dochter had de Welle gewekt uit zijn -verbijstering, die hem een oogenblik had doen weifelen, toen hij zich -zoo onverwachts geplaatst zag tegenover een zoo geduchte overmacht. - ---"Vive le Geus! Slaet dood!" schreeuwde hij, en door Jacob en Daniël -gevolgd, sprong hij in den hollen weg, om zich aan het hoofd der -zijnen te stellen. - -En nu volgde er een verwoed gevecht. De soldaten namen den wagen in -hun midden en maakten met gevelde speren front tegen de aanvallers, -terwijl de Geuzen hen van twee kanten bestookten, en door verwoede -aanvallen trachtten door hunne gelederen heen te breken. - -Het woeste geschreeuw der vechtende mannen, het wapengekletter, -soms overstemd door den doffen knal van een pistool of een bus, het -gegil en geschrei der gevangen vrouwen en het kermen der gekwetsten, -vervulden het bosch met een woest rumoer. - -Zonder orde, maar met woeste dapperheid, drongen de Geuzen telkens -weder op en trachtten den wagen te bereiken, maar telkens werden zij -teruggeslagen, terwijl de musketiers, op de hellingen geposteerd, -hunne vuurwapenen weder hadden geladen en door eene onverwachte -losbranding een paar der aanvallers buiten gevecht stelden. - -De strijd in den hollen weg was kort maar hevig, en de uitslag kon -niet twijfelachtig zijn. De Geuzen werden teruggedrongen; een achttal -hunner was dood of gewond. - -Daar zonk de Welle, die in de voorste rij met den moed der wanhoop had -gevochten en met zijn gepinde kodde reeds drie soldaten had neergeveld, -door een kogel getroffen, neer. Op het gezicht van den val van hun -aanvoerder, ontzonk den Geuzen de moed. Zij deinsden achteruit. - ---"De gewonden, mannen! Neemt de gewonden mee!" riep Jacob Martens, -die begreep, dat de aanslag mislukt was. - -Een paar zeisdragers volgden hem, en, met hunne wapens zwaaiende, -maakten zij een oogenblik ruim baan. De Welle en nog twee anderen -werden haastig opgenomen en weggedragen. Toen vluchtten de Geuzen en -waren weldra buiten het schijnsel der vlammen en in het donkere bosch, -waar zij alle paden kenden en waar de soldaten hen niet durfden volgen. - -Allen waren gevlucht, behalve Daniël. Even buiten den lichtkring, half -verborgen achter een beukenstam, stond de strooper en staarde naar de -huifkar, waar een paar der stadshellebaardiers zich thans bezig hielden -met het lijk van den monnik, die tusschen de verschrikte gevangenen was -neergezegen. Op de voorste bank zat Mieke. Toen zij de Welle had zien -vallen, had zij een gil gegeven. Thans keek zij met strakke, wanhopige -blikken naar het donkere geboomte, waarin zij hem had zien wegdragen. - -Een siddering ging door het lichaam van den strooper. - -Wild keek hij om zich heen. Achter zich hoorde hij de stemmen der -aftrekkende Geuzen, die hem toeriepen te vluchten. Vóór zich zag hij -de huifkar, waar thans de soldaten zich om verdrongen, die zoo goed -mogelijk hun gewonde makkers verzorgden, en het doodsbleeke meisje, -dat hij en zijn makkers aan haar lot moesten overlaten--Mieke in de -handen van Titelman! - -Vaster omklemde Daniël zijn gespannen armborst, er kwam een woeste -blik in zijn starende oogen en hij klemde de lippen op elkander. - ---"Nooit!" steunde hij. "Dan liever..." - -Hij bracht den kruisboog aan den schouder. - ---"Mieke!" schreeuwde hij. Het meisje zag om. - -Het staal van den armborst klonk. Met een flauwen kreet, dwars door -het hoofd geschoten, zonk Mieke achterover. - -Een paar soldaten, die den schreeuw hadden gehoord, drongen het -bosch in, maar zij hoorden slechts een akeligen lach uit het donkere -geboomte opklinken. - -De wildstrooper was verdwenen. - - - - - - - -XII. - - -West-Vlaanderen sluimert rustig in den stillen zomernacht. - -De eindelooze korenvelden golven en ruischen zacht in den nachtwind, -de boomgaarden van Dixmuiden wiegen hunne met jong fruit beladen -takken, de hopvelden van Poperingen geuren en zwaaien als groetend -met hunne lange slingers. De dorpen slapen in het starrelicht, een -donkere boomgroep, midden tusschen de velden, wijst de ligging aan van -een eenzame hofstede en ver in het Westen, breed langs den duinrand, -liggen de zwarte schaduwen der bosschen. - -Een kalm, welvarend landschap in ruste! Alleen het geblaf van een -werfhond verstoort nu en dan de groote stilte. - -Dan wordt de donkere nachthemel in het Westen eensklaps verlicht door -een vreemden rossen gloed, dat rosse wordt vlammend rood en vuurtongen -lekken door de duisternis. Tegelijk klinkt een schel, dun klokgelui -met kort, haastig geklep over de velden, nog eenige oogenblikken -en twee, drie kerktorens antwoorden met jammerend noodgelui en van -Hondecoeter naar Killem en Oostcappel, van Winnezeele en Oudezeele naar -Reynighelst, Lokeren en Kemmele, tot Dracoultre in het Fransche toe -kleppen en beieren de klokken en waarschuwen de Roomsche landlieden, -maar vooral de geestelijken en kloosterlingen, die niet geborgen -zijn binnen de veilige wallen der steden, lijf en goed te bergen in -haastige vlucht. - -De Wilde Geuzen komen! - -In de bosschen en moerassen van West-Vlaanderen hebben zij een veilige -schuilplaats gevonden, de vluchtelingen van Austruweel en Watrelos, -de Gereformeerden uit Valenciennes en Doornik, die de beulen van -Noircarmes ontkomen zijn, allen, die vreezen voor hun vrijheid of hun -leven, nu de Regeering heeft gezegevierd en bittere wraak neemt op -de overwonnen Geuzen voor de doorgestane angsten. Ze leven er in de -open lucht of in inderhaast opgeslagen schuren en loodsen van hetgeen -hunne geestverwanten in geheel Vlaanderen en Brabant hun heimelijk -doen toekomen, of wat zij de Roomsche bevolking afpersen door vrees -of door geweld. Zij hebben hun predikanten en onderhouden zoo goed -mogelijk het godsdienstig leven, waaraan zij gehecht zijn. Maar door -het ongeregelde, avontuurlijke leven, dat zij leiden, verwilderen -zij maar al te ras. Van vervolgden worden zij bloedige vervolgers, -de schrik en de vloek van de streek, waar zij huizen. - -En het zijn niet alleen vluchtelingen en vervolgden, die zich ophouden -in hunne geheime en moeilijk toegankelijke schuilhoeken. Zooals elke -groote beweging, heeft ook deze haar zelfkant. Tal van landloopers -en vaganten, waaraan de 16e eeuw zoo rijk is, hebben zich onder -allerlei voorwendsels bij hen aangesloten en men heeft de vreemde -elementen niet altijd kunnen weren. En al spoedig wilde men het niet -meer. Naarmate de strooptochten stouter werden, de daden bloediger, -werd ook de tegenstand heviger. Er werden door Egmond en Bakkerzeele -soldaten gezonden, om de woeste benden, als 't mogelijk was, uit te -roeien en weldra was elk stoutmoedig man, die de wapenen kon voeren, -hun welkom, zonder dat men naar zijn verleden of belijdenis vraagde. - -De Wilde Geuzen komen! - -'t Is een stroop- en plundertocht, zooals ze dien telkens ondernemen, -want hun aantal groeit steeds aan, geregelden arbeid hebben zij niet -en hetgeen hunne vrienden hun doen toekomen, of wat zij de Roomsche -bevolking in de nabijheid hunner schuilplaatsen weten af te dwingen, -is dikwijls ontoereikend. Dan moeten de verder gelegen dorpen, vooral -de kloosters en geestelijke gestichten, het ontgelden. Ze worden -zonder genade geplunderd en in brand gestoken en dikwijls worden de -kloosterlingen mishandeld en vermoord. Want een woeste haat tegen de -Roomsche geestelijkheid vooral bezielt hen en menig onschuldige moet -boeten voor Noircarmes' wreedheid te Valenciennes. - -En daarom klinkt het noodgeklep der dorpsklokken over de velden, -waarschuwend al wie hun wrake te vreezen heeft. - -De Wilde Geuzen komen! - -Ze zijn hun tocht begonnen met het overvallen van de hoeve van een -rijken, Roomschen boer, die meende hen te kunnen trotseeren. Ze hebben -het huis geplunderd en in brand gestoken, het vee door de vrouwen -en jongens laten wegdrijven naar hunne schuilhoeken en den huisman -en zijn van angst sidderend gezin, onder woeste spotternij het veld -in gejaagd, "om hulp te gaan zoeken bij zijne Santen", zooals zij hem -najouwen. Thans gaat het verder, dieper landwaarts in. Reeds hebben ze, -weinige weken te voren, de dorpen Herzeele en Houtkerke overvallen en -er de kerken verwoest en in brand gestoken. Thans geldt het Oostcappel. - -De Wilde Geuzen komen! - -Snel rukken zij voort bij het licht van enkele toortsen en pekkransen, -want in hun onverwachten overval, hun snelle bewegingen schuilt hun -kracht. Een gedeelte, de kern van den troep, bewaart een soort ruwe, -militaire marschorde. Zij hebben aanvoerders, die zij erkennen en -gehoorzamen en zijn onderworpen aan een zekere krijgstucht. Dat -zijn de vluchtelingen uit het Geuzenleger en de Gereformeerden, -uitgewekenen uit de door de troepen der Regeering verwoeste steden. - -Maar met hen mede, in den tros van den troep, trekken een aantal -havelooze en verwilderde gestalten, die doen wat goed is in hun -oogen en wier bandeloosheid de beter gezinden niet kunnen bedwingen -of misschien maar al te gemakkelijk verontschuldigen. Allen zijn -gewapend, maar ieder heeft zich van een wapen voorzien, zoo goed -hij kon. De vluchtelingen uit het Geuzenleger hebben hunne hand- -en haakbussen, hunne pieken en rapieren, de jagers en boschwachters -hunne armborsten en kodden, maar anderen dragen rechtgesmede zeisen, -hooi- en mestvorken, zware knuppels met ijzeren pinnen, bijlen en -messen, dorschvlegels--het vreedzaam gerei van den landbouw wordt -tot moordwapen in de handen der wanhopende, verwilderde benden. - -Achter hen volgt een wagen, met een paar kloeke Vlaamsche paarden -bespannen. Die zal straks dienen om den buit mee te voeren, den -mondvoorraad, waaraan de ballingen behoefte hebben, ook de gewonden, -indien er tegenstand mocht worden geboden. Thans dient hij tot vervoer -van een, dien niets kon weerhouden om aan den strooptocht deel te -nemen, maar wiens zwak lichaam den snellen marsch der Geuzen niet -kon volgen. - -'t Is Jan Machielsz, de kreupele predikant. - -Sinds hij predikte in 't Spaansche Dal bij Poperingen is er veel met -hem gebeurd. Van Bakkerzeele, Egmont's stadhouder, had gedaan wat -hij kon, om de deelnemers aan den stouten aanslag in den hollen weg -naar Poperingen in handen te krijgen, en de Geuzen, die zich in hun -schuilhoek niet veilig achtten, hadden zich naar alle richtingen -verstrooid. Verscheidenen waren uitgeweken naar Engeland en hun -broeders in de visschersdorpen langs de kust hadden hen gaarne -de behulpzame hand geboden om te vluchten. Ook Jan Machielsz was -door een Duinkerker visscher in Engeland aan wal gezet. Hij had er -kennis gemaakt met andere ballingen, die veilig waren in het vreemde -land en er hun God konden dienen naar hun geweten, maar die toch -terug hunkerden naar het schoone, bloeiende Vlaanderen, naar hunne -vrienden en magen, die zij er hadden moeten achterlaten. En er waren -geestdrijvers onder, die gaarne luisterden naar de gloeiende woorden -van den kreupelen prediker, voor hen de taal van een vast en krachtig -geloof. "Zou de arm des Heeren verkort zijn?" "Was het niet in de -hand van den Heer der heirscharen, verlossing te geven door de hand -van velen of weinigen?" "Had niet Gideon met een handvol volks het -leger der Midianieten verslagen?" Zoo sprak Jan Machielsz, en zijne -hoorders, mannen met bleeke, vastberaden gezichten, stemden er mee -in. Zoo God vóór hen was, wie zou tegen hen zijn? En zij hadden zich -heimelijk gewapend, een vijftigtal slechts en in twee visschersbooten -waren zij de zee overgestoken en, in West-Vlaanderen geland, waren -zij moedig voortgetrokken, zonder bepaald plan, met de vage bedoeling, -Gods volk te verlossen uit de hand der Philistijnen en de ware Kerke -te stichten op de puinhoopen der valsche, in de stellige verwachting, -dat de Heere met hen zou strijden en hen door een wonder van Zijn -machtige hand de zege zou doen behalen. - -Zij hadden een paar kerken en kloosters verwoest en in de asch gelegd, -toen zij door een vendel van Egmont's krijgsvolk werden overvallen -en verstrooid. Zij, die den dood door het staal of den strop waren -ontkomen, waren Jan Machielsz gevolgd naar de ontoegankelijke -schuilhoeken in het Zuid-Westen, waar de Wilde Geuzen huisden. De -kreupele prediker was er met blijdschap ontvangen, want zijne prediking -was naar het hart der wilde gezellen en de man, die eens de martelares -een woord van troost en bemoediging had toegeroepen, werd meer en meer -de starre dweper, die niet meer wist van het Evangelie der liefde, -maar wiens hartstochtelijke predikaties, meestal aan woorden uit -het Oude Testament ontleend, aanhitsten tot wraak en verdelging, tot -wreede vervolging van priesters en kloosterlingen en tot verwoesting -van alle kerken en kloosters in den omtrek. - -De besten onder de Boschgeuzen beschouwden hun strijd als de laatste, -wanhopige worsteling tegen de zegevierende Regeering, van wie zij geen -genade hadden te hopen. Maar de groote meerderheid, weldra aan het -avontuurlijke leven gewend, had smaak gekregen in den guerilla-oorlog, -dien zij tot nog toe vrijwel straffeloos hadden kunnen voeren en -dachten niet aan de toekomst. - -Aan het hoofd van de geregeld voortmarcheerende kern van den troep -schreed Pieter de Welle met Jacob Martens. Zij waren gedwongen -geweest een toevlucht bij de Wilde Geuzen te zoeken, wachtende op -den volksopstand, waarop sommigen in die dagen nog hoopten. Spoedig -waren zij als aanvoerders bekend, voor zoover de tuchtelooze bende -geneigd was, aan eenig gezag te gehoorzamen. De oude boschwachter -trok gaarne op aan het hoofd van zijn woeste gezellen. Sinds den -dood van zijn dochter behoorde hij tot de ijverige aanhangers van Jan -Machielsz. Hij haatte de "papen", en het "verbannen der Amalekieten", -waartoe de kreupele predikant aanspoorde, scheen den verbitterden man -een godgevallig werk. En zoo de door de ballingen gepleegde wreedheden -Jacob al tegen de borst stuitten, het ruwe krijgsleven der laatste -maanden, de doorgestane ellende en de geheele toon en denkwijze van -de omgeving, waarin hij leefde, maakten, dat hij zich spoedig aan de -onvermijdelijke gruwelen van den guerilla-krijg begon te gewennen. Dat -hij streed voor en met de Geuzen, bij wie hij een schuilplaats had -gezocht en gevonden, sprak, naar hij meende, vanzelf. En dikwijls -genoeg hadden de ballingen zich te verweren tegen de troepen van den -stadhouder, die hun den terugtocht naar hunne schuilplaatsen zochten -af te snijden en hun den behaalden buit afhandig wilden maken. - -Aan de spits van den troep, dicht achter de Welle en Jacob Martens, -liep een der Geuzen, met een stalen armborst en een lang kruismes -gewapend, zacht in zichzelf mompelend, alleen. Zijne metgezellen -weken bijna allen schuw ter zijde, wanneer zij in zijne nabijheid -kwamen. Niemand zou in de magere, gebogen gestalte, met het bleek -gelaat, de ingevallen wangen en de groote, strak voor zich uit starende -oogen, den vroolijken, luchthartigen Daniël, den koenen wildstrooper, -hebben herkend. Na den noodlottigen nacht, toen hij Mieke de Welle -had doorschoten, om haar niet levend in de macht van den inquisiteur -te laten vallen, was de jonge man geheel veranderd. Uren lang zat hij -voor zich uit te staren, steeds voor zich heen woorden prevelend, die -niemand verstond. Hij bemoeide zich met niemand en gaf geen antwoord, -als men hem iets vroeg. Het eenige, wat hij deed, was het maken van -bouten voor zijn kruisboog en het slijpen van zijn lang mes. De overige -ballingen hielden hem voor krankzinnig of bezeten door een boozen geest -en ontweken hem schuw. Slechts als een strooptocht werd ondernomen, -ontwaakte Daniël uit zijn droomtoestand. Dan was hij in de voorste -gelederen te vinden en hij vocht met woede en verbittering. Aan de -plundering van de hoeven der Roomschgezinden of der geestelijke -gestichten nam hij nimmer deel, al had men hem dikwijls met een -woesten trek op het gelaat zien staren in de vlammen der brandende -gebouwen. Maar wee den priester, wee den monnik vooral, die zich bij -het naderen der Geuzen niet had weten te bergen, wanneer hij onder -schot van Daniëls kruisboog kwam. Dan werd de stalen kruisboog naar -den schouder gebracht, het strakke oog zocht het doel en de nimmer -falende bout doorboorde het hoofd van het slachtoffer, altijd op -dezelfde plaats, daar, waar hij Mieke had getroffen. - -De bende marcheerde snel voorwaarts. De hoeve, die zij in brand hadden -gestoken, behoorde aan dien Roomschen boer, die, omdat er geruchten -liepen, dat de Regeering aan de buitensporigheden der Boschgeuzen -voorgoed een einde zou maken, het had durven wagen, de hem opgelegde -schatting van levensmiddelen niet te betalen. Maar het doel van den -tocht ligt verder. - -En van alle zijden klinkt over de slapende velden het angstig jagend -kleppen van de stormklok, waarmede de dorpen elkander waarschuwen. - -De Wilde Geuzen komen! - -De bewoners der verspreide hoeven en der dorpen, in de nabijheid van -de schuilplaatsen der vermetele gasten, zien hen voorbij trekken -met verbeten woede of met een glimlach van geheime voldoening, al -naar dat ze goed Roomsch zijn, of, zij 't ook in 't geheim, tot de -vele Gereformeerden behooren. Zij hebben niets te vreezen. Hetzij -vrijwillig, hetzij gedwongen, allen betalen op de een of andere wijze -schatting aan hunne gevaarlijke buren, en zoo "zitten zij op veylighe -waernis" en ze behoeven niet bevreesd te zijn voor plundering of -overlast, want de Geuzen weten, dat zij van die schatting moeten leven -en komen de gesloten overeenkomst getrouw na. En de West-Vlaamsche -boeren koopen zich veiligheid voor leven, hof en have door dien -onderstand, in 't geheim gegeven, uit vrees voor de Regeering. - -Daar klinkt van den wagen een schelle stem. 't Is die van Jan -Machielsz. De predikant-aanvoerder wekt zijne mannen op, een lied -te zingen, een der psalmen Davids. En allen kennen ze de psalmen van -Petrus Dathenus, misschien de vloekpsalmen nog het best, maar ook de -strijdzangen, ook de smeekbeden, de liederen van hope en vertrouwen. - -Maar thans is 't een der lievelingspsalmen van den kreupelen prediker -in de woestijn, die worden aangeheven. 't Zijn verzen van psalm -109: Gods toorn wordt afgebeden over den vijand, den verdrukker van -Gods volk. - - - "Hij heeft den vloeck gewenscht alommen," - - -klinkt het rauw over de velden, - - - "Laet dien nu, Heer, over hem kommen; - "Hij begeerde nooit gheenen zegen, - "Dies geef hem dien in gheenen wegen. - "Laet hem met ongeluck en leet - "Als met eenen rock sijn gekleet. - - "Gelijck men 't water pleegt te drincken, - "Wil hem also den vloeck toeschinken; - "So d' olie de beenen doordringet, - "Laet hem oock so wezen omringet, - "En als met een rieme seer snel, - "Omgegort zijn met vloecken fel. - - "Dit sij 't loon in allen landen - "Mijner moedwillige vijanden; - "Laet sulcks de kwade tong beërven, - "Die met list soecken mijn verderven. - "Maar Gij, o Heer, in desen noot, - "Help mij om Uws Naams wille groot." - - -Het psalmgezang der Geuzen klinkt als dreigend antwoord op het -waarschuwend geroep der kerkklokken. Dan verstomt het, want in de -schemering van den zomernacht doemen de eerste hoeven van Oostcappel -op: het doel van den tocht. De oude toren steekt als een donkere -massa af tegen de starre lucht. 't Is of de kerkklok haastiger, -dringender roept en jammert, naarmate de bende het dorp nadert. Maar -als de Geuzen de eerste huizen hebben bereikt, zwijgt het noodgelui: -de koster, die het touw trok, is met de andere dorpelingen gevlucht. - -Naarmate de bende Oostcappel naderde en de bewoners begrepen, dat het -onwelkome bezoek hen gold, was het levendig geworden in het stille -dorp. Rondom de donkere hoeven bewogen zich dwalende lichten; bij het -schijnsel der stallantaarns werd het vee uit de weiden gedreven, om het -zoo gauw mogelijk in veiligheid te brengen, en het geloei der runderen -vermengde zich met het woedend geblaf der werfhonden, het geroep der -drijvers en het angstgeschreeuw van vrouwen en kinderen. De meesten, -die wat te verliezen hadden, verlieten huis en have en vluchtten -langs de donkere landwegen, noordwaarts op. - -Heer Henricus Turck, de oude pastoor van Oostcappel, was uit zijn -slaap opgeschrikt door zijn koster, die hem verlof kwam vragen, de -noodklok te luiden. De man zelf was door de ontstelde boeren gewekt; -hij had in de verte het stormgelui gehoord en begrepen, dat het zaak -was, het waarschuwingssein verder door te geven. - -Pastoor Turck had de gewenschte vergunning verleend. Toen had hij zich -haastig aangekleed en was naar buiten gegaan, om zijn verschrikte -parochianen gerust te stellen, terwijl boven hunne hoofden de klok -in den ouden, verweerden toren haastig en zenuwachtig klepte. Men -moest zich niet noodeloos ongerust maken, men wist niet welk gevaar er -dreigde, noch wien het gold. Men moest liever vlijtig zijn rozenkrans -bidden en den bijstand inroepen van Sint Servaes, den patroon van -het dorp, den heiligen martelaar, wiens beeltenis op het altaarstuk -prijkte. - -En inmiddels zond hij een rappen boerenknaap naar den torentrans, -om te zien, van waar het onheil dreigde. - -De verkenner kwam weldra terug met verontrustende berichten. Hij -had den brand in de verte gezien en ook de toortsen der benden, -die voortrukten in de richting van het dorp. Weldra, eerst flauw -nog, maar allengs duidelijker, hoorde men het psalmgezang van den -naderenden troep. Nu was er geen twijfel meer mogelijk! Zij waren -het, de vermaledijde ketters, de Wilde Geuzen,--en het gold hun dorp, -het gold Oostcappel. - -En onder luide verwenschingen, gejammer en geweeklaag werd het -kostbaarste inderhaast bijeengepakt en op de haastig ingespannen kar -geladen, de knapen dreven het vee uit de naastbij liggende weiden den -weg op en de verschrikte bevolking vluchtte, om veiligheid te zoeken -binnen de sterke wallen van Yperen. - -Toen de Geuzen de eerste boerenerven van het dorp bereikten, vonden -zij die ledig en verlaten. Zulk eene Vlaamsche hoeve, alleen staande -in het wijde land te midden van haar hoog geboomte, was anders een -niet te minachten versterking en zeer wel in staat, den aanval -van een stroopende bende landloopers te weerstaan. Het steenen -woonhuis vormde met de schuren en stallen één geheel, dat de ruime -binnenplaats omgaf en dikwijls nog door een gracht of breede sloot -was omgeven. Was de brug over die sloot opgehaald, dan was het niet -gemakkelijk zich toegang tot de boerderij te verschaffen, vooral als -die toegang betwist werd door den boer en zijn stevige knechts. Maar -thans dacht niemand aan verzet. In korten tijd hadden de Boschgeuzen -zich een geduchten naam weten te verwerven. Het landvolk sidderde -voor de woeste, vermetele avonturiers en alleen de geregelde troepen -der Regeering, die soms tegen hen werden uitgezonden, waren in staat, -hen naar hunne ontoegankelijke schuilhoeken terug te jagen. - -Tot eere der Boschgeuzen zij het gezegd, dat zij zich nergens -als gewone roovers gedroegen. Zij waren geen brandstichters en -plunderaars, en de buitensporigheden, waaraan de mindere elementen -onder hen zich vaak schuldig maakten, werden door de betergezinden -zooveel mogelijk belet. - -Maar zij waren wanhopigen, vogelvrij verklaarden in hun eigen -vaderland. De laatste strijders voor een verloren zaak. Sedert de -zegepraal der Regeering durfden hun eigen geestverwanten hen slechts -tersluiks eenige hulp verschaffen. En zij moesten leven, de ballingen, -die door hun eigen land waren uitgeworpen. En daarom drongen zij de -grootste hoeven binnen, om zich meester te maken van de levensmiddelen, -die zij er vonden. De ovens werden geplunderd en de zware brooden -werden, met zakken meel, kazen, hammen en zijden spek en wat er verder -eetbaars gevonden werd, op de kar geladen. De kippen, eenden en ganzen, -die men in hunne hokken aantrof, moesten het mede ontgelden. En toen -de wagen volgeladen was, zetten de paarden aan, sterke vuisten hielpen -de raderen in beweging brengen, en door het grootste gedeelte der bende -begeleid, verdween de kar in het halfduister van den zomernacht, onder -het gejoel der Geuzen, die juichten om den goed gelukten strooptocht. - -Maar een ander deel was achtergebleven. Dat waren de dwepers, wien -het niet te doen was om den buit, de verbitterden, die eigen leed -en dat van de vermoorde broederen te Valenciennes en elders, wilden -wreken op de Roomsche geestelijkheid, op de kerken en kloosters. En -zij gaven er weinig om, of hun wraak ook de onschuldigen trof. - -Nu drongen zij, weer luide hun vloekpsalmen aanheffend, door de -verlaten dorpsstraat, naar de oude dorpskerk. Daar moesten de beelden -neergerukt en vertrapt, daar moest de "broodgod", zooals zij schimpend -de hostie noemden, bevuild en besmeurd gestrooid op de trappen van -het gehavende altaar. En de roode haan moest kraaien op het dak! - -Wat heeft Heer Henricus Turck, die met zijn parochianen was gevlucht, -bewogen om terug te keeren? Voelde de oude man zich een onwaardig -herder, een onwaardig priester, omdat hij het heiligdom, dat aan -zijne zorgen was toevertrouwd, zonder weerstand aan de ruwe gasten -overliet? Wilde hij het Allerheiligste, de hostie, voor hem het lichaam -zijns Heeren, redden en bewaren voor ontwijding? Dit laatste is wel -het waarschijnlijkste. Pastoor Turck was althans teruggekeerd, door de -groote deur onder den toren, die de koster bij zijn vlucht verzuimd -had te sluiten, was hij de kerk binnengetreden, en toen de Geuzen er -binnen drongen, zagen zij bij het flauwe licht der altaarkaarsen den -grijsaard, die juist den monstrans uit den tabernakel had genomen. - -Een wild geroep van "slaat dood den paap! slaat dood den -baälspriester!" ging uit de bende op. - -Bij het roode licht der fakkels ziet pastoor Turck wilde gestalten -naar het altaar dringen, hij hoort bedreigingen en scheldwoorden, -wapens flikkeren in het licht der gewijde kaarsen. - -Begreep de oude man, dat hij in doodsgevaar verkeerde? Meende hij -de woeste bende te kunnen bedwingen, door hen voor te houden wat -voor hem het Allerheiligste was? Hoe het zij, hij bleef staan op de -bovenste trap van het altaar en hield de aanstormende Geuzen den met -beide handen hoog opgeheven monstrans voor. - -Dat was zijn doodvonnis. Een gehuil van woede ging op uit de dweepzieke -bende. "Slaat dood den paap!" klonk het opnieuw. Een der Geuzen, -die met een vuurroer gewapend was, vloog de trappen van het altaar -op en sloeg met de kolf van het zware wapen den grijsaard neder, -zoodat hij naar beneden tuimelde. Hij slaakte een kreet van pijn -en ontzetting. Hij had de patena laten vallen, en de hostiën rolden -over den grond en werden met voeten getreden, terwijl de grijsaard -jammerend ineenkromp, onder de slagen en stooten, die hem meedoogenloos -werden toegebracht. - -Jacob Martens was met de Geuzen mede geloopen naar de kerk, omdat hij -zich niet van de Welle wilde scheiden. Hij was er echter niet binnen -gegaan. Hij wist, wat de mannen er gingen doen, en hij wist ook, -dat hij het niet verhinderen kon, al zeide zijn beter gevoel hem, dat -die daden van geweld, die brandstichting en vernieling van beelden, -af te keuren waren en de goede zaak niet dienden. - -Daar hoorde hij den noodkreet van den ouden priester. Wat was dat? Weer -mishandeling? Weer moorden misschien. Jacob Martens snelde de kerk -binnen, den degen in de vuist. De mishandeling van weerloozen zou -hij beletten! - -Aan den voet van het altaar zag hij bij het onzekere licht der -walmende toortsen een verwarde menschenmassa. Hij zag wapens blinken -in opgeheven vuisten. Door het woest gelach en geschreeuw der Geuzen -klonk een oogenblik nog een luid gejammer, dat weldra overging in -een kermend steunen. - -Hij wilde op de groep toeijlen, maar een ijzeren hand greep hem bij -den arm en hield hem tegen. - ---"Halt, jonker! Ge kunt dat niet keeren!" gromde de Welle, die, -op zijn kodde geleund, het tooneel had gadegeslagen en die nu uit de -schaduw van het kerkportaal naar voren trad. - ---"Wat moet dat, de Welle?" hijgde Jacob. - ---"Ze geven den paap de rest. Wat deed hij ook in de kerk?" antwoordde -de ander onverschillig. - ---"Weer een moord op een onnoozele! Laat mij los, de Welle!" En Jacob -wilde zich losrukken, maar de oude boschwachter hield hem stevig vast. - ---"'t Is te laat, jonker! De paap is al stil! Mieke was ook onnoozel -en de godzalige Guido de Bray en zoovele broeders in Valencijn waren -ook geen roffianen of kwaaddoeners. Kom mede, naar buiten, jonker. Ze -steken de kerk aan." - -Zoo was het. Het altaardoek brandde reeds, en aan den voet der -altaartrappen lag, wonderlijk klein in het roode licht, het lijk -van Heer Henricus Turck, in zijn zwarten toog. Eenige van de Geuzen -stapelden de houten banken op tot een reuzenmutsaard, terwijl anderen -met bossen stroo en rijshout kwamen aanzeulen, die zij in de naburige -boerderijen hadden gevonden. De toortsen van oud geteerd touw werden -in het stroo geworpen en weldra sloegen de vlammen uit de ramen. [4] - -En terwijl de verschrikte dorpelingen uit de verte den brand hunner -kerk stonden aan te zien, klonk over de stille velden het psalmgezang -der aftrekkende Geuzen: - - - Dit sij de loon in allen landen - Mijner moedwillige vianden; - Laet sulcks de kwade tong beërven, - Die met list soecken mijn verderven. - Maar Gij, o Heer, in desen noot, - Help mij om Uws naems wille groot. - - - - - - - -XIII. - - -Op een van de hoogste toppen aan de landzijde van het breede en -woeste duin tusschen Nieuwpoort en Duinkerken stond op een fraaien -Septembermorgen Jacob Martens, op zijn vuurroer geleund, en liet -zijn oogen weiden over het schoone landschap van West-Vlaanderen, -dat hij van zijn hooge standplaats uren in de rondte kon overzien. - -Hij stond daar als schildwacht. In een duinpan, aan den voet van -den top, waar hij post had gevat, zat een kleine troep gewapenden -om de glimmende kolen van het houtvuur, waarbij zij den nacht -hadden doorgebracht. 't Was een wachtpost der Wilde Geuzen, -die hier was geplaatst om de wegen in 't oog te houden, die van -Yperen en Rousselaere naar het duin en dan langs de zandsporen naar -Nieuwpoort en Duinkerken voerden. Sinds eenigen tijd hield de groote -bende der Boschgeuzen zich op in de woeste duinstreek, waar zij een -toevluchtsoord hadden moeten zoeken, toen zij door de troepen der -Regeering uit hunne schuilhoeken in de bosschen en moerassen bij Yperen -verdreven waren. De naderende komst van Alva had de bevelhebbers van -de vendels der Landvoogdes tot nieuwe werkzaamheid geprikkeld. De -geduchte en gestrenge aanvoerder zou zeker rekenschap vorderen van -hen, die niet hadden gedaan wat zij konden, om het land van de pest -der plunderende Geuzenbenden te verlossen. Troepen waren aangerukt -uit Yperen en Gent en hadden de vluchtelingen in hunne schuilhoeken -opgezocht. Verbitterd hadden de ballingen gevochten, maar de overmacht -was te groot. Zij hadden moeten wijken. Sommigen waren naar Frankrijk -gevlucht, maar de meesten hadden zich verborgen in het woeste duin, -waar zij veilig waren. Velen van hen waren uit die streken; zij kenden -de verborgen paden, de diepe valleien, de verborgen duinpannen. Er zou -een betrekkelijk groote macht noodig zijn geweest, om hen daar op te -zoeken en uiteen te jagen, en werd die op hen afgezonden, dan konden -zij gemakkelijk vluchten voor een vijand, die het terrein niet kende. - -Ondertusschen wisten de hoofden der Boschgeuzen maar al te wel, dat -zij streden voor een verloren zaak, en dat zij zich niet lang meer -in hun laatste schuilhoeken veilig konden achten. - -Zij ontvingen geregeld berichten door hunne broeders en -geloofsgenooten, van wat er omging in den lande. Zij wisten, dat de -meeste edelen, die nog voor korten tijd zoo stout tegen Granvelle en de -Regeering waren opgetreden, de zaak der vrijheid ontrouw waren geworden -en zich met den Koning hadden trachten te verzoenen. Zij wisten, dat -de Prins van Oranje naar Duitschland was uitgeweken en dat vele mannen -van naam dat voorbeeld hadden gevolgd. Zij hadden vernomen, dat Alva -aan het hoofd van zijn klein, maar uitstekend leger de Nederlanden -was binnen gerukt, dat hij te Brussel was aangekomen--en nu, weinige -dagen geleden, was heel Vlaanderen opgeschrikt door de tijding, dat de -graven van Egmond en Hoorne te Brussel waren gevangen genomen. Vooral -dat dit lot Egmond had getroffen, wekte overal ontsteltenis, ook -bij de Hervormden. Wel was Egmond na den beeldenstorm meedoogenloos -opgetreden tegen hen, die in zijn stadhouderschap aan die beweging -hadden deelgenomen, maar hij was en bleef voor den kleinen man de -held van St. Quentin en Grevelingen, de dappere krijgsman, tot wien -men opzag, van wien men hulp verwachtte. - -En nu had de nieuwe landvoogd het gewaagd, de hand te slaan aan de -grooten des lands, aan de Vliesridders, die men onschendbaar had -gewaand! Wel moest de man, die dat dorst bestaan, zeker zijn van -zijn overmacht! - -En de denkende hoofden onder de Geuzen lieten zich niet door de -hartstochtelijke predikaties van Jan Machielsz en andere predikers -in de woestijn misleiden. Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau, -de Hames, Culemborg, ze waren allen gevloden. Zij, die de wapens tegen -de Regeering hadden opgevat, hadden geen genade te hopen. Weldra zou -Alva zijn vendels zenden, om hen op te zoeken en te verdelgen. Zij -moesten vechten tot het bittere einde of trachten te ontkomen naar -Engeland. En de weg over zee was niet gemakkelijk. Men moest in een der -kustplaatsen een visscher vinden, die het wagen dorst, de ballingen -te helpen, die hen over zou willen zetten naar een der Engelsche -havens. Wie dat deed, waagde zijn leven, want als hij ontdekt werd, -wachtte hem de strop. Dat deed niemand, zonder de hoop op een goede -belooning en de ballingen waren arm. - -Zoo hadden zij zich verscholen in de duinen en hunne wachtposten -uitgezet, om het ten minste bijtijds te vernemen, als de vijand -naderde. - -Van den top van den berg, waar hij post had gevat, kon Jacob -Martens over den boschrand heenzien, die zich langs het breede duin -voortkronkelde. De herfstnevels trokken langzamerhand op voor de -stralen der morgenzon en de statige torens van Poperingen en van Yperen -kwamen te voorschijn met de vele torentjes der oude dorpskerken, die -boven het geboomte uitstaken. 't Werd een mooie, heldere Septemberdag -en het schoone land lag daar vredig onder den fijn blauwen herfstnevel, -alsof het nooit in zijn rust gestoord was door de zonde en het leed -der menschen. - -Vele gedachten rezen op in den jongen man, terwijl hij droomerig voor -zich uit staarde. Wat was er in die weinige maanden, die daar sinds -zijn vlucht uit het Dominicaner-klooster verloopen waren, veel met hem -gebeurd. Was hij het wel, hij, Jacob Martens, de zoon van den president -van den Raad van Vlaanderen, nog voor korten tijd een vroolijke, -onbezorgde jonge man, geëerd en ontzien door de bevolking van de goede -stad Gent, de verloofde van Madeleine de Bette,--was hij het wel, de -arme balling, de Geus, op wiens hoofd een prijs was gesteld, die geen -andere toekomst had, dan te sneuvelen in een roemlooze schermutseling -of den dood op het schavot, door het zwaard van den beul. - -Hoe zou het thans met Madeleine gaan? En met zijn ouders en met -Klaartje? Zou Madeleine hem trouw blijven? Zeker zou men haar tegen -hem hebben opgezet. Men zou hem een ketter hebben gescholden en een -rebel en misschien zou zij thans met afschuw aan hem denken. Waarom -had hij niet meer, niet ernstiger met haar gesproken over de nieuwe -dingen, die zijn hart vervulden, over zijn Verlosser en Zaligmaker, -tot wien hij kon gaan, zonder een priester van noode te hebben, -over zijn Bijbel, die hem zoo lief was geworden? En dan, over den -nood van zijn land, over het lijden van zijn geloofsgenooten? Maar -Madeleine was nog zoo jong en zoo onbezorgd en vroolijk en naar een -ernstig woord had zij nimmer willen luisteren. Hoe zou zij nu over -hem denken? En zijn strenge moeder? Zij zou hem voor een afvallige, -een verlorene houden. Hoe zou zij haar verdriet onder een nog strenger -en harder uiterlijk verbergen! - -Dat het hun allen wel ging, wist hij door de ballingen uit Gent, die -zich bij de Boschgeuzen hadden gevoegd, maar hij had hun geen tijding -durven zenden. Hij kon vermoeden, hoe de zijnen over hem denken zouden, -en daarbij--het was gevaarlijk om in eenige betrekking te staan tot -een vluchteling van Austruweel. De Gentsche Magistraat en de Baljuw -waren strenger dan ooit. Hij wist hoe het te Gent was toegegaan. Was -de eenvoudige kerk der Hervormden, toch met verlof van den Graaf van -Egmond buiten de stadsmuren gebouwd, niet den 29sten Maart op bevel -der overheid gesloten? En was dat gebouw niet kort daarop afgebroken -en vernield? - -Neen, er was een kloof tusschen hem en allen, die hij liefhad. Hij kon -niet tot hen terug keeren, en nu de zaak der vrijheid hopeloos stond, -nu de Spanjool weldra heer en meester zou zijn in de vrije Nederlanden -en de Inquisitie de gezuiverde leer overal zou komen vervolgen en -verstikken, nu was er wel geen kans, dat hij hen ooit zou weerzien. - -En onwillekeurig rees in het hart van den jongen man de pijnlijke -vraag, de vraag, die zoo dikwijls heeft gezweefd op de lippen van hen, -die streefden naar een ideaal, maar die dat ideaal zagen ontwijd door -de zonden en zwakheden van hunne medestanders, van wie zij zich toch -niet los konden maken: was dat, waarvoor hij gestreden had, den prijs -wel waard? Den hoogen prijs, dien hij betaald had? - -Wat gingen hem ten slotte de vrijheden des lands aan? Had hij God niet -kunnen liefhebben en dienen, al bleef hij voor de wereld de Roomsche -kerk getrouw? Hij kon zijn Bijbel lezen in 't geheim en Titelman -zou zich wel hebben gewacht, zich te vergrijpen aan den zoon van den -President van het Hof van Vlaanderen. - -En wat waren ten slotte die mannen, in wier gelederen hij streed, die -Boschgeuzen, waartoe hij gerekend werd? Waren zij, de kerkschenners -en plunderaars, de roffianen, die weerlooze priesters mishandelden, -de strijders voor de gezuiverde religie? Dat waren geen mannen als -Jan van Thoulouse en jonker Blois van Treslong... - -Zóó mijmerde Jacob Martens. En er waren oogenblikken, dat hij had -kunnen wenschen, dat alles, wat hij in de laatste maanden doorleefd -had, een booze droom zou blijken, een droom, waaruit hij straks -zou ontwaken in de deftige heerenhuizinge te Gent, in zijn rustige, -veilige kamer... - -In de verte klepte het klokje van een dorpskerk. Het was acht uren -zeker. Het dunne, schrille geluid kwam met den morgenwind over de -velden aangezweefd, nu eens duidelijk, dan weer nauwelijks hoorbaar. - -Jacob Martens schrikte op uit zijn mijmering. Zijn gezicht -veranderde. Het schrille klokje riep iets wakker in zijn geest, het -tooneel, dat hij had gezien op een morgen, nu bijna twee jaren geleden, -daarginds bij de stadskraan te Gent. Hij zag weer het bleeke gelaat -der veroordeelde Doopersche, hij zag den blik, waarmede zij haar kind -aanzag; hij hoorde weer de plechtige woorden: "Sijt getrouwe tot in -den doet, ende ick zal u geven die crone des levens." - -Getrouw tot in den dood,--zoo was die arme, eenvoudige vrouw gestorven -voor het geloof, dat zij niet wilde verzaken. - -Krachtig richtte de jonge man zich op. Ja, het was het waard! Het -onvervalschte Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid, de vrije -verkondiging van dat Evangelie, zonder geloofsdwang, ze waren de offers -waard, die hij en zoo velen met hem hadden gebracht. En de vrijheid -des lands was het waard! Moest hij zijn makkers, de onwetenden, de -wanhopigen, zoo hard vallen om hun wilde wraakzucht, die woedde tegen -hen, die, naar hun meening, heulden met hunne onderdrukkers? Als -men die woestelingen in de gelegenheid stelde, in een eerlijken -strijd te kampen voor de goede zaak, dan zou het blijken, dat het -geen wraakzucht alleen was, die hen bezielde, dan zouden zij moedig -strijden en sterven als het wezen moest, voor vrijheid van geweten, -voor de vrijheid van hun volk. - -De goede zaak? Was het dan geen verloren zaak? Zou Jan Machielsz -gelijk hebben, als hij in zijn wilde, vurige predikaties sprak van -den God der wrake, die zou opstaan tegen de Heidenen, die Zijn volk -verdrukten, die uitkomst zou geven, als de nood 't hoogst was? - -En zeker, Hij, de Almachtige, kòn uitkomst geven! - -Vaster omklemde Jacob den loop van zijn handbus, terwijl hij, uit -zijne mijmering ontwaakt, den omtrek afspiedde, dien hij, als een -goed schildwacht, in het oog moest houden. - -Hij had reeds eenige oogenblikken op het smalle zandspoor, dat uit de -richting van Poperingen duinwaarts leidde, iets ongewoons bespeurd, -maar hij was zoo in zijne gedachten verdiept geweest, dat hij er geen -aandacht aan had geschonken. - -Boos op zichzelf, om zijn gebrek aan waakzaamheid, keek hij thans -scherper. Weldra onderscheidde hij de witte huif van een kar, zooals -die overal in Vlaanderen werden gebruikt. Het voertuig kwam nader. 't -Was een gewone boerenkar op twee wielen, door een enkel paard langzaam -en met moeite door het mulle zand getrokken. De voerman liep er naast. - -Er was geen gevaar! Maar wat voerde die kar hierheen, naar de woeste -duinen, die zoo zorgvuldig gemeden werden door de Roomsche bewoners -der streek, sinds men wist, dat de Geuzen er huisden? - -Jacob blies op het metalen fluitje, dat naast zijn Geuzenpenning -aan een koord om zijn hals hing, en maakte met den linkerarm een -afgesproken teeken. 't Was geen alarmsein, maar het moest de mannen -in de duinpan waarschuwen, dat hun schildwacht iets bijzonders had -opgemerkt. Weldra stond de Welle naast Jacob. Een paar der Geuzen lagen -voorover op den grond en allen tuurden met aandacht naar de naderende -kar. Het forsche paard stapte rustig, met zwaren, zekeren tred -voorwaarts. Reeds hoorde men het rinkelen der bellen aan de haam en -de kreten van den voerman, die het dier tot meerderen spoed aanzette. - -Op de voorbank van de kar zat een man, schijnbaar verdiept in een -boek, dat op zijne knieën lag. Voor zoover de Geuzen zien konden, -was hij alleen. - -De Welle wisselde een paar woorden met de andere mannen. - -Dat men de kar zou aanhouden, stond vast, al was het alleen maar -om berichten in te winnen, om, als 't kon, nieuws te hooren uit -Brussel. Maar wie kon de man zijn, die zich daar zoo rustig in -hunne handen kwam leveren? Een spion van de Spanjolen en de -Inquisitie? Maar wie zou zóó met zijn leven spelen? Toch was -voorzichtigheid noodzakelijk. - -De mannen verdwenen van den heuveltop. Daar, waar het spoor het duin -bereikte, waren de hellingen begroeid met laag hout. Daar kon men -zich in hinderlaag leggen. - -Toen de kar zich in den hollen weg tusschen de eerste duinen bevond, -zag de voerman tot zijn schrik wilde gedaanten uit het kreupelhout -oprijzen. Een barsche stem beval hem, stil te houden. Forsche handen -grepen het paard bij den teugel en de kar was in een oogenblik door -gewapende mannen omringd. - -De man in de kar was opgesprongen. Hij was nog jong, slechts een -vijftal jaren ouder, naar 't scheen, dan Jacob Martens, en hij droeg -de kleeding van een deftig burger. Zijn bleek gelaat teekende schrik -en verwarring. Toen viel zijn oog op de Geuzenpenningen en de napjes, -die zijn aanranders om den hals droegen. Hij slaakte een zucht van -verlichting. - ---"Geuzen?" zei hij, terwijl hij zich het zweet van het voorhoofd -wischte. "Goddank! Ik dacht, dat jelui soldaten van Noircarmes -waart. Vivent les Gueux!" - -Haastig greep hij naar zijn fluweelen bonnet, die naast hem op de -bank lag, en haalde uit de voering een fraaien zilveren geuzenpenning -aan een smal zwart lint te voorschijn, dien hij triomfantelijk aan -de om hem heen staande mannen toonde. Dezen wisselden blikken van -verstandhouding. - ---"Dat is nu alles mooi en wel," zei Pieter de Welle wantrouwend, "maar -een Geuzenpenning kan ieder dragen, en dat bewijst nog niets. Jonker, -spreek eens met dien gast! 't Is er een van je eigen stiek. Vraag -hem eens, wie hij is en wat hij hier in het duin te zoeken heeft." - -Jacob Martens kwam naderbij en keek den vreemdeling onderzoekend -aan. 't Was hem, of hij dat fijn besneden gezicht met de van vernuft -tintelende donkere oogen en den ietwat zwakken, zinnelijken mond meer -gezien had. Het was... ja, het was te Antwerpen geweest. Nu herkende -hij den man! - ---"Jonker Jan van der Noot!" zei hij, beleefd groetend. "Wat voert -u hier? Ik dacht u veilig en wel te Antwerpen." - -De Antwerpenaar keek verrast op. - ---"Ge kent mij?" zei hij verbaasd. "Maar--ik heb u ook meer gezien. Ik -heb u gezien bij een vendel van Thoulouse." - -Jacob noemde zijn naam. De Brabander knikte levendig. - ---"Ik ben er trotsch op, een van de helden van Austruweel de hand -te mogen drukken," zei hij een weinig theatraal. "Die arme Jan van -Thoulouse!" - ---"Als die van Antwerpen mee hadden gevochten voor de goede zaak, -zou de Heer van Thoulouse misschien nog leven!" riep Pieter de Welle -grimmig. - ---"Wij hebben het gewild!" verzekerde de Antwerpenaar gejaagd. "Wij -hebben de Roode Poort open willen breken. Wij, Gereformeerden, waren op -de Meere en wij hebben de Vroedschap willen dwingen. Maar de Prince van -Orange heeft het ons belet. Hij was bang voor de troepen van Lannoy..." - ---"Al genoeg!" zei de Welle wrevelig. "Wat gebeurd is, is gebeurd en -misschien had de Prins geen ongelijk. Je kent hem dus, jonker. Maar -wat doet hij hier?" - ---"Jonker van der Noot was in de Vroedschap van Antwerpen," zei Jacob, -"en hij is van de Gereformeerde religie, maar hoe komt ge nu eigenlijk -hier, Mijnheer van der Noot?" - -De Antwerpenaar wierp een schuwen blik om zich heen. - ---"Ik ben gevlucht!" zei hij met gesmoorde stem. "Hebt ge gehoord, -hoe de Duc d'Albe gedaan heeft met de graven van Egmond en Hoorne?" - -Jacob Martens knikte toestemmend. - ---"Als Judas Iskarioth. Hij heeft ze bij zich genoodigd en na het maal -heeft hij zijne gasten laten vangen. En van Stralen, en Bakkerzeele--en -nog zooveel anderen. Allen van de religie, en allen, die 't Compromis -hebben geteekend of ter preeke zijn geweest--wij zullen allen als -hoogverraders worden vervolgd. Ik ben 't nog ontkomen. Ik wil naar -Engeland oversteken..." - -Hij wierp een onrustigen blik op den weg, dien hij zooeven had -afgelegd, als vreesde hij, de vervolgers te zien opdagen. - ---"Naar Engeland? Dat is niet zoo gemakkelijk in deze dagen," -zei Jacob. - ---"'t Doet er niet toe! Ik wil 't beproeven. Een visscher zal wel te -vinden zijn, die 't voor goed loon wagen wil. Ik heb geld..." - -Hij keek schuw om zich heen. Blijkbaar had hij zich versproken. De -wilde gestalten, die hem omringden, boezemden hem weinig vertrouwen in. - ---"Je kunt gerust rammelen met je Filipsdaalders," zei de Welle, die -zijn aarzeling opmerkte, norsch. "Wij zijn geen boeven of roovers en -wij zullen een van de religie niet bestelen. De jonker staat voor -je in, dat is ons genoeg! Maar wat moet er nu met die kar en den -voerman gebeuren?" - -De laatste stond bij zijn groot paard en staarde met open mond en -oogen het tooneel aan. Blijkbaar was hij weinig op zijn gemak. Hij -keek met verschrikte blikken naar de gewapende mannen, de Wilde Geuzen, -van wie men in den lande zooveel vreeselijks vertelde. - ---"Kan hij mij niet naar de kust brengen?" vraagde de Antwerpenaar. - -De Geuzen morden en mompelden onder elkander. - ---"Wij willen geen spionnen in 't duin!" zei er één barsch. - ---"Wat weten wij van den kerel?" vraagde een ander. "Hij kan ons best -aan de soldaten verraden. 't Veiligst zou zijn..." - -Hij maakte een veelbeteekenende beweging en keek tegelijk naar den -laagsten tak van een naburigen eik. - -Eén oogenblik zag het er voor den armen voerman hachelijk uit, maar -Jonker van der Noot kwam tusschenbeide. Hij verzekerde de Geuzen, -dat de man goed Gereformeerd was, al was 't in het verborgen. Het -Consistorie te Antwerpen had hem brieven medegegeven voor de broeders -in Poperingen, die hem hadden voortgeholpen. Deze man had zijn eigen -hals in gevaar gebracht, om hem, een balling, te helpen vluchten. Hij -had dan ook te voet de stad verlaten en had op een eenzame plaats de -huifkar gevonden, die hem volgens afspraak daar wachtte. - -Nog waren sommige Geuzen niet gerust gesteld. Een verward gemompel -ging er op uit den hoop. - ---"We zullen het spoedig weten," zei Pieter de Welle opeens. "Waar -is Gheleijn de Rosse?" - -Een reusachtige West-Vlaming, met ros haar en een sproeterig gezicht, -trad uit den hoop naar voren. - ---"Jij bent uit Poperingen," zei de Welle. "Als die kerel tot de -religie behoort, moet hij de broeders kennen. Vraag hem, wie in het -Consistorie zitten." - -De Geuzen begonnen te grinniken. - ---"Juist iets voor den Rosse!" spotte één van de mannen. - ---"Vraag hem liever, hoeveel taveernen er in Poperingen zijn! Dat -weet hij beter!" beweerde een ander. - -Maar Gheleijn liet zich niet in de war brengen. Hij was een trouw -bezoeker van de taveernen geweest, maar in den tijd, nog zoo kort -geleden, dat hij een rustig burger van Poperingen was, was hij mee -ter preek gegaan in den nu afgebroken "tempel" der Gereformeerden -en er had een straal van licht geschenen in zijn donker gemoed. En -wat hij daar ontvangen had, was genoeg geweest om hem de zijde der -vervolgden te doen kiezen, zoodat hij thans een balling was. - -Hij stoorde zich niet aan het lachen zijner makkers, maar hij stelde -den voerman eenige vragen, die deze, hoewel sidderend van angst, -toch vrij nauwkeurig beantwoordde. Gheleijn de Rosse verklaarde zich -voldaan en de man kreeg verlof, om terug te keeren, want men wilde -hem niet toestaan, zijn reis voort te zetten. De Geuzen zouden zelf -den Antwerpschen jonker langs de hun bekende duinpaden naar de kust -geleiden. - -Nadat de voerman van jonker van der Noot een ruime belooning had -ontvangen, liet hij het groote paard keeren en de huifkar keerde -langzaam terug langs den zandweg. - -Gheleijn de Rosse liep een eindweegs mede. Hij was blij, weer iets -van Poperingen te hooren. - -De Boschgeuzen namen hun gast mede naar de duinpan, waar zich hun -kamp bevond, en gaven hem het voedsel, dat zij hem konden voorzetten: -grof tarwebrood, spek en bier. Toen hij zijn maaltijd geëindigd had, -verzocht Jacob Martens den Antwerpenaar, hun iets mede te deelen over -den toestand te Brussel. De anderen schikten zich haastig om hem heen, -om te luisteren. - -'t Was een eigenaardig gezicht, de Brabantsche edelman te midden -der woeste gezellen, die, op hun wapens om hem en hun aanvoerders -heen stonden, om te luisteren naar wat hij zou mededeelen over den -Spaanschen hertog, den vijand van Gods volk, die daarginds te Brussel -zich opmaakte om de vrijheid en de religie te onderdrukken, voorgoed. - -Op den top van 't hooge duin waakte alleen de schildwacht, die Jacob -Martens had afgelost. - -En de Brabantsche edelman begon te vertellen, eerst stootend en -zenuwachtig, blijkbaar onder den indruk van zijn omgeving en nog -altijd min of meer bevreesd voor zijn ruwe gastheeren, maar weldra, -toen hij hunne belangstelling bemerkte, druk, levendig en boeiend. Hij -verhaalde van Alva's intocht in Brussel, van de uitrusting en de -krijgstucht zijner Spaansche en Italiaansche vendels, van de lange, -Spaansche musketten, wijder geboord en verder dragend dan de handbussen -en haaksen der Walen en Duitschers, geduchte wapens, die men in deze -landen nog nimmer had gezien. - -Hij sprak over het verraad te Brussel, over de gevangenneming van -Egmond en Hoorne, van Bakkerzeele en van Stralen en van zooveel -Nederlandsche edelen, die zich door den sluwen hertog in de val hadden -laten lokken. Hij vertelde van de nieuwe rechtbank, die Alva had -ingesteld, en die, met verkrachting van alle rechten en privilegiën, de -zaken zou berechten van hen, die in de laatste jaren hadden gehandeld -tegen de plakkaten of deelgenomen hadden aan het verzet tegen Granvelle -en de Regeering, en dat met voorbijgaan van de Hoven der Gewesten en -de schepenbanken der steden. De hertog zelf zou voorzitter zijn van -die rechtbank, die nu weldra met haar bloedig werk zou beginnen. Twee -Spanjaarden, Vargas en del Rio, zouden de voornaamste bijzitters zijn, -en verscheidene Nederlandsche rechtsgeleerden, leden van de Hoven der -verschillende gewesten, waren geroepen, om mede zitting te nemen in -dien Raad van Beroerten, zooals Alva zijn nieuwe schepping had gedoopt. - -Het trof Jacob Martens, dat de Antwerpenaar, terwijl hij dit alles -verhaalde, hem meer dan eens aanzag met een vreemden, onderzoekenden -blik. Eens viel hij zich zelf in de rede met de vraag, of dit alles -jonker Martens inderdaad onbekend was. - -Dichter drongen de Geuzen om den spreker, met ernstige, sombere -gezichten. Zij gevoelden allen wel, wat dat beteekende. 't Scheen -gedaan met hunne zaak en met die der vrijheid. - -En van der Noot verhaalde, hoe ieder, die te Antwerpen ter preek was -geweest, of een Geuzenpenning had gedragen of deel had genomen aan -de oproerige beweging tegen de Magistraat, onder allerlei vermomming -de stad trachtte te verlaten, om te vluchten naar Duitschland of -Engeland. Er liepen allerlei geruchten. Men zei, dat de Prins van -Oranje en zijne broeders troepen aanwierven om de Spanjolen te -verdrijven. - -En dan koesterde men groote verwachtingen van de hulp der Huguenoten -in Frankrijk. Wat de ballingen reeds bij geruchte hadden vernomen, -kon hun gast thans bevestigen. Condé en de Coligny, de trouweloosheid -van de Koningin-Moeder, Catharina de Medicis, moede, zonnen op een -stouten aanslag. Zij verzamelden hunne aanhangers. Weldra zou men van -hen hooren! Maar,--hun, die thans in Alva's handen vielen, zou dit -alles niet veel baten. Wie kon, moest vluchten, om in den vreemde te -werken voor de vrijheid en de gezuiverde religie. - -Zoo sprak jonker van der Noot, en het scheen wel, alsof hij zijn -vlucht bij de Geuzen wilde verontschuldigen. - -Zwijgend hadden de mannen zijn verhaal aangehoord. Toen hij zweeg, -voegden de meesten zich bij elkander en begonnen op gedempten toon -een gesprek. De Antwerpenaar maakte van de gelegenheid gebruik en -wenkte Jacob ter zijde. - ---"Hebt ge in den laatsten tijd niets van uwe familie vernomen, -jonker Martens?" vraagde hij, op schijnbaar onverschilligen toon, -maar met denzelfden onderzoekenden blik van straks. - ---"Al sinds maanden niet!" antwoordde Jacob. "Gent is ver en maar -zelden waagt het iemand, op kondschap uit te gaan." - ---"Naar Gent? Maar weet ge dan niet, dat ze te Brussel zijn?" vraagde -de ander verrast. "En dat uw vader..." - ---"Mijn vader, zegt ge? Wat is er met hem?" - ---"Lid is van die rechtbank van Alva? Van zijn Raad van Beroerten?" - ---"Trek het u zoo niet aan, man!" vervolgde de Antwerpenaar, toen -hij zag, dat Jacob ontstelde en onwillekeurig verbleekte. "'t Is -alles het werk van Viglius. Hij zelf is buiten schot gebleven, de -sluwe vos! Hij verontschuldigde zich op grond van zijn leeftijd en -zijn nieuwbakken geestelijke waardigheid. Maar hij heeft aangeraden, -Nederlandsche rechters in den Raad te nemen, om de inbreuk op de -rechten en privilegiën zooveel mogelijk te verbergen. Ook de president -van Artois heeft zitting moeten nemen..." - -Somber staarde Jacob voor zich uit. Zijn vader lid van Alva's raad, -in dienst van den Spaanschen dwingeland; hij, de zoon, een Geus, een -balling, wiens hoofd op 't schavot zou vallen, indien 't den Spanjaard -of de knechten van Noircarmes immer mocht gelukken hem te grijpen..." - ---"'t Spijt me verbazend, jonker Martens, dat ge dit booze nieuws -juist uit mijn mond moest hooren," zei van der Noot hartelijk. "Maar, -nietwaar, lang was 't u niet verborgen gebleven. En hoe kon ik ook -weten, dat ge zóó weinig van uwe familie hadt vernomen? Ge weet dan -ook niet, dat uw zuster en de vorstelijk schoone joffer Madeleine -twee nieuwe starren zijn aan den hemel van 't Hof te Brussel? O de -zoete maagdekens! Ik ben goed Geus, jonker Martens, maar bijlo, -om die fiere godinnen zou het mij kunnen smarten, dat ik balling -'s lands moet worden, zij het dan om den wille van de religie. Vóór -ik heenging, schreef ik voor de goddelijke Madeleine een liedeke, -naar den nieuwen trant, dien wij geleerd hebben van de excellente -Latijnsche poëten en van "le divin Ronsard." Ha, ge kent haar, jonker; -ge moet het hooren, vóór ik u verlaat." - -En de beweeglijke Brabander haalde uit de leeren tasch, die aan zijn -gordel hing, een schrijfboekje in perkamenten omslag te voorschijn, -opende het haastig en begon te declameeren: - - - Ghelijck den dagheraet - Hem lustich openbaert - Des morgens in den oosten, - En compt vrij onvervaert - Die 't snachts waren beswaert, - Deur sijn clarighheyt troosten. - - Alsoo word mijnen geest - Oock verfraijt aldermeest - Deur u reijn minlijck wezen: - En u bruijn oochskens claer - En u schoon gitswart haer - Cunnen mijn pijn ghenesen. - - Ghelijck den suijden wint - Die Flora seer bemint - Int suetste van den Meye, - De bloemkens groeyen doet, - Die men siet overvloet, - In bosch, berch en valleye. - - Alsoo can uwen sanck - En u schoon aanschijn blanck - Mijn swarichheyt verdrijven, - En doen mij met ioleyt - In desen sueten tijt - U gratien beschrijven. - - -De dichter zag zijn metgezel vragend aan, als verwachtte hij de -toejuiching, waarop hij recht meende te hebben. Jacob boog hoffelijk en -sprak een paar woorden van beleefde waardeering, al kon hij een gevoel -van jaloezie niet onderdrukken. Maar 't was immers zijne Madeleine, -die hier werd gehuldigd, zijne Madeleine, die hem zeker trouw zou -blijven, ook in dezen boozen tijd, die om hem treurde misschien... - -En mijmerend over zijn jonge liefde, dacht hij er niet aan, hoe weinig -het liedeke eigenlijk paste in deze omgeving en op dit oogenblik. Een -"zoete tijd": 't Was een tijd vol jammer, die ging aanbreken, die -reeds aangebroken was... - -De stem van jonker van der Noot schrikte hem op uit zijn gepeins. - ---"Als 't geen indiscretie was, jonker Martens," snapte hij voort, -"zou ik durven zeggen, dat 't mij verwondert, dat la divine Madeleine u -niet heeft kunnen boeien. Daarbij--une riche héritière,--nietwaar? Al -de Spaansche officieren maken haar het hof. Maar men zegt, dat zij -verloofd is aan een Waalsch edelman, den jonker de St. Foy..." - ---"Thierry de St. Foy?" vraagde Jacob. Zijn stem beefde en slechts -met moeite bedwong hij zijn aandoening, maar de ander bemerkte het -niet. Hij was te zeer verdiept in de herinnering aan die hofkringen, -waarvan hij zoo noode had moeten scheiden. - ---"Kent gij hem?" vraagde hij eenigszins verrast. "'t Is een arme -bloedverwant van de Croys. Hij was page van den hertog van Aerschot, -maar is nu vaandrig bij de troepen van Noircarmes. Hij zal wel spoedig -een luitenantsplaats krijgen, en dan een compagnie, want hij heeft -machtige beschermers. En, zooals ik zeide, hij is onafscheidelijk van -de schoone Madeleine. Men meent, dat de president en uwe moeder hem -wèl genegen zijn en zijne werving begunstigen. 't Is inderdaad jammer, -dat... Maar ik wil niet indiscreet zijn," voegde hij er eenigszins -verlegen bij, toen hij het strakke gezicht van zijn metgezel eindelijk -opmerkte en begon te begrijpen, dat zijn gesnap weinig op zijn -plaats was. - ---"Weet ge wat ge doen moest, jonker?" ging hij met ongeveinsde -hartelijkheid voort. "Ga met mij naar Engeland. De Koningin is die -van de religie genegen. Ge vindt licht een plaats bij de lijfwacht -als cadet. Ik help u met uw uitrusting, als ge mij de eere wilt doen -het noodige van mij te leenen. Of als 't waar is, dat de Prins van -Oranje en zijne broeders een aanslag willen wagen,--te Londen vindt -ge licht gelegenheid om naar Embden te komen, en ge kunt u bij hen -aansluiten. Een officier, die bij Austruweel gevochten heeft, zal hun -welkom zijn. Hier--en hij keek voorzichtig rond, of geen der Geuzen -hem beluisterde--hier bij deze boeven en briganten is uw plaats toch -niet. En als de vendels van den hertog hen komen opzoeken, zal het -spoedig met hen gedaan zijn." - -Jacob betuigde hoffelijk zijn dank voor het heusche aanbod, maar -hij weigerde vastberaden, zijn makkers, met wie hij lief en leed -gedeeld had en die op hem vertrouwden als een van hunne aanvoerders, -te verlaten. Alleen verzocht hij jonker van der Noot, hem te zeggen, -waar zijn ouders te Brussel woonden, als hij dat wist. - -Daartoe was de Antwerpenaar gaarne bereid. De President had met -zijne familie de huizinge betrokken van een der gevluchte edelen, -niet ver van het paleis van den hertog van Aremberg. De goederen van -de ballingen waren verbeurd verklaard en de hertog gebruikte hunne -huizen voor den dienst des Konings. Maar jonker Martens zou toch zoo -dwaas niet zijn, zelf zijn hoofd aan den beul te gaan leveren? En -nogmaals drong hij er op aan, dat Jacob hem zou vergezellen, indien -hij er in slaagde te vluchten en hij zweeg eerst, toen zijn aanbod -kort en beslist werd geweigerd. - -Tegen den middag kwamen twee Geuzen terug, die op kondschap waren -uitgezonden. Zij brachten goede tijding. Ze hadden een visscher -gevonden, die voor een groote belooning het wilde wagen, den -vluchteling naar Engeland te brengen. Tegen den avond zou hij op een -eenzaam gedeelte van de kust den Antwerpenaar in zijn boot opnemen. Een -paar van de Boschgeuzen, die het zwervend leven moede waren, wilden -van de gelegenheid, hun thans geboden, gebruik maken. Zij wisten, -dat zij daarginds werk en brood zouden vinden. - -In den laten namiddag nam jonker Jan van der Noot afscheid van -zijne ruwe gastheeren en van Jacob, wien hij als een gedachtenis -het in perkament gebonden schrijfboekje met het kostbare minnedicht -vereerde. Hij begon zijn avontuurlijke zwerftochten, die zouden -eindigen met zijn terugkeer tot de Moederkerk en zijn aannemen van de -amnestie der Regeering. Voor een martelaar was de dichter-magistraat -niet in de wieg gelegd! - - - - - - - -XIV. - - ---"En ge zijt dus vast besloten, jonker, uw hoofd in den strik te -steken? Want dat is het en anders niet! Als iemand u herkent, dan -ligt het zwaard van Meester Harmen, den beul van Brussel, voor u -klaar! En er zijn valsche vrienden en verraders genoeg, die gaarne -bij den Spanjool een plasdank zouden verdienen, al was 't maar om -hun eigen lei schoon te vegen." - ---"Ik weet het wel, de Welle. Ik weet, dat ik mijn leven waag. Maar -dat is de eerste keer niet! En ik moèt naar Brussel!" - ---"En de jonker wil mij niet zeggen, waaròm? Zeker heeft die Brabander -het een of ander verteld, dat den jonker drijft. Ik wilde, dat de -wereldsche sadduceeër met zijn fijnen tabbaard in de Schelde was -gebleven! Nu naar Brussel, nu die Ducdalf, als ze hem noemen, zijn -handen slaat aan Gods volk en alles vlucht, wat vluchten mag! Beraad -u er op, jonker, en toef nog een poos!" - -'t Gesprek werd gevoerd in een woeste duinvallei, ver van de -legerplaats der Boschgeuzen. Den dag na het vertrek van jonker van -der Noot had Jacob Martens zijn ouden makker verbaasd en ontsteld -door de mededeeling, dat hij belangrijke tijding had ontvangen, dat -zijne ouders te Brussel waren en dat hij hen zien moest. Te vergeefs -had Pieter de Welle op een nadere verklaring aangedrongen. Het strakke -gelaat van zijn welbeminden jonker zeide hem niets: alleen was er een -harde trek om den mond, die getuigde van een koppige vastberadenheid -en stroever dan anders had Jacob Martens zijn vroegeren onderhoorige -te verstaan gegeven, dat hij zich door niemand zou laten weerhouden, -zijn plan ten uitvoer te brengen. - -Dat plan in de legerplaats te bespreken, in de tegenwoordigheid hunner -makkers, zou dwaasheid geweest zijn. Als het uitvoerbaar was, dan -moest het in het diepste geheim geschieden. De Wilde Geuzen stonden -nog in betrekking met hunne geloofsgenooten in West-Vlaanderen, en een -gerucht, dat een van de aanvoerders der bende een gevaarvollen tocht -ging ondernemen, zou snel genoeg verspreid zijn, om in die dagen van -angst en vreeze zulk een tocht tot een roekeloos waagstuk te maken. Het -was, zooals de Welle had gezegd: vele valsche broeders, velen zelfs, -die aan den beeldenstorm hadden deelgenomen, poogden in die dagen hun -verleden te doen vergeten en zich met de Regeering te verzoenen door -het verraad van hunne vroegere geloofsgenooten en medestanders. - -En daarom had de Welle Jacob Martens bezworen, zijn besluit nog eens -te overwegen, en hem medegenomen naar de eenzame duinpan, om de zaak -nog eens ernstig met hem te bespreken. - -Het bleek den ouden koddebeier echter weldra, dat hij die moeite had -kunnen sparen. Jacob Martens was vast besloten, het kostte wat het -wilde, de reis naar Brussel te ondernemen. Dat dit plan in verband -stond met het bezoek van jonker Jan van der Noot, begreep de Welle -zeer goed, al wist hij het rechte niet. Hij verwenschte den luchtigen -Brabander in den grond van zijn hart en in termen, die zijne meer -"precise" geloofsgenooten zeker niet weinig zouden hebben geërgerd. - ---"Wanneer het den jonker alleen te doen is om betrouwbare kondschap -van zijn familie of om een boodschap van belang, kon hij mij -zenden!" vischte hij. - ---"Alsof het voor jou niet even gevaarlijk was als voor mij!" zeide -Jacob. "Men kent je te goed, de Welle, en er zijn er genoeg, die je -gaarne in pijn en banden zagen. Men zou je de tortuur niet sparen, -om je van onze schuilplaatsen te laten klappen." - ---"O ho, wat dat betreft, mij vangen ze zoo spoedig niet!" zei de -Welle. "En 't is den Spanjool ook niet om klein wild te doen. Hij -wil de groote heeren treffen en niet de kleine luyden. Laat mij gaan, -jonker; binnen een week breng ik u bescheid." - -Jacob schudde het hoofd. - ---"Ik moet er zelf heen, de Welle," zei hij kort. "Houd mij niet op." - ---"Dan ga ik met u, jonker. Alleen laat ik u niet in den strik -loopen. Ik zie, dat ge er uw hart op gesteld hebt. Welnu, twee zien -meer dan één en men kan geen oud hoofd op jonge schouders verwachten." - ---"Ik moet gaan, de Welle. Maar jij, waarom zou je je in gevaar -begeven? Je waagt je leven en de tortuur..." - ---"Mijn leven is in Gods hand en voor de tortuur ben ik niet -bang. Meent ge dan, jonker, dat het leven voor den ouden man nog -zooveel waarde heeft, sinds dien avond, toen Mieke..." - -De Welle wendde zich af en staarde voor zich uit. - ---"Kijk, jonker," ging hij na eenige oogenblikken met heesche stem -voort, "de jonker is 't eenige, wat mij nog aan het leven hecht. Als -ik den jonker nog eens als hopman of luitenant aan het hoofd van -zijn vendel tegen de Spanjolen mag zien vechten,--hoe eer dan een -Spaansche piek... En God zij mijn ziel dan genadig!" - -Jacob keek den ouden man in het gerimpelde gelaat. - ---"Laat het dan zoo zijn, de Welle," zei hij aangedaan. "Wij zullen -'t samen bestaan, en als 't moet zullen wij samen vallen. Vivent -les Gueux!" - ---"Maar," ging hij bedaarder voort, "wanneer je met mij naar Brussel -wilt, dan heb je ook het recht te weten, wat mij er heen voert. Zie, de -Welle, toen ik vluchtte uit Gent, liet ik er veel achter, mijn ouders, -mijn zuster, en dan.... je hebt bij ons de joffer de Bette gezien?" - -De Welle knikte toestemmend. Zijn staalblauwe oogen keken den jongen -man onderzoekend aan. Jacob Martens' door weer en wind gebruind -gelaat kleurde. - ---"Ik had de joffer de Bette lief, de Welle," zei hij eenvoudig, -"en--ik rekende op haar trouw. Ik hoopte,--ik wist zelf niet, wat -ik hoopte. Maar als de onzen overwonnen hadden, als ons goede land -van Vlaanderen vrij was, dan kon ik toch hopen... Maar dat is alles -nu voorbij!" - ---"Ik had met dien Antwerpenaar naar Engeland kunnen vluchten," ging -hij voort. "Hij bood het mij aan. En als 't waar is, dat de Prins van -Oranje en zijn broeders troepen werven, om den Spanjool uit 't land -te jagen, dan had ik wel een kans gevonden om naar Duitschland over -te steken en ik had wel een brevet als luitenant gekregen en ook een -plaats voor jou, als je mij hadt willen vergezellen. Maar de jonker -van der Noot vertelde mij nog meer. Hij zei mij, dat Madeleine,--dat -de joffer de Bette verloofd was met Thierry de St. Foy..." - ---"Met dien Paapschen Waal, die ons volgde naar Middelburg? Dien -vroegeren vriend van den jonker?" vraagde de Welle. - ---"Ja, en als dat waar is, dan heeft men haar gedwongen!" riep Jacob -onstuimig. "En daarom kon ik niet naar Engeland! Daarom moet ik naar -Brussel, om haar te spreken en uit haar eigen mond te hooren, of zij -mij vergeten heeft. Want zij is te Brussel, omdat--je moet nu alles -weten, de Welle--omdat mijn vader een rechter is in die rechtbank -van Alva, waar de lieden met zooveel angst van spreken!" - -De oude koddebeier schudde meewarig het hoofd. - ---"God beproeft Zijn volk, jonker, en geeft het over in de hand zijner -vijanden. Zie toe, dat ge uzelf en uw vrienden niet in 't verderf -stort, omdat uw hart hangt aan die Paapsche joffer. Maar ik zie wel, -dat woorden niet baten! Jong bloed is heet! We zullen 't dan wagen, -maar ik wacht van dien tocht weinig goeds." - -Nu moest aanstonds het plan voor de gevaarlijke reis beraamd. De naaste -weg leidde over Poperingen en Rousse, maar de naaste weg was in dit -geval tevens de onveiligste. In Yperen en Oudenaarden lag bezetting -en Noircarmes' soldaten patrouilleerden het land af, om allen, die -verdacht konden worden in verstandhouding te staan met de Boschgeuzen, -aan te houden. Te Rousse woedde de inquisiteur Titelman feller dan ooit -tegen de Gereformeerden, nu de vroedschappen en de baljuws, bevreesd -voor de Regeering te Brussel, zijne eischen niet durfden weerstaan, -terwijl hij, als 't noodig was, ook over de soldaten der bezetting -kon beschikken. 't Was zoo goed als onmogelijk, door Oost-Vlaanderen -of Henegouwen heen Brussel te bereiken. - -De Welle sloeg een anderen weg voor. Zij zouden den duinkant houden, -door Veurner Ambacht en over het smalle riviertje de Yser,--toen nog -niet gekanaliseerd--tot in de buurt van Nieuwpoort en van daar langs -Gent naar Aalst. In de eerstgenoemde stad durfden geen van beiden -zich vertoonen, doch de Welle kende de streek nauwkeurig. Hij wist -alle wegen en zijpaden en hij nam aan, Jacob veilig tot Brussel te -brengen. Dan zou het gevaarlijkste deel van den tocht komen. - -Hoe zij de stad zouden binnenkomen en haar vrij en ongehinderd weder -zouden verlaten, wisten zij zelf nog niet. Maar dat was van later zorg. - -Dan was er een tweede punt, dat overweging vereischte. Er was weinig -discipline onder de ballingen. Ieder deed wat goed was in zijn -oogen en er hadden zich te veel vreemde elementen bij hen gevoegd, -om een strenge krijgstucht te kunnen handhaven. Maar er was toch een -zekere band, die hen verbond, en de besten onder hen, de strijders -bij Austruweel en de vluchtelingen uit Valenciennes en Doornik, -erkenden Jacob Martens en de Welle als aanvoerders van hunne bende, -een van de vele, die zich in de bosschen van West-Vlaanderen en -Henegouwen hadden genesteld. Zij konden hunne makkers niet aan hun -lot overlaten. Openlijk voor hun plan uitkomen, konden zij evenmin: -het moest geheim blijven ter wille van hunne veiligheid. - -Zoo besloten zij dan den predikant, Jan Machielsz, in het geheim te -nemen en hem, gedurende hunne afwezigheid, de zorg voor het kamp op -te dragen. De man was een dweper en in zijn wilde buien van haat en -wraakzucht was hij in staat tot onmenschelijke daden, maar hij was -volkomen betrouwbaar. Hij zou hen niet verraden. Zij moesten hem -slechts doen beloven, niets te ondernemen in hunne afwezigheid, en -indien zij binnen een bepaalden tijd niet terugkeerden, dan moest de -bende zich verstrooien. De gewapende mannen konden zich gemakkelijk -aansluiten bij een anderen troep Boschgeuzen, want de ballingen waren -talrijk genoeg. - -Zij vonden den predikant in de eenvoudige duinhut, die de Geuzen -uit eerbied voor zijn ambt en met het oog op zijn tenger lichaam en -zijn zwakke gezondheid, voor hem hadden gebouwd. Toen de beide mannen -binnentraden, keek hij op van den bijbel, die voor hem lag op een ton, -die hem tot tafel diende. - ---"Wat brengt gij, mannen broeders?" vraagde hij. "Zullen wij weder -optrekken tegen Amalek? Alzoo zegt de Heere: Gaat nu henen ende slaat -Amalek, ende verbant alles, wat hij heeft ende verschoont hem niet..." - ---"Neen, Jan Machielsz, neen," zeide de Welle. "'t Geldt ditmaal geen -strooptocht. Wij hebben u wat te zeggen." - ---"Wee u, zoo gij als Saul Agag wilt sparen, dien de Heere, de God -Israëls, heeft gevloekt!"--De zwarte oogen in het magere, bleeke -gelaat begonnen te fonkelen en de kreupele prediker hief de hand -dreigend op. Toen wees hij op zijn bijbel. - ---"Ik heb een openbaring ontvangen," fluisterde hij heesch. "Ik was -biddende voor het aangezicht des Heeren en zeer weeklagende over -de breuke van Gods volk. En ik hoorde een stem, die tot mij zeide: -Neem het Boek en lees het woord, dat ik u zeggen zal! En ik nam het -Boek en ik las..." - -Hij wees naar zijn bijbel en legde den vinger op de bladzijde. - ---"Hoort het gezicht van Obadja," ging hij voort, "waarin de Heere -Heere tot mij gesproken heeft: Alzoo zegt de Heere Heere van Edom: -Wij hebben een gerucht gehoord van den Heere en hun is een gezant -gezonden onder de Heidenen. Staat op en laat ons opstaan tegen hen -ten strijde..." - ---"Zoo las ik en mijn oogen werden verlicht," ging de dweper voort. "Is -niet de gezant, die gezonden is tot Edom, onder de Heidenen, deze -trotsche Spaansche hertog, dien zij Duc d'Alve noemen? Is deze -profetie niet in onze ooren vervuld? En zullen wij niet opstaan, -tegen hen ten strijde? Al zegt Edom in zijn harte: Wie zou mij ter -aarde nederstooten?--alzoo spreekt de Heere: Al verhieft gij u gelijk -de arend ende al steldet gij uw nest tusschen de sterren--zoo zal ik -u van daar nederstooten..." - ---"Er zal nog genoeg te strijden vallen tegen Edom, Jan Machielsz," -zeide Jacob somber. "Maar nu niet! Ge moet wachten tot wij -terugkomen. Wij moeten een reize ondernemen, en..." - -Met fonkelende oogen staarde de predikant hem aan. - ---"Gij wilt een reize ondernemen?" riep hij wild. "Gij wilt Gods volk -verlaten, als zij omkomen in de woestijn? Israël zal optrekken ten -strijde en gij zult rusten aan de beken van Ruben? Maar de Heere zal -bezoeking doen over hen, die vlieden ten dage des strijds en over hen, -die daar roepen: Vrede, vrede! en ziet, daar is geen vrede!" - ---"Wij willen u en onze mannen niet in den steek laten," zei Jacob -wrevelig. "Ik zeg u, dat wij een reis moeten ondernemen, om redenen, -die ons alleen aangaan, en wij willen u verzoeken, om, zoolang als -wij weg zijn, het bevel op u te nemen en den vrede onder de mannen -te bewaren." - -Jan Machielsz zag hem aan met een vreemden blik. - ---"Gij wilt van hier gaan--om redenen, die u alleen raken," zeide hij -langzaam. "Hoor toe, jonker, want mijn hart kleeft u aan, omdat gij -alles verlaten hebt om smaadheid te lijden met Gods volk. Hoor toe, -en ik zal u te kennen geven, wat de Heere dezen nacht tot mij heeft -gesproken." - ---"Uw hart hangt nog aan de Midianietische, aan de Paapsche jonkvrouw, -die u te Gent heeft omstrikt. Ik zegge u, laat af van haar, want -zij zal u worden ten verderve.--Gij kleurt en gij ziet mij toornig -aan? Toch zal ik u Gods woord doen hooren." - ---"Ik was dezen nacht biddende en ik dacht aan de breuke des volks, -want de slaap was van mij geweken. Toen zag ik een gezicht, en ik zag -u, jonker Martens, en gij stondt op een tweesprong. En ge waart niet -alleen, maar naast u stond een vrouw, en zij droeg de versierselen -van de dochteren der Filistijnen. En ik zag u op den tweesprong, -waar de weg zich splitste en de eene weg voerde naar het Oosten, -waar de zon doorbrak en de andere leidde in nacht en nevelen. En uw -aangezicht was gekeerd naar het Oosten, maar de vreemde legde haar -hand op uw hand, en zij legde haar arm om uw schouders en strengelde -hare lokken om uw hals en ik wist, dat zij u wilde medelokken op -den weg, die voerde in de duisternis. En ik hoorde eene stem, die -sprak: Zeg tot den jongeling, die uw ziel liefheeft: Waak en bid, -opdat gij niet in verzoeking komt! Want daar is een zware beproeving -voor hem aanstaande, en de Heere God zal zijne ziele ziften, als -de dorscher de tarwe zift!--En de stem zweeg en het gezicht werd -van mij weggenomen. En ik zeg u, jonker, hoed u, want op den weg, -dien gij gaan wilt, wacht u zware beproeving en zondige bekoring, -en zoo uw ziel bezwijkt, uw deel zal zijn met de afvalligen en gij -zult een verworpene zijn voor het aangezicht des Heeren!" - -Niet zonder ontroering hadden Jacob en de Welle naar de woorden van -den bleeken man geluisterd. Jan Machielsz was, terwijl hij sprak, -opgestaan van zijn zitbank; zijn onaanzienlijke gestalte scheen te -wassen en met opgeheven hand en vlammende oogen slingerde hij als -'t ware Jacob zijne bedreiging in 't aangezicht. Daar kwam nog bij, -dat de Geuzen, mannen van een licht bewogen ras, veel waarde hechtten -aan de visioenen en de profetische woorden van hun prediker in de -woestijn, van wien allen wisten, dat hij veel had geleden om des -Evangelies wil, en zij beiden maakten daarop geen uitzondering. De -drie mannen zwegen eenige oogenblikken. - ---"Als het gezicht, dat gij gezien hebt, van God is, Jan Machielsz," -zeide Jacob eindelijk, "dan mag het mij een waarschuwing zijn op -mijn weg! Maar gij hebt niet gezien, dat ik mij liet afleiden en -verlokken, en gij moogt mij niet van ontrouw en verraad beschuldigen -zonder reden. Ik moet thans gaan, waar mijn hart mij roept, en de -Welle wil meegaan, omdat hij mijn vriend is. Als wij kunnen, zullen -wij binnen tien dagen tot u en onze mannen terugkeeren, ofschoon God -weet, wat het einde van dit alles moet zijn. Misschien keeren wij -niet terug. Dan zijn wij gevangen genomen of gevallen. Maar ontrouw -worden aan de goede zaak zullen wij niet." - -De predikant staarde hem strak aan. Toen ontspanden zijn harde trekken -zich, en zijn stem klonk zachter. - ---"Ik geloof u, jonker Martens," zei hij langzaam. "Ge zijt als -Nathanaël, een Israëliet zonder bedrog. Zoo ga dan, als gij meent, -dat de Heere u den weg zal banen. Gij zult komen in groot gevaar naar -het vleesch en in groote bekoring,--maar ik zal voor u bidden, dat -de Heere met u zij en uwe ziel beware! En nu, spreekt, gij beiden, -mannen broeders, wat wilt gij van mij?" - -Het onderhoud duurde thans maar kort. Wanneer Jan Machielsz niet -door een van zijn vlagen van sombere dweperij was aangetast, dan -toonde hij zich een man van een helder verstand en een kloek leider -en aanvoerder. Hij zou gedurende de afwezigheid van Jacob en de Welle -de leiding van de ballingen op zich nemen en hen, zoo mogelijk, terug -houden van gewaagde strooptochten. Hij zou goed wacht laten houden en, -werden de Geuzen door de troepen van Noircarmes aangevallen, dan zouden -zij terugtrekken en zich verspreiden in het woeste en uitgestrekte -duin. En van hun plannen zou hij tegen niemand een woord reppen. - -Toen deed hij een kort gebed en met een handdruk namen de mannen -afscheid van elkander. - -Voor het aanbreken van den dag begaven Jacob Martens en de Welle zich -op weg. Zij waren gekleed als gewone Vlaamsche boeren, in wijde linnen -kielen, met kappen, die bij ongunstig weer tot hoofddeksel dienen -moesten. Om geen argwaan te wekken, droegen zij geen zichtbare wapenen, -dan stevige stokken, met ijzeren punten, zooals de veedrijvers ze -wel gebruikten. Onder hun kiel droegen beiden echter een lang, scherp -mes in lederen scheede, een zoogenaamden "opsteker": een gevaarlijk -wapen in de hand van een krachtig en moedig man, en daarbij nog een -geladen pistool. - -Zij verlieten het kamp, zonder door iemand te worden opgemerkt, -langs de hun welbekende duinpaden, en richtten zich dadelijk -noordwaarts. Zoolang zij in de streek bleven, die door de Boschgeuzen -onveilig werd gemaakt, hadden zij geen gevaar te vreezen. Kwamen zij -echter noordelijker, dan konden zij, licht op een patrouille krijgsvolk -stuiten, want zij wisten, dat de stadhouders der verschillende gewesten -begonnen waren kleine afdeelingen soldaten uit te zenden, om jacht -te maken op de rondzwervende Geuzen, vluchtelingen van Austruweel -en Watrelos. Zij zouden zich in een dergelijk geval uitgeven voor -veekoopers, die op weg waren naar de veemarkt te Antwerpen. Maar -als men hen niet geloofde, als men hen aanhield en hen naar Gent of -Antwerpen voerde, dan zouden zij spoedig herkend worden en hun lot -zou weldra beslist zijn: voor Jacob Martens het zwaard; voor zijn -metgezel de strop. - -Zij hielden daarom zooveel mogelijk den boschrijken duinrand, waar -zoo vroeg in den ochtend slechts een enkele strooper rondzwierf en -waar men, in geval van nood, spoedig een schuilplaats kon zoeken. 't -Was een mooie herfstmorgen; de grijsblauwe nevels hingen over de -bosschen en duinweiden en over de akkers in de verte. Merels en -lijsters scharrelden in het kreupelhout en soms vloog een Vlaamsche -gaai krijschend op, even met azuurblauwen wiekslag heenwippend over -de donkere eikestruiken. Maar de koning van het landschap was de -vink. Van alle kanten klonk de forsche slag van den vroolijken vogel, -en toen de zon opging, zag men overal zijn fraai rood borstschild als -warme tint tusschen het gelend beukeblad. Groote zwermen trekvinken -trokken luid roepend over hen heen. Vlugge konijntjes wipten over -het pad. De geheele duinstreek was vol leven en beweging. - -Ondanks de omstandigheden, waarin hij verkeerde, en de gevaren, die -hem bedreigden, genoot Jacob Martens van den schoonen morgen en hij -kon zelfs soms voor een oogenblik alle bezwaren vergeten. Anders was -het met de Welle. Zijne kleine, blauwe oogen spiedden overal rond, -en peilden elk boschje, dat zij langs trokken. Van tijd tot tijd -beklom hij een duintop en spiedde naar alle kanten. Nadat hij dit -een paar malen herhaald had, keerde hij met een verdrietig gezicht -naar Jacob terug. - ---"Wij worden gevolgd, jonker!" zei hij. "Wij zijn niet alleen in -'t duin!" - ---"Gevolgd? Wie zou ons volgen?" vraagde Jacob. "Niemand wist immers -van onze plannen dan Jan Machielsz. En die is trouw!" - ---"Ik hoop het. Maar wij worden gevolgd, door vriend of vijand. Ik -heb het al lang gedacht. En zoo meteen zal ik het u bewijzen." - -Het pad slingerde langs een begroeide duinhelling naar boven en leidde -over een heuvelkling, van waar men een gedeelte van den afgelegden -weg kon overzien. De Welle liep rustig door, tot hij en zijn metgezel -achter het duin verdwenen waren. Toen bleef hij staan. - ---"Kruip nu naar dien berkestruik, jonker," zei hij, "en kijk langs -den stronk. Hij moet niet vermoeden, dat wij hem in de gaten hebben, -anders blijft hij staan." - -Jacob deed, wat hem gezegd werd, maar hij zag niets. Rustig en kalm -lag het duinlandschap in de stralen der morgenzon. - ---"Kijk nu naar dat boschje eikenhakhout," zei de Welle. "Ziet ge wel, -hoe die vogels telkens opvliegen en weer neerstrijken?" - ---"De trekvinken vliegen overal!" zei Jacob ongeloovig. - ---"Ja, maar deze vluchten vliegen naar 't noorden, evenals de vogels, -die wij zelf opschrikken, kijk hier!" - -Een groote vogel was opgevlogen, en streek laag bij den grond, met -een glijdende, geruischlooze vlucht over hen heen. - ---"Een uil!" zei de Welle. "Als hij niet was opgejaagd, zou hij in -zijn boomtronk zijn blijven zitten. Ik zeg u, wij worden gevolgd, -jonker, en 't is de vraag door wien. Is 't een vriend, dan moeten -wij hem duidelijk maken, dat wij zijn gezelschap ditmaal niet van -doen hebben. Is 't een vijand,--dan kunnen wij de kans niet loopen, -ons leven op 't schavot te verliezen voor een papistischen spion." - -En met een harden trek om den mond tastte de koddebeier naar het heft -van zijn opsteker onder zijn kiel. - -Met vorschende blikken nam hij het landschap op. - ---"Een kwartier verder komen wij aan een breede duinpan," zei -hij. "Ik had er eerst om heen willen trekken, want wij behoeven niet -meer gezien te worden dan noodig is. Maar wij moeten weten, wie die -compaan is. Niet omzien, jonker! Wij moeten den indruk maken van twee -onbezorgde reizigers. Dan volgt hij ons misschien en dan kunnen wij -hem zien." - -De witte zandvlakte was weldra bereikt en overgestoken. Rustig -beklommen zij de tegenover liggende duinhelling en verdwenen achter -den rand. Toen wierpen de beide mannen zich voorover en, loerend door -de dichte helm, wachtten zij op de dingen, die komen zouden. - -Zij behoefden niet lang te wachten. Op den duinrand tegenover hen -verscheen een donker voorwerp, een hoofd, dat rondspiedde en de geheele -omgeving nauwkeurig opnam. Na eenige oogenblikken verdween het weder -en een man verscheen op het duin. Hij keek nog even onderzoekend rond -en daalde toen langzaam de helling af. De stalen boog van een armborst, -dien hij op den schouder droeg, flikkerde in de morgenzon. - ---"'t Is Daniël!" riep Jacob verrast. "Wat wil hij van ons?" - -Hij sprong op en wenkte den man vriendschappelijk toe, want hij -dacht niet anders, of Jan Machielsz had hem om dringende redenen hun -achterna gezonden. Maar de strooper beantwoordde zijn groet niet. Hij -bleef staan, aarzelde nog een oogenblik, keerde zich toen haastig om -en verdween achter het duin. - ---"Dat hadt ge niet moeten doen, jonker," zei de Welle. "De jongen -is in den laatsten tijd al schuwer en vreemder geworden. Wie weet, -wat er in zijn kranke hersens omgaat en waarom hij ons volgt. Als wij -hem hier hadden afgewacht, hadden wij met hem kunnen spreken en hem -misschien kunnen bewegen, rustig naar 't kamp terug te keeren. Nu -is hij gewaarschuwd en wij zullen hem niet terugvinden. En wie zal -zeggen, wat hij in 't schild voert?" - -En inderdaad had de oude boschwachter goed gezien. Hoewel zij terstond -op hunne schreden terugkeerden en zelfs een hoogen duintop beklommen, -was er van den strooper niets meer te ontdekken. - ---"We kunnen ons niet langer ophouden," zeide de Welle. "Misschien -keert hij uit zichzelf wel terug. Wij zijn nog lang niet aan Sint -Marie ter Duin, en dan duurt 't nog wel een paar uur, voor wij -aan dien landweg naar Gentbrugge zijn, waarover ik met den jonker -gesproken heb." - -Sint Marie ter Duin was de naam van een duindorp, dat in de geheele -streek een zekere vermaardheid genoot. Te midden der waterlooze -zandwoestijn van de Nieuwpoortsche duinen, was daar een zeer diepe, -gemetselde put, die ook in de heetste zomers niet opdroogde, maar -altijd in zijn donkere diepte heerlijk koel water bevatte. De put -lag in een eikenboschje, aan den voet van 't hooge duin. Vlak er bij -bevond zich, geklemd tusschen twee oude boomen, een steenen nis, en -daarin stond een oud verweerd beeld, dat volgens de bewoners van de -duinstreek, de maagd Maria voorstelde. Wel had eens,--naar 't gerucht -vermeldde--een verwaand retrosijn, die de streek bezocht, beweerd, dat -het beeld uit overoude tijden dagteekende, toen niemand in Vlaanderen -nog van de maagd Maria en Jezus Christus, haren Zoon, had gehoord, -dat daar aan den duinvoet een Romeinsche villa had gelegen, en dat -het verweerde beeld het afbeeldsel was van een heidensche duivelinne, -een bronnimf of najade, maar aan zulke kettersche beweringen stoorde -zich niemand. Was men niet, sinds menschenheugenis, tweemaal 's jaars, -in de lente en in den herfst, in plechtige processie naar 't oude -kapelleke getogen, om de Heilige Maagd te bidden, het schoone, koele -water, een zegen voor de streek, niet weg te nemen, maar altijd even -rijkelijk te laten vloeien? Wat ongodisterij en verwaande betweterij -was het dan, om te beweren, dat het oude beeld in het verweerde, -steenen kapelleke van heidenschen oorsprong zou zijn. - -Toch, een duister besef, dat 't oude beeld in het boschje bij -den welput een andere Moeder Gods was, dan de talrijke beelden, -die men in de kerken en kapellen in den omtrek vereerde, leefde -er wel in het volk. Terwijl men over 't algemeen vertrouwelijk -omging met het heilige en zich in de bont versierde dorpskerken -en kapellen thuis gevoelde, had men voor de eenzame duinkapel een -zekere bijgeloovige vrees. Niemand, die des avonds laat gaarne het -eikenboschje zou bezoeken. Onze Lieve Vrouw in 't duin hield van de -eenzaamheid. En zonderling, de beeldstorm had het oude beeld gespaard -en de Boschgeuzen, die geen Roomsch heiligdom ontzagen, hadden het -tot nog toe evenzeer met rust gelaten. - -Het duinpad, dat Jacob Martens en de Welle volgden, voerde langs het -eikenboschje bij den welput. Zij wilden er rusten en zich verfrisschen -met het koele water, voor zij hun tocht voortzetten. De putboom met -den ijzeren ketting en den emmer hing er, voor ieder, die putten wilde. - -Reeds zagen zij bij een wending van het pad het donkere loof van de -lage knoestige eiken vlak voor zich, toen hun oor werd getroffen door -het geluid van schrille, zingende kinderstemmen. Van den kant van het -duindorp, waarvan men den toren in de verte boven het geboomte uit -zag steken, naderde een bonte stoet. Voorop ging een vaandeldrager, -die een hoog gekleurde banier statig voor zich uit droeg, zeker -het vendel van het schuttersgild, waarvan de leden, met handboog en -pijlkoker, hem op den voet volgden. Dan kwam een priester in misgewaad, -vergezeld van twee koorknapen met rookende wierookvaten. Vier andere -koorknapen droegen onder een baldakijn een houten beeld, een Moeder -Gods met het kind Jezus in de armen. Daarachter volgden een aantal -zingende kinderen en jonge meisjes, die met schelle, hooge stemmen -een loflied aanhieven ter eere van de Heilige Maagd, en de stoet -werd besloten door vier ruiters, krijgslieden in volle wapenrusting, -wier stormkappen en kurassen flikkerden in de stralen der ochtendzon. - -'t Was de jaarlijksche processie. Het Mariabeeld uit de dorpskerk -bracht Sinte Marie ter Duin een bezoek. Zoo beschouwde het 't naïeve -volksgeloof en men hield het eeuwenoude gebruik in eere. - -Met grimmige blikken zagen de beide Geuzen den stoet naderen. Voor -hen was wat zij daar zagen, verfoeilijke afgoderij! - ---"Die ruiters zijn knechten van Noircarmes, die meerijden om de -processie te beschermen," zeide Jacob. - ---"Of 't is hun om een potteke Leuvensch bier te doen, dat de paap -na afloop wel ten beste zal geven," bromde de Welle. "Maar wat is dat?" - -Op 't gele zandpad, dat naar den put leidde, een vijftigtal passen vóór -den stoet, was plotseling een man verschenen, die de processie den weg -scheen te willen versperren. Hij had een stalen kruisboog in de hand. - ---"Daniël!" riep Jacob met gesmoorde stem. "Wat wil hij hier?" - -'t Zou spoedig blijken. Met een ruk bracht de waanzinnige den -armborst aan den schouder. De stalen boog klonk en dwars door het -voorhoofd geschoten, zonk de priester in het duinzand neer. Met een -woesten schreeuw zijn wapen zwaaiend, rende de Geus het pad op naar -de kapel. Er volgde een tooneel van wilde verwarring. De verschrikte -kinderen vluchtten gillend naar het dorp. De ruiters zetten hun paarden -aan en reden, door de dapperste schutters gevolgd en voorafgegaan, -den moordenaar achterna, terwijl anderen, met de koorknapen, zich -met den stervenden priester bezig hielden. - ---"'t Duin in, jonker!" siste de Welle. "Zij komen dezen kant niet uit -en zij zoeken Daniël. Wij kunnen hem niet helpen. Maar die knechten -zullen den geheelen omtrek afzoeken, 't zij ze hem vangen of niet." - -Zij verlieten het pad en trokken snel het duin dieper in, terwijl -zij zorgvuldig vermeden zich op een top of kam te vertoonen. Achter -hen klonk het geschreeuw van de vervolgers van Daniël, dat echter -flauwer en flauwer werd en zich weldra in het duin verloor. - ---"Zou hij 't ontkomen?" vroeg Jacob. - ---"Als hij goed bij zijn verstand was, misschien! Maar hij is gek -en hij zal willen vechten! Dan hebben zij hem gauw omsingeld. Hoe -'t zij, helpen kunnen wij hem niet." - -Ruim een uur trokken zij door 't woeste duin, voor zij zich in -veiligheid achtten. Toen beklommen zij een hoogen top en tuurden en -luisterden naar alle kanten. 't Was toch mogelijk, dat de soldaten -en gewapende boeren het duin zouden doorzoeken. Over den moord -op den priester spraken zij niet. Jacob Martens had, sinds hij -zich bij de Boschgeuzen bevond, veel moeten aanzien, wat hij niet -kon verhinderen, al verfoeide hij het als laffe wreedheid. Den -moord en de mishandeling van weerlooze geestelijken had hij nimmer -goedgekeurd. Maar hij wist, dat 't vruchteloos was, daar met de Welle -over te praten. Deze beschouwde, met Jan Machielsz en al hun makkers, -de Roomsche geestelijken als Baälpriesters, die uitgeroeid moesten -worden, waar men ze vond en zij waren onverzettelijk in hun starren -geloofsijver. Hij wist zeer wel, dat de Welle Daniëls daad niet -afkeurde en alleen de roekeloosheid betreurde, die hem waarschijnlijk -in de handen van zijn vijanden had doen vallen. - - - -Tegen het vallen van den nacht slopen de beide Geuzen naar het boschje, -waarin de oude put en het kapelletje van St. Marie ter Duin verborgen -lagen. Ze hadden den geheelen dag in de duinen doorgebracht. Zonder -moeite zouden zij hun tocht met een omweg hebben kunnen voortzetten, -maar zij wilden de plaats niet verlaten, zonder te onderzoeken, -wat er van hun krijgsmakker geworden was. De vervolging was ras -geëindigd en dat deed hun vermoeden, dat Daniël al spoedig in de -handen zijner vijanden was gevallen. Was hij ontkomen, dan zouden -zeker gewapende benden het duin hebben doorkruist, om den vermetelen -heiligschenner en moordenaar te zoeken, maar zij hadden niets verdachts -bespeurd. Waarschijnlijk was Daniël dus dood of gevangen. - -Zij hadden den top van den hoogen zandheuvel bereikt, aan den voet -waarvan het eikenboschje lag en luisterden in de vallende duisternis, -of eenig gerucht de aanwezigheid van hun vijanden verried. Het weer -was tegen den avond veranderd. De lucht was betrokken en er woei een -gure Noordwestenwind. Van tijd tot tijd brak de maan door de zware -regenwolken, maar in de zwarte massa aan den voet van 't duin was -niets te onderscheiden. - -De uren kropen om. Niet voor de nacht geheel was gevallen, dorsten -de Welle en Jacob Martens het duin afdalen. Zij wilden eerst het -boschje onderzoeken en dan naar het dorp sluipen. Natuurlijk wist -ieder der bewoners, wat er dien dag gebeurd en wat er van Daniël -geworden was. Zij zouden desnoods onder een of ander voorwendsel aan -een der meer afgelegen woningen aankloppen en de bewoners uithooren. - -Het was rustig en stil in het dorp en in de omgeving. Van tijd tot -tijd hoorde men het blaffen van een werfhond in de verte, in de -struiken op de duinhelling ratelde een "geitenmelker", maar verder -hoorden zij niets dan het gieren van den wind over het eenzame duin. - -Eindelijk was het donker genoeg. Als de maan schuil ging, kon men -de eiken daar beneden niet onderscheiden. De twee mannen daalden -voorzichtig het duin af. Bij het boschje gekomen, luisterden zij -nogmaals, maar zij hoorden niets, dan de wind in het eikenloof en -het knarsend piepen van den putboom. - -Zij overtuigden zich, dat hunne kruismessen los en gemakkelijk in de -scheede staken en drongen toen voorzichtig het boschje binnen. 't -Was er stikdonker, maar als straks de maan even doorbrak, zou men -op de open plek bij den put en het kapelletje althans iets kunnen -onderscheiden en als het boschje, zooals zij hoopten, niet bewaakt -werd, zouden zij althans hun brandenden dorst kunnen lesschen. - -Voorzichtig slopen zij door het hout, zich telkens bukkende, om de -laag neerhangende takken te ontwijken, met de handen tastende in de -dichte duisternis. Plotseling uitte Jacob een gesmoorden kreet. Hij -had de open plek bereikt en tastte naar den putrand, want hij hoorde -het knarsen van den putboom in zijn onmiddellijke nabijheid, maar zijn -uitgestoken handen ontmoetten iets zachts, iets, dat voor hem week, -dat meegaf... - ---"De Welle, wat is dat?" fluisterde hij heesch. - -In een oogenblik was de oude boschwachter bij hem. - ---"Wat, wat is er, jonker?" zei hij haastig. - -Op dit oogenblik verscheen de maan even tusschen de jagende wolken -en de Geuzen zagen nu spoedig genoeg, wat het geheimzinnige voorwerp -was. Aan den putboom bengelde het lijk van den ongelukkigen Daniël. De -knechten van Noircarmes hadden kort recht gedaan en de putboom, -door een houten wig in het spil omhoog gehouden, had als galg gediend. - -Bij het knarsend piepen van het hout zwaaide het lichaam in den -nachtwind heen en weer. - ---"Uit den weg, jonker!" zei de Welle kortaf. Hij rukte de wig uit -de opening van het spil en het lijk plofte op den grond. - -Zij sneden den gehangene af. Toen, nadat zij haastig gedronken hadden -van het koele putwater, keerden zij terug. Jacob nam zijn halsdoek -en bedekte het blauwe, vertrokken gezicht van het slachtoffer. - -Eenige oogenblikken stonden de beide mannen besluiteloos. Toen, -alsof zij elkander zonder woorden begrepen, namen zij het lijk op -en droegen het een eind verder, naar den voet van het duin, waar zij -het met het mulle zand bedekten. Zij hadden noch den tijd, noch het -noodige gereedschap om hun krijgsmakker te begraven. - ---"Hij heeft Mieke op de papen gewroken," mompelde de Welle. "Hij -was een losbol en na Mieke's dood was zijn verstand gekrenkt. Toch, -wie weet... misschien zal God zijn ziel genadig zijn!" - ---"Amen!" zei Jacob. Hij dacht aan dien nacht op den weg naar -Poperingen; hij zag het bleeke, angstige gezicht van Mieke, in -het roode schijnsel van den brandenden houtstapel en de verwrongen -trekken van Daniël, toen hij den armborst aanlegde--en hij vergaf den -armen verdwaasde zijn woeste wreedheid, zijn woede tegen onschuldige -geestelijken, bij de gedachte aan dat vreeselijke oogenblik. - -Toen trokken de beide mannen Noordwaarts, want de streek was voor hen -onveilig en de morgen moest hen ver vinden van die noodlottige plek, -het kapelleke van Sinte Marie ter Duin. - - - - - - - -XV. - - -Op een neveligen herfstmorgen, acht dagen later, gingen de deuren -van de oude Halpoort te Brussel knarsend open. - -Een aantal karren had al op het openen der poort staan wachten, -met talrijke voetgangers, boeren en boerinnen uit den omtrek, met -pakken en manden beladen, want het was Dinsdagmarkt heden en zoo de -komst van Alva en zijne troepen ook schrik en ontzetting bracht in -de erflanden van Philips, te Brussel bracht zij nering en vertier, -want er was veel noodig voor den hertog en zijn gevolg, voor het -sterke garnizoen van Brussel en voor de edelen, die de partij van den -Koning waren trouw gebleven of die, na de zegepraal der Regeering, -nog bijtijds hunne onderwerping hadden aangeboden en die nu naar de -hofstad waren getogen, om er de feesten bij te wonen, die Alva gaf -om den adel om zich te vereenigen en nauwer aan zich te binden. - -En de boeren uit den omtrek voeren er wel bij, want de waren, die -zij ter markt brachten, werden gretig gekocht en goed betaald en de -marktdagen te Brussel waren levendig en druk. - -Toen nu, in de grauwe ochtendschemering, de zware poortdeuren langzaam -opengingen, klonken de luide stemmen der voerlieden, die hunne zware, -sterke paarden aanzetten, met het geklets hunner lange zweepen, en de -rij witgehuifde karren verdween langzaam in de donkere poortopening, -met de voetgangers, die naast en tusschen de wagens doordrongen, om -het eerst ter markt te zijn en een goede plaats te verkrijgen. Achter -de karren kwamen kudden runderen en schapen, die door hun geleiders -langzaam werden voortgedreven. Met onverschillige blikken stonden -de beide Spaansche soldaten, die de wacht hadden aan de poort, het -schouwspel aan te zien, dat zich elke week herhaalde, en niemand -lette op twee mannen, een ouderen en een jonkman, die, onder de -andere veedrijvers gemengd, ijverig hun zweepsnoer lieten knallen om -de loome koebeesten door de poortengte te drijven. - -Na weinige minuten hadden Jacob en de Welle het doel van hun tocht -bereikt. Zij waren in Brussel! - -Na het noodlottig avontuur te St. Marie ter Duin was hun tocht tot -nog toe zonder bijzondere lotgevallen verloopen. Ze hadden Gentbrugge -bereikt en hadden een veilig verblijf gevonden bij een van de vele -Gereformeerden, die zich, vooral op het platteland, schuil hielden en -minder de aandacht trokken, dan hunne geloofsbroeders in de Vlaamsche -en Brabantsche steden. Ze hadden er de bijzonderheden gehoord van de -verwoesting der pas gestichte kerk te Gent, die den 9en April van dat -benauwde jaar 1567 door een compagnie Roomsche burgers, onder bevel van -kapitein Bousse, was vernield en afgebroken, van Artus Bousse, die zelf -aan den beeldenstorm had deelgenomen, en die nu tegen zijn vroegere -geloofsgenooten woedde, om zijn euveldaden te doen vergeten. [5] - -Zij hadden gehoord, hoe geheel Vlaanderen verslagen was over de -gevangenneming van Egmond en Bakkerzeele, op wie men, niettegenstaande -hunne gestrengheid tegen de beeldstormers, toch nog min of meer had -gerekend; hoe alle verzet tegen de Regeering voorgoed gebroken scheen -door den ijzeren Spaanschen hertog, en hoe men slechts fluisterend -elkander moed insprak, als men elkander de geruchten vertelde, dat de -Prins van Oranje troepen wierf om de verdrukte landen te verlossen, -dat de predikanten in 't geheim gelden inzamelden, om hem te steunen, -en dat men hoopte op hulp van de Huguenoten, de broeders in Frankrijk. - -Zoo hoopte men op hulp van buiten. Maar binnen de grenzen waren 't -alleen de gewapende benden in 't Zuiden, de Boschgeuzen, die zich -nog tegen den overweldiger verzetten. - -Zij waren niet lang te Gentbrugge gebleven. Zij mochten hunne -geloofsgenooten niet blootstellen aan het gevaar, dat hun boven het -hoofd hing, als men ontdekte, dat zij twee ballingen herbergden. - -Zij waren de stad omgetrokken, want te Gent durfden zij zich niet -vertoonen. Toen begaven zij zich, langs weinig bezochte landwegen, -die de Welle koos, langs Aalst naar Brussel. In de bosschen aan de -Zuidzijde der stad hadden zij zich eenige dagen schuil gehouden in een -verlaten en vervallen hut in het hout, om het terrein te verkennen -en een plan te maken. 't Was Jacob, die den voorslag deed, zich op -een marktdag als veedrijvers aan een boer te verhuren en met het -andere marktvolk de stad binnen te trekken. Eene vermomming hadden -zij niet noodig. Hunne kleeding was die der Vlaamsche en Brabantsche -boeren. Waren zij eenmaal binnen de stad, dan moesten zij op hun -geluk vertrouwen en hopen, dat zij niet herkend werden door een der -spionnen der Regeering. En de kans daarop was niet gering. Zij hadden -beiden een rol gespeeld in de gebeurtenissen van 1566 en duizenden -hadden hen bij het Geuzenleger gezien. Werden zij ontdekt, dan zou -niets hen kunnen redden. Tevergeefs trachtte Jacob Martens de Welle -te bewegen, hem thans te verlaten en naar de legerplaats der Geuzen -terug te keeren. De oude boschwachter weigerde halsstarrig, zich van -zijn jonker te scheiden. - -Te Brussel hoopten zij hulp te vinden bij een der geloofsgenooten, -wier namen en woonplaatsen hun door de broeders te Gentbrugge waren -toevertrouwd. Want ook te Brussel, Alva's hoofdkwartier, hielden zich -nog Geuzen verborgen. Ging niet onder de Gereformeerden in Vlaanderen -en Brabant het verhaal, dat de eerwaarde Franciscus Junius het Woord -Gods had gepredikt op de markt, terwijl door de vensters der kamer, -waar de geloovigen bijeen waren, de vlammen van den mutsaard te zien -waren, waarop een hunner broeders den marteldood stierf? - -Toen het plan eenmaal was ontworpen, was het zaak, het zoo spoedig -mogelijk ten uitvoer te brengen. Elken Dinsdag werden kudden runderen -en schapen naar de stad gedreven en het kostte de beide mannen niet -veel moeite, een veekooper te bewegen, hen voor een paar stuivers -als drijvers aan te nemen. Ze kozen een handelaar uit Artois, die -er licht niet zoo spoedig toe komen zou, onbescheiden vragen te doen -als een Vlaming of een Brabander. - -Nu waren ze in de nauwe straten en, om argwaan te voorkomen, moesten ze -het vee van den man, die hen gehuurd had, naar de markt helpen drijven -en met hem afrekenen. Toen zij hun loon ontvangen hadden, slenterden -zij schijnbaar onverschillig door het drukke marktgewoel, terwijl -zij zich, waar over een koop werd onderhandeld, als belangstellende -toeschouwers onder de menigte mengden. Koop en verkoop, en al het -gewone marktgedoe gingen hun gang. Toch was er op de groote Markt -een gedrukte stemming onder het volk. De gebeurtenissen der laatste -weken hadden een diepen indruk gemaakt en men vraagde zich angstig -af wat er verder gebeuren zou. - -Men had de beide Geuzen gewaarschuwd voor de spionnen der Regeering, -de "sevenstuyverlieden" of verklikkers, die zich overal bevonden, -waar veel menschen bijeen waren, en de gesprekken afluisterden, om -hen, die uiting gaven aan oproerige gevoelens of hun ontevredenheid -te kennen gaven over het Spaansche bewind, aan te klagen. Maar zij -bespeurden niets verdachts. Niemand lette op hen en langzamerhand -onttrokken zij zich aan de marktdrukte, om in een kleine herberg een -kroes Leuvensch bier te drinken en het brood en het spek te eten, -dat de kloeke bazinne hun voorzette. Zij moesten wachten tot den noen, -vóór zij met de uitvoering van hun plannen konden beginnen. - -Tegen het middaguur daalden zij de steile straten af, die naar de -bovenstad voerden, om zich naar de benedenstad te begeven, waar de man -woonde, dien zij zochten, en voor wien de Eerwaarde Carpentier, een -der predikanten van de Gereformeerden te Gent, die zich te Gentbrugge -schuil hield, hun een brief had meegegeven. - -Vreemd zag de eerzame brouwersknecht Tiest Stoffelsz op, toen hij -bij zijn noenmaal van krachtige biersoep, plotseling werd gestoord -door twee mannen, die zijn woning binnentraden en hem verlangden te -spreken. Niet weinig verschrikt was hij, toen de vreemde bezoekers -hem hun geuzenpenningen toonden, hem aanspraken als een broeder in -den geloove en zeer wel bleken te weten, dat hij meer dan eens "ter -groene preeke" geweest was. - -Nu was Tiest Stoffelsz in zijn hart de "nye leere" oprecht toegedaan en -hij had ter preeke woorden gehoord, die hij nimmer zou vergeten, maar -hij had weinig aanleg voor het martelaarschap. Hij en zijn huisvrouw -hadden het beeldeke der Heilige Maagd met het kindeke Jezus niet uit -hun huisje verwijderd. 't Was immers zoo'n schoon beeldeke en het deed -niemand kwaad! En sinds men zeide, dat de Geuzen moesten onderleggen, -waren zij al eens ter misse gegaan, om hunnen pastoor almee te vriend -te houden. - -En nu--dit bezoek! De goede Baptist en zijne Katelijne keken elkaar met -bleeke gezichten en verschrikte oogen aan. Ze kenden de plakkaten. Was -het niet op lijfstraf verboden, de ballingen te huisvesten en te -herbergen? Tiest zag in zijn verbeelding al den nieuwen galgeput buiten -de poort en zichzelf als hoofdpersoon, in een sombere processie, met -Meester Jacob Spelle, de Roode roe, voorop, en met Meester Harmen, den -beul van Brussel, en zijn knechts als geleide, op zijn laatsten tocht. - -Maar die mannen brachten een brief van den Eerwaarden Carpentier -en Tiest Stoffelsz dacht terug aan wat er gebeurd was, nu twee -jaren geleden. Toen was hij zwaar ziek geweest, zoo ziek, dat de -barbier-heelmeester hem al had opgegeven en de buurwijven er bij -Katelijne op aandrongen om toch den pastoor te laten halen en haar man -niet zonder biecht en heilig sacrament de eeuwigheid in te laten gaan. - -Maar wat Tiest daarbuiten in "de groene preek" had gehoord, werkte -na in zijn ziel, en al was het nog heel duister en verward, hij wist -toch wel, dat hij wat anders noodig had, dan biecht en sacrament, en -hij was onrustig en gejaagd. Toen was, in de stilte van den nacht, de -jonge leeraar tot hem gekomen, die zich te Brussel verborgen hield, -en hij had met Tiest gebeden en met hem gesproken en het was den -zieke toen, voor het eerst, heel duidelijk geworden: "Het bloed van -Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden!" - -Tiest Stoffelsz was weer beter geworden, en--ach, er was sinds zooveel -gebeurd, dat hem het hoofd deed duizelen. Wat hij dien nacht vernomen, -en ja, ook geloofd had, klonk nog na in zijn ziel, soms wel heel -flauw, maar hij had het toch niet vergeten. Maar hij had al meer dan -een van zijn stoutmoedige geloofsgenooten de noodlottige ladder zien -beklimmen, hij had, na de komst van den hertog, op de Paardenmarkt -twee Geuzenpredikanten zien sterven, "geëxecuteerd metten viere", -één met "de groote vlam", één, die tot den beeldenstorm had aangezet, -"met klein vuur"--en dat was een vreeselijk schouwspel geweest! - -"So wie volherden sal totten eynde, die sal salig worden!" had een -eenvoudig werkman, een wever, de omstanders toegeroepen, toen hij -ter strafplaats ging. Maar het geloof en de moed van Tiest waren niet -groot genoeg, om hem te doen "volherden totten eynde", en hij wilde -zich liever stil houden en zich doen vergeten. - -Toch, al had de voorzichtige Katelijne de beide Geuzen gaarne terstond -de deur gewezen, Tiest kon niet weigeren te luisteren naar den brief -van den predikant, die hem in zijne doodsbenauwdheid had bijgestaan, -en welken de jongste der beide mannen hem voorlas,--want hij kon -niet lezen. - -En toen herademde Tiest. Wat die twee mannen van hem verlangden, was -zoo gevaarlijk niet. Hij behoefde geen ballingen te herbergen. De -Gentsche predikant, die Brussel goed kende, had gelijk. De kelders -van de brouwerij, waar hij werkte, kwamen uit in de Wolkammerstraat, -een stille achterstraat. Jawel, daar was een luikdeur, die toegang gaf -tot de kelders, waar de groote vaten bier lagen opgestapeld. Zeker, -die kelderdeur werd weinig gebruikt. Al wat van hem verlangd werd, -was, dien avond den boom weg te nemen, waarmee de luiken aan den -binnenkant werden gesloten. De beide Geuzen hadden geen kwaad in -den zin, dat verzekerden zij plechtig. Noch zijn meester, noch -het gilde zou schade lijden. Zij moesten slechts iemand spreken, -in het belang der goede zaak en hadden een schuilplaats noodig in -de Wolkammerstraat. En al werden zij ontdekt, wie kon aantoonen, dat -Baptist Stoffelsz er de hand in had gehad, om hen daar te verbergen? - ---"En als zij eens werden gevat en ter paleie geleid?" vraagde de -bezorgde Katelijne. De tortuur zou hen wel doen klappen en dan zouden -zij en haar man voor hunne hulp duur moeten boeten. - -Toen was er een harde trek gekomen op het gezicht van den jongsten -Geus. - ---"Levend zullen zij ons niet vatten!" had hij gezegd en de oudere -had goedkeurend geknikt. - -En met angst in het hart had de arme Tiest beloofd, dat dien avond -de boom van het kelderluik zou zijn. Waren zij eenmaal binnen, dan -moesten zij het luik sluiten en vooral geen gerucht maken. Vóór de -volgende week zou er geen bier worden vervoerd. En met die belofte -nam hij afscheid van zijn ongenoode gasten, die daarop bedaard en -zonder iemands aandacht te trekken, zijn huisje verlieten, nadat zij -hem beloofd hadden, den Eerwaarden Carpentier van hem te groeten en -den predikant te zeggen, dat Tiest Stoffelsz, al was dan misschien -de schijn tegen hem, een trouw en goed man was. - -En den volgenden morgen, nog voor het aanbreken van den dag, liepen -twee mannen rustig door de eenzame Wolkammerstraat. Ze droegen -de kleeding van den kleinen burgerstand dier dagen. Het konden -werkgasten zijn, die zich reeds vroeg aan den arbeid begaven. Den -vorigen avond hadden Jacob Martens en Pieter de Welle het terrein -verkend. De Wolkammerstraat was een stille en weinig bezochte -weg. Aan de eene zijde vond men de hooge achtergevels van pakhuizen, -brouwerijen en wolkammerijen, langs den anderen kant liep de hooge -muur, die den prachtigen en uitgestrekten tuin naast het paleis -van den graaf van Aremberg van den verkeersweg afsloot. In dien -muur was een achterpoortje, dat blijkbaar weinig gebruikt werd en -slechts met een grendel was gesloten. Dat was de Welle gebleken, -toen hij er als bij toeval een oogenblik tegen had geleund. Niet ver -van die achterdeur was de kelder met het groote luik, die de beide -avonturiers tot schuilplaats zou moeten dienen. Het kwam er nu maar -op aan, of Tiest Stoffelsz woord had gehouden. De mogelijkheid bleef, -dat de man het stuk niet had durven bestaan, of, erger nog, hen aan -de Roode Roe en zijne rakkers had verraden. - -Bij het achterpoortje gekomen, haalde de Welle een korte ijzeren staaf -voor den dag, waarvan hij zich den vorigen avond in een smidswinkel -had voorzien. Voorzichtig zagen de beide Geuzen om zich heen. De -straat was eenzaam en verlaten. De vensterluiken der omliggende -gebouwen waren gesloten. - -Toen zette de Welle den als een breekijzer afgeslepen staaf tusschen -de reet van de deur en den muur, op de plaats waar de grendel in de in -den steen uitgeholde opening schoof en duwde met kracht. De grendel -boog en bezweek bij een tweeden duw. De deur kon gemakkelijk worden -geopend. Zij stond nu alleen op de klink. - -Toen traden beide mannen naar het kelderluik en beproefden het op -te lichten. Het was los. Tiest had woord gehouden! Een steenen trap -voerde naar beneden. Zij doken in de donkere opening en schoven den -gereed staanden boom voor het luik. Zij waren voor het oogenblik in -veiligheid. Door de met ijzeren tralies voorziene gaten, die in het -hout waren aangebracht, viel een flauw licht. Zij konden hier rustig -wachten, tot het oogenblik was gekomen, waarop Jacob Martens het -gevaarlijk avontuur, waarop hij zijne zinnen had gezet, zou ondernemen. - -'t Werd een mooie Septembermorgen en 't beloofde een zomersche dag te -worden. Madeleine de Bette was na het ontbijt den hof in gewandeld om -van den schoonen nazomer te genieten en te werken aan hare tapisserie, -een prachtig altaarkleed, bestemd voor Sinte Gudula, de patronesse van -Brussel, want sedert Alva's komst wedijverden de vrouwen en dochters -der adellijke geslachten, die den Koning trouw waren gebleven, in het -maken van wijgeschenken voor de kerken der hofstad. En daarbij kwam, -dat Madeleine wel gaarne alleen wilde zijn, want zij had veel om -over te denken. In die paar jaren was zij nog mooier geworden. Het -tengere meisje, dat Jacob Martens had liefgehad, was een fiere, -statige schoonheid geworden en sedert president Martens door zijn -waardigheid als lid van den Raad van Beroerten verplicht was, te -Brussel te vertoeven, behoorde Madeleine de Bette, de rijke erfdochter -uit een der edele Vlaamsche geslachten, tot de meest gevierden van -het hof van den landvoogd. Op elk feest was zij omgeven door een -zwerm van jonge Spaansche en Nederlandsche edellieden, die haar om -strijd het hof maakten en heel Brussel wachtte in spanning op het -oogenblik, dat het zou blijken, wie de gelukkige was, die den door -allen begeerden prijs zou veroveren. - -Madeleine begaf zich naar een bank onder de neerhangende takken van -een oude linde, waar zij van uit het huis niet kon worden gezien. Zij -begon aan haar naaldwerk en werkte een poos vlijtig door. Weldra echter -liet zij de naald rusten en staarde droomerig naar de zonnevlekjes -op het groen bemoste tuinpad. - -Waar zij aan dacht? 't Waren blijkbaar geen ernstige of droevige -overpeinzingen, waar zij zich mede bezig hield, want soms speelde een -vroolijke glimlach om haar mond. Wat ging het ijdele en behaagzieke -meisje de ellende van haar land aan? De komst der Spaansche troepen en -van den ijzeren hertog hadden haar slechts voordeel aangebracht. Uit de -deftige, maar eenvoudige huizing van haar pleegouders was zij immers -overgeplaatst naar het vroolijke Brussel, waar zij kon genieten van -de bewondering en de hulde, die zij zoozeer waardeerde. En al die -troebelen in den lande, zij brak er zich het hoofd niet mede. Was -niet haar geheele omgeving er ten volle van overtuigd, dat de -oproerige Geuzen, die zich tegen den Koning hadden durven verzetten, -spoedig genoeg zouden worden onderworpen? Daarvoor was immers de -hertog overgekomen met zijne beproefde troepen, die nog nimmer waren -geslagen. Strengheid tegen de ketters, de beeldstormers, de Geuzen -was noodig, natuurlijk, maar spoedig zou de rust zijn hersteld en -dan zou het alles weer worden zooals vroeger. - ---Alles? Toch wel niet!--En Madeleine dacht aan velen, die haar het -hof maakten en haar tot hun vrouw wenschten te maken. Het vroolijke, -onbezorgde leven kon niet altijd duren. Ze zou wel een keuze moeten -doen, en dan een goede keuze, die haar een schitterende positie -waarborgde, want zij wilde blijven schitteren in die vroolijke kringen, -die haar zoo aantrokken. Aan geen onbeduidend man zou zij haar hand -schenken. 't Moest iemand zijn, die een toekomst had, een groote -toekomst, die zij met hem kon deelen. - -Thierry de St. Foy maakte haar ijverig het hof. Hij was nu luitenant -bij de Walen van Noircarmes. Hij was niet rijk, maar hij werd -beschermd door de Croy's en de hertog van Aerschot was thans een man -van beteekenis, die veel invloed had. Ieder meende, dat Thierry het -vèr zou brengen en hij was een schoon en bevallig cavalier, met wien -men voor den dag kon komen. - ---Jacob Martens? Ach, dat was kinderspel geweest. Jacques was immers -nu een balling, een verworpene, een oproerling tegen zijn wettigen -landsheer, en daarbij een snoode ketter, wiens naam, volgens den -wil zijner moeder, de strenge Vrouwe Martens, in haar huis niet meer -mocht worden genoemd. - -En toch was 't jammer! Jacques was toch wel een goede, edele jongen -en hij had haar wel innig liefgehad! Het waren toch wel goede en -mooie uren geweest, daarginds, in den hof van het oude huis te Gent. - ---Maar als hij haar werkelijk lief had gehad, dan zou hij haar niet -hebben opgegeven voor zijn kettersche dolingen en zijn oproerige -vrienden. Waarom had hij zich zelf door zijn dwaasheid in het -ongeluk gestort voor tijd en eeuwigheid? Haar biechtvader had het -haar verzekerd. Hem wachtte het schavot, als hij ooit gegrepen -werd, en dan de pijnen der hel, en wanneer zij nog met liefde en -gehechtheid aan den ellendigen ketter dacht, dan verkeerde zij in -staat van doodzonde. En zij kon dan toch niet de verloofde zijn van -een zwervenden balling. Misschien leefde hij niet eens meer.... - -Het ritselde in de heesters achter de oude linde. Madeleine merkte -het niet op. - ---Zou zij een van de Spaansche officieren nemen? Don Juan di Garcia -was zeker een bevallig caballero, veel aardiger in den omgang dan de -statige don Rodrigo d'Avila, die zeker al veertig jaar was. Maar don -Rodrigo bekleedde reeds een hoogen post en hij was van ouden adel -en verwant aan de beste Spaansche geslachten. Als zijn vrouw zou -zij dadelijk de positie innemen, waarnaar haar hart verlangde. En -de eerbiedige hoffelijkheid, waarmede haar Spaansche vereerders haar -naderden, streelde haar. Maar dan later naar Spanje te moeten gaan? Er -werd onder den Nederlandschen adel aan het Brusselsche hof zooveel -gesproken over de stijve, Spaansche zeden, over den dwang, waaronder -de Spaansche vrouwen leefden. Neen, dat was geen toekomst voor haar... - ---En lief had zij hen niet! Geen van allen! Thierry beviel haar nog -het best, maar toch--wat zij voor Jacques gevoeld had, was toch heel -wat anders! Maar ach, dat was misschien maar kinderachtige dwaasheid, -een droom van haar meisjesjaren... - ---Als iemand haar toch een raad kon geven! Zij wist zelve niet, -wat zij wilde! - -Weer ritselde het in de heesters. Er viel een schaduw op het -pad. Verrast, half verschrikt, keek Madeleine om. Een man stond achter -haar en twee fonkelende oogen staarden haar aan. - -'t Ontbrak Madeleine de Bette niet aan moed. Zij wierp een snellen blik -in de richting van het huis. Te ver! De indringer zou haar terstond -inhalen, als zij vluchtte. Als hij kwade bedoelingen had, moest zij hem -in bedwang houden, tot er mogelijk hulp kwam. Zij stond op van de bank. - ---"Wie zijt ge en wat doet ge hier?" vroeg zij hoog. - ---"Madeleine!" fluisterde de man, met heesche stem. - -Met een flauwen gil trad het meisje een pas terug. Wat was dat? - ---"Madeleine, kent ge mij niet meer?" - -De stem trilde van ontroering, maar Madeleine herkende ze. Zij zag -den vrager met verbaasde, verschrikte oogen aan. - ---"Jacques? Hier?" fluisterde zij. "Hoe komt ge..." - -Zij wist zelve niet of zij meer verheugd was dan ontsteld. Met wijd -geopende oogen staarde zij den onverwachten bezoeker aan. Ja, 't was -Jacob wel. Maar hoe veranderd! Wat leek de flinke, krachtige man, die -daar voor haar stond, weinig op den jongen Jacob Martens, dien zij voor -'t laatst te Gent had gezien. Wat stonden hem de knevel en de korte -baard goed, bij het door wind en weer gebruinde gelaat. En het breede -litteeken op het voorhoofd ontsierde hem niet. Onwillekeurig legde zij -haar beide handen in die van Jacob, toen hij ze naar haar uitstrekte. - ---"Ik moest u zien, u spreken, Madeleine!"--Jacobs stem trilde van -ingehouden hartstocht. "Ik heb er mijn leven voor gewaagd. Er werd -gezegd, dat ge verloofd waart,--met een ander, met Thierry! Zeg, -dat het niet waar is, Madeleine!" - -Hij wilde haar naar zich toe trekken, zijn arm om haar leest slaan, -maar Madeleine had zich hersteld van haar eersten schrik. Zij maakte -hare handen uit die van Jacob los. - ---"Dat is niet waar," zei ze koel, "maar als het eens waar was? Een -fraai bewijs van uw liefde, dat ge mij gegeven hebt! Weggevlucht zijt -ge van mij, van uw ouders en van uw vrienden, om u aan te sluiten -bij de ketters, bij de rebellen! Denkt ge, dat ik de verloofde zijn -wil van een ketter, een Geus?" - -Ze deed een stap achteruit en een smadelijk lachje speelde om haar -lippen. Ze was thans niet bang meer. - ---"Madeleine, het is niet waar! Die ketters willen alleen God dienen -naar de inspraak van hun hart en geweten en de rebellen zouden trouwe -onderdanen zijn van den Koning, als hij hen wilde laten leven als vrije -mannen. O, dat ik u de oogen kon openen! Ik moest, Madeleine! Ik zou -een lafaard zijn, als ik het arme, onderdrukte volk niet hielp! Maar -ik heb u nog altijd lief..." - -Maar Madeleine de Bette luisterde niet. Ze was zichzelf thans volkomen -meester. Het streelde haar ijdelheid, dat die forsche, sterke man, -een van de gevreesde Geuzen nog wel, daar als smeekeling voor haar -stond. En hij had zijn leven gewaagd, om tot haar door te dringen. Als -hij gevat werd, wachtte hem de dood op het schavot... - -Allerlei gedachten vlogen door haar koel, berekenend brein. Zij de -bruid van een balling, van een Geus,--onmogelijk! - -Maar--als 't haar gelukte, hem terug te winnen voor de partij van -den Koning? Als hij zich onderwierp en zijn ketterij afzwoer? 't Was -waar, de Raad van Beroerte was streng voor de ballingen, die aan -den opstand hadden deelgenomen, maar Jacques was nog jong en zijn -vader had veel invloed en machtige vrienden. Er waren er meer, die -'t eerst met Oranje en Brederode hadden gehouden, maar die de partij -van de Geuzen hadden verlaten en nu trouwe dienaars waren van de -Regeering. Welk een triomf, als 't haar gelukte! - -Met afgewend gelaat had zij naar de hartstochtelijke woorden van -den jongen man geluisterd. Thans zag ze hem weer aan en er lag een -verleidelijke, lokkende uitdrukking in haar donkere oogen. - ---"Is dat waar?" fluisterde zij. - ---"Madeleine!" - -Maar ze hield hem terug. - ---"Toon het dan! Keer terug tot mij, tot uw ouders, tot de Heilige -Kerk. Wat bindt u aan de Geuzen, die boeven en rabauwen? Uw vader heeft -invloed bij den hertog. Hij zal een pardon voor u verkrijgen. Alles -kan nog goed worden." - -Zij trad op Jacob toe, legde hem de handen op de schouders en zag -hem vleiend aan. - ---"Wij kunnen nog zoo gelukkig zijn, Jacques," fluisterde zij. - -Bleek en sidderend van inwendige ontroering staarde Jacob het schoone -meisje aan. 't Was waar, wat zij zeide: hij, de balling, de vogelvrij -verklaarde, hij kòn terug, als hij wilde. Een leven van eer en aanzien, -van geluk en liefde kon hem nog wachten,--als hij de zaak van zijn -volk, van zijn land verried, als hij zijn Heer ontrouw werd. Het waren -immers zijn eigen gedachten, die Madeleine daar uitsprak, gedachten, -die in hem waren opgerezen daar ginds in het woeste duin, die hem -gekweld hadden in menigen slapeloozen nacht, als de bloedige daden van -zijn woeste makkers hem er aan deden twijfelen, of hij streed voor -een rechtvaardige zaak. Hij kon nòg terug,--en dan, Jacob Martens, -de zoon van den president van den Raad van Vlaanderen, de echtgenoot -van Madeleine de Bette, zou hij nog niet veel voor zijn volk kunnen -doen? Meer dan de arme balling, die meevocht in den hopeloozen strijd -tegen de overmacht, wachtende op de hulp, die maar niet kwam opdagen... - -Wat was die stem in zijn binnenste, die daar sprak van "getrouw te -zijn tot den dood"? - -Madeleine zag zijn ontroering. Nu was het oogenblik daar, waarin zij -alles op het spel moest zetten, om over de laatste aarzeling van den -jongen man te triomfeeren, om hem terug te winnen voor zichzelve, -Jacques, van wien zij toch wel hield, voor zoover haar ijdel en -lichtvaardig gemoed daartoe in staat was. - -Zij sloeg een arm om zijn hals en boog het hoofd aan zijn borst. - ---"Om mijnentwil, Jacques," fluisterde zij week. "Laat mij spreken met -uw vader... Laten wij u redden! De Geuzen zullen worden uitgeroeid. De -hertog zendt troepen, om ze te verslaan. Ik weet het zeker! Thierry -sprak er van!" - ---"Ik kan niet, ik mag niet, Madeleine!" - -Het oogenblik van zwakheid was voorbij. Madeleine had, zonder dat -zij het wist of wilde, een beroep gedaan op het eergevoel van den -krijgsman. Hoe? Zijne makkers zouden worden aangevallen door de -troepen der Regeering en hij zou ze als een lafaard in den steek -laten in den hoogsten nood? Eerloos!... - -En nu de verzoeking was weerstaan, vlogen hem bliksemsnel de gedachten -weder door het hoofd, die hem gesterkt hadden in donkere uren, om -te volharden tot het einde. Zoovelen, die gevallen waren voor de -goede zaak, de zaak der vrijheid, die eenvoudigen, de martelaars, -die geleden hadden aan de galg en op den mutsaard voor het gezuiverde -Evangelie! En weer zag hij het bleeke gelaat der martelaresse te Gent -en hoorde hij het "Wees getrouw tot in den dood". Dat was het! Trouw -zijn, trouw tot in den dood! - ---"Ik mag niet!" herhaalde hij dof. "Maar o, ik heb u lief, -Madeleine! Blijf mij trouw! Er zullen betere dagen komen! Oranje en -de Coligny zullen ons helpen..." - -Maar bij zijne eerste woorden had Madeleine hem losgelaten. - ---"Een bewijs van uw liefde, zeker!" Met een smadelijk lachje wendde -zij zich af. - ---"Ge kiest dan uw Geuzen en rebellen boven mij! Ga heen, Jacques -Martens, ik heb u niets meer te zeggen. Ga terug naar uw Geuzen, -vóór de Roode Roe en zijn rakkers u ontdekken en grijpen!" - -Een lichte kreet achter hen deed beiden omzien. Het bemoste voetpad -van den ouden tuin had de voetstappen gedoofd van de twee, die -plotseling verschenen waren aan de kromming bij de oude linde en -thans verrast bleven staan: de statige Vrouwe Martens in haar zwart, -bijna kloosterachtig gewaad en witte huive, en Thierry de St. Foy, in -zwart fluweelen hofkleeding, aan de mouwen met geel satijn doorbroken, -den hoogen fluweelen hoed met een koord van gouddraad versierd en -opgetoomd. Vrouwe Martens was zeer bleek geworden, toen zij haar -zoon herkende; Thierry stond besluiteloos en draaide verlegen aan -zijn fijn zwart kneveltje. - ---"Moeder!" Jacob wilde op haar toeijlen. De mondhoeken der trotsche -vrouw hadden even zenuwachtig getrild; toen werd haar blik koud en -hard. Met een gebiedend gebaar wees zij hem terug. - ---"Een oproerling en een ketter is mijn zoon niet!" klonk het -hoog. "Wat doet gij hier!" - ---"Een Geus en een vijand van den Koning!" Thierry had zijn -tegenwoordigheid van geest teruggekregen. - ---"Geef u over, Jacob Martens!"--Hij trok den fijnen staatsiedegen -en trad op Jacob toe. - -Een oogenblik had Jacob Martens roerloos zijn moeder aangestaard. Het -flikkerende staal in de hand van zijn mededinger en het besef van het -dreigend gevaar, waarin hij verkeerde, bracht hem tot zichzelf. Snel -trok hij den langen opsteker, dien hij onder zijn wambuis droeg, en -pareerde den stoot, dien Thierry hem wilde toebrengen. Met forsche -hand greep hij den pols van zijn tegenstander en ontwrong hem het -wapen, dat hij wegslingerde tusschen de heesters. Toen haalde hij -uit met het breede kruismes. - -Madeleine gaf een gil en klemde zich aan Vrouwe Martens vast. - -Een oogenblik aarzelde Jacob. Als daar zijn moeder niet stond... - -Hij liet Thierry los en stiet hem van zich af. - ---"Ga heen!" zei hij met heesche, trillende stem. - -Thierry de St. Foy liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij snelde het -pad op, dat naar de huizinge voerde, terwijl hij op een fluitje blies, -dat aan zijn halsketen hing. - -Jacob stond een oogenblik besluiteloos. - ---"Jonker! jonker!" klonk het dringend achter hem. Een donkere gedaante -stond tusschen de heesters, hem wenkend, zich te haasten. - -Jacob wierp een blik op de beide vrouwen, die elkander nog altijd -vol ontzetting hielden omklemd, een laatsten blik. Toen snelde hij -met de Welle naar het achterpoortje in den hoogen tuinmuur. Achter -hen klonken stemmen in den tuin. - -Thierry de St. Foy kwam terug met versterking. Een snellen blik -wierpen zij in de eenzame straat. Er was niemand te zien! De Welle -greep Jacob de muts van het hoofd en wierp die de straat in. Toen -doken beiden door het luik in den donkeren kelder en met een zucht -van verlichting schoven zij den zwaren boom er voor. - -Voor het oogenblik waren zij in veiligheid, maar toch bonsde hun -hart, terwijl zij luisterden naar de voetstappen en de stemmen in -de straat. Als iemand hen had zien wegduiken in hun schuilplaats, -waren zij verloren. Hun vervolgers konden spoedig genoeg den ingang -van de groote brouwerij bereiken, waarbij de kelder behoorde, die -hun schuilplaats was, en werden zij ontdekt en gegrepen, dan was hun -lot beslist. - ---"Ha, zie die muts! Dezen kant op, mannen!" - -'t Was de stem van Thierry. De krijgslist van de Welle was gelukt. De -stemmen en de haastige voetstappen verwijderden zich in de richting -van de stad. De vervolgers vermoedden niet, dat de Geuzen, die zij -zochten, zich in hun onmiddellijke nabijheid hadden bevonden. - -En nu begon het wachten, het lange, pijnlijke wachten, dat tot den -avond moest duren, want eerst met het vallen van den nacht zouden de -beide Geuzen het durven wagen, hun schuilplaats te verlaten. - -Zij zaten op de steenen trap van den donkeren kelder, slechts flauw -verlicht door de kleine openingen in het luik en luisterden naar -de geluiden, die van buiten tot hen doordrongen. Zij hoorden de -voetstappen der terugkeerende vervolgers, hun verwoede en opgewonden -uitroepen, terwijl ieder zijn meening wilde uiten, en raad wilde -geven. Toen werd het voor een poos stil in de straat, maar weldra -klonken er weer voetstappen en stemmen. Blijkbaar had het gerucht -van het gebeurde zich in de stad verspreid en er vormde zich een -kleine oploop van nieuwsgierigen voor de achterpoort in den muur. Zij -konden zelfs van tijd tot tijd de gesprekken der verschrikte burgers -verstaan, althans enkele woorden opvangen. Blijkbaar was de levendige -volksverbeelding reeds aan het werk: de Geuzen hadden een aanslag op -Brussel in den zin. Wilde Geuzen hadden een aanval gedaan op het paleis -van den graaf van Aremberg. Ze hadden de vrouwen willen ontvoeren. Hoe -sterk waren de aanvallers geweest? Tien! Neen, zeker twintig! Een -officier van Noircarmes had ze aan het hoofd van de wacht verdreven... - -Maar na een poos werd het stil in de straat. De nieuwsgierigen -trokken af. - -Tegen den vochtigen muur geleund, zaten de beide mannen zwijgend -tegenover elkander. Jacob Martens staarde somber voor zich uit, -vol van het gebeurde van dien morgen. Thans eerst was hij voorgoed, -was hij onherroepelijk van de zijnen gescheiden! Zijn moeder had -hem verstooten, Madeleine was voor hem verloren, zijn vader had -zitting in Alva's bloedigen raad. Hij zelf, hij was een balling, een -uitgestootene! Er waren oogenblikken, dat hij haast wenschte, dat men -hun schuilplaats ontdekte. Dan zou 't spoedig voorbij zijn! Een kort, -heet gevecht, een stoot met een piek of een dagge--en zijn strijd -was volstreden, voorgoed. - -Maar zulk een oogenblik ging spoedig voorbij. Hij mocht niet in -moedeloosheid het hoofd verliezen. Hij moest leven, als 't zijn kon, -en strijden voor de goede zaak. En thans moest hij waken en zoeken -naar redding, ook ter wille van de Welle, die zich om zijnentwil en -met gevaar van zijn leven in Brussel had gewaagd. - -Straks, als de avond was gevallen, zouden zij trachten te -ontsnappen. Natuurlijk zou de wacht aan de poorten der stad zijn -gewaarschuwd en er zou scherp worden gelet op allen, die Brussel -verlieten. En naar hun herberg terug keeren konden zij niet. Maar -zij hadden op de mogelijkheid van ontdekking gerekend, en hun plan -was gemaakt. Zij hadden den vorigen dag voorzichtig de omgeving -verkend. Zij moesten over den stadsmuur pogen te ontkomen. - -Pieter de Welle stoorde zijne overpeinzingen niet. Hij begreep wel, -wat er in het hart van den jonker omging. Het gevaar, waarin hij -verkeerde, deerde hem niet en hij dacht er niet aan, Jacob Martens -iets te verwijten. De onderneming was dwaas en roekeloos geweest. Dat -had hij steeds geweten en toch was hij zijn jongen aanvoerder gevolgd, -den eenige, om wien hij nog aan het leven hechtte. Als hij straks aan -zijne zijde moest vallen, dan zou het goed zijn. God mocht zijn ziel -genadig wezen, en--eerst zou hij toch nog wel een paar Spanjolen of -Spanjolenvrienden neerleggen. - -Van onder zijn kiel haalde hij een paar lange pistolen te voorschijn, -met een kruithoorn. Bij het flauwe licht, dat door de getraliede -openingen in het luik viel, schudde hij droog kruit op de pan en -liet het lontslot spelen. Straks, als zij den kelder verlieten, -zou hij de lonten aansteken. - -En ondertusschen luisterde hij scherp naar wat er buiten voorviel. - -Zoo verliepen de trage uren, terwijl de beide mannen nauwelijks een -woord wisselden. Eindelijk begon de avond te vallen. De Angelus-klok -van de Sinte Gudula werd geluid, weldra gevolgd door de klokken van -alle kerken en kloosters der stad. Weldra zou 't donker genoeg zijn, -om hun plan te volvoeren. - -Plotseling schrikten de beide Geuzen op. Er klonken zware voetstappen -door de straat, marcheerende op de maat. Daar was wapengekletter en -een kort commando. Daar naderden soldaten! Zou men door eenig toeval -hun schuilplaats hebben ontdekt? - -De voetstappen hielden stil. Weer een kort bevel en de troep -verwijderde zich, maar er klonken nog altijd zware schreden, langzaam -op en neer, blijkbaar van twee soldaten, die heen en weer liepen en -van tijd tot tijd hoorde men hen hun pieken neerzetten op de keien. - ---"Een wacht!" fluisterde Jacob en de Welle knikte toestemmend. - -Blijkbaar werd de achterpoort door gewapenden bewaakt. - -De twee mannen verkeerden in een hachelijken toestand. Zij konden -den kelder niet verlaten, zonder door de schildwachten te worden -bemerkt. Toch restte hun nog één kans. Zij hadden met Tiest Stoffelsz -afgesproken, dat deze in den laten avond onder eenig voorwendsel naar -de brouwerij zou terug keeren, en, ter wille van zijn eigen veiligheid, -den boom weer voor het luik zou leggen, wanneer zij den kelder hadden -verlaten. Nu moesten zij op hem wachten. Hij moest hen door de donkere -kelders leiden en hen op straat brengen. - -Het werd nacht. De soldaten daar buiten waren reeds eenmaal -afgelost. Eindelijk hoorde men zachte, schuifelende voetstappen en -in de verte blonk het flauwe schijnsel van een lantaarn. - -Jacob begreep, dat een lichtstraal door de luchtgaten van het luik -hen zou kunnen verraden. Haastig tornde hij met zijn mes de voering -van zijn wambuis los en scheurde er een paar lappen af, waarmede de -openingen werden dicht gestopt. - -Tiest Stoffelsz was niet weinig verrast en ontsteld, toen hij de -beide Geuzen nog in den kelder vond. De arme man beefde over al -zijn leden, wanneer hij weer dacht aan het gevaar, dat hem dreigde, -als zijn gevaarlijke gasten zouden worden ontdekt en het zou blijken, -dat hij hen geholpen had. Sidderend luisterde hij naar de voetstappen -der soldaten, die daar buiten de wacht hielden. - -Jacob Martens slaagde er echter in, hem den toestand te doen begrijpen, -en hem duidelijk te maken, wat men van hem wenschte. Ja, zeker, hij -kon hen door de kelders leiden naar de brouwerij en hen zoo op straat -brengen. En de stadsmuren--ja, die waren dan wel spoedig te bereiken. - -Een schichtige blik naar het gesloten luik en Tiest ging hen voor, -door den doolhof der diepe bierkelders, terwijl het flauwe licht -van zijn lantaarn de groote okshoofden verlichtte, waarin het bier -werd geklaard, voor het werd afgeleverd. Zij bereikten de brouwerij -en de open binnenplaats, waar groote stapels tonnen lagen en ledige -wagens op hun vracht stonden te wachten. Van een dier wagens nam de -Welle een lang, niet dik, maar sterk touw mede, dat gebruikt werd om -de tonnen vast te sjorren. Toen opende Tiest voorzichtig een kleine -deur in de poort en de vluchtelingen bevonden zich op straat. - -Tiest Stoffelsz wees hun de richting, die zij te volgen hadden, en toen -namen zij met een woord van hartelijken dank afscheid van den braven -brouwersknecht, terwijl zij hem nogmaals verzekerden, hem nimmer te -zullen verraden. Tiest zag hen in de duisternis verdwijnen. 't Was -hem, of hij gedroomd had. Die beiden, met hun zinkroeren en lange -opstekers, dat waren nu twee van die Wilde Geuzen, waarvan men zooveel -schrikkelijks vertelde; dat waren de mannen, die men in de gansche -stad zocht en op wie men lette aan alle poorten. - -En hij, hij had hen geholpen en verborgen! Daar stond de paleie op, -en de galg! Huiverend spoedde hij zich huiswaarts. - -Ondertusschen slopen Jacob Martens en de Welle vlug en geruischloos -voort door de eenzame, donkere straat in de schaduw der hooge huizen, -brouwerijen, pakhuizen en dergelijke, die zich in dit deel der stad -bevonden. Tiest Stoffelsz had hen nauwkeurig den weg gewezen, dien -zij moesten volgen om den stadsmuur te bereiken. 't Was een donkere, -buiïge herfstnacht, juist een nacht, die hun vlucht mogelijk moest -maken. Zij zaten in Brussel opgesloten als in een val. Er zou naar -de stoutmoedige ballingen, die zich gewaagd hadden tot in de stad, -waar de hertog en zijne regeering verblijf hielden, overal gezocht -worden. Men kende hen thans bij name: vogelvrij verklaarde Geuzen, die -meegevochten hadden tegen de troepen van den Koning bij Austruweel, -hoofden van de benden, die het Zuid-Westen des lands onveilig -maakten. De poorten zouden worden bewaakt en zonder twijfel zou de -bevelhebber van het garnizoen patrouilles zenden, om de stad mede te -bewaken, met de gewone nachtwachten. Als zij gewapenden ontmoetten -en zij werden ontdekt, dan zou geen van beiden den ander in den steek -laten, maar zij zouden vechten tot zij vielen en werd een van beiden -gewond, dan zou de ander hem den laatsten dienst bewijzen door het -toebrengen van een genadestoot. Want zij wisten maar al te wel, wat het -voor hen zou beteekenen, levend in de handen der Spanjaarden te vallen. - -Bij het omslaan van den hoek eener zijstraat, die naar hun doel moest -leiden, hoorden zij inderdaad zware voetstappen en het gerammel van -wapenen. Een lantaarn aan een stok wierp een rood, onzeker licht in de -straat. Het oogenblik was daar. Zij konden wel is waar teruggaan in de -richting, van welke zij waren gekomen, maar dat zou hun weinig baten, -want die weg voerde naar de aanzienlijke wijken der stad, waar in -deze dagen zelfs in den laten avond nog menschen op de been waren. De -Welle drukte Jacob een zijner beide zinkroeren in de hand. Hij had de -lonten aangestoken aan de lantaarn van Tiest Stoffelsz, maar droeg -de wapens onder zijn langen kiel, zoodat de glimmende vonken hen -niet konden verraden. Toen liepen zij de straat weder in tot aan een -groote inrijpoort, waar zij in de donkerte van het poortgewelf post -vatten. De twee mannen drukten elkander zwijgend de hand. Sloeg de -patrouille den weg rechts in, dan moesten zij worden ontdekt. Dan zou -het een kort gevecht worden tegen de overmacht en zij zouden vallen -in een ongelijken strijd, want zij zouden zich niet overgeven. - -De spanning duurde eenige minuten. Toen sloeg de patrouille links -den hoek der straat om. Het gevaar was voor het oogenblik voorbij. - -Met een zucht van verlichting luisterden de Geuzen naar de zich -verwijderende voetstappen. Als zij nu spoedig den muur konden bereiken, -hadden zij een goede kans, want het zou nu zeker eenigen tijd duren -voor er een volgende patrouille voorbij kwam. - -Snel en geruischloos liepen zij voort en zie, daar teekende de hooge -stadsmuur zich donker af tegen de lucht. Zij hadden opgemerkt, dat -er hier en daar smalle steenen trappen voerden naar het banket, dat -langs de borstwering op de kruin van den muur liep. Een dier trappen -moesten zij vinden en dit gelukte hun vrij spoedig. - -Nu stonden zij op den muur. De Welle ontrolde het touw, dat hij uit -de brouwerij had meegenomen en om zijn middel had gewikkeld. Het zou -zeker lang genoeg zijn. - -De vluchtelingen begonnen zoo snel mogelijk knoopen in het dunne -touw te leggen, ongeveer vier voet van elkander. Zoo kregen zij een -stevige touwladder. De Welle haalde de aangescherpte ijzeren staaf -voor den dag, die hem als breekijzer had gediend bij het openen der -tuinpoort. Een groote veldkei had hij in de straat opgeraapt. Nu zocht -hij met tastende vingers naar een voeg tusschen de zware baksteenen, -waarvan de muur was opgemetseld en dreef met een paar forsche slagen -het ijzer er in. Luid klonken de slagen door den nacht. Angstig tuurden -de vluchtelingen naar den kant der stad. Neen, er was geen onraad; nog -niet! Nu werd het touw aan de staaf bevestigd en er ontstond een korte -strijd over de vraag, wie er het eerst gebruik van zou maken. Jacob -weigerde aanvankelijk zich vóór de Welle te redden, omdat deze zich om -zijnentwil in dit gevaar had begeven, maar de Welle beduidde hem, dat -het beter was voor hen beiden. Jacob was jong en slank en veel lichter -dan zijn metgezel. Hij zou gemakkelijk langs het loshangende touw -kunnen afdalen en het dan beneden vasthouden, om zijn makker te helpen. - -'t Was ondertusschen wat helderder geworden. Hier en daar flonkerden -de sterren aan den bewolkten hemel. De nachtwind floot over de kruin -van den muur. - ---"Haast u, jonker!" fluisterde de Welle. - -Jacob greep het touw en liet zich zakken. 't Was een moeilijke en -gevaarvolle afdaling, maar hij bereikte gelukkig den grond. - -Hij stond nu aan den rand van de gracht. - -Het geluk diende hem. Vlak bij hem was een paal, die zeker moest -dienen om er een boot aan vast te leggen. Hij sloeg er het touw om -en gaf het afgesproken teeken. De Welle daalde langs het nu strak -gespannen touw vrij gemakkelijk naar beneden. - -Nu moest de gracht nog worden overgezwommen. Gelukkig stond het -water hoog en de beide Geuzen waren sterk en vlug. Zij konden zich -tegen den hoogen kant optrekken en waren nu voor het oogenblik in -veiligheid. Wel bevonden zij zich nog tusschen de buitenste bolwerken, -maar die waren thans niet bezet. - -En nu moesten zij trachten zoo spoedig mogelijk het bosch van Soigny -te bereiken, dat ten Zuiden van de stad moest liggen. De sterren -wezen hun den weg, terwijl zij langs veldwegen en door weiden en -akkerlanden hun vlucht voortzetten, steeds zooveel mogelijk de hoeven -rondom de stad vermijdende, om niet door het aanslaan der werfhonden -te worden verraden. - -Na een vermoeienden tocht van ruim een uur zagen zij eindelijk de -omtrekken van het zwaar geboomte tegen den bestarnden hemel afsteken -en weldra hadden zij het bosch bereikt. Zij drongen door den breeden -opslag van bleeke berken aan den boschrand, die spookachtig wuifden in -den nachtwind, tot zij het hooge geboomte hadden bereikt. Daar lieten -zij zich nedervallen op den dik bemosten grond. Beide mannen waren -uitgeput en zij hadden eenige uren rust noodig, voor zij hun tocht -konden voortzetten. Voor vervolging behoefden zij niet te vreezen, -althans niet voor het aanbreken van den dag. Dan was het mogelijk, -dat er patrouilles zouden worden uitgezonden, om den omtrek af te -zoeken naar de ontsnapte Geuzen, maar dan zouden zij reeds ver van -Brussel zijn. - -Weldra hoorde Jacob Martens de diepe ademhaling van de Welle, -die rustig sliep op het zachte mosbed. Hijzelf kon eerst den slaap -niet vatten. Nog eenmaal doorleefde hij in gedachten den dag van -gisteren. Zoo lag dan nu zijn verleden onherroepelijk achter hem. Hij -had tot nu toe altijd nog gehoopt op een verre toekomst, wanneer--hoe, -wist hij niet en hij kon het zich ook niet indenken--alle ellende, alle -strijd tot het verledene zou behooren, en hij weer met de zijnen, met -Madeleine zou zijn vereenigd. Ja, hij was blijven hopen op Madeleine's -liefde, op haar trouw--door alles heen. En nu was de droom voorbij, -voor altijd! Hij was een balling, een vogelvrij verklaarde. Zijn vader -was lid van den Bloedraad, zijn moeder had hem verstooten, Madeleine -was de zijne niet meer, zijn vroegere vriend had hem willen overleveren -aan den beul. Hij was hun vijand,--hij, de verachte, de gehate Geus! - -En bij dat alles klonk daar toch in zijn binnenste het woord, -leefde daar toch de gedachte, die hem staande hield: Getrouw zijn, -getrouw tot in den dood! Want zijn zaak was de zaak van zijn volk, -was de zaak Gods... - -'t Was al diep in den nacht, toen hij insluimerde, maar trots -zijn vermoeienis was zijn slaap onrustig. Telkens schrikte hij -wakker. Zoodra de morgen begon aan te breken, wekte hij zijn metgezel, -en de beide mannen zetten hun vlucht voort door het uitgestrekte -bosch van Soigny, naar Vlaanderen, om dan langs de hun welbekende -wegen hunne wilde makkers, de Boschgeuzen, weer te bereiken. - -Nieuwsgierig keken de woeste gezellen naar hun twee aanvoerders, -die, dat wisten zij wel, zich diep in het door de Spanjolen bezette -land hadden gewaagd. De stoutmoedigsten trachtten de Welle uit te -hooren. Deze vertelde hun bereidwillig genoeg al het nieuws, dat -hij vernomen had over den toestand des lands, de vervolgingen en -de terechtstelling van allen, die op eenige wijze aan den opstand -hadden deelgenomen. - -Maar over het doel van zijn tocht met den jonker liet hij zich niet -uit. De mannen zagen, dat jonker Martens ernstiger en stiller was -dan ooit. De jonge aanvoerder trachtte zijn ruwe, ongeregelde bende -aan een zekere krijgstucht te wennen. Hij wilde, dat de mannen zich -oefenen zouden in het gebruik van hunne wapens, maar hij vond niet -veel medewerking bij de ballingen, nu reeds te lang aan een ongeregeld -leven, aan roof en plundering gewoon. Allen wisten het nu wel: Alva -maakte troepen gereed, om de Boschgeuzen, de laatste opstandelingen -immers, aan te grijpen en uit te roeien. Maar tot nog toe waren zij -veilig geweest in hun natuurlijke vestingen. En waren er onder hunne -predikanten geen mannen, die alle voorzorgsmaatregelen van jonker -Martens en andere leiders voor ongeloof uitkreten, en die spraken -van een Gideonsbende, waaraan de Heer der heirscharen de overwinning -kon schenken op de overmacht der Midianieten, de vijanden van God en -Zijn volk? - -En zoo wachtten de ongeregelde benden der Wilde Geuzen, de laatst -overgeblevenen van den met zooveel hoop en stouten moed begonnen -veldtocht der Gereformeerden in het Zuiden, de wèlgeoefende en -strijdbare vendels van Alva af. - - - - - - - -XVI. - - -Op een vroegen Octobermorgen lag een roeiboot aan het eenzame strand -tusschen Nieuwpoort en Duinkerken, niet ver van een "slag" in het -duin, een laag punt tusschen de zandheuvels, waar een karrespoor het -pad aanwees, dat de bevolking van het schamele duindorp, dat achter -de hooge toppen verscholen lag, volgde, om de kust te bereiken. Het -was vloed en het vaartuig lag in de eerste strandgolven. Blijkbaar -behoorde het bij een krapschuit, die aan gene zijde van de witte -lijn der branding voor anker lag. In de verte kon men de masten en -de witte zeilen van een grooter schip onderscheiden. - -Op het strand stonden twee mannen, gekleed in het grove grein der -Hollandsche schippers. Dat zij echter geen vreedzame visschers waren, -die daar de wacht hielden bij hun boot, bewees hunne uitrusting. Beiden -waren zij voorzien van korte vuurroeren en aan hun gordel hing -een houwer naast het matrozenmes in lederen scheede. Zij staarden -met onrustige blikken naar den duinkant, naar de plaats, waar het -zandspoor zich tusschen de zandheuvels verloor en wisselden van tijd -tot tijd een ongeduldig woord. - -Uit de verte, meer naar het Zuiden, klonk nu en dan boven het geluid -van de branding een doffe knal. Er werd naar het scheen gevochten in -het duin. De schoten kwamen nader. De beide mannen wisselden een blik -en er kwam een onrustige trek op hunne verweerde gezichten. - ---"Zou dat tegen de onzen zijn?" zeide de jongste. - ---"'t Is te ver!" meende de ander. "Er wordt daarginds gevochten. Wat -'t zijn kan, weet ik niet. Wie is er zeker van zijn leven in 't land, -nu de vermaledijde Spanjool er huist? Maar ik wou met dat al, dat -ze terugkwamen. Tamme Abels weet toch wel, dat wij den vloed niet -mogen verspelen!" - ---"Misschien heeft hij onverwachts buit gevonden!" - ---"Buit? In dat visschersnest in de duinen? 