summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/53926-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/53926-8.txt')
-rw-r--r--old/53926-8.txt14553
1 files changed, 0 insertions, 14553 deletions
diff --git a/old/53926-8.txt b/old/53926-8.txt
deleted file mode 100644
index 2132a5f..0000000
--- a/old/53926-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,14553 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Jacob Martens, by G. C. Hoogewerff
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-
-Title: Jacob Martens
- Een verhaal uit de zestiende eeuw
-
-Author: G. C. Hoogewerff
-
-Release Date: January 8, 2017 [EBook #53926]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JACOB MARTENS ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-
-
-
-
-
-
- JACOB MARTENS
-
- EEN VERHAAL UIT DE ZESTIENDE EEUW
-
- DOOR
-
- G. C. HOOGEWERFF
-
-
- Een goede zaak wordt niet slecht, omdat
- sommige van hare voorstanders kwaad
- hebben bedreven; zij wordt reiner in
- onze oogen, naarmate zij zich scherper
- van het bedrijf der zoodanigen afscheidt.
-
- R. Fruin
-
-
-
- NIJKERK--G. F. CALLENBACH
- 1921
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-
-'t Was een van de eerste dagen van Zomermaand van het jaar 1566,
-zeer vroeg in den ochtend.
-
-De zware voordeur van een deftige heerenhuizing, gelegen aan de
-Vrijdaegsmarkt te Gent, werd voorzichtig geopend en twee jongelieden
-traden naar buiten. Ze waren voorzien van lange, groengeschilderde
-hengelroeden en stevige linnen tasschen: blijkbaar was het om
-een aanslag op het "schubbigh watervolck" te doen, dat zij zoo
-vroeg uit de veeren waren, nu, volgens de oud-stedelijke keure,
-"het visschen met angelroeden, schakelen ende ander visscherstuygh"
-sinds den eersten van Zomermaand weder was geoorloofd.
-
-Een van de beide hengelaars was haastig het met boomen bezette plein
-een eindweegs opgeloopen en had een blik geworpen op de windvaan onder
-'t kruis van de St. Jacobskerk, die haar ouden, zwaren toren statig
-boven de deftige huizen van de Oostzijde der markt verhief.
-
---"Een Zuidwesten wind en een beloken lucht, Thierry," riep hij
-vroolijk. "Dat belooft een goede vangst!"
-
---"'t Mag zeker wat bijzonders zijn, als 't de moeite zal loonen,
-zoo voor dag en dauw het bed te ruimen," zei de aangesprokene, die
-blijkbaar niet zeer in zijn humeur was.
-
-'t Was een slank jonkman van ongeveer twintig jaren, met een donker
-uiterlijk. Een trek van onverschillige hooghartigheid lag op het
-welbesneden, bleek gelaat en de koele, gebiedende blik der donkere
-oogen versterkte dien indruk.
-
-Hoewel het doel van den tocht zeker een eenvoudige kleeding het
-meest doelmatig en wenschelijk maakte, was hij keurig gekleed in een
-wambuis en broek van bruin Diestsch laken, waarvan de insnijdingen
-in de opgedofte mouwen de geelsatijnen voering vertoonden. De lange
-zeemlederen hozen verdwenen in een paar keurige rijlaarzen.
-
-Zijn makker scheen iets jonger. 't Was een echte zoon van het
-land. Lange blonde haren fladderden in den frisschen morgenwind, om een
-echt Vlaamsch gezicht, wit en rood, met heldere blauwe oogen. Die oogen
-tintelden thans van schalkheid en levenslust, maar het hooge voorhoofd
-en de fijn besneden mond deden vermoeden, dat ze veel méér konden
-uitdrukken, dat ze konden fonkelen van toorn en verontwaardiging en
-voor zich uit staren met den zoekenden blik van den dichter en dweper.
-
-Hij zag er vrij wat eenvoudiger uit dan zijn metgezel. Hij droeg
-een nauwsluitend pak van groen laken, al tamelijk versleten, en
-een kaproen van dezelfde stof, terwijl zijn bruine hozen haast niet
-zichtbaar waren door een paar flinke waterlaarzen.
-
-Thans keek hij den ander aan met een oolijken trek op het gelaat.
-
---"Arme kerel," zei hij spottend, "heb je de veêren zoo lief? Hoe
-je Brussel zult missen in ons goede, oude Gent. Maar wij geven je
-wat wij hebben, en als de Fonteynisten, onze kamerbroeders, niet
-spelen en de Gilden geen feest geven, dan schieten wij met den boog
-of wij visschen."
-
---"Ik zal je wat anders laten zien, als je te onzent komt, te Brussel,"
-zei Thierry, met een minachtenden glimlach. "Een zomerfeest in de
-tuinen van Mevrouw van Parma is wat eêls! En al geven de Geuzen-edelen
-hun lakeien een grauwe livrei, om Mevrouw te plagen, hunne feesten
-zijn er niet minder om! Floris van Culemborg weet te leven!"
-
-Al sprekende waren de beide jongelieden het met boomen bezette plein
-overgestoken. Achter hen sloeg de zware klok van St. Jakob drie uren.
-
---"Culemborg, Brederode en de hunnen weten te leven, Jacques, dat zeg
-ik je," herhaalde Thierry. "Jammer dat 't verraders zijn van onzen
-Heere, den Koning van Spangiën."
-
-'t Werd op spottenden, tartenden toon gezegd, blijkbaar om verzet uit
-te lokken, en de spreker slaagde naar wensch. Een hooge blos kleurde
-het gelaat van den jongen Vlaming en zijn blauwe oogen flikkerden.
-
---"'t Zijn geen verraders, die de rechten en vrijheden van den lande
-verdedigen tegen vreemd geweld!" riep hij levendig.
-
---"Vreemd geweld! En dat van den Koning, onzen genadigen Heere!" spotte
-de ander. "Fraaie taal voor den zoon van den president van 't Hof van
-Vlaanderen! Jacobje, Jacobje, wat een rebelsche taal. Draag je nog geen
-geuzennapje op de muts, als je vrienden in Brussel en Antwerpen? Fij
-van zoo'n jongen rebel!"
-
---"Fij van den Nederlander, die heult met de creaturen van den
-Kardinaal, Thierry de St. Foy!" riep de blonde jonkman met vuur.
-
-Thierry lachte gedwongen.
-
---"Als de visch straks zoo goed bijt, als jij, Jacob Martens," zei
-hij schijnbaar luchtig, "dan vangen wij de Lys leeg! Een enkel woord
-over de kostelijke voorvechters van je dierbare vrijheden is lokaas
-genoeg! Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat je vrijheidszin je
-hoffelijk maakt voor je gast!" liet hij er ernstiger op volgen.
-
-Jacob Martens bleef staan.
-
---"Je hebt gelijk, Thierry!" zei hij gulhartig. "Vergeef mij mijn
-uitval. Je bent te Brussel aan 't hof en misschien kun je voor deze
-dingen niet zóó voelen als wij!"
-
---"Alsof 't er op aankwam, wat wij voelden of dachten!" riep
-Thierry. "Geloof maar vrij, dat Brederode en Culemborg de zaken niet
-zoo ernstig opnemen als jij, eeuwige dweper! Zij mogen schreeuwen over
-de plakkaten en de Inquisitie en hun bedienden in grauw livrei steken,
-zij vieren feest en laten het geld rollen en drinken als tempeliers!"
-
---"Laten we liever over wat anders spreken!" zei Jacob Martens.
-
---"Bijvoorbeeld over de mooie bruine oogen van joffer Madeleine?" zei
-St. Foy met een snellen, loerenden blik.
-
-Jacob Martens kleurde.
-
---"De oogen van joffer Madeleine de Bette behoeven niet te worden
-besproken door twee jonge fanten, die uit visschen gaan!" zei hij
-kort en droog.
-
-Weer barstte Thierry in lachen uit.
-
---"Of je je verliefdheid verraadt, Jacques! 't Is aandoenlijk! De
-mooie oogen van joffer Madeleine te heilig om er over te praten? Ik
-weet, dat zij er anders over denkt! Ze glinsterden ten minste van
-pleizier, toen je neef Boelman, de Fonteynist, het refrein voorlas,
-dat hij voor haar gemaakt had. Hoe was 't ook weer:
-
-"Twee vierighe keerskens, die bernen als sonnen!"
-
-Jacob Martens antwoordde niet en liep stevig door.
-
---"Ben je al geen retrosijn, Jacques, je hebt toch zeker ook al
-verzen voor haar geschreven. Mag ik 't haar eens vragen?" ging de
-plaaggeest voort.
-
-Jacob had zich intusschen hersteld en begrepen, dat hij het best deed
-zijn makker met gelijke munt te betalen.
-
---"Je moogt wel praten van verliefdheid, Thierry de St. Foy,"
-antwoordde hij vroolijk. "Wie zoekt er altijd het gezelschap van
-de zoete joffers, en houdt amoureuse propoosten? Als een jonker uit
-Brussel ze bezighoudt, hebben de meiskes oogen noch ooren voor een
-simpelen scholier als ik."
-
-Nu was de beurt aan Thierry om te kleuren.
-
---"Zeg maar, dat je jaloersch bent, Jacques!" zei hij.
-
---"Natuurlijk! Wie zou er niet jaloersch zijn, als de zoete meiskes
-zoo aan je lippen hangen, wanneer je vertelt van het Hof van Mevrouw
-van Parma en de schoone feesten en brillante partijen, van menuetten
-en sarabandes. Wat zullen wij simpele Vlaamsche knechten beginnen,
-als een page van den hertog van Aerschot onze maagdekens het hoofd
-op hol komt maken."
-
-De donkere jonkman beet zich op de lippen.
-
---"De zoon van den president van den Raad van Vlaanderen behoeft niet
-jaloersch te zijn van een armen hofjonker," zei hij bits. "Joffer
-Madeleine en haar schoon goed zijn u in de wieg al toegedacht."
-
-Jacob Martens zweeg, verontwaardigd en verlegen tegelijk. Hij
-was overtuigd, dat hij geen aanleiding gegeven had tot den ruwen
-uitval. Maar wat zou hij er op antwoorden? Hij had er niet aan gedacht,
-zijn vriend, een jongeren zoon uit een verarmde adellijke familie
-uit Brabant, te kwetsen, en zoo hij zich schertsend had verdedigd,
-dan was het omdat hij zeker in Thierry geen vertrouwde gevonden had
-voor zijn gevoel voor Madeleine de Bette, die hij liefhad met de
-mooie eerste liefde van een jong en rein hart.
-
-Zwijgend stapten de beide jongelieden voort door de slapende straten
-van de oude Vlaamsche hoofdstad. De luiken der schilderachtige gevels
-waren overal nog gesloten op dit vroege ochtenduur, en Gent sliep
-nog in de grijze grauwe morgenschemering.
-
-Ze gingen langs het Hagenklooster en het sombere Simpelhuys met zijn
-getraliede vensters, langs het groote klooster der Penitenten en het
-Hebbeliens-hospitaal en liepen thans langs een der gemetselde kaden,
-waartusschen de Lys vloeide. De deftige huizen maakten plaats voor
-eenvoudiger woningen met uitstekende of overhangende houten gevels,
-de steenen muur ging over in een met gras begroeide kade, de nauwe
-straten gingen over in verstrooide buurten, en eindelijk liepen zij
-tusschen weiden en korenvelden, want het oude Gent had zich uitgebreid
-en zijne landelijke voorsteden gastvrij opgenomen in zijn beschermende
-wallen. De weg liep uit op een zonderling en grillig gebouwtje: het
-oude Peterscellepoortje, of Pieterseliepoortje, zooals het volk zeide.
-
---"Is dàt de poort? En zouden ze ons zoo vroeg openmaken?" vroeg
-Thierry.
-
---"Geen nood!" zei Jacob Martens. "Aegte Jansdochter, mijn oude min,
-is er portierster. Ik heb haar een boodschap gezonden, dat zij van
-morgen vroeg poortgeld kon verdienen, en zij zou meer voor mij doen,
-als 't noodig was, dan eens wat vroeg uit de veeren te zijn. En buiten
-de poort wacht ons de beier met het aas."
-
-Hij had niet tevergeefs op de portierster gerekend. Een kloek Vlaamsch
-wijf kwam uit het lage huisje bij de poort schieten en heette hen
-met een vriendelijk lachend gezicht welkom.
-
---"Hoe gaat het, Aegte? Niet boos, omdat wij je zoo vroeg uit de
-veeren halen?" vroeg Jacob Martens gul.
-
---"'t Is de eerste keer niet, jonker Jacob, dat je mij te vroeg uit
-'t bedde haalt," zei Aegte Jansdochter met een breeden lach. "En dat
-heb ik wel voor mijn voedsterkind over. Alles wel thuis, jonker?"
-
---"Best, Aegt. Moeder alleen is, als altijd, zwak. Maar nu de
-sleutels! Wij gaan visschen!"
-
-De sleutels rammelden; het winket in een der zware poortdeuren draaide
-knarsend op zijn hengsels en Aegt stak de poortstuivers op.
-
---"Goede vangst, jonkers!"
-
-De beide hengelaars stonden buiten de poort en zagen om zich
-heen. Achter hen lag de slapende stad, vóór hen strekten zich de
-welige landouwen van West-Vlaanderen uit, de vette weiden en golvende
-korenvelden, sluimerende onder de lichte morgennevels van een beloken
-Junimorgen. Rechts slingerde zich de Lys, aan haar steenen banden
-ontkomen, langs haar met riet en lisch begroeide boorden, in breede
-bochten door het groene landschap.