't Zal mooi zijn, als -hij wat victualie meebrengt. En dat moet toch, want aan boord is -'t geen vetpot. En de François geeft niets af." - ---"Die zal 't zelf ook niet breed hebben. Heb maar geduld, oude -brompot. Als we weer een Antwerpschen koopvaarder aanhouden, dan..." - ---"Als! als!" viel de oudere zeeman in. "Als Tamme niet gauw komt, zal -hij geen koopvaarders meer aanhouden, maar door een hennepen venster -moeten kijken in plaats van naar schepen in den mastkorf. Die schoten -komen al dichter. Straks zullen we nog moeten vechten om de boot." - ---"Maar de "Vrouw Geertruyd"?" - ---"De "Vrouw Geertruyd" moet afhouden als de eb begint. Maar hoor, -ze komen er aan." - -Er klonk een verward geschreeuw van den kant van den slag, en een -oogenblik later verscheen een troep gewapende mannen in de opening -tusschen de duinen. Een paar van hen droegen een vat aan een draagboom, -anderen waren beladen met bossen gedroogde visch en ronde brooden. Een -jonge kerel, die de aanvoerder scheen te zijn, gaf een kort bevel en -liep toen vooruit naar de boot. - ---"Een goede vangst, Tamme?" vroeg de oudste van de beide wachters. - -De aangesprokene haalde de schouders op. 't Was een nog jonge man, -met een echten Frieschen kop. Een lang, bleek gezicht, met forsche, -vierkante onderkaak, een harden mond met dunne lippen, waarboven de -knevel nauwelijks te voorschijn kwam. De helle blauwe oogen hadden -een koude, dreigende uitdrukking. Op het stugge, blonde haar droeg -hij een muts van robbevel. - ---"Niets dan drinkwater en brood en visch!" zei hij stug. "'t Is een -arm, Paapsch nest!" - ---"De mannen zijn op zee!" - ---"Ja, de booten zijn uit. Als ze morgen terug komen, zullen ze -'t nest leeg vinden." - ---"Den brand er in gestoken?" - -Tamme Abels haalde onverschillig de schouders op en wees naar het -duin. Een rookwolk verhief zich boven de gele toppen en men rook de -scherpe lucht van brandend stroo. - ---"Werd er op jelui geschoten?" vroeg de ander. - ---"Neen, er wordt gevochten in 't duin. Spanjolen denkelijk met een -troep Geuzen. Dat zei ten minste een oud wijf in 't dorp. 't Komt -dichterbij!" - ---"Kunnen we niet een handje helpen?" - ---"Wat gaat 't ons aan? Er is niets bij te verdienen." - -Ondertusschen waren de levensmiddelen en het watervat in de boot -geborgen. Een paar rolhouten werden onder de sloep gelegd en de mannen -begonnen haar vlot te maken. - -Over het water klonk een doffe dreun en een witte rookwolk hing een -oogenblik over het groote razeil in de verte. - ---"De François wordt ongeduldig," zei Tamme Abels. "Vooruit, mannen!" - -Dichtbij, in het duin achter hen, klonken de doffe slagen van -busschoten, wegrommelend tusschen de hooge zandheuvels. - -Een paar Geuzen grepen naar hunne vuurroeren. - ---"Laat staan!" gebood de jonge schipper barsch. "Maakt de boot -vlot. Wij moeten op de "Vrouw Geertruyd" zijn, voor die kerels aan -'t strand komen." - -De mannen schoven de boot vooruit, tot in de eerste strandgolven, -en sprongen binnen boord, zoodra zij vlot was. - ---"Aan de riemen!" zei Tamme Abels, terwijl hij onrustig naar het -strand keek. - -In de opening tusschen het duin verschenen twee gestalten. Ze liepen -ijlings in de richting van de boot en wenkten. Een flauw geroep drong -tot de bemanning door. - ---"Wacht een oogenblik, Tamme," zei de oudere man, die de wacht had -gehouden bij de boot en die de eenige scheen te zijn, die den jongen -schipper durfde tegenspreken, "'t zijn misschien Geuzen; er moeten -er veel huizen, hier aan de kust." - -De bleek-blauwe oogen van den aanvoerder flikkerden onheilspellend, -maar de mannen in de boot schenen hun makker gelijk te geven. Zij -hingen op de riemen en het vaartuig danste op en neer in de eerste -strandgolven. - -De beide vluchtelingen hadden het strand bereikt. Ze liepen het -water in en waadden naar de boot. Tegelijk verschenen op de duinen -hier en daar gedaanten en men zag de ijzeren stormhoeden en kurassen -flikkeren in het zonlicht. Een troep gewapenden drong door den slag -en marcheerde snel naar het strand. - ---"'t Zijn Spanjolen!" riep de stuurman. - -Een paar der Geuzen namen hunne handbussen op en bliezen op de lont. - ---"Laat dat!" gromde Tamme. "We kunnen de boot niet laten -afsnijden. Aan de riemen, mannen!" - -Maar de vluchtelingen hadden de boot bereikt en werden haastig binnen -boord geholpen. De Geuzen vielen aan de riemen en het vaartuig stoof -door het water. Achter hen klonk luid geschreeuw en een bevelende -stem riep hun iets toe, maar de woorden waren door het geraas der -branding onverstaanbaar. - -Een doffe knal dreunde achter hen. Een paar musketkogels snorden over -hunne hoofden. Een paar van de jongeren bukten het hoofd, maar de -twee vluchtelingen, die amechtig op een roerbank waren neergezonken, -keken op en tuurden scherp naar de kust. - ---"Jelui hebt kruit geroken!" zei Tamme Abels goedkeurend. - -De Fries sprak het Strand-Hollandsch, de gewone taal der zeevarenden, -met een eigenaardig accent. Toch konden de twee geredden hem verstaan. - ---"Wij zijn Geuzen van 't leger van Brederode," zei de jongste van -de beiden. "De troepen van Alva hebben onze laatste benden in 't duin -overvallen. Zonder jelui waren we in hun handen gevallen." - -Weer klonken geweerschoten van het strand, maar de boot, die thans -danste in de branding, bood een te onzeker mikpunt voor de lompe -vuurwapens. Toch sloeg een kogel in den achtersteven. - ---"Dat moeten die nieuwe musketten zijn, die Ducdalf uit Italië hier -heeft ingevoerd," zei de oude stuurman. "Onze handbussen dragen zoo -ver niet." - -Een aantal Spaansche soldaten stond thans aan 't strand en keek naar -de boot en de beide schepen. Een paar van hen waren met hunne wapenen -bezig en Tamme Abels, die hen met zijn scherpe zeemansoogen monsterde, -zeide dat het busschieters waren, die hunne musketten laadden. - ---"Ze houden ons voor koopvaarders," zei hij grimmig. "Wacht, tot we -op de "Vrouw Geertruyd" zijn!" - -De boot schoot door de geul en roeide op de krapschuit toe. Weldra -was de lading binnen boord en de boot op het dek vastgesjord. De -krapschuit was een van die handelsvaartuigen, die gebruikt werden -voor de kustvaart en op de Hollandsche en Zeeuwsche stroomen. Zij -voerde twee masten, een grooten en een kleinen, en had een hoogen -achtersteven, hoewel zij verder tamelijk laag op het water lag. - -Thans was het vreedzame koopvaardijscheepje echter voor den oorlog -uitgerust en het zag er grimmig genoeg uit. Op de voorplecht -stond een lang stuk geschut, een culverijn, op een affuit van zware -balken. Een kist, gevuld met kogels, ijzeren maar ook steenen, stond -er naast, en de achterzijde bood ruimte voor een zestal baskamers, -want het stuk werd van achteren geladen, door de baskamer, die de -lading bevatte, in de daartoe bestemde opening te laten zakken en -die dan met ijzeren wiggen en zware beugels te bevestigen. Langs -de verschansing waren rekken aangebracht, waarin korte pieken, -enterbijlen en houwers hingen. In een rek bij den mast stonden een -twaalftal knevelspeten--knotsen of lange knuppels, voorzien van een -vinnige stalen punt [6]--en in een tweede een rij handbussen. Door -middel van boevennetten,--sterke netten van taai touw--die thans langs -de verschansing lagen geschoren, maar in tijd van nood daarboven konden -worden uitgespannen, kon men in het gevecht eene entering voorkomen, -maar de grimmige bemanning, bestaande uit een dertigtal gewapende -zeelieden, was zeker meer den aanval dan de verdediging gewoon! 't Was -wonder, dat het kleine schip zooveel mannen kon bergen. Verscheidenen -waren verminkt of hadden litteekens, enkelen droegen reeds de zilveren -halve maan op de muts, met het veelzeggende opschrift: "Liever Turksch -dan Paapsch!" - -Zoodra de boot was vastgesjord, keek Tamme Abels naar het strand, waar -de Spaansche soldaten nog steeds joelend en dreigend bijeenstonden. - ---"Klaar bij het stuk!" commandeerde hij. - -Een paar zijner makkers plaatsten zich met handspaken bij het stuk, -en richtten het volgens de aanwijzingen van den schipper, die zelf -van den stuurman een brandende lont aan den korten ijzeren lontstok -had overgenomen. - ---"Lager! nog lager!" beval hij. "Zóó is het goed!" - -Een witte rookwolk, een daverende knal, een schok, die het scheepje -deed steigeren, en de zware kogel snorde over de hoofden der -Spanjaarden, die naar alle kanten uiteen stoven en haastig naar de -duinen weken. - -Een luid "hoezee" klonk op het Geuzenschip. - ---"Toch nog te hoog!" gromde Tamme Abels spijtig. "Aan het spil, -mannen!" - -Het anker werd gelicht en het roer gewend. De Geuzen hielden zich -bezig met het zetten van de zeilen en de "Vrouw Geertruyd" voer -lustig over de schuimende golven van de Noordzee, in de richting, -aangegeven door het groote razeil, dat mede zeil had gemaakt. - ---"Wat is dat voor een schip?" vraagde Jacob den stuurman. - ---"Onze maat, de "bonne Fortune", een Fransche kaper uit Rotseel," -zeide de oude man. "Wij hebben "admiraliteit gemaakt", om langs de -Zeeuwsche kust op koopvaarders jacht te maken." - ---"En jelui?" - ---"Wij zijn Friesche kapers en Geuzen. Ook ballingen, als de jonker -en zijn vriend. We haten Ducdalf, zijn Spanjolen en de Inquisitie. We -zijn uit ons land verdreven en nu leven we van den roof. Er zijn meer -schepen van ons slag in de vaart." - ---"En die Franschman? Frankrijk is toch niet in oorlog met Spanje." - -De stuurman lachte grimmig. - ---"Alsof de Fransche Huguenoten zich daarom bekommerden!" zei hij. "Die -van Rotseel rusten schepen uit en randen den Spanjaard aan, waar zij -kunnen. De Spanjolen en de papen zijn vijanden van allen, die van de -religie zijn." - ---"En jelui zijn van de Gereformeerde religie?" - ---"Laat de jonker maar eens naar den mastkorf kijken!" lachte Tamme -Abels, die naderbij was gekomen. - -Jacob keek naar boven en zag, hoog aan den grooten mast, een -vreemdsoortig voorwerp bevestigd, dat hij met eenige moeite als een -hostiekast herkende, blijkbaar van het altaar van een geplunderde -Roomsche kerk afkomstig. - ---"Als wij papen vangen," zei de schipper, "laten we hen hier op -het dek de mis lezen, vóór we ze de voeten spoelen. Ik zeg maar: -als zij hun god Melis hoog vereeren, Tamme Abels vereert hem nog veel -hooger! Hij hangt hem in den mast!" - -De Geuzen, die in de nabijheid waren, lachten luide en ook de Welle -knikte goedkeurend. Ruwe bespotting van wat den tegenstander heilig -was, was voor hen allen een zeer gewone zaak. Wanneer een edelman en -een geleerde als Marnix in zijn "Bieenkorf" de Roomsche leeringen en -ceremoniën door het slijk sleurde, wat kon men dan van het onbeschaafde -volk verwachten? - -'t Was een avontuurlijk leven, dat de stoute gasten, de bemanning -van de kleine krapschuit, voerden. 't Waren eigenlijk niet anders -dan zeeroovers, die rondzwervende Geuzen, en dat wisten zij zelve -zeer goed. Maar zij schaamden er zich volstrekt niet voor. 't Was -een beroep als een ander. Van den ouden stuurman, die gaarne praatte, -als hij er tijd en gelegenheid voor had, vernam Jacob, dat langs de -kusten van de Noordzee, zoowel in Engeland en Schotland als in de -Duitsche landen, Denemarken en Noorwegen, zee- en strandroof bij de -kustbewoners als volkomen geoorloofd gold, en, tusschen het visschers- -en zeevaardersbedrijf door, algemeen werd uitgeoefend. De denkbeelden -uit den ouden Heidentijd waren nog lang niet uitgeroeid. De bewoners -van de kust en van de eilanden leefden van de zee. Wat die hun bracht, -was hun buit. Op zee gold geen wet en geen recht, dan het recht van den -sterkste. Een Terschellinger vertelde, hoe hij en zijne dorpsgenooten -de koopvaarders in donkere, stormachtige nachten deden stranden, -doordat ze een koe, met den kop aan de voorpooten gebonden en een -lantaarn tusschen de hoorns, over het duin joegen, zoodat de zeelieden, -die het dansende schijnsel zagen, meenden, dat het het toplicht -van een schip was, dat daar een veilige ligplaats, had gevonden. 't -Verhaal werd luid toegejuicht. Strooptochten te land, tegen kerken -en kloosters, als er gelegenheid toe was, maar ook tegen weerlooze -visschersdorpen langs de Hollandsche kusten, die werden geplunderd en -gebrandschat, waren voor deze zeewolven een gewoon bedrijf. Hun hand -was tegen allen en de hand van allen was tegen hen, en hun aanvoerder, -de jonge Tamme Abels, met zijn hoekigen Frieschen kop en zijn koude, -staalblauwe oogen, ging hun in woestheid en wreedheid voor. - -'t Scheen, dat de schipper begreep, dat zijne gasten van een ander -slag waren, dan hij en zijne makkers. De vreemdelingen waren -gastvrij ontvangen en hadden hun deel gekregen van den soberen -scheepskost,--hard brood, gedroogde visch en bier, maar in den loop -van den dag trad Tamme Abels Jacob op zij en stelde hem voor, hem naar -den Franschen kaper te laten brengen, waar hij zeker goed ontvangen zou -worden. De krapschuit was toch al overbemand; plaats in de slaapkribben -was er niet. Op het groote razeil zou dat alles beter gaan. - -Jacob en de Welle stemden toe en de krapschuit hield op den Franschman -en heesch een sein, dat van het razeil beantwoord werd. Het groote -schip loefde op, tot de beide vaartuigen elkander tot op betrekkelijk -korten afstand genaderd waren. De boot werd gestreken en bemand, -en weldra stonden de beide Vlamingen met Tamme Abels, die hen had -willen vergezellen, op het achterdek van den Franschen kaper. - -Ze werden er ontvangen door den kapitein, die zich een oogenblik -verwonderd toonde, toen Jacob Martens hem in beschaafd Fransch -aansprak, maar zich onmiddellijk herstelde en zich hoffelijk bekend -maakte als de sieur d'Esprenay, commandant van het goede schip "la -bonne Fortune" van La Rochelle, en verklaarde, dat zijne beide gasten -hem welkom waren. Toen verontschuldigde hij zich, omdat hij nog iets -met Abels te bespreken had. De beide bevelhebbers bedienden zich -van het Strand-Friesch, hetzelfde dialect, dat de Friesche Geuzen -met de Vlamingen spraken en dat veel overeenkomst vertoonde met het -Strand-Engelsch, en, als de algemeene zeemanstaal op de Noordzee en -hare kusten, door alle zeelieden verstaan werd. Weldra was het gesprek -geëindigd en keerden de Friesche Geuzen naar de krapschuit terug. - -De sieur d'Esprenay verzocht zijne beide gasten hem naar zijne kajuit -te volgen. Hij bleek een Huguenoot, die, zooals velen van zijn tijd- en -geloofsgenooten, aan een oprechte liefde voor de Gereformeerde religie, -een bitteren haat tegen de Roomschen en vooral tegen de Spanjaarden -paarde. Hij was de jongere zoon van een verarmd, adellijk geslacht -en had een kaper uitgerust, om zijn fortuin op zee te beproeven. Een -zeeroover was hij niet: de Engelsche koopvaarders, de schepen der -oude Duitsche Hanzesteden liet hij ongemoeid. Maar Spanje was in -die dagen de eerste zeemogendheid en de Nederlandsche erflanden van -Koning Philips waren rijk. De Spaansche en Nederlandsche koopvaarders -werden door de kapers van la Rochelle genomen en gerantsoeneerd, al -was Spanje niet met Frankrijk in oorlog. De Huguenoten hielden Philips -met zijne Spaansche Inquisitie voor hun doodsvijand en lachten om de -protesten en bedreigingen van de Regeering te Parijs. - -Dit alles vertelde de sieur d'Esprenay aan zijn beide gasten, nadat hij -met hoffelijke belangstelling naar het verhaal hunner lotgevallen had -geluisterd. Hij was een vurig bewonderaar van den admiraal de Coligny -en hij troostte Jacob Martens met de hoop op een bondgenootschap -van den Prins van Oranje en de hoofden der Huguenoten, dat in die -dagen algemeen werd verwacht. Hij beschouwde den zee-oorlog, dien -hij voerde, als een eerlijken krijg tegen den gemeenschappelijken -vijand der religie. Tamme Abels en zijne Friesche Geuzen waren in -zijne oogen vilains en zeeroovers, maar hij had "admiraliteit met hen -gemaakt", omdat zij de Zeeuwsche en Vlaamsche wateren en kusten goed -kenden en hij verwachtte Spaansche en Nederlandsche koopvaarders, die, -vóór de winterstormen begonnen, de haven van Antwerpen zouden willen -bereiken. Nadat hij vernomen had, dat Jacob Martens bij Austruweel -als officier in het leger van Brederode had meegevochten, bood hij -hem terstond een plaats als cadet op de "bonne Fortune" aan. De Welle -zou als contre-maître deel uitmaken van de bemanning. De zeevaart en -den oorlog ter zee zouden mannen van ervaring als zij spoedig leeren, -verzekerde de hoffelijke Franschman met een glimlach. - -De beide mannen sloegen toe. Waarheen zouden zij anders gaan, -ballingen als zij waren? En het zou immers gaan tegen den Spanjool, -den onderdrukker van hun land en den vijand der religie? - -En nu verontschuldigde zich de sieur d'Esprenay. Hij had zijn plichten -als bevelhebber en schipper. Hij noodigde Jacob Martens voor het -avondmaal aan zijn tafel. Tot zoolang konden zijne gasten het schip -bezichtigen. Den volgenden dag zouden zij hun dienst aanvangen. Met -een beleefde buiging nam hij afscheid van hen. - -Van de ontvangen vergunning maakten de beide mannen gaarne gebruik. Ze -hadden in de haven van Antwerpen de groote handelsschepen zien liggen: -Spaansche en Portugeesche kraken en galjassen; Duitsche hulken en -korveelen, maar zij hadden zich nimmer op zulk een groot vaartuig -bevonden. - -De "bonne Fortune" was, als de meeste oorlogsschepen van die dagen, -een koopvaarder, uitgerust tot den krijg ter zee. 't Schip had -een grooten mast, met machtige raas en stengen en een veel lageren -bezaans- en fokkemast. De achtersteven was zeer hoog uitgebouwd. In -het achterschip bevonden zich de versterkte kajuit van den kapitein, -de kruitkamer, het wapenmagazijn en het logies voor de officieren. - -Midscheeps lag de "bonne Fortune" vrij laag op het water. De voorplecht -was weer iets hooger en op het voordek bevond zich eveneens een stevig -getimmerte van eiken balken en planken, van schietgaten voorzien en -bestemd voor het logies van de onderofficieren en voor de verdediging -van het schip. - -De "bonne Fortune" voerde achttien stukken, volgens de gewoonte van den -tijd van uiteenloopend kaliber. 't Waren grootendeels korte ijzeren -kartouwen en halve kartouwen. Op den voor- en achtersteven bevonden -zich een paar koperen draaibassen van kleiner kaliber, Spaansche -pattararo's, vermoedelijk afkomstig van een buitgemaakten, gewapenden -koopvaarder. De marsen van den grooten mast waren versterkt en voorzien -van zware bussen. Van hieruit kon men, bij een scheepsgevecht, het -dek van den vijand met musketvuur en handgranaten bestoken. Langs -de verschansing lagen, opgerold en weggestouwd, "de boevenetten", -die werden opgehaald en gespannen, om een entering te voorkomen of -af te slaan. In rekken, bij den grooten mast, stonden bussen, van -verschillend kaliber en van allerlei soort: van de eenvoudige arquebuse -of handbus tot de lange, zware Spaansche haakbus, die toen in gebruik -begon te komen, en in het wapenmagazijn bevonden zich korte pieken, -enterbijlen en houwers, voor de enteraars. - -Uit alles bleek, dat de sieur d'Esprenay een commandant was, die -orde en tucht op zijn schip wist te handhaven. De wapenen waren goed -onderhouden en blank gepoetst. - -De bemanning maakte een flinken indruk, al was zij uit zeer -verschillende bestanddeelen samengesteld. Bedaarde, ernstige -Normandiërs werkten er naast forsche Bretons en kleine, levendige -Picardiërs. 't Waren weer heel andere mannen, dan de Hollanders en -Friezen, die hij voor korten tijd verlaten had, en zij waren beter -aan krijgstucht gewend, dan de woeste zeeroovers van Tamme Abels. - -Toen de avond begon te vallen, en de lantaarns werden uitgehangen, -kwam een hofmeester jonker Martens waarschuwen, dat de kapitein -hem wachtte. Een matroos bracht de Welle naar het verblijf der -onderofficieren. - -De sieur d'Esprenay stelde Jacob aan zijn luitenant voor, die de -maaltijden in de kajuit gebruikte. 't Was een lange, zwijgende -Huguenoot, uit La Rochelle, een man met een barsch uiterlijk, -maar, zooals de kapitein hem later verzekerde, een dapper man en -een uitstekend zeeman. Aan het benedeneind der tafel stond een nog -jong man, in 't zwart, met een platte, vierkant gesneden kraag van -wit linnen, dien de commandant met een handbeweging voorstelde als -M. le ministre. 't Was de predikant van het schip, want, evenals de -latere Watergeuzen, hadden deze Fransche kapers steeds een geestelijke -aan boord. - -Men ging aan tafel, nadat de predikant een kort gebed had -uitgesproken. De sieur d'Esprenay wilde blijkbaar gaarne meer van -zijn gast weten en hij lokte door handige vragen Jacob uit, hem zijne -geschiedenis te verhalen. De Franschman was goed op de hoogte omtrent -wat er in de laatste jaren in de Nederlanden was voorgevallen. De -aanslag op de Zeeuwsche steden zou volgens hem een goed plan zijn -geweest, als er een algemeene opstand op had kunnen volgen. Maar de -onderneming was niet goed voorbereid. De slag bij Austruweel,--bah! une -bêtise! Jammer, bloed te vergieten en de beste krachten op te offeren -voor een onderneming, die geen kans had van slagen. Brederode? Een -dapper man, maar geen veldheer en nog minder staatsman. De opstand van -Valenciennes? Al even ondoordacht en onvoorbereid! Werk van dwepende -predikanten en hun aanhang. Toch achtte hij de zaak der Vlaamsche, -Brabantsche en Hollandsche Gereformeerden nog niet verloren, zelfs -niet sinds de komst van Alva, maar zij moesten zich aansluiten bij de -Coligny, bij de Fransche Huguenots, tot een machtige protestantsche -partij, die zoowel de Guises als Philips ontzag zou inboezemen en -die steun zou ontvangen van Engeland. - -Dat was blijkbaar ook de meening van Oranje, want hij onderhandelde -met de hoofden der Huguenots. - -En Jacob luisterde, en stemde toe en verwachtte, als al zijn -tijdgenooten, véél van zulk een verbond. En geen van de beide mannen -kon toen gissen, welk lot binnen weinige jaren de Coligny en de -zijnen zou wachten, en dat de zaak der vrijheid en der Reformatie ten -slotte geen andere voorvechters zou hebben dan de zonen der zwakke -Nederlandsche gewesten zelve, en dat die gewesten geen anderen -bondgenoot zouden hebben, dan dien van Willem van Oranje,--den -Potentaat der Potentaten. - -Den volgenden dag aanvaardde Jacob Martens zijn dienst als officier -op de "bonne Fortune" en hij zou weldra gelegenheid hebben, kennis -te maken met den bloedigen zeeoorlog der Fransche en Nederlandsche -kapers tegen Spanje. - -Het weder bleef fraai en de zee was kalm en vlak. Met een lichten bries -uit het Noorden stevende het groote razeil, statig voortglijdende -over het water, langzaam in de richting van het Kanaal. Men kon den -geheelen nacht het toplicht van de krapschuit duidelijk waarnemen, die -dichter onder de kust kruiste. Jacob Martens deelde de wacht van den -kapitein: hij moest nog aan den dienst op een schip van oorlog wennen. - -Toen de dag aanbrak werd een uitkijk geplaatst in het "kraaiennest", -een ton in den top van den grooten mast, om uit te zien naar de -koopvaarders, die de kapers verwachtten. Tegen tien uur in den morgen -klonk de lang verbeide waarschuwingskreet: een zeil vooruit! - -De lange luitenant--de man heette Thierry, maar de matrozen noemden -hem "le Goëland", de Meeuw, om zijn scherp gezicht,--enterde langzaam -naar boven, en bleef een poos bij den matroos in den mastkorf. Toen -klom hij even bedaard naar beneden, begaf zich naar de campagne -en rapporteerde den sieur d'Esprenay, dat vooruit een groot schip -tegen den wind laveerde, een kraak, naar haar tuigage te oordeelen, -waarschijnlijk een Spanjool. - -Met een tevreden grimlach beval de kapitein de krapschuit te seinen en -alles klaar te maken voor het gevecht; want de Spaansche koopvaarders -waren gewoonlijk gewapend en aan moed ontbrak het hun bemanning niet. - -Een luid gejuich ging op onder de matrozen, die bij het achterdek -opeengedrongen stonden, om op de bevelen van den commandant te wachten -en allen togen aan het werk. Onder toezicht van den luitenant en Jacob -Martens werden de stukken losgesjord en geladen, de baskamers werden -evenzeer geladen en bij de kanonnen geplaatst, een aantal schutters -met handbussen en armborsten begaven zich naar het voorkasteel, -anderen bemanden de marsen, terwijl de korte pieken, enterbijlen en -houwers werden rondgedeeld. En inmiddels doorkliefde de "bonne Fortune" -statig de golven en naderde meer en meer haar prooi. - -Langzaam dook de romp van het schip uit de golven op. Er was geen -twijfel aan: een Spaansche kraak! - -Een kort bevel klonk van de campagne van de "bonne Fortune". Een -kanonschot donderde over de golven. Tegelijk liet de sieur d'Esprenay -de koningsvlag met de lelies van Frankrijk waaien, terwijl aan den -fokkemast de vlag van den kapitein werd geheschen: drie gulden baren -op lazuren veld. - -Een oogenblik van spanning: toen een schorre juichkreet van de -bemanning van de "bonne Fortune". Aan den grooten mast van de kraak -woei het St. Andrieskruis van Spanje. Maar inmiddels had de Spanjool -begrepen, welke gevaarlijke vijand daar naderde. Er was leven en -beweging op het dek en in de tuigage. - ---"Hij wendt! Hij wil ons ontloopen!" zei de sieur d'Esprenay tot -Jacob Martens. - -En inderdaad scheen de kraak een poging tot ontvluchting te willen -wagen. Hij had den steven gewend en zeil bij zeil bedekte de breede -raas. Ook de "bonne Fortune" zette alle zeilen bij, die de masten -dragen konden. - ---"Hij wil trachten de haven van Duinkerken binnen te loopen," meende -de kaperkapitein. "Maar 't zal hem niet gelukken!" - -Ondertusschen scheen het, alsof de omstandigheden het Spaansche -schip gunstig waren. De bries, die de "bonne Fortune" zoo statig over -het water deed glijden, verflauwde meer en meer. Er was bijna geen -wind. De zeilen hingen slap tegen de masten. - -De beweeglijke Franschman liep driftig op zijn campagne heen en -weer. De Spanjool was nog niet onder het bereik zijner kanonnen. - -De mannen stonden met de brandende lont in de hand bij de stukken en -keken vragend naar den luitenant. Deze schudde het hoofd. - ---"Te ver!" zei hij kortaf. "Wij moeten fluiten om den wind!" - -Eensklaps hield hij de hand boven de oogen. - ---"Bravo, les Frisons!" riep hij uit. - -De kapitein van de kraak had, in zijn ijver, om den kaper te -ontkomen, niet gelet op de kleine krapschuit, die schijnbaar argeloos -voortzeilde, dicht onder de kust, zooals een visscher zou doen, die, -met zijn vangst aan boord, huiswaarts keerde. Tamme Abels had zijn -culverijn met een zeil bedekt en de grootste helft zijner Geuzen last -gegeven, zich in het vooronder schuil te houden. Het lichte en vlugge -vaartuig was de kraak ongemerkt al meer en meer genaderd. Nu de wind -ging liggen, zag men, dat de zeilen werden ingenomen; over het lage -gangboord plonsten twee korte riemen aan de loefzijde in het water. De -krapschuit veranderde van koers en hield op den Spanjool aan. Tamme -Abels wierp het masker af. Zijn mannen waren op de voorplecht bezig -met het lange kanon, en de schuit, nu in een galei veranderd, naderde, -trots de windstilte, de kraak al meer en meer. - -Dit had "le Goëland" gezien en vandaar zijn uitroep. - -De geheele bemanning van de "bonne Fortune" was aan de lijzijde van -het schip samen gedrongen om naar de bewegingen van het stoutmoedige, -kleine vaartuig te zien. Weldra was de kraak binnen het bereik van -het lange stuk. Een witte rookwolk--en eenige oogenblikken daarna -dreunde een doffe knal over de golven. - ---"Te laag!" mompelde de luitenant, die alles scheen te zien. - -Men zag een rookwolk aan de lijzij van de kraak opgaan en weer klonken -er een paar flauwe slagen. - ---"De Don wil vechten, mon capitaine!" zei luitenant Thierry. "Hij -voert lichte caronnades. Maar ze worden slecht bediend!" - ---"'t Zal hem niet veel baten!" meende de sieur d'Esprenay. "Ha, -een goed schot!" - -Weer schoot een witte rookwolk van de voorplecht der krapschuit omhoog -en nog vóór men den knal van het zware stuk hoorde, zag men den grooten -mast van de kraak waggelen, nog een oogenblik en het gevaarte sloeg met -zijn wolk van witte zeilen over boord. Het groote schip lag reddeloos. - -Een luide juichkreet ging op aan boord van den kaper. De buit kon -hun niet meer ontgaan. - ---"Wind! Geef wind, Seigneur Dieu!" riep de sieur d'Esprenay -stampvoetend. "De Friezen gaan anders met de eer en den buit strijken." - -En inderdaad scheen zijne vrees niet ongegrond. Nog éénmaal klonk -de doffe donder van den culverijn over de zee en toen schoot de -krapschuit weg in de schaduw van het groote schip, en men hoorde -flauw in de verte de slagen der handbussen en het gejoel van den -strijd. Tamme Abels en de zijnen hadden de kraak geënterd. - ---"Heeft hij gestreken?" vraagde de kapitein. - -Luitenant Thierry schudde ontkennend het hoofd en wees naar de -kraak. Aan den bezaansmast woei weer de Spaansche koningsvlag. De -Spanjaarden wisten, wat hun wachtte en zij zouden zich tot het -uiterste verdedigen. - ---"Ha, eindelijk wind!" riep de sieur d'Esprenay. - -De hemel was niet zoo strak blauw meer. Er vertoonden zich witte koppen -aan den horizon. Een donkere streep kroop uit het Noord-Westen over het -water en daarachter vertoonden zich witte koppen. De "bonne Fortune" -helde licht over onder den druk van de bries. - -Het fluitje van den bootsman gilde. De matrozen klommen in het want, -om de raas naar den wind te brassen en de "bonne Fortune" schoot als -een roofvogel op haar prooi af. - -Van de stukken kon geen gebruik worden gemaakt, want op het dek woedde -een hevig gevecht en men kon geen vrienden van vijanden onderscheiden, -maar de marsen waren bemand en de matrozen van den kaper stonden -gereed, om den vijand te enteren. - -Toen men naderde, kon men den stand van het gevecht -onderscheiden. Hoewel zij verre in de minderheid waren, drongen -de Geuzen onversaagd, met bijlen, knevelspeten en messen op de -Spanjaarden in, die zich op de achterplecht om hun kapitein hadden -geschaard en zich dapper verdedigden. Weldra begonnen nu echter de -busschieters uit de marsen van de "bonne Fortune" aan den strijd deel -te nemen. "Le Goëland" had een van de patteraro's op den achtersteven -met schroot en gekapt lood doen laden. Hij zelf bediende het stuk en -toen de kaper de kraak langs zij schoot, richtte hij het lichte kanon -op de donkere groep der Spaansche zeelieden en brandde los. Op zoo -korten afstand deed het schroot een verschrikkelijke uitwerking. Vele -Spanjaarden vielen en de overigen geraakten in verwarring en zochten -hun heil in de achterkajuit. Luid juichend drongen de Friezen vooruit -en toen een oogenblik daarna de enterdreggen van de "bonne Fortune" -vasthaakten in het want van de kraak en de Fransche kapers als katten -over de verschansing klauterden, was de strijd spoedig beslist. De -meeste Spanjaarden waren gevallen, de overigen werden ontwapend -en gaven zich over. Onder een luid gejuich werd de Spaansche vlag -gestreken en de overwinnaars drongen in de kajuiten en in het ruim, -om den buit op te nemen. - -Na eenigen tijd voegden zich luitenant Thierry, Tamme Abels en Jacob -Martens bij den sieur d'Esprenay op het achterdek van de "bonne -Fortune" en er werd een soort van officierenraad belegd. De buit -was aanzienlijk, want de kraak was geladen met huiden en Spaanschen -wijn en men had daarenboven een groote som baar geld gevonden, -die bestemd was voor een der handelshuizen te Antwerpen. Indien men -het schip naar een Engelsche haven had kunnen opbrengen, zou men de -lading tot hoogen prijs hebben kunnen verkoopen. De kaperkapitein -en Tamme Abels achtten het avontuur echter te gevaarlijk. Men was te -dicht bij Duinkerken en uit die haven konden elk oogenblik gewapende -schepen komen opdagen, om de stoute zeeschuimers hun prooi afhandig -te maken. Er werd dus besloten, het geld en de gevonden kostbaarheden -terstond te verdeelen, de lading zooveel mogelijk te bergen en dan -de kraak in brand te steken. - -Over de verdeeling van den buit was men het spoedig eens. - -Aan de Geuzen van Tamme Abels kwam de eer toe, het vijandelijke -schip het eerst te hebben geënterd en de Fransche kapitein was te -edelmoedig hun die te betwisten. De zaak was spoedig tot algemeen -goedvinden geregeld. - -En ondertusschen had er op het dek van de kraak een droevig tooneel -plaats. De gevangen genomen Spaansche matrozen stonden bleek en -zwijgend op het achterdek bijeen, bewaakt door gewapende kapers -en Geuzen, die de overwonnen vijanden met ruwen spot hoonden. De -gevangenen wisten trouwens wat hun te wachten stond. 't Was een ruwe -tijd en volgens het oorlogsrecht op zee was er geen genade voor den -overwonnen vijand, wanneer hij niet door een rantsoen zijn leven -kon koopen. Eerst werden de gewonde Spanjaarden onder luid gelach en -verwenschingen over boord geworpen en toen begon het laatste bedrijf -van het bloedig drama. Een lange plank werd aangesleept en over de -verschansing gestoken, zoodat het langste eind buiten boord stak, -en de gevangenen werden één voor één genoodzaakt die noodlottige -brug te betreden. Nog voor het einde was bereikt, wipte de plank -en het slachtoffer stortte in het water, onder luid gejuich van -zijn beulen. Sommige Spanjaarden gingen kalm en moedig den dood -tegemoet, anderen smeekten om genade en moesten met de punt van de -enterpieken en bootshaken de plank opgedreven worden. Sommigen hadden -hun rozenkrans voor den dag gehaald en wachtten biddend tot de beurt -aan hen zou komen, en dezen werden door de Geuzen hoonend naar de -hostiekast in den mast van de krapschuit gewezen, waar immers hun -God woonde. Weldra waren de Spanjaarden in de golven verdwenen. Men -had hun "de voeten gespoeld". - -Een paar ongelukkigen, die zwemmen konden, hielden zich boven water -en trachtten zelfs tegen het lage boord van de "bonne Fortune" -op te klauteren, maar met pieken en handspaken werden zij terug -gestooten en zonder medelijden zag men hen worstelen met den dood, -tot zij uitgeput wegzonken in het woelige water. - -Een jong Spaansch matroos, bijna nog een knaap, rukte zich los, toen -de beurt aan hem kwam. Met een sprong was hij op de verschansing van -de kraak en van daar in het want van de "bonne Fortune". Vóór de hem -vervolgende kapers hem konden grijpen, had hij het achterdek bereikt -en liet zich neervallen voor de voeten van den Franschen edelman, -wiens voeten hij omklemde. - ---"Misericordia! Per l'amor de Dios!" gilde hij in doodsangst. - -Maar een paar der Fransche matrozen, met Pieter de Welle aan het hoofd, -waren hem nagerend en sleurden hem overeind. - -De kaperkapitein haalde de schouders op. Jacob Martens deed een stap -vooruit en sloeg onwillekeurig de hand aan den degen. - ---"De Welle!" riep hij dreigend. "Laat den jongen, of..." - ---"Mieke was ook nog jong!" beet de oude Geus hem onbarmhartig -toe. "Voort met den Spanjool!" - -De luitenant greep Jacob bij den arm. - ---"Laat dat, jonker!" zei hij met gedempte stem. "De mannen zijn in -hun recht en zouden u niet gehoorzamen." - -En onder luid gejuich werd het gillende en worstelende slachtoffer -voortgesleurd naar de noodlottige plank. - -Bleek en vol afschuw wendde Jacob zich af. Hij had mede de kraak -geënterd en in het gevecht had hij zich dapper geweerd, maar deze -koelbloedige moord, gepleegd op weerlooze gevangenen en gewonden, -deed hem huiveren. De sieur d'Esprenay merkte het op. - ---"Geen prettig gezicht, jonker Martens," zei hij luchtig. "Maar -wat wilt gij? 't Is zóó het gebruik en het recht van de zee! En -dan,--heden zij, morgen wij! Als wij in de handen van de Spanjolen -waren gevallen, zouden ze ons ook niet hebben gespaard! Den strop of -het water! Of in het gunstigste geval, roeien op de Spaansche galeien, -met de zweep van den opzichter op onze bloote ruggen! Dat is erger -dan de dood! Maar dat is het leven van den zeeman! Wij en zij, wij -weten wat ons te wachten staat, als wij de zwaksten zijn. 't Is een -ruw leven,--maar ge zult er wel aan wennen." - -Luitenant Thierry en Tamme Abels kwamen rapporteeren, dat het schip -was geplunderd en de buit verdeeld en zoo goed mogelijk geborgen. De -kaperkapitein knikte goedkeurend. De Friezen en een paar matrozen van -de "bonne Fortune" gingen met brandende lonten en oud geteerd touwwerk -aan boord van de kraak. Weldra steeg uit het ruim een dunne rookzuil -op. Ondertusschen had de bemanning van den kaper de enterdreggen -losgemaakt. Toen allen weer aan boord waren, werd terstond afgehouden -en zeil gemaakt. De beide schepen zetten koers naar het Zuid-Westen, -om een der naastbij liggende Engelsche havens te bereiken, waar zij -hun buit van de hand konden doen. Weldra sloegen de vlammen uit het -ontredderde Spaansche schip. Als een reusachtige vuurbaak dreef het, -bij het vallen van den vroegen herfstavond, op de woelige zee en -de koningsschepen uit Duinkerken konden, als zij lust hadden, komen -zien naar het werk der koene kapers, die bij tientallen de Noordzee -en hare kusten onveilig maakten en die weldra den gevreesden naam -van de Watergeuzen zouden dragen. - - - - - - - -XVII. - - -De Zeeuwsche of Vlaamsche visschers of kustvaarders, die in den -morgen van den 30sten Maart 1572--Palmzondag--op de Noordzee, -ter hoogte van Duinkerken, rondzwalkten, zouden in 't Zuiden zeil -op zeil aan den horizon hebben zien opdoemen, een talrijke vloot, -die door den krachtigen Zuid-Westenwind voortgedreven, met volle -zeilen uit het Kanaal kwam stevenen. En wanneer hij aan masten en -stengen de kleuren had kunnen onderscheiden, het Oranje-blanje-bleu in -drie, zes of zelfs negen banen, dan zou hij haastig het roer hebben -gewend, om de beschermende nabijheid der zandbanken aan de kust op -te zoeken. Want die kleuren--weldra het symbool der vrijheid en der -verlossing uit vreemde dwingelandij--waren thans voor hem nog een -bedreiging; immers zij, die ze voerden, ontzagen ook de schepen en de -have van den landgenoot niet, dien zij als bewoner van de erflanden -van den Spaanschen koning als vijand beschouwden. En terwijl hij alle -zeilen bijzette, om uit het vaarwater der snel naderende schepen te -komen, zou hij wellicht met een verwensching de vuist hebben gebald -en een naam hebben gemompeld, die de zeevarenden en de bewoners der -Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche kusten sedert eenige jaren met -vreeze vervulde: de Watergeuzen! - -De Watergeuzen! De ballingen, die, uit het land hunner geboorte -verdreven, op zee een toevluchtsoord hadden gezocht en in den -zeeroof een middel van bestaan, waren verbazend snel in aantal -toegenomen. Eerst eenzame zwervers, hadden zij zich weldra tot -kleine eskaders vereenigd, sterk genoeg om de vloten van gewapende -koopvaarders aan te vallen, om roof- en plundertochten te land te -ondernemen. Zoo waren zij de schrik der zeeën geworden, een gevaar -voor den handel en de scheepvaart, en de weinige Placaetschepen, -waarover Boschhuyzen, Alva's admiraal, kon beschikken, waren niet -voldoende om de vlugge, stoutmoedige kapers te bedwingen, die -in Embden en La Rochelle, in Duins en in Dover vrijhavens vonden, -waar zij hun buit te gelde konden maken, en zich van mondvoorraad en -munitie konden voorzien. - -Toen was de Prins op het denkbeeld gekomen, om deze woeste, maar -dappere mannen te organiseeren en hun roofzucht dienstbaar te maken -aan de zaak der vrijheid. In 1568 had Lodewijk van Nassau de eerste -"bestellingen ter zee" uitgereikt aan Diederik van Sonoy, kaperbrieven, -die de tuchtelooze piraten tot oorlogvoerenden maakten, in den dienst -van den Prins van Oranje, een onafhankelijk Vorst des Rijks, tegen -Alva en diens aanhangers, ook tegen de Spanjaarden, al werd koning -Philips II in naam nog erkend als de wettige vorst dezer landen. De -Watergeuzen zouden zich aan een zekere tucht onderwerpen. Adriaan van -Bergues, Heer van Dolhain, werd door den Prins benoemd tot admiraal -der nieuw geschapen zeemacht en er werd een buitregeling ingevoerd: -één derde zou bestemd worden voor de krijgskas van den Prins, één -derde voor de bevelhebbers, één derde voor de bemanning der schepen. - -De aanvoerders der Watergeuzen waren spoedig gewonnen voor het -plan, waardoor hun oorlogsdaden werden gewettigd en hun aantal werd -versterkt, en de besten hunner zagen zeker ook in hoe belangrijk de -genomen maatregel kon zijn voor de zaak der vrijheid. De kaperbrieven -werden uitgereikt en gretig ontvangen, maar toch werd het plan nimmer -geheel uitgevoerd, ook niet toen de onbekwame Dolhain in Augustus 1570 -door Guislain de Fiennes, Heer van Lumbres, werd vervangen. Aan de -schatmeesters van den Prins werd nimmer een penning van de opbrengst -van den buit afgedragen en de Watergeuzen onderwierpen zich evenmin -aan het gezag van den hun onbekenden admiraal. Toen de stoute kapers -in Maart 1571 kun kans schoon zagen, om 31 koopvaarders, terugkeerende -uit de Oostzee, te nemen, lieten zij die niet glippen, al waren er ook -acht schepen bij, die zich veilig waanden in het bezit van brieven -van vrijgeleide, hun door Lodewijk van Nassau gegeven. Groot zijn -de verdiensten der Watergeuzen geweest voor de zaak der vrijheid, -maar door hun optreden werd de handel der Hollandsche steden, werd -de algemeene welvaart zoo benadeeld, dat een van de eerste verzoeken -der Staten-Generaal, door den Prins op 15 Juli 1572 te Dordrecht -bijeengeroepen, was, de kaperbrieven, de "bestellingen ter zee", -in te trekken, een verzoek, waaraan door Willem van Oranje wijselijk -werd voldaan. - -Toch had de poging tot organisatie der ongeregelde scheepsmacht -belangrijke gevolgen. Een aantal mannen van onbesproken naam kwamen -de vloot der Watergeuzen met hunne gewapende schepen versterken. Er -werd een algemeen reglement van krijgstucht ingevoerd, en zoo goed -mogelijk werd de hand gehouden aan de bepaling, dat zich op elk schip -een predikant moest bevinden, die de godsdienstoefeningen moest leiden -en moest voorgaan in het gebed,--al is het waarschijnlijk, dat er -onder die "bedienaren des Woords" wonderlijke figuren zijn geweest. - -In Maart 1572 lagen er op de reede van Duins en Dover een -vierentwintigtal Geuzenschepen voor anker, om zich uit te rusten -voor nieuwe rooftochten, toen zij van de Engelsche Regeering, die -hun tot nog toe wèlgezind was geweest, plotseling bevel kregen, -onverwijld de Engelsche havens te verlaten. Koningin Elisabeth, die -niet ongaarne zag, dat hare ruwe en rumoerige gasten den Spaanschen -handel afbreuk deden, durfde toch niet openlijk met Spanje breken. En -zoo had zij ditmaal toegegeven aan Alva's dringende vertoogen, en den -Watergeuzen het verblijf in hare havens verboden. Zóó onverwacht was -het bevel om te vertrekken gekomen, dat de meeste schepen zelfs den -tijd niet hadden, proviand in te nemen. En nu deden de kapers, wat -zij dikwijls deden, wanneer zij zich vereenigden om een of andere -onderneming te wagen. Zij besloten "admiraliteyt te maken". Een -der stoutste aanvoerders werd dan tijdelijk tot admiraal verheven -en gehoorzaamd door de andere kapiteins, tot de krijgstocht was -afgeloopen en de behaalde buit verdeeld, om dan weer uiteen te gaan -en op eigen gelegenheid hun zwervend leven voort te zetten. Ditmaal -was de keus gevallen op Graaf Willem van der Marck, Heer van Lumey, -den dapperen, maar woesten vijand der Spanjaarden en priesters, den -man, die de Nazireeërsgelofte had afgelegd, dat hem haren noch baard -zouden worden geschoren, vóór hij den dood van de graven van Egmond -en Hoorne gewroken had. Zijn hooge rang, zijn woeste dapperheid en -zijn krijgsmansgeluk maakten hem voor 't oogenblik den aangewezen -aanvoerder, al waren er onder de Geuzenkapiteins nobele en meer -bezadigde naturen, die den Luikschen edelman, wiens wilde wreedheid -zij afkeurden, ongaarne volgden. - -Maar thans, van hunne vrijhavens in Engeland verstoken, wisten allen -wel, dat zij een stouten slag moesten wagen of anders van honger en -ellende omkomen. Er was thans een sterke vloot bijeen, men zou 's -konings "placaetschepen" in het Vlie gaan opzoeken en zoo mogelijk -nemen of vernielen, om dan de koopvaarders, uit de Oostzee komende, -buit te maken. Ja, er waren zelfs vage plannen, om een aanslag te -wagen op Enkhuizen, om zoo een steunpunt voor de vloot te verwerven -in het Vaderland, en kapitein Ellert Vliechop, de Enkhuizer burger, -had daarop in den scheepsraad krachtig aangedrongen, al commandeerde -hij maar een gewapende visschersschuit. Hij wilde van zijn vaderstad -"een jong Rotseel", een nieuw la Rochelle maken. "Wij zullen Enkhuizen -hebben," had hij verklaard, "al zou ik er voor op een rad moeten -zitten. Zij zullen daar niet veel weers doen: wij weten, dat er -veel volks daarbinnen is, ons gunstig gezind." Nu, de onderneming -was misschien niet onmogelijk,--maar eerst moest gedacht worden aan -den buit. Er moest krijgsvoorraad, er moest leeftocht zijn--en de -Oostvaarders zouden het gelag betalen. - -'t Was een wonderlijk mengelmoes, die vloot van vier en twintig zeilen, -die daar noordwaarts het Kanaal uitstevende, alle koopvaarders of -visschersvaartuigen, ten oorlog toegerust. Groote razeilen van tachtig -last, met zestien stukken gewapend, wisselden af met lage boeiers -of kromstevens, zonder voor- en achterkasteel, met ranke buizen met -gaffelzeilen, met gewapende visschersbooten en krapschuiten en de -vlugge vliebooten van twintig tot zestig last. - -En behalve de Prinsevlag, die op alle bodems wapperde, voerde elk -vaartuig een scheepsvlag, die, indien de kapitein een edelman was, de -kleuren van zijn geslacht vertoonde. Was 't een burger, die den bodem -commandeerde, dan liet hij zijn stadsvlag waaien. En de blazoenen -der edelen en de stemmiger kleuren van de wapens der Hollandsche -steden wapperden door elkander; een symbool van de éénheid van het -Nederlandsche volk, dat weldra schouder aan schouder zou optrekken -tegen vreemde tirannie en misbruikt vorstelijk gezag. - -Van den mast van een vlieboot van twintig last, zeilende in den -voortocht, wapperden de roode rozen van het geslacht Martens en -op het achterdek stond Jacob, thans "schipper naast God van zijn -schip" en commandant van zijn eigen oorlogsbodem. Hij had eenige -jaren op de "bonne Fortune" gevaren; hij had den zeeoorlog leeren -kennen, den kaperoorlog op de Noordzee, "sans trêve ni merci", waar -het de bemanning der Spaansche koopvaarders betrof. Hij had er de -eenvoudige stuurmanskunst dier dagen beoefend, en toen een gewapende -vlieboot uit Vlissingen werd buitgemaakt en naar Dover opgebracht, -had de Chevalier d'Esprenay zijn gast edelmoedig het veroverde -vaartuig aangeboden als zijn aandeel in den buit. Er waren in de -Engelsche havens Hollandsche ballingen genoeg, die zich gaarne lieten -aanmonsteren voor een kruistocht, en de naam van den jongen kapitein, -die immers bij Austruweel had gevochten en die een van de aanvoerders -was geweest der Geuzen in West-Vlaanderen, was goed bekend onder zijne -landgenooten. En sedert voer hij ter kaapvaart voor eigen rekening, -met den lastbrief van den Prins, veelal in eskader varend met zijn -vriend, jonker Frederik van Dorp, den vromen Christen-krijgsman en -met Blois van Treslong en Nicolaes Ruyckhaver. Hij behoorde met hen -tot die aanvoerders der Watergeuzen, die vermaard en bij den vijand -gevreesd waren om hun vermetelen moed, die krijg voerden volgens -de zeden van hun tijd, doch die hun naam nimmer bevlekt hebben door -daden van woeste wreedheid, als zoovelen hunner makkers. - -Van de campagne van zijn goede schip "de Blauvoet" liet kapitein Jacob -Martens den blik wijden over de grauwe golven der Noordzee, thans aan -alle kanten verlevendigd door de bruine en witte zeilen en de kleurige -vlaggen der Geuzenvloot. Vóór hem stevende een groot razeil, getooid -met de kleuren van Barthold Entesz van Mentheda, den stoutmoedigen -Frieschen Geus, die den voortocht commandeerde. De schepen van jonker -Frederik van Dorp en van Nicolaes Ruyckhaver waren met een aantal -kleine vaartuigen in zijn onmiddellijke nabijheid. Overal zag men de -masten en de tuigage van de andere schepen aan den horizon opduiken, -in het midden het zware razeil met het admiraalsvaantje aan de steng, -het schip van Lumey. - -De wind was gunstig, de zeilen stonden strak en de roerganger kende -zijn taak. Achter hem knarste de zware roerpen met den "luiwagen" -over het dek en de "Blauvoet" luisterde prachtig naar den druk van -het roer en stoof voort over de witgetopte golven. De bemanning, voor -'t grootste gedeelte forsche, stoere kerels, waren onder het bevel -van den stuurman bezig met de zeilen en het want of maakten hunne -wapenen schoon. Pieter de Welle, die op de "Blauvoet" als constabel -diende, zag de "bassen" na, de twaalf "gotelingen" of scheepskanonnen, -waarmee het schip was gewapend. - -'t Ging ditmaal "vóór den wind" inderdaad! Jacob Martens leunde tegen -den mast en de gebeurtenissen van de laatste paar jaren, sinds hij de -"bonne Fortune" betrad, gingen voor zijn geestesoog voorbij. De poging -tot bevrijding van de verdrukte landen, die zoo moedig was ondernomen -en die zoo jammerlijk had gefaald: Heiligerlee en Jemmingen en toen -de inval van Oranje, door het veldheerstalent van Alva zonder strijd -tot mislukking gedoemd. De dood van Egmond en Hoorne, van Anthonie -van Stralen en van Bakkerzeele, en van zoovelen, edelen en eenvoudige -burgers, de slachtoffers, door wier dood de ijzeren hertog den geest -des opstands in de erflanden van zijn meester wilde breken. Toen -de invoering der nieuwe belastingen, van dien beruchten "tienden -penning", zoo kwellend voor een handeldrijvend volk, nog ongewoon, -om zich door zijn landsheer drukkende lasten te zien opgelegd. En -dan altijd weer de ijdele hoop op hulp uit Frankrijk, telkens weder -teleurgesteld. Wèl lag land en volk gekluisterd aan de voeten van -den geduchten landvoogd. Alleen op zee waren de Nederlanders vrij, -op hun Geuzenvloot! Maar wat zou 't worden, als het tot dusverre -bevriende Engeland zijne havens voor de schepen der Geuzen sloot? - -En wat hemzelf betrof, hij was thans geheel aan de zaak der vrijheid -verknocht. Zijn vader was niet lang lid geweest van den Raad van -Beroerten. Alva had daar andere mannen noodig, als Vargas en Hessels, -willige werktuigen in zijn hand. En President Martens was zijn -Kerk en zijn landsheer trouw, maar hij was er de man niet naar, -om het recht te buigen, teneinde de staatkundige plannen van den -hertog te dienen. Sedert lang bekleedde hij weder zijn ouden post als -voorzitter van het Hof van Vlaanderen. Jacobs moeder was gestorven; -onverzoend met haar zoon, in haar oogen een ketter en oproermaker, -was zij heengegaan. Madeleine was gehuwd met Thierry de St. Foy, die -thans hopman was van een Waalsch vendel van Noircarmes en wien zeker -een schitterende toekomst wachtte, als beschermeling van de Croys en -echtgenoot van de rijke erfdochter der de Bettes. Ook zijn zuster was -getrouwd met een Vlaamsch edelman en woonde op diens landgoed bij -Gent. Jacob wist dit alles, want trots Alva en zijn schrikbewind, -waren er nog Hervormden genoeg in Vlaanderen en Brabant, die zich -schuil hielden, maar die toch wel in 't geheim berichten durfden zenden -aan de ballingen, die steeds waren gericht aan vaste en betrouwbare -adressen in de Engelsche havens of te la Rochelle of Emden. Allen -leefden, naar 't scheen, tevreden en gelukkig in hun vaderland, -waar 't gezag des konings was hersteld. Hij was de uitgedrevene, -de verachte Geus, de strijder voor een verloren zaak. - -Er kwam plotseling beweging onder de mannen op het dek. Van het schip -van Entesz dreunde een kanonschot. Er werden vlaggen geheschen en de -groote vlieboot veranderde van koers. Zonder een bevel af te wachten, -sprongen de matrozen van de "Blauvoet" in het want en haalde de -roerganger de roerpen over naar bakboord. Ook de andere schepen -wendden den steven en zetten koers naar het Noord-Oosten. - -Kapitein Martens tuurde in de richting, die de vlaggeseinen -aanduidden. Aan den grauwen horizon doken de topzeilen van twee groote -schepen uit de golven op. Koopvaarders! - -Rustig gaf hij zijne bevelen. De masten van de "Blauvoet" bogen onder -den druk der zeilen, de stukken werden geladen en men maakte zich -gereed voor het gevecht, want het was mogelijk, dat de nagejaagde -schepen tegenstand zouden bieden. - -Inmiddels hadden de bedreigde koopvaarders de gevreesde Watergeuzen -herkend en ze zetten alle zeilen bij, om hun vervolgers te -ontkomen. Maar de zwaar geladen vaartuigen konden de vlugge vliebooten -niet ontwijken. Ze waren thans duidelijk zichtbaar: "een Biscayer -en een Nederlandsch schip," beweerden de bevaren zeelieden onder -de Geuzen. - -Van het schip van Entesz viel weer een kanonschot: een teeken voor -de vervolgden om bij te draaien. Het scheen, dat de Biscayer zich -te weer wilde stellen. De Spaansche zeelieden wisten wel, welk lot -hun wachtte, wanneer hun schip genomen werd. Toen het bleek, dat zij -hun vervolgers niet konden ontzeilen, minderden zij zeil en maakten -zich klaar voor het gevecht. De Geuzen zagen, dat de boevenetten -waren opgehaald en toen het schip bij den wind oploefde, zag men de -dreigende monden der kanonnen. - -Maar 't was een ijdel vertoon; de overmacht was te sterk. Eéns brandden -de Spaansche stukken los; toen gaf Barthold Entesz het Spaansche schip -de volle laag, en de "Blauvoet" en het "Zeepaard", de vlieboot van -van Dorp, waren nu ook dicht genoeg genaderd, om hunne kanonnen te -kunnen gebruiken. Reeds maakten de Geuzen zich gereed, den Biscayer -te enteren, toen deze de vlag streek. Het Hollandsche schip, dat aan -den strijd geen deel had genomen, volgde dat voorbeeld. - -Juichend sprongen de Geuzen aan boord van de beide prijsgemaakte -schepen. 't Waren inderdaad koopvaarders, die van Cadiz kwamen en -koers zetten naar Antwerpen, met een rijke lading aan boord. Het lot -van de gevangen Spanjaarden was spoedig beslist. Voor hen hadden de -Geuzen maar één wet en recht: "de voeten spoelen"! De bemanning van -'t Antwerpsche schip en de schipper, Claes Vaer van Brouwershaven, -werden gerantsoeneerd, hoewel er onder de Vlaamsche en Zeeuwsche -varensgasten waren, die zich liever bij de Watergeuzen aansloten en -dienst bij hen namen, dan dat ze gevangen bleven, tot er een losprijs -voor hen was betaald. - -De prijsgemaakte vaartuigen waren goed gewapend en de Geuzenschepen -telden alle een sterke bemanning. Er werd besloten, ze niet te -verbranden of te doen zinken. Ze zouden een aanwinst zijn voor -de vloot. Het Spaansche schip kreeg tot kapitein Martinus Brand, -den onderbevelhebber van Entesz, een gewezen poldergast, doch die -zich door zijn ruwe dapperheid tot zijn tegenwoordige positie had -opgewerkt. Een luitenant van Blois van Treslong kreeg het bevel -over het andere vaartuig, en, welvoldaan over den behaalden buit, -zette de vloot der Watergeuzen, thans 26 schepen sterk, weer koers -naar het Noorden. - -Op Maandag den 31sten Maart bevond zich de Geuzenvloot op de hoogte -van Egmond, maar zij voer niet meer met volle zeilen, voor den wind -de koningsschepen en den begeerden buit tegemoet. Dien nacht was de -wind meer en meer gaan krimpen. 't Was buiïg, heiïg weer geworden. Een -felle Noordwester blies door het want, en moeizaam oploevend, kampend -tegen wind en stroom, kwamen de schepen maar traag vooruit. En die -tegenspoed kwam de Geuzen zeer ongelegen. De schepen waren onvoldoende -geproviandeerd voor een langen kruistocht. Er diende een besluit te -worden genomen. - -Een kanonschot van het admiraalsschip dreunde over de golven, en -de seinvlaggen aan den mast riepen de kapiteins tot den scheepsraad -bijeen. - -'t Was een wonderlijke vergadering, die daar in de kajuit van Lumey's -schip bijeen was. Naast Blois van Treslong, Frederik van Dorp, -Adam van Haren, Frederik van Inthiema, en andere vertegenwoordigers -van den Noord-en Zuid-Nederlandschen adel, zag men er Jan Abels, -den Frieschen zeerob, den vader van Tamme Abels, die nog altijd in -zijn krapschuit de zee onveilig maakte, en mannen uit het volk, als -Ellert Vliechop en Marinus Brand. Er waren fiere krijgsmansfiguren, -als Nicolaes Ruychaver en jonker Jacob Cabelliau, maar ook zag men -er het afzichtelijk gelaat van Gautier Herlijn, den zoon van den -vermoorden predikant van Valenciennes, wien de Walen van Noircarmes -neus en ooren hadden afgesneden en die den dood zou hebben gevonden op -den brandstapel, wanneer hij niet als door een wonder aan zijn vijanden -was ontkomen. Alle standen waren in dien scheepsraad vertegenwoordigd -en bijna alle Nederlandsche gewesten hadden die stoute en kloeke mannen -geleverd, die de ellende der ballingschap hadden gekozen, liever dan -het hoofd te buigen voor geloofsdwang en vorstelijke willekeur. - -Het ging er rumoerig toe in dien scheepsraad, want er was aanvankelijk -maar weinig eenstemmigheid en er was, als 't er op aankwam, niemand, -die hier zijn gezag kon laten gelden. Al de Geuzenkapiteins waren -heer en meester op hun eigen schip. Vrijwillig erkenden zij Lumey als -admiraal, als aanvoerder bij de thans op touw gezette onderneming, maar -alleen zoo lang het hun goed docht. Er waren er, die wind en stroom -wilden trotseeren en al laveerend koers wilden zetten naar het Vlie; -er waren er, die naar de Engelsche havens terug wilden keeren. Weer -anderen stelden voor, een landing te beproeven op de Hollandsche kust. - -En toen nam kapitein Blois van Treslong het woord, en hij wist de -woelige schaar te doen luisteren. Wind en stroom waren hen tegen, -zoo sprak hij, en vroede mannen trachtten niet het onmogelijke te -doen. Wat kon een landing baten in het woeste en eenzame duin van -Egmond en Schoorl? Waarom het dan niet liever beproefd met een der -zeegaten, meer in het Zuiden des lands? Met de monding van de Maas bij -voorbeeld? Daar waren ook koopvaarders uit Dordrecht en Rotterdam te -kapen, die door het Brielsche diep naar zee stevenden. En daar lag aan -den breeden Maasmond den Briel, thans van Spaansche bezetting ontbloot, -nu alle troepen te Utrecht waren saamgetrokken, den Briel, de vrije -koopstad, die hij zoo goed kende. Was zijn vader niet tot vóór twee -jaren baljuw van de stad en van den lande van Voorne geweest? Waarom -zou den Briel niet het la Rochelle der Geuzen kunnen worden? Als -havenstad lag het gunstig genoeg! - -Zoo sprak Blois van Treslong en zijn woorden maakten indruk, -want de rustige en ervaren krijgsman had door zijn naam en zijn -krijgsbedrijven een invloed op de vloot, die door Lumey eigenlijk met -leede oogen werd gezien. Er werd besloten, dat men den gegeven raad -zou volgen. De sloepen en jollen brachten de Geuzenkapiteins weder -naar hunne schepen en weldra klonken de luide bevelen der schippers -en stuurlieden en het gejoel der matrozen, terwijl zij in het want -klommen, om de zeilen om te brassen. De vloot wendde den steven en -gedreven door den krachtigen Noordwester, die hen zooeven nog had -tegengehouden, zetten de Geuzenschepen koers naar den mond van de Maas. - -En zoo geschiedde het, dat op Dinsdag den 1sten April de schippers -van eenige koopvaarders, die, geankerd in het Brielsche Diep, op eene -gunstige gelegenheid wachtten om uit te loopen, twee vreemde razeilen -ontwaarden, die onder klein zeil langzaam den Maasmond instevenden. 't -Waren de schepen van Brandt en van Haren. En achter hen doken nog meer -masten en topzeilen uit de golven op. En het Oranje-blanje-bleu, dat -wapperde aan masten en stengen, was voor deze Nederlanders nog niet -het symbool van bevrijding, maar een dreigend teeken van naderend -onheil. De Watergeuzen! De vermetele kapers! En de verschrikte -schippers kapten de ankers en wendden den boeg, en onder zooveel -zeil als zij durfden bijzetten, voeren zij de Maas weder op, naar -Rotterdam en naar Dordrecht, om daar de tijding te brengen van de -komst der gevreesde Piraten. - -Van de campagne van het goede schip "de Blauvoet" zag kapitein -Martens de grauw-gele rietbosschen langs de beide Maasoevers en den -breeden Heyndijk voorbij glijden, terwijl de zware toren van de Sint -Catharijne, Brielle's hoofdkerk, en de kleinere van Sint Pieter in -Maarland, reeds boven de dijkkruin uitstaken. Zijn hart klopte hoog -bij de gedachte aan wat de eerstvolgende uren konden brengen. Dit -was een krijgsdaad, wat men nu ging ondernemen! Dit was wat anders, -dan het nemen van koopvaarders, dan het brandschatten van kloosters -en rantsoeneeren van gevangenen! Zou het nu waarheid worden, wat de -besten onder zijn makkers, wat Lancelot van Brederode, Frederik van -Dorp en Blois van Treslong reeds lang hadden gewild? Zou men zich -meester maken van een vast punt, van een Hollandsche haven, die voor -de verstrooide ballingen het middelpunt zou worden, van waaruit zij -den strijd konden voortzetten tegen Alva's tirannie? - -Terwijl hij de oogen over het dek liet gaan, waar de bemanning vroolijk -en opgewonden zich gereed maakte voor het gevecht, dat mogelijk -aanstaande was, viel zijn oog op zijn onderstuurman, door zijn makkers -"Jan Smeert de Borst" genoemd, die, tegen de verschansing geleund, -met strakke blikken staarde naar de opdoemende torens van den Briel. - -Jacob Martens kende den man als een ruwen zeebonk, onversaagd in -'t gevecht en altijd gereed zijn leven te wagen, wanneer het een -gevaarlijke onderneming gold. Zooals zijn bijnaam aanduidde, was -hij een liefhebber van den bierkroes en onder zijn makkers bekend om -zijn ruwe scherts en snaaksche grappen. Toch had hij soms vlagen van -somberheid en zwaarmoedigheid en op zulke tijden was het beter, hem -aan zijn lot over te laten, want dan was hij lichtgeraakt en twistziek. - -Plotseling herinnerde kapitein Martens zich, dat Jan Smeert de Borst -een balling uit Brielle was. Dat verklaarde dan ook, dat de man -geen deel nam aan de bezige drukte aan boord, maar staarde naar zijn -vroegere woonplaats, die hij thans na jaren zwervens zou terugzien. - -Misschien zou hij kostbare inlichtingen kunnen geven omtrent de -stad en haar vestingwerken. Hij kon ook als loods dienen, wanneer -'t noodig was. Jacob Martens besloot, den man te raadplegen. - ---"Stuurman Smeert de Borst!" riep hij. - -De zeeman schrikte op; hij zag, dat zijn kapitein hem wenkte en met -zware schreden begaf hij zich naar het achterdek. - ---"Je bent uit den Briel, stuurman," begon Jacob Martens. "Maar wat -deert je, man?" vervolgde hij; want Jan Smeert de Borst was blijkbaar -hevig aangedaan. Zijn verweerd gelaat was bleek, zijn lippen trilden -en hij wrong de vuisten krampachtig samen. Hij staarde Jacob Martens -eenige oogenblikken strak aan. Hij trachtte te spreken, maar de -woorden stokten hem in de keel. - ---"Wat is er, stuurman?" herhaalde kapitein Martens deelnemend. - ---"Ze hebben haar gedolven, kapitein, levend gedolven in de modder, -dààr, buiten de Noordpoort!" barstte hij eindelijk los, terwijl hij -de vuist dreigend opstak naar de stad. - ---"Gedolven? Wie dan toch?" vraagde Jacob. - ---"Mijn vrouw, mijn Agniete!" hijgde Jan Smeert de Borst. "O, dat ik -ze hier had, de vileinige rabauwen!" - -Kapitein Martens wierp een snellen blik op masten en tuigage. Langzaam -en statig, gedreven door een sterken bries, maar tegen den stroom in, -naderde "de Blauvoet", onder klein zeil, met de andere schepen de -bedreigde stad. Hij kon den man eenige oogenblikken geven. - ---"Zeg op, stuurman, en stort je hart uit! 't Zal je goed doen, man," -zei hij hartelijk. - ---"'t Was in het jaar van de beeldbrekerije, kapitein," zeide Jan -Smeert de Borst met schorre stem. "Er waren al lang veel van de nye -leere in den Briel. Dat kwam door kapelaan Andries Cornelisz. Hij -preekte in het huis van de oude joffer Rentmeesters, bij 't kerkhof, en -niemand durfde hem moeien, want er waren er van de Wet, die goed Geus -waren. De Burgemeester Cornelis Hendriksz had zelf een geuzenpredikant, -die rondreisde door het land en geld inzamelde voor den Prins, in -zijn huis gehad, dagen lang. En ik kwam er ook graag, kapitein. Ik was -maar een onverschillige kerel, kapitein, maar wat kapelaan Cornelisz -preekte, zeide mij veel en ik hoorde hem graag. En daar zag ik ook -Agniete, kapitein. Ze was non in 't klooster van Sinte Catrijne, -maar ze kwam toch ter preeke bij joffer Rentmeesters. En eens, toen -een paar rauwe gasten 't haar op straat lastig maakten, omdat zij, -een geprofeste zuster, ter preek liep, heb ik haar ontzet. En omdat de -priores haar wilde opsluiten, is zij uit het klooster weggeloopen en -woonde toen in bij joffer Rentmeesters. En ik sprak haar dikwijls, en -zoo kwam het, kapitein, dat ik haar ten hijlik vroeg. En eerst durfde -zij niet, omdat zij toch een gewijde nonne geweest was, maar kapelaan -Cornelisz zeide, dat dat Paapsche bijgeloovigheden waren en dat Sint -Paulus gezegd had, dat het hijlik eerbaar was onder allen. En zoo -trouwde hij ons in 't geheim, kapitein. En toen kwam de beeldbrekerije -ook in den Briel en ik hielp wakker mee en Schout Ewout Cornelisz en de -apotheker Willem Thomasz waren de aanvoerders. En kapelaan Cornelisz -preekte in de Sinte Catrijnekerk en het heette toen een poos, dat de -Geuzen baas zouden worden over 't heele land. Maar toen kwam Ducdalf, -en de Baljuw en de Schout en de schoolmeester Dirck Cock en koster -Jacob Jacobsz en allen, die ter preeke waren gegaan en mede hadden -gedaan aan de beeldbrekerije, vluchtten uit de stad, want de Baljuw -had laten weten, dat er bezetting zou komen, met de inquisiteurs uit -Dordt om de beeldbrekers en die van de nieuwe religie te vervolgen. En -ik vluchtte ook, en Agniete liet ik achter ..." - -En de ruwe zeeman rukte wambuis en hemd open en hijgde naar lucht. - ---"En waarom moest je haar achterlaten?" vraagde Jacob. - ---"Ze was ziek," zei Jan Smeert de Borst met doffe stem. "Ze was ziek -en 't was een koud najaar. En wij moesten vluchten in open schuiten -en des nachts. De meester zei, dat het haar dood zou zijn. Ik wilde -blijven, maar Agniete bezwoer mij te vluchten. Ik was wel bekend in -den Briel en was al onder de voorsten geweest bij de beeldbrekerij en -het was bekend in de stad, dat ik een geprofeste nonne tot huisvrouw -had genomen. Ik zou zeker worden gevat en gehangen, misschien nog -erger,--want ik had immers een nonne gehijlikt, die het klooster was -ontloopen. Zij zou zich schuil houden en zich niet op straat laten -zien. De Heeren van den Gerechte zouden denken, dat zij met mij -was gevlucht en later zou ik haar komen afhalen. En de meester zei, -dat ik haar wille zou doen en kapelaan Cornelisz en de oude joffer -Rentmeesters zeiden hetzelfde. En ik liet mij bepraten, kapitein, en -wij ontkwamen het, des nachts, met pramen en roeibooten over de Maas. - -"En toen zijn de soldaten gekomen, kapitein, en ze brachten twee -inquisiteurs mee, twee Predikheeren uit Dordt, en Baljuw van Sandwyck -was gevlucht en er kwam een ander, Heer Johan van Duvenvoirde. En die -van de nieuwe religie en allen, die ter preek waren geloopen en mee -hadden gedaan aan de beeldbrekerije, werd scherp vervolgd. En een -Judas heeft den inquisiteurs van Agniete verteld en toen hebben de -rakkers van den nieuwen Schout haar gevat en toen..." - -Hij kon niet voortgaan. Twee groote tranen biggelden over zijn -verweerde wangen. - ---"Gedolven! Levend begraven, daar buiten de Noordpoort!" barstte -hij eindelijk los, terwijl hij stampvoette van woede en smart. - ---"De Schepenen wilden eerst niet," ging hij na eenige oogenblikken -kalmer voort. "En ook de overste van het Sinte Catrijneklooster bad -voor haar. Zij wilde haar voor haar leven in een klooster opsluiten -om boete te doen. Maar de inquisiteurs dreigden die van de Wet met -Ducdalf, als zij de plakkaten niet wilden toepassen en ze kregen hun -zin. Een Briellenaar, een man, die met mij gevaren had, en die 't ook -gewaagd had te blijven, heeft 't mij verteld. Een van de schepenen had -Agniete in stilte aangeraden te zeggen, dat zij zwanger was. Dan zou -haar leven voor 't oogenblik gespaard worden, en als de inquisiteurs -weg waren, zou 't misschien mogelijk zijn haar te redden. Maar Agniete -was goed en vroom en zij wou haar leven niet koopen met een leugen. En -toen zij de poort werd uitgeleid, zag zij er uit als een heilige en -zij bad luid, dat God haar ziel in genade mocht aannemen en voor mij, -och arme, haar man, die haar nooit terug zou zien..." - -En de ruwe zeebonk wendde zich af en staarde weer strak in de richting -van de stad, welker muren nu duidelijk zichtbaar waren, met de zware -steenklomp van de Noordpoort, waar, dicht bij het havenhoofd, het -gruwzaam vonnis aan Agniete was voltrokken. - -Jacob Martens had het droevig verhaal meewarig aangehoord. 't Was -maar één van de vele lijdensgeschiedenissen dier droeve dagen. Niet -tevergeefs had Arent Dircksz, de kettersche pastoor van de Lier, -gezongen: - - - 't Onschuldig bloed, dat gij hebt vergoten, - 't Onschuldig bloed roept over u wraak! - - ---"Wees een man, stuurman!" zei hij hartelijk. "Je huisvrouw heeft -geleden en is gestorven als martelaresse voor de waarheid,--en straks, -in Brielle, vindt je wellicht haar moordenaars." - -Jan Smeert de Borst knikte zwijgend. Er lichtte een wilde gloed in -zijn kleine, donkere oogen, terwijl hij het achterschip verliet, om -zich naar het tusschendek te begeven, waar hij met Pieter de Welle -zich bezig hield met het laden van de losse kamers der bassen. - -"Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vervloeken en bidt voor -degenen, die u geweld doen en die u vervolgen." - -Maar het Evangelie der liefde vond geen weerklank in het verbitterde -hart der Watergeuzen, ook niet in dat van de besten onder hen. - -En middelerwijl waren op de voorste Geuzenschepen aller oogen gericht -op een roeiboot, met één enkelen roeier, die met rustige riemslagen de -"schepen van oorlogh" der gevreesde Piraten tegemoet voer. - -Jan Pietersz Koppelstok, schipper en haringkooper, "een stout -en kregel kerel", als de tijdgenoot hem noemt, die ook het veer -op Maaslandsluis [7] bediende, en die reeds lang in 't geheim "de -Geuzerije" was toegedaan, had kort na zijn noenmaal de veerbel aan de -overzijde hooren luiden en was naar dien anderen oever overgestoken, -om een paar kooplieden af te halen, die zich naar den Briel wenschten -te begeven. Hij had al lang de vreemde schepen in 't oog, die daar -naderden van uit het Westen en er speelde een glimlach om zijn anders -zoo stroeven mond, toen hij die vlaggen en wimpels zag. - -Maar ook zijn passagiers kregen die vaartuigen in 't oog, terwijl -de veerboot worstelde met den stroom, om straks aan 't havenhoofd -te kunnen aanleggen,--een zoo talrijke vloot koopvaarders, en dat in -dezen tijd? En natuurlijk was de vraag: - ---"Wat zijn dat voor schepen?" - ---"'t Zijn Watergeuzen!" antwoordde Jan Pietersz. - -Watergeuzen? En dat voor den Briel, waar zij handel -hoopten te drijven? De veerman moest hen aan wal zetten, te -Maaslandsluis. Oogenblikkelijk! - -En Jan Pietersz Koppelstok voldeed aan hun verlangen en roeide toen -bedaard de Geuzenschepen te gemoet. - -Nog altijd waren de schepen van Martinus Brandt en Adam van Haren in -den voortocht, maar Koppelstok vraagde naar 't schip van Jonker Blois -van Treslong, die zich immers, als elk Brielenaar, die zijn brood -verdiende aan den havenkant, wel wist, op de Geuzenvloot bevond en die -zeker bij eene onderneming als deze niet zou ontbreken. En zijn gissing -bleek juist! Dat groote razeil daarginds, waarvan de zestien gotelingen -dreigend uit de geschutpoorten keken. En Koppelstok roeide er heen. - -De neef van den uitgeweken Heer van Sandijck, de zoon van Baljuw Jasper -Blois van Treslong, kende zijn bezoeker wel: een stouten, ondernemenden -kerel, voor geen klein gerucht vervaard. En hij bracht hem naar -het admiraalsschip, om hem aan den graaf van Lumey voor te stellen, -als een man, "bequaem om hem te employeeren tot haer voornemen". - -En zoo geschiedde het, dat, terwijl de Geuzenschepen voor Brielle -ankerden, Jan Pietersz Koppelstok als bode van Lumey de havenvliet -binnenroeide en zich langs den Hoofddijk naar de Noordpoort -begaf. Treslong's zegelring, met het in Brielle zoo welbekende wapen, -had hij mede gekregen als geloofsbrief. - -In de stad had men ook reeds vernomen, wie de onverwachte bezoekers -waren en de ontsteltenis was er algemeen. De poorten werden gesloten, -de stormklok luidde van den hoogen toren van Sinte Catarijne, de -trommels roffelden in de straten en de schutters begaven zich met hunne -pieken en vuurroeren eerst naar hunne loopplaats en toen naar de muren, -en Baljuw Johan van Duvenvoirde was met de geheele Vroedschap van den -Ouden en Nieuwen Gerechte, de twee Burgemeesters, de negen Schepenen en -de twee Raden van het loopende en van het vorige jaar op het Raadhuis -bijeen, om te overleggen wat er kon worden gedaan tot afwending van -het groote gevaar, dat den Briel bedreigde. En de gedrukte stemming -werd er niet beter op, toen Koppelstok in de Raadzaal verscheen en de -Vroedschap den eisch van Lumey mededeelde: overgave der stad, om die -te bewaren voor den Prince van Orangiën, als stadhouder des Konings, -en te beschermen tegen den hertog van Alva en den tienden penning. Er -werden aan den Magistraat twee uren van beraad toegestaan. - -De achtbare Vroedschap zat deerlijk in de klem. Wat moest zij doen? De -stad verdedigen? Hoe zou zij het kunnen, met de schutters en de -gewapende burgers alleen tegen een bestorming door de krijgshaftige -Geuzen. De poorten openen? Maar hoe zou men zich verantwoorden -tegenover den stadhouder des Konings, den gevreesden hertog van Alva, -die pas in November van het vorige jaar op uitdrukkelijk verzoek -van den Magistraat, de Spaansche bezetting uit de stad had doen -wegtrekken? Zou hij de leden van de Vroedschap niet verdenken van -boos opzet, van te heulen met de Geuzen? - -Hoe sterk was de vijand? De oudste Burgemeester, Jan Pietersz Nicker, -vraagde het, en Koppelstock, die het ook niet wist, antwoordde losweg: -"Wel vijf duizend!" - -Vijf duizend Geuzen! Dan is tegenstand onmogelijk! En niemand valt -het in, aan de mogelijkheid van overdrijving te denken of zich af -te vragen, hoe de veerman dat zoo nauwkeurig weet. De vrees is een -slechte raadgeefster. [8] - -Er diende echter wat te worden gedaan. En de twee oudste burgemeesters, -de tinnegieter Jan Pietersz Nicker en de koekebakker Claes Jansz, -besloten, als goede magistraten, naar den admiraal der Geuzenvloot -te gaan, om zoo mogelijk met hem te onderhandelen. - -Onder geleide van veerman Koppelstock gingen zij de Noordpoort uit -en langs den Hoofddijk naar het havenhoofd, waar zij Lumey vonden -ingekwartierd in een van de aan het hoofd gebouwde huizen. - -Indien de Brielsche burgers nog gehoopt hadden eenige gunstige -voorwaarden te kunnen bedingen, zagen zij zich weldra bedrogen. Lumey -eischte de stad op, "uiten naem van den Prince van Orangiën, als -Stadhouder des Conincks over Holland." En weer was het: twee uren -beraad! - -Maar al was de Magistraat nog steeds ten Raadhuize vergaderd, -tot eene beslissing kwam het niet zoo spoedig. De stad overgeven -durfde men niet, haar verdedigen kon men niet. Eindelijk, na lang -dralen, werd besloten tot de overgave. Maar er was niemand, die het -besluit van den Magistraat aan den admiraal der Watergeuzen ging -overbrengen. De verwarring in de stad was groot. Zoo de burgers -vreesden voor hunne bezittingen, voor plundering en brandschatting, -de bewoners der talrijke conventen en kloosters, de Clarissen, de -Birgittijnen en Birgittijnessen, de Cellebroers en Cellezusters, -vreesden het ergste. Wat hadden zij van den beruchten Lumey, van de -woeste Geuzen te wachten, dan mishandeling en marteling en dood? - -En zoo stroomden de kloosters ledig en de burgers zochten hunne -kostbaarste bezittingen bij elkaar en iedereen vluchtte voor het -dreigend gevaar. Waren de Piraten aan het havenhoofd ontscheept en -bedreigden zij de Noordpoort, de weg door de Zuidpoort was nog vrij -en wie het niet in zijn hart met de Geuzen hield, haastte zich een -goed heenkomen te zoeken naar Geervliet of Hellevoetsluis. - -En op de schepen was het bevel gegeven, een deel der bemanning -aan land te zetten en met roeren en halve pieken, met houwers en -knijven gewapend, vielen de Geuzen in de sloepen en roeiden naar -den oever. Ook de kapiteins gingen aan wal en de eerste boot, die -"de Blauvoet" verliet, werd gestuurd door Jan Smeert de Borst. - -Met een paar andere Brielsche ballingen spoedde hij zich naar de -huizen op het havenhoofd en hij vond er nog den vischafslager, -Pieter Jansz Stemboort, die niet had kunnen of willen vluchten. Zij -eischten van den man, dat hij hun de plek zou wijzen, waar Agniete -haar vonnis had ondergaan en bevend gehoorzaamde de afslager, die de -gruwelijke daad als medelijdend toeschouwer had bijgewoond. Toen zij -de plaats bereikt hadden, wenkte Jan Smeert de Borst zijn makkers te -blijven staan en alleen begaf hij zich naar het verlaten graf aan den -dijkrand, de sombere plek, die door allen werd gemeden, sedert de -weggeloopen non, die haar gelofte had verbroken om de huisvrouw te -worden van een ketter, daar den dood had gevonden. Wat hij er deed, -zagen zijn makkers niet. De ruwe gasten eerbiedigden zijn smart. Zij -lieten hem alleen en zorgden er voor, dat hij niet gestoord werd. Maar -toen hij zich weder bij hen voegde en zij zijn verwrongen trekken -zagen, omklemden zij vaster hunne wapenen en zij spraken geen woord, -maar zij keken met een woeste en dreigende uitdrukking in hun oogen -naar de veste van den Briel. - -Wee den Roomschen geestelijke, hij mocht schuldig zijn aan de -vervolging der ketters of niet, die thans den Brielschen Geuzen in -handen viel! - -Ondertusschen ging de middag voorbij. De twee uren van beraad, -die den Magistraat waren toegestaan, waren reeds lang verstreken -en nog altijd kwam het verwachte antwoord niet, al werden er op de -stadsmuren geen toebereidselen tot verdediging gemaakt. De booten -van de ten anker liggende schepen zetten steeds meer krijgsvolk aan -wal, en eindelijk stonden er een driehonderd gewapende Geuzen op den -Hoofddijk en op het Havenhoofd geschaard, gereed om, hetzij goedschiks, -hetzij met geweld, de stad binnen te rukken, en er waren er zelfs, die -zich waagden tot voor de poort, en de enkele burgers, die ondernamen, -zich op den muur te vertoonen, toeriepen: "of men ze zoude inlaten, -dan of zij haer zelven in helpen zouden moeten." - -'t Scheen wel het laatste te zullen zijn, want de avond begon reeds -te vallen en nog altijd was het antwoord er niet. - -Toen was het geduld van Lumey en zijn kapiteins uitgeput. De gelande -Geuzen werden in twee afdeelingen gesplitst. De een, onder aanvoering -van Cornelis Geerlofsz Roobol, een Delftschen balling, rukte aan op -de Noordpoort, terwijl de ander, onder Blois van Treslong, de stad -omtrok, om de Zuidpoort te bereiken. Wellicht giste deze, dat er -groote kans was, dat men die niet gesloten zou vinden. - -Maar de zware deuren van de Noorderpoort gingen niet open en -Pietertje Baefsdochter, de portierster, was reeds lang gevlucht. Dan, -de Geuzen wisten daar raad op. Van het beddestroo en het houtwerk -der huizen buiten de poort, van oude, geteerde zeilen en touwwerk, -ijlings van de schepen aangevoerd, was er spoedig een hooge mutsaard -opgestapeld tegen de poortdeuren, de brand werd er in gestoken en -spoedig kronkelden zware rookwolken van onder het poortgewelf naar -boven en knaagden de rosse vlammen aan de oude, met ijzeren nagels -en bouten beslagen deuren. - -Maar, was het plan ook goed, het ging de ongeduldige Geuzen niet -spoedig genoeg. Een aantal varensgasten kwam van de haven aangezeuld -met een ontscheepten mast, een geïmproviseerden stormram. Forsche -vuisten hielpen den zwaren balk tillen, een korte aanloop en de poort -daverde van den schok. Nog eens,--en nog eens: een der zware deuren -barstte open en met een luid "Vive le Geus!" drongen de corsaren de -stad binnen. - -Treslong had ondertusschen met zijn afdeeling de Zuidpoort -bereikt, en die inderdaad open gevonden, want nog altijd waren er -vluchtelingen, die de stad, met wat zij van het hunne konden meevoeren, -ontvluchtten. Onder hen behoorde de Baljuw, Johan van Duvenvoirde, -die zes duizend gulden baar geld, de kas van het Land van Voorne, -wilde trachten te redden. Maar hij werd herkend en aangehouden en terug -moest hij, mede naar den Briel als gevangene, en het geld, dat hij -had willen redden, werd door de overwinnaars als goede prijs beschouwd. - -Tot in den nacht duurde het gejoel en rumoer der triomfeerende -Geuzen. Er werd hier en daar geplunderd, maar zoo Jan Smeert de Borst -en zijne gezellen gemeend hadden, het geleden leed te wreken op de -bewoners en bewoonsters der Brielsche kloosters, dan zagen zij zich -teleurgesteld. De monniken en nonnen waren bijtijds gevlucht. Alleen -de pastoor van Sinte Catarijne was op zijn post gebleven, maar, -hetzij uit vreeze voor zijn leven, hetzij omdat hij inderdaad in het -geheim reeds een aanhanger was der "nieuwe religie", hij toonde zich -aanstonds bereid, de "papistische dolingen" af te zweren en hij werd -de eerste predikant van den Briel. Eenige heethoofden hadden in de -verwarring brand gesticht in een paar houten huizen, maar het vuur -werd door de Geuzen zelve spoedig gebluscht: men begreep, dat men de -huizen der stad beter kon gebruiken. Velen der ballingen sliepen dien -nacht weder voor het eerst sedert jaren op den vaderlandschen grond. - -Maar den volgenden dag begon het verwoestingswerk in de kerken en -kloosters. De beeldenstorm van vóór zes jaren werd herhaald, maar -nu werd er voorgoed opruiming gehouden van alles wat naar "paepsche -superstitie" zweemde. En weldra stonden daar de beide kerken en -de kloosterkapellen van alles, wat aan den Roomschen eeredienst -herinnerde, beroofd, terwijl de Geuzen hun buit, "kerkelijke en -Geestelijke goeden, Cappen, Coorkleederen, Cassuiffelen ende misgewaet" -in veiligheid brachten, naar de schepen. - -En nu scheen het voor een poos, alsof men het behaalde voordeel -terstond weder prijs zou gaan geven, alsof de kloeke daad, die het -begin zou blijken van de bevrijding des lands, zou uitloopen op een -gewoon kapersavontuur. Lumey wilde zich weer inschepen; hij wilde "de -Stadt en 't Land daaromtrent plonderen ende beroven, ende daermede -wederom vertrecken, want hij en achtte de plaetse niet houbaer te -zijn tegen de Spangiaerden." - -Op zichzelf was er wel iets voor deze meening van den admiraal -te zeggen. De inneming van den Briel was niet het gevolg van een -goed overlegden krijgstocht, ondernomen door een wèl uitgeruste -vloot, en als een onderdeel van een zorgvuldig beraamd plan. 't -Was een coup-de-main, een verrassing, een gevolg van onvoorziene -omstandigheden, door een aantal kapers, die uit hunne vluchthavens -waren verjaagd en die feitelijk aan alles gebrek hadden en op geen -steun van buiten konden rekenen. 't Was daarenboven feitelijk een inval -in vijandelijk land, waar niemand de gehate en gevreesde zeeroovers -gunstig gezind was. - -Hadden de gebeurtenissen in Holland en Zeeland zich niet zoo verbazend -snel ontwikkeld in dat merkwaardige jaar 1572, dan hadden de Geuzen, -door Bossu bedreigd in het Noorden, door Alva's troepen uit het Zuiden, -zich onmogelijk kunnen staande houden. - -Maar het warme hart krijgt soms gelijk tegenover het koel redeneerend -verstand, wanneer het gehoorzaamt aan een machtiger aandrang en -als bij intuïtie den rechten weg vindt. En het was Gods wil, dat -de onoverlegde, bijna toevallige inneming van de kleine stad aan -den Maasmond, het begin zou zijn van de zegevierende worsteling ter -bevrijding van de Nederlanden. - -Het plan van Lumey vond aanstonds hevigen tegenstand bij zijne -kapiteins en hij was genoodzaakt krijgsraad te beleggen. In dien -krijgsraad werd het voornemen, om den Briel op te geven, krachtig -bestreden, niet alleen door Blois van Treslong, Jacob Martens, Frederik -van Dorp en Ruychaver, de warme vaderlanders, wien het kaperbedrijf -eigenlijk tegen de borst stuitte en die er vurig naar verlangden, in -eerlijken strijd de zaak der vrijheid te dienen, maar ook mannen als -Barthold Entesz van Mentheda en Dirk Duyvel sloten zich bij hen aan. - -"Wat moed konden de verlangende landzaaten, welker hoop op de beloofde -en telkens gemiste verlossing ten eynde was, overhouden,"--zoo pleitte -de laatste--"indien men dus een sleutel des lands willends uyt de -hand worp?" - -"Ick voor mij,"--zoo verklaarde kapitein Jacob Simonsz de Rijck,--"heb -Godt menigmael om een graf op het strandt mijns vaderlandts -gebeden. Thands zal er mij wel een binnen de wallen gebeuren!" - -En zoo werd besloten, den Briel te versterken en de stad tegen de -Spanjaarden te verdedigen. Terstond begonnen de Geuzen de wallen -te versterken en er geschut op te planten, dat ijlings ontscheept -werd. Een bode werd naar den Prins gezonden, om dien van het gebeurde -te verwittigen en de Rijck vertrok naar Engeland, om dààr de tijding -te brengen en de ballingen, die er vertoefden, op te wekken, om de -zee over te steken, en deel te nemen aan het bevrijdingswerk. - -Want de kamp om de Nederlandsche vrijheid was thans in waarheid -begonnen! - - - - - - - -XVIII. - - -'t Was inderdaad een merkwaardig jaar, dat jaar 1572! - -Na den mislukten aanval van Bossu op den Briel, mislukt door -den dapperen tegenstand der Geuzen en de kloeke daad van den -stadstimmerman, Rochus Bartelmeeuwsen Conincx, die de schutsluis van -het Brielsche Nieuwland openhakte en zoo het Maaswater de Voornsche -polders in deed stroomen, tot verderf der Spaansche soldaten, wier -dapperheid tegen dien vijand niets vermocht, hadden de gebeurtenissen -elkander verbazend snel opgevolgd. Op den eersten Paaschdag was -Vlissingen voor de zaak der vrijheid gewonnen en Vere had dat voorbeeld -gevolgd, terwijl Arnemuiden gemakkelijk door de Geuzen veroverd -werd. Wel had Treslong, die met krachtige versterkingen de Vlissingers -te hulp was gesneld, een vergeefschen aanval op Middelburg gedaan en -werd zelfs Arnemuiden door de Spanjaarden heroverd, maar Vlissingen en -Vere bleven behouden en daarmede het grootste gedeelte van Walcheren. - -Van uit Vlissingen verbreidde zich de opstand over het geheele -land. Enkhuizen koos de zijde van den Prins en drie dagen later werd -het sterke Bergen, in Henegouwen, door Lodewijk van Nassau, aan het -hoofd van een afdeeling Huguenoten, bij verrassing genomen. En nu -stelde de Prins van Oranje zich aan het hoofd van den opstand en zond -jonkheer Dirk van Sonoy als zijn luitenant naar Enkhuizen. - -Oranje was eerst maar weinig ingenomen geweest met de inneming van den -Briel. Een dergelijk krijgshaftig avontuur strookte weinig met zijn -voorzichtigen, bedachtzamen aard. Meer staatsman dan legeraanvoerder, -handelde hij ook in zaken van oorlog gaarne naar een wel beraamd plan -en hij was ook met zijn plannen nog niet gereed. Die waren dezelfde -als in 1568. Hij wilde òf Frankrijk òf Engeland voor de zaak der -Nederlanden winnen, ook al zouden deze landen voor de buitenlandsche -hulp, waarop hij rekende, zich zware offers moeten getroosten. Dan -wilde hij met het leger, dat hij bezig was bijeen te brengen, een -inval doen in de Zuidelijke Nederlanden. Een Fransch leger zou van het -Zuiden oprukken en een algemeene opstand zou het werk bekronen. Zóó -zou een einde worden gemaakt aan Alva's tirannie. - -De onverwachte en onvoorbereide opstand kwam den Prins dus weinig -gelegen, en hoewel hij een te ervaren staatsman was om zich niet aan te -passen aan de omstandigheden en de leiding der beweging te aanvaarden, -nu hij die niet meer kon verhinderen, deed hij dat toch aanvankelijk -met groote vreeze voor den goeden uitslag. Maar Gods wegen zijn de onze -niet! Oranje's plannen zouden falen en de bondgenooten, op wier hulp -hij had gehoopt, zouden hem ontvallen. God wilde Nederland verlossen, -maar het zou geschieden door een Gideonsbende. - -De bewoners van een paar geringe gewesten aan de kust der Noordzee: -visschers, matrozen, kooplieden en handwerkers,--zij zouden het -zijn, die het machtige Spanje zouden vernederen en de vrijheid, -bovenal de vrijheid om God te dienen naar de inspraak hunner harten, -zouden bevechten. - -Thans, nu de Prins de beweging had erkend, nu de West-Friesche steden -zijne partij hadden gekozen, volgde heel Holland dat voorbeeld. Het -eerst ging Oudewater over. Den 19en Juni verscheen de Heer van Swieten, -aan het hoofd van een gewapende bende, voor de poorten der stad en -eischte haar op in den naam van den Prins. Hij werd zonder verzet -binnen gelaten. Twee dagen later werd Gouda zonder strijd bezet en het -kasteel, waarin zich de charterkamer van Holland bevond, gaf zich na -korten tegenstand over. Den 23sten Juni opende Leiden de poorten voor -een afdeeling ballingen en geuzen uit Gouda. De positie der Spaansche -troepen in Holland werd hachelijk. Hunne verbinding met Utrecht was -bijna afgesneden. Nog was de weg over Schoonhoven en Gorcum open, maar -in die steden lag geen Spaansche bezetting en de burgerij was zeker -niet te vertrouwen. De stedelijke regeering mocht uit voorzichtigheid -de Regeering getrouw blijven, het volk wachtte slechts op eene gunstige -gelegenheid, om zich voor de zaak der vrijheid te verklaren. - -Ondertusschen bleef Lumey in den Briel vrijwel werkeloos. Aan den -strijd in Zeeland nam hij persoonlijk geen deel, en de Hollandsche -steden wilden niets van den woesten en wreeden Luikerwaal weten. - -Kort na de inneming van den Briel had Marinus Brand Schiedam en -Delftshaven bezet, maar hij werd door Bossu van uit Rotterdam spoedig -verdreven. Lumey hield zich ondertusschen bezig met een onbarmhartige -priestervervolging. Inderdaad had hij aan zijne kapiteins last gegeven -"om alle papen met hunne complicen te vanghen ende deselve alhier -in den Briel te brenghen". En velen hunner kwamen dien last maar al -te goed na, Treslong zelfs niet uitgezonderd. In een brief aan de -regeering van Brouwershaven verklaarde deze, dat de Geuzen niemand -aan lijf en goed schade wilden doen, met uitzondering "van de papen, -monnijcken ende andere papistische schelmen". - -Lumey's eerste slachtoffer was Hendrik Boogaard, pastoor van Helvort, -die eerst was gevlucht, maar later teruggekeerd. Op den eersten -Paaschdag werd hij door de Geuzen gevangen genomen en naar den Briel -gevoerd. Toen Lumey hem niet door bedreigingen tot afval kon bewegen, -liet hij hem hangen. - -Zóó was de geest onder de Watergeuzen: een geest van wraakzucht en -vervolgingslust. En de weinige edele figuren onder de aanvoerders -waren niet in staat dien geest der overgroote meerderheid te -bedwingen. Geloofsvervolging en verdrukking, jaren lang mokkend -verdragen en eindelijk openlijk weerstaan, droegen wrange vruchten, -en de bloedige wraak, die de Geuzen namen, trof veelal onschuldigen. - -Nu ten gevolge van de gebeurtenissen in Holland de Maas geheel open -lag, werden de Watergeuzen in den Briel weer roeriger. Men wist, -dat er te Dordrecht veel aanhangers van den Prins waren en dat een -aanslag op die belangrijke stad veel kans van slagen zou hebben. Een -kleine vloot werd uitgerust en zeilde den 23sten Juni, onder bevel -van Barthold Entesz van Mentheda de Maas op, om, zoo 't kon, Dordt -voor den Prins te winnen. - -De "Blauvoet" nam geen deel aan deze expeditie, maar kapitein Martens, -wien, als zoovelen zijner krijgsmakkers, het doelloos toeven in den -Briel verdroot en die geen deel wenschte te nemen aan de strooptochten -in den omtrek, waar vele Geuzenbenden zich nog aan schuldig maakten, -had zich als vrijwilliger bij de onderneming aangesloten. Dit was -althans een eerlijke krijgstocht in het belang der goede zaak, en -te dienen onder Barthold Entesz, den woesten maar dapperen Frieschen -edelman en ervaren aanvoerder, was zeker geen schande. - -Zoo bevond Jacob Martens zich op het schip van Entesz, met Pieter -de Welle, die verzocht had, hem te mogen vergezellen. De verhouding -tusschen beiden was in den loop der jaren wel eenigszins veranderd. De -omstandigheid, dat Jacob Martens thans zijn eigen schip commandeerde, -had daarop weinig invloed, maar naarmate de Welle ouder werd, werd -hij somberder en meer in zich zelf gekeerd. Hij haatte de Roomsche -priesters, "de afgodische papen," zooals hij en zijne geestverwanten -ze noemden, met een bitteren en doodelijken haat. Aan roof- en -plundertochten nam de vroegere boschwachter van president Martens -geen deel, maar als er kans was, een klooster te bestormen en te -verbranden of een priester op te lichten, dan behoorde de Welle -tot de eersten. Hij las zijn bijbel, maar sinds lang waren het de -verhalen van strijd en wrake van het Oude Testament, de donkere -vloekpsalmen en de toornende profetieën tegen de Heidenen, waar hij -zich het liefst in verdiepte en hij beschuldigde in zijn hart zijn -jonker van lauwheid in het werk des Heeren, wanneer Jacob Martens, -waar hij kon, de uitspattingen van baldadigheid en wreedheid tegen -weerlooze geestelijken trachtte te verhinderen. - -Gedreven door een frisschen Westenwind zeilde de flottille statig -de breede rivier op, angstig nageoogd door de Hollandsche boeren, -die de Geuzenschepen thans kenden en vreesden,--om maar al te -goede redenen. De tijd, dat het Oranje-blanje-bleu vendel door alle -landzaten als het symbool der bevrijding zou worden beschouwd, was -aanstaande,--maar hij was er nog niet! - -Men voer thans Rotterdam voorbij en men behoefde niet te vreezen, -dat de schepen van Bossu de haven zouden uitloopen, om den Geuzen den -doortocht te betwisten. Alva's stadhouder had thans de handen vol en -hij kon geen manschappen missen. - -Barthold Entesz staarde naar de stad, wier statige St. Laurenskerk -zich boven de lage huizen verhief. - ---"Die van Rotterdam hebben ook ondervonden, wat de Spaansche trouw -beteekent," zei hij bitter tegen Jacob Martens, die naast hem stond. - ---"Bossu heeft schandelijk zijn woord gebroken en de arme burgers -hebben het moeten ontgelden," stemde Jacob toe. "'t Is bitter, dat er -zooveel onschuldigen het slachtoffer worden van den oorlog. Als men -maar vocht op goede krijgsmansmanier! Die twee Spaansche hoplieden -en de zestien musketiers, die op bevel van den admiraal aan den molen -van Brielle werden gehangen, waren ook krijgsgevangen gemaakt in een -eerlijk gevecht en hun eenige misdaad was, dat zij trouw bleven aan -hun vaandel." - ---"Op een harden knoest past een scherpe bijl," zei de Fries -onverschillig. "Waren de onzen in hunne handen gevallen, het was hun -niet beter gegaan. Maar ge zijt te weekhartig, jonker Martens. Dapper -genoeg in 't gevecht, kameraad," voegde hij er met ruwe hartelijkheid -bij, "maar gij zijt te week voor die vervloekte papisten! Hebt gij -en van Dorp u er ook niet tegen willen verzetten, toen Lumey dien -paap van Helvort liet hangen? Opruiming moeten wij houden onder het -goddeloos afgodisch gespuis!" - ---"Soude ik niet haten, Heere, wie u haten? Ik haet ze met eenen -volkomen haet! Tot vijanden zijn ze mij, zegt de Schrift," zeide de -Welle, die achter hen stond en het gesprek had aangehoord. - -Barthold Entesz knikte den ouden Geus goedkeurend toe. 't Kwam niet in -hem op, den man te berispen, omdat hij zich ongeroepen in het gesprek -van zijn meerderen mengde. De geheele organisatie der Watergeuzen, -met hun eigenaardige vermenging van alle rangen en standen, onder wie -een gewezen dijkwerker als Marinus Brand een gewichtig commandement -was toevertrouwd, terwijl jonge mannen van goeden huize dienst deden -als gewone matrozen, maakte een strenge toepassing van de krijgstucht -onmogelijk. In het gevecht gehoorzaamden allen hun aanvoerders--en -dat was de hoofdzaak. - ---"Laten wij de Spanjolen bevechten als vijanden van God en van -Zijn Kerk," antwoordde Jacob. "Wij willen God den Heere tot onzen -opperkapitein nemen, dien wij hopen en niet en twijfelen, dat Zijn -volk niet verlaten zal, maar verlossen uit de tirannie en groote -benauwingen van den Duc d'Alve. Maar wij moeten geen weerlooze -priesters, geen monniken en nonnen vangen en martelen, die ons geen -leed gedaan hebben." - ---"Geen leed gedaan? Zij heulen met den Spanjool! 't Zijn de bloedige -adhaerenten van Alva en zijn bloedraad," viel Entesz heftig uit. "Zij -hebben mede Gods kinderen vervolgd en getempteerd en zij bedriegen het -volk met hunne paapsche supersticiën. Laat ze hunne dolingen afzweren, -dan worden zij gespaard!" - ---"Jonker, jonker," waarschuwde de Welle, "laat uw deel niet zijn met -Saul, die verworpen werd, omdat hij Agag spaarde, toen de Heere hem -had geboden Amalek te verbannen. Lezen wij niet van David, den man -naar Gods hart, dat hij de vijanden Israëls sloeg met de scherpte -des zwaards en niemand verschoonde, want het waren de vijanden van -God en van Zijn volk." - ---"David was een man Gods!" riep Jacob ijverig, "maar hij leefde onder -'t Oude Verbond en wij hebben het gezuiverde Evangelie. Als wij de -paapsche Inquisitie bestrijden, die eenvoudige en simpele menschen -worgt en brandt om de goede belijdenis, moeten wij niet doen als -zij. Als Christen, kapitein Entesz..." - ---"Ik noeme mij geen Christen," viel Entesz norsch in, terwijl zijn -voorhoofd in dreigende rimpels trok. De beide anderen keken hem -zwijgend aan. Op de Geuzenvloot kenden allen de woeste uitbarstingen -van drift van den Frieschen edelman. Maar Entesz bedwong zich. - ---"Ben ik geen Christen," zoo ging hij bedaarder voort, "of houde ik -mij niet gelijk een Christen betaamt, zoo wil ik nochtans Christus' -zaak voorstaan en mijn vaderland dienen met mijn lijf en bloed. En ik -wil naarstig het mijne doen, tot afbreck, vernielinghe ende anulacie -van den Ducq de Alba met zijne bloedige adhaerenten, om weder in -te voeren het waarachtige Woord Gods, ende dat voor allen te doen -prediken, ende alzoo te mogen genieten onzer vaderen landen ende -vrijheden, daar wij thans ballingen af zijn!" - ---"Zoo dient ge dan toch de zaak der vrijheid dezer landen als de -zaak Gods?" riep Jacob levendig. - -Entesz haalde de schouders op. - ---"Daar zijn in een kruidtuin," zei hij rustig, "verschillende -kruiden en planten, doch niet alle zijn even gunstig en dienstig tot -medicijnen. Ben ik geen dier kruiden, dan echter ben ik de haagdoorn -en maak de hegge mede uit, die zoodanigen kruidtuin bewaart; alzoo -behoor ik derhalve noodwendig tot den kruidtuin." - ---"God geve, dat gij nog eens, anders dan als de doornheg, tot den -kruidtuin moogt behooren," zeide Jacob trouwhartig. - ---"Daar zeg ik Amen toe," zeide de ander ernstig. "Maar wij zullen -ondertusschen niet twisten, kapitein Martens. Tegenover den Spanjool -staan wij schouder aan schouder en dan wensch ik mij geen beter -krijgsmakker. Maar wanneer 't aankomt op het uithalen van een -papennest, zal ik dat u niet opdragen. In trouwe, daar heb ik wel -andere hulp voor;"--en hij wees op het schip, dat achter hen aan -voer. "Marinus Brand zal dat werk gaarne van u overnemen en nog meenen, -Gode een dienst te doen!" - -En nu begonnen de torens van Dordrecht op te duiken boven den dijk. Het -vaarwater werd breeder en na een paar uren lag de oude koopstad, met -haar haven, die van masten wemelde, voor de Watergeuzen open. Een paar -schepen, die op stroom hadden gelegen, slipten de ankers, heschen de -bruine zeilen en trokken zich haastig terug. - ---"De Dordtsche wachtschepen," zeide Barthold tot Jacob Martens. "Die -van de stad zullen nu wel weten, wie zij voor hebben." - -Vóór de haven lieten de schepen der Watergeuzen het anker vallen. De -geschutpoorten waren geopend en de monden der bassen waren dreigend op -de stad en de koopvaarders aan de kaden gericht. Handbussen en pieken, -enterbijlen en houwers werden aan de bemanning uitgedeeld, voor het -geval, dat het noodig mocht blijken, geweld te gebruiken, maar eerst -moest de stad worden opgeëischt, en die eervolle, maar gevaarlijke -taak werd door Entesz van Mentheda aan Jacob Martens opgedragen. - -Met de jol van het admiraalsschip liet deze zich naar den wal roeien, -en er waren er onder de op de kade saamgestroomde menigte genoeg, die -den Geus als gids wilden dienen naar het Raadhuis, waar de Vroedschap -vergaderd was. - -De Magistraat zat deerlijk in verlegenheid. 't Was geen groote macht, -die de goede stad Dordt bedreigde, maar de aanvallers telden vele -geestverwanten onder het volk, ja onder de gezeten burgerij. Op -den steun der gilden noch der schutters kon men rekenen, en de -stadhouder Bossu was te Utrecht, te ver om tijdig hulp te kunnen -bieden. Kapitein Martens toonde zich een geschikt en edelmoedig -onderhandelaar en hij boezemde de erentfeste leden van de Vroedschap -vertrouwen in. Met twee hunner keerde hij terug naar het admiraalsschip -en het bleek, dat Entesz van Mentheda, trots zijn dweepzieken haat -tegen de Roomsche geestelijkheid, een te ervaren aanvoerder was, -om niet zijn driften en zijn wraakzucht te kunnen bedwingen, nu het -gold, de machtigste koopstad van Holland zonder slag of stoot te -winnen voor zijn partij. Dordrecht gaf zich over, maar het verkreeg -gunstige voorwaarden: alle regenten, beambten en geestelijken zouden -ongestoord hunne bediening blijven waarnemen, een van de kerken zou -worden afgestaan aan de Gereformeerden, maar verder zouden alle kerken, -kloosters en geestelijke gestichten gespaard blijven, de privilegiën -der stad bleven gehandhaafd, en over het algemeen zou de bestaande -orde van zaken worden bestendigd. Barthold Entesz van Mentheda deed -zijn volk landen en bleef de stad met driehonderd man bezetten en het -schijnt, dat de Friesche edelman de voorwaarden, door hem bewilligd, -getrouw is nagekomen. Hij zond kapitein Martens met een der kleinere -schepen naar den Briel, om aan Lumey de blijde tijding van den overgang -van Dordt te brengen. - -Maar ondertusschen zon hij op nieuwe plannen. Gorcum lag niet ver -van Dordrecht, en het was zaak zich van die stad meester te maken, -vóór Bossu er bezetting in legde. Niet zonder bedoeling had hij -onder de mannen, met wie hij zijn krijgstocht ondernam, een aantal -Gorcumsche ballingen opgenomen, die, omdat zij in 1566 de hagepreeken -hadden bijgewoond, oproerige requesten geteekend en "vive le Geus" -geroepen, op lijfstraf uit de stad waren gebannen en wier bezittingen -waren verbeurd verklaard. - -Onder hen was een kleine, donkere kerel, Wenzel Borchmans, onder -de Geuzen bekend als "'t Swartje van Gorcum", een der roerigsten en -meest ondernemenden. Deze man had bekenden onder de bevolking van zijn -geboortestad en hij was er zeker van, dat de burgerij geen tegenstand -zou bieden. En wanneer hij zijn woeste krijgsmakkers het droevig lot -van de martelaars Barend de Naeyre en Hans van Maeseyck vertelde, -die vier jaren geleden op het schavot te Gorcum waren geworgd en -daarna verbrand, omdat zij kettersche predikaties hadden aangehoord -en kettersche predikanten hadden geherbergd, dan brandden de wilde -gezellen van begeerte, om met hen, die die daad hadden gepleegd, -af te rekenen. En zoo kon Barthold Entesz op vrijwilligers genoeg -rekenen. Den 24sten Juni was Dordrecht overgegaan en reeds den 26sten -verscheen Marinus Brand met 14 kleine vaartuigen en 150 man voor -Gorcum. Meer had Entesz er niet te missen! - -Maar het was genoeg! Wel had de drost, Caspar Turc, zijn zoon naar -Utrecht gezonden, om Bossu om hulp te vragen, maar de Geuzen waren -hem te vlug. Te halfacht was Brand met zijn flottille voor de stad -gekomen en te drie uren opende de burgerij de poort voor de Geuzen. De -drost had geweigerd, zich over te geven. Met veertig gewapenden--de -geheele bezetting--trok hij zich terug in het sterke kasteel en de -aanzienlijkste Roomschen met de beide pastoors en de monniken uit -het klooster der Franciscanen vonden daar een schuilplaats. - -'t Was een waagstuk, die verdediging van het kasteel. Kon de drost -zich staande houden, tot de vendels van Bossu tot ontzet kwamen -opdagen, dan zouden de Geuzen moeten aftrekken. Maar de wallen en de -buitenwerken waren te uitgestrekt, om ze met een zoo kleine bezetting -te verdedigen. Toen de aanval begon, moest men zich terugtrekken in -het hoofdgebouw, een sterken toren. Maar ook daar bleek de tegenstand -vruchteloos. Waarschijnlijk vreesden de verdedigers voor hun leven, -wanneer de sterkte stormenderhand zou worden veroverd en vóór de -troepen, door Bossu gezonden, de stad hadden bereikt, gaf het kasteel -zich over. - -Had men voorwaarden kunnen stellen? De Roomsche schrijver, die de -inneming van stad en kasteel uitvoerig heeft beschreven, verzekert, -dat Marinus Brand allen, die zich in de sterkte bevonden, lijfsbehoud -en vrijen aftocht had toegezegd, doch met achterlating van al hunne -bezittingen, en het is zeer waarschijnlijk, dat deze voorstelling -de ware is. De Geuzen wisten zeer goed, dat de Spaansche vendels -met geforceerde marschen naderden en er moest hun alles aan gelegen -zijn, om zich van het sterke kasteel meester te maken en zich daar te -verschansen, vóór hunne komst. En dat bleek zeker juist gezien, want -de Spanjaarden moesten onverrichter zake aftrekken. Maar wanneer een -dergelijke overeenkomst is gesloten, dan is zij zeker niet nagekomen. - -Kapitein Brand was eigenlijk geen slecht mensch. Van geringe -afkomst, had hij zijn positie te danken aan zijn onverschrokken -dapperheid. Maar hij was een man van een zwak karakter, zooals uit zijn -latere geschiedenis blijkt. De wilde Watergeus, de onderbevelhebber -van Entesz van Mentheda, zou weinige jaren later terugkeeren tot de -Roomsche kerk en de wapenen voeren tegen zijn vaderland, om in het -duin bij Schagen een roemloozen dood te vinden. Thans schijnt hij niet -bij machte te zijn geweest zich door zijne woeste ondergeschikten -te doen gehoorzamen. Toen de Geuzen meester waren van het kasteel, -werden de mondeling toegestane voorwaarden niet nagekomen. De bezetting -kon ongedeerd vertrekken, evenals de meeste leeken, nadat zij alles -van waarde hadden moeten afgeven, terwijl sommigen nog een losgeld -moesten betalen. Maar de drost en drie aanzienlijke burgers, Bommer -en zijn zoon en De Koninck, die de burgerij hadden aangezet, om hunne -stad tegen de Geuzen te verdedigen, werden gevangen gehouden, evenals -de beide pastoors, de rector van het nonnenklooster en de twintig -Franciscaner monniken met hun gardiaan, den eerwaarden Leonard Pieck. - -En nu hadden godsdiensthaat en wraakzucht vrij spel. "'t Swartje van -Gorcum", met zijn vrienden en geestverwanten, dreven hun baldadigen -moedwil met de gevangen geestelijken. Dien geheelen dag,--'t was -een Vrijdag--hadden de gevangenen geen eten of drinken gehad. Thans, -tegen den avond, zette men hun vleesch voor, om hen te dwingen, den -vastendag te schenden. De uitgeputte mannen bleven het gebod hunner -kerk getrouw en weigerden het hun aangeboden voedsel. Slechts één -hunner, Pontus Heuterus, een geleerd man, die later als Latijnsch -dichter en historieschrijver naam zou maken, maar die blijkbaar weinig -voelde voor het martelaarschap, at hetgeen hem werd voorgezet, terwijl -hij beweerde, dat in zulke buitengewone omstandigheden de kerkelijke -voorschriften niet golden. - -'t Zou dien nacht nog erger worden. Waarschijnlijk opgewonden door -het zware Gorcumer bier, drongen een aantal Geuzen andermaal de -gevangenis der geestelijken binnen en eischten geld. De oudste pastoor -en de rector van het vrouwenklooster, die terstond alles afgaven, -wat zij bij zich hadden, kwamen er genadig af. Maar de jongste -pastoor, Nicolaas van Poppel, die bij de Gorcumsche ballingen, te -recht of ten onrechte, als een ijverig ketterjager bekend stond, -en die niets bezat om de hebzucht zijner belagers te bevredigen, -werd wreed mishandeld. Men sloeg hem een strop om den hals, die over -de openstaande deur werd geslagen; zoo trok men hem telkens omhoog -en liet hem weer neerploffen, tot hij halfdood bleef liggen. - -Ook de gardiaan der Franciscanen werd op dezelfde wijze gemarteld. De -Geuzen eischten, dat hij hun den verborgen kloosterschat zou wijzen, -en zij wilden hem door hun folteringen daartoe dwingen, zonder op -zijn verzekeringen, dat die schat niet bestond, acht te slaan. Ook -hem heschen zij herhaalde malen tegen de deur op en lieten hem ten -laatste zoo lang hangen tot het koord brak en het lichaam van den -gemartelde op den steenen vloer viel. Zij lieten hem voor dood liggen, -maar toen zijn beulen vertrokken waren, kwam hij weder bij. - -En Marinus Brand deed niets om den moedwil van zijn manschappen te -beteugelen. Hij zond bericht naar Dordt en naar den Briel en vraagde om -nadere orders. Toch verhinderde hij niet, dat de Gorcumsche Magistraat -een bode naar den Prins van Oranje zond, die te Aldenkerken, in 't -land van Gelder, vertoefde, om aan te dringen op de nakoming van het -verdrag en de loslating der gevangenen. Zijn geheele houding teekende -besluiteloosheid. - -Zijne onderhoorigen bleven de gevangen geestelijken kwellen en -zelfs mishandelen, al kwam het niet zoo ver als op dien beruchten -Vrijdagavond. Des Maandags daarop werden de Koninck en de oude Bommer -op de markt terecht gesteld en de zoon van den laatste zou het lot -van zijn vader hebben gedeeld, wanneer niet een jong meisje hem aan -den voet van het schavot had "verbeden", d. i. hem openlijk tot haar -man had begeerd. Dit was een oud recht, en hetzij omdat de Geuzen -de aloude privilegiën wilden handhaven, hetzij omdat een opgewonden -menigte gemakkelijk van het eene uiterste in het andere vervalt, -het werd door de overwinnaars geëerbiedigd en de jonge man werd in -vrijheid gesteld. Brand stond zelfs toe--iets wat Lumey nimmer zou -hebben veroorloofd--dat de oudste pastoor zijn gevangenis verliet, om -zijn veroordeelde geloofsgenooten in hun uiterste bij te staan. Toen -het vonnis was voltrokken liet men hem vrij. - -De terechtstelling van deze beide mannen, wier eenige misdaad was, dat -zij zich tegen de Geuzen hadden willen verzetten, was zeker tegen de -bedongen voorwaarden en een daad van volkomen noodelooze wreedheid, -die kapitein Brand had behooren te verhinderen. Met de gevangen -geestelijken zou het echter wellicht nog goed zijn afgeloopen, zonder -de onvoorzichtigheid van Leonard Vechel en de tusschenkomst van Lumey. - -Twee dagen na den dood van de Koninck en Bommer was het feest -der Annunciatie en het is weer teekenend voor Brand's houding, -dat hij pastoor Vechel toestond, in de groote kerk van Gorcum, -op dien Katholieken feestdag voor zijne gemeente te prediken. Nu -meende deze, dat alle gevaar voor hem voorbij was. Zijne zuster was -uit den Bosch te Gorcum aangekomen, om de tijding te brengen, dat -hun oude moeder ernstig ziek was en zij had van den Geuzenkapitein -een paspoort gekregen of wellicht gekocht. Nog dienzelfden middag -zou pastoor Vechel met zijn zuster de stad verlaten en in veiligheid -zijn. De boot, die hem naar Woudrichem zou overzetten, lag gereed en -daar stond het tweespan klaar, dat hem verder zou brengen. - -En nu is 't zeker verklaarbaar, maar het was toch eene -onvoorzichtigheid, dat pastoor Vechel er zich niet toe bepaalde, zijn -parochianen te troosten en te bemoedigen, maar dat hij ook scherpe -woorden richtte aan het adres zijner tegenpartij,--al had die dit -dan ook ruimschoots verdiend. - -Dit had reeds bij de Geuzen en bij hunne aanhangers onder de burgerij -verbittering gewekt. En toen het nu in den namiddag in de stad -ruchtbaar werd, dat de pastoor naar Woudrichem was overgestoken, -werd die verbittering woede. Pastoor Vechel was in vrijheid gesteld, -op zijne belofte, dat hij de stad niet zou verlaten. De schutters waren -borg voor hem gebleven. Dat hij van Brand een paspoort had gekregen, -wist men niet. Waarschijnlijk had deze daar geen ruchtbaarheid aan -durven geven. Men verdacht den pastoor van woordbreuk en verraad. De -verbitterde Geuzen vielen in de booten, staken de rivier over en -maakten zich van den geestelijke meester, vóór hij Woudrichem had -kunnen verlaten. Het paspoort, waarop hij zich wilde beroepen, werd -ongelezen in stukken gescheurd en hij werd als gevangene naar zijn -lotgenooten op het kasteel gebracht. - -De verbittering der Geuzen had nieuw voedsel gekregen en Brand, wiens -verklaring hem nog had kunnen redden, miste den moed, om tusschenbeide -te komen. - -En inmiddels was er den vorigen dag een sinistere persoonlijkheid -komen opdagen: Jan van Omal, een Luikerwaal, evenals Lumey, en diens -handlanger, een gewezen kanunnik, maar die de tucht der Roomsche -kerk slechts had verlaten, om zich over te geven aan de gemeenste -uitspattingen, waaraan hij zich ook in den Briel schuldig maakte, -een van die lage naturen, die een schande en een vloek zijn voor elke -partij, bij wie zij zich aansluiten. - -En deze man was door Lumey naar Gorcum gezonden, met den last, de -gevangen geestelijken terstond naar den Briel te brengen. Zonder het -onvoorzichtig gedrag van Leonard Vechel was het waarschijnlijk wel -mogelijk geweest, dat vertrek uit te stellen, om te wachten op het -antwoord van den Prins, dat elken dag kon komen, en dat de gevangenen -zou hebben gered. - -Ondertusschen ging Omal niet terstond over tot het uitvoeren van -den last, die hem was opgedragen. Het gemakkelijk succes van Brand -prikkelde hem tot jaloerschheid. Had deze met een geringe macht Gorcum -veroverd, hij, Omal, wilde op zijne beurt beproeven Zalt-Bommel in -te nemen, waar de Geuzen ook aanhangers hadden onder de burgerij. Met -een kleine vloot waagde hij de onderneming, maar de aanslag mislukte: -de Geuzen werden teruggeslagen en Omal keerde te Gorcum terug, op den -dag, dat pastoor Vechel weer bij zijne lotgenooten was gevangen gezet. - -En nu was het lot der gevangenen beslist. Omal wilde hen volgens het -bevel van Lumey naar den Briel vervoeren en de Gorcumsche vroedschap -durfde zich niet verzetten. In den nacht van Zaterdag op Zondag -werden de geestelijken in een open schuit ingescheept, nadat zij -door de hebzucht en de baldadigheid hunner bewakers voor een groot -deel van hunne bovenkleederen waren beroofd. 't Was zomer, ja, maar -'t was kil op de rivier en verscheidene van de slachtoffers waren -hoogbejaard. Te Dordt, waar hun vaartuig een paar uren stil lag, -liet men de gevangen priesters als wilde dieren aan de nieuwsgierigen -voor geld zien. Eindelijk, des Maandagsmorgens, nog voor het openen -der poorten, kwam de schuit aan het havenhoofd van den Briel aan. - -Jacob Martens lag nog te bed, in een van de door de bewoners -verlaten huizen der stad, waarin hij zijn kwartier had gevestigd, -toen Frederik van Dorp zich bij hem liet aandienen. Hij werd terstond -toegelaten. Het open en edel gelaat van den jongen krijgsman toonde -onrust en bezorgdheid. - ---"Een kwade tijding, vriend Martens," zei hij somber. "Jan van Omal -is met een geheele schuit papen zooeven aangekomen, en de admiraal is -hun dadelijk tegemoet gereden, met allen, die hem wilden volgen. Ik -vreeze zeer, dat dit weer een droevige zaak van mishandeling en moord -zal worden, van menschen, die dolen en gevangen zijn in hun paapsche -supersticie, maar die men toch niet als wilde dieren mag uitroeien." - ---"Als die Luikerwaal, die Omal, de hand in de zaak heeft, zal 't -wel zoo zijn," antwoordde Jacob driftig. "Die terechtstelling van den -kanunnik Berwout Jansz was een gruwel. De man werd vermoord op last -van Omal, omdat de herbergierster Marijke Fasols zijn huis begeerde -en haar dochter Omal's lief was. Het was een schande, dat de admiraal -het toestond." - ---"Als Treslong, de Rijk en Ruychaver dachten als wij, konden zij -misschien iets doen," zeide van Dorp, "maar zij achten het leven -van een priester weinig, al minachten zij Omal. Ik sprak er over met -Ruychaver. Hij zei, dat de dronken verloopen kanunnik hem niet raakte, -maar dat Lumey hem steunde en dat wij in dezen tijd geen twist konden -zoeken met hem en met zijn Luikerwalen. De eendracht onder de mannen -was meer waard dan het leven van tien papen. En 't is misschien te -begrijpen, dat de oudere kapiteins er zoo over denken, nu alles op -'t spel staat. Maar ga mee naar de haven! Wij dienen toch te weten, -wat er met de gevangenen gedaan wordt." - -Jacob Martens had zich ondertusschen haastig gekleed. Hij gespte -den degen om en de beide jonge mannen stapten de poort uit en naar -het havenhoofd, waar de gevangen geestelijken werden ontscheept. 't -Was een droevig tooneel! Op bevel van Lumey, die te paard gezeten -de ontscheping bijwoonde, werden de gevangenen twee aan twee in een -rij geschaard en onder het gegrinnik en de schimpscheuten van de -toegestroomde Geuzen en van het Brielsche grauw zette de treurige -stoet zich in beweging. Lumey eischte, dat zij een kerklied zouden -zingen, en de moedige mannen, die den dood voor oogen hadden, hieven, -zij het dan ook met van koude en uitputting sidderende stemmen, een -"Te Deum Laudamus" aan. - -Zoo ging het voort over de hobbelige keien van de havenkade, eerst naar -een galg, die buiten de poort was opgericht. De gevangenen openden -den stoet, bewaakt door Omal en hun gewapend geleide, Lumey en zijn -staf volgden te paard, en om hem verdrong zich de joelende menigte, -zich vermeiend in het lijden en de vernedering der gehate papen. - -Voorzeker, het zaad van tirannie en geloofshaat, jaren lang met zoo -kwistige hand gezaaid, droeg in die dagen wrange vruchten! - -Toen de gevangenen de galg zagen, die het eerste doel was van den -bangen tocht, meenden zij reeds, dat hun laatste uur was geslagen, maar -dat lag niet in de bedoeling van Lumey: hij wilde zijn slachtoffers -voor het oogenblik slechts vernederen en schrik aanjagen. Toen men -de galg was voorbij getrokken, ging het weder naar de stad, door de -Noordpoort naar de markt, waar een tweede galg was opgericht. Ook -daarlangs moesten de geestelijken zingend defileeren. Toen werden zij -allen te zamen opgesloten in een van de kelders der gevangenis. Zij -vonden er de pastoors van Heinenoord en Maasdam, die reeds vroeger -door de Geuzen waren gevangen genomen en eenige uren later kwamen -daar nog twee praemonstratenser monniken uit Middelburg bij, die den -dienst in de kerk van het dorp Monster hadden waargenomen, maar door -een stroopende bende waren opgelicht. - -Met verontwaardiging en ingehouden toorn hadden Jacob Martens -en Frederik van Dorp het droevig tooneel aanschouwd. Zij konden, -de mishandeling der weerlooze geestelijken niet verhinderen. De -overgroote meerderheid der Geuzen was op de hand van Lumey en Omal, -velen, zooals Pieter de Welle en Jan Smeert de Borst uit verbittering -en wilden haat, anderen uit baldadige wreedheid. Zelfs onder de besten -van dien tijd waren er maar weinigen, die Oranje's verdraagzaamheid -konden begrijpen en waardeeren. Hadden zij zich tegen de wreede -behandeling der afgetobde monniken met geweld willen verzetten, -dan zouden hun eigen mannen hen niet hebben gevolgd. - -Toch had hun houding op het havenhoofd en wellicht ook de uitdrukking -van hun gelaat, de aandacht getrokken van twee mannen, in de dracht -van gegoede burgers, die op eenigen afstand de ontscheping der -gevangenen hadden gadegeslagen. Het waren de beide broeders van den -gardiaan Leonard Pieck. Zoodra het in Gorcum bekend was geworden, dat -de gevangenen naar den Briel waren gevoerd, hadden zij begrepen, dat -zij alleen daar iets tot redding van hun broeder konden beproeven. Zij -hadden een snel zeiljacht gehuurd, en goed van geld voorzien waren zij -eenige uren vóór de schuit van Omal aan het havenhoofd aangekomen. Zij -waagden veel, maar Gorcum had nu immers de zijde van den Prins gekozen -en als Gorcumsche burgers achtten zij zich veilig. - -Zij hadden zeer wel opgemerkt, dat de beide jonge officieren geen -teekenen van voldoening en instemming hadden gegeven bij de ontscheping -van den gardiaan en zijn lotgenooten en bij de door Lumey bevolen -beschimping der gevangenen, die door de andere Geuzen met luid gejuich -en gelach was begroet. Dit gaf hun moed, hen aan te spreken en hen -voorzichtig te vragen wat wel het lot der priesters zou zijn en of -men ook toegang zou kunnen krijgen tot den graaf van der Mark. - -Natuurlijk werden zij met eenig wantrouwen aangehoord. Toen zegevierde -echter hun liefde voor hun broeder over hunne voorzichtigheid. Zij -maakten zich bekend als de broeders van den gardiaan. Hun broeder, -de Eerwaarde Leonard Pieck, had er geen schuld aan, dat de baljuw -Caspar Turc het kasteel tegen de Geuzen had verdedigd,--en misschien -zou de graaf van der Mark een rantsoen van hem willen aannemen, -een groot rantsoen! Ook voor de andere gevangenen wilden zij wel een -losprijs betalen of waarborgen, als de graaf zijne eischen niet te -hoog stelde... - -Inderdaad was er bij Lumey met geld veel te bereiken, en de beide -Gorcumers schenen vermogende lieden, die er veel voor over hadden -om hun bloedverwant te redden. Zoo kon wellicht worden verhoed, dat -de zaak een treurig einde nam. De beide Geuzenkapiteins beloofden -de broeders, dat zij hun zoo mogelijk een gehoor bij den graaf van -der Mark zouden verschaffen. Wanneer zij vrijgevig waren in hun -aanbiedingen en er voor zorgden, de ijdelheid van den admiraal niet -te kwetsen, was er kans op een goeden uitslag. - -Dienzelfden middag werden de gevangen geestelijken--het waren er nu -meer dan twintig--naar het raadhuis gebracht, waar Lumey, omringd -door zijne officieren, hun een verhoor afnam. Hun eenige misdaad was -hun godsdienst en hun geestelijke stand. Alleen den beiden pastoors -kon wellicht nog ten laste gelegd worden, dat zij de burgers hunner -stad hadden aangezet om aan de Geuzen weerstand te bieden. - -In de groote zaal, waar anders de schepenen en de baljuw vergaderden, -om recht te spreken, zat de admiraal en monsterde met zijn stekende -zwarte oogen de ongelukkige priesters, wier lot hij in handen had, -en die nu bleek en bevend, na een bangen, slapeloozen nacht in hun -vunzigen kerker, voor hem stonden. Zijn vertrouweling, Jan van Omal, -die het best van alle aanwezigen met de gevangenen bekend was, stond -naast hem. Het zware, zwarte haar golfde neer op zijn schouders en -hij woelde met de hand in den langen baard; deze vreemde Nazireër had -immers gezworen, dat hij haren noch baard zou scheren, vóór hij den -dood van Egmond en Hoorne had gewroken. Toen hij zich een poos had -vermeid in de ontsteltenis, die zijn aanblik de weerloozen blijkbaar -inboezemde, begon hij hen met barsche stem te beschuldigen van snoode -afgoderij en het aanhangen van verdoemelijke paapsche supersticiën, -waarmee zij het volk op een doolweg brachten. Wilden zij zich bekeeren -tot de gezuiverde Gereformeerde religie en hunne paapsche dolingen -op staanden voet afzweren, dan konden zij op genade hopen. - ---"Hij is zeker een fraai voorbeeld van een aanhanger der gezuiverde -Christelijke religie," fluisterde van Dorp Jacob Martens in. De -losbandigheid van hun Waalschen aanvoerder was reeds lang velen der -Hollandsche Geuzenkapiteins een ergernis. - -Man voor man werd nu den gevangenen afgevraagd, of zij bereid -waren, aan den eisch van hun rechter te voldoen. Bijna allen bleven -standvastig. Een eenvoudige leekebroeder wekte de lachlust der -Geuzenkapiteins, toen hij bij wijze van geloofsbelijdenis verklaarde, -dat hij "alles geloofde, wat zijn gardiaan geloofde". Alleen Pontus -Heuterus, de geleerde monnik, die reeds vroeger had getoond, dat hij -weinig lust had in het martelaarschap, de pastoor van Maasdam en een -leekebroeder, gaven een dubbelzinnig antwoord. Zij werden van hun -lotgenooten gescheiden. - -Met de anderen zou het misschien toen reeds slecht zijn afgeloopen, -wanneer Jacob Martens en Frederik van Dorp niet tusschenbeide gekomen -waren. Zij drongen naar voren en verlangden den admiraal te spreken -over een zaak van gewicht. Wrevelig stemde Lumey toe, maar zijn gezicht -helderde op, toen de beide kapiteins hem de aankomst van de broeders -Pieck mededeelden, die den gardiaan wilden redden en die blijkbaar wel -genegen waren, een goed rantsoen te betalen. Het verzoek streelde zijn -ijdelheid en wekte tevens zijn hebzucht. Twee aanzienlijke Gorcumsche -burgers, die genade kwamen vragen voor hun broeder, en die voor die -gunst grof wilden betalen! Hij liet voor 't oogenblik de gevangenen -terug brengen naar hun kerker en hij deed de Gorcumers ontbieden, -die in de Stadsherberg den uitslag hunner pogingen afwachtten. - -Het scheen een oogenblik, of zij zouden slagen. Lumey scheen op hunne -voorstellen in te gaan. Toch lieten zijn trots en zijn fanatieke -haat tegen de Roomsche geestelijkheid niet toe, dat een paap aan -zijne handen zou ontkomen, zonder voor hem te bukken. Hij zon op -een uitweg. Den volgenden dag zou de gardiaan en zes der voornaamste -geestelijken opnieuw worden verhoord. Twee Gereformeerde predikanten -zouden met hen redetwisten,--vooral over de oppermacht van den -paus. Wanneer de gevangenen zich op dat punt rekkelijk toonden, dan... - -De broeders van Leonard Pieck waren vol hoop. Zij zouden tot den -gardiaan worden toegelaten en zij zouden trachten hem te overreden, -in schijn op sommige minder belangrijke punten toe te geven. Wat -deerde het, of hij den onwetenden Geus misleidde? - -Het twistgesprek had plaats, maar de gardiaan bleek -onverzettelijk. Zijne tegenstanders waren trouwens weinig geschikt, om -hem en de zijnen van dwaling te overtuigen. 't Waren de gewezen pastoor -van den Briel, thans predikant der stad, en een zijner ambtsbroeders, -een gewezen schipper uit Gorcum, misschien een vroom, ijverig man, -maar zeker geen godgeleerde. - -Nog gaven de broeders Pieck het niet op en het blijkt wel, dat Lumey op -dat oogenblik bereid was, hen zoo ver mogelijk tegemoet te komen. Hij -stond hun toe, den gardiaan mede te nemen naar de Stadsherberg, om -hem daar te verplegen en hem de gelegenheid te geven, zich van de -geleden ontberingen te herstellen. Daar zouden zij nogmaals trachten, -hem te bewegen, zich in schijn te onderwerpen. - -De beter gezinden onder de Geuzen konden dus hopen op een goeden -afloop. 't Is waar, dat er maar weinigen onder hen waren, die zich -het lot der gevangen priesters bijzonder aantrokken. 't Was een harde -tijd en de bloedige handhaving der plakkaten tegen de ketterij, -door een groot deel der Roomsche geestelijkheid toegejuicht, lag -allen nog te versch in het geheugen. Maar zij achtten de vervolging -en mishandeling der priesters een nuttelooze en noodelooze wreedheid, -krijgslieden onwaardig. De admiraal kon zich met betere dingen bezig -houden, dan met plundering en priestermoord. Dat Dordrecht en Gorcum -genomen waren was goed, maar er was meer te doen tot bevrijding des -lands en de vloot lag werkeloos voor den Briel voor anker. - -De pogingen om de gevangenen te redden zouden echter falen. Wat hun -redding had moeten brengen, werd hun verderf. - -Den 7den Juli, denzelfden dag, waarop de geestelijken te Brielle -waren aangekomen, had de Gorcumsche Magistraat het antwoord van den -Prins ontvangen. Het luidde zooals men hoopte en kon verwachten, want -nimmer heeft Oranje geloofsvervolging goedgekeurd, al heeft hij die -niet altijd kunnen beletten. De Prins gelastte in zijn brief alle -overheden en krijgsbevelhebbers, dat zij geen geestelijke om zijn -stand of om zijn geloof zouden lastig vallen, maar dat allen, die -tot den geestelijken stand behoorden, evenals de overige ingezetenen, -behoorden te worden beschermd en volle vrijheid zouden genieten. - -De brief werd aan kapitein Brand ter hand gesteld, die er niet -weinig verlegen mee was. Zijn gedrag en dat van zijn onderhoorigen -was zeker niet geweest volgens die voorschriften. Hij liet van den -brief een afschrift maken en zond een Gorcumsch advocaat, die zeer -voor de belangen der gevangenen had geijverd, met dat afschrift en -een vrijgeleide naar den Briel. De Gorcumsche vroedschap voegde er -brieven van aanbeveling bij. - -Alles scheen dus in orde,--maar men had buiten Lumey gerekend. - -In den namiddag van den 8sten Juli, kort na het tweede verhoor, kwam -de bode te Brielle aan en werd terstond tot den admiraal der Geuzen -toegelaten. Lumey verkeerde in een zeer slechte stemming. Hij voegde -den bode op barschen toon toe, dat hij sedert lang allen papen, die -hem in handen vielen, den dood had gezworen, om wraak te nemen wegens -den moord op Egmond en Hoorne en tal van edelen, door de papisten -gepleegd. De Prins van Oranje had zich met de handelingen van den -Graaf van der Mark niet te bemoeien. Om zijne bevelen bekommerde hij -zich niet. - -Dien avond wond hij zich meer en meer op. Hij dronk veel en dat maakte -zijne stemming niet beter. Door den brief van den Prins was zijne -ijdelheid gekwetst en zijn toorn werd nog heviger, toen hij bemerkte, -dat men hem niet den origineelen brief, maar slechts een afschrift -had gezonden. Nu Oranje zich met de zaak had bemoeid, zouden die -Gorcumers ook wel niet meer bereid zijn, een hoog rantsoen voor de -papen te betalen. Maar hier in den Briel was hij heer en meester en -hij behoefde van niemand bevelen af te wachten. - -Laat in den avond liet hij nog den provoost-geweldige ontbieden, den -voltrekker van de crimineele vonnissen in het leger en op de vloot, -en gaf hem bevel, de gevangen priesters terstond uit de gevangenis -te halen en ze buiten de stad op te hangen. Jan van Omal, met een -wacht gewapende Geuzen, zou toezien, dat alles volgens zijn bevelen -geschiedde. - -Het bevel werd opgevolgd. De gevangenen werden uit den kerker gehaald, -Leonard Pieck werd, tot ontzetting zijner broeders, die hem reeds gered -waanden, van zijn bed in de stadsherberg gelicht, en bij het licht van -een paar toortsen en handlantaarns trok de stoet der veroordeelden, -een en twintig in getal, door de straten van den Briel, tot buiten -de poort. - -En daar werd de laffe, zwakke daad volbracht. - -Er was geen galg, groot genoeg voor de een en twintig veroordeelden, -maar Omal wist raad. Buiten de poort lagen de bouwvallen van het -klooster Rugge, dat door de Geuzen was verwoest. Daar stond een -groote turfloods ledig. Daarheen werden de ongelukkigen gevoerd, -en de balken van de schuur dienden tot galg. Twee van hen redden -hun leven, door hun geloof te verloochenen; één van hen was Pontus -Heuterus. De anderen werden in koelen bloede opgehangen. Volgens den -tijdgenoot, die deze dingen beschreven heeft, stierven zij moedig, met -een gebed op de lippen,--martelaars, stervende voor hunne overtuiging, -als zoovele ketters vóór hen in den dood waren gegaan. - -Maar hun dood zou een vlek werpen op den strijd der Nederlanders vóór -de vrijheid en tegen vorstelijke tirannie en geloofsdwang. - -En Lumey's daad draagt bittere vruchten,--tot op dezen dag! - - - - - - - -XIX. - - -Eerwaarde Vader in Gode, lieve ende veelbeminde. - -Wij hebben jegenwoordelijcken ontvangen sekere brieffen van onzen -Hre den Coninck, bij dewelke Z. Mt ons overscrijft, dat, gemerckt die -alteratien daer-jnne zijne landen van herwaerts over gevallen zijn, -die redene wel vereyscht, dat boven alle mogelijcke remedie ende order, -die Z Mt in meyningen is daerinne te stellen zonder yet te sparen, -men toevlucht neme aen onzen lieven Heere God ende sijne hulpe ende -assistentie aenroepe. Lastende daeromme, dat wij secretelijcken souden -doen bidden in alle kercken, cloisters ende anderssins, ten einde -dat ons Heere God door Sijne goedertierenheyt ende bermhertichheyt -die sake zulcx dirigeeren ende voirderen wille, dat die rebelle, -ketters ende heretijcke gestrafft, ende die goetwillige in peyse ende -ruste gestelt mogen worden, ende het heylich catholycsche geloove -der Roemscher kerken geconserveert, zoe 't zelve tot nu toe is -geweest ende Z Mt sulcx boven alle zaken ter werelt begerende is, -daervan wij u wel hebben verwittigen bij desen, u versueckende, -in naem ende van wegen sijner Vorst. Mt wel ernstlycken, dat ghy, -volgende sijne goede begeerte ende intentie, alle behoorlijcke -order stellen willet, dat jn alle cloisteren, godtshuyzen, conventen -ende kercken van uwen bisdomme secretelijcken oft openbaerlijcken, -zoe ghij voor 't beste aenzien zult, alomme demoedige bedingen, -abstinencie, aelmoezenen, suffragien ende andere duechdelijcke ende -verdienstelijcke werken, onzen Heere God aengenaem wesende, gedaen -worden, ende oick processiën doen gaen mitten heyl. hooghweerdigen -sacramenten, tzij in den bijvanck van huere cloisteren, godshuysen, -conventen ende kercken, secretelijcken of oepenbaerlijcken alsvoiren, -mit alle behoorlijcke innicheit, devotie ende solempniteit, opdat -Sijne Godlicheit gelieve ons te bewaren tegens die macht, aenslagen -ende invasien van de voirs. rebelle, ketters ende heretijcke, ende -door sijne godlijcke gratie der Co. Mt ende sijn crijchsvolck goede -prosperiteit, voirspoet ende victorie tegens deselve te verleenen, -alles tot Sijner godlijcker eeren ende tot conservatie van onzen -heyl. cath. geloeve der Roemscher kercken ende gantze confusie van -de voors. rebelle ketters ende heretijcke. - -Zoo schreef Alva den 11den Augustus 1572, namens zijn koninklijken -meester, aan den aartsbisschop van Utrecht en de bisschoppen van -Middelburg, Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer en Roermond -en het moet den ijzeren hertog, den geduchten legeraanvoerder wel -hard gevallen zijn, te erkennen, dat de "rebellen, ketters ende -herelycken" in die weinige maanden zulk een macht ontwikkeld hadden, -dat het gezag van den Koning van Spanje in zijne erflanden wankelde, -dat de opstand op het punt was te slagen. - -Het scheen, dat de plannen van Oranje ditmaal zouden gelukken. Met -een leger van 13000 voetknechten en 3000 ruiters was hij bij Duisburg -in de eerste dagen van Juli den Rijn overgetrokken en had hij zich -gelegerd in de oude voogdij van Gelder. Venlo en Roermond werden na -korten tegenstand genomen en ondanks een dreigbrief van den Keizer, -die hem en de zijnen beval, de wapens neer te leggen, rukte hij -voort naar Bergen, waar zijn broeder Lodewijk door de troepen van -Alva belegerd werd. Zonder ergens tegenstand te ontmoeten, drong hij -in Brabant door. Herenthals, Tienen en Diest openden onmiddellijk -vrijwillig hunne poorten en Mechelen werd bezet. In het Noorden hadden -de Spanjaarden geheel Holland moeten ontruimen en alleen Amsterdam -was den Koning getrouw gebleven en uit de Vlaamsche steden, zelfs uit -Brussel, bereikten Alva verontrustende berichten. En nu zou ook de -zoo lang verwachte hulp uit Frankrijk komen, waar de Huguenoten aan -invloed schenen te winnen. De admiraal de Coligny zou aan het hoofd -van tien à twaalf duizend haakschutters zijne geloofsgenooten te hulp -komen en Bergen helpen ontzetten. Het Noorden in volslagen opstand, -het Zuiden bedreigd door de troepen van Oranje en Coligny,--de zaak -der Spaansche tirannie stond hachelijk. - -Sedert de laatste dagen van Juli diende Jacob Martens in het leger -van den Prins, dat hij door Brabant heen gemakkelijk had kunnen -bereiken. Den 19en Juli waren de Staten van Holland te Dordrecht -bijeengekomen, Marnix van St. Aldegonde was er verschenen als -vertegenwoordiger van Oranje en de Staten hadden den Prins als -stadhouder des Konings erkend en beloofd, hem tegen Alva en de -Spaansche troepen te ondersteunen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt, -hadden zij echter aangedrongen op het intrekken van de commissiën ter -zee, omdat de handel des lands te veel schade leed door de rooverijen -der Watergeuzen. Marnix voldeed, namens den Prins, aan dit verzoek, -en sedert hielden de kapers op, een wettige krijgsmacht te zijn. Vele -ballingen keerden naar hunne haardsteden terug, anderen gingen met -hunne schepen naar Zeeland, om de Zeeuwen bij te staan in hun strijd -tegen de Spanjaarden en zij hielpen mede die eerste Nederlandsche -marine vormen, die zich tot het jaar 1576 zoo duchtig in de Zeeuwsche -wateren heeft geweerd. Weer anderen namen dienst bij de vendels die -hunne aanvoerders, thans als hoplieden van den Prins, aanwierven om -den strijd te land voort te zetten. De Watergeuzen verdwenen van de -wateren der Noordzee. Zij zouden eerlang hunne opvolgers vinden in -de Duinkerker kapers. - -Den 22sten Juli was Lumey in de vergadering verschenen en had een -commissie overgelegd van den Prins, waarbij hij werd aangesteld -als gouverneur van Holland. Hij verklaarde zich bereid die post te -aanvaarden en zich naar de daarbij gevoegde instructies te zullen -gedragen. Waarschijnlijk was Marnix van beide stukken de overbrenger -geweest. Lumey werd daarop door de Staten als de vertegenwoordiger -van den Prins, als 's Konings stadhouder erkend en voerde een korte -poos het bewind in het Zuiden van Holland, ook als bevelhebber der -aanwezige troepen, gelijk Sonoy in het Noorden. [9] - -Jacob Martens wenschte echter niet onder Lumey te dienen. Met een -aanbevelingsbrief van Aldegonde vertrok hij naar het leger van den -Prins en werd aangesteld als cadet bij diens lijfwacht. Hij deelde -in de algemeene verwachting, dat de bevrijding van de Nederlanden -aanstaande was en hij hoopte Vlaanderen en zijn geboortestad Gent, die -hij als vluchteling en balling had moeten verlaten, met het zegevierend -leger van Oranje en Coligny binnen te trekken, om ze van het juk -der Spanjaarden te verlossen. Mochten de heftigste Gereformeerden, -mocht zelfs Aldegonde Oranje lauwheid verwijten op het stuk van den -godsdienst, hij begreep, wat de Prins bedoelde. Vrijheid van geweten, -het recht, om God te dienen naar de inspraak van zijn hart, die zouden -ieder gewaarborgd zijn, als Oranje triomfeerde. Dan zou de Kerk van -Christus in Vlaanderen, waar de geloovigen zich nu in vreeze voor -hun leven schuilhielden, krachtig opbloeien en het Woord Gods zou -vrij uit mogen worden verkondigd. - -Maar, om met het Wilhelmus te spreken, - - - Maar de Heer van hierboven, - Die alle ding regeert, - Die men altijd moet loven, - En heeft het niet begeerd! - - -Het was in Gods ondoorgrondelijken raad besloten, dat het Zuiden voor -de Reformatie verloren zou gaan en dat het Noorden niet door vreemde -hulp en niet nu, maar eerst na bange worsteling vrij zou worden van -tirannie en geloofsdwang. - -Reeds was Mechelen door het leger van den Prins bezet, toen hem de -tijding bereikte van wat er in den nacht van den 24sten Augustus, -den beruchten Bartholomeusnacht, te Parijs was voorgevallen: de -moord, gepleegd op Coligny en de argelooze Huguenoten, gevolgd door de -bloedige vervolging der Protestanten in alle Fransche steden. Catharina -de Medici en de Guises hadden gezegevierd, de Fransche politiek was -plotseling veranderd van koers en hulp van die zijde was niet meer -te verwachten. - -En op die hulp van Coligny en zijne vendels, op de medewerking der -Fransche Regeering in den strijd tegen Spanje, was het plan van -den Prins gebouwd. De veldtocht van 1572 kan als mislukt worden -beschouwd, evenals die van 1568. De verrassing van Oudenaerden, -den 7den September, was het laatste succes. De Duitsche hulptroepen -eischten hunne soldij en de hulpmiddelen van Oranje waren bijna -uitgeput. Hij waagde nog een laatste poging om Bergen te ontzetten, -maar in het gevecht bij Jemappes werden zijne troepen door de beroemde -Spaansche musketiers verslagen en twee dagen later ontkwam hijzelf -ternauwernood aan een koenen nachtelijken overval door Romero, aan -het hoofd van 600 Spanjaarden. - -Geld en levensmiddelen ontbraken, het leger was gedemoraliseerd, de -onderneming moest worden opgegeven. De Prins trok af naar Mechelen en -van daar naar den Rijn, dien hij bij Orsoy overstak. Hij dankte er -de Duitsche huurtroepen af en behield voorloopig slechts 6 Waalsche -vendels en 1200 ruiters in zijn dienst. Met die kleine legermacht trok -hij door de Graafschap naar Zutfen, waar hij de Walen in bezetting -liet en toen naar Kampen, om van daar naar Enkhuizen over te steken. In -Holland en Zeeland, zoo schreef hij aan zijn broeder, Jan van Nassau, -wilde hij den verderen kans en Gods beschikking met hem verbeiden, -en zich tot het laatste handhaven, vast besloten er anders zijn graf -te vinden. - -Een week na den aftocht van den Prins gaf Lodewijk van Nassau Bergen -aan de Spanjaarden over. Alva, die zijne troepen noodig had om zijn -veldtocht tegen het Noorden te ondernemen en de oproerige gewesten -tot onderwerping te dwingen, stond Lodewijk eervolle en voordeelige -voorwaarden toe, die inderdaad, wat Lodewijk en zijne troepen betreft, -stipt werden nagekomen. Aan de bezetting werd vrije aftocht met -krijgseer toegestaan en den jongen graaf van Nassau, die ziek was en -in een draagstoel de stad verliet, werd door den hertog en zijn zoon -met Spaansche hoffelijkheid uitgeleide gedaan. - -En thans had Alva de handen ruim. Hij beschikte over een krachtig en -wel geoefend leger, waarvan de kern werd gevormd door de Spaansche -vendels, die hij had medegebracht, maar dat versterkt was door Waalsche -en Duitsche huurtroepen. Van Frankrijk was niets meer te vreezen. De -Prins kon geen legermacht van eenige beteekenis meer tegen hem in 't -veld brengen. 't Gold nu enkel, de afvallige steden, met hun geringe -bezetting tot onderwerping te brengen en dan zou de opstand bedwongen -zijn. Alva kende den invloed maar al te wel, van wat men in later tijd, -ook in onze dagen de "terreur" zou noemen. Door schrik en ontzetting, -door enkele steden zwaar te straffen, rekende hij er op, het verzet -der andere zonder strijd te breken. - -Mechelen was het eerst aan de beurt. Het zou tot een voorbeeld -worden gesteld. Drie dagen lang werd de stad door de Spanjaarden -uitgemoord en geplunderd, ondanks de tusschenkomst van den bisschop -van Atrecht. "Oorlogsnoodzakelijkheid" zou Alva in onze dagen hebben -gezegd. Het middel was afdoende, want alle steden in de Zuidelijke -Nederlanden haastten zich hunne onderwerping aan te bieden en ze -werden in genade aangenomen. - -Toen rukte het leger, onder aanvoering van Alva en den hertog -van Medina Coeli--die eigenlijk als zijn opvolger was gezonden, -maar die nimmer eenig gezag heeft uitgeoefend--over Maastricht en -Emmerik op naar Nijmegen, waar voorloopig het hoofdkwartier werd -gevestigd. Aan Alva's zoon, Don Fadrique de Toledo, werd nu het -opperbevel toevertrouwd, om het Noorden te bedwingen. - -Hij begon met Zutfen, waar de door den Prins achtergelaten bezetting -een korten tijd tegenstand bood en dat daardoor het lot van Mechelen -deelde. Ook ditmaal werd het doel aanvankelijk bereikt. De steden in -Gelderland, Overijsel en Utrecht onderwierpen zich en werden gespaard. - -En nu rukte de voorhoede van het Spaansche leger onder Romero Holland -binnen. Naarden, de kleine, zwakke vesting, had zijne poorten geopend -voor de gevluchte bezettingen van Kampen en Amersfoort. - -Nog den 22sten November was Bossu met honderd man voor het -stadje verschenen, maar de burgerij had geweigerd hem binnen te -laten. Misschien rekende men er op hulp van Sonoy. - -Thans, bij de nadering der Spanjaarden, zag men te laat in, aan welk -gevaar men zich had blootgesteld en men trachtte den storm nog te -bezweren. Twee afgevaardigden uit de vroedschap begaven zich naar het -hoofdkwartier van don Fadrique te Amersfoort, om er de onderwerping -der stad aan te bieden, maar ze werden niet tot den bevelhebber -toegelaten. Den volgenden morgen zouden ze te Bussum het antwoord -vernemen. Dit bericht bracht schepen Gerrit Pieter Aertz de bedrukte -burgerij. Burgemeester Marten Laurensz, zijn metgezel, die maar al te -goed begreep, wat die ontvangst beteekende, keerde niet naar Naarden -terug, maar redde zich door de vlucht. - -Den volgenden dag verschenen zeven afgevaardigden der stad voor Romero, -die tot Bussum was voortgerukt. Zij moesten den Spaanschen aanvoerder -tot voor de poort volgen, om er diens antwoord te vernemen. Men bood er -hem de sleutels van de stad aan en hij beloofde op handslag den rector -Lambertus Hortensius en een van diens mede-afgezanten een genadige -behandeling en behoud van lijf en goed. De onnoozele burgerij meende, -dat die belofte ook haar gold en zag zich jammerlijk bedrogen. 