-
-Jacob Martens en zijn gast verlieten den weg en sloegen een voetpad
-in, dat hen door de akkers naar de rivier voerde.
-
---"Waar blijft de koddebeier nu, met het aas?" vroeg de Brusselaar.
-
-Martens wees op een alleenstaanden boom, dicht aan den oever.
-
---"Daarginds, bij dien esch, zou hij ons wachten. Je zult hem wel
-zoo dadelijk zien. De Welle is een man van zijn woord."
-
-Weldra hadden ze den oever en den boom bereikt. Een man, die, tegen
-den stam geleund, peinzend naar de kabbelende golfjes van de Lys had
-staan kijken, trad hen tegemoet.
-
-'t Was een lange, magere gestalte, gehuld in een grijslinnen kiel, die
-hem tot aan de knieën reikte. Op het rossig blonde haar droeg hij een
-ruige muts, waarin een eikelkapje was gestoken. Het bruine, door wind
-en zon getaande gelaat was vol rimpels, als een overjarige appel. Twee
-felle, lichtblauwe oogen keken de beide jongelieden aan met den
-scherpen blik, dien men zoo dikwijls bij jagers en boschbewoners vindt.
-
---"Goed op je tijd gepast, Pieter de Welle," riep Jacob Martens,
-terwijl hij den langen man trouwhartig de hand reikte. "Wat dunkt je
-van het weer?"
-
-De koddebeier bracht even de hand aan zijn ruige muts.
-
---"Een kostelijke dag, jonker Jacob. De visch zal goed bijten."
-
-De toon van den man was noch lomp noch overdreven onderdanig. Er
-sprak een ruwe vriendelijkheid en zekere gemeenzaamheid uit. Zijn
-felle blauwe oogen richtten zich nu onderzoekend op Thierry de St. Foy.
-
---"Een vriend van mij, Pieter," zeide Jacob, als antwoord op den
-vragenden blik. "Onze gast uit Brussel."
-
-De koddebeier knikte weer. Thierry ergerde zich blijkbaar aan den
-gemeenzamen toon en den onderzoekenden blik van den langen man en
-draaide hem den rug toe.
-
---"Hier is het aas, jonker," zei de Welle, terwijl hij op een
-houten bak wees, die aan den voet van den boom stond. "Levende
-voorntjes, dauwwormen en geronnen ossenbloed! Zal ik de hengels maar
-klaarmaken? Hier heb ik het schepnet."
-
-Hij nam de hengels en hield zich ijverig bezig met de snoeren en
-simmen. De jonkers zouden eerst hun geluk beproeven op snoek, met
-vischjes en stukken geronnen bloed.
-
-Terwijl de koddebeier de vischsnoeren op de vereischte lengte bracht
-en het aas aan de haken bevestigde, trad Thierry op zijn makker toe.
-
---"Die koddebeier van je vader is een Geus!" beet hij hem in het oor.
-
---"Och kom!" riep de ander ongeloovig.
-
---"'t Is een Geus, zeg ik je," hield Thierry vol. "Kijk maar naar
-dat eikelkapje op zijn muts. Dat is het teeken. De edelen en burgers
-dragen de houten napjes aan den hoed en de boeren de eikelkapjes. Ik
-heb ze te Brussel gezien, uit de omstreken van Antwerpen. Dààr wemelt
-het van Geuzen en Sacramentarissen!"
-
---"'t Mag zijn," zei Jacob Martens schouderophalend, "Geus of niet,
-'t is altijd een eerlijke kerel geweest en ik mag hem graag lijden."
-
---"Een mooie dienaar voor den president!" schimpte Thierry.
-
-Weer kleurde Jacob en schitterden zijn oogen.
-
---"Wil dan toch begrijpen, Thierry," zei hij heftig, "dat wij,
-Gentenaars anders denken dan jelui te Brussel. Wat raakt het mijn
-vader, hoe het hof over zijn dienaars denkt?"
-
---"Je vader is een dienaar van den Koning!" hield Thierry vol.
-
---"Wij zijn dienaars van den Koning, als graaf van Vlaanderen!" riep
-Jacob levendig. "Maar wij zijn vrije mannen van Gent en houden vast
-aan onze rechten en privilegiën."
-
---"Voor zooveel de Keizer die den vromen Gentenaars gelaten heeft,"
-tergde St. Foy.
-
---"'t Aas is klaar, jonkers!" riep de Welle.
-
-Hij had ongemerkt meer van het gesprek verstaan, dan de beide
-jongelieden dachten, en hij achtte het verstandig, het af te breken.
-
-Jacob Martens vatte den langen hengel en liet het levend aas met
-den vluggen zwaai van een geoefend visscher in de golfjes van de
-Lys neerploffen. Thierry volgde zijn voorbeeld, maar hij bleek
-onhandig. Zijn snoer verwarde in het riet en de Welle moest hem te
-hulp komen.
-
-Toch scheen de fortuin den onbekwamen visscher te
-begunstigen. Nauwelijks dreef zijn dobber op het water, of hij verdween
-met een korten ruk en de lijn van de klos, die aan zijn voeten lag,
-liep snel af.
-
---"Een flinke snoek! Vieren, jonker!" riep de koddebeier.
-
-Thierry liet de lijn uitloopen en palmde die toen, op de Welle's
-aanwijzing, zachtjes en voorzichtig in. Toen de snoek weer aan de
-oppervlakte was, schoot hij weer de diepte in en het snoer werd
-weer gevierd.
-
-St. Foy kreeg pleizier in het werk. Aanvankelijk had hij zijn gastheer
-slechts met tegenzin vergezeld, maar het geluk lachte hem toe. Jacob,
-de ervaren visscher, werkte tevergeefs met zijn lijn, en hij had
-terstond beet. Het lag in zijn aard, gaarne de eerste te zijn.
-
-Hij had er behoefte aan, op zijn succes te pochen en zijn makker
-te plagen.
-
---"Ik heb hem vast!" riep hij zegevierend. "Ik heb hem, als de Koning
-zijn erflanden. De edelen mogen spartelen aan de lijn, maar ze komen
-niet los! Zoo min als de snoek!"
-
-'t Was of het beest hem verstond, of misschien verzuimde de koddebeier
-opzettelijk, het sein te geven om de lijn op het juiste oogenblik te
-laten schieten. De kop van den snoek, die nog lang niet vermoeid was,
-verscheen boven de oppervlakte van het water. Te vroeg! Een forsche
-slag met den staart en bevrijd van den hoek schoot de visch weg in
-de diepte.
-
-Jacob schoot in een luiden lach, toen, hij het beteuterd gezicht
-van zijn makker zag, die met de losse lijn in de hand, vol
-teleurstelling in het water staarde. Achter hen klonk een onderdrukt
-gegrinnik. Thierry wendde zich boos om, maar het gerimpeld gezicht van
-den koddebeier bewoog niet. Alleen de kleine blauwe oogen flikkerden
-van inwendig genoegen.
-
-Met een boozen blik en een gemompelde verwensching wendde de Brusselaar
-zich af.
-
---"Neem mij niet kwalijk, Thierry," zei Jacob, die begreep, dat zijn
-gast beleedigd kon zijn door zijn lachen, "'t spijt me heusch, dat
-je zoo ongelukkig was. Maar 't was ook al te dwaas! Jij de Koning,
-de snoek, de erflanden, die zoo vast aan de lijn zaten! En dan... paf,
-weg was de snoek!"
-
---"Lach maar!" bromde de teleurgestelde visscher. "De Koning zal jou
-en alle Geuzen het lachen wel verleeren."
-
-Hij wierp een schamperen blik op Pieter de Welle, maar deze scheen
-niet op hem te letten en hield zich ijverig bezig met den hengel,
-dien hij opnieuw van levend aas voorzag.
-
-De visschers volgden den linkeroever van de Lys. Ze zouden de rivier
-afvisschen tot boven Gent; dan zouden zij den stroom oversteken en
-de stad door de Walepoort weer binnenkomen.
-
-De morgenschemering begon meer en meer te wijken. 't Liet zich echter
-aanzien, dat de zon niet zou doorbreken. De hemel bleef egaal grijs,
-met hier en daar een donkergrauw wolkje. Soms vielen er eenige
-regendruppels, die kringetjes maakten in het loodkleurige water.
-
-De zilveren pluimen der rietbossen wuifden zachtjes in het Zuidwesten
-windje. Soms vloog een eend of een pluvier, luid krijschend, op. Anders
-lag het schoone landschap in kalme, droomerige rust.
-
-Ondertusschen werd de Lys ijverig afgevischt, maar het duurde eenigen
-tijd voor zich weder een visch liet verschalken. Ditmaal was Jacob
-de gelukkige. Zijn dobber dook met een korten slag onder en de lijn
-liep met vaart uit.
-
---"Een mooie snoek, jonker! Minstens een achtponder!" riep de Welle.
-
-Jacob vierde de lijn en begon toen voorzichtig in te palmen.
-
---"Willen we nu ook eens wedden, Thierry?" riep hij vroolijk. "De
-snoek is 's lands vrijheid! We hebben ze en we houden ze!"
-
-St. Foy haalde de schouders op, maar keek toch oplettend naar zijn
-makker, die, als een geoefend hengelaar, met den snoek speelde, de
-lijn behoedzaam inpalmde, maar die steeds op het juiste oogenblik
-weer vierde.
-
-Eindelijk begon de snoek moe te worden, de lijn liep met telkens
-minder vaart uit en Jacob Martens begon zijn buit voorzichtig naar
-den oever te halen. Pieter de Welle nam het schepnet en stapte tot de
-knieën in het water, Jacob fleurde den snoek zachtjes en met beleid
-al nader en nader en weldra spartelde de visch in het net.
-
---"We hebben hem! Leve onze vrijheden en privilegiën!" juichte Jacob
-Martens en Pieter de Welle grimlachte.
-
---"Zonder het schepnet had je hem nooit gekregen," zei Thierry met
-een jaloerschen blik.
-
---"Precies, jonker! We moeten passen op den rechten tijd, maar dan
-krijgen wij den snoek ook!" zei de Welle, terwijl hij den visch met
-een kennersblik beschouwde, voor hij dien in zijn tasch stak. "Een
-mooie, jonker! Tien pond op zijn minst." En de koddebeier bracht den
-hengel weder in orde, terwijl Thierry hem wantrouwend aankeek.
-
-Het geluk was hem gunstig. Hij ving twee kleinere snoeken en door
-ditmaal getrouw de aanwijzingen van Jacob Martens en de Welle te
-volgen, kreeg hij ze gelukkig aan land. En toen men, verder op den
-ochtend, met dauwwormen naar baars begon te visschen,--waarbij het
-minder op de bekwaamheid van den hengelaar aankwam--kon hij vrijwel
-meedoen en hij geraakte gaandeweg geheel in zijn humeur.
-
-Zoo werd de Lys afgevischt, tot waar de rivier zich, ten Noorden
-van de stad, met een andere vereenigt; hier was een veerpont, een
-eenvoudige houten bak, waarmede de hengelaars naar den anderen oever
-werden overgezet.
-
-Onderweg hadden zij een eenvoudig ontbijt van brood en kaas gebruikt,
-maar thans was hun voorraad op, de veldflesschen waren ledig en zij
-waren moe en hadden honger. Zij besloten dus, de visscherij er voor
-heden aan te geven, en door de weilanden heen den weg naar Lokeren
-te bereiken en zoo door de Walepoort naar de stad terug te keeren.
-
-De wind begon op te steken. Grauwe luchten kwamen aandrijven uit het
-Zuidwesten en van tijd tot tijd viel er een warme regenbui. De zware
-laarzen der hengelaars zoenden en smakten in de klei der vochtige
-voetpaden en gleden uit langs de glibberige wallen der slooten. Doornat
-en moe bereikten zij eindelijk de heirbaan en weldra naderden zij de
-vestingwerken der stad.
-
-Het liep tegen acht uur. De poorten waren reeds lang open en de
-hengelaars vonden op den weg verscheidene landlieden uit den omtrek,
-die zich steewaarts begaven, en met wie Jacob Martens en Pieter de
-Welle van tijd tot tijd een morgengroet wisselden.
-
-Plotseling rees in de stille zomerochtendlucht het gelui van een
-klokje, schrille, scherpe klanken, die met naar geluid opjammerden uit
-de slapende stad en klagend heenzweefden over het rustige landschap.
-
-Jacob Martens zag den koddebeier veelbeteekenend aan.
-
---"'t Klokje van het Minorietenklooster," zei hij, "'t
-armezondaarsklokje! Zou er halsrecht worden gedaan? Zoo vroeg?"
-
-Zij naderden de brug over de Nieuwe vaart, die naar de Walepoort
-leidde. Even voor de poort verbreedde de voor de binnenlandsche
-scheepvaart zoo belangrijke vaart zich tot een wijde haven. Aan de
-kaden waren tal van vaartuigen vastgemeerd, en groote stapels van
-balen en vaten getuigden van den bloeienden handel der Vlaamsche
-hoofdstad. Gewoonlijk was de drukte des morgens reeds in vollen
-gang. Thans echter stond het werk stil: schippers, waagdragers en
-sjouwerlieden stonden in groepjes bijeen en tuurden naar de poort.
-
-Bij de brug stond een troepje mannen en vrouwen in de dracht der
-West-Vlaamsche landlieden. Ook zij tuurden in dezelfde richting. Hunne
-gezichten stonden ernstig en bedrukt; verscheidene der vrouwen
-schreiden. Een kleine kreupele man bewoog zich onder deze groep en
-sprak nu eens den een, dan weder den ander aan. Men luisterde naar hem,
-maar de starende oogen bleven op de poort gericht.
-
-Boven de stad klepte en jammerde het armezondaarsklokje.
-
-In de grauwsteenen lijst der Walepoort verscheen een droevige stoet,
-waarvan alle toeschouwers maar al te goed de beteekenis begrepen.
-
-Eerst kwam een ruiter, op een zwaar bont paard gezeten en gekleed
-in een korten, zwarten tabbaard, met een tweekleurige baret op het
-hoofd. In de hand droeg hij een rood geschilderden staf.
-
-Het was de "Roode Roede", de gerechtsbode van de Schepenbank.
-
-Achter den ruiter kwam een lage kar, getrokken door een mager paard
-en begeleid door eenige gewapende dienaars. Voor de kar uit liep
-een man, gekleed in een nauwsluitend gewaad van grove, roode serge,
-met een muts van dezelfde stof op het hoofd. Hij werd op den voet
-gevolgd door twee mannen in de gewone volksdracht, maar eveneens met
-roode mutsen. Eén leidde het karrepaard bij den teugel, terwijl de
-andere een rol touw droeg.
-
-Het waren de beul van Gent en zijne knechten.
-
-Op de kar, op een paar bossen stroo, zat de veroordeelde. Het
-was een nog jonge vrouw: ze mocht ongeveer dertig jaar zijn. Ze
-was blootshoofds en bij het dichte zwarte haar stak het strakke,
-doodsbleeke gelaat scherp af. De donkere oogen blikten van tijd tot
-tijd schuw rond; dan weder, als met eene uiterste inspanning van
-den wil, wendde zij zich af van haar omgeving en zag zij op naar den
-hemel. Een wijd kleed van bruine stof, dat aan een monnikspij deed
-denken, bedekte hare gestalte tot den hals en een overslag hing als
-een breede kraag van hare schouders af in breede plooien.
-
-Een oude monnik in bruine pij, een Minoriet, zat naast haar. Hij
-hield een crucifix in de hand en van tijd tot tijd zag men zijne
-lippen bewegen.
-
-De kar rolde de poort uit; een oogenblik klotsten de paardenhoeven
-over de houten brug; toen boog de stoet links af, naar de haven.
-
-Boven de stad jammerde, pijnlijk schril en schel, steeds het
-armezondaarsklokje.
-
-Zoodra de kar buiten de poort en over de brug was, sloten de mannen
-en vrouwen, die haar blijkbaar hadden opgewacht, zich bij den stoet
-aan en volgden dien naar de haven. Ook de beide jongelieden en hun
-metgezel verhaastten hun stap en liepen mede, gedreven door de wreede
-nieuwsgierigheid, die den mensch onwillekeurig drijft tot het huiverend
-aanschouwen van wat hij verafschuwt. Weldra stonden zij tusschen de
-boeren en schippers. Pieter de Welle had ruim baan voor hen gemaakt,
-en velen kenden Jacob Martens, den zoon van den president, en gingen
-voor hem op zijde.
-
-Zóó stonden zij in de eerste rijen, bij de stadskraan Daar hield de
-kar stil. De knecht, die het paard voortleidde, had het dier doen
-keeren, zoodat het krat van het voertuig naar het water was gericht.
-
-De schoutendienaars hielden het opdringende volk tegen, terwijl de
-beul op een wenk van de "Roode Roe" op de kar klom en de veroordeelde
-naderde.
-
-De oude monnik boog zich voorover; hij sprak luid en dringend en
-hield de vrouw het kruisbeeld voor het gelaat.
-
-Zij wendde het hoofd af en keek met angstoogen naar het donkere water,
-naar het volk om haar heen...
-
-Daar klonk een stem uit de menigte, een krachtige mannenstem.
-
---"Sijt getrouwe tot in den doet, ende ick zal u geven die crone
-des levens!"
-
-Een der vrouwen had de lange, zwarte huif afgeworpen en hield een
-kind op hare armen omhoog, het hoog optillende boven de hoofden
-der omstanders.
-
-De veroordeelde had omgezien, toen zij het Bijbelwoord hoorde. De
-strakke angstblik verdween uit de starende oogen. Zij richtten zich
-op het kind en vulden zich met tranen, de lippen beefden...
-
-De "Roode Roe", die kalm en onverschillig op zijn paard zat, had,
-bij het hooren van den roep, vertoornd omgekeken en daarop een snellen
-blik met de dienaars gewisseld. Hij knikte den beul toe.
-
-Deze greep de afhangende plooien van het bruine kleed, wenkte den
-monnik terug en sloeg ze over het hoofd der veroordeelde. Het bleek
-gelaat der vrouw verdween; hare blikken waren tot het laatste oogenblik
-op het kind gericht.
-
-Het bruine kleed, blijkbaar een wijde zak, werd stevig boven het hoofd
-van de veroordeelde toegesnoerd met het dunne, maar sterke touw,
-dat de tweede knecht had gedragen. En nu reikte de beul voorover
-en greep den ketting van de kraan, waarvan hij den haak in een lus
-bevestigde. Daarop liet hij het krat vallen en terwijl de beide
-knechts zich bij het windas plaatsten, vatte hij post bij den kop
-van het paard en keek naar de "Roode Roe".
-
-De gerechtsbode was blijkbaar uit zijne onverschilligheid
-opgeschrikt. Hij wierp onrustige blikken om zich heen; nu eens keek
-hij naar het volk, dat met bleeke, strakke gezichten het tooneel
-aanschouwde, dan weer als verlangend naar de stad.
-
-Daar dreunde het dof door de stilte; de Zuid-Wester deed de slagen
-duidelijk hooren: acht uren! Het schelle klokje zweeg.
-
-De "Roode Roe" trok zijn gezicht in den ambtsplooi. Hij prevelde snel
-eenige woorden en brak zijn staf. De beul gaf zijn helpers een wenk;
-het windas piepte, de ketting spande zich en de zak rees omhoog aan den
-arm van de kraan, terwijl de beul het paard een paar stappen vooruit
-deed gaan. Een oogenblik zweefde de zak boven het donkere water van de
-haven, toen lieten de knechts de spaken los, de ketting ratelde over
-de katrollen, en met een doffen plomp verdween de last in het water.
-
-Een gesmoord snikken klonk uit het volk, dat, nu niet meer door
-de dienaars weerhouden, naar den kant drong en zwijgend, met
-angstige blikken, naar de breede waterrimpels staarde. De beul,
-wiens aanraking allen angstig vermeden, stond op de steenen rollaag
-en keek met kennersblik naar de opstijgende luchtbellen, daar, waar
-de zak was gezonken. De knechten hielden zich bezig met de kar; een
-van hen, een kerel met een dom, rood drankgezicht, haalde van onder
-de voorbank een bierkruik te voorschijn en nam een flinken slok,
-waarna hij de kruik aan zijn makker toereikte.
-
-Met een bleek gelaat had Jacob Martens het sombere tooneel
-aanschouwd. Hij was een kind van zijn tijd; halsrecht en lijfstraf
-waren een gewoon schouwspel in Gent en hij had reeds herhaaldelijk
-een terechtstelling gezien. Zoo hij al medelijden had gevoeld voor
-een gestraften misdadiger, 't was van voorbijgaanden aard geweest
-en hij had altijd berust in 't noodzakelijke van de dikwijls wreede
-straffen en volkomen vertrouwen gesteld in 't beleid der justitie
-van Mijn Heere den Hoog-baljuw en Schepenen van Gent. Maar deze
-vrouw was geen misdadige; hij had het maar al te goed begrepen aan
-de houding van de omstanders, de zenuwachtige onrust der met de
-terechtstelling belasten en de wijze, waarop de veroordeelde den
-biechtvader had afgeweerd. Hij had een slachtoffer zien sterven van
-de wreede plakkaten tegen de ketterijen, door Karel V uitgevaardigd,
-door Filips herhaald en verscherpt, van die plakkaten, die een bloedige
-geloofsvervolging bevalen, waaronder het land ging gebukt en die door
-Roomsch en Onroomsch werden bestreden.
-
-Dat was geen justitie! dat was een moord!
-
-Jacob Martens wierp een blik naar zijne beide metgezellen. Thierry de
-St. Foy was ook bleek geworden, toen de noodlottige zak neerplompte in
-het water, maar hij dwong zijn gelaat tot een koelen, minachtenden
-grimlach. Maar Pieter de Welle stond daar met gebalde vuisten
-en saamgeklemde lippen, en zijne kleine, felblauwe oogen schoten
-vonken. De kleine kreupele--'t was dezelfde, die de veroordeelde het
-Bijbelwoord had toegeroepen--stond naast hem en die twee spraken tot
-elkander met gesmoorde stem.
-
-Plotseling deed Jacob eenige schreden voorwaarts en drong door tot den
-"Roode Roe". Hij trok den beambte aan den tabbaard.
-
-Wrevelig wendde de man het hoofd om en een lompe terechtwijzing lag
-hem blijkbaar op de lippen. Toen hij echter den zoon van den president
-van den Raad herkende, veranderde hij terstond van houding en nam
-onderdanig zijn baret af.
-
---"Wie was die vrouw, Rogiersz?" vraagde Jacob. "Wat had zij gedaan?"
-
---"Een kettersche, jonker Jacob," antwoordde de beambte. "Agneta
-Jansdochter, uit de Cellebroerstraat."
-
---"Een kettersche? Maar ik dacht, dat Heeren Schepenen in den laatsten
-tijd over Lutherye niet wilden vonnissen, zoomin als de heeren van
-Antwerpen?" vraagde Martens. "De deken Titelman heeft er bij mijn
-vader over geklaagd."
-
---"Lutherije niet, jonker," zei de "Roode Roe" gewichtig. "Maar Agneta
-Jansd. was eene Doopersche. Dat is "zware ketterije" en die wordt
-nergens geduld. Ook voor de Sacramentarissen, die van de Geneefsche
-ketterije, zijn Mijne Heeren van den Gerechte veel strenger dan voor
-de Lutheranen. Maar vergeef mij, jonker, de executie is afgeloopen. Ik
-moet naar de stad."
-
-De jonge man merkte, dat veler oogen nieuwsgierig of uitvorschend op
-hem waren gericht. Het hinderde hem en hij wenkte zijn vriend en den
-koddebeier, om te vertrekken.
-
-De meeste omstanders bleven staan wachten, om te zien, hoe het lijk
-van de veroordeelde uit het water zou worden opgehaald.
-
-Zwijgend gingen de twee jongelieden, door de Welle gevolgd, over de
-brug en door de Walepoort.
-
-Jacob Martens was ontroerd. Wat hij zooeven gezien had, had zijn
-licht bewogen gemoed geschokt. Steeds zag hij den droevigen blik der
-bleeke vrouw, tot het laatste oogenblik, eer de noodlottige zak,
-die haar doodskleed zijn zou, haar gelaat bedekte, op haar kind
-gericht. Weer een slachtoffer van dien heilloozen geloofsdwang,
-den vrijen Nederlanden opgedrongen door den vreemden Heerscher, voor
-wiens gezag zij zoo ongaarne bogen. Wat wisten de vrije steden van
-Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Brabant in hun eigen, eeuwenoude
-rechtspleging van kettervervolging? Zou de Gentsche regeering zich
-hebben geleend tot het vellen van een doodvonnis over een vrouw uit
-het Vrije der Stede, om zulk een oorzaak, als Keizer Karel haar niet
-machteloos had gemaakt, de oude Gentsche democratie had ontwricht
-en haar zijn eigen creaturen in een nieuwbakken regeeringsvorm had
-opgedrongen?
-
-In tal van gemoederen in Holland, Brabant en Vlaanderen hadden de
-woorden van 't verzoekschrift der edelen weerklank gevonden, "dat de
-Inquisitie en de plakkaeten voortaen niet geschaepen zijn, dan afkeer,
-onrust, oproer met allerley jammer en 's lands ondergang te baeren."
-
-'t Was een feit, wat de Edelen des lands daar hadden uitgesproken. Wat
-had de Koning van Spanje zijne erflanden dien last der Inquisitie op
-te dringen, wat, de aloude wetten en costuymen in een land van goede
-justicie te verderven door zijn plakkaten?
-
-Hoe moedig was die vrouw in den dood gegaan--voor eene dwaling? Ja,
-was het een dwaling?
-
-Jacob Martens was, als de meeste ontwikkelden van zijne tijdgenooten,
-wel op de hoogte van den strijd, die in en om de Kerk werd gevoerd. Zoo
-hij de geschriften van Erasmus niet had gelezen, hij had er toch over
-hooren spreken. Het had hem tot nog toe weinig gedeerd. De ketters,
-"die van de nye leere", waren het uitschot van de maatschappij,
-lieden, die, om hun slordigen levenswandel ongestoord te kunnen
-voortzetten, de banden van het geestelijk gezag hadden verbroken;
-dit was de gewone opvatting, die algemeen geldig was in den kring,
-waarin hij verkeerde. Wat hemzelf betrof, zijn godsdienst bestond
-tot dusverre in een gedachteloos nakomen van zijn kerkelijke plichten.