't -Is onnoodig, hier nogmaals te verhalen, wat er dien dag gebeurde. De -moord te Naarden is een maar al te bekend feit in onze geschiedenis. - -Weer hadden de Spanjaarden een schrikkelijk voorbeeld gesteld, om de -andere Hollandsche steden te toonen, wat hun wachtte, indien zij het -waagden zich te verzetten. - -Van Naarden rukte don Fadrique op naar Amsterdam, de eenige stad in -Holland, die Spaanschgezind was gebleven, en van daar naar Haarlem. De -Geuzen trachtten op den smallen dijk naar Sparendam, waar zij een -schans hadden opgeworpen, de voorhoede van het Spaansche leger tegen -te houden, maar na een gevecht van drie dagen werd die schans veroverd -en nu lag de weg naar Haarlem open. - -Haarlem werd als de zwakste der Hollandsche steden beschouwd en don -Fadrique had er op gerekend, dat hij zich gemakkelijk van de vesting -zou meester maken. Het beleg, dat in het begin van December begon, zou -echter acht maanden duren en Haarlems verdediging zou een roemrijke -bladzijde vullen in de geschiedenis van den vrijheidsoorlog. Zelfs -de ridderlijke Spanjaard de Mendoça, die zoowel krijgsman als -geschiedschrijver was, brengt hulde aan den moed der burgerij. "Die -moed," zoo zegt hij, "kwam niet slechts bij de verdediging hunner -wallen uit; hij toonde zich evenzeer met de grootste kracht en -stoutheid bij al de uitvallen, die zij gedurende heel den tijd van -'t beleg deden. Hij openbaarde zich ook onder alle inwoners, die met -hardnekkigen trots de wapens voerden; terwijl Haarlems broederschappen -of zoogenaamde gilden, van de muren der stad de grootste schade aan ons -volk toebrachten. Het moge als een les strekken voor ieder veldoverste -en krijgsman, zijn vijand om welke reden dan ook niet te minachten, -voor men hem bestreden heeft." - -Jacob Martens had den Prins op zijn tocht van Gelderland naar Holland -vergezeld. Van Enkhuizen was de Prins naar Haarlem getrokken, waar hij -de Staten van Holland bijeenriep. Er waren daar veel bedrukte harten, -want,--het was half November--men had reeds de tijding vernomen van de -nadering der Spanjaarden en men wist niet, welke maatregelen Oranje -dacht te nemen voor de beveiliging en verdediging des lands. De -Prins trachtte de bedrukten moed in te spreken en hij wees hun op -zijn onderhandelingen met Koningin Elisabeth van Engeland. Verder -wekte hij de Staten op, gelden te verzamelen voor het aanwerven van -troepen, terwijl hij hun beloofde, het zijne te doen om het bedreigde -Noorden te helpen. En dit was geen ijdele belofte. Over een veldleger -van voldoende sterkte om de Spanjaarden te bestrijden, kon hij niet -meer beschikken, maar nog had hij in Holland troepen, die in zijne -soldij stonden. De overste Lazarus Muller lag te Leiden met zes vendels -Duitsche knechten en ook Lumey beschikte over een kleine macht Walen en -Duitschers, terwijl Sonoy de steden aan de Zuiderzee en Waterland bezet -hield. Kon men de bedreigde Hollandsche steden van sterke garnizoenen -en een voldoenden voorraad levensmiddelen voorzien, dan konden zij -het nog lang tegen den vijand uithouden, en als de onderhandelingen -slaagden, kon er binnen weinig weken hulp uit Engeland komen. - -Van Haarlem begaf zich de Prins over Leiden naar Delft, waar hij zich -voorloopig zou vestigen. Hij nam er onmiddellijk maatregelen om het -bedreigde Haarlem te helpen, terwijl ondertusschen hopman Wigbolt -Ripperda met zijne Duitschers de stad bezette. Hij vond er de vier -vendels, die Lazarus Muller er als bezetting had gelaten. - -Jacob Martens ontving een commissie als vaandrig bij een van de -vier cornetten Waalsche ruiters, die tot de troepenmacht behoorden, -waarover Lumey beschikte en hij vertrok naar Gouda, waar die mannen -in bezetting lagen. Hij vond er Pieter de Welle terug als sergeant -bij de batterij van zes veldstukken, waaruit Lumey's artillerie -bestond. Hij bracht zijn vroegeren admiraal de orders van den Prins -over voor den voorgenomen veldtocht. De voorbereidselen moesten spoedig -en doortastend worden gemaakt, want men moest Haarlem trachten te -bereiken, voor de vijand de stad geheel insloot. Toch moest alles -zooveel mogelijk in het geheim geschieden, opdat het plan door de -"glippers" niet aan de Spanjaarden zou worden verraden. - -En zoo rukte in den namiddag van den 12den December 1572 een kleine -legermacht van 15 vendels Duitsche landsknechten met zes stukken -veldgeschut en 100 wagens proviand en munitie van Delft op naar -het Noorden om het bedreigde Haarlem te helpen. Te Leiden zou de -overste Lazarus Muller zich met zes vendels Duitschers bij den troep -aansluiten: Lumey zelf zou het kleine leger aanvoeren. Hij bleef -echter met de vier kornetten ruiters, die deel zouden nemen aan den -tocht, nog te Delft. Hij kon met zijn cavallerie het voetvolk, dat -met den langen wagentrein slechts langzaam vooruit kwam, gemakkelijk -inhalen. Te Leiden zou hij zich aan het hoofd stellen van de vereenigde -krijgsmacht. - -Lumey verkeerde in een slechte luim. Zijn wreveligheid, -lichtgeraaktheid en koppige eigenzinnigheid waren in de laatste maanden -nog toegenomen, sedert hij meer en meer gevoelde, dat zijn aanzien -bij den Prins, de Staten en het volk was gedaald. De inneming van den -Briel en de gebeurtenissen, die daar onmiddellijk op waren gevolgd, -hadden den Luikschen avonturier een kortstondige glorie geschonken en -hem een plaats doen innemen, die hem eigenlijk niet toekwam. Hij had in -den nazomer van datzelfde jaar een mislukte poging gedaan om Amsterdam -te nemen, en die mislukking zijner plannen werd aan zijn gebrek aan -krijgsbeleid geweten. Wegens zijn woeste wreedheid, ook wegens den -moord op de Gorcumsche geestelijken, was er een aanklacht tegen hem -ingediend bij het Hof van Holland en hij was genoodzaakt geweest zich -zoo goed mogelijk te verdedigen, terwijl ook zijn losbandig gedrag -te Brielle een smet op zijn karakter had geworpen. Thans liet hij de -regeling van den langen trein over aan de officieren van zijn staf, -waaronder zich ook Jacob Martens bevond, en dezen sloofden zich af, -om zooveel mogelijk orde te scheppen in den chaos. - -De troepen vorderden langzaam, want de wegen waren slecht. De koude -was dat jaar vroeg ingevallen en een felle vorst had de Zuiderzee -en de Haarlemmermeer binnen weinige dagen in groote ijsvlakten -herschapen,--gelijk de Geuzenschepen, aan de monding van het Y in -het ijs beklemd, bijna tot hun schade hadden ondervonden. Daarop -was een sterke dooi gevolgd, die de Hollandsche kleiwegen bijna -onbegaanbaar had gemaakt, terwijl men voor de expeditie op harde -wegen had gerekend. De wielen der kanonnen en die der wagens zonken -weg in het slijk en met moeite trokken de sterke paarden, door de -zweepslagen hunner scheldende en vloekende voerlieden aangedreven, -den zwaren last voort. - -Het was guur en nevelig winterweder. Een ijskoude wind gierde over de -Hollandsche weiden en de donkere wolken met vuilgele randen dreigden -met sneeuw. - -In zijn mantel gewikkeld reed Jacob Martens langs de veldstukken, die -de rij der proviandkarren vooraf gingen. Hij herkende de Welle, die -de teugels van het vierspan van het voorste stuk van den onbekwamen -voerman had overgenomen en zijn best deed, het kanon vooruit te -krijgen, en hij reed stapvoets naast hem voort. - ---"'t Doet mijn hart goed, dat wij eindelijk weer eens samen tegen -de Spanjolen oprukken, jonker," zeide de oude boschwachter, toen -hij de rukkende, steigerende dieren tot kalmte had gebracht en zij -weder geregeld voortstapten. "Maar,"--liet hij er op gedempten toon -op volgen,--"ik verwacht niet veel goeds van dezen tocht. Ik vrees, -dat wij met bebloede koppen thuiskomen, jonker!" - ---"Houd op met je voorspellingen, man," zei Jacob knorrig. "'t Weer -en die vermaledijde papperige wegen zijn al genoeg, om iemand somber -te stemmen. Wij hebben een flinke legermacht: een en twintig vendels, -met die van overste Muller er bij. En de Spanjolen verwachten ons -niet. Wij moeten Haarlem bereiken en binnen trekken, vóór zij 't ons -kunnen verhinderen." - ---"Dat is het juist, jonker," vervolgde de Welle hoofdschuddend, "de -"Bremers"--zoo noemden de Hollanders de Duitsche landsknechten--de -Bremers zijn niet te vertrouwen." - ---"Hopman van Trier en hopman Kellenaar zijn geen lafaards of -verraders," viel Jacob driftig uit. - ---"Battist van Trier en Hans Kellenaar zijn brave en dappere -officieren," antwoordde de Welle schouderophalend, "maar zij kunnen -niet instaan voor hun volk. De Bremers zijn slecht betaald in den -laatsten tijd, jonker, en zij morren en monkelen onder elkander, dat -het slecht vechten is voor een verloren zaak, als 't hun soldheeren -nog aan geld ontbreekt bovendien. En dan dit ellendige weer! Een -Duitscher, jonker, vecht het best, wanneer hij vol is en hoopt op een -goede plundering na het gevecht. En zij weten, dat er vóór Haarlem -geen andere buit te behalen is, dan harde klappen! Wij hooren soms -meer in onze kwartieren, jonker, dan de officieren. Hoe het mogelijk -is, weet ik niet, maar de Bremers hebben kondschap uit het leger van -Ducdalf en zij weten, dat de Spanjolen al voor de stad liggen. Ze -volgen nog hun hoplieden en hun vendel uit gewoonte, maar bij den -eersten tegenslag gaan zij aan 't muiten." - -De Welle zweeg een oogenblik en wijdde schijnbaar al zijn aandacht -aan zijn vierspan. Toen vervolgde hij op zachter toon: - ---"Dit is mijn laatste tocht, jonker!" - ---"Kom, de Welle, wat een sombere gedachten!" - ---"Ik weet het, jonker Jacob, en het is goed zoo! Ik weet het, alsof -ik het in de Schrift had gelezen. Ik zal vallen op dezen tocht. Mieke -en hare moeder roepen mij..." - -De oude boschwachter zweeg een oogenblik. Toen ging hij voort: - ---"Ik ben een groot zondaar! God Almachtig moge zich erbarmen over -mijn arme ziel. Zoo ik niet voor eeuwig van Zijn aangezicht verstooten -word, dan zal het door Zijne genade zijn en om Christus' wille! Dat ik -tegen de Spanjolen en de glippers gevochten heb, bezwaart mijn geweten -niet. Maar ik heb bloedschuld op mijn ziel tegenover de papen. Ik -weet, dat de Prins het heeft verboden, hun molest aan te doen en dat -gij, jonker en Mijn Heer van Dorp het altijd hebt afgekeurd, als wij -hen vingen en naar den Briel brachten, zooals de admiraal bevolen -had. Maar wie weet, wat ge zoudt gedaan hebben, als het uw dochter, -uw Mieke was geweest, die daar was gevallen in den hollen weg bij -Poperingen. En ik geloofde Jan Machielsz als hij leerde, dat de papen -als Amalek waren en dat men ze moest slaan met de scherpte des zwaards, -en dat hij die ze spaarde een lauwe was en ongehoorzaam als Saul. En -dat staat toch in de Schrift en de papen zijn zeker de vijanden der -religie en van het ware Israël Gods. Maar er staat óók in de Schrift: -"Mij is de wrake! Ik zal het vergelden, zegt de Heere." Ik ben maar -een arm, onwetend man. God moge mij al mijn zonden vergeven!" - -"Vaarwel, jonker Jacob, want ik weet, dat dit de laatste keer is, -dat ik zóó met u spreken zal. De jonker weet het, ik heb het mij wel -eens verweten, dat ik u toen heb meegenomen ter groene preeke. Dat was -'t begin van alles, wat de jonker geleden heeft en hij heeft er door -verloren wat hem lief was. Maar de jonker heeft er de waarheid in -Christus door gevonden. Dat weet ik! En als ik buiten mijn wil tegen -den jonker iets heb misdreven, laat hij het mij dan vergeven! En als -hij ongedeerd uit dezen strijd komt, laat hij dan nog eens denken aan -den ouden de Welle, die hem heeft leeren visschen en met den armborst -schieten en paardrijden en die hem nooit heeft verlaten in 't gevecht." - -Jacob boog zich over den hals van zijn paard en reikte den ouden Geus -de hand. - ---"Ik heb je niets te vergeven, de Welle," zei hij geroerd. "Het is -zooals je zegt: Door jou toedoen heb ik de waarheid in Christus leeren -kennen en daar dank ik je voor. Ik zou niets ongedaan willen maken, -al kon ik het. 't Zal zeker een heet gevecht worden voor Haarlem -en wij zijn beiden in Gods hand. Wij zullen elkander terug vinden, -oude vriend, in de stad--of als het zijn mag in den hemel." - -De Welle vatte teugels en zweep in zijn linker en drukte krachtig de -hem geboden hand van zijn jonker. - -'t Was een vrij goed gedeelte van den weg geweest, een met puin -hard gemaakt pad, dat langs een heerenhuizinge liep, en zoo hadden -zij hun gesprek zonder stoornis ten einde kunnen brengen. Thans -hield de harde weg op en een lage kleiweg lag vóór hen, zoodat de -Welle alle aandacht noodig had voor zijn paarden. Ook Jacob Martens -reed weder terug langs de lange colonne marcheerende voetknechten -en de zwaar beladen karren. Hij moest zorgen, dat de juiste afstand -tusschen de verschillende afdeelingen bewaard bleef op den moeilijken -tocht. Hij dacht na over hetgeen de Welle hem had gezegd omtrent de -slechte stemming der Duitsche vendels en hij besloot er met de oudere -officieren van Lumey over te spreken. Wellicht waren de vendels van -Lazarus Muller beter te vertrouwen, want de krijgstucht werd onder -diens mannen streng gehandhaafd. - -In den avond bereikte men Leiden. De troepen en het convooi trokken -de stad niet binnen, maar vonden hun kwartieren in de omliggende -dorpen. Lumey had met zijne Walen de stad bereikt en er zijn intrek -genomen bij een der regenten. Men had na een korte rust voort moeten -marcheeren, om Haarlem tegen den vroegen morgen te bereiken en de -Spanjaarden te verrassen, maar Lumey wilde zijn goed kwartier in -Leiden niet prijs geven en hij had er daarenboven iets te verrichten, -dat geheel strookte met zijn aard. - -Om te verhinderen, dat het plan aan den vijand verraden werd, liet -hij alle wegen en paden, die van Leiden naar het Noorden voerden, -bezetten door piketten van zijne Waalsche ruiters, die hij indertijd -zelf had aangeworven en die hem trouw waren. Het Haarlemmermeer was -een wijde ijsvlakte, vol wakken en gaten, waar geen glipper zich op -zou durven wagen. - -In den vroegen morgen voegde hij zich te Lisse bij het leger, tegelijk -met de vendels van Muller, en al spoedig verspreidde zich onder de -officieren en de troepen het gerucht, dat er te Leiden weder een -priester was geëxecuteerd. Lumey had den eerwaarden Cornelis Musius, -den biechtvader van het St. Aagtenklooster te Delft, een zeventigjarig -grijsaard, doen oplichten en naar Leiden brengen, onder de valsche -beschuldiging, dat hij heulde met den vijand. Na een schijnverhoor -was de vrome en geleerde priester er gemarteld en opgehangen [10], -vóór het bevel van Oranje, om hem onmiddellijk in vrijheid te stellen, -was aangekomen. - -Terwijl Lumey op het kerkhof te Lisse, bij het licht van eenige -pekkransen en lantaarns zijn officieren raadpleegde, ontstond er -plotseling eenig rumoer. Een jonge boer drong door de soldaten, -die hem wilden tegenhouden en wierp zich voor den bevelhebber op de -knieën, terwijl hij luidkeels zich beklaagde en om recht schreeuwde. - -Driftig over de onverwachte stoornis wendde Lumey zich om en vestigde -zijn felle zwarte oogen op den jammerenden dorpeling, in de hoop, -dat deze hem de een of andere tijding bracht, die hem van nut kon -zijn. Hij kon echter den tongval van den boer niet verstaan en wenkte -een van de Hollandsche officieren, om diens woorden te vertolken. - -En nu kwam Harm Harmsen, visscher en landbouwer, en stoutmoediger dan -zijn dorpsgenooten, die den moedwil van het krijgsvolk stilzwijgend -en onderworpen hadden verdragen, met een stroom van klachten. De -soldeniers hadden zijn huisgerijf stuk geslagen, de twee koeien en -zijn hoenders geroofd en geslacht en hem en zijne vrouw mishandeld. Hij -wilde recht, schadeloosstelling en bestraffing der roovers. - -Zoodra Lumey begrepen had, wat de boer wilde, keerde hij zich met -een ongeduldig schouderophalen af. Voor zulke klachten was hij -doof! Toen de boer aanhield, fronste hij de wenkbrauwen en greep -in zijn langen baard en de officieren stieten den man ruw terug en -wenkten de soldaten, dat zij hem van het kerkhof moesten drijven. Er -lag een zeker medelijden en ruwe goedhartigheid aan deze schijnbare -hardheid ten grondslag, want zij kenden Lumey: was de boer nog een -oogenblik langer gebleven, dan had hij hem zeker laten ophangen. - -Buiten den kring van het rosse toortslicht stond Harm Harmsen en kookte -van machtelooze woede. Daar stonden zij, de vreemde soldeniers, die -hem hadden beroofd en mishandeld en die harige, zwarte duivel, die hem -geen recht had willen verschaffen, was hun opperhoofd. Wat raakte hem, -Harm Harmsen, de strijd om de vrijheid, de zaak van den Koning en van -den Prins. Hij wilde rustig leven op zijn kleine boerderij en visschen -in zijn schuit op de Meer en hij wilde niet bestolen worden. Hij had -om recht gevraagd en zij hadden hem weggestooten en hem met slagen -en schoppen weggedreven. Hij had de oranje-sjerpen en de veldteekens -om de armen der soldeniers wel herkend. Het waren de knechten van -de Geuzen. En zij waren sterk en zij hadden hunne wapens en hij was -alleen, zonder ander wapen dan zijn visschersmes. Hij was er vlug -genoeg mee, als 't op bekkesnijen met zijns gelijken aankwam,--maar op -hen kon hij zich niet wreken. En toen flitste hem een gedachte door -het brein. Kòn hij zich niet wreken? Die daar gingen naar Haarlem, -dat door den Spanjool werd belegerd, om de stad te ontzetten. Zooveel -had hij wel uit de woorden der soldeniers begrepen. Harm Harmsen hield -niet van den Spanjool. Hij haatte de soldaten van beide partijen. Maar -deze hier hadden hem bestolen en geslagen en die daarginds zouden -hem misschien met goede Philipsdaalders zijn verlies vergoeden, -als hij hen waarschuwde, dat de Geuzen hen op 't lijf kwamen vallen... - -Harm Harmsen verliet het kerkplein en begaf zich naar zijn huis, -dat niet ver van den oever lag. Hij kwam er uit met zijn schaatsen -en een langen polsstok. Alle wegen, die van Lisse naar Sassenheim en -verder leidden, waren door de ruiters bezet, dat wist hij wel. - -Maar de Meer...? - -Hij wist, dat het ijs door den sterken dooi hoogst gevaarlijk was, -vol wakken en zwakke plaatsen. 't Was levensgevaarlijk er zich op te -wagen en hij zou den grooten plas ook nooit durven oversteken naar -Haarlem. Maar hij kon dicht langs den oever rijden, waar hij het -ijs kende en hij nam zijn polsstok mede. Zakte hij door het ijs of -reed hij in een wak, dan zou die zijn redding zijn. En hij behoefde -slechts door te rijden naar Bennebroek. Dan kon hij over de slooten -en de weilanden het Spaansche kamp bereiken, dat onder Overveen lag. - -Het pad door de dichte rietbosschen, dat hij blindelings kon vinden, -was spoedig bereikt. Daar lag de Meer voor hem, althans hij wist, -dat die daar moest zijn, want hij had zijn schuit gevonden, die hij -voor weinige dagen op den oever had getrokken. Vlak voor hem zag hij -even het natte ijs, grauw wit in het flauwe schemerlicht. Er begonnen -enkele sneeuwvlokken te vallen. De tocht over het wrakke ijs was -gevaarlijk, levensgevaarlijk! Harm Harmsen wierp een blik achter -zich. Hij zag het licht der pektoortsen in het dorp over het riet -heen, hij hoorde het gerucht van stemmen, het knarsen van de wielen, -het kletteren van wapenen. Wraakzucht en begeerigheid wonnen het: -hij bond zich de schaatsen aan. - -En Lumey en de zijnen vermoedden niet, dat daarginds door de dichte -morgennevels de verachte boer zich heenspoedde naar het Spaansche kamp, -om hunne plannen aan den vijand te verraden. - -De troepen trokken van Lisse op Sassenheim en van daar op Hillegom -aan, thans in marschorde en gereed voor den strijd. Eerst kwamen -de vier kornetten Waalsche ruiters, gewapend met speer en langen -houwdegen. In hun midden reed Jacob Martens, op zijn post als vaandrig, -het Oranje-blanje-bleu vaandel, met de wapenspreuk "Pro Rege, Lege -et Grege", in de rechterhand. De stok van den standaard rustte in een -lederen koker, die aan de rechterzijde van den zadel was bevestigd en -het dragen vergemakkelijkte. Hij droeg de breede sluiersjerp als teeken -van zijn rang over den rechterschouder. Achter de ruiters kwamen de zes -veldstukken met hun twee ammunitiewagens en de bedienende manschappen -op de wagens en de affuiten of te voet. Daarop volgden twintig vendels -Duitsche knechten, onder hunne hoplieden, gewapend met hun lange -pieken en met rapieren, met twaalf busschieters met hunne vuurroeren -op elk vendel. Dan kwam de eindelooze rij der honderd karren, beladen -met mond- en krijgsbehoeften, en een laatste vendel sloot den trein. - -Het was guur en mistig weder. De sneeuw, die den vorigen dag had -gedreigd, begon in groote vlokken te vallen en maakte het voortgaan -op den drassigen weg nog moeilijker. - -De trage wintermorgen begon aan te breken, maar de mist bleef hangen, -een koude, verkleumende mist, die door de mantels en de gevoerde -wambuizen drong en de krijgslieden deed huiveren. Stom en zonder -geestdrift, hier en daar vloekend en grommend, trokken de vendels -voort. - -Voorbij Hillegom boog de weg zich links en het landschap werd -houtrijker. De weg liep langs den duinrand. De binnenduinen waren -met dicht houtgewas, eiken en beuken, begroeid, en ook langs de -rechterzijde van den weg strekte zich een bosch uit van beuken en -lage berken. - -Een hooge en steile duinwand,--de Welige Berg heette hij in den -volksmond, om zijn dicht houtgewas--strekte zich nu uit links van den -weg. De boomen waren natuurlijk bladerloos en slechts met eenig dor -loof bedekt, maar ze stonden zoo dicht op elkander, dat ze, vooral -op een neveligen winterdag, een goede dekking aanboden, aan wie er -zich zou willen verschuilen. - -Een kleine afdeeling ruiters, die als verkenners een paar honderd ellen -vooruit reden, had niets verdachts bemerkt. Het eenzame winterlandschap -scheen uitgestorven. De nevel en de sneeuw maakten, dat men alleen -de naastbij zijnde voorwerpen kon onderscheiden. - -En plotseling, toen de ruiterij en het geschut langs den hoogen -duinwand trokken, flikkerde het rood door den mist tusschen het -geboomte van het duin en den boschrand. Zware schoten dreunden door -de stille winterlucht en een hagelbui van kogels viel neer op de -voorhoede van het kleine leger. Paarden en ruiters stortten neder en -de spits van den troep was in een oogenblik in verwarring. - -Want Harm Harmsen had zijn doel maar al te goed bereikt. Het broze ijs -had hem gedragen en hij was met een zucht van verlichting te Bennebroek -aan wal gestapt en had zich de schaatsen afgebonden. Hij had nu een -grooten voorsprong op het Geuzenlegertje gekregen, maar hij gunde -zich geen rust en trok, met zijn polsstok gewapend, over half bevroren -slooten en weilanden tot hij het Spaansche kamp bereikte. Ten Zuiden -van Haarlem lag Noircarmes met zijne Walen. Toen men hem berichtte, dat -er een boer gevangen was genomen, die tijding scheen te willen brengen, -liet hij Harm voor zich komen en door een tolk ondervragen. Daarop -reed hij spoorslags naar don Fadrique, om hem het bericht te brengen -van den voorgenomen aanval, dien men inderdaad niet vermoedde. - -Maar don Fadrique de Toledo en Noircarmes waren beter krijgsoversten -dan Lumey, die zoo vast op het gelukken zijner verrassing had gerekend, -dat hij geen veldontdekkers vooruit had gezonden om het terrein en -den weg te verkennen. - -Don Fadrique had terstond zevenhonderd van de beroemde Spaansche -haakschutters met hunne nieuwerwetsche, zware musketten gezonden, -om zich op een geschikte plaats in hinderlaag te leggen en de Geuzen -op te houden. Noircarmes rukte hen terstond achterna met een sterke -afdeeling voetvolk en eenige ruiters. - -De Spaansche officier, die de haakschutters aanvoerde, had zijne -maatregelen goed genomen. Hij had zijne manschappen zoo opgesteld, dat -zij den weg bestreken, die Lumey's vendels moesten volgen, terwijl zij, -verscholen tusschen het hout, voor de Geuzen onzichtbaar waren. 't -Laden van een musket was niet het werk van een oogenblik, maar de -Spaansche veteranen wisten toch een geregeld vuur te onderhouden, -dat de aangevallenen in verwarring bracht. - -Lumey bevond zich te Hillegom in een boerenhoeve, waar hij zich warmde -bij een groot vuur op de haardplaat, toen hij het vuren aan de spits -hoorde. Hij liet zich dadelijk het harnas aangespen, dat hij had -afgelegd, en rende met de ruiters, die tot zijn lijfwacht behoorden, -naar het tooneel van den strijd, terwijl hij de hoplieden der Duitsche -vendels, die hij voorbij snelde, toeschreeuwde, met hun mannen de -Spaansche scherpschutters uit hunne schuilhoeken te verjagen. Maar -zijne bevelen kwamen te laat. De verraste ruiters, waarvan er reeds -een aantal gevallen waren, weken terug voor het Spaansche musketvuur, -reden de artilleristen overhoop, die vergeefs hunne stukken in -batterij trachtten te brengen en brachten verwarring in het eerste -vendel der Duitsche voetknechten. En toen gebeurde wat de Welle had -voorzien. De "Bremers" wierpen de pieken weg en sloegen op de vlucht, -zonder op de bevelen hunner officieren te letten. De voerlieden, die -de wagens begeleidden, sneden de strengen der paarden door, sprongen -er op en vluchtten er mede, voor zoover hun die niet door de soldaten -afhandig werden gemaakt. Weldra ontstond er een wilde paniek en het -was de officieren onmogelijk, de vluchtenden te doen stand houden. - -Aan het hoofd van zijn lijfwacht en van de weinige ruiters, die hem -volgden, vocht Lumey als een razende tegen de Spanjaarden, die nu -uit hun dekking te voorschijn kwamen. Twee paarden waren reeds onder -hem doodgeschoten. Een zijner lijfwachts gaf hem het zijne. Toen, -vreezende, dat hij van de zijnen zou worden gescheiden en gevangen -genomen, wendde hij den teugel en vluchtte met de ruiters, die waren -overgebleven. - -En in de verwarring merkten de vluchtenden niet op, dat de vaandrig, -die dapper had stand gehouden, niet bij hen was. - -De plaats van den vaandrig was bij de lijfwacht van den bevelhebber, -en die stond bij de boerderij geschaard, waar de staf te kwader uur -zich had opgehouden. Met het Oranje-blanje-bleu-vendel in de vuist -had Jacob Martens zich met Lumey aan het hoofd van den troep gesteld -en was met hem naar de spits der colonne gerend, om de aanvallende -Spanjaarden het hoofd te bieden. Hij vond er een onbeschrijflijke -wanorde. De mannen, die het geschut bedienden en die hadden getracht -de veldstukken op het terrein naast den weg in batterij te brengen, -werden door de terugwijkende ruiters vertrapt of door de kogels der -Spanjaarden gedood. Jacob zag het lijk van de Welle, hangend over -een der kanonnen, dat in een greppel was gestort. Het voorgevoel van -den ouden Geus had hem niet bedrogen. Hij was door een Spaanschen -kogel getroffen, toen hij trachtte het stuk te redden, waarvan de -bespanning schichtig was geworden. De paarden lagen thans dood voor -het onbruikbaar kanon. - -Jacob wierp een blik van deernis op zijn trouwen metgezel, maar het -was thans de tijd niet om aan de gevallenen te denken. Naast Lumey, -die zijn ruiters toeschreeuwde, stand te houden, hield hij het vaandel -hoog, onder het moordend vuur der Spaansche haakschutters. En even -vóór dat de aanvoerder der Geuzen vluchtte, was zijn paard door een -kogel getroffen en was het doodelijk gewonde dier neergestort. - -Dit gebeurde op een open plek tusschen het hout, ter zijde van den -weg, want daar had Lumey getracht het bosch binnen te dringen, om de -haakschutters uit hun verdekte stelling te verjagen. Zoo kwam het, -dat geen der vijanden hem had zien vallen. Zij hadden zich anders -gehaast, zich meester te maken van het vaandel. - -Hij was met het hoofd op een boomwortel terecht gekomen en een poos -lang lag hij bewusteloos. Toen hij weer bijkwam, was het gevecht -bij den Weligen Berg geëindigd. De Spaansche haakschutters waren uit -het bosch en van het hooge duin te voorschijn gekomen en vervolgden -de vluchtende Duitschers, die hier en daar nog tegenstand boden. In -de verte vernam hij het gejoel van den strijd en van tijd tot tijd -klonk nog een enkel schot. Op den weg hoorde hij den galop van een -afdeeling ruiterij. De ruiters kwamen van den kant van Bennebroek en -Jacob begreep, dat het vijanden waren, die zich haastten om aan de -vervolging deel te nemen en het convooi te plunderen. - -Zijn linkerbeen lag beklemd onder het doode paard. Met moeite -slaagde hij er in zich te bevrijden. Toen hij wilde opstaan, voelde -hij, dat zijn been gekneusd was en dat hij slechts met moeite kon -voortstrompelen. - -Hij wist, dat het einde nabij was. Nog weinige oogenblikken en de -Spanjolen zouden het bosch doorzoeken om de gevallenen te plunderen en -de gewonden af te maken. Hij zou zich niet overgeven. De krijgsmanseer -verbood het. Het was de plicht van den vaandrig vóór alle dingen het -vaandel te redden. Kon hij het niet, dan gaf hij het niet over dan -met zijn leven. - -Hij keek rond naar een plaats, die hem eenige beschutting kon bieden, -want zijn been deed hem pijn. De sneeuw viel nu minder dicht, en -tegen den middag was de mist opgetrokken. Dicht bij den weg zag hij -den bouwval van een kleine kapel, waarschijnlijk in den tijd van -den beeldenstorm verwoest, want door de sneeuw glansden de bladeren -van donkergroene klimop, waarmee de half ingestorte muren waren -begroeid. Eén stuk muur stond nog overeind. Een goede plaats voor -den laatsten strijd. - -Jacob Martens raapte het vaandel op en op de schacht geleund, -strompelde hij naar den bouwval. Hij leunde tegen den muur en liet -het gekwetste been op een stuk hardsteen rusten, een brok van den -vroegeren drempel van het gebouwtje. Toen sneed hij met zijn ponjaard -het vaandel van de schacht en sloeg zich het doek om de schouders. Wie -het wilde veroveren, kon het komen nemen, met zijn leven: zoo gebood -het de eer van den vaandrig. - -'t Zou niet lang meer duren. Er klonken ruwe stemmen in het bosch. De -voorhoede van het voetvolk van den Spanjool was nu ook aangekomen en -drong langs den weg en door het hout vooruit. - -'t Was een vreemd gevoel, daar alleen te wachten op den dood, die -komen ging. Jacob voelde geen vrees, alleen een zeker vreemd gevoel -van nieuwsgierigheid, hoe het laatste oogenblik zou zijn. Men zegt, -dat een drenkeling, in de laatste oogenblikken vóór den dood, zijn -geheele leven aan zijn herinnering voorbij ziet gaan. Zoo ging het ook -hem in die weinige minuten. Een reeks bonte tooneelen ging aan zijn -geestesoog voorbij. Hij zag zich weer bij de Geuzen, op het Fransche -kaperschip, bij de Boschgeuzen. Hij doorleefde weer het afscheid van -Madeleine en de lange uren in den donkeren kelder. Hij was weer in -het ouderlijk huis en hij zag zijn vader en moeder, zijn zuster en -Madeleine, die hij allen liefhad en nu... Waar was dat alles heen? En -wat scheen het lang geleden! Toen, plotseling, zag hij zich weer aan -de havenkade te Gent, en hij zag er de roode kar van den beul en het -bleek gelaat der martelaresse met haar stille, lijdende oogen en hij -hoorde weer de zware, vermanende stem opklinken uit de omstanders: Syt -getrouwe tot in den doet, ende ick sal u geven die crone des levens! - -Zoo was het, ja! Getrouw tot in den dood! - -Getrouw aan de zaak der vrijheid des lands, getrouw aan de zaak van -het Evangelie, gezuiverd van menschenvonden, getrouw aan de goede -zaak, door de edelsten en besten gediend, door onverstand geschaad, -door dweepzucht en wreedheid bezoedeld,--maar toch de zaak Gods. Die -zaak had hij gediend en daarvoor stierf hij. Getrouw tot in den dood! - -Nu zou het oogenblik spoedig daar zijn. Bidden? Ja, nog bidden voor -hen, die hij liefhad en die wel niet eens zouden weten, hoe en waar -hij gevallen was. Een kort gebed: God kende toch zijn hart! En dan -een laatste bede voor zich zelf. Jacob Martens beval zijn ziel aan God. - -En nu was het gekomen. Ruwe stemmen, luide vloeken in het Spaansch -en het Fransch. Twee mannen, met den rooden veldstrik van Spanje om -den arm, kwamen op den bouwval toeloopen: een reeds bejaard sergeant -van de Spaansche musketiers en een Waalsche voetknecht, gewapend met -zijn pertuisane. - -Jacob trok den degen en wachtte den aanval af. - -De beide mannen bleven een oogenblik als verbijsterd staan. Die -bleeke jonge man, met het vaandel over de schouders en de breede -oranje sluiersjerp over de borst--wat deed hij in dien ouden bouwval? - -Toen slaakten zij een kreet van blijdschap en triomf. Het -Geuzenvaandel! Zij zouden het buit maken. En de eer en de belooning -zouden voor hen zijn. - -De sergeant was de voorste. Hij zwaaide zijn korten hellebaard, het -teeken van zijn rang als onderofficier, en riep den Geuzenvaandrig -in goed Spaansch toe, dat hij zich zou overgeven. Jacob verstond -hem. Hij schudde het hoofd en met den degen in de rechter- en den -ponjaard in de linkervuist, wachtte hij den vijand af. - -De Spanjool drong op hem in, maar het was of hij geen gebruik wilde -maken van het voordeel, dat zijn wapen hem schonk. Hij zag wel, dat -zijn tegenstander gewond was en zich moeilijk bewoog en hij spaarde -hem. Misschien voelde de veteraan eenig medelijden met zijn jeugdigen -tegenstander, misschien wilde hij de eer hebben, een officier der -Geuzen levend gevangen te nemen. Hoe dit zij, hij vergenoegde zich met -de stooten van Jacob te pareeren, en wachtte op een goede gelegenheid -om hem te ontwapenen. - -De Waalsche soldenier begreep niets van die edelmoedigheid. Waarom -sloeg de Spanjool niet toe? De buit was immers voor het grijpen? Daar -naderden reeds andere knechten en ten slotte zou men nog de belooning -moeten deelen. Als de Spanjool aarzelde, dan... - -Hij velde de lange pertuisane en op het oogenblik, dat Jacob een stoot -van den hellebaard met zijn ponjaard pareerde, stiet hij hem de lange, -stalen punt onder den linkerarm in het lijf. - -Jacob Martens zonk achterover tegen den muur; de degen ontviel aan -zijn hand. Het lange ijzer van de piek had hem het hart doorboord. Hij -was onmiddellijk dood. - -Met een vloek wierp zich de sergeant op den gevallene om zich van -het vaandel meester te maken, maar de piekenier trachtte het hem te -ontrukken. Andere Waalsche knechten waren naderbij gekomen, en kozen -de partij van hun landgenoot tegen den Spaanschen onderofficier en -de twist dreigde in een bloedige vechtpartij over te slaan. - -Er klonken hoefslagen op den weg. Een officier van Noircarmes, met -de roode sjerp over het blinkend kuras, reed nader met een afdeeling -ruiterij. Zij waren gekomen, om de veroverde veldstukken in veiligheid -te brengen. - -De luide stemmen der twistenden trokken de aandacht van den officier -en hij reed nader. Het was Thierry de St. Foy. - -Met een paar woorden besliste hij het geschil. De twee mannen, die -het vaandel hadden veroverd, zouden het samen aan den Spaanschen -bevelhebber brengen en de belooning deelen. Toen wierp hij een -onverschilligen blik op den doode en een oogenblik was er een spoor van -ontroering op zijn bleek, koud gelaat. Hij had Jacob Martens herkend. - -Thierry hield nog een oogenblik zijn paard in en staarde op den -vriend van zijn jeugd, den dwazen, edelmoedigen Jacob, die alles had -opgegeven, om de zaak der verdrukten te dienen, en die nu gevallen -was, zonder roem, in een onbeteekenende schermutseling, strijdende -voor een verloren zaak. Terwijl hij, Thierry de St. Foy... - ---"Hij moet begraven worden!" beval hij kortaf zijn soldeniers. - -Toen reed hij langzaam heen. - -De Walen hadden er niet veel lust in, een graf te delven in den harden -grond, waarvan alleen de bovenste laag ontdooid was. Toch durfden -zij het bevel niet ongehoorzaam zijn. Zij maakten zich meester van -de wapenrusting van den doode en van alles, wat eenige waarde voor -hen had. Toen stieten zij met hunne pieken het wrakke muurwerk omver -en bedolven het lijk onder het puin. - -'t Was al mooi genoeg voor den Geus, vonden zij. - -En Jacob Martens bleef achter in zijn naamloos graf, de Nederlander, -die alles had prijsgegeven voor de vrijheid van zijn land en voor -de goede zaak: zijn ouders, zijn toekomst, zijn bruid en nu ook -zijn leven. - -En Thierry de St. Foy reed met de veroverde kanonnen naar het Spaansche -kamp en hij kwam er terug als overwinnaar, hij, de Nederlander, -die zich aan den vreemdeling had verkocht voor eer en goud, hij, -de benijde echtgenoot van de schoone en rijke Madeleine de Bette, -van wier schoonheid en... coquetterie heel Brussel sprak, hij, die -de wapenen voerde tegen zijn verdrukte landgenooten. - -Wie van beiden was de gelukkigste? - -De vroege winteravond begon te vallen en de Spanjolen en Walen keerden -juichend met hun buit en hun gevangenen naar het kamp terug. - -Toen zij weggetrokken waren, slopen de arme boeren uit de omliggende -dorpen naderbij, om zich meester te maken van wat er nog van het -vernielde convooi was overgebleven. Er waren er, die het hooge duin -beklommen, om de aftrekkende troepen na te oogen. Zij konden in de -verte de donkere massa onderscheiden van het ten ondergang gedoemde -Haarlem, waarop de oude St. Bavo somber en ernstig neerzag, en de -vuren der belegeraars te Overveen. - -Tegen den avond was het weder helder geworden en het laatste licht -van den zonsondergang verlichtte nog even de hooge toppen,--als een -belofte van een betere toekomst aan de arme, door den vreemdeling -vertreden Nederlanden. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] De spotnamen, die het Gereformeerde volk aan de hostie gaf. - -[2] In onze Bijbelvertaling psalm 139: 9-13. - -"Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der -zee, ook dáár zou Uwe hand mij geleiden en Uwe rechterhand zou mij -houden. Indien ik zeide: de duisternis zal mij immers bedekken, dan -is de nacht een licht om mij. (Roomsche vertaling: zoo zal toch ook -de nacht mij tot een licht zijn in mijne geneugten). Ook verduistert -de duisternis voor u niet.... (Roomsche vertaling). "Want voor u is -de duisternis niet donker." - -[3] "Verlos ons van den booze!" - -[4] In de jaren 1567 en 1568 werden door de Boschgeuzen in -West-Vlaanderen de kerken verwoest te Herzeele, Houtkerken, -Hondschoten, Killem, Oost-cappel, Winnezeele, Oudezeelen, Reynighelst, -Lokeren, Kemmele en Dracoultre. - -De namen der door hen in die jaren vermoorde dorpsgeestelijken zijn: -Henricus Turck, pastoor van Oostcappel, Martinus Necrosius, pastoor -van Hondschoten, Franciscus de la Fosse, pastoor van Rexspoede, -Antonius van den Clyte, pastoor van Ruebrouck, Petrus Famelast, -pastoor van Richebourg (Wynckius, Histoire des Gueux-des-Bois). - -[5] 't Heeft den man weinig gebaat. Hij is in 1569 te Gent onthoofd. - -[6] En geen tweehands zwaarden, zooals Hofdijk ten onrechte schrijft. - -[7] Thans Maassluis. - -[8] "Wij en warren geen drij honderd," zegt Jonkheer Frederik van Dorp -in zijn dagboek. Vermoedelijk ziet dat op de bemanning der schepen, -die op dat oogenblik voor Brielle waren geankerd. Voor de bemanning -der geheele Geuzenvloot--immers 26 schepen--is dat getal te gering. - -[9] Men heeft er den Prins een verwijt van gemaakt, dat hij Lumey, -den moordenaar der Gorcumsche priesters, tot zijn vertegenwoordiger -benoemde. Evenwel ten onrechte. De aanstelling is niet gedateerd, -maar de daarbij gevoegde instructie is van 20 Juni. Toen was Gorcum -zelfs nog niet in de handen der Geuzen. 't Is niet waarschijnlijk, -dat Oranje reeds den 22sten Juli bericht had ontvangen, van hetgeen -er in den Briel was gebeurd, maar al ware dit wel het geval geweest, -dan zou het zeer moeilijk zijn geweest, de aanstelling ongedaan te -maken. Lumey stond aan 't hoofd van een aanzienlijke krijgsmacht; -de steden aan de Maas waren in de handen van zijn Watergeuzen. Bij -het heftigste en roerigste deel van zijn volgelingen stond hij in -hoog aanzien en zeker zou hij zich niet zonder meer van zijn post -hebben laten ontzetten. Ernstige verdeeldheid onder de aanhangers -van Oranje zou op dat oogenblik noodlottig zijn geweest voor de -zaak der vrijheid. In Januari 1573 werd Lumey, na nieuwe daden van -wreedheid en verzet, gevangen genomen en van zijne waardigheden -vervallen verklaard. Hij bleef in hechtenis, eerst op 't kasteel -van Gouda, toen op het slot Honingen bij Rotterdam, eindelijk op -het fort Rammekens in Zeeland. Toen vertrok hij naar Aken. Zijne -houding was na 1573 zeer dubbelzinnig. Waarschijnlijk heulde hij met -de Spanjaarden. Hij stierf aan de gevolgen van een slecht verzorgde -wond, volgens sommigen aan den beet van een dollen hond. - -[10] Cornelis Musius is eigenlijk den 10den December te Leiden ter -dood gebracht, doch zeer zeker op bevel van Lumey. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Jacob Martens, by G. C. Hoogewerff - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JACOB MARTENS *** - -***** This file should be named 53926-8.txt or 53926-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/3/9/2/53926/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/53926-8.zip b/old/53926-8.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 9941364..0000000 --- a/old/53926-8.zip +++ /dev/null diff --git a/old/53926-h.zip b/old/53926-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 7f86e1a..0000000 --- a/old/53926-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/53926-h/53926-h.htm b/old/53926-h/53926-h.htm deleted file mode 100644 index f61730a..0000000 --- a/old/53926-h/53926-h.htm +++ /dev/null @@ -1,15043 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" -"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2017-01-08T11:33:24Z. --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta name="generator" content= -"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> -<title>Jacob Martens: een verhaal uit de zestiende eeuw</title> -<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii"> -<meta name="generator" content= -"tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content= -"Godfried Christiaan Hoogewerff (1857–1935)"> -<link rel="coverpage" href="images/voorkant.jpg"> -<link rel="schema.DC" href= -"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content= -"Godfried Christiaan Hoogewerff (1857–1935)"> -<meta name="DC.Title" content= -"Jacob Martens: een verhaal uit de zestiende eeuw"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content=""> -<style type="text/css"> -body { -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -font-size: 100%; -line-height: 1.2em; -text-align: left; -} -.div0 { -padding-top: 5.6em; -} -.div1 { -padding-top: 4.8em; -} -.div2 { -padding-top: 3.6em; -} -.div3, .div4, .div5 { -padding-top: 2.4em; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -line-height: 1.2em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument -{ -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -padding-top: 2.4em; -padding-bottom: 1.6em; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -.pagenum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.abbr { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -height: 1px; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -width: 45%; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5em; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -line-height: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -line-height: 1em; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.40em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.71em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0em 0.05em 0 0; -padding: 0px; -line-height: 0.8em; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -line-height: 1.2em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.advertisment { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -a.noteref, a.pseudonoteref { -font-size: 80%; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .label, .par.footnote .label { -float: left; -width: 2em; -height: 12pt; -display: block; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -line-height: 1.2em; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0%; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0%; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.indextoc { -text-align: center; -} -.transcribernote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.correctiontable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0% 7em 0%; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 3.5em; -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0% 2em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em 0% 2em 0%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0% 0em 0%; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.72em; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTop, .figBottom { -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0% .5em 0%; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0% 0 0%; -} -span.hemistich { -color: white; -} -.versenum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pglink, .catlink, .exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-repeat: no-repeat; -background-position: right center; -} -.pglink { -background-image: url(images/book.png); -padding-right: 18px; -} -.catlink { -background-image: url(images/card.png); -padding-right: 17px; -} -.exlink, .wplink, .biblink, .seclink { -background-image: url(images/external.png); -padding-right: 13px; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover { -background-color: #FFDCDC; -}body { -background: #FFFFFF; -font-family: "Times New Roman", Times, serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, .h1 { -padding-bottom: 5em; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum -{ -color: #660000; -} -.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteref:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -}.pagenum, .linenum { -speak: none; -} -</style> - -<style type="text/css"> -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd24e106width -{ -width:510px; -} -.xd24e112 -{ -text-align:center; -} -.xd24e117width -{ -width:490px; -} -.xd24e136 -{ -text-align:right; -} -.xd24e990 -{ -text-indent:2em; -} -.xd24e2413 -{ -text-indent:4em; -} -.xd24e3305 -{ -text-indent:6em; -} -@media handheld -{ -} -</style> -</head> -<body> - - -<pre> - -The Project Gutenberg EBook of Jacob Martens, by G. C. Hoogewerff - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - - -Title: Jacob Martens - Een verhaal uit de zestiende eeuw - -Author: G. C. Hoogewerff - -Release Date: January 8, 2017 [EBook #53926] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ASCII - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JACOB MARTENS *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - - - - - -</pre> - -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e106width"><img src="images/voorkant.jpg" alt= -"Oorspronkelijke voorkant." width="510" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first xd24e112">JACOB MARTENS</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divBody"> -<p class="par first"></p> -<div class="figure xd24e117width"><img src="images/titelpagina.jpg" -alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="490" height="720"></div> -<p class="par"></p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="mainTitle">JACOB MARTENS</div> -<div class="subTitle">EEN VERHAAL UIT DE ZESTIENDE EEUW</div> -</div> -<div class="byline">DOOR<br> -<span class="docAuthor">G. C. HOOGEWERFF</span></div> -<div class="docImprint"> -<p class="par first"><span class="epigraph">Een goede zaak wordt niet -slecht, omdat sommige van hare voorstanders kwaad hebben bedreven; zij -wordt reiner in onze oogen, naarmate zij zich scherper van het bedrijf -der zoodanigen afscheidt.</span></p> -<p class="par xd24e136"><span class="epigraph"><span class="sc">R. -Fruin</span></span></p> -</div> -<div class="docImprint">NIJKERK—G. F. CALLENBACH<br> -<span class="docDate">1921</span></div> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name= -"pb5">5</a>]</span></p> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">I.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">’t Was een van de eerste dagen van -Zomermaand van het jaar 1566, zeer vroeg in den ochtend.</p> -<p class="par">De zware voordeur van een deftige heerenhuizing, gelegen -aan de Vrijdaegsmarkt te Gent, werd voorzichtig geopend en twee -jongelieden traden naar buiten. Ze waren voorzien van lange, -groengeschilderde hengelroeden en stevige linnen tasschen: blijkbaar -was het om een aanslag op het „schubbigh watervolck” te -doen, dat zij zoo vroeg uit de veeren waren, nu, volgens de -oud-stedelijke keure, „het visschen met angelroeden, schakelen -ende ander visscherstuygh” sinds den eersten van Zomermaand weder -was geoorloofd.</p> -<p class="par">Een van de beide hengelaars was haastig het met boomen -bezette plein een eindweegs opgeloopen en had een blik geworpen op de -windvaan onder ’t kruis van de St. Jacobskerk, die haar ouden, -zwaren toren statig boven de deftige huizen van de Oostzijde der markt -verhief.</p> -<p class="par">—„Een Zuidwesten wind en een beloken lucht, -Thierry,” riep hij vroolijk. „Dat belooft een goede -vangst!”</p> -<p class="par">—„’t Mag zeker wat bijzonders zijn, -als ’t de moeite zal loonen, zoo voor dag en dauw het bed te -ruimen,” zei de aangesprokene, die blijkbaar niet zeer in zijn -humeur was.</p> -<p class="par">’t Was een slank jonkman van ongeveer twintig -jaren, met een donker uiterlijk. Een trek van onverschillige -hooghartigheid lag op het welbesneden, bleek gelaat en de koele, -gebiedende blik der donkere oogen versterkte dien indruk. <span class= -"pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6" name="pb6">6</a>]</span></p> -<p class="par">Hoewel het doel van den tocht zeker een eenvoudige -kleeding het meest doelmatig en wenschelijk maakte, was hij keurig -gekleed in een wambuis en broek van bruin Diestsch laken, waarvan de -insnijdingen in de opgedofte mouwen de geelsatijnen voering vertoonden. -De lange zeemlederen hozen verdwenen in een paar keurige -rijlaarzen.</p> -<p class="par">Zijn makker scheen iets jonger. ’t Was een echte -zoon van het land. Lange blonde haren fladderden in den frisschen -morgenwind, om een echt Vlaamsch gezicht, wit en rood, met heldere -blauwe oogen. Die oogen tintelden thans van schalkheid en levenslust, -maar het hooge voorhoofd en de fijn besneden mond deden vermoeden, dat -ze veel méér konden uitdrukken, dat ze konden fonkelen -van toorn en verontwaardiging en voor zich uit staren met den zoekenden -blik van den dichter en dweper.</p> -<p class="par">Hij zag er vrij wat eenvoudiger uit dan zijn metgezel. -Hij droeg een nauwsluitend pak van groen laken, al tamelijk versleten, -en een kaproen van dezelfde stof, terwijl zijn bruine hozen haast niet -zichtbaar waren door een paar flinke waterlaarzen.</p> -<p class="par">Thans keek hij den ander aan met een oolijken trek op -het gelaat.</p> -<p class="par">—„Arme kerel,” zei hij spottend, -„heb je de veêren zoo lief? Hoe je Brussel zult missen in -ons goede, oude Gent. Maar wij geven je wat wij hebben, en als de -Fonteynisten, onze kamerbroeders, niet spelen en de Gilden geen feest -geven, dan schieten wij met den boog of wij visschen.”</p> -<p class="par">—„Ik zal je wat anders laten zien, als je te -onzent komt, te Brussel,” zei Thierry, met een minachtenden -glimlach. „Een zomerfeest in de tuinen van Mevrouw van Parma is -wat eêls! En al geven de Geuzen-edelen hun lakeien een grauwe -livrei, om Mevrouw te plagen, hunne feesten zijn er niet minder om! -Floris van Culemborg weet te leven!”</p> -<p class="par">Al sprekende waren de beide jongelieden het met -<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name= -"pb7">7</a>]</span>boomen bezette plein overgestoken. Achter hen sloeg -de zware klok van St. Jakob drie uren.</p> -<p class="par">—„Culemborg, Brederode en de hunnen weten te -leven, Jacques, dat zeg ik je,” herhaalde Thierry. „Jammer -dat ’t verraders zijn van onzen Heere, den Koning van -Spangiën.”</p> -<p class="par">’t Werd op spottenden, tartenden toon gezegd, -blijkbaar om verzet uit te lokken, en de spreker slaagde naar wensch. -Een hooge blos kleurde het gelaat van den jongen Vlaming en zijn blauwe -oogen flikkerden.</p> -<p class="par">—„’t Zijn geen verraders, die de -rechten en vrijheden van den lande verdedigen tegen vreemd -geweld!” riep hij levendig.</p> -<p class="par">—„Vreemd geweld! En dat van den Koning, -onzen genadigen Heere!” spotte de ander. „Fraaie taal voor -den zoon van den president van ’t Hof van Vlaanderen! Jacobje, -Jacobje, wat een rebelsche taal. Draag je nog geen geuzennapje op de -muts, als je vrienden in Brussel en Antwerpen? Fij van zoo’n -jongen rebel!”</p> -<p class="par">—„Fij van den Nederlander, die heult met de -creaturen van den Kardinaal, Thierry de St. Foy!” riep de blonde -jonkman met vuur.</p> -<p class="par">Thierry lachte gedwongen.</p> -<p class="par">—„Als de visch straks zoo goed bijt, als -jij, Jacob Martens,” zei hij schijnbaar luchtig, „dan -vangen wij de Lys leeg! Een enkel woord over de kostelijke voorvechters -van je dierbare vrijheden is lokaas genoeg! Voor ’t overige kan -ik niet zeggen, dat je vrijheidszin je hoffelijk maakt voor je -gast!” liet hij er ernstiger op volgen.</p> -<p class="par">Jacob Martens bleef staan.</p> -<p class="par">—„Je hebt gelijk, Thierry!” zei hij -gulhartig. „Vergeef mij mijn uitval. Je bent te Brussel aan -’t hof en misschien kun je voor deze dingen niet -zóó voelen als wij!”</p> -<p class="par">—„Alsof ’t er op aankwam, wat wij -voelden of dachten!” riep Thierry. „Geloof maar vrij, dat -Brederode en Culemborg de zaken niet zoo ernstig opnemen <span class= -"pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>als jij, -eeuwige dweper! Zij mogen schreeuwen over de plakkaten en de Inquisitie -en hun bedienden in grauw livrei steken, zij vieren feest en laten het -geld rollen en drinken als tempeliers!”</p> -<p class="par">—„Laten we liever over wat anders -spreken!” zei Jacob Martens.</p> -<p class="par">—„Bijvoorbeeld over de mooie bruine oogen -van joffer Madeleine?” zei St. Foy met een snellen, loerenden -blik.</p> -<p class="par">Jacob Martens kleurde.</p> -<p class="par">—„De oogen van joffer Madeleine de Bette -behoeven niet te worden besproken door twee jonge fanten, die uit -visschen gaan!” zei hij kort en droog.</p> -<p class="par">Weer barstte Thierry in lachen uit.</p> -<p class="par">—„Of je je verliefdheid verraadt, Jacques! -’t Is aandoenlijk! De mooie oogen van joffer Madeleine te heilig -om er over te praten? Ik weet, dat zij er anders over denkt! Ze -glinsterden ten minste van pleizier, toen je neef Boelman, de -Fonteynist, het refrein voorlas, dat hij voor haar gemaakt had. Hoe was -’t ook weer:</p> -<p class="par">„Twee vierighe keerskens, die bernen als -sonnen!”</p> -<p class="par">Jacob Martens antwoordde niet en liep stevig door.</p> -<p class="par">—„Ben je al geen retrosijn, Jacques, je hebt -toch zeker ook al verzen voor haar geschreven. Mag ik ’t haar -eens vragen?” ging de plaaggeest voort.</p> -<p class="par">Jacob had zich intusschen hersteld en begrepen, dat hij -het best deed zijn makker met gelijke munt te betalen.</p> -<p class="par">—„Je moogt wel praten van verliefdheid, -Thierry de St. Foy,” antwoordde hij vroolijk. „Wie zoekt er -altijd het gezelschap van de zoete joffers, en houdt amoureuse -propoosten? Als een jonker uit Brussel ze bezighoudt, hebben de meiskes -oogen noch ooren voor een simpelen scholier als ik.”</p> -<p class="par">Nu was de beurt aan Thierry om te kleuren.</p> -<p class="par">—„Zeg maar, dat je jaloersch bent, -Jacques!” zei hij.</p> -<p class="par">—„Natuurlijk! Wie zou er niet jaloersch -zijn, als de zoete meiskes zoo aan je lippen hangen, wanneer je -<span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name= -"pb9">9</a>]</span>vertelt van het Hof van Mevrouw van Parma en de -schoone feesten en brillante partijen, van menuetten en sarabandes. Wat -zullen wij simpele Vlaamsche knechten beginnen, als een page van den -hertog van Aerschot onze maagdekens het hoofd op hol komt -maken.”</p> -<p class="par">De donkere jonkman beet zich op de lippen.</p> -<p class="par">—„De zoon van den president van den Raad van -Vlaanderen behoeft niet jaloersch te zijn van een armen -hofjonker,” zei hij bits. „Joffer Madeleine en haar schoon -goed zijn u in de wieg al toegedacht.”</p> -<p class="par">Jacob Martens zweeg, verontwaardigd en verlegen -tegelijk. Hij was overtuigd, dat hij geen aanleiding gegeven had tot -den ruwen uitval. Maar wat zou hij er op antwoorden? Hij had er niet -aan gedacht, zijn vriend, een jongeren zoon uit een verarmde adellijke -familie uit Brabant, te kwetsen, en zoo hij zich schertsend had -verdedigd, dan was het omdat hij zeker in Thierry geen vertrouwde -gevonden had voor zijn gevoel voor Madeleine de Bette, die hij liefhad -met de mooie eerste liefde van een jong en rein hart.</p> -<p class="par">Zwijgend stapten de beide jongelieden voort door de -slapende straten van de oude Vlaamsche hoofdstad. De luiken der -schilderachtige gevels waren overal nog gesloten op dit vroege -ochtenduur, en Gent sliep nog in de grijze grauwe morgenschemering.</p> -<p class="par">Ze gingen langs het Hagenklooster en het sombere -Simpelhuys met zijn getraliede vensters, langs het groote klooster der -Penitenten en het Hebbeliens-hospitaal en liepen thans langs een der -gemetselde kaden, waartusschen de Lys vloeide. De deftige huizen -maakten plaats voor eenvoudiger woningen met uitstekende of -overhangende houten gevels, de steenen muur ging over in een met gras -begroeide kade, de nauwe straten gingen over in verstrooide buurten, en -eindelijk liepen zij tusschen weiden en korenvelden, want het oude Gent -had zich uitgebreid en zijne landelijke voorsteden gastvrij opgenomen -in zijn beschermende wallen. De weg <span class="pagenum">[<a id="pb10" -href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>liep uit op een zonderling en -grillig gebouwtje: het oude Peterscellepoortje, of Pieterseliepoortje, -zooals het volk zeide.</p> -<p class="par">—„Is dàt de poort? En zouden ze ons -zoo vroeg openmaken?” vroeg Thierry.</p> -<p class="par">—„Geen nood!” zei Jacob Martens. -„Aegte Jansdochter, mijn oude min, is er portierster. Ik heb haar -een boodschap gezonden, dat zij van morgen vroeg poortgeld kon -verdienen, en zij zou meer voor mij doen, als ’t noodig was, dan -eens wat vroeg uit de veeren te zijn. En buiten de poort wacht ons de -beier met het aas.”</p> -<p class="par">Hij had niet tevergeefs op de portierster gerekend. Een -kloek Vlaamsch wijf kwam uit het lage huisje bij de poort schieten en -heette hen met een vriendelijk lachend gezicht welkom.</p> -<p class="par">—„Hoe gaat het, Aegte? Niet boos, omdat wij -je zoo vroeg uit de veeren halen?” vroeg Jacob Martens gul.</p> -<p class="par">—„’t Is de eerste keer niet, jonker -Jacob, dat je mij te vroeg uit ’t bedde haalt,” zei Aegte -Jansdochter met een breeden lach. „En dat heb ik wel voor mijn -voedsterkind over. Alles wel thuis, jonker?”</p> -<p class="par">—„Best, Aegt. Moeder alleen is, als altijd, -zwak. Maar nu de sleutels! <span class="corr" id="xd24e259" title= -"Bron: wij">Wij</span> gaan visschen!”</p> -<p class="par">De sleutels rammelden; het winket in een der zware -poortdeuren draaide knarsend op zijn hengsels en Aegt stak de -poortstuivers op.</p> -<p class="par">—„Goede vangst, jonkers!”</p> -<p class="par">De beide hengelaars stonden buiten de poort en zagen om -zich heen. Achter hen lag de slapende stad, vóór hen -strekten zich de welige landouwen van West-Vlaanderen uit, de vette -weiden en golvende korenvelden, sluimerende onder de lichte -morgennevels van een beloken Junimorgen. Rechts slingerde zich de Lys, -aan haar steenen banden ontkomen, langs haar met riet en lisch -begroeide boorden, in breede bochten door het groene landschap. -<span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name= -"pb11">11</a>]</span></p> -<p class="par">Jacob Martens en zijn gast verlieten den weg en sloegen -een voetpad in, dat hen door de akkers naar de rivier voerde.</p> -<p class="par">—„Waar blijft de koddebeier nu, met het -aas?” vroeg de Brusselaar.</p> -<p class="par">Martens wees op een alleenstaanden boom, dicht aan den -oever.</p> -<p class="par">—„Daarginds, bij dien esch, zou hij ons -wachten. Je zult hem wel zoo dadelijk zien. De Welle is een man van -zijn woord.”</p> -<p class="par">Weldra hadden ze den oever en den boom bereikt. Een man, -die, tegen den stam geleund, peinzend naar de kabbelende golfjes van de -Lys had staan kijken, trad hen tegemoet.</p> -<p class="par">’t Was een lange, magere gestalte, gehuld in een -grijslinnen kiel, die hem tot aan de knieën reikte. Op het rossig -blonde haar droeg hij een ruige muts, waarin een eikelkapje was -gestoken. Het bruine, door wind en zon getaande gelaat was vol rimpels, -als een overjarige appel. Twee felle, lichtblauwe oogen keken de beide -jongelieden aan met den scherpen blik, dien men zoo dikwijls bij jagers -en boschbewoners vindt.</p> -<p class="par">—„Goed op je tijd gepast, Pieter de -Welle,” riep Jacob Martens, terwijl hij den langen man -trouwhartig de hand reikte. „Wat dunkt je van het -weer?”</p> -<p class="par">De koddebeier bracht even de hand aan zijn ruige -muts.</p> -<p class="par">—„Een kostelijke dag, jonker Jacob. De visch -zal goed bijten.”</p> -<p class="par">De toon van den man was noch lomp noch overdreven -onderdanig. Er sprak een ruwe vriendelijkheid en zekere gemeenzaamheid -uit. Zijn felle blauwe oogen richtten zich nu onderzoekend op Thierry -de St. Foy.</p> -<p class="par">—„Een vriend van mij, Pieter,” zeide -Jacob, als antwoord op den vragenden blik. „Onze gast uit -Brussel.”</p> -<p class="par">De koddebeier knikte weer. Thierry ergerde zich -blijkbaar aan den gemeenzamen toon en den onderzoekenden <span class= -"pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span>blik van -den langen man en draaide hem den rug toe.</p> -<p class="par">—„Hier is het aas, jonker,” zei de -Welle, terwijl hij op een houten bak wees, die aan den voet van den -boom stond. „Levende voorntjes, dauwwormen en geronnen -ossenbloed! Zal ik de hengels maar klaarmaken? Hier heb ik het -schepnet.”</p> -<p class="par">Hij nam de hengels en hield zich ijverig bezig met de -snoeren en simmen. De jonkers zouden eerst hun geluk beproeven op -snoek, met vischjes en stukken geronnen bloed.</p> -<p class="par">Terwijl de koddebeier de vischsnoeren op de vereischte -lengte bracht en het aas aan de haken bevestigde, trad Thierry op zijn -makker toe.</p> -<p class="par">—„Die koddebeier van je vader is een -Geus!” beet hij hem in het oor.</p> -<p class="par">—„Och kom!” riep de ander -ongeloovig.</p> -<p class="par">—„’t Is een Geus, zeg ik je,” -hield Thierry vol. „Kijk maar naar dat eikelkapje op zijn muts. -Dat is het teeken. De edelen en burgers dragen de houten napjes aan den -hoed en de boeren de eikelkapjes. Ik heb ze te Brussel gezien, uit de -omstreken van Antwerpen. Dààr wemelt het van Geuzen en -Sacramentarissen!”</p> -<p class="par">—„’t Mag zijn,” zei Jacob -Martens schouderophalend, „Geus of niet, ’t is altijd een -eerlijke kerel geweest en ik mag hem graag lijden.”</p> -<p class="par">—„Een mooie dienaar voor den -president!” schimpte Thierry.</p> -<p class="par">Weer kleurde Jacob en schitterden zijn oogen.</p> -<p class="par">—„Wil dan toch begrijpen, Thierry,” -zei hij heftig, „dat wij, Gentenaars anders denken dan jelui te -Brussel. Wat raakt het mijn vader, hoe het hof over zijn dienaars -denkt?”</p> -<p class="par">—„Je vader is een dienaar van den -Koning!” hield Thierry vol.</p> -<p class="par">—„Wij zijn dienaars van den Koning, als -graaf van Vlaanderen!” riep Jacob levendig. „Maar wij zijn -vrije <span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name= -"pb13">13</a>]</span>mannen van Gent en houden vast aan onze rechten en -privilegiën.”</p> -<p class="par">—„Voor zooveel de Keizer die den vromen -Gentenaars gelaten heeft,” tergde St. Foy.</p> -<p class="par">—„’t Aas is klaar, jonkers!” -riep de Welle.</p> -<p class="par">Hij had ongemerkt meer van het gesprek verstaan, dan de -beide jongelieden dachten, en hij achtte het verstandig, het af te -breken.</p> -<p class="par">Jacob Martens vatte den langen hengel en liet het levend -aas met den vluggen zwaai van een geoefend visscher in de golfjes van -de Lys neerploffen. Thierry volgde zijn voorbeeld, maar hij bleek -onhandig. Zijn snoer verwarde in het riet en de Welle moest hem te hulp -komen.</p> -<p class="par">Toch scheen de fortuin den onbekwamen visscher te -begunstigen. Nauwelijks dreef zijn dobber op het water, of hij verdween -met een korten ruk en de lijn van de klos, die aan zijn voeten lag, -liep snel af.</p> -<p class="par">—„Een flinke snoek! Vieren, jonker!” -riep de koddebeier.</p> -<p class="par">Thierry liet de lijn uitloopen en palmde die toen, op de -Welle’s aanwijzing, zachtjes en voorzichtig in. Toen de snoek -weer aan de oppervlakte was, schoot hij weer de diepte in en het snoer -werd weer gevierd.</p> -<p class="par">St. Foy kreeg pleizier in het werk. Aanvankelijk had hij -zijn gastheer slechts met tegenzin vergezeld, maar het geluk lachte hem -toe. Jacob, de ervaren visscher, werkte tevergeefs met zijn lijn, en -hij had terstond beet. Het lag in zijn aard, gaarne de eerste te -zijn.</p> -<p class="par">Hij had er behoefte aan, op zijn succes te pochen en -zijn makker te plagen.</p> -<p class="par">—„Ik heb hem vast!” riep hij -zegevierend. „Ik heb hem, als de Koning zijn erflanden. De edelen -mogen spartelen aan de lijn, maar ze komen niet los! Zoo min als de -snoek!”</p> -<p class="par">’t Was of het beest hem verstond, of misschien -verzuimde de koddebeier opzettelijk, het sein te geven om de lijn op -het juiste oogenblik te laten schieten. De <span class= -"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span>kop van -den snoek, die nog lang niet vermoeid was, verscheen boven de -oppervlakte van het water. Te vroeg! Een forsche slag met den staart en -bevrijd van den hoek schoot de visch weg in de diepte.</p> -<p class="par">Jacob schoot in een luiden lach, toen, hij het beteuterd -gezicht van zijn makker zag, die met de losse lijn in de hand, vol -teleurstelling in het water staarde. Achter hen klonk een onderdrukt -gegrinnik. Thierry wendde zich boos om, maar het gerimpeld gezicht van -den koddebeier bewoog niet. Alleen de kleine blauwe oogen flikkerden -van inwendig genoegen.</p> -<p class="par">Met een boozen blik en een gemompelde verwensching -wendde de Brusselaar zich af.</p> -<p class="par">—„Neem mij niet kwalijk, Thierry,” zei -Jacob, die begreep, dat zijn gast beleedigd kon zijn door zijn lachen, -„’t spijt me heusch, dat je zoo ongelukkig was. Maar -’t was ook al te dwaas! Jij de Koning, de snoek<span class="corr" -id="xd24e355" title="Niet in bron">,</span> de erflanden, die zoo vast -aan de lijn zaten! En dan... paf, weg was de snoek!”</p> -<p class="par">—„Lach maar!” bromde de teleurgestelde -visscher. „De Koning zal jou en alle Geuzen het lachen wel -verleeren.”</p> -<p class="par">Hij wierp een schamperen blik op Pieter de Welle, maar -deze scheen niet op hem te letten en hield zich ijverig bezig met den -hengel, dien hij opnieuw van levend aas voorzag.</p> -<p class="par">De visschers volgden den linkeroever van de Lys. Ze -zouden de rivier afvisschen tot boven Gent; dan zouden zij den stroom -oversteken en de stad door de Walepoort weer binnenkomen.</p> -<p class="par">De morgenschemering begon meer en meer te wijken. -’t Liet zich echter aanzien, dat de zon niet zou doorbreken. De -hemel bleef egaal grijs, met hier en daar een donkergrauw wolkje. Soms -vielen er eenige regendruppels, die kringetjes maakten in het -loodkleurige water.</p> -<p class="par">De zilveren pluimen der rietbossen wuifden zachtjes in -het Zuidwesten windje. Soms vloog een eend of een <span class= -"pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span>pluvier, -luid krijschend, op. Anders lag het schoone landschap in kalme, -droomerige rust.</p> -<p class="par">Ondertusschen werd de Lys ijverig afgevischt, maar het -duurde eenigen tijd voor zich weder een visch liet verschalken. Ditmaal -was Jacob de gelukkige. Zijn dobber dook met een korten slag onder en -de lijn liep met vaart uit.</p> -<p class="par">—„Een mooie snoek, jonker! Minstens een -achtponder!” riep de Welle.</p> -<p class="par">Jacob vierde de lijn en begon toen voorzichtig in te -palmen.</p> -<p class="par">—„Willen we nu ook eens wedden, -Thierry?” riep hij vroolijk. „De snoek is ’s lands -vrijheid! We hebben ze en we houden ze!”</p> -<p class="par">St. Foy haalde de schouders op, maar keek toch oplettend -naar zijn makker, die, als een geoefend hengelaar, met den snoek -speelde, de lijn behoedzaam inpalmde, maar die steeds op het juiste -oogenblik weer vierde.</p> -<p class="par">Eindelijk begon de snoek moe te worden, de lijn liep met -telkens minder vaart uit en Jacob Martens begon zijn buit voorzichtig -naar den oever te halen. Pieter de Welle nam het schepnet en stapte tot -de knieën in het water, Jacob fleurde den snoek zachtjes en met -beleid al nader en nader en weldra spartelde de visch in het net.</p> -<p class="par">—„We hebben hem! Leve onze vrijheden en -privilegiën!” juichte Jacob Martens en Pieter de Welle -grimlachte.</p> -<p class="par">—„Zonder het schepnet had je hem nooit -gekregen,” zei Thierry met een jaloerschen blik.</p> -<p class="par">—„Precies, jonker! We moeten passen op den -rechten tijd, maar dan krijgen wij den snoek ook!” zei de Welle, -terwijl hij den visch met een kennersblik beschouwde, voor hij dien in -zijn tasch stak. „Een mooie, jonker! Tien pond op zijn -minst.” En de koddebeier bracht den hengel weder in orde, terwijl -Thierry hem wantrouwend aankeek. <span class="pagenum">[<a id="pb16" -href="#pb16" name="pb16">16</a>]</span></p> -<p class="par">Het geluk was hem gunstig. Hij ving twee kleinere -snoeken en door ditmaal getrouw de aanwijzingen van Jacob Martens en de -Welle te volgen, kreeg hij ze gelukkig aan land. En toen men, verder op -den ochtend, met dauwwormen naar baars begon te visschen,—waarbij -het minder op de bekwaamheid van den hengelaar aankwam—kon hij -vrijwel meedoen en hij geraakte gaandeweg geheel in zijn humeur.</p> -<p class="par">Zoo werd de Lys afgevischt, tot waar de rivier zich, ten -Noorden van de stad, met een andere vereenigt; hier was een veerpont, -een eenvoudige houten bak, waarmede de hengelaars naar den anderen -oever werden overgezet.</p> -<p class="par">Onderweg hadden zij een eenvoudig ontbijt van brood en -kaas gebruikt, maar thans was hun voorraad op, de veldflesschen waren -ledig en zij waren moe en hadden honger. Zij besloten dus, de -visscherij er voor heden aan te geven, en door de weilanden heen den -weg naar Lokeren te bereiken en zoo door de Walepoort naar de stad -terug te keeren.</p> -<p class="par">De wind begon op te steken. Grauwe luchten kwamen -aandrijven uit het Zuidwesten en van tijd tot tijd viel er een warme -regenbui. De zware laarzen der hengelaars zoenden en smakten in de klei -der vochtige voetpaden en gleden uit langs de glibberige wallen der -slooten. Doornat en moe bereikten zij eindelijk de heirbaan en weldra -naderden zij de vestingwerken der stad.</p> -<p class="par">Het liep tegen acht uur. De poorten waren reeds lang -open en de hengelaars vonden op den weg verscheidene landlieden uit den -omtrek, die zich steewaarts begaven, en met wie Jacob Martens en Pieter -de Welle van tijd tot tijd een morgengroet wisselden.</p> -<p class="par">Plotseling rees in de stille zomerochtendlucht het gelui -van een klokje, schrille, scherpe klanken, die met naar geluid -opjammerden uit de slapende stad en klagend heenzweefden over het -rustige landschap.</p> -<p class="par">Jacob Martens zag den koddebeier veelbeteekenend aan. -<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name= -"pb17">17</a>]</span></p> -<p class="par">—„’t Klokje van het -Minorietenklooster,” zei hij, „’t armezondaarsklokje! -Zou er halsrecht worden gedaan? Zoo vroeg?”</p> -<p class="par">Zij naderden de brug over de Nieuwe vaart, die naar de -Walepoort leidde. Even voor de poort verbreedde de voor de -binnenlandsche scheepvaart zoo belangrijke vaart zich tot een wijde -haven. Aan de kaden waren tal van vaartuigen vastgemeerd, en groote -stapels van balen en vaten getuigden van den bloeienden handel der -Vlaamsche hoofdstad. Gewoonlijk was de drukte des morgens reeds in -vollen gang. Thans echter stond het werk stil: schippers, waagdragers -en sjouwerlieden stonden in groepjes bijeen en tuurden naar de -poort.</p> -<p class="par">Bij de brug stond een troepje mannen en vrouwen in de -dracht der West-Vlaamsche landlieden. Ook zij tuurden in dezelfde -richting. Hunne gezichten stonden ernstig en bedrukt; verscheidene der -vrouwen schreiden. Een kleine kreupele man bewoog zich onder deze groep -en sprak nu eens den een, dan weder den ander aan. Men luisterde naar -hem, maar de starende oogen bleven op de poort gericht.</p> -<p class="par">Boven de stad klepte en jammerde het -armezondaarsklokje.</p> -<p class="par">In de grauwsteenen lijst der Walepoort verscheen een -droevige stoet, waarvan alle toeschouwers maar al te goed de beteekenis -begrepen.</p> -<p class="par">Eerst kwam een ruiter, op een zwaar bont paard gezeten -en gekleed in een korten, zwarten tabbaard, met een tweekleurige baret -op het hoofd. In de hand droeg hij een rood geschilderden staf.</p> -<p class="par">Het was de „Roode Roede”, de gerechtsbode -van de Schepenbank.</p> -<p class="par">Achter den ruiter kwam een lage kar, getrokken door een -mager paard en begeleid door eenige gewapende dienaars. Voor de kar uit -liep een man, gekleed in een nauwsluitend gewaad van grove, roode -serge, met een muts van dezelfde stof op het hoofd. <span class= -"pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>Hij werd -op den voet gevolgd door twee mannen in de gewone volksdracht, maar -eveneens met roode mutsen. Eén leidde het karrepaard bij den -teugel, terwijl de andere een rol touw droeg.</p> -<p class="par">Het waren de beul van Gent en zijne knechten.</p> -<p class="par">Op de kar, op een paar bossen stroo, zat de -veroordeelde. Het was een nog jonge vrouw: ze mocht ongeveer dertig -jaar zijn. Ze was blootshoofds en bij het dichte zwarte haar stak het -strakke, doodsbleeke gelaat scherp af. De donkere oogen blikten van -tijd tot tijd schuw rond; dan weder, als met eene uiterste inspanning -van den wil, wendde zij zich af van haar omgeving en zag zij op naar -den hemel. Een wijd kleed van bruine stof, dat aan een monnikspij deed -denken, bedekte hare gestalte tot den hals en een overslag hing als een -breede kraag van hare schouders af in breede plooien.</p> -<p class="par">Een oude monnik in bruine pij, een Minoriet, zat naast -haar. Hij hield een crucifix in de hand en van tijd tot tijd zag men -zijne lippen bewegen.</p> -<p class="par">De kar rolde de poort uit; een oogenblik klotsten de -paardenhoeven over de houten brug; toen boog de stoet links af, naar de -haven.</p> -<p class="par">Boven de stad jammerde, pijnlijk schril en schel, steeds -het armezondaarsklokje.</p> -<p class="par">Zoodra de kar buiten de poort en over de brug was, -sloten de mannen en vrouwen, die haar blijkbaar hadden opgewacht, zich -bij den stoet aan en volgden dien naar de haven. Ook de beide -jongelieden en hun metgezel verhaastten hun stap en liepen mede, -gedreven door de wreede nieuwsgierigheid, die den mensch onwillekeurig -drijft tot het huiverend aanschouwen van wat hij verafschuwt. Weldra -stonden zij tusschen de boeren en schippers. Pieter de Welle had ruim -baan voor hen gemaakt, en velen kenden Jacob Martens, den zoon van den -president, en gingen voor hem op zijde.</p> -<p class="par">Zóó stonden zij in de eerste rijen, bij de -stadskraan <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name= -"pb19">19</a>]</span>Daar hield de kar stil. De knecht, die het paard -voortleidde, had het dier doen keeren, zoodat het krat van het voertuig -naar het water was gericht.</p> -<p class="par">De schoutendienaars hielden het opdringende volk tegen, -terwijl de beul op een wenk van de „Roode Roe” op de kar -klom en de veroordeelde naderde.</p> -<p class="par">De oude monnik boog zich voorover; hij sprak luid en -dringend en hield de vrouw het kruisbeeld voor het gelaat.</p> -<p class="par">Zij wendde het hoofd af en keek met angstoogen naar het -donkere water, naar het volk om haar heen...</p> -<p class="par">Daar klonk een stem uit de menigte, een krachtige -mannenstem.</p> -<p class="par">—„Sijt getrouwe tot in den doet, ende ick -zal u geven die crone des levens!”</p> -<p class="par">Een der vrouwen had de lange, zwarte huif afgeworpen en -hield een kind op hare armen omhoog, het hoog optillende boven de -hoofden der omstanders.</p> -<p class="par">De veroordeelde had omgezien, toen zij het Bijbelwoord -hoorde. De strakke angstblik verdween uit de starende oogen. Zij -richtten zich op het kind en vulden zich met tranen, de lippen -beefden...</p> -<p class="par">De „Roode Roe”, die kalm en onverschillig op -zijn paard zat, had, bij het hooren van den roep, vertoornd omgekeken -en daarop een snellen blik met de dienaars gewisseld. Hij knikte den -beul toe.</p> -<p class="par">Deze greep de afhangende plooien van het bruine kleed, -wenkte den monnik terug en sloeg ze over het hoofd der veroordeelde. -Het bleek gelaat der vrouw verdween; hare blikken waren tot het laatste -oogenblik op het kind gericht.</p> -<p class="par">Het bruine kleed, blijkbaar een wijde zak, werd stevig -boven het hoofd van de veroordeelde toegesnoerd met het dunne, maar -sterke touw, dat de tweede knecht had gedragen. En nu reikte de beul -voorover en greep den ketting van de kraan, waarvan hij den haak in een -lus bevestigde. Daarop liet hij het krat vallen en terwijl de beide -knechts zich bij het windas <span class="pagenum">[<a id="pb20" href= -"#pb20" name="pb20">20</a>]</span>plaatsten, vatte hij post bij den kop -van het paard en keek naar de „Roode Roe”.</p> -<p class="par">De gerechtsbode was blijkbaar uit zijne -onverschilligheid opgeschrikt. Hij wierp onrustige blikken om zich -heen; nu eens keek hij naar het volk, dat met bleeke, strakke gezichten -het tooneel aanschouwde, dan weer als verlangend naar de stad.</p> -<p class="par">Daar dreunde het dof door de stilte; de Zuid-Wester deed -de slagen duidelijk hooren: acht uren! Het schelle klokje zweeg.</p> -<p class="par">De „Roode Roe” trok zijn gezicht in den -ambtsplooi. Hij prevelde snel eenige woorden en brak zijn staf. De beul -gaf zijn helpers een wenk; het windas piepte, de ketting spande zich en -de zak rees omhoog aan den arm van de kraan, terwijl de beul het paard -een paar stappen vooruit deed gaan. Een oogenblik zweefde de zak boven -het donkere water van de haven, toen lieten de knechts de spaken los, -de ketting ratelde over de katrollen, en met een doffen plomp verdween -de last in het water.</p> -<p class="par">Een gesmoord snikken klonk uit het volk, dat, nu niet -meer door de dienaars weerhouden, naar den kant drong en zwijgend, met -angstige blikken, naar de breede waterrimpels staarde. De beul, wiens -aanraking allen angstig vermeden, stond op de steenen rollaag en keek -met kennersblik naar de opstijgende luchtbellen, daar, waar de zak was -gezonken. De knechten hielden zich bezig met de kar; een van hen, een -kerel met een dom, rood drankgezicht, haalde van onder de voorbank een -bierkruik te voorschijn en nam een flinken slok, waarna hij de kruik -aan zijn makker toereikte.</p> -<p class="par">Met een bleek gelaat had Jacob Martens het sombere -tooneel aanschouwd. Hij was een kind van zijn tijd; halsrecht en -lijfstraf waren een gewoon schouwspel in Gent en hij had reeds -herhaaldelijk een terechtstelling gezien. Zoo hij al medelijden had -gevoeld voor een gestraften misdadiger, ’t was van voorbijgaanden -aard <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name= -"pb21">21</a>]</span>geweest en hij had altijd berust in ’t -noodzakelijke van de dikwijls wreede straffen en volkomen vertrouwen -gesteld in ’t beleid der justitie van Mijn Heere den Hoog-baljuw -en Schepenen van Gent. Maar deze vrouw was geen misdadige; hij had het -maar al te goed begrepen aan de houding van de omstanders, de -zenuwachtige onrust der met de terechtstelling belasten en de wijze, -waarop de veroordeelde den biechtvader had afgeweerd. Hij had een -slachtoffer zien sterven van de wreede plakkaten tegen de ketterijen, -door Karel V uitgevaardigd, door Filips herhaald en verscherpt, van die -plakkaten, die een bloedige geloofsvervolging bevalen, waaronder het -land ging gebukt en die door Roomsch en Onroomsch werden bestreden.</p> -<p class="par">Dat was geen justitie! dat was een moord!</p> -<p class="par">Jacob Martens wierp een blik naar zijne beide -metgezellen. Thierry de St. Foy was ook bleek geworden, toen de -noodlottige zak neerplompte in het water, maar hij dwong zijn gelaat -tot een koelen, minachtenden grimlach. Maar Pieter de Welle stond daar -met gebalde vuisten en saamgeklemde lippen, en zijne kleine, felblauwe -oogen schoten vonken. De kleine kreupele—’t was dezelfde, -die de veroordeelde het Bijbelwoord had toegeroepen—stond naast -hem en die twee spraken tot elkander met gesmoorde stem.</p> -<p class="par">Plotseling deed Jacob eenige schreden voorwaarts en -drong door tot den „Roode Roe”. Hij trok den beambte aan -den tabbaard.</p> -<p class="par">Wrevelig wendde de man het hoofd om en een lompe -terechtwijzing lag hem blijkbaar op de lippen. Toen hij echter den zoon -van den president van den Raad herkende, veranderde hij terstond van -houding en nam onderdanig zijn baret af.</p> -<p class="par">—„Wie was die vrouw, Rogiersz?” -vraagde Jacob. „Wat had zij gedaan?”</p> -<p class="par">—„Een kettersche, jonker Jacob,” -antwoordde de beambte. „Agneta Jansdochter, uit de -Cellebroerstraat.”</p> -<p class="par">—„Een kettersche? Maar ik dacht, dat Heeren -<span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name= -"pb22">22</a>]</span>Schepenen in den laatsten tijd over Lutherye niet -wilden vonnissen, zoomin als de heeren van Antwerpen?” vraagde -Martens. „De deken Titelman heeft er bij mijn vader over -geklaagd.”</p> -<p class="par">—„Lutherije niet, jonker,” zei de -„Roode Roe” gewichtig. „Maar Agneta Jansd. was eene -Doopersche. Dat is „zware ketterije” en die wordt nergens -geduld. Ook voor de Sacramentarissen, die van de Geneefsche ketterije, -zijn Mijne Heeren van den Gerechte veel strenger dan voor de -Lutheranen. Maar vergeef mij, jonker, de executie is afgeloopen. Ik -moet naar de stad.”</p> -<p class="par">De jonge man merkte, dat veler oogen nieuwsgierig of -uitvorschend op hem waren gericht. Het hinderde hem en hij wenkte zijn -vriend en den koddebeier, om te vertrekken.</p> -<p class="par">De meeste omstanders bleven staan wachten, om te zien, -hoe het lijk van de veroordeelde uit het water zou worden -opgehaald.</p> -<p class="par">Zwijgend gingen de twee jongelieden, door de Welle -gevolgd, over de brug en door de Walepoort.</p> -<p class="par">Jacob Martens was ontroerd. Wat hij zooeven gezien had, -had zijn licht bewogen gemoed geschokt. Steeds zag hij den droevigen -blik der bleeke vrouw, tot het laatste oogenblik, eer de noodlottige -zak, die haar doodskleed zijn zou, haar gelaat bedekte, op haar kind -gericht. Weer een slachtoffer van dien heilloozen geloofsdwang, den -vrijen Nederlanden opgedrongen door den vreemden Heerscher, voor wiens -gezag zij zoo ongaarne bogen. Wat wisten de vrije steden van -Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Brabant in hun eigen, eeuwenoude -rechtspleging van kettervervolging? Zou de Gentsche regeering zich -hebben geleend tot het vellen van een doodvonnis over een vrouw uit het -Vrije der Stede, om zulk een oorzaak, als Keizer Karel haar niet -machteloos had gemaakt, de oude Gentsche democratie had ontwricht en -haar zijn eigen creaturen in een nieuwbakken regeeringsvorm had -opgedrongen? <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name= -"pb23">23</a>]</span></p> -<p class="par">In tal van gemoederen in Holland, Brabant en Vlaanderen -hadden de woorden van ’t verzoekschrift der edelen weerklank -gevonden, „dat de Inquisitie en de plakkaeten voortaen niet -geschaepen zijn, dan afkeer, onrust, oproer met allerley jammer en -’s lands ondergang te baeren.”</p> -<p class="par">’t Was een feit, wat de Edelen des lands daar -hadden uitgesproken. Wat had de Koning van Spanje zijne erflanden dien -last der Inquisitie op te dringen, wat, de aloude wetten en costuymen -in een land van goede justicie te verderven door zijn plakkaten?</p> -<p class="par">Hoe moedig was die vrouw in den dood gegaan—voor -eene dwaling? Ja, was het een dwaling?</p> -<p class="par">Jacob Martens was, als de meeste ontwikkelden van zijne -tijdgenooten, wel op de hoogte van den strijd, die in en om de Kerk -werd gevoerd. Zoo hij de geschriften van Erasmus niet had gelezen, hij -had er toch over hooren spreken. Het had hem tot nog toe weinig -gedeerd. De ketters, „die van de nye leere”, waren het -uitschot van de maatschappij, lieden, die, om hun slordigen -levenswandel ongestoord te kunnen voortzetten, de banden van het -geestelijk gezag hadden verbroken; dit was de gewone opvatting, die -algemeen geldig was in den kring, waarin hij verkeerde. Wat hemzelf -betrof, zijn godsdienst bestond tot dusverre in een gedachteloos -nakomen van zijn kerkelijke plichten.</p> -<p class="par">Maar nu hij in den laatsten tijd belang had leeren -stellen in den strijd van Oranje, Culemborg, Brederode en de hunnen -tegen de Inquisitie en de aanmatigingen van het gezag, was hij er -vanzelf toe gekomen om zich ook met de godsdienstige quaestie bezig te -houden.</p> -<p class="par">En toen had hij gezien, dat het begrip -„godsdienst” voor vele van die ketters heel iets anders -was, dan voor hem. Dat het voor hen een geduchte realiteit was, een -hoogste goed, waarvoor alles werd prijsgegeven, als het zijn moest. Wat -was dat dan toch voor een wondere macht, welke die vrouw uit het volk -den moed gaf, zwijgend neer te zinken in het donkere water? -<span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name= -"pb24">24</a>]</span>Wat was die godsdienst, die de moeder afscheid -deed nemen van haar kind, en den bitteren dood deed kiezen boven het -leven, het kalme, rustige leven in den schoot der Kerk?</p> -<p class="par">De stem van Thierry wekte hem uit zijne -overpeinzingen.</p> -<p class="par">—„Wat loop je te droomen, Jacob? Je bent zoo -stom, als de visschen in de ben! Heeft die kettersche het je -aangedaan?”</p> -<p class="par">—„Een gruwelijk stuk! Dat die van Gent het -lijdelijk aanzien!” riep Jacob Martens, meer als uiting van zijn -verontwaardiging, dan als antwoord op de vraag van zijn metgezel.</p> -<p class="par">—„Een akelig gezicht, dat erken ik,” -zei Thierry, die het noodig vond een zekere onverschilligheid te -veinzen, hoewel het sombere tooneel ook op hem indruk had gemaakt. -„Maar wat wilt ge? Het Heilige Officie en Mijne Heeren van den -Gerechte kunnen wel niet anders doen! Waarom blijven die ketters zoo -hardnekkig aan hunne dolingen hangen? De plakkaten..”</p> -<p class="par">—„Vermaledijd mogen de plakkaten en de -Inquisitie zijn,” riep Jacob opgewonden. „Dolen de ketters, -laat de Kerk ze dan onderwijzen. Dwaling is geen misdaad!”</p> -<p class="par">—„Dat klinkt Erasmiaansch, om niet te zeggen -rebelsch,” zei Thierry spottend. „Goed dat de deken het -niet hoort.”</p> -<p class="par">De ander haalde de schouders op en zwijgend vervolgde -het gezelschap zijn weg door de nu reeds drukker wordende straten. -Weldra was het huis van den president bereikt. Nauwelijks was de -klopper gevallen en de voordeur geopend, of Thierry snelde naar binnen, -en naar zijn kamer, bevreesd als hij was, dat joffer Madeleine hem in -zijn nat, bemodderd visscherspak zou zien.</p> -<p class="par">Pieter de Welle had zwijgend maar met zichtbaar -welgevallen naar de hartstochtelijke woorden van zijn jonker Jacob -geluisterd. Toen deze met een vriendelijk woord afscheid nam, zei hij -eensklaps: <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name= -"pb25">25</a>]</span></p> -<p class="par">—„Wanneer vertrekt die Brusselaar weer, -jonker?”</p> -<p class="par">—„Overmorgen, Pieter!”</p> -<p class="par">—„Vraag dan aan den president of je met mij -mede moogt gaan naar Gentbrugge. Ik moet er een dasvarken -uitgraven.”</p> -<p class="par">—„Een dasvarken? Ik ben van de -partij!” riep Jacob.</p> -<p class="par">—„Ja, een raar dasvarken!” zei de -koddebeier geheimzinnig. „Ga met mij mede, jonker! Zoo’n -jacht heb je in je leven niet bijgewoond.” <span class= -"pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">II.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Voor een der hooge, smalle vensters van de ruime -„sale” der deftige heerenhuizinge zijner ouders stond Jacob -Martens, tegen het uur van het noen-maal en staarde peinzend naar -buiten.</p> -<p class="par">Men zou in den keurig gekleeden jonker den natten, -bemodderden visscher van dien morgen niet hebben herkend. Een -nauwsluitend donkerblauw fluweelen wambuis, met nauwe, aan de schouders -opgedofte mouwen, deed zijn flinke gestalte goed uitkomen. De -insnijdingen in de doffen der mouwen lieten de witsatijnen voering -zien, terwijl de korte broek, van dezelfde stof als het wambuis, -eveneens met witsatijnen linten aan de knie was opgebonden. Verder -droeg hij witzijden hozen en schoenen van fijn Spaansch leder.</p> -<p class="par">Jacob Martens staarde naar buiten, voor zoover de -gekleurde ruitjes, die de roode rozen op gouden grond uit het wapen der -Vlaamsche Martensen in allerlei schakeering vertoonden, dit toelieten. -Hij keek naar het drukke tooneel, dat de Vrijdaegsmarkt aanbood, en -zeker moesten er allerlei gedachten opkomen in het brein van den jongen -Gentenaar, als hij staarde naar dat breede, met boomen beplante plein, -waaraan zulke machtige herinneringen verbonden waren aan een groot -verleden.</p> -<p class="par">Hier werden, sinds eeuwen, de „blijde -inkomsten” der graven van Vlaanderen gevierd, wanneer zij, na de -privilegiën en rechten der stad te hebben bezworen, door de -trotsche mannen van Gent als heer werden erkend. Hier hadden op den -noodlottigen „kwaden <span class="pagenum">[<a id="pb27" href= -"#pb27" name="pb27">27</a>]</span>Maandag” van het jaar 1345 de -machtige gilden van wevers en vollers in noodlottigen kamp tegenover -elkander gestaan en vijfhonderd slachtoffers van dien treurigen -burgertwist waren gevallen onder de geduchte „goedendachs”. -Hier had, 40 jaren later, Philip van Artevelde den eed der burgers -ontvangen, toen hij ze aanvoerde tegen graaf Lodewijk, den gehaten -gunsteling van den Franschen koning. Hier was bij menig oproer, bij -menigen opstand de verzamelplaats geweest der Gentsche burgers en er -was een tijd geweest, dat de Dulle Griet van Gent, het reusachtig -kanon, dat daarginds op zijn steenen voetstuk sluimerde, aan de -vijanden van de oude stad haar donderend „halt” had -toegeroepen.</p> -<p class="par">Waar waren de oude dagen van vrijheid en glorie -gebleven. De Gentsche vrijheden waren verbroken door de ijzeren vuist -van keizer Karel; Vlaanderen, met de andere Nederlandsche gewesten, -boog zich noode onder vreemden dwang, en voelde de vreemde, drukkende -en dwingende hand steeds zwaarder...</p> -<p class="par">Wat zou het worden? Wat zou er komen van den strijd -tusschen den koning en de edelen? Zag de jonge droomer misschien reeds -het bloed der edelste burgers van Gent, dat daar weldra zou rooken op -diezelfde Vrijdaegsmarkt?</p> -<p class="par">De breede deur der sale ging open en er vertoonde zich -een groepje, dat Jacob zeker haastig zou hebben doen omzien, wanneer -hij niet zoo in zijn gedachten verdiept was geweest. ’t Waren -twee meisjes, die binnen traden, van negentien à twintig -jaren:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„Sonne end mane, so vol van clementie,</p> -<p class="line">„Vol suuvere claerheit end’ soet -indulgentie,</p> -<p class="line">„Venus ende Juno, twee godinnen soet,</p> -<p class="line">„Vol wonderbaer gratie ende fierheyt -groet!”</p> -</div> -<p class="par first">had een rijmelaar, een kamerbroeder van de -„Fonteyne” van de beide „volscone maechdekens” -gezongen, bij <span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name= -"pb28">28</a>]</span>gelegenheid van het zilveren bruiloftsfeest van -Mr. Willem Martens, president van den Raad van Vlaanderen, en zulks tot -groote stichting van al de gasten en van de „volscone -maechdekens” in ’t bijzonder. Maar zoo ’s mans -gerijmel de beide meiskens zeker geen recht deed wedervaren, het -contrast tusschen beider schoonheid had hij zeer wel opgemerkt. Clara -Martens, de dochter des huizes, een blonde Vlaamsche, was het evenbeeld -van haar broeder, die slechts een jaar ouder was dan zij. Dezelfde -blauwe oogen tintelden met zachten gloed in het goelijke, frissche -gelaat der Gentsche schoone, en het scheen of broeder en zuster elkaar -volgden tot in de keuze van de kleur hunner kleeding. Clara toch droeg -een nauwsluitend jakje of kassekijntje van blauwe zijde, met een rok -van dezelfde stof; het zieltje of „hongerlyn”, dat den -boezem bedekte, was blauw satijnbrocaat van een lichter tint, met -zilveren bloempjes geborduurd, terwijl de ingesneden doffen aan de -mouwen en de ter zijde opgenomen rok een ondergewaad toonden van -dezelfde kleur als het hongerlyn. De gevulde, poezele hals werd -omsloten door een eenvoudigen, platten Duitschen kraag, terwijl de -blonde haren in twee zware vlechten om het hoofd waren gewonden.</p> -<p class="par">Maar naast deze blonde schoonheid was de fiere gestalte -van Madeleine de Bette, de pupil en huisgenoot van den president, als -de „sonne” bij de „maen”, zooals de -kamerbroeder had gezegd. Zoo men op den duur de frissche en goelijke -Clara mocht hebben gekozen boven haar schitterende vriendin, wie de -beide meisjes bij elkaar zag, moest geboeid worden door -Madeleine’s sprekende bruine oogen, door het fijn besneden, -ietwat bleeke gelaat, met dien trotschen mond, met de volle rijpe -lippen. Zij was grooter dan Clara en hare indrukwekkende gestalte was -haast te gevuld voor een meisje van haar leeftijd, maar zeker was zij, -zooals zij daar de sale binnentrad, in haar gewaad van purperkleurige -brocaatzijde een imposante verschijning. <span class="pagenum">[<a id= -"pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>Het ondergewaad, alsook -het „hongerlyn” waren van licht geel -„armosijn”, maar de stof van het laatste ging geheel schuil -onder het rijke borduursel van gouddraad. Een donkerrood fluweelen -kapje, met een juweelen bagge versierd, hield het ietwat kroezende -zwarte haar in bedwang en het schoone hoofd scheen te rusten op de -plooien van een statigen, Spaanschen kraag.</p> -<p class="par">Achter de beide meisjes kwam Thierry de St. Foy, en ook -hij scheen bij deze gelegenheid een bijzondere zorg aan zijn toilet te -hebben besteed en zag er uit, zooals men van een page van den hertog -van Aerschot mocht verwachten. Thierry droeg een zwart fluweelen -wambuis, met tal van kleine gouden knoopjes op de borst gesloten en van -insnijdingen voorzien, zoo aan de mouwen als op de borst, waardoor de -geelzijden voering zichtbaar werd. De zeer korte, opgedofte broek was -met geelzijden linten bevestigd aan de lange hozen van fijn zeemleder -en de hooggehakte schoenen waren versierd met groote rosetten van geel -satijn lint. Hij droeg een fluweelen hoed, tamelijk hoog van bol en met -smallen rand, en daarin schitterde de zilveren medaille met de -afbeelding van Onze Lieve Vrouw van Halle, door zijn pompeusen, maar -dommen meester, den hertog van Aerschot, aan de aanhangers van de -koningsgezinde partij opgedrongen als partijteeken en tegenhanger van -den Geuzenpenning.</p> -<p class="par">Toen het drietal den mijmerenden jonkman bespeurde, -bleven zij staan, terwijl zij een blik van verstandhouding met Thierry -wisselden. Een oogenblik hielden zij zich goed; toen barstten zij in -een vroolijk lachen uit, dat den armen Jacob verward en verschrikt deed -omzien.</p> -<p class="par">—„Jacques, droomer die je bent! Op wie van -de schoone meiskes van Gent dicht je wel een zoet refereynke?” -riep het blonde Klaartje vroolijk.</p> -<p class="par">—„Jacob is een tweede de Coninck. Hij peist -op een conspiratie tegen de Walschen. De Hoog-baljuw mag wel -oppassen,” grinnikte Thierry. <span class="pagenum">[<a id="pb30" -href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span></p> -<p class="par">—„Wel neen, hij was verdiept in de -beschouwing van de roode rozen van zijn wapen, daar op ’t -raam,” spotte Madeleine. „Hij mijmert over de groote en -glorieuse daden, die hij eens zal verrichten, als een tweede Heer -Amadis van Gaulen.”</p> -<p class="par">Maar Jacob had zich intusschen hersteld en was gereed -den driedubbelen aanval af te slaan.</p> -<p class="par">—„’t Is oirbaar te peizen over soete -jofferen en over ’s lands vrijheden,” zei hij, „maar -als ik schoone rozen wil zien, zoek ik ze elders, Madeleine, en ik vind -ze ook!”</p> -<p class="par">Zijn bewonderende blik op de schoone jonkvrouw tegenover -hem deden een blosje rijzen op de bleeke wangen, terwijl Klaartje -lachend riep:</p> -<p class="par">—„Ei, wat hoffelijke jonker! Wat kan hij -schoon kallen! Maar zeg, Jacob, wanneer je zoo graag de rozen bewondert -op de wangen der joffers, waarom heb je ons, arme meiskes, dan zoo den -heelen morgen alleen in den hof gelaten? Dat is te zeggen, alleen met -mijnheere de St. Foy, die ons aangenaam heeft bezig gehouden met een -beschrijving van het toilet van de hertogin van Aerschot, op het -laatste festijn bij Mevrouwe van Parma,” voegde zij er spottend -bij.</p> -<p class="par">Thierry beet zich op de lippen.</p> -<p class="par">—„En ik had een dankbaar gehoor, want de -joffers luisterden zeer aandachtig,” kaatste hij terug. -„Maar ge moet den armen Jacques vergeven, joffer Madeleine, zijn -gevoelig herte is te zeer aangedaan om te ontluiken, zelfs in den gloed -van uwe schoone oogen. Hij denkt aan de kettersche, waarvan wij dezen -morgen toevallig de executie hebben bijgewoond.”</p> -<p class="par">—„Een kettersche?” vraagde -Klaartje.</p> -<p class="par">—„Ja, een van de Doopersche secte! ’t -Was een pijnlijk tooneel, waarop Mijne Heeren van den Gerechte ons zoo -ongezocht vergastten. Maar ’s Konings plakkaten moeten worden -uitgevoerd en het baat zeker niemand, als wij ons zoo zoet gezelschap -ontzeggen uit teerhartigheid voor een gestrafte sectarisse.” -<span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name= -"pb31">31</a>]</span></p> -<p class="par">Klaartje wierp een snellen, medelijdenden blik op haar -broeder, wiens sympathieën zij kende en waardeerde. Madeleine trok -het fraai gevormde neusje op.</p> -<p class="par">—„Hoe is het, kinderen? Al bij den noen en -het ammelaken nog niet gespreid?” zeide een strenge stem.</p> -<p class="par">In de deur stond de deftige gestalte van Vrouwe Martens, -de moeder van Jacob en Klaartje. De raadsheersvrouwe, in haar kleed van -fijn zwart laken, den kanten kraag om den nog gevulden hals en de witte -huive, die het gladgestreken grijze haar van voren slechts gedeeltelijk -bedekte, was een statige verschijning. Aan haar gordel hingen -sleutelring en stokbeurs, de teekenen harer waardigheid als vrouw des -huizes, benevens een rozenkrans met groot zilveren kruis, want Vrouwe -Martens was een geloovige katholieke. Haar streng gelaat, met den -vastgesloten mond en koele, grijze oogen, was meer geschikt om eerbied -en ontzag, dan om liefde in te boezemen. Toch werd haar blik zachter, -nu hij op de groep der schertsende jongelieden rustte, en op -vriendelijker toon herhaalde zij haar vraag.</p> -<p class="par">—„Fy, meiskens, hoe zijt ge zoo laat? -’t Is al bij den noen en het ammelaken is nog niet eens gespreid. -De president kan elk oogenblik komen.”</p> -<p class="par">—„De jonkers hebben ons meiskens weer van -onze taak afgehouden, als gewoonlijk, moeder,” zeide Klaartje, -met een oolijken blik op de beide beschuldigden. „Tot hun straf -zullen zij helpen, de tafel aan te rechten. Komt, heeren, maakt u -nuttig en helpt ons.”</p> -<p class="par">En onder het besturend oog van Vrouwe Martens begonnen -de beide meisjes de lange tafel—een eenvoudig blad op stevige -houten schragen—te dekken en aan te rechten, terwijl zij Jacob en -Thierry lieten draven, aanbrengen en wegdragen wat zij noodig of niet -noodig hadden, alles onder luide verwijten over hunne onhandigheid en -onbeholpenheid.</p> -<p class="par">De jonker de St. Foy nam blijkbaar met hart en ziel deel -aan dit spel, veel meer dan zijn vriend, die, hoewel <span class= -"pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name="pb32">32</a>]</span>hij zich -met zekere goedhartigheid leende tot de plagerijen der vroolijke -meisjes, toch moeite had om niet te zeer te toonen, dat zijne gedachten -eigenlijk elders waren. Hij kon den hevigen indruk, dien hij van het -tooneel van dien morgen had ontvangen, niet van zich zetten en hij -merkte nauwelijks op, dat Thierry bijzonder veel werk maakte van de -mooie Madeleine. Hij vloog op haar wenken, nam haar spotternijen en -berispingen ootmoedig aan en antwoordde met vleiende complimentjes. De -schoone liet hem begaan en scheen niet ongevoelig voor de haar zoo -openlijk gebrachte hulde. Toch wierp zij van tijd tot tijd een snellen, -ongeduldigen blik op Jacob; het hinderde haar blijkbaar, dat deze, -anders haar gehoorzame slaaf en vurige bewonderaar, haar coquetteeren -met Thierry ditmaal niet eens scheen te merken.</p> -<p class="par">Ondertusschen hadden de beide meisjes het -„ammelaken” over den disch gespreid, terwijl aan het hooge -einde daarvan nog een tweede tafellaken van fijn linnen werd gelegd: -het doblet. Uit de daarvoor bestemde „nappe” werden de -servetten of „dwalen” aan het hooger einde gelegd, naast de -tinnen teljoren, terwijl de messen met hoornen heften en de ronde -zilveren lepels mede niet werden vergeten. Het zout werd aan het -boveneinde, het brood aan het benedeneinde geplaatst en daarmede was de -tafel aangerecht. Thans was de beurt aan het fraai geschilderde buffet -van „wagenschot”, en het was of de raadsheersvrouwe al de -heerlijkheden van haar „dressoir” voor hare gasten wilde -ten toon spreiden, want weldra prijkte het met een fijn ammelaken -bedekte bovenblad met zilveren en tinnen bekers, kroezen en -„coppetassen”, pimpels, pyntgens en cannen, terwijl twee -fraaie „barils”, vaatjes van buitenlandsch hout met zilver -beslag, den wijn bevatten, die straks den dischgenooten zou worden -voorgezet. Tinnen en zilveren schotelen en plateelen stonden in rekken -naast andere van fijn aardewerk.</p> -<p class="par">—„Hebt ge ons niet voor een gast te veel -laten <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name= -"pb33">33</a>]</span>dekken, lieve moeder?” vraagde Klaartje, -terwijl zij op de gedekte tafel wees.</p> -<p class="par">—„Neen, kindlief,” antwoordde Vrouwe -Martens; „uw vader heeft juist heden morgen bericht ontvangen, -dat de raadsheer Hopperus den coadjutor zal vergezellen.”</p> -<p class="par">—„O wee! Komt Ja-Mevrouw?” riep Jacob -met komischen schrik.</p> -<p class="par">—„Jacob!” riep Vrouwe Martens -bestraffend.</p> -<p class="par">De jonge man kreeg een kleur en zweeg. Hij wist, dat -zijne streng-katholieke, koningsgezinde moeder niet kon dulden, dat men -met minachting van de regeering en hare dienaren sprak. De spottende -bijnamen, door de oppositie aan verscheidene staatsdienaren gegeven, -waren haar een ergernis, en zoo de raadsheer Joachim Hopperus, de -vriend van president Viglius, zich door zijn meegaandheid en eerbied -voor de Landvoogdesse in den Raad van State den bijnaam van „Ja, -Mevrouw!” had verworven, zij duldde niet, dat die in haar huis -werd gebruikt.</p> -<p class="par">Aan het oogenblik van pijnlijke stilte, dat volgde op -Jacobs onvoorzichtigen uitval, werd een einde gemaakt door het -binnentreden van den heer des huizes, Mr. Willem Martens, president van -den Raad van Vlaanderen. Wie den kloeken man, met het open, schrandere -gelaat, aanzag, behoefde niet te vragen, of hij de vader van Jacob en -Clara was. Zij hadden dezelfde helderblauwe oogen, het volle blonde -haar. Alleen de mond en de volle kin hadden iets zwaks, iets -weifelends; dat bij zijn kinderen ontbrak. Vooral Jacob had den -vastberaden mond en de vierkante, van geestkracht sprekende kin van -zijn moeder.</p> -<p class="par">De president wierp een onderzoekenden blik door de -„sale” en zei toen, op den ontevreden toon van een man, die -niet gaarne wacht, dat de gasten laat waren. Hij trad naar het raam om -naar buiten te zien.</p> -<p class="par">Zooals president Martens daar stond, in zijn deftigen -zwarten tabberd, volgens de mode dier tijden ook in <span class= -"pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>dit -seizoen met een smallen rand bont omzoomd, was hij de type van den -magistraat der 16e eeuw. Minzaam en populair en toch zich zijner -waardigheid ten volle bewust, levenslustig en zelfs, als ’t er op -aankwam, niet afkeerig van een „goeden, Duytschen dronk”, -en tegelijk een bekwaam en schrander jurist, wiens woorden met eerbied -werden aangehoord, stond hij bij beide partijen in hooge achting.</p> -<p class="par">Nog in het vorige jaar was hij met den Heer van Persijn, -president van het Hof van Utrecht en de bisschoppen Rithovius, Havet en -Homricourt—„tous gens doctes et excellens et fort -suffisans,” zooals Hopperus verzekert—door de Landvoogdes -naar Brussel geroepen, om te beraadslagen over mogelijke hervormingen -in leer en kerktucht en de herziening der plakkaten. Hij had er -geadviseerd tegen den zin der invloedrijke oppositie, tegen het -gevoelen der „drie heeren”,—Oranje, Egmond en -Hoorne—maar hij had de achting der tegenpartij niet verloren.</p> -<p class="par">Ondertusschen scheen de president, die door de kleine, -in lood gevatte ruitjes zijn blik over de drukke Vrijdaegsmarkt liet -weiden, zijne vrienden in het oog gekregen te hebben, want met een -luiden uitroep trad hij van het venster en naar de deur der sale. -Weldra meldde de slag van den zwaren klopper de komst der lang -verwachte gasten en Mr. Martens ging zelf naar beneden, om ze in het -voorhuis te ontvangen.</p> -<p class="par">Een oogenblik later leidde hij ze binnen: eerst Viglius -van Aytta van Zuychim, een klein, schraal man, met lang geelgrauw haar -en dito baard en een paar slimme, diepliggende groene oogen boven -bolle, roode gerimpelde wangen. Hij was, zeker ter eere van het -geestelijk ambt, waartoe hij pas onlangs was benoemd—coadjutor -van St. Bavo—in een half wereldlijk, half geestelijk gewaad -gekleed, stemmig in ’t zwart zonder eenig versiersel. Hem volgde -de raadsheer Joachim Hopperus, zijn vriend en geestverwant, die hem -tijdelijk had vervangen als voorzitter van den <span class= -"pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span>Geheimen -Raad. ’t Was een lang man, met een ernstig gelaat, een hoog, -gerimpeld voorhoofd, donkere, droefgeestige oogen en een korten, -zwarten puntbaard. Een geleerd, vroom en welmeenend man, maar -vreesachtig en beschroomd. Een trouw dienaar van het gezag, evenals -Viglius, maar eerlijker en onbaatzuchtiger dan deze; een geloovig -katholiek, doch wars van alle geweldige maatregelen en een vijand van -geloofsvervolging. Een man, die oneindig hooger stond en zijn land en -volk meer liefhad, dan de roerige, luidruchtige adel van zijn tijd, die -met groot vertoon van patriottisme een hoog woord voerde, toen het -gevaar verre was, en weldra, voor het grootste deel althans, sidderend -voor den overweldiger boog,—toch een man, wien het aan moed en -geestkracht ontbrak om veel voor zijn volk te zijn, en die bestemd was -om slechts de historieschrijver te zijn van den woeligen tijd, dien hij -beleefde, en om, na als een plooibaar, vreesachtig karakter het -gewillige werktuig te zijn geweest van een gouvernement, welks daden -hij moest veroordeelen, zijn leven te eindigen aan het hof te Madrid, -als Raad en Zegelbewaarder voor de zaken der Nederlanden,—wiens -gevoelen alleen dan werd gevraagd, als de achterdochtige Philips het -noodig oordeelde den eerlijken, maar al te plooibaren ambtenaar te -gebruiken, om zijn ware bedoelingen te verbergen.</p> -<p class="par">Vrouwe Martens ontving hare gasten met statige -hoffelijkheid, getemperd door Vlaamsche gulheid.</p> -<p class="par">Madeleine, Clara en Jacob, die zich bescheiden op den -achtergrond hadden gehouden, begroetten vol eerbied de beide -staatslieden, waarvan hun vader en voogd steeds met waardeering en -hoogachting sprak, en Thierry de St. Foy maakte zijn buiging met al den -hoofschen zwier, dien hij van de Spaansche en Waalsche edellieden in de -omgeving van de Landvoogdes had afgezien.</p> -<p class="par">Na eenige onbeduidende opmerkingen over het weder en de -reis, zette men zich aan tafel. De oudere leden <span class= -"pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>van het -gezelschap namen plaats aan het hooger eind op lage met leder bekleede -stoelen met hooge ruggen, de jongelieden zetten zich aan het lager -einde op met tapijt bekleede banken.</p> -<p class="par">Nadat de „nappe” met frisch water was -rondgegaan en allen de vingers aan het fijne „dwale” hadden -afgewischt, werd het eerste gerecht, bestaande uit een salade van -latuwe, zwijgend genuttigd, daar de dienstboden nog af en aan liepen. -Alleen deelde Hopperus op een vraag van de gastvrouw mede, dat zijn -bezoek een afscheidsbezoek mocht heeten. Alle aanwezigen wisten, dat de -raadsheer binnenkort naar Spanje zou vertrekken, als opvolger van de -Tisnacq, om aan het Hof te Madrid den post van Groot-Zegelbewaarder en -Raad voor de zaken der Nederlanden te gaan bekleeden.</p> -<p class="par">Het tweede gerecht, bestaande uit een gebraden osserib, -met een potagie van bereide varkenspooten, schotels warmoes en grauwe -erwten, werd opgedragen. De tinnen kroezen, waarin anders het bier, -dubbel Leuvensch of Utrechtsch bruin, werd geschonken, bleven thans -ongebruikt op het dressoir staan. Vrouwe Martens schonk haar -aanzienlijke gasten edeler drank: uit de beide fraaie -„barils” vloeide de wijn, Fransche „claret” of -„malveseye” in de zilveren of fijn houten met zilver -beslagen bekers.</p> -<p class="par">Zoodra het hoofdgerecht was opgedragen en de dienstboden -zich hadden verwijderd, opende president Martens het gesprek over het -onderwerp, dat aller harten en hoofden bezighield: het compromis der -edelen, hun smeekschrift en de houding der regeering tegen dit stoute -optreden van den adel. Het was algemeen bekend, dat de -„Moderatie” der plakkaten, door Viglius en Barlaimont -ontworpen in afwachting van de koninklijke goedkeuring, aan de -Gewestelijke staten waren toegezonden, maar dat men zich met het -voorstel weinig ingenomen had getoond.</p> -<p class="par">Het gesprek werd beurtelings in de landstaal en in het -Fransch gevoerd. <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name= -"pb37">37</a>]</span></p> -<p class="par">—„Het is voorwaar voor allen, die het -wèl meenen met den lande en onze Heilige Religie, te hopen, dat -Madame zich geen vreeze late aanjagen door de -Heeren—„gueux” noemen ze zich immers? wel -terecht!”—zeide Vrouwe Martens met een strengen trek om den -harden mond. „Deze ketterijen—<span lang="fr">sectes -dampnables et réprouvées</span>—zijn de oorzaak van -alle troebelen in den lande.”</p> -<p class="par">Hopperus bewoog zich zenuwachtig in zijn ruimen zetel -heen en weer. Hij was een geloovig katholiek en een gehoorzaam zoon der -kerk, maar ketterjacht en Inquisitie stuitten hem tegen de borst. Hij -droomde van een hervorming in den boezem der kerk, van een vernieuwing -van haar geestelijk leven, waardoor zij de afvalligen en ongehoorzamen -weer in haar schoot zou verzamelen.</p> -<p class="par">Viglius nam op zich de strenge vrouw te -beantwoorden.</p> -<p class="par">—„In trouwe, Vrouwe Martens,” zei hij, -met de sluwe, doordringende oogjes knippend, „als Madame slechts -doen kon, wat zij wilde! Maar voor ’t oogenblik zijn de Heeren -haar te machtig en is de gemeente te woelig. Het ware thans niet -geraden, met geweld te weerstreven. En zoo het slechts de heeren alleen -waren! Zoo er geen ander zich achter hen verschool!”</p> -<p class="par">—„Gij meent, dat de prince van -Oranje?”.... vraagde de oude Martens.</p> -<p class="par">Viglius knikte veelbeteekenend.</p> -<p class="par">—„Hij beweert, niets van het Compromis te -weten, en het af te keuren,” vervolgde hij. „Alsof zijn -broeder, Louis van Nassau, iets zou doen zonder hem! Alsof Brederode, -Culemborg en van den Bergh alleen dit spel zouden durven -spelen.”</p> -<p class="par">—„Maar het zijn niet de edelen, die te -vreezen zijn,” ging hij na eenige oogenblikken voort. „Wat -de vijand is, dat is de ongehoorzame en rebelsche geest dezer landen, -die geen meester wil erkennen. Ieder is zijn eigen meester! Ieder -gewest, elke stad, heeft zijne <span class="pagenum">[<a id="pb38" -href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span>vrijheden en rechten en denkt -slechts aan zijne belangen en niet aan die des konings en van den -lande. Als de koning herwaarts komt, dan zal het slechts zijn om zijn -erflanden te brengen tot één bestuur, onder eenzelfde -wet. Eén koning, één religie, één -wet! En daartoe moeten alle trouwe dienaren en onderdanen krachtig -medewerken.”</p> -<p class="par">En wat Viglius zeide, meende hij. Hij was de man der -monarchie. Hij verdedigde de belangen van zijn meester, den koning van -Spanje—al vergat hij daarbij zijn eigen belangen niet!—maar -hij meende toch in oprechtheid zóó ook zijn vaderland te -dienen. De toestand der Nederlandsche gewesten leek dezen strengen -jurist een toestand van anarchie en willekeur en hij wenschte een vast -bestuur en eerbied voor de wet. Hij vond een bonte verscheidenheid van -zeden en gewoonten, van rechten en belangen, soms van de meest -tegenstrijdige, en hij wilde éénheid, eenheid en -eendracht. Jammer maar, dat hij zich geen anderen weg kon denken om -zijn schoone gedachte te verwezenlijken, dan de weg van het -absolutisme, van het van boven opgelegde. Een eenheid, die opgroeien, -die zich ontwikkelen zou uit die bonte verscheidenheid, de gedachte was -hem te hoog; hij wilde zijn ideaal bereiken, door die woelende, bonte -massa—een volk in wording—te wringen in den vorm, zooals -hij en zijn meester dien hadden uitgedacht.</p> -<p class="par">Viglius’ uitval had op de aanwezigen een zeer -verschillenden indruk gemaakt. Vrouwe Martens knikte goedkeurend, met -gefronst voorhoofd en streng toegeknepen lippen. De president bewoog -zich onrustig op zijn stoel heen en weer: hoe koningsgezind hij ook -heette, hij kon soms niet vergeten, dat hij een vrije Vlaming en een -Gentenaar was. Hopperus keek zijn kloekeren vriend vol bewondering aan. -Thierry de St. Foy luisterde met een voornaam glimlachje en stiet -Madeleine eens aan, terwijl hij met een knipoogje naar Jacob wees, die -den spreker met fonkelende oogen <span class="pagenum">[<a id="pb39" -href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>en een blos van ergernis op de -wangen, zat aan te staren. Zijn eerbied voor zijne ouders en de beide -deftige staatslieden weerhield hem nauwelijks, zich in het gesprek te -mengen. Clara keek met eenige onrust naar haar broeder, terwijl de -fiere Madeleine zich blijkbaar ergerde.</p> -<p class="par">—„Wat zou de adel toch ten slotte bedoelen, -met dat ijveren tegen de plakkaten en de Inquisitie en dat tegenwerken -der nieuwe bisschoppen?” vraagde president Martens. „Wat -willen de Heeren toch bereiken?”</p> -<p class="par">Viglius lachte schamper.</p> -<p class="par">—„Dat zouden de Heeren misschien zelve niet -weten te zeggen,” zeide hij. „Er zijn zeer verscheiden -stroomingen onder, voorwaar! Daar zijn de oudsten en machtigsten, wien -het leed is, dat de Koning zijne raadslieden kiest, en de hooge ambten -niet wegschenkt aan de Nederlandsche Heeren, omdat ze een -wijd-klinkenden naam dragen. Daar zijn de loshoofden en roekeloozen, -die vreezen voor de tucht der geestelijkheid, als er goede en heilige -mannen op den bisschoppelijken stoel zitten. Daar zijn de loozen en -eerzuchtigen, die in troebel water denken te visschen en dan ten slotte -de groote hoop, de jonge Heeren, die allen bezield zijn door een geest -van pestilente rebellie en oppositie tegen het gouvernement. Zij spelen -met vuur, die dwazen, en zij verleiden het volk, dat op hen steunt en -rekent en waarover zij nog een zee van jammer en ellende zullen -brengen.”</p> -<p class="par">En weer zag Jacob Martens den spreker aan met een blik -van weerzin en ongeloof. Het kon niet waar zijn! Die mannen, die daar -te Brussel pal hadden gestaan voor de vrijheden des lands, zouden -slechts een bende eerzuchtigen, intriganten en oproermakers zijn! -Onmogelijk!</p> -<p class="par">Hij hoorde, hoe de grijze staatsman, terwijl de jongere -leden van het gezelschap een eerbiedig stilzwijgen bewaarden, de -voornaamste leden van het Verbond der Edelen besprak en daarbij vooral -hun „chronique <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" -name="pb40">40</a>]</span>scandaleuse” niet vergat, want de oude -Viglius was geen edel tegenstander, aanvallen van persoonlijken aard -waren in die dagen aan de orde van den dag en de zeden van den adel -gaven maar al te veel stof aan een booze en scherpe tong,—ook al -waren die van de partijgenooten van den spreker niet beter, al waren de -Croys om hun zedeloosheid berucht en al was Granvelle’s leven -lang niet onberispelijk geweest.</p> -<p class="par">—„En de gemeente? Vreest ge geen woelingen -onder het volk?” vraagde de oude Martens. „Men zegt, dat -het weder te Antwerpen zeer roerig toegaat, en dat het Consistorie van -die van de Geneefsche ketterije zich krachtig weert.”</p> -<p class="par">—„De gemeente vermag niets, zonder den adel, -waarop zij steunt en die haar beheerscht,” zeide Viglius, een der -gezegden bezigend uit zijn befaamde toespraak tot het kapittel der -Vliesridders. „En als wij de edelen onderwerpen, volgen de -„cleyne luyden” vanzelf.”</p> -<p class="par">En de Geschiedenis heeft den kortzichtigen staatsman in -het ongelijk gesteld. Zijne partij <i>heeft</i> den adel onderworpen. -Binnen weinige jaren zouden de Heeren, die thans zoo fier en stout zich -kantten tegen het gezag, en vrijheid eischten, vrijheid des gewetens -bovenal, voor een deel vreesachtig het hoofd hebben gebogen, en voor -een ander deel als verraders en afvalligen in Spaanschen dienst -diezelfde vrijheid bestrijden, terwijl slechts enkelen trouw bleven aan -de goede zaak. Maar de „cleyne luyden”, de burgers en -boeren, bogen niet en werden niet afvallig! Thans gloeide en smeulde -het vuur onder de asch: als de vlam zou uitslaan, dan zouden -absolutisme en Inquisitie in dien gloed verteren!</p> -<p class="par">—„De Martinisten, die van de Augsburgsche -confessie,” doceerde Viglius weder, op een vraag van Vrouwe -Martens, „zijn minder te vreezen in zaken van politiek. Zij mogen -een gereprouveerde secte zijn, sinds zij zich met de Duitsche vorsten -verdroegen, zijn zij minder geneigd tot rebellie. Er zijn er zelfs -onder ons, <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name= -"pb41">41</a>]</span>die zich met hen zouden willen verdragen, al zal -de Koning hierin nimmer toestemmen. Maar die van de Geneefsche -ketterije, die men Sacramentarissen of Gereformeerden noemt, en die het -Heilig Sacrament der Misse ten eenenmale verwerpen, zijn gevaarlijke -sectarissen, die groeien in de perturbatie van den lande. Zij worden -steeds stouter en driester, en naar ik heb hooren verluiden, -vervorderen zij zich geheime conventikelen te houden, waar hunne -predikanten leeren en zelfs doopen. Deze secte neemt, zoo hier als in -Brabant en Holland, onrustbarend toe, ondanks de plakkaten en de -bemoeiïngen der Eerwaarde Heeren Inquisiteuren.”</p> -<p class="par">—„Zou het niet beter zijn,” waagde -Hopperus schuchter, „dat men niet zoozeer onderscheid maakte -tusschen Christenen en Christenen, en dat men die van de nieuwe religie -van dolinge zocht te overtuigen! En zouden geestelijken en klerken niet -beter door een heiligen en godzaligen wandel dan door vier en zwaard de -dolenden in den schoot der Kerke terugbrengen?”</p> -<p class="par">—„In trouwe, neen!” barstte Vrouwe -Martens heftig uit, terwijl een blos van ergernis hare bleeke wangen -kleurde. „Wat zou men zachtheid met de ketters gebruiken, die -moedwillig aan hunne dolingen blijven hangen? Zij verwerpen -boosaardiglijk de leer der Heilige Kerke en hare geestelijke banden om -te kunnen leven in vuige bandeloosheid.</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„Der heyligher Kercken goedertieren lasten</p> -<p class="line">„Versmaet Luther met sijnen ondieren -gasten!”</p> -</div> -<p class="par first">zooals het vrome maagdeken, Anna Byns, tot -Antwerpen, in haar suverlyck boeksken zegt. En wat de weinigen aangaat, -die in onwetendheid dolen, het is voor hunner ziele zaligheid, zoo zij -hier smarte lijden en zoo hunne zielen van de helsche straffen -bevrijden.”</p> -<p class="par">Een oogenblik van pijnlijke stilte volgde op dezen -uitval. Hopperus zweeg verlegen, want Viglius wierp <span class= -"pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span>hem een -bestraffenden blik toe. Jacob staarde peinzend voor zich uit. Weer zag -hij voor zich het bleeke, berustende gelaat der veroordeelde -ketterinne, de ernstige strakke gezichten der omstanders, blijkbaar -hare geloofsgenooten: dat waren voorzeker geen „ondiere -gasten”, die de geestelijke tucht verwierpen om ongestraft te -kunnen zondigen. Hij wist ook wel, hoe de „nieuwe leer”, -vooral die, welke zijne moeder de Geneefsche ketterije noemde, uit -Noord-Frankrijk over de grenzen gedrongen, overal ingang vond; hoe de -ketters in de Vlaamsche steden en op het platteland bij duizenden -gevonden werden. Wat was dan toch die vreemde macht, welke die -eenvoudige menschen noopte een godsdienst te belijden, die hun slechts -ellende en dood kon brengen. En of zij dwaalden of niet—waarom -mochten de vrije mannen en vrouwen van Vlaanderen niet denken en -gelooven, wat zij wilden? En wanneer hij dacht aan de woorden van -president Viglius, den trouwen steunpilaar der regeering, dan begreep -hij, dat men te Brussel slechts tijd wilde winnen, en dat de Koning aan -de wenschen van zijn Nederlandsche onderdanen nimmer zou toegeven.</p> -<p class="par">Maar het „tweede gerecht” was -geëindigd; de „nappe” met de „dwale” ging -weder rond om de gasten in de gelegenheid te stellen, de vingers te -reinigen, de „natuurlijke vorken”, waarmede zij gegeten -hadden, en de „naedisch” werd opgedragen, bestaande uit -„frituyren ende gebacken”, „een gedopte taert” -en eenige schotels met kleiner gebak, „roffiaelen, St. -Jacobsschelpen en wafelen”, de triomf van Vrouwe Martens. -Vruchten, kaas en suikerconfijt, „om de maag te sluiten”, -vormden het slot van het nagerecht, waarbij „Rhijnsche -wijn” werd gedronken uit groene glazen fluiten.</p> -<p class="par">Thierry de St. Foy kon, ondanks zijn gewijde medaille, -niet nalaten bij deze gelegenheid een zijner booze pagestreken uit te -halen. Met een uitgestreken gezicht en hoofschen zwier bood hij den -ouden Viglius <span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name= -"pb43">43</a>]</span>een schaal met oranjeappelen aan, en merkte -schijnbaar niet op, dat de grijsaard, bij zijn stugge weigering, rood -werd van ergernis.</p> -<p class="par">President Martens wierp een ontevreden blik op zijn -onbescheiden gast: hij en alle aanwezigen begrepen de booze bedoeling -zeer wel, want het was algemeen bekend, hoe gespannen de verhouding was -tusschen Viglius en den prins van Oranje sedert de stoute redevoering -van den laatste in den Raad van State, in het late najaar van 1564. De -anders zoo voorzichtige Oranje had bij die gelegenheid stoutelijk -uitgesproken, dat hij, „hoewel hij had voorgenomen de katholieke -religie aan te hangen, nochtans niet goed kon vinden, dat de Prinsen -gebied willen voeren over de gemoederen der menschen en hun de vrijheid -des geloofs en der Religie willen benemen.” En Viglius had zich -dien stouten aanval tegen het gezag zoo aangetrokken, dat hij na een -slapeloozen nacht des anderen daags door een beroerte was overvallen. -Geruimen tijd had hij zijn ambt niet kunnen waarnemen en Hopperus had -hem moeten vervangen.</p> -<p class="par">Het „noenmaal” was nu afgeloopen, en, op -verzoek van den gastheer, had Viglius, in zijn nieuwe geestelijke -waardigheid, de „benedijst” uitgesproken.</p> -<p class="par">Terwijl de oudere leden van het gezelschap nog -bijeenbleven, om het gesprek over het onderwerp van den dag voort te -zetten, gingen de jongelui naar een ander vertrek, om er te spelen met -de „plombeelen”, looden schijven, die met een soort kolven -over een daartoe ingerichte tafel werden voortgeschoven. Na een poosje -scheen het spel de schoone Madeleine te verdrieten; zij wierp haar kolf -weg en liep den hof in en Jacob volgde haar, onder voorwendsel, dat -zijne weêrpartij hem in den steek liet en dat hij haar moest gaan -halen. Ook Thierry zou gaarne het spel hebben gestaakt, maar Klaartje, -die de bedoeling van haar broeder uitstekend begreep en hem als een -trouwe zuster wilde helpen, liet er hem geen gelegenheid toe, -<span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name= -"pb44">44</a>]</span>terwijl zij er lachend op aandrong, dat hij de -partij met haar zou uitspelen. Uit beleefdheid tegenover de dochter des -huizes dorst hij niet weigeren.</p> -<p class="par">Het duurde een poos, voor Jacob in den vrij -uitgestrekten hof zijne schoone gevonden had. Eindelijk zag hij het -purperen kleed tusschen het groen doorschemeren. Madeleine de Bette -stond bij een rozenperk en ontbladerde achteloos een vroege Juniroos. -Toen de jonge man haar naderde, wendde zij zich als ongeduldig af.</p> -<p class="par">—„Dat is niet mooi van je, Madeleine, dat je -ons zoo in den steek laat,” zeide Jacob schuchter.</p> -<p class="par">—„Als de jonkers het gezelschap van ons -meiskes niet op prijs stellen, doen wij beter hen aan hun lot over te -laten en zelve troost te zoeken in de eenzaamheid,” zeide de -schoone spijtig.</p> -<p class="par">—„Ge hebt u anders over de jonkers niet te -beklagen, joffer Madeleine,” antwoordde Jacob, thans op zijn -beurt geprikkeld. „Thierry de St. Foy heeft u den ganschen dag -het hof gemaakt en het scheen u wèl te bevallen!”</p> -<p class="par">—„Hij heeft althans aan het Hof te Brussel -hoofsche manieren geleerd en weet, hoe met de joffers te kouten,” -zei Madeleine met een zijdelingschen blik, „’t ware te -wenschen, dat onze Vlaamsche jonkers wat bij die van Brabant ter schole -gingen.”</p> -<p class="par">—„Ze behoeven er althans geen trouwe te -leeren, zooals voor Vlaamsche meiskes wel noodig schijnt,” riep -Jacob, nu ernstig boos. „Ik laat u dan maar aan uwe gepeizen over -de galante Brabantsche jonkers, joffer Madeleine.”</p> -<p class="par">Het meisje zag hem even lachend na, terwijl hij met -groote stappen het tuinpad opliep.</p> -<p class="par">—„Jacques!” riep zij toen.</p> -<p class="par">De jonge man keerde zich om. Er lag een uitdrukking van -zachtheid en teerheid op het gelaat der fiere jonkvrouw. Hare donkere -oogen lachten hem toe. Hij vloog op haar toe en vatte hare beide -handen. <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name= -"pb45">45</a>]</span></p> -<p class="par">—„Niet boos zijn, Jacques!” vleide -zij. „Je moogt niet jaloersch zijn! Maar waarom ben je ook zoo -stil en ingetrokken vandaag? Is dat nu al om die gevonniste -ketterin?”</p> -<p class="par">—„Dat kun je niet begrijpen, -Madeleine!” zei Jacob ernstig. „Ik wou, dat ik ’t je -zeggen kon, wat mij beweegt, maar....”</p> -<p class="par">—„Nu, en dat wil ik ook niet -begrijpen,” zei het meisje ongeduldig. „Al dat praten over -zaken van politiek en religie vind ik vervelend. Dat is goed voor je -vader en den ouden president. Maar zeg mij eens, Jacques, hoe lang zul -je nog te Leuven studeeren?”</p> -<p class="par">—„Nog twee jaren, vóór ik -magister ben,” zei Jacob. „Een eeuwigheid, -Madeleine!”</p> -<p class="par">—„En dan vraag je je vader om je een post te -bezorgen te Brussel, Jacques! Ik hunker naar Brussel, als Thierry van -die feesten vertelt. En men zal je gaarne zien aan het hof van -Madame!”</p> -<p class="par">Een wolk trok over het voorhoofd van den jongen man.</p> -<p class="par">—„Een post bij de regeering!” zeide -hij. „Vóór dien tijd kan er veel gebeuren, -Madeleine, en...”</p> -<p class="par">—„Maar niets tusschen ons toch, -Jacques,” fluisterde het meisje, en zag hem diep in de oogen.</p> -<p class="par">Jacob sloeg in vervoering zijn arm om haar slanke leest. -Zij weerde hem niet af.</p> -<p class="par">Toen de twee jongelieden na een poos weder aan de -„plombeeltafel” verschenen, droeg Jacob een roode, half -ontloken Juniroos in zijn wambuis. Hij was het verdere gedeelte van -dien dag bijzonder opgewekt, terwijl Thierry nu op zijn beurt -verdrietig en gemelijk was. <span class="pagenum">[<a id="pb46" href= -"#pb46" name="pb46">46</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">III.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Eenige dagen later, op een schoonen Junimorgen, -bevond Jacob Martens zich met Pieter de Welle even buiten het Vrije van -Gent, op den weg naar Oudenaerde. Thierry de St. Foy was weder naar -Brussel vertrokken en had zijn best gedaan, om in de laatste dagen van -zijn verblijf te Gent bij het gezin Martens en inzonderheid bij de -beide meisjes, een aangenamen indruk achter te laten van zijne -hoffelijke persoonlijkheid. Jacob wilde het zich niet bekennen, maar -hij was in zijn hart blijde, dat de page van den hertog van Aerschot -vertrokken was. Het welgevallen, waarmede de meisjes, en vooral -Madeleine, luisterden naar de verhalen en complimenten van den -hoofschen jonker, was aan die stemming niet vreemd, maar toch was er -ook een edeler oorzaak voor de verkoeling van zijn vriendschap. Thierry -was de dienaar van het huis Croy, de page van Aerschot, het hoofd der -regeeringspartij. Hij was een ijverig aanhanger der regeering, en daar -hij wel wist, dat ook de president en vooral Vrouwe Martens door en -door koningsgezind waren, en het streven der edelen, der Geuzen, zooals -het toen reeds heette, verfoeiden, verzuimde hij niet, steeds zijn -gehechtheid aan koning en kerk duidelijk te doen uitkomen. Hij had er -een boosaardig vermaak in gevonden, den armen Jacob, wiens nationale en -vrijheidlievende sympathieën voor zijne huisgenooten geen geheim -waren, in tegenwoordigheid zijner ouders te prikkelen tot tegenspraak, -tot verdediging van hen, die de maatregelen der regeering, vooral de -vervolging om des <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" -name="pb47">47</a>]</span>geloofs wil, bestreden, en de toornige -uitvallen van den president, de harde en strenge woorden der moeder -tegen den zoon, die zijn medegevoel voor de rebellen en ketters niet -verborg, het minachtend glimlachje van Madeleine de Bette, wanneer zij -sprak over Jacques’ liefde voor ’t vileijn gepeupel, waren -naar het hart van den Brabantschen jonker. Zoo ontstond tusschen de -vroegere vrienden eene verwijdering, dezelfde verwijdering, die in die -droeve dagen bestond tusschen betrekkingen en vrienden, tusschen -landgenooten en bloedverwanten, en die weldra zou aangroeien tot een -onoverkomelijke klove.</p> -<p class="par">En ondertusschen hadden Jacobs denkbeelden en -sympathieën zijn bezorgden vader aanleiding gegeven, om zijn zoon, -bij het toenemen van den oproerigen geest in Vlaanderen en Brabant, nog -niet naar de universiteit te Leuven te doen vertrekken, maar hem terug -te houden te Gent.</p> -<p class="par">En zoo was Jacob Martens thans, in plaats van zich bezig -te houden met het Romeinsche recht, met Pieter de Welle, den -koddebeier, op het pad naar Gentbrugge, waar president Martens -inderdaad bouwlanden en bosschen bezat, om, zooals de Welle hem had -beloofd, een „dasvarken” uit te graven.</p> -<p class="par">Jacob had de uitnoodiging van den beier in vollen ernst -aangenomen. De jacht op den das was in heel Duitschland en ook in de -Nederlanden een geliefkoosd vermaak bij de gezellen van St. Huibert, -wanneer de jacht op hazen en hoenders gesloten was,—want -verordeningen en plakkaten om het wild te beschermen bestonden er toen -als nu. Meester Grimbaert was echter, evenals zijn neef, de vos, buiten -de wet gesteld. Hem mocht men te allen tijde vervolgen. Wanneer zijn -hol was ontdekt, werd hij met dashonden door de gangen zijner woning -naar den „ketel” gedreven, het ruime, ronde hol, dat zijn -eigenlijk verblijf was. Dààr hield hij stand, om zich met -zijn geduchte klauwen tegen zijn keffende belagers te verdedigen. -<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= -"pb48">48</a>]</span>Hoorde de jager, aan het aanslaan der honden, diep -onder den grond, dat de das tot staan was gebracht, dan werd het hol -met spaden opgegraven en het arme dier met de dasvork, een lansijzer in -den vorm van een kurketrekker aan een langen stok, gespiest en uit zijn -hol getrokken.</p> -<p class="par">—„Waar is het hol, Pieter?” vraagde -Jacob.</p> -<p class="par">—„In het Oudegeester bosch, achter -Gentbrugge,” antwoordde de Welle, geheimzinnig lachend. „Je -zult vandaag een jacht hebben, jonker, zooals je nog nooit hebt gehad. -Maar we gaan eerst naar mijn huis. Mieke zal wel een bol brood met kaas -en een nap wei voor ons hebben.”</p> -<p class="par">—„Durf je je mooie dochtertje zoo maar -alleen thuis laten, Pieter?” vraagde Jacob. „Je bent zoo -dag en macht op het pad. En zeker zijn er wel vrijers, die op het mooie -meiske loeren.”</p> -<p class="par">—„Mieke is een goed en vroom kind,” -zeide de koddebeier. „Sinds hare moeder—God hebbe haar -ziel—van mij werd weggenomen, heeft zij mij geen uur van zorg -gegeven. En zoo daar al rauwe kornuiten mochten zijn, die het haar -lastig zouden willen maken, dan weten zij wel, dat Pieter de Welle een -stevige kodde voert.”</p> -<p class="par">Een poosje gingen beiden zwijgend verder. Jacob had -opgemerkt, dat de Welle, toen hij zijn gestorven vrouw herdacht, geen -kruis had geslagen. Zijn oog viel verder op het eikelkapje in de -kaproen van zijn metgezel en hij dacht aan diens houding bij de -terechtstelling der ketterinne buiten de poort en de bewering van -Thierry de St. Foy, dat de koddebeier het herkenningsteeken der Geuzen -droeg. Hij had er den man gaarne naar gevraagd, maar hij durfde niet. -Hoe kon men iemand vragen, of hij behoorde tot die van de „nye -leere”, in die dagen, toen ketterij een halsmisdaad was?</p> -<p class="par">Met eenige verwondering merkte Jacob Martens op, dat het -op de landwegen niet zoo stil en eenzaam was <span class= -"pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>als hij -gedacht had. Er waren veel voetgangers en ongewoon veel huifkarren. En -door de stille morgenlucht kon men in de verte, op de breede kleiwegen, -het geroep der voerlieden en het kletsen en knallen der zweepen -vernemen.</p> -<p class="par">—„’t Is druk van morgen,” merkte -hij op, „is er ergens in de buurt een kermis of -doelfeest?”</p> -<p class="par">Pieter de Welle schudde geheimzinnig het hoofd. Zijn -gerimpeld gezicht stond strakker dan ooit.</p> -<p class="par">Men bereikte de woning van den koddebeier; een kleine -boerderij, ter zijde van den weg. Op het oogenblik, dat zij het erf -betraden, kwam er een jonge man uit het huisje, in de gewone kleeding -van een Vlaamschen boer, maar met een zwaren kruisboog onder den arm. -Zoodra hij de Welle en diens metgezel zag, bleef hij een oogenblik als -verlegen staan. De boschwachter van zijn kant uitte een half gesmoorde -verwensching, en zijn kodde steviger vattende, trad hij dreigend op den -jongeling toe.</p> -<p class="par">—„Wat moet jij hier?” vraagde hij -barsch.</p> -<p class="par">De jonge boer had de dreigende beweging van den -boschwachter gezien en juist dat gebaar scheen hem moed te geven. Flink -keek hij den toornige aan met een paar levendige blauwe oogen, die -flikkerden van stoutmoedigen levenslust.</p> -<p class="par">—„Maak je maar niet boos, de Welle,” -zei hij luchtig. <span class="corr" id="xd24e846" title= -"Bron: ,">„</span>Ik heb Mieke maar om een dronk water gevraagd. -Dat zul je toch een vermoeiden wandelaar, die heel van Poperingen komt -loopen, niet weigeren.”</p> -<p class="par">—„Ik wacht geen stroopers als gasten in mijn -huis!” was het norsche antwoord.</p> -<p class="par">—„Is het dat?” En de jonge man keek -lachend naar zijn armborst. „Om een paar hazen en hoenders, die -aan niemand toebehooren, zou je een flinken borst je huis ontzeggen! -Maar wees content, man! Ik kom niet om je hoenders. Als ik heden -schieten moet, wat God verhoede, dan zal het zijn op ander -wild!”</p> -<p class="par">—„Jij, Daniël, je zoudt hier zijn -om...?” <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= -"pb50">50</a>]</span></p> -<p class="par">—„Om dezelfde reden als jij, de Welle. Ik -weet, hoe het met je gesteld is, man!”</p> -<p class="par">Hij wees op het eikelkapje in de muts van den -boschwachter. Toen haalde hij van onder zijn kiel een houten napje te -voorschijn, dat hij aan een koord om den hals droeg.</p> -<p class="par">—„Zie hier!” zei hij; „dat heb -ik van een nobelen heer tot Poperingen gekregen. Vive le Geus is nu de -leus, de Welle, en je moet een vriend er niet zuur om aanzien, al heeft -hij je vroeger wel eens bij den neus gehad en soms een haas geschoten -op het goed van den president.”</p> -<p class="par">De koddebeier wierp een schuwen blik op Jacob Martens, -die zwijgend en aandachtig luisterde naar het gesprek.</p> -<p class="par">—„Jij een Geus, Daniël? Jij van de -nieuwe religie?” zei hij eindelijk ongeloovig.</p> -<p class="par">—„Van de nieuwe religie?” zei de ander -luchtig, „wel, Pieter, ik vreeze, dat het met mijn religie nog -een schrale bestelling is. Maar toch zeg ik,” ging hij ernstiger -voort, „al ben ik maar een losse en ruwe kwant, die -geuzenpredikanten hebben meer te zeggen dan onze pastoor en de dikke -monniken van de abdij te zamen, en als ik nog eens als een goed -Christen mocht sterven, dan zal het in hunne leer en religie -zijn.”</p> -<p class="par">—„’k Mag het lijden,” zeide de -Welle droog, „maar Daniël Tistz., houd het je voor gezegd: -zoolang je niet als een goed Christen wilt leven, duld ik je niet op -mijn erf en bij mijn dochter, Geus of geen Geus!”</p> -<p class="par">En hij maakte een veelbeteekenend gebaar.</p> -<p class="par">—„Nu, ik ga al,” zei de strooper -schouderophalend. „Straks zullen we elkander wel zien! En pas -maar op, de Welle. Je zoudt nog wel eens om Daniël kunnen roepen, -als de bloedhonden van den deken Titelman het in den neus kregen, dat -jij noch Mieke de misse meer bezoekt!”</p> -<p class="par">En zijn armborst met lossen zwier over den schouder -<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name= -"pb51">51</a>]</span>werpende, verwijderde hij zich, na een lichten, -doch niet onbeleefden groet, terwijl hij uit volle borst een verboden -liedje aanhief:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">De Monniken in ’t Monniken Convent</p> -<p class="line">Die waren tot sterken drank gewent,</p> -<p class="line">Sy hadden drie groote kannen,</p> -<p class="line">Die hadden namen als mannen.</p> -<p class="line">De eene hiete Huigemond,</p> -<p class="line">De tweede hiete Maekeblij,</p> -<p class="line">De derde hiete Drinkom!</p> -</div> -<p class="par first">De koddebeier zag hem hoofdschuddend <span class= -"corr" id="xd24e896" title="Bron: nu">na</span>.</p> -<p class="par">—„Een losse kwant, jonker,” zei hij. -„Hij is meer in de taveerne en bij het verkeerbord dan op het -land en aan zijn werk. Jammer van den jongen, want hij is een wakkere -gast, en, dat moet men hem laten, een goed schutter. Hij heeft al -driemaal op ’t Doelfeest van het gilde te Poperingen de duif van -den paal geschoten.”</p> -<p class="par">—„En hij heeft een goed oog op je -Mieke?” vroeg Jacob.</p> -<p class="par">—„Daar kan niets van komen,” zei de -Welle beslist. „Een strooper, een drinker en een tuischer! En een -eerlijk mans kind! Die passen niet bij elkander.”</p> -<p class="par">Ze traden de woning binnen, waar zij door Mieke, een -mooi, blozend Vlaamsch boerinnetje, werden ontvangen. Het meisje -groette Jacob met zekere gemeenzaamheid: ze kenden elkander van hun -vroegste jeugd en hadden als kinderen samen gespeeld. Met een -schuchteren blik en een hooge kleur zag ze echter op tot haar vader: -blijkbaar vreesde ze, dat deze boos zou zijn om het bezoek van den -jongen Daniël.</p> -<p class="par">—„Wat deed die kwant weer hier, -Mieke?” vroeg de Welle, inderdaad barsch genoeg.</p> -<p class="par">—„Hij was in de keuken, voor ik er op -verdacht was, vader,” antwoordde het meisje met neergeslagen -oogen. „Hij was moe en warm, en vroeg om een dronk water.” -<span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name= -"pb52">52</a>]</span></p> -<p class="par">—„En die kon je hem niet weigeren? ’t -Is wel! Alevel, denk er om, dochter, dat er niets mag zijn tusschen u -en dien loshoofd en dat ik zulke rauwe kornuiten niet op mijn erf wil -zien.”</p> -<p class="par">Het meisje boog het hoofd en deed moeite om haar tranen -te verbergen. Blijkbaar dacht zij gunstiger over den koenen -boogschutter dan haar strenge vader.</p> -<p class="par">De Welle keek zijn dochter een oogenblik ontevreden aan, -maar hij wilde in de tegenwoordigheid van den zoon van zijn meester -niet verder op de zaak ingaan.</p> -<p class="par">—„Kom, Mieke,” zei hij, niet -onvriendelijk, „wij zijn óók warm en moe. Geef den -jonker een nap melk, of wei, zoo ’t hem lust en breng ons brood -en zuivel, want ’t kan heden lang duren, voor wij weer iets over -de lippen krijgen. En maak je dan klaar, om mede te gaan, kind. Je -weet, waarheen.”</p> -<p class="par">—„Ja, jonker,” ging de koddebeier -voort, toen Jacob hem met een verwonderden blik aanzag, „’k -zal ’t je maar zeggen. Met dat dasvarken is het niets. ’t -Was louter een list, om je mee te krijgen. Maar nu zul je toch weten, -wat hier staat te gebeuren en dan kun je zelf toezien, of je wilt gaan -of blijven. Want zie, ik zou niet gaarne willen, dat je door mijn -toedoen in moeilijkheid kwaamt en ’t is ook niet goed iets tegen -het geweten te doen. In hoeverre je hierin je ouders moet gehoorzamen, -jonker Jacob, moet je met God den Heere en je geweten -uitmaken.”</p> -<p class="par">—„Toen ik je zag, laatst bij de haven, toen -die arme Doopersche werd verdronken en toen ik je hoorde spreken tegen -dien Brusselschen jonker,” vervolgde de Welle, „dacht ik -bij mijzelf: Onze jonker heeft ook al lang genoeg van de papistische -bijgeloovigheden, en als hij maar de Evangelische waarheid mocht -vernemen, zou zijn hart er dra voor geopend zijn. En nu, jonker Jacob, -kort en goed: we gaan hier straks ter preeke! Een dienaar des Woords -zal hier de verstrooide leden der ware kerke Gods komen stichten. -Indien je wilt, kun je komen en hooren.<span class="corr" id="xd24e925" -title="Niet in bron">”</span> <span class="pagenum">[<a id="pb53" -href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></p> -<p class="par">—„Ik ga mede!” riep Jacob driftig. -„Reeds lang wilde ik gaarne hooren, wat die van de nieuwe religie -leeren.”</p> -<p class="par">—„Nu dan, maak haast met je maal, want het -wordt tijd,” zei de Welle. „En de Heere God opene je ooren, -om de waarheid te verstaan.”</p> -<p class="par">Mieke trad binnen, gereed om te vertrekken. Trots het -zachte weder en hoewel er geen regen dreigde, had het meiske haar huik -omgehangen. Jacob begreep den voorzichtigheidsmaatregel. Het lange, -vormlooze regenkleed kon, als ’t noodig was, voor vermomming -dienen. Hij huiverde even, toen hij dacht aan den stervensblik der -Doopersche; wat waagden deze eenvoudigen voor hun godsdienst!</p> -<p class="par">Ze traden naar buiten en sloegen den weg naar Gentbrugge -in. De levendigheid en de drukte op de wegen was nog toegenomen, -’t Was inderdaad, of er in het dorp een kermis of een doelfeest -zou worden gehouden, zoo groot was de toeloop uit de naburige steden en -dorpen. Maar de drukte was van een geheel anderen aard. Geen gelach, -gezang of gejoel werd gehoord. Zwijgend en ernstig gingen ze voort, die -Vlaamsche boeren en burgers, die, spijt plakkaten en Inquisitie, daar -heen trokken, om Gods Woord te gaan hooren, en die om dat Woord te -hooren wellicht vrijheid en leven gingen wagen.</p> -<p class="par">Een dof gerucht, een verward gegons van stemmen, toonde -aan, dat men de vergaderplaats naderde, en bij een bocht van den weg -zag Jacob Martens die plotseling voor zich. ’t Was een groote -weide, door den eigenaar zeker voor dit doel afgestaan. Van voren was -zij door een vrij breede sloot van den weg gescheiden, terwijl ze aan -drie zijden omringd was door bosschen van hoog opgaand -eikenhakhout.</p> -<p class="par">Een bonte menigte bedekte het weiland en krioelde er -dooreen. Men beweerde later, dat er zeven duizend menschen bijeen waren -geweest, en al is dit getal waarschijnlijk overdreven, het bewijst -toch, hoe groot <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= -"pb54">54</a>]</span>de belangstelling was in deze eerste openbare -prediking in Vlaanderen. Landlieden en de kleine burgerij uit de -Vlaamsche steden vormden het grootste deel van het gehoor; mannen en -vrouwen uit aanzienlijken stand zag men er slechts weinigen. De burgers -toonden zich over het algemeen vreesachtiger dan de Vlaamsche boeren. -De laatsten liepen overal rond, zonder eenige vrees te toonen, terwijl -de stedelingen, de mannen in hunne mantels gehuld en den hoed diep in -de oogen getrokken, de vrouwen, weggedoken in hare wijde huiken, in -groepen bijeen stonden en iedereen met argwaan aanzagen, die in hunne -nabijheid kwam. Er was wellicht eenige reden voor, want zij waren meer -in het bereik hunner plaatselijke overheden, dan de meer verspreid -wonende plattelandsbevolking.</p> -<p class="par">Bij het hek, dat toegang gaf tot het weiland, stonden -eenige mannen, met stevige stokken gewapend, die de aankomenden -zorgvuldig opnamen en soms dezen en genen aanhielden en eerst na een -kort onderhoud doorlieten. Bij zulk een groote volksverzameling mocht -het wel onmogelijk heeten, alle spionnen en verklikkers te weren, maar -men kon er althans voor zorgen, dat de erkende handlangers der -Inquisitie de samenkomst niet bezochten.</p> -<p class="par">Even binnen het hek stonden een paar kraampjes, waar -eenige boekverkoopers goede zaken maakten, naar het scheen, want een -groot aantal menschen verdrong er zich, om de „verboden -boeken”, hier zoo stoutmoedig in ’t openbaar aangeboden, te -zien en te koopen, en menigeen droeg de in bruin leder of wit perkament -gebonden schatten mede, hetzij in triomf ze toonend, hetzij zorgvuldig -verborgen onder mantel of huik. Men vond er den „Bijbel van -Liesveld” in twee deelen, het Nieuwe Testament, naar Luthers -vertaling verduitscht en in 1523 te Antwerpen verschenen, maar ook -reeds den „Embdenschen Gereformeerden Bijbel”, die door -eenige Nederlanders bewerkt was naar de uitgave van Zwingli en, in 1560 -door Nicolaas Biestkens <span class="pagenum">[<a id="pb55" href= -"#pb55" name="pb55">55</a>]</span>verbeterd uitgegeven, door de -Gereformeerden vooral gretig was ontvangen.</p> -<p class="par">Ook werd er een kleiner boekje druk verkocht. Het was -iets nieuws, want het was eerst in Mei van dat jaar verschenen. Het was -een Nederduitsche berijming der Psalmen, naar de Fransche dichtmaat en -zangwijze van Clement Marot en Beza vervaardigd door Petrus Dathenus: -de strijdliederen der Nederlandsche Hervorming!</p> -<p class="par">Jacob Martens keek vol nieuwsgierigheid het gewoel om -zich heen aan, terwijl hij de Welle volgde, die voortdrong naar een der -zijden van het weiland, waar, vlak tegen het hakhout aan, een -boerenwagen was geplaatst: de geïmproviseerde kansel bij deze -godsdienstoefening in de open lucht.</p> -<p class="par">„De groene preek!” Geen wonder, dat de -duizenden belijders der „nieuwe religie” in Vlaanderen van -alle kanten waren toegestroomd, nu hun voor ’t eerst de -gelegenheid werd geboden in ’t openbaar de verkondiging des -Woords te hooren. Voor ’t eerst! Wel had reeds in 1528 de bittere -Anna Bijns van de Lutheranen gezongen:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Selden oft nemmermeer gaen zij te sermoene,</p> -<p class="line">Maer preect er ergens een ketter in ’t -groene,</p> -<p class="line">Dan loopen zij om elc d’ eerste te sijne!</p> -</div> -<p class="par first">Maar dit waren, bij de strenge toepassing der -plakkaten, slechts kleine conventikelen geweest. Thans, aangemoedigd -door het stoute optreden der edelen en de kennelijke verlegenheid der -regeering, waagden de Gereformeerden het openlijk de plakkaten te -trotseeren in „de openbare preek”.</p> -<p class="par">Pieter de Welle drong met zijne breede schouders door de -dichte menigte heen tot dicht bij den boerenwagen en Jacob en Mieke -volgden lijdzaam hun stevigen gids, die hier blijkbaar een goede -bekende was, voor wien men gewillig plaats maakte. Al voortgaande, -<span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name= -"pb56">56</a>]</span>ving Jacob een en ander op van de gesprekken, die -om hem heen werden gevoerd. Men sprak over den predikant, die weldra -zou optreden, en ’t was merkwaardig, dat de titel der Roomsche -geestelijken steeds bij dien naam werd gevoegd. „Pater -Herman”, „pastoor de Strijker”,—zoo klonk het -onder het volk.</p> -<p class="par">—„Wie zal er seffens preeken?” vroeg -hij de Welle.</p> -<p class="par">—„De predikant van die van de Gereformeerde -religie te Oudenaerde,” antwoordde deze. „Hij was vroeger -monnik bij de Preekheeren. Herman de Strijker heet hij; hij wordt ook -wel Modet genoemd.”</p> -<p class="par">Er was plotseling een hevige beweging onder het volk -rondom den wagen. Allen drongen naar den geïmproviseerden kansel -heen, en een oogenblik later verscheen een man op de kar, die met een -breed en gebiedend gebaar de menigte wenkte te zwijgen.</p> -<p class="par">Jacob zag een man van betrekkelijk nog jeugdigen -leeftijd, een flinke gestalte, met onregelmatige, maar niet onaangename -trekken. Zijn donkere oogen hadden een gebiedenden blik, de koene -rechte neus, de vastgesloten mond en de vierkante, massieve kin spraken -van kloekheid en vastberadenheid. Het was het gelaat van een dweper en -drijver, een man met één idee, die voor de -verwezenlijking van dat ééne denkbeeld alles zou over -hebben en zich door niets zou laten weerhouden,—niet door de -vreeze, maar evenmin door de liefde.</p> -<p class="par">Zóó was Herman Modet, een man van zijn -tijd en geschikt voor zijn tijd, die sinds deze eerste openbare -predikatie op de weide bij Gentbrugge nog een belangrijke rol zou -spelen in de geschiedenis van zijn land en zijn Kerk.</p> -<p class="par">Het duurde eenigen tijd, eer de opdringende -menschenmassa rustig genoeg was, om met de godsdienstoefening aan te -vangen. Toen klonk de zware stem van den priester-predikant: men zou -een psalm zingen, een psalm Davids!</p> -<p class="par">Het boekje van Dathenus, zoo juist van pas verschenen -<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name= -"pb57">57</a>]</span>om der strijdende en lijdende gemeente haar lied -te schenken, deed aanstonds goede diensten. Waren ook de woorden voor -de meesten nog nieuw, de melodieën waren het niet! De psalmen van -Marot, door de Fransche Hugenoten gezongen, waren aan hunne broederen -in de aan Frankrijk grenzende gewesten niet vreemd. Eerst weifelend, -maar weldra luid en krachtig, klonk het uit duizenden kelen:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Wilt Godt lof en eer geven,</p> -<p class="line xd24e990">Groot is sijn vriendlickheyt,</p> -<p class="line">En sijn goetheyt verheven</p> -<p class="line xd24e990">Blijft in der eeuwigheyt:</p> -<p class="line">Sy die vry zijn gekocht,</p> -<p class="line xd24e990">Sullen sijn Naem verclaeren,</p> -<p class="line">En die Godt heeft gekocht</p> -<p class="line xd24e990">Uyt angst en groot beswaren.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">So sy bidden den Heere</p> -<p class="line xd24e990">In al haer lyden swaer,</p> -<p class="line">Haer cruys om sijns Naems eere</p> -<p class="line xd24e990">Weert Hy hen haest daarnaar.</p> -<p class="line">Als Hy spreect een woort goet,</p> -<p class="line xd24e990">Gesondheyt sij verwerven;</p> -<p class="line">Daerdoor sijn sy behoet</p> -<p class="line xd24e990">Van den doodt en ’t verderven.</p> -</div> -</div> -<p class="par first">Het psalmgezang zweeg en Herman Modet hief zijn -stem op in het gebed. Een lang, vurig gebed was het, uitgestort uit een -onstuimige ziel, die de schreiende nooden van een onstuimigen tijd, de -kreet van een worstelende gemeente opvoerde tot voor den troon -Gods.</p> -<p class="par">Zoo de vorm, de drukke, overladen stijl, de vaak platte -beeldspraak van den prediker in andere tijden en voor ooren, aan -gekuischten smaak gewoon, hinderlijk mocht geweest zijn, de toehoorders -stootten zich daaraan niet, want het waren de vormen, die zij kenden -<span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name= -"pb58">58</a>]</span>en vereerden, en bovenal, door alles heen, sprak -het vurig geloof, het vaste Godsvertrouwen van den bidder.</p> -<p class="par">Jacob Martens staarde getroffen en verbaasd naar den -prediker en naar de hoorders. Hoe anders trad hem hier de godsdienst -tegen dan in de gewelven van de St. Jacobskerk, waar in het -schemerlicht, dat door de geschilderde glazen nog binnendrong, de -priester aan het altaar de mis bediende in het blauwe waas der -wierookwolkjes, terwijl het gezang van het koor zoet en week boven zijn -hoofd psalmodieerde en de gele vlammetjes der waskaarsen trilden voor -de heiligenbeelden. Hoe dikwijls had hij daar neergezeten, half -gedachteloos, half in een droomerige godsdienstige stemming, hoorende, -zonder te verstaan, knielende zonder veneratie, prevelende zonder te -bidden, omdat dàt nu eenmaal, naar hij meende, godsdienst was. -Hoe anders was het hier! Hoe ernstig, hoe op den man af! Hier in het -volle zonlicht, onder Gods blauwen hemel!</p> -<p class="par">Maar het gebed was afgeloopen, de aangezichten waren in -gespannen verwachting naar den prediker gekeerd, en deze had zijn -bijbel geopend en las zijn tekst. Het was <a class="biblink xd24e43" -title="Link naar geciteerde plaats in de Bijbel" href= -"https://www.biblegateway.com/passage/?search=1%20tim%204:7&version=HTB"> -1 Timotheüs 4 : 7</a>: „<span lang="nl">Maer wechwerpet die -godtloose ende oudwijfsche fabelen; ende oefen uselven tot -godtsaligheyt.</span>”</p> -<p class="par">Het was geen woord van opbeuring en vertroosting, dat de -strijdende en lijdende gemeente van Vlaanderen van dezen forschen -voorvechter der Reformatie ontving. In Modet—een onzer groote -auteurs <span class="corr" id="xd24e1040" title= -"Bron: heet">heeft</span> het terecht gezegd—was vooral het -revolutionaire karakter van de Hervorming dier dagen belichaamd. Zijne -predikatie was in de eerste plaats een geweldige aanval op wat hij de -„paepsche afgoderije” en de „verdoemelijke -oudwijfsche fabelen van het pausdom” schold. Het klonk Jacob -vreemd in de ooren, toen hij daar alle ceremoniën en kerkelijke -gebruiken, die hij van zijn vroegste jeugd af had leeren eerbiedigen, -als onafscheidelijk <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" -name="pb59">59</a>]</span>verbonden met godsdienst en vroomheid, met -ruwe welsprekendheid hoorde verguizen en bespotten, toen hij het -Sacrament der Mis, het middelpunt van den Roomschen eeredienst, met -felheid hoorde aanvallen en ontwijden. Hij voelde zich angstig en -beklemd, en als hij om zich heen zag, las hij op de gezichten der -ademloos luisterende toeschouwers hun volle instemming met die -vreeselijke woorden, zag hij de harde trekken op die verweerde -gezichten en de vlammende oogen, die gloeiden van fellen haat en -verterenden ijver.</p> -<p class="par">Maar de geweldige prediker, de stoute bestrijder van -Rome, had toch meer te geven, was toch dienaar des Evangelies! Toen hij -sprak over de „oefeningen der godtsaligheyt”, werd zijn -toon anders. Wat waarachtige godzaligheid was, hoe men die zou oefenen -in deze zware tijden, hoe men ze zou ontvangen, door de genade van -Christus alleen,—het werd de ademloos luisterende toehoorders in -forsche taal uiteengezet. Het werd Jacob wonderlijk te moede. Hij werd -medegesleept door den geweldigen ernst, de machtige overtuiging van den -spreker; hier was een man, die wist en innig gevoelde, dat hij stond -tegenover zijn God, dat er niemand was tusschen zijn God en hem en die -zijne hoorders ook van die overtuiging zocht te doordringen. Geen -middelaar tusschen den zondaar en zijn God, dan de eenige Middelaar, -Christus Jezus!</p> -<p class="par">Zonder dat hij het wist, had Jacob Martens in die -gewichtige stonde zijns levens de groote leidende gedachte der -Reformatie gevoeld en verstaan.</p> -<p class="par">Maar waarom haperde Herman Modet? Waarom zweeg hij, na -nog eenige volzinnen te hebben uitgesproken? Wat beteekende dat rumoer -bij het hek, dat toornig gemompel onder de luisterende menigte en het -angstig opdringen der vrouwen?</p> -<p class="par">Jacob zag om en ontdekte weldra de oorzaak der -opschudding. Een ruiter trachtte, met den blooten degen in de vuist, -door het volk heen te dringen, terwijl <span class="pagenum">[<a id= -"pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>hij zijn paard liet -trappelen en steigeren, om ruim baan te maken. Achter hem zag men de -speren flikkeren van eenige gewapenden.</p> -<p class="par">Het was Cornelis Croese, de schout van Gentbrugge, een -ijverig aanhanger der regeering en een brutaal, ondernemend man. Zoodra -hij vernomen had, dat de Sacramentarissen zich onderstonden, om binnen -zijn rechtsgebied, met volslagen verachting der plakkaten, een openbare -preek te houden, had hij, zijne beide dienaars en een paar pachters der -kerk opgeroepen en gewapend en was moedig naar de plaats getogen, waar, -naar men hem had bericht, de predikatie zou plaats hebben, om de -vergadering uiteen te drijven en zoo mogelijk den geuzenprediker te -vatten. De menigte was veel talrijker, dan hij zich had voorgesteld, -maar aan moed ontbrak het den Schout niet. Hij spoorde zijn paard aan, -terwijl hij zijne dienaars beval hem te volgen, en met een: -„Staat ons bij, luijden, zoo gij den Koning trouw zijt!” -trachtte hij heen te dringen naar den wagen, die Modet tot kansel -diende.</p> -<p class="par">Er volgde een oogenblik van onbeschrijfelijke -verwarring. De schare stond een oogenblik als besluiteloos. De vrouwen -gilden en kreten, de mannen mompelden dreigementen en verwenschingen, -maar bleven werkeloos, terwijl zij onrustig rondzagen,—naar een -uitweg of een leider. Modet was van den wagen afgeklommen en de groep -getrouwen, die er om heen stonden geschaard, namen den prediker in hun -midden en drongen langzaam naar het bosch eikenhakhout, waaraan het -weiland grensde.</p> -<p class="par">Schout Croese zag het en hij begreep, dat zijn prooi hem -ging ontsnappen. Hij dreef zijn paard aan en sloeg met de platte kling -naar de opeengedrongen menschenmassa, die hem den weg versperde.</p> -<p class="par">Zijn drift werd zijn ongeluk. Het wapen trof een jonge -vrouw aan het hoofd en bracht haar een bloedende wonde toe: de vrouw -zonk neer, meer door schrik dan door den slag. <span class= -"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span></p> -<p class="par">En nu won de toorn en de verontwaardiging het van de -vreeze!</p> -<p class="par">—„Slaat dood den beul! Slaat dood den -papenknecht!” klonk het van alle kanten.</p> -<p class="par">Het volk was ongewapend, maar de puinweg werd een -arsenaal: een steen gonsde door de lucht en rukte den Schout den hoed -van het hoofd. Het voorbeeld vond navolging. Een hagelbui van groote en -kleine steenen troffen paard en ruiter, terwijl de schoutendienaars, -opgedrongen door eene woedende menigte, geen gebruik konden maken van -hunne wapenen, ook al hadden zij gedurfd.</p> -<p class="par">—„Slaat dood!” de oude aanvalskreet -der strijdbare Vlamingen, klonk aan alle kanten. Schout Croese zag, dat -het bloedige ernst werd en dat hij te veel had gerekend op het ontzag -voor de justitie. Bebloed en gekneusd door de steenworpen, wierp hij -zijn rapier weg en wendde den teugel.</p> -<p class="par">Een luide juichkreet, een stormachtig: Slaat dood! Men -had zijne beweging, gezien en begrepen! De Schout gaf het op! De Schout -vluchtte!</p> -<p class="par">Een aantal jonge boeren drongen op, het mes in de vuist, -om hem tegen te houden.</p> -<p class="par">Maar oudere, bezadigde mannen kwamen tusschenbeide. Met -geweld en doodslag, met den moord van een grafelijk ambtenaar, werd de -zaak der jeugdige Kerk niet gediend. Half met geweld, half door -overreding, maakten zij ruim baan voor den Schout, en Cornelis Croese -reed spoorslags weg, onder het uitjouwend gejubel der menigte.</p> -<p class="par">Van een hervatten der godsdienstoefening was geen sprake -meer. De schare verspreidde zich, sommigen opgewonden en vol hoop, -anderen vreesachtig en terneergeslagen. Ook Jacob Martens ging met de -Welle naar diens woning, om tegen het vallen van den avond naar Gent -terug te keeren.</p> -<p class="par">Allerlei aandoeningen vervulden hem en voerden strijd in -zijne ziel. Hij gevoelde, hoe de kloof, die hem <span class= -"pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>van de -zijnen scheidde, steeds breeder en dieper werd. Modet’s prediking -had hem machtig aangegrepen en de strijd van zijn volk tegen vreemde -dwingelandij en geloofsdwang, dien hij reeds sinds lang met -belangstelling en sympathie had aanschouwd, scheen hem meer en meer een -heilige strijd, en mede te kampen een heilige plicht. Maar—hij -moest zich losscheuren van zooveel, waarmee hij was opgegroeid: -meeningen, gewoonten, sympathieën, ook een zeker onbestemd geloof -in dingen, die hem, naar hij dacht, altijd onverschillig waren geweest -en waarvan hij zich nu toch zoo moeilijk kon losmaken, nu het er op aan -kwam, om er afscheid van te nemen, voorgoed.</p> -<p class="par">En zijne ouders! En Madeleine!</p> -<p class="par">Met een bedrukt hart betrad Jacob Martens in den avond -van dien dag het ouderlijk huis. <span class="pagenum">[<a id="pb63" -href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">IV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Ongeveer vier weken na de onstuimige „groene -preek” te Gentbrugge zat Jacob Martens op een schoonen Julimorgen -in den „hof” van het ouderlijk huis, bijna aan de voeten -van Madeleine de Bette, die hem haar sierlijk eikenhouten spinnewiel in -de schaduw van een bloeiende linde had doen dragen en hem met -behaagzieke speelschheid een laag bankje had aangewezen, waarop hij -zijne schoone gebiedster mocht voorlezen uit de Historie van Amadis van -Gaulen, of van Palmeryn van Olyven, de Hollandsche vertalingen van -Spaansche ridderromans, waarmee joffer Madeleine dweepte.</p> -<p class="par">Jacob was niet naar Leuven teruggekeerd. De politieke -toestand in den lande werd steeds moeilijker, de oppositie tegen de -invoering van de Inquisitie steeds heviger en de partij der -Gereformeerden trad overal, maar vooral in Vlaanderen en Brabant, -steeds stouter op. President Martens, die zeer wel bemerkte, dat de -sympathieën van zijn zoon meer en meer uitgingen naar den kant der -„sectarissen ende rebellen”, zooals hij ze noemde, had het -voorzichtiger geacht, den jongen enthusiast onder zijn persoonlijk -toezicht te houden. Hij wist door den Hoog-baljuw, dat Jacob in de -laatste weken herhaaldelijk was gezien in gezelschap van verdachte -personen, van dezulken, die onder zware suspicie stonden van te zijn -besmet met de kettersche gevoelens der Sacramentarissen en tegen wie -men wel gaarne krachtig zou zijn opgetreden,—als men maar gedurfd -had! <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name= -"pb64">64</a>]</span></p> -<p class="par">Ook Vrouwe Martens, de strenge moeder, die onder haar -hard uiterlijk toch een schat van liefde verborg voor hare kinderen, -had met blijdschap vernomen, dat haar zoon niet naar de universiteit -zou terugkeeren, voor de algemeene opgewondenheid in den lande was -bedaard. Met klimmende onrust had zij gezien, hoe Jacob meer en meer -overhelde tot de kettersche gevoelens, hoe hij—naar de -overtuiging der geloovige, ijverende Roomsche—zijn eeuwig heil -dreigde te verbeuren door te luisteren naar die gevaarlijke -geuzenpredikers, die wervers voor het rijk van den Satan! Nog ging hij -met haar ter Misse, als zij hem verzocht haar te begeleiden, maar zij -zag het maar al te wel, zijn hart was niet bij de heilige plechtigheid, -hij was verstrooid en onrustig.</p> -<p class="par">Scherpe en harde woorden had zij reeds gesproken; zij -zelve leed er onder, maar zij was geen teedere moeder, die het -vertrouwen harer kinderen wist te winnen. En toch voelde zij thans -dubbel die leemte en de fiere vrouw ging gebukt onder het leed, dat zij -niemand toonde.</p> -<p class="par">O, die Geuzen! die verwaten edelen vooral, rebellen -tegen hun Kerk en hun Landsheer! Waren zij niet weder samengekomen te -St. Truyen, in ’t Luiksche, om ongehinderd te kunnen samenspannen -tegen het wettig gezag? Gingen er geen geruchten over de ongehoorde -eischen, die zij de regeering zouden stellen? Men zou voorwaar het volk -geen enkele <span class="corr" id="xd24e1105" title= -"Bron: relegie">religie</span> voorschrijven, maar een iegelijk vrij -laten in zijne keuze! Een snood bestaan, om den ketterschen leeraars -vrijheid te geven, het onwetende volk ter helle te voeren! Er waren er, -naar men zeide, die tegen den Koning wilden opstaan, om met geweld te -verkrijgen, wat men in het Smeekschrift had gevraagd. En haar eenige -zoon zou de zaak dier ketters en rebellen voorstaan!</p> -<p class="par">IJveriger en trouwer dan ooit nam de arme Vrouwe Martens -hare godsdienstplichten waar, en zoo was zij ook dezen morgen naar de -St. Jacobskerk gegaan, om <span class="pagenum">[<a id="pb65" href= -"#pb65" name="pb65">65</a>]</span>er den schutsheilige van haar zoon -aan te roepen, om er te bidden voor het zieleheil van haar kind.</p> -<p class="par">En Madeleine, blijde, dat het strenge oog der ijverige -huismoeder haar niet gadesloeg, had zich gehaast, om het huiswerk, dat -op haar rustte, over te dragen aan de goedhartige Klaartje en had Jacob -naar den hof geroepen, om er zich te vermaken met de avonturen der -dolende ridders en met het kwellen van haar trouwen bewonderaar, dien -haar behaagzieke plaagzucht geen oogenblik met rust liet.</p> -<p class="par">Het scheen, dat de merkwaardige lotgevallen van den -dapperen Palmeryn Jacob ditmaal niet konden boeien. Hij was verstrooid -en afgetrokken. Hij haperde nu en dan en versprak zich. De schoone -Madeleine bemerkte het.</p> -<p class="par">—„Als je soms genoeg van mijn gezelschap -hebt,” zei ze spijtig, „laat ik je dan toch vooral niet -ophouden!”</p> -<p class="par">Jacob keek verschrikt op.</p> -<p class="par">—„Ja, zeker!” vervolgde de vertoornde -schoone schamper. „Als je soms verlangt naar het gezelschap van -je geuzenpredikanten, ik weerhoud je niet, hoor!”</p> -<p class="par">—„Madeleine!” zei Jacob, en hij wilde -haar hand vatten, maar zij stiet hem terug.</p> -<p class="par">—„Je meent er niets van!” pruilde zij. -„Je zit hier voor mij te lezen, maar je hart is er niet bij. Wie -weet, waar? Misschien bij een of andere ketterinne! Je bent er -tòch zoo vol van!”</p> -<p class="par">Jacob deed het eenige, wat hij in deze omstandigheden -kon doen: hij wierp zijn boek weg, vatte het weerstrevende handje en -sloeg zijn arm om de leest der spijtige joffer. Het draadje brak...</p> -<p class="par">De verzoening was spoedig genoeg tot stand gekomen, maar -Jacob begreep, dat hij zich toch moest verdedigen.</p> -<p class="par">—„Ik kan het niet helpen, Madeleine, dat ik -thans geen vermaak heb in deze Walsche poëterijen, die u zooveel -vreugde en jolijt geven,” zei hij ernstig. „Mijn hart is -vol van andere dingen!” <span class="pagenum">[<a id="pb66" href= -"#pb66" name="pb66">66</a>]</span></p> -<p class="par">—„Zie je nu wel!” pruilde het -meisje.</p> -<p class="par">—„Van u, allerliefste! Ge hebt er de eerste -plaats in!” verzekerde Jacob haastig. „Maar zeg, begrijp je -er niets van, dat men bezig kan zijn met ernstiger gedachten in deze -dagen, nu het gaat om de vrijheid des lands en om wat dienen kan tot -onzer zielen zaligheid!”</p> -<p class="par">Een minachtende trek plooide het mondje van -Madeleine.</p> -<p class="par">—„Ga je mij een sermoen houden, -Jacques?” klonk het spottend. „Voor onzer zielen zaligheid -zorgt de Kerk met hare genademiddelen, zegt mijn biechtvader, en zoo -bekreune ik mij daar niet om. En ’s lands vrijheden? De Koning is -onze Heer en hij doet, wat den lande oirbaar is,—zoo zegt je -vader en ik houd dit met hem. ’t Is een schoone weg, om een ambt -te verkrijgen van de regeering, als je eenmaal magister zult zijn, -wanneer je nu gaat heulen met hen, die snoode rebellie drijven tegen -hun wettigen Overheer en de Heilige Kerke! En onze schoone plannen, -Jacques? Gelden die je niets?”</p> -<p class="par">Jacob zag de driftige spreekster aan met teer -verwijt.</p> -<p class="par">—„Zonder jou is de toekomst, is het heele -leven mij niets, Madeleine,” fluisterde hij, „maar wat, als -ik eens niet kon doen, wat je wenschte? Als ik geen post van deze -regeering mocht aannemen?”</p> -<p class="par">—„Geen ambt van de regeering? Maar ik wil in -Brussel wonen, heb ik je altijd gezegd!” pruilde het bedorven -kind.</p> -<p class="par">—„Als we elkander liefhebben, -Madeleine...”</p> -<p class="par">—„Och, wat liefhebben! Je hebt mij niet -lief, anders zou je niet zoo naar zijn! Alles opgeven ter wille van dat -minne volk, van de Geuzen en de ketters! Een fraaie zaak!”</p> -<p class="par">—„De Pallandts, en de Nassau’s, en -Brederode zijn toch geen min Geuzenvolk, Madeleine!”</p> -<p class="par">—„Oproerkraaiers zijn het, die spelen met -vuur! Ik heb het den president hooren zeggen! Ze verleiden <span class= -"pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>het -domme volk, dat wordt aangehitst door de kettersche predikanten, en ze -storten het volk en zichzelf in ’t verderf! Als de Koning -komt...”</p> -<p class="par">—„De Koning is onze rechte Heer, dien God -behoede, maar onze rechten en vrijheden moet hij ons laten! -En—die van St. Truyen hebben gelijk—ieder diene God naar de -inspraak zijns harten, zonder geweld of molest.”</p> -<p class="par">—„Je hadt geuzenpredikant moeten worden, -Jacques!”</p> -<p class="par">Jacob wendde zich driftig om en liep zenuwachtig het -tuinpad op en af. Toen wendde hij zich weder tot het meisje.</p> -<p class="par">—„Je oordeelt over wat je niet kent, -Madeleine!” zeide hij met kwalijk bedwongen aandoening. „Ik -wilde zoo gaarne, dat je met mij waart in deze zake! Ga na den noen met -mij mede.”</p> -<p class="par">—„Waarheen? ter preeke?” vraagde zij -spottend.</p> -<p class="par">—„Wist je dat dan?” vraagde Jacob -verrast.</p> -<p class="par">Madeleine barstte uit in een schaterend gelach.</p> -<p class="par">—„Zoo heb ik dan waarlijk goed geraden? -Domme jongen, dacht je, dat ik naar de „groene preek” zou -gaan? Wat zou ik mijn biechtvader zeggen? En wat aan je -moeder?”</p> -<p class="par">—„Je zegt, dat ik je heb meegetroond, en dat -zal de waarheid zijn. Al heeten we niet verloofd, we behooren elkander -toch toe en zou ik mijn bruid niet mogen heenleiden, waar zij de -waarheid kan leeren verstaan, zonder een priester te vragen?” -riep Jacob heftig.</p> -<p class="par">—„Je bruid? Zoover is het lang niet. Ik heb -het jawoord niet gegeven, dat ik wete! En als je je zoo aanstelt als -een rustre en een vileijn, zal ’t er nimmer van komen -ook!”</p> -<p class="par">’t Was koel en bits gezegd en Madeleine nam haar -spinrokken weer ter hand en begon met veel ijver haar draadje te -hechten.</p> -<p class="par">—„Madeleine!” riep Jacob.</p> -<p class="par">—„Och, ga toch heen! Ga heusch maar naar je -<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name= -"pb68">68</a>]</span>kettersche preek! ’t Spijt me, dat ik je -vroeg in den hof te komen!”</p> -<p class="par">Jacob stond een oogenblik besluiteloos. Toen boog hij -stijf en verwijderde zich langzaam.</p> -<p class="par">Madeleine keek hem met een spottend glimlachje na.</p> -<p class="par">—„Hij ziet er goed uit, als hij boos -wordt!” prevelde zij. „Hij is knapper dan Thierry! Als hij -die grillen uit het hoofd wilde zetten, dan... Of het waar zou zijn, -wat Thierry beweert, dat hij goede vooruitzichten heeft op faveur en -avancement in den dienst van den hertog van Aerschot...?”</p> -<p class="par">Het spinnewiel snorde niet meer. De jonkvrouw keek -peinzend voor zich uit, en zij glimlachte, want zij zag zich op de -feesten aan het hof te Brussel—de gevierde koninginne van den -dag!</p> -<p class="par">’t Was in minder vroolijke stemming, dat Jacob -Martens zich naar zijne kamer begaf. Hij had van dat onderhoud zoo veel -gehoopt! Hij zou Madeleine overtuigen, dat de zaak der vrijheid een -heilige zaak was, dat de godsdienst iets meer, veel meer was, dan zij -tot nu toe had gemeend; niet een gedachtelooze sleur van vormendienst, -maar een aangrijpende werkelijkheid, waarvan hij de macht in zijn eigen -hart en leven begon te ervaren. En ze zou naar hem luisteren, want zij -had hem immers lief! En nu,—hij had niet eenmaal durven -aandringen: haar spottende glimlach, haar koele toon hadden hem de -woorden van de lippen genomen. Hij had gevoeld, dat alles, wat hij zou -kunnen zeggen, vergeefsch zou zijn.</p> -<p class="par">Was Madeleine dan voor hem verloren?</p> -<p class="par">Want dat hij niet kon terugkeeren op den weg, dien hij -zich gekozen had, stond bij hem vast. Hij overschatte de beweging der -edelen, als duizenden met hem deden. Hij zag in hen de voorvechters der -vrijheid, van het recht der vrije Nederlanden tegenover de -aanmatigingen van het gezag. En in zijn geestdrift voor het edele doel -zag hij niet de lichtzinnigheid en wereldzin, de onedele bijbedoelingen -van velen onder hen, <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" -name="pb69">69</a>]</span>die zich hadden geschaard aan de zijde van de -bestrijders der regeering. Maar hijzelf meende het eerlijk. Met al den -gloed zijner jeugd, met den ingeboren vrijheidszin van den Vlaming had -hij het schoone ideaal der vrijheid omhelsd; en hij wilde er voor -strijden en lijden, als het zijn moest.</p> -<p class="par">Daarbij, was het eerst slechts zijn weerzin geweest -tegen Inquisitie en geloofsdwang, die hem had heengedreven naar de -zijde der Hervormden, de geloofsmoed der martelaren, de gloed der -onstuimige prediking, hadden hem verder gebracht dan hijzelf had -vermoed. De indruk, dien hij te Gentbrugge had ontvangen, dat deze -menschen iets hadden, dat hij miste, dat zij een overtuiging bezaten, -die hun het hoogste was, was hem bijgebleven. Hij had hun godsdienst -vergeleken bij zijn eigen kalm indifferentisme, en hij had zich -geschaamd. Als wat de Kerk leerde waarheid was, als Jezus Christus was -gestorven voor de zonden der wereld, als de zonde zulk een -verschrikkelijke macht was, dat de Zone Gods, om haar te overwinnen, in -den dood had moeten gaan,—dan hadden de ketters gelijk, die den -zondaar rechtstreeks leidden aan den voet van het kruis, hem stelden -tegenover een barmhartigen, machtigen Verlosser, dan had de Kerk -ongelijk, die de Moedermaagd en de heiligen en den schutspatroon en ten -slotte nog den priester had geschoven tusschen den zondaar en den -Christus.</p> -<p class="par">Zóó had Jacob gepeinsd en gevraagd en -gezucht. Het was hem niet moeilijk gevallen in deze dagen, nu de -regeering bevreesd was voor uiterste maatregelen, en hare tegenpartij -steeds stouter optrad, zich een Liesveldschen bijbel te verschaffen. -Hij had dien veilig geborgen op zijn kamer en hij las er vlijtig in, -des morgens vroeg en des avonds, als hij zeker was, niet gestoord te -zullen worden. En meer en meer begon hij de „nye leere” te -verstaan, meer en meer werd het licht in zijn ziel, en al stond hij nog -van verre, hij begon de waarde te beseffen van het heil, dat in -Christus is. <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name= -"pb70">70</a>]</span></p> -<p class="par">Kon hij ook de zijnen, die hem lief waren, leiden op den -weg, dien hij had gevonden? De president, op het punt van den -godsdienst tamelijk onverschillig, beschouwde toch elke afwijking van -de leer der Kerk als eene aanranding van het gezag, dat hij diende; -zijne moeder was een strenge Roomsche, en de goedaardige Klaartje zou -bij het eerste woord, dat haar aan „ketterije” deed denken, -van schrik en ontsteltenis zijn verstijfd. Maar Madeleine? Hij zag het -wufte kind in den schoonen glans, waarin zijne jonge liefde haar hulde. -Haar vurige geest, haar kloek verstand zouden het schoone van het -ideaal der vrijheid, de waarachtigheid van een godsdienst, die zijn -macht bewees in het leven en sterven zijner belijders, moeten begrijpen -en waardeeren, meende hij. Hij zou trachten haar belang in te boezemen -voor de dingen, die hem zoo na aan het hart lagen en zij zou luisteren -en volgen, eerst uit liefde voor hem, dan uit heilige overtuiging!</p> -<p class="par">Hoe jammerlijk was zijn eerste poging mislukt!</p> -<p class="par">Maar hij zou het er niet bij laten. ’t Was -natuurlijk, dat een jonkvrouw in al de vroolijke rust van haar -onbezorgde jeugd, niet aanstonds wilde luisteren naar ernstige woorden, -naar de groote vragen des tijds, die zoo dringend een antwoord -eischten. Hij zou wachten, hij zou bidden... ja bidden voor Madeleine, -want ook dat had hij geleerd, sinds weinige weken.</p> -<p class="par">Maar als zijn gebed niet werd verhoord? Als Madeleine -hem niet wilde volgen; als zij zich hardnekkig afkeerde van de -waarheid. Wat dan?</p> -<p class="par">Jacob had het Liesveldsche Nieuwe Testament uit zijn -verborgen schuilhoek te voorschijn gehaald; eerst bladerde hij er -gedachteloos in, want zijn hart was vol van bittere teleurstelling. -Maar weldra boeiden hem de heilige verhalen van het leven des Heeren, -dubbel aantrekkelijk, omdat ze zoo nieuw voor hem waren. Hij las de -aangrijpende geschiedenis in het tiende hoofdstuk van Markus, van -één, die veel goederen had, maar wien het hoogste goed -ontbrak. Hij begreep den <span class="pagenum">[<a id="pb71" href= -"#pb71" name="pb71">71</a>]</span>ontzettenden eisch, alles op te -geven, om dat hoogste goed te gewinnen,—voorwaar, een eisch, die -in zijne dagen tot menigeen kwam in al zijn vreeselijken ernst. En met -diepe ontroering las hij: „Voorwaer segge ik ulieden: Daer en is -niemant, die verlaten heeft huys, of broeders, of zusters, of vader, of -moeder, of wijf, of kinderen, of ackers, om mijnent wille ende des -Evangeliums, of hij ontfangt honderdvoud nu in desen tijd huyzen ende -broeders ende susters ende moeders, ende kinders ende ackers, met de -vervolgingen, ende in de toekomende eeuwe het eeuwige leven.”</p> -<p class="par">Dat waren wèl de woorden, die hij thans noodig -had! Met een diepen zucht, maar toch met een biddenden blik naar boven -en een vastberaden trek om den jeugdigen mond stond hij op, legde het -boek op zijn plaats, en staarde door het kleine venster naar -buiten.</p> -<p class="par">—„God helpe mij!” fluisterde hij.</p> -<p class="par">Er zijn soms oogenblikken in het leven, zoo gewichtig, -„inhaltschwer”, als de dichter zegt, dat het een geluk voor -ons is, dat wij er het volle gewicht niet van beseffen, wanneer wij ze -doorleven. Jacob Martens wist het niet, maar hij nam in deze ure -afscheid van zijn onbezorgde jeugd, hij stond af zijn liefde, zijn -familie, zijn toekomst, en hij koos de ballingschap en den schier -hopeloozen strijd.</p> -<p class="par">Hij greep zijn baret en maakte zich gereed het huis te -verlaten. Het was niet voor niet, dat hij juist dezen dag had gekozen -om met Madeleine te spreken. In den nanoen zou er iets gewichtigs -gebeuren. De Gereformeerden te Gent waren stoutmoedig geworden, nu de -regeering weifelde en scheen te willen toegeven aan de eischen der -verbonden edelen. Predikten de Gereformeerde predikanten buiten -Antwerpen niet openlijk voor vergaderingen van vijftien en zestien -duizend man, zonder dat de overheid er iets tegen vermocht? Welnu, te -Gent zou men dit voorbeeld volgen! Weldra <span class="pagenum">[<a id= -"pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>zou men de kerken -opeischen voor de ware religie, maar ondertusschen zou men onder de -muren der stad een „groene preek” houden en men tartte den -Hoog-baljuw om het hun te beletten. In den nanoen van dezen -drie-en-twintigsten Juli zou men op een groot terrein buiten de -Brugsche poort vergaderen en Modet zou van Oudenaerde komen, om er te -prediken.</p> -<p class="par">Toen Jacob het ouderlijk huis had verlaten en den weg -naar de Brugsche poort had ingeslagen, bleek het hem weldra, dat de -groote gebeurtenissen van den dag zich in de bijzondere belangstelling -van de Gentenaren mocht verheugen. Het was bijzonder druk en levendig -op straat. Groote troepen nieuwsgierigen trokken in de richting van de -Brugsche poort en vele eerzame burgers en winkeliers, bevreesd voor -oproer of openlijke rebellie, hadden voorzichtig hunne luiken gesloten. -De dienaren van den Hoog-baljuw hielden zich schuil of traden zoo -bescheiden mogelijk op, blijkbaar niet op hun gemak. Van tijd tot tijd -trokken kleine troepjes burgers, met ernstig en vastberaden gelaat, -gewapend met pieken en „goedendags”, ja sommigen zelfs met -vuurroeren, door de woelende menigte heen en het volk maakte ruim baan -en men wees ze elkander aan en fluisterde, dat dàt nu de -ketters, de Sacramentarissen waren. Van een poging der overheid, om de -preek te beletten, bleek niets. Alles ging rustig zijn gang.</p> -<p class="par">Toch bespeurde Jacob, toen hij het terrein naderde, voor -de godsdienstoefening bestemd, dat de leiders van de beweging hunne -voorzorgen goed hadden genomen, en dat men, als het noodig mocht zijn, -geweld met geweld zou keeren. Van de talrijke wagens en karren had men -op de wijze der ouden een wagenburg gemaakt en bij de toegangen tot de -zoo omheinde ruimte stonden gewapende wachten. Een groot aantal der -mannen, die de afgezette ruimte vulden, waren mede gewapend: speren, -bijlen en vuurroeren flikkerden overal in de stralen der Julizon en -overal zag men <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name= -"pb73">73</a>]</span>ernstige, vastberaden gezichten. Indien de -Hoog-baljuw het mocht wagen, de vergadering te storen, waren de -gevolgen niet te voorzien.</p> -<p class="par">Maar Adolf van Bourgondië, Heer van Wokkene en -Hoog-baljuw van Gent, was allerminst de man, om op eigen verantwoording -tot zoo forsche maatregelen over te gaan. Hij wist te wel, hoe -gespannen de toestand was: een enkele onvoorzichtigheid en geheel -West-Vlaanderen kwam in opstand! En zoo liet men de Gereformeerden -rustig hun gang gaan.</p> -<p class="par">Toen Jacob Martens het afgesloten terrein betrad, -wisselde hij een groet met Daniël, den boogschutter van -Poperingen, die, op zijn armborst geleund, mede de wacht hield bij den -ingang. De forsche, jonge Vlaming wierp hem, grinnekend van pleizier, -een blik van verstandhouding toe; een vergadering als deze, met de -wapens in de vuist, waarbij men het gezag openlijk tartte en nog kans -had op een gevecht bovendien, was juist een kolfje naar zijn hand.</p> -<p class="par">Voor het overige geleek het tooneel, dat de jonge man -thans aanschouwde, veel op dat van Gentbrugge. Ook hier waren kramers -en boekverkoopers, thans in grooten getale uit Antwerpen overgekomen, -druk bezig met het venten van bijbels en andere verboden boeken, die -gretig werden gekocht en openlijk meegedragen. Er was meer moed en -zelfvertrouwen onder het volk. Men voelde zich sterk genoeg, om de -plakkaten des konings openlijk te trotseeren. De Reformatie was in -Vlaanderen een geduchte macht geworden, waarmee de regeering zou hebben -te rekenen.</p> -<p class="par">Terwijl hij zich langzaam een weg baande naar de houten -stellage,—ook ditmaal weder een boerenwagen, met eenige planken -gedekt,—die tot kansel zou dienen, bemerkte Jacob Pieter de -Welle, die in ernstig gesprek was gewikkeld met twee mannen, die -blijkbaar tot de hoogere standen behoorden. De een droeg het gewaad van -een edelman, in de stemmige kleuren, die nog altijd de Geuzen-edelen -van de voorstanders <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" -name="pb74">74</a>]</span>der regeering onderscheidden; de baret, met -een veder getooid, en de lange degen bewezen echter zijn rang. Om den -hals droeg hij aan een rooden sluier een vreemdsoortig sieraad, dat -Jacob niet kende: ’t was een zilveren medaille, waaraan drie -kleine napjes bengelden, van ’tzelfde metaal.</p> -<p class="par">De ander was een nog jong man, met een bleek, fijn -besneden gelaat en donkere oogen, eenvoudig in ’t zwart -gekleed.</p> -<p class="par">De Welle had blijkbaar zijne beide metgezellen op den -jongen Martens opmerkzaam gemaakt, want de drie mannen traden op hem -toe.</p> -<p class="par">—„De jonker van Treslong en de Eerwaarde -Junius wenschen kennis met u te maken, jonker Jacob,” zei de -koddebeier op dien eigenaardigen toon van eerbiedige gemeenzaamheid, -waarmede hij tot den zoon van zijn meester sprak.</p> -<p class="par">Jacob zag op met blijde verrassing, want het waren twee -beroemde namen, die hij hoorde: twee namen van goeden klank onder -allen, die God wilden dienen naar de inspraak huns harten en die het -wèl meenden met de vrijheid des lands.</p> -<p class="par">Jan Blois van Treslong, de broeder van den lateren -admiraal van Zeeland, met de beide Marnixen misschien de eenige -„ridders zonder vrees of blaam” in die woelige dagen, -waarin zooveel zelfzucht, zooveel eerzucht, zooveel lichtzinnigheid en -wereldzin schuilden onder den mantel van vrijheidszin en patriottisme. -De edele kampioen der ontwakende vrijheid, die welhaast de martelaar -zou worden voor zijn schoone zaak. En Franciscus Junius, de jonge -Fransche edelman, uit Genève naar de bedrukte Fransche gemeente -te Antwerpen als predikant gezonden, die weldra zulk een groot aandeel -zou nemen in den heiligen strijd tegen geloofsdwang en Inquisitie, de -mede-arbeider der edelen en de getuige van hun verbond, maar die ook de -eenvoudigen dorst stichten door Christelijke vertroosting en gebed, -terwijl door de vensters van de <span class="pagenum">[<a id="pb75" -href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span>geheime vergaderplaats de -vlammen van den mutsaard flikkerden, waarop daar beneden op het plein -de bloedgetuigen den marteldood stierven voor dezelfde goede -belijdenis, die hij daar verkondigde. De getrouwe herder, die, overal -vervolgd en belaagd, toch van de kudde niet wijken wilde, en daarbij de -ontwikkelde man, met den ruimen blik, die verder zag dan de -welmeenende, maar vaak bekrompen ijveraars, naast wie hij streed, en -die zoo vaak door hun onberaden ijver zooveel bedierven, maar die zich -toch niet afwendde van den heiligen strijd, trots verdachtmaking en -verkeerd begrijpen; de theoloog, die voor de eenvoudige Limburgsche -boeren predikte, en de aan hare zaligheid wanhopende krankzinnige wist -te brengen tot Christus, en die eenmaal een sieraad zou zijn der -Leidsche hoogeschool.</p> -<p class="par">Jacob Martens wist natuurlijk niets van de beide mannen, -dan dat hij ze in den laatsten tijd, dikwijls had hooren noemen, door -de eene partij als steunpilaren der „gesuyverde Gereformeerde -religie”, door de andere als twee sectehoofden der kettersche -Sacramentarissen en rebellen tegen ’s konings gezag. Hij wist -echter, dat het mannen van beteekenis waren en beantwoordde beleefd hun -hoffelijken groet. De Welle verwijderde zich op een wenk van Treslong -en voegde zich bij de gewapende bewakers van het terrein.</p> -<p class="par">—„Het verheugt mij te zien, jonker -Martens,” zeide Treslong, „dat uw goede stad Gent voor -Antwerpen niet onder wil doen. Wij dachten niet, dat de onzen het wagen -zouden, ter preek te gaan onder de wallen der stad. Vreest gij, dat de -overheid wat tegen ons in ’t schild voert en dat zij trachten zal -de vergadering te verstoren?”</p> -<p class="par">—„Mij dunkt van niet,” zeide Jacob, -„de Hoog-baljuw is geen man van geweld. Hij zal niets doen, dan -op bevel der hooge Regeering. Trouwens, hier te Gent was de vervolging -in zaken van religie nooit hevig.” <span class="pagenum">[<a id= -"pb76" href="#pb76" name="pb76">76</a>]</span></p> -<p class="par">Het gesprek werd in het Fransch gevoerd ter wille van -Junius, die de landstaal nog niet volkomen machtig was.</p> -<p class="par">—„Een goede tijding, dat laatste, voor onzen -broeder Junius,” zeide Treslong. „Hij denkt een poos te -Gent te vertoeven, om de broeders te bemoedigen, vooral hen, die uit -Frankrijk zijn overgekomen, en om er te werken voor de zaak van ons -verbond.”</p> -<p class="par">—„Ik ben hier in Gent niet meer in gevaar -dan elders,” zeide Junius met een fijnen glimlach. „Ge -weet, ze hebben ons predikanten uitgesloten van wat ze de -„moderatie” noemen, maar men vaart toch flauwelijk voort -met de vervolging, en ik meen, dat wij eenige rust zullen hebben, tot -de Heeren Bergen en Montigny, die eerlang met een zending naar den -Koning zullen vertrekken, teruggekeerd zullen zijn van hunne reize. -Toch past het den Christen, te waken voor zijne veiligheid en God niet -te verzoeken en ik zal mij verblijden, als ik hier eenigen tijd in rust -en veiligheid kan doorbrengen. Ik heb reeds met verscheidene broeders -kennis gemaakt. Zijn er ook onder de edele geslachten van Gent -aanhangers der Reformatie, jonker Martens?”</p> -<p class="par">—„Onder de gezeten burgers en onder het volk -zijn vele Gereformeerden,” antwoordde Jacob, „maar onder -den ouden Gentschen adel zijn er slechts weinig. De Imbyze’s -misschien. Jonker Jan van Imbyze...”</p> -<p class="par">—„Een vurig ijveraar!” riep -Treslong.</p> -<p class="par">Op het bleeke gelaat van Junius speelde een -glimlach.</p> -<p class="par">—„Er zijn veel zulke ijveraars onder onze -edelen!” zei hij droog.</p> -<p class="par">—„En gelukkig!” riep Treslong met een -vroolijken lach. „Ja, Junius, schud het hoofd maar! Als de Koning -aan onze beden geen gehoor wil geven, als het zwaard moet spreken, dan -zult ge zien, wat onze jonge adel vermag!”</p> -<p class="par">—„Ik hoop het!” zei Junius, maar zijn -gezicht betrok. <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name= -"pb77">77</a>]</span></p> -<p class="par">—„En ook in u groeten wij blij een nieuwen -bondgenoot, jonker Martens,” ging de geestdriftige jonge edelman -voort. „Maar zeg mij, waarom draagt ge ons bondsteeken niet. Laat -mij u er mee mogen versieren.”</p> -<p class="par">Hij nam den rooden sluier met den zilveren penning van -den hals en hing hem Jacob om. Deze dankte hoffelijk voor het geschenk -en bekeek den penning nieuwsgierig. Aan de eene zijde vertoonde die het -borstbeeld van den koning, aan de andere een gesloten pelgrims- of -bedelaarstasch. Ook de zilveren bekertjes hadden den vorm der -zoogenaamde bedelaarsnapjes.</p> -<p class="par">—„Fidèles au roi jusq’à -la besace!” lachte Treslong, terwijl hij naar het randschrift -wees. „Wij zijn de bedelaars, de Geuzen! Ge weet, zoo noemde ons -Barlaimont, de oude vrek. We zijn nòg bedelaars! We smeeken bij -den Koning om ons goed recht, om vrijheid van geloofsdwang, om -handhaving van de vrijdommen van den adel en de steden. Wij smeeken -nog, maar als wij vorderen gaan...”</p> -<p class="par">—„Komt,” zeide Junius, „onze -wellieve broeder Modet zal zoo aanstonds optreden. Laat ons dichterbij -gaan, anders kunnen wij niets verstaan.”</p> -<p class="par">Inderdaad verscheen weldra de forsche gestalte van Modet -op den kansel en zijn zware stem klonk over de opeengepakte -volksmenigte. De schare der toehoorders was hier veel grooter dan te -Gentbrugge. Het terrein lag zoo dicht bij de stad, en de overtuiging, -dat de overheid toch niets tegen de wèlgewapende ketters zou -durven ondernemen, had vele nieuwsgierigen naar de „groene -preek” gelokt, terwijl bovendien op alle wegen en paden in den -omtrek posten waren geplaatst, die de voetgangers uitnoodigden om aan -de godsdienstoefening deel te komen nemen.</p> -<p class="par">Voor het overige werd die gehouden op dezelfde wijze als -te Gentbrugge. Het scheen echter, dat de algemeene opgewondenheid zich -van den prediker had meester gemaakt. Hij had tot tekst gekozen Exodus -20: 4 en 5 en heftig viel hij in zijne uiteenzetting van <span class= -"pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name="pb78">78</a>]</span>het -tweede gebod den beeldendienst der Roomsche Kerk aan, „de -verdoemelijke afgoderij der Papisten ende Baälsdienaren”, -zooals hij dien noemde. En toen hij, medegesleept door zijn eigen -woorden, met wilden ijver betoogde, dat men ze „zoowel uit het -oogh, als uit het hert behoorde te werpen,” zag Jacob Martens hoe -Treslong met fonkelende oogen als aan de lippen van den spreker hing, -terwijl Junius verdrietig het hoofd schudde.</p> -<p class="par">Het doopen van een kind, volgens de wijze der -Gereformeerden,—’t was de eerste maal, dat dit in het -openbaar geschiedde—waarmede de godsdienstoefening werd besloten, -wekte algemeene belangstelling, niet het minst onder de aanwezige -Roomschen, waaronder er velen waren, die meenden, dat de -„Sacramentarissen” evenals de Wederdoopers den kinderdoop -verwierpen.</p> -<p class="par">Daarop werd de wagenburg afgebroken en onder het zingen -van de thans reeds populair geworden psalmen van Dathenus trokken de -Gereformeerden in kleine groepjes huiswaarts.</p> -<p class="par">—„Ge waart niet voldaan, Eerwaarde -Heer?” vraagde Jacob aan Junius, die peinzend de zingende groepen -nakeek.</p> -<p class="par">—„Ik vreeze zeer, dat onze wellieve broeder -Modet, door zijn ijver voor de zuivere leer vervoerd, de aandacht der -schare al te zeer vestigt op die uiterlijke vormen, die, zoo ze -verkeerd zijn, toch het wezen der religie niet raken,” zei de -Fransche predikant. „’t Is gevaarlijk, in deze dagen de -hartstochten van het volk te prikkelen!”</p> -<p class="par">—„Ei wat!” zei Treslong luchthartig. -„Een klein oproer zou niet ondienstig zijn voor onze plannen! -’t Zou Madame doen inzien, dat wij het meenen en dat er niet met -ons valt te gekken!”</p> -<p class="par">Een lang man, in het zwart gewaad van den gegoeden -burgerstand, trad haastig op hen toe.</p> -<p class="par">—„Wat zegt ge er van, Eerwaarde?” -vraagde hij in gebrekkig Fransch, terwijl zijn onrustig flikkerende -<span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name= -"pb79">79</a>]</span>grijze oogen zich beurtelings op Junius en diens -metgezellen vestigden. „Een man Gods, nietwaar? Een tweede Elia! -Daar moet het heen! Of wij al klagen en bidden, het helpt niet. Wij -moeten de handen aan het werk slaan en den gruwel der afgoderij uit ons -midden wegdoen! Is het geen schande, dat de ware Kerk moet vergaderen -onder den blooten hemel, terwijl onze kerken tot Baälstempels zijn -gemaakt. Wat zegt ge, Eerwaarde? Er zijn genoeg rappe gasten onder de -gilden, die op een woord van u...”</p> -<p class="par">—„Ik heb van niemand den last of de roeping -ontvangen om dat woord te spreken, Lieven Ongena,” antwoordde -Junius rustig. „Zie toe, dat de vijanden der gezuiverde religie -geen oorzake vinden om ons van oproer en van verstoring van ’s -Konings vrede te betichten.”</p> -<p class="par">—„Maar de afgoderij der Paapschen....” -begon Lieven Ongena.</p> -<p class="par">—„Ons is het niet gegeven, in zoodanige -zaken iets te doen, hetzij dan dat wij een wettige roeping hebben, -broeder,” zeide Junius. „Het is de wil des Heeren, dat alle -dingen eerlijk en met orde geschieden. Wij spreken hierover -nader.”</p> -<p class="par">Met een verlegen groet droop de drukke man af, blijkbaar -ontevreden, maar toch zonder verdere tegenspraak.</p> -<p class="par"><span class="corr" id="xd24e1330" title= -"Niet in bron">—</span>„Zoo ziet ge, dat de woorden van -onzen broeder Modet in vruchtbare aarde vallen,” zeide Junius, -die hem hoofdschuddend nazag. „Ik vrees, jonker Martens, dat ons -bange en droeve tijden te wachten staan.”</p> -<p class="par">Hij nam afscheid van Jacob, terwijl hij diens aanbod om -hem te begeleiden heuschelijk afwees, hetzij omdat hij den jongen man -te weinig kende, hetzij omdat hij den zoon van den president van -Vlaanderen in geen moeilijke positie wilde brengen, door hem in kennis -te stellen van de woning, waar hij zich schuil hield.</p> -<p class="par">Treslong, die het gesprek van zijn vriend met Lieven -<span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name= -"pb80">80</a>]</span>Ongena met blijkbaar ongeduld had aangehoord, -fluisterde Jacob bij het scheiden in:</p> -<p class="par">—„Mocht het aan den dans gaan, jonker, en -mocht ge lust hebben een slag te wagen voor de gezuiverde leer en tegen -de Inquisitie, kom dan te Antwerpen en vraag er in de taveerne -„de Fonteyne” naar hopman van der Aa. Die zal u meer -zeggen!”</p> -<p class="par">Toen Jacob dien avond thuis kwam, ontvluchtte hij de -donkere blikken van zijn vader en moeder en het minachtend glimlachje -van Madeleine op zijn kamer. Hij haalde den Geuzenpenning te -voorschijn, het heilig verbondsteeken, gekozen door hen, die de verre -strekking van hun daad niet begrepen, een scherts, die eerlang zulk een -vreeselijk angstige beteekenis zou krijgen. Voor Jacob was het -aanvaarden van den bondspenning heilige ernst. Hij was thans voorgoed -aan de heilige zaak der vrijheid verbonden,—en hij had afstand -gedaan van wat hij zich gedroomd had als het hoogste geluk, het offer -aan zijn hoog Ideaal. <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" -name="pb81">81</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">V.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Hoe was het begonnen? Wie waren de aanstichters -geweest? Wie had het bevel gegeven tot de noodlottige daad?</p> -<p class="par">Als een dreigend onweer was het komen opzetten over -Vlaanderen en Brabant. De spanning was al grooter geworden; een -uitbarsting was onvermijdelijk en de Regeering stond machteloos om het -naderend onheil te keeren. De landvoogdes drong bij den Koning aan op -een antwoord op hare voorstellen, op toegeven aan de dringende eischen -der tegenpartij, om een burgeroorlog te voorkomen, en Philips -draalde.... draalde... en draaide en zocht uitvluchten, wel vast -besloten om nimmer toe te staan, wat hij vooralsnog niet openlijk -durfde weigeren.</p> -<p class="par">Nog den 7den Augustus had Margaretha den Koning -geschreven en aangedrongen op een spoedig antwoord op hare voorstellen -omtrent de bijeenroeping der Staten. De rust des lands, zoo schreef -zij, hing van dat antwoord af, ja, voor dat het kon zijn aangekomen, -zou misschien reeds de burgeroorlog zijn ontbrand.</p> -<p class="par">En de landvoogdes had juist gezien. Den 14den Augustus, -den dag vóór Maria Hemelvaart, brak het onweer los.</p> -<p class="par">Tusschen de Schelde en de Leye, in de nabijheid van St. -Omer, verscheen plotseling een hoop volk, voorzien van bijlen, ladders -en touwen, die het werk begonnen. Het eerst moesten de kapellen en -kruisbeelden langs de wegen het ontgelden, maar weldra vielen de -beeldstormers de kerken en kloosters in en <span class= -"pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span>om St. -Omer aan. Den 13den hadden 500 Geuzen het klooster en de kerk van den -Heiligen Antonius bij Belle aangevallen en alles wat er aan den -Roomschen eeredienst herinnerde, vernield. Als een lawine nam de -beweging toe, honderden sloten zich bij de beeldstormers aan, zoowel de -vurige ijveraars als de boeven en landloopers, die te dien dage het -platteland onveilig maakten. Op Maria Hemelvaart werden de kerken en -kloosters te Richebourg, Estères, Laventhie, Meenen, Meter, -Vrulle, Capelle, Gevinchy, Lorgies en die rondom Yperen bestormd en de -beelden en de altaren verbrijzeld, terwijl die van de stad Yperen zelve -den volgenden dag aan de beurt waren. In drie dagen tijds waren meer -dan vierhonderd kerken en kapellen verwoest.</p> -<p class="par">Den 20sten Augustus begon de beeldstorming te Antwerpen, -’t Was er juist kermis en de stad was vol vreemd volk, terwijl de -aanvoerders der beweging tevens een schoone gelegenheid hadden, om -hunne aanhangers ongemerkt binnen de stad te brengen. Het eerst was de -schoone hoofdkerk aan de beurt: de beelden, de schilderijen, het orgel, -alles werd er vernield, terwijl de andere kerken en kapellen hetzelfde -lot ondergingen. De magistraat was machteloos tegen de volkswoede en -liet, na een vruchtelooze poging om de kathedraal te redden, de -beeldstormers begaan. Van vijf uur in den avond tot ’s morgens -waren de verwoesters aan het werk en toen waren ongeveer dertig kerken -en kapellen vernield.</p> -<p class="par">Van Antwerpen sloeg de beweging over naar Gent.</p> -<p class="par">Nauwelijks waren daar de geruchten van wat er in de -groote Scheldestad was voorgevallen bekend geworden, of er ontstond een -hevige beweging onder het volk. Men wist wel, wat er in de laatste -dagen op het platteland was voorgevallen, maar dat telde niet. Doch nu -te Antwerpen! Men had dan gedurfd! De ure der bevrijding was gekomen! -De macht der geestelijkheid, waarvoor men zoolang had gesidderd, was -nietig <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name= -"pb83">83</a>]</span>gebleken, en de regeering zelve had niets durven -ondernemen, toen het Gereformeerde volk optrad en de teekenen der -paapsche afgoderij neerwierp en verbrijzelde en de kerken zuiverde. -Waarom niet te Gent zoo goed als te Antwerpen?</p> -<p class="par">Zoo had men geredeneerd en gevraagd en het gerucht liep -door de stad, dat er des anderen daags—het was de 24ste -Augustus—op de Vischmarkt een groote volksbijeenkomst zou plaats -hebben, waar men de zuivering der kerken te Gent zou bespreken. Het -„Vive le Geus” had den geheelen avond luide door de stad -geklonken. Groote troepen volks liepen zingend rond. Soms klonken op de -slepende wijzen van Clement Marot, de Datheensche psalmen door de -straten, dan waren het weer Geuzenliederen, plotseling ontstaan, -vervaardigd door onbekende dichters, maar die in enkele dagen door het -heele land werden verspreid en gezongen.</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„Alle de Santen sijn gaen duyken,</p> -<p class="line">„Sy en doen geen miraaklen meer!”</p> -</div> -<p class="par first">Zoo zongen de Gentsche Geuzen en de magistraat, de -geestelijkheid en dat gedeelte der burgerij, dat de regeering en de -oude religie trouw was gebleven, ze wachtten vol onrust en bekommering -op de dingen, die komen zouden.</p> -<p class="par">Jacob Martens was dien avond vroeg naar zijn kamer -gegaan. In het anders zoo vroolijke huisvertrek was het de laatste -dagen weinig opwekkend. De president correspondeerde druk met de -regeering te Brussel, en wanneer hij in den huiselijken kring -verscheen, was zijn voorhoofd bewolkt en zijn toon kort en barsch. Het -gelaat van Vrouwe Martens stond strenger dan ooit en hare woorden -vielen koud als ijs en scherp als staal op haar zoon, den afvallige van -zijn Koning en zijn Kerk. Madeleine bejegende hem koel en bits; met een -smadelijk glimlachje zag zij neer op den dommen <span class= -"pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span>dweper, -die zijn overtuiging dorst stellen boven haar, en Klaartje keek hem -verschrikt met haar groote blauwe oogen aan, als kon zij het vreeselijk -feit maar niet begrijpen, dat haar broeder een Geus, een ketter was -geworden.</p> -<p class="par">De gebeurtenissen der laatste dagen hadden Jacob -verontrust en ontsteld. Hij kon wat hij zag en hoorde niet overeen -brengen met de eischen van Gods Woord en van zijn geweten. De ruwe -baldadigheid der beeldstormers stuitte hem tegen de borst. De domme -vernielzucht, die alles verwoestte en vertrapte wat schoon en liefelijk -was, wat door de vrome vereering van vele eeuwen was gewijd, deed hem -pijnlijk aan. Hij had den geloofsmoed der Hervormden bewonderd, hij had -de macht hunner overtuiging erkend, hij had de kracht van hun geloof -aan zijn eigen ziel ervaren,—maar was het noodig, om de zuivere -Kerk van Christus te stichten, dat men zoo rauwelijk brak met het -verleden? Eerde men den Christus, als men het kruisbeeld smadelijk -vertrapte?</p> -<p class="par">De meesten zijner geloofsgenooten meenden het. Zij -juichten de beweging met geestdrift toe en zij verwachtten blijkbaar, -dat hij doen zou als zij. Was het dan misschien tòch een Gode -welgevallig werk, dat zoo vele ernstige, vrome mannen het verdedigden -en prezen? Was het laakbare zwakheid, gehechtheid aan de Paapsche -afgoderij, zooals zijne geestverwanten het noemden, dat hij deze dingen -niet zien kon zooals zij?</p> -<p class="par">Franciscus Junius alleen scheen er over te denken als -hij. In de laatste dagen had hij den Franschen predikant, die zich nog -altijd te Gent ophield, herhaaldelijk ontmoet, en hij had het bleeke, -verstandige gelaat meer dan eens peinzend en bedrukt gezien. Junius -zeide niet veel van de beeldstormerij. Hij was blijkbaar van oordeel, -dat bij de algemeene opgewondenheid een afkeurend of waarschuwend woord -niet zou worden aangehoord en dat hij, die het te kwader uur sprak, den -invloed kon verliezen, dien hij <span class="pagenum">[<a id="pb85" -href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span>in de moeilijke dagen, die -aanstaande waren, maar àl te zeer zou behoeven. En hetzij -terecht of ten onrechte, Junius verzette zich niet openlijk tegen den -beeldenstorm, althans niet, toen die wellicht nog ware te keeren -geweest.</p> -<p class="par">Toch keurde hij de beweging niet goed, Jacob wist het -zeker. Hij had met den predikant over het Couter gewandeld, toen de -drukke ijveraar, Lieven Ongena, beweeglijk als altijd, op hen was -toegeschoten, en hen met luidruchtige betuigingen van blijdschap en -instemming had verhaald, wat er te Antwerpen was voorgevallen. -„Weldra,” zoo verzekerde de man, „zou het volk te -Gent het voorbeeld der Antwerpsche broeders volgen. Zou het dan, naar -het oordeel van den Eerwaarden Junius, geraden zijn, zelf mee de hand -aan het werk te slaan en als leider dier beweging op te -treden?”</p> -<p class="par">Junius had den opgewonden man kalm en met een fijnen -glimlach aangezien.</p> -<p class="par">—„Wellieve broeder,” had hij gezegd, -„wij moeten alleen datgene doen, waartoe wij van God geroepen -zijn. Gij hebt hiertoe geen gewone roeping, want ge zijt geen -Magistraat en ge hebt geenerlei wettige bevoegdheid of autoriteit. En -ge hebt ook tot dit werk geen buitengewone roeping, want ge vraagt mij -om raad, en dat zoudt ge niet doen, als ge wist, dat ge tot dit werk -van God geroepen waart.”</p> -<p class="par">Lieven Ongena had op zijn neus gekeken, en had zich -hoofdschuddend verwijderd, blijkbaar uit zijn humeur, omdat zijn ijver -zoo weinig werd gewaardeerd.</p> -<p class="par">Maar anderen hadden gesproken, zooals hij. De -beeldenstorm van Antwerpen had onder het volk luide toejuiching -gevonden; er was gisting en woeling in de stad.</p> -<p class="par">Jacob had het venster van zijn kamer geopend, en, op het -kozijn geleund, staarde hij naar buiten, in den schoonen zomernacht. -Vóór hem lag de donkere stad, maar ’t was er niet, -zooals anders op dit uur, rustig <span class="pagenum">[<a id="pb86" -href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span>en stil. Verwarde geluiden -stegen op uit den nacht; gejoel en psalmgezang, geschreeuw en getier, -dan weer de galm van een Geuzenlied. Van tijd tot tijd werden de -donkere straten even verlicht door een rossen gloed, als er een troep, -met harstoorts of pekkrans zwaaiend, daarheen trok.</p> -<p class="par">En plotseling stegen er uit die duisternis vreemde -geluiden op, nu schril en schetterend en schel, als het hoongelach van -duivelen, dan brommend en loeiend, als een monster in doodsangst. Het -galmde en schaterde door de nauwe straten, en de Gentsche burgers, die -deuren en luiken eerst angstig gesloten hielden, vertoonden zich nu met -ontstelde gezichten aan hunne vensters, om te weten welke helsche macht -er over hunne stad was losgelaten.</p> -<p class="par">Ook Jacob boog zich, verwonderd en ontsteld, voorover. -Het gebriesch, het gillend gegalm kwam nader en nader, een tierende -hoop kwam langs de „dulle Griete” de Vrijdaegsmarkt op, -verlicht door hunne pekfakkels,—wrongen van zeildoek of werk, in -teer gedoopt en aangestoken. Het rosse licht viel op de mannen en -opgeschoten jongens, die voor aan den stoet liepen. Zij waren voorzien -van lange, blinkende instrumenten, waarin zij bliezen met de volle -kracht hunner longen, onder het geschater der omstanders. Eén -oogenblik stond Jacob verbaasd; toen begreep hij wat er gaande was, en -hij schaamde zich voor zijn angst. Die instrumenten waren de -orgelpijpen der Antwerpsche kerkorgels, door de beeldstormers naar Gent -gebracht, en uitgedeeld onder het grauw.</p> -<p class="par">En al gillend en huilend voorspelden ze den ondergang -van de heiligenbeelden te Gent.</p> -<p class="par">Den volgenden morgen was Jacob al vroeg op straat. Hij -vreesde, dat zijn vader hem zou verbieden, het ouderlijk huis te -verlaten en een koortsachtige nieuwsgierigheid dreef hem naar buiten, -om te zien wat er zou gebeuren. Want dat de beeldenstorm dien dag naar -Gent zou overslaan, stond vast. <span class="pagenum">[<a id="pb87" -href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span></p> -<p class="par">Het was druk op straat. De meeste gildebroeders hadden -zich uit eigen beweging naar hunne loopplaatsen begeven, en wachtten op -de bevelen hunner overlieden. Evenals den vorigen avond trokken er -troepen volk door de stad, soms benden opgeschoten knapen, tierend en -schreeuwend, blijkbaar in hun element, maar ook wel andere groepen, -mannen met stroeve gezichten en saamgeknepen lippen, of anderen, met -wilde, dwepende oogen, die in woeste geestvervoering de Datheensche -psalmen zongen. Het volk stroomde naar het Raadhuis, waar de overheid, -de zes en twintig „mannen oprechte”, en de overlieden der -twee en vijftig ambachten en der wevers, waren vergaderd, onder -voorzitterschap van den Hoog-baljuw. Jacob volgde den stroom en bevond -zich weldra voor het eerwaardige gebouw. Juist kwam hij er aan, toen -hij een groep burgers zag, die de trappen van de hooge stoep opklommen. -Hij herkende terstond eenige der voornaamste Gereformeerden en aan hun -hoofd, met een grooten, gezegelden brief in de hand, bevond zich de -roerige Lieven Ongena,—die weinig vermoedde, dat die gang hem -binnen weinige maanden het hoofd zou kosten.</p> -<p class="par">Na eenigen tijd kwam de deputatie terug, ditmaal -vergezeld door een wacht van hellebaardiers. Het gezicht van Lieven -Ongena glom van genoegen, zijne onrustige oogen flikkerden zenuwachtig -en met luider stem riep hij het volk toe:</p> -<p class="par">—„De beelden worden weggenomen op last van -Mijnheer den Hoog-Baljuw! Naar St. Baef!”</p> -<p class="par">—„Naar St. Baef! Naar de kerk!” -jubelde het volk. „Weg met de Santen! Weg met de -afgodsbeelden!”</p> -<p class="par">En juichend, onder het zingen van psalmen en -Geuzenliederen, trok men naar de hoofdkerk.</p> -<p class="par">Vol verbazing over de zonderlinge toegeeflijkheid van -den Hoog-baljuw sprak Jacob Martens een van de leden der deputatie aan, -dien hij kende.</p> -<p class="par">—„Zeg mij toch eens, Meester Geleynsz, hoe -heeft <span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name= -"pb88">88</a>]</span>Lieven Ongena dàt er door gekregen?” -vraagde hij nieuwsgierig.</p> -<p class="par">De Gentenaar lachte spottend.</p> -<p class="par">—„Ze zijn daarginds met blindheid geslagen -of zot!” zei hij. „Lieven Ongena trad stout voor den -Hoog-baljuw en zeide, dat er last was, om de beelden uit de kerken weg -te doen. „Van wien is die last?” vraagde men. „Van de -hoogste Majesteit!” zei Lieven en hij wees op zijn verzegeld -perkament. En zoudt ge ’t gelooven? de ezel liep in den strik en -zei, dat hij ’s Konings bevel moest gehoorzamen. Lieven Ongena -bedoelde natuurlijk, dat men de beelden moest afwerpen volgens den last -des Heeren, in het tweede gebod.”</p> -<p class="par">Zóó was het. Het ongelooflijke was -geschied. Al is ’t niet aan te nemen, dat de weifelende Adolf van -Bourgondië inderdaad meende, dat er een bevelschrift der hooge -Regeering was, om een daad te plegen, die zij moest verfoeien, hij -verschool zich achter die bewering, om oproer te voorkomen. „De -beelden zouden ordelijk worden weggenomen en geborgen, en niemand zou -eenig geweld plegen.”</p> -<p class="par">Maar zoo hij gemeend had, op deze wijze den storm te -bezweren, het mislukte hem deerlijk. Wat Lieven Ongena wellicht had -beloofd, hij was er de man niet naar, om een volksbeweging te leiden. -Nauwelijks waren de kerkdeuren van St. Bavo geopend, of het volk, door -eenige Antwerpsche beeldstormers geleid, drong de kerk binnen en begon -het werk der verwoesting.</p> -<p class="par">Waar men zoo spoedig de ladders, de touwen en het -overige gereedschap vandaan haalde, begreep Jacob niet, maar in een -oogenblik stonden de hooge leeren tegen de zuilen der kerk en jonge -gasten klommen als katten naar boven. Om het hoofd der heiligenbeelden -werd een strop geslagen. „Berg je beneden!” klonk het en -een schaar van mannen en vrouwen spanden zich juichend aan het -afhangend touw. Nog een oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb89" -href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span>en het zware beeld stortte van -zijn voetstuk en viel op de zerken te pletter.</p> -<p class="par">Van een geregeld wegnemen en opbergen der beelden en -schilderijen, zooals de leiders misschien hadden bedoeld, kwam niets. -Het volk was niet te houden. Jacob Martens, die niet ver van het altaar -het werk der verwoesting aanschouwde, zag met ontzetting de uitbarsting -van den wrok van het lang geplaagde volk. Het aantal van hen, die -eigenlijk het werk deden, was niet zoo groot, maar de schare stond er -bij, en zag het aan, met kennelijk welgevallen, soms met luide -toejuiching. Hij zag, hoe eenige jonge knapen zich van een langen sliet -hadden meester gemaakt en er onder luid gelach de schoone schilderijen, -de meesterwerken der oude Vlaamsche school, die de wanden der kerk -versierden, mee stuk stieten. Geschilderde glazen en fraai -houtsnijwerk, gouden en zilveren kelken en gedreven koperwerk, alles -werd vernield en vertrapt door de fanatieke menigte, die van kunst geen -begrip had en in dit alles slechts de symbolen zag van een eeredienst, -dien zij verfoeide.</p> -<p class="par">Het altaar was tot nog toe gespaard. Het was, alsof een -zekere schroom de beeldstormers had weerhouden zich te vergrijpen aan -wat velen hunner in hun jeugd heilig was geweest. Nu vloog echter een -schippersknecht de trappen op, stiet de gewijde kaarsen omver en rukte -het ciborium open. Hij nam den monstrans en hield dien een oogenblik in -de hoogte, terwijl hij spottend den priester nabootste. Toen opende hij -de vaas en nam er de gewijde ouwels uit.</p> -<p class="par">—„Melis! Melis! Jan de -Witte!”<a class="noteref" id="xd24e1448src" href="#xd24e1448" -name="xd24e1448src">1</a> juichte het volk.</p> -<p class="par">—„Wie wil een God?” schreeuwde de -schipper. „Wie er aan een niet genoeg heeft, kan er twee -krijgen.”</p> -<p class="par">—„Ik! Geef hier!” klonk het van alle -kanten.</p> -<p class="par">—„Pak aan!” En in een oogenblik waren -de ouwels <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name= -"pb90">90</a>]</span>verdeeld onder het tierende volk, dat er met -baldadigen spot allerlei ruwe grappen mede uithaalde.</p> -<p class="par">In minder dan een uur was de trotsche hoofdkerk een -ontredderde romp en de beeldstormers, die zagen, dat de overheid hen -hun gang liet gaan en zelfs geen poging waagde om het oproer te -onderdrukken, togen naar de andere kerken en de kapellen der kloosters, -om daar het werk der verwoesting voort te zetten.</p> -<p class="par">Jacob raakte met het volk op straat en zag de joelende -menigte aftrekken. Juist stond hij besluiteloos, of hij de -beeldstormers zou volgen, of naar huis terugkeeren, toen hij een man -den hoek der straat zag omslaan, in wien hij tot zijne blijdschap -Franciscus Junius herkende. Hij snelde den predikant tegemoet.</p> -<p class="par">—„Wat een dag, Eerwaarde! Hebt gij ’t -gezien? Wat zal daarvan worden?”</p> -<p class="par">—„Wat daarvan worden zal, is den Heere God -bekend!” zeide hij. „Maar ik vreeze zeer, dat die van onze -religie door deze onberaden daad zelf de koorden hebben gedraaid, -waarmede men ze ter slachtbank zal sleepen!”</p> -<p class="par">—„Maar de beelden in de kerken...”</p> -<p class="par">—„Zijn stomme afgoden! Hun tijd zou vanzelf -wel gekomen zijn! Niet met hen behoorde men te beginnen, waar het -geldt, de zuivere Kerke Christi te stichten. Maar het dwaze volk ziet -slechts aan wat voor oogen is!”</p> -<p class="par">—„Maar als toch uw vriend Treslong gelijk -heeft? Als dit het begin van den opstand was...?”</p> -<p class="par">Een pijnlijke glimlach speelde om de lippen van den -Franschman.</p> -<p class="par">—„Wellieve broeder,” zei hij -vriendelijk, „ge zijt nog jong en moet de menschen nog leeren -kennen. Jan Blois van Treslong heeft een hart van goud en is dapper als -een leeuw, maar hij is allerminst een staatsman. In den strijd kunt ge -op hem rekenen, maar niet in de ure der beproeving!”</p> -<p class="par">—„Neen,” ging hij voort, terwijl hij -peinzend voor <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name= -"pb91">91</a>]</span>zich uit staarde. „Deze beweging komt te -vroeg, en zij had ook zóó niet moeten komen. Dit volk -heeft geen leiders. Er moeten nog andere tijden komen, eer de mannen -zullen opstaan, die het groote werk zullen volbrengen. Op Gods tijd zal -Hij den Mozes zenden, die Zijn volk verlossen zal uit het diensthuis -van Egypte!”</p> -<p class="par">—„Maar als nu toch de edelen zich eens aan -het hoofd zetten der beweging?”</p> -<p class="par">—„De edelen? Reken niet op hen! O, ik heb ze -wel doorzien, daarginds te St. Truyen. Wat al lichtzinnigheid, en -eerzucht en valsche ijver! Ge zult het zien: de Roomsche edelen zullen -zich thans terugtrekken en de Gereformeerde zullen bevreesd zijn voor -de gevolgen van hun optreden. Neen, jonker Martens, onder hen schuilt -de Mozes niet!”</p> -<p class="par">Al sprekende waren zij op de Vischmarkt aangekomen, waar -Junius eenige leiders der Gereformeerden hoopte te ontmoeten. Hun -aandacht werd weldra getrokken door een oploop. Een hoop volk, -grootendeels bestaande uit vischwijven en straatjongens, had zich -verzameld bij den ingang der overdekte halle, op de plaats, waar nog -dien morgen het groote kruisbeeld had gestaan. Toornige kreten en nu en -dan een daverend gelach stegen uit den hoop op.</p> -<p class="par">Naderbij gekomen, zagen Junius en Jacob Martens, dat een -aantal opgeschoten kwajongens een ouden monnik plaagden en sarden. Zij -hadden een kring om den ouden man gevormd en wilden hem niet doorlaten, -voor hij hun de absolutie had gegeven, die zij met luid misbaar van hem -eischten. De monnik van zijn kant verkeerde blijkbaar in een toestand -van dolle opgewondenheid. Het oude gezicht was hoogrood gekleurd, hij -dreigde de spottende knapen met de gebalde vuist en schold en -vervloekte hen, beurtelings in het Vlaamsch en in slecht Latijn.</p> -<p class="par">—„Apage te, Satanas! Voort, kettersch -gespuis, uitbroedsel der hel! Maledicat vos Deus omnipotens! -<span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name= -"pb92">92</a>]</span>Blijf af van den gezalfde des Heeren met je vuile -drakenpooten!”</p> -<p class="par">—„Absolutie, pater, geef ons de -absolutie!” schreeuwden de bengels, terwijl zij den ouden man aan -zijn pij heen en weer trokken. „De absolutie! Dan laten we je -gaan!”</p> -<p class="par">—„Dat moet niet voortgaan!” zei Junius -verontwaardigd. „Kom, jonker!”</p> -<p class="par">En door Jacob geholpen, stiet hij de grinnekende -vischwijven op zijde en bevrijdde den ouden man uit de handen zijner -plaaggeesten.</p> -<p class="par">—„Meent gij de zaak des Heeren en die der -Kerk te dienen door het mishandelen van een grijsaard?” voegde -hij de verblufte knapen in gebroken Vlaamsch toe.</p> -<p class="par">De toon van gezag, waarmede hij hen toesprak, en zijn -deftige kleeding boezemden den ruwen klanten ontzag in. Toch zouden ze -zich waarschijnlijk niet lang hebben laten terughouden, zoo een paar -hunner den predikant niet hadden herkend.</p> -<p class="par">—„Ds. Junius! De Waalsche predikant!” -werd er gemompeld, en de aanvallers traden bedremmeld terug.</p> -<p class="par">Maar de oude monnik, wel verre van den man dankbaar te -zijn, die hem van zijn kwelgeesten had bevrijd, trad bij het hooren van -dien naam met een van woede vertrokken gezicht op den predikant -toe.</p> -<p class="par">—„Zijt gij Junius?” krijschte hij. -„De sectaris, de aartsketter, de verloopen Hugenoot? Gij zijt de -aanstoker van deze plonderfielen, de deken van deze rabauwige -tempelschenners! Geef mij het zilveren zegel terug, dat die dieven uit -St. Jan hebben gestolen! Ze hebben het u gebracht...”</p> -<p class="par">—„Man, wat raaskalt gij? Wat weet ik van uw -zegel?” riep Junius.</p> -<p class="par">—„Gij zijt de dief, ja, de dief!” -gilde de oude<span class="corr" id="xd24e1516" title= -"Niet in bron">.</span> „Geef het terug, Judas!”</p> -<p class="par">Met uitgestrekte grijpvingers drong hij op den predikant -aan, maar de omstanders hielden hem tegen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span></p> -<p class="par">—„Ziet gij wel, Eerwaarde,” riepen -zij, „dat de paap bezeten is? Laten wij hem in ’t kanaal -gooien, om te zien, of hij drijft.”</p> -<p class="par">—„Laat den man gaan!” zei Junius met -gezag en in het Fransch vervolgde hij tot Jacob: „De schrik heeft -den oude zinneloos gemaakt!”</p> -<p class="par">Tierend en scheldend verwijderde zich de oude -monnik.</p> -<p class="par">Junius wendde zich tot zijn metgezel.</p> -<p class="par">—„Zoo zal het gaan!” zeide hij. -„Wij zullen worden beschuldigd, dat wij deze zaak hebben gewild. -Wat eenige baldadigen en onbedachte ijveraars hebben bedreven, zal op -allen worden verhaald. En dat juist thans! Weinig dingen, die Mevrouw -van Parma en haar raadgevers zóó van pas konden komen, -tot schade van de goede zaak en de Kerke Christi. Doch, de Heere God -regeert!” <span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name= -"pb94">94</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1448" href="#xd24e1448src" name="xd24e1448">1</a></span> De -spotnamen, die het Gereformeerde volk aan de hostie gaf. <a class= -"fnarrow" href="#xd24e1448src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Bij het uitbreken van het oproer, bij het vernemen -van het stoutmoedig optreden der beeldstormers was de Landvoogdes eerst -radeloos geweest. Zij vreesde het ergste; zij had zelfs uit Brussel -willen vluchten en slechts met moeite, bijna met geweld, hadden Oranje, -Egmond, Hoorne en Viglius haar kunnen bewegen, van dien stap af te -zien. Toen had zij, bevreesd voor den omvang der oproerige beweging, -bewilligd in een verdrag, waarbij de plakkaten werden geschorst en de -openbare prediking aan die van de Nieuwe Religie werd toegestaan. En -inderdaad, wat de Regeering op dat oogenblik door geen geweld van -wapenen had kunnen verkrijgen, het werd door dit besluit als met een -tooverslag bereikt. De oproerige bewegingen hielden op. De Geuzen -legden de wapenen neder en de mannen van Vlaanderen en Brabant keerden -tot hun dagelijkschen arbeid terug. Zij wilden niet opstaan tegen hun -Landsheer. Zij verlangden slechts vrijheid, om hun God te dienen naar -de inspraak van hun geweten, zonder voor zichzelf en voor hun dierbaren -te moeten vreezen voor de gehate Inquisitie, voor kerker en -schavot.</p> -<p class="par">Wat ook misschien in die dagen van woeling de politieke -bijoogmerken mochten zijn van de leiders der beweging, het volk deed -niet aan politiek. Het vroeg slechts naar datgene, wat het het naast -aan het hart lag,—waarop het een heilig recht had. En in een -lange en bange worsteling heeft dat volk bewezen, dat het voor dat -recht alles veil had! <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" -name="pb95">95</a>]</span></p> -<p class="par">Maar toen Margaretha van Parma zag, dat de storm voor -het oogenblik was bezworen, herademde zij, en weldra bleek het, dat zij -zou doen, wat zij kon, om aan de bepalingen van het haar afgedwongen -verdrag te ontkomen. De beeldstormers werden overal met de grootste -gestrengheid vervolgd,—dit was te begrijpen—maar ook de -bepalingen omtrent de vrije prediking des Woords werden niet nagekomen. -Overal, waar men er kans toe zag, werd den Hervormden de voet dwars -gezet.</p> -<p class="par">En ondertusschen wapende zich de Landvoogdes om een -tweeden opstand met geweld te kunnen onderdrukken. Zij nam troepen in -dienst, die onder aanvoering stonden van hare getrouwe aanhangers, en -zij schreef aan den Koning, dat hij toch spoedig zou komen om den -oproerigen geest der landzaten voorgoed te fnuiken...</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Met een bedrukt hart zat Vrouwe Martens in haar -bidvertrek.</p> -<p class="par">Zij was in zware zorg. Het was haar spoedig genoeg ter -oore gekomen, dat haar zoon zich had bevonden onder de beeldstormers -van St. Bavo. De Hoog-baljuw had het den president zelf meegedeeld: -zijn spionnen hadden Jacob Martens gezien; zij hadden ook gezien, hoe -hij, in gezelschap van den beruchten ketterschen predikant Junius, de -hoofdkerk had verlaten. Op de hevige verwijten, die men hem had gedaan, -had Jacob geantwoord, dat slechts een begrijpelijke nieuwsgierigheid -hem naar buiten had gedreven, dat hij aan de beeldstormerij geen deel -had genomen en dat hij die woeste uitspattingen der vernielzucht zeer -zeker niet goedkeurde. Zijn ouders hadden hem nauwelijks geloofd in hun -angst en hun opgewondenheid,—en voor dien angst was er reden -genoeg. Vrouwe Martens wist van haar man, dat de Regeering, een -oogenblik onthutst, weldra weer moed had gevat, toen zij zag, dat de -beweging geen verdere gevolgen had, en dat <span class= -"pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>zij zich -gereed maakte voor een vreeselijke wraakoefening. Zij kon het doen, -want het aantal der ontevreden edelen, ontnuchterd en verschrikt door -de gevolgen van hun verzet, hadden de zaak der vrijheid verlaten en -zich aan hare zijde geschaard. Zelfs Egmond, de stadhouder van -Vlaanderen,—een der „drie Heeren”, die het de -Landvoogdes soms zoo bang maakten,—stemde in met de plannen voor -een geduchte strafoefening en zou eerlang persoonlijk zijn gewest -bezoeken, om er de vervolging der schuldigen te leiden.</p> -<p class="par">Hoe gemakkelijk kon Jacob in die vervolging worden -betrokken! Ja, wat meer was, hij was schuldig volgens de plakkaten, -door zijn omgang met Junius, die zelfs bij de Moderatie buiten de wet -was gesteld. Welke gevolgen zou dit alles hebben voor Jacob zelf? En -ook voor zijne ouders?</p> -<p class="par">En meer dan dit alles kwelde de vrome Katholieke de -angst om het zieleheil van haar kind, haar bittere smart, dat -hààr kind, hààr zoon was afgedoold van de -immers toch alléén zaligmakende Moederkerk, dat het -besmettelijk euvel der ketterij ook hem had aangetast en dat hij voor -eeuwig verloren was. Zij had hem lief, op hare wijze, een liefde, die -zich nimmer toonde in eenig zacht of liefkoozend woord, die zij immer -zorgvuldig verborg, als een zwakheid, die zij zich schaamde, maar toch -een echte, sterke liefde, die er niet voor zou hebben geschroomd, om -haar eigen zaligheid te verbeuren, als zij er die van haar zoon mee had -kunnen koopen. Vele uren had zij doorgebracht op haar bidstoel; -tallooze malen gleden de kralen van haar rozenkrans door hare vingeren, -als zij de Moedermaagd, haar bijzondere patronesse, smeekte, om haar -zoon terug te voeren van zijn doolweg, om hem te redden van de eeuwige -pijnen der hel, om hem te behoeden ook voor de gevolgen zijner -dwaasheid in de naaste toekomst, voor het zwaard van den beul -misschien!</p> -<p class="par">Ook ditmaal was zij weder verzonken geweest in het -<span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name= -"pb97">97</a>]</span>gebed, maar het had haar geen troost gebracht. -Droevig staarde zij naar het Mariabeeld: de Moeder Gods moest toch -weten, wat in haar omging, zij, die zelve van zoovele smarten was -doorstoken, aan den voet van het Heilige Kruis.</p> -<p class="par">Zij had haar nood geklaagd aan haar biechtvader, den -goeden, ouden pastoor der St. Jacobskerk, maar de grijsaard had haar -niet veel troost kunnen geven, en haar slechts opgewekt tot vurig gebed -en—berusting. En berusting was wel het moeilijkst voor een natuur -als die van Vrouwe Martens.</p> -<p class="par">Plotseling staarde zij strak voor zich uit. Een licht -rood kleurde haar bleeke wangen. Een gedachte was in haar opgerezen, -die redding kon brengen: dat was eene verhooring van haar gebed, eene -ingeving van de Heilige Maagd!</p> -<p class="par">Zij zou zich wenden tot den geleerden en vromen prior -van het Dominicaner klooster. Vader Anselmus, een man, die gezien was -bij hoog en laag, om zijn edel hart en zijn kloek verstand, en van wien -slechts de inquisiteur Titelman en zijn aanhangers beweerden dat hij te -laks was in zijn ijveren tegen de ketters.</p> -<p class="par">Vrouwe Martens kende den prior. De eerwaardige man, die -anders zijn studeercel zelden verliet, had haar en haar echtgenoot -enkele malen bezocht, om te spreken over zekere landerijen van het -klooster, welke grensden aan een stuk land van den president. Zij had -toen een goeden indruk ontvangen van de kalmte en het beleid, waarmede -Vader Anselmus de zaken behandelde. Later had hij zijn bezoek herhaald; -er was toen ook gesproken—kon het wel anders?—over den -toestand des lands, en hoewel de vurige ziel van Vrouwe Martens geen -vrede kon hebben met de rustige beschouwingen van den ouden priester, -die haar halfheid en lafheid toeschenen, een weifelaar slechts waardig -als Hopperus, toch had zij als goede Roomsche een diepen eerbied voor -zijn priesterlijk ambt en geestelijke waardigheid. Wellicht gevoelde -zij, dat hij <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name= -"pb98">98</a>]</span>de afdwalingen van haar zoon zachter zou -beoordeelen dan zij zelve het vermocht.</p> -<p class="par">Snel stond zij op. Na zich als een goede huisvrouw -overtuigd te hebben, dat Klaartje en Madeleine, zoowel als hare -dienstboden, het haar opgedragen huiswerk inderdaad behoorlijk -volbrachten, hing zij haar huik om en verliet het huis. ’t Was -stil op straat, een doodsche, leege stilte, na de opgewondenheid van -weinige dagen geleden. Het was of Gent, na de woeste oproerkreten en de -uitspattingen van den beeldenstorm, verschrikt over eigen -roekeloosheid, thans sidderend den slag afwachtte, die dreigde, -dreigde—en maar al te spoedig en te onbarmhartig zou treffen.</p> -<p class="par">Vrouwe Martens had weldra het klooster der Dominicanen -of Predikheeren bereikt: een statig gebouw, aan den waterkant van de -gekanaliseerde Leye, die hier langs steenen kaden door de stad -stroomde. Zij noemde haar naam aan den broeder-portier, en weldra stond -zij in de kloosterbibliotheek tegenover den prior.</p> -<p class="par">Zij begon haar verhaal, eerst stroef en kort,—maar -de meewarige blik van den grijsaard, die haar lijden begreep, boezemde -haar vertrouwen in en maakte haar tong los. Tranen, heete tranen van -smart en teleurstelling, vloten de fiere vrouw langs de wangen; zij -sidderde voor het eeuwig heil van haar zoon, maar niet minder haast -leed zij, onder de krenking van haar trots, wanneer zij dacht aan al -wat haar eerzucht van Jacobs toekomst had gedroomd,—droomen, die -wel nimmer verwezenlijkt zouden worden. Wat zou het lot zijn van den -ketter, den rebel?</p> -<p class="par">De grijze priester had haar zwijgend aangehoord.</p> -<p class="par">Toen zij uitgesproken had, schudde hij droevig het -grijze hoofd.</p> -<p class="par">—„Het zijn booze tijden, Vrouwe -Martens!” zeide hij, „en ik vreeze zeer, dat nog boozere in -aantocht zijn. De afval is groot—en men zal dien nog grooter -maken door onverstandige strengheid. Wat men had moeten trekken met -koorden der liefde, heeft men <span class="pagenum">[<a id="pb99" href= -"#pb99" name="pb99">99</a>]</span>willen drijven met den staf van het -geweld,—en nu moet men wel voortgaan op dien weg. Wel moeten onze -zonden groot zijn voor Gods aangezicht, dat Hij zijne Kerke aldus -bezoekt.”</p> -<p class="par">—„Maar de ketters en sectarissen zijn toch -vijanden van God en zijn Kerk, Vader,” zei Vrouwe Martens -heftig.</p> -<p class="par">—„De ketters zijn de dwalende schapen der -Kerk,” zeide de prior kalm. „De goede herder moet ze -terugbrengen tot de kudde, en ze niet heendrijven naar de grijpende -wolven.”</p> -<p class="par">—„Maar de Inquisitie, Vader...”</p> -<p class="par">—„De Inquisitie is goed bedoeld, maar -verkeerd begrepen. Zij moest ten zegen en ter redding zijn, en zij is -een vloek geworden voor deze landen. De Inquisitie moest zijn de arts, -die de krankheid naspeurt, de wonde peilt om haar te genezen, niet de -rechter, die de misdaad zoekt om haar te straffen. Ook gij, dochter, -met uw echtgenoot, hebt dwaas en zondig gehandeld tegenover uw -zoon.”</p> -<p class="par">Trotsch hief Vrouwe Martens het hoofd op; een scherp -antwoord rees haar op de lippen, en al de eerbied, dien het ambt en de -leeftijd van den prior haar inboezemden, was noodig om haar te beletten -het te uiten. Toch kleurde zij van ergernis.</p> -<p class="par">—„Wat natuurlijker,” ging Vader -Anselmus voort, „voor een jong en edelmoedig herte, dan dat het -medevoelt met ellendigen en verdrukten. En hoe snel komt de onbedachte -jeugd er niet toe, om partij te trekken voor wat haar verdrukt schijnt, -zonder te vragen naar de oorzaak van het leed, dat zij wil verzachten. -Uw zoon heeft gedwaald, maar ’t is de dwaling van een edel -gemoed. En in plaats van hem met liefde te leiden hebt ge hem met -harde, bittere woorden bejegend, en hem zóó voortgedreven -op zijn weg, voort naar de sectarissen, tot gij zelve vreest, dat hij -betrokken zal worden als medeschuldige aan hun heiligschennend -werk.” <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name= -"pb100">100</a>]</span></p> -<p class="par">Jacobs moeder boog bedroefd het hoofd.</p> -<p class="par">—„Maar wij willen hem redden,” ging de -prior voort. „Ik geloof met u, dat de regeering de rebellen zwaar -zal straffen, en dat wie in de eerste hitte des toorns worden -getroffen, voor velen zullen boeten. Maar de „vrijheid” van -ons klooster, ons recht van vrijplaats, is nog nimmer aangetast. Spreek -met den president, en breng ons uw zoon, voor eenige weken, voor eenige -maanden misschien. Men zal den zoon van den president van Vlaanderen, -wiens ijver voor de zaak des Konings bekend is, niet al te zeer zoeken, -meene ik. Men zal ook deernis hebben met zijne jonge jaren. Hij zal -hier veilig zijn, en als hij wil, kan hij de studie der oude Heidensche -schrijvers weder opvatten, waarbij ik hem gaarne naar mijne zwakke -krachten zal bijstaan.”</p> -<p class="par">Vrouwe Martens slaakte een zucht van verlichting. Dit -voorstel bracht inderdaad redding. Zelfs al wilde men Jacob vervolgen -om zijn omgang met Junius, en het deel, dat hij, zij het dan als -lijdelijk toeschouwer, had genomen aan de beeldstormerij, onder de -hoede der Dominicanen zou hij veilig zijn. En wie kon er beter geschikt -zijn, om hem van zijne kettersche afdwalingen te genezen, dan een -heilig man, als de prior?</p> -<p class="par">Maar haar gelaat betrok weder.</p> -<p class="par">—„Ik vreeze, Eerwaarde Vader,” zeide -zij onrustig, „dat mijn zoon zóó is aangetast door -het gif der ketterije, dat hij mogelijk niet zal inzien, wat tot zijn -heil dient en zal weigeren, zich onder uw hoede te stellen. Dat ik het -van mijn kind getuigen moet! Hij is onze gehoorzame zoon in alle -dingen, maar in zake van deze rebellie en ketterije hebben wij geen -invloed meer op hem, zijn vader, noch ik. Zouden wij dan... met -geweld...”</p> -<p class="par">Vader Anselmus schudde afkeurend het hoofd.</p> -<p class="par">—„Geen geweld en geen dwang, dochter, het -zou den knaap slechts verbitteren, en daarbij,—nog is -<span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name= -"pb101">101</a>]</span>alles in gisting, nog hebben die van de -Calvinische secte grooten aanhang in de stad,—het ware wellicht -niet geraden. Er zijn andere wegen om een jeugdigen dwaas te redden, al -is het tegen zijn wil. Luister! Kom morgen met uw zoon naar den -vesperdienst in onze kapel. Na den dienst zal een der broeders u tot -mij leiden. Ge verlaat het klooster,—en ge laat het mij over met -den jonker Martens te spreken. Zoo ge hem misleidt, het is voor zijn -welzijn. Een tijd van stille afzondering zal hem heilzaam zijn en met -de hulpe van onzen heiligen Patroon geef ik hem u terug als een -gehoorzamen zoon en een goed Christen.”</p> -<p class="par">Blijde stemde Vrouwe Martens in met het voorstel van den -prior. Met een verlicht hart verliet zij het klooster en zocht, -thuisgekomen, aanstonds den president op, met wien zij een langdurig -onderhoud had.</p> -<p class="par">Op bevel van zijn vader had Jacob sinds den beeldenstorm -de ouderlijke woning niet verlaten. Hij wilde zich in alles, waar hij -het kon en mocht, een goeden en gehoorzamen zoon toonen. Het smartte -hem, dat hij zijne ouders een groot verdriet moest aandoen, maar mocht -hij, ja kòn hij anders? Hij kon haar niet dooden, die -diepgevoelde overtuiging, die er leefde in zijn ziel en die het beste -was, wat hij bezat. Hij kon evenmin huichelen. Wat kon hij dan anders, -dan zwijgen, dulden, en afwachten?</p> -<p class="par">Inmiddels kropen de dagen traag voorbij. Zijn boeken en -zijn Liesveldsche Bijbel, dien hij met zijn geuzenpenning zorgvuldig -verborgen had gehouden, waren zijn eenige troost. Berichten van zijne -vrienden konden hem niet bereiken, want president Martens had strenge -bevelen gegeven, dat niemand bij zijn zoon mocht worden toegelaten. Wat -hij nog vernam, hetzij door de fluisterende gesprekken der dienstboden, -die hij opving, of uit de weinige woorden, die zijne ouders aan tafel -wisselden, waren geruchten over de dreigende houding der Regeering, -over den toorn des Konings en over de ellende, die de oproerige edelen -en hun <span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name= -"pb102">102</a>]</span>aanhang over het land brachten. Zijn vader was -kortaf en stroef, zijne moeder, als altijd, hard en koud, Madeleine -behandelde hem met smalende minachting en wees elke poging tot -verzoening af. Alleen zijn zuster trachtte hem te troosten, maar haar -troost baatte hem niet veel. De goede Klaartje kon maar niet begrijpen, -waarom Jacques opeens zoo koppig en dwars was geworden. Wat konden hem -toch die Geuzen schelen, die oproermakers, waarvoor zij bang was en die -kettersche predikanten, wier eenige toeleg immers was, de menschen in -’t verderf te storten. Haar biechtvader had het haar verzekerd en -haar moeder geloofde het ook. Waarom kon Jacques weer niet zijn als -vroeger en ter misse en te biecht gaan? Dan zou alles weer goed zijn en -met Madeleine zou het dan ook wel weer in orde komen, want die hield -zich maar boos.... En haar mooie, blauwe oogen keken den armen Jacques -verwijtend aan.</p> -<p class="par">Niet weinig was Jacob verwonderd, toen zijne moeder hem, -op zachter toon dan gewoonlijk, verzocht haar te vergezellen naar den -vesperdienst in de kapel van het klooster der Predikheeren. Die kapel -was nog ongeschonden. Was het toeval? Hadden de hooge kloostermuren -haar beschermd, of was de gunst, waarin de Predikheeren zich bij het -volk mochten verheugen, hun in deze woelige dagen te stade gekomen? Hoe -het zij, de kapel was niet door de beeldstormers bezocht en het -klooster had geen last geleden. Het kon niemand verwonderen, dat Vrouwe -Martens, nu haar parochiekerk, de oude St. Jacobus, was vernield en -ontwijd, den dienst ging bijwonen in de stille kapel.</p> -<p class="par">Jacob was terstond bereid; hij was verheugd over dit -bewijs van toenadering. Zelfs al meende zijne moeder, dat hij, door -haar te vergezellen, tegen zijn overtuiging handelde en dat hij reeds -begon te wankelen, dan mocht hij toch haar wensch niet weerstreven. Hij -nam zijn bonnet en den korten Spaanschen mantel, die toen reeds door -aanzienlijke jongelieden <span class="pagenum">[<a id="pb103" href= -"#pb103" name="pb103">103</a>]</span>werden gedragen, en hij maakte -zich gereed zijne moeder naar het Dominicanerklooster te -vergezellen.</p> -<p class="par">Toen hij zijn kamer verliet, en de breede trap afdaalde -naar het voorhuis, ontmoette hij de beide meisjes. Madeleine wierp hem -een vreemden, spottenden blik toe, terwijl zij coquet met een medaille -van Onze Lieve Vrouwe van Halle speelde, die aan een snoer van -gouddraad om haar hals hing. Klaartje echter viel haar broeder -onstuimig om den hals, en kuste hem, met tranen in de oogen.</p> -<p class="par">Juist wilde hij haar vragen, wat toch haar tranen en -haar hartstochtelijke teederheid beteekenden, toen de gebiedende stem -zijner moeder in het voorhuis klonk. Met een kus en een schertsend -woord maakte hij zich los uit de armen zijner zuster, en na een -hoffelijken groet aan joffer de Bette, snelde hij ijlings naar -beneden.</p> -<p class="par">De avond was reeds gevallen, toen moeder en zoon het -klooster bereikten. De groote poort, die anders des morgens en des -avonds open stond, om de geloovigen, die dat mochten verlangen, de -gelegenheid te geven de mis of de vesper in de kloosterkapel bij te -wonen, was thans, met het oog op de onrustige tijden, gesloten. Ook het -kloosterklokje klepte niet: de klokken der kerken en kapellen van Gent, -die anders zoo vroolijk jubelend konden beieren bij mis of -vesperdienst, zwegen nu over de ontwijde bedehuizen en de kapel der -Dominicanen stemde in met den algemeenen rouw der Kerk. Mogelijk -wenschte men ook wel de aandacht van het nog altijd oproerige gemeen -niet op het klooster te vestigen.</p> -<p class="par">De ijzeren klopper dreunde op de eikenhouten deuren; het -gebaarde gelaat van den broeder portier verscheen een oogenblik voor -het getraliede luikje; toen ging de poort open en Vrouwe Martens trad -met haar zoon binnen.</p> -<p class="par">Een tweede binnenpoort, eveneens van zwaar eikenhout, -met ijzeren bouten en klinknagels beslagen, gaf <span class= -"pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name= -"pb104">104</a>]</span>toegang tot het „claustrum”, het -eigenlijk gezegde klooster, afgesloten van de woelige wereld -daarbuiten. Zij bevonden zich nu in de groote kruisgang, die heenleidde -naar de verschillende gedeelten van het reusachtig gebouw. De dienst -zou spoedig beginnen. Van alle kanten verschenen de spookachtige -gedaanten der monniken, in hunne witte pijen, met de kappen diep over -de oogen getrokken en de handen gevouwen onder het zwarte scapulier, om -zich op te stellen in het claustrum voor den gang ter kapel.</p> -<p class="par">Vrouwe Martens en Jacob gingen den zwijgenden stoet -voorbij en betraden de kloosterkerk. Een jonge monnik, geknield bij de -deur, bood hun het wijwater aan en met een donkeren blik zag de moeder, -dat haar zoon de heilige gave met een lichte handbeweging afwees.</p> -<p class="par">In het middenschip der kapel gekomen, in de ruimte, voor -de geloovigen buiten het klooster bestemd, knielde Vrouwe Martens -neder, terwijl Jacob bleef staan in de schaduw van een der zware -pilaren, waar hij den dienst onopgemerkt kon bijwonen. Een oogenblik -nog, en de witte stoet der monniken, door hun prior voorafgegaan, -schuifelde de kapel binnen. De monniken en conversen namen hun plaatsen -in, het hamertje van den prior gaf het teeken, allen stonden op en de -krachtige mannenstemmen hieven een „Gloria in excelsis!” -aan.</p> -<p class="par">Met ongeduld wachtte Jacob in de schaduw van zijn pilaar -op het einde van den dienst. Als meer jonge menschen, die zich pas een -eigen overtuiging verworven hebben, was hij geneigd tot eenzijdigheid -en overdrijving. Hij vergeleek den vormendienst der zingende monniken -met de eenvoudige verkondiging van het Woord Gods onder den blauwen -hemel, het Latijnsche kerklied met het goed-ronde Vlaamsch der -Datheensche psalmen, het versierde altaar met de flikkerende kaarsen -bij het zonlicht, dartelend door het jonge gebladerte ter „groene -preek”,—en met minachting <span class="pagenum">[<a id= -"pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span>wendde hij zich af -van de oude religie en hare vormen, die zijne Gereformeerde vrienden -hem hadden leeren minachten als „Paepsche mommerijen”. Hij -had op dat oogenblik geen oog voor de schoone mystiek van den Roomschen -eeredienst; hij vergat, dat ook die vormen eens nieuw waren geweest, -dat ook zij eens uitdrukking waren geweest van het geloof eener -strijdende gemeente en dat die vormen op zichzelf niet verwerpelijk -waren, als de inhoud maar aanwezig was: waarachtig geloof en -verootmoediging des harten;—hij zag er slechts de symbolen in van -een godsdienst, die niet troostte, maar vervolgde, die wilde heerschen -in stede van te dienen, en dien hij, en duizenden met hem, hadden -leeren haten en verachten.</p> -<p class="par">De dienst was geëindigd. De witte gedaanten der -monniken verdwenen door de deur der kapel, maar nog altijd lag Vrouwe -Martens, in gebed verzonken, naar het scheen, op haar knielbank. Jacob -wachtte, tegen zijn pilaar geleund, geduldig, tot zijne moeder gereed -zou zijn met hare devotie. Op dat oogenblik trad een monnik de kapel -binnen; hij ging op de geknielde vrouw toe en scheen haar iets in te -fluisteren.</p> -<p class="par">Vrouwe Martens stond op.</p> -<p class="par">—„De Eerwaarde prior wenscht mij te spreken, -Jacob,” zeide zij, weer op zachter toon dan gewoonlijk. -„Wacht hier op mij. Uw verblijf in het huis Gods zij -gezegend!”</p> -<p class="par">Verbeeldde hij het zich, of was het een vreemde, schuwe -blik, waarmede zijne anders zoo fiere en strenge moeder hem aanzag?</p> -<p class="par">Jacob zette zich neer en wachtte. Droomerig staarde hij -naar de gele vlammetjes der waskaarsen, naar het matte schijnsel van de -eeuwige lamp voor het altaar. Het was doodstil in de kapel. De dikke -kloostermuren lieten geen geluid van buiten doordringen en het klooster -zelf scheen uitgestorven. Zonder dat hij het wist of wilde, vielen zijn -oogen toe.</p> -<p class="par">Hij ontwaakte met een lichten schrik en een gevoel, -<span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name= -"pb106">106</a>]</span>alsof hij niet langer alleen was. Een oogenblik -moest hij zich bezinnen, waar hij zich bevond. Hij zag om zich heen. De -broeder-sacristijn was bezig, om, geholpen door twee convers-broeders, -de kaarsen te dooven en de kapel weder in orde te brengen.</p> -<p class="par">Naast hem stond een lange gestalte, in de witte pij der -orde. Het gelaat was verborgen in de wijde kap, maar aan het gouden -kruis op de borst herkende Jacob den prior.</p> -<p class="par">—„Is mijne moeder gereed?” vroeg hij -verward.</p> -<p class="par">—„Uwe vrouw moeder is reeds lang -vertrokken,” zeide de prior bedaard en ernstig. „Wees -gerust, een vertrouwd man heeft haar begeleid.”</p> -<p class="par">—„En ik, die haar moest vergezellen? Zij zal -meenen, dat ik zonder haar ben heengegaan!” zeide Jacob. -„Vergeef mij, Vader,” vervolgde hij haastig. „Mijne -moeder heeft u misschien verzocht met mij te spreken. Een andermaal -gaarne, maar thans moet ik terstond naar huis. Mijne moeder mag niet -denken..”</p> -<p class="par">—„Uw moeder weet, dat ge hier zijt, -jonker,” viel hem de prior in de rede. „Het is op haar -verlangen, dat ik u heb opgezocht. Het is haar wensch en ook die van uw -vader, dat ge eenigen tijd hier bij ons zoudt vertoeven, als onze -gast.”</p> -<p class="par">Verschrikt staarde Jacob den monnik aan. Hij begon te -begrijpen. Het was hem een oogenblik of de steenen vloer der kapel -onder hem wegzonk. Men wilde hem in het klooster gevangen houden.</p> -<p class="par">Hij herstelde zich en wierp een snellen blik naar de -deur der kapel.</p> -<p class="par">—„Ik kan uw gastvrijheid niet aannemen, -Eerwaarde Vader,” zei hij met een stem, waaraan hij tevergeefs -trachtte de noodige vastheid te geven. „Ik moet gaan.”</p> -<p class="par">Hij deed een stap naar de deur. Was het toeval, dat de -beide gespierde leekebroeders zich daar thans bevonden? Ze waren -ijverig bezig met hun arbeid en schenen niet op hem te letten, maar hij -kon de deur niet bereiken, zonder hen voorbij te gaan. <span class= -"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span></p> -<p class="par">Vader Anselmus leide hem de hand op den schouder.</p> -<p class="par">—„Als onze geëerde gast,” -herhaalde hij, langzaam en met nadruk. „Ik vertrouw, dat het -zóó zal zijn, jonker, en niet als een ongehoorzame zoon, -die zich de tucht ontwassen waant.”</p> -<p class="par">—„Als een ongehoorzame zoon,” mompelde -Jacob, terwijl hij den prior met een bleek en ontsteld gelaat -aanstaarde.</p> -<p class="par">—„Uw ouders wenschen u te behoeden voor de -gevolgen van uw dwaas en onvoorzichtig gedrag in de laatste -maanden,” zeide Vader Anselmus met gedempte stem, terwijl hij den -jongen man doordringend aanzag. „Het was hun uitdrukkelijke -wensch, dat wij u onder onze hoede zouden nemen. „Eert uw vader -en uwe moeder” is een gebod, dat, naar ik meen, ook nog onder de -nieuwe religie in eere wordt gehouden.”</p> -<p class="par">Jacob boog het hoofd. Een stroom van aandoeningen en -verwarde gedachten overstelpte hem.</p> -<p class="par">—„Onze broeder-gastmeester zal u uw kamer -wijzen,” zei de prior kalm en beslist. Toen ging hij voort, met -meer hartelijkheid, dan Jacob van den strengen man had verwacht:</p> -<p class="par">—„Wees niet zoo bedroefd en ontsteld, mijn -zoon. Wij meenen het wel met u. Gij kunt bij ons uwe studiën -voortzetten. Ik zelf zal uw leermeester zijn, en ge kunt hier rustig -toeven, tot het onweer, dat dit ongelukkige land bedreigt, zal zijn -afgedreven.”</p> -<p class="par">De prior gaf den broeder-sacristijn een wenk. Deze -verwijderde zich en kwam weldra terug met een anderen monnik, den -broeder-gastmeester, wien Vader Anselmus met een kort woord de zorg -voor zijn gast opdroeg.</p> -<p class="par">Met een stommen groet volgde Jacob zijn gids, die hem -voorging naar een der cellen, die voor logeerkamers waren ingericht. -Hoffelijk doch kloek wees hij het aanbod van den monnik af, die hem -aanbood zijn avondeten voor ditmaal naar zijne cel te doen brengen.</p> -<p class="par">Zijn gemoed was vol. Hij, Jacob Martens, de zoon -<span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name= -"pb108">108</a>]</span>van den president van Vlaanderen, in een -kloostergevangenis! En daar listig heen gelokt door zijne moeder! O, nu -begreep hij haar afscheidswoord!</p> -<p class="par">Zijne verbittering belette hem, over de handelwijze -zijner ouders billijk te oordeelen. Hij kon er op dat oogenblik niet -aan denken, dat er liefde kon schuilen in hunne zorg, om de gevaren, -die hij niet kende of niet telde, af te wenden van zijn hoofd. Al wat -een jong en vurig gemoed moet voelen, als het zich ziet gedwongen te -buigen voor harden dwang, als het zich moet schikken in het -onvermijdelijke, kookte en bruiste in zijn binnenste en deed zijn hart -kloppen en zijn oogen branden. Hij trachtte te bidden, maar het was te -onstuimig daarbinnen. Hij kon zijne gedachten niet verzamelen, zijne -ziel niet verheffen tot den Heer.</p> -<p class="par">Eindelijk wierp hij zich, bedroefd en afgemat, op het -eenvoudige bed, maar het duurde lang, eer hij den slaap kon vatten. -Eerst tegen den morgen viel hij in een onrustige sluimering. Toen hij -wakker werd, waren zijn bovenkleederen, die hij had afgelegd, -verdwenen. In hunne plaats vond hij een witte pij van de -Dominicaner-orde met het korte scapulier der novicen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Vader Anselmus was een te verstandig man en een te -goed menschenkenner, om zijn „gast” aanstonds over zijne -„kettersche gevoelens” te onderhouden.</p> -<p class="par">Nauwelijks had Jacob zich dien eersten morgen niet -zonder weerzin in het kloostergewaad gekleed, of een leekebroeder -verscheen in zijn cel, om hem te zeggen, dat de prior hem wenschte te -spreken.</p> -<p class="par">Jacob moest wel gehoorzamen: hij zag zeer tegen dat -onderhoud op, want hij vreesde, zijn godsdienstige gevoelens te moeten -verdedigen tegen den statigen kloostergeleerde, voor wien hij, als een -natuurlijk gevolg van zijp opvoeding en de gewoonte van jaren, een -heimelijk ontzag had. Doch het onderhoud viel hem bijzonder mede. De -prior sprak met geen enkel woord over het gevreesde onderwerp, doch -deelde hem eenvoudig mede, dat hij op zich genomen had de studiën -van zijn gast te leiden, tot deze weer naar de Leuvensche School zou -kunnen terugkeeren. Hij wees Jacob de Grieksche en Romeinsche -schrijvers aan, die hij had te bestudeeren en spoorde hem aan tot -vlijtigen arbeid; de tijd moest in het klooster niet in ledigheid -worden gesleten. De vroegdiensten behoefde hij niet bij te wonen, maar -de prior rekende er op, dat Jacob bij de mis en den vesperdienst niet -zou ontbreken.</p> -<p class="par">Het werd gezegd op een kalmen toon van gezag, die geen -tegenspraak toeliet. Toen Jacob een enkele toespeling waagde op het hem -opgedrongen kloosterkleed, antwoordde de prior, dat het een eere was, -het kleed van den Heiligen Dominicus te mogen dragen, <span class= -"pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name="pb110">110</a>]</span>en -dat het zeker niet te veel verlangd was, dat jonker Martens, in ruil -voor de gastvrijheid, die hij genoot, zich schikte naar de regelen van -het huis, dat hem een schuilplaats bood. Met een enkele handbeweging -werd hij daarop ontslagen.</p> -<p class="par">Met zeer gemengde aandoeningen keerde Jacob naar zijn -eigen cel terug, die uitzag op den ruimen kloosterhof. Hij had zich dat -onderhoud heel anders gedacht. Hij had gemeend, zich te moeten -verdedigen, zijn geloof te moeten handhaven tegen den fellen aanval van -een geleerden priester der Roomsche Kerk, even bekwaam in de -godgeleerdheid als in de dialectiek, hij had er op gerekend, dat hij -zou moeten protesteeren tegen gewetensdwang, hij had zich bijna een -aanstaanden martelaar gewaand,—en niets van dat alles was -geschied. Hij had eenvoudig een taak gekregen, als een gewoon scholier. -Hij had zich in den geest gewapend tot een hevigen strijd,—en hij -had geen tegenstander gevonden. Op zijn overspanning volgde natuurlijk -een toestand van matheid en moedeloosheid,—en dat was het juist, -wat Vader Anselmus had verwacht en gewenscht.</p> -<p class="par">Jacob zette zich aan zijn taak en trachtte in de verzen -van Virgilius de gedachten, die hem kwelden, te vergeten. Hij had er -aan gedacht, te weigeren om de viering der mis bij te wonen, maar na -zijn nederlaag zonder strijd—de zwaarste beproeving voor een -karakter als het zijne—ontbrak hem daar thans de veerkracht toe. -Toen de kloosterklok het teeken gaf, nam hij zijn plaats in, achter in -de rij, die zich opstelde in de breede kruisgang en ging hij mee ter -kapel. Wel knielde hij niet neder, toen de officieerende broeder den -monstrans ophief, om de hostie ter vereering aan de geloovigen te -toonen, maar het scheen, dat niemand daar op lette.</p> -<p class="par">De dag kroop voorbij. De prior had zijn maatregelen goed -genomen en zijne bevelen werden stipt uitgevoerd. Noch in den refter, -de eetzaal van het klooster, <span class="pagenum">[<a id="pb111" href= -"#pb111" name="pb111">111</a>]</span>waar de monniken zwijgend aten, -terwijl één hunner voorlas uit een kerkvader, noch in het -recreatie-uur, dat in den kloosterhof werd doorgebracht, wijdde iemand -eenige bijzondere aandacht aan den jongen gast. Men behandelde hem -beleefd en vriendelijk, maar juist, alsof hij al jaren in het klooster -had doorgebracht.</p> -<p class="par">Eindelijk sloeg het uur van den vesper. Moe van den -ingespannen arbeid, was Jacob thans blijde, dat hij naar de schoone -kloosterkapel kon gaan. Hij troostte zich met de gedachte, dat de -psalmen Davids, die straks door de monniken zouden worden aangeheven, -toch dezelfde liederen waren, als de kloeke psalmen van Datheen, die -hij ter „groene preek” uit den mond der Vlaamsche -landlieden had gehoord. En toen de broeders <a class="biblink xd24e43" -title="Link naar geciteerde plaats in de Bijbel" href= -"https://www.biblegateway.com/passage/?search=ps%20138:9-12&version=VULGATE"> -psalm 138</a> aanhieven, luisterde hij aandachtig en weldra stemde hij -mede in:</p> -<p lang="la" class="par">„Si sumpsero <span class="corr" id= -"xd24e1742" title="Bron: pennas">pinnas</span> meas diluculo et -habitavero in extremis maris,”</p> -<p lang="la" class="par">„Etenim illuc manus tua deducet me, et -tenebit me dextera tua.”</p> -<p lang="la" class="par">„Et dixi: forsitan tenebrae conculbalunt -me, et nox illuminatio mea in deliciis meis.”</p> -<p class="par">„<span lang="la">Quia tenebrae non obscurabuntur a -te”...</span><a class="noteref" id="xd24e1754src" href= -"#xd24e1754" name="xd24e1754src">1</a></p> -<p class="par">„De duisternis is voor U niet donker,” klonk -het na in Jacobs ziel. God sprak tot hem door Zijn Woord, want het -wàs toch Zijn Woord, dat hem daar uit het Latijnsch kerkgezang -tegenklonk. Hij gevoelde zich getroost en bemoedigd: God was ook in het -klooster, Zijn rechterhand zou hem houden, op Zijn tijd zou het alles -goed worden. <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name= -"pb112">112</a>]</span></p> -<p class="par">De dagen verliepen en werden tot weken en nog altijd was -Jacob in het Dominicaner klooster.</p> -<p class="par">Hij studeerde er vlijtig onder de leiding van den prior, -die zich een streng, maar uitstekend leermeester toonde. Bezoeken -ontving hij niet. Wel kreeg hij brieven: soms een enkel stroef woord -van zijn moeder, maar daarentegen lange en hartelijke brieven van -Klaartje, soms in deftig Fransch, soms in wat onbeholpen Vlaamsch. -Clara schreef hem over zijn vader, die thans dikwijls door de Regeering -werd geraadpleegd over de zaken des lands, over Madeleine, die een -uitnoodiging had aangenomen van hare bloedverwanten te Brussel, omdat -zij zich in Gent niet veilig achtte voor de vileynighe Geuzen, zooals -zij zeide. Madeleine had met veel opgewondenheid geschreven over de -feesten, die zij had bijgewoond,—want ook de treurige toestand -des lands kon den Brusselschen adel niet tot ernst stemmen—en, -zoo liet het zusje er niet zonder onrust op volgen, zij schreef zoo -herhaaldelijk over Thierry de St. Foy, die bij meer dan een gelegenheid -haar cavalier was geweest.</p> -<p class="par">En als Jacob zulk een brief had ontvangen, dan liep hij -met een bleek gezicht en saamgeknepen lippen zijn cel op en neer en dan -kwam er van het werken weinig. Hij had Madeleine afgestaan, hij had -zichzelf en zijn jonge liefde verloochend, zeker, zeker!—en toch -was er op den bodem van zijn hart nog een heimelijke hoop, dat hij het -offer niet zou behoeven te brengen, dat ook voor Madeleine nog eens het -licht der waarheid zou opgaan en dan...</p> -<p class="par">Dan was het weer over de onrust der tijden, dat Klaartje -schreef: wel wat verward, want het goede kind kon de verschillende -partijen niet wel uit elkander houden. Zij klaagde maar over de -„quellagiën ende de errueren”, de troebelen en de -twisten, die den vrede van haar jong leven waren komen verstoren en die -haar haar broeder en haar vriendin hadden ontroofd. Toch vernam Jacob -van haar, dat op last van <span class="pagenum">[<a id="pb113" href= -"#pb113" name="pb113">113</a>]</span>Egmond een aantal van de hoofden -der beeldstormers waren gevat, en dat zij weldra zouden worden -terechtgesteld.</p> -<p class="par">Maar ook op andere wijze drongen de geruchten over den -toestand des lands binnen de gewijde kloostermuren, want de broeders, -de Predikheeren of Witheeren, zooals zij onder het volk werden genoemd, -leidden geen afgetrokken en beschouwend kloosterleven, maar bewogen -zich, volgens den eisch van den stichter hunner orde, in de wereld -„tot verdediging des geloofs en ter bestrijding der -ketterij”. Uit hun midden werden zelfs veelal de inquisiteurs -gekozen en zoo de Gentsche Dominicanen niet als zoodanig optraden, dan -was dit slechts, omdat hun prior van alle bloedige geloofsvervolging -afkeerig was. Maar in het „recreatie-uur” werd de -geschiedenis van den dag besproken, soms juist, soms overdreven -voorgesteld, en dikwijls gaven de loopende geruchten aanleiding tot een -levendigen woordentwist, want onder de monniken waren er zonen des -lands, die, al waren ze de Kerk getrouw, toch het vertrappen van de -vrijheden van hun vaderland met leede oogen zagen.</p> -<p class="par">Onder de monniken was er één, die reeds -dikwijls Jacobs aandacht had getrokken. Broeder Bernardus, zoo heette -hij, was een lang en mager man, van ongeveer veertig jaren. Hij had een -geel-bleek gezicht, met scherpe trekken en groote, donkere oogen, die -soms dof en peinzend voor zich uit staarden en dan weer konden -flikkeren van een vreemd vuur, wanneer de monnik in het recreatie-uur -met groote stappen den kloostertuin doorkruiste.</p> -<p class="par">—„Broeder Bernardus is weer bezeten!” -fluisterden dan de novicen en de jongere convers-broeders spottend, en -Jacob had opgemerkt, dat de oudere monniken den bleeken man dikwijls -met onrust of wantrouwen nastaarden.</p> -<p class="par">’t Had zijn aandacht getrokken, dat de donkere -oogen van broeder Bernardus dikwijls lang en strak op hem <span class= -"pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name= -"pb114">114</a>]</span>gericht waren. In den refter of de kapittelzaal -was die vreemde, starende blik soms hinderlijk. Slechts wanneer een der -andere broeders dit opmerkte, wendde de monnik de oogen schielijk af en -keek weder ootmoedig voor zich.</p> -<p class="par">Op zekeren dag, toen zij toevallig in een der lanen van -den kloostertuin alleen waren, trad broeder Bernardus haastig op Jacob -toe, en vroeg hem snel en gejaagd, of hij het groote nieuws reeds had -vernomen. De „Martinisten” waren met de -„Calvinischen” overeengekomen, den Koning drie millioen -gulden te bieden als hij vrijheid van godsdienst wilde verleenen. Men -geloofde echter niet, dat het ernst was met dat aanbod en te Brussel -hield men het er voor, dat de ingezamelde gelden moesten dienen om -krijgsvolk tegen den Koning te werven. De Landvoogdes had soldaten in -Duitschland geworven, om de oproerige beweging te beteugelen. Brederode -versterkte Vianen en dreigde met openlijk verzet. Elk oogenblik kon de -algemeene opstand uitbarsten.</p> -<p class="par">Toen de zonderlinge man dit in korte, afgebroken zinnen -gezegd had, legde hij met een veelbeteekenend gebaar de vingers op de -lippen en verwijderde zich haastig.</p> -<p class="par">Jacob zag hem verwonderd na. Wat beteekende die -mededeeling? Was deze broeder Bernardus een vriend of een vijand? Kon -het zijn, dat hij, de Dominicaner monnik, de zaak der Geuzen was -toegedaan? Of wilde men hem in een val lokken, door zijn vertrouwen te -winnen? Hij besloot op zijn hoede te zijn, en, zoo mogelijk, den monnik -tot verdere mededeelingen uit te lokken, zonder zich bloot te -geven.</p> -<p class="par">Het was op zekeren Decembermorgen, een mooien, stillen -winterdag. De monniken kwamen uit de kapel, in hun gewonen statigen -optocht, om in de kruisgang te scheiden en aan hun gewonen arbeid te -gaan. Ook Jacob maakte zich gereed, zijn studeercel en zijn Virgilius -weder op te zoeken, toen een conversbroeder op <span class= -"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>hem -toetrad, en hem zeide, dat de prior hem op den belfroot wenschte te -spreken. Verwonderd volgde Jacob, den man naar den klokketoren, den -„belfroot”, zooals de kloosterlingen hem noemden. Wat kon -Vader Anselmus hem juist daar te zeggen hebben?</p> -<p class="par">De prior leunde tegen de lage borstwering van den omgang -van den belfroot. Schijnbaar merkte hij de komst van Jacob niet op en -staarde, in zijn witte pij gewikkeld, over de stad, die met haar -grillig gevormde daken en gevels zich aan zijne voeten uitbreidde.</p> -<p class="par">Het was prachtig, stil weder. Zelfs op den toren voelde -men nauwelijks een zuchtje. De hemel was diep blauw en de bleeke -Decemberzon scheen vroolijk over de oude Vlaamsche hoofdstad.</p> -<p class="par">Als in gedachten verzonken staarde de oude monnik over -de huizenzee aan zijn voet, en verder, over de wijde velden van -Vlaanderen. Zooals de regel het voorschreef, wachtte Jacob eerbiedig, -tot de prior hem zou toespreken.</p> -<p class="par">Plotseling klonk, boven het gegons, dat uit de stad tot -hen opsteeg, het schel geklep van een klokje, een schril, jammerend -geluid, dat als een wanklank opsteeg in de fijne, zuivere winterlucht. -Jacob kende dien klank maar al te wel. Het was hetzelfde klokje, dat -hij had gehoord op dien lentemorgen, toen hij de arme Doopersche in de -gracht had zien wegzinken, dat hij, zoo jong als hij was, reeds zoo -dikwijls had vernomen in die dagen van straffe justitie: het -armezondaarsklokje van het Minorietenklooster klepte bij den laatsten -gang van een ter dood veroordeelde.</p> -<p class="par">Nu wendde Vader Anselmus zich om en zag den jongen man -doordringend aan.</p> -<p class="par">—„Hoor, Jacob Martens,” zei hij -ernstig, „ik heb u hier doen komen om te hooren. Daar gaan de -onzaligen ter dood, die zich hebben vergrepen aan de heiligheid van -Gods huis in deze stad. Twaalf beeldbrekers zullen heden op de -Vrijdaegsmarkt worden onthalsd. Dank het Gods genade en de -tusschenkomst der Heilige <span class="pagenum">[<a id="pb116" href= -"#pb116" name="pb116">116</a>]</span>Moedermaagd, dat ook gij, dwaze -knaap, daar thans niet moet knielen op het zwarte kleed... Laat ons -bidden voor de ziel van die ongelukkigen, of God hun nog in de ure des -doods de genade der boetvaardigheid mocht schenken.”</p> -<p class="par">De kralen van den rozenkrans gleden door de vingers van -den monnik. Ook Jacob bad, al liet hij het paternoster rusten, dat aan -zijn zijde hing. Wie het waren, die daar ter dood gingen,—hij -wist het niet. Hadden zij de beelden neergeworpen uit verdoolden -geloofsijver of uit baldadige vernielzucht? Hij wist, dat er onder de -leiders der beeldbrekers mannen waren van allerlei slag. Waren het -martelaars of misdadigers, die daarginds zouden sterven? Hij wist het -niet, neen,—maar het waren zondaren, zondaren als hij zelf, die -de genade van den Heiland behoefden, ook in deze bittere ure. Jacob -bad.</p> -<p class="par">Een dof tromgeroffel klonk uit de verte. De Magistraat -had blijkbaar voorzorgen genomen en het schavot door gewapenden doen -omringen. Het roeren van de trom was het teeken, dat de veroordeelden -de plaats der terechtstelling hadden bereikt. Het klokje zweeg.</p> -<p class="par">Toen klonk er van de Vrijdaegsmarkt een dof rumoer, dat -aangroeide als het rollen van een verre branding en dat plotseling -ophield, als met een kermenden zucht.</p> -<p class="par">De executie was afgeloopen.</p> -<p class="par">De prior wenkte den bleeken Jacob hem te volgen. Zij -daalden de trappen van den belfroot af en bereikten weldra de cel van -Vader Anselmus. De oude man wenkte zijn jongen metgezel zich neer te -zetten op een der houten schabellen, terwijl hijzelf plaats nam op den -eenvoudigen stoel, met hoogen, rechten rug, waarop zijn kloosterrang -hem recht gaf. Toen zeide hij met goedheid:</p> -<p class="par">—„En nu, mijn zoon, wensch ik eindelijk van -u te vernemen, wat er u toe gebracht heeft, zoo jammerlijk af te dolen -van de Kerk, onze Heilige Moeder. Wat <span class="pagenum">[<a id= -"pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span>heeft er u toch toe -bewogen, u, den zoon van vrome ouders, het gezelschap te zoeken dier -jammerlijke dwaalgeesten, die zich de luyden van de nieuwe religie -noemen, om zóó dwaas uwe hope prijs te geven voor dit -leven en voor de eeuwigheid?”</p> -<p class="par">Jacob sidderde van inwendige ontroering. Hij had tegen -dit onderhoud opgezien. Hoe zou hij, de onwetende, onervaren jongeling, -den strijd aanbinden met den grijzen priester, den godgeleerde, voor -wiens uitspraken zelfs eerwaardige geestelijken zich bogen? Daarbij, -bij een karakter als het zijne, was zijne pas verworven -geloofsovertuiging meer een zaak des harten dan het gevolg van diep -nadenken en van ernstige studie. Jacob voelde dat onwillekeurig, al had -hij het niet onder woorden kunnen brengen—maar hij kon den kamp -niet ontwijken, en met een stil gebed om kracht aanvaardde hij -dien.</p> -<p class="par">—„Als de Kerk onze moeder is, Eerwaarde -Vader,” zeide hij vast maar bescheiden, „dan is zij toch -voor deze arme landen een stiefmoeder. Als zij oordeelt, dat die van de -nieuwe religie dolen, dan dolen zij toch te goeder trouwe, uit liefde -tot Gods waarheid en om hunner zielen zaligheid. Laat de kerk dezulken -van dwaling overtuigen, als zij daartoe bij machte is, maar hen niet -straffen als misdadigers.”</p> -<p class="par">De prior schudde nadenkend het grijze hoofd.</p> -<p class="par">—„Ik zou kunnen antwoorden, mijn -zoon,” zeide hij zachtmoedig, „dat de ketters vervolgd en -gestraft worden volgens de plakkaten van Zijne Keizerlijke Majesteit, -vernieuwd en verscherpt door onzen Heere, den Koning van Spanje, maar -het zou een ijdele uitvlucht zijn. Het is waar, er zijn er onder de -dienaars der Kerk velen, die meenen, dat men het euvel der ketterije -moet uitbranden door strenge justitie, in plaats van het te heelen met -zachtmoedigheid, en gij weet, dat ik het niet met hen houde... Maar -gij, wellieve zoon, die zegt, dat die van de nieuwe leer te goeder -trouw dolen, waarom strekt gij uwe Christelijke liefde niet -<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name= -"pb118">118</a>]</span>uit tot die priesters, die als herders der kudde -den wolf zien komen, den wolf der ketterije, door Satan gezonden om de -schapen der kudde te verderven, en die nu, ook ter goeder trouw, de met -ketterije besmetten overgeven tot verderving des vleesches, opdat de -geheele kudde niet verloren ga?”</p> -<p class="par">—„De priesters onze herders, die met liefde -waken voor de kudde!”</p> -<p class="par">Het was er uit, voor Jacob er om dacht. Hij vergat, dat -hij sprak tot een man, die den eernaam van priester waardig was. Maar -hij dacht aan de bekende zedeloosheid, aan de onverschilligheid van -zoovele geestelijken en de woorden van Vader Anselmus schenen hem een -bespotting.</p> -<p class="par">De grijze monnik fronste het voorhoofd.</p> -<p class="par">—„Arglistig is het hart van den mensch en -zwak is zijn kracht,” antwoordde hij ernstig; „ook -priesters zijn zondige menschen en dit is een zondige tijd. Maar wie -zijt gij, jonge man, die den strijd des levens nog moet beginnen, dat -gij anderen oordeelt, die dien strijd hebben gestreden en gevallen -zijn? Hun val, hun zonde neemt de wijding niet weg, die zij met het -priesterambt ontvingen; God zal hen oordeelen, maar dat ontslaat hen -niet van hun plicht om te waken voor de Kerk, die zij dienen. En kunt -gij het niet begrijpen, dat de arts naar het mes grijpt of naar het -vuur, om het kankergezwel weg te snijden of uit te branden, eer het den -kranke bezwijken doet? Zóó dreigt dit rampzalige land te -gronde te gaan, door het gif der ketterije en door den oproerigen -geest, die rebelleert tegen het wettig gezag. Nog eens, ik houde het -niet met diegenen mijner broeders, die door vervolging en straf het -kwaad zoeken te keeren,—maar hen begrijpen kan ik wel.”</p> -<p class="par">—„Het gif der ketterije, waarvan Uw -Eerwaarde spreekt,” zeide Jacob, die nu ook in vuur begon te -raken, „het is toch slechts, dat de armen God wenschen te dienen -naar hun geweten en de uitspraken <span class="pagenum">[<a id="pb119" -href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>van Zijn Woord; die geest van -oproer is slechts de verdediging van hun plechtig bezworen rechten. Als -de Koning de plakkaten herroept en de Inquisitie doet ophouden, zal hij -geen gehoorzamer onderdanen hebben dan de inwoners van deze -landen.”</p> -<p class="par">—„En de „drie heeren” tot zijne -meesters,” viel de prior uit, „en een hoop losbandige -edelen tot zijn wetgevers. En wat kalt gij, knaap, dat de ketters God -zouden dienen naar Zijn Woord? Heeft Hij Zijn Woord niet toebetrouwd -aan Zijne Kerk? Is het geen dwaasheid? De ongeleerde, de ambachtsman, -van weefstoel of schaafbank weggeloopen, de eerste de beste spinster en -naaister, ze zouden zich met hunne uitlegging der Schrift stellen -tegenover het gezag der Kerk, tegenover haar eeuwenoude tradities, -tegen het gezag der vrome kerkvaders? Gij zelf, dwaze knaap, wat geldt -uw kennis, uw inzicht, uw verklaring en uitlegging—zoo noemt ge -het immers—van Gods Woord, tegen de leer der Kerk, op dat Woord -gegrond, tegen de uitspraken van haar, die Christus’ belofte -heeft, onze Moeder en Middelares?”</p> -<p class="par">—„Er is slechts één Middelaar -tusschen God en den mensch,—de Mensch Christus Jezus!”</p> -<p class="par">Vast klonk het Schriftwoord uit den mond van den jongen -belijder. Hij wist, wat hij waagde. Hij wist, dat hij zich geheel in de -macht bevond van dien ouden man, en hij wist ook, hoever die macht -reikte, maar de woorden van den prior hadden weer in hem doen ontwaken -de overtuiging, die in die dagen krachtig opleefde in de harten van -duizenden, die bij hem haast in slaap was gewiegd door den sleur van -het kloosterleven, dat de zondaar moet staan tegenover zijn God, -alléén met zijn Verlosser en Middelaar, den Heere Jezus -Christus, en dat geen mensch, ook niet de vroomste en heiligste, het -recht heeft zich te dringen tusschen den mensch en zijn Schepper. -Zooals die beiden, de man en de jongeling, daar tegenover elkander -stonden, waren ze het beeld van de idee, die <span class= -"pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>zij -verdedigden. De oude monnik, steunende op zijn geleerdheid, op de -eeuwenoude tradities zijner Kerk, op al den invloed, die eeuwen van -onaangevochten heerschappij haar gaven over de geesten, was een waardig -vertegenwoordiger van het Catholicisme tegenover dien jongen man, in -alle opzichten zijn mindere, maar die deze ééne gedachte -had vastgegrepen: geen andere Middelaar, dan Christus -alléén. Zoo stond Jacob Martens daar, het beeld van de -jonge worstelende kerken der Reformatie: de dwerg, die den strijd had -aangebonden tegen den reus, en die onoverwinnelijk was door die -ééne Godsgedachte.</p> -<p class="par">De prior begreep, dat hij zich te vroeg met een -gemakkelijke overwinning had gevleid, en dat hij had misgetast, toen -hij meende, dat hij slechts te doen had met de grillen van een -overspannen knaap, die de stilte en de eenzaamheid zouden genezen, -terwijl de schok, dien hij meende dat de terechtstelling der -beeldstormers den jongen man noodzakelijk moest geven, de zegepraal zou -voltooien. Hij zag dat hij zich vergist had, en onwillekeurig liet hij -zich vervoeren tot een woordenstrijd.</p> -<p class="par">—„Christus onze Middelaar!” zeide hij -langzaam. „Alsof ook de Kerk een anderen kende! Maar wat moet ik -denken van uw Christelijken ootmoed, wanneer gij meent tot Hem te -kunnen gaan, zonder de genademiddelen, die Hij u aanbiedt in Zijne -Kerk? Gij wilt tot Hem gaan? Maken uwe zonden geen scheiding tusschen -Hem, den Heilige Gods, en u, den schuldigen zondaar? Durft gij Hem -naderen, zooals gij zijt, zonder het sacrament der biecht, zonder -ootmoedig de voorbede in te roepen van de Heilige Maagd, de barmhartige -Moeder, van de Heiligen, die juichen met de Overwinnende Kerk -daarboven, maar nog bidden voor ons, de Strijdende Kerk daar beneden? -Maar gij hebt hunne voorbede niet noodig, voorwaar! Gij, jonge dwaas, -die u vermeet te oordeelen over de hooge dingen des geloofs, waarover -de vrome vaderen der <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" -name="pb121">121</a>]</span>Kerk hebben gepeinsd en geworsteld in den -gebede, Hoogmoed, zondige hoogmoed, is uw ketterije, die zich durft -beroepen op het Woord van God.”</p> -<p class="par">Een hoog rood bedekte Jacobs bleeke wangen.</p> -<p class="par">—„Spreek zoo niet, Eerwaarde Vader!” -riep hij bijna smeekend. „Tracht niet, mij mijn Heiland te -ontnemen, dien ik zoo pas heb gevonden. O, een zondaar ben -ik,—maar Hij heeft gezegd: „Wie tot Mij komt, zal Ik -geenszins uitwerpen,”—en ik ben tot Hem gegaan en Hij -<i>heeft</i> mij niet verworpen. Ik voel het, ik weet het. O, de Kerk -heeft de Heilige Maagd, en de Heiligen, en den priester geschoven -tusschen den zondaar en zijn Verlosser, en nu was Hij zoo ver, -zóó ver, dat wij Hem hadden vergeten. Maar Hij is -barmhartig geweest, en Hij heeft zich opnieuw aan Zijn volk gegeven, in -de gesuyverde religie, ons gepredikt door de mannen Gods uit -Genève.”</p> -<p class="par">De prior stond op van zijn zetel. Met gefronste -wenkbrauwen wees hij gebiedend naar de deur.</p> -<p class="par">—„Ga naar uwe cel, verstokte en hoogmoedige -knaap,” zei hij met van bedwongen toorn trillende stem. -„Lang hebben wij u met zachtmoedigheid gedragen, maar onze -goedheid is aan u verspild. Gij zijt geen verdoolde, maar een, die -moedwillig het harte verhardt. Zoo mogen dan de geloofsrechters -uitmaken, hoe men met een als gij zijt te handelen heeft...”</p> -<p class="par">Het was Vader Anselmus geen ernst met zijne bedreiging -en in een oogenblik van kalm nadenken zou hij die niet hebben -uitgesproken. Maar—hij was vertoornd en teleurgesteld. Hij moest -zichzelven bekennen, dat hij had gedwaald. Dat was niet de taal van -een, die in jeugdigen overmoed, in opgewondenheid of uit zucht tot -avonturen zich had aangesloten bij de vijanden der Kerk. Jacob had -gesproken met al het vuur zijner overtuiging—en de prior had hem -begrepen. Dàt was de taal der „ketterij”, die niet -wilde buigen voor eenig gezag, ook niet voor dat der Kerke, dat den -ouden man het hoogste was. <span class="pagenum">[<a id="pb122" href= -"#pb122" name="pb122">122</a>]</span></p> -<p class="par">Ondertusschen had hij een groote fout gemaakt. Hij had -in Jacob gewekt, wat dreigde in te sluimeren,—en juist op dat -oogenblik had hij dien jongen, vurigen geest tot verzet geprikkeld door -zijne bedreiging. De jonge man had zich zonder morren geschikt in zijn -gedwongen verblijf in het klooster: het was de wil en de wensch zijner -ouders en hij was hun, volgens Gods Woord en volgens de stem van zijn -geweten, gehoorzaamheid verschuldigd. Maar nu, nu dreigde hem zelf de -Inquisitie, de gehate geloofsdwang. Nu zou men hem met geweld willen -dwingen, zijn overtuiging prijs te geven. Nu zou hem de keuze worden -gelaten, zijn Heer en Heiland te verloochenen, of het overige van zijn -leven door te brengen in een kloostergevangenis, als althans ook hem -het zwaard van den beul van Gent niet wachtte, daarginds op de -Vrijdaegsmarkt. En hij was in het net. Hoe zou hij aan de macht van den -prior kunnen ontsnappen?</p> -<p class="par">Hij bracht den geheelen dag in de eenzaamheid door. De -prior deed hem niet ontbieden voor de gewone lessen en toen het klokje -luidde voor den maaltijd in den refter, verscheen de sub-prior met een -conversbroeder, die in een houten nap het eenvoudig kloostermaal droeg. -De monnik deelde hem mede, dat hij, volgens den wensch van den -eerwaarden prior, den tijd zijner „poenitentie” in de -eenzaamheid zou doorbrengen. Alleen de gewone diensten in de kapel zou -hij bijwonen.</p> -<p class="par">Jacob ging dien avond naar den vesper,—maar hij -zat er niet neder als gedurende de laatste weken, half gedachteloos, -half meegedragen door den statigen eeredienst. De zoon der Reformatie -was in hem voorgoed ontwaakt. O, de vormen waren schoon, zinrijk zelfs -in vele opzichten, maar het was er mee gegaan als met alle vormen, die -niet langer de noodzakelijke uitdrukking zijn van een krachtig -geestelijk leven: ze waren dood en ze gaven den dood. Neen, nimmer zou -zijn ziel weer in slaap worden gesust door de uiterlijke plechtigheden -van Rome! <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name= -"pb123">123</a>]</span></p> -<p class="par">Na afloop van den dienst keerde hij terug naar zijn cel. -Licht mochten de kloosterbroeders niet hebben en hij kon dus niet lezen -of studeeren. Hij was dan ook trouwens den geheelen dag met zijne -boeken bezig geweest, om zoo mogelijk de pijnigende gedachten te -verdrijven, die hem geen rust lieten. Thans was hij moede naar lichaam -en ziel. Na een kort gebed, wierp hij zich op zijn harde matras en -trachtte te slapen.</p> -<p class="par">Maar hoe moe hij ook was, hij kon den slaap niet vatten. -Een vreemde onrust maakte zich van hem meester. Hij wentelde zich om en -om, maar de slaap wilde niet komen. Zijn hoofd gloeide koortsachtig. -Alles, wat hij in dat voor hem zoo gewichtige jaar had gezien en -ondervonden, drong zich als een bonte, driftig voortjagende stoet van -beelden aan zijne verbeelding op.</p> -<p class="par">Het was doodstil in het klooster. Alles was in diepe -rust. Buiten gierde de Noordwesten wind, want het was ruw en onstuimig -weder. In de paneelen der zware deur tikte een houtwormpje. Jacob dwong -zich, te luisteren naar het eentonig geluid, om zoo afleiding te zoeken -van de gedachten en herinneringen, die hem kwelden, maar het baatte hem -niet.</p> -<p class="par">Plotseling schrikte hij op. Hij had duidelijk het slot -van de deur zijner cel hooren knarsen. Langzaam en voorzichtig werd die -geopend.</p> -<p class="par">Jacob vloog overeind. Verwarde gedachten van een -nachtelijke oplichting, van vreemde kloostergeschiedenissen, die hij -vroeger wel eens had gehoord, schoten bliksemsnel door zijn brein. Maar -slechts één enkele witte gedaante sloop de cel -binnen.</p> -<p class="par">—„Schrik niet!” fluisterde een heesche -stem. „Ik ben het: broeder Bernardus.”</p> -<p class="par">De monnik haalde van onder zijn pij een hoornen -lantaarn, waarin een smeerkaarsje een dof licht verspreidde, en zette -die op een stapel boeken. Jacob zag zijn bezoeker ontsteld aan; het was -den monniken en conversen streng verboden na het luiden van den -<span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= -"pb124">124</a>]</span>Angelus elkanders cel te betreden. Wat kwam de -vreemde man bij hem zoeken?</p> -<p class="par">—„Er is geen tijd te verliezen, jonker -Martens,” zeide de monnik haastig. „Ik kom van Pieter de -Welle.”</p> -<p class="par">—„Van Pieter de Welle?” herhaalde -Jacob ongeloovig.</p> -<p class="par">—„Ja! Ge gelooft mij niet? Goed; hij gaf mij -een waarspreuk: „Denk aan het dasvarken van Gentbrugge.” Ge -zoudt het begrijpen, zeide hij. En, hier is zijn kruismes.”</p> -<p class="par">Jacob nam het mes aan en bekeek het bij het flauwe licht -van de lantaarn. Hij herkende het wapen. Dikwijls had hij er als jongen -mee gespeeld en gewenscht het te bezitten. Zou deze monnik inderdaad -door de Welle zijn gezonden? De koddebeier kon in de handen der -justitie zijn gevallen en dit kon een strik zijn, dien men hem spande. -Maar de waarspreuk dan, die niemand dan hij kon begrijpen, juist om -zijn zonderlingen inhoud.</p> -<p class="par">—„En wat zoudt ge mij van Pieter de Welle te -zeggen hebben?” vraagde hij.</p> -<p class="par">Zijn toon klonk nog steeds ongeloovig. De monnik -bemerkte het. De man was blijkbaar zenuwachtig en opgewonden, maar hij -had een doel, dat hij wilde bereiken.</p> -<p class="par">—„Zie hier, jonker,” zei hij en hield -den verbaasden Jacob een paar dunne boekjes voor, die hij onder zijn -pij te voorschijn haalde. Het waren een paar van die streng verboden -pamfletten, die in die dagen ook te Gent, maar vooral te Antwerpen in -menigte werden gedrukt. Het bezit van die boekjes was op zich zelf -reeds een misdrijf, waarop volgens de plakkaten de doodstraf stond. -Voor een Dominicaner monnik was het zeker een ongehoord waagstuk, zulke -verboden boeken in het klooster te brengen.</p> -<p class="par">—„Hoor, jonker Martens,” ging broeder -Bernardus voort, gejaagd, maar toch met iets vastberadens in stem en -houding, „ik waag mijn vrijheid en mijn leven, om <span class= -"pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name="pb125">125</a>]</span>u te -dienen, maar ik heb het de Welle beloofd en mijn woord wil ik houden. -Geloof mij of geloof mij niet, zooals ge wilt. Maar ik zeg u, dat men u -nimmer zal laten gaan, om vrij en ongehinderd God te dienen volgens uw -geweten en te strijden voor de vrijheid van dit arme land. Als gij -standvastig blijft, zal men u in het klooster houden,—en de Welle -meent, dat gij liever een slag zoudt slaan voor de vrijheid. Er worden -groote dingen voorbereid...”</p> -<p class="par">—„Maar wat wilt ge dan?” vraagde Jacob -verbijsterd.</p> -<p class="par">—„Vluchten! Ik vlucht mede. Ik heb genoeg -van de pij! Ik had het eer moeten doen, maar ik durfde niet. Nu -wantrouwen ze mij en laten mij niet meer buiten de clausuur. Maar ge -moet een besluit nemen—terstond! De Welle wacht met een roeiboot -aan de waterpoort in den hof.”</p> -<p class="par">Onthutst zag Jacob zijn vreemden bezoeker aan.</p> -<p class="par">Vluchten uit het klooster? Met dezen man? En waarheen? -En dan terstond te moeten besluiten? Jacob was geen lafaard, maar toch -ging er een koude rilling door zijn leden, nu hij zich zag gesteld voor -een besluit, waarvan zóóveel afhing. Zenuwachtig stond -hij op.</p> -<p class="par">—„Dat kan immers niet,” zei hij -gejaagd. „De hofpoort en de waterpoort zijn beide -gesloten.”</p> -<p class="par">—„Het kan wel! Zie daar,”—en de -monnik haalde een paar zonderling gevormde haken van onder zijn pij te -voorschijn. „Met deze haken kan ik de sloten openmaken. ’t -Heeft heel wat moeite gekost! Eerst was stelen van de kaarsen in de -kapel. Toen een afdruk maken van de sleutels, die altijd in de cel van -den sub-prior hangen. Toen naar dien afdruk deze haken smeden in de -keuken; ik moest den broeder-keukenmeester wijsmaken, dat het kraphaken -waren voor het groote crucifix in het claustrum, dat dreigde te vallen, -en hij geloofde mij, de oude suffer. Maar thans is alles -gereed!”</p> -<p class="par">—„Maar hoe hebt ge de Welle kunnen spreken, -als <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= -"pb126">126</a>]</span>ge het klooster niet hebt kunnen -verlaten?” vroeg Jacob, nog altijd wantrouwend.</p> -<p class="par">—„Hij gaf mij het mes reeds weken geleden. -Maar ik durfde u niet vertrouwen. Ge hadt mij kunnen verraden, als het -den prior gelukt was u terug te winnen voor de Kerk. O, het heeft -weinig gescheeld! Ik heb u gadegeslagen! Maar thans zijt ge gered. -Anselmus heeft gespeeld en verloren. Kom mede,—het is haast tijd! -Anders ga ik alleen en gij blijft gevangen, misschien -voorgoed.”</p> -<p class="par">—„Maar hoe weet ge, dat de Welle op ons -wacht?”</p> -<p class="par">—„Hij gaf mij een teeken. Aan de overzijde -van de Leye woont een vrouw, die tot de Calvinischen behoort, en uit -haar zoldervenster waaide heden een witte doek. Dat is het afgesproken -sein. Hij zal van middernacht tot één uur op ons wachten. -Maar nu genoeg van uw wantrouwen. Ga of blijf.”</p> -<p class="par">—„Ik ga met u! Ik wil het wagen!” zei -Jacob met gesmoorde stem.</p> -<p class="par">—„Goed! Snel dan; er is geen tijd te -verliezen! Hier, neem het kruismes, als wij ons moeten verdedigen. Want -wij <i>moeten</i> slagen, voor u en voor mij!”</p> -<p class="par">En zijn lantaarn opnemende, die hij weder onder zijn pij -verborg, wenkte Bernardus Jacob hem te volgen.</p> -<p class="par">—„Doe uw schoenen uit!” fluisterde de -monnik.</p> -<p class="par">Jacob gehoorzaamde en zonder gedruisch gleden de twee -witte gedaanten door de donkere kloostergangen en daalden de steenen -trappen af. Jacob zou in het duister nimmer den weg gevonden hebben, -maar broeder Bernardus, die vele jaren in het klooster had -doorgebracht, aarzelde geen oogenblik.</p> -<p class="par">Thans waren zij beneden, in het achterhuis, waar zich de -keuken, de bakkerij en de toegangen tot de ruime kelders bevonden. -Plotseling bleef Bernardus staan: hij had een deur hooren kraken. -Haastig duwde hij Jacob in den donkeren hoek van een uitbouwsel der -verwulfde gang.</p> -<p class="par">Een donkere gedaante schreed langzaam op hen toe. -<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name= -"pb127">127</a>]</span>Wie kon het zijn? Waren zij niet de eenige -vluchtelingen? Of was het een spion? Had men iets van Bernardus’ -plannen vermoed? Jacobs hart bonsde.</p> -<p class="par">De gestalte kwam nader en nader. Hij moest hen zien in -hunne witte pijen, als hij voorbijsloop.</p> -<p class="par">Broeder Bernardus aarzelde niet. Haastig ontdeed hij -zich van het lange kloostergewaad, en toen de gedaante vlak bij hen -was, wierp hij haar met een snelle beweging zijner lange armen de pij -over het hoofd. Men hoorde een gesmoorden uitroep, het rinkelen van -brekend aardewerk, maar voor de man zich te weer kon stellen, had de -monnik met een kracht en behendigheid, die men niet bij hem zou hebben -vermoed, den nachtelijken zwerver achterover op den grond geworpen. -Haastig wond hij den gordel van sterk touw, dien hij had gereed -gehouden, om de pij, die hoofd en hals van zijn slachtoffer bedekte, en -knoopte het koord stevig vast.</p> -<p class="par">—„Uw gordel los! Bind hem de voeten!” -beet hij Jacob toe.</p> -<p class="par">Deze gehoorzaamde werktuiglijk. Hij greep de beenen van -den spartelenden man en bond die aan de enkels stevig vast. De -gevangene kreunde dof, maar lag nu onbeweeglijk stil.</p> -<p class="par">Bernardus greep zijn lantaarn en lichtte bij. Een -gebroken kruik lag op den grond en de sterke reuk van bier drong in hun -neus.</p> -<p class="par">—„Een leekebroeder, die uit zijn cel is -geslopen, om bier uit den kelder te stelen,” mompelde de monnik. -„Spoedig vooruit! Als iemand het breken van de kruik heeft -gehoord, zijn wij verloren!”</p> -<p class="par">Zij snelden naar de achterpoort. Jacob wierp nog een -blik achteruit, naar den betrapten kloosterdief.</p> -<p class="par">—„Zou hij niet stikken, onder die -pij?” vroeg hij.</p> -<p class="par">—„Geen nood! Hij heeft zijn handen vrij! Als -niemand het breken van die verwenschte kruik heeft gehoord, kan hij -zich wel loswringen. Maar voor ’t oogenblik is hij onschadelijk. -Voort, hij moet ons zien noch hooren!” <span class= -"pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p> -<p class="par">Zij waren bij de gesloten tuindeur. De grendels en -bouten waren spoedig weggeschoven. Bernardus haalde een zijner haken -voor den dag en het bleek, dat hij een handige smid was. Het slot ging -zonder moeite open.</p> -<p class="par">—„Ik had het goed gesmeerd—met olie -uit de heilige lamp van het altaar,” fluisterde hij. „Naar -de waterpoort!”</p> -<p class="par">Zij snelden den kloosterhof door. Het weder, dien morgen -zoo schoon en stil, was tegen den avond omgeslagen. Er woei een gure -wind en zwart-grijze wolkgevaarten dreven in ijlende vaart langs den -hemel, waar van tijd tot tijd de maan even doorbrak. Men kon het -klotsen van de golven van de Leye duidelijk hooren.</p> -<p class="par">Achter hen bleef alles stil. De gebonden conversbroeder -had zich nog niet bevrijd, of wellicht dreef de angst voor eigen -veiligheid hem, om zich stil te houden.</p> -<p class="par">Nu waren zij aan de waterpoort. Broeder Bernardus had -zijn lantaarn uitgeblazen en weggeworpen, opdat het licht hen niet zou -verraden. Hij klappertandde van de koude, want de nacht was guur en hij -miste zijn warme pij. Zenuwachtig haalde hij zijn tweeden haak te -voorschijn en boog zich over het slot, maar zijn handen beefden en hij -kon het sleutelgat niet vinden.</p> -<p class="par">—„Beproef gij het!” fluisterde hij met -heesche stem.</p> -<p class="par">Jacob nam den haak. Juist brak de maan voor een -oogenblik door de wolken en zonder moeite stak hij het ijzer in de -kleine, donkere opening. Hij drukte en wrong, maar het slot week -niet.</p> -<p class="par">—„Het gaat niet!” fluisterde hij. Hij -was niet minder zenuwachtig dan zijn metgezel. Wat, als zij de poort -niet open konden krijgen? Wat, als de monnik zich vergist had? Als de -boot met de Welle er niet was, en zij, al was de deur open, radeloos -zouden staan voor de donkere golven van de Leye?</p> -<p class="par">Broeder Bernardus veegde zich het angstzweet van het -voorhoofd. <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name= -"pb129">129</a>]</span></p> -<p class="par">—„Het <i>moet</i> gaan!” hijgde hij. -„Op zijde! Laat mij bij de deur!”</p> -<p class="par">Hij greep den haak met zijn lenige, gespierde vingers en -drukte voorzichtig. De veer van het slot gaf niet mede. Buiten schuurde -iets tegen het paalwerk van de breede stoep, die uitgebouwd was in de -rivier.</p> -<p class="par">—„De boot!” steunde Bernardus, angstig -omziende. „Het moet! Hier, uw scapulier!”</p> -<p class="par">Hij rukte Jacob het korte scapulier van de schouders en -wikkelde het om het einde van den haak. Voorzichtig stak hij dien -nogmaals in het sleutelgat en drukte met kracht. Het slot gaf mede.</p> -<p class="par">Met een zucht van verlichting opende de monnik de deur -en keek naar buiten. Aan de stoep lag een roeiboot. Een man stond er in -en hield haar met een bootshaak tegen het paalwerk.</p> -<p class="par">—„Is de jonker bij u?” vraagde een -gesmoorde stem. Jacob herademde: het was de stem van Pieter de -Welle.</p> -<p class="par">—„Ja!” juichte broeder Bernardus, -terwijl hij Jacob meetrok.</p> -<p class="par">—„Schreeuw zoo niet, gek! Goddank, jonker, -dat ik je weerzie!” zei de Welle heftig. „Doe die -vervloekte witte pij uit! Hier zijn kleeren.”</p> -<p class="par">Hij wierp een bundel op de stoep. Jacob ontdeed zich -haastig van zijn kloostergewaad en broeder Bernardus, opgewonden van -blijdschap over het aanvankelijk slagen van het plan, wierp het kleed -met een forschen zwaai over den hoogen kloostermuur, waar het aan een -der ijzeren punten bleef hangen.</p> -<p class="par">—„’t Wordt waar, wat de devote Anna -Byns, de Antwerpsche bagijn, in haar refereyn heeft gezegd,” zei -hij uitgelaten:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„De monnicken hangen hun cappen opten tune</p> -<p class="line">„En gaen als ruters den cost bejaghen.”</p> -</div> -<p class="par first">—„Vooruit, en dan—vive le -Geus!”</p> -<p class="par">—„Houd u stil en kom in de boot!” zei -de Welle, „ge zijt de poort nog niet uit.” <span class= -"pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p> -<p class="par">Jacob had zich intusschen in een grove greinen pij -gestoken, zooals de boeren en visschers die des winters droegen. De -Welle reikte hem een wollen muts toe. De beide mannen stapten in de -boot en de koddebeier begon voorzichtig te roeien, terwijl hij zooveel -mogelijk in de schaduw van den walkant bleef. Maar zijn voorzichtigheid -was noodeloos: straatverlichting was er in die dagen nog niet en de -nachtwachts van den Hoog-baljuw vonden het weder veel te guur, om langs -de kade van de Leye te dwalen en zaten zeker warm en wel in het -wachthuis.</p> -<p class="par">Zij roeiden een eind voort, tot zij bij een kleine -scheepstimmerwerf kwamen. Hier legde de Welle de boot vast. De drie -mannen stapten aan wal en klommen zonder moeite het lage houten hek -over, dat de werf van den openbaren weg scheidde.</p> -<p class="par">—„Waarheen nu?” vroeg Bernardus.</p> -<p class="par">—„Wij moeten voor poortopenen de stad -uit,” zei de Welle. „De rakkers van den Baljuw zullen -morgen met den vroegste de geheele stad afzoeken naar den jonker. Wij -moeten de poort uit!”</p> -<p class="par">—„Kan dat?” vroeg Bernardus.</p> -<p class="par">—„We gaan naar ’t -Pieterseliepoortje,” zei de Welle. „Aegt Jansdochter wacht -ons, jonker. Ze zal ons ’t poortje uitlaten, en dan over de -velden naar Antwerpen.”</p> -<p class="par">—„Naar Antwerpen?” vraagde Jacob.</p> -<p class="par">—„Ja! Dat is nu de stad voor die van de ware -religie!” zei de Welle. „De Papisten noemen ze ’t -Vlaamsche Genève. Daar zal de dans beginnen, jonker, en we -zullen de papisten met de Inquisitie het land uitdansen. Maar nu -vooruit, we hebben geen tijd te verliezen.”</p> -<p class="par">—„Laat ons over de Markt gaan,” -verzocht Jacob.</p> -<p class="par">Pieter de Welle knikte en de mannen liepen vlug door de -nauwe, donkere straten, tot zij de Vrijdaegsmarkt bereikten. Daar -stonden zij even stil. Jacob Martens staarde naar zijn ouderlijk huis, -waarvan hij <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name= -"pb131">131</a>]</span>den gevel flauw kon onderscheiden. -Dààr sliepen zijne ouders, zijn lieve Klaartje; daar had -hij een blijde jeugd doorgebracht; daar was hij gelukkig geweest in de -liefde van Madeleine—en nu, hij ging dat alles achterlaten. Hij -nam afscheid—voorgoed. Eén oogenblik kwam de gedachte bij -hem op, of hij niet te hoog een prijs betaalde voor zijne overtuiging. -Bliksemsnel trok de verzoeking door zijn geest: hij behoefde zijn -makkers slechts vaarwel te zeggen en den klopper te laten vallen. De -zijnen zouden verwonderd en vertoornd zijn, als zij hem zoo onverwachts -terugzagen, maar als hij zich onderwierp aan den wil zijner ouders, ja, -al was het maar in schijn, als hij voor het uiterlijk maar een goede -Roomsche was, dan zou alles wèl zijn. Zijn vader had invloed -genoeg om het verleden te doen vergeten. En hij zou alles terug -ontvangen: de liefde der zijnen, zijn eervolle plaats in zijn omgeving, -als jonker Martens, den zoon van den president van Vlaanderen, de minne -van de fiere Madeleine de Bette...</p> -<p class="par">De strijd was kort en hevig. Toen, na een laatsten blik, -wendde Jacob zich af.</p> -<p class="par">—„Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, -is Mijns niet waardig,” klonk het in zijn ziel, „ja, Heere -God,—maar o het is zoo hard!”</p> -<p class="par">Zwijgend ging het drietal verder, tot zij het -Petercelle-poortje bereikten. Het portiershuis stond daar, met gesloten -luiken. Alles scheen in diepe rust, doch toen Pieter de Welle zachtjes -driemaal tegen het vensterluik tikte, stond Aegt Jansdochter geheel -gekleed voor hen.</p> -<p class="par">—„Is de jonker er bij?” vraagde zij. -„Ja? St. Aegte zij geprezen, jonker, dat je uit dat klooster zijt -geraakt. Mijn jonker een Witheer? Dat nooit, al breek ik mijn eed als -portierster en waag ik er mijn post en mogelijk mijn hals -bij!”</p> -<p class="par">—„Maar dat mag ik niet toelaten!” riep -Jacob Martens ontsteld. „Pieter, we kunnen misschien -elders...” <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" -name="pb132">132</a>]</span></p> -<p class="par">—„Ze heeft gezworen op Paapsche -reliquieën,” zei de Welle norsch, „en dien eed kan zij -breken. Voort, jonker, onze hals is in gevaar, meer dan die van Aegte. -Wie zal haar verraden?”</p> -<p class="par">De portierster trok Jacob naar zich toe en drukte hem -een moederlijken kus op het voorhoofd.</p> -<p class="par">—„Dan moeten de president en de Hoog-baljuw -maar niet aan mijn voedsterkind raken,” zei het kloeke wijf -hartelijk. „Wees gerust, jonker, pater Adriaan, mijn biechtvader, -is de kwaadste niet. Voor een pond waskaarsen krijg ik -absolutie.”</p> -<p class="par">Jacob wilde nog iets zeggen, maar Aegte opende snel en -voorzichtig de poortdeur en Pieter de Welle vatte hem bij den arm en -drong hem naar buiten. Achter hen werd het poortje voorzichtig -gesloten.</p> -<p class="par">Toen de grauwe, kille Decembermorgen aanbrak, waren de -drie vluchtelingen reeds ver van Gent, op hun weg naar Antwerpen. De -grijze toren van St. Bavo scheen hen over de velden na te staren. -<span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name= -"pb133">133</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e1754" href="#xd24e1754src" name="xd24e1754">1</a></span> In onze -Bijbelvertaling <a class="biblink xd24e43" title= -"Link naar geciteerde plaats in de Bijbel" href= -"https://www.biblegateway.com/passage/?search=ps%20139:9-13&version=HTB"> -psalm 139: 9–13</a>.