-
-Maar nu hij in den laatsten tijd belang had leeren stellen in
-den strijd van Oranje, Culemborg, Brederode en de hunnen tegen de
-Inquisitie en de aanmatigingen van het gezag, was hij er vanzelf toe
-gekomen om zich ook met de godsdienstige quaestie bezig te houden.
-
-En toen had hij gezien, dat het begrip "godsdienst" voor vele van
-die ketters heel iets anders was, dan voor hem. Dat het voor hen
-een geduchte realiteit was, een hoogste goed, waarvoor alles werd
-prijsgegeven, als het zijn moest. Wat was dat dan toch voor een wondere
-macht, welke die vrouw uit het volk den moed gaf, zwijgend neer te
-zinken in het donkere water? Wat was die godsdienst, die de moeder
-afscheid deed nemen van haar kind, en den bitteren dood deed kiezen
-boven het leven, het kalme, rustige leven in den schoot der Kerk?
-
-De stem van Thierry wekte hem uit zijne overpeinzingen.
-
---"Wat loop je te droomen, Jacob? Je bent zoo stom, als de visschen
-in de ben! Heeft die kettersche het je aangedaan?"
-
---"Een gruwelijk stuk! Dat die van Gent het lijdelijk aanzien!" riep
-Jacob Martens, meer als uiting van zijn verontwaardiging, dan als
-antwoord op de vraag van zijn metgezel.
-
---"Een akelig gezicht, dat erken ik," zei Thierry, die het noodig vond
-een zekere onverschilligheid te veinzen, hoewel het sombere tooneel
-ook op hem indruk had gemaakt. "Maar wat wilt ge? Het Heilige Officie
-en Mijne Heeren van den Gerechte kunnen wel niet anders doen! Waarom
-blijven die ketters zoo hardnekkig aan hunne dolingen hangen? De
-plakkaten.."
-
---"Vermaledijd mogen de plakkaten en de Inquisitie zijn," riep Jacob
-opgewonden. "Dolen de ketters, laat de Kerk ze dan onderwijzen. Dwaling
-is geen misdaad!"
-
---"Dat klinkt Erasmiaansch, om niet te zeggen rebelsch," zei Thierry
-spottend. "Goed dat de deken het niet hoort."
-
-De ander haalde de schouders op en zwijgend vervolgde het gezelschap
-zijn weg door de nu reeds drukker wordende straten. Weldra was het
-huis van den president bereikt. Nauwelijks was de klopper gevallen
-en de voordeur geopend, of Thierry snelde naar binnen, en naar zijn
-kamer, bevreesd als hij was, dat joffer Madeleine hem in zijn nat,
-bemodderd visscherspak zou zien.
-
-Pieter de Welle had zwijgend maar met zichtbaar welgevallen naar de
-hartstochtelijke woorden van zijn jonker Jacob geluisterd. Toen deze
-met een vriendelijk woord afscheid nam, zei hij eensklaps:
-
---"Wanneer vertrekt die Brusselaar weer, jonker?"
-
---"Overmorgen, Pieter!"
-
---"Vraag dan aan den president of je met mij mede moogt gaan naar
-Gentbrugge. Ik moet er een dasvarken uitgraven."
-
---"Een dasvarken? Ik ben van de partij!" riep Jacob.
-
---"Ja, een raar dasvarken!" zei de koddebeier geheimzinnig. "Ga met
-mij mede, jonker! Zoo'n jacht heb je in je leven niet bijgewoond."
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-
-Voor een der hooge, smalle vensters van de ruime "sale" der deftige
-heerenhuizinge zijner ouders stond Jacob Martens, tegen het uur van
-het noen-maal en staarde peinzend naar buiten.
-
-Men zou in den keurig gekleeden jonker den natten, bemodderden visscher
-van dien morgen niet hebben herkend. Een nauwsluitend donkerblauw
-fluweelen wambuis, met nauwe, aan de schouders opgedofte mouwen, deed
-zijn flinke gestalte goed uitkomen. De insnijdingen in de doffen der
-mouwen lieten de witsatijnen voering zien, terwijl de korte broek,
-van dezelfde stof als het wambuis, eveneens met witsatijnen linten aan
-de knie was opgebonden. Verder droeg hij witzijden hozen en schoenen
-van fijn Spaansch leder.
-
-Jacob Martens staarde naar buiten, voor zoover de gekleurde ruitjes,
-die de roode rozen op gouden grond uit het wapen der Vlaamsche
-Martensen in allerlei schakeering vertoonden, dit toelieten. Hij keek
-naar het drukke tooneel, dat de Vrijdaegsmarkt aanbood, en zeker
-moesten er allerlei gedachten opkomen in het brein van den jongen
-Gentenaar, als hij staarde naar dat breede, met boomen beplante plein,
-waaraan zulke machtige herinneringen verbonden waren aan een groot
-verleden.
-
-Hier werden, sinds eeuwen, de "blijde inkomsten" der graven van
-Vlaanderen gevierd, wanneer zij, na de privilegiën en rechten der stad
-te hebben bezworen, door de trotsche mannen van Gent als heer werden
-erkend. Hier hadden op den noodlottigen "kwaden Maandag" van het
-jaar 1345 de machtige gilden van wevers en vollers in noodlottigen
-kamp tegenover elkander gestaan en vijfhonderd slachtoffers
-van dien treurigen burgertwist waren gevallen onder de geduchte
-"goedendachs". Hier had, 40 jaren later, Philip van Artevelde den eed
-der burgers ontvangen, toen hij ze aanvoerde tegen graaf Lodewijk,
-den gehaten gunsteling van den Franschen koning. Hier was bij menig
-oproer, bij menigen opstand de verzamelplaats geweest der Gentsche
-burgers en er was een tijd geweest, dat de Dulle Griet van Gent, het
-reusachtig kanon, dat daarginds op zijn steenen voetstuk sluimerde,
-aan de vijanden van de oude stad haar donderend "halt" had toegeroepen.
-
-Waar waren de oude dagen van vrijheid en glorie gebleven. De Gentsche
-vrijheden waren verbroken door de ijzeren vuist van keizer Karel;
-Vlaanderen, met de andere Nederlandsche gewesten, boog zich noode
-onder vreemden dwang, en voelde de vreemde, drukkende en dwingende
-hand steeds zwaarder...
-
-Wat zou het worden? Wat zou er komen van den strijd tusschen den
-koning en de edelen? Zag de jonge droomer misschien reeds het bloed
-der edelste burgers van Gent, dat daar weldra zou rooken op diezelfde
-Vrijdaegsmarkt?
-
-De breede deur der sale ging open en er vertoonde zich een groepje,
-dat Jacob zeker haastig zou hebben doen omzien, wanneer hij niet
-zoo in zijn gedachten verdiept was geweest. 't Waren twee meisjes,
-die binnen traden, van negentien à twintig jaren:
-
-
- "Sonne end mane, so vol van clementie,
- "Vol suuvere claerheit end' soet indulgentie,
- "Venus ende Juno, twee godinnen soet,
- "Vol wonderbaer gratie ende fierheyt groet!"
-
-
-had een rijmelaar, een kamerbroeder van de "Fonteyne" van de beide
-"volscone maechdekens" gezongen, bij gelegenheid van het zilveren
-bruiloftsfeest van Mr. Willem Martens, president van den Raad van
-Vlaanderen, en zulks tot groote stichting van al de gasten en van de
-"volscone maechdekens" in 't bijzonder. Maar zoo 's mans gerijmel
-de beide meiskens zeker geen recht deed wedervaren, het contrast
-tusschen beider schoonheid had hij zeer wel opgemerkt. Clara Martens,
-de dochter des huizes, een blonde Vlaamsche, was het evenbeeld van
-haar broeder, die slechts een jaar ouder was dan zij. Dezelfde blauwe
-oogen tintelden met zachten gloed in het goelijke, frissche gelaat
-der Gentsche schoone, en het scheen of broeder en zuster elkaar
-volgden tot in de keuze van de kleur hunner kleeding. Clara toch
-droeg een nauwsluitend jakje of kassekijntje van blauwe zijde, met
-een rok van dezelfde stof; het zieltje of "hongerlyn", dat den boezem
-bedekte, was blauw satijnbrocaat van een lichter tint, met zilveren
-bloempjes geborduurd, terwijl de ingesneden doffen aan de mouwen
-en de ter zijde opgenomen rok een ondergewaad toonden van dezelfde
-kleur als het hongerlyn. De gevulde, poezele hals werd omsloten door
-een eenvoudigen, platten Duitschen kraag, terwijl de blonde haren in
-twee zware vlechten om het hoofd waren gewonden.
-
-Maar naast deze blonde schoonheid was de fiere gestalte van Madeleine
-de Bette, de pupil en huisgenoot van den president, als de "sonne"
-bij de "maen", zooals de kamerbroeder had gezegd. Zoo men op den
-duur de frissche en goelijke Clara mocht hebben gekozen boven haar
-schitterende vriendin, wie de beide meisjes bij elkaar zag, moest
-geboeid worden door Madeleine's sprekende bruine oogen, door het
-fijn besneden, ietwat bleeke gelaat, met dien trotschen mond, met de
-volle rijpe lippen. Zij was grooter dan Clara en hare indrukwekkende
-gestalte was haast te gevuld voor een meisje van haar leeftijd, maar
-zeker was zij, zooals zij daar de sale binnentrad, in haar gewaad
-van purperkleurige brocaatzijde een imposante verschijning. Het
-ondergewaad, alsook het "hongerlyn" waren van licht geel "armosijn",
-maar de stof van het laatste ging geheel schuil onder het rijke
-borduursel van gouddraad. Een donkerrood fluweelen kapje, met een
-juweelen bagge versierd, hield het ietwat kroezende zwarte haar in
-bedwang en het schoone hoofd scheen te rusten op de plooien van een
-statigen, Spaanschen kraag.
-
-Achter de beide meisjes kwam Thierry de St. Foy, en ook hij scheen bij
-deze gelegenheid een bijzondere zorg aan zijn toilet te hebben besteed
-en zag er uit, zooals men van een page van den hertog van Aerschot
-mocht verwachten. Thierry droeg een zwart fluweelen wambuis, met tal
-van kleine gouden knoopjes op de borst gesloten en van insnijdingen
-voorzien, zoo aan de mouwen als op de borst, waardoor de geelzijden
-voering zichtbaar werd. De zeer korte, opgedofte broek was met
-geelzijden linten bevestigd aan de lange hozen van fijn zeemleder en
-de hooggehakte schoenen waren versierd met groote rosetten van geel
-satijn lint. Hij droeg een fluweelen hoed, tamelijk hoog van bol
-en met smallen rand, en daarin schitterde de zilveren medaille met
-de afbeelding van Onze Lieve Vrouw van Halle, door zijn pompeusen,
-maar dommen meester, den hertog van Aerschot, aan de aanhangers van
-de koningsgezinde partij opgedrongen als partijteeken en tegenhanger
-van den Geuzenpenning.
-
-Toen het drietal den mijmerenden jonkman bespeurde, bleven zij staan,
-terwijl zij een blik van verstandhouding met Thierry wisselden. Een
-oogenblik hielden zij zich goed; toen barstten zij in een vroolijk
-lachen uit, dat den armen Jacob verward en verschrikt deed omzien.
-
---"Jacques, droomer die je bent! Op wie van de schoone meiskes van Gent
-dicht je wel een zoet refereynke?" riep het blonde Klaartje vroolijk.
-
---"Jacob is een tweede de Coninck. Hij peist op een conspiratie tegen
-de Walschen. De Hoog-baljuw mag wel oppassen," grinnikte Thierry.
-
---"Wel neen, hij was verdiept in de beschouwing van de roode rozen
-van zijn wapen, daar op 't raam," spotte Madeleine. "Hij mijmert
-over de groote en glorieuse daden, die hij eens zal verrichten,
-als een tweede Heer Amadis van Gaulen."
-
-Maar Jacob had zich intusschen hersteld en was gereed den driedubbelen
-aanval af te slaan.
-
---"'t Is oirbaar te peizen over soete jofferen en over 's lands
-vrijheden," zei hij, "maar als ik schoone rozen wil zien, zoek ik ze
-elders, Madeleine, en ik vind ze ook!"
-
-Zijn bewonderende blik op de schoone jonkvrouw tegenover hem deden
-een blosje rijzen op de bleeke wangen, terwijl Klaartje lachend riep:
-
---"Ei, wat hoffelijke jonker! Wat kan hij schoon kallen! Maar zeg,
-Jacob, wanneer je zoo graag de rozen bewondert op de wangen der
-joffers, waarom heb je ons, arme meiskes, dan zoo den heelen morgen
-alleen in den hof gelaten? Dat is te zeggen, alleen met mijnheere de
-St. Foy, die ons aangenaam heeft bezig gehouden met een beschrijving
-van het toilet van de hertogin van Aerschot, op het laatste festijn
-bij Mevrouwe van Parma," voegde zij er spottend bij.
-
-Thierry beet zich op de lippen.
-
---"En ik had een dankbaar gehoor, want de joffers luisterden zeer
-aandachtig," kaatste hij terug. "Maar ge moet den armen Jacques
-vergeven, joffer Madeleine, zijn gevoelig herte is te zeer aangedaan
-om te ontluiken, zelfs in den gloed van uwe schoone oogen. Hij denkt
-aan de kettersche, waarvan wij dezen morgen toevallig de executie
-hebben bijgewoond."
-
---"Een kettersche?" vraagde Klaartje.