</p> -<p class="par footnote cont">„Nam ik vleugelen des dageraads, -woonde ik aan het uiterste der zee, ook dáár zou Uwe hand -mij geleiden en Uwe rechterhand zou mij houden. Indien ik zeide: de -duisternis zal mij immers bedekken, dan is de nacht een licht om mij. -(Roomsche vertaling: zoo zal toch ook de nacht mij tot een licht zijn -in mijne geneugten). Ook verduistert de duisternis voor u niet.... -(Roomsche vertaling). „Want voor u is de duisternis niet -donker.” <a class="fnarrow" href= -"#xd24e1754src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">VIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Antwerpen, „dat broeinest van -ketters”, zooals de Landvoogdes aan Philips II schreef, -„het Noordsche Genève”, zooals de Gereformeerden het -noemden, verdiende die namen in den winter van 1566–67. Bestuurd -door zijn burgemeester Anthonie van Stralen, onder zijn markgraaf, den -Prins van Oranje, had het een gewetensvrijheid weten te veroveren, die -men elders in den lande vergeefs zou zoeken. Openlijk hadden de -Gereformeerden na den beeldenstorm in de ontwijde Roomsche kerken -gepredikt, ja doop en avondmaal bediend en zij hadden ze eerst -teruggegeven, toen men hun op drie plaatsen in de stad vaste kerken -aanwees, waar elken Zondag door Gereformeerde leeraars, zoo Vlamingen -als Huguenoten, het Woord Gods werd verkondigd en de doop werd bediend. -En de Lutherschen, de „Martinisten”, zooals ze werden -genoemd, hadden dat voorbeeld gevolgd en ook zij hadden drie bedehuizen -weten te veroveren.</p> -<p class="par">Wel had Margaretha van Parma toornig geëischt, dat -men die bepalingen zou intrekken, dat de openbare prediking niet langer -zou worden geduld, maar het volk van Antwerpen had dien eisch -afgewezen: de kerken der Hervorming bleven openstaan en Antwerpens -grootsche kathedraal stond daar nog altijd, ledig en ontwijd. De -woelige Brederode had er een poos vertoefd en werd door het volk op de -handen gedragen, en wel zond de Landvoogdes den Prins van Oranje er -heen, om het gezag der regeering te doen eerbiedigen, wel scheen de -Zwijger geneigd, haar te <span class="pagenum">[<a id="pb134" href= -"#pb134" name="pb134">134</a>]</span>gehoorzamen, wel onderhandelde hij -met de mannen van den Breeden Raad, met de besturen der gilden en der -cameren van Rhetorica—maar de toestand bleef, zooals hij was. En -de Landvoogdes, die Doornik weldra voor haar wil zou doen bukken, die -het kleine, oproerige Valenciennes deed belegeren door de troepen van -Noircarmes, zij durfde de machtige handelsstad niet dwingen tot -gehoorzaamheid,—nòg niet althans.</p> -<p class="par">En ondertusschen werden dààr groote -plannen gesmeed voor de toekomst. De koning zou komen, ja, maar hij zou -komen met een groot leger, en allen, zoo de edelen als het volk, -wisten, wat dat beteekende. Zou men buigen? Zou men de pas verworven -vrijheid des gewetens weer prijs geven? Zou men toestaan, dat de -Inquisitie, dàn gehandhaafd door den sterken arm van het -koninklijk gezag, weer de verkondiging van het Woord Gods zou trachten -te smoren?</p> -<p class="par">Het was woelig in Antwerpen, in de laatste dagen van -1566. Het consistorie der Gereformeerde Kerk zat niet ledig en -onderhandelde steeds met de andere kerken, zoo in de Nederlanden, als -in Frankrijk. Taffin, Petrus Dathenus en Herman Modet, meer volksmannen -dan Junius, hielden door hun heftige predikatiën een oproerigen -geest onder het volk levendig en verkondigden openlijk den aanstaanden -val van den Antichrist en de verlossing van het volk des Heeren. Jan -van Thoulouse, de broeder van Philips van Marnix en Jan van Treslong -wierven er, naar men openlijk vertelde, manschappen aan, om dan te -zamen met den graaf van Culemborch zich te verzetten tegen het gezag -des Konings en de Inquisitie uit het land te verdrijven. In -Duitschland, heette het, werden hulpbenden aangenomen, die, als het -tijd was, de beweging zouden steunen. De Prins van Condé zou -hulp hebben beloofd; een leger der Huguenoten stond gereed, de grenzen -over te trekken, om de broeders in Vlaanderen ter hulp te snellen. Zoo -sprak men en men verwachtte groote gebeurtenissen en men sprak het -benarde <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name= -"pb135">135</a>]</span>Valenciennes moed in. Het moest volhouden, het -moest niet bukken voor de macht der Landvoogdes. Er zou ontzet komen, -zeker!</p> -<p class="par">En Oranje? Hij moet geweten hebben wat er broeide; zijn -broeder Lodewijk en zijn beste vrienden waren in de beweging betrokken. -Voor het oog was hij de regeering getrouw, maar heeft hij niet gedacht, -dat de ure der bevrijding toen reeds zou slaan? Heeft hij niet gemeend, -dat het gewapend verzet van de mannen van Antwerpen de vonk in het -buskruit zou zijn, die den opstand door het geheele land zou doen -ontbranden? Wie zal het zeggen? Hij heeft al wat daar geschied is in -het voorjaar zien aankomen; hij schijnt de beweging te hebben -begunstigd, hij heeft haar althans niet verhinderd. Maar toen deze -stoute zet op het politieke schaakbord te vroeg bleek gedaan, heeft hij -met gevaar van zijn leven Antwerpen behoed voor de wraak der regeering -en niemand kon hem beschuldigen, dat hij deel had aan de onderneming, -die zulk een rampzalig einde moest nemen.</p> -<p class="par">De ure der vrijheid had nog niet geslagen!</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">De grauwe Decembermorgen brak over Jacob Martens en zijn -beide metgezellen aan, toen zij door de vlakke velden van het rijke -„Land van Waes” heentogen naar de groote Scheldestad. Zij -hadden onderweg niet veel gesproken. Pieter de Welle, die het landschap -door en door kende, had zorgvuldig de groote wegen vermeden, en hen -langs binnenpaden en door weilanden voortgeleid. Soms had hij hen met -een kort woord gewaarschuwd, hem op den voet te volgen, omdat de streek -moerassig was. Nu hadden zij eindelijk een breede heerbaan bereikt. De -Welle wierp een onderzoekenden blik naar alle kanten, maar hij zag -niets, wat hen kon verontrusten. Het winterlandschap lag doodsch en -eenzaam; slechts de rook, die opsteeg uit de schouwen der -boerenwoningen, die hier en daar tusschen hoog geboomte verscholen -lagen, toonde aan, <span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" -name="pb136">136</a>]</span>dat hier menschen woonden. De koddebeier -knikte tevreden. Hij haalde brood en spek uit de linnen tasch, die hij -om de schouders droeg, en gaf het zijn beide reisgenooten, die gretig -hun eenvoudig ontbijt nuttigden. Opeens begon broeder Bernardus, die -met zijn magere gestalte in het huismanspak, dat hem veel te wijd was, -een zonderlinge vertooning maakte, luide te lachen. Pieter de Welle -fronste het voorhoofd en zag hem uitvorschend aan.</p> -<p class="par">—„Wat lacht ge, Gheleijn de Keijzer?” -zei hij stroef. „Wacht liever met uw vroolijkheid, tot wij, door -Gods goedheid, veilig binnen Antwerpen zijn.”</p> -<p class="par">—„Ik lach om dien dommen convers,” zei -de beweeglijke man, dien Jacob Martens slechts had gekend onder den -naam van broeder Bernardus, maar die nu weder Gheleijn de Keijzer -heette, als vroeger. „’t Was de „botte -Peer-Tist”, zooals wij hem in het klooster noemden. Of hij heeft -durven schreeuwen? En hoe hij het bij den sub-prior zal goedmaken, dat -hij des nachts met een gevulde bierkruik uit den kelder kwam? Ik wou -ondertusschen, dat ik een teuge biers hier had, want mijn keel is zoo -droog, als een preek van vader Anselmus in de vasten.”</p> -<p class="par">—„Was dan bij de vleeschpotten van Egypte en -uwe Paepsche afgoderijen gebleven!” bromde de Welle norsch. -„Wat deedt ge het klooster te verlaten, man, wanneer ge nog -hunkert naar het patersbier, als God u pas heeft bevrijd.”</p> -<p class="par">—„Is dat mijn dank, omdat ik u geholpen heb -den jonker uit het klooster te krijgen?” zei de zonderlinge man -lachend. „Houd het mij ten beste, jonker Martens,” -vervolgde hij tegen Jacob, „zoo ik een loshoofd schijn. Ik ben -zoo dartel als een jong veulen in de wei, nu ik die verwenschte witte -pij heb uitgetrokken.”</p> -<p class="par">—„Waart ge het kloosterleven zoo moede, -broeder Bernardus?” vraagde Jacob, verwonderd over de verandering -van den vroeger zoo schuwen, stillen man.</p> -<p class="par">—„Noem mij niet meer met dien verbruiden -kloosternaam! <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name= -"pb137">137</a>]</span>Ik ben weer Gheleijn de Keijzer, meester in de -conste van het snijden en drijven van koper, die ik vroeger was, -vroeger, eer ik mij, gefoold door booze gedachten, omdat een deerne mij -had bedrogen, in de pij liet steken.”</p> -<p class="par">—„Of er nog een vroom predikant uit u -groeien mocht, als de godzalige Dathenus en Modet, of Octiviaan van -Bacourt, die dienaar des Woords is te Laventhie, en die ook een witheer -was,” meende Pieter de Welle.</p> -<p class="par">—„Een predikant? Zeg liever een goed -landsknecht of een ruiter! Ge zegt immers, dat het aan den dans gaat -met de knechten der Landvoogdes?” lachte de andere.</p> -<p class="par">—„Maar ge behoort toch tot de onzen? Ge zijt -toch mede van de gesuyverde religie?” vraagde Jacob bevreemd.</p> -<p class="par">—„Van de gesuyverde religie? Zeker wel! -Leert gijlieden niet, dat men de kloosters moet sluiten, en dat -monniken en nonnen moeten hijlikken? En dat vasten en penitentie -Paapsche bijgeloovigheden zijn? Ik behoor tot u, met lichaam en ziel! -Reken op <span class="corr" id="xd24e2130" title= -"Bron: Ghelijn">Gheleijn</span> de Keijzer.”</p> -<p class="par">Jacob zweeg. Zijn eenvoudig, vroom gemoed kon de -lichtzinnigheid van den ander niet begrijpen. Hij had met hart en ziel -de zaak des geloofs en der vrijheid omhelsd, hij had voor zijn -overtuiging alles veilgehad: zijn toekomst, zijn liefde, zijn -levensgeluk. Hij begreep niet, dat er onder de strijders voor de -vrijheid óók konden zijn, wier geestdrift welde uit -troebele bron en die de heilige zaak dienden om vaak zeer onedele -beweegredenen.</p> -<p class="par">Na een korte rust brak het gezelschap weder op. Het -duurde nu niet lang meer, of de statige toren van den Dom van Antwerpen -trad uit de morgennevelen te voorschijn. Het werd drukker op den weg, -want tal van landlieden gingen stadwaarts, zoo te voet, als met de -Vlaamsche huifkarren. Nog altijd keek Pieter de Welle met scherpe -blikken rond, maar er was niets <span class="pagenum">[<a id="pb138" -href="#pb138" name="pb138">138</a>]</span>verdachts te bespeuren, en -zonder bemoeilijkt te worden bereikten de drie mannen de breede -Schelde. De winter was tot nog toe zacht geweest en er was geen ijs op -de rivier. Zonder moeite vonden zij plaats op een der veerponten, die -het verkeer der machtige handelsstad met Vlaanderen onderhielden, en -weldra betraden zij de drukke straten van het „Vlaamsche -Genève”. Zij waren er in veiligheid: het trotsche -Antwerpen had het juk der geloofsvervolging afgeworpen en zelfs de -invloed van den president van den Raad van Vlaanderen zou niet groot -genoeg zijn, om de Magistraat te bewegen, zijn zoon uit te leveren, -wanneer die er eenmaal in geslaagd was zich te stellen onder de -bescherming van de hoofden der Geuzen, die er een tijd lang feitelijk -de macht in handen hadden.</p> -<p class="par">Pieter de Welle, die ook in de stad welbekend was, -leidde zijne beide metgezellen langs den kortsten weg naar de -„Meere”, het groote marktplein der stad, waar zich de -taveerne de „Fonteyne” bevond, dezelfde herberg, die Jan -van Treslong in het voorjaar aan Jacob Martens genoemd had, als het -hoofdkwartier der Geuzen.</p> -<p class="par">Hoewel het nog vroeg in den morgen was, was het reeds -druk in de taveerne, en de waard, een stevige kaerel, die brutaalweg op -zijn muts van otterbont een Geuzenpenning droeg, had het met zijn -knecht druk om de ongeduldige gasten te bedienen en hun de kroezen heet -bier te reiken, die zij telkens verlangden. Die gasten vormden een -vreemd mengelmoes: men zag er den fluweelen of fijn laken mantel, met -bont omzoomd, van den edelman, zoowel als de grofgreinen pij van den -huisman en het zwart lakensche wambuis van den deftigen poorter. Er -werd heftig en druk gesproken, en de gezichten stonden ernstig en -strak.</p> -<p class="par">Het binnenkomen van de Welle en zijne beide metgezellen -veroorzaakte eenige opschudding. Sommigen staakten hun gesprek, anderen -keken den waard vragend aan, maar deze, die met den koddebeier een -<span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name= -"pb139">139</a>]</span>vriendschappelijken groet had gewisseld, knikte -even geruststellend, en dat scheen voldoende, want de gesprekken werden -weder voortgezet.</p> -<p class="par">De Welle eischte een kroes heet bier voor zich en zijne -beide makkers. Toen zette hij zich neer op een der lage houten banken -en monsterde het gezelschap met een opmerkzamen blik. Op de bank in de -breede schouw—de eereplaats—zaten een paar edellieden en -voor hen stond een forsch, breed geschouderd man, die sprak met heftige -gebaren en een toornigen gloed in de oogen. Hij was gekleed als een -Vlaamsche boer en hield de wollen muts in de hand, maar iets in zijn -houding en gebaar toonde, dat hij niet de eenvoudige huisman was, die -hij schijnen wilde.</p> -<p class="par">Pieter de Welle boog zich voorover naar Jacob.</p> -<p class="par">—„Ziet ge dien grooten kerel daar, jonker, -die met die edellui aan het redekavelen is? Dat is Jean Denijs, de -vroegere baljuw van Roosbrugge. Hij is door den gouverneur afgezet om -zijne geuzerije en nu is hij een van de felste aanhangers van den Heer -van Brederode. Zie, hoe driftig hij zich maakt! Zeker willen die twee -niet naar hem luisteren.”</p> -<p class="par">Jacob keek naar den haard en met blijdschap herkende hij -in een der edellieden jonker Jan Blois van Treslong. Ook de Welle -herkende den jongen edelman.</p> -<p class="par">—„Daar zit zoo waarlijk de jonker van -Treslong!” riep hij luidruchtig. „Die zal ons -voorthelpen,” en zonder er zich om te bekommeren, dat hij de drie -mannen in hun gesprek stoorde, trok hij Jacob mede naar de schouw.</p> -<p class="par">Treslong herkende hen terstond en ontving hen -hartelijk.</p> -<p class="par">—„Zoo, jonker Martens,” zei hij -vroolijk, „ge hebt dan toch mijn uitnoodiging niet vergeten? Zijt -ge er in geslaagd, den gestrengen President om den tuin te -leiden?”</p> -<p class="par">—„Maar dat vertelt gij mij later wel -eens,” ging hij voort, toen hij zag, dat zijn vraag Jacob -pijnlijk aandeed. <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" -name="pb140">140</a>]</span>„Laat ik u eerst voorstellen aan mijn -vriend en krijgsmakker, den Heer van Thoulouse.”</p> -<p class="par">De andere edelman, een tengere jonge man, met een -ernstig, schrander gelaat, boog en schudde Jacob vriendelijk de hand. -Eerst later dacht de jonge man er aan, dat niemand eenige bevreemding -had laten blijken, dat zij hem zagen in huismanskleeren, maar het -duurde niet lang of hij bemerkte, dat de gasten in de taveerne de -Fonteyne lang niet altijd waren, wat ze schenen.</p> -<p class="par">Hij was de Welle zijns ondanks gevolgd en wilde zich nu -bescheiden terugtrekken, maar Blois van Treslong hield hem tegen.</p> -<p class="par">—„Gij zijt van de onzen, jonker -Martens,” zei hij gul, „en voor de Welle hebben wij geen -geheimen. Wees gerust, allen, die hier zijn, weten, dat er groote -dingen op handen zijn, en de spionnen van de regeering zullen zich hier -niet zoo licht wagen. Wij zijn gereed te strijden voor de gezuiverde -religie en de vrijheden des lands, maar onze vriend Denijs hier wil ons -overhalen tot een dwaze onderneming, die tot niets goeds kan -leiden.”</p> -<p class="par">—„Ik zeg nog eens,” zei de forsche -man, met een stem, die trilde van bedwongen toorn, „dat wij -verraders zijn van de goede zaak, als wij de broeders te Valencijn -zonder hulp laten. Is het niet onze zaak, die zij daarginds verdedigen? -Hebben niet de vrome predikanten de Bray en Herlin gehandeld in -’t geloove en vertrouwende op de hulpe Gods? En zou hun geloof -door onze flauwhartigheid beschaamd worden? Valencijn mag niet verloren -gaan! Het is de poort, waardoor onze broeders, de Huguenoten, het land -zullen binnenrukken...”</p> -<p class="par">Treslong haalde ongeduldig de schouders op. De Heer van -Thoulouse nam het woord.</p> -<p class="par">—„Geloof mij, vriend Denijs,” zeide -hij ernstig en met waardigheid, „het lot van onze broeders gaat -ons niet minder ter harte dan u. Maar wij mogen niet alles wagen aan -een zoo onzekere kans. Ge weet, dat er <span class="pagenum">[<a id= -"pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>groote dingen te -wachten zijn. Ge weet, waartoe wij hier zijn. De heer van Brederode -versterkte Vianen, in Duitschland zijn vendels geworven, hier... maar -ge weet dit alles zoo goed als wij. We moeten wachten, omdat overijling -alles zou doen mislukken.”</p> -<p class="par">—„En ondertusschen moet Valencijn worden -uitgemoord door Noircarmes en zijn benden?” zeide Denijs -bitter.</p> -<p class="par">—„Laat ons hopen, dat het niet zoover komen -zal, en het zàl zoover niet komen, zoo God wil,” zeide -Thoulouse. „De broeders te Valenciennes zijn vrome mannen, maar -geen krijgslieden. Ze hebben onberaden gehandeld, zonder eerst te -vragen naar den raad van hen, van wie zij nu hulp verlangen. Maar de -stad is sterk; ze kan het weken tegen Noircarmes uithouden. Nog een -paar weken,—en alles zal gereed zijn tot den grooten slag, dien -wij willen slaan. Ge weet, wat ik bedoel, Denijs! En gelukt onze -onderneming, dan sluiten de edelen zich bij ons aan, tal van steden in -het Zuiden kiezen onze partij. Brederode rukt op uit Vianen, -Condé en zijn Huguenots zullen ons helpen, de Duitsche vendels -rukken aan ter versterking en wij zullen Mevrouwe van Parma en den -Koning dwingen, ons toe te staan, waarom wij tevergeefs hebben -gesmeekt: de vrijheid van religie en de afschaffing der Inquisitie. Dan -wordt Noircarmes vanzelf genoodzaakt het beleg van Valenciennes op te -breken. Deden wij uw zin, kwamen wij thans openlijk in verzet, -vóór alles gereed is, dan zouden wij de stad misschien -kunnen ontzetten voor korten tijd, maar wij zouden op den duur stellig -de nederlaag lijden tegen de troepen der Landvoogdes. Valenciennes moet -geduld hebben.”</p> -<p class="par">—„En terwijl gij plannen beraamt en uw -luchtkasteelen bouwt, neemt Noircarmes ondertusschen de stad misschien -met storm en worden onze broeders vermoord,” zeide Jean Denijs -bitter. „Neen, jonker van Marnix, wij kunnen niet wachten. Met u, -of zonder u,—wij zullen Valencijn verlossen. Wèl zegt de -vrome <span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name= -"pb142">142</a>]</span>Cornelis, dat het den Heere hetzelfde is, -verlossing te geven door velen of door weinigen!”</p> -<p class="par">—„Cornelis? Is dat niet de wezen hoefsmid, -die te Laventhie heeft gepredikt?” vraagde Treslong. „Neem -u in acht, Denijs, de Eerwaarde Junius noemt den man een gevaarlijk -geestdrijver.”</p> -<p class="par">—„Omdat hij spreekt, wat de Geest hem geeft -te spreken!” riep de vroegere baljuw bijna toornig. „Ik zeg -u nog eens: God zal met ons strijden, Heeren! Wacht niet tot het uw -tijd is! Sla toe op Gods tijd!”</p> -<p class="par">—„Wat wilt gij met uw gewapend landvolk -tegen de vendels van Noircarmes?” zeide Treslong -schouderophalend.</p> -<p class="par">—„Wij hebben meer! De broeders Wattepatte te -Laventhie, die getrouwe dienaren van God en zijn kerk, zijn de laatste -weken ijverig bezig geweest. Zij hebben geld verzameld en soldaten -geworven: acht vendels Franschen en Walen. Ze zijn in ’t geheim -gelegerd in de trouwe dorpen van den Westhoek,—maar dat kan niet -lang duren. De huislieden lijden last: ’t zijn rauwe gasten, al -strijden zij voor een goede zaak. Ook daarom moeten wij toeslaan, voor -de vendels verloopen. Nog eenmaal, trekt gij met ons op?”</p> -<p class="par">Thoulouse en Treslong wisselden een blik van -verstandhouding.</p> -<p class="par">—„Wij kunnen niet en wij mogen niet!” -zeide de eerste, zacht, maar beslist. „En wij bidden u, Jean -Denijs, zie af van die dwaze onderneming.”</p> -<p class="par">—„Welnu, dan zonder u! Gods vloek over u, -gij edellieden zonder hart, die het arme volk laat vermoorden!” -riep de forsche man toornig, en hij wendde zich driftig af, terwijl hij -naar hoed en mantel greep. Eensklaps echter keerde hij terug.</p> -<p class="par">—„Neen, zoo wil ik toch geen afscheid van u -nemen, heeren!” zei hij hartstochtelijk. „Gij meent het -wèl met de kerke Gods, ook al zijt ge gevangen in het net der -wereldsche politieke redenen. Vaartwel, we zullen elkander misschien -hier op aarde niet wederzien!” <span class="pagenum">[<a id= -"pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span></p> -<p class="par">Hij reikte hun de hand ten afscheid, en wilde -heengaan.</p> -<p class="par">—„Halt! neem mij mede, als het er op los zal -gaan,” riep plotseling een zenuwachtige stem, en Gheleijn de -Keijzer, de gewezen broeder Bernardus, die ongemerkt genaderd was en -het gesprek had aangehoord, versperde den baljuw stoutmoedig den -weg.</p> -<p class="par">—„Neem mij mede,” herhaalde hij, -„en geef mij een armborst en degen. Ik kon den vogel raken in -mijn jeugd; en ik verlang er naar, weer eens een bout te doen -vliegen!”</p> -<p class="par">—„Wie is dat? Wat wil die man?” vroeg -Jean Denijs verwonderd.</p> -<p class="par">Pieter de Welle trad op hem toe en fluisterde hem iets -in. De baljuw keek den gewezen monnik scherp aan.</p> -<p class="par">—„Ge hebt geluisterd?” vraagde hij -kortaf.</p> -<p class="par">—„Met uw verlof, heer hopman of wat ge wezen -moogt,” zei de zonderlinge man, „ik zou wel eens willen -weten, hoe ik het had moeten aanleggen om niet te luisteren. Ge hebt -waarlijk luid genoeg gesproken, om op de Meer te worden verstaan. Ik -zeg nog eens: Neem mij mede. ’t Zal niet voor de eerste maal -zijn, dat ik een kruisboog of een degen heb gehanteerd.”</p> -<p class="par">—„En wie zegt mij, dat gij geen spion van -Noircarmes zijt?” vraagde Denijs.</p> -<p class="par">—„Deze jonker, dien ik uit het klooster heb -helpen ontvluchten, op gevaar van mijn hals,” antwoordde Gheleijn -de Keijzer vrijmoedig. „Als die van Gent of mijn vrienden, de -Witheeren, mij in hunne handen mochten krijgen, dan wacht mij de -strop.”</p> -<p class="par">—„En toch wilt ge uw hals wagen in een -onderneming, waar het heet zal toegaan en die deze heeren te gewaagd -achten?” zeide Denijs spottend.</p> -<p class="par">—„Dat is wat anders!” meende Gheleijn; -„zoo ik slagen krijg, ik zal er ook kunnen uitdeelen, en als ik -mijn hals waag, dan doe ik het tenminste voor een <span class= -"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name= -"pb144">144</a>]</span>goede zaak. Dat is heel wat anders, dan op de -Vrijdaegsmarkt te Gent te staan bibberen, tot de Roode Roê het -stokje breekt en dan te worden opgehangen, als een varken aan de -leer.”</p> -<p class="par">—„Waarom wacht ge niet liever met den jonker -en de Welle op de groote onderneming, waarvan de heeren spreken?” -vraagde Denijs niet zonder bitterheid.</p> -<p class="par">—„Ik heb lang genoeg gewacht! Zie, heer, ik -ben kunstenaar geweest en in een onzalig oogenblik heb ik mij in de pij -laten steken. Zes jaren van mijn leven heb ik in ’t klooster -doorgebracht. Ik ben ziek van het knielen en gebeden prevelen, ik walg -van meditaties en penitenties. Ik wil leven, leven zooals -vroeger,—al was het dan maar een korte poos.”</p> -<p class="par">—„Dat laatste kunt ge gedaan krijgen!” -zeide Denijs grimmig. „Kom mede, man! Vaartwel, -heeren!”</p> -<p class="par">Na een haastig afscheid volgde Gheleijn de Keijzer zijn -nieuwen aanvoerder. Een paar mannen in schippersdracht, die in een hoek -van het vertrek het gesprek zwijgend hadden aangehoord, ledigden hunne -„pottekens” en sloten zich bij de twee mannen aan.</p> -<p class="par">—„Dat is een dapper man!” zeide Jacob, -terwijl hij Jean Denijs peinzend nakeek. Het liefst had hij zich bij de -moedige strijders aangesloten, die in ongelijken kamp hun leven gingen -wagen voor hunne broeders, maar hij gevoelde zich nog te vreemd in deze -nieuwe omgeving, en te jong en te onervaren om te durven handelen tegen -het gevoelen van Treslong en Thoulouse, die zich zoo ernstig tegen het -plan hadden verzet.</p> -<p class="par">—„Een dapper man, maar een dweper!” -zei Treslong. „Die van Laventhie loopen blindelings in hun -verderf. Die predikant Cornelis, en ook Modet en Dathenus hebben het -volk in het Zuiden letterlijk dol gemaakt. Men hoort er van niets dan -van St. Gideon, meen ik, die de Sarracenen versloeg ...”</p> -<p class="par">—„Hei wat, Jan,” viel Thoulouse hem in -de rede, „de Eerwaarde Junius moet u beter uw bijbel leeren. Als -mijn broeder Philips u hoorde! Gideon was een <span class= -"pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name= -"pb145">145</a>]</span>richter in Israël, die zijn volk van de -Midianieten verloste,”</p> -<p class="par">—„Dat waren Sarracenen!” hield -Treslong vol.</p> -<p class="par">—„Vraag het aan Junius!” zei de ander -glimlachend. „En laat ons niet spotten met het geloof van die -eenvoudigen.”</p> -<p class="par">—„Geloof? Geestdrijverij! Wat kunnen zij met -hun bijeengeraapte vendels uitrichten tegen de veteranen van -Noircarmes?” vraagde Treslong driftig. „Gij zult den Heere -uwen God niet verzoeken,” dat staat óók in den -bijbel, <span class="corr" id="xd24e2255" title= -"Niet in bron">„</span>Jan van Marnix.”</p> -<p class="par">—„Het is waar! En ik vrees, dat zij het -zullen ervaren, dat daarop geen zegen rust!” zei Thoulouse -treurig. „Om te doen, wat Gideon deed, moet men zich als Gideon -geroepen weten. Maar daar is hopman van der Aa...”</p> -<p class="par">Een kort, gezet man, met een rood, verhit gezicht, was -de taveerne binnengetreden. Hij was gekleed in zwart fluweel, met roode -sjerp en bandelier, waarin een degen hing, die veel te groot scheen -voor zijn korte gestalte. Hij wierp een onderzoekenden blik door het -vertrek en trad, zoodra hij de edellieden bemerkte, driftig op hen -toe.</p> -<p class="par">—„Hebt ge ’t gehoord, heeren,” -riep hij, zonder zijn rood gepluimden hoed af te nemen, „Denijs -trekt met zijn mannen weg en er hebben zich nog meer bij hem -aangesloten. Wat moet dat geven, als die domkoppen reeds nu -zóó beginnen?”</p> -<p class="par">—„Wij weten het, helaas, hopman,” zei -Thoulouse, „en wij betreuren het niet minder dan gij. Maar ga -zitten; ondertusschen hebben wij hier twee nieuwe recruten, die wij aan -u willen voorstellen.”</p> -<p class="par">Simon van der Aa, de dappere hopman van Brederode en -tevens een handig werfofficier, zette zich bij het gezelschap aan de -tafel, want ook de Welle, die, zooals Jacob weldra bleek, hoog bij de -aanvoerders der Geuzen stond aangeschreven, werd door de beide -edellieden uitgenoodigd; de bierkroezen werden door <span class= -"pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span>den -waard gevuld met goed Utrechtsch bier, „heet ende gecruyt”, -en weldra sprak men druk over het groote onderwerp: de aanstaande -onderneming tegen de Regeering, en de plannen des Konings, die, naar -men zeker wist, met een groot leger naar zijne erflanden zou komen, om -aan elk verzet een einde te maken.</p> -<p class="par">Het moge vreemd klinken, dat men in een stad als -Antwerpen, op klaarlichten dag, in een taveerne, waar ieder toegang -had, openlijk een samenzwering smeedde en plannen beraamde tegen de -bestaande regeering, toch was dat werkelijk de toestand. Antwerpen was -in den winter van 1566–1567 feitelijk in de handen der Geuzen. -Niet alleen werd er elken Zondag in de kerken openlijk gepredikt, maar -er werd evenzeer openlijk volk geworven voor Brederode en zijne -medestanders, en hopman van der Aa stak zijn plannen niet onder stoelen -en banken. Nog weinige weken en het Geuzenlegertje zou met vliegende -vaandels en slaande trom Antwerpens straten doortrekken en de poort -uitrukken, zonder dat de Magistraat dit kon of wilde beletten.</p> -<p class="par">Nog dienzelfden dag nam Jacob dienst bij hopman van der -Aa, als „cadet”. Treslong bezorgde hem een kwartier in zijn -eigen woning en bediende zich van hem als geheimschrijver. Zoo kwam hij -op de hoogte van den toestand. Hij begon meer en meer te begrijpen wat -Oranje, Brederode en Nieuwenaar beoogden. Hij wist ook, dat Egmond, op -wien het volk nog steeds hoopte, ondanks zijn streng optreden tegen de -beeldstormers, zijn vroegere medestanders den rug had toegekeerd en -zich schaarde aan de zijde der Regeering. Maar in hoeverre Oranje -Brederode’s plannen goedkeurde, wist hij niet en meer en meer -scheen het hem toe, dat de bondgenooten het zelf niet wisten.</p> -<p class="par">Voor het overige scheen hij veilig onder de bescherming -der Geuzenaanvoerders. Wel was het te Gent bekend geworden, waar hij -zich bevond en had <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" -name="pb147">147</a>]</span>de Hoog-baljuw hem, op verzoek van zijn -vader, doen opeischen, maar hoezeer de Antwerpsche Magistraat een -invloedrijk persoon als de president van den Raad van Vlaanderen -misschien gaarne ter wille was geweest, zij durfde geen geweld -gebruiken tegen de hoofden der Geuzen. Zij wist te wel, hoe gespannen -de toestand was. Eén enkele onvoorzichtigheid was genoeg, om een -oproer te doen uitbarsten, waarbij de beeldenstorm kinderspel zou zijn -geweest. Zoo zocht de Magistraat uitvluchten en liet Jacob Martens -uitnoodigen, de stad en haar vrijdom te verlaten, eene uitnoodiging, -waaraan deze zich niet stoorde.</p> -<p class="par">Op zekeren dag, kort na zijn komst te Antwerpen, begaf -hij zich met Thoulouse en Treslong naar de Fonteyne, toen hun aandacht -werd getrokken door een gejuich, dat achter hen opging. Drie edellieden -kwamen langzaam door de nauwe straat aanrijden onder een luid -„Vive le Geus!” van het gemeen, waarmee sommige burgers -hartelijk instemden, terwijl anderen zich haastig verwijderden.</p> -<p class="par">—„Let op den middelste!” zeide -Treslong haastig. „Dat is Oranje! De anderen zijn van Hoogstraten -en burgemeester van Stralen.”</p> -<p class="par">Jacob zag een edelman met een fijn, bleek gezicht en een -paar diepe, donkere oogen, gedost in een met bont omzoomden mantel en -met een hoogen fluweelen hoed op het hoofd, die met zijn beide -metgezellen een ongedwongen gesprek scheen te onderhouden, terwijl hij -van tijd tot tijd het hem toejuichende volk minzaam groette. Prins -Willem van Oranje was toen drie en dertig jaar, maar hij scheen ouder -dan hij was. Het hoofd zijner politieke partij, zoo in den Raad van -State als daarbuiten, de man, op wien Roomsch en Onroomsch de oogen -gevestigd hield, had hij de laatste jaren doorgebracht in het gewoel -van den strijd der staatkundige partijen en de sporen van dien kamp -waren te zien in de diepe gedachtenrimpels op het hooge voorhoofd. -Oranje was in die dagen de sfinx, <span class="pagenum">[<a id="pb148" -href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span>de ondoorgrondelijke, wiens -gedachten de Spaansche partij tevergeefs trachtte te peilen, wiens -verreikende plannen zij niet kon omvademen, maar die tegelijk een -raadsel was voor zijn eigen partij. Men doet der historie geweld aan, -als men in Willem van Oranje, in de dagen, die den grooten strijd -voorafgingen, reeds den geloofsheld wil zien van later tijd. Veel moest -er ook over dat hoofd heengaan, eer hij het leerde buigen voor den -„Potentaat aller potentaten”, met Wien hij eens een vast -verbond zou maken. Ook hij moest gelouterd worden in de harde school -van den tegenspoed, ook hij moest zijn Jacobsworsteling nog doormaken, -en op het stille Dillenburg,—de brieven zijner vrome moeder -getuigen het—zou de schrandere politicus, het geniale -partijhoofd, eerst als een arm, verlaten zondaar moeten staan voor zijn -Heiland en Verlosser, voor hij den Geest zou ontvangen, die zijn -streven zou heiligen, die hem den moed zou geven tot een schier -hopeloozen strijd voor de zaak der verdrukten, die hem in waarheid zou -maken tot Vader des vaderlands.</p> -<p class="par">Thans reed hij daarheen, te midden der Antwerpsche -burgerij, en schoon hij den jubelenden groet der menigte vriendelijk -beantwoordde, fronsten zich zijn wenkbrauwen soms ongeduldig bij het -luid schaterend „Vive le Geus!”, dat hem overal tegenklonk. -Hij wenschte te Brussel niet te worden aangezien als het hoofd van een -opgewonden menigte, en hij wist daarbij te goed, hoe wispelturig de -volksgunst is. Datzelfde volk, dat hem thans huldigde en toejuichte, -zou hem over weinige weken uitjouwen, en zelfs zijn leven bedreigen, -wanneer hij hen en hun stad door zijn wijs beleid behoedde voor -plundering en moord.</p> -<p class="par">Jacob zag den man na, van wien hij zooveel had gehoord, -onder wiens vanen hij weldra zou strijden, en dien hij eerst na -verscheidene jaren en onder geheel andere omstandigheden zou -weerzien.</p> -<p class="par">De beide edellieden gingen met hun jongen -geheimschrijver <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" -name="pb149">149</a>]</span>naar de Fonteyne en hoorden er van Hopman -van der Aa, hoe het ging met de werving. Toen bezochten ze -verschillende hoofden hunner partij, om berichten te ontvangen, bevelen -of wenken uit te deelen of plannen te smeden voor de toekomst. Tegen -den avond, na een werkzamen dag, begaven zij zich naar de woning van -Thoulouse, waar de jonge, bevallige Vrouwe hare gasten, de voornaamsten -der Geuzenpartij, met vriendelijke bevalligheid ontving. Jacob Martens -ontmoette er tal van mannen, die weldra in de geschiedenis van den -opstand een blijde of droevige vermaardheid zouden krijgen. Hij zag er -den vurigen Joris Sylvanus, den moedigen predikant, die weldra als -balling de stad en zijn gemeente zou verlaten, den dichter van het -aandoenlijke afscheidslied, waarin de verdrukte Kerke Christi klaagt -tot haren God; den verstandigen Marco Perea, den rijken koopman, die -zijn persoon en zijn fortuin ten dienste had gesteld der goede zaak; -Mr. Gillis de Clercq, en nog vele anderen. Men was er vol hoop op de -toekomst. Had men eenmaal maar een voldoende krijgsmacht te velde, en -een paar sterke steden bezet, dan kon men de macht der Landvoogdes -trotseeren, dan zouden de steden den moed hebben om zich openlijk voor -de partij der vrijheid te verklaren, dan zouden de edelen zich stellen -aan het hoofd des volks, en dan,—ja dan zou men den Koning weten -te dwingen, de vrijheden des volks te eerbiedigen, dan zou de -Inquisitie verdwijnen en er zou vrijheid zijn van geweten en vrijheid -van eeredienst,—want verder dacht men niet. Niemand wilde den -Koning van Spanje de gehoorzaamheid opzeggen: de Heer der Nederlanden -zou slechts den gehaten geloofsdwang in zijne erflanden -opheffen,—en men zou de wapens neerleggen en allen zouden weder -zijne getrouwe onderdanen zijn.</p> -<p class="par">Met zorg volgden intusschen de leiders de beweging in -het Zuiden des lands. Zij wisten, dat Jean Denijs zijn plan had -volvoerd en met een gewapenden hoop <span class="pagenum">[<a id= -"pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span>volk een paar dorpen -had bezet; en zij wisten ook, dat de moedige, maar onbezonnen -Wattepatte’s hunne vendels samentrokken, om zoo mogelijk -Valenciennes te ontzetten en zij vreesden, dat de sluwe Noircarmes, die -zijn tegenstanders rustig hun gang liet gaan, het gunstig oogenblik -afwachtte, om de overmoedige en onervaren strijders met -één slag te vernietigen.</p> -<p class="par">Op Vrijdag den 26sten December verspreidde zich te -Antwerpen het gerucht, dat er bij Watrelos gevochten was en dat de -Geuzen het hadden verloren. Nadere berichten kwamen er niet, maar -Zondag, den 28sten December, kwam de bevestiging van het treurige -bericht.</p> -<p class="par">Men was dien avond naar de „Ronde Kerk” ter -preek geweest, en, naar de gewoonte dier dagen, had Meester Joris -Sylvanus zijne gemeente niet alleen getroost en bemoedigd, maar hij had -ook niet geschroomd, de politiek van den dag op den kansel te brengen, -en in vurige taal zijne toehoorders opgewekt, nu met hun lijf of hun -goed de mannen te steunen, die als in de dagen van Josia de -Baälpriesters en hun aanhang zouden verdelgen van voor het -aangezicht des Heeren. En zinspelende op het pas gevierde Kerstfeest, -had hij gezegd, dat Christus voor de Nederlanden eerst recht zou zijn -geboren, als zijn Evangelie er onbedekt en openlijk voor allen kon -worden gepredikt.</p> -<p class="par">Thans waren de hoofden der beweging bijeen ten huize van -Thoulouse en men besprak er de geruchten der laatste dagen, de -berichten, die men van Brederode had ontvangen, en de „groote -onderneming”, waarvan men zoo was vervuld, en die toch niet in -bijzonderheden werd aangeduid.</p> -<p class="par">Het was reeds vrij laat, althans voor die dagen, toen de -klopper aan de voordeur met een zacht, voorzichtig tikje neerviel op -den metalen knop. Na een oogenblik verscheen er een bediende, die met -een ontsteld gelaat den gastheer iets influisterde. Thoulouse stond -haastig op, men hoorde in het voorhuis zware schreden, <span class= -"pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span>een -levendige woordenwisseling, en weldra verscheen hij weder, met een man, -in een langen mantel gewikkeld en den slappen hoed diep in de oogen -gedrukt.</p> -<p class="par">Met een wenk liet de Vrouwe van Thoulouse de bedienden -vertrekken. De man wierp met een zucht van verlichting hoed en mantel -ter zijde en viel neer op den zetel, dien Blois van Treslong haastig -had aangeschoven. Het was Jean Denijs. Zijne kleeding was beslijkt en -bebloed, en een breede hoofdwonde, slechts ruw met eenige lappen -verbonden, misvormde zijn bleek gelaat.</p> -<p class="par">Met een kreet van ontsteltenis sprongen de aanwezigen -op.</p> -<p class="par">—„Dus geslagen?” riep Treslong, -terwijl Mevrouw van Thoulouse haastig de kamer verliet, ten einde het -noodige te halen, om den gewonde te verbinden, een kunst, waarin zij, -als vele vrouwen van dien tijd, bedreven was.</p> -<p class="par">—„Alles verloren!” kermde Jean -Denijs.</p> -<p class="par">Hij ledigde den beker wijn, dien Thoulouse hem aanbood. -Een licht rood kleurde zijn door vermoeienis en bloedverlies bleek -gelaat, en hij vervolgde met van aandoening trillende stem:</p> -<p class="par">—„Gij hebt gelijk gehad, heeren! Ik was een -ezel, te denken, dat wij met een ordeloozen hoop iets konden uitrichten -tegen Noircarmes. Maar het is er mij naar gegaan!”</p> -<p class="par">Hij zweeg een oogenblik en dronk een teug wijn. Toen -ging hij voort:</p> -<p class="par">—„Wij trokken op met een sterken troep en -goed gewapend ook. Wij zouden ons bij Watrelos met die van -Armentières en Doornik vereenigen, om dan samen Valenciennes te -ontzetten. Wèl wisten wij, dat de Heer van Rottinghem, de -stadhouder van Donai en Rijsel, ons wilde tegenhouden, maar hij had -maar tweehonderd man, en die telden wij niet. Domkop, die ik was! Bij, -Watrelos viel hij ons aan en hij joeg ons uiteen, als een kudde -schapen. Waren de Wattepatte’s met hunne <span class= -"pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name= -"pb152">152</a>]</span>vendels er maar geweest! Maar zij kwamen te -laat; die Cornelis, hun predikant, had hen opgezet, om vast onderweg de -kloosters in brand te steken; zij hadden het krijgsvolk niet onder -tucht weten te houden en zoo waren zij opgehouden. Ik was te paard en -ik vluchtte naar het leger, en wij rukten voort naar Watrelos om wraak -te nemen, en Noircarmes te verrassen, maar hij verraste ons vandaag. -Wij waren van morgen in het bosch van Lannoy, toen hij ons plotseling -overviel. Hij had tien vendels en zeshonderd ruiters en hij viel ons -aan, voor wij wisten, dat hij in de nabijheid was. Alles is verloren! -De onzen waren dadelijk in verwarring en ze werden ingesloten en in de -pan gehakt. Onze vaandels en de veldstukken, die de Wattepatte’s -in Frankrijk hadden gekocht, alles is weg! Een paar van ons zijn het -naar Antwerpen ontkomen, maar Pieter en Philip Wattepatte zijn door -Noircarmes’ ruiters ingehaald en gevangen genomen.”</p> -<p class="par">Thoulouse en Blois van Treslong wisselden bezorgde -blikken.</p> -<p class="par">—„Hadden wij uwe vendels en uwe kanonnen -gehad, als de tijd daar is, dat wij ze zullen kunnen gebruiken,” -zuchtte Thoulouse. „Wat al geld en kostbaar bloed verspild in een -nuttelooze onderneming!”</p> -<p class="par">Jean Denijs boog beschaamd het hoofd.</p> -<p class="par">—„Ik meende den Heere en Zijne verdrukte -Kerk te dienen,” zei hij ootmoedig. „En wat zal er nu met -onze arme broeders te Valencijn gebeuren?”</p> -<p class="par">—„Houd moed, broeder,” zei Treslong -trouwhartig. „Ge hebt gehandeld naar uw geweten. En zoo ons plan -gelukt, wat God geve, dan zal de Landvoogdes zoo de handen vol hebben, -dat Noircarmes Valencijn wel met rust zal moeten laten. Maar zeg mij, -heeft men u de poort zien binnenkomen?”</p> -<p class="par">—„Wij waren met ons vijven. De portier van -„de Roode Poort” is ons genegen, al durft hij niet ter -preeke komen. Hij liet ons tegen ’t gewone poortgeld binnen en -vroeg niets.” <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" -name="pb153">153</a>]</span></p> -<p class="par">Jean Denijs zeide het met een pijnlijk vertrokken -gezicht. Zijne wonde begon hem hier in het warme vertrek te -hinderen.</p> -<p class="par">—„Zoo zijt gij hier veilig,” zeide -Thoulouse. „Mijne vrouw zal u verbinden, en dan—gij hebt -rust noodig. De wond is niet ernstig en gij zult ons nog helpen, uw -nederlaag op Noircarmes te wreken. Morgen verhaalt ge ons -meer!”</p> -<p class="par">Mevrouw van Thoulouse verscheen met linnen en pluksel, -met water en azijn, en met alle verdere hulpmiddelen, die haar -eenvoudige heelkunst haar leerde en haar goed hart haar ingaf. De wonde -werd gereinigd en opnieuw verbonden.</p> -<p class="par">Toen bracht Thoulouse zijn gast naar zijn kamer, maar de -forsche man was door bloedverlies en afmatting zoo uitgeput, dat -Treslong en Jacob Martens hem beiden moesten ondersteunen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name="pb154">154</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">IX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Ja, de moedige, maar onberaden poging om Doornik -te helpen en Valenciennes te ontzetten, was jammerlijk mislukt. Tal van -vluchtelingen, die aan de ruiters van Noircarmes ontkomen waren, en die -den guren winternacht in allerlei schuilhoeken hadden doorgebracht, -kwamen de volgende dagen ongehinderd Antwerpen binnen, en ze -bevestigden de tijding, die Jean Denijs had gebracht. ’t Was een -verpletterende nederlaag geweest, dat gevecht bij Lannoy. Een -verrassing, even sluw beraamd als stout uitgevoerd door den dapperen en -bekwamen Noircarmes, die van zijn krijgsmanskunst zoo wèl -gebruik had weten te maken tegen zijn ongeoefende tegenstanders. De -overval was volkomen geweest: het geheele Geuzenlegertje was vernietigd -en de troepen der Landvoogdes hadden nagenoeg geen verliezen -geleden.</p> -<p class="par">Van Jean Denijs, die zich in het huis van Thoulouse -schuil hield, om er van zijn hoofdwonde te genezen, vernamen de -bondgenooten nog nadere bijzonderheden. Zij vernamen van hem ook den -dood van Gheleijn de Keijzer, die in het gevecht bij Watrelos was -gebleven. De gewezen monnik had niet lang genoegen gehad van zijn pas -verworven vrijheid. Jean Denijs verhaalde, hoe hij het vuurroer, -waarmee men hem had willen uitrusten, minachtend had afgewezen; hoe -hij, met een langen handboog gewapend, als een echte Vlaamsche schutter -met zijne pijlen verscheidene van van Rossinghem’s volk had -neergelegd, en hoe hij eindelijk met een „goedendag” als -wapen, tegen de opdringende <span class="pagenum">[<a id="pb155" href= -"#pb155" name="pb155">155</a>]</span>knechten had standgehouden, en, -vechtende tot het laatste, was gevallen.</p> -<p class="par">Zou de dood dier martelaren worden gewroken? Jacob -Martens vroeg het met koortsig ongeduld. Hij brandde van verlangen om -ten strijde te trekken tegen de troepen der Regeering, die het land -verdrukte. „Nu of nooit!” dacht hij en dat dachten -duizenden met hem. Brederode, de kloeke, voortvarende Brederode, scheen -het hoofd der beweging. Hij was de man van het oogenblik, op wien aller -oogen waren gevestigd, het hoofd der partij van actie, die dreef tot -onmiddellijk handelen, tot krachtig doortasten.</p> -<p class="par">En Oranje, de zwijgende, bedachtzame schaakspeler, die -nimmer een haastigen, onberaden zet op het politieke schaakbord deed, -wachtte af!</p> -<p class="par">Nu of nooit! Handelen moest men, of alles was verloren! -Namen de geruchten, dat de Koning met een geducht leger herwaarts zou -komen, niet steeds vaster vorm aan? Wist men niet met zekerheid, dat -die troepen zouden worden aangevoerd door Philips’ besten -veldheer, den geweldigen hertog van Alva? Mocht men wachten, tot de -Kerk van Christus, tot de Nederlandsche vrijheid zou worden vertrapt -onder de ijzeren zool der Spaansche huurbenden?</p> -<p class="par">Nu of nooit! En het Consistorie der Gereformeerde -kerken, te Antwerpen vergaderd, benoemde hun held en hun voorvechter -tot opperbevelhebber. Brederode benoemde Philips van Marnix van St. -Aldegonde tot penningmeester der beweging. Het geld der Gereformeerden -vloeide toe, want men verwachtte veel van de onderneming. Openlijk -werden in Antwerpen troepen geworven op Brederode’s last. Antony -van Bombergen, de vermetele aanvoerder, die onder Condé had -gediend, maakte zich meester van ’s Hertogenbosch en trotseerde -er de Regeering. Maastricht dreigde afvallig te worden: het was reeds -wederspannig.</p> -<p class="par">En het was nu geen geheim meer, dat de Geuzen het oog -hadden geslagen op Zeeland. Dààr wilden zij <span class= -"pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span>zich -nestelen, om de Spaansche vloot,—want men verwachtte de troepen -des Konings over zee—den doortocht te betwisten. Als Alva kwam, -dan zou hij, naar men meende, het geheele land onder de wapenen -vinden.</p> -<p class="par">Zoo dacht men, en steeds zag men op Oranje. Maar ondanks -het aandringen der bondgenooten, ondanks het morren van het volk, bleef -Oranje wachten. Ja, het scheen zelfs, dat hij zich tegen Brederode -keerde. Hadden de aangeworven troepen, die zich in de dorpen bij -Antwerpen hadden gelegerd, niet den last gekregen van den Prins, als -Markgraaf van Antwerpen, om zich aanstonds te verwijderen, onder -bedreiging van geweld, indien zij niet gehoorzaamden? Aarzelend waren -zij afgetrokken, de Geuzenbenden, om zich bij Brederode te voegen, -sommigen te scheep, anderen over Gorcum, en wrokkend zagen de -Antwerpsche Gereformeerden naar den zwijgenden staatsman, die hunne -<span class="corr" id="xd24e2374" title= -"Bron: verwachlingen">verwachtingen</span> zoo teleurstelde.</p> -<p class="par">Toch,—men wist het wel, er was toch nog krijgsvolk -te Antwerpen gebleven en er werden er nog steeds geworven. Zou er dan -toch nog hoop zijn?</p> -<p class="par">Met een gelaat, gloeiend van geestdrift, trad Jan Blois -van Treslong op een middag in het laatst van Februari de -„sale” binnen in het huis van Thoulouse, waar de hoofden -der Antwerpsche beweging vergaderd waren. De heer des huizes, met Jacob -Martens als zijn secretaris, leidde de bijeenkomst. Men zag er eenige -der Antwerpsche predikanten, den Heer van Walencourt, een uitgeweken -Huguenoot, Mr. Gillis le Clercq, Jean Denijs en de Heeren van der Aa, -Waroux, Escaubecque en Villers, de laatsten allen hoplieden onder -Brederode.</p> -<p class="par">—„Eindelijk, Thoulouse! eindelijk, -heeren!” riep de vurige jonge edelman, terwijl hij zijn vriend -een gezegeld stuk overreikte. „De bode van Mr. Pieter Haeck is -zooeven aangekomen. De baljuw wil ons helpen en hij heeft veel invloed -op Walcheren. Zijn wij eerst <span class="pagenum">[<a id="pb157" href= -"#pb157" name="pb157">157</a>]</span>meester van het eiland, dan lachen -wij met Mevrouw van Parma en hare tachtig vendels!”</p> -<p class="par">Thoulouse opende den brief van den gewezen -Middelburgschen baljuw en las dien voor. Inderdaad bevatte het -schrijven het bericht, dat Meester Pieter Haeck hun voorstel aannam: De -bondgenooten zouden met de troepen, die zij nog te hunner beschikking -hadden, de Schelde afvaren en een aanslag op Walcheren wagen, Haeck, -die zich in Zeeland ophield, om daar de bevolking te bewerken, zou zich -op de rivier bij hen voegen, en door zijn invloed en dien zijner -familie zou hij de voornaamste steden weten te bewegen, zich voor de -Geuzen te verklaren. „En”—zoo werd er geheimzinnig -gefluisterd—„de Prins van Oranje keurde de onderneming -goed. Was niet een zijner officieren, de Heer van Boxtel, naar Zeeland -geweest, om te verhinderen, dat de steden eene bezetting der regeering -zouden innemen? En had de gouverneur van Zeeburg, de wakkere Roeland -van Ghistelle, niet geweigerd, een vendel voetknechten in de sterkte -toe te laten, zonder bijzonderen last van Oranje, in wiens handen hij -den eed had afgelegd?”</p> -<p class="par">Men was vol geestdrift, vol hoop. Met gejuich werd het -schrijven van Pieter Haeck ontvangen. Nu zou men dan toch eindelijk -kunnen overgaan tot de groote onderneming, waarvan zoo lang was -gesproken, die zoo zorgvuldig was voorbereid. Met kracht, zoo besloot -men, zou men de werving voortzetten. Men had geld, men had geschut en -wapens; men wist over welke schepen men kon beschikken. Drie groote -vaartuigen lagen aan het Vlaamsche hoofd gereed.</p> -<p class="par">Den 2den Maart 1567, tegen den noen, stond het -Antwerpsche volk met nieuwsgierigheid een bende krijgsvolk aan te -staren, die op de Meere werden gemonsterd. ’t Waren drie vendels -voetknechten, goed gewapend met speren en haakbussen, maar ’t -waren geen stadssoldaten, dat was duidelijk. Van uniformen wist men in -die dagen nog niet veel; de lederen <span class="pagenum">[<a id= -"pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span>kolders, de stalen -borstharnassen en stormkappen werden door de soldaten van alle partijen -gedragen, maar de officieren en manschappen hadden groene en witte -sjerpen en veldteekens, en de hoplieden met hunne luitenants, die daar -het bevel voerden, waren voor de Antwerpenaars goede bekenden: dat -waren de Geuzenvendels!</p> -<p class="par">Een oogenblik, en daar roffelden de trommen, daar werden -de vaandels ontplooid, witte banen met een bloedrood St. Andrieskruis, -daar klonken de commando’s en in goede orde marcheerden de drie -vendels door de stad en naar het Vlaamsche hoofd, onder het luid -gejuich der Calvinistische burgerij.</p> -<p class="par">En de Antwerpsche magistraat liet het geschieden, en de -stadhouder verzette zich niet. Wat zouden zij doen? De toekomst was -donker,—en twaalf à veertien duizend Calvinisten, door de -gebeurtenissen der laatste dagen geprikkeld, waren dààr, -gereed tot den opstand, zoo men de Geuzentroepen bemoeilijkte.</p> -<p class="par">Met de witzijden sjerp—een geschenk der Vrouwe van -Thoulouse—over het gepolijst stalen borstharnas, den -breedgeranden hoed met witte pluimen op het hoofd en den degen op -zijde, trad Jacob Martens, die als cadet in het onmiddellijk gevolg van -Thoulouse den tocht zou meemaken, met een aantal der jonge Geuzenedelen -aan het hoofd van den stoet. De borst sloeg hem hoog en fier, bij de -gedachte, dat hij thans een krijgsman was, dat hij ging strijden voor -de schoone zaak der vrijheid, die hij diende; dat hij zijn volk en de -verdrukte Kerke Christi ging bevrijden van het zware juk der -Inquisitie. Want dat de goede zaak zou zegepralen, nu, -oogenblikkelijk,—daaraan twijfelde hij geen oogenblik. Hij -bewonderde Brederode, maar voor Thoulouse had hij een blinde vereering; -hij was zeker van den goeden uitslag, omdat Jan van Marnix aan het -hoofd stond der stoute onderneming. De geestdrift der aanvoerders had -allen aangestoken: daar gingen zij heen, de redders en bevrijders des -volks. <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name= -"pb159">159</a>]</span></p> -<p class="par">En onwillekeurig bekroop hem de gedachte: als Madeleine -hem nu eens kon zien, niet meer den jongen, baardeloozen scholier van -Leuven, maar den krijgsman, den vertrouwde van Thoulouse en Treslong! -O, als de overwinning was behaald, en het dankbare volk ook hem dankte -als een van zijn bevrijders, dan zou hij zijn jonge lauweren aan haar -voeten leggen,—en dan zouden ook hààr immers de -oogen open gaan, en zij zou zien hoe schoon en edel de zaak was, die -hij diende; moest toch de fiere Vlaamsche jonkvrouw niet meer sympathie -hebben voor geloofsvrijheid en volksvrijheid, dan voor priesterdwang en -tirannie?</p> -<p class="par">En, zijn schoonen droom voortspinnende, stapte Jacob -voort onder de witte banier met het roode kruis, door de straten van -Antwerpen en naar het Vlaamsche hoofd, waar de drie kagen lagen, die de -kleine strijdmacht zouden opnemen en die hen met vroolijk wapperende -wimpels schenen te begroeten. Nauwelijks was men de poort uit, -nauwelijks waren de schepen in het gezicht, of een daverend hoezee -klonk over de breede kade, en het Geuzen-marschlied werd aangeheven, -door pastoor Arent Dircksz Vos te de Lier met omwerking van een oud -drinklied vervaardigd:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,</p> -<p class="line">Slaet opten trommele, van dirredomdoes!</p> -<p class="line">Slaet opten trommele van dirredomdeyne:</p> -<p class="line xd24e2413">„Vive le Geus!” is nu de -loes!</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">De Spaensche inquisitie, voor God malitie,</p> -<p class="line">De Spaensche inquisitie, als draeckbloet fel,</p> -<p class="line">De Spaensche inquisitie gevoelt punitie,</p> -<p class="line">De Spaensche inquisitie ontvalt haar spel!</p> -</div> -</div> -<p class="par first">Het kreupelrijm, in weinige weken zoo populair -geworden, en dat zijn vervaardiger weldra op het schavot zou brengen, -werd juichend meegezongen door het volk, dat met de marcheerende -vendels medeliep. <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" -name="pb160">160</a>]</span></p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Vive le Geus! wilt Christelijck leven,</p> -<p class="line">Vive le Geus, houdt fraeyen moed,</p> -<p class="line">Vive le Geus, God hoede u voor sneven,</p> -<p class="line">Vive le Geus, edel Christenbloed!</p> -</div> -<p class="par first">De kagen, die aan de kade lagen vastgemeerd, waren -bereikt. Juichend wees het volk naar de metalen stukken, die aan de -voor- en achtersteven waren vastgesjord.</p> -<p class="par">De inscheping had in goede orde plaats. Het eerste schip -stond onder bevel van Thoulouse zelf. Treslong, Gillis de Clercq en -Jacob Martens waren bij hem aan boord. Jean Denijs en de Heer de -Walencourt commandeerden de beide andere vaartuigen.</p> -<p class="par">De touwen werden losgemaakt; het eene schip na het -andere stak van wal, de zeilen werden geheschen en onder een luid -„Vive le Geus!”, dat aan den wal even geestdriftig werd -herhaald, zakten de vaartuigen de Schelde af.</p> -<p class="par">Het was een schoon gezicht, de breede rivier voor -Antwerpen, met de tallooze vaartuigen, groot en klein, die er door -elkander kruisten, van de kolossale, buikige kraken en galjooten, die -uit Spaansche en Portugeesche havens de kostbare waren uit het Oosten -aanbrachten, tot de armelijke pramen van de visschers en strandjutters. -Men zag er de vlaggen en wimpels van alle natiën, want Antwerpen -was de groote stapelplaats van den goederenhandel, het hart der rijke -Nederlanden.</p> -<p class="par">Tegen den mast geleund, genoot Jacob Martens van het -mooie riviergezicht, dat door een bleek Maartsch zonnetje werd -beschenen. De vlakke, lage oevers gleden aan zijn blik voorbij, soms -lange streken van moeras- en veengrond, waar duizenden watervogels -krijschend en fladderend rondzwierven, soms de wijde velden van -Vlaanderen en Brabant, die zich uitstrekten in eindelooze verte. -Vroolijk klonken de liederen van het bootsvolk en de soldaten, terwijl -de laatsten op het <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" -name="pb161">161</a>]</span>dek en in het ruim ijverig bezig waren met -het nazien en in orde brengen hunner wapenen. De jonge edelen liepen op -het dek heen en weder; voor de meesten was het hun eerste krijgstocht, -en zij stapten vol gewicht rond in hun blinkende wapenrusting en lieten -hun degens kletteren, trotsch als zij waren, dat zij deel mochten nemen -aan een zoo belangrijke onderneming. Treslong was onder hen een van de -vroolijksten en luidruchtigsten.</p> -<p class="par">Alleen Jan van Thoulouse stond alleen bij den -roerganger. Hij tuurde naar een grooten, zwarten boeier, met een -donkerbruin zeil, die op eenigen afstand de kleine vloot volgde. Jacob -voegde zich bij hem.</p> -<p class="par">—„Ziet gij dien boeier daar?” vraagde -de jonge aanvoerder.</p> -<p class="par">Jacob wierp een blik op het zwarte vaartuig en keek zijn -ouderen vriend aan.</p> -<p class="par">—„Dat is een spion van de -Brusselaars,” zei Thoulouse. „Van Antwerpen af heeft hij al -in ons zog gevaren. ’t Is een snelle zeiler, dat kunt ge aan zijn -bouw wel zien, en toch komt hij deze logge kagen niet -vóór. Ge kunt er op aan: Mevrouw van Parma laat ons in -het oog houden en die boeier zal haar spoedig bericht brengen van het -al of niet slagen van onze onderneming.”</p> -<p class="par">—„Waarom boort gij hem niet in den -grond?” vraagde Jacob, vol strijdlust.</p> -<p class="par">—„Hij zou het gemakkelijk ontzeilen. -Daarenboven, waartoe zouden wij ons ophouden, om jacht te maken op -zoo’n ellendige schuit. Die van Brussel mogen weten, wat wij in -het schild voeren. Want wij kunnen niet meer terug, Martens. Het is -voor ons overwinnen of sterven. Als onze onderneming mislukt, zijn wij -verloren, want men zal ons te Brussel nooit vergeven.”</p> -<p class="par">—„O, maar als wij de Zeeuwsche steden bezet -hebben, dan beheerschen wij den mond van de Schelde,” meende -Jacob, in de kracht van zijn jeugdig zelfvertrouwen, „en als -Brederode ons dan van <span class="pagenum">[<a id="pb162" href= -"#pb162" name="pb162">162</a>]</span>de landzijde steunt, zullen wij -met Mevrouwe van Parma een gunstig verding kunnen maken.”</p> -<p class="par">—„Zeker, als wij slagen. Als die Meester -Pieter Haeck niet te veel heeft beloofd. Treslong rekent op hem en -vertrouwt hem blindelings en—anderen doen dit ook. Hij is zeker -een trouw aanhanger der goede zaak, en is zijn invloed te Middelburg en -te Vlissingen zoo groot, dat hij er een ommekeer in den stand van zaken -kan teweeg brengen, dan heeft onze onderneming een schoone kans, zooals -ge zegt. Indien niet...”</p> -<p class="par">Hij zweeg een oogenblik en keek peinzend naar de -grauw-blauwe golven van de Schelde.</p> -<p class="par">—„Ik vreeze geen eerlijken -krijgsmansdood,” zei hij zacht, „maar mijn arme -vrouw!”</p> -<p class="par">—„Kom, Thoulouse,” zei Jacob -trouwhartig, „wat stemt u zoo somber vandaag? Gij, onze -aanvoerder en de ziel van onze onderneming! Ge hebt alle plannen zoo -wèl ontworpen, zoo nauwkeurig overwogen en zoo stout uitgevoerd. -Laat ge nu den moed zinken, nu we op het punt zijn te -slagen?”</p> -<p class="par">—„Ik zou het niet wagen, het aan iemand -anders te bekennen, maar ik weet, dat ik u vertrouwen kan. Begrijpt ge -niet, dat juist nu, nu de teerling is geworpen, nu alles is voorbereid -en de strijd zal beginnen, dat ik juist nu soms een bange vrees in mij -voel opkomen? Wat, als ik eens gedwaald had? Als ik al die jonge -edelen, mijne vrienden, al die dappere mannen in den dood leidde? De -Heere God weet, dat ik niet mijne eere zoek, dat ik Zijn wil heb -trachten te verstaan,—maar wat, als ik mij eens bedrogen -had?”</p> -<p class="par">—„Onmogelijk! Onze zaak is Gods zaak!” -riep Jacob vol geestdrift.</p> -<p class="par">—„Dat is zij! En ook te vallen voor Gods -zaak is eene eere!” antwoordde Thoulouse. „Vrees niet, -Jacob Martens! Als ik nu kleinmoedig ben,—in ’t gevecht -zult ge mij geen lafaard noemen! Laat ons Treslong opzoeken.” -<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name= -"pb163">163</a>]</span></p> -<p class="par">Jacob volgde den jongen aanvoerder naar de voorplecht. -De ernstige woorden van Thoulouse hadden indruk op hem gemaakt. Met al -den geestdrift en den moed der jeugd had hij zich bij de onderneming -aangesloten.</p> -<p class="par">„O, de uitslag was zeker! Mr. Pieter Haeck zou -wonderen doen in Zeeland! En dan Brederode met zijne hulptroepen en de -Duitsche benden, die door Lodewijk van Nassau heetten geworven! En de -steun van Condé en zijne Huguenoten!”</p> -<p class="par">Zoo spraken de dappere jonge edelen onder elkander, zoo -had ook Jacob Martens gesproken. Thans bedacht hij voor het eerst, dat -de krijg twee kansen heeft. Een somber voorgevoel maakte zich van hem -meester, als hij luisterde naar de schertsende groep op den voorsteven. -Hij keek onwillekeurig naar den zwarten boeier, die nog steeds op -eerbiedigen afstand de kleine vloot volgde: ’t was hem, of daar -een zwarte doodsschaduw aan kwam zweven, die weldra al dien zonnigen -jeugdigen overmoed zou komen overdekken.</p> -<p class="par">Tegen den avond veranderde de wind. De lucht begon te -betrekken en het werd guur en koud. De schepen moesten laveeren en men -vorderde slechts langzaam. De vroolijke luim van het krijgsvolk was -reeds lang voorbij. Zij, die een plaatsje konden krijgen in het -vooronder, zochten er een schuilplaats voor den guren Noord-Wester. De -anderen schoolden op het dek samen en trachtten zich zoo goed mogelijk -voor den wind te beschutten. De jonge edelen hadden zich naar de kajuit -begeven en vermaakten er zich met drinkkroes en verkeerbord. Thoulouse -verliet echter het dek niet en Jacob bleef bij hem; ook Mr. Gillis le -Clercq, een man met een verstandig uiterlijk, bleef bij den aanvoerder -en onderhield zich met hem op zacht fluisterenden toon.</p> -<p class="par">Het duister was reeds gevallen. Men was nu dicht onder -den Zeeuwschen oever en rechts vooruit ontwaarde men een rood licht; -waarschijnlijk een vuurbaak. <span class="pagenum">[<a id="pb164" href= -"#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p> -<p class="par">De schipper naderde Thoulouse en deelde hem met zachte -stem iets mede, terwijl hij op het licht wees. Haastig begaf de -aanvoerder zich naar de voorplecht, door zijne beide metgezellen -gevolgd. De schipper gaf zijn bevelen en weldra heerschte er een zekere -bedrijvigheid aan boord. Een lantaarn werd in den mast geheschen, als -sein voor de andere schepen en een paar knechten kwamen met een teerton -en een vuurpot aansjouwen. Weldra vlamde een warm rood licht op de -voorplecht op, en weerspiegelde in het donkere water der Schelde. Het -dek was thans vol; allen, officieren en manschappen, drongen naar het -rechterboord en keken uit naar den donkeren oever.</p> -<p class="par">Een oogenblik nog—en een donkerroode gloed werd -zichtbaar boven de waterlijn. Het vuursein werd van daarginds -beantwoord.</p> -<p class="par">—„Ze schijnen daar op ons gewacht te -hebben,” merkte een forschgebouwde rotmeester op, die, op zijn -hellebaard geleund, naast Jacob Martens stond en opmerkzaam naar het -vuursein scheen te turen.</p> -<p class="par">—„De Welle!” riep Jacob verrast.</p> -<p class="par">Na zijne kennismaking met Thoulouse en zijne opneming in -den kring der Geuzenedelen had hij den boschwachter een weinig uit het -oog verloren. Pieter de Welle had zich van zijn kant bescheiden -teruggetrokken, toen hij bemerkte, dat zijn „jonker” de -omgeving had gevonden, waarin hij eigenlijk behoorde. Hij had vrienden -onder zijne geloofsgenooten te Antwerpen en hij had er rustig den loop -der gebeurtenissen afgewacht. Zijne dochter had hij reeds lang te voren -in veiligheid gebracht bij hare moei te Poperingen.</p> -<p class="par">Toen de werving van krijgsvolk voor Brederode begon, had -hij gaarne het handgeld van hopman van der <span class="corr" id= -"xd24e2505" title="Bron: Aan">Aa</span> aangenomen, op voorwaarde, dat -hij dienst zou doen bij het vendel, waartoe ook jonker Martens -behoorde. De hopman had den kloeken, vastberaden man aanstonds tot -rotmeester bevorderd.</p> -<p class="par">Thans keek hij zijn jonker eens van ter zijde aan -<span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name= -"pb165">165</a>]</span>en maakte een beweging als voor een militair -saluut, maar Jacob vatte zijn hand en drukte die hartelijk.</p> -<p class="par">—„Gij ook hier aan boord, de Welle?” -zeide hij. „Daar ben ik hartelijk blij om!”</p> -<p class="par">—„Alsof ik je alleen ten oorlog zou laten -trekken, jonker,” zei de gewezen boschwachter met ruwe -hartelijkheid. „Soms bezwaart het mij, als ik denk, dat je zonder -mij nog veilig en rustig op de Vrijdaegsmarkt of op de school te Leuven -zoudt zitten. Maar dan denk ik weer: ’t Is zóó Gods -bestel geweest, dat ik den jonker moest helpen om de Paepsche dolingen -te verlaten en vrede voor zijn ziel te vinden. Dat was -zóó door den Heere God verordineerd, jonker! En nu zullen -wij gaan vechten voor de verdrukte ware Kerk van Christus, en als wij -vallen, zal het in een goede zaak zijn.”</p> -<p class="par">—„Dat zal het, Pieter!” zeide Jacob. -„Maar wij zullen nog niet vallen, man! Wij zullen den Koning en -de Gouvernante dwingen, om ons vrij exercitie van religie toe te -staan—en als het eenmaal zoover is, dan worden wij weer hunne -goede en trouwe onderdanen. En mijn vader zal ons vergeven en jij wordt -weer boschwachter en ik ga weer naar Leuven—als ik tenminste niet -vaandrig word bij een van de benden van ordonnancie, waartoe ik -zonderlinge lust gevoel. Maar, over een week of acht zijn wij misschien -weer te Gent.”</p> -<p class="par">—„God geve het!” mompelde de Welle, -terwijl hij met een vreemden trek op zijn gerimpeld gezicht zijn -jeugdigen metgezel aanzag.</p> -<p class="par">—„God geve het!” zeide Jacob -ernstig.</p> -<p class="par">Ondertusschen was het roode licht op den oever gedoofd -en ook de brandende teerton plofte sissend in de golven der Schelde. -Van den Zeeuwschen kant hoorde men het geluid van naderende -riemslagen.</p> -<p class="par">—„Zou dat die Zeeuwsche boerenverklikker -zijn, dien we aan boord moeten nemen?” vroeg de Welle, die, als -de meeste Vlamingen, niet van de Zeeuwen hield.</p> -<p class="par">—„Zeker wel! Hij zou voor Zeeburg aan boord -komen,” meende Jacob. „Daar is hij al!” <span class= -"pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span></p> -<p class="par">Een roeiboot schoot uit de duisternis naar voren en werd -door den schipper aangeroepen.</p> -<p class="par">Na een korte woordenwisseling kwam de boot langszij; de -valreep werd neergelaten, en een kort, dik mannetje stapte op het dek, -gewikkeld in een met bont gevoerden en omzoomden mantel. Het ventje -beantwoordde met een zekere nederbuigende welwillendheid den groet der -omstanders en vroeg toen met veel deftigheid onmiddellijk naar den Heer -van Thoulouse te worden geleid. Daar deze hem beleefd aan de valreep -had ontvangen, was dit niet meer noodig. Met een genadig knikje wendde -de ex-baljuw zich nu tot Marnix en begon op een beschermenden toon te -vragen naar zijn plannen, het aantal van zijn manschappen en zijn -geschut. De jonge edelen, om hun vriend en aanvoerder geschaard, -verbeten hun lachen, toen zij bemerkten, dat Mr. Pieter Haeck zichzelf -blijkbaar beschouwde als het hoofd en den leider der gansche -onderneming. Het verwaande manneke sprak met gewicht over de aanstaande -gebeurtenissen, alsof die alleen afhingen van zijn beleid; hij keurde -goed en af, berispte en prees, en maakte het eindelijk zoo bont, dat er -onder de groep, die hem omringde, reeds hier en daar een lach of een -kwinkslag werd gehoord, zoodat Thoulouse, die den Middelburger niet -wilde ontstemmen, hem haastig medenam naar de kajuit.</p> -<p class="par">—„Als die Zeeuwsche haan even goed kan -vechten als kraaien, dan belooft dat wat goeds!” bromde de Welle, -„maar ik houd niet van dat soort!”</p> -<p class="par">De komst van den baljuw had echter weer wat levendigheid -aan boord gebracht. Er werd luid gesproken en gelachen en de soldaten -hieven, na een donderend „Vive le Geus!”, dat van de andere -schepen luide beantwoord werd, een Geuzenlied aan, dat heenschaterde -over de donkere golven der Schelde en de dorpelingen van Zuid-Beveland -angstig deed vragen, wat dat ongewoon rumoer te beduiden had.</p> -<p class="par">Tegen middernacht ankerde de kleine vloot niet ver -<span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name= -"pb167">167</a>]</span>van den oever en de aanvoerders maanden de -soldaten aan, de noodige rust te nemen. Te vijf uur werden de ankers -gelicht en toen de grauwe Maartsche morgen aanbrak, zag Jacob rechts -het breede vaarwater van het Sloe, en recht voor zich uit een zwart -gevaarte, dat uitstak boven de modderbanken van den oever. Het was het -sterke fort Zeeburg, bij Rammekens, de sleutel van de Schelde.</p> -<p class="par">En nu was het oogenblik gekomen, dat Mr. Pieter Haeck -zou toonen, wat zijn invloed vermocht. Woei eenmaal de witte banier met -het roode St. Andrieskruis van het sterke Zeeburg, dan was de zaak der -vrijheid haast gewonnen.</p> -<p class="par">Hij zelf twijfelde geen oogenblik aan den goeden uitslag -van zijne tusschenkomst. Toen de kleine vloot de sterkte zoo dicht -mogelijk genaderd was, stapte hij deftig in de boot, die hem met Mr. -Gillis le Clercq naar wal zou roeien. Met gespannen aandacht keken de -Geuzen, zoo officieren als soldaten, naar de hooge wallen. Elk -oogenblik verwachtten zij het afgesproken sein te zien,—het -neerhalen van de Koningsvlag—dat hen zou waarschuwen, dat zij -konden landen en de sterkte binnenrukken, maar het eerste uur -verliep—en er was niets te zien. Vroolijk wapperde het -Bourgondische knoestkruis in den straffen Noordwester. Eindelijk, na -twee uren, verschenen de beide afgezanten op de houten werf, door een -wacht van krijgslieden begeleid. Traag roeide de boot naar het schip -terug. Toen zij naderbij kwam, stond het gelaat van Gillis le Clercq -ernstig en strak, dat van Mr. Pieter Haeck was rood van gramschap en -verlegenheid. Blijkbaar was hun zending mislukt.</p> -<p class="par">Het ging niet aan, de zaak voor het krijgsvolk geheim te -houden en het werd dan ook niet beproefd. In korte woorden gaf Mr. -Gillis le Clercq aan Thoulouse verslag van den uitslag zijner zending. -Kapitein Roeland van Ghistelle zou niemand binnen de veste laten, die -hem geen lastbrief kon toonen van den Prins van Oranje. <span class= -"pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span></p> -<p class="par">Pieter Haeck liep stampvoetend van drift het dek op en -neder.</p> -<p class="par">—„Hij is omgekocht! De verrader is -omgekocht!” schreeuwde hij. „Hij had beloofd, ons het -kasteel te leveren! Waarom brengt ge uw geschut niet aan land? Neem de -plaats met geweld!”</p> -<p class="par">Thoulouse en de andere edelen haalden de schouders op. -Al waren de meesten hunner nog nimmer in werkelijken krijgsdienst -geweest, zij leefden in een tijd, toen ieder edelman een krijgsman was -en zij wisten te wel, dat met een zoo kleine macht als de hunne een -sterkte als Zeeburg aan te vallen een roekelooze dwaasheid zou -zijn.</p> -<p class="par">Thoulouse liet de bevelhebbers der beide andere schepen -seinen, bij hem aan boord te komen, om met hem, le Clercq, Haeck en de -voornaamste edelen krijgsraad te beleggen in de kajuit.</p> -<p class="par">De zwarte boeier, die hen den ganschen nacht gevolgd -was, kruiste in het gezicht der vloot op de breede Schelde.</p> -<p class="par">De krijgsraad duurde niet lang. Was de aanslag op -Zeeburg mislukt, daarom behoefde toch—zoo meende men—het -geheele plan niet te worden opgegeven. Mr. Pieter Haeck drong er op -aan, dat men terstond naar Vlissingen zou stevenen. Dààr -was hij zeker van zijn zaak. Zijn schoonzoon en zijne vrienden uit -Middelburg hadden er voor de Geuzenpartij gewerkt. De regeering der -stad was hem genegen, en zijn aanhangers en vrienden zouden hem met -open armen ontvangen. En wie Vlissingen en zijn haven in handen had, -was meester van Walcheren.</p> -<p class="par">Hoewel de tegenslag, dien men bij Rammekens had -ondervonden, hun vertrouwen in den drukken, verwaanden Middelburger -niet weinig had geschokt, besloten de aanvoerders der Geuzen toch<a id= -"xd24e2564" name="xd24e2564"></a> zijn raad te volgen. Wat zou men al -anders doen? De geheele tocht was ondernomen om Walcheren te bezetten, -om dààr een vast steunpunt te krijgen. Mislukte -dit,—waar moest men dan heen? <span class="pagenum">[<a id= -"pb169" href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span></p> -<p class="par">Jean Denijs en de Heer van Walencourt keerden naar hunne -schepen terug, en een luid „Hoezee!” en „Vive le -Geus!” begroette het bevel om het anker te lichten en koers te -zetten naar Vlissingen, waarvan men den statigen toren boven de -troebele wateren der Westerschelde zag uitsteken.</p> -<p class="par">De schepen liepen de haven binnen met de witte kruisvlag -hoog in top. Men had afgesproken, thans stoutmoedig op te treden en -geen tijd te verspillen met nuttelooze onderhandeling. De komst van -drie groote vaartuigen met gewapenden veroorzaakte geen geringe -opschudding onder de koopvaarders, de krapschuiten en de vliebooten, -die in de haven lagen. Sommige vaartuigen borgen zich onder de -beschutting van de kanonnen der stad; een paar van de vreesachtigste -schippers kapten de ankers en liepen de haven uit, terwijl een aantal -visschers van hun bommen en buizen nieuwsgierig de beweging der vreemde -gasten volgden.</p> -<p class="par">Thoulouse zeilde de haven binnen tot onder de wallen der -vesting. Men zou er de manschappen en het geschut ontschepen en moedig -toegang eischen. Het was duidelijk, dat men in de stad hunne nadering -had bemerkt. De hooge wallen aan de havenzijde waren zwart van de -menschen, die uitzagen naar de kleine vloot. „’t Waren zijn -vrienden!” beweerde baljuw Haeck; „ze wisten, dat hij in -aantocht was en ze waren daar om hem, den teruggekeerden balling, te -begroeten.” Hij zwaaide met zijn hoed en deed alles, om de -aandacht der starende burgers te trekken.</p> -<p class="par">Ondertusschen stond Pieter de Welle naast Thoulouse en -Jacob Martens het gewoel op de wallen gade te slaan. Zijn scherpe -jagersoogen merkten alles op; het was duidelijk aan hem te zien, dat -hij de algemeene vreugde en opgewondenheid niet deelde. Plotseling -keerde hij zich om en keek den druk gesticuleerenden Pieter Haeck -aan.</p> -<p class="par">—„Met verlof, Heer baljuw,” zeide hij, -„uw vrienden schijnen ons daar warm te willen ontvangen. Ik -<span class="pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name= -"pb170">170</a>]</span>zie duidelijk, dat ze daar op de wallen met het -geschut bezig zijn.”</p> -<p class="par">—„Onmogelijk, man!” zei Mr. Pieter -Haeck haastig. „Mijn schoonzoon zou nimmer dulden... Of misschien -zijn ’t saluutschoten, die ze willen lossen!” voegde hij er -vol hoop bij.</p> -<p class="par">De woorden van den rotmeester waren door Thoulouse, -Treslong en eenige der andere edelen verstaan. Allen keken met -inspanning naar het bastion, waar een groep mannen ijverig aan den -arbeid scheen. Men naderde meer en meer, de omtrekken werden -duidelijker—daar flikkerde een dofroode vlam in een wolk van -witten rook op het bastion, de doffe donder van den slag dreunde over -de haven en een kanonskogel vloog gierend over den kaag heen.</p> -<p class="par">—„Wat is dat?” riep Mr. Pieter Haeck -verbijsterd.</p> -<p class="par">—„Een saluutschot van uw schoonzoon -denkelijk,” zeide de Welle droogjes.</p> -<p class="par">Nog een oogenblik—en een tweede schot daverde over -het water. De kogel sloeg krakend in den romp van het schip en wondde -een paar soldaten. Blijkbaar wilde Vlissingen zich verdedigen: de -vrienden van den ex-baljuw waren op zijn bezoek niet gesteld, of zij -hadden de burgers niet kunnen belezen, hem en zijne medestanders te -ontvangen.</p> -<p class="par">Een oogenblik stond Thoulouse besluiteloos. Met strakken -blik staarde hij naar de wallen der stad, waarvan hij zoo veel had -gehoopt. Terugtrekken? Het plan opgeven? Maar dan—dan was alles -vergeefsch geweest; dan was het gedaan met de zaak der vrijheid. En dan -was er voor hem en allen die met hem waren geen andere uitkomst dan de -ballingschap of het schavot.</p> -<p class="par">—„Wij moeten wenden, Thoulouse,” riep -Treslong, toen een derde schot het grootzeil doorboorde, „als zij -den mast treffen, is het met ons gedaan. Zie, de Walencourt -vlucht!”</p> -<p class="par">Het was zoo! De kaag, door den Huguenoot gecommandeerd, -<span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name= -"pb171">171</a>]</span>had den steven gewend en de zeilen omgebrast. -Alleen het vaartuig van Jean Denijs volgde hen onder klein zeil. Op het -bastion was men ijverig bezig met de kartouwen, blijkbaar om, als het -noodig was, de stad bij te staan. De schipper trad met een angstig -gezicht op den aanvoerder toe en het scheepsvolk stond daar met -donkere, dreigende blikken al mompelend bijeen.</p> -<p class="par">Toen gaf Thoulouse met een zucht bevel het roer te -wenden. Met gebogen hoofd verliet hij het dek en begaf zich naar de -kajuit, terwijl de schipper haastig zijn bevelen gaf.</p> -<p class="par">Van de schepen, die in de haven voor anker lagen, ging -een luid en spottend gejuich op, toen men de Geuzen zag aftrekken en de -slangen van het bastion bulderden nog eens en zonden hun kogels na, die -echter, zonder schade aan te richten, over de schepen heen vlogen.</p> -<p class="par">Juist toen de kaag van Thoulouse de Schelde weer -opstevende, schoot een zwarte boeier haar op een paar scheepslengten -voorbij. Jacob Martens, die met Treslong bij het roer stond, zag -plotseling een jonkman in schippersdracht op de verschansing springen -en met zijn muts wuiven.</p> -<p class="par">—„Adieu, Jacques,” klonk het spottend; -„hebt ge soms een boodschap voor joffer Madeleine?”</p> -<p class="par">—„Thierry!” riep Jacob, die de -spottende, scherpe, stem herkende.</p> -<p class="par">—„’t Is die satansche spion van die -van Brussel!” riep Treslong geërgerd. „Hei daar! -arquebusiers daar voor op den boeg, aan de lont! Zend dien schreeuwer -daar eens een paar kogels toe!”</p> -<p class="par">Een paar soldaten grepen naar hunne haakbussen en -bliezen op de lont. Inderdaad werden er een paar schoten op den -wegzeilenden boeier gelost, maar ze schenen er niemand te treffen. De -bemanning schreeuwde en jouwde en zwaaide uitdagend met de mutsen, en -het vlugge vaartuig danste voort over de golven, om aan de regeering te -Brussel het welkome nieuws te <span class="pagenum">[<a id="pb172" -href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span>gaan brengen, dat de aanslag -der Geuzen was mislukt en dat Vlissingen den Koning was trouw -gebleven.</p> -<p class="par">Het had niet veel gescheeld, of Mr. Pieter Haeck, wiens -verwaandheid al zoo’n gevoeligen schok had gekregen, was door de -verbitterde soldaten eenvoudig buiten boord gezet, om, zooals zij -zeiden, naar Walcheren te zwemmen, en er, met behulp van zijn -schoonzoon, het eiland te veroveren. Treslong en een paar der andere -edelen wisten hen echter tot rede te brengen. Nog heette alles niet -verloren. Met het opkomen van den vloed zou men het Sloe instevenen en -een poging wagen, om zich in Arnemuiden te nestelen. Wel was die stad -van veel minder belang dan Vlissingen, maar als men ten minste maar -ergens vasten voet had gekregen, dan kon men den loop der -gebeurtenissen afwachten. Men seinde de beide andere schepen, maar deze -zagen de seinen niet, of wilden ze niet zien. Men zag ze, langs den -oever van Zuid-Beveland koersend, de Schelde weder opvaren. De kaag van -Thoulouse slechts zeilde het Sloe op.</p> -<p class="par">Den volgenden dag liet een groot, sterk bemand kaagschip -het anker vallen voor het dorpje Austruweel, ongeveer een uur van -Antwerpen verwijderd. Het was het vaartuig van Thoulouse. Ook voor -Arnemuiden had men het hoofd gestooten en diep ontmoedigd keerde men -terug. Nu de onderneming was mislukt, wist men niet waarheen zich te -wenden. Waar zou men vluchten voor de wraak der Regeering? De edelen -zouden wellicht een wijkplaats hebben kunnen vinden,—voor een -tijd althans—op hunne landgoederen, of bij Brederode te Vianen, -maar Thoulouse, Treslong en al hun metgezellen wilden hunne -krijgsmakkers niet in den steek laten. Zoo werd dan koers gezet naar -Antwerpen. Dààr was nog redding mogelijk. Als Antwerpen -met zijn acht duizend Calvinisten hun partij koos, als Vlaanderen en -Brabant te wapen vlogen, dan kon nog alles zich ten goede wenden. Een -visscher beloofde voor een ruime belooning de andere schepen -<span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" name= -"pb173">173</a>]</span>op te zoeken, en hun het bevel van Thoulouse -mede te deelen, hem zoo spoedig mogelijk te volgen.</p> -<p class="par">De boeren van Austruweel zagen met schrik, hoe de -krijgslieden zich ontscheepten en het zich in hunne hoeven gemakkelijk -maakten. De meesten schikten zich zorgeloos in de omstandigheden: wat -er van dit alles worden moest, wisten zij niet. Daar moesten de heeren -voor zorgen. En Thoulouse met zijn kleinen staf wachtte angstig op -tijding uit Antwerpen, waarheen men terstond vertrouwde personen op -kondschap had uitgezonden.</p> -<p class="par">In den ochtend van den volgenden dag zag Jacob Martens, -wiens plicht het was, de wachten te inspecteeren, van de zijde van -Antwerpen een der stadsschepen naderen. De vlag met het wapen der stad -wapperde aan den mast en bewees, dat er aanzienlijke personen aan boord -waren. Het schip legde aan, een paar personen gingen in de boot en -weldra stapten een viertal heeren aan land, vergezeld van een der -stadsboden. Het waren een edelman uit het huis van Oranje, de Heer van -Austruweel, benevens twee leden van de vroedschap in hunne met bont -gevoerde tabberds, die zich aanstonds aan Jacob bekend maakten, als een -gezantschap van de Antwerpsche Magistraat, en verzochten voor de -aanvoerders van het hier gelegerde krijgsvolk te worden geleid. Toen -zij bij Thoulouse waren gebracht, nam de zendbode van Oranje een -grooten, verzegelden brief van den stadsbode over en overhandigde dien -aan den aanvoerder, die hem, door zijn vrienden omringd, ontving. -Thoulouse las het schrijven en verbleekte.</p> -<p class="par">—„Zeg aan den Markgraaf en de -Magistraat,” zeide hij, „dat wij hunne bevelen zullen -gehoorzamen.”</p> -<p class="par">Toen de afgezanten vertrokken waren en allen hem vragend -aankeken, reikte hij den brief aan Treslong over.</p> -<p class="par">—„Oranje laat ons los!” zeide hij met -doffe stem. „God helpe ons en onze mannen, die wij in den dood -hebben gevoerd. Lees den brief voor, Jan!” <span class= -"pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name="pb174">174</a>]</span></p> -<p class="par">—„Wij Willem, door de genade Gods Prins van -Oranje, Graaf van Nassau, enz.,” zoo las Treslong voor in het -Fransch, „en wij Anthonie van Lalaing, Graaf van Hoogstraten, en -wij, Burgemeesters, Schepenen en Raad der Stad Antwerpen, geven te -kennen, dat, dewijl ons ter oore gekomen is, hoe verscheidene soldaten -en oorlogslieden in den omtrek dezer stad, in het dorp Austruweel, zijn -vergaderd, in strijd met de bevelen van wege Zijne Majesteit in deze -stad uitgevaardigd, wij hebben bevolen en bevelen bij dezen -uitdrukkelijk, hun van onzentwege te verklaren en te gelasten, dat zij -binnen twee of drie uren, na kennisgeving dezes, van de plaats moeten -vertrekken, waar zij zich thans ophouden en zich te wachten van in de -omliggende dorpen te vergaderen of volk te werven op straffe van -’s Konings ongenade; en in geval van weigering of tegenkanting, -hun te verklaren, dat wij, in het belang des Konings en van deze stad, -genoodzaakt zullen zijn, geweld tegen hen te gebruiken.”</p> -<p class="par">Men zag elkander aan. Na dezen brief was er van -Antwerpen niets meer te hopen.</p> -<p class="par">Er werd haastig krijgsraad belegd en men besloot in -schijn aan het bevel te gehoorzamen, maar posten achter te laten, om de -bemanning der beide andere schepen te waarschuwen, die elk oogenblik -konden verschijnen. Was men weer bijeen, dan zou men nader -beraadslagen.</p> -<p class="par">De trommels roffelden en weldra was het kleine legertje -marschvaardig. Het verliet Austruweel en rukte westwaarts op. Voor de -nacht echter was gevallen, had men reeds bericht, dat de twee andere -schepen in ’t zicht waren, en men keerde terug naar Austruweel om -hen af te wachten. De bemanning kwam aan land, en Thoulouse vernam van -Denijs en de Walencourt, dat men tevergeefs had beproefd bij Baarslag -op Zuid-Beveland te landen. De bewoners der omliggende dorpen hadden -zich met de wapens verzet.</p> -<p class="par">Den volgenden dag kwam er weder een boodschapper -<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name= -"pb175">175</a>]</span>van den Antwerpschen Magistraat, met den last, -onmiddellijk te vertrekken, en de Geuzen, thans vereenigd, en een -klein, maar welgewapend legertje vormende, rukten op in de richting van -Merxem en Deurne.</p> -<p class="par">Het scheen werkelijk een oogenblik, of de kansen -keerden. Het volk van Vlaanderen en Brabant, dat met verontwaardiging -de slachting bij Watrelos en Lannoy had vernomen, dat met spanning den -strijd gadesloeg van hunne broederen te Valenciennes, werd met blijde -hoop vervuld, toen een leger in hun midden verscheen, onder aanvoering -van edellieden, die zij kenden en vereerden. Van alle kanten kwamen -recruten aanstroomen, die door Thoulouse en Treslong gretig werden -ontvangen. Weldra was het legertje vijftien- à zestienhonderd -man sterk. Velen kwamen gewapend en voor de anderen vond men wapenen in -de landhuizen en de kasteelen, die men plunderde. Op dezelfde wijze -voorzag men zich van mondbehoeften.</p> -<p class="par">Zoo het aantal der Geuzen nu was toegenomen, het gehalte -was er niet op verbeterd. Allen, die zich wilden laten aanwerven, -werden aangenomen, en daaronder waren er, die zich blijmoedig wilden -offeren voor de zaak der vrijheid en de Kerke van Christus, maar er -waren ook vele boeven en avonturiers, die zich bij de legerbenden -aansloten, met de bedoeling om te rooven en te plunderen en te leven op -den boer. Weldra konden de aanvoerders de krijgstucht niet meer -handhaven onder de woeste bende. Overal waar zij doortrokken, werden de -kerken geplunderd en de beelden verbrijzeld; de geestelijken werden -mishandeld. De soldaten plunderden hunne huizen en persten hun geld af. -De krijgstocht, zoo moedig begonnen, leek een rooftocht. Toch hield -Thoulouse vol. Er kwamen geruchten van hulpbenden uit Duitschland, door -graaf Lodewijk van Nassau geworven. De Duitsche vorsten, heette het, -wilden helpen. Weer sloeg men het oog op Antwerpen en op Oranje. En -toen de aanvoerders hoorden, dat de Landvoogdes troepen tegen hen zou -zenden, besloten <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" -name="pb176">176</a>]</span>zij terug te keeren naar Austruweel. -Dààr konden zij een sterke positie vinden. De rivier zou -hun den rug dekken, een groot moeras beveiligde hun rechtervleugel en -men zou ijlings aarden versterkingen opwerpen. Zoo zou men den vijand -in ontzag houden, tot de beloofde Duitsche vendels er waren,—en, -als het er op aan kwam,—zoo hoopte men heimelijk—zouden de -Antwerpsche Gereformeerden toch zeker hunne broeders bijspringen.</p> -<p class="par">En zoo was het Geuzenlegertje den 11den Maart weder te -Austruweel gelegerd, en weldra werkte men ijverig aan de aarden wallen, -die het kamp tegen een overval van de Regeeringstroepen zouden moeten -beschermen.</p> -<p class="par">Het was de avond van den 12den Maart, en Jacob Martens, -thans tot vaandrig bevorderd, en getooid met sluiersjerp en degen, de -teekens van zijn rang, vergezelde Thoulouse naar de versterkingen. Het -kamp der Geuzen leverde een eigenaardig schouwspel op: een gedeelte der -troepen was in het dorp en de nabijgelegen hoeven ingekwartierd, maar -het grootste gedeelte was gekampeerd om groote vuren, die men in de -dorpsstraat had aangestoken, en die gevoed werden met het hout van -afgebroken schuttingen, schuren en stallen. Allerlei eigenaardige -tooneelen zag men bij den rossen gloed der vlammen. De soldaten, in -allerlei wapenrusting, zonder uniform, maar allen met het wit-en-roode -veldteeken der Geuzen om den arm, brachten hunne wapenen in orde of -zaten in schilderachtige groepen bij elkander. Men kon hier goed -waarnemen, uit welke verschillende elementen het legertje was -samengesteld. Hier zag men eenige Gereformeerden uit Antwerpen, echte -„precisen”, zooals men ze in het Noorden noemde, die zich -stichtten met een psalm van Dathenus; daar waren het een paar -avonturiers uit het Luiksche, die zich vermaakten met bierkroes en -verkeerbord, terwijl zij met onverschillige of spottende blikken de -zingende ketters gadesloegen; <span class="pagenum">[<a id="pb177" -href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span>wat verder waren een paar -verdachte gestalten in de donkere schaduw van een muur bezig met het -verdeelen van kleederen en huisraad, een buit, dien zij waarschijnlijk -den een of anderen armen boer hadden afhandig gemaakt; elders zag men -de strenge, donkere koppen van eenige Huguenoten, met aandacht -luisterend naar het Woord Gods, dat een hunner bij het licht van het -vuur hun voorlas. Voor de dorpssmidse verdrong zich een bonte menigte: -daar smeedde en hardde men speerpunten en klonk ze aan lange stokken, -om er de pas geworven manschappen mede te wapenen. Men zag er tierende -en scheldende vrouwen, die er twistten met de lachende soldaten, om -kippen of spek, die men haar ontstolen had. Het was een tooneel vol -leven en bedrijvigheid, schilderachtig verlicht door de hoog -opvlammende houtvuren.</p> -<p class="par">Buiten het dorp gekomen, richtten de beide jonge mannen -zich naar de aarden verschansingen, waaraan nog ijverig werd gewerkt -bij het licht van een paar teertonnen en toortsen van oud geteerd touw. -Thoulouse inspecteerde het werk, terwijl hij hier en daar een bevel of -een terechtwijzing gaf. Hij keek naar de stelling van de vier ijzeren -veldstukjes, welke de geheele artillerie van het Geuzenlegertje -uitmaakten, en hij wees Jacob aan, hoe zij den breeden landweg -bestreken.</p> -<p class="par">—„Gij zult met de helft van uw vendel hier -na middernacht de wacht betrekken, Jacques,” zeide hij; „ik -weet, dat ik mij op u kan verlaten. Zorg er voor, dat uwe schildwachten -waakzaam zijn.”</p> -<p class="par">—„Ik zal mijn best doen, Thoulouse,” -antwoordde Jacob, verheugd over het bewijs van vertrouwen, hem -geschonken; „de dagen beginnen al mooi te lengen en het is helder -weer. Het zal spoedig dag worden.”</p> -<p class="par">—„Ja, het zal spoedig dag worden!” zei -Thoulouse peinzend. Jacob zag hem vragend aan.</p> -<p class="par">—„Het zal nu spoedig blijken, wat wij zijn, -Jacques,” ging de jonge aanvoerder voort; „men zal ons -redders <span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name= -"pb178">178</a>]</span>des volks noemen, of oproermakers en rebellen -tegen den Koning, al naar dat de uitslag is van onzen strijd. Gods -wegen zijn niet onze wegen. De aanslag op Zeeland mislukte, maar als de -vendels uit Duitschland ons intijds bereiken,—als wij, vereenigd -met die van binnen, Antwerpen kunnen bezetten, dan zou het een zegen -zijn, dat ons eerste plan mislukte. Dan zal heel Vlaanderen en Brabant -en het Markgraafschap opstaan en de Regeering zal moeten bukken. Maar -zal dat het einde zijn?”</p> -<p class="par">—„Zie, Jacques,” zoo ging hij voort; -„het zal nu in elk geval tot een treffen komen. Onze vrienden te -Brussel melden ons, dat er troepen tegen ons worden gezonden en wij -zullen hier stand houden. Mocht ik vallen in den strijd en mocht gij -ontkomen, breng dan, zoo gij kunt, dit medaillon aan mijne vrouw te -Antwerpen, en zeg haar, dat ik ben gestorven als een goed Christen, -mijn hope alleen stellende in de verdienste van mijn Heer en Heiland, -en met mijn liefde voor haar in het harte.”</p> -<p class="par">—„Waarom toch die sombere gedachten, -Thoulouse?” vraagde Jacob. „Waarom zoudt gij juist vallen? -Denk er liever aan, hoe trotsch en blijde de Vrouwe van Thoulouse u zal -ontvangen, als gij terugkomt als de redder des lands en der verdrukte -Kerke.”</p> -<p class="par">—„Zoo God wil, vriend!” zei de -aanvoerder. „Ge weet, reeds bij het begin van onzen tocht had ik -een somber voorgevoel. Misschien hebt gij gelijk,—maar neem het -medaillon en beloof mij, dat gij doen zult, wat ik van u vraag, indien -het in uw macht staat.”</p> -<p class="par">Jacob nam het medaillon met een stillen handdruk en de -beide jonge mannen keerden naar het dorp terug. Jacob zocht zijn -kwartier op, om nog eenige uren te slapen, voor hij de wacht moest -betrekken.</p> -<p class="par">Te middernacht werd hij gewekt door Pieter de Welle, die -het halve vendel piekeniers reeds had doen aantreden, en door de nu -stille dorpsstraat, langs de smeulende vuren, waarom de soldaten in -allerlei houdingen <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" -name="pb179">179</a>]</span>lagen te ronken, marcheerde men naar de -halfvoltooide aardwerken. Na van zijn luitenant, die de wacht had, -vernomen te hebben, dat er zich niets verdachts had voorgedaan, maakte -de jonge vaandrig zich tot zijn wacht gereed. Het halve vendel, dat hij -had afgelost, was spoedig in de duisternis verdwenen. De soldaten, -grootendeels recruten, waren blijde, dat zij hunne warme kwartieren -konden opzoeken. Jacob luisterde een oogenblik naar de zich -verwijderende voetstappen en begon toen zijne schildwachten uit te -zetten, terwijl zijne andere manschappen zich legerden achter den half -voltooiden aarden wal. De jonge vaandrig beklom met de Welle het -ravelijn, waar de vier veldslangen in batterij stonden, en staarde naar -het stille landschap, dat zich daar zoo vredig uitstrekte in het -maanlicht. Achter hem lag het dorp en het kamp, hier en daar grillig -verlicht door den rossen gloed der houtvuren, terwijl de duizenderlei -geluiden, die er uit opstegen, zich met het bruisen van de Schelde -vereenigden tot een dof gerucht. Vóór hem was alles -schaduw en stilte. Slechts het dof gehuil van een werfhond klonk uit de -verte over de eenzame vlakte, en—van tijd tot tijd—het -eentonig geroep der schildwachten, die, volgens het consigne, elkander -aanspoorden tot waakzaamheid. De woorden van Thoulouse hadden een -diepen indruk op hem gemaakt. Wat zouden de eerste dagen hem brengen? -Zou hij hier sneuvelen in een onbeduidende schermutseling, een rebel -tegen het gezag van zijn wettigen landsheer, of zou zijn naam weldra -met eere genoemd worden onder de bevrijders zijns volks? Hij dacht aan -de tooneelen van ruw geweld, van brooddronken vernielzucht, die hij in -de laatste dagen had bijgewoond, en die de Geuzenaanvoerders niet -hadden kunnen, en soms ook niet hadden willen verhinderen. O, de zaak, -die hij diende, was de zaak des Heeren, de zaak der vervolgden en -verdrukten daarginds; onder die ruwe soldaten waren zeker ook mannen -Gods, eenvoudige burgers en <span class="pagenum">[<a id="pb180" href= -"#pb180" name="pb180">180</a>]</span>landlieden, die alles hadden -verlaten, om die heilige zaak te dienen en er voor te sterven, als het -zijn moest. Maar dat waren zij niet allen. Waarom werd die schoone, -heilige zaak al aanstonds bevlekt door zooveel, dat onrein en onheilig -was? Waarom duldden Thoulouse en Treslong die woeste plunderaars, dien -lichtzinnigen hoop avonturiers, in hunne gelederen? Was het niet beter, -te strijden met een Gideonsbende van vrome, ernstige mannen,—om -te overwinnen of onder te gaan, als het Gods wil was, dan -zóó het schoone, reine ideaal der vrijheid te -bezoedelen?</p> -<p class="par">De stem van Pieter de Welle wekte hem uit zijne -mijmering.</p> -<p class="par">—„Zou het nu eindelijk waar zijn, jonker, -dat de Duitsche vendels in aantocht zijn?” vraagde de rotmeester. -„Ze spreken er over in het kamp en ze zeggen, dat het zeker is. -De jonker woont als officier den krijgsraad bij en heeft allicht meer -gehoord, dan wij, arme drommels.”</p> -<p class="par">Jacob kon hem niets stelligs mededeelen. Er liepen -geruchten, dat Lodewijk van Nassau en Nicolaas de Hames met troepen in -aantocht waren, maar zelfs de officieren wisten niets met zekerheid. De -Welle trok een bedenkelijk gezicht.</p> -<p class="par">—„Ik zou met mijn domme verstand zeggen, dat -de adellijke heeren, die ons aanvoeren, wel beter hunne plannen hadden -mogen maken, vóór zij begonnen!” mompelde hij.</p> -<p class="par">Jacob kon hem geen ongelijk geven. Inderdaad getuigde de -geheele onderneming meer van moed en geestdrift, dan van krijgsbeleid, -meer van een rekenen op mogelijke kansen, dan van een weloverlegd -plan.</p> -<p class="par">—„Ik mag lijden, dat de vendels bijtijds -komen,” ging de Welle voort, „want zie, jonker, die kerels -daarginds zijn tegen geregelde troepen niet veel waard. Als die van -Brussel verstandig zijn, en goede soldaten tegen ons uitzenden, -vóór wij versterking hebben gekregen, dan loopt het -mis.” <span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name= -"pb181">181</a>]</span></p> -<p class="par">—„Wij vechten voor Gods zaak en voor Zijn -Woord, de Welle!” zeide Jacob.</p> -<p class="par">—„Voorzeker, jonker! Maar de Heere God -beproeft ook Zijn volk, als het zijn moet. Hij overwint soms met zwakke -middelen,—maar dan waren het Zijn middelen. En als er nu niet een -Simson opstaat, om ons te verlossen van de Filistijnen... Zie, jonker, -ik heb bij St. Quentin gevochten en ik weet, wat de oorlog is en ik zeg -u, dat de kerels daarginds bij den eersten aanstorm van een paar -vendels landsknechten als een kudde schapen uiteen zouden stuiven. En -nu, jonker, nog een woordje. Ik voel mij soms bezwaard, dat ik u hielp -vluchten uit het klooster. Ge zoudt er veilig zijn geweest. Ik dacht -toen, dat onze heeren beter wisten, wat ze eigenlijk wilden, en het is -mij soms, als zou ik uw dood op mijn geweten hebben, als ge kwaamt te -vallen. Vergeef mij dat, jonker!”</p> -<p class="par">Er kwam een vreemde trek op het gerimpelde gezicht van -den ouden boschwachter. Zijne lippen trilden. Jacob vatte zijn -hand.</p> -<p class="par">—„Ik heb je niets te vergeven, de -Welle,” zei hij trouwhartig. „Ik dank je, voor wat je -gedaan hebt. Liever val ik in een eerlijken strijd, dan dat ik zien -moet, hoe dit arme volk wordt gemarteld en verdrukt, terwijl ik een -leven van gemak en genot zou leiden. Waarom is mijn leven meer waard -dan het jouwe, en dat van zoovelen onzer makkers, die óók -alles verlaten hebben voor de goede zaak? Nog eens, ik dank je voor wat -je voor mij gedaan hebt, de Welle, en, moet ik vallen, breng dan mijne -groeten aan mijne ouders, aan mijne lieve zuster, en—en aan -joffer de Bette, en zeg hun, dat ik gedaan heb wat ik moest, maar dat -ik ze allen heb liefgehad tot mijn laatste oogenblik. En voor het -overige,—wij zijn in Gods hand!”</p> -<p class="par">—„Amen, jonker,” zeide de Welle -ernstig, „zóó is het goed. En nu, de nacht is nog -lang en ’t zal morgen een vermoeiende dag zijn. Ik ben aan het -waken gewoon. Als de jonker nu eens een paar uur ging <span class= -"pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name= -"pb182">182</a>]</span>rusten? Als er iets voorvalt, zal ik u terstond -roepen.”</p> -<p class="par">Jacob liet zich overhalen. Hij vond een beschut plekje -achter een paar schanskorven, wikkelde zich in zijn mantel en sliep -weldra rustig in. Hij droomde, dat hij in den hof van het ouderlijk -huis was. Hij zocht er Madeleine en Klaartje, die zich verstopt hadden; -hij hoorde het zacht gelach der meisjes, die zich achter de hooge -palmstruiken verscholen hadden. Hij wilde er heen snellen, maar een -hand greep hem bij den schouder. Hij zag om, het was Thierry de St. -Foy, die hem grijnzend vastgreep. Hij worstelde om los te komen, maar -de ander hield hem vast en schudde hem,—en hij werd wakker.</p> -<p class="par">—„Jonker! jonker!” riep de stem van de -Welle, die hem wakker schudde. „Kom, er is onraad!”</p> -<p class="par">Jacob vloog overeind en volgde den rotmeester op het -ravelijn. De dag begon aan te breken, maar de dichte morgennevels -bedekten het lage land. De Welle snoof de frissche lucht krachtig op, -terwijl zijn scherpe oogen naar het Noord-Oosten tuurden, als wilden -zij den mist doordringen.</p> -<p class="par">—„Ruikt ge niets, jonker?” vraagde -hij.</p> -<p class="par">Een vreemde, flauwe lucht, als van geschroeid vet, kwam -op het scherpe Noordenwindje tot hen. Jacob kende dien reuk. ’t -Was die van smeulende lonten. Het kon niet uit het kamp komen, dat -beneden den wind lag. Daarginds naderden soldaten. Maar waren het -vrienden of vijanden? Zie, nu werd ook een der schildwachten, een -oud-gediende, die bij St. Quentin en Grevelingen had gevochten, -opmerkzaam en keek vragend naar den vaandrig en den rotmeester op.</p> -<p class="par">—„Als ge ’t goedvindt, jonker,” -zeide de Welle, „zal ik een paar man nemen, en op verkenning -uitgaan.”</p> -<p class="par">Jacob stemde toe; de Welle koos een paar mannen uit en -verdween met hen in den nevel, terwijl een korporaal naar het dorp werd -gezonden, om Thoulouse te waarschuwen. De jonge vaandrig bleef op de -verschansing en trachtte den nevel met zijne blikken <span class= -"pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>te -doorboren. Weldra vernam hij het onbestemd gerucht van de nadering van -een groote menschenmassa, maar hij kon nog niets onderscheiden.</p> -<p class="par">Na een groot half uur kwamen de verkenners terug. Er -naderde inderdaad een groote troepenafdeeling, zoo berichtten zij; -’t waren verscheidene vendels, zoowel landsknechten als -arquebusiers en ze hadden ook geschut bij zich, maar of het vrienden of -vijanden waren konden ze niet zeggen. De vendels marcheerden met -opgerolde vaandels. Alleen een der soldaten, een burger van Antwerpen, -die zich het verst vooruit had gewaagd, wist te vertellen, dat het -Duitsche voetknechten waren, en dat hij Heer Nicolaas de Hames, dien -hij dikwijls te Antwerpen had gezien, duidelijk had herkend.</p> -<p class="par">Er waren inmiddels soldaten uit het dorp komen toeloopen -en terstond verspreidde zich de tijding door het kamp: „Het waren -de Duitsche hulptroepen, die daar naderden; men had ze -herkend.”</p> -<p class="par">En nu bleek het duidelijk, hoe weinig krijgstucht er -heerschte onder dien bijeengeraapten troep krijgsvolk. Tevergeefs -roffelden de trommen en gaven de hoplieden hunne bevelen. Slechts de -vendels, die te Antwerpen waren geworven, schaarden zich om hunne -vanen; de overigen snelden naar de borstwering, en onder luid gejoel en -met een luidruchtig „Vive le Geus!” werden de vermeende -bondgenooten afgewacht.</p> -<p class="par">Jacob stond naast Thoulouse op het ravelijn. Het -aangezicht van den aanvoerder gloeide van spanning en blijde hoop. Toch -gaf hij bevel aan zijne officieren, om hunne soldaten tot hun plicht te -roepen. Maar het was hem aan te zien, dat hij overtuigd was, dat de -Antwerpenaar goed had gezien. Dààr kwamen de Duitschers: -alles zou nog goed komen!</p> -<p class="par">En nu trokken de morgennevels op en men kon de naderende -vendels onderscheiden, die daar zwijgend aanrukten met opgerolde vanen. -De punten der pieken flikkerden in de Maartsche morgenzon. Zij kwamen -<span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name= -"pb184">184</a>]</span>nader en nader, onder het luid gejubel der -Geuzen. Ze waren al op een musketschots afstand. Voorop marcheerde een -vendel piekeniers, met stalen stormhoeden en blinkende borstkurassen. -„Ha! vive le Geus! dàt waren de dappere Duitsche -landsknechten!”</p> -<p class="par">Een luid commando klonk, het vendel verdeelde zich, -zwenkte links en rechts en door de opening in de gelederen kwamen in -den looppas andere soldaten, met roode wapenrokken en roode pluimen op -de breedgerande hoeden. Ze waren gewapend met haakbussen, zware -lontgeweren, die bij het schot op een vork of haak werden gelegd. Op -het gezicht van die mannen veranderde het gelaat van Thoulouse. Dat was -verraad! Dat waren de arquebusiers van de lijfwacht der Landvoogdes. -Hij wilde een bevel geven,—maar reeds hadden de schutters zich in -twee gelederen geschaard, reeds vielen de lompe vuurwapenen op de -ijzeren haken,—één oogenblik nog en een daverend -salvo klonk en een hagelbui van kogels sloeg onder de verschrikte -Geuzen.</p> -<p class="par">En tegelijk ontplooiden zich de vaandels en ze -vertoonden het Spaansche knoestkruis; de arquebusiers weken en in -gesloten gelederen rukten de piekeniers voorwaarts, onder het -veldgeschrei der Regeeringstroepen: „Vive le Roy! Slaet dood! -Slaet dood!”</p> -<p class="par">Het was Heer Philip de Lannoy, Heer van Beavoir, met -zijne troepen, door de Landvoogdes gezonden, om den opstand te -dempen.</p> -<p class="par">Er heerschte een onbeschrijfelijke verwarring onder de -Geuzen. De meesten vluchten naar het dorp terug en slechts weinigen -schaarden zich om Thoulouse, om de verschansingen, zoo mogelijk, nog te -verdedigen. Dit bleek echter alras ondoenlijk. De vijand had thans zijn -volle macht kunnen ontwikkelen en tastte nu van drie zijden het kamp -aan. Het dappere, maar kleine troepje dreigde te worden afgesneden. -Pieter de Welle, die zijn vaandrig niet had willen verlaten, zag het -gevaar, waarin de Geuzenaanvoerder met zijn getrouwen <span class= -"pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name= -"pb185">185</a>]</span>verkeerde. Weinige schreden van hem af stonden -de veldstukken, die door de kanonniers verlaten waren, zonder dat er -een schot was gelost. Een nog smeulende lontstok lag naast de geladen -kanonnen. De Welle greep de lont op en een oogenblik later donderden de -vier schoten over de vlakte. De stukken waren niet gericht en de -losbranding deed den vijand weinig schade, maar de aanvallers werden -een oogenblik in hun vaart gestuit en Thoulouse slaagde er in, met de -zijnen het dorp te bereiken. Hij vond er zijn eigen vendel, dat zich op -een boerenerf zoo goed mogelijk had verschanst, en hij, Jacob Martens -en een edelman uit het geslacht der van Boetzelaers stelden zich aan -het hoofd van deze dappere mannen, om zich tot het uiterste te -verdedigen.</p> -<p class="par">Van een geregelden tegenstand was trouwens geen sprake -meer. De Geuzen waren wel sterker in getal, dan hun aanvallers, maar -zij waren overvallen en terstond in verwarring gebracht. Hier en daar -hadden zij zich verschanst in de woningen en schuren van het dorp en -zij boden een verwoeden tegenstand, want zij wisten, dat zij vochten -voor hun leven! De soldaten van Lannoy hadden in last, geen kwartier te -geven, en zij gehoorzaamden trouw aan dat bevel. De vluchtende Geuzen -werden zonder genade neergehouwen of doorstoken.</p> -<p class="par">Thoulouse had een aantal busschieters post doen vatten -voor de vensters der boerenwoning en door hun vuur wisten zij een poos -lang de piekeniers op een afstand te houden, die dekking moesten zoeken -in de naburige huizen, maar nu verschenen de Brusselsche arquebusiers, -en de zware kogels hunner haakbussen sloegen door deuren en -vensterluiken en doodden of verwondden de schutters der Geuzen. De -piekeniers rukten voorwaarts met gevelde speren, het vendel van Marnix -deed een uitval en op het erf voor de hoeve ontstond een moorddadig -gevecht.</p> -<p class="par">Van uit het dakvenster der hoeve wierp Thoulouse -<span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name= -"pb186">186</a>]</span>een wanhopigen blik naar Antwerpen, waarvan de -torens, ja zelfs de hooge muren nog door den rook waren te -onderscheiden. Zou er geen ontzet komen opdagen? Men moest er het -schieten gehoord hebben; men moest er weten, dat hij en de zijnen -werden vermoord. Zouden de Gereformeerden van Antwerpen hunne broeders -laten slachten? Hoorde hij niet het roffelen der trommen van de dappere -Antwerpsche schutterij?</p> -<p class="par">Helaas, de hooge muren daarginds bleven doodsch en -stom.</p> -<p class="par">Weinig wist Thoulouse, dat op datzelfde oogenblik een -groote menigte zich verdrong voor de Roode poort, luide eischende, dat -men die zou openen, opdat zij hunne strijdende broeders te hulp mochten -snellen. Dat zijn jonge vrouw, met bleeke wangen en roodbekreten oogen -de burgers smeekte, om toch haar man niet te laten vermoorden door de -bloeddorstige soldaten der Regeering, maar dat Oranje en Hoogstraten, -gehoorzamende aan een harde en pijnlijke noodzakelijkheid, met gevaar -van hun eigen leven het woedende volk in bedwang hielden, en -zóó Antwerpen bewaarden voor het lot, dat weldra -Valenciennes zou treffen.</p> -<p class="par">Nog had de ure der bevrijding niet geslagen. Hij en de -zijnen moesten worden opgeofferd: het kon niet anders.</p> -<p class="par">Een verdacht geknetter deed zich hooren en een scherpe -rook vulde het vertrek. Een musketier had een brandende lont op het -droge rieten dak geslingerd. Het huis stond in brand.</p> -<p class="par">In het voorhuis vond Thoulouse Jacob Martens, den Heer -van Boetzelaer en de soldaten, die de hoeve bezet hielden. Zelfs de -gewonden hadden zich hierheen weten te sleepen.</p> -<p class="par">—„Wij moeten er ons doorheen slaan, -kameraden!” zei de Geuzenaanvoerder met vaste stem. „God -zij onze zielen genadig! Vaarwel, van Boetzelaer! vaarwel, Jacques! Als -gij ’t ontkomt, denk aan uw belofte!”</p> -<p class="par">Een krachtige handdruk tot afscheid en de versperringen -<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name= -"pb187">187</a>]</span>werden weggenomen, de deur ging open en met den -degen in de vuist wierpen zich de Geuzen op de tierende soldaten.</p> -<p class="par">Het was een kort, wanhopig gevecht tegen een -verpletterende overmacht, maar toch hielden de Geuzen zich dapper tot -het laatste. De Heer van Boetzelaer viel aanstonds, een speer had hem -onder den stalen ringkraag in de keel getroffen. Ook Jacob was gewond, -<span class="corr" id="xd24e2780" title="Bron: Maar">maar</span> hij -voelde het niet. Hij wist niet, wat hij deed, of waar hij zich bevond. -Werktuiglijk verdedigde hij zich tegen de opdringende soldeniers en -weerde stooten af en hieuw en stiet naar de vertrokken gezichten, die -hij voor zich zag,—terwijl er in zijn bewustzijn een vreemd -gevoel van verwondering was, dat hij het was, hij, Jacob Martens, die -daar vocht voor zijn leven. Als in een benauwden droom zag hij voor een -oogenblik het bleeke gelaat van Thoulouse, die, zonder helm en met -gebroken zwaard tegen een schuur stond geleund. Hij hoorde hem roepen, -dat hij Jan van Marnix was, dat hij rantsoen bood, toen hoonend gelach, -woedend geschreeuw,—en hij zag het bleeke gelaat niet meer.</p> -<p class="par">De val van Thoulouse had voor een oogenblik de aandacht -der soldeniers afgeleid, en allen waren naar de schuur gesneld, -waar,—zooals een tijdgenoot vermeldt—het lichaam van den -edelman letterlijk in stukken gehouwen werd. Jacob Martens stond een -oogenblik, duizelig van het bloedverlies, tegen den boom van een kar -geleund. Een der aanvallers, een luitenant van het voetvolk van Egmond, -dien hij in het gevecht een lichte wonde had toegebracht, had hem niet -uit het oog verloren, en drong met zijn „halven piek” op -hem in. Jacob weerde den stoot af en deed half werktuiglijk een uitval -met zijn degen, maar hij gleed uit op den van bloed doorweekten grond -en viel. In een oogenblik was zijn tegenstander op hem toegesprongen. -Hij drukte hem neer met zijn plompen voet en zette zijn slachtoffer de -punt van de korte speer op de keel. <span class="pagenum">[<a id= -"pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span></p> -<p class="par">—„Bid een Vader ons, jonge Geus!” riep -de kerel zegevierend.</p> -<p class="par">Een donkere gedaante drong door den rook van de -brandende hoeve. Het was Pieter de Welle. Zijn hellebaard had hij bij -het begin van het gevecht gebroken, maar hij had een ander wapen -opgeraapt, een „gepinde kodde”, een knots, van stalen -punten voorzien, een vreeselijk wapen in een krachtige hand. Eer de -landsknecht den doodelijken stoot kon toebrengen, suisde de kodde door -de lucht en kwam pletterend neer op den ijzeren stormhoed en de man -zakte levenloos ineen.</p> -<p class="par">—„Kom gauw, jonker,” riep de Welle, -terwijl hij den half bewusteloozen vaandrig op de been hielp; -„alles is uit! wij moeten zien, dat wij wegkomen!”</p> -<p class="par">—„Thoulouse! En onze mannen! Ik kan -niet...” stamelde Jacob<span class="corr" id="xd24e2795" title= -"Niet in bron">.</span></p> -<p class="par">—„De Heer van Marnix is dood en onze mannen -ook! Wij moeten aan ons zelf denken!” drong de Welle. „Kom, -jonker!”</p> -<p class="par">Half werktuiglijk volgde Jacob den gewezen boschwachter, -die ook nu weer toonde, dat hij een uitstekende gids was. Hij had het -terrein blijkbaar nauwkeurig opgenomen en kende den weg. Tusschen -brandende huizen en schuren door, over den grond kruipend, waar de -dichte rook het soms onmogelijk maakte om rechtop te gaan, bracht hij -Jacob buiten het dorp. Voortsluipend achter een dichte beukenhaag, -waarvan het verdorde loof hen ook nu in dit seizoen voor de blikken van -den vijand verborg, bereikten zij den oever van de Schelde en gleden in -het hooge riet. Daar lag een oude roeiboot, behendig in het riet -verborgen.</p> -<p class="par">—„Die heb ik gisterenavond een eind -stroomopwaarts gevonden,” zeide de Welle. „Ik heb ze hier -in veiligheid gebracht, want de zaken stonden mij niet aan en ik wist -niet, of zoo’n boot mij niet eens te pas kon komen. Ga in de -schuit liggen, jonker, en houd u stil! Vooreerst zijn wij hier -veilig!” <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name= -"pb189">189</a>]</span></p> -<p class="par">Achter hen ging Austruweel in vlammen op. Daar klonk het -gejuich en getier der soldaten en het noodgeschrei der Geuzen, die door -hunne vijanden op de punten der speren in de brandende huizen en -schuren werden gedreven. Een aantal vluchtelingen bereikten hoogerop de -rivier en sprongen in het water, om naar de overzijde te zwemmen, maar -de arquebusiers, die hen vervolgden, laadden hunne haakbussen, en, luid -schreeuwende dat zij op de eendenjacht gingen, schoten zij op de -zwemmers. Verscheidenen hunner werden getroffen, anderen werden door -den sterken stroom meegesleept en verdronken. Slechts een enkele -bereikte den anderen oever.</p> -<p class="par">De Welle begreep, dat de soldaten, zoodra zij hun -bloedig werk in het dorp hadden verricht, het riet zouden doorzoeken. -Hij had echter een wel overlegd plan. De rivier maakte even -vóór Austruweel een bocht en hij had opgemerkt, dat de -stroom met kracht tegen den rechter oever liep, waar hij zich thans -bevond. Voorzichtig trad hij uit het riet te voorschijn en wierp een -stuk hout in het water. Het gebeurde, zooals hij het had verwacht: het -hout werd door den stroom gegrepen en meegevoerd naar het midden der -rivier.</p> -<p class="par">Hij maakte nu snel de boot los, strekte zich naast Jacob -op den bodem uit en liet het vaartuig met den stroom afdrijven. De boot -volgde denzelfden weg als het stuk hout. Wel losten eenige soldaten -hunne haakbussen en liepen al schreeuwend en dreigend een eind den -oever langs, maar de Welle wachtte zich wel, overeind te komen, -vóór hij wist, dat de trefkans van de schoten der lompe -vuurwapenen op een bewegend doel al zeer gering was. Toen nam hij de -riemen op, en, met een bezorgden blik op zijn jonker, die, uitgeput -door bloedverlies, bewusteloos in de boot lag, roeide hij naar den -Vlaamschen oever, zonder zich te storen aan de matte kogels, die naast -en achter de boot het water hoog deden opspatten. <span class= -"pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">X.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Vier weken na dien noodlottigen dag naderden twee -mannen, als Vlaamsche boeren gekleed, en waarvan de eene veel jonger -was dan de andere, het dorp Gentbrugge. Behalve hun stevige stokken, -aan de punten met ijzer beslagen, droegen zij geen zichtbare -wapenen.</p> -<p class="par">Het waren Jacob Martens en Pieter de Welle. Na hunne -ontsnapping had de Welle doorgeroeid tot Callo, nadat hij inderhaast -Jacobs wonde zoo goed mogelijk had verbonden, om het bloeden te -stelpen. Te Callo hadden zij onderkomen gevonden bij een visscher, die -een geloofsgenoot bleek, en die hen gaarne een schuilplaats gaf, toen -hij vernam, dat zij vluchtelingen van het leger der Geuzen waren. Zij -bleven er tot Jacob, die door bloedverlies zeer was verzwakt, geheel -was hersteld, en in dien tijd werkte de Welle voor hen beiden, doordat -hij den visscher, hun gastheer, hielp bij zijn bedrijf. Van de -marktschippers, die op Antwerpen voeren, vernamen zij, hoe het met -hunne kameraden was afgeloopen. Het geheele Geuzenleger was vernield; -vele vluchtelingen waren in de Schelde of in de moerassen gesmoord en -de Heer de Lannoy had driehonderd gevangenen aan de boomen in den -omtrek laten ophangen.</p> -<p class="par">Ze hoorden er ook het rampzalig lot van Valenciennes. Ze -vernamen, hoe de ongelukkige stad, na een dapperen tegenweer, zich aan -Noircarmes had moeten overgeven en hoe deze, ondanks zijn belofte van -vergiffenis, den bevelhebber Michel Herlin en zijn zoon had laten -onthoofden, en de predikanten la Grange <span class="pagenum">[<a id= -"pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span>en Guido de Bray, met -nog tweehonderd Gereformeerden, had laten ophangen.</p> -<p class="par">Eindelijk hoorden zij, dat de Landvoogdes, moedig -geworden door de overwinning harer troepen, aan de Regeering van -Antwerpen den eisch had gezonden, dat de Hervormde predikanten de stad -binnen vier en twintig uren en het gebied der Nederlanden binnen de -drie dagen zouden hebben te verlaten op straffe van de galg,—en -dat de Regeering het hoofd had gebogen, dat de predikanten hadden -gehoorzaamd, en dat met hen een groot aantal Gereformeerden, bevreesd -voor de wraak der Roomsche partij, de stad hadden verlaten, om naar -Engeland of Duitschland uit te wijken. Het scheen gedaan met de zaak -der Reformatie.</p> -<p class="par">Nu achtte de Welle het ook niet veilig meer, nog langer -in de buurt van Antwerpen te vertoeven. Hij sprak met Jacob af, dat zij -eerst, zoo goed mogelijk vermomd, naar Gentbrugge zouden gaan, waar de -boschwachter in zijn huisje een kleine som geld veilig verborgen had; -vervolgens zouden zij te Poperingen naar Mieke gaan zien, om dan over -Duinkerken met een of ander visschersvaartuig naar Engeland uit te -wijken en dààr betere tijden af te wachten,—zoo die -ooit nog voor de rampzalige Nederlanden mochten aanbreken.</p> -<p class="par">Vóór het begin der onderneming was hun -hunne soldij uitbetaald,—want het ontbrak de aanvoerders niet aan -geld. Ze waren dus in staat eenvoudige boerenkleeren te koopen, en zoo -hadden zij zich op weg begeven, de groote wegen vermijdend, waar zij de -meeste kans liepen, krijgsvolk der Regeering te ontmoeten. Nu hadden -zij het doel van hun tocht bereikt. Het liep tegen den avond en dat -achtte de Welle, die zorgvuldig de minst bezochte voetpaden had -uitgekozen, den geschikten tijd om zijn plan te volvoeren. Dienzelfden -nacht zouden zij verder gaan, want de buurt was voor hen beiden te -gevaarlijk. <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name= -"pb192">192</a>]</span></p> -<p class="par">Het huisje van den boschwachter lag daar, eenzaam en -verlaten. Daar stond de oude, holle boom, waarin de Welle -vóór zijn vertrek den sleutel had verborgen. Toch moesten -zij zeker weten, dat er geen verraad was, voor zij de woning -binnentraden. Voorzichtig en naar alle zijden rondziende, traden zij -nader. Plotseling greep de Welle Jacob bij den arm en deed hem -stilstaan. Er was een man van achter het huisje te voorschijn gekomen; -thans stond hij voor de gesloten vensterluiken en trachtte door de -reten naar binnen te zien.</p> -<p class="par">—„’t Is Daniël Tistz,” -bromde de Welle. „Wat zoekt de strooper hier?”</p> -<p class="par">—„Hij zal ons niet verraden,” meende -Jacob, die zich den jongen man herinnerde; „hij draagt immers ook -het Geuzennapje.”</p> -<p class="par">—„Men kan anders zoo’n lossen kwant -niet vertrouwen,” bromde de Welle. „Maar voor een verrader -zie ik hem toch niet aan. In elk geval, we kunnen hier niet blijven -staan, jonker. Vooruit dan maar!”</p> -<p class="par">Op dit oogenblik keerde de strooper zich om en zag hen. -Met een luiden uitroep snelde hij op beide mannen toe. Jacob zag, dat -de jonge man er bleek en ontdaan uitzag.</p> -<p class="par">—„Goddank, dat ik je zie, de Welle!” -riep hij heesch. „Daar heb ik God om gebeden, zooals ik nog nooit -gebeden heb. Man, houd je goed, want je dochter... je -Mieke...”</p> -<p class="par">—„Mieke!”</p> -<p class="par">De Welle werd wit als een doek. Hij greep Daniël in -de borst en schudde den sterken jongen boer woest heen en weder.</p> -<p class="par">—„Mieke?” siste hij. „Wat is er -gebeurd? Heb jij, roffiaan, haar...”</p> -<p class="par">Maar Daniël rukte zich los.</p> -<p class="par">—<span class="corr" id="xd24e2853" title= -"Niet in bron">„</span>Laat los, de Welle!” riep hij met -een wilden lach. „Denk je, dat ik hier zou zijn, als ik je -dochter een haar had gekrenkt? Weet je niet, dat ik wel voor haar had -willen sterven, als ’k haar zóó had kunnen -<span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name= -"pb193">193</a>]</span>redden? Mieke zit gevangen op ’t slot te -Poperingen! Ze is in de handen van Titelman!”</p> -<p class="par">—„Van Titelman?”</p> -<p class="par">Naar adem hijgend, met strakke, starende oogen, zag de -Welle den boogschutter aan, en ook Jacob stond verslagen. De arme Mieke -in de handen van de Inquisitie, van Titelman! Heel Vlaanderen kende -hem, den verschrikkelijken deken van Rousselaere, den fanatieken -priester, voor wien zelfs de Landvoogdes bevreesd was. In handen van -Titelman,—dat was erger dan de dood!</p> -<p class="par">De Welle vermande zich.</p> -<p class="par">—„Zeg op!” zei hij met schorre stem. -„Wat is er gebeurd? Ze was veilig bij haar moei te -Poperingen.”</p> -<p class="par">—„Een stadsklerk heeft haar verraden!” -zei Daniël, sidderend van ingehouden drift. „Als ik den -laffen Judas in handen krijg, breek ik hem den nek. Hij wou naar Mieke -vrijen, maar zij wou niets van hem weten. Toen is hij uit wraak naar -den geloofsrechter geloopen. Hij had haar eens met haar bijbel en haar -psalmboek verrast, het arme kind.”</p> -<p class="par">—„En toen...?”</p> -<p class="par">—„Toen zijn de dienaars van den baljuw -gekomen, en hebben haar uit het huis gehaald. Ik was er niet. Ik zou de -kerels met mijn handen hebben geworgd, eer ze haar lief lijf -aanraakten. Ze hebben haar op den toren van ’t slot gebracht, en -ze zou, naar ze te Poperingen kallen, met nog vier, die gevangen zijn -om de religie, naar Rousselaere worden gebracht.”</p> -<p class="par">Pieter de Welle stond daar met gebogen hoofd. Bij de -laatste woorden van den boogschutter schrikte hij op en wrong de handen -met een kermenden zucht. De beide jonge mannen zagen hem medelijdend -aan. Zij wisten, welke geruchten, ze mochten dan gegrond zijn of niet, -omtrent den pastoor van Rousselaere in omloop waren.</p> -<p class="par">—„En geen redding! Och, Heere God! geen -redding!” steunde de arme vader. <span class="pagenum">[<a id= -"pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span></p> -<p class="par">Daniël Tistz keek hem met flikkerende oogen -aan.</p> -<p class="par">—„Misschien! Als je durft, de Welle!” -zei hij driftig.</p> -<p class="par">—„Durven? Denk je dan, dat mijn leven nog -iets waard zou zijn, als dàt met Mieke gebeuren moest? Zeg op, -man, wat bedoel je?”</p> -<p class="par">—„Kom mee naar Poperingen! Ik zal je bij -wakkere kerels brengen. ’t Zijn Geuzen, die ’t bij Waterloo -ontkomen zijn en die zich nu schuilhouden. Ze durven, als ’t er -op aan komt. Als Mieke naar Rousselaere wordt gebracht, zullen wij -’t weten, en dan, als wij ’t goed aanleggen, is er kans, -dat wij ze verlossen.”</p> -<p class="par">Gretig luisterde de Welle naar het plan, dat de -wildstrooper nu nader uiteenzette. De weg van Poperingen naar -Rousselaere liep, zooals de boschwachter ook zeer wel wist, -gedeeltelijk door een bosch. Daar zouden, op een geschikt punt, de -Geuzen zich in hinderlaag leggen, de dienaars van den inquisiteur -dooden of onschadelijk maken en de gevangenen bevrijden. De zaak was -uitvoerbaar en de Welle en Jacob waren bereid, haar te beproeven. Men -zou zich terstond op weg begeven. De aangeboren voorzichtigheid van den -Vlaamschen boer zegevierde nu echter over de smart en de angst van den -ouden boschwachter. Hij trad zijn woning binnen, terwijl hij zijn beide -metgezellen wenkte, hem te wachten. Toen hij, na een poos, weer buiten -kwam, hing er een zware lederen tasch aan zijn riem: de Welle had zijn -spaarpenningen opgegraven en nam ze mede.</p> -<p class="par">Zij liepen verscheidene uren, ook nu weer de hoofdwegen -vermijdende, langs landwegen en boschpaden, die de Welle en Daniël -beiden kenden.</p> -<p class="par">’t Was een schoon land, West-Vlaanderen in zijn -frisschen lentetooi, maar ze hadden geen oog voor het schoone, dat hen -omringde. Met krampachtig gesloten vuisten, soms onverstaanbare woorden -mompelend, dan weer den blik ten hemel slaande, als in stil gebed, -schreed de Welle voort, terwijl zijn beide metgezellen <span class= -"pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name="pb195">195</a>]</span>hem -van tijd tot tijd medelijdend aanzagen. Onder het gaan vertelde de -strooper aan Jacob, dat de vervolgingen wegens ketterij in de laatste -weken weder begonnen waren. Sinds den beeldenstorm hadden de -inquisiteurs zich rustig gehouden, maar de overwinningen, door de -troepen der Regeering behaald, hadden hun nieuwen moed gegeven en na -den val van Valenciennes was Titelman aanstonds begonnen, zijn -bloedhonden uit te zenden. Verscheidene personen waren, als verdacht -van ketterij, gevangen genomen en voor de geestelijke rechters -gebracht. De doodvonnissen zouden niet lang op zich laten wachten.</p> -<p class="par">Men bereikte een groot bosch van eiken en beuken. De -laatsten prijkten reeds met frisch, jong groen, de eersten hadden nog -hun winterloof. Het terrein begon heuvelachtig te worden en de weg, die -door het bosch heenslingerde, was hier en daar door hooge, met zware -stammen bezette wallen omzoomd.</p> -<p class="par">—„Hier zou het moeten zijn!” zeide de -strooper eensklaps, terwijl hij staan bleef.</p> -<p class="par">De weg maakte hier een scherpe bocht en liep dan naar -beneden. De bodem was doorweekt door het regenwater, dat er zich had -verzameld, en de diepe karresporen, die in en uit den modderpoel -leidden, stonden vol water. Er groeide dicht struikgewas in de laagte -en het geboomte was zwaar genoeg om een geheele bende te verbergen. -’t Was een uitgezochte plaats voor een hinderlaag.</p> -<p class="par">De Welle bleef even staan, nam het terrein met een -vorschenden blik op en knikte even goedkeurend. Toen vervolgde hij -echter weer zijn weg, zwijgend en haastig, en de beide jonge mannen, -die begrepen, wat er in hem omging, stoorden hem niet.</p> -<p class="par">Zij kwamen door het dorp Langem en hier wist Daniël -den bedroefden vader te bewegen, in de taveerne wat uit te rusten en er -een potteke bier te drinken. De Welle had liever den tocht voortgezet, -maar de strooper beet hem toe, dat de jonker niet <span class= -"pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name= -"pb196">196</a>]</span>verder kon. Inderdaad was Jacob, die niet zooals -de beide anderen aan lange dagmarschen gewoon was en die daarbij pas -van zijn wonde was hersteld, doodmoede.</p> -<p class="par">Zij traden de dorpstaveerne binnen en vonden er niemand, -dan een Dominicaner monnik, die in een hoek van de gelagkamer rustig -zijn potteke dronk, terwijl hij ijverig in zijn brevier las. -Daniël nam den Witheer met booze blikken op, maar deze lette niet -op hem. Na een poos dronk hij zijn potteke leeg en borg het gebedenboek -in de tasch of beurs, die aan zijn gordel hing; tegelijk haalde hij -daaruit een papier te voorschijn, waaraan een groot, rood zegel hing. -Hij bezag het eenige oogenblikken opmerkzaam en stak het toen weder -weg. De strooper zag het en zijne oogen fonkelden.</p> -<p class="par">Toen de monnik vertrokken was, niet zonder een scherpen -blik te hebben geworpen op de drie mannen, wenkte Daniël zijne -beide metgezellen.</p> -<p class="par">—„Dat is een van de bloedhonden van -Titelman,” fluisterde hij. „Ik ken hem wel. Als hij naar -Poperingen gaat, dan kunt ge er op aan, dat hij tijding brengt van den -deken. Wij moeten hem in ’t oog houden.”</p> -<p class="par">Zij betaalden hunne vertering en volgden den monnik van -verre. De Dominicaner slofte langzaam voort, tot hij de laatste huizen -van het dorp achter den rug had. Toen sloeg hij den breeden karreweg -in, die naar het Zuiden leidde.</p> -<p class="par">—„Dat gaat naar Poperingen,” zei -Daniël. „Die brief is van Titelman.”</p> -<p class="par">—„Wij moeten hem hebben,” zei de Welle -gejaagd.</p> -<p class="par">—„Juist, kom gauw!”</p> -<p class="par">Wegduikend achter een hoogen wal van eikenhakhout, -kwamen zij ongemerkt den monnik vooruit. De Welle zoowel als -Daniël Tistz kenden het landschap nauwkeurig. Zij wisten de -veldwegen en bijpaden en zoo, snel en zwijgend voortstappend, bereikten -<span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name= -"pb197">197</a>]</span>zij den grooten karreweg weder op een uur -afstands van Langem, voor nog de langzaam voortstappende monnik in het -gezicht was.</p> -<p class="par">Het was een eenzame plaats. De weg liep hier door een -stuk broekheide, die zich aan weerszijden mijlen ver uitstrekte. Naar -het Westen zag men de donkere massa van een bosch.</p> -<p class="par">—„Wat nu?” vraagde de strooper.</p> -<p class="par">—„Wij moeten dien brief hebben!” zei -de Welle, met de tanden op elkaar geklemd.</p> -<p class="par">—„Wil je dan, dat ik...?” Met een -veelbeteekenend gebaar trok Daniël zijn kruismes.</p> -<p class="par">—„Je wil toch geen moord, de Welle?” -vraagde Jacob.</p> -<p class="par">—„Alsof er aan ’t leven van -zoo’n paap iets gelegen was,” zei de strooper ruw. -„Zullen ze Mieke niet vermoorden en haar martelen bovendien, als -zij kunnen? Je moet niet zoo weekhartig zijn, jonker.”</p> -<p class="par">—„De Heere heeft gezegd: Mij is de wrake! Ik -zal het vergelden!” zeide Jacob ernstig.</p> -<p class="par">—„Zóó heb ik den bijbel niet -gelezen!” lachte de ander grimmig. „Wat zeg jij, de -Welle!”</p> -<p class="par">—„Laat hem leven, als ’t kan,” -gebood de koddebeier.</p> -<p class="par">—„Mij is ’t wel!” zei -Daniël schouderophalend. „Hoewel je er hem misschien geen -dienst mee doet, jonker. Want we kunnen hem niet laten loopen, en als -hij in de handen valt van onze gezellen daarginds...”</p> -<p class="par">Hij wees met een veelbeteekenden blik naar de bosschen -in de verte.</p> -<p class="par">—„Wat wil je dan doen?” vraagde de -Welle.</p> -<p class="par">—„Laat mij maar begaan,” lachte -Daniël. „Ik heb wel eens meer een boschwachter onschadelijk -gemaakt. En was ’t niet om Mieke geweest, de Welle... Nu, kijk -maar zoo leelijk niet: ik zal niets meer zeggen. Maar, jonker, heb je -wel eens van den Duinkerkschen kneep gehoord? Niet? Let dan eens op, -dan zul je wat wonders zien. Maar jelui beiden moet je verschuilen, -<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name= -"pb198">198</a>]</span>want onze vriend zal nu wel zoo dadelijk -komen.”</p> -<p class="par">—„Achter den wal dan!” gebood de -Welle, en de drie mannen verscholen zich achter het nog dorre -eikenhakhout en wachtten.</p> -<p class="par">De weg was eenzaam en verlaten. Bouwlanden, waar anders -nu de boeren werkten, waren er niet in de nabijheid en de broekheide, -waar ’s nachts de grauwe nevel uit opdampte en de dwaallichten -flikkerden, werd door niemand bezocht, die er niet noodig had. Heel uit -de verte klonk van tijd tot tijd het „Alahoe!” van een -koewachter, die zijn beesten langs de wegen liet grazen.</p> -<p class="par">Weldra zagen zij den Witheer aankomen. De monnik stapte -bedaard en rustig voort, onbewust van het gevaar, dat hem dreigde.</p> -<p class="par">—„Let op!” mompelde de strooper.</p> -<p class="par">Snel sloop hij langs den houtwal, om een eind verder -weer te voorschijn te komen. Rustig, met de handen in de zakken en al -fluitende, liep hij den monnik tegemoet. In zijn onmiddellijke -nabijheid gekomen, week hij ter zijde, zoodat de Dominicaan hem -rakelings voorbij moest, terwijl hij, schijnbaar groetend, de hand aan -zijn kaproen bracht. Werktuiglijk hief de monnik de hand zegenend op, -om den groet te beantwoorden.</p> -<p class="par">Plotseling, met een bliksemsnelle beweging, schoot de -arm van den jongen Vlaming uit en omknelde den hals van zijn -slachtoffer. Tegelijk zette hij den rechtervoet vooruit, achter de -beenen van den monnik, en met een forschen ruk wierp hij den man -achterover op den grond, waar hij met een geweldigen smak neerkwam en -verdoofd bleef liggen. De Welle en Jacob, die alles gezien hadden, -braken door het kreupelhout en met hun drieën sleepten zij het -bewustelooze lichaam achter den houtwal. Driftig viel Daniël op de -tasch aan en haalde er het papier uit, dat zij den monnik hadden zien -lezen. Hij reikte het de Welle over. Deze bezag het, doch gaf het -hoofdschuddend over aan Jacob. <span class="pagenum">[<a id="pb199" -href="#pb199" name="pb199">199</a>]</span></p> -<p class="par">—„Ik kan er niets van maken!” zeide -hij. „Wat is het, jonker?”</p> -<p class="par">Jacob doorliep het papier vluchtig.</p> -<p class="par">De monnik, die als een zoutzak aan hun voeten lag, -opende de oogen. Hij keek verschrikt rond en scheen te willen -opstaan.</p> -<p class="par">—„Houd je gemak, pater!” zei -Daniël, terwijl hij zijn gevangene den voet op de borst zette en -zijn kodde dreigend ophief. „Als je een vin verroert of een kik -geeft, zal ik je met dezen wijkwast zegenen—voorgoed, hoor je? -Lees op, jonker!”</p> -<p class="par">—„Petrus Titelman,” vertaalde Jacob, -„onwaardig dienaar Gods, priester en deken te Rousselaere, -inquisiteur van Vlaanderen, Douai en Rijssel, aan Mr. Willem van -Bodeghem, schout van Poperingen, groetenis.</p> -<p class="par"><span class="corr" id="xd24e2980" title= -"Niet in bron">„</span>Krachtens de macht, ons verleend, door den -Eerwaarden Ruardus Tapper, groot-inquisiteur der Nederlanden, en bij -decreet van Zijne Koninklijke Majesteit, Philips II, Koning van Spanje, -van den 28sten November 1555, zenden wij u door de hand van onzen -beminden broeder Clemens, van de orde van den H. Dominicus, last en -bevel, om de door u gevangen gehouden ketters, zoo mannen als vrouwen, -den 16den April naar Rousselaere te zenden onder veilige bewaring van -uwe gewapende dienaars, en dat tegen het vallen van den avond en zonder -aan de zaak ruchtbaarheid te geven, ten einde opschudding onder de -bevolking te voorkomen.</p> -<p class="par"><span class="corr" id="xd24e2984" title= -"Niet in bron">„</span>Gegeven onder ons zegel, te Rousselaere, -den 14den April, Anno Domini 1566.”</p> -<p class="par">De drie mannen keken elkander ontsteld aan.</p> -<p class="par">—„Den 16den April,—dat is -morgen!” zei Pieter de Welle met gesmoorde stem.</p> -<p class="par">—„Maar de baljuw zal niets kunnen doen, nu -wij Titelman’s postduif hebben opgevangen,” meende -Daniël.</p> -<p class="par">—„Dat baat niet,” zeide de Welle. -„Als de gevangenen <span class="pagenum">[<a id="pb200" href= -"#pb200" name="pb200">200</a>]</span>niet aankomen, en als zijn bode -niet terugkeert, dan zendt Titelman een ander, en dan is hij meteen -gewaarschuwd. Als wij alles hadden geweten, dan hadden wij dien monnik -stil moeten laten gaan. Als Daniël ten minste zijn woord kan -houden...”</p> -<p class="par">—„Dat kan ik!” zei de strooper. -„Maar hoe krijgen wij dien brief naar Poperingen? Wij kunnen er -dien eerwaarden pater moeilijk mede belasten.”</p> -<p class="par">De drie mannen zagen elkander verslagen aan. De monnik -loerde naar hen met schichtige blikken, als een wild dier, dat in de -val zit. Hij had nog geen woord gesproken.</p> -<p class="par">Plotseling spanden zich zijn trekken. Hij had in de -verte een zacht getingel gehoord, zoo zacht, dat het de drie mannen, -die van geheel andere gedachten waren vervuld, was ontgaan. Het -herhaalde zich: dat waren de bellen aan het haam van een huifkar, die -daar naderde. Dààr was redding!</p> -<p class="par">Loerend tusschen zijn wimpers door keek de gevangene, -zonder een lid te verroeren, naar zijne vijanden, die fluisterend en -met bezorgde gezichten met elkander spraken. De bellen kwamen al nader -en nader, weldra zou de voerman een hulpschreeuw kunnen hooren. De -monnik steunde reeds de ellebogen tegen den grond, gereed om met een -schok zich op te richten en zijn noodgeschrei aan te heffen.</p> -<p class="par">Daar klonken op eens de bellen luider en sneller: het -voortsjokkende paard had blijkbaar hevig den kop bewogen. Verrast keken -de Welle en zijne metgezellen op: met een enkelen blik had Daniël -den toestand overzien en het gevaar begrepen.</p> -<p class="par">Met een sprong was hij bij den monnik.</p> -<p class="par">—„Ha, wou je dat, schobbejak!” siste -hij, terwijl hij den man bij de keel greep en zijn hoofd neerdrukte in -de vochtige heide.</p> -<p class="par">—„Houd op! Je worgt hem!” fluisterde -Jacob.</p> -<p class="par">—„Laat mij maar begaan!” zei de -strooper norsch.</p> -<p class="par">Hij rukte zich den halsdoek af, draaide dien tot een -<span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name= -"pb201">201</a>]</span>bal ineen en wrong hem als een prop in den mond -van den gevangene, die tevergeefs tegenspartelde. Toen, terwijl hij met -de eene hand den monnik in bedwang hield, haalde hij een dun, maar -sterk touw uit den zak en met behulp van de Welle bond hij hem de -handen op den rug.</p> -<p class="par">„Ziezoo, pater!” zei hij grijnzend. -„Nu kunt ge ons de misse lezen! Het belleken klinkt -reeds.”</p> -<p class="par">De kar was nu nabijgekomen. Neergehurkt achter het -hakhout bij hun gevangene, zagen de drie Geuzen haar voorbijgaan. Een -paar boeren liepen er naast, pratend en lachend, weinig vermoedend, wat -daar achter den houtwal voorviel.</p> -<p class="par">—„Wij kunnen hier niet blijven,” zei -de Welle, toen het gerinkel der bellen in de verte was weggestorven. -<span class="corr" id="xd24e3027" title= -"Niet in bron">„</span>Wij moeten dien pater eerst in veiligheid -brengen.”</p> -<p class="par">—„Hij zou het veiligst zijn op den bodem van -een veenplas,” gromde Daniël, terwijl hij met een -schuinschen blik naar Jacob zag.</p> -<p class="par">—„Laat hem!” gebood de Welle. -„De jonker heeft gelijk. ’t Is een bloedhond, maar een -moord in koelen bloede wil ik niet. We kunnen hem meenemen naar dien -schuilhoek, waarvan je hebt gesproken.”</p> -<p class="par">Nu kwam Jacob met een plan voor den dag. Hij zou de pij -van den Dominicaner monnik aandoen, en in die vermomming naar -Poperingen gaan, om het bevelschrift aan den baljuw te overhandigen, -en, zoo mogelijk, de inlichtingen in te winnen, die zij noodig hadden -voor het slagen van hun plan. Zijn langdurig verblijf in het -Dominicaner klooster maakte, dat hij zonder moeite zijn rol zou kunnen -spelen.</p> -<p class="par">Daniël nam gretig den voorslag aan en maakte zich -gereed, den Witheer van zijn scapulier en opperkleed te ontdoen. De -Welle bleef met gefronst voorhoofd naar den grond staren.</p> -<p class="par">—„’t Is een gewaagd stuk, -jonker!” zei hij eindelijk met gesmoorde stem. „Als -’t niet om Mieke was, dan zou ik... Maar er is toch -één bezwaar.” <span class="pagenum">[<a id="pb202" -href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span></p> -<p class="par">Hij wenkte de beide anderen ter zijde en ging -fluisterend voort.</p> -<p class="par">—„Hoe weet ge, of die broeder Clemens niet -bij den schout bekend is? In dat geval zou de jonker terstond gevangen -genomen worden en de schout zou dadelijk begrijpen, dat er onraad -was.”</p> -<p class="par">—„We zullen het hem seffens vragen!” -zei Daniël. „Hé, paap, zeg op: hoe ziet de schout van -Poperingen er uit?”</p> -<p class="par">Hij knielde bij den monnik neder en nam de prop uit zijn -mond. De Witheer haalde diep adem, maar gaf geen antwoord. Hij sloot de -lippen vast op elkander en zag den strooper aan met een blik, waaruit -haat en verachting sprak.</p> -<p class="par">—„Je zult spreken, vermaledijde paap!” -siste Daniël woedend. „Jonker, ga op den weg en houd er de -wacht, dat wij niet overvallen worden.”</p> -<p class="par">Jacob bleef een oogenblik weifelend staan. Hij begreep, -dat de beide mannen den monnik tot spreken wilden dwingen. Het stuitte -hem tegen de borst een weerlooze te martelen,—maar Mieke, het -onschuldige kind dan? En hij zag aan de woeste blikken van Daniël, -aan de vastberaden houding van de Welle, dat de beide mannen zich door -zijn tegenwerpingen niet zouden laten weerhouden.</p> -<p class="par">—„Spreek dan toch, man!” zei hij, -dreigend, bijna smeekend.</p> -<p class="par">De monnik vestigde zijn gloeiende blikken op den jongen -man, maar hij bleef zwijgen.</p> -<p class="par">—„Ga nu toch, jonker!” riep -Daniël Tistz ongeduldig.</p> -<p class="par">Jacob brak door den houtwal heen en ging een eind den -weg op, tot hij een punt had bereikt, waar hij dien in beide richtingen -kon overzien. Het was een mooie, stille lentemorgen, zacht, met een -beloken lucht. Vredig en kalm strekte zich het landschap rondom hem -uit; ook de landweg was weder eenzaam en verlaten. Slechts een paar -kieviten, wier nest vermoedelijk <span class="pagenum">[<a id="pb203" -href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span>in de nabijheid was, vlogen, -luid krijschend, in breede kringen rondom den indringer. De -bremstruiken aan de zijden van den weg maakten frissche groene -scheuten, en over de heide brak door het bruine winterkleed de -zachtgroene tint van de duizenden uitbottende heideplantjes.</p> -<p class="par">Jacob liet zijne oogen over het vreedzame landschap -dwalen. Wat was Gods schepping schoon, en ach, hoe bedierven de -menschen al het schoone en goede, hun door Gods liefde geschonken, door -hunne zonden en hartstochten! Wie, die het vredige landschap, -ontluikend in de jonge lente, aanschouwde, zou hebben vermoed, dat -thans in dat schoone Vlaanderen duizenden harten klopten van bange -vreeze of gloeiden van woeste wraakzucht!</p> -<p class="par">Onwillekeurig herdacht Jacob de gebeurtenissen der -laatste weken. Wat al blijde hope was daar in weinige dagen -vernietigd—voorgoed naar het scheen. Wat waren zij moedig -uitgetrokken, de jonge Geuzenedelen, om hun land te ontrukken aan het -geweld van een Regeering, die een vrij volk in boeien wilde slaan, het -wilde dwingen naar den wil van een Spaanschen koning, die niet over dat -vrije volk wilde regeeren, maar slechts wilde heerschen over een troep -slaven, die nederig voor hem kropen, die zelfs hun God slechts -zóó wilden dienen en belijden, als hij, de vorst, het hun -voorschreef.</p> -<p class="par">Helaas, wat was er geworden van al die schoone -verwachtingen? Thoulouse was dood! Het Geuzenleger was vernietigd! De -edelen waren in ballingschap, de strijders voor de vrijheid, die niet -waren gevallen, hielden zich schuil in bosschen en moerassen, uit vrees -voor de galg. De Inquisitie loerde overal naar haar prooi. En uit de -verte, uit Spanje, dreigde het onweer: de Koning zou komen, hij zou -komen met een groot leger, om de oproerigen te straffen en de vrijheden -des lands voorgoed te vernietigen.</p> -<p class="par">Een schorre schreeuw, die van achter het hakhout -<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name= -"pb204">204</a>]</span>kwam, deed hem opschrikken uit zijn gepeins. Dat -was blijkbaar de monnik! Onwillekeurig deed Jacob een paar stappen in -de richting van het geluid. Weder klonk de schreeuw, feller en -pijnlijker dan zooeven. Toen volgde er een dof gemompel van stemmen. -Jacob huiverde. Men martelde den man, dat was duidelijk, en het stuitte -hem tegen de borst, daarvan getuige te moeten zijn. Een oogenblik stond -hij besluiteloos: zou hij tusschenbeide komen? En zou zijn -tusschenkomst iets baten?</p> -<p class="par">Daar dook de lange gestalte van de Welle uit het hakhout -op. De kleine, helblauwe oogen van den koddebeier fonkelden.</p> -<p class="par">—„Kom, jonker!” riep hij, -„’t is er uit! De paap heeft gebiecht! Wij weten, wat we -noodig hebben!”</p> -<p class="par">Jacob volgde hem naar de plaats, waar de monnik lag. -Daniël Tistz lag bij den gevangene geknield. Een dun koord met -knoopen was om de slapen en het voorhoofd van den Dominicaan gebonden -en daartusschen had hij het heft van zijn kruismes gewrongen, -zóó, dat hij het touw kon toesnoeren, dat bij elken slag -dichter om het hoofd van den gepijnigde knelde, terwijl de harde -knoopen door de huid drongen. Daniël maakte nu het foltertuig los; -een roode striem liep over het bleeke, bebloede gelaat van den monnik -en zijn donkere oogen puilden uit van pijn en doodsangst.</p> -<p class="par">—„Ik heb den paap eens laten proeven, hoe de -stroppelkoord smaakt, waar zijn patroon Titelman zoo gul mee is!” -zei de strooper woest. „Hij heeft alles bekend, jonker. Men kent -hem niet te Poperingen. Hij is hier pas aangekomen uit het -Maastrichtsche, om den deken te helpen. Nu de Geuzen verslagen zijn, -kreeg de Inquisitie dubbel werk, zoo zei hij, de bloedhond.”</p> -<p class="par">Hij gaf den monnik een verachtelijken schop. Jacob zag -de donkere oogen in het bebloede gezicht zich op hem vestigen met een -blik van angst en haat. Huiverend wendde hij zich af.</p> -<p class="par">—„Kom, jonker,” zei de Welle, -„’t is nu geen tijd <span class="pagenum">[<a id="pb205" -href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span>om weekhartig te zijn. Denk -aan Mieke en wat er met haar gebeuren zal, als zij eens te Rousselaere, -in de klauwen van Titelman is. Blijft ge bij uw plan, om naar -Poperingen te gaan?”</p> -<p class="par">Jacob knikte toestemmend. De beide mannen maakten de -touwen los, waarmede de Dominicaan gebonden was en ontdeden hem van -zijn pij, zijn gordel en zijn tasch. Jacob verwisselde zijne -boerenkleeren met het kloostergewaad. Hij droeg in den laatsten tijd -het haar kort, als een krijgsman paste en Daniël, die in de tasch -van den monnik een schaar had gevonden, maakte hem met groote -handigheid een tonsuur.</p> -<p class="par">—„Ziezoo, jonker,” zei hij, „nu -zie je er uit als een echte paap. Je bent in ’t klooster geweest, -zegt de Welle. Dat treft goed. Breng dien brief aan den schout en zie -te weten te komen, hoeveel knechten hij zal meegeven, en laat dan de -rest maar aan ons over.”</p> -<p class="par">—„Ge waagt uw hals, om ons te helpen, -jonker,” zei de Welle, „en nog eens, als ’t niet om -Mieke was... Dien monnik nemen we als gijzelaar mede, en mocht u iets -overkomen, wat God verhoede, zeg dan aan zijne gezellen, dat wij met -hem zullen doen, zooals zij met u doen.”</p> -<p class="par">Nadat men nog had afgesproken, dat de Welle en -Daniël Tistz in den laten namiddag Jacob wachten zouden bij een -gebroken steenen kruis, dat aan den weg stond en gedurende den -beeldenstorm was vernield, namen de beide mannen afscheid van hun bode. -Zij zouden met hun gevangene dwars over de broekheide naar de bosschen -trekken, waar zich de schuilhoek der gevluchte Geuzen bevond, waarvan -de strooper had gesproken. Eerst als zij uit het gezicht waren, zou hij -zijn tocht aanvaarden. Daniël maakte het touw los, waarmede de -enkels van den monnik waren gebonden en hielp hem overeind. Eerst wilde -de Dominicaan niet loopen, maar toen de strooper hem de punt van zijn -kruismes liet voelen, schikte hij zich in zijn lot en volgde gedwee -zijne beide bewakers, die dwars <span class="pagenum">[<a id="pb206" -href="#pb206" name="pb206">206</a>]</span>door de drassige heide -aanhielden op den donkeren boschrand aan den horizon.