-
---"Ja, een van de Doopersche secte! 't Was een pijnlijk tooneel, waarop
-Mijne Heeren van den Gerechte ons zoo ongezocht vergastten. Maar 's
-Konings plakkaten moeten worden uitgevoerd en het baat zeker niemand,
-als wij ons zoo zoet gezelschap ontzeggen uit teerhartigheid voor
-een gestrafte sectarisse."
-
-Klaartje wierp een snellen, medelijdenden blik op haar broeder,
-wiens sympathieën zij kende en waardeerde. Madeleine trok het fraai
-gevormde neusje op.
-
---"Hoe is het, kinderen? Al bij den noen en het ammelaken nog niet
-gespreid?" zeide een strenge stem.
-
-In de deur stond de deftige gestalte van Vrouwe Martens, de moeder
-van Jacob en Klaartje. De raadsheersvrouwe, in haar kleed van
-fijn zwart laken, den kanten kraag om den nog gevulden hals en de
-witte huive, die het gladgestreken grijze haar van voren slechts
-gedeeltelijk bedekte, was een statige verschijning. Aan haar gordel
-hingen sleutelring en stokbeurs, de teekenen harer waardigheid als
-vrouw des huizes, benevens een rozenkrans met groot zilveren kruis,
-want Vrouwe Martens was een geloovige katholieke. Haar streng gelaat,
-met den vastgesloten mond en koele, grijze oogen, was meer geschikt
-om eerbied en ontzag, dan om liefde in te boezemen. Toch werd haar
-blik zachter, nu hij op de groep der schertsende jongelieden rustte,
-en op vriendelijker toon herhaalde zij haar vraag.
-
---"Fy, meiskens, hoe zijt ge zoo laat? 't Is al bij den noen en het
-ammelaken is nog niet eens gespreid. De president kan elk oogenblik
-komen."
-
---"De jonkers hebben ons meiskens weer van onze taak afgehouden,
-als gewoonlijk, moeder," zeide Klaartje, met een oolijken blik op de
-beide beschuldigden. "Tot hun straf zullen zij helpen, de tafel aan
-te rechten. Komt, heeren, maakt u nuttig en helpt ons."
-
-En onder het besturend oog van Vrouwe Martens begonnen de beide meisjes
-de lange tafel--een eenvoudig blad op stevige houten schragen--te
-dekken en aan te rechten, terwijl zij Jacob en Thierry lieten draven,
-aanbrengen en wegdragen wat zij noodig of niet noodig hadden, alles
-onder luide verwijten over hunne onhandigheid en onbeholpenheid.
-
-De jonker de St. Foy nam blijkbaar met hart en ziel deel aan dit
-spel, veel meer dan zijn vriend, die, hoewel hij zich met zekere
-goedhartigheid leende tot de plagerijen der vroolijke meisjes,
-toch moeite had om niet te zeer te toonen, dat zijne gedachten
-eigenlijk elders waren. Hij kon den hevigen indruk, dien hij van het
-tooneel van dien morgen had ontvangen, niet van zich zetten en hij
-merkte nauwelijks op, dat Thierry bijzonder veel werk maakte van de
-mooie Madeleine. Hij vloog op haar wenken, nam haar spotternijen en
-berispingen ootmoedig aan en antwoordde met vleiende complimentjes. De
-schoone liet hem begaan en scheen niet ongevoelig voor de haar zoo
-openlijk gebrachte hulde. Toch wierp zij van tijd tot tijd een snellen,
-ongeduldigen blik op Jacob; het hinderde haar blijkbaar, dat deze,
-anders haar gehoorzame slaaf en vurige bewonderaar, haar coquetteeren
-met Thierry ditmaal niet eens scheen te merken.
-
-Ondertusschen hadden de beide meisjes het "ammelaken" over den disch
-gespreid, terwijl aan het hooge einde daarvan nog een tweede tafellaken
-van fijn linnen werd gelegd: het doblet. Uit de daarvoor bestemde
-"nappe" werden de servetten of "dwalen" aan het hooger einde gelegd,
-naast de tinnen teljoren, terwijl de messen met hoornen heften en de
-ronde zilveren lepels mede niet werden vergeten. Het zout werd aan het
-boveneinde, het brood aan het benedeneinde geplaatst en daarmede was
-de tafel aangerecht. Thans was de beurt aan het fraai geschilderde
-buffet van "wagenschot", en het was of de raadsheersvrouwe al de
-heerlijkheden van haar "dressoir" voor hare gasten wilde ten toon
-spreiden, want weldra prijkte het met een fijn ammelaken bedekte
-bovenblad met zilveren en tinnen bekers, kroezen en "coppetassen",
-pimpels, pyntgens en cannen, terwijl twee fraaie "barils", vaatjes van
-buitenlandsch hout met zilver beslag, den wijn bevatten, die straks
-den dischgenooten zou worden voorgezet. Tinnen en zilveren schotelen
-en plateelen stonden in rekken naast andere van fijn aardewerk.
-
---"Hebt ge ons niet voor een gast te veel laten dekken, lieve
-moeder?" vraagde Klaartje, terwijl zij op de gedekte tafel wees.
-
---"Neen, kindlief," antwoordde Vrouwe Martens; "uw vader heeft juist
-heden morgen bericht ontvangen, dat de raadsheer Hopperus den coadjutor
-zal vergezellen."
-
---"O wee! Komt Ja-Mevrouw?" riep Jacob met komischen schrik.
-
---"Jacob!" riep Vrouwe Martens bestraffend.
-
-De jonge man kreeg een kleur en zweeg. Hij wist, dat zijne
-streng-katholieke, koningsgezinde moeder niet kon dulden, dat men
-met minachting van de regeering en hare dienaren sprak. De spottende
-bijnamen, door de oppositie aan verscheidene staatsdienaren gegeven,
-waren haar een ergernis, en zoo de raadsheer Joachim Hopperus,
-de vriend van president Viglius, zich door zijn meegaandheid en
-eerbied voor de Landvoogdesse in den Raad van State den bijnaam van
-"Ja, Mevrouw!" had verworven, zij duldde niet, dat die in haar huis
-werd gebruikt.
-
-Aan het oogenblik van pijnlijke stilte, dat volgde op Jacobs
-onvoorzichtigen uitval, werd een einde gemaakt door het binnentreden
-van den heer des huizes, Mr. Willem Martens, president van den
-Raad van Vlaanderen. Wie den kloeken man, met het open, schrandere
-gelaat, aanzag, behoefde niet te vragen, of hij de vader van Jacob
-en Clara was. Zij hadden dezelfde helderblauwe oogen, het volle
-blonde haar. Alleen de mond en de volle kin hadden iets zwaks,
-iets weifelends; dat bij zijn kinderen ontbrak. Vooral Jacob had den
-vastberaden mond en de vierkante, van geestkracht sprekende kin van
-zijn moeder.
-
-De president wierp een onderzoekenden blik door de "sale" en zei toen,
-op den ontevreden toon van een man, die niet gaarne wacht, dat de
-gasten laat waren. Hij trad naar het raam om naar buiten te zien.
-
-Zooals president Martens daar stond, in zijn deftigen zwarten
-tabberd, volgens de mode dier tijden ook in dit seizoen met een
-smallen rand bont omzoomd, was hij de type van den magistraat der
-16e eeuw. Minzaam en populair en toch zich zijner waardigheid ten
-volle bewust, levenslustig en zelfs, als 't er op aankwam, niet
-afkeerig van een "goeden, Duytschen dronk", en tegelijk een bekwaam
-en schrander jurist, wiens woorden met eerbied werden aangehoord,
-stond hij bij beide partijen in hooge achting.
-
-Nog in het vorige jaar was hij met den Heer van Persijn, president
-van het Hof van Utrecht en de bisschoppen Rithovius, Havet en
-Homricourt--"tous gens doctes et excellens et fort suffisans," zooals
-Hopperus verzekert--door de Landvoogdes naar Brussel geroepen, om te
-beraadslagen over mogelijke hervormingen in leer en kerktucht en de
-herziening der plakkaten. Hij had er geadviseerd tegen den zin der
-invloedrijke oppositie, tegen het gevoelen der "drie heeren",--Oranje,
-Egmond en Hoorne--maar hij had de achting der tegenpartij niet
-verloren.
-
-Ondertusschen scheen de president, die door de kleine, in lood gevatte
-ruitjes zijn blik over de drukke Vrijdaegsmarkt liet weiden, zijne
-vrienden in het oog gekregen te hebben, want met een luiden uitroep
-trad hij van het venster en naar de deur der sale. Weldra meldde de
-slag van den zwaren klopper de komst der lang verwachte gasten en
-Mr. Martens ging zelf naar beneden, om ze in het voorhuis te ontvangen.
-
-Een oogenblik later leidde hij ze binnen: eerst Viglius van Aytta
-van Zuychim, een klein, schraal man, met lang geelgrauw haar en dito
-baard en een paar slimme, diepliggende groene oogen boven bolle, roode
-gerimpelde wangen. Hij was, zeker ter eere van het geestelijk ambt,
-waartoe hij pas onlangs was benoemd--coadjutor van St. Bavo--in een
-half wereldlijk, half geestelijk gewaad gekleed, stemmig in 't zwart
-zonder eenig versiersel. Hem volgde de raadsheer Joachim Hopperus, zijn
-vriend en geestverwant, die hem tijdelijk had vervangen als voorzitter
-van den Geheimen Raad. 't Was een lang man, met een ernstig gelaat,
-een hoog, gerimpeld voorhoofd, donkere, droefgeestige oogen en een
-korten, zwarten puntbaard. Een geleerd, vroom en welmeenend man, maar
-vreesachtig en beschroomd. Een trouw dienaar van het gezag, evenals
-Viglius, maar eerlijker en onbaatzuchtiger dan deze; een geloovig
-katholiek, doch wars van alle geweldige maatregelen en een vijand
-van geloofsvervolging. Een man, die oneindig hooger stond en zijn
-land en volk meer liefhad, dan de roerige, luidruchtige adel van zijn
-tijd, die met groot vertoon van patriottisme een hoog woord voerde,
-toen het gevaar verre was, en weldra, voor het grootste deel althans,
-sidderend voor den overweldiger boog,--toch een man, wien het aan moed
-en geestkracht ontbrak om veel voor zijn volk te zijn, en die bestemd
-was om slechts de historieschrijver te zijn van den woeligen tijd, dien
-hij beleefde, en om, na als een plooibaar, vreesachtig karakter het
-gewillige werktuig te zijn geweest van een gouvernement, welks daden
-hij moest veroordeelen, zijn leven te eindigen aan het hof te Madrid,
-als Raad en Zegelbewaarder voor de zaken der Nederlanden,--wiens
-gevoelen alleen dan werd gevraagd, als de achterdochtige Philips het
-noodig oordeelde den eerlijken, maar al te plooibaren ambtenaar te
-gebruiken, om zijn ware bedoelingen te verbergen.
-
-Vrouwe Martens ontving hare gasten met statige hoffelijkheid, getemperd
-door Vlaamsche gulheid.
-
-Madeleine, Clara en Jacob, die zich bescheiden op den achtergrond
-hadden gehouden, begroetten vol eerbied de beide staatslieden, waarvan
-hun vader en voogd steeds met waardeering en hoogachting sprak, en
-Thierry de St. Foy maakte zijn buiging met al den hoofschen zwier,
-dien hij van de Spaansche en Waalsche edellieden in de omgeving van
-de Landvoogdes had afgezien.
-
-Na eenige onbeduidende opmerkingen over het weder en de reis, zette
-men zich aan tafel. De oudere leden van het gezelschap namen plaats
-aan het hooger eind op lage met leder bekleede stoelen met hooge
-ruggen, de jongelieden zetten zich aan het lager einde op met tapijt
-bekleede banken.
-
-Nadat de "nappe" met frisch water was rondgegaan en allen de vingers
-aan het fijne "dwale" hadden afgewischt, werd het eerste gerecht,
-bestaande uit een salade van latuwe, zwijgend genuttigd, daar de
-dienstboden nog af en aan liepen. Alleen deelde Hopperus op een
-vraag van de gastvrouw mede, dat zijn bezoek een afscheidsbezoek
-mocht heeten. Alle aanwezigen wisten, dat de raadsheer binnenkort
-naar Spanje zou vertrekken, als opvolger van de Tisnacq, om aan het
-Hof te Madrid den post van Groot-Zegelbewaarder en Raad voor de zaken
-der Nederlanden te gaan bekleeden.
-
-Het tweede gerecht, bestaande uit een gebraden osserib, met een
-potagie van bereide varkenspooten, schotels warmoes en grauwe erwten,
-werd opgedragen. De tinnen kroezen, waarin anders het bier, dubbel
-Leuvensch of Utrechtsch bruin, werd geschonken, bleven thans ongebruikt
-op het dressoir staan. Vrouwe Martens schonk haar aanzienlijke gasten
-edeler drank: uit de beide fraaie "barils" vloeide de wijn, Fransche
-"claret" of "malveseye" in de zilveren of fijn houten met zilver
-beslagen bekers.
-
-Zoodra het hoofdgerecht was opgedragen en de dienstboden zich hadden
-verwijderd, opende president Martens het gesprek over het onderwerp,
-dat aller harten en hoofden bezighield: het compromis der edelen, hun
-smeekschrift en de houding der regeering tegen dit stoute optreden van
-den adel. Het was algemeen bekend, dat de "Moderatie" der plakkaten,
-door Viglius en Barlaimont ontworpen in afwachting van de koninklijke
-goedkeuring, aan de Gewestelijke staten waren toegezonden, maar dat
-men zich met het voorstel weinig ingenomen had getoond.
-
-Het gesprek werd beurtelings in de landstaal en in het Fransch gevoerd.
-
---"Het is voorwaar voor allen, die het wèl meenen met den lande
-en onze Heilige Religie, te hopen, dat Madame zich geen vreeze
-late aanjagen door de Heeren--"gueux" noemen ze zich immers? wel
-terecht!"--zeide Vrouwe Martens met een strengen trek om den harden
-mond. "Deze ketterijen--sectes dampnables et réprouvées--zijn de
-oorzaak van alle troebelen in den lande."
-
-Hopperus bewoog zich zenuwachtig in zijn ruimen zetel heen en weer. Hij
-was een geloovig katholiek en een gehoorzaam zoon der kerk, maar
-ketterjacht en Inquisitie stuitten hem tegen de borst. Hij droomde
-van een hervorming in den boezem der kerk, van een vernieuwing van
-haar geestelijk leven, waardoor zij de afvalligen en ongehoorzamen
-weer in haar schoot zou verzamelen.
-
-Viglius nam op zich de strenge vrouw te beantwoorden.
-
---"In trouwe, Vrouwe Martens," zei hij, met de sluwe, doordringende
-oogjes knippend, "als Madame slechts doen kon, wat zij wilde! Maar
-voor 't oogenblik zijn de Heeren haar te machtig en is de gemeente
-te woelig. Het ware thans niet geraden, met geweld te weerstreven. En
-zoo het slechts de heeren alleen waren! Zoo er geen ander zich achter
-hen verschool!"
-
---"Gij meent, dat de prince van Oranje?".... vraagde de oude Martens.
-
-Viglius knikte veelbeteekenend.
-
---"Hij beweert, niets van het Compromis te weten, en het af te keuren,"
-vervolgde hij. "Alsof zijn broeder, Louis van Nassau, iets zou doen
-zonder hem! Alsof Brederode, Culemborg en van den Bergh alleen dit
-spel zouden durven spelen."
-
---"Maar het zijn niet de edelen, die te vreezen zijn," ging hij na
-eenige oogenblikken voort. "Wat de vijand is, dat is de ongehoorzame
-en rebelsche geest dezer landen, die geen meester wil erkennen. Ieder
-is zijn eigen meester! Ieder gewest, elke stad, heeft zijne vrijheden
-en rechten en denkt slechts aan zijne belangen en niet aan die des
-konings en van den lande. Als de koning herwaarts komt, dan zal het
-slechts zijn om zijn erflanden te brengen tot één bestuur, onder
-eenzelfde wet. Eén koning, één religie, één wet! En daartoe moeten
-alle trouwe dienaren en onderdanen krachtig medewerken."
-
-En wat Viglius zeide, meende hij. Hij was de man der monarchie. Hij
-verdedigde de belangen van zijn meester, den koning van Spanje--al
-vergat hij daarbij zijn eigen belangen niet!--maar hij meende toch
-in oprechtheid zóó ook zijn vaderland te dienen. De toestand der
-Nederlandsche gewesten leek dezen strengen jurist een toestand van
-anarchie en willekeur en hij wenschte een vast bestuur en eerbied voor
-de wet. Hij vond een bonte verscheidenheid van zeden en gewoonten,
-van rechten en belangen, soms van de meest tegenstrijdige, en hij
-wilde éénheid, eenheid en eendracht. Jammer maar, dat hij zich geen
-anderen weg kon denken om zijn schoone gedachte te verwezenlijken, dan
-de weg van het absolutisme, van het van boven opgelegde. Een eenheid,
-die opgroeien, die zich ontwikkelen zou uit die bonte verscheidenheid,
-de gedachte was hem te hoog; hij wilde zijn ideaal bereiken, door die
-woelende, bonte massa--een volk in wording--te wringen in den vorm,
-zooals hij en zijn meester dien hadden uitgedacht.
-
-Viglius' uitval had op de aanwezigen een zeer verschillenden indruk
-gemaakt. Vrouwe Martens knikte goedkeurend, met gefronst voorhoofd en
-streng toegeknepen lippen. De president bewoog zich onrustig op zijn
-stoel heen en weer: hoe koningsgezind hij ook heette, hij kon soms niet
-vergeten, dat hij een vrije Vlaming en een Gentenaar was. Hopperus
-keek zijn kloekeren vriend vol bewondering aan. Thierry de St. Foy
-luisterde met een voornaam glimlachje en stiet Madeleine eens aan,
-terwijl hij met een knipoogje naar Jacob wees, die den spreker met
-fonkelende oogen en een blos van ergernis op de wangen, zat aan te
-staren. Zijn eerbied voor zijne ouders en de beide deftige staatslieden
-weerhield hem nauwelijks, zich in het gesprek te mengen. Clara keek
-met eenige onrust naar haar broeder, terwijl de fiere Madeleine zich
-blijkbaar ergerde.
-
---"Wat zou de adel toch ten slotte bedoelen, met dat ijveren
-tegen de plakkaten en de Inquisitie en dat tegenwerken der nieuwe
-bisschoppen?" vraagde president Martens. "Wat willen de Heeren toch
-bereiken?"
-
-Viglius lachte schamper.
-
---"Dat zouden de Heeren misschien zelve niet weten te zeggen," zeide
-hij. "Er zijn zeer verscheiden stroomingen onder, voorwaar! Daar
-zijn de oudsten en machtigsten, wien het leed is, dat de Koning
-zijne raadslieden kiest, en de hooge ambten niet wegschenkt aan de
-Nederlandsche Heeren, omdat ze een wijd-klinkenden naam dragen. Daar
-zijn de loshoofden en roekeloozen, die vreezen voor de tucht der
-geestelijkheid, als er goede en heilige mannen op den bisschoppelijken
-stoel zitten. Daar zijn de loozen en eerzuchtigen, die in troebel
-water denken te visschen en dan ten slotte de groote hoop, de jonge
-Heeren, die allen bezield zijn door een geest van pestilente rebellie
-en oppositie tegen het gouvernement. Zij spelen met vuur, die dwazen,
-en zij verleiden het volk, dat op hen steunt en rekent en waarover
-zij nog een zee van jammer en ellende zullen brengen."
-
-En weer zag Jacob Martens den spreker aan met een blik van weerzin
-en ongeloof. Het kon niet waar zijn! Die mannen, die daar te Brussel
-pal hadden gestaan voor de vrijheden des lands, zouden slechts een
-bende eerzuchtigen, intriganten en oproermakers zijn! Onmogelijk!
-
-Hij hoorde, hoe de grijze staatsman, terwijl de jongere leden van
-het gezelschap een eerbiedig stilzwijgen bewaarden, de voornaamste
-leden van het Verbond der Edelen besprak en daarbij vooral hun
-"chronique scandaleuse" niet vergat, want de oude Viglius was geen edel
-tegenstander, aanvallen van persoonlijken aard waren in die dagen aan
-de orde van den dag en de zeden van den adel gaven maar al te veel stof
-aan een booze en scherpe tong,--ook al waren die van de partijgenooten
-van den spreker niet beter, al waren de Croys om hun zedeloosheid
-berucht en al was Granvelle's leven lang niet onberispelijk geweest.
-
---"En de gemeente? Vreest ge geen woelingen onder het volk?" vraagde
-de oude Martens. "Men zegt, dat het weder te Antwerpen zeer roerig
-toegaat, en dat het Consistorie van die van de Geneefsche ketterije
-zich krachtig weert."
-
---"De gemeente vermag niets, zonder den adel, waarop zij steunt en
-die haar beheerscht," zeide Viglius, een der gezegden bezigend uit
-zijn befaamde toespraak tot het kapittel der Vliesridders. "En als
-wij de edelen onderwerpen, volgen de "cleyne luyden" vanzelf."
-
-En de Geschiedenis heeft den kortzichtigen staatsman in het ongelijk
-gesteld. Zijne partij heeft den adel onderworpen. Binnen weinige jaren
-zouden de Heeren, die thans zoo fier en stout zich kantten tegen het
-gezag, en vrijheid eischten, vrijheid des gewetens bovenal, voor
-een deel vreesachtig het hoofd hebben gebogen, en voor een ander
-deel als verraders en afvalligen in Spaanschen dienst diezelfde
-vrijheid bestrijden, terwijl slechts enkelen trouw bleven aan de
-goede zaak. Maar de "cleyne luyden", de burgers en boeren, bogen niet
-en werden niet afvallig! Thans gloeide en smeulde het vuur onder de
-asch: als de vlam zou uitslaan, dan zouden absolutisme en Inquisitie
-in dien gloed verteren!
-
---"De Martinisten, die van de Augsburgsche confessie," doceerde Viglius
-weder, op een vraag van Vrouwe Martens, "zijn minder te vreezen in
-zaken van politiek. Zij mogen een gereprouveerde secte zijn, sinds zij
-zich met de Duitsche vorsten verdroegen, zijn zij minder geneigd tot
-rebellie. Er zijn er zelfs onder ons, die zich met hen zouden willen
-verdragen, al zal de Koning hierin nimmer toestemmen. Maar die van
-de Geneefsche ketterije, die men Sacramentarissen of Gereformeerden
-noemt, en die het Heilig Sacrament der Misse ten eenenmale verwerpen,
-zijn gevaarlijke sectarissen, die groeien in de perturbatie van den
-lande. Zij worden steeds stouter en driester, en naar ik heb hooren
-verluiden, vervorderen zij zich geheime conventikelen te houden,
-waar hunne predikanten leeren en zelfs doopen. Deze secte neemt,
-zoo hier als in Brabant en Holland, onrustbarend toe, ondanks de
-plakkaten en de bemoeiïngen der Eerwaarde Heeren Inquisiteuren."
-
---"Zou het niet beter zijn," waagde Hopperus schuchter, "dat men niet
-zoozeer onderscheid maakte tusschen Christenen en Christenen, en dat
-men die van de nieuwe religie van dolinge zocht te overtuigen! En
-zouden geestelijken en klerken niet beter door een heiligen en
-godzaligen wandel dan door vier en zwaard de dolenden in den schoot
-der Kerke terugbrengen?"
-
---"In trouwe, neen!" barstte Vrouwe Martens heftig uit, terwijl een
-blos van ergernis hare bleeke wangen kleurde. "Wat zou men zachtheid
-met de ketters gebruiken, die moedwillig aan hunne dolingen blijven
-hangen? Zij verwerpen boosaardiglijk de leer der Heilige Kerke en
-hare geestelijke banden om te kunnen leven in vuige bandeloosheid.
-
-
- "Der heyligher Kercken goedertieren lasten
- "Versmaet Luther met sijnen ondieren gasten!"
-
-
-zooals het vrome maagdeken, Anna Byns, tot Antwerpen, in haar suverlyck
-boeksken zegt. En wat de weinigen aangaat, die in onwetendheid dolen,
-het is voor hunner ziele zaligheid, zoo zij hier smarte lijden en
-zoo hunne zielen van de helsche straffen bevrijden."
-
-Een oogenblik van pijnlijke stilte volgde op dezen uitval. Hopperus
-zweeg verlegen, want Viglius wierp hem een bestraffenden blik
-toe. Jacob staarde peinzend voor zich uit. Weer zag hij voor zich het
-bleeke, berustende gelaat der veroordeelde ketterinne, de ernstige
-strakke gezichten der omstanders, blijkbaar hare geloofsgenooten:
-dat waren voorzeker geen "ondiere gasten", die de geestelijke tucht
-verwierpen om ongestraft te kunnen zondigen. Hij wist ook wel, hoe de
-"nieuwe leer", vooral die, welke zijne moeder de Geneefsche ketterije
-noemde, uit Noord-Frankrijk over de grenzen gedrongen, overal ingang
-vond; hoe de ketters in de Vlaamsche steden en op het platteland
-bij duizenden gevonden werden. Wat was dan toch die vreemde macht,
-welke die eenvoudige menschen noopte een godsdienst te belijden,
-die hun slechts ellende en dood kon brengen. En of zij dwaalden
-of niet--waarom mochten de vrije mannen en vrouwen van Vlaanderen
-niet denken en gelooven, wat zij wilden? En wanneer hij dacht aan de
-woorden van president Viglius, den trouwen steunpilaar der regeering,
-dan begreep hij, dat men te Brussel slechts tijd wilde winnen, en dat
-de Koning aan de wenschen van zijn Nederlandsche onderdanen nimmer
-zou toegeven.
-
-Maar het "tweede gerecht" was geëindigd; de "nappe" met de "dwale"
-ging weder rond om de gasten in de gelegenheid te stellen, de vingers
-te reinigen, de "natuurlijke vorken", waarmede zij gegeten hadden,
-en de "naedisch" werd opgedragen, bestaande uit "frituyren ende
-gebacken", "een gedopte taert" en eenige schotels met kleiner gebak,
-"roffiaelen, St. Jacobsschelpen en wafelen", de triomf van Vrouwe
-Martens. Vruchten, kaas en suikerconfijt, "om de maag te sluiten",
-vormden het slot van het nagerecht, waarbij "Rhijnsche wijn" werd
-gedronken uit groene glazen fluiten.