</p> -<p class="par">Toen zij ver genoeg verwijderd waren, en er geen gevaar -meer was, dat een onverwachte voorbijganger of een dwalend eierenzoeker -zou bemerken, dat zij in elkanders gezelschap waren geweest, sloeg -Jacob den weg in naar Poperingen. Hij was in een alles behalve -aangename stemming. Het tooneel, dat hij zooeven had bijgewoond, had -hem pijnlijk aangedaan. Hij was een kind van zijn tijd en die tijd was -ruw en wreed. Dat men een misdadiger door pijn tot bekentenis dwong, -scheen Jacob Martens volkomen geoorloofd. En in zijn oogen en in die -van zijne medestanders was deze monnik, het werktuig van den -inquisiteur, niets anders dan een boosdoener. Toch scheen het martelen -van een weerlooze hem een laagheid. Ook de taak, die hij op zich had -genomen, was hem weinig naar den zin. Dat ’t een gewaagde -onderneming was, dat een enkele onhandigheid of onvoorzichtigheid hem -in den kerker en op ’t schavot zou brengen, was nog zoo erg niet. -Maar in een vermomming spionnenwerk te moeten verrichten, te moeten -veinzen en bedriegen, het strookte weinig met zijn aard. Maar hij dacht -aan de arme Mieke en aan het lot, dat haar te wachten stond, hij dacht -aan de Welle, die hem het leven had gered, en hij nam zich voor, de -zaak, die hij op zich genomen had, ten einde toe te volbrengen.</p> -<p class="par">Het stuk broekland hield weldra op, om plaats te maken -voor weiden, toen voor bouwlanden, braakliggend of met winterkoren -bezaaid, en eindelijk begonnen de hoptuinen, waarom Poperingen zoo -beroemd was. Reeds lang had Jacob de torens der drie kerken, de Sint -Bertinus, de Mariakerk, en die van den Heiligen Johannes den Dooper, -over het lage land in het oog gekregen. Thans kon hij ook de trotsche -gebouwen van de beroemde abdij van Sint Bertinus in de verte zien -oprijzen, waaraan Poperingen zijn ontstaan te danken had. Want de stad -was een leen der abdij, en <span class="pagenum">[<a id="pb207" href= -"#pb207" name="pb207">207</a>]</span>nog altijd werd het stadsbestuur, -bestaande uit den schout, den „amman”, twee burgemeesters -en twaalf schepenen, door den abt van St. Bertinus gekozen en -aangesteld.</p> -<p class="par">Hij bereikte de poort, waar hij door den portier -eerbiedig werd gegroet. Het geestelijk gewaad was in eere te -Poperingen. Op zijne vragen wees men hem het huis van den schout, Mr. -Willem van Bodeghem.</p> -<p class="par">Deze, een stoere Vlaming, met een steenrood, breed en -goedmoedig gezicht, ontving den gewaanden bode van den deken van -Rousselaere met een zekere stugge beleefdheid. Het hinderde den -eerzamen schout, dat hij van een andere geestelijke overheid, dan van -zijn Heer, den abt van St. Bertinus, bevelen moest afwachten, en -daarbij, ook de Roomsche magistraatspersonen waren over het -algemeen—tot hun eere zij het gezegd—afkeerig van de -bloedige kettervervolging en vijanden der Inquisitie en Philips II -klaagde bitter over hunne lauwheid in een zaak, die hem zoo zeer ter -harte ging.</p> -<p class="par">Zoo had Mr. Willem van Bodeghem niet kunnen nalaten, om -op aanwijzing van den inquisiteur de ketters in hechtenis te nemen, die -deze hem aanwees. De plakkaten verplichtten hem er toe. Maar hij had -het ongaarne gedaan en met kwalijk verholen tegenzin ontving hij den -gewaanden monnik.</p> -<p class="par">—„Veel te jong voor een speurhond van de -Inquisitie!” bromde de eerlijke Vlaming in zijn baard.</p> -<p class="par">Inderdaad was Jacobs leeftijd bij deze onderneming een -gevaar op zichzelf; de gebeurtenissen der laatste maanden echter en de -gevolgen van zijn wonde deden hem ouder schijnen dan hij was.</p> -<p class="par">—„Gij zijt dus broeder Clemens, van wien -hier gesproken wordt,” zeide de schout, die, als leerling der -kloosterschool van Sint Bertinus, genoeg Latijn verstond, om het -geschrift te lezen. „En gij zult zelf het antwoord aan den -Eerwaarden Deken overbrengen. Als ge te avond mijn gast wilt zijn, zal -mijn schrijver <span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name= -"pb208">208</a>]</span>morgen het antwoord voor u gereed hebben. Of -misschien vernacht gij liever in de abdij?”</p> -<p class="par">—„Ik zou gaarne vandaag nog -terugkeeren,” zeide Jacob. „Mijn boodschap heeft -haast!”</p> -<p class="par">—„Ja, maar mijn schrijver is er nu -niet!” zei de schout verdrietig, terwijl hij zijn korte, stompe -vingers bekeek, die er niet uitzagen, of zij gewoon waren, de pen te -voeren.</p> -<p class="par">—„Het bevelschrift was niet verzegeld en de -inhoud is mij bekend,” zeide Jacob, blij, dat tot nog toe alles -zoo voorspoedig ging. „Ik kan ook een mondeling antwoord -medebrengen.”</p> -<p class="par">—„’t Is waar,” zei Mr. Willem -van Bodeghem, zichtbaar verlicht, „welnu, broeder, zeg den -Eerwaarden deken, dat men er scherp op zal letten. De gevangen ketters -zullen ter bestemder tijd naar Rousselaere worden gezonden en voor -zoover het burgers van onze stad zijn, verzoek ik den deken, hen met -zachtmoedigheid te behandelen. Ik zal mijn substituut, die hen -begeleiden zal, een geschrift over hen medegeven.”</p> -<p class="par">—„Het gerucht wil, dat er kwaad volk in de -bosschen omtrent Poperingen huist,” zeide Jacob, terwijl hij zijn -best deed, een onverschillig gezicht te zetten, „de deken wist -niet, of de bedekking van uw dienaars voldoende zou zijn, -om...”</p> -<p class="par">Het gezicht van den Schout werd nog rooder; de blauwe -toornaderen zwollen op zijn voorhoofd en dreunend kwam zijn vuist neer -op de massieve eikenhouten tafel.</p> -<p class="par">—„Ik ken mijn plicht!” bulderde hij, -„en ik behoef dien van geen inquisiteur ter wereld te leeren! -Laat de deken zich met zijn eigen zaken bemoeien! Ik zal doen, wat -’s konings plakkaten mij voorschrijven, maar verder ben ik -niemand rekenschap verschuldigd dan mijnen heere den Eerwaarden abt van -St. Bertinus!”</p> -<p class="par">Jacob nam haastig afscheid. Eigenlijk had hij den -wakkeren schout het liefst de hand willen drukken. Hij had zijn rol -tamelijk onhandig gespeeld en een <span class="pagenum">[<a id="pb209" -href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span>magistraat met scherper blik -dan de eerzame Willem van Bodeghem had al licht argwaan kunnen -opvatten. Toch was zijn doel aanvankelijk bereikt. Het bevelschrift van -Titelman was in handen van den schout en hij was er zeker van, dat het -ten uitvoer zou worden gelegd. Ook verder zou het geluk hem dienen.</p> -<p class="par">Hij was moe van zijn langen tocht en hongerig en dorstig -daarbij. Hij had het gebroken kruis aan den weg gezien, waar de Welle -en Daniël Tistz hem zouden wachten, en hij berekende, dat hij nog -tijd genoeg had, om uit te rusten en wat te eten en te drinken. Het -gevaar voor ontdekking was nu zeer gering; ja, het zou zelfs argwaan -kunnen wekken, wanneer hij het stadje te haastig verliet. Hij trad dus -de stadsherberg binnen en eischte brood en bier.</p> -<p class="par">Terwijl hij in een hoek van de lage, donkere gelagkamer -zijn eenvoudig maal gebruikte, trad er een man de taveerne binnen, die -naar zijn kleeding te oordeelen tot de beambten der stad moest -behooren. Hij droeg een wambuis, half geel, half blauw, op de borst -waarvan het stadswapen was gewerkt en een kaproen van dezelfde kleuren. -Aan zijn breeden riem hing een kort rapier.</p> -<p class="par">De schoutendienaar—want het was inderdaad een van -de dienaars der Poperingsche justitie—verlangde van den waard een -potteke biers en begaf zich met hem in ijverig gesprek. Weldra begonnen -de beide mannen veelbeteekenende blikken te werpen op den gewaanden -Dominicaner. Jacob Martens voelde, dat hij bleek werd. Zou de schout -toch verdenking tegen hem hebben opgevat? Als men hem herkende, als het -bleek dat hij een van de vluchtelingen van Austruweel was, dan wachtte -hem de galg!</p> -<p class="par">Het baatte hem echter niet, of hij zich thans -verwijderde. Het beste was, rustig te blijven zitten en schijnbaar geen -notitie van de beide mannen te nemen.</p> -<p class="par">Nadat het fluisterend gesprek der beide mannen eenige -oogenblikken had geduurd, trad de schoutendienaar <span class= -"pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span>op -Jacob Martens toe. Deze voelde een oogenblik zijn hart stilstaan: hij -meende, dat hij verloren was.</p> -<p class="par">De man nam echter beleefd zijn kaproen af, en verzocht -verlof zich bij den eerwaarden broeder neder te zetten en aan zijn -tafel zijn potteke te drinken en weldra bleek het Jacob, dat de eerzame -dienaar allerminst argwaan tegen hem koesterde, maar een gezellige -praatvaer was, die alleen door nieuwsgierigheid gedrongen zich bij hem -had gevoegd. De komst van den „inquisiteur” had opschudding -verwekt in het stille stadje. Ieder wist natuurlijk van de -gevangenneming der ketters en men sprak over hun lot met medelijden, -met leedvermaak of met een stille verwensching, al naar de partij, -waartoe men behoorde.</p> -<p class="par">—„De Schout ziet niet gaarne, dat de ketters -worden vervolgd of aan den lijve gestraft,” zeide de -schoutendienaar fluisterend en met een gewichtig gezicht; „maar -ik zeg: de plakkaten van den Koning moeten worden gehandhaafd, anders -is er geen denken aan een goede justitie. Waarom onderwerpen de -Sacramentarissen zich niet en gaan als goede christenen naar de Mis? -Dan zou niemand hen deren.”</p> -<p class="par">—„Ge zijt een trouw zoon der Kerk!” -zeide Jacob, terwijl hij den ander niet zonder minachting in het dikke, -onbeduidende gezicht keek.</p> -<p class="par">—„Dat ben ik! Zeg dat aan den deken, -eerwaarde broeder. Jurriaan Jaspersz, de eerste schoutendienaar van -Poperingen, heeft een afkeer van alle kettersche dolingen en hij haat -alle ketters, beeldbrekers en Geuzen. En wanneer, zooals de luiden -kallen, de Koning komt met een leger, om aan alle oproer en de -vileynige boosheid der Geuzen een einde te maken, dan zal de heilige -Inquisitie eerst recht de handen vol krijgen. Zeg aan den vromen -pastoor Titelman, eerwaarde broeder, als hij als hoofd van zijn -dienaars een kloeken, frisschen kerel verlangt, die niet weekhartig en -laf is, dan is Jurriaan Jaspersz zijn man.”</p> -<p class="par">—„Ik zal u niet vergeten, Jurriaan -Jaspersz,” zeide <span class="pagenum">[<a id="pb211" href= -"#pb211" name="pb211">211</a>]</span>Jacob, die hartelijk meende wat -hij zeide. Toch wilde hij het gesprek niet afbreken. Hij begreep, dat -hij van den praatzieken dienaar wel zou kunnen vernemen, wat hij -verlangde te weten.</p> -<p class="par">—„Er zijn zes gevangenen, nietwaar?” -zeide hij.</p> -<p class="par">—„Ja, zes, vier mannen en twee -vrouwen,” zeide Jurriaan Jaspersz. „De een is een oude -klappei, maar de andere... een malsch boutje! Een paterstuk voor den -deken!”</p> -<p class="par">Jurriaan Jaspersz had de laatste woorden gezegd met een -veelbeteekenenden blik en een grijnslach om den breeden mond, maar hij -schrikte terug bij den vlammenden blik, vol toorn en verontwaardiging, -waarmee de gewaande monnik hem aankeek.</p> -<p class="par">—„Zeker een jonge heilige kluizenaar, pas -uit het klooster,” dacht de man. „De paters zullen hem wel -gauw anders leeren. Maar ik heb mij daar leelijk versproken.”</p> -<p class="par">Jacob bedwong den weerzin, dien hij voor den ruwen kerel -gevoelde.</p> -<p class="par">—„Gij zult zeker de gevangenen -begeleiden?” zeide hij. „Is er wel voldoende bewaking? Men -zegt, dat er kwaad volk in de nabijheid is.”</p> -<p class="par">—„O, dat heeft geen nood,” zei de -praatgrage schoutendienaar. „Wij gaan met zes dienaars mede, en -dan heeft de schout nog om de zes hellebaardiers van den abt van Sint -Bertinus verzocht. Dat is bedekking genoeg! En daarbij, niemand dan wij -en die van het heilig Officie weten, dat de ketters zullen worden -overgebracht.”</p> -<p class="par">—„En gij zult het zeker niet verklappen, -nietwaar?” zeide Jacob, die nu wist, wat hij weten wilde en -opstond. Hij betaalde zijn bier en zijn brood en maakte zich gereed te -vertrekken.</p> -<p class="par">—„Pas goed op uwe gevangenen, Jurriaan -Jaspersz,” zeide hij, met lichte spotternij den schoutendienaar -groetend.</p> -<p class="par">—„Uw zegen, eerwaarde pater!” vroeg de -man. <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name= -"pb212">212</a>]</span></p> -<p class="par">—„Als gij mededoogen hebt met ongelukkigen -en uw ziel rein houdt van onreine gedachten, zal Gods zegen op u -rusten,—eer niet!” was het koele antwoord.</p> -<p class="par">De schoutendienaar staarde den vermeenden Dominicaan -verbluft na.</p> -<p class="par">—„Dat is een strenge pater, die -Witheer,” mompelde hij. „Dien zou ik niet graag voor -biechtvader hebben. Dan is onze pastoor een heel ander man.”</p> -<p class="par">Intusschen haastte Jacob zich, om Poperingen te -verlaten. Hij had er nog een oogenblik aan gedacht, om te trachten, -toegang tot de gevangenen te verkrijgen, en dit zou hem waarschijnlijk -zonder moeite zijn gelukt. Hij vreesde echter, dat de arme Mieke hem -zou herkennen, en, eer hij haar kon waarschuwen, door een -onvoorzichtigen uitroep alles zou verraden. Hij zag dus liever van zijn -voornemen af en haastte zich, de afgesproken plaats te bereiken, waar -de Welle en Daniël hem zouden wachten. <span class= -"pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Toen Jacob het gebroken steenen kruis bereikte, -was het reeds laat in den middag. Het was den geheelen dag een egaal -beloken lucht geweest, een zacht grijze lentedag, en de schemering viel -spoedig in. Jacob had zich gehaast en hij maakte zich reeds ongerust, -toen hij niemand zag. Plotseling echter rezen uit een droge sloot twee -donkere gedaanten op, in wie hij de Welle en Daniël Tistz -herkende.</p> -<p class="par">—„Goed, dat ge er zijt, jonker,” zei -de laatste, terwijl hij hem met ruwe hartelijkheid op den schouder -klopte. „De Welle begon reeds ongerust te worden en wilde u met -alle geweld gaan zoeken. Ik zei hem, dat hij zijn hoofd in den strop -stak, want hij is te Poperingen bekend als de bonte hond, maar als het -lang had geduurd, was hij niet te houden geweest.”</p> -<p class="par">—„Zijt ge geslaagd, jonker? Vertel -op!” zei de Welle, wiens gezicht bleek en vertrokken was van -angst.</p> -<p class="par">Jacob gaf haastig maar nauwkeurig verslag van zijn -ervaringen.</p> -<p class="par">—„Dus de schout heeft den brief van -Titelman,” zei de strooper zegevierend, „en niemand weet, -dat wij zijn bode hebben geknipt! En er gaan maar twaalf dienaars mede! -Dat is kinderspel! Moed, de Welle, wij zullen Mieke -verlossen!”</p> -<p class="par">—„Maar die mannen zijn welgewapend!” -meende Jacob.</p> -<p class="par">—„Ik geef niet om hun hellebaarden en -houwers,” spotte Daniël. „Die Jurriaan Jaspersz! Ik -zie zijn domme <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name= -"pb214">214</a>]</span>tronie al voor mij, als wij den wagen aanhouden. -Met hem heb ik ook nog een oude rekening te vereffenen. Wacht -maar!”</p> -<p class="par">En Daniël liet zijn zwaren eiken stok door de lucht -suizen en neerkomen op een denkbeeldigen rug en dat was de rug van -Jurriaan Jaspersz, den eersten schoutendienaar van Poperingen.</p> -<p class="par">—„Daar in dien greppel hebben wij uw -kleederen, jonker,” zeide de Welle; „trek nu spoedig die -verwenschte pij uit. Wij houden de wacht.”</p> -<p class="par">Jacob verwisselde van kleederen en Daniël nam de -pij en den gordel van den monnik over den arm. Bij een diepe kolk -gekomen, een weinig ter zijde van den weg, nam de strooper een paar -zware keien op, die hij blijkbaar met opzet klaar had gelegd, wikkelde -die in de pij met het brevier en den rozenkrans van den Dominicaan, -maakte alles stevig met den gordel vast, en liet toen, na zorgvuldig -naar alle kanten om zich heen te hebben gezien, het pak in het donkere -water zinken.</p> -<p class="par">—„Wat doet ge?” vraagde Jacob -verwonderd. „De kleederen zijn immers het eigendom van den -monnik?”</p> -<p class="par">—„Hij zal ze wel niet meer van noode -hebben,” zeide de strooper met een woesten lach, terwijl hij naar -de grooter wordende waterkringen keek.</p> -<p class="par">Jacob hoorde het, maar hij durfde thans niet vragen naar -het lot van den Dominicaan.</p> -<p class="par">Zij verlieten nu den weg en liepen langs smalle -landwegen, eerst door de hoptuinen, toen door de bouwlanden, en -bereikten eindelijk de strook broekheide, die zich langs den boschrand -uitstrekte. De Welle en Daniël, die beiden het landschap kenden, -aarzelden geen oogenblik, welk pad zij hadden te kiezen.</p> -<p class="par">Bij het drassige broekveld gekomen, dat hier en daar -door breede slooten en geulen werd doorsneden, haalde Daniël uit -het hooge heidekruid drie lange polsstokken te voorschijn, die daar -zorgvuldig waren <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" -name="pb215">215</a>]</span>verborgen. De stokken waren aan het -boveneind van een stalen punt voorzien, en vormden zoo een halve piek, -een geducht wapen, dat later in den vrijheidsoorlog beroemd zou -worden.</p> -<p class="par">—„Vooruit nu!” gebood de Welle. -„Jonker, loop achter mij en pas op! ’t Is hier gevaarlijke -grond. Daniël, gij sluit de rij en kijk goed uit uw -oogen.”</p> -<p class="par">Snel ging het over den drassigen grond voorwaarts. Het -water borrelde soms op uit den veenachtigen bodem, en er waren plekken, -waar men, blijkbaar met opzet, van graszoden en takkenbossen -„stappen” had gemaakt, die een rustpunt boden aan den voet. -Een vreemdeling, die het oord niet kende, zou nimmer door het -verraderlijke moeras den weg hebben gevonden. Breede en diepe slooten -moesten worden overgesprongen, maar de donkere boschrand kwam al -nader.</p> -<p class="par">Eindelijk was het bosch bereikt. Langs slingerpaden en -door kreupelhout leidde Daniël Tistz, die hier in zijn element -was, zijn beide metgezellen tot diep in het hout. Eensklaps hoorde -Jacob verwonderd op. Een gedempt gezang trof zijn oor, psalmgezang.</p> -<p class="par">—„Ja, jonker,” zeide Daniël, die -zijne verwondering bemerkte. „We zijn hier bij een van onze -schuilhoeken, waar ik een troepje Geuskens verborgen houd, die ’t -te Waterloo en te Oosterweel zijn ontkomen. ’t Is een veilig -plekje, en als de Welle nog boschwachter was, zou ik ’t hem nooit -hebben verklapt.”</p> -<p class="par">Nog een wending van het pad en men stond voor een breed -water. Slechts een geoefend springer kon er met een pols over komen. -Het psalmgezang klonk duidelijker en ros licht schemerde hier en daar -tusschen het jonge lentegroen door.</p> -<p class="par">Daniël liet een zacht en eigenaardig gefluit -hooren.</p> -<p class="par">—„Zijt gij daar, Daniël?” vroeg -een schorre stem.</p> -<p class="par">—„Ja,” zei de strooper. „Ik -breng goed volk! Laat den boom zakken.”</p> -<p class="par">Het ritselde in de blaren en een lange boomstam, die aan -een touw kon worden op en neer gehaald, <span class="pagenum">[<a id= -"pb216" href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span>viel over de sloot -heen. Daniël liep behendig en snel over de smalle brug, die van -boven slechts een weinig was afgeplat. Jacob volgde hem en hoewel de -boom zwiepte onder zijn voet, bereikte hij toch veilig den overkant, -waar ook de Welle zich weldra bij hem voegde.</p> -<p class="par">—„Zijt gij dat, Peerke?” zei -Daniël.</p> -<p class="par">—„Ja,” klonk de schorre stem uit het -duister. „Maar wie is de derde man?”</p> -<p class="par">—„Goed volk, als ik u zei, een officier uit -het leger van Oosterweel,” antwoordde de strooper ongeduldig. -„Kom voor den dag en licht ons bij, want ’t is hier zoo -donker als de hel.”</p> -<p class="par">Een rosse lichtgloed viel op het pad en een donkere -gedaante, die een stallantaarn met een smeerkaars droeg, kwam -nader.</p> -<p class="par">—„Hier is de ingang van het pad,” zei -de schorre stem. „Ik zal jelui voorgaan.”</p> -<p class="par">Ze gingen een smal pad in, dat als een tunnel in het -hooge struikgewas scheen uitgehouwen. Spookachtig viel het roode licht -van de lantaarn op het jonge lentegroen, dat hen aan alle kanten -omringde. Het gedempte psalmgezang klonk duidelijker.</p> -<p class="par">—„Is er van avond preeke?” vraagde -Daniël.</p> -<p class="par">—„Ja, Jan Machielsz, de manke predikant, -heeft de broeders en zusters voor van avond samengeroepen. Wat je -hoort, is het voorgezang. De preeke zal wel zoo aanstonds -beginnen.”</p> -<p class="par">Een donker gevaarte doemde voor hen op uit de -duisternis. Een schuur, naar het scheen. Een mat licht drong door een -paar kleine ramen, met verweerde ruitjes.</p> -<p class="par">Ze traden zachtjes de schuur binnen.</p> -<p class="par">’t Was een eigenaardig tafereel, dat ze daar -aanschouwden, bij het licht van een paar lantaarns en baklampen, die -hier en daar waren opgehangen.</p> -<p class="par">Een dertigtal mannen en vrouwen zaten of stonden in dat -gedeelte van de wijde ruimte, dat het best was <span class= -"pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name= -"pb217">217</a>]</span>verlicht. Voor hen, in een soort -spreekgestoelte, niet zonder vernuft getimmerd van een groote ton, -stond een kleine, in het zwart gekleede man. Hij hield een opgeslagen -bijbel in de hand, en las den tekst voor, op het oogenblik, dat de drie -mannen binnentraden. Het was <a class="biblink xd24e43" title= -"Link naar geciteerde plaats in de Bijbel" href= -"https://www.biblegateway.com/passage/?search=deut%207:5&version=HTB"> -Deuteronomium 7 : 5</a>.</p> -<p class="par">—„Maar also sult ghi hun -doen:”—zoo klonk het somber door de half verlichte -ruimte—„hare altaers sult ghi afwerpen ende hare opgerichte -beelden verbreecken ende hare bosschen sult ghi afhouwen ende hare -gesnedene beelden met vyer verbranden.”</p> -<p class="par">Toen volde de preek: een wilde, hartstochtelijke -toespraak. ’t Was geen verkondiging van het Evangelie, ook geen -woord van vertroosting tot deze ballingen, vermoeiden en bitter -bedroefden van ziele. ’t Was een woord van toorn en van wrake. De -verstrooide Geuzen werden vergeleken bij Israël, het volk Gods, -dolende in de woestijn, de Roomschen bij de Kanaänieten, vijanden -van God en zijn volk, die het plicht was te bestrijden, te verdelgen -als het kon.</p> -<p class="par">En Jacob zag, hoe de forsche gezichten van de ademloos -luisterende mannen zich vertrokken tot een wreeden grijns, hoe zij de -vuisten balden of krampachtig den greep van hun lang kruismes -omklemden, als zij den spreker in zijn schilderingen van hun nood en -hun lijden volgden of luisterden naar zijn aanhitsend, wraakademend -woord.</p> -<p class="par">’t Was een vreemde, wilde groep, die daar stond -geschaard om den ruwen kansel, in het spookachtige, rosse licht der -walmende olielampen. Zoo moest eens, in den tijd der Richteren, het -volk van Israël zich bij het roode licht der toortsen hebben -verdrongen om een of anderen wilden woestijnprofeet, die hen aanporde -tot opstand tegen hunne verdrukkers.</p> -<p class="par">De stem van den prediker zweeg. Hij had een psalm -opgegeven, den 79sten psalm, het 2de vers. Sommige der aanwezigen -drongen naar de lampen met hunne boeken, maar de meesten kenden het -lied van buiten: <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" -name="pb218">218</a>]</span>een der klaagliederen der verstrooide -Gereformeerden dier dagen:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Ach, hoe lang sult Gij noch, o Heer geprezen,</p> -<p class="line">Op ons also vergramt en verstoort wezen?</p> -<p class="line">Hoe lang zal noch Uwen toorn sijn ontsteecken</p> -<p class="line">Als een vyer, ’t welck men met kracht siet -uitbreecken?</p> -<p class="line xd24e3305">Stort Uwen toorne swaer</p> -<p class="line xd24e3305">Over ’t volck, dat voorwaer</p> -<p class="line xd24e3305">U niet wil kennen, Heere!</p> -<p class="line xd24e3305">De koninckrijcken ’t saem,</p> -<p class="line xd24e3305">Sla Heer, die uwen Naem</p> -<p class="line xd24e3305">Niet aenroepen met eere.</p> -</div> -<p class="par first">Onder het psalmgezang bemerkte Jacob, dat, niet -ver van den prediker, aan een van de ruw behouwen stijlen, die het dak -schraagden, een menschelijke gestalte was vastgebonden. Naderbij -gekomen, zag hij, dat het de monnik was, dien de Welle en Daniël -dien morgen hadden gevangen genomen. Hij stond daar, met gesloten -oogen, het hoofd leunend tegen den paal. Blijkbaar was hij daar -vastgebonden, om hem te dwingen, in dien toestand de godsdienstoefening -bij te wonen.</p> -<p class="par">Het psalmgezang hield op en de prediker nam weer het -woord. Thans was het een bittere aanklacht van de Inquisitie en haar -aanhangers, wien hij een bloedig einde en een vreeselijk oordeel -voorspelde. Soms scheen het, of hij zich opzettelijk tot de gebonden -gestalte van den monnik richtte, en dan volgden aller oogen zijn blik -en richtten zich vol haat en bloeddorst op het bleeke gezicht van den -gevangene. Het was Jacob, of er een spottende glimlach zweefde op de -dunne lippen van den Dominicaan, maar bij het onzekere, flikkerende -licht kon hij zich gemakkelijk vergissen.</p> -<p class="par">De godsdienstoefening was eindelijk afgeloopen. Zoo -hunne binnenkomst die niet had doen staken, zij waren toch niet -onopgemerkt gebleven. De oudsten der aanwezigen <span class= -"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name= -"pb219">219</a>]</span>traden met den predikant op hen toe, en vraagden -naar hun wedervaren. Weldra was het gesprek levendig en algemeen. Dat -men zou trachten de gevangenen te bevrijden stond vast; ’t was -maar de vraag, hoe dit zou geschieden. Er waren er, die aan Jacob het -bevel over de onderneming wilden opdragen, omdat hij een officiersrang -had bekleed in het leger van Thoulouse, maar deze was zoo wijs, voor de -eer te bedanken. Een onderneming als deze moest aan een man van meer -ervaring worden opgedragen. Eindelijk werd besloten, dat Pieter de -Welle de aanvoerder zou zijn.</p> -<p class="par">Terwijl eenige vrouwen werden uitgezonden om voor de -nieuwaangekomenen brood, spek en bier te halen, trad de predikant op -Jacob Martens toe.</p> -<p class="par">—„Ik geloof, dat ik u nog eenmaal heb -ontmoet, jonker,” zeide hij, Jacob scherp aanziende.</p> -<p class="par">Inderdaad had Jacob reeds geruimen tijd den indruk, dat -hij het bleeke gelaat van den kreupele en zijn donkere dweperoogen meer -had gezien.</p> -<p class="par">—„Ik weet het!” riep hij plotseling. -„Gij, waart er bij, toen verleden jaar de Doopersche werd -verdronken.”</p> -<p class="par">Jan Machielsz knikte.</p> -<p class="par">—„’t Is nu een jaar geleden, dat de -arme Aegte Jansdochter den martelaarsdood stierf om hare goede -belijdenis. Wèl was zij, evenals ik in die dagen, bevangen in -Doopersche dolingen, doch ik geloove vastelijk, dat de Heer hare ziele -in genade zal hebben aangenomen.”</p> -<p class="par">—„Ja,” ging de kreupele voort op -Jacobs vragenden blik, „ik was toen nog onkundig van de -waarachtige, gezuiverde religie, van de zuivere leer, zooals die ons -uit Genève is verkondigd door den godzaligen Calvinus en zijn -leerling Beza. Ik was als een Apollos, de Schrift kennende, maar die -niet verstaande, maar de Eerwaarde Dathenus was voor mij als Aquila en -Priscilla en hij leide mij den weg Gods bescheidenlijker uit. Sinds -werd ik door het Consistorie toegelaten als <span class= -"pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name= -"pb220">220</a>]</span>leeraar der Kerke in de verstrooiing en ik trek -rond van schuilhoek tot schuilhoek, om de schaapkens Christi het Woord -Gods te brengen en ook, als het zijn moet, met hen het zwaard te -trekken en hen te leiden in den strijd tegen de onbesnedenen van harte, -de Papisten en hun aanhang.”</p> -<p class="par">Jacob keek naar het bleeke, strakke gelaat en de donkere -oogen, die gloeiden van somber vuur, en hij begreep, hoe deze prediker -in de woestijn, door het lijden en de vervolging verbitterd, er toe -kwam om, liever dan de troost des Evangelies, de wrake Gods te -prediken.</p> -<p class="par">Ondertusschen hadden de vrouwen op een paar op vaatjes -gelegde planken een eenvoudig avondmaal gereed gezet. Jacob maakte zich -gereed om met den predikant, de Welle en de oudsten der kleine kolonie -aan te zitten, toen zijn oog op den monnik viel, die met zijn blikken -de spijzen verslond.</p> -<p class="par">—„De man heeft honger! Heeft hij niets te -eten gehad sinds van morgen?” vraagde hij.</p> -<p class="par">—„Wij hebben ’t hier zelf niet te -breed! Wij hebben geen brood en bier voor zulk ongedierte!” zei -een der Geuzen norsch.</p> -<p class="par">—„De Papist is het vasten gewoon!” -spotte een ander.</p> -<p class="par">—„Hij zal gauw geen honger of dorst meer -hebben. Ik denk, dat Daniël hem heeft bewaard voor het -nagerecht!” meende een ander.</p> -<p class="par">—„Daniël zal geen weerlooze -moorden!” zeide Jacob. „Geef den monnik te eten, mannen! -Uit barmhartigheid!”</p> -<p class="par">—„Een weerlooze moorden? Barmhartigheid met -dien Philistijn?”</p> -<p class="par">Het was de kreupele predikant, die gesproken had. Zijn -kleine, tengere gestalte scheen te groeien, nu hij opstond en met -fonkelende oogen de hand uitstrekte naar den Dominicaan.</p> -<p class="par">—„Barmhartigheid met een bloedhond van de -Inquisitie? <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name= -"pb221">221</a>]</span>Met een dienaar van Titelman?” ging hij -voort met snijdende stem. „Weet gij, wat gij zegt, -jonker?”</p> -<p class="par">„Is niet de schoolmeester Geleijn de Muler, van -Oudenaarde, geworgd en verbrand, omdat hij den bijbel las?”</p> -<p class="par">„Is niet Thomas Calberg, van Doornik, levend -verbrand, omdat hij uit een verboden boek een paar godvruchtige -liedekens had overgeschreven?”</p> -<p class="par">„Is niet Wouter Kapel, van Dixmuyden, een -godvreezend man en weldoener der armen, wegens ketterije -verbrand?”</p> -<p class="par">„En is niet Robert Ogier met zijn vrouw en zijne -twee zonen te Rijssel verbrand, omdat zij niet ter misse gingen, maar -in hun huis den Heere God baden en zijn Woord lazen?”</p> -<p class="par">„Dat hebben de bloedige Titelman en de zijnen -gedaan! En gij spreekt van mededoogen en barmhartigheid met dezen -vijand van Gods volk? Zie toe, dat het u niet ga als Saul, den zoon van -Kis, die Agag, den Amalekiet, spaarde, toen hij hem moest verbannen van -voor het aangezicht des Heeren!”</p> -<p class="par">—„Ook onze Heere Christus bad voor zijn -moordenaren!” zeide Jacob onverschrokken.</p> -<p class="par">Hij begreep den haat en de verbittering dier mannen; -soms voelde hij die zelf smeulen in zijn borst. Hij wist, dat Jan -Machielsz de waarheid had gesproken. Maar hij wilde strijden tegen die -onheilige wraakzucht en doen als zijn bijbel hem leerde. Zonder verlof -te vragen nam hij een kroes bier en bracht dien aan de lippen van den -monnik. De man dronk gretig.</p> -<p class="par">Er ging een gemompel van afkeuring op onder de Geuzen en -men hoorde hier en daar de opmerking maken, „dat Daniël er -nu maar een eind aan moest maken.”</p> -<p class="par">—„Daniël!” riep Jacob, „wat -wilt gij met hem doen?”</p> -<p class="par">—„Hem houden, jonker, tot wij weten, hoe -’t met Mieke gaat. Kunnen wij haar verlossen, dan—zullen -<span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name= -"pb222">222</a>]</span>wij zien. Maar valt zij in Titelman’s -klauwen,—wat zij haar doen, dat zal ik met dezen paap doen, zoo -waarachtig helpe mij God!”</p> -<p class="par">—„En zoo doe mij God en zoo doe Hij daartoe, -als wij allen u niet daarin bijstaan!” zei Jan Machielsz.</p> -<p class="par">—„Goed! Het mag zijn!” zei Jacob, -„maar maak den monnik nu los en geef hem eten en drinken. Wij -behoeven van de Inquisitie geen wreedheid te leeren.”</p> -<p class="par">Een oogenblik aarzelde de strooper.</p> -<p class="par">—„Je zult je zin hebben, jonker,” zei -hij eindelijk. „Je hebt vandaag veel voor Mieke gewaagd en dat -vergeet ik niet. Maar wat je om dien vermaledijden paap geeft, begrijp -ik niet.”</p> -<p class="par">Door Daniël geholpen, maakte Jacob thans den monnik -los van den paal en liet hem op een der ruwe banken nederzitten. Het -duurde eenigen tijd, voor de gevangene het gebruik van zijn armen -terugkreeg. Toen viel hij aan op het brood en het bier, dat men hem -voorzette en at en dronk gulzig, maar zonder een woord van dank. Zoodra -hij verzadigd was, leunde hij het hoofd in de handen, en scheen in te -slapen. Op de enkele vragen, die men hem deed, gaf hij geen -antwoord.</p> -<p class="par">Daniël haalde gemelijk de schouders op. Zijne -makkers hadden onder een afkeurend gemompel aangezien, dat de gevangene -werd losgemaakt en klaarblijkelijk gaf hij hun in zijn hart gelijk. Om -er zich althans van te verzekeren, dat zijn prooi hem niet zou -ontsnappen, bond hij hem de voeten weder en bevestigde het touw aan een -ijzeren ring in den wand.</p> -<p class="par">Toen alles voor den volgenden dag was bepaald, scheidde -men. Het bleek Jacob, dat er, behalve de schuur, waarin zij zich -bevonden, nog eenige hutten op het eiland waren, dat de vluchtelingen -tot schuilplaats diende. Voor hem en zijne metgezellen werden bossen -stroo gebracht, waarvan spoedig een goed nachtleger werd gespreid. Voor -men zich ter ruste legde, <span class="pagenum">[<a id="pb223" href= -"#pb223" name="pb223">223</a>]</span>zag Jacob hoe de Dominicaan weder -stevig werd gebonden. Men gaf ook hem echter wat stroo, om op te -slapen.</p> -<p class="par">Den volgenden morgen was alles in de kolonie der -vluchtelingen druk in de weer.</p> -<p class="par">Na een korte morgengodsdienstoefening gingen allen aan -den arbeid. Eenige mannen en vrouwen verlieten het eiland en gingen in -verschillende richtingen het bosch in of langs de smalle paden, die -door het veen liepen. Zij moesten de vluchtelingen van levensmiddelen -voorzien. Jan Machielsz verklaarde Jacob, dat dit op verschillende -wijzen geschiedde. Sommigen gingen wild stroopen in het bosch, anderen -kregen bij geloofsgenooten giften van veldvruchten, eieren en vleesch, -terwijl er ook waren, die zich niet ontzagen, de hoeven der kloosters -te plunderen en het vee te rooven.</p> -<p class="par">Een ander deel der mannen hield zich bezig met het in -orde brengen van hunne wapenen, die nog dienzelfden avond dienst zouden -moeten doen. Sommigen, die vluchtelingen waren van Watrelos en -Austruweel, hadden de hunne medegebracht. Men zag tenminste in het kamp -eenige korte handbussen en een paar pieken. Er waren leden van de -schuttersgilden, die hunne handbogen en armborsten nazagen of pijlen en -bouten maakten. De meeste Geuzen waren echter gewapend met recht op den -stok gesmede zeisen, een verschrikkelijk wapen in krachtige handen, dat -zij thans ijverig slepen en wetten.</p> -<p class="par">Er was zelfs blijkbaar een klein arsenaal aanwezig, want -men bood terstond aan, Jacob van wapenen te voorzien. Hij kreeg een -zeer goeden degen en een paar pistolen: zware, lompe vuurwapenen met -lontsloten, die, als zij eenmaal waren afgeschoten, niet zoo spoedig -weer te laden waren, maar die toch in een gevecht van man tegen man -nuttig konden zijn. De Welle weigerde elk ander wapen, dan een zware -„gepinde kodde”, de met stalen punten bezette knots, -waaraan hij gewoon was. <span class="pagenum">[<a id="pb224" href= -"#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p> -<p class="par">Tegen den middag werd er een korte krijgsraad belegd, -waaraan alle weerbare mannen deelnamen. De holle weg in het bosch bij -Langem, dezelfde plaats, die door Daniël was aangewezen als -geschikt voor een hinderlaag, werd gekozen om het plan ten uitvoer te -brengen. Men kon die plek, dwars door de bosschen heen, onopgemerkt -bereiken, en als men de gevangenen eenmaal bevrijd had, kon men met -alle pogingen tot vervolging spotten, want op de donkere boschpaden, -die de Geuzen zoo uitstekend kenden, zou men hen nimmer durven -volgen.</p> -<p class="par">Het zou donker zijn, als de huifkar op de bepaalde -plaats aankwam en men moest zeker zijn van zijn slag. Daarom zond de -Welle een paar jonge lieden met eenige bossen stroo vooruit. Zij -moesten droge takken sprokkelen en daarvan, tegen het vallen van den -avond aan den kant van den weg een mutsaard maken om en over het stroo. -Zóó zou men, op het gewenschte oogenblik, een helder -brandend vuur kunnen ontsteken, dat voldoende licht zou -verspreiden.</p> -<p class="par">Te vijf uren begaf men zich op weg. Jan Machielsz had -allen, die aan den tocht deelnamen, in de schuur, die het middelpunt -was der kleine kolonie, verzameld en Gods zegen op de onderneming -afgesmeekt. Een traan biggelde langs de gerimpelde wangen van Pieter de -Welle, toen de predikant zijn Mieke aan God opdroeg, bij Wien veel -verlossing was, en Hem smeekte, de onschuldigen te rukken uit de -klauwen van den wreeden Titelman. Ook Daniël had ontroerd het -hoofd gebogen.</p> -<p class="par">Niemand lette op den monnik, die nog altijd gebonden in -de schuur lag en wiens armen slechts werden losgemaakt, als men hem -eten en drinken bracht. Niemand zag, hoe hij met half gesloten oogen -loerde naar den biddenden predikant en de forsche, gewapende mannen, -die ontroerd naar zijne woorden luisterden.</p> -<p class="par">Na het gebed begaven zich allen op weg, ook Jan -Machielsz, die niet in het kamp had willen blijven. De <span class= -"pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name= -"pb225">225</a>]</span>plaats, waar men zich in hinderlaag zou leggen, -was ongeveer twee uren van de kolonie verwijderd. Alle weerbare mannen -gingen mede, want voor een aanval op het kamp behoefde men niet te -vreezen: er waren geen soldaten in de buurt gelegerd en de afgelegen -plek was slechts aan weinigen bekend, en die weinigen—eenvoudige -lieden, die in het bosch of het veen woonden—waren vrienden van -de vluchtelingen, en zouden hen niet verraden.</p> -<p class="par">De bewaking van het kamp was opgedragen aan Peerke, een -stevigen kerel uit Diest, die te Watrelos een kogelwond in het been had -gekregen, welke nog niet geheel genezen was. Voor lange tochten was hij -ongeschikt en hij moest zich dus met den post van portier tevreden -stellen, dien hij al grommende waarnam.</p> -<p class="par">Nu was Peerke een trouw makker, op wien men in alle -opzichten kon rekenen, zoolang hij niet in de buurt van een kanne biers -was. Jan Machielsz en Daniël wisten dat zeer goed; maar daar er op -dat oogenblik op het eiland niets was dan een ton dun bier, die men van -een brouwer te Diest had gekregen, meenden zij van dien kant veilig te -zijn: aan dat dunne, scherpe vocht zou Peerke zich zeker niet -bedrinken. Wat de aanvoerders echter niet wisten, was, dat Peerke van -een van de Geuzen, die geholpen had bij de plundering van een klooster, -een vaatje zoete malvesye had gekocht, dat hij zorgvuldig in den grond -had begraven, met de bedoeling er zich te gelegener tijd eens rustig -aan te goed te doen.</p> -<p class="par">Die gelegen tijd scheen Peerke thans gekomen. Het zou -uren duren, eer de bende haar schuilhoek weder kon bereiken, en hij had -dus den tijd aan zich. De vrouwen waren met haar kinderen in de hutten -en hij was met den gevangen monnik alleen in de schuur.</p> -<p class="par">Nu was Peerke op zijn manier een man van geweten en hij -wou zich niet bedrinken, vóór hij wist, dat alles veilig -was. Toen het geluid van de voetstappen zijner makkers was -weggestorven, begon hij den monnik <span class="pagenum">[<a id="pb226" -href="#pb226" name="pb226">226</a>]</span>stevig de handen op den rug -te binden. Daarop nam hij zijn hellebaard en strompelde het eiland om, -om zich te overtuigen, dat er inderdaad geen gevaar dreigde. Toen had -hij, naar hij meende, zijn plicht volbracht; hij groef het kostbaar -vaatje op en torste het naar de schuur, sloeg de stop uit het spongat -en terwijl hij met welgevallen den geur van den wijn opsnoof, -verzekerde hij den monnik, dat dit nu een patersvaatje was, dat hij, -Peerke, op de gezondheid van den paus en van alle papen zou gaan -leegdrinken.</p> -<p class="par">Toen nam hij zijn tinnen kroes, zette zich in een -gemakkelijke houding bij de ruw opgemetselde schouw en begon met lange -teugen te drinken, terwijl hij van tijd tot tijd ophield, om zijn -gevangene mede te deelen, dat het kostelijk smaakte en dat de paters -wel wisten, wat goed was.</p> -<p class="par">De monnik zat roerloos, met gesloten oogen, tegen den -paal geleund, waar Peerke hem had neergekwakt. Hij gaf geen enkel -teeken, dat hij de spotternijen van den Geus verstond.</p> -<p class="par">Maar de krachtige wijn bleek te sterk voor het hoofd van -Peerke, die slechts aan het zware, Vlaamsche bier gewend was. Weldra -werd hij bijzonder vroolijk; hij begon te zingen: een zonderling -mengelmoes van psalmen en luchtige liedjes en hij werd eindelijk zoo -welgemutst, dat hij een kroes van den wijn nam en daarmee op den monnik -toewaggelde.</p> -<p class="par">—„Ik breng ’t je, paap,” zei hij -met dubbelslaande tong. „Jij kunt het ook niet helpen, dat je een -papist bent.”</p> -<p class="par">De monnik had even het hoofd omgewend, maar hij bedacht -zich en dronk met gretige teugen.</p> -<p class="par">—„Dat smaakt anders dan slootwater, -hè?” zei Peerke. „Weet je wat?” ging hij -voort, op goedigen dronkemanstoon, „je moet niet teruggaan naar -dat vermaledijde klooster. Als je tegen de jongens zegt, dat je geen -papist meer wilt zijn, dan zullen ze je losmaken en dan kon je bij ons -een goed leven hebben. <span class="pagenum">[<a id="pb227" href= -"#pb227" name="pb227">227</a>]</span>Dan zal ik een sneege deern voor -je opschommelen, en Jan Machielsz zal jelui trouwen. Dat is beter voor -een flinken borst.”</p> -<p class="par">De Dominicaan antwoordde niet.</p> -<p class="par">—„Je bent een stuursche compaan,” zei -Peerke boos, „en je laat mij maar alleen kallen. Ik krijg weer -dorst, maar jij krijgt niets meer, als je niet praten wilt.”</p> -<p class="par">Hij waggelde weer naar zijn vaatje en vulde zijn kroes. -Hij werd steeds luidruchtiger en zijn goede luim van zooeven was weldra -geheel voorbij. Hij werd twistziek en eischte, dat de monnik met hem -mee zou zingen.</p> -<p class="par">—„Komaan, paap,” schreeuwde hij; -„dat ’s je voor en als ze je niet meezingt, sla ik je de -ribben kapot. Komaan!”</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„Wie wil hooren een nieu liet!</p> -<p class="line">„Luystert toe, ik salt u singen,</p> -<p class="line">„Wat daer t’ Antwerpen is -gesciet.”</p> -</div> -<p class="par first">—„Je, je z... zingt niet mee, -verdoemde paap? Wacht, ik z... zal je l... leeren!”</p> -<p class="par">Hij stond op, maar struikelde over het vaatje en viel -met een slag op den grond. Een paar malen beproefde hij op te staan, -maar tevergeefs; zijn schelden werd een onverstaanbaar gemompel en -weldra bewees een zwaar gesnork, dat de dronkaard zijn roes -uitsliep.</p> -<p class="par">Nu kwam er beweging in de roerlooze gestalte van den -monnik. Zijn felle zwarte oogen keken schichtig rond en vlogen toen van -den slaper naar het vuur.</p> -<p class="par">Loopen kon <span class="corr" id="xd24e3475" title= -"Bron: nij">hij</span> niet, want zijne voeten waren stijf -bijeengebonden, maar hij liet zich op zijne zijde vallen, wentelde zich -om en om en rolde zoo naar het vuur. Hij koos een plek uit, waar een -groote turf geheel was doorgebrand, toen draaide hij zich nogmaals om, -met den rug naar den vuurhaard, en, achteruitschuivende, hield hij -zonder aarzelen zijn gebonden handen tegen het brandende stuk veen. De -reuk van het brandende touw, gepaard met een afschuwelijken stank van -het geschroeide vel en vleesch vervulde de schuur. <span class= -"pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span>De -monnik was vaalbleek; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd en hij -liet een dof gekreun hooren, maar hij liet niet af, al klemde hij de -dunne lippen tusschen de tanden, om het niet uit te brullen van de -pijn.</p> -<p class="par">Nog een oogenblik en met inspanning van alle krachten -rukte de monnik het half doorgebrande touw los en wikkelde haastig de -smeulende einden van zijn polsen. Kreunend bleef hij liggen, terwijl -hij de armen langzaam heen en weer bewoog, om den bloedsomloop te -herstellen. De rest was gemakkelijk. Het zakmes van Peerke stak in de -lederen scheede uit den zak van den wijden broek en was binnen het -bereik van de hand van den monnik. In een oogenblik had hij het touw -doorgesneden, waarmede zijne voeten waren geboeid. Zijn eerste werk was -nu naar de deur der schuur te strompelen, en die te sluiten met den -zwaren boom, zoodat hij niet kon worden overvallen. Toen liep hij -langzaam heen en weder, tot ook zijn beenen weer hun vroegere kracht en -lenigheid hadden terug gekregen en ondertusschen verslond hij gretig -het brood en het spek, dat voor het avondeten van zijn bewaker was -bestemd, en dronk nog eenige teugen van den krachtigen wijn. Hij doopte -een paar lappen in een pot met melk, dien hij vond, en wikkelde die om -zijn verschroeide polsen. Toen was hij gereed om te vluchten.</p> -<p class="par">Hij ging naar Peerke en nam het mes, dat hij had laten -liggen. Een oogenblik stond hij besluiteloos bij den snorkenden -dronkaard. Het mes trilde in zijne hand en een wreede, woeste trek kwam -op het bleeke gezicht. Daar viel zijn oog op den kroes, dien de slaper -hem goedhartig had toegereikt en het strakke gezicht werd zachter.</p> -<p class="par">—„Libera nos a malo!”<a class= -"noteref" id="xd24e3487src" href="#xd24e3487" name="xd24e3487src">1</a> -prevelde de monnik, terwijl hij het mes wegstak.</p> -<p class="par">Hij ging naar de deur, nam den boom weg en tuurde even -voorzichtig naar buiten. Toen liep hij vastbesloten <span class= -"pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span>het -smalle pad af, dat van de schuur naar de gracht voerde. Een paar -kinderen, die hij tegenkwam, gingen schreeuwend op de vlucht.</p> -<p class="par">De monnik snelde voort. Achter zich hoorde hij de -schelle stemmen der vrouwen en hij begreep, dat hij zich moest haasten. -De knuisten dier kloeke Vlaamsche wijven waren niet te verachten en zij -waren zeer wel in staat, hem tegen te houden. Hij kwam aan de breede -gracht. Zonder te aarzelen sprong hij in het water en met een paar -slagen had hij den overkant bereikt. Toen, zonder zich om de -scheldwoorden der hem vervolgende vrouwen te bekommeren, sloeg hij den -weg in, die de uitgetrokken bende had genomen, wier breed spoor -gemakkelijk te volgen was. Zoo kwam hij veilig door het moeras. Hij was -doornat en rilde van de koude in de vochtige voorjaarslucht, doch hij -draafde verder, steeds het spoor der Geuzen volgende, tot hij in de -verte de hooge boomen zag, die langs den karreweg naar Poperingen -stonden. Toen sloeg hij rechtsaf en springend en soms wadend door de -plassen van den broekigen grond bereikte hij den weg. Eenige -oogenblikken rustte hij uit, om op adem te komen en zijn doornatte -kleederen zoo goed mogelijk uit te wringen. Toen stapte hij ijlings -voort in de richting van de stad.</p> -<p class="par">Intusschen was de bende, onder aanvoering van de Welle -en Daniël Tistz op de plaats aangekomen, waar men, volgens -afspraak, de gevangenen met hun geleide zou opwachten. De jongens, die -vooruitgezonden waren, hadden niets verdachts bespeurd. Zij hadden zich -ijverig geweerd: aan beide kanten van den hollen weg hadden zij een -mutsaard gemaakt van stroo en droge takken, die in een oogenblik kon -worden aangestoken.</p> -<p class="par">De Welle en Daniël begonnen nu hunne mannen hun -posten aan te wijzen. Twee handbusschutters werden met smeulende lonten -bij de mijten geplaatst, met den last om die, op een bepaald sein, aan -te steken. De <span class="pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name= -"pb230">230</a>]</span>andere Geuzen, die met bussen, handbogen en -armborsten gewapend waren, werden op de hellingen ter weerszijden van -den hollen weg verdekt opgesteld, om de hellebaardiers van het escorte -in bedwang te houden, terwijl de met pieken en zeisen gewapenden zich -in twee partijen verdeelden, en post vatten in de laagte, waar zij zich -in greppels en achter boomen verscholen. De bedoeling was om den wagen -aan te houden in het laagste gedeelte van den hollen weg, waar de -paarden moeite zouden hebben, de zware huifkar door de modder te -trekken. Bij het licht der ontstoken houtvuren zou men de bewakers -achteruitdringen en ontwapenen. Wie zich verzette, zou worden -neergestooten. Dan zou men de gevangenen bevrijden en met hen, langs de -welbekende sluipwegen, vluchten naar den schuilhoek der Geuzen, aan den -boschrand, waar men voorloopig in veiligheid zou zijn. Dan wilde de -Welle met zijn dochter uitwijken naar Engeland en Jacob had besloten, -hem te vergezellen.</p> -<p class="par">Een oogenblik was het rumoerig geweest in het bosch, -toen de Geuzen hunne posten bezetten, maar weldra was alles stil, want -de leiders hadden hun mannen de grootste omzichtigheid aanbevolen. -Schildwachten waren uitgezet aan beide zijden van het pad, hoewel men -geen verraad te duchten had, en een paar kloeke jongens waren een eind -den weg op gezonden, om de nadering van den wagen te berichten.</p> -<p class="par">Jacob stond met de Welle en Daniël Tistz dicht bij -een der mutsaarden. Het was reeds zeer donker, want de lucht was nog -steeds betrokken. Men zag maan noch sterren heenschemeren door het -jonge lentegroen der boomen. ’t Was stil in het bosch. Men hoorde -niets dan dat eigenaardig murmelen van den wind in de boomtoppen, de -eigen stem der wouden, die de stilte nog schijnt te vermeerderen. Het -naargeestig krassen van een boschuil klonk uit de takken boven hun -hoofd.</p> -<p class="par">Daniël huiverde. <span class="pagenum">[<a id= -"pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span></p> -<p class="par">—„Een kwaad voorteeken,” mompelde hij; -„als ik nog een papist was, zou ik een kruis slaan.”</p> -<p class="par">—„Wees stil, ongeluksprofeet!” beet -hem de Welle toe, die zenuwachtiger werd, naarmate het oogenblik -naderde, waarop men den wagen kon verwachten, en die ongeduldig heen en -weer liep. Ook Jacob had moeite rustig te blijven; telkens meende hij -eenig gerucht te hooren op den weg, het kraken der raderen of het -klappen van de zweep en dan betastte hij zenuwachtig de kolf van zijn -pistolen. De angst van de Welle en de gedachte aan het lot, dat de arme -Mieke te wachten stond, als het opzet mislukte, misten ook op hem hunne -uitwerking niet.</p> -<p class="par">Het was nu zeer donker. Hier en daar zag men een vurig -punt: de smeulende lont van een busschieter. Jacob kon de gestalte van -Daniël, die toch vlak naast hem stond, nauwelijks -onderscheiden.</p> -<p class="par">Plotseling boog de strooper zich voorover en luisterde -aandachtig. Zijn geoefend oor had iets vernomen, dat Jacob was ontgaan. -Een oogenblik later hoorde men haastige voetstappen.</p> -<p class="par">—„Hier!” riep de Welle.</p> -<p class="par">Een gedaante dook uit de duisternis op; ’t was een -van de jongens, die als spionnen waren uitgezonden. Hijgend vertelde de -knaap, dat de wagen er aankwam.</p> -<p class="par">—„Zijn er soldaten bij, jongen?” -vraagde de Welle.</p> -<p class="par">—„Veel!” verzekerde de knaap, -„wel vijftig!”</p> -<p class="par">—„Onmogelijk!” zei Daniël -ongeloovig. „Je hebt ze niet kunnen tellen, Tist. ’t Is te -donker!”</p> -<p class="par">Neen, geteld had de knaap ze niet. Maar hij was den -wagen tegemoet geloopen tot buiten het dorp, waar geen boomen stonden -en daar was het zoo donker niet. Hij was zeker, dat er een groot aantal -soldaten, vijftig of zestig wel, bij de kar waren.</p> -<p class="par">—„De jongen is gek,” meende de -strooper. „Waar zou de schout van Poperingen opeens zooveel -soldaten vandaan halen?” <span class="pagenum">[<a id="pb232" -href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span></p> -<p class="par">—„Je hebt je toch niet vergist, -jonker?” vraagde de Welle met een licht trillende stem.</p> -<p class="par">—„Zeker niet,” antwoordde Jacob. -„Die schoutendienaar sprak van een twaalftal hellebaardiers. Meer -waren er niet!”</p> -<p class="par">—„Ik begrijp het niet,” zei de oude -boschwachter heesch. „Als die jongen gelijk heeft...”</p> -<p class="par">Hij voltooide zijn zin niet en ook de beide anderen -zeiden niets. Zij wisten, wat hij bedoelde: hun geheele bende was -slechts een twintigtal mannen sterk.</p> -<p class="par">Maar nu hoorde men flauw in de verte de klets van de -zweep van den voerman. Een zacht fluiten, dat hier en daar herhaald -werd, gaf aan de in hinderlaag liggende Geuzen het teeken, om zich -gereed te houden.</p> -<p class="par">Het kraken van de wielen van de huifkar, het klotsen van -zware voetstappen, het kletteren van wapenen, eerst flauw, dan -duidelijker en duidelijker aankomend door het donkere bosch. Op den weg -een flikkerend licht, op en neer dansend, zwaaiend en schokkend: de -lantaarn van de kar, die aan den disselboom opgehangen, den weg voor -het tweespan verlichtte.</p> -<p class="par">Het beslissend oogenblik was daar.</p> -<p class="par">In ademlooze spanning zag Jacob het zwaaiende licht -nader en nader komen, en, terwijl hij staarde, meende hij op de -hellingen boven zich een onverklaarbaar gedruisch te hooren, het kraken -van takken, het ritselen van dorre blaren. Een paar nachtvogels vlogen -krijschend op.</p> -<p class="par">Hij had geen tijd, om zich rekenschap te geven van die -geheimzinnige geluiden, want de wagen had nu het laagste punt van den -weg bereikt en de pooten der paarden klotsten in het modderige water. -De Welle bracht den koehoorn, die aan een koord om zijn hals hing, aan -den mond en het holle geluid klonk door het bosch. Een rood vlammetje -verscheen aan den kant, waar de mutsaard stond. Het droge stroo vatte -vuur; roode en gele vlammen lekten naar boven en een <span class= -"pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name= -"pb233">233</a>]</span>rossige gloed verlichtte de donkere stammen en -wierp zijn schijnsel op den wagen en de mannen, die hem -begeleidden.</p> -<p class="par">—„Vive le Geus!” klonk het uit twintig -schorre kelen en een troep mannen, met pieken en omgesmede zeisen -gewapend, sprong van achter de boomen te voorschijn en versperde den -weg.</p> -<p class="par">Maar wat was dat?</p> -<p class="par">Een zware losbranding op de helling boven hen, donderend -voortrollend door de boschlanen, nog een—en nog een! Roode -vuurtongen, uitschietende uit de duisternis—en een paar van de -schutters der Geuzen, die, door den gloed der opvlammende houtmijten -beschenen, een voortreffelijk mikpunt aanboden, zonken ineen. Op den -weg klonk een luid commando en de verbijsterde aanvoerders zagen een -half vendel soldaten, die zich in goede orde met gevelde pieken om den -wagen schaarden.</p> -<p class="par">—„Vive le Roy! Slaet dood de Geuzen!” -klonk het uitdagend.</p> -<p class="par">Het toeval was den monnik gunstig geweest. Hij had niet -alleen den wagen met zijn escorte kunnen ophouden, maar hij had ook een -half vendel van het voetvolk van Egmond ontmoet, dat zich van Rijssel -naar zijne kwartieren in Zeeuwsch-Vlaanderen begaf. Toen de jonge -luitenant, die den troep commandeerde, hoorde wat er gaande was, had -hij niet alleen terstond aangeboden, den wagen met de gevangenen veilig -naar Rousselaere te geleiden, maar hij had zelfs een plan gemaakt, om -de Geuzen in hun eigen strik te vangen, en hun een geduchten slag toe -te brengen.</p> -<p class="par">De monnik had goed geluisterd. Hij kende het plan, want -men had het in zijn bijzijn besproken, en niemand had er aan gedacht, -zich in acht te nemen voor den hulpeloozen gevangene. De -schoutendienaars uit Poperingen kenden de plek, door den Dominicaner -beschreven, en de luitenant had de zes arquebusiers, die zich bij zijn -troep bevonden, de helling doen beklimmen, <span class= -"pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name= -"pb234">234</a>]</span>zoodat zij op het beslissende oogenblik met hun -vuurroeren de aanvallers in den rug konden bestoken.</p> -<p class="par">Eén oogenblik stond de Welle het tooneel beneden -hem met verwilderden blik aan te staren. Hij werd door het volle licht -van een der mutsaards beschenen en een kogel snorde hem langs het -hoofd, uit een der Spaansche vuurroeren. Maar de gevangenen in den -wagen konden hem daar ook zien en herkennen. Een schreeuw klonk van de -kar, de huik van een der ineengedoken gestalten viel af en Mieke stond -rechtop, met uitgestrekte armen, naast den voerman.</p> -<p class="par">—„Vader!” gilde zij; „vader! -hulp!”...</p> -<p class="par">Het meisje maakte een beweging, als wilde zij van de kar -springen, maar een donkere gedaante kwam achter uit den wagen te -voorschijn, een lange, magere arm werd om haar heen geslagen, en dwong -haar terug op haar bank. Een bleek, vertrokken gezicht keek hoonlachend -op naar de Geuzen.</p> -<p class="par">—„Hel en verdoemenis! De monnik!” -siste Daniël. „Wacht, Judas!”</p> -<p class="par">Met een ruk had hij den armborst aan den schouder, de -pees klonk, en met een bout in de keel tuimelde de monnik achterover. -Niemand dan de schutterkoning van Poperingen had, bij dit onzekere -licht, het schot kunnen wagen, zonder gevaar te loopen het jonge meisje -te treffen.</p> -<p class="par">Maar de hulpschreeuw van zijn dochter had de Welle -gewekt uit zijn verbijstering, die hem een oogenblik had doen weifelen, -toen hij zich zoo onverwachts geplaatst zag tegenover een zoo geduchte -overmacht.</p> -<p class="par">—„Vive le Geus! Slaet dood!” -schreeuwde hij, en door Jacob en Daniël gevolgd, sprong hij in den -hollen weg, om zich aan het hoofd der zijnen te stellen.</p> -<p class="par">En nu volgde er een verwoed gevecht. De soldaten namen -den wagen in hun midden en maakten met gevelde speren front tegen de -aanvallers, terwijl de Geuzen hen van twee kanten bestookten, en door -verwoede <span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name= -"pb235">235</a>]</span>aanvallen trachtten door hunne gelederen heen te -breken.</p> -<p class="par">Het woeste geschreeuw der vechtende mannen, het -wapengekletter, soms overstemd door den doffen knal van een pistool of -een bus, het gegil en geschrei der gevangen vrouwen en het kermen der -gekwetsten, vervulden het bosch met een woest rumoer.</p> -<p class="par">Zonder orde, maar met woeste dapperheid, drongen de -Geuzen telkens weder op en trachtten den wagen te bereiken, maar -telkens werden zij teruggeslagen, terwijl de musketiers, op de -hellingen geposteerd, hunne vuurwapenen weder hadden geladen en door -eene onverwachte losbranding een paar der aanvallers buiten gevecht -stelden.</p> -<p class="par">De strijd in den hollen weg was kort maar hevig, en de -uitslag kon niet twijfelachtig zijn. De Geuzen werden teruggedrongen; -een achttal hunner was dood of gewond.</p> -<p class="par">Daar zonk de Welle, die in de voorste rij met den moed -der wanhoop had gevochten en met zijn gepinde kodde reeds drie soldaten -had neergeveld, door een kogel getroffen, neer. Op het gezicht van den -val van hun aanvoerder, ontzonk den Geuzen de moed. Zij deinsden -achteruit.</p> -<p class="par">—„De gewonden, mannen! Neemt de gewonden -mee!” riep Jacob Martens, die begreep, dat de aanslag mislukt -was.</p> -<p class="par">Een paar zeisdragers volgden hem, en, met hunne wapens -zwaaiende, maakten zij een oogenblik ruim baan. De Welle en nog twee -anderen werden haastig opgenomen en weggedragen. Toen vluchtten de -Geuzen en waren weldra buiten het schijnsel der vlammen en in het -donkere bosch, waar zij alle paden kenden en waar de soldaten hen niet -durfden volgen.</p> -<p class="par">Allen waren gevlucht, behalve Daniël. Even buiten -den lichtkring, half verborgen achter een beukenstam, stond de strooper -en staarde naar de huifkar, waar een paar der stadshellebaardiers zich -thans bezig hielden <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" -name="pb236">236</a>]</span>met het lijk van den monnik, die tusschen -de verschrikte gevangenen was neergezegen. Op de voorste bank zat -Mieke. Toen zij de Welle had zien vallen, had zij een gil gegeven. -Thans keek zij met strakke, wanhopige blikken naar het donkere -geboomte, waarin zij hem had zien wegdragen.</p> -<p class="par">Een siddering ging door het lichaam van den -strooper.</p> -<p class="par">Wild keek hij om zich heen. Achter zich hoorde hij de -stemmen der aftrekkende Geuzen, die hem toeriepen te vluchten. -Vóór zich zag hij de huifkar, waar thans de soldaten zich -om verdrongen, die zoo goed mogelijk hun gewonde makkers verzorgden, en -het doodsbleeke meisje, dat hij en zijn makkers aan haar lot moesten -overlaten—Mieke in de handen van Titelman!</p> -<p class="par">Vaster omklemde Daniël zijn gespannen armborst, er -kwam een woeste blik in zijn starende oogen en hij klemde de lippen op -elkander.</p> -<p class="par">—„Nooit!” steunde hij. „Dan -liever...”</p> -<p class="par">Hij bracht den kruisboog aan den schouder.</p> -<p class="par">—„Mieke!” schreeuwde hij. Het meisje -zag om.</p> -<p class="par">Het staal van den armborst klonk. Met een flauwen kreet, -dwars door het hoofd geschoten, zonk Mieke achterover.</p> -<p class="par">Een paar soldaten, die den schreeuw hadden gehoord, -drongen het bosch in, maar zij hoorden slechts een akeligen lach uit -het donkere geboomte opklinken.</p> -<p class="par">De wildstrooper was verdwenen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name="pb237">237</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e3487" href="#xd24e3487src" name="xd24e3487">1</a></span> -„Verlos ons van den booze!” <a class="fnarrow" href= -"#xd24e3487src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">West-Vlaanderen sluimert rustig in den stillen -zomernacht.</p> -<p class="par">De eindelooze korenvelden golven en ruischen zacht in -den nachtwind, de boomgaarden van Dixmuiden wiegen hunne met jong fruit -beladen takken, de hopvelden van Poperingen geuren en zwaaien als -groetend met hunne lange slingers. De dorpen slapen in het starrelicht, -een donkere boomgroep, midden tusschen de velden, wijst de ligging aan -van een eenzame hofstede en ver in het Westen, breed langs den -duinrand, liggen de zwarte schaduwen der bosschen.</p> -<p class="par">Een kalm, welvarend landschap in ruste! Alleen het -geblaf van een werfhond verstoort nu en dan de groote stilte.</p> -<p class="par">Dan wordt de donkere nachthemel in het Westen eensklaps -verlicht door een vreemden rossen gloed, dat rosse wordt vlammend rood -en vuurtongen lekken door de duisternis. Tegelijk klinkt een schel, dun -klokgelui met kort, haastig geklep over de velden, nog eenige -oogenblikken en twee, drie kerktorens <span class="corr" id="xd24e3636" -title="Bron: ontwoorden">antwoorden</span> met jammerend noodgelui en -van Hondecoeter naar Killem en Oostcappel, van Winnezeele en Oudezeele -naar Reynighelst, Lokeren en Kemmele, tot Dracoultre in het Fransche -toe kleppen en beieren de klokken en waarschuwen de Roomsche -landlieden, maar vooral de geestelijken en kloosterlingen, die niet -geborgen zijn binnen de veilige wallen der steden, lijf en goed te -bergen in haastige vlucht.</p> -<p class="par">De Wilde Geuzen komen! <span class="pagenum">[<a id= -"pb238" href="#pb238" name="pb238">238</a>]</span></p> -<p class="par">In de bosschen en moerassen van West-Vlaanderen hebben -zij een veilige schuilplaats gevonden, de vluchtelingen van Austruweel -en Watrelos, de Gereformeerden uit Valenciennes en Doornik, die de -beulen van Noircarmes ontkomen zijn, allen, die vreezen voor hun -vrijheid of hun leven, nu de Regeering heeft gezegevierd en bittere -wraak neemt op de overwonnen Geuzen voor de doorgestane angsten. Ze -leven er in de open lucht of in inderhaast opgeslagen schuren en -loodsen van hetgeen hunne geestverwanten in geheel Vlaanderen en -Brabant hun heimelijk doen toekomen, of wat zij de Roomsche bevolking -afpersen door vrees of door geweld. Zij hebben hun predikanten en -onderhouden zoo goed mogelijk het godsdienstig leven, waaraan zij -gehecht zijn. Maar door het ongeregelde, avontuurlijke leven, dat zij -leiden, verwilderen zij maar al te ras. Van vervolgden worden zij -bloedige vervolgers, de schrik en de vloek van de streek, waar zij -huizen.</p> -<p class="par">En het zijn niet alleen vluchtelingen en vervolgden, die -zich ophouden in hunne geheime en moeilijk toegankelijke schuilhoeken. -Zooals elke groote beweging, heeft ook deze haar zelfkant. Tal van -landloopers en vaganten, waaraan de 16e eeuw zoo rijk is, hebben zich -onder allerlei voorwendsels bij hen aangesloten en men heeft de vreemde -elementen niet altijd kunnen weren. En al spoedig wilde men het niet -meer. Naarmate de strooptochten stouter werden, de daden bloediger, -werd ook de tegenstand heviger. Er werden door Egmond en Bakkerzeele -soldaten gezonden, om de woeste benden, als ’t mogelijk was, uit -te roeien en weldra was elk stoutmoedig man, die de wapenen kon voeren, -hun welkom, zonder dat men naar zijn verleden of belijdenis -vraagde.</p> -<p class="par">De Wilde Geuzen komen!</p> -<p class="par">’t Is een stroop- en plundertocht, zooals ze dien -telkens ondernemen, want hun aantal groeit steeds aan, geregelden -arbeid hebben zij niet en hetgeen hunne vrienden hun doen toekomen, of -wat zij de <span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name= -"pb239">239</a>]</span>Roomsche bevolking in de nabijheid hunner -schuilplaatsen weten af te dwingen, is dikwijls ontoereikend. Dan -moeten de verder gelegen dorpen, vooral de kloosters en geestelijke -gestichten, het ontgelden. Ze worden zonder genade geplunderd en in -brand gestoken en dikwijls worden de kloosterlingen mishandeld en -vermoord. Want een woeste haat tegen de Roomsche geestelijkheid vooral -bezielt hen en menig onschuldige moet boeten voor Noircarmes’ -wreedheid te Valenciennes.</p> -<p class="par">En daarom klinkt het noodgeklep der dorpsklokken over de -velden, waarschuwend al wie hun wrake te vreezen heeft.</p> -<p class="par">De Wilde Geuzen komen!</p> -<p class="par">Ze zijn hun tocht begonnen met het overvallen van de -hoeve van een rijken, Roomschen boer, die meende hen te kunnen -trotseeren. Ze hebben het huis geplunderd en in brand gestoken, het vee -door de vrouwen en jongens laten wegdrijven naar hunne schuilhoeken en -den huisman en zijn van angst sidderend gezin, onder woeste spotternij -het veld in gejaagd, „om hulp te gaan zoeken bij zijne -Santen”, zooals zij hem najouwen. Thans gaat het verder, dieper -landwaarts in. Reeds hebben ze, weinige weken te voren, de dorpen -Herzeele en Houtkerke overvallen en er de kerken verwoest en in brand -gestoken. Thans geldt het Oostcappel.</p> -<p class="par">De Wilde Geuzen komen!</p> -<p class="par">Snel rukken zij voort bij het licht van enkele toortsen -en pekkransen, want in hun onverwachten overval, hun snelle bewegingen -schuilt hun kracht. Een gedeelte, de kern van den troep, bewaart een -soort ruwe, militaire marschorde. Zij hebben aanvoerders, die zij -erkennen en gehoorzamen en zijn onderworpen aan een zekere krijgstucht. -Dat zijn de vluchtelingen uit het Geuzenleger en de Gereformeerden, -uitgewekenen uit de door de troepen der Regeering verwoeste steden.</p> -<p class="par">Maar met hen mede, in den tros van den troep, -<span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name= -"pb240">240</a>]</span>trekken een aantal havelooze en verwilderde -gestalten, die doen wat goed is in hun oogen en wier bandeloosheid de -beter gezinden niet kunnen bedwingen of misschien maar al te -gemakkelijk verontschuldigen. Allen zijn gewapend, maar ieder heeft -zich van een wapen voorzien, zoo goed hij kon. De vluchtelingen uit het -Geuzenleger hebben hunne hand- en haakbussen, hunne pieken en rapieren, -de jagers en boschwachters hunne armborsten en kodden, maar anderen -dragen rechtgesmede zeisen, hooi- en mestvorken, zware knuppels met -ijzeren pinnen, bijlen en messen, dorschvlegels—het vreedzaam -gerei van den landbouw wordt tot moordwapen in de handen der -wanhopende, verwilderde benden.</p> -<p class="par">Achter hen volgt een wagen, met een paar kloeke -Vlaamsche paarden bespannen. Die zal straks dienen om den buit mee te -voeren, den mondvoorraad, waaraan de ballingen behoefte hebben, ook de -gewonden, indien er tegenstand mocht worden geboden. Thans dient hij -tot vervoer van een, dien niets kon weerhouden om aan den strooptocht -deel te nemen, maar wiens zwak lichaam den snellen marsch der Geuzen -niet kon volgen.</p> -<p class="par">’t Is Jan Machielsz, de kreupele predikant.</p> -<p class="par">Sinds hij predikte in ’t Spaansche Dal bij -Poperingen is er veel met hem gebeurd. Van Bakkerzeele, Egmont’s -stadhouder, had gedaan wat hij kon, om de deelnemers aan den stouten -aanslag in den hollen weg naar Poperingen in handen te krijgen, en de -Geuzen, die zich in hun schuilhoek niet veilig achtten, hadden zich -naar alle richtingen verstrooid. Verscheidenen waren uitgeweken naar -Engeland en hun broeders in de visschersdorpen langs de kust hadden hen -gaarne de behulpzame hand geboden om te vluchten. Ook Jan Machielsz was -door een Duinkerker visscher in Engeland aan wal gezet. Hij had er -kennis gemaakt met andere ballingen, die veilig waren in het vreemde -land en er hun God konden dienen naar hun geweten, maar <span class= -"pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span>die -toch terug hunkerden naar het schoone, bloeiende Vlaanderen, naar hunne -vrienden en magen, die zij er hadden moeten achterlaten. En er waren -geestdrijvers onder, die gaarne luisterden naar de gloeiende woorden -van den kreupelen prediker, voor hen de taal van een vast en krachtig -geloof. „Zou de arm des Heeren verkort zijn?” „Was -het niet in de hand van den Heer der heirscharen, verlossing te geven -door de hand van velen of weinigen?” „Had niet Gideon met -een handvol volks het leger der Midianieten verslagen?” Zoo sprak -Jan Machielsz, en zijne hoorders, mannen met bleeke, vastberaden -gezichten, stemden er mee in. Zoo God vóór hen was, wie -zou tegen hen zijn? En zij hadden zich heimelijk gewapend, een -vijftigtal slechts en in twee visschersbooten waren zij de zee -overgestoken en, in West-Vlaanderen geland, waren zij moedig -voortgetrokken, zonder bepaald plan, met de vage bedoeling, Gods volk -te verlossen uit de hand der Philistijnen en de ware Kerke te stichten -op de puinhoopen der valsche, in de stellige verwachting, dat de Heere -met hen zou strijden en hen door een wonder van Zijn machtige hand de -zege zou doen behalen.</p> -<p class="par">Zij hadden een paar kerken en kloosters verwoest en in -de asch gelegd, toen zij door een vendel van Egmont’s krijgsvolk -werden overvallen en verstrooid. Zij, die den dood door het staal of -den strop waren ontkomen, waren Jan Machielsz gevolgd naar de -ontoegankelijke schuilhoeken in het Zuid-Westen, waar de Wilde Geuzen -huisden. De kreupele prediker was er met blijdschap ontvangen, want -zijne prediking was naar het hart der wilde gezellen en de man, die -eens de martelares een woord van troost en bemoediging had toegeroepen, -werd meer en meer de starre dweper, die niet meer wist van het -Evangelie der liefde, maar wiens hartstochtelijke predikaties, meestal -aan woorden uit het Oude Testament ontleend, aanhitsten tot wraak en -verdelging, tot wreede vervolging van priesters en <span class= -"pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name= -"pb242">242</a>]</span>kloosterlingen en tot verwoesting van alle -kerken en kloosters in den omtrek.</p> -<p class="par">De besten onder de Boschgeuzen beschouwden hun strijd -als de laatste, wanhopige worsteling tegen de zegevierende Regeering, -van wie zij geen genade hadden te hopen. Maar de groote meerderheid, -weldra aan het avontuurlijke leven gewend, had smaak gekregen in den -guerilla-oorlog, dien zij tot nog toe vrijwel straffeloos hadden kunnen -voeren en dachten niet aan de toekomst.</p> -<p class="par">Aan het hoofd van de geregeld voortmarcheerende kern van -den troep schreed Pieter de Welle met Jacob Martens. Zij waren -gedwongen geweest een toevlucht bij de Wilde Geuzen te zoeken, -wachtende op den volksopstand, waarop sommigen in die dagen nog -hoopten. Spoedig waren zij als aanvoerders bekend, voor zoover de -tuchtelooze bende geneigd was, aan eenig gezag te gehoorzamen. De oude -boschwachter trok gaarne op aan het hoofd van zijn woeste gezellen. -Sinds den dood van zijn dochter behoorde hij tot de ijverige aanhangers -van Jan Machielsz. Hij haatte de „papen”, en het -„verbannen der Amalekieten”, waartoe de kreupele predikant -aanspoorde, scheen den verbitterden man een godgevallig werk. En zoo de -door de ballingen gepleegde wreedheden Jacob al tegen de borst -stuitten, het ruwe krijgsleven der laatste maanden, de doorgestane -ellende en de geheele toon en denkwijze van de omgeving, waarin hij -leefde, maakten, dat hij zich spoedig aan de onvermijdelijke gruwelen -van den guerilla-krijg begon te gewennen. Dat hij streed voor en met de -Geuzen, bij wie hij een schuilplaats had gezocht en gevonden, sprak, -naar hij meende, vanzelf. En dikwijls genoeg hadden de ballingen zich -te verweren tegen de troepen van den stadhouder, die hun den terugtocht -naar hunne schuilplaatsen zochten af te snijden en hun den behaalden -buit afhandig wilden maken.</p> -<p class="par">Aan de spits van den troep, dicht achter de Welle -<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name= -"pb243">243</a>]</span>en Jacob Martens, liep een der Geuzen, met een -stalen armborst en een lang kruismes gewapend, zacht in zichzelf -mompelend, alleen. Zijne metgezellen weken bijna allen schuw ter zijde, -wanneer zij in zijne nabijheid kwamen. Niemand zou in de magere, -gebogen gestalte, met het bleek gelaat, de ingevallen wangen en de -groote, strak voor zich uit starende oogen, den vroolijken, -luchthartigen Daniël, den koenen wildstrooper, hebben herkend. Na -den noodlottigen nacht, toen hij Mieke de Welle had doorschoten, om -haar niet levend in de macht van den inquisiteur te laten vallen, was -de jonge man geheel veranderd. Uren lang zat hij voor zich uit te -staren, steeds voor zich heen woorden prevelend, die niemand verstond. -Hij bemoeide zich met niemand en gaf geen antwoord, als men hem iets -vroeg. Het eenige, wat hij deed, was het maken van bouten voor zijn -kruisboog en het slijpen van zijn lang mes. De overige ballingen -hielden hem voor krankzinnig of bezeten door een boozen geest en -ontweken hem schuw. Slechts als een strooptocht werd ondernomen, -ontwaakte Daniël uit zijn droomtoestand. Dan was hij in de voorste -gelederen te vinden en hij vocht met woede en verbittering. Aan de -plundering van de hoeven der Roomschgezinden of der geestelijke -gestichten nam hij nimmer deel, al had men hem dikwijls met een woesten -trek op het gelaat zien staren in de vlammen der brandende gebouwen. -Maar wee den priester, wee den monnik vooral, die zich bij het naderen -der Geuzen niet had weten te bergen, wanneer hij onder schot van -Daniëls kruisboog kwam. Dan werd de stalen kruisboog naar den -schouder gebracht, het strakke oog zocht het doel en de nimmer falende -bout doorboorde het hoofd van het slachtoffer, altijd op dezelfde -plaats, daar, waar hij Mieke had getroffen.</p> -<p class="par">De bende marcheerde snel voorwaarts. De hoeve, die zij -in brand hadden gestoken, behoorde aan dien Roomschen boer, die, omdat -er geruchten liepen, dat de Regeering aan de buitensporigheden der -Boschgeuzen <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244" name= -"pb244">244</a>]</span>voorgoed een einde zou maken, het had durven -wagen, de hem opgelegde schatting van levensmiddelen niet te betalen. -Maar het doel van den tocht ligt verder.</p> -<p class="par">En van alle zijden klinkt over de slapende velden het -angstig jagend kleppen van de stormklok, waarmede de dorpen elkander -waarschuwen.</p> -<p class="par">De Wilde Geuzen komen!</p> -<p class="par">De bewoners der verspreide hoeven en der dorpen, in de -nabijheid van de schuilplaatsen der vermetele gasten, zien hen voorbij -trekken met verbeten woede of met een glimlach van geheime voldoening, -al naar dat ze goed Roomsch zijn, of, zij ’t ook in ’t -geheim, tot de vele Gereformeerden behooren. Zij hebben niets te -vreezen. Hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen, allen betalen op de een -of andere wijze schatting aan hunne gevaarlijke buren, en zoo -„zitten zij op veylighe waernis” en ze behoeven niet -bevreesd te zijn voor plundering of overlast, want de Geuzen weten, dat -zij van die schatting moeten leven en komen de gesloten overeenkomst -getrouw na. En de West-Vlaamsche boeren koopen zich veiligheid voor -leven, hof en have door dien onderstand, in ’t geheim gegeven, -uit vrees voor de Regeering.</p> -<p class="par">Daar klinkt van den wagen een schelle stem. ’t Is -die van Jan Machielsz. De predikant-aanvoerder wekt zijne mannen op, -een lied te zingen, een der psalmen Davids. En allen kennen ze de -psalmen van Petrus Dathenus, misschien de vloekpsalmen nog het best, -maar ook de strijdzangen, ook de smeekbeden, de liederen van hope en -vertrouwen.</p> -<p class="par">Maar thans is ’t een der lievelingspsalmen van den -kreupelen prediker in de woestijn, die worden aangeheven. ’t Zijn -verzen van psalm 109: Gods toorn wordt afgebeden over den vijand, den -verdrukker van Gods volk.</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">„Hij heeft den vloeck gewenscht -alommen,”</p> -</div> -<p class="par first">klinkt het rauw over de velden, <span class= -"pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span></p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">„Laet dien nu, Heer, over hem kommen;</p> -<p class="line">„Hij begeerde nooit gheenen zegen,</p> -<p class="line">„Dies geef hem dien in gheenen wegen.</p> -<p class="line">„Laet hem met ongeluck en leet</p> -<p class="line">„Als met eenen rock sijn gekleet.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">„Gelijck men ’t water pleegt te -drincken,</p> -<p class="line">„Wil hem also den vloeck toeschinken;</p> -<p class="line">„So d’ olie de beenen doordringet,</p> -<p class="line">„Laet hem oock so wezen omringet,</p> -<p class="line">„En als met een rieme seer snel,</p> -<p class="line">„Omgegort zijn met vloecken fel.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">„Dit sij ’t loon in allen landen</p> -<p class="line">„Mijner moedwillige vijanden;</p> -<p class="line">„Laet sulcks de kwade tong beërven,</p> -<p class="line">„Die met list soecken mijn verderven.</p> -<p class="line">„Maar Gij, o Heer, in desen noot,</p> -<p class="line">„Help mij om Uws Naams wille groot.”</p> -</div> -</div> -<p class="par first">Het psalmgezang der Geuzen klinkt als dreigend -antwoord op het waarschuwend geroep der kerkklokken. Dan verstomt het, -want in de schemering van den zomernacht doemen de eerste hoeven van -Oostcappel op: het doel van den tocht. De oude toren steekt als een -donkere massa af tegen de starre lucht. ’t Is of de kerkklok -haastiger, dringender roept en jammert, naarmate de bende het dorp -nadert. Maar als de Geuzen de eerste huizen hebben bereikt, zwijgt het -noodgelui: de koster, die het touw trok, is met de andere dorpelingen -gevlucht.</p> -<p class="par">Naarmate de bende Oostcappel naderde en de bewoners -begrepen, dat het onwelkome bezoek hen gold, was het levendig geworden -in het stille dorp. Rondom de donkere hoeven bewogen zich dwalende -lichten; bij het schijnsel der stallantaarns werd het vee uit de weiden -gedreven, om het zoo gauw mogelijk in veiligheid te brengen, en het -geloei der runderen vermengde zich <span class="pagenum">[<a id="pb246" -href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span>met het woedend geblaf der -werfhonden, het geroep der drijvers en het angstgeschreeuw van vrouwen -en kinderen. De meesten, die wat te verliezen hadden, verlieten huis en -have en vluchtten langs de donkere landwegen, noordwaarts op.</p> -<p class="par">Heer Henricus Turck, de oude pastoor van Oostcappel, was -uit zijn slaap opgeschrikt door zijn koster, die hem verlof kwam -vragen, de noodklok te luiden. De man zelf was door de ontstelde boeren -gewekt; hij had in de verte het stormgelui gehoord en begrepen, dat het -zaak was, het waarschuwingssein verder door te geven.</p> -<p class="par">Pastoor Turck had de gewenschte vergunning verleend. -Toen had hij zich haastig aangekleed en was naar buiten gegaan, om zijn -verschrikte parochianen gerust te stellen, terwijl boven hunne hoofden -de klok in den ouden, verweerden toren haastig en zenuwachtig klepte. -Men moest zich niet noodeloos ongerust maken, men wist niet welk gevaar -er dreigde, noch wien het gold. Men moest liever vlijtig zijn -rozenkrans bidden en den bijstand inroepen van Sint Servaes, den -patroon van het dorp, den heiligen martelaar, wiens beeltenis op het -altaarstuk prijkte.</p> -<p class="par">En inmiddels zond hij een rappen boerenknaap naar den -torentrans, om te zien, van waar het onheil dreigde.</p> -<p class="par">De verkenner kwam weldra terug met verontrustende -berichten. Hij had den brand in de verte gezien en ook de toortsen der -benden, die voortrukten in de richting van het dorp. Weldra, eerst -flauw nog, maar allengs duidelijker, hoorde men het psalmgezang van den -naderenden troep. Nu was er geen twijfel meer mogelijk! Zij waren het, -de vermaledijde ketters, de Wilde Geuzen,—en het gold hun dorp, -het gold Oostcappel.</p> -<p class="par">En onder luide verwenschingen, gejammer en geweeklaag -werd het kostbaarste inderhaast bijeengepakt en op de haastig -ingespannen kar geladen, de knapen dreven het vee uit de naastbij -liggende weiden den weg op en de verschrikte bevolking vluchtte, om -<span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name= -"pb247">247</a>]</span>veiligheid te zoeken binnen de sterke wallen van -Yperen.</p> -<p class="par">Toen de Geuzen de eerste boerenerven van het dorp -bereikten, vonden zij die ledig en verlaten. Zulk eene Vlaamsche hoeve, -alleen staande in het wijde land te midden van haar hoog geboomte, was -anders een niet te minachten versterking en zeer wel in staat, den -aanval van een stroopende bende landloopers te weerstaan. Het steenen -woonhuis vormde met de schuren en stallen één geheel, dat -de ruime binnenplaats omgaf en dikwijls nog door een gracht of breede -sloot was omgeven. Was de brug over die sloot opgehaald, dan was het -niet gemakkelijk zich toegang tot de boerderij te verschaffen, vooral -als die toegang betwist werd door den boer en zijn stevige knechts. -Maar thans dacht niemand aan verzet. In korten tijd hadden de -Boschgeuzen zich een geduchten naam weten te verwerven. Het landvolk -sidderde voor de woeste, vermetele avonturiers en alleen de geregelde -troepen der Regeering, die soms tegen hen werden uitgezonden, waren in -staat, hen naar hunne ontoegankelijke schuilhoeken terug te jagen.</p> -<p class="par">Tot eere der Boschgeuzen zij het gezegd, dat zij zich -nergens als gewone roovers gedroegen. Zij waren geen brandstichters en -plunderaars, en de buitensporigheden, waaraan de mindere elementen -onder hen zich vaak schuldig maakten, werden door de betergezinden -zooveel mogelijk belet.</p> -<p class="par">Maar zij waren wanhopigen, vogelvrij verklaarden in hun -eigen vaderland. De laatste strijders voor een verloren zaak. Sedert de -zegepraal der Regeering durfden hun eigen geestverwanten hen slechts -tersluiks eenige hulp verschaffen. En zij moesten leven, de ballingen, -die door hun eigen land waren uitgeworpen. En daarom drongen zij de -grootste hoeven binnen, om zich meester te maken van de levensmiddelen, -die zij er vonden. De ovens werden geplunderd en de zware brooden -werden, met zakken meel, kazen, hammen en <span class="pagenum">[<a id= -"pb248" href="#pb248" name="pb248">248</a>]</span>zijden spek en wat er -verder eetbaars gevonden werd, op de kar geladen. De kippen, eenden en -ganzen, die men in hunne hokken aantrof, moesten het mede ontgelden. En -toen de wagen volgeladen was, zetten de paarden aan, sterke vuisten -hielpen de raderen in beweging brengen, en door het grootste gedeelte -der bende begeleid, verdween de kar in het halfduister van den -zomernacht, onder het gejoel der Geuzen, die juichten om den goed -gelukten strooptocht.</p> -<p class="par">Maar een ander deel was achtergebleven. Dat waren de -dwepers, wien het niet te doen was om den buit, de verbitterden, die -eigen leed en dat van de vermoorde broederen te Valenciennes en elders, -wilden wreken op de Roomsche geestelijkheid, op de kerken en kloosters. -En zij gaven er weinig om, of hun wraak ook de onschuldigen trof.</p> -<p class="par">Nu drongen zij, weer luide hun vloekpsalmen aanheffend, -door de verlaten dorpsstraat, naar de oude dorpskerk. Daar moesten de -beelden neergerukt en vertrapt, daar moest de „broodgod”, -zooals zij schimpend de hostie noemden, bevuild en besmeurd gestrooid -op de trappen van het gehavende altaar. En de roode haan moest kraaien -op het dak!</p> -<p class="par">Wat heeft Heer Henricus Turck, die met zijn parochianen -was gevlucht, bewogen om terug te keeren? Voelde de oude man zich een -onwaardig herder, een onwaardig priester, omdat hij het heiligdom, dat -aan zijne zorgen was toevertrouwd, zonder weerstand aan de ruwe gasten -overliet? Wilde hij het Allerheiligste, de hostie, voor hem het lichaam -zijns Heeren, redden en bewaren voor ontwijding? Dit laatste is wel het -waarschijnlijkste. Pastoor Turck was althans teruggekeerd, door de -groote deur onder den toren, die de koster bij zijn vlucht verzuimd had -te sluiten, was hij de kerk binnengetreden, en toen de Geuzen er binnen -drongen, zagen zij bij het flauwe licht der altaarkaarsen den -grijsaard, die juist den monstrans uit den tabernakel had genomen. -<span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name= -"pb249">249</a>]</span></p> -<p class="par">Een wild geroep van „slaat dood den paap! slaat -dood den baälspriester!” ging uit de bende op.</p> -<p class="par">Bij het roode licht der fakkels ziet pastoor Turck wilde -gestalten naar het altaar dringen, hij hoort bedreigingen en -scheldwoorden, wapens flikkeren in het licht der gewijde kaarsen.</p> -<p class="par">Begreep de oude man, dat hij in doodsgevaar verkeerde? -Meende hij de woeste bende te kunnen bedwingen, door hen voor te houden -wat voor hem het Allerheiligste was? Hoe het zij, hij bleef staan op de -bovenste trap van het altaar en hield de aanstormende Geuzen den met -beide handen hoog opgeheven monstrans voor.</p> -<p class="par">Dat was zijn doodvonnis. Een gehuil van woede ging op -uit de dweepzieke bende. „Slaat dood den paap!” klonk het -opnieuw. Een der Geuzen, die met een vuurroer gewapend was, vloog de -trappen van het altaar op en sloeg met de kolf van het zware wapen den -grijsaard neder, zoodat hij naar beneden tuimelde. Hij slaakte een -kreet van pijn en ontzetting. Hij had de patena laten vallen, en de -hostiën rolden over den grond en werden met voeten getreden, -terwijl de grijsaard jammerend ineenkromp, onder de slagen en stooten, -die hem meedoogenloos werden toegebracht.</p> -<p class="par">Jacob Martens was met de Geuzen mede geloopen naar de -kerk, omdat hij zich niet van de Welle wilde scheiden. Hij was er -echter niet binnen gegaan. Hij wist, wat de mannen er gingen doen, en -hij wist ook, dat hij het niet verhinderen kon, al zeide zijn beter -gevoel hem, dat die daden van geweld, die brandstichting en vernieling -van beelden, af te keuren waren en de goede zaak niet dienden.</p> -<p class="par">Daar hoorde hij den noodkreet van den ouden priester. -Wat was dat? Weer mishandeling? Weer moorden misschien. Jacob Martens -snelde de kerk binnen, den degen in de vuist. De mishandeling van -weerloozen zou hij beletten!</p> -<p class="par">Aan den voet van het altaar zag hij bij het onzekere -<span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name= -"pb250">250</a>]</span>licht der walmende toortsen een verwarde -menschenmassa. Hij zag wapens blinken in opgeheven vuisten. Door het -woest gelach en geschreeuw der Geuzen klonk een oogenblik nog een luid -gejammer, dat weldra overging in een kermend steunen.</p> -<p class="par">Hij wilde op de groep toeijlen, maar een ijzeren hand -greep hem bij den arm en hield hem tegen.</p> -<p class="par">—„Halt, jonker! Ge kunt dat niet -keeren!” gromde de Welle, die, op zijn kodde geleund, het tooneel -had gadegeslagen en die nu uit de schaduw van het kerkportaal naar -voren trad.</p> -<p class="par">—„Wat moet dat, de Welle?” hijgde -Jacob.</p> -<p class="par">—„Ze geven den paap de rest. Wat deed hij -ook in de kerk?” antwoordde de ander onverschillig.</p> -<p class="par">—„Weer een moord op een onnoozele! Laat mij -los, de Welle!” En Jacob wilde zich losrukken, maar de oude -boschwachter hield hem stevig vast.</p> -<p class="par">—„’t Is te laat, jonker! De paap is al -stil! Mieke was ook onnoozel en de godzalige Guido de Bray en zoovele -broeders in Valencijn waren ook geen roffianen of kwaaddoeners. Kom -mede, naar buiten, jonker. Ze steken de kerk aan.”</p> -<p class="par">Zoo was het. Het altaardoek brandde reeds, en aan den -voet der altaartrappen lag, wonderlijk klein in het roode licht, het -lijk van Heer Henricus Turck, in zijn zwarten toog. Eenige van de -Geuzen stapelden de houten banken op tot een reuzenmutsaard, terwijl -anderen met bossen stroo en rijshout kwamen aanzeulen, die zij in de -naburige boerderijen hadden gevonden. De toortsen van oud geteerd touw -werden in het stroo geworpen en weldra sloegen de vlammen uit de -ramen.<a class="noteref" id="xd24e3813src" href="#xd24e3813" name= -"xd24e3813src">1</a> <span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" -name="pb251">251</a>]</span></p> -<p class="par">En terwijl de verschrikte dorpelingen uit de verte den -brand hunner kerk stonden aan te zien, klonk over de stille velden het -psalmgezang der aftrekkende Geuzen:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Dit sij de loon in allen landen</p> -<p class="line">Mijner moedwillige vianden;</p> -<p class="line">Laet sulcks de kwade tong beërven,</p> -<p class="line">Die met list soecken mijn verderven.</p> -<p class="line">Maar Gij, o Heer, in desen noot,</p> -<p class="line">Help mij om Uws naems wille groot.</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252" name= -"pb252">252</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e3813" href="#xd24e3813src" name="xd24e3813">1</a></span> In de -jaren 1567 en 1568 werden door de Boschgeuzen in West-Vlaanderen de -kerken verwoest te Herzeele, Houtkerken, Hondschoten, Killem, -Oost-cappel, Winnezeele, Oudezeelen, Reynighelst, Lokeren, Kemmele en -Dracoultre.</p> -<p class="par footnote cont">De namen der door hen in die jaren -vermoorde dorpsgeestelijken zijn: Henricus Turck, pastoor van -Oostcappel, Martinus Necrosius, pastoor van Hondschoten, Franciscus de -la Fosse, pastoor van Rexspoede, Antonius van den Clyte, pastoor van -Ruebrouck, Petrus Famelast, pastoor van Richebourg (Wynckius, Histoire -des Gueux-des-Bois). <a class="fnarrow" href= -"#xd24e3813src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Op een van de hoogste toppen aan de landzijde van -het breede en woeste duin tusschen Nieuwpoort en Duinkerken stond op -een fraaien Septembermorgen Jacob Martens, op zijn vuurroer geleund, en -liet zijn oogen weiden over het schoone landschap van West-Vlaanderen, -dat hij van zijn hooge standplaats uren in de rondte kon overzien.</p> -<p class="par">Hij stond daar als schildwacht. In een duinpan, aan den -voet van den top, waar hij post had gevat, zat een kleine troep -gewapenden om de glimmende kolen van het houtvuur, waarbij zij den -nacht hadden doorgebracht. ’t Was een wachtpost der Wilde Geuzen, -die hier was geplaatst om de wegen in ’t oog te houden, die van -Yperen en Rousselaere naar het duin en dan langs de zandsporen naar -Nieuwpoort en Duinkerken voerden. Sinds eenigen tijd hield de groote -bende der Boschgeuzen zich op in de woeste duinstreek, waar zij een -toevluchtsoord hadden moeten zoeken, toen zij door de troepen der -Regeering uit hunne schuilhoeken in de bosschen en moerassen bij Yperen -verdreven waren. De naderende komst van Alva had de bevelhebbers van de -vendels der Landvoogdes tot nieuwe werkzaamheid geprikkeld. De geduchte -en gestrenge aanvoerder zou zeker rekenschap vorderen van hen, die niet -hadden gedaan wat zij konden, om het land van de pest der plunderende -Geuzenbenden te verlossen. Troepen waren aangerukt uit Yperen en Gent -en hadden de vluchtelingen in hunne schuilhoeken opgezocht. Verbitterd -hadden de ballingen gevochten, <span class="pagenum">[<a id="pb253" -href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span>maar de overmacht was te -groot. Zij hadden moeten wijken. Sommigen waren naar Frankrijk -gevlucht, maar de meesten hadden zich verborgen in het woeste duin, -waar zij veilig waren. Velen van hen waren uit die streken; zij kenden -de verborgen paden, de diepe valleien, de verborgen duinpannen. Er zou -een betrekkelijk groote macht noodig zijn geweest, om hen daar op te -zoeken en uiteen te jagen, en werd die op hen afgezonden, dan konden -zij gemakkelijk vluchten voor een vijand, die het terrein niet -kende.</p> -<p class="par">Ondertusschen wisten de hoofden der Boschgeuzen maar al -te wel, dat zij streden voor een verloren zaak, en dat zij zich niet -lang meer in hun laatste schuilhoeken veilig konden achten.</p> -<p class="par">Zij ontvingen geregeld berichten door hunne broeders en -geloofsgenooten, van wat er omging in den lande. Zij wisten, dat de -meeste edelen, die nog voor korten tijd zoo stout tegen Granvelle en de -Regeering waren opgetreden, de zaak der vrijheid ontrouw waren geworden -en zich met den Koning hadden trachten te verzoenen. Zij wisten, dat de -Prins van Oranje naar Duitschland was uitgeweken en dat vele mannen van -naam dat voorbeeld hadden gevolgd. Zij hadden vernomen, dat Alva aan -het hoofd van zijn klein, maar uitstekend leger de Nederlanden was -binnen gerukt, dat hij te Brussel was aangekomen—en nu, weinige -dagen geleden, was heel Vlaanderen opgeschrikt door de tijding, dat de -graven van Egmond en Hoorne te Brussel waren gevangen genomen. Vooral -dat dit lot Egmond had getroffen, wekte overal ontsteltenis, ook bij de -Hervormden. Wel was Egmond na den beeldenstorm meedoogenloos opgetreden -tegen hen, die in zijn stadhouderschap aan die beweging hadden -deelgenomen, maar hij was en bleef voor den kleinen man de held van St. -Quentin en Grevelingen, de dappere krijgsman, tot wien men opzag, van -wien men hulp verwachtte.</p> -<p class="par">En nu had de nieuwe landvoogd het gewaagd, de -<span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name= -"pb254">254</a>]</span>hand te slaan aan de grooten des lands, aan de -Vliesridders, die men onschendbaar had gewaand! Wel moest de man, die -dat dorst bestaan, zeker zijn van zijn overmacht!</p> -<p class="par">En de denkende hoofden onder de Geuzen lieten zich niet -door de hartstochtelijke predikaties van Jan Machielsz en andere -predikers in de woestijn misleiden. Oranje, zijn broeder Lodewijk van -Nassau, de Hames, Culemborg, ze waren allen gevloden. Zij, die de -wapens tegen de Regeering hadden opgevat, hadden geen genade te hopen. -Weldra zou Alva zijn vendels zenden, om hen op te zoeken en te -verdelgen. Zij moesten vechten tot het bittere einde of trachten te -ontkomen naar Engeland. En de weg over zee was niet gemakkelijk. Men -moest in een der kustplaatsen een visscher vinden, die het wagen dorst, -de ballingen te helpen, die hen over zou willen zetten naar een der -Engelsche havens. Wie dat deed, waagde zijn leven, want als hij ontdekt -werd, wachtte hem de strop. Dat deed niemand, zonder de hoop op een -goede belooning en de ballingen waren arm.</p> -<p class="par">Zoo hadden zij zich verscholen in de duinen en hunne -wachtposten uitgezet, om het ten minste bijtijds te vernemen, als de -vijand naderde.</p> -<p class="par">Van den top van den berg, waar hij post had gevat, kon -Jacob Martens over den boschrand heenzien, die zich langs het breede -duin voortkronkelde. De herfstnevels trokken langzamerhand op voor de -stralen der morgenzon en de statige torens van Poperingen en van Yperen -kwamen te voorschijn met de vele torentjes der oude dorpskerken, die -boven het geboomte uitstaken. ’t Werd een mooie, heldere -Septemberdag en het schoone land lag daar vredig onder den fijn blauwen -herfstnevel, alsof het nooit in zijn rust gestoord was door de zonde en -het leed der menschen.</p> -<p class="par">Vele gedachten rezen op in den jongen man, terwijl hij -droomerig voor zich uit staarde. Wat was er in die weinige maanden, die -daar sinds zijn vlucht uit het <span class="pagenum">[<a id="pb255" -href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span>Dominicaner-klooster -verloopen waren, veel met hem gebeurd. Was hij het wel, hij, Jacob -Martens, de zoon van den president van den Raad van Vlaanderen, nog -voor korten tijd een vroolijke, onbezorgde jonge man, geëerd en -ontzien door de bevolking van de goede stad Gent, de verloofde van -Madeleine de Bette,—was hij het wel, de arme balling, de Geus, op -wiens hoofd een prijs was gesteld, die geen andere toekomst had, dan te -sneuvelen in een roemlooze schermutseling of den dood op het schavot, -door het zwaard van den beul.</p> -<p class="par">Hoe zou het thans met Madeleine gaan? En met zijn ouders -en met Klaartje? Zou Madeleine hem trouw blijven? Zeker zou men haar -tegen hem hebben opgezet. Men zou hem een ketter hebben gescholden en -een rebel en misschien zou zij thans met afschuw aan hem denken. Waarom -had hij niet meer, niet ernstiger met haar gesproken over de nieuwe -dingen, die zijn hart vervulden, over zijn Verlosser en Zaligmaker, tot -wien hij kon gaan, zonder een priester van noode te hebben, over zijn -Bijbel, die hem zoo lief was geworden? En dan, over den nood van zijn -land, over het lijden van zijn geloofsgenooten? Maar Madeleine was nog -zoo jong en zoo onbezorgd en vroolijk en naar een ernstig woord had zij -nimmer willen luisteren. Hoe zou zij nu over hem denken? En zijn -strenge moeder? Zij zou hem voor een afvallige, een verlorene houden. -Hoe zou zij haar verdriet onder een nog strenger en harder uiterlijk -verbergen!</p> -<p class="par">Dat het hun allen wel ging, wist hij door de ballingen -uit Gent, die zich bij de Boschgeuzen hadden gevoegd, maar hij had hun -geen tijding durven zenden. Hij kon vermoeden, hoe de zijnen over hem -denken zouden, en daarbij—het was gevaarlijk om in eenige -betrekking te staan tot een vluchteling van Austruweel. De Gentsche -Magistraat en de Baljuw waren strenger dan ooit. Hij wist hoe het te -Gent was toegegaan. Was de eenvoudige kerk der Hervormden, toch met -verlof van <span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" name= -"pb256">256</a>]</span>den Graaf van Egmond buiten de stadsmuren -gebouwd, niet den 29sten Maart op bevel der overheid gesloten? En was -dat gebouw niet kort daarop afgebroken en vernield?</p> -<p class="par">Neen, er was een kloof tusschen hem en allen, die hij -liefhad. Hij kon niet tot hen terug keeren, en nu de zaak der vrijheid -hopeloos stond, nu de Spanjool weldra heer en meester zou zijn in de -vrije Nederlanden en de Inquisitie de gezuiverde leer overal zou komen -vervolgen en verstikken, nu was er wel geen kans, dat hij hen ooit zou -weerzien.</p> -<p class="par">En onwillekeurig rees in het hart van den jongen man de -pijnlijke vraag, de vraag, die zoo dikwijls heeft gezweefd op de lippen -van hen, die streefden naar een ideaal, maar die dat ideaal zagen -ontwijd door de zonden en zwakheden van hunne medestanders, van wie zij -zich toch niet los konden maken: was dat, waarvoor hij gestreden had, -den prijs wel waard? Den hoogen prijs, dien hij betaald had?</p> -<p class="par">Wat gingen hem ten slotte de vrijheden des lands aan? -Had hij God niet kunnen liefhebben en dienen, al bleef hij voor de -wereld de Roomsche kerk getrouw? Hij kon zijn Bijbel lezen in ’t -geheim en Titelman zou zich wel hebben gewacht, zich te vergrijpen aan -den zoon van den President van het Hof van Vlaanderen.</p> -<p class="par">En wat waren ten slotte die mannen, in wier gelederen -hij streed, die Boschgeuzen, waartoe hij gerekend werd? Waren zij, de -kerkschenners en plunderaars, de roffianen, die weerlooze priesters -mishandelden, de strijders voor de gezuiverde religie? Dat waren geen -mannen als Jan van Thoulouse en jonker Blois van Treslong...</p> -<p class="par">Zóó mijmerde Jacob Martens. En er waren -oogenblikken, dat hij had kunnen wenschen, dat alles, wat hij in de -laatste maanden doorleefd had, een booze droom zou blijken, een droom, -waaruit hij straks zou ontwaken in de deftige heerenhuizinge te Gent, -in zijn rustige, veilige kamer... <span class="pagenum">[<a id="pb257" -href="#pb257" name="pb257">257</a>]</span></p> -<p class="par">In de verte klepte het klokje van een dorpskerk. Het was -acht uren zeker. Het dunne, schrille geluid kwam met den morgenwind -over de velden aangezweefd, nu eens duidelijk, dan weer nauwelijks -hoorbaar.</p> -<p class="par">Jacob Martens schrikte op uit zijn mijmering. Zijn -gezicht veranderde. Het schrille klokje riep iets wakker in zijn geest, -het tooneel, dat hij had gezien op een morgen, nu bijna twee jaren -geleden, daarginds bij de stadskraan te Gent. Hij zag weer het bleeke -gelaat der veroordeelde Doopersche, hij zag den blik, waarmede zij haar -kind aanzag; hij hoorde weer de plechtige woorden: „Sijt getrouwe -tot in den doet, ende ick zal u geven die crone des levens.”</p> -<p class="par">Getrouw tot in den dood,—zoo was die arme, -eenvoudige vrouw gestorven voor het geloof, dat zij niet wilde -verzaken.</p> -<p class="par">Krachtig richtte de jonge man zich op. Ja, het was het -waard! Het onvervalschte Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid, de -vrije verkondiging van dat Evangelie, zonder geloofsdwang, ze waren de -offers waard, die hij en zoo velen met hem hadden gebracht. En de -vrijheid des lands was het waard! Moest hij zijn makkers, de -onwetenden, de wanhopigen, zoo hard vallen om hun wilde wraakzucht, die -woedde tegen hen, die, naar hun meening, heulden met hunne -onderdrukkers? Als men die woestelingen in de gelegenheid stelde, in -een eerlijken strijd te kampen voor de goede zaak, dan zou het blijken, -dat het geen wraakzucht alleen was, die hen bezielde, dan zouden zij -moedig strijden en sterven als het wezen moest, voor vrijheid van -geweten, voor de vrijheid van hun volk.</p> -<p class="par">De goede zaak? Was het dan geen verloren zaak? Zou Jan -Machielsz gelijk hebben, als hij in zijn wilde, vurige predikaties -sprak van den God der wrake, die zou opstaan tegen de Heidenen, die -Zijn volk verdrukten, die uitkomst zou geven, als de nood ’t -hoogst was?</p> -<p class="par">En zeker, Hij, de Almachtige, kòn uitkomst -geven!</p> -<p class="par">Vaster omklemde Jacob den loop van zijn handbus, -<span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258" name= -"pb258">258</a>]</span>terwijl hij, uit zijne mijmering ontwaakt, den -omtrek afspiedde, dien hij, als een goed schildwacht, in het oog moest -houden.</p> -<p class="par">Hij had reeds eenige oogenblikken op het smalle -zandspoor, dat uit de richting van Poperingen duinwaarts leidde, iets -ongewoons bespeurd, maar hij was zoo in zijne gedachten verdiept -geweest, dat hij er geen aandacht aan had geschonken.</p> -<p class="par">Boos op zichzelf, om zijn gebrek aan waakzaamheid, keek -hij thans scherper. Weldra onderscheidde hij de witte huif van een kar, -zooals die overal in Vlaanderen werden gebruikt. Het voertuig kwam -nader. ’t Was een gewone boerenkar op twee wielen, door een enkel -paard langzaam en met moeite door het mulle zand getrokken. De voerman -liep er naast.</p> -<p class="par">Er was geen gevaar! Maar wat voerde die kar hierheen, -naar de woeste duinen, die zoo zorgvuldig gemeden werden door de -Roomsche bewoners der streek, sinds men wist, dat de Geuzen er -huisden?</p> -<p class="par">Jacob blies op het metalen fluitje, dat naast zijn -Geuzenpenning aan een koord om zijn hals hing, en maakte met den -linkerarm een afgesproken teeken. ’t Was geen alarmsein, maar het -moest de mannen in de duinpan waarschuwen, dat hun schildwacht iets -bijzonders had opgemerkt. Weldra stond de Welle naast Jacob. Een paar -der Geuzen lagen voorover op den grond en allen tuurden met aandacht -naar de naderende kar. Het forsche paard stapte rustig, met zwaren, -zekeren tred voorwaarts. Reeds hoorde men het rinkelen der bellen aan -de haam en de kreten van den voerman, die het dier tot meerderen spoed -aanzette.</p> -<p class="par">Op de voorbank van de kar zat een man, schijnbaar -verdiept in een boek, dat op zijne knieën lag. Voor zoover de -Geuzen zien konden, was hij alleen.</p> -<p class="par">De Welle wisselde een paar woorden met de andere -mannen.</p> -<p class="par">Dat men de kar zou aanhouden, stond vast, al was het -alleen maar om berichten in te winnen, om, als <span class= -"pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" name= -"pb259">259</a>]</span>’t kon, nieuws te hooren uit Brussel. Maar -wie kon de man zijn, die zich daar zoo rustig in hunne handen kwam -leveren? Een spion van de Spanjolen en de Inquisitie? Maar wie zou -zóó met zijn leven spelen? Toch was voorzichtigheid -noodzakelijk.</p> -<p class="par">De mannen verdwenen van den heuveltop. Daar, waar het -spoor het duin bereikte, waren de hellingen begroeid met laag hout. -Daar kon men zich in hinderlaag leggen.</p> -<p class="par">Toen de kar zich in den hollen weg tusschen de eerste -duinen bevond, zag de voerman tot zijn schrik wilde gedaanten uit het -kreupelhout oprijzen. Een barsche stem beval hem, stil te houden. -Forsche handen grepen het paard bij den teugel en de kar was in een -oogenblik door gewapende mannen omringd.</p> -<p class="par">De man in de kar was opgesprongen. Hij was nog jong, -slechts een vijftal jaren ouder, naar ’t scheen, dan Jacob -Martens, en hij droeg de kleeding van een deftig burger. Zijn bleek -gelaat teekende schrik en verwarring. Toen viel zijn oog op de -Geuzenpenningen en de napjes, die zijn aanranders om den hals droegen. -Hij slaakte een zucht van verlichting.</p> -<p class="par">—„Geuzen?” zei hij, terwijl hij zich -het zweet van het voorhoofd wischte. „Goddank! Ik dacht, dat -jelui soldaten van Noircarmes waart. Vivent les Gueux!”</p> -<p class="par">Haastig greep hij naar zijn fluweelen bonnet, die naast -hem op de bank lag, en haalde uit de voering een fraaien zilveren -geuzenpenning aan een smal zwart lint te voorschijn, dien hij -triomfantelijk aan de om hem heen staande mannen toonde. Dezen -wisselden blikken van verstandhouding.</p> -<p class="par">—„Dat is nu alles mooi en wel,” zei -Pieter de Welle wantrouwend, „maar een Geuzenpenning kan ieder -dragen, en dat bewijst nog niets. Jonker, spreek eens met dien gast! -’t Is er een van je eigen stiek. Vraag hem eens, wie hij is en -wat hij hier in het duin te zoeken heeft.”</p> -<p class="par">Jacob Martens kwam naderbij en keek den vreemdeling -<span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name= -"pb260">260</a>]</span>onderzoekend aan. ’t Was hem, of hij dat -fijn besneden gezicht met de van vernuft tintelende donkere oogen en -den ietwat zwakken, zinnelijken mond meer gezien had. Het was... ja, -het was te Antwerpen geweest. Nu herkende hij den man!</p> -<p class="par">—„Jonker Jan van der Noot!” zei hij, -beleefd groetend. „Wat voert u hier? Ik dacht u veilig en wel te -Antwerpen.”</p> -<p class="par">De Antwerpenaar keek verrast op.</p> -<p class="par">—„Ge kent mij?” zei hij verbaasd. -„Maar—ik heb u ook meer gezien. Ik heb u gezien bij een -vendel van Thoulouse.”</p> -<p class="par">Jacob noemde zijn naam. De Brabander knikte -levendig.</p> -<p class="par">—„Ik ben er trotsch op, een van de helden -van Austruweel de hand te mogen drukken,” zei hij een weinig -theatraal. „Die arme Jan van Thoulouse!”</p> -<p class="par">—„Als die van Antwerpen mee hadden gevochten -voor de goede zaak, zou de Heer van Thoulouse misschien nog -leven!” riep Pieter de Welle grimmig.</p> -<p class="par">—„Wij hebben het gewild!” verzekerde -de Antwerpenaar gejaagd. „Wij hebben de Roode Poort open willen -breken. Wij, Gereformeerden, waren op de Meere en wij hebben de -Vroedschap willen dwingen. Maar de Prince van Orange heeft het ons -belet. Hij was bang voor de troepen van Lannoy...”</p> -<p class="par">—„Al genoeg!” zei de Welle wrevelig. -„Wat gebeurd is, is gebeurd en misschien had de Prins geen -ongelijk. Je kent hem dus, jonker. Maar wat doet hij hier?”</p> -<p class="par">—„Jonker van der Noot was in de Vroedschap -van Antwerpen,” zei Jacob, „en hij is van de Gereformeerde -religie, maar hoe komt ge nu eigenlijk hier, Mijnheer van der -Noot?”</p> -<p class="par">De Antwerpenaar wierp een schuwen blik om zich heen.</p> -<p class="par">—„Ik ben gevlucht!” zei hij met -gesmoorde stem. „Hebt ge gehoord, hoe de Duc d’Albe gedaan -heeft met de graven van Egmond en Hoorne?”</p> -<p class="par">Jacob Martens knikte toestemmend. <span class= -"pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name="pb261">261</a>]</span></p> -<p class="par">—„Als Judas Iskarioth. Hij heeft ze bij zich -genoodigd en na het maal heeft hij zijne gasten laten vangen. En van -Stralen, en Bakkerzeele—en nog zooveel anderen. Allen van de -<span class="corr" id="xd24e3959" title="Bron: relegie">religie</span>, -en allen, die ’t Compromis hebben geteekend of ter preeke zijn -geweest—wij zullen allen als hoogverraders worden vervolgd. Ik -ben ’t nog ontkomen. Ik wil naar Engeland -oversteken...”</p> -<p class="par">Hij wierp een onrustigen blik op den weg, dien hij -zooeven had afgelegd, als vreesde hij, de vervolgers te zien -opdagen.</p> -<p class="par">—„Naar Engeland? Dat is niet zoo gemakkelijk -in deze dagen,” zei Jacob.</p> -<p class="par">—„’t Doet er niet toe! Ik wil ’t -beproeven. Een visscher zal wel te vinden zijn, die ’t voor goed -loon wagen wil. Ik heb geld...”</p> -<p class="par">Hij keek schuw om zich heen. Blijkbaar had hij zich -versproken. De wilde gestalten, die hem omringden, boezemden hem weinig -vertrouwen in.</p> -<p class="par">—„Je kunt gerust rammelen met je -Filipsdaalders,” zei de Welle, die zijn aarzeling opmerkte, -norsch. „Wij zijn geen boeven of roovers en wij zullen een van de -religie niet bestelen. De jonker staat voor je in, dat is ons genoeg! -Maar wat moet er nu met die kar en den voerman gebeuren?”</p> -<p class="par">De laatste stond bij zijn groot paard en staarde met -open mond en oogen het tooneel aan. Blijkbaar was hij weinig op zijn -gemak. Hij keek met verschrikte blikken naar de gewapende mannen, de -Wilde Geuzen, van wie men in den lande zooveel vreeselijks -vertelde.</p> -<p class="par">—„Kan hij mij niet naar de kust -brengen?” vraagde de Antwerpenaar.</p> -<p class="par">De Geuzen morden en mompelden onder elkander.</p> -<p class="par">—„Wij willen geen spionnen in ’t -duin!” zei er één barsch.</p> -<p class="par">—„Wat weten wij van den kerel?” -vraagde een ander. „Hij kan ons best aan de soldaten verraden. -’t Veiligst zou zijn...” <span class="pagenum">[<a id= -"pb262" href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span></p> -<p class="par">Hij maakte een veelbeteekenende beweging en keek -tegelijk naar den laagsten tak van een naburigen eik.</p> -<p class="par">Eén oogenblik zag het er voor den armen voerman -hachelijk uit, maar Jonker van der Noot kwam tusschenbeide. Hij -verzekerde de Geuzen, dat de man goed Gereformeerd was, al was ’t -in het verborgen. Het Consistorie te Antwerpen had hem brieven -medegegeven voor de broeders in Poperingen, die hem hadden -voortgeholpen. Deze man had zijn eigen hals in gevaar gebracht, om hem, -een balling, te helpen vluchten. Hij had dan ook te voet de stad -verlaten en had op een eenzame plaats de huifkar gevonden, die hem -volgens afspraak daar wachtte.</p> -<p class="par">Nog waren sommige Geuzen niet gerust gesteld. Een -verward gemompel ging er op uit den hoop.</p> -<p class="par">—„We zullen het spoedig weten,” zei -Pieter de Welle opeens. „Waar is Gheleijn de Rosse?”</p> -<p class="par">Een reusachtige West-Vlaming, met ros haar en een -sproeterig gezicht, trad uit den hoop naar voren.</p> -<p class="par">—„Jij bent uit Poperingen,” zei de -Welle. „Als die kerel tot de religie behoort, moet hij de -broeders kennen. Vraag hem, wie in het Consistorie zitten.”</p> -<p class="par">De Geuzen begonnen te grinniken.</p> -<p class="par">—„Juist iets voor den Rosse!” spotte -één van de mannen.</p> -<p class="par">—„Vraag hem liever, hoeveel taveernen er in -Poperingen zijn! Dat weet hij beter!” beweerde een ander.</p> -<p class="par">Maar Gheleijn liet zich niet in de war brengen. Hij was -een trouw bezoeker van de taveernen geweest, maar in den tijd, nog zoo -kort geleden, dat hij een rustig burger van Poperingen was, was hij mee -ter preek gegaan in den nu afgebroken „tempel” der -Gereformeerden en er had een straal van licht geschenen in zijn donker -gemoed. En wat hij daar ontvangen had, was genoeg geweest om hem de -zijde der vervolgden te doen kiezen, zoodat hij thans een balling -was.</p> -<p class="par">Hij stoorde zich niet aan het lachen zijner makkers, -maar hij stelde den voerman eenige vragen, die deze, <span class= -"pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name= -"pb263">263</a>]</span>hoewel sidderend van angst, toch vrij nauwkeurig -beantwoordde. Gheleijn de Rosse verklaarde zich voldaan en de man kreeg -verlof, om terug te keeren, want men wilde hem niet toestaan, zijn reis -voort te zetten. De Geuzen zouden zelf den Antwerpschen jonker langs de -hun bekende duinpaden naar de kust geleiden.</p> -<p class="par">Nadat de voerman van jonker van der Noot een ruime -belooning had ontvangen, liet hij het groote paard keeren en de huifkar -keerde langzaam terug langs den zandweg.</p> -<p class="par">Gheleijn de Rosse liep een eindweegs mede. Hij was blij, -weer iets van Poperingen te hooren.</p> -<p class="par">De Boschgeuzen namen hun gast mede naar de duinpan, waar -zich hun kamp bevond, en gaven hem het voedsel, dat zij hem konden -voorzetten: grof tarwebrood, spek en bier. Toen hij zijn maaltijd -geëindigd had, verzocht Jacob Martens den Antwerpenaar, hun iets -mede te deelen over den toestand te Brussel. De anderen schikten zich -haastig om hem heen, om te luisteren.</p> -<p class="par">’t Was een eigenaardig gezicht, de Brabantsche -edelman te midden der woeste gezellen, die, op hun wapens om hem en hun -aanvoerders heen stonden, om te luisteren naar wat hij zou mededeelen -over den Spaanschen hertog, den vijand van Gods volk, die daarginds te -Brussel zich opmaakte om de vrijheid en de religie te onderdrukken, -voorgoed.</p> -<p class="par">Op den top van ’t hooge duin waakte alleen de -schildwacht, die Jacob Martens had afgelost.</p> -<p class="par">En de Brabantsche edelman begon te vertellen, eerst -stootend en zenuwachtig, blijkbaar onder den indruk van zijn omgeving -en nog altijd min of meer bevreesd voor zijn ruwe gastheeren, maar -weldra, toen hij hunne belangstelling bemerkte, druk, levendig en -boeiend. Hij verhaalde van Alva’s intocht in Brussel, van de -uitrusting en de krijgstucht zijner Spaansche en Italiaansche vendels, -van de lange, Spaansche musketten, <span class="pagenum">[<a id="pb264" -href="#pb264" name="pb264">264</a>]</span>wijder geboord en verder -dragend dan de handbussen en haaksen der Walen en Duitschers, geduchte -wapens, die men in deze landen nog nimmer had gezien.</p> -<p class="par">Hij sprak over het verraad te Brussel, over de -gevangenneming van Egmond en Hoorne, van Bakkerzeele en van Stralen en -van zooveel Nederlandsche edelen, die zich door den sluwen hertog in de -val hadden laten lokken. Hij vertelde van de nieuwe rechtbank, die Alva -had ingesteld, en die, met verkrachting van alle rechten en -privilegiën, de zaken zou berechten van hen, die in de laatste -jaren hadden gehandeld tegen de plakkaten of deelgenomen hadden aan het -verzet tegen Granvelle en de Regeering, en dat met voorbijgaan van de -Hoven der Gewesten en de schepenbanken der steden. De hertog zelf zou -voorzitter zijn van die rechtbank, die nu weldra met haar bloedig werk -zou beginnen. Twee Spanjaarden, Vargas en del Rio, zouden de -voornaamste bijzitters zijn, en verscheidene Nederlandsche -rechtsgeleerden, leden van de Hoven der verschillende gewesten, waren -geroepen, om mede zitting te nemen in dien Raad van Beroerten, zooals -Alva zijn nieuwe schepping had gedoopt.</p> -<p class="par">Het trof Jacob Martens, dat de Antwerpenaar, terwijl hij -dit alles verhaalde, hem meer dan eens aanzag met een vreemden, -onderzoekenden blik. Eens viel hij zich zelf in de rede met de vraag, -of dit alles jonker Martens inderdaad onbekend was.</p> -<p class="par">Dichter drongen de Geuzen om den spreker, met ernstige, -sombere gezichten. Zij gevoelden allen wel, wat dat beteekende. -’t Scheen gedaan met hunne zaak en met die der vrijheid.</p> -<p class="par">En van der Noot verhaalde, hoe ieder, die te Antwerpen -ter preek was geweest, of een Geuzenpenning had gedragen of deel had -genomen aan de oproerige beweging tegen de Magistraat, onder allerlei -vermomming de stad trachtte te verlaten, om te vluchten naar -Duitschland of Engeland. Er liepen allerlei geruchten. Men zei, dat de -Prins van Oranje en zijne broeders <span class="pagenum">[<a id="pb265" -href="#pb265" name="pb265">265</a>]</span>troepen aanwierven om de -Spanjolen te verdrijven.</p> -<p class="par">En dan koesterde men groote verwachtingen van de hulp -der Huguenoten in Frankrijk. Wat de ballingen reeds bij geruchte hadden -vernomen, kon hun gast thans bevestigen. Condé en de Coligny, de -trouweloosheid van de Koningin-Moeder, Catharina de Medicis, moede, -zonnen op een stouten aanslag. Zij verzamelden hunne aanhangers. Weldra -zou men van hen hooren! Maar,—hun, die thans in Alva’s -handen vielen, zou dit alles niet veel baten. Wie kon, moest vluchten, -om in den vreemde te werken voor de vrijheid en de gezuiverde -religie.</p> -<p class="par">Zoo sprak jonker van der Noot, en het scheen wel, alsof -hij zijn vlucht bij de Geuzen wilde verontschuldigen.</p> -<p class="par">Zwijgend hadden de mannen zijn verhaal aangehoord. Toen -hij zweeg, voegden de meesten zich bij elkander en begonnen op -gedempten toon een gesprek. De Antwerpenaar maakte van de gelegenheid -gebruik en wenkte Jacob ter zijde.</p> -<p class="par">—„Hebt ge in den laatsten tijd niets van uwe -familie vernomen, jonker Martens?” vraagde hij, op schijnbaar -onverschilligen toon, maar met denzelfden onderzoekenden blik van -straks.</p> -<p class="par">—„Al sinds maanden niet!” antwoordde -Jacob. „Gent is ver en maar zelden waagt het iemand, op kondschap -uit te gaan.”</p> -<p class="par">—„Naar Gent? Maar weet ge dan niet, dat ze -te Brussel zijn?” vraagde de ander verrast. „En dat uw -vader...”</p> -<p class="par">—„Mijn vader, zegt ge? Wat is er met -hem?”</p> -<p class="par">—„Lid is van die rechtbank van Alva? Van -zijn Raad van Beroerten?”</p> -<p class="par">—„Trek het u zoo niet aan, man!” -vervolgde de Antwerpenaar, toen hij zag, dat Jacob ontstelde en -onwillekeurig verbleekte. „’t Is alles het werk van -Viglius. Hij zelf is buiten schot gebleven, de sluwe vos! Hij -verontschuldigde zich op grond van zijn leeftijd en zijn nieuwbakken -geestelijke waardigheid. Maar <span class="pagenum">[<a id="pb266" -href="#pb266" name="pb266">266</a>]</span>hij heeft aangeraden, -Nederlandsche rechters in den Raad te nemen, om de inbreuk op de -rechten en privilegiën zooveel mogelijk te verbergen. Ook de -president van Artois heeft zitting moeten nemen...”</p> -<p class="par">Somber staarde Jacob voor zich uit. Zijn vader lid van -Alva’s raad, in dienst van den Spaanschen dwingeland; hij, de -zoon, een Geus, een balling, wiens hoofd op ’t schavot zou -vallen, indien ’t den Spanjaard of de knechten van Noircarmes -immer mocht gelukken hem te grijpen...”</p> -<p class="par">—„’t Spijt me verbazend, jonker -Martens, dat ge dit booze nieuws juist uit mijn mond moest -hooren,” zei van der Noot hartelijk. „Maar, nietwaar, lang -was ’t u niet verborgen gebleven. En hoe kon ik ook weten, dat ge -zóó weinig van uwe familie hadt vernomen? Ge weet dan ook -niet, dat uw zuster en de vorstelijk schoone joffer Madeleine twee -nieuwe starren zijn aan den hemel van ’t Hof te Brussel? O de -zoete maagdekens! Ik ben goed Geus, jonker Martens, maar bijlo, om die -fiere godinnen zou het mij kunnen smarten, dat ik balling ’s -lands moet worden, zij het dan om den wille van de religie. -Vóór ik heenging, schreef ik voor de goddelijke Madeleine -een liedeke, naar den nieuwen trant, dien wij geleerd hebben van de -excellente Latijnsche poëten en van „le divin -Ronsard.” Ha, ge kent haar, jonker; ge moet het hooren, -vóór ik u verlaat.”</p> -<p class="par">En de beweeglijke Brabander haalde uit de leeren tasch, -die aan zijn gordel hing, een schrijfboekje in perkamenten omslag te -voorschijn, opende het haastig en begon te declameeren:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<div class="lg"> -<p class="line">Ghelijck den dagheraet</p> -<p class="line">Hem lustich openbaert</p> -<p class="line">Des morgens in den oosten,</p> -<p class="line">En compt vrij onvervaert</p> -<p class="line">Die ’t snachts waren beswaert,</p> -<p class="line">Deur sijn clarighheyt troosten.</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267" name= -"pb267">267</a>]</span></p> -<div class="lg"> -<p class="line">Alsoo word mijnen geest</p> -<p class="line">Oock verfraijt aldermeest</p> -<p class="line">Deur u reijn minlijck wezen:</p> -<p class="line">En u bruijn oochskens claer</p> -<p class="line">En u schoon gitswart haer</p> -<p class="line">Cunnen mijn pijn ghenesen.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Ghelijck den suijden wint</p> -<p class="line">Die Flora seer bemint</p> -<p class="line">Int suetste van den Meye,</p> -<p class="line">De bloemkens groeyen doet,</p> -<p class="line">Die men siet overvloet,</p> -<p class="line">In bosch, berch en valleye.</p> -</div> -<div class="lg"> -<p class="line">Alsoo can uwen sanck</p> -<p class="line">En u schoon aanschijn blanck</p> -<p class="line">Mijn swarichheyt verdrijven,</p> -<p class="line">En doen mij met ioleyt</p> -<p class="line">In desen sueten tijt</p> -<p class="line">U gratien beschrijven.</p> -</div> -</div> -<p class="par first">De dichter zag zijn metgezel vragend aan, als -verwachtte hij de toejuiching, waarop hij recht meende te hebben. Jacob -boog hoffelijk en sprak een paar woorden van beleefde waardeering, al -kon hij een gevoel van jaloezie niet onderdrukken. Maar ’t was -immers <i>zijne</i> Madeleine, die hier werd gehuldigd, zijne -Madeleine, die hem zeker trouw zou blijven, ook in dezen boozen tijd, -die om hem treurde misschien...</p> -<p class="par">En mijmerend over zijn jonge liefde, dacht hij er niet -aan, hoe weinig het liedeke eigenlijk paste in deze omgeving en op dit -oogenblik. Een „zoete tijd”: ’t Was een tijd vol -jammer, die ging aanbreken, die reeds aangebroken was...</p> -<p class="par">De stem van jonker van der Noot schrikte hem op uit zijn -gepeins.</p> -<p class="par">—„Als ’t geen indiscretie was, jonker -Martens,” snapte hij voort, „zou ik durven zeggen, dat -’t mij verwondert, <span class="pagenum">[<a id="pb268" href= -"#pb268" name="pb268">268</a>]</span>dat la divine Madeleine u niet -heeft kunnen boeien. Daarbij—une riche -héritière,—nietwaar? Al de Spaansche officieren -maken haar het hof. Maar men zegt, dat zij verloofd is aan een Waalsch -edelman, den jonker de St. Foy...”</p> -<p class="par">—„Thierry de St. Foy?” vraagde Jacob. -Zijn stem beefde en slechts met moeite bedwong hij zijn aandoening, -maar de ander bemerkte het niet. Hij was te zeer verdiept in de -herinnering aan die hofkringen, waarvan hij zoo noode had moeten -scheiden.</p> -<p class="par">—„Kent gij hem?” vraagde hij -eenigszins verrast. „’t Is een arme bloedverwant van de -Croys. Hij was page van den hertog van Aerschot, maar is nu vaandrig -bij de troepen van Noircarmes. Hij zal wel spoedig een luitenantsplaats -krijgen, en dan een compagnie, want hij heeft machtige beschermers. En, -zooals ik zeide, hij is onafscheidelijk van de schoone Madeleine. Men -meent, dat de president en uwe moeder hem wèl genegen zijn en -zijne werving begunstigen. ’t Is inderdaad jammer, dat... Maar ik -wil niet indiscreet zijn,” voegde hij er eenigszins verlegen bij, -toen hij het strakke gezicht van zijn metgezel eindelijk opmerkte en -begon te begrijpen, dat zijn gesnap weinig op zijn plaats was.</p> -<p class="par">—„Weet ge wat ge doen moest, jonker?” -ging hij met ongeveinsde hartelijkheid voort. „Ga met mij naar -Engeland. De Koningin is die van de religie genegen. Ge vindt licht een -plaats bij de lijfwacht als cadet. Ik help u met uw uitrusting, als ge -mij de eere wilt doen het noodige van mij te leenen. Of als ’t -waar is, dat de Prins van Oranje en zijne broeders een aanslag willen -wagen,—te Londen vindt ge licht gelegenheid om naar Embden te -komen, en ge kunt u bij hen aansluiten. Een officier, die bij -Austruweel gevochten heeft, zal hun welkom zijn. Hier—en hij keek -voorzichtig rond, of geen der Geuzen hem beluisterde—hier bij -deze boeven en briganten is uw plaats toch niet. En als de vendels van -den hertog hen komen opzoeken, zal het spoedig met hen gedaan -zijn.” <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name= -"pb269">269</a>]</span></p> -<p class="par">Jacob betuigde hoffelijk zijn dank voor het heusche -aanbod, maar hij weigerde vastberaden, zijn makkers, met wie hij lief -en leed gedeeld had en die op hem vertrouwden als een van hunne -aanvoerders, te verlaten. Alleen verzocht hij jonker van der Noot, hem -te zeggen, waar zijn ouders te Brussel woonden, als hij dat wist.</p> -<p class="par">Daartoe was de Antwerpenaar gaarne bereid. De President -had met zijne familie de huizinge betrokken van een der gevluchte -edelen, niet ver van het paleis van den hertog van Aremberg. De -goederen van de ballingen waren verbeurd verklaard en de hertog -gebruikte hunne huizen voor den dienst des Konings. Maar jonker Martens -zou toch zoo dwaas niet zijn, zelf zijn hoofd aan den beul te gaan -leveren? En nogmaals drong hij er op aan, dat Jacob hem zou -vergezellen, indien hij er in slaagde te vluchten en hij zweeg eerst, -toen zijn aanbod kort en beslist werd geweigerd.</p> -<p class="par">Tegen den middag kwamen twee Geuzen terug, die op -kondschap waren uitgezonden. Zij brachten goede tijding. Ze hadden een -visscher gevonden, die voor een groote belooning het wilde wagen, den -vluchteling naar Engeland te brengen. Tegen den avond zou hij op een -eenzaam gedeelte van de kust den Antwerpenaar in zijn boot opnemen. Een -paar van de Boschgeuzen, die het zwervend leven moede waren, wilden van -de gelegenheid, hun thans geboden, gebruik maken. Zij wisten, dat zij -daarginds werk en brood zouden vinden.</p> -<p class="par">In den laten namiddag nam jonker Jan van der Noot -afscheid van zijne ruwe gastheeren en van Jacob, wien hij als een -gedachtenis het in perkament gebonden schrijfboekje met het kostbare -minnedicht vereerde. Hij begon zijn avontuurlijke zwerftochten, die -zouden eindigen met zijn terugkeer tot de Moederkerk en zijn aannemen -van de amnestie der Regeering. Voor een martelaar was de -dichter-magistraat niet in de wieg gelegd! <span class= -"pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XIV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">—„En ge zijt dus vast besloten, -jonker, uw hoofd in den strik te steken? Want dat is het en anders -niet! Als iemand u herkent, dan ligt het zwaard van Meester Harmen, den -beul van Brussel, voor u klaar! En er zijn valsche vrienden en -verraders genoeg, die gaarne bij den Spanjool een plasdank zouden -verdienen, al was ’t maar om hun eigen lei schoon te -vegen.”</p> -<p class="par">—„Ik weet het wel, de Welle. Ik weet, dat ik -mijn leven waag. Maar dat is de eerste keer niet! En ik moèt -naar Brussel!”</p> -<p class="par">—„En de jonker wil mij niet zeggen, -waaròm? Zeker heeft die Brabander het een of ander verteld, dat -den jonker drijft. Ik wilde, dat de wereldsche sadduceeër met zijn -fijnen tabbaard in de Schelde was gebleven! Nu naar Brussel, nu die -Ducdalf, als ze hem noemen, zijn handen slaat aan Gods volk en alles -vlucht, wat vluchten mag! Beraad u er op, jonker, en toef nog een -poos!”</p> -<p class="par">’t Gesprek werd gevoerd in een woeste duinvallei, -ver van de legerplaats der Boschgeuzen. Den dag na het vertrek van -jonker van der Noot had Jacob Martens zijn ouden makker verbaasd en -ontsteld door de mededeeling, dat hij belangrijke tijding had -ontvangen, dat zijne ouders te Brussel waren en dat hij hen zien moest. -Te vergeefs had Pieter de Welle op een nadere verklaring aangedrongen. -Het strakke gelaat van zijn welbeminden jonker zeide hem niets: alleen -was er een harde trek om den mond, die getuigde van een koppige -vastberadenheid en stroever dan anders had <span class= -"pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name= -"pb271">271</a>]</span>Jacob Martens zijn vroegeren onderhoorige te -verstaan gegeven, dat hij zich door niemand zou laten weerhouden, zijn -plan ten uitvoer te brengen.</p> -<p class="par">Dat plan in de legerplaats te bespreken, in de -tegenwoordigheid hunner makkers, zou dwaasheid geweest zijn. Als het -uitvoerbaar was, dan moest het in het diepste geheim geschieden. De -Wilde Geuzen stonden nog in betrekking met hunne geloofsgenooten in -West-Vlaanderen, en een gerucht, dat een van de aanvoerders der bende -een gevaarvollen tocht ging ondernemen, zou snel genoeg verspreid zijn, -om in die dagen van angst en vreeze zulk een tocht tot een roekeloos -waagstuk te maken. Het was, zooals de Welle had gezegd: vele valsche -broeders, velen zelfs, die aan den beeldenstorm hadden deelgenomen, -poogden in die dagen hun verleden te doen vergeten en zich met de -Regeering te verzoenen door het verraad van hunne vroegere -geloofsgenooten en medestanders.</p> -<p class="par">En daarom had de Welle Jacob Martens bezworen, zijn -besluit nog eens te overwegen, en hem medegenomen naar de eenzame -duinpan, om de zaak nog eens ernstig met hem te bespreken.</p> -<p class="par">Het bleek den ouden koddebeier echter weldra, dat hij -die moeite had kunnen sparen. Jacob Martens was vast besloten, het -kostte wat het wilde, de reis naar Brussel te ondernemen. Dat dit plan -in verband stond met het bezoek van jonker Jan van der Noot, begreep de -Welle zeer goed, al wist hij het rechte niet. Hij verwenschte den -luchtigen Brabander in den grond van zijn hart en in termen, die zijne -meer „precise” geloofsgenooten zeker niet weinig zouden -hebben geërgerd.</p> -<p class="par">—„Wanneer het den jonker alleen te doen is -om betrouwbare kondschap van zijn familie of om een boodschap van -belang, kon hij mij zenden!” vischte hij.</p> -<p class="par">—„Alsof het voor jou niet even gevaarlijk -was als voor mij!” zeide Jacob. „Men kent je te goed, de -Welle, en er zijn er genoeg, die je gaarne in pijn en <span class= -"pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name= -"pb272">272</a>]</span>banden zagen. Men zou je de tortuur niet sparen, -om je van onze schuilplaatsen te laten klappen.”</p> -<p class="par">—„O ho, wat dat betreft, mij vangen ze zoo -spoedig niet!” zei de Welle. „En ’t is den Spanjool -ook niet om klein wild te doen. Hij wil de groote heeren treffen en -niet de kleine luyden. Laat mij gaan, jonker; binnen een week breng ik -u bescheid.”</p> -<p class="par">Jacob schudde het hoofd.</p> -<p class="par">—„Ik moet er zelf heen, de Welle,” zei -hij kort. „Houd mij niet op.”</p> -<p class="par">—„Dan ga ik met u, jonker. Alleen laat ik u -niet in den strik loopen. Ik zie, dat ge er uw hart op gesteld hebt. -Welnu, twee zien meer dan één en men kan geen oud hoofd -op jonge schouders verwachten.”</p> -<p class="par">—„Ik moet gaan, de Welle. Maar jij, waarom -zou je je in gevaar begeven? Je waagt je leven en de -tortuur...”</p> -<p class="par">—„Mijn leven is in Gods hand en voor de -tortuur ben ik niet bang. Meent ge dan, jonker, dat het leven voor den -ouden man nog zooveel waarde heeft, sinds dien avond, toen -Mieke...”</p> -<p class="par">De Welle wendde zich af en staarde voor zich uit.</p> -<p class="par">—„Kijk, jonker,” ging hij na eenige -oogenblikken met heesche stem voort, „de jonker is ’t -eenige, wat mij nog aan het leven hecht. Als ik den jonker nog eens als -hopman of luitenant aan het hoofd van zijn vendel tegen de Spanjolen -mag zien vechten,—hoe eer dan een Spaansche piek... En God zij -mijn ziel dan genadig!”</p> -<p class="par">Jacob keek den ouden man in het gerimpelde gelaat.</p> -<p class="par">—„Laat het dan zoo zijn, de Welle,” -zei hij aangedaan. „Wij zullen ’t samen bestaan, en als -’t moet zullen wij samen vallen. Vivent les Gueux!”</p> -<p class="par">—„Maar,” ging hij bedaarder voort, -„wanneer je met mij naar Brussel wilt, dan heb je ook het recht -te weten, wat mij er heen voert. Zie, de Welle, toen ik vluchtte uit -Gent, liet ik er veel achter, mijn <span class="pagenum">[<a id="pb273" -href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span>ouders, mijn zuster, en -dan.... je hebt bij ons de joffer de Bette gezien?”</p> -<p class="par">De Welle knikte toestemmend. Zijn staalblauwe oogen -keken den jongen man onderzoekend aan. Jacob Martens’ door weer -en wind gebruind gelaat kleurde.</p> -<p class="par">—„Ik had de joffer de Bette lief, de -Welle,” zei hij eenvoudig, „en—ik rekende op haar -trouw. Ik hoopte,—ik wist zelf niet, wat ik hoopte. Maar als de -onzen overwonnen hadden, als ons goede land van Vlaanderen vrij was, -dan kon ik toch hopen... Maar dat is alles nu voorbij!”</p> -<p class="par">—„Ik had met dien Antwerpenaar naar Engeland -kunnen vluchten,” ging hij voort. „Hij bood het mij aan. En -als ’t waar is, dat de Prins van Oranje en zijn broeders troepen -werven, om den Spanjool uit ’t land te jagen, dan had ik wel een -kans gevonden om naar Duitschland over te steken en ik had wel een -brevet als luitenant gekregen en ook een plaats voor jou, als je mij -hadt willen vergezellen. Maar de jonker van der Noot vertelde mij nog -meer. Hij zei mij, dat Madeleine,—dat de joffer de Bette verloofd -was met Thierry de St. Foy...”</p> -<p class="par">—„Met dien Paapschen Waal, die ons volgde -naar Middelburg? Dien vroegeren vriend van den jonker?” vraagde -de Welle.</p> -<p class="par">—„Ja, en als dat waar is, dan heeft men haar -gedwongen!” riep Jacob onstuimig. „En daarom kon ik niet -naar Engeland! Daarom moet ik naar Brussel, om haar te spreken en uit -haar eigen mond te hooren, of zij mij vergeten heeft. Want zij is te -Brussel, omdat—je moet nu alles weten, de Welle—omdat mijn -vader een rechter is in die rechtbank van Alva, waar de lieden met -zooveel angst van spreken!”</p> -<p class="par">De oude koddebeier schudde meewarig het hoofd.</p> -<p class="par">—„God beproeft Zijn volk, jonker, en geeft -het over in de hand zijner vijanden. Zie toe, dat ge uzelf en uw -vrienden niet in ’t verderf stort, omdat uw hart hangt aan die -Paapsche joffer. Maar ik zie wel, dat <span class="pagenum">[<a id= -"pb274" href="#pb274" name="pb274">274</a>]</span>woorden niet baten! -Jong bloed is heet! We zullen ’t dan wagen, maar ik wacht van -dien tocht weinig goeds.”</p> -<p class="par">Nu moest aanstonds het plan voor de gevaarlijke reis -beraamd. De naaste weg leidde over Poperingen en Rousse, maar de naaste -weg was in dit geval tevens de onveiligste. In Yperen en Oudenaarden -lag bezetting en Noircarmes’ soldaten patrouilleerden het land -af, om allen, die verdacht konden worden in verstandhouding te staan -met de Boschgeuzen, aan te houden. Te Rousse woedde de inquisiteur -Titelman feller dan ooit tegen de Gereformeerden, nu de vroedschappen -en de baljuws, bevreesd voor de Regeering te Brussel, zijne eischen -niet durfden weerstaan, terwijl hij, als ’t noodig was, ook over -de soldaten der bezetting kon beschikken. ’t Was zoo goed als -onmogelijk, door Oost-Vlaanderen of Henegouwen heen Brussel te -bereiken.</p> -<p class="par">De Welle sloeg een anderen weg voor. Zij zouden den -duinkant houden, door Veurner Ambacht en over het smalle riviertje de -Yser,—toen nog niet gekanaliseerd—tot in de buurt van -Nieuwpoort en van daar langs Gent naar Aalst. In de eerstgenoemde stad -durfden geen van beiden zich vertoonen, doch de Welle kende de streek -nauwkeurig. Hij wist alle wegen en zijpaden en hij nam aan, Jacob -veilig tot Brussel te brengen. Dan zou het gevaarlijkste deel van den -tocht komen.</p> -<p class="par">Hoe zij de stad zouden binnenkomen en haar vrij en -ongehinderd weder zouden verlaten, wisten zij zelf nog niet. Maar dat -was van later zorg.</p> -<p class="par">Dan was er een tweede punt, dat overweging vereischte. -Er was weinig discipline onder de ballingen. Ieder deed wat goed was in -zijn oogen en er hadden zich te veel vreemde elementen bij hen gevoegd, -om een strenge krijgstucht te kunnen handhaven. Maar er was toch een -zekere band, die hen verbond, en de besten onder hen, de strijders bij -Austruweel en de vluchtelingen uit Valenciennes en Doornik, erkenden -<span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name= -"pb275">275</a>]</span>Jacob Martens en de Welle als aanvoerders van -hunne bende, een van de vele, die zich in de bosschen van -West-Vlaanderen en Henegouwen hadden genesteld. Zij konden hunne -makkers niet aan hun lot overlaten. Openlijk voor hun plan uitkomen, -konden zij evenmin: het moest geheim blijven ter wille van hunne -veiligheid.</p> -<p class="par">Zoo besloten zij dan den predikant, Jan Machielsz, in -het geheim te nemen en hem, gedurende hunne afwezigheid, de zorg voor -het kamp op te dragen. De man was een dweper en in zijn wilde buien van -haat en wraakzucht was hij in staat tot onmenschelijke daden, maar hij -was volkomen betrouwbaar. Hij zou hen niet verraden. Zij moesten hem -slechts doen beloven, niets te ondernemen in hunne afwezigheid, en -indien zij binnen een bepaalden tijd niet terugkeerden, dan moest de -bende zich verstrooien. De gewapende mannen konden zich gemakkelijk -aansluiten bij een anderen troep Boschgeuzen, want de ballingen waren -talrijk genoeg.</p> -<p class="par">Zij vonden den predikant in de eenvoudige duinhut, die -de Geuzen uit eerbied voor zijn ambt en met het oog op zijn tenger -lichaam en zijn zwakke gezondheid, voor hem hadden gebouwd. Toen de -beide mannen binnentraden, keek hij op van den bijbel, die voor hem lag -op een ton, die hem tot tafel diende.</p> -<p class="par">—„Wat brengt gij, mannen broeders?” -vraagde hij. „Zullen wij weder optrekken tegen Amalek? Alzoo zegt -de Heere: Gaat nu henen ende slaat Amalek, ende verbant alles, wat hij -heeft ende verschoont hem niet...”</p> -<p class="par">—„Neen, Jan Machielsz, neen,” zeide de -Welle. „’t Geldt ditmaal geen strooptocht. Wij hebben u wat -te zeggen.”</p> -<p class="par">—„Wee u, zoo gij als Saul Agag wilt sparen, -dien de Heere, de God Israëls, heeft gevloekt!”—De -zwarte oogen in het magere, bleeke gelaat begonnen te fonkelen en de -kreupele prediker hief de hand dreigend op. Toen wees hij op zijn -bijbel. <span class="pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name= -"pb276">276</a>]</span></p> -<p class="par">—„Ik heb een openbaring ontvangen,” -fluisterde hij heesch. „Ik was biddende voor het aangezicht des -Heeren en zeer weeklagende over de breuke van Gods volk. En ik hoorde -een stem, die tot mij zeide: Neem het Boek en lees het woord, dat ik u -zeggen zal! En ik nam het Boek en ik las...”</p> -<p class="par">Hij wees naar zijn bijbel en legde den vinger op de -bladzijde.</p> -<p class="par">—„Hoort het gezicht van Obadja,” ging -hij voort, „waarin de Heere Heere tot mij gesproken heeft: Alzoo -zegt de Heere Heere van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van den -Heere en hun is een gezant gezonden onder de Heidenen. Staat op en laat -ons opstaan tegen hen ten strijde...”</p> -<p class="par">—„Zoo las ik en mijn oogen werden -verlicht,” ging de dweper voort. „Is niet de gezant, die -gezonden is tot Edom, onder de Heidenen, deze trotsche Spaansche -hertog, dien zij Duc d’Alve noemen? Is deze profetie niet in onze -ooren vervuld? En zullen wij niet opstaan, tegen hen ten strijde? Al -zegt Edom in zijn harte: Wie zou mij ter aarde -nederstooten?—alzoo spreekt de Heere: Al verhieft gij u gelijk de -arend ende al steldet gij uw nest tusschen de sterren—zoo zal ik -u van daar nederstooten...”</p> -<p class="par">—„Er zal nog genoeg te strijden vallen tegen -Edom, Jan Machielsz,” zeide Jacob somber. „Maar nu niet! Ge -moet wachten tot wij terugkomen. Wij moeten een reize ondernemen, -en...”</p> -<p class="par">Met fonkelende oogen staarde de predikant hem aan.</p> -<p class="par">—„Gij wilt een reize ondernemen?” riep -hij wild. „Gij wilt Gods volk verlaten, als zij omkomen in de -woestijn? Israël zal optrekken ten strijde en gij zult rusten aan -de beken van Ruben? Maar de Heere zal bezoeking doen over hen, die -vlieden ten dage des strijds en over hen, die daar roepen: Vrede, -vrede! en ziet, daar is geen vrede!”</p> -<p class="par">—„Wij willen u en onze mannen niet in den -steek laten,” zei Jacob wrevelig. „Ik zeg u, dat wij een -<span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name= -"pb277">277</a>]</span>reis moeten ondernemen, om redenen, die ons -alleen aangaan, en wij willen u verzoeken, om, zoolang als wij weg -zijn, het bevel op u te nemen en den vrede onder de mannen te -bewaren.”</p> -<p class="par">Jan Machielsz zag hem aan met een vreemden blik.</p> -<p class="par">—„Gij wilt van hier gaan—om redenen, -die u alleen raken,” zeide hij langzaam. „Hoor toe, jonker, -want mijn hart kleeft u aan, omdat gij alles verlaten hebt om smaadheid -te lijden met Gods volk. Hoor toe, en ik zal u te kennen geven, wat de -Heere dezen nacht tot mij heeft gesproken.”</p> -<p class="par">—„Uw hart hangt nog aan de Midianietische, -aan de Paapsche jonkvrouw, die u te Gent heeft omstrikt. Ik zegge u, -laat af van haar, want zij zal u worden ten verderve.—Gij kleurt -en gij ziet mij toornig aan? Toch zal ik u Gods woord doen -hooren.”</p> -<p class="par">—„Ik was dezen nacht biddende en ik dacht -aan de breuke des volks, want de slaap was van mij geweken. Toen zag ik -een gezicht, en ik zag u, jonker Martens, en gij stondt op een -tweesprong. En ge waart niet alleen, maar naast u stond een vrouw, en -zij droeg de versierselen van de dochteren der Filistijnen. En ik zag u -op den tweesprong, waar de weg zich splitste en de eene weg voerde naar -het Oosten, waar de zon doorbrak en de andere leidde in nacht en -nevelen. En uw aangezicht was gekeerd naar het Oosten, maar de vreemde -legde haar hand op uw hand, en zij legde haar arm om uw schouders en -strengelde hare lokken om uw hals en ik wist, dat zij u wilde -medelokken op den weg, die voerde in de duisternis. En ik hoorde eene -stem, die sprak: Zeg tot den jongeling, die uw ziel liefheeft: Waak en -bid, opdat gij niet in verzoeking komt! Want daar is een zware -beproeving voor hem aanstaande, en de Heere God zal zijne ziele ziften, -als de dorscher de tarwe zift!—En de stem zweeg en het gezicht -werd van mij weggenomen. En ik zeg u, jonker, hoed u, want op den weg, -dien gij gaan wilt, wacht u zware beproeving en zondige bekoring, en -zoo <span class="pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278" name= -"pb278">278</a>]</span>uw ziel bezwijkt, uw deel zal zijn met de -afvalligen en gij zult een verworpene zijn voor het aangezicht des -Heeren!”</p> -<p class="par">Niet zonder ontroering hadden Jacob en de Welle naar de -woorden van den bleeken man geluisterd. Jan Machielsz was, terwijl hij -sprak, opgestaan van zijn zitbank; zijn onaanzienlijke gestalte scheen -te wassen en met opgeheven hand en vlammende oogen slingerde hij als -’t ware Jacob zijne bedreiging in ’t aangezicht. Daar kwam -nog bij, dat de Geuzen, mannen van een licht bewogen ras, veel waarde -hechtten aan de visioenen en de profetische woorden van hun prediker in -de woestijn, van wien allen wisten, dat hij veel had geleden om des -Evangelies wil, en zij beiden maakten daarop geen uitzondering. De drie -mannen zwegen eenige oogenblikken.</p> -<p class="par">—„Als het gezicht, dat gij gezien hebt, van -God is, Jan Machielsz,” zeide Jacob eindelijk, „dan mag het -mij een waarschuwing zijn op mijn weg! Maar gij hebt <i>niet</i> -gezien, dat ik mij liet afleiden en verlokken, en gij moogt mij niet -van ontrouw en verraad beschuldigen zonder reden. Ik moet thans gaan, -waar mijn hart mij roept, en de Welle wil meegaan, omdat hij mijn -vriend is. Als wij kunnen, zullen wij binnen tien dagen tot u en onze -mannen terugkeeren, ofschoon God weet, wat het einde van dit alles moet -zijn. Misschien keeren wij niet terug. Dan zijn wij gevangen genomen of -gevallen. Maar ontrouw worden aan de goede zaak zullen wij -niet.”</p> -<p class="par">De predikant staarde hem strak aan. Toen ontspanden zijn -harde trekken zich, en zijn stem klonk zachter.</p> -<p class="par">—„Ik geloof u, jonker Martens,” zei -hij langzaam. „Ge zijt als Nathanaël, een Israëliet -zonder bedrog. Zoo ga dan, als gij meent, dat de Heere u den weg zal -banen. Gij zult komen in groot gevaar naar het vleesch en in groote -bekoring,—maar ik zal voor u bidden, dat de Heere met u zij en -uwe ziel beware! <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" -name="pb279">279</a>]</span>En nu, spreekt, gij beiden, mannen -broeders, wat wilt gij van mij?”</p> -<p class="par">Het onderhoud duurde thans maar kort. Wanneer Jan -Machielsz niet door een van zijn vlagen van sombere dweperij was -aangetast, dan toonde hij zich een man van een helder verstand en een -kloek leider en aanvoerder. Hij zou gedurende de afwezigheid van Jacob -en de Welle de leiding van de ballingen op zich nemen en hen, zoo -mogelijk, terug houden van gewaagde strooptochten. Hij zou goed wacht -laten houden en, werden de Geuzen door de troepen van Noircarmes -aangevallen, dan zouden zij terugtrekken en zich verspreiden in het -woeste en uitgestrekte duin. En van hun plannen zou hij tegen niemand -een woord reppen.</p> -<p class="par">Toen deed hij een kort gebed en met een handdruk namen -de mannen afscheid van elkander.</p> -<p class="par">Voor het aanbreken van den dag begaven Jacob Martens en -de Welle zich op weg. Zij waren gekleed als gewone Vlaamsche boeren, in -wijde linnen kielen, met kappen, die bij ongunstig weer tot hoofddeksel -dienen moesten. Om geen argwaan te wekken, droegen zij geen zichtbare -wapenen, dan stevige stokken, met ijzeren punten, zooals de veedrijvers -ze wel gebruikten. Onder hun kiel droegen beiden echter een lang, -scherp mes in lederen scheede, een zoogenaamden „opsteker”: -een gevaarlijk wapen in de hand van een krachtig en moedig man, en -daarbij nog een geladen pistool.</p> -<p class="par">Zij verlieten het kamp, zonder door iemand te worden -opgemerkt, langs de hun welbekende duinpaden, en richtten zich dadelijk -noordwaarts. Zoolang zij in de streek bleven, die door de Boschgeuzen -onveilig werd gemaakt, hadden zij geen gevaar te vreezen. Kwamen zij -echter noordelijker, dan konden zij, licht op een patrouille krijgsvolk -stuiten, want zij wisten, dat de stadhouders der verschillende gewesten -begonnen waren kleine afdeelingen soldaten uit te zenden, om jacht te -maken op de rondzwervende Geuzen, vluchtelingen van Austruweel en -Watrelos. Zij zouden zich in een dergelijk <span class= -"pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280" name= -"pb280">280</a>]</span>geval uitgeven voor veekoopers, die op weg waren -naar de veemarkt te Antwerpen. Maar als men hen niet geloofde, als men -hen aanhield en hen naar Gent of Antwerpen voerde, dan zouden zij -spoedig herkend worden en hun lot zou weldra beslist zijn: voor Jacob -Martens het zwaard; voor zijn metgezel de strop.