-
-Thierry de St. Foy kon, ondanks zijn gewijde medaille, niet nalaten bij
-deze gelegenheid een zijner booze pagestreken uit te halen. Met een
-uitgestreken gezicht en hoofschen zwier bood hij den ouden Viglius
-een schaal met oranjeappelen aan, en merkte schijnbaar niet op,
-dat de grijsaard, bij zijn stugge weigering, rood werd van ergernis.
-
-President Martens wierp een ontevreden blik op zijn onbescheiden gast:
-hij en alle aanwezigen begrepen de booze bedoeling zeer wel, want het
-was algemeen bekend, hoe gespannen de verhouding was tusschen Viglius
-en den prins van Oranje sedert de stoute redevoering van den laatste
-in den Raad van State, in het late najaar van 1564. De anders zoo
-voorzichtige Oranje had bij die gelegenheid stoutelijk uitgesproken,
-dat hij, "hoewel hij had voorgenomen de katholieke religie aan te
-hangen, nochtans niet goed kon vinden, dat de Prinsen gebied willen
-voeren over de gemoederen der menschen en hun de vrijheid des geloofs
-en der Religie willen benemen." En Viglius had zich dien stouten aanval
-tegen het gezag zoo aangetrokken, dat hij na een slapeloozen nacht des
-anderen daags door een beroerte was overvallen. Geruimen tijd had hij
-zijn ambt niet kunnen waarnemen en Hopperus had hem moeten vervangen.
-
-Het "noenmaal" was nu afgeloopen, en, op verzoek van den gastheer,
-had Viglius, in zijn nieuwe geestelijke waardigheid, de "benedijst"
-uitgesproken.
-
-Terwijl de oudere leden van het gezelschap nog bijeenbleven, om het
-gesprek over het onderwerp van den dag voort te zetten, gingen de
-jongelui naar een ander vertrek, om er te spelen met de "plombeelen",
-looden schijven, die met een soort kolven over een daartoe ingerichte
-tafel werden voortgeschoven. Na een poosje scheen het spel de schoone
-Madeleine te verdrieten; zij wierp haar kolf weg en liep den hof in en
-Jacob volgde haar, onder voorwendsel, dat zijne weêrpartij hem in den
-steek liet en dat hij haar moest gaan halen. Ook Thierry zou gaarne
-het spel hebben gestaakt, maar Klaartje, die de bedoeling van haar
-broeder uitstekend begreep en hem als een trouwe zuster wilde helpen,
-liet er hem geen gelegenheid toe, terwijl zij er lachend op aandrong,
-dat hij de partij met haar zou uitspelen. Uit beleefdheid tegenover
-de dochter des huizes dorst hij niet weigeren.
-
-Het duurde een poos, voor Jacob in den vrij uitgestrekten hof zijne
-schoone gevonden had. Eindelijk zag hij het purperen kleed tusschen
-het groen doorschemeren. Madeleine de Bette stond bij een rozenperk
-en ontbladerde achteloos een vroege Juniroos. Toen de jonge man haar
-naderde, wendde zij zich als ongeduldig af.
-
---"Dat is niet mooi van je, Madeleine, dat je ons zoo in den steek
-laat," zeide Jacob schuchter.
-
---"Als de jonkers het gezelschap van ons meiskes niet op prijs stellen,
-doen wij beter hen aan hun lot over te laten en zelve troost te zoeken
-in de eenzaamheid," zeide de schoone spijtig.
-
---"Ge hebt u anders over de jonkers niet te beklagen, joffer
-Madeleine," antwoordde Jacob, thans op zijn beurt geprikkeld. "Thierry
-de St. Foy heeft u den ganschen dag het hof gemaakt en het scheen u
-wèl te bevallen!"
-
---"Hij heeft althans aan het Hof te Brussel hoofsche manieren
-geleerd en weet, hoe met de joffers te kouten," zei Madeleine met
-een zijdelingschen blik, "'t ware te wenschen, dat onze Vlaamsche
-jonkers wat bij die van Brabant ter schole gingen."
-
---"Ze behoeven er althans geen trouwe te leeren, zooals voor Vlaamsche
-meiskes wel noodig schijnt," riep Jacob, nu ernstig boos. "Ik laat
-u dan maar aan uwe gepeizen over de galante Brabantsche jonkers,
-joffer Madeleine."
-
-Het meisje zag hem even lachend na, terwijl hij met groote stappen
-het tuinpad opliep.
-
---"Jacques!" riep zij toen.
-
-De jonge man keerde zich om. Er lag een uitdrukking van zachtheid
-en teerheid op het gelaat der fiere jonkvrouw. Hare donkere oogen
-lachten hem toe. Hij vloog op haar toe en vatte hare beide handen.
-
---"Niet boos zijn, Jacques!" vleide zij. "Je moogt niet jaloersch
-zijn! Maar waarom ben je ook zoo stil en ingetrokken vandaag? Is dat
-nu al om die gevonniste ketterin?"
-
---"Dat kun je niet begrijpen, Madeleine!" zei Jacob ernstig. "Ik wou,
-dat ik 't je zeggen kon, wat mij beweegt, maar...."
-
---"Nu, en dat wil ik ook niet begrijpen," zei het meisje
-ongeduldig. "Al dat praten over zaken van politiek en religie vind
-ik vervelend. Dat is goed voor je vader en den ouden president. Maar
-zeg mij eens, Jacques, hoe lang zul je nog te Leuven studeeren?"
-
---"Nog twee jaren, vóór ik magister ben," zei Jacob. "Een eeuwigheid,
-Madeleine!"
-
---"En dan vraag je je vader om je een post te bezorgen te Brussel,
-Jacques! Ik hunker naar Brussel, als Thierry van die feesten
-vertelt. En men zal je gaarne zien aan het hof van Madame!"
-
-Een wolk trok over het voorhoofd van den jongen man.
-
---"Een post bij de regeering!" zeide hij. "Vóór dien tijd kan er veel
-gebeuren, Madeleine, en..."
-
---"Maar niets tusschen ons toch, Jacques," fluisterde het meisje,
-en zag hem diep in de oogen.
-
-Jacob sloeg in vervoering zijn arm om haar slanke leest. Zij weerde
-hem niet af.
-
-Toen de twee jongelieden na een poos weder aan de "plombeeltafel"
-verschenen, droeg Jacob een roode, half ontloken Juniroos in zijn
-wambuis. Hij was het verdere gedeelte van dien dag bijzonder opgewekt,
-terwijl Thierry nu op zijn beurt verdrietig en gemelijk was.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-
-Eenige dagen later, op een schoonen Junimorgen, bevond Jacob Martens
-zich met Pieter de Welle even buiten het Vrije van Gent, op den
-weg naar Oudenaerde. Thierry de St. Foy was weder naar Brussel
-vertrokken en had zijn best gedaan, om in de laatste dagen van zijn
-verblijf te Gent bij het gezin Martens en inzonderheid bij de beide
-meisjes, een aangenamen indruk achter te laten van zijne hoffelijke
-persoonlijkheid. Jacob wilde het zich niet bekennen, maar hij was in
-zijn hart blijde, dat de page van den hertog van Aerschot vertrokken
-was. Het welgevallen, waarmede de meisjes, en vooral Madeleine,
-luisterden naar de verhalen en complimenten van den hoofschen jonker,
-was aan die stemming niet vreemd, maar toch was er ook een edeler
-oorzaak voor de verkoeling van zijn vriendschap. Thierry was de
-dienaar van het huis Croy, de page van Aerschot, het hoofd der
-regeeringspartij. Hij was een ijverig aanhanger der regeering, en
-daar hij wel wist, dat ook de president en vooral Vrouwe Martens door
-en door koningsgezind waren, en het streven der edelen, der Geuzen,
-zooals het toen reeds heette, verfoeiden, verzuimde hij niet, steeds
-zijn gehechtheid aan koning en kerk duidelijk te doen uitkomen. Hij
-had er een boosaardig vermaak in gevonden, den armen Jacob, wiens
-nationale en vrijheidlievende sympathieën voor zijne huisgenooten
-geen geheim waren, in tegenwoordigheid zijner ouders te prikkelen
-tot tegenspraak, tot verdediging van hen, die de maatregelen der
-regeering, vooral de vervolging om des geloofs wil, bestreden, en de
-toornige uitvallen van den president, de harde en strenge woorden
-der moeder tegen den zoon, die zijn medegevoel voor de rebellen en
-ketters niet verborg, het minachtend glimlachje van Madeleine de Bette,
-wanneer zij sprak over Jacques' liefde voor 't vileijn gepeupel, waren
-naar het hart van den Brabantschen jonker. Zoo ontstond tusschen de
-vroegere vrienden eene verwijdering, dezelfde verwijdering, die in
-die droeve dagen bestond tusschen betrekkingen en vrienden, tusschen
-landgenooten en bloedverwanten, en die weldra zou aangroeien tot een
-onoverkomelijke klove.
-
-En ondertusschen hadden Jacobs denkbeelden en sympathieën zijn
-bezorgden vader aanleiding gegeven, om zijn zoon, bij het toenemen
-van den oproerigen geest in Vlaanderen en Brabant, nog niet naar de
-universiteit te Leuven te doen vertrekken, maar hem terug te houden
-te Gent.
-
-En zoo was Jacob Martens thans, in plaats van zich bezig te houden
-met het Romeinsche recht, met Pieter de Welle, den koddebeier, op het
-pad naar Gentbrugge, waar president Martens inderdaad bouwlanden en
-bosschen bezat, om, zooals de Welle hem had beloofd, een "dasvarken"
-uit te graven.
-
-Jacob had de uitnoodiging van den beier in vollen ernst aangenomen. De
-jacht op den das was in heel Duitschland en ook in de Nederlanden een
-geliefkoosd vermaak bij de gezellen van St. Huibert, wanneer de jacht
-op hazen en hoenders gesloten was,--want verordeningen en plakkaten
-om het wild te beschermen bestonden er toen als nu. Meester Grimbaert
-was echter, evenals zijn neef, de vos, buiten de wet gesteld. Hem
-mocht men te allen tijde vervolgen. Wanneer zijn hol was ontdekt,
-werd hij met dashonden door de gangen zijner woning naar den "ketel"
-gedreven, het ruime, ronde hol, dat zijn eigenlijk verblijf was. Dààr
-hield hij stand, om zich met zijn geduchte klauwen tegen zijn keffende
-belagers te verdedigen. Hoorde de jager, aan het aanslaan der honden,
-diep onder den grond, dat de das tot staan was gebracht, dan werd
-het hol met spaden opgegraven en het arme dier met de dasvork,
-een lansijzer in den vorm van een kurketrekker aan een langen stok,
-gespiest en uit zijn hol getrokken.
-
---"Waar is het hol, Pieter?" vraagde Jacob.
-
---"In het Oudegeester bosch, achter Gentbrugge," antwoordde de Welle,
-geheimzinnig lachend. "Je zult vandaag een jacht hebben, jonker, zooals
-je nog nooit hebt gehad. Maar we gaan eerst naar mijn huis. Mieke
-zal wel een bol brood met kaas en een nap wei voor ons hebben."
-
---"Durf je je mooie dochtertje zoo maar alleen thuis laten,
-Pieter?" vraagde Jacob. "Je bent zoo dag en macht op het pad. En
-zeker zijn er wel vrijers, die op het mooie meiske loeren."
-
---"Mieke is een goed en vroom kind," zeide de koddebeier. "Sinds hare
-moeder--God hebbe haar ziel--van mij werd weggenomen, heeft zij mij
-geen uur van zorg gegeven. En zoo daar al rauwe kornuiten mochten
-zijn, die het haar lastig zouden willen maken, dan weten zij wel,
-dat Pieter de Welle een stevige kodde voert."
-
-Een poosje gingen beiden zwijgend verder. Jacob had opgemerkt, dat
-de Welle, toen hij zijn gestorven vrouw herdacht, geen kruis had
-geslagen. Zijn oog viel verder op het eikelkapje in de kaproen van
-zijn metgezel en hij dacht aan diens houding bij de terechtstelling
-der ketterinne buiten de poort en de bewering van Thierry de St. Foy,
-dat de koddebeier het herkenningsteeken der Geuzen droeg. Hij had
-er den man gaarne naar gevraagd, maar hij durfde niet. Hoe kon men
-iemand vragen, of hij behoorde tot die van de "nye leere", in die
-dagen, toen ketterij een halsmisdaad was?
-
-Met eenige verwondering merkte Jacob Martens op, dat het op de
-landwegen niet zoo stil en eenzaam was als hij gedacht had. Er waren
-veel voetgangers en ongewoon veel huifkarren. En door de stille
-morgenlucht kon men in de verte, op de breede kleiwegen, het geroep
-der voerlieden en het kletsen en knallen der zweepen vernemen.
-
---"'t Is druk van morgen," merkte hij op, "is er ergens in de buurt
-een kermis of doelfeest?"
-
-Pieter de Welle schudde geheimzinnig het hoofd. Zijn gerimpeld gezicht
-stond strakker dan ooit.
-
-Men bereikte de woning van den koddebeier; een kleine boerderij, ter
-zijde van den weg. Op het oogenblik, dat zij het erf betraden, kwam er
-een jonge man uit het huisje, in de gewone kleeding van een Vlaamschen
-boer, maar met een zwaren kruisboog onder den arm. Zoodra hij de Welle
-en diens metgezel zag, bleef hij een oogenblik als verlegen staan. De
-boschwachter van zijn kant uitte een half gesmoorde verwensching, en
-zijn kodde steviger vattende, trad hij dreigend op den jongeling toe.
-
---"Wat moet jij hier?" vraagde hij barsch.