</p> -<p class="par">Zij hielden daarom zooveel mogelijk den boschrijken -duinrand, waar zoo vroeg in den ochtend slechts een enkele strooper -rondzwierf en waar men, in geval van nood, spoedig een schuilplaats kon -zoeken. ’t Was een mooie herfstmorgen; de grijsblauwe nevels -hingen over de bosschen en duinweiden en over de akkers in de verte. -Merels en lijsters scharrelden in het kreupelhout en soms vloog een -Vlaamsche gaai krijschend op, even met azuurblauwen wiekslag -heenwippend over de donkere eikestruiken. Maar de koning van het -landschap was de vink. Van alle kanten klonk de forsche slag van den -vroolijken vogel, en toen de zon opging, zag men overal zijn fraai rood -borstschild als warme tint tusschen het gelend beukeblad. Groote -zwermen trekvinken trokken luid roepend over hen heen. Vlugge -konijntjes wipten over het pad. De geheele duinstreek was vol leven en -beweging.</p> -<p class="par">Ondanks de omstandigheden, waarin hij verkeerde, en de -gevaren, die hem bedreigden, genoot Jacob Martens van den schoonen -morgen en hij kon zelfs soms voor een oogenblik alle bezwaren vergeten. -Anders was het met de Welle. Zijne kleine, blauwe oogen spiedden overal -rond, en peilden elk boschje, dat zij langs trokken. Van tijd tot tijd -beklom hij een duintop en spiedde naar alle kanten. Nadat hij dit een -paar malen herhaald had, keerde hij met een verdrietig gezicht naar -Jacob terug.</p> -<p class="par">—„Wij worden gevolgd, jonker!” zei -hij. „Wij zijn niet alleen in ’t duin!”</p> -<p class="par">—„Gevolgd? Wie zou ons volgen?” -vraagde Jacob. „Niemand wist immers van onze plannen dan Jan -Machielsz. En die is trouw!” <span class="pagenum">[<a id="pb281" -href="#pb281" name="pb281">281</a>]</span></p> -<p class="par">—„Ik hoop het. Maar wij worden gevolgd, door -vriend of vijand. Ik heb het al lang gedacht. En zoo meteen zal ik het -u bewijzen.”</p> -<p class="par">Het pad slingerde langs een begroeide duinhelling naar -boven en leidde over een heuvelkling, van waar men een gedeelte van den -afgelegden weg kon overzien. De Welle liep rustig door, tot hij en zijn -metgezel achter het duin verdwenen waren. Toen bleef hij staan.</p> -<p class="par">—„Kruip nu naar dien berkestruik, -jonker,” zei hij, „en kijk langs den stronk. Hij moet niet -vermoeden, dat wij hem in de gaten hebben, anders blijft hij -staan.”</p> -<p class="par">Jacob deed, wat hem gezegd werd, maar hij zag niets. -Rustig en kalm lag het duinlandschap in de stralen der morgenzon.</p> -<p class="par">—„Kijk nu naar dat boschje -eikenhakhout,” zei de Welle. „Ziet ge wel, hoe die vogels -telkens opvliegen en weer neerstrijken?”</p> -<p class="par">—„De trekvinken vliegen overal!” zei -Jacob ongeloovig.</p> -<p class="par">—„Ja, maar deze vluchten vliegen naar -’t noorden, evenals de vogels, die wij zelf opschrikken, kijk -hier!”</p> -<p class="par">Een groote vogel was opgevlogen, en streek laag bij den -grond, met een glijdende, geruischlooze vlucht over hen heen.</p> -<p class="par">—„Een uil!” zei de Welle. „Als -hij niet was opgejaagd, zou hij in zijn boomtronk zijn blijven zitten. -Ik zeg u, wij worden gevolgd, jonker, en ’t is de vraag door -wien. Is ’t een vriend, dan moeten wij hem duidelijk maken, dat -wij zijn gezelschap ditmaal niet van doen hebben. Is ’t een -vijand,—dan kunnen wij de kans niet loopen, ons leven op ’t -schavot te verliezen voor een papistischen spion.”</p> -<p class="par">En met een harden trek om den mond tastte de koddebeier -naar het heft van zijn opsteker onder zijn kiel.</p> -<p class="par">Met vorschende blikken nam hij het landschap op. -<span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name= -"pb282">282</a>]</span></p> -<p class="par">—„Een kwartier verder komen wij aan een -breede duinpan,” zei hij. „Ik had er eerst om heen willen -trekken, want wij behoeven niet meer gezien te worden dan noodig is. -Maar wij moeten weten, wie die compaan is. Niet omzien, jonker! Wij -moeten den indruk maken van twee onbezorgde reizigers. Dan volgt hij -ons misschien en dan kunnen wij hem zien.”</p> -<p class="par">De witte zandvlakte was weldra bereikt en overgestoken. -Rustig beklommen zij de tegenover liggende duinhelling en verdwenen -achter den rand. Toen wierpen de beide mannen zich voorover en, loerend -door de dichte helm, wachtten zij op de dingen, die komen zouden.</p> -<p class="par">Zij behoefden niet lang te wachten. Op den duinrand -tegenover hen verscheen een donker voorwerp, een hoofd, dat rondspiedde -en de geheele omgeving nauwkeurig opnam. Na eenige oogenblikken -verdween het weder en een man verscheen op het duin. Hij keek nog even -onderzoekend rond en daalde toen langzaam de helling af. De stalen boog -van een armborst, dien hij op den schouder droeg, flikkerde in de -morgenzon.</p> -<p class="par">—„’t Is Daniël!” riep Jacob -verrast. „Wat wil hij van ons?”</p> -<p class="par">Hij sprong op en wenkte den man vriendschappelijk toe, -want hij dacht niet anders, of Jan Machielsz had hem om dringende -redenen hun achterna gezonden. Maar de strooper beantwoordde zijn groet -niet. Hij bleef staan, aarzelde nog een oogenblik, keerde zich toen -haastig om en verdween achter het duin.</p> -<p class="par">—„Dat hadt ge niet moeten doen, -jonker,” zei de Welle. „De jongen is in den laatsten tijd -al schuwer en vreemder geworden. Wie weet, wat er in zijn kranke -hersens omgaat en waarom hij ons volgt. Als wij hem hier hadden -afgewacht, hadden wij met hem kunnen spreken en hem misschien kunnen -bewegen, rustig naar ’t kamp terug te keeren. Nu is hij -gewaarschuwd en wij zullen hem niet terugvinden. En wie zal zeggen, wat -hij in ’t schild voert?” <span class="pagenum">[<a id= -"pb283" href="#pb283" name="pb283">283</a>]</span></p> -<p class="par">En inderdaad had de oude boschwachter goed gezien. -Hoewel zij terstond op hunne schreden terugkeerden en zelfs een hoogen -duintop beklommen, was er van den strooper niets meer te ontdekken.</p> -<p class="par">—„We kunnen ons niet langer ophouden,” -zeide de Welle. „Misschien keert hij uit zichzelf wel terug. Wij -zijn nog lang niet aan Sint Marie ter Duin, en dan duurt ’t nog -wel een paar uur, voor wij aan dien landweg naar Gentbrugge zijn, -waarover ik met den jonker gesproken heb.”</p> -<p class="par">Sint Marie ter Duin was de naam van een duindorp, dat in -de geheele streek een zekere vermaardheid genoot. Te midden der -waterlooze zandwoestijn van de Nieuwpoortsche duinen, was daar een zeer -diepe, gemetselde put, die ook in de heetste zomers niet opdroogde, -maar altijd in zijn donkere diepte heerlijk koel water bevatte. De put -lag in een eikenboschje, aan den voet van ’t hooge duin. Vlak er -bij bevond zich, geklemd tusschen twee oude boomen, een steenen nis, en -daarin stond een oud verweerd beeld, dat volgens de bewoners van de -duinstreek, de maagd Maria voorstelde. Wel had eens,—naar -’t gerucht vermeldde—een verwaand retrosijn, die de streek -bezocht, beweerd, dat het beeld uit overoude tijden dagteekende, toen -niemand in Vlaanderen nog van de maagd Maria en Jezus Christus, haren -Zoon, had gehoord, dat daar aan den duinvoet een Romeinsche villa had -gelegen, en dat het verweerde beeld het afbeeldsel was van een -heidensche duivelinne, een bronnimf of najade, maar aan zulke -kettersche beweringen stoorde zich niemand. Was men niet, sinds -menschenheugenis, tweemaal ’s jaars, in de lente en in den -herfst, in plechtige processie naar ’t oude kapelleke getogen, om -de Heilige Maagd te bidden, het schoone, koele water, een zegen voor de -streek, niet weg te nemen, maar altijd even rijkelijk te laten vloeien? -Wat ongodisterij en verwaande betweterij was het dan, om te beweren, -dat het oude beeld in het verweerde, <span class="pagenum">[<a id= -"pb284" href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span>steenen kapelleke van -heidenschen oorsprong zou zijn.</p> -<p class="par">Toch, een duister besef, dat ’t oude beeld in het -boschje bij den welput een andere Moeder Gods was, dan de talrijke -beelden, die men in de kerken en kapellen in den omtrek vereerde, -leefde er wel in het volk. Terwijl men over ’t algemeen -vertrouwelijk omging met het heilige en zich in de bont versierde -dorpskerken en kapellen thuis gevoelde, had men voor de eenzame -duinkapel een zekere bijgeloovige vrees. Niemand, die des avonds laat -gaarne het eikenboschje zou bezoeken. Onze Lieve Vrouw in ’t duin -hield van de eenzaamheid. En zonderling, de beeldstorm had het oude -beeld gespaard en de Boschgeuzen, die geen Roomsch heiligdom ontzagen, -hadden het tot nog toe evenzeer met rust gelaten.</p> -<p class="par">Het duinpad, dat Jacob Martens en de Welle volgden, -voerde langs het eikenboschje bij den welput. Zij wilden er rusten en -zich verfrisschen met het koele water, voor zij hun tocht voortzetten. -De putboom met den ijzeren ketting en den emmer hing er, voor ieder, -die putten wilde.</p> -<p class="par">Reeds zagen zij bij een wending van het pad het donkere -loof van de lage knoestige eiken vlak voor zich, toen hun oor werd -getroffen door het geluid van schrille, zingende kinderstemmen. Van den -kant van het duindorp, waarvan men den toren in de verte boven het -geboomte uit zag steken, naderde een bonte stoet. Voorop ging een -vaandeldrager, die een hoog gekleurde banier statig voor zich uit -droeg, zeker het vendel van het schuttersgild, waarvan de leden, met -handboog en pijlkoker, hem op den voet volgden. Dan kwam een priester -in misgewaad, vergezeld van twee koorknapen met rookende wierookvaten. -Vier andere koorknapen droegen onder een baldakijn een houten beeld, -een Moeder Gods met het kind Jezus in de armen. Daarachter volgden een -aantal zingende kinderen en jonge meisjes, die met schelle, hooge -stemmen een loflied aanhieven ter eere van de Heilige Maagd, -<span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285" name= -"pb285">285</a>]</span>en de stoet werd besloten door vier ruiters, -krijgslieden in volle wapenrusting, wier stormkappen en kurassen -flikkerden in de stralen der ochtendzon.</p> -<p class="par">’t Was de jaarlijksche processie. Het Mariabeeld -uit de dorpskerk bracht Sinte Marie ter Duin een bezoek. Zoo beschouwde -het ’t naïeve volksgeloof en men hield het eeuwenoude -gebruik in eere.</p> -<p class="par">Met grimmige blikken zagen de beide Geuzen den stoet -naderen. Voor hen was wat zij daar zagen, verfoeilijke afgoderij!</p> -<p class="par">—„Die ruiters zijn knechten van Noircarmes, -die meerijden om de processie te beschermen,” zeide Jacob.</p> -<p class="par">—„Of ’t is hun om een potteke -Leuvensch bier te doen, dat de paap na afloop wel ten beste zal -geven,” bromde de Welle. „Maar wat is dat?”</p> -<p class="par">Op ’t gele zandpad, dat naar den put leidde, een -vijftigtal passen vóór den stoet, was plotseling een man -verschenen, die de processie den weg scheen te willen versperren. Hij -had een stalen kruisboog in de hand.</p> -<p class="par">—„Daniël!” riep Jacob met -gesmoorde stem. „Wat wil hij hier?”</p> -<p class="par">’t Zou spoedig blijken. Met een ruk bracht de -waanzinnige den armborst aan den schouder. De stalen boog klonk en -dwars door het voorhoofd geschoten, zonk de priester in het duinzand -neer. Met een woesten schreeuw zijn wapen zwaaiend, rende de Geus het -pad op naar de kapel. Er volgde een tooneel van wilde verwarring. De -verschrikte kinderen vluchtten gillend naar het dorp. De ruiters zetten -hun paarden aan en reden, door de dapperste schutters gevolgd en -voorafgegaan, den moordenaar achterna, terwijl anderen, met de -koorknapen, zich met den stervenden priester bezig hielden.</p> -<p class="par">—„’t Duin in, jonker!” siste de -Welle. „Zij komen dezen kant niet uit en zij zoeken Daniël. -Wij kunnen hem niet helpen. Maar die knechten zullen den geheelen -omtrek afzoeken, ’t zij ze hem vangen of niet.”</p> -<p class="par">Zij verlieten het pad en trokken snel het duin dieper -<span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name= -"pb286">286</a>]</span>in, terwijl zij zorgvuldig vermeden zich op een -top of kam te vertoonen. Achter hen klonk het geschreeuw van de -vervolgers van Daniël, dat echter flauwer en flauwer werd en zich -weldra in het duin verloor.</p> -<p class="par">—„Zou hij ’t ontkomen?” vroeg -Jacob.</p> -<p class="par">—„Als hij goed bij zijn verstand was, -misschien! Maar hij is gek en hij zal willen vechten! Dan hebben zij -hem gauw omsingeld. Hoe ’t zij, helpen kunnen wij hem -niet.”</p> -<p class="par">Ruim een uur trokken zij door ’t woeste duin, voor -zij zich in veiligheid achtten. Toen beklommen zij een hoogen top en -tuurden en luisterden naar alle kanten. ’t Was toch mogelijk, dat -de soldaten en gewapende boeren het duin zouden doorzoeken. Over den -moord op den priester spraken zij niet. Jacob Martens had, sinds hij -zich bij de Boschgeuzen bevond, veel moeten aanzien, wat hij niet kon -verhinderen, al verfoeide hij het als laffe wreedheid. Den moord en de -mishandeling van weerlooze geestelijken had hij nimmer goedgekeurd. -Maar hij wist, dat ’t vruchteloos was, daar met de Welle over te -praten. Deze beschouwde, met Jan Machielsz en al hun makkers, de -Roomsche geestelijken als Baälpriesters, die uitgeroeid moesten -worden, waar men ze vond en zij waren onverzettelijk in hun starren -geloofsijver. Hij wist zeer wel, dat de Welle Daniëls daad niet -afkeurde en alleen de roekeloosheid betreurde, die hem waarschijnlijk -in de handen van zijn vijanden had doen vallen.</p> -<hr class="tb"> -<p class="par"></p> -<p class="par">Tegen het vallen van den nacht slopen de beide Geuzen -naar het boschje, waarin de oude put en het kapelletje van St. Marie -ter Duin verborgen lagen. Ze hadden den geheelen dag in de duinen -doorgebracht. Zonder moeite zouden zij hun tocht met een omweg hebben -kunnen voortzetten, maar zij wilden de plaats niet verlaten, zonder te -onderzoeken, wat er van hun krijgsmakker geworden was. De vervolging -was ras geëindigd en dat deed hun vermoeden, dat Daniël al -<span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name= -"pb287">287</a>]</span>spoedig in de handen zijner vijanden was -gevallen. Was hij ontkomen, dan zouden zeker gewapende benden het duin -hebben doorkruist, om den vermetelen heiligschenner en moordenaar te -zoeken, maar zij hadden niets verdachts bespeurd. Waarschijnlijk was -Daniël dus dood of gevangen.</p> -<p class="par">Zij hadden den top van den hoogen zandheuvel bereikt, -aan den voet waarvan het eikenboschje lag en luisterden in de vallende -duisternis, of eenig gerucht de aanwezigheid van hun vijanden verried. -Het weer was tegen den avond veranderd. De lucht was betrokken en er -woei een gure Noordwestenwind. Van tijd tot tijd brak de maan door de -zware regenwolken, maar in de zwarte massa aan den voet van ’t -duin was niets te onderscheiden.</p> -<p class="par">De uren kropen om. Niet voor de nacht geheel was -gevallen, dorsten de Welle en Jacob Martens het duin afdalen. Zij -wilden eerst het boschje onderzoeken en dan naar het dorp sluipen. -Natuurlijk wist ieder der bewoners, wat er dien dag gebeurd en wat er -van Daniël geworden was. Zij zouden desnoods onder een of ander -voorwendsel aan een der meer afgelegen woningen aankloppen en de -bewoners uithooren.</p> -<p class="par">Het was rustig en stil in het dorp en in de omgeving. -Van <span class="corr" id="xd24e4390" title="Bron: tot">tijd</span> tot -tijd hoorde men het blaffen van een werfhond in de verte, in de -struiken op de duinhelling ratelde een „geitenmelker”, maar -verder hoorden zij niets dan het gieren van den wind over het eenzame -duin.</p> -<p class="par">Eindelijk was het donker genoeg. Als de maan schuil -ging, kon men de eiken daar beneden niet onderscheiden. De twee mannen -daalden voorzichtig het duin af. Bij het boschje gekomen, luisterden -zij nogmaals, maar zij hoorden niets, dan de wind in het eikenloof en -het knarsend piepen van den putboom.</p> -<p class="par">Zij overtuigden zich, dat hunne kruismessen los en -gemakkelijk in de scheede staken en drongen toen voorzichtig het -boschje binnen. ’t Was er stikdonker, maar <span class= -"pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name="pb288">288</a>]</span>als -straks de maan even doorbrak, zou men op de open plek bij den put en -het kapelletje althans iets kunnen onderscheiden en als het boschje, -zooals zij hoopten, niet bewaakt werd, zouden zij althans hun -brandenden dorst kunnen lesschen.</p> -<p class="par">Voorzichtig slopen zij door het hout, zich telkens -bukkende, om de laag neerhangende takken te ontwijken, met de handen -tastende in de dichte duisternis. Plotseling uitte Jacob een gesmoorden -kreet. Hij had de open plek bereikt en tastte naar den putrand, want -hij hoorde het knarsen van den putboom in zijn onmiddellijke nabijheid, -maar zijn uitgestoken handen ontmoetten iets zachts, iets, dat voor hem -week, dat meegaf...</p> -<p class="par">—„De Welle, wat is dat?” fluisterde -hij heesch.</p> -<p class="par">In een oogenblik was de oude boschwachter bij hem.</p> -<p class="par">—„Wat, wat is er, jonker?” zei hij -haastig.</p> -<p class="par">Op dit oogenblik verscheen de maan even tusschen de -jagende wolken en de Geuzen zagen nu spoedig genoeg, wat het -geheimzinnige voorwerp was. Aan den putboom bengelde het lijk van den -ongelukkigen Daniël. De knechten van Noircarmes hadden kort recht -gedaan en de putboom, door een houten wig in het spil omhoog gehouden, -had als galg gediend.</p> -<p class="par">Bij het knarsend piepen van het hout zwaaide het lichaam -in den nachtwind heen en weer.</p> -<p class="par">—„Uit den weg, jonker!” zei de Welle -kortaf. Hij rukte de wig uit de opening van het spil en het lijk plofte -op den grond.</p> -<p class="par">Zij sneden den gehangene af. Toen, nadat zij haastig -gedronken hadden van het koele putwater, keerden zij terug. Jacob nam -zijn halsdoek en bedekte het blauwe, vertrokken gezicht van het -slachtoffer.</p> -<p class="par">Eenige oogenblikken stonden de beide mannen -besluiteloos. Toen, alsof zij elkander zonder woorden begrepen, namen -zij het lijk op en droegen het een eind verder, naar den voet van het -duin, waar zij het met het mulle zand bedekten. Zij hadden noch den -tijd, <span class="pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name= -"pb289">289</a>]</span>noch het noodige gereedschap om hun krijgsmakker -te begraven.</p> -<p class="par">—„Hij heeft Mieke op de papen -gewroken,” mompelde de Welle. „Hij was een losbol en na -Mieke’s dood was zijn verstand gekrenkt. Toch, wie weet... -misschien zal God zijn ziel genadig zijn!”</p> -<p class="par">—„Amen!” zei Jacob. Hij dacht aan dien -nacht op den weg naar Poperingen; hij zag het bleeke, angstige gezicht -van Mieke, in het roode schijnsel van den brandenden houtstapel en de -verwrongen trekken van Daniël, toen hij den armborst -aanlegde—en hij vergaf den armen verdwaasde zijn woeste -wreedheid, zijn woede tegen onschuldige geestelijken, bij de gedachte -aan dat vreeselijke oogenblik.</p> -<p class="par">Toen trokken de beide mannen Noordwaarts, want de streek -was voor hen onveilig en de morgen moest hen ver vinden van die -noodlottige plek, het kapelleke van Sinte Marie ter Duin. <span class= -"pagenum">[<a id="pb290" href="#pb290" name="pb290">290</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XV.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Op een neveligen herfstmorgen, acht dagen later, -gingen de deuren van de oude Halpoort te Brussel knarsend open.</p> -<p class="par">Een aantal karren had al op het openen der poort staan -wachten, met talrijke voetgangers, boeren en boerinnen uit den omtrek, -met pakken en manden beladen, want het was Dinsdagmarkt heden en zoo de -komst van Alva en zijne troepen ook schrik en ontzetting bracht in de -erflanden van Philips, te Brussel bracht zij nering en vertier, want er -was veel noodig voor den hertog en zijn gevolg, voor het sterke -garnizoen van Brussel en voor de edelen, die de partij van den Koning -waren trouw gebleven of die, na de zegepraal der Regeering, nog -bijtijds hunne onderwerping hadden aangeboden en die nu naar de hofstad -waren getogen, om er de feesten bij te wonen, die Alva gaf om den adel -om zich te vereenigen en nauwer aan zich te binden.</p> -<p class="par">En de boeren uit den omtrek voeren er wel bij, want de -waren, die zij ter markt brachten, werden gretig gekocht en goed -betaald en de marktdagen te Brussel waren levendig en druk.</p> -<p class="par">Toen nu, in de grauwe ochtendschemering, de zware -poortdeuren langzaam opengingen, klonken de luide stemmen der -voerlieden, die hunne zware, sterke paarden aanzetten, met het geklets -hunner lange zweepen, en de rij witgehuifde karren verdween langzaam in -de donkere poortopening, met de voetgangers, die naast en tusschen de -wagens doordrongen, om het <span class="pagenum">[<a id="pb291" href= -"#pb291" name="pb291">291</a>]</span>eerst ter markt te zijn en een -goede plaats te verkrijgen. Achter de karren kwamen kudden runderen en -schapen, die door hun geleiders langzaam werden voortgedreven. Met -onverschillige blikken stonden de beide Spaansche soldaten, die de -wacht hadden aan de poort, het schouwspel aan te zien, dat zich elke -week herhaalde, en niemand lette op twee mannen, een ouderen en een -jonkman, die, onder de andere veedrijvers gemengd, ijverig hun -zweepsnoer lieten knallen om de loome koebeesten door de poortengte te -drijven.</p> -<p class="par">Na weinige minuten hadden Jacob en de Welle het doel van -hun tocht bereikt. Zij waren in Brussel!</p> -<p class="par">Na het noodlottig avontuur te St. Marie ter Duin was hun -tocht tot nog toe zonder bijzondere lotgevallen verloopen. Ze hadden -Gentbrugge bereikt en hadden een veilig verblijf gevonden bij een van -de vele Gereformeerden, die zich, vooral op het platteland, schuil -hielden en minder de aandacht trokken, dan hunne geloofsbroeders in de -Vlaamsche en Brabantsche steden. Ze hadden er de bijzonderheden gehoord -van de verwoesting der pas gestichte kerk te Gent, die den 9en April -van dat benauwde jaar 1567 door een compagnie Roomsche burgers, onder -bevel van kapitein Bousse, was vernield en afgebroken, van Artus -Bousse, die zelf aan den beeldenstorm had deelgenomen, en die nu tegen -zijn vroegere geloofsgenooten woedde, om zijn euveldaden te doen -vergeten.<a class="noteref" id="xd24e4447src" href="#xd24e4447" name= -"xd24e4447src">1</a></p> -<p class="par">Zij hadden gehoord, hoe geheel Vlaanderen verslagen was -over de gevangenneming van Egmond en Bakkerzeele, op wie men, -niettegenstaande hunne gestrengheid tegen de beeldstormers, toch nog -min of meer had gerekend; hoe alle verzet tegen de Regeering voorgoed -gebroken scheen door den ijzeren Spaanschen hertog, en hoe men slechts -fluisterend elkander moed insprak, als men elkander de geruchten -vertelde, dat de Prins van Oranje troepen wierf om de verdrukte -<span class="pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292" name= -"pb292">292</a>]</span>landen te verlossen, dat de predikanten in -’t geheim gelden inzamelden, om hem te steunen, en dat men hoopte -op hulp van de Huguenoten, de broeders in Frankrijk.</p> -<p class="par">Zoo hoopte men op hulp van buiten. Maar binnen de -grenzen waren ’t alleen de gewapende benden in ’t Zuiden, -de Boschgeuzen, die zich nog tegen den overweldiger verzetten.</p> -<p class="par">Zij waren niet lang te Gentbrugge gebleven. Zij mochten -hunne geloofsgenooten niet blootstellen aan het gevaar, dat hun boven -het hoofd hing, als men ontdekte, dat zij twee ballingen -herbergden.</p> -<p class="par">Zij waren de stad omgetrokken, want te Gent durfden zij -zich niet vertoonen. Toen begaven zij zich, langs weinig bezochte -landwegen, die de Welle koos, langs Aalst naar Brussel. In de bosschen -aan de Zuidzijde der stad hadden zij zich eenige dagen schuil gehouden -in een verlaten en vervallen hut in het hout, om het terrein te -verkennen en een plan te maken. ’t Was Jacob, die den voorslag -deed, zich op een marktdag als veedrijvers aan een boer te verhuren en -met het andere marktvolk de stad binnen te trekken. Eene vermomming -hadden zij niet noodig. Hunne kleeding was die der Vlaamsche en -Brabantsche boeren. Waren zij eenmaal binnen de stad, dan moesten zij -op hun geluk vertrouwen en hopen, dat zij niet herkend werden door een -der spionnen der Regeering. En de kans daarop was niet gering. Zij -hadden beiden een rol gespeeld in de gebeurtenissen van 1566 en -duizenden hadden hen bij het Geuzenleger gezien. Werden zij ontdekt, -dan zou niets hen kunnen redden. Tevergeefs trachtte Jacob Martens de -Welle te bewegen, hem thans te verlaten en naar de legerplaats der -Geuzen terug te keeren. De oude boschwachter weigerde halsstarrig, zich -van zijn jonker te scheiden.</p> -<p class="par">Te Brussel hoopten zij hulp te vinden bij een der -geloofsgenooten, wier namen en woonplaatsen hun door de broeders te -Gentbrugge waren toevertrouwd. <span class="pagenum">[<a id="pb293" -href="#pb293" name="pb293">293</a>]</span>Want ook te Brussel, -Alva’s hoofdkwartier, hielden zich nog Geuzen verborgen. Ging -niet onder de Gereformeerden in Vlaanderen en Brabant het verhaal, dat -de eerwaarde Franciscus Junius het Woord Gods had gepredikt op de -markt, terwijl door de vensters der kamer, waar de geloovigen bijeen -waren, de vlammen van den mutsaard te zien waren, waarop een hunner -broeders den marteldood stierf?</p> -<p class="par">Toen het plan eenmaal was ontworpen, was het zaak, het -zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen. Elken Dinsdag werden -kudden runderen en schapen naar de stad gedreven en het kostte de beide -mannen niet veel moeite, een veekooper te bewegen, hen voor een paar -stuivers als drijvers aan te nemen. Ze kozen een handelaar uit Artois, -die er licht niet zoo spoedig toe komen zou, onbescheiden vragen te -doen als een Vlaming of een Brabander.</p> -<p class="par">Nu waren ze in de nauwe straten en, om argwaan te -voorkomen, moesten ze het vee van den man, die hen gehuurd had, naar de -markt helpen drijven en met hem afrekenen. Toen zij hun loon ontvangen -hadden, slenterden zij schijnbaar onverschillig door het drukke -marktgewoel, terwijl zij zich, waar over een koop werd onderhandeld, -als belangstellende toeschouwers onder de menigte mengden. Koop en -verkoop, en al het gewone marktgedoe gingen hun gang. Toch was er op de -groote Markt een gedrukte stemming onder het volk. De gebeurtenissen -der laatste weken hadden een diepen indruk gemaakt en men vraagde zich -angstig af wat er verder gebeuren zou.</p> -<p class="par">Men had de beide Geuzen gewaarschuwd voor de spionnen -der Regeering, de „sevenstuyverlieden” of verklikkers, die -zich overal bevonden, waar veel menschen bijeen waren, en de gesprekken -afluisterden, om hen, die uiting gaven aan oproerige gevoelens of hun -ontevredenheid te kennen gaven over het Spaansche bewind, aan te -klagen. Maar zij bespeurden niets verdachts. Niemand lette op hen en -langzamerhand onttrokken <span class="pagenum">[<a id="pb294" href= -"#pb294" name="pb294">294</a>]</span>zij zich aan de marktdrukte, om in -een kleine herberg een kroes Leuvensch bier te drinken en het brood en -het spek te eten, dat de kloeke bazinne hun voorzette. Zij moesten -wachten tot den noen, vóór zij met de uitvoering van hun -plannen konden beginnen.</p> -<p class="par">Tegen het middaguur daalden zij de steile straten af, -die naar de bovenstad voerden, om zich naar de benedenstad te begeven, -waar de man woonde, dien zij zochten, en voor wien de Eerwaarde -Carpentier, een der predikanten van de Gereformeerden te Gent, die zich -te Gentbrugge schuil hield, hun een brief had meegegeven.</p> -<p class="par">Vreemd zag de eerzame brouwersknecht Tiest Stoffelsz op, -toen hij bij zijn noenmaal van krachtige biersoep, plotseling werd -gestoord door twee mannen, die zijn woning binnentraden en hem -verlangden te spreken. Niet weinig verschrikt was hij, toen de vreemde -bezoekers hem hun geuzenpenningen toonden, hem aanspraken als een -broeder in den geloove en zeer wel bleken te weten, dat hij meer dan -eens „ter groene preeke” geweest was.</p> -<p class="par">Nu was Tiest Stoffelsz in zijn hart de „nye -leere” oprecht toegedaan en hij had ter preeke woorden gehoord, -die hij nimmer zou vergeten, maar hij had weinig aanleg voor het -martelaarschap. Hij en zijn huisvrouw hadden het beeldeke der Heilige -Maagd met het kindeke Jezus niet uit hun huisje verwijderd. ’t -Was immers zoo’n schoon beeldeke en het deed niemand kwaad! En -sinds men zeide, dat de Geuzen moesten onderleggen, waren zij al eens -ter misse gegaan, om hunnen pastoor almee te vriend te houden.</p> -<p class="par">En nu—dit bezoek! De goede Baptist en zijne -Katelijne keken elkaar met bleeke gezichten en verschrikte oogen aan. -Ze kenden de plakkaten. Was het niet op lijfstraf verboden, de -ballingen te huisvesten en te herbergen? Tiest zag in zijn verbeelding -al den nieuwen galgeput buiten de poort en zichzelf als hoofdpersoon, -in een sombere processie, met Meester Jacob <span class= -"pagenum">[<a id="pb295" href="#pb295" name= -"pb295">295</a>]</span>Spelle, de Roode roe, voorop, en met Meester -Harmen, den beul van Brussel, en zijn knechts als geleide, op zijn -laatsten tocht.</p> -<p class="par">Maar die mannen brachten een brief van den Eerwaarden -Carpentier en Tiest Stoffelsz dacht terug aan wat er gebeurd was, nu -twee jaren geleden. Toen was hij zwaar ziek geweest, zoo ziek, dat de -barbier-heelmeester hem al had opgegeven en de buurwijven er bij -Katelijne op aandrongen om toch den pastoor te laten halen en haar man -niet zonder biecht en heilig sacrament de eeuwigheid in te laten -gaan.</p> -<p class="par">Maar wat Tiest daarbuiten in „de groene -preek” had gehoord, werkte na in zijn ziel, en al was het nog -heel duister en verward, hij wist toch wel, dat hij wat anders noodig -had, dan biecht en sacrament, en hij was onrustig en gejaagd. Toen was, -in de stilte van den nacht, de jonge leeraar tot hem gekomen, die zich -te Brussel verborgen hield, en hij had met Tiest gebeden en met hem -gesproken en het was den zieke toen, voor het eerst, heel duidelijk -geworden: „Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons -van alle zonden!”</p> -<p class="par">Tiest Stoffelsz was weer beter geworden, en—ach, -er was sinds zooveel gebeurd, dat hem het hoofd deed duizelen. Wat hij -dien nacht vernomen, en ja, ook geloofd had, klonk nog na in zijn ziel, -soms wel heel flauw, maar hij had het toch niet vergeten. Maar hij had -al meer dan een van zijn stoutmoedige geloofsgenooten de noodlottige -ladder zien beklimmen, hij had, na de komst van den hertog, op de -Paardenmarkt twee Geuzenpredikanten zien sterven, „<span class= -"corr" id="xd24e4489" title= -"Bron: geëxcuteerd">geëxecuteerd</span> metten viere”, -één met „de groote vlam”, één, -die tot den beeldenstorm had aangezet, „met klein -vuur”—en dat was een vreeselijk schouwspel geweest!</p> -<p class="par">„So wie volherden sal totten eynde, die sal salig -worden!” had een eenvoudig werkman, een wever, de omstanders -toegeroepen, toen hij ter strafplaats ging. Maar het geloof en de moed -van Tiest waren niet groot <span class="pagenum">[<a id="pb296" href= -"#pb296" name="pb296">296</a>]</span>genoeg, om hem te doen -„volherden totten eynde”, en hij wilde zich liever stil -houden en zich doen vergeten.</p> -<p class="par">Toch, al had de voorzichtige Katelijne de beide Geuzen -gaarne terstond de deur gewezen, Tiest kon niet weigeren te luisteren -naar den brief van den predikant, die hem in zijne doodsbenauwdheid had -bijgestaan, en welken de jongste der beide mannen hem -voorlas,—want hij kon niet lezen.</p> -<p class="par">En toen herademde Tiest. Wat die twee mannen van hem -verlangden, was zoo gevaarlijk niet. Hij behoefde geen ballingen te -herbergen. De Gentsche predikant, die Brussel goed kende, had gelijk. -De kelders van de brouwerij, waar hij werkte, kwamen uit in de -Wolkammerstraat, een stille achterstraat. Jawel, daar was een luikdeur, -die toegang gaf tot de kelders, waar de groote vaten bier lagen -opgestapeld. Zeker, die kelderdeur werd weinig gebruikt. Al wat van hem -verlangd werd, was, dien avond den boom weg te nemen, waarmee de luiken -aan den binnenkant werden gesloten. De beide Geuzen hadden geen kwaad -in den zin, dat verzekerden zij plechtig. Noch zijn meester, noch het -gilde zou schade lijden. Zij moesten slechts iemand spreken, in het -belang der goede zaak en hadden een schuilplaats noodig in de -Wolkammerstraat. En al werden zij ontdekt, wie kon aantoonen, dat -Baptist Stoffelsz er de hand in had gehad, om hen daar te -verbergen?</p> -<p class="par">—„En als zij eens werden gevat en ter paleie -geleid?” vraagde de bezorgde Katelijne. De tortuur zou hen wel -doen klappen en dan zouden zij en haar man voor hunne hulp duur moeten -boeten.</p> -<p class="par">Toen was er een harde trek gekomen op het gezicht van -den jongsten Geus.</p> -<p class="par">—„Levend zullen zij ons niet vatten!” -had hij gezegd en de oudere had goedkeurend geknikt.</p> -<p class="par">En met angst in het hart had de arme Tiest beloofd, dat -dien avond de boom van het kelderluik zou zijn. Waren zij eenmaal -binnen, dan moesten zij het luik sluiten en vooral geen gerucht maken. -Vóór de volgende <span class="pagenum">[<a id="pb297" -href="#pb297" name="pb297">297</a>]</span>week zou er geen bier worden -vervoerd. En met die belofte nam hij afscheid van zijn ongenoode -gasten, die daarop bedaard en zonder iemands aandacht te trekken, zijn -huisje verlieten, nadat zij hem beloofd hadden, den Eerwaarden -Carpentier van hem te groeten en den predikant te zeggen, dat Tiest -Stoffelsz, al was dan misschien de schijn tegen hem, een trouw en goed -man was.</p> -<p class="par">En den volgenden morgen, nog voor het aanbreken van den -dag, liepen twee mannen rustig door de eenzame Wolkammerstraat. Ze -droegen de kleeding van den kleinen burgerstand dier dagen. Het konden -werkgasten zijn, die zich reeds vroeg aan den arbeid begaven. Den -vorigen avond hadden Jacob Martens en Pieter de Welle het terrein -verkend. De Wolkammerstraat was een stille en weinig bezochte weg. Aan -de eene zijde vond men de hooge achtergevels van pakhuizen, brouwerijen -en wolkammerijen, langs den anderen kant liep de hooge muur, die den -prachtigen en uitgestrekten tuin naast het paleis van den graaf van -Aremberg van den verkeersweg afsloot. In dien muur was een -achterpoortje, dat blijkbaar weinig gebruikt werd en slechts met een -grendel was gesloten. Dat was de Welle gebleken, toen hij er als bij -toeval een oogenblik tegen had geleund. Niet ver van die achterdeur was -de kelder met het groote luik, die de beide avonturiers tot -schuilplaats zou moeten dienen. Het kwam er nu maar op aan, of Tiest -Stoffelsz woord had gehouden. De mogelijkheid bleef, dat de man het -stuk niet had durven bestaan, of, erger nog, hen aan de Roode Roe en -zijne rakkers had verraden.</p> -<p class="par">Bij het achterpoortje gekomen, haalde de Welle een korte -ijzeren staaf voor den dag, waarvan hij zich den vorigen avond in een -smidswinkel had voorzien. Voorzichtig zagen de beide Geuzen om zich -heen. De straat was eenzaam en verlaten. De vensterluiken der -omliggende gebouwen waren gesloten.</p> -<p class="par">Toen zette de Welle den als een breekijzer afgeslepen -<span class="pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298" name= -"pb298">298</a>]</span>staaf tusschen de reet van de deur en den muur, -op de plaats waar de grendel in de in den steen uitgeholde opening -schoof en duwde met kracht. De grendel boog en bezweek bij een tweeden -duw. De deur kon gemakkelijk worden geopend. Zij stond nu alleen op de -klink.</p> -<p class="par">Toen traden beide mannen naar het kelderluik en -beproefden het op te lichten. Het was los. Tiest had woord gehouden! -Een steenen trap voerde naar beneden. Zij doken in de donkere opening -en schoven den gereed staanden boom voor het luik. Zij waren voor het -oogenblik in veiligheid. Door de met ijzeren tralies voorziene gaten, -die in het hout waren aangebracht, viel een flauw licht. Zij konden -hier rustig wachten, tot het oogenblik was gekomen, waarop Jacob -Martens het gevaarlijk avontuur, waarop hij zijne zinnen had gezet, zou -ondernemen.</p> -<p class="par">’t Werd een mooie Septembermorgen en ’t -beloofde een zomersche dag te worden. Madeleine de Bette was na het -ontbijt den hof in gewandeld om van den schoonen nazomer te genieten en -te werken aan hare tapisserie, een prachtig altaarkleed, bestemd voor -Sinte Gudula, de patronesse van Brussel, want sedert Alva’s komst -wedijverden de vrouwen en dochters der adellijke geslachten, die den -Koning trouw waren gebleven, in het maken van wijgeschenken voor de -kerken der hofstad. En daarbij kwam, dat Madeleine wel gaarne alleen -wilde zijn, want zij had veel om over te denken. In die paar jaren was -zij nog mooier geworden. Het tengere meisje, dat Jacob Martens had -liefgehad, was een fiere, statige schoonheid geworden en sedert -president Martens door zijn waardigheid als lid van den Raad van -Beroerten verplicht was, te Brussel te vertoeven, behoorde Madeleine de -Bette, de rijke erfdochter uit een der edele Vlaamsche geslachten, tot -de meest gevierden van het hof van den landvoogd. Op elk feest was zij -omgeven door een zwerm van jonge Spaansche en Nederlandsche edellieden, -die haar <span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299" name= -"pb299">299</a>]</span>om strijd het hof maakten en heel Brussel -wachtte in spanning op het oogenblik, dat het zou blijken, wie de -gelukkige was, die den door allen begeerden prijs zou veroveren.</p> -<p class="par">Madeleine begaf zich naar een bank onder de neerhangende -takken van een oude linde, waar zij van uit het huis niet kon worden -gezien. Zij begon aan haar naaldwerk en werkte een poos vlijtig door. -Weldra echter liet zij de naald rusten en staarde droomerig naar de -zonnevlekjes op het groen bemoste tuinpad.</p> -<p class="par">Waar zij aan dacht? ’t Waren blijkbaar geen -ernstige of droevige overpeinzingen, waar zij zich mede bezig hield, -want soms speelde een vroolijke glimlach om haar mond. Wat ging het -ijdele en behaagzieke meisje de ellende van haar land aan? De komst der -Spaansche troepen en van den ijzeren hertog hadden haar slechts -voordeel aangebracht. Uit de deftige, maar eenvoudige huizing van haar -pleegouders was zij immers overgeplaatst naar het vroolijke Brussel, -waar zij kon genieten van de bewondering en de hulde, die zij zoozeer -waardeerde. En al die troebelen in den lande, zij brak er zich het -hoofd niet mede. Was niet haar geheele omgeving er ten volle van -overtuigd, dat de oproerige Geuzen, die zich tegen den Koning hadden -durven verzetten, spoedig genoeg zouden worden onderworpen? Daarvoor -was immers de hertog overgekomen met zijne beproefde troepen, die nog -nimmer waren geslagen. Strengheid tegen de ketters, de beeldstormers, -de Geuzen was noodig, natuurlijk, maar spoedig zou de rust zijn -hersteld en dan zou het alles weer worden zooals vroeger.</p> -<p class="par">—Alles? Toch wel niet!—En Madeleine dacht -aan velen, die haar het hof maakten en haar tot hun vrouw wenschten te -maken. Het vroolijke, onbezorgde leven kon niet altijd duren. Ze zou -wel een keuze moeten doen, en dan een goede keuze, die haar een -schitterende positie waarborgde, want zij wilde blijven schitteren in -die vroolijke kringen, die haar zoo aantrokken. <span class= -"pagenum">[<a id="pb300" href="#pb300" name="pb300">300</a>]</span>Aan -geen onbeduidend man zou zij haar hand schenken. ’t Moest iemand -zijn, die een toekomst had, een groote toekomst, die zij met hem kon -deelen.</p> -<p class="par">Thierry de St. Foy maakte haar ijverig het hof. Hij was -nu luitenant bij de Walen van Noircarmes. Hij was niet rijk, maar hij -werd beschermd door de Croy’s en de hertog van Aerschot was thans -een man van beteekenis, die veel invloed had. Ieder meende, dat Thierry -het vèr zou brengen en hij was een schoon en bevallig cavalier, -met wien men voor den dag kon komen.</p> -<p class="par">—Jacob Martens? Ach, dat was kinderspel geweest. -Jacques was immers nu een balling, een verworpene, een oproerling tegen -zijn wettigen landsheer, en daarbij een snoode ketter, wiens naam, -volgens den wil zijner moeder, de strenge Vrouwe Martens, in haar huis -niet meer mocht worden genoemd.</p> -<p class="par">En toch was ’t jammer! Jacques was toch wel een -goede, edele jongen en hij had haar wel innig liefgehad! Het waren toch -wel goede en mooie uren geweest, daarginds, in den hof van het oude -huis te Gent.</p> -<p class="par">—Maar als hij haar werkelijk lief had gehad, dan -zou hij haar niet hebben opgegeven voor zijn kettersche dolingen en -zijn oproerige vrienden. Waarom had hij zich zelf door zijn dwaasheid -in het ongeluk gestort voor tijd en eeuwigheid? Haar biechtvader had -het haar verzekerd. Hem wachtte het schavot, als hij ooit gegrepen -werd, en dan de pijnen der hel, en wanneer zij nog met liefde en -gehechtheid aan den ellendigen ketter dacht, dan verkeerde zij in staat -van doodzonde. En zij kon dan toch niet de verloofde zijn van een -zwervenden balling. Misschien leefde hij niet eens meer....</p> -<p class="par">Het ritselde in de heesters achter de oude linde. -Madeleine merkte het niet op.</p> -<p class="par">—Zou zij een van de Spaansche officieren nemen? -Don Juan di Garcia was zeker een bevallig caballero, veel aardiger in -den omgang dan de statige don Rodrigo <span class="pagenum">[<a id= -"pb301" href="#pb301" name="pb301">301</a>]</span>d’Avila, die -zeker al veertig jaar was. Maar don Rodrigo bekleedde reeds een hoogen -post en hij was van ouden adel en verwant aan de beste Spaansche -geslachten. Als zijn vrouw zou zij dadelijk de positie innemen, -waarnaar haar hart verlangde. En de eerbiedige hoffelijkheid, waarmede -haar Spaansche vereerders haar naderden, streelde haar. Maar dan later -naar Spanje te moeten gaan? Er werd onder den Nederlandschen adel aan -het Brusselsche hof zooveel gesproken over de stijve, Spaansche zeden, -over den dwang, waaronder de Spaansche vrouwen leefden. Neen, dat was -geen toekomst voor haar...</p> -<p class="par">—En lief had zij hen niet! Geen van allen! Thierry -beviel haar nog het best, maar toch—wat zij voor Jacques gevoeld -had, was toch heel wat anders! Maar ach, dat was misschien maar -kinderachtige dwaasheid, een droom van haar meisjesjaren...</p> -<p class="par">—Als iemand haar toch een raad kon geven! Zij wist -zelve niet, wat zij wilde!</p> -<p class="par">Weer ritselde het in de heesters. Er viel een schaduw op -het pad. Verrast, half verschrikt, keek Madeleine om. Een man stond -achter haar en twee fonkelende oogen staarden haar aan.</p> -<p class="par">’t Ontbrak Madeleine de Bette niet aan moed. Zij -wierp een snellen blik in de richting van het huis. Te ver! De -indringer zou haar terstond inhalen, als zij vluchtte. Als hij kwade -bedoelingen had, moest zij hem in bedwang houden, tot er mogelijk hulp -kwam. Zij stond op van de bank.</p> -<p class="par">—„Wie zijt ge en wat doet ge hier?” -vroeg zij hoog.</p> -<p class="par">—„Madeleine!” fluisterde de man, met -heesche stem.</p> -<p class="par">Met een flauwen gil trad het meisje een pas terug. Wat -was dat?</p> -<p class="par">—„Madeleine, kent ge mij niet -meer?”</p> -<p class="par">De stem trilde van ontroering, maar Madeleine herkende -ze. Zij zag den vrager met verbaasde, verschrikte oogen aan.</p> -<p class="par">—„Jacques? Hier?” fluisterde zij. -„Hoe komt ge...” <span class="pagenum">[<a id="pb302" href= -"#pb302" name="pb302">302</a>]</span></p> -<p class="par">Zij wist zelve niet of zij meer verheugd was dan -ontsteld. Met wijd geopende oogen staarde zij den onverwachten bezoeker -aan. Ja, ’t was Jacob wel. Maar hoe veranderd! Wat leek de -flinke, krachtige man, die daar voor haar stond, weinig op den jongen -Jacob Martens, dien zij voor ’t laatst te Gent had gezien. Wat -stonden hem de knevel en de korte baard goed, bij het door wind en weer -gebruinde gelaat. En het breede litteeken op het voorhoofd ontsierde -hem niet. Onwillekeurig legde zij haar beide handen in die van Jacob, -toen hij ze naar haar uitstrekte.</p> -<p class="par">—„Ik moest u zien, u spreken, -Madeleine!”—Jacobs stem trilde van ingehouden hartstocht. -„Ik heb er mijn leven voor gewaagd. Er werd gezegd, dat ge -verloofd waart,—met een ander, met Thierry! Zeg, dat het niet -waar is, Madeleine!”</p> -<p class="par">Hij wilde haar naar zich toe trekken, zijn arm om haar -leest slaan, maar Madeleine had zich hersteld van haar eersten schrik. -Zij maakte hare handen uit die van Jacob los.</p> -<p class="par">—„Dat is niet waar,” zei ze koel, -„maar als het eens waar was? Een fraai bewijs van uw liefde, dat -ge mij gegeven hebt! Weggevlucht zijt ge van mij, van uw ouders en van -uw vrienden, om u aan te sluiten bij de ketters, bij de rebellen! Denkt -ge, dat ik de verloofde zijn wil van een ketter, een Geus?”</p> -<p class="par">Ze deed een stap achteruit en een smadelijk lachje -speelde om haar lippen. Ze was thans niet bang meer.</p> -<p class="par">—„Madeleine, het is niet waar! Die ketters -willen alleen God dienen naar de inspraak van hun hart en geweten en de -rebellen zouden trouwe onderdanen zijn van den Koning, als hij hen -wilde laten leven als vrije mannen. O, dat ik u de oogen kon openen! Ik -moest, Madeleine! Ik zou een lafaard zijn, als ik het arme, onderdrukte -volk niet hielp! Maar ik heb u nog altijd lief...”</p> -<p class="par">Maar Madeleine de Bette luisterde niet. Ze was zichzelf -thans volkomen meester. Het streelde haar ijdelheid, <span class= -"pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303" name="pb303">303</a>]</span>dat -die forsche, sterke man, een van de gevreesde Geuzen nog wel, daar als -smeekeling voor haar stond. En hij had zijn leven gewaagd, om tot haar -door te dringen. Als hij gevat werd, wachtte hem de dood op het -schavot...</p> -<p class="par">Allerlei gedachten vlogen door haar koel, berekenend -brein. Zij de bruid van een balling, van een -Geus,—onmogelijk!</p> -<p class="par">Maar—als ’t haar gelukte, hem terug te -winnen voor de partij van den Koning? Als hij zich onderwierp en zijn -ketterij afzwoer? ’t Was waar, de Raad van Beroerte was streng -voor de ballingen, die aan den opstand hadden deelgenomen, maar Jacques -was nog jong en zijn vader had veel invloed en machtige vrienden. Er -waren er meer, die ’t eerst met Oranje en Brederode hadden -gehouden, maar die de partij van de Geuzen hadden verlaten en nu trouwe -dienaars waren van de Regeering. Welk een triomf, als ’t haar -gelukte!</p> -<p class="par">Met afgewend gelaat had zij naar de hartstochtelijke -woorden van den jongen man geluisterd. Thans zag ze hem weer aan en er -lag een verleidelijke, lokkende uitdrukking in haar donkere oogen.</p> -<p class="par">—„Is dat waar?” fluisterde zij.</p> -<p class="par">—„Madeleine!”</p> -<p class="par">Maar ze hield hem terug.</p> -<p class="par">—„Toon het dan! Keer terug tot mij, tot uw -ouders, tot de Heilige Kerk. Wat bindt u aan de Geuzen, die boeven en -rabauwen? Uw vader heeft invloed bij den hertog. Hij zal een pardon -voor u verkrijgen. Alles kan nog goed worden.”</p> -<p class="par">Zij trad op Jacob toe, legde hem de handen op de -schouders en zag hem vleiend aan.</p> -<p class="par">—„Wij kunnen nog zoo gelukkig zijn, -Jacques,” fluisterde zij.</p> -<p class="par">Bleek en sidderend van inwendige ontroering staarde -Jacob het schoone meisje aan. ’t Was waar, wat zij zeide: hij, de -balling, de vogelvrij verklaarde, hij kòn <span class= -"pagenum">[<a id="pb304" href="#pb304" name= -"pb304">304</a>]</span>terug, als hij wilde. Een leven van eer en -aanzien, van geluk en liefde kon hem nog wachten,—als hij de zaak -van zijn volk, van zijn land verried, als hij zijn Heer ontrouw werd. -Het waren immers zijn eigen gedachten, die Madeleine daar uitsprak, -gedachten, die in hem waren opgerezen daar ginds in het woeste duin, -die hem gekweld hadden in menigen slapeloozen nacht, als de bloedige -daden van zijn woeste makkers hem er aan deden twijfelen, of hij streed -voor een rechtvaardige zaak. Hij kon nòg terug,—en dan, -Jacob Martens, de zoon van den president van den Raad van Vlaanderen, -de echtgenoot van Madeleine de Bette, zou hij nog niet veel voor zijn -volk kunnen doen? Meer dan de arme balling, die meevocht in den -hopeloozen strijd tegen de overmacht, wachtende op de hulp, die maar -niet kwam opdagen...</p> -<p class="par">Wat was die stem in zijn binnenste, die daar sprak van -„getrouw te zijn tot den dood”?</p> -<p class="par">Madeleine zag zijn ontroering. Nu was het oogenblik -daar, waarin zij alles op het spel moest zetten, om over de laatste -aarzeling van den jongen man te triomfeeren, om hem terug te winnen -voor zichzelve, Jacques, van wien zij toch wel hield, voor zoover haar -ijdel en lichtvaardig gemoed daartoe in staat was.</p> -<p class="par">Zij sloeg een arm om zijn hals en boog het hoofd aan -zijn borst.</p> -<p class="par">—„Om mijnentwil, Jacques,” fluisterde -zij week. „Laat mij spreken met uw vader... Laten wij u redden! -De Geuzen zullen worden uitgeroeid. De hertog zendt troepen, om ze te -verslaan. Ik weet het zeker! Thierry sprak er van!”</p> -<p class="par">—„Ik kan niet, ik mag niet, -Madeleine!”</p> -<p class="par">Het oogenblik van zwakheid was voorbij. Madeleine had, -zonder dat zij het wist of wilde, een beroep gedaan op het eergevoel -van den krijgsman. Hoe? Zijne makkers zouden worden aangevallen door de -troepen der Regeering en hij zou ze als een lafaard in den steek laten -in den hoogsten nood? Eerloos!... <span class="pagenum">[<a id="pb305" -href="#pb305" name="pb305">305</a>]</span></p> -<p class="par">En nu de verzoeking was weerstaan, vlogen hem -bliksemsnel de gedachten weder door het hoofd, die hem gesterkt hadden -in donkere uren, om te volharden tot het einde. Zoovelen, die gevallen -waren voor de goede zaak, de zaak der vrijheid, die eenvoudigen, de -martelaars, die geleden hadden aan de galg en op den mutsaard voor het -gezuiverde Evangelie! En weer zag hij het bleeke gelaat der -martelaresse te Gent en hoorde hij het „Wees getrouw tot in den -dood”. Dat was het! Trouw zijn, trouw tot in den dood!</p> -<p class="par">—„Ik mag niet!” herhaalde hij dof. -„Maar o, ik heb u lief, Madeleine! Blijf mij trouw! Er zullen -betere dagen komen! Oranje en de Coligny zullen ons -helpen...”</p> -<p class="par">Maar bij zijne eerste woorden had Madeleine hem -losgelaten.</p> -<p class="par">—„Een bewijs van uw liefde, zeker!” -Met een smadelijk lachje wendde zij zich af.</p> -<p class="par">—„Ge kiest dan uw Geuzen en rebellen boven -mij! Ga heen, Jacques Martens, ik heb u niets meer te zeggen. Ga terug -naar uw Geuzen, vóór de Roode Roe en zijn rakkers u -ontdekken en grijpen!”</p> -<p class="par">Een lichte kreet achter hen deed beiden omzien. Het -bemoste voetpad van den ouden tuin had de voetstappen gedoofd van de -twee, die plotseling verschenen waren aan de kromming bij de oude linde -en thans verrast bleven staan: de statige Vrouwe Martens in haar zwart, -bijna kloosterachtig gewaad en witte huive, en Thierry de St. Foy, in -zwart fluweelen hofkleeding, aan de mouwen met geel satijn doorbroken, -den hoogen fluweelen hoed met een koord van gouddraad versierd en -opgetoomd. Vrouwe Martens was zeer bleek geworden, toen zij haar zoon -herkende; Thierry stond besluiteloos en draaide verlegen aan zijn fijn -zwart kneveltje.</p> -<p class="par">—„Moeder!” Jacob wilde op haar -toeijlen. De mondhoeken der trotsche vrouw hadden even zenuwachtig -getrild; toen werd haar blik koud en hard. Met een gebiedend gebaar -wees zij hem terug. <span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306" -name="pb306">306</a>]</span></p> -<p class="par">—„Een oproerling en een ketter is mijn zoon -niet!” klonk het hoog. „Wat doet gij hier!”</p> -<p class="par">—„Een Geus en een vijand van den -Koning!” Thierry had zijn tegenwoordigheid van geest -teruggekregen.</p> -<p class="par">—„Geef u over, Jacob -Martens!”—Hij trok den fijnen staatsiedegen en trad op -Jacob toe.</p> -<p class="par">Een oogenblik had Jacob Martens roerloos zijn moeder -aangestaard. Het flikkerende staal in de hand van zijn mededinger en -het besef van het dreigend gevaar, waarin hij verkeerde, bracht hem tot -zichzelf. Snel trok hij den langen opsteker, dien hij onder zijn -wambuis droeg, en pareerde den stoot, dien Thierry hem wilde -toebrengen. Met forsche hand greep hij den pols van zijn tegenstander -en ontwrong hem het wapen, dat hij wegslingerde tusschen de heesters. -Toen haalde hij uit met het breede kruismes.</p> -<p class="par">Madeleine gaf een gil en klemde zich aan Vrouwe Martens -vast.</p> -<p class="par">Een oogenblik aarzelde Jacob. Als daar zijn moeder niet -stond...</p> -<p class="par">Hij liet Thierry los en stiet hem van zich af.</p> -<p class="par">—„Ga heen!” zei hij met heesche, -trillende stem.</p> -<p class="par">Thierry de St. Foy liet het zich geen tweemaal zeggen. -Hij snelde het pad op, dat naar de huizinge voerde, terwijl hij op een -fluitje blies, dat aan zijn halsketen hing.</p> -<p class="par">Jacob stond een oogenblik besluiteloos.</p> -<p class="par">—„Jonker! jonker!” klonk het dringend -achter hem. Een donkere gedaante stond tusschen de heesters, hem -wenkend, zich te haasten.</p> -<p class="par">Jacob wierp een blik op de beide vrouwen, die elkander -nog altijd vol ontzetting hielden omklemd, een laatsten blik. Toen -snelde hij met de Welle naar het achterpoortje in den hoogen tuinmuur. -Achter hen klonken stemmen in den tuin.</p> -<p class="par">Thierry de St. Foy kwam terug met versterking. Een -snellen blik wierpen zij in de eenzame straat. Er was niemand te zien! -De Welle greep Jacob de muts van <span class="pagenum">[<a id="pb307" -href="#pb307" name="pb307">307</a>]</span>het hoofd en wierp die de -straat in. Toen doken beiden door het luik in den donkeren kelder en -met een zucht van verlichting schoven zij den zwaren boom er voor.</p> -<p class="par">Voor het oogenblik waren zij in veiligheid, maar toch -bonsde hun hart, terwijl zij luisterden naar de voetstappen en de -stemmen in de straat. Als iemand hen had zien wegduiken in hun -schuilplaats, waren zij verloren. Hun vervolgers konden spoedig genoeg -den ingang van de groote brouwerij bereiken, waarbij de kelder -behoorde, die hun schuilplaats was, en werden zij ontdekt en gegrepen, -dan was hun lot beslist.</p> -<p class="par">—„Ha, zie die muts! Dezen kant op, -mannen!”</p> -<p class="par">’t Was de stem van Thierry. De krijgslist van de -Welle was gelukt. De stemmen en de haastige voetstappen verwijderden -zich in de richting van de stad. De vervolgers vermoedden niet, dat de -Geuzen, die zij zochten, zich in hun onmiddellijke nabijheid hadden -bevonden.</p> -<p class="par">En nu begon het wachten, het lange, pijnlijke wachten, -dat tot den avond moest duren, want eerst met het vallen van den nacht -zouden de beide Geuzen het durven wagen, hun schuilplaats te -verlaten.</p> -<p class="par">Zij zaten op de steenen trap van den donkeren kelder, -slechts flauw verlicht door de kleine openingen in het luik en -luisterden naar de geluiden, die van buiten tot hen doordrongen. Zij -hoorden de voetstappen der terugkeerende vervolgers, hun verwoede en -opgewonden uitroepen, terwijl ieder zijn meening wilde uiten, en raad -wilde geven. Toen werd het voor een poos stil in de straat, maar weldra -klonken er weer voetstappen en stemmen. Blijkbaar had het gerucht van -het gebeurde zich in de stad verspreid en er vormde zich een kleine -oploop van nieuwsgierigen voor de achterpoort in den muur. Zij konden -zelfs van tijd tot tijd de gesprekken der verschrikte burgers verstaan, -althans enkele woorden opvangen. Blijkbaar was <span class= -"pagenum">[<a id="pb308" href="#pb308" name="pb308">308</a>]</span>de -levendige volksverbeelding reeds aan het werk: de Geuzen hadden een -aanslag op Brussel in den zin. Wilde Geuzen hadden een aanval gedaan op -het paleis van den graaf van Aremberg. Ze hadden de vrouwen willen -ontvoeren. Hoe sterk waren de aanvallers geweest? Tien! Neen, zeker -twintig! Een officier van Noircarmes had ze aan het hoofd van de wacht -verdreven...</p> -<p class="par">Maar na een poos werd het stil in de straat. De -nieuwsgierigen trokken af.</p> -<p class="par">Tegen den vochtigen muur geleund, zaten de beide mannen -zwijgend tegenover elkander. Jacob Martens staarde somber voor zich -uit, vol van het gebeurde van dien morgen. Thans eerst was hij -voorgoed, was hij onherroepelijk van de zijnen gescheiden! Zijn moeder -had hem verstooten, Madeleine was voor hem verloren, zijn vader had -zitting in Alva’s bloedigen raad. Hij zelf, hij was een balling, -een uitgestootene! Er waren oogenblikken, dat hij haast wenschte, dat -men hun schuilplaats ontdekte. Dan zou ’t spoedig voorbij zijn! -Een kort, heet gevecht, een stoot met een piek of een dagge—en -zijn strijd was volstreden, voorgoed.</p> -<p class="par">Maar zulk een oogenblik ging spoedig voorbij. Hij mocht -niet in moedeloosheid het hoofd verliezen. Hij moest leven, als -’t zijn kon, en strijden voor de goede zaak. En thans moest hij -waken en zoeken naar redding, ook ter wille van de Welle, die zich om -zijnentwil en met gevaar van zijn leven in Brussel had gewaagd.</p> -<p class="par">Straks, als de avond was gevallen, zouden zij trachten -te ontsnappen. Natuurlijk zou de wacht aan de poorten der stad zijn -gewaarschuwd en er zou scherp worden gelet op allen, die Brussel -verlieten. En naar hun herberg terug keeren konden zij niet. Maar zij -hadden op de mogelijkheid van ontdekking gerekend, en hun plan was -gemaakt. Zij hadden den vorigen dag voorzichtig de omgeving verkend. -Zij moesten over den stadsmuur pogen te ontkomen.</p> -<p class="par">Pieter de Welle stoorde zijne overpeinzingen niet. -<span class="pagenum">[<a id="pb309" href="#pb309" name= -"pb309">309</a>]</span>Hij begreep wel, wat er in het hart van den -jonker omging. Het gevaar, waarin hij verkeerde, deerde hem niet en hij -dacht er niet aan, Jacob Martens iets te verwijten. De onderneming was -dwaas en roekeloos geweest. Dat had hij steeds geweten en toch was hij -zijn jongen aanvoerder gevolgd, den eenige, om wien hij nog aan het -leven hechtte. Als hij straks aan zijne zijde moest vallen, dan zou het -goed zijn. God mocht zijn ziel genadig wezen, en—eerst zou hij -toch nog wel een paar Spanjolen of Spanjolenvrienden neerleggen.</p> -<p class="par">Van onder zijn kiel haalde hij een paar lange pistolen -te voorschijn, met een kruithoorn. Bij het flauwe licht, dat door de -getraliede openingen in het luik viel, schudde hij droog kruit op de -pan en liet het lontslot spelen. Straks, als zij den kelder verlieten, -zou hij de lonten aansteken.</p> -<p class="par">En ondertusschen luisterde hij scherp naar wat er buiten -voorviel.</p> -<p class="par">Zoo verliepen de trage uren, terwijl de beide mannen -nauwelijks een woord wisselden. Eindelijk begon de avond te vallen. De -Angelus-klok van de Sinte Gudula werd geluid, weldra gevolgd door de -klokken van alle kerken en kloosters der stad. Weldra zou ’t -donker genoeg zijn, om hun plan te volvoeren.</p> -<p class="par">Plotseling schrikten de beide Geuzen op. Er klonken -zware voetstappen door de straat, marcheerende op de maat. Daar was -wapengekletter en een kort commando. Daar naderden soldaten! Zou men -door eenig toeval hun schuilplaats hebben ontdekt?</p> -<p class="par">De voetstappen hielden stil. Weer een kort bevel en de -troep verwijderde zich, maar er klonken nog altijd zware schreden, -langzaam op en neer, blijkbaar van twee soldaten, die heen en weer -liepen en van tijd tot tijd hoorde men hen hun pieken neerzetten op de -keien.</p> -<p class="par">—„Een wacht!” fluisterde Jacob en de -Welle knikte toestemmend. <span class="pagenum">[<a id="pb310" href= -"#pb310" name="pb310">310</a>]</span></p> -<p class="par">Blijkbaar werd de achterpoort door gewapenden -bewaakt.</p> -<p class="par">De twee mannen verkeerden in een hachelijken toestand. -Zij konden den kelder niet verlaten, zonder door de schildwachten te -worden bemerkt. Toch restte hun nog één kans. Zij hadden -met Tiest Stoffelsz afgesproken, dat deze in den laten avond onder -eenig voorwendsel naar de brouwerij zou terug keeren, en, ter wille van -zijn eigen veiligheid, den boom weer voor het luik zou leggen, wanneer -zij den kelder hadden verlaten. Nu moesten zij op hem wachten. Hij -moest hen door de donkere kelders leiden en hen op straat brengen.</p> -<p class="par">Het werd nacht. De soldaten daar buiten waren reeds -eenmaal afgelost. Eindelijk hoorde men zachte, schuifelende voetstappen -en in de verte blonk het flauwe schijnsel van een lantaarn.</p> -<p class="par">Jacob begreep, dat een lichtstraal door de luchtgaten -van het luik hen zou kunnen verraden. Haastig tornde hij met zijn mes -de voering van zijn wambuis los en scheurde er een paar lappen af, -waarmede de openingen werden dicht gestopt.</p> -<p class="par">Tiest Stoffelsz was niet weinig verrast en ontsteld, -toen hij de beide Geuzen nog in den kelder vond. De arme man beefde -over al zijn leden, wanneer hij weer dacht aan het gevaar, dat hem -dreigde, als zijn gevaarlijke gasten zouden worden ontdekt en het zou -blijken, dat hij hen geholpen had. Sidderend luisterde hij naar de -voetstappen der soldaten, die daar buiten de wacht hielden.</p> -<p class="par">Jacob Martens slaagde er echter in, hem den toestand te -doen begrijpen, en hem duidelijk te maken, wat men van hem wenschte. -Ja, zeker, hij kon hen door de kelders leiden naar de brouwerij en hen -zoo op straat brengen. En de stadsmuren—ja, die waren dan wel -spoedig te bereiken.</p> -<p class="par">Een schichtige blik naar het gesloten luik en Tiest ging -hen voor, door den doolhof der diepe bierkelders, <span class= -"pagenum">[<a id="pb311" href="#pb311" name= -"pb311">311</a>]</span>terwijl het flauwe licht van zijn lantaarn de -groote okshoofden verlichtte, waarin het bier werd geklaard, voor het -werd afgeleverd. Zij bereikten de brouwerij en de open binnenplaats, -waar groote stapels tonnen lagen en ledige wagens op hun vracht stonden -te wachten. Van een dier wagens nam de Welle een lang, niet dik, maar -sterk touw mede, dat gebruikt werd om de tonnen vast te sjorren. Toen -opende Tiest voorzichtig een kleine deur in de poort en de -vluchtelingen bevonden zich op straat.</p> -<p class="par">Tiest Stoffelsz wees hun de richting, die zij te volgen -hadden, en toen namen zij met een woord van hartelijken dank afscheid -van den braven brouwersknecht, terwijl zij hem nogmaals verzekerden, -hem nimmer te zullen verraden. Tiest zag hen in de duisternis -verdwijnen. ’t Was hem, of hij gedroomd had. Die beiden, met hun -zinkroeren en lange opstekers, dat waren nu twee van die Wilde Geuzen, -waarvan men zooveel schrikkelijks vertelde; dat waren de mannen, die -men in de gansche stad zocht en op wie men lette aan alle poorten.</p> -<p class="par">En hij, hij had hen geholpen en verborgen! Daar stond de -paleie op, en de galg! Huiverend spoedde hij zich huiswaarts.</p> -<p class="par">Ondertusschen slopen Jacob Martens en de Welle vlug en -geruischloos voort door de eenzame, donkere straat in de schaduw der -hooge huizen, brouwerijen, pakhuizen en dergelijke, die zich in dit -deel der stad bevonden. Tiest Stoffelsz had hen nauwkeurig den weg -gewezen, dien zij moesten volgen om den stadsmuur te bereiken. ’t -Was een donkere, buiïge herfstnacht, juist een nacht, die hun -vlucht mogelijk moest maken. Zij zaten in Brussel opgesloten als in een -val. Er zou naar de stoutmoedige ballingen, die zich gewaagd hadden tot -in de stad, waar de hertog en zijne regeering verblijf hielden, overal -gezocht worden. Men kende hen thans bij name: vogelvrij verklaarde -Geuzen, die meegevochten hadden tegen de troepen van den Koning bij -<span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312" name= -"pb312">312</a>]</span>Austruweel, hoofden van de benden, die het -Zuid-Westen des lands onveilig maakten. De poorten zouden worden -bewaakt en zonder twijfel zou de bevelhebber van het garnizoen -patrouilles zenden, om de stad mede te bewaken, met de gewone -nachtwachten. Als zij gewapenden ontmoetten en zij werden ontdekt, dan -zou geen van beiden den ander in den steek laten, maar zij zouden -vechten tot zij vielen en werd een van beiden gewond, dan zou de ander -hem den laatsten dienst bewijzen door het toebrengen van een -genadestoot. Want zij wisten maar al te wel, wat het voor hen zou -beteekenen, levend in de handen der Spanjaarden te vallen.</p> -<p class="par">Bij het omslaan van den hoek eener zijstraat, die naar -hun doel moest leiden, hoorden zij inderdaad zware voetstappen en het -gerammel van wapenen. Een lantaarn aan een stok wierp een rood, onzeker -licht in de straat. Het oogenblik was daar. Zij konden wel is waar -teruggaan in de richting, van welke zij waren gekomen, maar dat zou hun -weinig baten, want die weg voerde naar de aanzienlijke wijken der stad, -waar in deze dagen zelfs in den laten avond nog menschen op de been -waren. De Welle drukte Jacob een zijner beide zinkroeren in de hand. -Hij had de lonten aangestoken aan de lantaarn van Tiest Stoffelsz, maar -droeg de wapens onder zijn langen kiel, zoodat de glimmende vonken hen -niet konden verraden. Toen liepen zij de straat weder in tot aan een -groote inrijpoort, waar zij in de donkerte van het poortgewelf post -vatten. De twee mannen drukten elkander zwijgend de hand. Sloeg de -patrouille den weg rechts in, dan moesten zij worden ontdekt. Dan zou -het een kort gevecht worden tegen de overmacht en zij zouden vallen in -een ongelijken strijd, want zij zouden zich niet overgeven.</p> -<p class="par">De spanning duurde eenige minuten. Toen sloeg de -patrouille links den hoek der straat om. Het gevaar was voor het -oogenblik voorbij. <span class="pagenum">[<a id="pb313" href="#pb313" -name="pb313">313</a>]</span></p> -<p class="par">Met een zucht van verlichting luisterden de Geuzen naar -de zich verwijderende voetstappen. Als zij nu spoedig den muur konden -bereiken, hadden zij een goede kans, want het zou nu zeker eenigen tijd -duren voor er een volgende patrouille voorbij kwam.</p> -<p class="par">Snel en geruischloos liepen zij voort en zie, daar -teekende de hooge stadsmuur zich donker af tegen de lucht. Zij hadden -opgemerkt, dat er hier en daar smalle steenen trappen voerden naar het -banket, dat langs de borstwering op de kruin van den muur liep. Een -dier trappen moesten zij vinden en dit gelukte hun vrij spoedig.</p> -<p class="par">Nu stonden zij op den muur. De Welle ontrolde het touw, -dat hij uit de brouwerij had meegenomen en om zijn middel had -gewikkeld. Het zou zeker lang genoeg zijn.</p> -<p class="par">De vluchtelingen begonnen zoo snel mogelijk knoopen in -het dunne touw te leggen, ongeveer vier voet van elkander. Zoo kregen -zij een stevige touwladder. De Welle haalde de aangescherpte ijzeren -staaf voor den dag, die hem als breekijzer had gediend bij het openen -der tuinpoort. Een groote veldkei had hij in de straat opgeraapt. Nu -zocht hij met tastende vingers naar een voeg tusschen de zware -baksteenen, waarvan de muur was opgemetseld en dreef met een paar -forsche slagen het ijzer er in. Luid klonken de slagen door den nacht. -Angstig tuurden de vluchtelingen naar den kant der stad. Neen, er was -geen onraad; nog niet! Nu werd het touw aan de staaf bevestigd en er -ontstond een korte strijd over de vraag, wie er het eerst gebruik van -zou maken. Jacob weigerde aanvankelijk zich vóór de Welle -te redden, omdat deze zich om zijnentwil in dit gevaar had begeven, -maar de Welle beduidde hem, dat het beter was voor hen beiden. Jacob -was jong en slank en veel lichter dan zijn metgezel. Hij zou -gemakkelijk langs het loshangende touw kunnen afdalen en het dan -beneden vasthouden, om zijn makker te helpen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb314" href="#pb314" name="pb314">314</a>]</span></p> -<p class="par">’t Was ondertusschen wat helderder geworden. Hier -en daar flonkerden de sterren aan den bewolkten hemel. De nachtwind -floot over de kruin van den muur.</p> -<p class="par">—„Haast u, jonker!” fluisterde de -Welle.</p> -<p class="par">Jacob greep het touw en liet zich zakken. ’t Was -een moeilijke en gevaarvolle afdaling, maar hij bereikte gelukkig den -grond.</p> -<p class="par">Hij stond nu aan den rand van de gracht.</p> -<p class="par">Het geluk diende hem. Vlak bij hem was een paal, die -zeker moest dienen om er een boot aan vast te leggen. Hij sloeg er het -touw om en gaf het afgesproken teeken. De Welle daalde langs het nu -strak gespannen touw vrij gemakkelijk naar beneden.</p> -<p class="par">Nu moest de gracht nog worden overgezwommen. Gelukkig -stond het water hoog en de beide Geuzen waren sterk en vlug. Zij konden -zich tegen den hoogen kant optrekken en waren nu voor het oogenblik in -veiligheid. Wel bevonden zij zich nog tusschen de buitenste bolwerken, -maar die waren thans niet bezet.</p> -<p class="par">En nu moesten zij trachten zoo spoedig mogelijk het -bosch van Soigny te bereiken, dat ten Zuiden van de stad moest liggen. -De sterren wezen hun den weg, terwijl zij langs veldwegen en door -weiden en akkerlanden hun vlucht voortzetten, steeds zooveel mogelijk -de hoeven rondom de stad vermijdende, om niet door het aanslaan der -werfhonden te worden verraden.</p> -<p class="par">Na een vermoeienden tocht van ruim een uur zagen zij -eindelijk de omtrekken van het zwaar geboomte tegen den bestarnden -hemel afsteken en weldra hadden zij het bosch bereikt. Zij drongen door -den breeden opslag van bleeke berken aan den boschrand, die spookachtig -wuifden in den nachtwind, tot zij het hooge geboomte hadden bereikt. -Daar lieten zij zich nedervallen op den dik bemosten grond. Beide -mannen waren uitgeput en zij hadden eenige uren rust noodig, voor zij -hun tocht konden voortzetten. Voor vervolging behoefden zij niet te -vreezen, althans niet voor het aanbreken van den dag. Dan was het -mogelijk, dat er <span class="pagenum">[<a id="pb315" href="#pb315" -name="pb315">315</a>]</span>patrouilles zouden worden uitgezonden, om -den omtrek af te zoeken naar de ontsnapte Geuzen, maar dan zouden zij -reeds ver van Brussel zijn.</p> -<p class="par">Weldra hoorde Jacob Martens de diepe ademhaling van de -Welle, die rustig sliep op het zachte mosbed. Hijzelf kon eerst den -slaap niet vatten. Nog eenmaal doorleefde hij in gedachten den dag van -gisteren. Zoo lag dan nu zijn verleden onherroepelijk achter hem. Hij -had tot nu toe altijd nog gehoopt op een verre toekomst, -wanneer—hoe, wist hij niet en hij kon het zich ook niet -indenken—alle ellende, alle strijd tot het verledene zou -behooren, en hij weer met de zijnen, met Madeleine zou zijn vereenigd. -Ja, hij was blijven hopen op Madeleine’s liefde, op haar -trouw—door alles heen. En nu was de droom voorbij, voor altijd! -Hij was een balling, een vogelvrij verklaarde. Zijn vader was lid van -den Bloedraad, zijn moeder had hem verstooten, Madeleine was de zijne -niet meer, zijn vroegere vriend had hem willen overleveren aan den -beul. Hij was hun vijand,—hij, de verachte, de gehate Geus!</p> -<p class="par">En bij dat alles klonk daar toch in zijn binnenste het -woord, leefde daar toch de gedachte, die hem staande hield: Getrouw -zijn, getrouw tot in den dood! Want zijn zaak was de zaak van zijn -volk, was de zaak Gods...</p> -<p class="par">’t Was al diep in den nacht, toen hij insluimerde, -maar trots zijn vermoeienis was zijn slaap onrustig. Telkens schrikte -hij wakker. Zoodra de morgen begon aan te breken, wekte hij zijn -metgezel, en de beide mannen zetten hun vlucht voort door het -uitgestrekte bosch van Soigny, naar Vlaanderen, om dan langs de hun -welbekende wegen hunne wilde makkers, de Boschgeuzen, weer te -bereiken.</p> -<p class="par">Nieuwsgierig keken de woeste gezellen naar hun twee -aanvoerders, die, dat wisten zij wel, zich diep in het door de -Spanjolen bezette land hadden gewaagd. De stoutmoedigsten trachtten de -Welle uit te hooren. Deze <span class="pagenum">[<a id="pb316" href= -"#pb316" name="pb316">316</a>]</span>vertelde hun bereidwillig genoeg -al het nieuws, dat hij vernomen had over den toestand des lands, de -vervolgingen en de terechtstelling van allen, die op eenige wijze aan -den opstand hadden deelgenomen.</p> -<p class="par">Maar over het doel van zijn tocht met den jonker liet -hij zich niet uit. De mannen zagen, dat jonker Martens ernstiger en -stiller was dan ooit. De jonge aanvoerder trachtte zijn ruwe, -ongeregelde bende aan een zekere krijgstucht te wennen. Hij wilde, dat -de mannen zich oefenen zouden in het gebruik van hunne wapens, maar hij -vond niet veel medewerking bij de ballingen, nu reeds te lang aan een -ongeregeld leven, aan roof en plundering gewoon. Allen wisten het nu -wel: Alva maakte troepen gereed, om de Boschgeuzen, de laatste -opstandelingen immers, aan te grijpen en uit te roeien. Maar tot nog -toe waren zij veilig geweest in hun natuurlijke vestingen. En waren er -onder hunne predikanten geen mannen, die alle voorzorgsmaatregelen van -jonker Martens en andere leiders voor ongeloof uitkreten, en die -spraken van een Gideonsbende, waaraan de Heer der heirscharen de -overwinning kon schenken op de overmacht der Midianieten, de vijanden -van God en Zijn volk?</p> -<p class="par">En zoo wachtten de ongeregelde benden der Wilde Geuzen, -de laatst overgeblevenen van den met zooveel hoop en stouten moed -begonnen veldtocht der Gereformeerden in het Zuiden, de -wèlgeoefende en strijdbare vendels van Alva af. <span class= -"pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317" name="pb317">317</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e4447" href="#xd24e4447src" name="xd24e4447">1</a></span> ’t -Heeft den man weinig gebaat. Hij is in 1569 te Gent -onthoofd. <a class="fnarrow" href="#xd24e4447src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XVI.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">Op een vroegen Octobermorgen lag een roeiboot aan -het eenzame strand tusschen Nieuwpoort en Duinkerken, niet ver van een -„slag” in het duin, een laag punt tusschen de zandheuvels, -waar een karrespoor het pad aanwees, dat de bevolking van het schamele -duindorp, dat achter de hooge toppen verscholen lag, volgde, om de kust -te bereiken. Het was vloed en het vaartuig lag in de eerste -strandgolven. Blijkbaar behoorde het bij een krapschuit, die aan gene -zijde van de witte lijn der branding voor anker lag. In de verte kon -men de masten en de witte zeilen van een grooter schip -onderscheiden.</p> -<p class="par">Op het strand stonden twee mannen, gekleed in het grove -grein der Hollandsche schippers. Dat zij echter geen vreedzame -visschers waren, die daar de wacht hielden bij hun boot, bewees hunne -uitrusting. Beiden waren zij voorzien van korte vuurroeren en aan hun -gordel hing een houwer naast het matrozenmes in lederen scheede. Zij -staarden met onrustige blikken naar den duinkant, naar de plaats, waar -het zandspoor zich tusschen de zandheuvels verloor en wisselden van -tijd tot tijd een ongeduldig woord.</p> -<p class="par">Uit de verte, meer naar het Zuiden, klonk nu en dan -boven het geluid van de branding een doffe knal. Er werd naar het -scheen gevochten in het duin. De schoten kwamen nader. De beide mannen -wisselden een blik en er kwam een onrustige trek op hunne verweerde -gezichten.</p> -<p class="par">—„Zou dat tegen de onzen zijn?” zeide -de jongste. <span class="pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318" name= -"pb318">318</a>]</span></p> -<p class="par">—„’t Is te ver!” meende de -ander. „Er wordt daarginds gevochten. Wat ’t zijn kan, weet -ik niet. Wie is er zeker van zijn leven in ’t land, nu de -vermaledijde Spanjool er huist? Maar ik wou met dat al, dat ze -terugkwamen. Tamme Abels weet toch wel, dat wij den vloed niet mogen -verspelen!”</p> -<p class="par">—„Misschien heeft hij onverwachts buit -gevonden!”</p> -<p class="par">—„Buit? In dat visschersnest in de duinen? -’t Zal mooi zijn, als hij wat victualie meebrengt. En dat moet -toch, want aan boord is ’t geen vetpot. En de François -geeft niets af.”</p> -<p class="par">—„Die zal ’t zelf ook niet breed -hebben. Heb maar geduld, oude brompot. Als we weer een Antwerpschen -koopvaarder aanhouden, dan...”</p> -<p class="par">—„Als! als!” viel de oudere zeeman in. -„Als Tamme niet gauw komt, zal hij geen koopvaarders meer -aanhouden, maar door een hennepen venster moeten kijken in plaats van -naar schepen in den mastkorf. Die schoten komen al dichter. Straks -zullen we nog moeten vechten om de boot.”</p> -<p class="par">—„Maar de „Vrouw -Geertruyd”?”</p> -<p class="par">—„De „Vrouw Geertruyd” moet -afhouden als de eb begint. Maar hoor, ze komen er aan.”</p> -<p class="par">Er klonk een verward geschreeuw van den kant van den -slag, en een oogenblik later verscheen een troep gewapende mannen in de -opening tusschen de duinen. Een paar van hen droegen een vat aan een -draagboom, anderen waren beladen met bossen gedroogde visch en ronde -brooden. Een jonge kerel, die de aanvoerder scheen te zijn, gaf een -kort bevel en liep toen vooruit naar de boot.</p> -<p class="par">—„Een goede vangst, Tamme?” vroeg de -oudste van de beide wachters.</p> -<p class="par">De aangesprokene haalde de schouders op. ’t Was -een nog jonge man, met een echten Frieschen kop. Een lang, bleek -gezicht, met forsche, vierkante onderkaak, een harden mond met dunne -lippen, waarboven de knevel nauwelijks te voorschijn kwam. De helle -<span class="pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319" name= -"pb319">319</a>]</span>blauwe oogen hadden een koude, dreigende -uitdrukking. Op het stugge, blonde haar droeg hij een muts van -robbevel.</p> -<p class="par">—„Niets dan drinkwater en brood en -visch!” zei hij stug. „’t Is een arm, Paapsch -nest!”</p> -<p class="par">—„De mannen zijn op zee!”</p> -<p class="par">—„Ja, de booten zijn uit. Als ze morgen -terug komen, zullen ze ’t nest leeg vinden.”</p> -<p class="par">—„Den brand er in gestoken?”</p> -<p class="par">Tamme Abels haalde onverschillig de schouders op en wees -naar het duin. Een rookwolk verhief zich boven de gele toppen en men -rook de scherpe lucht van brandend stroo.</p> -<p class="par">—„Werd er op jelui geschoten?” vroeg -de ander.</p> -<p class="par">—„Neen, er wordt gevochten in ’t duin. -Spanjolen denkelijk met een troep Geuzen. Dat zei ten minste een oud -wijf in ’t dorp. ’t Komt dichterbij!”</p> -<p class="par">—„Kunnen we niet een handje -helpen?”</p> -<p class="par">—„Wat gaat ’t ons aan<span class= -"corr" id="xd24e4834" title="Bron: .">?</span> Er is niets bij te -verdienen.”</p> -<p class="par">Ondertusschen waren de levensmiddelen en het watervat in -de boot geborgen. Een paar rolhouten werden onder de sloep gelegd en de -mannen begonnen haar vlot te maken.</p> -<p class="par">Over het water klonk een doffe dreun en een witte -rookwolk hing een oogenblik over het groote razeil in de verte.</p> -<p class="par">—„De François wordt -ongeduldig,” zei Tamme Abels. „Vooruit, mannen!”</p> -<p class="par">Dichtbij, in het duin achter hen, klonken de doffe -slagen van busschoten, wegrommelend tusschen de hooge zandheuvels.</p> -<p class="par">Een paar Geuzen grepen naar hunne vuurroeren.</p> -<p class="par">—„Laat staan!” gebood de jonge -schipper barsch. „Maakt de boot vlot. Wij moeten op de -„Vrouw Geertruyd” zijn, voor die kerels aan ’t strand -komen.”</p> -<p class="par">De mannen schoven de boot vooruit, tot in de eerste -strandgolven, en sprongen binnen boord, zoodra zij vlot was. -<span class="pagenum">[<a id="pb320" href="#pb320" name= -"pb320">320</a>]</span></p> -<p class="par">—„Aan de riemen!” zei Tamme Abels, -terwijl hij onrustig naar het strand keek.</p> -<p class="par">In de opening tusschen het duin verschenen twee -gestalten. Ze liepen ijlings in de richting van de boot en wenkten. Een -flauw geroep drong tot de bemanning door.</p> -<p class="par">—„Wacht een oogenblik, Tamme,” zei de -oudere man, die de wacht had gehouden bij de boot en die de eenige -scheen te zijn, die den jongen schipper durfde tegenspreken, -„’t zijn misschien Geuzen; er moeten er veel huizen, hier -aan de kust.”</p> -<p class="par">De bleek-blauwe oogen van den aanvoerder flikkerden -onheilspellend, maar de mannen in de boot schenen hun makker gelijk te -geven. Zij hingen op de riemen en het vaartuig danste op en neer in de -eerste strandgolven.</p> -<p class="par">De beide vluchtelingen hadden het strand bereikt. Ze -liepen het water in en waadden naar de boot. Tegelijk verschenen op de -duinen hier en daar gedaanten en men zag de ijzeren stormhoeden en -kurassen flikkeren in het zonlicht. Een troep gewapenden drong door den -slag en marcheerde snel naar het strand.</p> -<p class="par">—„’t Zijn Spanjolen!” riep de -stuurman.</p> -<p class="par">Een paar der Geuzen namen hunne handbussen op en bliezen -op de lont.</p> -<p class="par">—„Laat dat!” gromde Tamme. „We -kunnen de boot niet laten afsnijden. Aan de riemen, mannen!”</p> -<p class="par">Maar de vluchtelingen hadden de boot bereikt en werden -haastig binnen boord geholpen. De Geuzen vielen aan de riemen en het -vaartuig stoof door het water. Achter hen klonk luid geschreeuw en een -bevelende stem riep hun iets toe, maar de woorden waren door het geraas -der branding onverstaanbaar.</p> -<p class="par">Een doffe knal dreunde achter hen. Een paar musketkogels -snorden over hunne hoofden. Een paar van de jongeren bukten -<span class="corr" id="xd24e4873" title="Bron: pet">het</span> hoofd, -maar de twee vluchtelingen, die amechtig op een roerbank waren -neergezonken, keken op en tuurden scherp naar de kust. <span class= -"pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321" name="pb321">321</a>]</span></p> -<p class="par">—„Jelui hebt kruit geroken!” zei Tamme -Abels goedkeurend.</p> -<p class="par">De Fries sprak het Strand-Hollandsch, de gewone taal der -zeevarenden, met een eigenaardig accent. Toch konden de twee geredden -hem verstaan.</p> -<p class="par">—„Wij zijn Geuzen van ’t leger van -Brederode,” zei de jongste van de beiden. „De troepen van -Alva hebben onze laatste benden in ’t duin overvallen. Zonder -jelui waren we in hun handen gevallen.”</p> -<p class="par">Weer klonken geweerschoten van het strand, maar de boot, -die thans danste in de branding, bood een te onzeker mikpunt voor de -lompe vuurwapens. Toch sloeg een kogel in den achtersteven.</p> -<p class="par">—„Dat moeten die nieuwe musketten zijn, die -Ducdalf uit Italië hier heeft ingevoerd,” zei de oude -stuurman. „Onze handbussen dragen zoo ver niet.”</p> -<p class="par">Een aantal Spaansche soldaten stond thans aan ’t -strand en keek naar de boot en de beide schepen. Een paar van hen waren -met hunne wapenen bezig en Tamme Abels, die hen met zijn scherpe -zeemansoogen monsterde, zeide dat het busschieters waren, die hunne -musketten laadden.</p> -<p class="par">—„Ze houden ons voor koopvaarders,” -zei hij grimmig. „Wacht, tot we op de „Vrouw -Geertruyd” zijn!”</p> -<p class="par">De boot schoot door de geul en roeide op de krapschuit -toe. Weldra was de lading binnen boord en de boot op het dek -vastgesjord. De krapschuit was een van die handelsvaartuigen, die -gebruikt werden voor de kustvaart en op de Hollandsche en Zeeuwsche -stroomen. Zij voerde twee masten, een grooten en een kleinen, en had -een hoogen achtersteven, hoewel zij verder tamelijk laag op het water -lag.</p> -<p class="par">Thans was het vreedzame koopvaardijscheepje echter voor -den oorlog uitgerust en het zag er grimmig genoeg uit. Op de voorplecht -stond een lang stuk geschut, een culverijn, op een affuit van zware -balken. Een kist, gevuld met kogels, ijzeren maar ook steenen, stond er -<span class="pagenum">[<a id="pb322" href="#pb322" name= -"pb322">322</a>]</span>naast, en de achterzijde bood ruimte voor een -zestal baskamers, want het stuk werd van achteren geladen, door de -baskamer, die de lading bevatte, in de daartoe bestemde opening te -laten zakken en die dan met ijzeren wiggen en zware beugels te -bevestigen. Langs de verschansing waren rekken aangebracht, waarin -korte pieken, enterbijlen en houwers hingen. In een rek bij den mast -stonden een twaalftal knevelspeten—knotsen of lange knuppels, -voorzien van een vinnige stalen punt<a class="noteref" id= -"xd24e4898src" href="#xd24e4898" name="xd24e4898src">1</a>—en in -een tweede een rij handbussen. Door middel van -boevennetten,—sterke netten van taai touw—die thans langs -de verschansing lagen geschoren, maar in tijd van nood daarboven konden -worden uitgespannen, kon men in het gevecht eene entering voorkomen, -maar de grimmige bemanning, bestaande uit een dertigtal gewapende -zeelieden, was zeker meer den aanval dan de verdediging gewoon! -’t Was wonder, dat het kleine schip zooveel mannen kon bergen. -Verscheidenen waren verminkt of hadden litteekens, enkelen droegen -reeds de zilveren halve maan op de muts, met het veelzeggende -opschrift: „Liever Turksch dan Paapsch!”</p> -<p class="par">Zoodra de boot was vastgesjord, keek Tamme Abels naar -het strand, waar de Spaansche soldaten nog steeds joelend en dreigend -bijeenstonden.</p> -<p class="par">—„Klaar bij het stuk!” commandeerde -hij.</p> -<p class="par">Een paar zijner makkers plaatsten zich met handspaken -bij het stuk, en richtten het volgens de aanwijzingen van den schipper, -die zelf van den stuurman een brandende lont aan den korten ijzeren -lontstok had overgenomen.</p> -<p class="par">—„Lager! nog lager!” beval hij. -„Zóó is het goed!”</p> -<p class="par">Een witte rookwolk, een daverende knal, een schok, die -het scheepje deed steigeren, en de zware kogel snorde over de hoofden -der Spanjaarden, die naar <span class="pagenum">[<a id="pb323" href= -"#pb323" name="pb323">323</a>]</span>alle kanten uiteen stoven en -haastig naar de duinen weken.</p> -<p class="par">Een luid „hoezee” klonk op het -Geuzenschip.</p> -<p class="par">—„Toch nog te hoog!” gromde Tamme -Abels spijtig. „Aan het spil, mannen!”</p> -<p class="par">Het anker werd gelicht en het roer gewend. De Geuzen -hielden zich bezig met het zetten van de zeilen en de „Vrouw -Geertruyd” voer lustig over de schuimende golven van de Noordzee, -in de richting, aangegeven door het groote razeil, dat mede zeil had -gemaakt.</p> -<p class="par">—„Wat is dat voor een schip?” vraagde -Jacob den stuurman.</p> -<p class="par">—„Onze maat, de „bonne Fortune”, -een Fransche kaper uit Rotseel,” zeide de oude man. „Wij -hebben „admiraliteit gemaakt”, om langs de Zeeuwsche kust -op koopvaarders jacht te maken.”</p> -<p class="par">—„En jelui?”</p> -<p class="par">—„Wij zijn Friesche kapers en Geuzen. Ook -ballingen, als de jonker en zijn vriend. We haten Ducdalf, zijn -Spanjolen en de Inquisitie. We zijn uit ons land verdreven en nu leven -we van den roof. Er zijn meer schepen van ons slag in de -vaart.”</p> -<p class="par">—„En die Franschman? Frankrijk is toch niet -in oorlog met Spanje.”</p> -<p class="par">De stuurman lachte grimmig.</p> -<p class="par">—„Alsof de Fransche Huguenoten zich daarom -bekommerden!” zei hij. „Die van Rotseel rusten schepen uit -en randen den Spanjaard aan, waar zij kunnen. De Spanjolen en de papen -zijn vijanden van allen, die van de religie zijn.”</p> -<p class="par">—„En jelui zijn van de Gereformeerde -religie?”</p> -<p class="par">—„Laat de jonker maar eens naar den mastkorf -kijken!” lachte Tamme Abels, die naderbij was gekomen.</p> -<p class="par">Jacob keek naar boven en zag, hoog aan den grooten mast, -een vreemdsoortig voorwerp bevestigd, dat hij met eenige moeite als een -hostiekast herkende, blijkbaar <span class="pagenum">[<a id="pb324" -href="#pb324" name="pb324">324</a>]</span>van het altaar van een -geplunderde Roomsche kerk afkomstig.</p> -<p class="par">—„Als wij papen vangen,” zei de -schipper, „laten we hen hier op het dek de mis lezen, -vóór we ze de voeten spoelen. Ik zeg maar: als zij hun -god Melis hoog vereeren, Tamme Abels vereert hem nog veel hooger! Hij -hangt hem in den mast!”</p> -<p class="par">De Geuzen, die in de nabijheid waren, lachten luide en -ook de Welle knikte goedkeurend. Ruwe bespotting van wat den -tegenstander heilig was, was voor hen allen een zeer gewone zaak. -Wanneer een edelman en een geleerde als Marnix in zijn -„Bieenkorf” de Roomsche leeringen en ceremoniën door -het slijk sleurde, wat kon men dan van het onbeschaafde volk -verwachten?</p> -<p class="par">’t Was een avontuurlijk leven, dat de stoute -gasten, de bemanning van de kleine krapschuit, voerden. ’t Waren -eigenlijk niet anders dan zeeroovers, die rondzwervende Geuzen, en dat -wisten zij zelve zeer goed. Maar zij schaamden er zich volstrekt niet -voor. ’t Was een beroep als een ander. Van den ouden stuurman, -die gaarne praatte, als hij er tijd en gelegenheid voor had, vernam -Jacob, dat langs de kusten van de Noordzee, zoowel in Engeland en -Schotland als in de Duitsche landen, Denemarken en Noorwegen, zee- en -strandroof bij de kustbewoners als volkomen geoorloofd gold, en, -tusschen het visschers- en zeevaardersbedrijf door, algemeen werd -uitgeoefend. De denkbeelden uit den ouden Heidentijd waren nog lang -niet uitgeroeid. De bewoners van de kust en van de eilanden leefden van -de zee. Wat die hun bracht, was hun buit. Op zee gold geen wet en geen -recht, dan het recht van den sterkste. Een Terschellinger vertelde, hoe -hij en zijne dorpsgenooten de koopvaarders in donkere, stormachtige -nachten deden stranden, doordat ze een koe, met den kop aan de -voorpooten gebonden en een lantaarn tusschen de hoorns, over het duin -joegen, zoodat de zeelieden, die het dansende <span class= -"pagenum">[<a id="pb325" href="#pb325" name= -"pb325">325</a>]</span>schijnsel zagen, meenden, dat het het toplicht -van een schip was, dat daar een veilige ligplaats, had gevonden. -’t Verhaal werd luid toegejuicht. Strooptochten te land, tegen -kerken en kloosters, als er gelegenheid toe was, maar ook tegen -weerlooze visschersdorpen langs de Hollandsche kusten, die werden -geplunderd en gebrandschat, waren voor deze zeewolven een gewoon -bedrijf. Hun hand was tegen allen en de hand van allen was tegen hen, -en hun aanvoerder, de jonge Tamme Abels, met zijn hoekigen Frieschen -kop en zijn koude, staalblauwe oogen, ging hun in woestheid en -wreedheid voor.</p> -<p class="par">’t Scheen, dat de schipper begreep, dat zijne -gasten van een ander slag waren, dan hij en zijne makkers. De -vreemdelingen waren gastvrij ontvangen en hadden hun deel gekregen van -den soberen scheepskost,—hard brood, gedroogde visch en bier, -maar in den loop van den dag trad Tamme Abels Jacob op zij en stelde -hem voor, hem naar den Franschen kaper te laten brengen, waar hij zeker -goed ontvangen zou worden. De krapschuit was toch al overbemand; plaats -in de slaapkribben was er niet. Op het groote razeil zou dat alles -beter gaan.</p> -<p class="par">Jacob en de Welle stemden toe en de krapschuit hield op -den Franschman en heesch een sein, dat van het razeil beantwoord werd. -Het groote schip loefde op, tot de beide vaartuigen elkander tot op -betrekkelijk korten afstand genaderd waren. De boot werd gestreken en -bemand, en weldra stonden de beide Vlamingen met Tamme Abels, die hen -had willen vergezellen, op het achterdek van den Franschen kaper.</p> -<p class="par">Ze werden er ontvangen door den kapitein, die zich een -oogenblik verwonderd toonde, toen Jacob Martens hem in beschaafd -Fransch aansprak, maar zich onmiddellijk herstelde en zich hoffelijk -bekend maakte als de sieur d’Esprenay, commandant van het goede -schip „la bonne Fortune” van La Rochelle, en verklaarde, -dat zijne beide gasten hem welkom waren. Toen verontschuldigde -<span class="pagenum">[<a id="pb326" href="#pb326" name= -"pb326">326</a>]</span>hij zich, omdat hij nog iets met Abels te -bespreken had. De beide bevelhebbers bedienden zich van het -Strand-Friesch, hetzelfde dialect, dat de Friesche Geuzen met de -Vlamingen spraken en dat veel overeenkomst vertoonde met het -Strand-Engelsch, en, als de algemeene zeemanstaal op de Noordzee en -hare kusten, door alle zeelieden verstaan werd. Weldra was het gesprek -geëindigd en keerden de Friesche Geuzen naar de krapschuit -terug.</p> -<p class="par">De sieur d’Esprenay verzocht zijne beide gasten -hem naar zijne kajuit te volgen. Hij bleek een Huguenoot, die, zooals -velen van zijn tijd- en geloofsgenooten, aan een oprechte liefde voor -de Gereformeerde religie, een bitteren haat tegen de Roomschen en -vooral tegen de Spanjaarden paarde. Hij was de jongere zoon van een -verarmd, adellijk geslacht en had een kaper uitgerust, om zijn fortuin -op zee te beproeven. Een zeeroover was hij niet: de Engelsche -koopvaarders, de schepen der oude Duitsche Hanzesteden liet hij -ongemoeid. Maar Spanje was in die dagen de eerste zeemogendheid en de -Nederlandsche erflanden van Koning Philips waren rijk. De Spaansche en -Nederlandsche koopvaarders werden door de kapers van la Rochelle -genomen en gerantsoeneerd, al was Spanje niet met Frankrijk in oorlog. -De Huguenoten hielden Philips met zijne Spaansche Inquisitie voor hun -doodsvijand en lachten om de protesten en bedreigingen van de Regeering -te Parijs.</p> -<p class="par">Dit alles vertelde de sieur d’Esprenay aan zijn -beide gasten, nadat hij met hoffelijke belangstelling naar het verhaal -hunner lotgevallen had geluisterd. Hij was een vurig bewonderaar van -den admiraal de Coligny en hij troostte Jacob Martens met de hoop op -een bondgenootschap van den Prins van Oranje en de hoofden der -Huguenoten, dat in die dagen algemeen werd verwacht. Hij beschouwde den -zee-oorlog, dien hij voerde, als een eerlijken krijg tegen den -gemeenschappelijken vijand der religie. Tamme Abels en zijne Friesche -Geuzen waren in zijne oogen <i>vilains</i> en zeeroovers, <span class= -"pagenum">[<a id="pb327" href="#pb327" name="pb327">327</a>]</span>maar -hij had „admiraliteit met hen gemaakt”, omdat zij de -Zeeuwsche en Vlaamsche wateren en kusten goed kenden en hij verwachtte -Spaansche en Nederlandsche koopvaarders, die, vóór de -winterstormen begonnen, de haven van Antwerpen zouden willen bereiken. -Nadat hij vernomen had, dat Jacob Martens bij Austruweel als officier -in het leger van Brederode had meegevochten, bood hij hem terstond een -plaats als <i>cadet</i> op de „bonne Fortune” aan. De Welle -zou als <i>contre-maître</i> deel uitmaken van de bemanning. De -zeevaart en den oorlog ter zee zouden mannen van ervaring als zij -spoedig leeren, verzekerde de hoffelijke Franschman met een -glimlach.</p> -<p class="par">De beide mannen sloegen toe. Waarheen zouden zij anders -gaan, ballingen als zij waren? En het zou immers gaan tegen den -Spanjool, den onderdrukker van hun land en den vijand der religie?</p> -<p class="par">En nu verontschuldigde zich de sieur d’Esprenay. -Hij had zijn plichten als bevelhebber en schipper. Hij noodigde Jacob -Martens voor het avondmaal aan zijn tafel. Tot zoolang konden zijne -gasten het schip bezichtigen. Den volgenden dag zouden zij hun dienst -aanvangen. Met een beleefde buiging nam hij afscheid van hen.</p> -<p class="par">Van de ontvangen vergunning maakten de beide mannen -gaarne gebruik. Ze hadden in de haven van Antwerpen de groote -handelsschepen zien liggen: Spaansche en Portugeesche kraken en -galjassen; Duitsche hulken en korveelen, maar zij hadden zich nimmer op -zulk een groot vaartuig bevonden.</p> -<p class="par">De „bonne Fortune” was, als de meeste -oorlogsschepen van die dagen, een koopvaarder, uitgerust tot den krijg -ter zee. ’t Schip had een grooten mast, met machtige raas en -stengen en een veel lageren bezaans- en fokkemast. De achtersteven was -zeer hoog uitgebouwd. In het achterschip bevonden zich de versterkte -kajuit van den kapitein, de kruitkamer, het wapenmagazijn en het logies -voor de officieren. <span class="pagenum">[<a id="pb328" href="#pb328" -name="pb328">328</a>]</span></p> -<p class="par">Midscheeps lag de „bonne Fortune” vrij laag -op het water. De voorplecht was weer iets hooger en op het voordek -bevond zich eveneens een stevig getimmerte van eiken balken en planken, -van schietgaten voorzien en bestemd voor het logies van de -onderofficieren en voor de verdediging van het schip.</p> -<p class="par">De „bonne Fortune” voerde achttien stukken, -volgens de gewoonte van den tijd van uiteenloopend kaliber. ’t -Waren grootendeels korte ijzeren kartouwen en halve kartouwen. Op den -voor- en achtersteven bevonden zich een paar koperen draaibassen van -kleiner kaliber, Spaansche <i>pattararo’s</i>, vermoedelijk -afkomstig van een buitgemaakten, gewapenden koopvaarder. De marsen van -den grooten mast waren versterkt en voorzien van zware bussen. Van -hieruit kon men, bij een scheepsgevecht, het dek van den vijand met -musketvuur en handgranaten bestoken. Langs de verschansing lagen, -opgerold en weggestouwd, „de boevenetten”, die werden -opgehaald en gespannen, om een entering te voorkomen of af te slaan. In -rekken, bij den grooten mast, stonden bussen, van verschillend kaliber -en van allerlei soort: van de eenvoudige <i>arquebuse</i> of handbus -tot de lange, zware Spaansche haakbus, die toen in gebruik begon te -komen, en in het wapenmagazijn bevonden zich korte pieken, enterbijlen -en houwers, voor de enteraars.</p> -<p class="par">Uit alles bleek, dat de sieur d’Esprenay een -commandant was, die orde en tucht op zijn schip wist te handhaven. De -wapenen waren goed onderhouden en blank gepoetst.</p> -<p class="par">De bemanning maakte een flinken indruk, al was zij uit -zeer verschillende bestanddeelen samengesteld. Bedaarde, ernstige -Normandiërs werkten er naast forsche Bretons en kleine, levendige -Picardiërs. ’t Waren weer heel andere mannen, dan de -Hollanders en Friezen, die hij voor korten tijd verlaten had, en zij -waren beter aan krijgstucht gewend, dan de woeste zeeroovers van Tamme -Abels. <span class="pagenum">[<a id="pb329" href="#pb329" name= -"pb329">329</a>]</span></p> -<p class="par">Toen de avond begon te vallen, en de lantaarns werden -uitgehangen, kwam een hofmeester jonker Martens waarschuwen, dat de -kapitein hem wachtte. Een matroos bracht de Welle naar het verblijf der -onderofficieren.</p> -<p class="par">De sieur d’Esprenay stelde Jacob aan zijn -luitenant voor, die de maaltijden in de kajuit gebruikte. ’t Was -een lange, zwijgende Huguenoot, uit La Rochelle, een man met een barsch -uiterlijk, maar, zooals de kapitein hem later verzekerde, een dapper -man en een uitstekend zeeman. Aan het benedeneind der tafel stond een -nog jong man, in ’t zwart, met een platte, vierkant gesneden -kraag van wit linnen, dien de commandant met een handbeweging -voorstelde als M. le ministre. ’t Was de predikant van het schip, -want, evenals de latere Watergeuzen, hadden deze Fransche kapers steeds -een geestelijke aan boord.</p> -<p class="par">Men ging aan tafel, nadat de predikant een kort gebed -had uitgesproken. De sieur d’Esprenay wilde blijkbaar gaarne meer -van zijn gast weten en hij lokte door handige vragen Jacob uit, hem -zijne geschiedenis te verhalen. De Franschman was goed op de hoogte -omtrent wat er in de laatste jaren in de Nederlanden was voorgevallen. -De aanslag op de Zeeuwsche steden zou volgens hem een goed plan zijn -geweest, als er een algemeene opstand op had kunnen volgen. Maar de -onderneming was niet goed voorbereid. De slag bij -Austruweel,—bah! une bêtise! Jammer, bloed te vergieten en -de beste krachten op te offeren voor een onderneming, die geen kans had -van slagen. <span class="corr" id="xd24e5007" title= -"Bron: Bréderode">Brederode</span>? Een dapper man, maar geen -veldheer en nog minder staatsman. De opstand van Valenciennes? Al even -ondoordacht en onvoorbereid! Werk van dwepende predikanten en hun -aanhang. Toch achtte hij de zaak der Vlaamsche, Brabantsche en -Hollandsche Gereformeerden nog niet verloren, zelfs niet sinds de komst -van Alva, maar zij moesten zich aansluiten bij de Coligny, bij de -Fransche Huguenots, tot een machtige protestantsche <span class= -"pagenum">[<a id="pb330" href="#pb330" name= -"pb330">330</a>]</span>partij, die zoowel de Guises als Philips ontzag -zou inboezemen en die steun zou ontvangen van Engeland.</p> -<p class="par">Dat was blijkbaar ook de meening van Oranje, want hij -onderhandelde met de hoofden der Huguenots.</p> -<p class="par">En Jacob luisterde, en stemde toe en verwachtte, als al -zijn tijdgenooten, véél van zulk een verbond. En geen van -de beide mannen kon toen gissen, welk lot binnen weinige jaren de -Coligny en de zijnen zou wachten, en dat de zaak der vrijheid en der -Reformatie ten slotte geen andere voorvechters zou hebben dan de zonen -der zwakke Nederlandsche gewesten zelve, en dat die gewesten geen -anderen bondgenoot zouden hebben, dan dien van Willem van -Oranje,—den Potentaat der Potentaten.</p> -<p class="par">Den volgenden dag aanvaardde Jacob Martens zijn dienst -als officier op de „bonne Fortune” en hij zou weldra -gelegenheid hebben, kennis te maken met den bloedigen zeeoorlog der -Fransche en Nederlandsche kapers tegen Spanje.</p> -<p class="par">Het weder bleef fraai en de zee was kalm en vlak. Met -een lichten bries uit het Noorden stevende het groote razeil, statig -voortglijdende over het water, langzaam in de richting van het Kanaal. -Men kon den geheelen nacht het toplicht van de krapschuit duidelijk -waarnemen, die dichter onder de kust kruiste. Jacob Martens deelde de -wacht van den kapitein: hij moest nog aan den dienst op een schip van -oorlog wennen.</p> -<p class="par">Toen de dag aanbrak werd een uitkijk geplaatst in het -„kraaiennest”, een ton in den top van den grooten mast, om -uit te zien naar de koopvaarders, die de kapers verwachtten. Tegen tien -uur in den morgen klonk de lang verbeide waarschuwingskreet: een zeil -vooruit!</p> -<p class="par">De lange luitenant—de man heette Thierry, maar de -matrozen noemden hem „le Goëland”, de Meeuw, om zijn -scherp gezicht,—enterde langzaam naar boven, en bleef een poos -bij den matroos in den mastkorf. <span class="pagenum">[<a id="pb331" -href="#pb331" name="pb331">331</a>]</span>Toen klom hij even bedaard -naar beneden, begaf zich naar de campagne en rapporteerde den sieur -d’Esprenay, dat vooruit een groot schip tegen den wind laveerde, -een <i>kraak</i>, naar haar tuigage te oordeelen, waarschijnlijk een -Spanjool.</p> -<p class="par">Met een tevreden grimlach beval de kapitein de -krapschuit te seinen en alles klaar te maken voor het gevecht; want de -Spaansche koopvaarders waren gewoonlijk gewapend en aan moed ontbrak -het hun bemanning niet.</p> -<p class="par">Een luid gejuich ging op onder de matrozen, die bij het -achterdek opeengedrongen stonden, om op de bevelen van den commandant -te wachten en allen togen aan het werk. Onder toezicht van den -luitenant en Jacob Martens werden de stukken losgesjord en geladen, de -baskamers werden evenzeer geladen en bij de kanonnen geplaatst, een -aantal schutters met handbussen en armborsten begaven zich naar het -voorkasteel, anderen bemanden de marsen, terwijl de korte pieken, -enterbijlen en houwers werden rondgedeeld. En inmiddels doorkliefde de -„bonne Fortune” statig de golven en naderde meer en meer -haar prooi.</p> -<p class="par">Langzaam dook de romp van het schip uit de golven op. Er -was geen twijfel aan: een Spaansche kraak!</p> -<p class="par">Een kort bevel klonk van de campagne van de „bonne -Fortune”. Een kanonschot donderde over de golven. Tegelijk liet -de sieur d’Esprenay de koningsvlag met de lelies van Frankrijk -waaien, terwijl aan den fokkemast de vlag van den kapitein werd -geheschen: drie gulden baren op lazuren veld.</p> -<p class="par">Een oogenblik van spanning: toen een schorre juichkreet -van de bemanning van de „bonne Fortune”. Aan den grooten -mast van de kraak woei het St. Andrieskruis van Spanje. Maar inmiddels -had de Spanjool begrepen, welke gevaarlijke vijand daar naderde. Er was -leven en beweging op het dek en in de tuigage.</p> -<p class="par">—<span class="corr" id="xd24e5042" title= -"Niet in bron">„</span>Hij wendt! Hij wil ons ontloopen!” -zei de sieur d’Esprenay tot Jacob Martens. <span class= -"pagenum">[<a id="pb332" href="#pb332" name="pb332">332</a>]</span></p> -<p class="par">En inderdaad scheen de kraak een poging tot ontvluchting -te willen wagen. Hij had den steven gewend en zeil bij zeil bedekte de -breede raas. Ook de „bonne Fortune” zette alle zeilen bij, -die de masten dragen konden.</p> -<p class="par">—„Hij wil trachten de haven van Duinkerken -binnen te loopen,” meende de kaperkapitein. „Maar ’t -zal hem niet gelukken!”</p> -<p class="par">Ondertusschen scheen het, alsof de omstandigheden het -Spaansche schip gunstig waren. De bries, die de „bonne -Fortune” zoo statig over het water deed glijden, verflauwde meer -en meer. Er was bijna geen wind. De zeilen hingen slap tegen de -masten.</p> -<p class="par">De beweeglijke Franschman liep driftig op zijn campagne -heen en weer. De Spanjool was nog niet onder het bereik zijner -kanonnen.</p> -<p class="par">De mannen stonden met de brandende lont in de hand bij -de stukken en keken vragend naar den luitenant. Deze schudde het -hoofd.</p> -<p class="par">—„Te ver!” zei hij kortaf. „Wij -moeten fluiten om den wind!”</p> -<p class="par">Eensklaps hield hij de hand boven de oogen.</p> -<p class="par">—„Bravo, les Frisons!” riep hij -uit.</p> -<p class="par">De kapitein van de kraak had, in zijn ijver, om den -kaper te ontkomen, niet gelet op de kleine krapschuit, die schijnbaar -argeloos voortzeilde, dicht onder de kust, zooals een visscher zou -doen, die, met zijn vangst aan boord, huiswaarts keerde. Tamme Abels -had zijn culverijn met een zeil bedekt en de grootste helft zijner -Geuzen last gegeven, zich in het vooronder schuil te houden. Het lichte -en vlugge vaartuig was de kraak ongemerkt al meer en meer genaderd. Nu -de wind ging liggen, zag men, dat de zeilen werden ingenomen; over het -lage gangboord plonsten twee korte riemen aan de loefzijde in het -water. De krapschuit veranderde van koers en hield op den Spanjool aan. -Tamme Abels wierp het masker af. Zijn mannen waren op de voorplecht -bezig met het lange kanon, en de schuit, <span class="pagenum">[<a id= -"pb333" href="#pb333" name="pb333">333</a>]</span>nu in een galei -veranderd, naderde, trots de windstilte, de kraak al meer en meer.</p> -<p class="par">Dit had „le Goëland” gezien en vandaar -zijn uitroep.</p> -<p class="par">De geheele bemanning van de „bonne Fortune” -was aan de lijzijde van het schip samen gedrongen om naar de bewegingen -van het stoutmoedige, kleine vaartuig te zien. Weldra was de kraak -binnen het bereik van het lange stuk. Een witte rookwolk—en -eenige oogenblikken daarna dreunde een doffe knal over de golven.</p> -<p class="par">—„Te laag!” mompelde de luitenant, die -alles scheen te zien.</p> -<p class="par">Men zag een rookwolk aan de lijzij van de kraak opgaan -en weer klonken er een paar flauwe slagen.</p> -<p class="par">—„De Don wil vechten, mon capitaine!” -zei luitenant Thierry. „Hij voert lichte caronnades. Maar ze -worden slecht bediend!”</p> -<p class="par">—„’t Zal hem niet veel baten!” -meende de sieur d’Esprenay. „Ha, een goed schot!”</p> -<p class="par">Weer schoot een witte rookwolk van de voorplecht der -krapschuit omhoog en nog vóór men den knal van het zware -stuk hoorde, zag men den grooten mast van de kraak waggelen, nog een -oogenblik en het gevaarte sloeg met zijn wolk van witte zeilen over -boord. Het groote schip lag reddeloos.</p> -<p class="par">Een luide juichkreet ging op aan boord van den kaper. De -buit kon hun niet meer ontgaan.</p> -<p class="par">—„Wind! Geef wind, Seigneur Dieu!” -riep de sieur d’Esprenay stampvoetend. „De Friezen gaan -anders met de eer en den buit strijken.”</p> -<p class="par">En inderdaad scheen zijne vrees niet ongegrond. Nog -éénmaal klonk de doffe donder van den culverijn over de -zee en toen schoot de krapschuit weg in de schaduw van het groote -schip, en men hoorde flauw in de verte de slagen der handbussen en het -gejoel van den strijd. Tamme Abels en de zijnen hadden de kraak -geënterd.</p> -<p class="par">—„Heeft hij gestreken?” vraagde de -kapitein.</p> -<p class="par">Luitenant Thierry schudde ontkennend het hoofd en -<span class="pagenum">[<a id="pb334" href="#pb334" name= -"pb334">334</a>]</span>wees naar de kraak. Aan den bezaansmast woei -weer de Spaansche koningsvlag. De Spanjaarden wisten, wat hun wachtte -en zij zouden zich tot het uiterste verdedigen.</p> -<p class="par">—„Ha, eindelijk wind!” riep de sieur -d’Esprenay.</p> -<p class="par">De hemel was niet zoo strak blauw meer. Er vertoonden -zich witte koppen aan den horizon. Een donkere streep kroop uit het -Noord-Westen over het water en daarachter vertoonden zich witte koppen. -De „bonne Fortune” helde licht over onder den druk van de -bries.</p> -<p class="par">Het fluitje van den bootsman gilde. De matrozen klommen -in het want, om de raas naar den wind te brassen en de „bonne -Fortune” schoot als een roofvogel op haar prooi af.</p> -<p class="par">Van de stukken kon geen gebruik worden gemaakt, want op -het dek woedde een hevig gevecht en men kon geen vrienden van vijanden -onderscheiden, maar de marsen waren bemand en de matrozen van den kaper -stonden gereed, om den vijand te enteren.</p> -<p class="par">Toen men naderde, kon men den stand van het gevecht -onderscheiden. Hoewel zij verre in de minderheid waren, drongen de -Geuzen onversaagd, met bijlen, knevelspeten en messen op de Spanjaarden -in, die zich op de achterplecht om hun kapitein hadden geschaard en -zich dapper verdedigden. Weldra begonnen nu echter de busschieters uit -de marsen van de „bonne Fortune” aan den strijd deel te -nemen. „Le Goëland” had een van de patteraro’s -op den achtersteven met schroot en gekapt lood doen laden. Hij zelf -bediende het stuk en toen de kaper de kraak langs zij schoot, richtte -hij het lichte kanon op de donkere groep der Spaansche zeelieden en -brandde los. Op zoo korten afstand deed het schroot een -verschrikkelijke uitwerking. Vele Spanjaarden vielen en de overigen -geraakten in verwarring en zochten hun heil in de achterkajuit. Luid -juichend drongen de Friezen vooruit en toen een oogenblik daarna de -enterdreggen van de „bonne Fortune” vasthaakten in het want -van de kraak en de Fransche <span class="pagenum">[<a id="pb335" href= -"#pb335" name="pb335">335</a>]</span>kapers als katten over de -verschansing klauterden, was de strijd spoedig beslist. De meeste -Spanjaarden waren gevallen, de overigen werden ontwapend en gaven zich -over. Onder een luid gejuich werd de Spaansche vlag gestreken en de -overwinnaars drongen in de kajuiten en in het ruim, om den buit op te -nemen.</p> -<p class="par">Na eenigen tijd voegden zich luitenant Thierry, Tamme -Abels en Jacob Martens bij den sieur d’Esprenay op het achterdek -van de „bonne Fortune” en er werd een soort van -officierenraad belegd. De buit was aanzienlijk, want de kraak was -geladen met huiden en Spaanschen wijn en men had daarenboven een groote -som baar geld gevonden, die bestemd was voor een der handelshuizen te -Antwerpen. Indien men het schip naar een Engelsche haven had kunnen -opbrengen, zou men de lading tot hoogen prijs hebben kunnen verkoopen. -De kaperkapitein en Tamme Abels achtten het avontuur echter te -gevaarlijk. Men was te dicht bij Duinkerken en uit die haven konden elk -oogenblik gewapende schepen komen opdagen, om de stoute zeeschuimers -hun prooi afhandig te maken. Er werd dus besloten, het geld en de -gevonden kostbaarheden terstond te verdeelen, de lading zooveel -mogelijk te bergen en dan de kraak in brand te steken.</p> -<p class="par">Over de verdeeling van den buit was men het spoedig -eens.</p> -<p class="par">Aan de Geuzen van Tamme Abels kwam de eer toe, het -vijandelijke schip het eerst te hebben geënterd en de Fransche -kapitein was te edelmoedig hun die te betwisten. De zaak was spoedig -tot algemeen goedvinden geregeld.</p> -<p class="par">En ondertusschen had er op het dek van de kraak een -droevig tooneel plaats. De gevangen genomen Spaansche matrozen stonden -bleek en zwijgend op het achterdek bijeen, bewaakt door gewapende -kapers en Geuzen, die de overwonnen vijanden met ruwen spot hoonden. De -gevangenen wisten trouwens wat hun te wachten stond. ’t Was een -ruwe tijd en volgens het <span class="pagenum">[<a id="pb336" href= -"#pb336" name="pb336">336</a>]</span>oorlogsrecht op zee was er geen -genade voor den overwonnen vijand, wanneer hij niet door een rantsoen -zijn leven kon koopen. Eerst werden de gewonde Spanjaarden onder luid -gelach en verwenschingen over boord geworpen en toen begon het laatste -bedrijf van het bloedig drama. Een lange plank werd aangesleept en over -de verschansing gestoken, zoodat het langste eind buiten boord stak, en -de gevangenen werden één voor één -genoodzaakt die noodlottige brug te betreden. Nog voor het einde was -bereikt, wipte de plank en het slachtoffer stortte in het water, onder -luid gejuich van zijn beulen. Sommige Spanjaarden gingen kalm en moedig -den dood tegemoet, anderen smeekten om genade en moesten met de punt -van de enterpieken en bootshaken de plank opgedreven worden. Sommigen -hadden hun rozenkrans voor den dag gehaald en wachtten biddend tot de -beurt aan hen zou komen, en dezen werden door de Geuzen hoonend naar de -hostiekast in den mast van de krapschuit gewezen, waar immers hun God -woonde. Weldra waren de Spanjaarden in de golven verdwenen. Men had hun -„de voeten gespoeld”.</p> -<p class="par">Een paar ongelukkigen, die zwemmen konden, hielden zich -boven water en trachtten zelfs tegen het lage boord van de „bonne -Fortune” op te klauteren, maar met pieken en handspaken werden -zij terug gestooten en zonder medelijden zag men hen worstelen met den -dood, tot zij uitgeput wegzonken in het woelige water.</p> -<p class="par">Een jong Spaansch matroos, bijna nog een knaap, rukte -zich los, toen de beurt aan hem kwam. Met een sprong was hij op de -verschansing van de kraak en van daar in het want van de „bonne -Fortune”. Vóór de hem vervolgende kapers hem konden -grijpen, had hij het achterdek bereikt en liet zich neervallen voor de -voeten van den Franschen edelman, wiens voeten hij omklemde.</p> -<p class="par">—„Misericordia! Per l’amor de -Dios!” gilde hij in doodsangst. <span class="pagenum">[<a id= -"pb337" href="#pb337" name="pb337">337</a>]</span></p> -<p class="par">Maar een paar der Fransche matrozen, met Pieter de Welle -aan het hoofd, waren hem nagerend en sleurden hem overeind.</p> -<p class="par">De kaperkapitein haalde de schouders op. Jacob Martens -deed een stap vooruit en sloeg onwillekeurig de hand aan den degen.</p> -<p class="par">—„De Welle!” riep hij dreigend. -„Laat den jongen, of...”</p> -<p class="par">—„Mieke was ook nog jong!” beet de -oude Geus hem onbarmhartig toe. „Voort met den -Spanjool!”</p> -<p class="par">De luitenant greep Jacob bij den arm.</p> -<p class="par">—„Laat dat, jonker!” zei hij met -gedempte stem. „De mannen zijn in hun recht en zouden u niet -gehoorzamen.”</p> -<p class="par">En onder luid gejuich werd het gillende en worstelende -slachtoffer voortgesleurd naar de noodlottige plank.</p> -<p class="par">Bleek en vol afschuw wendde Jacob zich af. Hij had mede -de kraak geënterd en in het gevecht had hij zich dapper geweerd, -maar deze koelbloedige moord, gepleegd op weerlooze gevangenen en -gewonden, deed hem huiveren. De sieur d’Esprenay merkte het -op.</p> -<p class="par">—„Geen prettig gezicht, jonker -Martens,” zei hij luchtig. „Maar wat wilt gij? ’t Is -zóó het gebruik en het recht van de zee! En -dan,—heden zij, morgen wij! Als wij in de handen van de Spanjolen -waren gevallen, zouden ze ons ook niet hebben gespaard! Den strop of -het water! Of in het gunstigste geval, roeien op de Spaansche galeien, -met de zweep van den opzichter op onze bloote ruggen! Dat is erger dan -de dood! Maar dat is het leven van den zeeman! Wij en zij, wij weten -wat ons te wachten staat, als wij de zwaksten zijn. ’t Is een ruw -leven,—maar ge zult er wel aan wennen.”</p> -<p class="par">Luitenant Thierry en Tamme Abels kwamen rapporteeren, -dat het schip was geplunderd en de buit verdeeld en zoo goed mogelijk -geborgen. De kaperkapitein knikte goedkeurend. De Friezen en een paar -matrozen <span class="pagenum">[<a id="pb338" href="#pb338" name= -"pb338">338</a>]</span>van de „bonne Fortune” gingen met -brandende lonten en oud geteerd touwwerk aan boord van de kraak. Weldra -steeg uit het ruim een dunne rookzuil op. Ondertusschen had de -bemanning van den kaper de enterdreggen losgemaakt. Toen allen weer aan -boord waren, werd terstond afgehouden en zeil gemaakt. De beide schepen -zetten koers naar het Zuid-Westen, om een der naastbij liggende -Engelsche havens te bereiken, waar zij hun buit van de hand konden -doen. Weldra sloegen de vlammen uit het ontredderde Spaansche schip. -Als een reusachtige vuurbaak dreef het, bij het vallen van den vroegen -herfstavond, op de woelige zee en de koningsschepen uit Duinkerken -konden, als zij lust hadden, komen zien naar het werk der koene kapers, -die bij tientallen de Noordzee en hare kusten onveilig maakten en die -weldra den gevreesden naam van de Watergeuzen zouden dragen. -<span class="pagenum">[<a id="pb339" href="#pb339" name= -"pb339">339</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e4898" href="#xd24e4898src" name="xd24e4898">1</a></span> En geen -tweehands zwaarden, zooals Hofdijk ten onrechte <span class="corr" id= -"xd24e4900" title="Bron: schrijf">schrijft.</span> <a class= -"fnarrow" href="#xd24e4898src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XVII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">De Zeeuwsche of Vlaamsche visschers of -kustvaarders, die in den morgen van den 30sten Maart -1572—Palmzondag—op de Noordzee, ter hoogte van Duinkerken, -rondzwalkten, zouden in ’t Zuiden zeil op zeil aan den horizon -hebben zien opdoemen, een talrijke vloot, die door den krachtigen -Zuid-Westenwind voortgedreven, met volle zeilen uit het Kanaal kwam -stevenen. En wanneer hij aan masten en stengen de kleuren had kunnen -onderscheiden, het Oranje-blanje-bleu in drie, zes of zelfs negen -banen, dan zou hij haastig het roer hebben gewend, om de beschermende -nabijheid der zandbanken aan de kust op te zoeken. Want die -kleuren—weldra het symbool der vrijheid en der verlossing uit -vreemde dwingelandij—waren thans voor hem nog een bedreiging; -immers zij, die ze voerden, ontzagen ook de schepen en de have van den -landgenoot niet, dien zij als bewoner van de erflanden van den -Spaanschen koning als vijand beschouwden. En terwijl hij alle zeilen -bijzette, om uit het vaarwater der snel naderende schepen te komen, zou -hij wellicht met een verwensching de vuist hebben gebald en een naam -hebben gemompeld, die de zeevarenden en de bewoners der Hollandsche, -Zeeuwsche en Vlaamsche kusten sedert eenige jaren met vreeze vervulde: -de Watergeuzen!</p> -<p class="par">De Watergeuzen! De ballingen, die, uit het land hunner -geboorte verdreven, op zee een toevluchtsoord hadden gezocht en in den -zeeroof een middel van bestaan, <span class="pagenum">[<a id="pb340" -href="#pb340" name="pb340">340</a>]</span>waren verbazend snel in -aantal toegenomen. Eerst eenzame zwervers, hadden zij zich weldra tot -kleine eskaders vereenigd, sterk genoeg om de vloten van gewapende -koopvaarders aan te vallen, om roof- en plundertochten te land te -ondernemen. Zoo waren zij de schrik der zeeën geworden, een gevaar -voor den handel en de scheepvaart, en de weinige Placaetschepen, -waarover Boschhuyzen, Alva’s admiraal, kon beschikken, waren niet -voldoende om de vlugge, stoutmoedige kapers te bedwingen, die in Embden -en La Rochelle, in Duins en in Dover vrijhavens vonden, waar zij hun -buit te gelde konden maken, en zich van mondvoorraad en munitie konden -voorzien.</p> -<p class="par">Toen was de Prins op het denkbeeld gekomen, om deze -woeste, maar dappere mannen te organiseeren en hun roofzucht dienstbaar -te maken aan de zaak der vrijheid. In 1568 had Lodewijk van Nassau de -eerste „bestellingen ter zee” uitgereikt aan Diederik van -Sonoy, kaperbrieven, die de tuchtelooze piraten tot oorlogvoerenden -maakten, in den dienst van den Prins van Oranje, een onafhankelijk -Vorst des Rijks, tegen Alva en diens aanhangers, ook tegen de -Spanjaarden, al werd koning Philips II in naam nog erkend als de -wettige vorst dezer landen. De Watergeuzen zouden zich aan een zekere -tucht onderwerpen. Adriaan van Bergues, Heer van Dolhain, werd door den -Prins benoemd tot admiraal der nieuw geschapen zeemacht en er werd een -buitregeling ingevoerd: één derde zou bestemd worden voor -de krijgskas van den Prins, één derde voor de -bevelhebbers, één derde voor de bemanning der -schepen.</p> -<p class="par">De aanvoerders der Watergeuzen waren spoedig gewonnen -voor het plan, waardoor hun oorlogsdaden werden gewettigd en hun aantal -werd versterkt, en de besten hunner zagen zeker ook in hoe belangrijk -de genomen maatregel kon zijn voor de zaak der vrijheid. De -kaperbrieven werden uitgereikt en gretig ontvangen, maar toch werd het -plan nimmer geheel uitgevoerd, <span class="pagenum">[<a id="pb341" -href="#pb341" name="pb341">341</a>]</span>ook niet toen de onbekwame -Dolhain in Augustus 1570 door Guislain de Fiennes, Heer van Lumbres, -werd vervangen. Aan de schatmeesters van den Prins werd nimmer een -penning van de opbrengst van den buit afgedragen en de Watergeuzen -onderwierpen zich evenmin aan het gezag van den hun onbekenden -admiraal. Toen de stoute kapers in Maart 1571 kun kans schoon zagen, om -31 koopvaarders, terugkeerende uit de Oostzee, te nemen, lieten zij die -niet glippen, al waren er ook acht schepen bij, die zich veilig waanden -in het bezit van brieven van vrijgeleide, hun door Lodewijk van Nassau -gegeven. Groot zijn de verdiensten der Watergeuzen geweest voor de zaak -der vrijheid, maar door hun optreden werd de handel der Hollandsche -steden, werd de algemeene welvaart zoo benadeeld, dat een van de eerste -verzoeken der Staten-Generaal, door den Prins op 15 Juli 1572 te -Dordrecht bijeengeroepen, was, de kaperbrieven, de „bestellingen -ter zee”, in te trekken, een verzoek, waaraan door Willem van -Oranje wijselijk werd voldaan.</p> -<p class="par">Toch had de poging tot organisatie der ongeregelde -scheepsmacht belangrijke gevolgen. Een aantal mannen van onbesproken -naam kwamen de vloot der Watergeuzen met hunne gewapende schepen -versterken. Er werd een algemeen reglement van krijgstucht ingevoerd, -en zoo goed mogelijk werd de hand gehouden aan de bepaling, dat zich op -elk schip een predikant moest bevinden, die de godsdienstoefeningen -moest leiden en moest voorgaan in het gebed,—al is het -waarschijnlijk, dat er onder die „bedienaren des Woords” -wonderlijke figuren zijn geweest.</p> -<p class="par">In Maart 1572 lagen er op de reede van Duins en Dover -een vierentwintigtal Geuzenschepen voor anker, om zich uit te rusten -voor nieuwe rooftochten, toen zij van de Engelsche Regeering, die hun -tot nog toe wèlgezind was geweest, plotseling bevel kregen, -onverwijld de Engelsche havens te verlaten. Koningin Elisabeth, die -niet ongaarne zag, dat hare ruwe en rumoerige <span class= -"pagenum">[<a id="pb342" href="#pb342" name= -"pb342">342</a>]</span>gasten den Spaanschen handel afbreuk deden, -durfde toch niet openlijk met Spanje breken. En zoo had zij ditmaal -toegegeven aan Alva’s dringende vertoogen, en den Watergeuzen het -verblijf in hare havens verboden. Zóó onverwacht was het -bevel om te vertrekken gekomen, dat de meeste schepen zelfs den tijd -niet hadden, proviand in te nemen. En nu deden de kapers, wat zij -dikwijls deden, wanneer zij zich vereenigden om een of andere -onderneming te wagen. Zij besloten „admiraliteyt te maken”. -Een der stoutste aanvoerders werd dan tijdelijk tot admiraal verheven -en gehoorzaamd door de andere kapiteins, tot de krijgstocht was -afgeloopen en de behaalde buit verdeeld, om dan weer uiteen te gaan en -op eigen gelegenheid hun zwervend leven voort te zetten. Ditmaal was de -keus gevallen op Graaf Willem van der Marck, Heer van Lumey, den -dapperen, maar woesten vijand der Spanjaarden en priesters, den man, -die de Nazireeërsgelofte had afgelegd, dat hem haren noch baard -zouden worden geschoren, vóór hij den dood van de graven -van Egmond en Hoorne gewroken had. Zijn hooge rang, zijn woeste -dapperheid en zijn krijgsmansgeluk maakten hem voor ’t oogenblik -den aangewezen aanvoerder, al waren er onder de Geuzenkapiteins nobele -en meer bezadigde naturen, die den Luikschen edelman, wiens wilde -wreedheid zij afkeurden, ongaarne volgden.</p> -<p class="par">Maar thans, van hunne vrijhavens in Engeland verstoken, -wisten allen wel, dat zij een stouten slag moesten wagen of anders van -honger en ellende omkomen. Er was thans een sterke vloot bijeen, men -zou ’s konings „placaetschepen” in het Vlie gaan -opzoeken en zoo mogelijk nemen of vernielen, om dan de koopvaarders, -uit de Oostzee komende, buit te maken. Ja, er waren zelfs vage plannen, -om een aanslag te wagen op Enkhuizen, om zoo een steunpunt voor de -vloot te verwerven in het Vaderland, en kapitein Ellert Vliechop, de -Enkhuizer burger, had daarop in den scheepsraad krachtig aangedrongen, -al commandeerde <span class="pagenum">[<a id="pb343" href="#pb343" -name="pb343">343</a>]</span>hij maar een gewapende visschersschuit. Hij -wilde van zijn vaderstad „een jong Rotseel”, een nieuw la -Rochelle maken. „Wij zullen Enkhuizen hebben,” had hij -verklaard, „al zou ik er voor op een rad moeten zitten. Zij -zullen daar niet veel weers doen: wij weten, dat er veel volks -daarbinnen is, ons gunstig gezind.” Nu, de onderneming was -misschien niet onmogelijk,—maar eerst moest gedacht worden aan -den buit. Er moest krijgsvoorraad, er moest leeftocht zijn—en de -Oostvaarders zouden het gelag betalen.</p> -<p class="par">’t Was een wonderlijk mengelmoes, die vloot van -vier en twintig zeilen, die daar noordwaarts het Kanaal uitstevende, -alle koopvaarders of visschersvaartuigen, ten oorlog toegerust. Groote -razeilen van tachtig last, met zestien stukken gewapend, wisselden af -met lage boeiers of kromstevens, zonder voor- en achterkasteel, met -ranke buizen met gaffelzeilen, met gewapende visschersbooten en -krapschuiten en de vlugge vliebooten van twintig tot zestig last.</p> -<p class="par">En behalve de Prinsevlag, die op alle bodems wapperde, -voerde elk vaartuig een scheepsvlag, die, indien de kapitein een -edelman was, de kleuren van zijn geslacht vertoonde. Was ’t een -burger, die den bodem commandeerde, dan liet hij zijn stadsvlag waaien. -En de blazoenen der edelen en de stemmiger kleuren van de wapens der -Hollandsche steden wapperden door elkander; een symbool van de -éénheid van het Nederlandsche volk, dat weldra schouder -aan schouder zou optrekken tegen vreemde tirannie en misbruikt -vorstelijk gezag.</p> -<p class="par">Van den mast van een vlieboot van twintig last, zeilende -in den voortocht, wapperden de roode rozen van het geslacht Martens en -op het achterdek stond Jacob, thans „schipper naast God van zijn -schip” en commandant van zijn eigen oorlogsbodem. Hij had eenige -jaren op de „bonne Fortune” gevaren; hij had den zeeoorlog -leeren kennen, den kaperoorlog op de Noordzee, „sans trêve -ni merci”, waar het de bemanning <span class="pagenum">[<a id= -"pb344" href="#pb344" name="pb344">344</a>]</span>der Spaansche -koopvaarders betrof. Hij had er de eenvoudige stuurmanskunst dier dagen -beoefend, en toen een gewapende vlieboot uit Vlissingen werd -buitgemaakt en naar Dover opgebracht, had de Chevalier d’Esprenay -zijn gast edelmoedig het veroverde vaartuig aangeboden als zijn aandeel -in den buit. Er waren in de Engelsche havens Hollandsche ballingen -genoeg, die zich gaarne lieten aanmonsteren voor een kruistocht, en de -naam van den jongen kapitein, die immers bij Austruweel had gevochten -en die een van de aanvoerders was geweest der Geuzen in -West-Vlaanderen, was goed bekend onder zijne landgenooten. En sedert -voer hij ter kaapvaart voor eigen rekening, met den lastbrief van den -Prins, veelal in eskader varend met zijn vriend, jonker Frederik van -Dorp, den vromen Christen-krijgsman en met Blois van Treslong en -Nicolaes Ruyckhaver. Hij behoorde met hen tot die aanvoerders der -Watergeuzen, die vermaard en bij den vijand gevreesd waren om hun -vermetelen moed, die krijg voerden volgens de zeden van hun tijd, doch -die hun naam nimmer bevlekt hebben door daden van woeste wreedheid, als -zoovelen hunner makkers.</p> -<p class="par">Van de campagne van zijn goede schip „de -Blauvoet” liet kapitein Jacob Martens den blik wijden over de -grauwe golven der Noordzee, thans aan alle kanten verlevendigd door de -bruine en witte zeilen en de kleurige vlaggen der Geuzenvloot. -Vóór hem stevende een groot razeil, getooid met de -kleuren van Barthold Entesz van Mentheda, den stoutmoedigen Frieschen -Geus, die den voortocht commandeerde. De schepen van jonker Frederik -van Dorp en van Nicolaes Ruyckhaver waren met een aantal kleine -vaartuigen in zijn onmiddellijke nabijheid. Overal zag men de masten en -de tuigage van de andere schepen aan den horizon opduiken, in het -midden het zware razeil met het admiraalsvaantje aan de steng, het -schip van Lumey.</p> -<p class="par">De wind was gunstig, de zeilen stonden strak en de -<span class="pagenum">[<a id="pb345" href="#pb345" name= -"pb345">345</a>]</span>roerganger kende zijn taak. Achter hem knarste -de zware roerpen met den „luiwagen” over het dek en de -„Blauvoet” luisterde prachtig naar den druk van het roer en -stoof voort over de witgetopte golven. De bemanning, voor ’t -grootste gedeelte forsche, stoere kerels, waren onder het bevel van den -stuurman bezig met de zeilen en het want of maakten hunne wapenen -schoon. Pieter de Welle, die op de „Blauvoet” als constabel -diende, zag de „bassen” na, de twaalf -„gotelingen” of scheepskanonnen, waarmee het schip was -gewapend.</p> -<p class="par">’t Ging ditmaal „vóór den -wind” inderdaad! Jacob Martens leunde tegen den mast en de -gebeurtenissen van de laatste paar jaren, sinds hij de „bonne -Fortune” betrad, gingen voor zijn geestesoog voorbij. De poging -tot bevrijding van de verdrukte landen, die zoo moedig was ondernomen -en die zoo jammerlijk had gefaald: Heiligerlee en Jemmingen en toen de -inval van Oranje, door het veldheerstalent van Alva zonder strijd tot -mislukking gedoemd. De dood van Egmond en Hoorne, van Anthonie van -Stralen en van Bakkerzeele, en van zoovelen, edelen en eenvoudige -burgers, de slachtoffers, door wier dood de ijzeren hertog den geest -des opstands in de erflanden van zijn meester wilde breken. Toen de -invoering der nieuwe belastingen, van dien beruchten „tienden -penning”, zoo kwellend voor een handeldrijvend volk, nog -ongewoon, om zich door zijn landsheer drukkende lasten te zien -opgelegd. En dan altijd weer de ijdele hoop op hulp uit Frankrijk, -telkens weder teleurgesteld. Wèl lag land en volk gekluisterd -aan de voeten van den geduchten landvoogd. Alleen op zee waren de -Nederlanders vrij, op hun Geuzenvloot! Maar wat zou ’t worden, -als het tot dusverre bevriende Engeland zijne havens voor de schepen -der Geuzen sloot?</p> -<p class="par">En wat hemzelf betrof, hij was thans geheel aan de zaak -der vrijheid verknocht. Zijn vader was niet lang lid geweest van den -Raad van Beroerten. Alva had daar <span class="pagenum">[<a id="pb346" -href="#pb346" name="pb346">346</a>]</span>andere mannen noodig, als -Vargas en Hessels, willige werktuigen in zijn hand. En President -Martens was zijn Kerk en zijn landsheer trouw, maar hij was er de man -niet naar, om het recht te buigen, teneinde de staatkundige plannen van -den hertog te dienen. Sedert lang bekleedde hij weder zijn ouden post -als voorzitter van het Hof van Vlaanderen. Jacobs moeder was gestorven; -onverzoend met haar zoon, in haar oogen een ketter en oproermaker, was -zij heengegaan. Madeleine was gehuwd met Thierry de St. Foy, die thans -hopman was van een Waalsch vendel van Noircarmes en wien zeker een -schitterende toekomst wachtte, als beschermeling van de Croys en -echtgenoot van de rijke erfdochter der de Bettes. Ook zijn zuster was -getrouwd met een Vlaamsch edelman en woonde op diens landgoed bij Gent. -Jacob wist dit alles, want trots Alva en zijn schrikbewind, waren er -nog Hervormden genoeg in Vlaanderen en Brabant, die zich schuil -hielden, maar die toch wel in ’t geheim berichten durfden zenden -aan de ballingen, die steeds waren gericht aan vaste en betrouwbare -adressen in de Engelsche havens of te la Rochelle of Emden. Allen -leefden, naar ’t scheen, tevreden en gelukkig in hun vaderland, -waar ’t gezag des konings was hersteld. Hij was de uitgedrevene, -de verachte Geus, de strijder voor een verloren zaak.</p> -<p class="par">Er kwam plotseling beweging onder de mannen op het dek. -Van het schip van Entesz dreunde een kanonschot. Er werden vlaggen -geheschen en de groote vlieboot veranderde van koers. Zonder een bevel -af te wachten, sprongen de matrozen van de „Blauvoet” in -het want en haalde de roerganger de roerpen over naar bakboord. Ook de -andere schepen wendden den steven en zetten koers naar het -Noord-Oosten.</p> -<p class="par">Kapitein Martens tuurde in de richting, die de -vlaggeseinen aanduidden. Aan den grauwen horizon doken de topzeilen van -twee groote schepen uit de golven op. Koopvaarders! <span class= -"pagenum">[<a id="pb347" href="#pb347" name="pb347">347</a>]</span></p> -<p class="par">Rustig gaf hij zijne bevelen. De masten van de -„Blauvoet” bogen onder den druk der zeilen, de stukken -werden geladen en men maakte zich gereed voor het gevecht, want het was -mogelijk, dat de nagejaagde schepen tegenstand zouden bieden.</p> -<p class="par">Inmiddels hadden de bedreigde koopvaarders de gevreesde -Watergeuzen herkend en ze zetten alle zeilen bij, om hun vervolgers te -ontkomen. Maar de zwaar geladen vaartuigen konden de vlugge vliebooten -niet ontwijken. Ze waren thans duidelijk zichtbaar: „een Biscayer -en een Nederlandsch schip,” beweerden de bevaren zeelieden onder -de Geuzen.</p> -<p class="par">Van het schip van Entesz viel weer een kanonschot: een -teeken voor de vervolgden om bij te draaien. Het scheen, dat de -Biscayer zich te weer wilde stellen. De Spaansche zeelieden wisten wel, -welk lot hun wachtte, wanneer hun schip genomen werd. Toen het bleek, -dat zij hun vervolgers niet konden ontzeilen, minderden zij zeil en -maakten zich klaar voor het gevecht. De Geuzen zagen, dat de -boevenetten waren opgehaald en toen het schip bij den wind oploefde, -zag men de dreigende monden der kanonnen.</p> -<p class="par">Maar ’t was een ijdel vertoon; de overmacht was te -sterk. Eéns brandden de Spaansche stukken los; toen gaf Barthold -Entesz het Spaansche schip de volle laag, en de „Blauvoet” -en het „Zeepaard”, de vlieboot van van Dorp, waren nu ook -dicht genoeg genaderd, om hunne kanonnen te kunnen gebruiken. Reeds -maakten de Geuzen zich gereed, den Biscayer te enteren, toen deze de -vlag streek. Het Hollandsche schip, dat aan den strijd geen deel had -genomen, volgde dat voorbeeld.</p> -<p class="par">Juichend sprongen de Geuzen aan boord van de beide -prijsgemaakte schepen. ’t Waren inderdaad koopvaarders, die van -<span class="corr" id="xd24e5209" title="Bron: Cadix">Cadiz</span> -kwamen en koers zetten naar Antwerpen, met een rijke lading aan boord. -Het lot van de gevangen Spanjaarden was spoedig beslist. Voor hen -hadden de Geuzen maar één wet en recht: <span class= -"pagenum">[<a id="pb348" href="#pb348" name= -"pb348">348</a>]</span>„de voeten spoelen”! De bemanning -van ’t Antwerpsche schip en de schipper, Claes Vaer van -Brouwershaven, werden gerantsoeneerd, hoewel er onder de Vlaamsche en -Zeeuwsche varensgasten waren, die zich liever bij de Watergeuzen -aansloten en dienst bij hen namen, dan dat ze gevangen bleven, tot er -een losprijs voor hen was betaald.</p> -<p class="par">De prijsgemaakte vaartuigen waren goed gewapend en de -Geuzenschepen telden alle een sterke bemanning. Er werd besloten, ze -niet te verbranden of te doen zinken. Ze zouden een aanwinst zijn voor -de vloot. Het Spaansche schip kreeg tot kapitein Martinus Brand, den -onderbevelhebber van Entesz, een gewezen poldergast, doch die zich door -zijn ruwe dapperheid tot zijn tegenwoordige positie had opgewerkt. Een -luitenant van Blois van Treslong kreeg het bevel over het andere -vaartuig, en, welvoldaan over den behaalden buit, zette de vloot der -Watergeuzen, thans 26 schepen sterk, weer koers naar het Noorden.</p> -<p class="par">Op Maandag den 31sten Maart bevond zich de Geuzenvloot -op de hoogte van Egmond, maar zij voer niet meer met volle zeilen, voor -den wind de koningsschepen en den begeerden buit tegemoet. Dien nacht -was de wind meer en meer gaan krimpen. ’t Was buiïg, -heiïg weer geworden. Een felle Noordwester blies door het want, en -moeizaam oploevend, kampend tegen wind en stroom, kwamen de schepen -maar traag vooruit. En die tegenspoed kwam de Geuzen zeer ongelegen. De -schepen waren onvoldoende geproviandeerd voor een langen kruistocht. Er -diende een besluit te worden genomen.</p> -<p class="par">Een kanonschot van het admiraalsschip dreunde over de -golven, en de seinvlaggen aan den mast riepen de kapiteins tot den -scheepsraad bijeen.</p> -<p class="par">’t Was een wonderlijke vergadering, die daar in de -kajuit van Lumey’s schip bijeen was. Naast Blois van Treslong, -Frederik van Dorp, Adam van Haren, Frederik van Inthiema, en andere -vertegenwoordigers <span class="pagenum">[<a id="pb349" href="#pb349" -name="pb349">349</a>]</span>van den Noord-en Zuid-Nederlandschen adel, -zag men er Jan Abels, den Frieschen zeerob, den vader van Tamme Abels, -die nog altijd in zijn krapschuit de zee onveilig maakte, en mannen uit -het volk, als Ellert Vliechop en Marinus Brand. Er waren fiere -krijgsmansfiguren, als Nicolaes Ruychaver en jonker Jacob Cabelliau, -maar ook zag men er het afzichtelijk gelaat van Gautier Herlijn, den -zoon van den vermoorden predikant van Valenciennes, wien de Walen van -Noircarmes neus en ooren hadden afgesneden en die den dood zou hebben -gevonden op den brandstapel, wanneer hij niet als door een wonder aan -zijn vijanden was ontkomen. Alle standen waren in dien scheepsraad -vertegenwoordigd en bijna alle Nederlandsche gewesten hadden die stoute -en kloeke mannen geleverd, die de ellende der ballingschap hadden -gekozen, liever dan het hoofd te buigen voor geloofsdwang en -vorstelijke willekeur.</p> -<p class="par">Het ging er rumoerig toe in dien scheepsraad, want er -was aanvankelijk maar weinig eenstemmigheid en er was, als ’t er -op aankwam, niemand, die hier zijn gezag kon laten gelden. Al de -Geuzenkapiteins waren heer en meester op hun eigen schip. Vrijwillig -erkenden zij Lumey als admiraal, als aanvoerder bij de thans op touw -gezette onderneming, maar alleen zoo lang het hun goed docht. Er waren -er, die wind en stroom wilden trotseeren en al laveerend koers wilden -zetten naar het Vlie; er waren er, die naar de Engelsche havens terug -wilden keeren. Weer anderen stelden voor, een landing te beproeven op -de Hollandsche kust.</p> -<p class="par">En toen nam kapitein Blois van Treslong het woord, en -hij wist de woelige schaar te doen luisteren. Wind en stroom waren hen -tegen, zoo sprak hij, en vroede mannen trachtten niet het onmogelijke -te doen. Wat kon een landing baten in het woeste en eenzame duin van -Egmond en Schoorl? Waarom het dan niet liever beproefd met een der -zeegaten, meer in het Zuiden <span class="pagenum">[<a id="pb350" href= -"#pb350" name="pb350">350</a>]</span>des lands? Met de monding van de -Maas bij voorbeeld? Daar waren ook koopvaarders uit Dordrecht en -Rotterdam te kapen, die door het Brielsche diep naar zee stevenden. En -daar lag aan den breeden Maasmond den Briel, thans van Spaansche -bezetting ontbloot, nu alle troepen te Utrecht waren saamgetrokken, den -Briel, de vrije koopstad, die hij zoo goed kende. Was zijn vader niet -tot vóór twee jaren baljuw van de stad en van den lande -van Voorne geweest? Waarom zou den Briel niet het la Rochelle der -Geuzen kunnen worden? Als havenstad lag het gunstig genoeg!</p> -<p class="par">Zoo sprak Blois van Treslong en zijn woorden maakten -indruk, want de rustige en ervaren krijgsman had door zijn naam en zijn -krijgsbedrijven een invloed op de vloot, die door Lumey eigenlijk met -leede oogen werd gezien. Er werd besloten, dat men den gegeven raad zou -volgen. De sloepen en jollen brachten de Geuzenkapiteins weder naar -hunne schepen en weldra klonken de luide bevelen der schippers en -stuurlieden en het gejoel der matrozen, terwijl zij in het want -klommen, om de zeilen om te brassen. De vloot wendde den steven en -gedreven door den krachtigen Noordwester, die hen zooeven nog had -tegengehouden, zetten de Geuzenschepen koers naar den mond van de -Maas.</p> -<p class="par">En zoo geschiedde het, dat op Dinsdag den 1sten April de -schippers van eenige koopvaarders, die, geankerd in het Brielsche Diep, -op eene gunstige gelegenheid wachtten om uit te loopen, twee vreemde -razeilen ontwaarden, die onder klein zeil langzaam den Maasmond -instevenden. ’t Waren de schepen van Brandt en van Haren. En -achter hen doken nog meer masten en topzeilen uit de golven op. En het -Oranje-blanje-bleu, dat wapperde aan masten en stengen, was voor deze -Nederlanders nog niet het symbool van bevrijding, maar een dreigend -teeken van naderend onheil. De Watergeuzen! De vermetele kapers! En de -verschrikte schippers kapten de ankers en wendden den boeg, en -<span class="pagenum">[<a id="pb351" href="#pb351" name= -"pb351">351</a>]</span>onder zooveel zeil als zij durfden bijzetten, -voeren zij de Maas weder op, naar Rotterdam en naar Dordrecht, om daar -de tijding te brengen van de komst der gevreesde Piraten.</p> -<p class="par">Van de campagne van het goede schip „de -Blauvoet” zag kapitein Martens de grauw-gele rietbosschen langs -de beide Maasoevers en den breeden Heyndijk voorbij glijden, terwijl de -zware toren van de Sint Catharijne, Brielle’s hoofdkerk, en de -kleinere van Sint Pieter in Maarland, reeds boven de dijkkruin -uitstaken. Zijn hart klopte hoog bij de gedachte aan wat de -eerstvolgende uren konden brengen. Dit was een krijgsdaad, wat men nu -ging ondernemen! Dit was wat anders, dan het nemen van koopvaarders, -dan het brandschatten van kloosters en rantsoeneeren van gevangenen! -Zou het nu waarheid worden, wat de besten onder zijn makkers, wat -Lancelot van Brederode, Frederik van Dorp en Blois van Treslong reeds -lang hadden gewild? Zou men zich meester maken van een vast punt, van -een Hollandsche haven, die voor de verstrooide ballingen het middelpunt -zou worden, van waaruit zij den strijd konden voortzetten tegen -Alva’s tirannie?</p> -<p class="par">Terwijl hij de oogen over het dek liet gaan, waar de -bemanning vroolijk en opgewonden zich gereed maakte voor het gevecht, -dat mogelijk aanstaande was, viel zijn oog op zijn onderstuurman, door -zijn makkers „Jan Smeert de Borst” genoemd, die, tegen de -verschansing geleund, met strakke blikken staarde naar de opdoemende -torens van den Briel.</p> -<p class="par">Jacob Martens kende den man als een ruwen zeebonk, -onversaagd in ’t gevecht en altijd gereed zijn leven te wagen, -wanneer het een gevaarlijke onderneming gold. Zooals zijn bijnaam -aanduidde, was hij een liefhebber van den bierkroes en onder zijn -makkers bekend om zijn ruwe scherts en snaaksche grappen. Toch had hij -soms vlagen van somberheid en zwaarmoedigheid en op zulke tijden was -het beter, hem <span class="pagenum">[<a id="pb352" href="#pb352" name= -"pb352">352</a>]</span>aan zijn lot over te laten, want dan was hij -lichtgeraakt en twistziek.</p> -<p class="par">Plotseling herinnerde kapitein Martens zich, dat Jan -Smeert de Borst een balling uit Brielle was. Dat verklaarde dan ook, -dat de man geen deel nam aan de bezige drukte aan boord, maar staarde -naar zijn vroegere woonplaats, die hij thans na jaren zwervens zou -terugzien.</p> -<p class="par">Misschien zou hij kostbare inlichtingen kunnen geven -omtrent de stad en haar vestingwerken. Hij kon ook als loods dienen, -wanneer ’t noodig was. Jacob Martens besloot, den man te -raadplegen.</p> -<p class="par">—„Stuurman Smeert de Borst!” riep -hij.</p> -<p class="par">De zeeman schrikte op; hij zag, dat zijn kapitein hem -wenkte en met zware schreden begaf hij zich naar het achterdek.</p> -<p class="par">—„Je bent uit den Briel, stuurman,” -begon Jacob Martens. „Maar wat deert je, man?” vervolgde -hij; want Jan Smeert de Borst was blijkbaar hevig aangedaan. Zijn -verweerd gelaat was bleek, zijn lippen trilden en hij wrong de vuisten -krampachtig samen. Hij staarde Jacob Martens eenige oogenblikken strak -aan. Hij trachtte te spreken, maar de woorden stokten hem in de -keel.</p> -<p class="par">—„Wat is er, stuurman?” herhaalde -kapitein Martens deelnemend.</p> -<p class="par">—„Ze hebben haar gedolven, kapitein, levend -gedolven in de modder, dààr, buiten de Noordpoort!” -barstte hij eindelijk los, terwijl hij de vuist dreigend opstak naar de -stad.</p> -<p class="par">—„Gedolven? Wie dan toch?” vraagde -Jacob.</p> -<p class="par">—„Mijn vrouw, mijn Agniete!” hijgde -Jan Smeert de Borst. „O, dat ik ze hier had, de vileinige -rabauwen!”</p> -<p class="par">Kapitein Martens wierp een snellen blik op masten en -tuigage. Langzaam en statig, gedreven door een sterken bries, maar -tegen den stroom in, naderde „de Blauvoet”, onder klein -zeil, met de andere schepen <span class="pagenum">[<a id="pb353" href= -"#pb353" name="pb353">353</a>]</span>de bedreigde stad. Hij kon den man -eenige oogenblikken geven.</p> -<p class="par">—„Zeg op, stuurman, en stort je hart uit! -’t Zal je goed doen, man,” zei hij hartelijk.</p> -<p class="par">—„’t Was in het jaar van de -beeldbrekerije, kapitein,” zeide Jan Smeert de Borst met schorre -stem. „Er waren al lang veel van de nye leere in den Briel. Dat -kwam door kapelaan Andries Cornelisz. Hij preekte in het huis van de -oude joffer Rentmeesters, bij ’t kerkhof, en niemand durfde hem -moeien, want er waren er van de Wet, die goed Geus waren. De -Burgemeester Cornelis Hendriksz had zelf een geuzenpredikant, die -rondreisde door het land en geld inzamelde voor den Prins, in zijn huis -gehad, dagen lang. En ik kwam er ook graag, kapitein. Ik was maar een -onverschillige kerel, kapitein, maar wat kapelaan Cornelisz preekte, -zeide mij veel en ik hoorde hem graag. En daar zag ik ook Agniete, -kapitein. Ze was non in ’t klooster van Sinte Catrijne, maar ze -kwam toch ter preeke bij joffer Rentmeesters. En eens, toen een paar -rauwe gasten ’t haar op straat lastig maakten, omdat zij, een -geprofeste zuster, ter preek liep, heb ik haar ontzet. En omdat de -priores haar wilde opsluiten, is zij uit het klooster weggeloopen en -woonde toen in bij joffer Rentmeesters. En ik sprak haar dikwijls, en -zoo kwam het, kapitein, dat ik haar ten hijlik vroeg. En eerst durfde -zij niet, omdat zij toch een gewijde nonne geweest was, maar kapelaan -Cornelisz zeide, dat dat Paapsche bijgeloovigheden waren en dat Sint -Paulus gezegd had, dat het hijlik eerbaar was onder allen. En zoo -trouwde hij ons in ’t geheim, kapitein. En toen kwam de -beeldbrekerije ook in den Briel en ik hielp wakker mee en Schout Ewout -Cornelisz en de apotheker Willem Thomasz waren de aanvoerders. En -kapelaan Cornelisz preekte in de Sinte Catrijnekerk en het heette toen -een poos, dat de Geuzen baas zouden worden over ’t heele land. -Maar toen kwam Ducdalf, en de Baljuw en de Schout en de schoolmeester -<span class="pagenum">[<a id="pb354" href="#pb354" name= -"pb354">354</a>]</span>Dirck Cock en koster Jacob Jacobsz en allen, die -ter preeke waren gegaan en mede hadden gedaan aan de beeldbrekerije, -vluchtten uit de stad, want de Baljuw had laten weten, dat er bezetting -zou komen, met de inquisiteurs uit Dordt om de beeldbrekers en die van -de nieuwe religie te vervolgen. En ik vluchtte ook, en Agniete liet ik -achter ...”</p> -<p class="par">En de ruwe zeeman rukte wambuis en hemd open en hijgde -naar lucht.</p> -<p class="par">—„En waarom moest je haar -achterlaten?” vraagde Jacob.</p> -<p class="par">—„Ze was ziek,” zei Jan Smeert de -Borst met doffe stem. „Ze was ziek en ’t was een koud -najaar. En wij moesten vluchten in open schuiten en des nachts. De -meester zei, dat het haar dood zou zijn. Ik wilde blijven, maar Agniete -bezwoer mij te vluchten. Ik was wel bekend in den Briel en was al onder -de voorsten geweest bij de beeldbrekerij en het was bekend in de stad, -dat ik een geprofeste nonne tot huisvrouw had genomen. Ik zou zeker -worden gevat en gehangen, misschien nog erger,—want ik had immers -een nonne gehijlikt, die het klooster was ontloopen. Zij zou zich -schuil houden en zich niet op straat laten zien. De Heeren van den -Gerechte zouden denken, dat zij met mij was gevlucht en later zou ik -haar komen afhalen. En de meester zei, dat ik haar wille zou doen en -kapelaan Cornelisz en de oude joffer Rentmeesters zeiden hetzelfde. En -ik liet mij bepraten, kapitein, en wij ontkwamen het, des nachts, met -pramen en roeibooten over de Maas.</p> -<p class="par"><span class="corr" id="xd24e5282" title= -"Niet in bron">„</span>En toen zijn de soldaten gekomen, -kapitein, en ze brachten twee inquisiteurs mee, twee Predikheeren uit -Dordt, en Baljuw van Sandwyck was gevlucht en er kwam een ander, Heer -Johan van Duvenvoirde. En die van de nieuwe religie en allen, die ter -preek waren geloopen en mee hadden gedaan aan de beeldbrekerije, werd -scherp vervolgd. En een Judas heeft den inquisiteurs van Agniete -verteld en toen hebben de <span class="pagenum">[<a id="pb355" href= -"#pb355" name="pb355">355</a>]</span>rakkers van den nieuwen Schout -haar gevat en toen...”</p> -<p class="par">Hij kon niet voortgaan. Twee groote tranen biggelden -over zijn verweerde wangen.</p> -<p class="par">—„Gedolven! Levend begraven, daar buiten de -Noordpoort!” barstte hij eindelijk los, terwijl hij stampvoette -van woede en smart.</p> -<p class="par">—„De Schepenen wilden eerst niet,” -ging hij na eenige oogenblikken kalmer voort. „En ook de overste -van het Sinte Catrijneklooster bad voor haar. Zij wilde haar voor haar -leven in een klooster opsluiten om boete te doen. Maar de inquisiteurs -dreigden die van de Wet met Ducdalf, als zij de plakkaten niet wilden -toepassen en ze kregen hun zin. Een Briellenaar, een man, die met mij -gevaren had, en die ’t ook gewaagd had te blijven, heeft ’t -mij verteld. Een van de schepenen had Agniete in stilte aangeraden te -zeggen, dat zij zwanger was. Dan zou haar leven voor ’t oogenblik -gespaard worden, en als de inquisiteurs weg waren, zou ’t -misschien mogelijk zijn haar te redden. Maar Agniete was goed en vroom -en zij wou haar leven niet koopen met een leugen. En toen zij de poort -werd uitgeleid, zag zij er uit als een heilige en zij bad luid, dat God -haar ziel in genade mocht aannemen en voor mij, och arme, haar man, die -haar nooit terug zou zien...”</p> -<p class="par">En de ruwe zeebonk wendde zich af en staarde weer strak -in de richting van de stad, welker muren nu duidelijk zichtbaar waren, -met de zware steenklomp van de Noordpoort, waar, dicht bij het -havenhoofd, het gruwzaam vonnis aan Agniete was voltrokken.</p> -<p class="par">Jacob Martens had het droevig verhaal meewarig -aangehoord. ’t Was maar één van de vele -lijdensgeschiedenissen dier droeve dagen. Niet tevergeefs had Arent -Dircksz, de kettersche pastoor van de Lier, gezongen:</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">’t Onschuldig bloed, dat gij hebt vergoten,</p> -<p class="line">’t Onschuldig bloed roept over u wraak!</p> -</div> -<p><span class="pagenum">[<a id="pb356" href="#pb356" name= -"pb356">356</a>]</span></p> -<p class="par">—„Wees een man, stuurman!” zei hij -hartelijk. „Je huisvrouw heeft geleden en is gestorven als -martelaresse voor de waarheid,—en straks, in Brielle, vindt je -wellicht haar moordenaars.”</p> -<p class="par">Jan Smeert de Borst knikte zwijgend. Er lichtte een -wilde gloed in zijn kleine, donkere oogen, terwijl hij het achterschip -verliet, om zich naar het tusschendek te begeven, waar hij met Pieter -de Welle zich bezig hield met het laden van de losse kamers der -bassen.</p> -<p class="par">„Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u -vervloeken en bidt voor degenen, die u geweld doen en die u -vervolgen.”</p> -<p class="par">Maar het Evangelie der liefde vond geen weerklank in het -verbitterde hart der Watergeuzen, ook niet in dat van de besten onder -hen.</p> -<p class="par">En middelerwijl waren op de voorste Geuzenschepen aller -oogen gericht op een roeiboot, met één enkelen roeier, -die met rustige riemslagen de „schepen van oorlogh” der -gevreesde Piraten tegemoet voer.</p> -<p class="par">Jan Pietersz Koppelstok, schipper en haringkooper, -„een stout en kregel kerel”, als de tijdgenoot hem noemt, -die ook het veer op Maaslandsluis<a class="noteref" id="xd24e5316src" -href="#xd24e5316" name="xd24e5316src">1</a> bediende, en die reeds lang -in ’t geheim „de Geuzerije” was toegedaan, had kort -na zijn noenmaal de veerbel aan de overzijde hooren luiden en was naar -dien anderen oever overgestoken, om een paar kooplieden af te halen, -die zich naar den Briel wenschten te begeven. Hij had al lang de -vreemde schepen in ’t oog, die daar naderden van uit het Westen -en er speelde een glimlach om zijn anders zoo stroeven mond, toen hij -die vlaggen en wimpels zag.</p> -<p class="par">Maar ook zijn passagiers kregen die vaartuigen in -’t oog, terwijl de veerboot worstelde met den stroom, om straks -aan ’t havenhoofd te kunnen aanleggen,—een zoo talrijke -vloot koopvaarders, en dat in dezen tijd? En natuurlijk was de vraag: -<span class="pagenum">[<a id="pb357" href="#pb357" name= -"pb357">357</a>]</span></p> -<p class="par">—„Wat zijn dat voor schepen?”</p> -<p class="par">—„’t Zijn Watergeuzen!” -antwoordde Jan Pietersz.</p> -<p class="par">Watergeuzen? En dat voor den Briel, waar zij handel -hoopten te drijven? De veerman moest hen aan wal zetten, te -Maaslandsluis. Oogenblikkelijk!</p> -<p class="par">En Jan Pietersz Koppelstok voldeed aan hun verlangen en -roeide toen bedaard de Geuzenschepen te gemoet.</p> -<p class="par">Nog altijd waren de schepen van Martinus Brandt en Adam -van Haren in den voortocht, maar Koppelstok vraagde naar ’t schip -van Jonker Blois van Treslong, die zich immers, als elk Brielenaar, die -zijn brood verdiende aan den havenkant, wel wist, op de Geuzenvloot -bevond en die zeker bij eene onderneming als deze niet zou ontbreken. -En zijn gissing bleek juist! Dat groote razeil daarginds, waarvan de -zestien gotelingen dreigend uit de geschutpoorten keken. En Koppelstok -roeide er heen.</p> -<p class="par">De neef van den uitgeweken Heer van Sandijck, de zoon -van Baljuw Jasper Blois van Treslong, kende zijn bezoeker wel: een -stouten, ondernemenden kerel, voor geen klein gerucht vervaard. En hij -bracht hem naar het admiraalsschip, om hem aan den graaf van Lumey voor -te stellen, als een man, „bequaem om hem te employeeren tot haer -voornemen”.</p> -<p class="par">En zoo geschiedde het, dat, terwijl de Geuzenschepen -voor Brielle ankerden, Jan Pietersz Koppelstok als bode van Lumey de -havenvliet binnenroeide en zich langs den Hoofddijk naar de Noordpoort -begaf. Treslong’s zegelring, met het in Brielle zoo welbekende -wapen, had hij mede gekregen als geloofsbrief.</p> -<p class="par">In de stad had men ook reeds vernomen, wie de -onverwachte bezoekers waren en de ontsteltenis was er algemeen. De -poorten werden gesloten, de stormklok luidde van den hoogen toren van -Sinte Catarijne, de trommels roffelden in de straten en de schutters -begaven zich met hunne pieken en vuurroeren eerst naar hunne loopplaats -en toen naar de muren, en Baljuw <span class="pagenum">[<a id="pb358" -href="#pb358" name="pb358">358</a>]</span>Johan van Duvenvoirde was met -de geheele Vroedschap van den Ouden en Nieuwen Gerechte, de twee -Burgemeesters, de negen Schepenen en de twee Raden van het loopende en -van het vorige jaar op het Raadhuis bijeen, om te overleggen wat er kon -worden gedaan tot afwending van het groote gevaar, dat den Briel -bedreigde. En de gedrukte stemming werd er niet beter op, toen -Koppelstok in de Raadzaal verscheen en de Vroedschap den eisch van -Lumey mededeelde: overgave der stad, om die te bewaren voor den Prince -van Orangiën, als stadhouder des Konings, en te beschermen tegen -den hertog van Alva en den tienden penning. Er werden aan den -Magistraat twee uren van beraad toegestaan.</p> -<p class="par">De achtbare Vroedschap zat deerlijk in de klem. Wat -moest zij doen? De stad verdedigen? Hoe zou zij het kunnen, met de -schutters en de gewapende burgers alleen tegen een bestorming door de -krijgshaftige Geuzen. De poorten openen? Maar hoe zou men zich -verantwoorden tegenover den stadhouder des Konings, den gevreesden -hertog van Alva, die pas in November van het vorige jaar op -uitdrukkelijk verzoek van den Magistraat, de Spaansche bezetting uit de -stad had doen wegtrekken? Zou hij de leden van de Vroedschap niet -verdenken van boos opzet, van te heulen met de Geuzen?</p> -<p class="par">Hoe sterk was de vijand? De oudste Burgemeester, Jan -Pietersz Nicker, vraagde het, en Koppelstock, die het ook niet wist, -antwoordde losweg: „Wel vijf duizend!”</p> -<p class="par">Vijf duizend Geuzen! Dan is tegenstand onmogelijk! En -niemand valt het in, aan de mogelijkheid van overdrijving te denken of -zich af te vragen, hoe de veerman dat zoo nauwkeurig weet. De vrees is -een slechte raadgeefster.<a class="noteref" id="xd24e5347src" href= -"#xd24e5347" name="xd24e5347src">2</a> <span class="pagenum">[<a id= -"pb359" href="#pb359" name="pb359">359</a>]</span></p> -<p class="par">Er diende echter wat te worden gedaan. En de twee oudste -burgemeesters, de tinnegieter Jan Pietersz Nicker en de koekebakker -Claes Jansz, besloten, als goede magistraten, naar den admiraal der -Geuzenvloot te gaan, om zoo mogelijk met hem te onderhandelen.</p> -<p class="par">Onder geleide van veerman Koppelstock gingen zij de -Noordpoort uit en langs den Hoofddijk naar het havenhoofd, waar zij -Lumey vonden ingekwartierd in een van de aan het hoofd gebouwde -huizen.</p> -<p class="par">Indien de Brielsche burgers nog gehoopt hadden eenige -gunstige voorwaarden te kunnen bedingen, zagen zij zich weldra -bedrogen. Lumey eischte de stad op, „uiten naem van den Prince -van Orangiën, als Stadhouder des Conincks over Holland.” En -weer was het: twee uren beraad!</p> -<p class="par">Maar al was de Magistraat nog steeds ten Raadhuize -vergaderd, tot eene beslissing kwam het niet zoo spoedig. De stad -overgeven durfde men niet, haar verdedigen kon men niet. Eindelijk, na -lang dralen, werd besloten tot de overgave. Maar er was niemand, die -het besluit van den Magistraat aan den admiraal der Watergeuzen ging -overbrengen. De verwarring in de stad was groot. Zoo de burgers -vreesden voor hunne bezittingen, voor plundering en brandschatting, de -bewoners der talrijke conventen en kloosters, de Clarissen, de -Birgittijnen en Birgittijnessen, de Cellebroers en Cellezusters, -vreesden het ergste. Wat hadden zij van den beruchten Lumey, van de -woeste Geuzen te wachten, dan mishandeling en marteling en dood?</p> -<p class="par">En zoo stroomden de kloosters ledig en de burgers -zochten hunne kostbaarste bezittingen bij elkaar en iedereen vluchtte -voor het dreigend gevaar. Waren de Piraten aan het havenhoofd -ontscheept en bedreigden zij de Noordpoort, de weg door de Zuidpoort -was nog vrij en wie het niet in zijn hart met de Geuzen hield, haastte -zich een goed heenkomen te zoeken naar Geervliet of Hellevoetsluis.</p> -<p class="par">En op de schepen was het bevel gegeven, een deel -<span class="pagenum">[<a id="pb360" href="#pb360" name= -"pb360">360</a>]</span>der bemanning aan land te zetten en met roeren -en halve pieken, met houwers en knijven gewapend, vielen de Geuzen in -de sloepen en roeiden naar den oever. Ook de kapiteins gingen aan wal -en de eerste boot, die „de Blauvoet” verliet, werd gestuurd -door Jan Smeert de Borst.</p> -<p class="par">Met een paar andere Brielsche ballingen spoedde hij zich -naar de huizen op het havenhoofd en hij vond er nog den vischafslager, -Pieter Jansz Stemboort, die niet had kunnen of willen vluchten. Zij -eischten van den man, dat hij hun de plek zou wijzen, waar Agniete haar -vonnis had ondergaan en bevend gehoorzaamde de afslager, die de -gruwelijke daad als medelijdend toeschouwer had bijgewoond. Toen zij de -plaats bereikt hadden, wenkte Jan Smeert de Borst zijn makkers te -blijven staan en alleen begaf hij zich naar het verlaten graf aan den -dijkrand, de sombere plek, die door allen werd gemeden, sedert de -weggeloopen non, die haar gelofte had verbroken om de huisvrouw te -worden van een ketter, daar den dood had gevonden. Wat hij er deed, -zagen zijn makkers niet. De ruwe gasten eerbiedigden zijn smart. Zij -lieten hem alleen en zorgden er voor, dat hij niet gestoord werd. Maar -toen hij zich weder bij hen voegde en zij zijn verwrongen trekken -zagen, omklemden zij vaster hunne wapenen en zij spraken geen woord, -maar zij keken met een woeste en dreigende uitdrukking in hun oogen -naar de veste van den Briel.</p> -<p class="par">Wee den Roomschen geestelijke, hij mocht schuldig zijn -aan de vervolging der ketters of niet, die thans den Brielschen Geuzen -in handen viel!</p> -<p class="par">Ondertusschen ging de middag voorbij. De twee uren van -beraad, die den Magistraat waren toegestaan, waren reeds lang -verstreken en nog altijd kwam het verwachte antwoord niet, al werden er -op de stadsmuren geen toebereidselen tot verdediging gemaakt. De booten -van de ten anker liggende schepen zetten steeds meer krijgsvolk aan -wal, en eindelijk stonden <span class="pagenum">[<a id="pb361" href= -"#pb361" name="pb361">361</a>]</span>er een driehonderd gewapende -Geuzen op den Hoofddijk en op het Havenhoofd geschaard, gereed om, -hetzij goedschiks, hetzij met geweld, de stad binnen te rukken, en er -waren er zelfs, die zich waagden tot voor de poort, en de enkele -burgers, die ondernamen, zich op den muur te vertoonen, toeriepen: -„of men ze zoude inlaten, dan of zij haer zelven in helpen zouden -moeten.”</p> -<p class="par">’t Scheen wel het laatste te zullen zijn, want de -avond begon reeds te vallen en nog altijd was het antwoord er niet.</p> -<p class="par">Toen was het geduld van Lumey en zijn kapiteins -uitgeput. De gelande Geuzen werden in twee afdeelingen gesplitst. De -een, onder aanvoering van Cornelis Geerlofsz Roobol, een Delftschen -balling, rukte aan op de Noordpoort, terwijl de ander, onder Blois van -Treslong, de stad omtrok, om de Zuidpoort te bereiken. Wellicht giste -deze, dat er groote kans was, dat men die niet gesloten zou vinden.</p> -<p class="par">Maar de zware deuren van de Noorderpoort gingen niet -open en Pietertje Baefsdochter, de portierster, was reeds lang -gevlucht. Dan, de Geuzen wisten daar raad op. Van het beddestroo en het -houtwerk der huizen buiten de poort, van oude, geteerde zeilen en -touwwerk, ijlings van de schepen aangevoerd, was er spoedig een hooge -mutsaard opgestapeld tegen de poortdeuren, de brand werd er in gestoken -en spoedig kronkelden zware rookwolken van onder het poortgewelf naar -boven en knaagden de rosse vlammen aan de oude, met ijzeren nagels en -bouten beslagen deuren.</p> -<p class="par">Maar, was het plan ook goed, het ging de ongeduldige -Geuzen niet spoedig genoeg. Een aantal varensgasten kwam van de haven -aangezeuld met een ontscheepten mast, een geïmproviseerden -stormram. Forsche vuisten hielpen den zwaren balk tillen, een korte -aanloop en de poort daverde van den schok. Nog eens,—en nog eens: -een der zware deuren barstte open en met een luid „Vive le -Geus!” drongen de corsaren de stad binnen. <span class= -"pagenum">[<a id="pb362" href="#pb362" name="pb362">362</a>]</span></p> -<p class="par">Treslong had ondertusschen met zijn afdeeling de -Zuidpoort bereikt, en die inderdaad open gevonden, want nog altijd -waren er vluchtelingen, die de stad, met wat zij van het hunne konden -meevoeren, ontvluchtten. Onder hen behoorde de Baljuw, Johan van -Duvenvoirde, die zes duizend gulden baar geld, de kas van het Land van -Voorne, wilde trachten te redden. Maar hij werd herkend en aangehouden -en terug moest hij, mede naar den Briel als gevangene, en het geld, dat -hij had willen redden, werd door de overwinnaars als goede prijs -beschouwd.</p> -<p class="par">Tot in den nacht duurde het gejoel en rumoer der -triomfeerende Geuzen. Er werd hier en daar geplunderd, maar zoo Jan -Smeert de Borst en zijne gezellen gemeend hadden, het geleden leed te -wreken op de bewoners en bewoonsters der Brielsche kloosters, dan zagen -zij zich teleurgesteld. De monniken en nonnen waren bijtijds gevlucht. -Alleen de pastoor van Sinte Catarijne was op zijn post gebleven, maar, -hetzij uit vreeze voor zijn leven, hetzij omdat hij inderdaad in het -geheim reeds een aanhanger was der „nieuwe religie”, hij -toonde zich aanstonds bereid, de „papistische dolingen” af -te zweren en hij werd de eerste predikant van den Briel. Eenige -heethoofden hadden in de verwarring brand gesticht in een paar houten -huizen, maar het vuur werd door de Geuzen zelve spoedig gebluscht: men -begreep, dat men de huizen der stad beter kon gebruiken. Velen der -ballingen sliepen dien nacht weder voor het eerst sedert jaren op den -vaderlandschen grond.</p> -<p class="par">Maar den volgenden dag begon het verwoestingswerk in de -kerken en kloosters. De beeldenstorm van vóór zes jaren -werd herhaald, maar nu werd er voorgoed opruiming gehouden van alles -wat naar „paepsche superstitie” zweemde. En weldra stonden -daar de beide kerken en de kloosterkapellen van alles, wat aan den -Roomschen eeredienst herinnerde, beroofd, terwijl de Geuzen hun buit, -„kerkelijke en Geestelijke <span class="pagenum">[<a id="pb363" -href="#pb363" name="pb363">363</a>]</span>goeden, Cappen, -Coorkleederen, Cassuiffelen ende misgewaet” in veiligheid -brachten, naar de schepen.</p> -<p class="par">En nu scheen het voor een poos, alsof men het behaalde -voordeel terstond weder prijs zou gaan geven, alsof de kloeke daad, die -het begin zou blijken van de bevrijding des lands, zou uitloopen op een -gewoon kapersavontuur. Lumey wilde zich weer inschepen; hij wilde -„de Stadt en ’t Land daaromtrent plonderen ende beroven, -ende daermede wederom vertrecken, want hij en achtte de plaetse niet -houbaer te zijn tegen de Spangiaerden.”</p> -<p class="par">Op zichzelf was er wel iets voor deze meening van den -admiraal te zeggen. De inneming van den Briel was niet het gevolg van -een goed overlegden krijgstocht, ondernomen door een wèl -uitgeruste vloot, en als een onderdeel van een zorgvuldig beraamd plan. -’t Was een <i>coup-de-main</i>, een verrassing, een gevolg van -onvoorziene omstandigheden, door een aantal kapers, die uit hunne -vluchthavens waren verjaagd en die feitelijk aan alles gebrek hadden en -op geen steun van buiten konden rekenen. ’t Was daarenboven -feitelijk een inval in vijandelijk land, waar niemand de gehate en -gevreesde zeeroovers gunstig gezind was.</p> -<p class="par">Hadden de gebeurtenissen in Holland en Zeeland zich niet -zoo verbazend snel ontwikkeld in dat merkwaardige jaar 1572, dan hadden -de Geuzen, door Bossu bedreigd in het Noorden, door Alva’s -troepen uit het Zuiden, zich onmogelijk kunnen staande houden.</p> -<p class="par">Maar het warme hart krijgt soms gelijk tegenover het -koel redeneerend verstand, wanneer het gehoorzaamt aan een machtiger -aandrang en als bij intuïtie den rechten weg vindt. En het was -Gods wil, dat de onoverlegde, bijna toevallige inneming van de kleine -stad aan den Maasmond, het begin zou zijn van de zegevierende -worsteling ter bevrijding van de Nederlanden.</p> -<p class="par">Het plan van Lumey vond aanstonds hevigen tegenstand bij -zijne kapiteins en hij was genoodzaakt krijgsraad te beleggen. In dien -krijgsraad werd het voornemen, <span class="pagenum">[<a id="pb364" -href="#pb364" name="pb364">364</a>]</span>om den Briel op te geven, -krachtig bestreden, niet alleen door Blois van Treslong, Jacob Martens, -Frederik van Dorp en Ruychaver, de warme vaderlanders, wien het -kaperbedrijf eigenlijk tegen de borst stuitte en die er vurig naar -verlangden, in eerlijken strijd de zaak der vrijheid te dienen, maar -ook mannen als Barthold Entesz van Mentheda en Dirk Duyvel sloten zich -bij hen aan.</p> -<p class="par">„Wat moed konden de verlangende landzaaten, welker -hoop op de beloofde en telkens gemiste verlossing ten eynde was, -overhouden,”—zoo pleitte de laatste—„indien men -dus een sleutel des lands willends uyt de hand worp?”</p> -<p class="par">„Ick voor mij,”—zoo verklaarde -kapitein Jacob Simonsz de Rijck,—„heb Godt menigmael om een -graf op het strandt mijns vaderlandts gebeden. Thands zal er mij wel -een binnen de wallen gebeuren!”</p> -<p class="par">En zoo werd besloten, den Briel te versterken en de stad -tegen de Spanjaarden te verdedigen. Terstond begonnen de Geuzen de -wallen te versterken en er geschut op te planten, dat ijlings -ontscheept werd. Een bode werd naar den Prins gezonden, om dien van het -gebeurde te verwittigen en de Rijck vertrok naar Engeland, om -dààr de tijding te brengen en de ballingen, die er -vertoefden, op te wekken, om de zee over te steken, en deel te nemen -aan het bevrijdingswerk.</p> -<p class="par">Want de kamp om de Nederlandsche vrijheid was thans in -waarheid begonnen! <span class="pagenum">[<a id="pb365" href="#pb365" -name="pb365">365</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e5316" href="#xd24e5316src" name="xd24e5316">1</a></span> Thans -Maassluis. <a class="fnarrow" href="#xd24e5316src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e5347" href="#xd24e5347src" name="xd24e5347">2</a></span> -„Wij en warren geen drij honderd,” zegt Jonkheer Frederik -van Dorp in zijn dagboek. Vermoedelijk ziet dat op de bemanning der -schepen, die op dat oogenblik voor Brielle waren geankerd. Voor de -bemanning der geheele Geuzenvloot—immers 26 schepen—is dat -getal te gering. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e5347src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XVIII.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="par first">’t Was inderdaad een merkwaardig jaar, dat -jaar 1572!</p> -<p class="par">Na den mislukten aanval van Bossu op den Briel, mislukt -door den dapperen tegenstand der Geuzen en de kloeke daad van den -stadstimmerman, Rochus Bartelmeeuwsen Conincx, die de schutsluis van -het Brielsche Nieuwland openhakte en zoo het Maaswater de Voornsche -polders in deed stroomen, tot verderf der Spaansche soldaten, wier -dapperheid tegen <i>dien</i> vijand niets vermocht, hadden de -gebeurtenissen elkander verbazend snel opgevolgd. Op den eersten -Paaschdag was Vlissingen voor de zaak der vrijheid gewonnen en Vere had -dat voorbeeld gevolgd, terwijl Arnemuiden gemakkelijk door de Geuzen -veroverd werd. Wel had Treslong, die met krachtige versterkingen de -Vlissingers te hulp was gesneld, een vergeefschen aanval op Middelburg -gedaan en werd zelfs Arnemuiden door de Spanjaarden heroverd, maar -Vlissingen en Vere bleven behouden en daarmede het grootste gedeelte -van Walcheren.</p> -<p class="par">Van uit Vlissingen verbreidde zich de opstand over het -geheele land. Enkhuizen koos de zijde van den Prins en drie dagen later -werd het sterke Bergen, in Henegouwen, door Lodewijk van Nassau, aan -het hoofd van een afdeeling Huguenoten, bij verrassing genomen. En nu -stelde de Prins van Oranje zich aan het hoofd van den opstand en zond -jonkheer Dirk van Sonoy als zijn luitenant naar Enkhuizen.</p> -<p class="par">Oranje was eerst maar weinig ingenomen geweest met de -inneming van den Briel. Een dergelijk krijgshaftig <span class= -"pagenum">[<a id="pb366" href="#pb366" name= -"pb366">366</a>]</span>avontuur strookte weinig met zijn voorzichtigen, -bedachtzamen aard. Meer staatsman dan legeraanvoerder, handelde hij ook -in zaken van oorlog gaarne naar een wel beraamd plan en hij was ook met -zijn plannen nog niet gereed. Die waren dezelfde als in 1568. Hij wilde -òf Frankrijk òf Engeland voor de zaak der Nederlanden -winnen, ook al zouden deze landen voor de buitenlandsche hulp, waarop -hij rekende, zich zware offers moeten getroosten. Dan wilde hij met het -leger, dat hij bezig was bijeen te brengen, een inval doen in de -Zuidelijke Nederlanden. Een Fransch leger zou van het Zuiden oprukken -en een algemeene opstand zou het werk bekronen. Zóó zou -een einde worden gemaakt aan Alva’s tirannie.</p> -<p class="par">De onverwachte en onvoorbereide opstand kwam den Prins -dus weinig gelegen, en hoewel hij een te ervaren staatsman was om zich -niet aan te passen aan de omstandigheden en de leiding der beweging te -aanvaarden, nu hij die niet meer kon verhinderen, deed hij dat toch -aanvankelijk met groote vreeze voor den goeden uitslag. Maar Gods wegen -zijn de onze niet! Oranje’s plannen zouden falen en de -bondgenooten, op wier hulp hij had gehoopt, zouden hem ontvallen. God -wilde Nederland verlossen, maar het zou geschieden door een -Gideonsbende.</p> -<p class="par">De bewoners van een paar geringe gewesten aan de kust -der Noordzee: visschers, matrozen, kooplieden en handwerkers,—zij -zouden het zijn, die het machtige Spanje zouden vernederen en de -vrijheid, bovenal de vrijheid om God te dienen naar de inspraak hunner -harten, zouden bevechten.</p> -<p class="par">Thans, nu de Prins de beweging had erkend, nu de -West-Friesche steden zijne partij hadden gekozen, volgde heel Holland -dat voorbeeld. Het eerst ging Oudewater over. Den 19en Juni verscheen -de Heer van Swieten, aan het hoofd van een gewapende bende, voor de -poorten der stad en eischte haar op in den naam van den Prins. Hij werd -zonder verzet binnen <span class="pagenum">[<a id="pb367" href="#pb367" -name="pb367">367</a>]</span>gelaten. Twee dagen later werd Gouda zonder -strijd bezet en het kasteel, waarin zich de charterkamer van Holland -bevond, gaf zich na korten tegenstand over. Den 23sten Juni opende -Leiden de poorten voor een afdeeling ballingen en geuzen uit Gouda. De -positie der Spaansche troepen in Holland werd hachelijk. Hunne -verbinding met Utrecht was bijna afgesneden. Nog was de weg over -Schoonhoven en Gorcum open, maar in die steden lag geen Spaansche -bezetting en de burgerij was zeker niet te vertrouwen. De stedelijke -regeering mocht uit voorzichtigheid de Regeering getrouw blijven, het -volk wachtte slechts op eene gunstige gelegenheid, om zich voor de zaak -der vrijheid te verklaren.</p> -<p class="par">Ondertusschen bleef Lumey in den Briel vrijwel -werkeloos. Aan den strijd in Zeeland nam hij persoonlijk geen deel, en -de Hollandsche steden wilden niets van den woesten en wreeden -Luikerwaal weten.</p> -<p class="par">Kort na de inneming van den Briel had Marinus Brand -Schiedam en Delftshaven bezet, maar hij werd door Bossu van uit -Rotterdam spoedig verdreven. Lumey hield zich ondertusschen bezig met -een onbarmhartige priestervervolging. Inderdaad had hij aan zijne -kapiteins last gegeven „om alle papen met hunne complicen te -vanghen ende deselve alhier in den Briel te brenghen”. En velen -hunner kwamen dien last maar al te goed na, Treslong zelfs niet -uitgezonderd. In een brief aan de regeering van Brouwershaven -verklaarde deze, dat de Geuzen niemand aan lijf en goed schade wilden -doen, met uitzondering „van de papen, monnijcken ende andere -papistische schelmen”.</p> -<p class="par">Lumey’s eerste slachtoffer was Hendrik Boogaard, -pastoor van Helvort, die eerst was gevlucht, maar later teruggekeerd. -Op den eersten Paaschdag werd hij door de Geuzen gevangen genomen en -naar den Briel gevoerd. Toen Lumey hem niet door bedreigingen tot afval -kon bewegen, liet hij hem hangen.</p> -<p class="par">Zóó was de geest onder de Watergeuzen: een -geest <span class="pagenum">[<a id="pb368" href="#pb368" name= -"pb368">368</a>]</span>van wraakzucht en vervolgingslust. En de weinige -edele figuren onder de aanvoerders waren niet in staat dien geest der -overgroote meerderheid te bedwingen. Geloofsvervolging en verdrukking, -jaren lang mokkend verdragen en eindelijk openlijk weerstaan, droegen -wrange vruchten, en de bloedige wraak, die de Geuzen namen, trof veelal -onschuldigen.</p> -<p class="par">Nu ten gevolge van de gebeurtenissen in Holland de Maas -geheel open lag, werden de Watergeuzen in den Briel weer roeriger. Men -wist, dat er te Dordrecht veel aanhangers van den Prins waren en dat -een aanslag op die belangrijke stad veel kans van slagen zou hebben. -Een kleine vloot werd uitgerust en zeilde den 23sten Juni, onder bevel -van Barthold Entesz van Mentheda de Maas op, om, zoo ’t kon, -Dordt voor den Prins te winnen.</p> -<p class="par">De „Blauvoet” nam geen deel aan deze -expeditie, maar kapitein Martens, wien, als zoovelen zijner -krijgsmakkers, het doelloos toeven in den Briel verdroot en die geen -deel wenschte te nemen aan de strooptochten in den omtrek, waar vele -Geuzenbenden zich nog aan schuldig maakten, had zich als vrijwilliger -bij de onderneming aangesloten. Dit was althans een eerlijke -krijgstocht in het belang der goede zaak, en te dienen onder Barthold -Entesz, den woesten maar dapperen Frieschen edelman en ervaren -aanvoerder, was zeker geen schande.</p> -<p class="par">Zoo bevond Jacob Martens zich op het schip van Entesz, -met Pieter de Welle, die verzocht had, hem te mogen vergezellen. De -verhouding tusschen beiden was in den loop der jaren wel eenigszins -veranderd. De omstandigheid, dat Jacob Martens thans zijn eigen schip -commandeerde, had daarop weinig invloed, maar naarmate de Welle ouder -werd, werd hij somberder en meer in zich zelf gekeerd. Hij haatte de -Roomsche priesters, „de afgodische papen,” zooals hij en -zijne geestverwanten ze noemden, met een bitteren en doodelijken haat. -Aan roof- en plundertochten nam de <span class="pagenum">[<a id="pb369" -href="#pb369" name="pb369">369</a>]</span>vroegere boschwachter van -president Martens geen deel, maar als er kans was, een klooster te -bestormen en te verbranden of een priester op te lichten, dan behoorde -de Welle tot de eersten. Hij las zijn bijbel, maar sinds lang waren het -de verhalen van strijd en wrake van het Oude Testament, de donkere -vloekpsalmen en de toornende profetieën tegen de Heidenen, waar -hij zich het liefst in verdiepte en hij beschuldigde in zijn hart zijn -jonker van lauwheid in het werk des Heeren, wanneer Jacob Martens, waar -hij kon, de uitspattingen van baldadigheid en wreedheid tegen weerlooze -geestelijken trachtte te verhinderen.</p> -<p class="par">Gedreven door een frisschen Westenwind zeilde de -flottille statig de breede rivier op, angstig nageoogd door de -Hollandsche boeren, die de Geuzenschepen thans kenden en -vreesden,—om maar al te goede redenen. De tijd, dat het -Oranje-blanje-bleu vendel door alle landzaten als het symbool der -bevrijding zou worden beschouwd, was aanstaande,—maar hij was er -nog niet!</p> -<p class="par">Men voer thans Rotterdam voorbij en men behoefde niet te -vreezen, dat de schepen van Bossu de haven zouden uitloopen, om den -Geuzen den doortocht te betwisten. Alva’s stadhouder had thans de -handen vol en hij kon geen manschappen missen.</p> -<p class="par">Barthold Entesz staarde naar de stad, wier statige St. -<span class="corr" id="xd24e5465" title= -"Bron: Lourenskerk">Laurenskerk</span> zich boven de lage huizen -verhief.</p> -<p class="par">—„Die van Rotterdam hebben ook ondervonden, -wat de Spaansche trouw beteekent,” zei hij bitter tegen Jacob -Martens, die naast hem stond.</p> -<p class="par">—„Bossu heeft schandelijk zijn woord -gebroken en de arme burgers hebben het moeten ontgelden,” stemde -Jacob toe. „’t Is bitter, dat er zooveel onschuldigen het -slachtoffer worden van den oorlog. Als men maar vocht op goede -krijgsmansmanier! Die twee Spaansche hoplieden en de zestien -musketiers, die op bevel van den admiraal aan den molen van Brielle -werden gehangen, waren ook krijgsgevangen gemaakt in een eerlijk -gevecht <span class="pagenum">[<a id="pb370" href="#pb370" name= -"pb370">370</a>]</span>en hun eenige misdaad was, dat zij trouw bleven -aan hun vaandel.”</p> -<p class="par">—„Op een harden knoest past een scherpe -bijl,” zei de Fries onverschillig. „Waren de onzen in hunne -handen gevallen, het was hun niet beter gegaan. Maar ge zijt te -weekhartig, jonker Martens. Dapper genoeg in ’t gevecht, -kameraad,” voegde hij er met ruwe hartelijkheid bij, „maar -gij zijt te week voor die vervloekte papisten! Hebt gij en van Dorp u -er ook niet tegen willen verzetten, toen Lumey dien paap van Helvort -liet hangen? Opruiming moeten wij houden onder het goddeloos afgodisch -gespuis!”</p> -<p class="par">—„Soude ik niet haten, Heere, wie u haten? -Ik haet ze met eenen volkomen haet! Tot vijanden zijn ze mij, zegt de -Schrift,” zeide de Welle, die achter hen stond en het gesprek had -aangehoord.</p> -<p class="par">Barthold Entesz knikte den ouden Geus goedkeurend toe. -’t Kwam niet in hem op, den man te berispen, omdat hij zich -ongeroepen in het gesprek van zijn meerderen mengde. De geheele -organisatie der Watergeuzen, met hun eigenaardige vermenging van alle -rangen en standen, onder wie een gewezen dijkwerker als Marinus Brand -een gewichtig commandement was toevertrouwd, terwijl jonge mannen van -goeden huize dienst deden als gewone matrozen, maakte een strenge -toepassing van de krijgstucht onmogelijk. In het gevecht gehoorzaamden -allen hun aanvoerders—en dat was de hoofdzaak.</p> -<p class="par">—„Laten wij de Spanjolen bevechten als -vijanden van God en van Zijn Kerk,” antwoordde Jacob. „Wij -willen God den Heere tot onzen opperkapitein nemen, dien wij hopen en -niet en twijfelen, dat Zijn volk niet verlaten zal, maar verlossen uit -de tirannie en groote benauwingen van den Duc d’Alve. Maar wij -moeten geen weerlooze priesters, geen monniken en nonnen vangen en -martelen, die ons geen leed gedaan hebben.”</p> -<p class="par">—„Geen leed gedaan? Zij heulen met den -Spanjool! ’t Zijn de bloedige adhaerenten van Alva en zijn -bloedraad,” <span class="pagenum">[<a id="pb371" href="#pb371" -name="pb371">371</a>]</span>viel Entesz heftig uit. „Zij hebben -mede Gods kinderen vervolgd en getempteerd en zij bedriegen het volk -met hunne paapsche supersticiën. Laat ze hunne dolingen afzweren, -dan worden zij gespaard!”</p> -<p class="par">—„Jonker, jonker,” waarschuwde de -Welle, „laat uw deel niet zijn met Saul, die verworpen werd, -omdat hij Agag spaarde, toen de Heere hem had geboden Amalek te -verbannen. Lezen wij niet van David, den man naar Gods hart, dat hij de -vijanden Israëls sloeg met de scherpte des zwaards en niemand -verschoonde, want het waren de vijanden van God en van Zijn -volk.”</p> -<p class="par">—„David was een man Gods!” riep Jacob -ijverig, „maar hij leefde onder ’t Oude Verbond en wij -hebben het gezuiverde Evangelie. Als wij de paapsche Inquisitie -bestrijden, die eenvoudige en simpele menschen worgt en brandt om de -goede belijdenis, moeten wij niet doen als zij. Als Christen, kapitein -Entesz...”</p> -<p class="par">—„Ik noeme mij geen Christen,” viel -Entesz norsch in, terwijl zijn voorhoofd in dreigende rimpels trok. De -beide anderen keken hem zwijgend aan. Op de Geuzenvloot kenden allen de -woeste uitbarstingen van drift van den Frieschen edelman. Maar Entesz -bedwong zich.</p> -<p class="par">—„Ben ik geen Christen,” zoo ging hij -bedaarder voort, „of houde ik mij niet gelijk een Christen -betaamt, zoo wil ik nochtans Christus’ zaak voorstaan en mijn -vaderland dienen met mijn lijf en bloed. En ik wil naarstig het mijne -doen, tot afbreck, vernielinghe ende anulacie van den Ducq de Alba met -zijne bloedige adhaerenten, om weder in te voeren het waarachtige Woord -Gods, ende dat voor allen te doen prediken, ende alzoo te mogen -genieten onzer vaderen landen ende vrijheden, daar wij thans ballingen -af zijn!”</p> -<p class="par">—„Zoo dient ge dan toch de zaak der vrijheid -dezer landen als de zaak Gods?” riep Jacob levendig.</p> -<p class="par">Entesz haalde de schouders op.</p> -<p class="par">—„Daar zijn in een kruidtuin,” zei hij -rustig, „verschillende kruiden en planten, doch niet alle zijn -even <span class="pagenum">[<a id="pb372" href="#pb372" name= -"pb372">372</a>]</span>gunstig en dienstig tot medicijnen. Ben ik geen -dier kruiden, dan echter ben ik de haagdoorn en maak de hegge mede uit, -die zoodanigen kruidtuin bewaart; alzoo behoor ik derhalve noodwendig -tot den kruidtuin.”</p> -<p class="par">—„God geve, dat gij nog eens, anders dan als -de doornheg, tot den kruidtuin moogt behooren,” zeide Jacob -trouwhartig.</p> -<p class="par">—„Daar zeg ik Amen toe,” zeide de -ander ernstig. „Maar wij zullen ondertusschen niet twisten, -kapitein Martens. Tegenover den Spanjool staan wij schouder aan -schouder en dan wensch ik mij geen beter krijgsmakker. Maar wanneer -’t aankomt op het uithalen van een papennest, zal ik dat u niet -opdragen. In trouwe, daar heb ik wel andere hulp voor;”—en -hij wees op het schip, dat achter hen aan voer. „Marinus Brand -zal dat werk gaarne van u overnemen en nog meenen, Gode een dienst te -doen!”</p> -<p class="par">En nu begonnen de torens van Dordrecht op te duiken -boven den dijk. Het vaarwater werd breeder en na een paar uren lag de -oude koopstad, met haar haven, die van masten wemelde, voor de -Watergeuzen open. Een paar schepen, die op stroom hadden gelegen, -slipten de ankers, heschen de bruine zeilen en trokken zich haastig -terug.</p> -<p class="par">—„De Dordtsche wachtschepen,” zeide -Barthold tot Jacob Martens. „Die van de stad zullen nu wel weten, -wie zij voor hebben.”</p> -<p class="par">Vóór de haven lieten de schepen der -Watergeuzen het anker vallen. De geschutpoorten waren geopend en de -monden der bassen waren dreigend op de stad en de koopvaarders aan de -kaden gericht. Handbussen en pieken, enterbijlen en houwers werden aan -de bemanning uitgedeeld, voor het geval, dat het noodig mocht blijken, -geweld te gebruiken, maar eerst moest de stad worden opgeëischt, -en die eervolle, maar gevaarlijke taak werd door Entesz van Mentheda -aan Jacob Martens opgedragen.</p> -<p class="par">Met de jol van het admiraalsschip liet deze zich naar -<span class="pagenum">[<a id="pb373" href="#pb373" name= -"pb373">373</a>]</span>den wal roeien, en er waren er onder de op de -kade saamgestroomde menigte genoeg, die den Geus als gids wilden dienen -naar het Raadhuis, waar de Vroedschap vergaderd was.</p> -<p class="par">De Magistraat zat deerlijk in verlegenheid. ’t Was -geen groote macht, die de goede stad Dordt bedreigde, maar de -aanvallers telden vele geestverwanten onder het volk, ja onder de -gezeten burgerij. Op den steun der gilden noch der schutters kon men -rekenen, en de stadhouder Bossu was te Utrecht, te ver om tijdig hulp -te kunnen bieden. Kapitein Martens toonde zich een geschikt en -edelmoedig onderhandelaar en hij boezemde de erentfeste leden van de -Vroedschap vertrouwen in. Met twee hunner keerde hij terug naar het -admiraalsschip en het bleek, dat Entesz van Mentheda, trots zijn -dweepzieken haat tegen de Roomsche geestelijkheid, een te ervaren -aanvoerder was, om niet zijn driften en zijn wraakzucht te kunnen -bedwingen, nu het gold, de machtigste koopstad van Holland zonder slag -of stoot te winnen voor zijn partij. Dordrecht gaf zich over, maar het -verkreeg gunstige voorwaarden: alle regenten, beambten en geestelijken -zouden ongestoord hunne bediening blijven waarnemen, een van de kerken -zou worden afgestaan aan de Gereformeerden, maar verder zouden alle -kerken, kloosters en geestelijke gestichten gespaard blijven, de -privilegiën der stad bleven gehandhaafd, en over het algemeen zou -de bestaande orde van zaken worden bestendigd. Barthold Entesz van -Mentheda deed zijn volk landen en bleef de stad met driehonderd man -bezetten en het schijnt, dat de Friesche edelman de voorwaarden, door -hem bewilligd, getrouw is nagekomen. Hij zond kapitein Martens met een -der kleinere schepen naar den Briel, om aan Lumey de blijde tijding van -den overgang van Dordt te brengen.</p> -<p class="par">Maar ondertusschen zon hij op nieuwe plannen. Gorcum lag -niet ver van Dordrecht, en het was zaak zich van die stad meester te -maken, vóór Bossu er bezetting <span class= -"pagenum">[<a id="pb374" href="#pb374" name="pb374">374</a>]</span>in -legde. Niet zonder bedoeling had hij onder de mannen, met wie hij zijn -krijgstocht ondernam, een aantal Gorcumsche ballingen opgenomen, die, -omdat zij in 1566 de hagepreeken hadden bijgewoond, oproerige requesten -geteekend en „vive le Geus” geroepen, op lijfstraf uit de -stad waren gebannen en wier bezittingen waren verbeurd verklaard.</p> -<p class="par">Onder hen was een kleine, donkere kerel, Wenzel -Borchmans, onder de Geuzen bekend als „’t Swartje van -Gorcum”, een der roerigsten en meest ondernemenden. Deze man had -bekenden onder de bevolking van zijn geboortestad en hij was er zeker -van, dat de burgerij geen tegenstand zou bieden. En wanneer hij zijn -woeste krijgsmakkers het droevig lot van de martelaars Barend de Naeyre -en Hans van Maeseyck vertelde, die vier jaren geleden op het schavot te -Gorcum waren geworgd en daarna verbrand, omdat zij kettersche -predikaties hadden aangehoord en kettersche predikanten hadden -geherbergd, dan brandden de wilde gezellen van begeerte, om met hen, -die die daad hadden gepleegd, af te rekenen. En zoo kon Barthold Entesz -op vrijwilligers genoeg rekenen. Den 24sten Juni was Dordrecht -overgegaan en reeds den 26sten verscheen Marinus Brand met 14 kleine -vaartuigen en 150 man voor Gorcum. Meer had Entesz er niet te -missen!</p> -<p class="par">Maar het was genoeg! Wel had de drost, Caspar Turc, zijn -zoon naar Utrecht gezonden, om Bossu om hulp te vragen, maar de Geuzen -waren hem te vlug. Te halfacht was Brand met zijn flottille voor de -stad gekomen en te drie uren opende de burgerij de poort voor de -Geuzen. De drost had geweigerd, zich over te geven. Met veertig -gewapenden—de geheele bezetting—trok hij zich terug in het -sterke kasteel en de aanzienlijkste Roomschen met de beide pastoors en -de monniken uit het klooster der Franciscanen vonden daar een -schuilplaats.</p> -<p class="par">’t Was een waagstuk, die verdediging van het -kasteel. <span class="pagenum">[<a id="pb375" href="#pb375" name= -"pb375">375</a>]</span>Kon de drost zich staande houden, tot de vendels -van Bossu tot ontzet kwamen opdagen, dan zouden de Geuzen moeten -aftrekken. Maar de wallen en de buitenwerken waren te uitgestrekt, om -ze met een zoo kleine bezetting te verdedigen. Toen de aanval begon, -moest men zich terugtrekken in het hoofdgebouw, een sterken toren. Maar -ook daar bleek de tegenstand vruchteloos. Waarschijnlijk vreesden de -verdedigers voor hun leven, wanneer de sterkte stormenderhand zou -worden veroverd en vóór de troepen, door Bossu gezonden, -de stad hadden bereikt, gaf het kasteel zich over.</p> -<p class="par">Had men voorwaarden kunnen stellen? De Roomsche -schrijver, die de inneming van stad en kasteel uitvoerig heeft -beschreven, verzekert, dat Marinus Brand allen, die zich in de sterkte -bevonden, lijfsbehoud en vrijen aftocht had toegezegd, doch met -achterlating van al hunne bezittingen, en het is zeer waarschijnlijk, -dat deze voorstelling de ware is. De Geuzen wisten zeer goed, dat de -Spaansche vendels met geforceerde marschen naderden en er moest hun -alles aan gelegen zijn, om zich van het sterke kasteel meester te maken -en zich daar te verschansen, vóór hunne komst. En dat -bleek zeker juist gezien, want de Spanjaarden moesten onverrichter zake -aftrekken. Maar wanneer een dergelijke overeenkomst is gesloten, dan is -zij zeker niet nagekomen.</p> -<p class="par">Kapitein Brand was eigenlijk geen slecht mensch. Van -geringe afkomst, had hij zijn positie te danken aan zijn onverschrokken -dapperheid. Maar hij was een man van een zwak karakter, zooals uit zijn -latere geschiedenis blijkt. De wilde Watergeus, de onderbevelhebber van -Entesz van Mentheda, zou weinige jaren later terugkeeren tot de -Roomsche kerk en de wapenen voeren tegen zijn vaderland, om in het duin -bij Schagen een roemloozen dood te vinden. Thans schijnt hij niet bij -machte te zijn geweest zich door zijne woeste ondergeschikten te doen -gehoorzamen. Toen de Geuzen <span class="pagenum">[<a id="pb376" href= -"#pb376" name="pb376">376</a>]</span>meester waren van het kasteel, -werden de mondeling toegestane voorwaarden niet nagekomen. De bezetting -kon ongedeerd vertrekken, evenals de meeste leeken, nadat zij alles van -waarde hadden moeten afgeven, terwijl sommigen nog een losgeld moesten -betalen. Maar de drost en drie aanzienlijke burgers, Bommer en zijn -zoon en De Koninck, die de burgerij hadden aangezet, om hunne stad -tegen de Geuzen te verdedigen, werden gevangen gehouden, evenals de -beide pastoors, de rector van het nonnenklooster en de twintig -Franciscaner monniken met hun gardiaan, den eerwaarden Leonard -Pieck.</p> -<p class="par">En nu hadden godsdiensthaat en wraakzucht vrij spel. -„’t Swartje van Gorcum”, met zijn vrienden en -geestverwanten, dreven hun baldadigen moedwil met de gevangen -geestelijken. Dien geheelen dag,—’t was een -Vrijdag—hadden de gevangenen geen eten of drinken gehad. Thans, -tegen den avond, zette men hun vleesch voor, om hen te dwingen, den -vastendag te schenden. De uitgeputte mannen bleven het gebod hunner -kerk getrouw en weigerden het hun aangeboden voedsel. Slechts -één hunner, Pontus Heuterus, een geleerd man, die later -als Latijnsch dichter en historieschrijver naam zou maken, maar die -blijkbaar weinig voelde voor het martelaarschap, at hetgeen hem werd -voorgezet, terwijl hij beweerde, dat in zulke buitengewone -omstandigheden de kerkelijke voorschriften niet golden.</p> -<p class="par">’t Zou dien nacht nog erger worden. Waarschijnlijk -opgewonden door het zware Gorcumer bier, drongen een aantal Geuzen -andermaal de gevangenis der geestelijken binnen en eischten geld. De -oudste pastoor en de rector van het vrouwenklooster, die terstond alles -afgaven, wat zij bij zich hadden, kwamen er genadig af. Maar de jongste -pastoor, Nicolaas van Poppel, die bij de Gorcumsche ballingen, te recht -of ten onrechte, als een ijverig ketterjager bekend stond, en die niets -bezat om de hebzucht zijner belagers te bevredigen, <span class= -"pagenum">[<a id="pb377" href="#pb377" name="pb377">377</a>]</span>werd -wreed mishandeld. Men sloeg hem een strop om den hals, die over de -openstaande deur werd geslagen; zoo trok men hem telkens omhoog en liet -hem weer neerploffen, tot hij halfdood bleef liggen.</p> -<p class="par">Ook de gardiaan der Franciscanen werd op dezelfde wijze -gemarteld. De Geuzen eischten, dat hij hun den verborgen kloosterschat -zou wijzen, en zij wilden hem door hun folteringen daartoe dwingen, -zonder op zijn verzekeringen, dat die schat niet bestond, acht te -slaan. Ook hem heschen zij herhaalde malen tegen de deur op en lieten -hem ten laatste zoo lang hangen tot het koord brak en het lichaam van -den gemartelde op den steenen vloer viel. Zij lieten hem voor dood -liggen, maar toen zijn beulen vertrokken waren, kwam hij weder bij.</p> -<p class="par">En Marinus Brand deed niets om den moedwil van zijn -manschappen te beteugelen. Hij zond bericht naar Dordt en naar den -Briel en vraagde om nadere orders. Toch verhinderde hij niet, dat de -Gorcumsche Magistraat een bode naar den Prins van Oranje zond, die te -Aldenkerken, in ’t land van Gelder, vertoefde, om aan te dringen -op de nakoming van het verdrag en de loslating der gevangenen. Zijn -geheele houding teekende besluiteloosheid.</p> -<p class="par">Zijne onderhoorigen bleven de gevangen geestelijken -kwellen en zelfs mishandelen, al kwam het niet zoo ver als op dien -beruchten Vrijdagavond. Des Maandags daarop werden de Koninck en de -oude Bommer op de markt terecht gesteld en de zoon van den laatste zou -het lot van zijn vader hebben gedeeld, wanneer niet een jong meisje hem -aan den voet van het schavot had „verbeden”, d. i. hem -openlijk tot haar man had begeerd. Dit was een oud recht, en hetzij -omdat de Geuzen de aloude privilegiën wilden handhaven, hetzij -omdat een opgewonden menigte gemakkelijk van het eene uiterste in het -andere vervalt, het werd door de overwinnaars geëerbiedigd en de -jonge man werd in vrijheid gesteld. Brand stond zelfs toe—iets -wat <span class="pagenum">[<a id="pb378" href="#pb378" name= -"pb378">378</a>]</span>Lumey nimmer zou hebben veroorloofd—dat de -oudste pastoor zijn gevangenis verliet, om zijn veroordeelde -geloofsgenooten in hun uiterste bij te staan. Toen het vonnis was -voltrokken liet men hem vrij.</p> -<p class="par">De terechtstelling van deze beide mannen, wier eenige -misdaad was, dat zij zich tegen de Geuzen hadden willen verzetten, was -zeker tegen de bedongen voorwaarden en een daad van volkomen noodelooze -wreedheid, die kapitein Brand had behooren te verhinderen. Met de -gevangen geestelijken zou het echter wellicht nog goed zijn afgeloopen, -zonder de onvoorzichtigheid van Leonard Vechel en de tusschenkomst van -Lumey.</p> -<p class="par">Twee dagen na den dood van de Koninck en Bommer was het -feest der Annunciatie en het is weer teekenend voor Brand’s -houding, dat hij pastoor Vechel toestond, in de groote kerk van Gorcum, -op dien Katholieken feestdag voor zijne gemeente te prediken. Nu meende -deze, dat alle gevaar voor hem voorbij was. Zijne zuster was uit den -Bosch te Gorcum aangekomen, om de tijding te brengen, dat hun oude -moeder ernstig ziek was en zij had van den Geuzenkapitein een paspoort -gekregen of wellicht gekocht. Nog dienzelfden middag zou pastoor Vechel -met zijn zuster de stad verlaten en in veiligheid zijn. De boot, die -hem naar Woudrichem zou overzetten, lag gereed en daar stond het -tweespan klaar, dat hem verder zou brengen.</p> -<p class="par">En nu is ’t zeker verklaarbaar, maar het was toch -eene onvoorzichtigheid, dat pastoor Vechel er zich niet toe bepaalde, -zijn parochianen te troosten en te bemoedigen, maar dat hij ook scherpe -woorden richtte aan het adres zijner tegenpartij,—al had die dit -dan ook ruimschoots verdiend.</p> -<p class="par">Dit had reeds bij de Geuzen en bij hunne aanhangers -onder de burgerij verbittering gewekt. En toen het nu in den namiddag -in de stad ruchtbaar werd, dat de pastoor naar Woudrichem was -overgestoken, werd die verbittering woede. Pastoor Vechel was in -vrijheid gesteld, <span class="pagenum">[<a id="pb379" href="#pb379" -name="pb379">379</a>]</span>op zijne belofte, dat hij de stad niet zou -verlaten. De schutters waren borg voor hem gebleven. Dat hij van Brand -een paspoort had gekregen, wist men niet. Waarschijnlijk had deze daar -geen ruchtbaarheid aan durven geven. Men verdacht den pastoor van -woordbreuk en verraad. De verbitterde Geuzen vielen in de booten, -staken de rivier over en maakten zich van den geestelijke meester, -vóór hij Woudrichem had kunnen verlaten. Het paspoort, -waarop hij zich wilde beroepen, werd ongelezen in stukken gescheurd en -hij werd als gevangene naar zijn lotgenooten op het kasteel -gebracht.</p> -<p class="par">De verbittering der Geuzen had nieuw voedsel gekregen en -Brand, wiens verklaring hem nog had kunnen redden, miste den moed, om -tusschenbeide te komen.</p> -<p class="par">En inmiddels was er den vorigen dag een sinistere -persoonlijkheid komen opdagen: Jan van Omal, een Luikerwaal, evenals -Lumey, en diens handlanger, een gewezen kanunnik, maar die de tucht der -Roomsche kerk slechts had verlaten, om zich over te geven aan de -gemeenste uitspattingen, waaraan hij zich ook in den Briel schuldig -maakte, een van die lage naturen, die een schande en een vloek zijn -voor elke partij, bij wie zij zich aansluiten.</p> -<p class="par">En deze man was door Lumey naar Gorcum gezonden, met den -last, de gevangen geestelijken terstond naar den Briel te brengen. -Zonder het onvoorzichtig gedrag van Leonard Vechel was het -waarschijnlijk wel mogelijk geweest, dat vertrek uit te stellen, om te -wachten op het antwoord van den Prins, dat elken dag kon komen, en dat -de gevangenen zou hebben gered.</p> -<p class="par">Ondertusschen ging Omal niet terstond over tot het -uitvoeren van den last, die hem was opgedragen. Het gemakkelijk succes -van Brand prikkelde hem tot jaloerschheid. Had deze met een geringe -macht Gorcum veroverd, hij, Omal, wilde op zijne beurt beproeven -<span class="pagenum">[<a id="pb380" href="#pb380" name= -"pb380">380</a>]</span>Zalt-Bommel in te nemen, waar de Geuzen ook -aanhangers hadden onder de burgerij. Met een kleine vloot waagde hij de -onderneming, maar de aanslag mislukte: de Geuzen werden teruggeslagen -en Omal keerde te Gorcum terug, op den dag, dat pastoor Vechel weer bij -zijne lotgenooten was gevangen gezet.</p> -<p class="par">En nu was het lot der gevangenen beslist. Omal wilde hen -volgens het bevel van Lumey naar den Briel vervoeren en de Gorcumsche -vroedschap durfde zich niet verzetten. In den nacht van Zaterdag op -Zondag werden de geestelijken in een open schuit ingescheept, nadat zij -door de hebzucht en de baldadigheid hunner bewakers voor een groot deel -van hunne bovenkleederen waren beroofd. ’t Was zomer, ja, maar -’t was kil op de rivier en verscheidene van de slachtoffers waren -hoogbejaard. Te Dordt, waar hun vaartuig een paar uren stil lag, liet -men de gevangen priesters als wilde dieren aan de nieuwsgierigen voor -geld zien. Eindelijk, des Maandagsmorgens, nog voor het openen der -poorten, kwam de schuit aan het havenhoofd van den Briel aan.</p> -<p class="par">Jacob Martens lag nog te bed, in een van de door de -bewoners verlaten huizen der stad, waarin hij zijn kwartier had -gevestigd, toen Frederik van Dorp zich bij hem liet aandienen. Hij werd -terstond toegelaten. Het open en edel gelaat van den jongen krijgsman -toonde onrust en bezorgdheid.</p> -<p class="par">—„Een kwade tijding, vriend Martens,” -zei hij somber. „Jan van Omal is met een geheele schuit papen -zooeven aangekomen, en de admiraal is hun dadelijk tegemoet gereden, -met allen, die hem wilden volgen. Ik vreeze zeer, dat dit weer een -droevige zaak van mishandeling en moord zal worden, van menschen, die -dolen en gevangen zijn in hun paapsche supersticie, maar die men toch -niet als wilde dieren mag uitroeien.”</p> -<p class="par">—„Als die Luikerwaal, die Omal, de hand in -de zaak heeft, zal ’t wel zoo zijn,” antwoordde Jacob -driftig. „Die terechtstelling van den kanunnik Berwout Jansz -<span class="pagenum">[<a id="pb381" href="#pb381" name= -"pb381">381</a>]</span>was een gruwel. De man werd vermoord op last van -Omal, omdat de herbergierster Marijke Fasols zijn huis begeerde en haar -dochter Omal’s lief was. Het was een schande, dat de admiraal het -toestond.”</p> -<p class="par">—„Als Treslong, de Rijk en Ruychaver dachten -als wij, konden zij misschien iets doen,” zeide van Dorp, -„maar zij achten het leven van een priester weinig, al minachten -zij Omal. Ik sprak er over met Ruychaver. Hij zei, dat de dronken -verloopen kanunnik hem niet raakte, maar dat Lumey hem steunde en dat -wij in dezen tijd geen twist konden zoeken met hem en met zijn -Luikerwalen. De eendracht onder de mannen was meer waard dan het leven -van tien papen. En ’t is misschien te begrijpen, dat de oudere -kapiteins er zoo over denken, nu alles op ’t spel staat. Maar ga -mee naar de haven! Wij dienen toch te weten, wat er met de gevangenen -gedaan wordt.”</p> -<p class="par">Jacob Martens had zich ondertusschen haastig gekleed. -Hij gespte den degen om en de beide jonge mannen stapten de poort uit -en naar het havenhoofd, waar de gevangen geestelijken werden -ontscheept. ’t Was een droevig tooneel! Op bevel van Lumey, die -te paard gezeten de ontscheping bijwoonde, werden de gevangenen twee -aan twee in een rij geschaard en onder het gegrinnik en de -schimpscheuten van de toegestroomde Geuzen en van het Brielsche grauw -zette de treurige stoet zich in beweging. Lumey eischte, dat zij een -kerklied zouden zingen, en de moedige mannen, die den dood voor oogen -hadden, hieven, zij het dan ook met van koude en uitputting sidderende -stemmen, een „Te Deum Laudamus” aan.</p> -<p class="par">Zoo ging het voort over de hobbelige keien van de -havenkade, eerst naar een galg, die buiten de poort was opgericht. De -gevangenen openden den stoet, bewaakt door Omal en hun gewapend -geleide, Lumey en zijn staf volgden te paard, en om hem verdrong zich -de joelende menigte, zich vermeiend in het lijden en de vernedering der -gehate papen. <span class="pagenum">[<a id="pb382" href="#pb382" name= -"pb382">382</a>]</span></p> -<p class="par">Voorzeker, het zaad van tirannie en geloofshaat, jaren -lang met zoo kwistige hand gezaaid, droeg in die dagen wrange -vruchten!</p> -<p class="par">Toen de gevangenen de galg zagen, die het eerste doel -was van den bangen tocht, meenden zij reeds, dat hun laatste uur was -geslagen, maar dat lag niet in de bedoeling van Lumey: hij wilde zijn -slachtoffers voor het oogenblik slechts vernederen en schrik aanjagen. -Toen men de galg was voorbij getrokken, ging het weder naar de stad, -door de Noordpoort naar de markt, waar een tweede galg was opgericht. -Ook daarlangs moesten de geestelijken zingend defileeren. Toen werden -zij allen te zamen opgesloten in een van de kelders der gevangenis. Zij -vonden er de pastoors van Heinenoord en Maasdam, die reeds vroeger door -de Geuzen waren gevangen genomen en eenige uren later kwamen daar nog -twee praemonstratenser monniken uit Middelburg bij, die den dienst in -de kerk van het dorp Monster hadden waargenomen, maar door een -stroopende bende waren opgelicht.</p> -<p class="par">Met verontwaardiging en ingehouden toorn hadden Jacob -Martens en Frederik van Dorp het droevig tooneel aanschouwd. Zij -konden, de mishandeling der weerlooze geestelijken niet verhinderen. De -overgroote meerderheid der Geuzen was op de hand van Lumey en Omal, -velen, zooals Pieter de Welle en Jan Smeert de Borst uit verbittering -en wilden haat, anderen uit baldadige wreedheid. Zelfs onder de besten -van dien tijd waren er maar weinigen, die Oranje’s -verdraagzaamheid konden begrijpen en waardeeren. Hadden zij zich tegen -de wreede behandeling der afgetobde monniken met geweld willen -verzetten, dan zouden hun eigen mannen hen niet hebben gevolgd.</p> -<p class="par">Toch had hun houding op het havenhoofd en wellicht ook -de uitdrukking van hun gelaat, de aandacht getrokken van twee mannen, -in de dracht van gegoede burgers, die op eenigen afstand de ontscheping -der gevangenen hadden gadegeslagen. Het waren de beide <span class= -"pagenum">[<a id="pb383" href="#pb383" name= -"pb383">383</a>]</span>broeders van den gardiaan Leonard Pieck. Zoodra -het in Gorcum bekend was geworden, dat de gevangenen naar den Briel -waren gevoerd, hadden zij begrepen, dat zij alleen daar iets tot -redding van hun broeder konden beproeven. Zij hadden een snel zeiljacht -gehuurd, en goed van geld voorzien waren zij eenige uren -vóór de schuit van Omal aan het havenhoofd aangekomen. -Zij waagden veel, maar Gorcum had nu immers de zijde van den Prins -gekozen en als Gorcumsche burgers achtten zij zich veilig.</p> -<p class="par">Zij hadden zeer wel opgemerkt, dat de beide jonge -officieren geen teekenen van voldoening en instemming hadden gegeven -bij de ontscheping van den gardiaan en zijn lotgenooten en bij de door -Lumey bevolen beschimping der gevangenen, die door de andere Geuzen met -luid gejuich en gelach was begroet. Dit gaf hun moed, hen aan te -spreken en hen voorzichtig te vragen wat wel het lot der priesters zou -zijn en of men ook toegang zou kunnen krijgen tot den graaf van der -Mark.</p> -<p class="par">Natuurlijk werden zij met eenig wantrouwen aangehoord. -Toen zegevierde echter hun liefde voor hun broeder over hunne -voorzichtigheid. Zij maakten zich bekend als de broeders van den -gardiaan. Hun broeder, de Eerwaarde Leonard Pieck, had er geen schuld -aan, dat de baljuw Caspar Turc het kasteel tegen de Geuzen had -verdedigd,—en misschien zou de graaf van der Mark een rantsoen -van hem willen aannemen, een groot rantsoen! Ook voor de andere -gevangenen wilden zij wel een losprijs betalen of waarborgen, als de -graaf zijne eischen niet te hoog stelde...</p> -<p class="par">Inderdaad was er bij Lumey met geld veel te bereiken, en -de beide Gorcumers schenen vermogende lieden, die er veel voor over -hadden om hun bloedverwant te redden. Zoo kon wellicht worden verhoed, -dat de zaak een treurig einde nam. De beide Geuzenkapiteins beloofden -de broeders, dat zij hun zoo mogelijk een gehoor bij den graaf van der -Mark zouden verschaffen. Wanneer zij vrijgevig waren in hun -aanbiedingen en <span class="pagenum">[<a id="pb384" href="#pb384" -name="pb384">384</a>]</span>er voor zorgden, de ijdelheid van den -admiraal niet te kwetsen, was er kans op een goeden uitslag.</p> -<p class="par">Dienzelfden middag werden de gevangen -geestelijken—het waren er nu meer dan twintig—naar het -raadhuis gebracht, waar Lumey, omringd door zijne officieren, hun een -verhoor afnam. Hun eenige misdaad was hun godsdienst en hun geestelijke -stand. Alleen den beiden pastoors kon wellicht nog ten laste gelegd -worden, dat zij de burgers hunner stad hadden aangezet om aan de Geuzen -weerstand te bieden.</p> -<p class="par">In de groote zaal, waar anders de schepenen en de baljuw -vergaderden, om recht te spreken, zat de admiraal en monsterde met zijn -stekende zwarte oogen de ongelukkige priesters, wier lot hij in handen -had, en die nu bleek en bevend, na een bangen, slapeloozen nacht in hun -vunzigen kerker, voor hem stonden. Zijn vertrouweling, Jan van Omal, -die het best van alle aanwezigen met de gevangenen bekend was, stond -naast hem. Het zware, zwarte haar golfde neer op zijn schouders en hij -woelde met de hand in den langen baard; deze vreemde Nazireër had -immers gezworen, dat hij haren noch baard zou scheren, -vóór hij den dood van Egmond en Hoorne had gewroken. Toen -hij zich een poos had vermeid in de ontsteltenis, die zijn aanblik de -weerloozen blijkbaar inboezemde, begon hij hen met barsche stem te -beschuldigen van snoode afgoderij en het aanhangen van verdoemelijke -paapsche supersticiën, waarmee zij het volk op een doolweg -brachten. Wilden zij zich bekeeren tot de gezuiverde Gereformeerde -religie en hunne paapsche dolingen op staanden voet afzweren, dan -konden zij op genade hopen.</p> -<p class="par">—„Hij is zeker een fraai voorbeeld van een -aanhanger der gezuiverde Christelijke religie,” fluisterde van -Dorp Jacob Martens in. De losbandigheid van hun Waalschen aanvoerder -was reeds lang velen der Hollandsche Geuzenkapiteins een ergernis.</p> -<p class="par">Man voor man werd nu den gevangenen afgevraagd, of zij -bereid waren, aan den eisch van hun rechter te <span class= -"pagenum">[<a id="pb385" href="#pb385" name= -"pb385">385</a>]</span>voldoen. Bijna allen bleven standvastig. Een -eenvoudige leekebroeder wekte de lachlust der Geuzenkapiteins, toen hij -bij wijze van geloofsbelijdenis verklaarde, dat hij „alles -geloofde, wat zijn gardiaan geloofde”. Alleen Pontus Heuterus, de -geleerde monnik, die reeds vroeger had getoond, dat hij weinig lust had -in het martelaarschap, de pastoor van Maasdam en een leekebroeder, -gaven een dubbelzinnig antwoord. Zij werden van hun lotgenooten -gescheiden.</p> -<p class="par">Met de anderen zou het misschien toen reeds slecht zijn -afgeloopen, wanneer Jacob Martens en Frederik van Dorp niet -tusschenbeide gekomen waren. Zij drongen naar voren en verlangden den -admiraal te spreken over een zaak van gewicht. Wrevelig stemde Lumey -toe, maar zijn gezicht helderde op, toen de beide kapiteins hem de -aankomst van de broeders Pieck mededeelden, die den gardiaan wilden -redden en die blijkbaar wel genegen waren, een goed rantsoen te -betalen. Het verzoek streelde zijn ijdelheid en wekte tevens zijn -hebzucht. Twee aanzienlijke Gorcumsche burgers, die genade kwamen -vragen voor hun broeder, en die voor die gunst grof wilden betalen! Hij -liet voor ’t oogenblik de gevangenen terug brengen naar hun -kerker en hij deed de Gorcumers ontbieden, die in de Stadsherberg den -uitslag hunner pogingen afwachtten.</p> -<p class="par">Het scheen een oogenblik, of zij zouden slagen. Lumey -scheen op hunne voorstellen in te gaan. Toch lieten zijn trots en zijn -fanatieke haat tegen de Roomsche geestelijkheid niet toe, dat een paap -aan zijne handen zou ontkomen, zonder voor hem te bukken. Hij zon op -een uitweg. Den volgenden dag zou de gardiaan en zes der voornaamste -geestelijken opnieuw worden verhoord. Twee Gereformeerde predikanten -zouden met hen redetwisten,—vooral over de oppermacht van den -paus. Wanneer de gevangenen zich op dat punt rekkelijk toonden, -dan...</p> -<p class="par">De broeders van Leonard Pieck waren vol hoop. Zij zouden -tot den gardiaan worden toegelaten en zij zouden <span class= -"pagenum">[<a id="pb386" href="#pb386" name= -"pb386">386</a>]</span>trachten hem te overreden, in schijn op sommige -minder belangrijke punten toe te geven. Wat deerde het, of hij den -onwetenden Geus misleidde?</p> -<p class="par">Het twistgesprek had plaats, maar de gardiaan bleek -onverzettelijk. Zijne tegenstanders waren trouwens weinig geschikt, om -hem en de zijnen van dwaling te overtuigen. ’t Waren de gewezen -pastoor van den Briel, thans predikant der stad, en een zijner -ambtsbroeders, een gewezen schipper uit Gorcum, misschien een vroom, -ijverig man, maar zeker geen godgeleerde.</p> -<p class="par">Nog gaven de broeders Pieck het niet op en het blijkt -wel, dat Lumey op dat oogenblik bereid was, hen zoo ver mogelijk -tegemoet te komen. Hij stond hun toe, den gardiaan mede te nemen naar -de Stadsherberg, om hem daar te verplegen en hem de gelegenheid te -geven, zich van de geleden ontberingen te herstellen. Daar zouden zij -nogmaals trachten, hem te bewegen, zich in schijn te onderwerpen.</p> -<p class="par">De beter gezinden onder de Geuzen konden dus hopen op -een goeden afloop. ’t Is waar, dat er maar weinigen onder hen -waren, die zich het lot der gevangen priesters bijzonder aantrokken. -’t Was een harde tijd en de bloedige handhaving der plakkaten -tegen de ketterij, door een groot deel der Roomsche geestelijkheid -toegejuicht, lag allen nog te versch in het geheugen. Maar zij achtten -de vervolging en mishandeling der priesters een nuttelooze en -noodelooze wreedheid, krijgslieden onwaardig. De admiraal kon zich met -betere dingen bezig houden, dan met plundering en priestermoord. Dat -Dordrecht en Gorcum genomen waren was goed, maar er was meer te doen -tot bevrijding des lands en de vloot lag werkeloos voor den Briel voor -anker.</p> -<p class="par">De pogingen om de gevangenen te redden zouden echter -falen. Wat hun redding had moeten brengen, werd hun verderf.</p> -<p class="par">Den 7den Juli, denzelfden dag, waarop de geestelijken te -Brielle waren aangekomen, had de Gorcumsche <span class= -"pagenum">[<a id="pb387" href="#pb387" name= -"pb387">387</a>]</span>Magistraat het antwoord van den Prins ontvangen. -Het luidde zooals men hoopte en kon verwachten, want nimmer heeft -Oranje geloofsvervolging goedgekeurd, al heeft hij die niet altijd -kunnen beletten. De Prins gelastte in zijn brief alle overheden en -krijgsbevelhebbers, dat zij geen geestelijke om zijn stand of om zijn -geloof zouden lastig vallen, maar dat allen, die tot den geestelijken -stand behoorden, evenals de overige ingezetenen, behoorden te worden -beschermd en volle vrijheid zouden genieten.</p> -<p class="par">De brief werd aan kapitein Brand ter hand gesteld, die -er niet weinig verlegen mee was. Zijn gedrag en dat van zijn -onderhoorigen was zeker niet geweest volgens die voorschriften. Hij -liet van den brief een afschrift maken en zond een Gorcumsch advocaat, -die zeer voor de belangen der gevangenen had geijverd, met dat -afschrift en een vrijgeleide naar den Briel. De Gorcumsche vroedschap -voegde er brieven van aanbeveling bij.</p> -<p class="par">Alles scheen dus in orde,—maar men had buiten -Lumey gerekend.</p> -<p class="par">In den namiddag van den 8sten Juli, kort na het tweede -verhoor, kwam de bode te Brielle aan en werd terstond tot den admiraal -der Geuzen toegelaten. Lumey verkeerde in een zeer slechte stemming. -Hij voegde den bode op barschen toon toe, dat hij sedert lang allen -papen, die hem in handen vielen, den dood had gezworen, om wraak te -nemen wegens den moord op Egmond en Hoorne en tal van edelen, door de -papisten gepleegd. De Prins van Oranje had zich met de handelingen van -den Graaf van der Mark niet te bemoeien. Om zijne bevelen bekommerde -hij zich niet.</p> -<p class="par">Dien avond wond hij zich meer en meer op. Hij dronk veel -en dat maakte zijne stemming niet beter. Door den brief van den Prins -was zijne ijdelheid gekwetst en zijn toorn werd nog heviger, toen hij -bemerkte, dat men hem niet den origineelen brief, maar slechts een -afschrift had gezonden. Nu Oranje zich met <span class= -"pagenum">[<a id="pb388" href="#pb388" name="pb388">388</a>]</span>de -zaak had bemoeid, zouden die Gorcumers ook wel niet meer bereid zijn, -een hoog rantsoen voor de papen te betalen. Maar hier in den Briel was -hij heer en meester en hij behoefde van niemand bevelen af te -wachten.</p> -<p class="par">Laat in den avond liet hij nog den provoost-geweldige -ontbieden, den voltrekker van de crimineele vonnissen in het leger en -op de vloot, en gaf hem bevel, de gevangen priesters terstond uit de -gevangenis te halen en ze buiten de stad op te hangen. Jan van Omal, -met een wacht gewapende Geuzen, zou toezien, dat alles volgens zijn -bevelen geschiedde.</p> -<p class="par">Het bevel werd opgevolgd. De gevangenen werden uit den -kerker gehaald, Leonard Pieck werd, tot ontzetting zijner broeders, die -hem reeds gered waanden, van zijn bed in de stadsherberg gelicht, en -bij het licht van een paar toortsen en handlantaarns trok de stoet der -veroordeelden, een en twintig in getal, door de straten van den Briel, -tot buiten de poort.</p> -<p class="par">En daar werd de laffe, zwakke daad volbracht.</p> -<p class="par">Er was geen galg, groot genoeg voor de een en twintig -veroordeelden, maar Omal wist raad. Buiten de poort lagen de bouwvallen -van het klooster Rugge, dat door de Geuzen was verwoest. Daar stond een -groote turfloods ledig. Daarheen werden de ongelukkigen gevoerd, en de -balken van de schuur dienden tot galg. Twee van hen redden hun leven, -door hun geloof te verloochenen; één van hen was Pontus -Heuterus. De anderen werden in koelen bloede opgehangen. Volgens den -tijdgenoot, die deze dingen beschreven heeft, stierven zij moedig, met -een gebed op de lippen,—martelaars, stervende voor hunne -overtuiging, als zoovele ketters vóór hen in den dood -waren gegaan.</p> -<p class="par">Maar hun dood zou een vlek werpen op den strijd der -Nederlanders vóór de vrijheid en tegen vorstelijke -tirannie en geloofsdwang.</p> -<p class="par">En Lumey’s daad draagt bittere vruchten,—tot -op dezen dag! <span class="pagenum">[<a id="pb389" href="#pb389" name= -"pb389">389</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pagenum">[<a href= -"#toc">Inhoud</a>]</span> -<div class="divHead"> -<h2 class="main">XIX.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p lang="nl" class="par first">Eerwaarde Vader in Gode, lieve ende -veelbeminde.</p> -<p lang="nl" class="par">Wij hebben jegenwoordelijcken ontvangen sekere -brieffen van onzen Hre den Coninck, bij dewelke Z. Mt ons overscrijft, -dat, gemerckt die alteratien daer-jnne zijne landen van herwaerts over -gevallen zijn, die redene wel vereyscht, dat boven alle mogelijcke -remedie ende order, die Z Mt in meyningen is daerinne te stellen zonder -yet te sparen, men toevlucht neme aen onzen lieven Heere God ende sijne -hulpe ende assistentie aenroepe. Lastende daeromme, dat wij -secretelijcken souden doen bidden in alle kercken, cloisters ende -anderssins, ten einde dat ons Heere God door Sijne goedertierenheyt -ende bermhertichheyt die sake zulcx dirigeeren ende voirderen wille, -dat die rebelle, ketters ende heretijcke gestrafft, ende die -goetwillige in peyse ende ruste gestelt mogen worden, ende het heylich -catholycsche geloove der Roemscher kerken geconserveert, zoe ’t -zelve tot nu toe is geweest ende Z Mt sulcx boven alle zaken ter werelt -begerende is, daervan wij u wel hebben verwittigen bij desen, u -versueckende, in naem ende van wegen sijner Vorst. Mt wel ernstlycken, -dat ghy, volgende sijne goede begeerte ende intentie, alle behoorlijcke -order stellen willet, dat jn alle cloisteren, godtshuyzen, conventen -ende kercken van uwen bisdomme secretelijcken oft openbaerlijcken, zoe -ghij voor ’t beste aenzien zult, alomme demoedige bedingen, -abstinencie, aelmoezenen, suffragien ende andere duechdelijcke ende -verdienstelijcke werken, onzen Heere God aengenaem wesende, -<span class="pagenum">[<a id="pb390" href="#pb390" name= -"pb390">390</a>]</span>gedaen worden, ende oick processiën doen -gaen mitten heyl. hooghweerdigen sacramenten, tzij in den bijvanck van -huere cloisteren, godshuysen, conventen ende kercken, secretelijcken of -oepenbaerlijcken alsvoiren, mit alle behoorlijcke innicheit, devotie -ende solempniteit, opdat Sijne Godlicheit gelieve ons te bewaren tegens -die macht, aenslagen ende invasien van de voirs. rebelle, ketters ende -heretijcke, ende door sijne godlijcke gratie der Co. Mt ende sijn -crijchsvolck goede prosperiteit, voirspoet ende victorie tegens deselve -te verleenen, alles tot Sijner godlijcker eeren ende tot conservatie -van onzen heyl. cath. geloeve der Roemscher kercken ende gantze -confusie van de voors. rebelle ketters ende heretijcke.</p> -<p class="par">Zoo schreef Alva den 11den Augustus 1572, namens zijn -koninklijken meester, aan den aartsbisschop van Utrecht en de -bisschoppen van Middelburg, Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer en -Roermond en het moet den ijzeren hertog, den geduchten legeraanvoerder -wel hard gevallen zijn, te erkennen, dat de „rebellen, ketters -ende herelycken” in die weinige maanden zulk een macht ontwikkeld -hadden, dat het gezag van den Koning van Spanje in zijne erflanden -wankelde, dat de opstand op het punt was te slagen.</p> -<p class="par">Het scheen, dat de plannen van Oranje ditmaal zouden -gelukken. Met een leger van 13000 voetknechten en 3000 ruiters was hij -bij Duisburg in de eerste dagen van Juli den Rijn overgetrokken en had -hij zich gelegerd in de oude voogdij van Gelder. Venlo en Roermond -werden na korten tegenstand genomen en ondanks een dreigbrief van den -Keizer, die hem en de zijnen beval, de wapens neer te leggen, rukte hij -voort naar Bergen, waar zijn broeder Lodewijk door de troepen van Alva -belegerd werd. Zonder ergens tegenstand te ontmoeten, drong hij in -Brabant door. Herenthals, Tienen en Diest openden onmiddellijk -vrijwillig hunne poorten en Mechelen werd bezet. In het Noorden hadden -de Spanjaarden geheel Holland moeten ontruimen <span class= -"pagenum">[<a id="pb391" href="#pb391" name="pb391">391</a>]</span>en -alleen Amsterdam was den Koning getrouw gebleven en uit de Vlaamsche -steden, zelfs uit Brussel, bereikten Alva verontrustende berichten. En -nu zou ook de zoo lang verwachte hulp uit Frankrijk komen, waar de -Huguenoten aan invloed schenen te winnen. De admiraal de Coligny zou -aan het hoofd van tien à twaalf duizend haakschutters zijne -geloofsgenooten te hulp komen en Bergen helpen ontzetten. Het Noorden -in volslagen opstand, het Zuiden bedreigd door de troepen van Oranje en -Coligny,—de zaak der Spaansche tirannie stond hachelijk.</p> -<p class="par">Sedert de laatste dagen van Juli diende Jacob Martens in -het leger van den Prins, dat hij door Brabant heen gemakkelijk had -kunnen bereiken. Den 19en Juli waren de Staten van Holland te Dordrecht -bijeengekomen, Marnix van St. Aldegonde was er verschenen als -vertegenwoordiger van Oranje en de Staten hadden den Prins als -stadhouder des Konings erkend en beloofd, hem tegen Alva en de -Spaansche troepen te ondersteunen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt, -hadden zij echter aangedrongen op het intrekken van de commissiën -ter zee, omdat de handel des lands te veel schade leed door de -rooverijen der Watergeuzen. Marnix voldeed, namens den Prins, aan dit -verzoek, en sedert hielden de kapers op, een wettige krijgsmacht te -zijn. Vele ballingen keerden naar hunne haardsteden terug, anderen -gingen met hunne schepen naar Zeeland, om de Zeeuwen bij te staan in -hun strijd tegen de Spanjaarden en zij hielpen mede die eerste -Nederlandsche marine vormen, die zich tot het jaar 1576 zoo duchtig in -de Zeeuwsche wateren heeft geweerd. Weer anderen namen dienst bij de -vendels die hunne aanvoerders, thans als hoplieden van den Prins, -aanwierven om den strijd te land voort te zetten. De Watergeuzen -verdwenen van de wateren der Noordzee. Zij zouden eerlang hunne -opvolgers vinden in de Duinkerker kapers.</p> -<p class="par">Den 22sten Juli was Lumey in de vergadering verschenen -<span class="pagenum">[<a id="pb392" href="#pb392" name= -"pb392">392</a>]</span>en had een commissie overgelegd van den Prins, -waarbij hij werd aangesteld als gouverneur van Holland. Hij verklaarde -zich bereid die post te aanvaarden en zich naar de daarbij gevoegde -instructies te zullen gedragen. Waarschijnlijk was Marnix van beide -stukken de overbrenger geweest. Lumey werd daarop door de Staten als de -vertegenwoordiger van den Prins, als ’s Konings stadhouder erkend -en voerde een korte poos het bewind in het Zuiden van Holland, ook als -bevelhebber der aanwezige troepen, gelijk Sonoy in het -Noorden.<a class="noteref" id="xd24e5686src" href="#xd24e5686" name= -"xd24e5686src">1</a></p> -<p class="par">Jacob Martens wenschte echter niet onder Lumey te -dienen. Met een aanbevelingsbrief van Aldegonde vertrok hij naar het -leger van den Prins en werd aangesteld als cadet bij diens lijfwacht. -Hij deelde in de algemeene verwachting, dat de bevrijding van de -Nederlanden aanstaande was en hij hoopte Vlaanderen en zijn -geboortestad Gent, die hij als vluchteling en balling had moeten -verlaten, met het zegevierend leger van Oranje en Coligny binnen te -trekken, om ze van het juk der Spanjaarden te verlossen. Mochten de -heftigste Gereformeerden, mocht zelfs Aldegonde Oranje <span class= -"pagenum">[<a id="pb393" href="#pb393" name= -"pb393">393</a>]</span>lauwheid verwijten op het stuk van den -godsdienst, hij begreep, wat de Prins bedoelde. Vrijheid van geweten, -het recht, om God te dienen naar de inspraak van zijn hart, die zouden -ieder gewaarborgd zijn, als Oranje triomfeerde. Dan zou de Kerk van -Christus in Vlaanderen, waar de geloovigen zich nu in vreeze voor hun -leven schuilhielden, krachtig opbloeien en het Woord Gods zou vrij uit -mogen worden verkondigd.</p> -<p class="par">Maar, om met het Wilhelmus te spreken,</p> -<div lang="nl" class="lgouter"> -<p class="line">Maar de Heer van hierboven,</p> -<p class="line xd24e990">Die alle ding regeert,</p> -<p class="line">Die men altijd moet loven,</p> -<p class="line xd24e990">En heeft het niet begeerd!</p> -</div> -<p class="par first">Het was in Gods ondoorgrondelijken raad besloten, -dat het Zuiden voor de Reformatie verloren zou gaan en dat het Noorden -niet door vreemde hulp en niet nu, maar eerst na bange worsteling vrij -zou worden van tirannie en geloofsdwang.</p> -<p class="par">Reeds was Mechelen door het leger van den Prins bezet, -toen hem de tijding bereikte van wat er in den nacht van den 24sten -Augustus, den beruchten Bartholomeusnacht, te Parijs was voorgevallen: -de moord, gepleegd op Coligny en de argelooze Huguenoten, gevolgd door -de bloedige vervolging der Protestanten in alle Fransche steden. -Catharina de Medici en de Guises hadden gezegevierd, de Fransche -politiek was plotseling veranderd van koers en hulp van die zijde was -niet meer te verwachten.</p> -<p class="par">En op die hulp van Coligny en zijne vendels, op de -medewerking der Fransche Regeering in den strijd tegen Spanje, was het -plan van den Prins gebouwd. De veldtocht van 1572 kan als mislukt -worden beschouwd, evenals die van 1568. De verrassing van Oudenaerden, -den <span class="corr" id="xd24e5711" title="Bron: 7en">7den</span> -September, was het laatste succes. De Duitsche hulptroepen eischten -hunne soldij en de hulpmiddelen van Oranje waren bijna uitgeput. Hij -waagde nog een laatste poging om Bergen te ontzetten, <span class= -"pagenum">[<a id="pb394" href="#pb394" name="pb394">394</a>]</span>maar -in het gevecht bij Jemappes werden zijne troepen door de beroemde -Spaansche musketiers verslagen en twee dagen later ontkwam hijzelf -ternauwernood aan een koenen nachtelijken overval door Romero, aan het -hoofd van 600 Spanjaarden.</p> -<p class="par">Geld en levensmiddelen ontbraken, het leger was -gedemoraliseerd, de onderneming moest worden opgegeven. De Prins trok -af naar Mechelen en van daar naar den Rijn, dien hij bij Orsoy -overstak. Hij dankte er de Duitsche huurtroepen af en behield -voorloopig slechts 6 Waalsche vendels en 1200 ruiters in zijn dienst. -Met die kleine legermacht trok hij door de Graafschap naar Zutfen, waar -hij de Walen in bezetting liet en toen naar Kampen, om van daar naar -Enkhuizen over te steken. In Holland en Zeeland, zoo schreef hij aan -zijn broeder, Jan van Nassau, wilde hij den verderen kans en Gods -beschikking met hem verbeiden, en zich tot het laatste handhaven, vast -besloten er anders zijn graf te vinden.</p> -<p class="par">Een week na den aftocht van den Prins gaf Lodewijk van -Nassau Bergen aan de Spanjaarden over. Alva, die zijne troepen noodig -had om zijn veldtocht tegen het Noorden te ondernemen en de oproerige -gewesten tot onderwerping te dwingen, stond Lodewijk eervolle en -voordeelige voorwaarden toe, die inderdaad, wat Lodewijk en zijne -troepen betreft, stipt werden nagekomen. Aan de bezetting werd vrije -aftocht met krijgseer toegestaan en den jongen graaf van Nassau, die -ziek was en in een draagstoel de stad verliet, werd door den hertog en -zijn zoon met Spaansche hoffelijkheid uitgeleide gedaan.</p> -<p class="par">En thans had Alva de handen ruim. Hij beschikte over een -krachtig en wel geoefend leger, waarvan de kern werd gevormd door de -Spaansche vendels, die hij had medegebracht, maar dat versterkt was -door Waalsche en Duitsche huurtroepen. Van Frankrijk was niets meer te -vreezen. De Prins kon geen legermacht van eenige beteekenis meer tegen -hem in ’t veld <span class="pagenum">[<a id="pb395" href="#pb395" -name="pb395">395</a>]</span>brengen. ’t Gold nu enkel, de -afvallige steden, met hun geringe bezetting tot onderwerping te brengen -en dan zou de opstand bedwongen zijn. Alva kende den invloed maar al te -wel, van wat men in later tijd, ook in onze dagen de -„terreur” zou noemen. Door schrik en ontzetting, door -enkele steden zwaar te straffen, rekende hij er op, het verzet der -andere zonder strijd te breken.</p> -<p class="par">Mechelen was het eerst aan de beurt. Het zou tot een -voorbeeld worden gesteld. Drie dagen lang werd de stad door de -Spanjaarden uitgemoord en geplunderd, ondanks de tusschenkomst van den -bisschop van Atrecht. „Oorlogsnoodzakelijkheid” zou Alva in -onze dagen hebben gezegd. Het middel was afdoende, want alle steden in -de Zuidelijke Nederlanden haastten zich hunne onderwerping aan te -bieden en ze werden in genade aangenomen.</p> -<p class="par">Toen rukte het leger, onder aanvoering van Alva en den -hertog van Medina Coeli—die eigenlijk als zijn opvolger was -gezonden, maar die nimmer eenig gezag heeft uitgeoefend—over -Maastricht en Emmerik op naar Nijmegen, waar voorloopig het -hoofdkwartier werd gevestigd. Aan Alva’s zoon, Don Fadrique de -Toledo, werd nu het opperbevel toevertrouwd, om het Noorden te -bedwingen.</p> -<p class="par">Hij begon met Zutfen, waar de door den Prins -achtergelaten bezetting een korten tijd tegenstand bood en dat daardoor -het lot van Mechelen deelde. Ook ditmaal werd het doel aanvankelijk -bereikt. De steden in Gelderland, Overijsel en Utrecht onderwierpen -zich en werden gespaard.</p> -<p class="par">En nu rukte de voorhoede van het Spaansche leger onder -Romero Holland binnen. Naarden, de kleine, zwakke vesting, had zijne -poorten geopend voor de gevluchte bezettingen van Kampen en -Amersfoort.</p> -<p class="par">Nog den 22sten November was Bossu met honderd man voor -het stadje verschenen, maar de burgerij had geweigerd hem binnen te -laten. Misschien rekende men er op hulp van Sonoy. <span class= -"pagenum">[<a id="pb396" href="#pb396" name="pb396">396</a>]</span></p> -<p class="par">Thans, bij de nadering der Spanjaarden, zag men te laat -in, aan welk gevaar men zich had blootgesteld en men trachtte den storm -nog te bezweren. Twee afgevaardigden uit de vroedschap begaven zich -naar het hoofdkwartier van don Fadrique te Amersfoort, om er de -onderwerping der stad aan te bieden, maar ze werden niet tot den -bevelhebber toegelaten. Den volgenden morgen zouden ze te Bussum het -antwoord vernemen. Dit bericht bracht schepen Gerrit Pieter Aertz de -bedrukte burgerij. Burgemeester Marten Laurensz, zijn metgezel, die -maar al te goed begreep, wat die ontvangst beteekende, keerde niet naar -Naarden terug, maar redde zich door de vlucht.</p> -<p class="par">Den volgenden dag verschenen zeven afgevaardigden der -stad voor Romero, die tot Bussum was voortgerukt. Zij moesten den -Spaanschen aanvoerder tot voor de poort volgen, om er diens antwoord te -vernemen. Men bood er hem de sleutels van de stad aan en hij beloofde -op handslag den rector Lambertus Hortensius en een van diens -mede-afgezanten een genadige behandeling en behoud van lijf en goed. De -onnoozele burgerij meende, dat die belofte ook haar gold en zag zich -jammerlijk bedrogen. ’t Is onnoodig, hier nogmaals te verhalen, -wat er dien dag gebeurde. De moord te Naarden is een maar al te bekend -feit in onze geschiedenis.</p> -<p class="par">Weer hadden de Spanjaarden een schrikkelijk voorbeeld -gesteld, om de andere Hollandsche steden te toonen, wat hun wachtte, -indien zij het waagden zich te verzetten.</p> -<p class="par">Van Naarden rukte don Fadrique op naar Amsterdam, de -eenige stad in Holland, die Spaanschgezind was gebleven, en van daar -naar Haarlem. De Geuzen trachtten op den smallen dijk naar Sparendam, -waar zij een schans hadden opgeworpen, de voorhoede van het Spaansche -leger tegen te houden, maar na een gevecht van drie dagen werd die -schans veroverd en nu lag de weg naar Haarlem open. <span class= -"pagenum">[<a id="pb397" href="#pb397" name="pb397">397</a>]</span></p> -<p class="par">Haarlem werd als de zwakste der Hollandsche steden -beschouwd en don Fadrique had er op gerekend, dat hij zich gemakkelijk -van de vesting zou meester maken. Het beleg, dat in het begin van -December begon, zou echter acht maanden duren en Haarlems verdediging -zou een roemrijke bladzijde vullen in de geschiedenis van den -vrijheidsoorlog. Zelfs de ridderlijke Spanjaard de Mendoça, die -zoowel krijgsman als geschiedschrijver was, brengt hulde aan den moed -der burgerij. „Die moed,” zoo zegt hij, „kwam niet -slechts bij de verdediging hunner wallen uit; hij toonde zich evenzeer -met de grootste kracht en stoutheid bij al de uitvallen, die zij -gedurende heel den tijd van ’t beleg deden. Hij openbaarde zich -ook onder alle inwoners, die met hardnekkigen trots de wapens voerden; -terwijl Haarlems broederschappen of zoogenaamde gilden, van de muren -der stad de grootste schade aan ons volk toebrachten. Het moge als een -les strekken voor ieder veldoverste en krijgsman, zijn vijand om welke -reden dan ook niet te minachten, voor men hem bestreden -heeft.”</p> -<p class="par">Jacob Martens had den Prins op zijn tocht van Gelderland -naar Holland vergezeld. Van Enkhuizen was de Prins naar Haarlem -getrokken, waar hij de Staten van Holland bijeenriep. Er waren daar -veel bedrukte harten, want,—het was half November—men had -reeds de tijding vernomen van de nadering der Spanjaarden en men wist -niet, welke maatregelen Oranje dacht te nemen voor de beveiliging en -verdediging des lands. De Prins trachtte de bedrukten moed in te -spreken en hij wees hun op zijn onderhandelingen met Koningin Elisabeth -van Engeland. Verder wekte hij de Staten op, gelden te verzamelen voor -het aanwerven van troepen, terwijl hij hun beloofde, het zijne te doen -om het bedreigde Noorden te helpen. En dit was geen ijdele belofte. -Over een veldleger van voldoende sterkte om de Spanjaarden te -bestrijden, kon hij niet meer beschikken, maar nog had hij in Holland -troepen, die in <span class="pagenum">[<a id="pb398" href="#pb398" -name="pb398">398</a>]</span>zijne soldij stonden. De overste Lazarus -Muller lag te Leiden met zes vendels Duitsche knechten en ook Lumey -beschikte over een kleine macht Walen en Duitschers, terwijl Sonoy de -steden aan de Zuiderzee en Waterland bezet hield. Kon men de bedreigde -Hollandsche steden van sterke garnizoenen en een voldoenden voorraad -levensmiddelen voorzien, dan konden zij het nog lang tegen den vijand -uithouden, en als de onderhandelingen slaagden, kon er binnen weinig -weken hulp uit Engeland komen.</p> -<p class="par">Van Haarlem begaf zich de Prins over Leiden naar Delft, -waar hij zich voorloopig zou vestigen. Hij nam er onmiddellijk -maatregelen om het bedreigde Haarlem te helpen, terwijl ondertusschen -hopman Wigbolt Ripperda met zijne Duitschers de stad bezette. Hij vond -er de vier vendels, die Lazarus Muller er als bezetting had -gelaten.</p> -<p class="par">Jacob Martens ontving een commissie als vaandrig bij een -van de vier cornetten Waalsche ruiters, die tot de troepenmacht -behoorden, waarover Lumey beschikte en hij vertrok naar Gouda, waar die -mannen in bezetting lagen. Hij vond er Pieter de Welle terug als -sergeant bij de batterij van zes veldstukken, waaruit Lumey’s -artillerie bestond. Hij bracht zijn vroegeren admiraal de orders van -den Prins over voor den voorgenomen veldtocht. De voorbereidselen -moesten spoedig en doortastend worden gemaakt, want men moest Haarlem -trachten te bereiken, voor de vijand de stad geheel insloot. Toch moest -alles zooveel mogelijk in het geheim geschieden, opdat het plan door de -„glippers” niet aan de Spanjaarden zou worden verraden.</p> -<p class="par">En zoo rukte in den namiddag van den 12den December 1572 -een kleine legermacht van 15 vendels Duitsche landsknechten met zes -stukken veldgeschut en 100 wagens proviand en munitie van Delft op naar -het Noorden om het bedreigde Haarlem te helpen. Te Leiden zou de -overste Lazarus Muller zich met zes vendels Duitschers bij den troep -aansluiten: Lumey <span class="pagenum">[<a id="pb399" href="#pb399" -name="pb399">399</a>]</span>zelf zou het kleine leger aanvoeren. Hij -bleef echter met de vier kornetten ruiters, die deel zouden nemen aan -den tocht, nog te Delft. Hij kon met zijn cavallerie het voetvolk, dat -met den langen wagentrein slechts langzaam vooruit kwam, gemakkelijk -inhalen. Te Leiden zou hij zich aan het hoofd stellen van de vereenigde -krijgsmacht.</p> -<p class="par">Lumey verkeerde in een slechte luim. Zijn wreveligheid, -lichtgeraaktheid en koppige eigenzinnigheid waren in de laatste maanden -nog toegenomen, sedert hij meer en meer gevoelde, dat zijn aanzien bij -den Prins, de Staten en het volk was gedaald. De inneming van den Briel -en de gebeurtenissen, die daar onmiddellijk op waren gevolgd, hadden -den Luikschen avonturier een kortstondige glorie geschonken en hem een -plaats doen innemen, die hem eigenlijk niet toekwam. Hij had in den -nazomer van datzelfde jaar een mislukte poging gedaan om Amsterdam te -nemen, en die mislukking zijner plannen werd aan zijn gebrek aan -krijgsbeleid geweten. Wegens zijn woeste wreedheid, ook wegens den -moord op de Gorcumsche geestelijken, was er een aanklacht tegen hem -ingediend bij het Hof van Holland en hij was genoodzaakt geweest zich -zoo goed mogelijk te verdedigen, terwijl ook zijn losbandig gedrag te -Brielle een smet op zijn karakter had geworpen. Thans liet hij de -regeling van den langen trein over aan de officieren van zijn staf, -waaronder zich ook Jacob Martens bevond, en dezen sloofden zich af, om -zooveel mogelijk orde te scheppen in den chaos.</p> -<p class="par">De troepen vorderden langzaam, want de wegen waren -slecht. De koude was dat jaar vroeg ingevallen en een felle vorst had -de Zuiderzee en de Haarlemmermeer binnen weinige dagen in groote -ijsvlakten herschapen,—gelijk de Geuzenschepen, aan de monding -van het Y in het ijs beklemd, bijna tot hun schade hadden ondervonden. -Daarop was een sterke dooi gevolgd, die de Hollandsche kleiwegen bijna -onbegaanbaar <span class="pagenum">[<a id="pb400" href="#pb400" name= -"pb400">400</a>]</span>had gemaakt, terwijl men voor de expeditie op -harde wegen had gerekend. De wielen der kanonnen en die der wagens -zonken weg in het slijk en met moeite trokken de sterke paarden, door -de zweepslagen hunner scheldende en vloekende voerlieden aangedreven, -den zwaren last voort.</p> -<p class="par">Het was guur en nevelig winterweder. Een ijskoude wind -gierde over de Hollandsche weiden en de donkere wolken met vuilgele -randen dreigden met sneeuw.</p> -<p class="par">In zijn mantel gewikkeld reed Jacob Martens langs de -veldstukken, die de rij der proviandkarren vooraf gingen. Hij herkende -de Welle, die de teugels van het vierspan van het voorste stuk van den -onbekwamen voerman had overgenomen en zijn best deed, het kanon vooruit -te krijgen, en hij reed stapvoets naast hem voort.</p> -<p class="par">—„’t Doet mijn hart goed, dat wij -eindelijk weer eens samen tegen de Spanjolen oprukken, jonker,” -zeide de oude boschwachter, toen hij de rukkende, steigerende dieren -tot kalmte had gebracht en zij weder geregeld voortstapten. -„Maar,”—liet hij er op gedempten toon op -volgen,—„ik verwacht niet veel goeds van dezen tocht. Ik -vrees, dat wij met bebloede koppen thuiskomen, jonker!”</p> -<p class="par">—„Houd op met je voorspellingen, man,” -zei Jacob knorrig. „’t Weer en die vermaledijde papperige -wegen zijn al genoeg, om iemand somber te stemmen. Wij hebben een -flinke legermacht: een en twintig vendels, met die van overste Muller -er bij. En de Spanjolen verwachten ons niet. Wij moeten Haarlem -bereiken en binnen trekken, vóór zij ’t ons kunnen -verhinderen.”</p> -<p class="par">—„Dat is het juist, jonker,” vervolgde -de Welle hoofdschuddend, „de „Bremers”—zoo -noemden de Hollanders de Duitsche landsknechten—de Bremers zijn -niet te vertrouwen.”</p> -<p class="par">—„Hopman van Trier en hopman Kellenaar zijn -geen lafaards of verraders,” viel Jacob driftig uit.</p> -<p class="par">—„Battist van Trier en Hans Kellenaar zijn -brave <span class="pagenum">[<a id="pb401" href="#pb401" name= -"pb401">401</a>]</span>en dappere officieren,” antwoordde de -Welle schouderophalend, „maar zij kunnen niet instaan voor hun -volk. De Bremers zijn slecht betaald in den laatsten tijd, jonker, en -zij morren en monkelen onder elkander, dat het slecht vechten is voor -een verloren zaak, als ’t hun soldheeren nog aan geld ontbreekt -bovendien. En dan dit ellendige weer! Een Duitscher, jonker, vecht het -best, wanneer hij vol is en hoopt op een goede plundering na het -gevecht. En zij weten, dat er vóór Haarlem geen andere -buit te behalen is, dan harde klappen! Wij hooren soms meer in onze -kwartieren, jonker, dan de officieren. Hoe het mogelijk is, weet ik -niet, maar de Bremers hebben kondschap uit het leger van Ducdalf en zij -weten, dat de Spanjolen al voor de stad liggen. Ze volgen nog hun -hoplieden en hun vendel uit gewoonte, maar bij den eersten tegenslag -gaan zij aan ’t muiten.”</p> -<p class="par">De Welle zweeg een oogenblik en wijdde schijnbaar al -zijn aandacht aan zijn vierspan. Toen vervolgde hij op zachter -toon:</p> -<p class="par">—„Dit is mijn laatste tocht, -jonker!”</p> -<p class="par">—„Kom, de Welle, wat een sombere -gedachten!”</p> -<p class="par">—„Ik weet het, jonker Jacob, en het is goed -zoo! Ik weet het, alsof ik het in de Schrift had gelezen. Ik zal vallen -op dezen tocht. Mieke en hare moeder roepen mij...”</p> -<p class="par">De oude boschwachter zweeg een oogenblik. Toen ging hij -voort:</p> -<p class="par">—„Ik ben een groot zondaar! God Almachtig -moge zich erbarmen over mijn arme ziel. Zoo ik niet voor eeuwig van -Zijn aangezicht verstooten word, dan zal het door Zijne genade zijn en -om Christus’ wille! Dat ik tegen de Spanjolen en de glippers -gevochten heb, bezwaart mijn geweten niet. Maar ik heb bloedschuld op -mijn ziel tegenover de papen. Ik weet, dat de Prins het heeft verboden, -hun molest aan te doen en dat gij, jonker en Mijn Heer van Dorp het -altijd hebt afgekeurd, als wij hen vingen en naar den Briel brachten, -<span class="pagenum">[<a id="pb402" href="#pb402" name= -"pb402">402</a>]</span>zooals de admiraal bevolen had. Maar wie weet, -wat ge zoudt gedaan hebben, als het uw dochter, uw Mieke was geweest, -die daar was gevallen in den hollen weg bij Poperingen. En ik geloofde -Jan Machielsz als hij leerde, dat de papen als Amalek waren en dat men -ze moest slaan met de scherpte des zwaards, en dat hij die ze spaarde -een lauwe was en ongehoorzaam als Saul. En dat staat toch in de Schrift -en de papen zijn zeker de vijanden der religie en van het ware -Israël Gods. Maar er staat óók in de Schrift: -„Mij is de wrake! Ik zal het vergelden, zegt de Heere.” Ik -ben maar een arm, onwetend man. God moge mij al mijn zonden -vergeven!”</p> -<p class="par">„Vaarwel, jonker Jacob, want ik weet, dat dit de -laatste keer is, dat ik zóó met u spreken zal. De jonker -weet het, ik heb het mij wel eens verweten, dat ik u toen heb -meegenomen ter groene preeke. Dat was ’t begin van alles, wat de -jonker geleden heeft en hij heeft er door verloren wat hem lief was. -Maar de jonker heeft er de waarheid in Christus door gevonden. Dat weet -ik! En als ik buiten mijn wil tegen den jonker iets heb misdreven, laat -hij het mij dan vergeven! En als hij ongedeerd uit dezen strijd komt, -laat hij dan nog eens denken aan den ouden de Welle, die hem heeft -leeren visschen en met den armborst schieten en paardrijden en die hem -nooit heeft verlaten in ’t gevecht.”</p> -<p class="par">Jacob boog zich over den hals van zijn paard en reikte -den ouden Geus de hand.</p> -<p class="par">—„Ik heb je niets te vergeven, de -Welle,” zei hij geroerd. „Het is zooals je zegt: Door jou -toedoen heb ik de waarheid in Christus leeren kennen en daar dank ik je -voor. Ik zou niets ongedaan willen maken, al kon ik het. ’t Zal -zeker een heet gevecht worden voor Haarlem en wij zijn beiden in Gods -hand. Wij zullen elkander terug vinden, oude vriend, in de -stad—of als het zijn mag in den hemel.”</p> -<p class="par">De Welle vatte teugels en zweep in zijn linker en -<span class="pagenum">[<a id="pb403" href="#pb403" name= -"pb403">403</a>]</span>drukte krachtig de hem geboden hand van zijn -jonker.</p> -<p class="par">’t Was een vrij goed gedeelte van den weg geweest, -een met puin hard gemaakt pad, dat langs een heerenhuizinge liep, en -zoo hadden zij hun gesprek zonder stoornis ten einde kunnen brengen. -Thans hield de harde weg op en een lage kleiweg lag vóór -hen, zoodat de Welle alle aandacht noodig had voor zijn paarden. Ook -Jacob Martens reed weder terug langs de lange colonne marcheerende -voetknechten en de zwaar beladen karren. Hij moest zorgen, dat de -juiste afstand tusschen de verschillende afdeelingen bewaard bleef op -den moeilijken tocht. Hij dacht na over hetgeen de Welle hem had gezegd -omtrent de slechte stemming der Duitsche vendels en hij besloot er met -de oudere officieren van Lumey over te spreken. Wellicht waren de -vendels van Lazarus Muller beter te vertrouwen, want de krijgstucht -werd onder diens mannen streng gehandhaafd.</p> -<p class="par">In den avond bereikte men Leiden. De troepen en het -convooi trokken de stad niet binnen, maar vonden hun kwartieren in de -omliggende dorpen. Lumey had met zijne Walen de stad bereikt en er zijn -intrek genomen bij een der regenten. Men had na een korte rust voort -moeten marcheeren, om Haarlem tegen den vroegen morgen te bereiken en -de Spanjaarden te verrassen, maar Lumey wilde zijn goed kwartier in -Leiden niet prijs geven en hij had er daarenboven iets te verrichten, -dat geheel strookte met zijn aard.</p> -<p class="par">Om te verhinderen, dat het plan aan den vijand verraden -werd, liet hij alle wegen en paden, die van Leiden naar het Noorden -voerden, bezetten door piketten van zijne Waalsche ruiters, die hij -indertijd zelf had aangeworven en die hem trouw waren. Het -Haarlemmermeer was een wijde ijsvlakte, vol wakken en gaten, waar geen -glipper zich op zou durven wagen.</p> -<p class="par">In den vroegen morgen voegde hij zich te Lisse bij het -leger, tegelijk met de vendels van Muller, en al spoedig verspreidde -zich onder de officieren en de <span class="pagenum">[<a id="pb404" -href="#pb404" name="pb404">404</a>]</span>troepen het gerucht, dat er -te Leiden weder een priester was geëxecuteerd. Lumey had den -eerwaarden Cornelis Musius, den biechtvader van het St. Aagtenklooster -te Delft, een zeventigjarig grijsaard, doen oplichten en naar Leiden -brengen, onder de valsche beschuldiging, dat hij heulde met den vijand. -Na een schijnverhoor was de vrome en geleerde priester er gemarteld en -opgehangen<a class="noteref" id="xd24e5817src" href="#xd24e5817" name= -"xd24e5817src">2</a>, vóór het bevel van Oranje, om hem -onmiddellijk in vrijheid te stellen, was aangekomen.</p> -<p class="par">Terwijl Lumey op het kerkhof te Lisse, bij het licht van -eenige pekkransen en lantaarns zijn officieren raadpleegde, ontstond er -plotseling eenig rumoer. Een jonge boer drong door de soldaten, die hem -wilden tegenhouden en wierp zich voor den bevelhebber op de -knieën, terwijl hij luidkeels zich beklaagde en om recht -schreeuwde.</p> -<p class="par">Driftig over de onverwachte stoornis wendde Lumey zich -om en vestigde zijn felle zwarte oogen op den jammerenden dorpeling, in -de hoop, dat deze hem de een of andere tijding bracht, die hem van nut -kon zijn. Hij kon echter den tongval van den boer niet verstaan en -wenkte een van de Hollandsche officieren, om diens woorden te -vertolken.</p> -<p class="par">En nu kwam Harm Harmsen, visscher en landbouwer, en -stoutmoediger dan zijn dorpsgenooten, die den moedwil van het -krijgsvolk stilzwijgend en onderworpen hadden verdragen, met een stroom -van klachten. De soldeniers hadden zijn huisgerijf stuk geslagen, de -twee koeien en zijn hoenders geroofd en geslacht en hem en zijne vrouw -mishandeld. Hij wilde recht, schadeloosstelling en bestraffing der -roovers.</p> -<p class="par">Zoodra Lumey begrepen had, wat de boer wilde, keerde hij -zich met een ongeduldig schouderophalen af. Voor zulke klachten was hij -doof! Toen de boer aanhield, fronste hij de wenkbrauwen en greep in -zijn <span class="pagenum">[<a id="pb405" href="#pb405" name= -"pb405">405</a>]</span>langen baard en de officieren stieten den man -ruw terug en wenkten de soldaten, dat zij hem van het kerkhof moesten -drijven. Er lag een zeker medelijden en ruwe goedhartigheid aan deze -schijnbare hardheid ten grondslag, want zij kenden Lumey: was de boer -nog een oogenblik langer gebleven, dan had hij hem zeker laten -ophangen.</p> -<p class="par">Buiten den kring van het rosse toortslicht stond Harm -Harmsen en kookte van machtelooze woede. Daar stonden zij, de vreemde -soldeniers, die hem hadden beroofd en mishandeld en die harige, zwarte -duivel, die hem geen recht had willen verschaffen, was hun opperhoofd. -Wat raakte hem, Harm Harmsen, de strijd om de vrijheid, de zaak van den -Koning en van den Prins. Hij wilde rustig leven op zijn kleine -boerderij en visschen in zijn schuit op de Meer en hij wilde niet -bestolen worden. Hij had om recht gevraagd en zij hadden hem -weggestooten en hem met slagen en schoppen weggedreven. Hij had de -oranje-sjerpen en de veldteekens om de armen der soldeniers wel -herkend. Het waren de knechten van de Geuzen. En zij waren sterk en zij -hadden hunne wapens en hij was alleen, zonder ander wapen dan zijn -visschersmes. Hij was er vlug genoeg mee, als ’t op bekkesnijen -met zijns gelijken aankwam,—maar op hen kon hij zich niet wreken. -En toen flitste hem een gedachte door het brein. Kòn hij zich -niet wreken? Die daar gingen naar Haarlem, dat door den Spanjool werd -belegerd, om de stad te ontzetten. Zooveel had hij wel uit de woorden -der soldeniers begrepen. Harm Harmsen hield niet van den Spanjool. Hij -haatte de soldaten van beide partijen. Maar deze hier hadden hem -bestolen en geslagen en die daarginds zouden hem misschien met goede -Philipsdaalders zijn verlies vergoeden, als hij hen waarschuwde, dat de -Geuzen hen op ’t lijf kwamen vallen...</p> -<p class="par">Harm Harmsen verliet het kerkplein en begaf zich naar -zijn huis, dat niet ver van den oever lag. Hij kwam er uit met zijn -schaatsen en een langen polsstok. <span class="pagenum">[<a id="pb406" -href="#pb406" name="pb406">406</a>]</span>Alle wegen, die van Lisse -naar Sassenheim en verder leidden, waren door de ruiters bezet, dat -wist hij wel.</p> -<p class="par">Maar de Meer...?</p> -<p class="par">Hij wist, dat het ijs door den sterken dooi hoogst -gevaarlijk was, vol wakken en zwakke plaatsen. ’t Was -levensgevaarlijk er zich op te wagen en hij zou den grooten plas ook -nooit durven oversteken naar Haarlem. Maar hij kon dicht langs den -oever rijden, waar hij het ijs kende en hij nam zijn polsstok mede. -Zakte hij door het ijs of reed hij in een wak, dan zou die zijn redding -zijn. En hij behoefde slechts door te rijden naar Bennebroek. Dan kon -hij over de slooten en de weilanden het Spaansche kamp bereiken, dat -onder Overveen lag.</p> -<p class="par">Het pad door de dichte rietbosschen, dat hij blindelings -kon vinden, was spoedig bereikt. Daar lag de Meer voor hem, althans hij -wist, dat die daar moest zijn, want hij had zijn schuit gevonden, die -hij voor weinige dagen op den oever had getrokken. Vlak voor hem zag -hij even het natte ijs, grauw wit in het flauwe schemerlicht. Er -begonnen enkele sneeuwvlokken te vallen. De tocht over het wrakke ijs -was gevaarlijk, levensgevaarlijk! Harm Harmsen wierp een blik achter -zich. Hij zag het licht der pektoortsen in het dorp over het riet heen, -hij hoorde het gerucht van stemmen, het knarsen van de wielen, het -kletteren van wapenen. Wraakzucht en begeerigheid wonnen het: hij bond -zich de schaatsen aan.</p> -<p class="par">En Lumey en de zijnen vermoedden niet, dat daarginds -door de dichte morgennevels de verachte boer zich heenspoedde naar het -Spaansche kamp, om hunne plannen aan den vijand te verraden.</p> -<p class="par">De troepen trokken van Lisse op Sassenheim en van daar -op Hillegom aan, thans in marschorde en gereed voor den strijd. Eerst -kwamen de vier kornetten Waalsche ruiters, gewapend met speer en langen -houwdegen. In hun midden reed Jacob Martens, op zijn <span class= -"pagenum">[<a id="pb407" href="#pb407" name="pb407">407</a>]</span>post -als vaandrig, het Oranje-blanje-bleu vaandel, met de wapenspreuk -„Pro Rege, Lege et Grege”, in de rechterhand. De stok van -den standaard rustte in een lederen koker, die aan de rechterzijde van -den zadel was bevestigd en het dragen vergemakkelijkte. Hij droeg de -breede sluiersjerp als teeken van zijn rang over den rechterschouder. -Achter de ruiters kwamen de zes veldstukken met hun twee -ammunitiewagens en de bedienende manschappen op de wagens en de -affuiten of te voet. Daarop volgden twintig vendels Duitsche knechten, -onder hunne hoplieden, gewapend met hun lange pieken en met rapieren, -met twaalf busschieters met hunne vuurroeren op elk vendel. Dan kwam de -eindelooze rij der honderd karren, beladen met mond- en -krijgsbehoeften, en een laatste vendel sloot den trein.</p> -<p class="par">Het was guur en mistig weder. De sneeuw, die den vorigen -dag had gedreigd, begon in groote vlokken te vallen en maakte het -voortgaan op den drassigen weg nog moeilijker.</p> -<p class="par">De trage wintermorgen begon aan te breken, maar de mist -bleef hangen, een koude, verkleumende mist, die door de mantels en de -gevoerde wambuizen drong en de krijgslieden deed huiveren. Stom en -zonder geestdrift, hier en daar vloekend en grommend, trokken de -vendels voort.</p> -<p class="par">Voorbij Hillegom boog de weg zich links en het landschap -werd houtrijker. De weg liep langs den duinrand. De binnenduinen waren -met dicht houtgewas, eiken en beuken, begroeid, en ook langs de -rechterzijde van den weg strekte zich een bosch uit van beuken en lage -berken.</p> -<p class="par">Een hooge en steile duinwand,—de Welige Berg -heette hij in den volksmond, om zijn dicht houtgewas—strekte zich -nu uit links van den weg. De boomen waren natuurlijk bladerloos en -slechts met eenig dor loof bedekt, maar ze stonden zoo dicht op -elkander, dat ze, vooral op een neveligen winterdag, een goede -<span class="pagenum">[<a id="pb408" href="#pb408" name= -"pb408">408</a>]</span>dekking aanboden, aan wie er zich zou willen -verschuilen.</p> -<p class="par">Een kleine afdeeling ruiters, die als verkenners een -paar honderd ellen vooruit reden, had niets verdachts bemerkt. Het -eenzame winterlandschap scheen uitgestorven. De nevel en de sneeuw -maakten, dat men alleen de naastbij zijnde voorwerpen kon -onderscheiden.</p> -<p class="par">En plotseling, toen de ruiterij en het geschut langs den -hoogen duinwand trokken, flikkerde het rood door den mist tusschen het -geboomte van het duin en den boschrand. Zware schoten dreunden door de -stille winterlucht en een hagelbui van kogels viel neer op de voorhoede -van het kleine leger. Paarden en ruiters stortten neder en de spits van -den troep was in een oogenblik in verwarring.</p> -<p class="par">Want Harm Harmsen had zijn doel maar al te goed bereikt. -Het broze ijs had hem gedragen en hij was met een zucht van verlichting -te Bennebroek aan wal gestapt en had zich de schaatsen afgebonden. Hij -had nu een grooten voorsprong op het Geuzenlegertje gekregen, maar hij -gunde zich geen rust en trok, met zijn polsstok gewapend, over half -bevroren slooten en weilanden tot hij het Spaansche kamp bereikte. Ten -Zuiden van Haarlem lag Noircarmes met zijne Walen. Toen men hem -berichtte, dat er een boer gevangen was genomen, die tijding scheen te -willen brengen, liet hij Harm voor zich komen en door een tolk -ondervragen. Daarop reed hij spoorslags naar don Fadrique, om hem het -bericht te brengen van den voorgenomen aanval, dien men inderdaad niet -vermoedde.</p> -<p class="par">Maar don Fadrique de Toledo en Noircarmes waren beter -krijgsoversten dan Lumey, die zoo vast op het gelukken zijner -verrassing had gerekend, dat hij geen veldontdekkers vooruit had -gezonden om het terrein en den weg te verkennen.</p> -<p class="par">Don Fadrique had terstond zevenhonderd van de beroemde -Spaansche haakschutters met hunne nieuwerwetsche, zware musketten -gezonden, om zich op een <span class="pagenum">[<a id="pb409" href= -"#pb409" name="pb409">409</a>]</span>geschikte plaats in hinderlaag te -leggen en de Geuzen op te houden. Noircarmes rukte hen terstond -achterna met een sterke afdeeling voetvolk en eenige ruiters.</p> -<p class="par">De Spaansche officier, die de haakschutters aanvoerde, -had zijne maatregelen goed genomen. Hij had zijne manschappen zoo -opgesteld, dat zij den weg bestreken, die Lumey’s vendels moesten -volgen, terwijl zij, verscholen tusschen het hout, voor de Geuzen -onzichtbaar waren. ’t Laden van een musket was niet het werk van -een oogenblik, maar de Spaansche veteranen wisten toch een geregeld -vuur te onderhouden, dat de aangevallenen in verwarring bracht.</p> -<p class="par">Lumey bevond zich te Hillegom in een boerenhoeve, waar -hij zich warmde bij een groot vuur op de haardplaat, toen hij het vuren -aan de spits hoorde. Hij liet zich dadelijk het harnas aangespen, dat -hij had afgelegd, en rende met de ruiters, die tot zijn lijfwacht -behoorden, naar het tooneel van den strijd, terwijl hij de hoplieden -der Duitsche vendels, die hij voorbij snelde, toeschreeuwde, met hun -mannen de Spaansche scherpschutters uit hunne schuilhoeken te verjagen. -Maar zijne bevelen kwamen te laat. De verraste ruiters, waarvan er -reeds een aantal gevallen waren, weken terug voor het Spaansche -musketvuur, reden de artilleristen overhoop, die vergeefs hunne stukken -in batterij trachtten te brengen en brachten verwarring in het eerste -vendel der Duitsche voetknechten. En toen gebeurde wat de Welle had -voorzien. De „Bremers” wierpen de pieken weg en sloegen op -de vlucht, zonder op de bevelen hunner officieren te letten. De -voerlieden, die de wagens begeleidden, sneden de strengen der paarden -door, sprongen er op en vluchtten er mede, voor zoover hun die niet -door de soldaten afhandig werden gemaakt. Weldra ontstond er een wilde -paniek en het was de officieren onmogelijk, de vluchtenden te doen -stand houden.</p> -<p class="par">Aan het hoofd van zijn lijfwacht en van de weinige -ruiters, die hem volgden, vocht Lumey als een razende <span class= -"pagenum">[<a id="pb410" href="#pb410" name= -"pb410">410</a>]</span>tegen de Spanjaarden, die nu uit hun dekking te -voorschijn kwamen. Twee paarden waren reeds onder hem doodgeschoten. -Een zijner lijfwachts gaf hem het zijne. Toen, vreezende, dat hij van -de zijnen zou worden gescheiden en gevangen genomen, wendde hij den -teugel en vluchtte met de ruiters, die waren overgebleven.</p> -<p class="par">En in de verwarring merkten de vluchtenden niet op, dat -de vaandrig, die dapper had stand gehouden, niet bij hen was.</p> -<p class="par">De plaats van den vaandrig was bij de lijfwacht van den -bevelhebber, en die stond bij de boerderij geschaard, waar de staf te -kwader uur zich had opgehouden. Met het Oranje-blanje-bleu-vendel in de -vuist had Jacob Martens zich met Lumey aan het hoofd van den troep -gesteld en was met hem naar de spits der colonne gerend, om de -aanvallende Spanjaarden het hoofd te bieden. Hij vond er een -onbeschrijflijke wanorde. De mannen, die het geschut bedienden en die -hadden getracht de veldstukken op het terrein naast den weg in batterij -te brengen, werden door de terugwijkende ruiters vertrapt of door de -kogels der Spanjaarden gedood. Jacob zag het lijk van de Welle, hangend -over een der kanonnen, dat in een greppel was gestort. Het voorgevoel -van den ouden Geus had hem niet bedrogen. Hij was door een Spaanschen -kogel getroffen, toen hij trachtte het stuk te redden, waarvan de -bespanning schichtig was geworden. De paarden lagen thans dood voor het -onbruikbaar kanon.</p> -<p class="par">Jacob wierp een blik van deernis op zijn trouwen -metgezel, maar het was thans de tijd niet om aan de gevallenen te -denken. Naast Lumey, die zijn ruiters toeschreeuwde, stand te houden, -hield hij het vaandel hoog, onder het moordend vuur der Spaansche -haakschutters. En even vóór dat de aanvoerder der Geuzen -vluchtte, was zijn paard door een kogel getroffen en was het doodelijk -gewonde dier neergestort.</p> -<p class="par">Dit gebeurde op een open plek tusschen het hout, ter -zijde van den weg, want daar had Lumey getracht <span class= -"pagenum">[<a id="pb411" href="#pb411" name="pb411">411</a>]</span>het -bosch binnen te dringen, om de haakschutters uit hun verdekte stelling -te verjagen. Zoo kwam het, dat geen der vijanden hem had zien vallen. -Zij hadden zich anders gehaast, zich meester te maken van het -vaandel.</p> -<p class="par">Hij was met het hoofd op een boomwortel terecht gekomen -en een poos lang lag hij bewusteloos. Toen hij weer bijkwam, was het -gevecht bij den Weligen Berg geëindigd. De Spaansche haakschutters -waren uit het bosch en van het hooge duin te voorschijn gekomen en -vervolgden de vluchtende Duitschers, die hier en daar nog tegenstand -boden. In de verte vernam hij het gejoel van den strijd en van tijd tot -tijd klonk nog een enkel schot. Op den weg hoorde hij den galop van een -afdeeling ruiterij. De ruiters kwamen van den kant van Bennebroek en -Jacob begreep, dat het vijanden waren, die zich haastten om aan de -vervolging deel te nemen en het convooi te plunderen.</p> -<p class="par">Zijn linkerbeen lag beklemd onder het doode paard. Met -moeite slaagde hij er in zich te bevrijden. Toen hij wilde opstaan, -voelde hij, dat zijn been gekneusd was en dat hij slechts met moeite -kon voortstrompelen.</p> -<p class="par">Hij wist, dat het einde nabij was. Nog weinige -oogenblikken en de Spanjolen zouden het bosch doorzoeken om de -gevallenen te plunderen en de gewonden af te maken. Hij zou zich niet -overgeven. De krijgsmanseer verbood het. Het was de plicht van den -vaandrig vóór alle dingen het vaandel te redden. Kon hij -het niet, dan gaf hij het niet over dan met zijn leven.</p> -<p class="par">Hij keek rond naar een plaats, die hem eenige -beschutting kon bieden, want zijn been deed hem pijn. De sneeuw viel nu -minder dicht, en tegen den middag was de mist opgetrokken. Dicht bij -den weg zag hij den bouwval van een kleine kapel, waarschijnlijk in den -tijd van den beeldenstorm verwoest, want door de sneeuw glansden de -bladeren van donkergroene klimop, waarmee de half ingestorte muren -waren begroeid. Eén stuk muur stond nog overeind. Een goede -plaats voor den laatsten strijd. <span class="pagenum">[<a id="pb412" -href="#pb412" name="pb412">412</a>]</span></p> -<p class="par">Jacob Martens raapte het vaandel op en op de schacht -geleund, strompelde hij naar den bouwval. Hij leunde tegen den muur en -liet het gekwetste been op een stuk hardsteen rusten, een brok van den -vroegeren drempel van het gebouwtje. Toen sneed hij met zijn ponjaard -het vaandel van de schacht en sloeg zich het doek om de schouders. Wie -het wilde veroveren, kon het komen nemen, met zijn leven: zoo gebood -het de eer van den vaandrig.</p> -<p class="par">’t Zou niet lang meer duren. Er klonken ruwe -stemmen in het bosch. De voorhoede van het voetvolk van den Spanjool -was nu ook aangekomen en drong langs den weg en door het hout -vooruit.</p> -<p class="par">’t Was een vreemd gevoel, daar alleen te wachten -op den dood, die komen ging. Jacob voelde geen vrees, alleen een zeker -vreemd gevoel van nieuwsgierigheid, hoe het laatste oogenblik zou zijn. -Men zegt, dat een drenkeling, in de laatste oogenblikken -vóór den dood, zijn geheele leven aan zijn herinnering -voorbij ziet gaan. Zoo ging het ook hem in die weinige minuten. Een -reeks bonte tooneelen ging aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag zich -weer bij de Geuzen, op het Fransche kaperschip, bij de Boschgeuzen. Hij -doorleefde weer het afscheid van Madeleine en de lange uren in den -donkeren kelder. Hij was weer in het ouderlijk huis en hij zag zijn -vader en moeder, zijn zuster en Madeleine, die hij allen liefhad en -nu... Waar was dat alles heen? En wat scheen het lang geleden! Toen, -plotseling, zag hij zich weer aan de havenkade te Gent, en hij zag er -de roode kar van den beul en het bleek gelaat der martelaresse met haar -stille, lijdende oogen en hij hoorde weer de zware, vermanende stem -opklinken uit de omstanders: Syt getrouwe tot in den doet, ende ick sal -u geven die crone des levens!</p> -<p class="par">Zoo was het, ja! Getrouw tot in den dood!</p> -<p class="par">Getrouw aan de zaak der vrijheid des lands, getrouw aan -de zaak van het Evangelie, gezuiverd van <span class="pagenum">[<a id= -"pb413" href="#pb413" name="pb413">413</a>]</span>menschenvonden, -getrouw aan de goede zaak, door de edelsten en besten gediend, door -onverstand geschaad, door dweepzucht en wreedheid bezoedeld,—maar -toch de zaak Gods. Die zaak had hij gediend en daarvoor stierf hij. -Getrouw tot in den dood!</p> -<p class="par">Nu zou het oogenblik spoedig daar zijn. Bidden? Ja, nog -bidden voor hen, die hij liefhad en die wel niet eens zouden weten, hoe -en waar hij gevallen was. Een kort gebed: God kende toch zijn hart! En -dan een laatste bede voor zich zelf. Jacob Martens beval zijn ziel aan -God.</p> -<p class="par">En nu was het gekomen. Ruwe stemmen, luide vloeken in -het Spaansch en het Fransch. Twee mannen, met den rooden veldstrik van -Spanje om den arm, kwamen op den bouwval toeloopen: een reeds bejaard -sergeant van de Spaansche musketiers en een Waalsche voetknecht, -gewapend met zijn pertuisane.</p> -<p class="par">Jacob trok den degen en wachtte den aanval af.</p> -<p class="par">De beide mannen bleven een oogenblik als verbijsterd -staan. Die bleeke jonge man, met het vaandel over de schouders en de -breede oranje sluiersjerp over de borst—wat deed hij in dien -ouden bouwval?</p> -<p class="par">Toen slaakten zij een kreet van blijdschap en triomf. -Het Geuzenvaandel! Zij zouden het buit maken. En de eer en de belooning -zouden voor hen zijn.</p> -<p class="par">De sergeant was de voorste. Hij zwaaide zijn korten -hellebaard, het teeken van zijn rang als onderofficier, en riep den -Geuzenvaandrig in goed Spaansch toe, dat hij zich zou overgeven. Jacob -verstond hem. Hij schudde het hoofd en met den degen in de rechter- en -den ponjaard in de linkervuist, wachtte hij den vijand af.</p> -<p class="par">De Spanjool drong op hem in, maar het was of hij geen -gebruik wilde maken van het voordeel, dat zijn wapen hem schonk. Hij -zag wel, dat zijn tegenstander gewond was en zich moeilijk bewoog en -hij spaarde hem. Misschien voelde de veteraan eenig medelijden met zijn -jeugdigen tegenstander, misschien wilde hij de <span class= -"pagenum">[<a id="pb414" href="#pb414" name="pb414">414</a>]</span>eer -hebben, een officier der Geuzen levend gevangen te nemen. Hoe dit zij, -hij vergenoegde zich met de stooten van Jacob te pareeren, en wachtte -op een goede gelegenheid om hem te ontwapenen.</p> -<p class="par">De Waalsche soldenier begreep niets van die -edelmoedigheid. Waarom sloeg de Spanjool niet toe? De buit was immers -voor het grijpen? Daar naderden reeds andere knechten en ten slotte zou -men nog de belooning moeten deelen. Als de Spanjool aarzelde, -dan...</p> -<p class="par">Hij velde de lange pertuisane en op het oogenblik, dat -Jacob een stoot van den hellebaard met zijn ponjaard pareerde, stiet -hij hem de lange, stalen punt onder den linkerarm in het lijf.</p> -<p class="par">Jacob Martens zonk achterover tegen den muur; de degen -ontviel aan zijn hand. Het lange ijzer van de piek had hem het hart -doorboord. Hij was onmiddellijk dood.</p> -<p class="par">Met een vloek wierp zich de sergeant op den gevallene om -zich van het vaandel meester te maken, maar de piekenier trachtte het -hem te ontrukken. Andere Waalsche knechten waren naderbij gekomen, en -kozen de partij van hun landgenoot tegen den Spaanschen onderofficier -en de twist dreigde in een bloedige vechtpartij over te slaan.</p> -<p class="par">Er klonken hoefslagen op den weg. Een officier van -Noircarmes, met de roode sjerp over het blinkend kuras, reed nader met -een afdeeling ruiterij. Zij waren gekomen, om de veroverde veldstukken -in veiligheid te brengen.</p> -<p class="par">De luide stemmen der twistenden trokken de aandacht van -den officier en hij reed nader. Het was Thierry de St. Foy.</p> -<p class="par">Met een paar woorden besliste hij het geschil. De twee -mannen, die het vaandel hadden veroverd, zouden het samen aan den -Spaanschen bevelhebber brengen en de belooning deelen. Toen wierp hij -een onverschilligen blik op den doode en een oogenblik <span class= -"pagenum">[<a id="pb415" href="#pb415" name="pb415">415</a>]</span>was -er een spoor van ontroering op zijn bleek, koud gelaat. Hij had Jacob -Martens herkend.</p> -<p class="par">Thierry hield nog een oogenblik zijn paard in en staarde -op den vriend van zijn jeugd, den dwazen, edelmoedigen Jacob, die alles -had opgegeven, om de zaak der verdrukten te dienen, en die nu gevallen -was, zonder roem, in een onbeteekenende schermutseling, strijdende voor -een verloren zaak. Terwijl hij, Thierry de St. Foy...</p> -<p class="par">—„Hij moet begraven worden!” beval hij -kortaf zijn soldeniers.</p> -<p class="par">Toen reed hij langzaam heen.</p> -<p class="par">De Walen hadden er niet veel lust in, een graf te delven -in den harden grond, waarvan alleen de bovenste laag ontdooid was. Toch -durfden zij het bevel niet ongehoorzaam zijn. Zij maakten zich meester -van de wapenrusting van den doode en van alles, wat eenige waarde voor -hen had. Toen stieten zij met hunne pieken het wrakke muurwerk omver en -bedolven het lijk onder het puin.</p> -<p class="par">’t Was al mooi genoeg voor den Geus, vonden -zij.</p> -<p class="par">En Jacob Martens bleef achter in zijn naamloos graf, de -Nederlander, die alles had prijsgegeven voor de vrijheid van zijn land -en voor de goede zaak: zijn ouders, zijn toekomst, zijn bruid en nu ook -zijn leven.</p> -<p class="par">En Thierry de St. Foy reed met de veroverde kanonnen -naar het Spaansche kamp en hij kwam er terug als overwinnaar, hij, de -Nederlander, die zich aan den vreemdeling had verkocht voor eer en -goud, hij, de benijde echtgenoot van de schoone en rijke Madeleine de -Bette, van wier schoonheid en... coquetterie heel Brussel sprak, hij, -die de wapenen voerde tegen zijn verdrukte landgenooten.</p> -<p class="par">Wie van beiden was de gelukkigste?</p> -<p class="par">De vroege winteravond begon te vallen en de Spanjolen en -Walen keerden juichend met hun buit en hun gevangenen naar het kamp -terug.</p> -<p class="par">Toen zij weggetrokken waren, slopen de arme boeren -<span class="pagenum">[<a id="pb416" href="#pb416" name= -"pb416">416</a>]</span>uit de omliggende dorpen naderbij, om zich -meester te maken van wat er nog van het vernielde convooi was -overgebleven. Er waren er, die het hooge duin beklommen, om de -aftrekkende troepen na te oogen. Zij konden in de verte de donkere -massa onderscheiden van het ten ondergang gedoemde Haarlem, waarop de -oude St. Bavo somber en ernstig neerzag, en de vuren der belegeraars te -Overveen.</p> -<p class="par">Tegen den avond was het weder helder geworden en het -laatste licht van den zonsondergang verlichtte nog even de hooge -toppen,—als een belofte van een betere toekomst aan de arme, door -den vreemdeling vertreden Nederlanden.</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e5686" href="#xd24e5686src" name="xd24e5686">1</a></span> Men -heeft er den Prins een verwijt van gemaakt, dat hij Lumey, den -moordenaar der Gorcumsche priesters, tot zijn vertegenwoordiger -benoemde. Evenwel ten onrechte. De aanstelling is niet gedateerd, maar -de daarbij gevoegde instructie is van 20 Juni. Toen was Gorcum zelfs -nog niet in de handen der Geuzen. ’t Is niet waarschijnlijk, dat -Oranje reeds den 22sten Juli bericht had ontvangen, van hetgeen er in -den Briel was gebeurd, maar al ware dit wel het geval geweest, dan zou -het zeer moeilijk zijn geweest, de aanstelling ongedaan te maken. Lumey -stond aan ’t hoofd van een aanzienlijke krijgsmacht; de steden -aan de Maas waren in de handen van zijn Watergeuzen. Bij het heftigste -en roerigste deel van zijn volgelingen stond hij in hoog aanzien en -zeker zou hij zich niet zonder meer van zijn post hebben laten -ontzetten. Ernstige verdeeldheid onder de aanhangers van Oranje zou op -dat oogenblik noodlottig zijn geweest voor de zaak der vrijheid. In -Januari 1573 werd Lumey, na nieuwe daden van wreedheid en verzet, -gevangen genomen en van zijne waardigheden vervallen verklaard. Hij -bleef in hechtenis, eerst op ’t kasteel van Gouda, toen op het -slot Honingen bij Rotterdam, eindelijk op het fort Rammekens in -Zeeland. Toen vertrok hij naar Aken. Zijne houding was na 1573 zeer -dubbelzinnig. Waarschijnlijk heulde hij met de Spanjaarden. Hij stierf -aan de gevolgen van een slecht verzorgde wond, volgens sommigen aan den -beet van een dollen hond. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e5686src">↑</a></p> -<p class="par footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= -"xd24e5817" href="#xd24e5817src" name="xd24e5817">2</a></span> Cornelis -Musius is eigenlijk den 10den December te Leiden ter dood gebracht, -doch zeer zeker op bevel van Lumey. <a class="fnarrow" href= -"#xd24e5817src">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1" id="toc"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table> -<tr> -<td class="tocDivNum">I.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">I.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">5</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">II.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">26</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">III.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">III.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">46</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">IV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">63</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">V.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">V.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">81</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">VI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">94</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">VII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">109</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">VIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">133</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">IX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">154</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">X.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">X.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">190</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">XI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">213</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">XII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">237</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">XIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">252</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">XIV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">270</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">XV.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">290</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">XVI.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">317</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch17">XVII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">339</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch18">XVIII.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">365</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch19">XIX.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">389</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcribernote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="par first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen -overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het -kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de -<a class="seclink xd24e43" title="Externe link" href= -"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg -Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd24e43" -title="Externe link" href= -"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> -<p class="par">Dit eBoek is geproduceerd door het on-line -gedistribueerd correctieteam op <a class="exlink xd24e43" title= -"Externe link" href="http://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> -<p class="par">Scans van dit boek is beschikbaar via de Koninklijke -Bibiotheek (<a class="exlink xd24e43" title="Externe link" href= -"http://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB02:100003013">1</a>). Dit is -<i>niet</i> het exemplaar waarmee dit eboek is geproduceerd.</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Jacob Martens: een verhaal uit de zestiende eeuw</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Godfried Christiaan Hoogewerff (1857–1935)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/202478497/" class= -"seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Oude Spelling)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1921</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Trefwoorden:</b></td> -<td></td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3>Catalogusvermeldingen</h3> -<table class="catalogEntries"> -<tr> -<td>Gerelateerde WorldCat catalogus pagina:</td> -<td><a href="https://www.worldcat.org/oclc/65882010" class= -"seclink">65882010</a></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="par first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke -schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn -stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn -verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het -einde van dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2017-01-07 Begonnen.</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn -dat deze links voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctiontable" summary= -"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e259">10</a></td> -<td class="width40 bottom">wij</td> -<td class="width40 bottom">Wij</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e355">14</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e846">49</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e896">51</a></td> -<td class="width40 bottom">nu</td> -<td class="width40 bottom">na</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e925">52</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1040">58</a></td> -<td class="width40 bottom">heet</td> -<td class="width40 bottom">heeft</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1105">64</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e3959">261</a></td> -<td class="width40 bottom">relegie</td> -<td class="width40 bottom">religie</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1330">79</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">—</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1516">92</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e2795">188</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e1742">111</a></td> -<td class="width40 bottom">pennas</td> -<td class="width40 bottom">pinnas</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2130">137</a></td> -<td class="width40 bottom">Ghelijn</td> -<td class="width40 bottom">Gheleijn</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2255">145</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e2853">192</a>, <a class="pageref" href= -"#xd24e2980">199</a>, <a class="pageref" href="#xd24e2984">199</a>, -<a class="pageref" href="#xd24e3027">201</a>, <a class="pageref" href= -"#xd24e5042">331</a>, <a class="pageref" href="#xd24e5282">354</a></td> -<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2374">156</a></td> -<td class="width40 bottom">verwachlingen</td> -<td class="width40 bottom">verwachtingen</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2505">164</a></td> -<td class="width40 bottom">Aan</td> -<td class="width40 bottom">Aa</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2564">168</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e2780">187</a></td> -<td class="width40 bottom">Maar</td> -<td class="width40 bottom">maar</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e3475">227</a></td> -<td class="width40 bottom">nij</td> -<td class="width40 bottom">hij</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e3636">237</a></td> -<td class="width40 bottom">ontwoorden</td> -<td class="width40 bottom">antwoorden</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4390">287</a></td> -<td class="width40 bottom">tot</td> -<td class="width40 bottom">tijd</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4489">295</a></td> -<td class="width40 bottom">geëxcuteerd</td> -<td class="width40 bottom">geëxecuteerd</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4834">319</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4873">320</a></td> -<td class="width40 bottom">pet</td> -<td class="width40 bottom">het</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e4900">322</a></td> -<td class="width40 bottom">schrijf</td> -<td class="width40 bottom">schrijft.</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5007">329</a></td> -<td class="width40 bottom">Bréderode</td> -<td class="width40 bottom">Brederode</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5209">347</a></td> -<td class="width40 bottom">Cadix</td> -<td class="width40 bottom">Cadiz</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5465">369</a></td> -<td class="width40 bottom">Lourenskerk</td> -<td class="width40 bottom">Laurenskerk</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd24e5711">393</a></td> -<td class="width40 bottom">7en</td> -<td class="width40 bottom">7den</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> - - - - - - - -<pre> - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Jacob Martens, by G. C. Hoogewerff - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JACOB MARTENS *** - -***** This file should be named 53926-h.htm or 53926-h.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/3/9/2/53926/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg. - - -Updated editions will replace the previous one--the old editions -will be renamed. - -Creating the works from public domain print editions means that no -one owns a United States copyright in these works, so the Foundation -(and you!) can copy and distribute it in the United States without -permission and without paying copyright royalties. Special rules, -set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to -copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to -protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project -Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you -charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you -do not charge anything for copies of this eBook, complying with the -rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose -such as creation of derivative works, reports, performances and -research. They may be modified and printed and given away--you may do -practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is -subject to the trademark license, especially commercial -redistribution. - - - -*** START: FULL LICENSE *** - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project -Gutenberg-tm License (available with this file or online at -http://gutenberg.org/license). - - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm -electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy -all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. -If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project -Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the -terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or -entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement -and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic -works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" -or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project -Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the -collection are in the public domain in the United States. If an -individual work is in the public domain in the United States and you are -located in the United States, we do not claim a right to prevent you from -copying, distributing, performing, displaying or creating derivative -works based on the work as long as all references to Project Gutenberg -are removed. Of course, we hope that you will support the Project -Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by -freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of -this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with -the work. You can easily comply with the terms of this agreement by -keeping this work in the same format with its attached full Project -Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in -a constant state of change. If you are outside the United States, check -the laws of your country in addition to the terms of this agreement -before downloading, copying, displaying, performing, distributing or -creating derivative works based on this work or any other Project -Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning -the copyright status of any work in any country outside the United -States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate -access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently -whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the -phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project -Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, -copied or distributed: - -This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with -almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or -re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included -with this eBook or online at www.gutenberg.org/license - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived -from the public domain (does not contain a notice indicating that it is -posted with permission of the copyright holder), the work can be copied -and distributed to anyone in the United States without paying any fees -or charges. If you are redistributing or providing access to a work -with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the -work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 -through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the -Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or -1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional -terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked -to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the -permission of the copyright holder found at the beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any -word processing or hypertext form. However, if you provide access to or -distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than -"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version -posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), -you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a -copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon -request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other -form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm -License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided -that - -- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is - owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he - has agreed to donate royalties under this paragraph to the - Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments - must be paid within 60 days following each date on which you - prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax - returns. Royalty payments should be clearly marked as such and - sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the - address specified in Section 4, "Information about donations to - the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." - -- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or - destroy all copies of the works possessed in a physical medium - and discontinue all use of and all access to other copies of - Project Gutenberg-tm works. - -- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any - money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days - of receipt of the work. - -- You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm -electronic work or group of works on different terms than are set -forth in this agreement, you must obtain permission in writing from -both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael -Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the -Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -public domain works in creating the Project Gutenberg-tm -collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic -works, and the medium on which they may be stored, may contain -"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or -corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual -property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a -computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by -your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium with -your written explanation. The person or entity that provided you with -the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a -refund. If you received the work electronically, the person or entity -providing it to you may choose to give you a second opportunity to -receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy -is also defective, you may demand a refund in writing without further -opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER -WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO -WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. -If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the -law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be -interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by -the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any -provision of this agreement shall not void the remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance -with this agreement, and any volunteers associated with the production, -promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, -harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, -that arise directly or indirectly from any of the following which you do -or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm -work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any -Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. - - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of computers -including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists -because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from -people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. -To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 -and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive -Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at -http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent -permitted by U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. -Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered -throughout numerous locations. Its business office is located at -809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email -business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact -information can be found at the Foundation's web site and official -page at http://pglaf.org - -For additional contact information: - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To -SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any -particular state visit http://pglaf.org - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. -To donate, please visit: http://pglaf.org/donate - - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic -works. - -Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm -concept of a library of electronic works that could be freely shared -with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project -Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. - - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. -unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily -keep eBooks in compliance with any particular paper edition. - - -Most people start at our Web site which has the main PG search facility: - - http://www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - - -</pre> - -</body> -</html> diff --git a/old/53926-h/images/book.png b/old/53926-h/images/book.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 963d165..0000000 --- a/old/53926-h/images/book.png +++ /dev/null diff --git a/old/53926-h/images/card.png b/old/53926-h/images/card.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 1ffbe1a..0000000 --- a/old/53926-h/images/card.png +++ /dev/null diff --git a/old/53926-h/images/external.png b/old/53926-h/images/external.png Binary files differdeleted file mode 100644 index ba4f205..0000000 --- a/old/53926-h/images/external.png +++ /dev/null diff --git a/old/53926-h/images/titelpagina.jpg b/old/53926-h/images/titelpagina.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 48edd7e..0000000 --- a/old/53926-h/images/titelpagina.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/53926-h/images/voorkant.jpg b/old/53926-h/images/voorkant.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 5f7145b..0000000 --- a/old/53926-h/images/voorkant.jpg +++ /dev/null |