-
-De jonge boer had de dreigende beweging van den boschwachter gezien
-en juist dat gebaar scheen hem moed te geven. Flink keek hij den
-toornige aan met een paar levendige blauwe oogen, die flikkerden van
-stoutmoedigen levenslust.
-
---"Maak je maar niet boos, de Welle," zei hij luchtig. "Ik heb Mieke
-maar om een dronk water gevraagd. Dat zul je toch een vermoeiden
-wandelaar, die heel van Poperingen komt loopen, niet weigeren."
-
---"Ik wacht geen stroopers als gasten in mijn huis!" was het norsche
-antwoord.
-
---"Is het dat?" En de jonge man keek lachend naar zijn armborst. "Om
-een paar hazen en hoenders, die aan niemand toebehooren, zou je
-een flinken borst je huis ontzeggen! Maar wees content, man! Ik kom
-niet om je hoenders. Als ik heden schieten moet, wat God verhoede,
-dan zal het zijn op ander wild!"
-
---"Jij, Daniël, je zoudt hier zijn om...?"
-
---"Om dezelfde reden als jij, de Welle. Ik weet, hoe het met je
-gesteld is, man!"
-
-Hij wees op het eikelkapje in de muts van den boschwachter. Toen
-haalde hij van onder zijn kiel een houten napje te voorschijn, dat
-hij aan een koord om den hals droeg.
-
---"Zie hier!" zei hij; "dat heb ik van een nobelen heer tot Poperingen
-gekregen. Vive le Geus is nu de leus, de Welle, en je moet een vriend
-er niet zuur om aanzien, al heeft hij je vroeger wel eens bij den
-neus gehad en soms een haas geschoten op het goed van den president."
-
-De koddebeier wierp een schuwen blik op Jacob Martens, die zwijgend
-en aandachtig luisterde naar het gesprek.
-
---"Jij een Geus, Daniël? Jij van de nieuwe religie?" zei hij eindelijk
-ongeloovig.
-
---"Van de nieuwe religie?" zei de ander luchtig, "wel, Pieter, ik
-vreeze, dat het met mijn religie nog een schrale bestelling is. Maar
-toch zeg ik," ging hij ernstiger voort, "al ben ik maar een losse
-en ruwe kwant, die geuzenpredikanten hebben meer te zeggen dan onze
-pastoor en de dikke monniken van de abdij te zamen, en als ik nog
-eens als een goed Christen mocht sterven, dan zal het in hunne leer
-en religie zijn."
-
---"'k Mag het lijden," zeide de Welle droog, "maar Daniël Tistz., houd
-het je voor gezegd: zoolang je niet als een goed Christen wilt leven,
-duld ik je niet op mijn erf en bij mijn dochter, Geus of geen Geus!"
-
-En hij maakte een veelbeteekenend gebaar.
-
---"Nu, ik ga al," zei de strooper schouderophalend. "Straks zullen we
-elkander wel zien! En pas maar op, de Welle. Je zoudt nog wel eens
-om Daniël kunnen roepen, als de bloedhonden van den deken Titelman
-het in den neus kregen, dat jij noch Mieke de misse meer bezoekt!"
-
-En zijn armborst met lossen zwier over den schouder werpende,
-verwijderde hij zich, na een lichten, doch niet onbeleefden groet,
-terwijl hij uit volle borst een verboden liedje aanhief:
-
-
- De Monniken in 't Monniken Convent
- Die waren tot sterken drank gewent,
- Sy hadden drie groote kannen,
- Die hadden namen als mannen.
- De eene hiete Huigemond,
- De tweede hiete Maekeblij,
- De derde hiete Drinkom!
-
-
-De koddebeier zag hem hoofdschuddend na.
-
---"Een losse kwant, jonker," zei hij. "Hij is meer in de taveerne en
-bij het verkeerbord dan op het land en aan zijn werk. Jammer van den
-jongen, want hij is een wakkere gast, en, dat moet men hem laten,
-een goed schutter. Hij heeft al driemaal op 't Doelfeest van het
-gilde te Poperingen de duif van den paal geschoten."
-
---"En hij heeft een goed oog op je Mieke?" vroeg Jacob.
-
---"Daar kan niets van komen," zei de Welle beslist. "Een strooper,
-een drinker en een tuischer! En een eerlijk mans kind! Die passen
-niet bij elkander."
-
-Ze traden de woning binnen, waar zij door Mieke, een mooi, blozend
-Vlaamsch boerinnetje, werden ontvangen. Het meisje groette Jacob met
-zekere gemeenzaamheid: ze kenden elkander van hun vroegste jeugd en
-hadden als kinderen samen gespeeld. Met een schuchteren blik en een
-hooge kleur zag ze echter op tot haar vader: blijkbaar vreesde ze,
-dat deze boos zou zijn om het bezoek van den jongen Daniël.
-
---"Wat deed die kwant weer hier, Mieke?" vroeg de Welle, inderdaad
-barsch genoeg.
-
---"Hij was in de keuken, voor ik er op verdacht was, vader," antwoordde
-het meisje met neergeslagen oogen. "Hij was moe en warm, en vroeg om
-een dronk water."
-
---"En die kon je hem niet weigeren? 't Is wel! Alevel, denk er om,
-dochter, dat er niets mag zijn tusschen u en dien loshoofd en dat ik
-zulke rauwe kornuiten niet op mijn erf wil zien."
-
-Het meisje boog het hoofd en deed moeite om haar tranen te
-verbergen. Blijkbaar dacht zij gunstiger over den koenen boogschutter
-dan haar strenge vader.
-
-De Welle keek zijn dochter een oogenblik ontevreden aan, maar hij wilde
-in de tegenwoordigheid van den zoon van zijn meester niet verder op
-de zaak ingaan.
-
---"Kom, Mieke," zei hij, niet onvriendelijk, "wij zijn óók warm en
-moe. Geef den jonker een nap melk, of wei, zoo 't hem lust en breng
-ons brood en zuivel, want 't kan heden lang duren, voor wij weer
-iets over de lippen krijgen. En maak je dan klaar, om mede te gaan,
-kind. Je weet, waarheen."
-
---"Ja, jonker," ging de koddebeier voort, toen Jacob hem met een
-verwonderden blik aanzag, "'k zal 't je maar zeggen. Met dat dasvarken
-is het niets. 't Was louter een list, om je mee te krijgen. Maar nu
-zul je toch weten, wat hier staat te gebeuren en dan kun je zelf
-toezien, of je wilt gaan of blijven. Want zie, ik zou niet gaarne
-willen, dat je door mijn toedoen in moeilijkheid kwaamt en 't is ook
-niet goed iets tegen het geweten te doen. In hoeverre je hierin je
-ouders moet gehoorzamen, jonker Jacob, moet je met God den Heere en
-je geweten uitmaken."
-
---"Toen ik je zag, laatst bij de haven, toen die arme Doopersche
-werd verdronken en toen ik je hoorde spreken tegen dien Brusselschen
-jonker," vervolgde de Welle, "dacht ik bij mijzelf: Onze jonker heeft
-ook al lang genoeg van de papistische bijgeloovigheden, en als hij
-maar de Evangelische waarheid mocht vernemen, zou zijn hart er dra
-voor geopend zijn. En nu, jonker Jacob, kort en goed: we gaan hier
-straks ter preeke! Een dienaar des Woords zal hier de verstrooide
-leden der ware kerke Gods komen stichten. Indien je wilt, kun je
-komen en hooren."
-
---"Ik ga mede!" riep Jacob driftig. "Reeds lang wilde ik gaarne hooren,
-wat die van de nieuwe religie leeren."
-
---"Nu dan, maak haast met je maal, want het wordt tijd," zei de
-Welle. "En de Heere God opene je ooren, om de waarheid te verstaan."
-
-Mieke trad binnen, gereed om te vertrekken. Trots het zachte
-weder en hoewel er geen regen dreigde, had het meiske haar huik
-omgehangen. Jacob begreep den voorzichtigheidsmaatregel. Het
-lange, vormlooze regenkleed kon, als 't noodig was, voor vermomming
-dienen. Hij huiverde even, toen hij dacht aan den stervensblik der
-Doopersche; wat waagden deze eenvoudigen voor hun godsdienst!
-
-Ze traden naar buiten en sloegen den weg naar Gentbrugge in. De
-levendigheid en de drukte op de wegen was nog toegenomen, 't
-Was inderdaad, of er in het dorp een kermis of een doelfeest zou
-worden gehouden, zoo groot was de toeloop uit de naburige steden en
-dorpen. Maar de drukte was van een geheel anderen aard. Geen gelach,
-gezang of gejoel werd gehoord. Zwijgend en ernstig gingen ze voort,
-die Vlaamsche boeren en burgers, die, spijt plakkaten en Inquisitie,
-daar heen trokken, om Gods Woord te gaan hooren, en die om dat Woord
-te hooren wellicht vrijheid en leven gingen wagen.
-
-Een dof gerucht, een verward gegons van stemmen, toonde aan, dat men
-de vergaderplaats naderde, en bij een bocht van den weg zag Jacob
-Martens die plotseling voor zich. 't Was een groote weide, door den
-eigenaar zeker voor dit doel afgestaan. Van voren was zij door een
-vrij breede sloot van den weg gescheiden, terwijl ze aan drie zijden
-omringd was door bosschen van hoog opgaand eikenhakhout.
-
-Een bonte menigte bedekte het weiland en krioelde er dooreen. Men
-beweerde later, dat er zeven duizend menschen bijeen waren geweest,
-en al is dit getal waarschijnlijk overdreven, het bewijst toch,
-hoe groot de belangstelling was in deze eerste openbare prediking in
-Vlaanderen. Landlieden en de kleine burgerij uit de Vlaamsche steden
-vormden het grootste deel van het gehoor; mannen en vrouwen uit
-aanzienlijken stand zag men er slechts weinigen. De burgers toonden
-zich over het algemeen vreesachtiger dan de Vlaamsche boeren. De
-laatsten liepen overal rond, zonder eenige vrees te toonen, terwijl
-de stedelingen, de mannen in hunne mantels gehuld en den hoed diep
-in de oogen getrokken, de vrouwen, weggedoken in hare wijde huiken,
-in groepen bijeen stonden en iedereen met argwaan aanzagen, die in
-hunne nabijheid kwam. Er was wellicht eenige reden voor, want zij
-waren meer in het bereik hunner plaatselijke overheden, dan de meer
-verspreid wonende plattelandsbevolking.
-
-Bij het hek, dat toegang gaf tot het weiland, stonden eenige mannen,
-met stevige stokken gewapend, die de aankomenden zorgvuldig opnamen
-en soms dezen en genen aanhielden en eerst na een kort onderhoud
-doorlieten. Bij zulk een groote volksverzameling mocht het wel
-onmogelijk heeten, alle spionnen en verklikkers te weren, maar men
-kon er althans voor zorgen, dat de erkende handlangers der Inquisitie
-de samenkomst niet bezochten.
-
-Even binnen het hek stonden een paar kraampjes, waar eenige
-boekverkoopers goede zaken maakten, naar het scheen, want een groot
-aantal menschen verdrong er zich, om de "verboden boeken", hier
-zoo stoutmoedig in 't openbaar aangeboden, te zien en te koopen, en
-menigeen droeg de in bruin leder of wit perkament gebonden schatten
-mede, hetzij in triomf ze toonend, hetzij zorgvuldig verborgen onder
-mantel of huik. Men vond er den "Bijbel van Liesveld" in twee deelen,
-het Nieuwe Testament, naar Luthers vertaling verduitscht en in 1523 te
-Antwerpen verschenen, maar ook reeds den "Embdenschen Gereformeerden
-Bijbel", die door eenige Nederlanders bewerkt was naar de uitgave
-van Zwingli en, in 1560 door Nicolaas Biestkens verbeterd uitgegeven,
-door de Gereformeerden vooral gretig was ontvangen.
-
-Ook werd er een kleiner boekje druk verkocht. Het was iets nieuws,
-want het was eerst in Mei van dat jaar verschenen. Het was een
-Nederduitsche berijming der Psalmen, naar de Fransche dichtmaat en
-zangwijze van Clement Marot en Beza vervaardigd door Petrus Dathenus:
-de strijdliederen der Nederlandsche Hervorming!
-
-Jacob Martens keek vol nieuwsgierigheid het gewoel om zich heen aan,
-terwijl hij de Welle volgde, die voortdrong naar een der zijden van
-het weiland, waar, vlak tegen het hakhout aan, een boerenwagen was
-geplaatst: de geïmproviseerde kansel bij deze godsdienstoefening in
-de open lucht.
-
-"De groene preek!" Geen wonder, dat de duizenden belijders der
-"nieuwe religie" in Vlaanderen van alle kanten waren toegestroomd,
-nu hun voor 't eerst de gelegenheid werd geboden in 't openbaar de
-verkondiging des Woords te hooren. Voor 't eerst! Wel had reeds in
-1528 de bittere Anna Bijns van de Lutheranen gezongen:
-
-
- Selden oft nemmermeer gaen zij te sermoene,
- Maer preect er ergens een ketter in 't groene,
- Dan loopen zij om elc d' eerste te sijne!
-
-
-Maar dit waren, bij de strenge toepassing der plakkaten, slechts
-kleine conventikelen geweest. Thans, aangemoedigd door het stoute
-optreden der edelen en de kennelijke verlegenheid der regeering,
-waagden de Gereformeerden het openlijk de plakkaten te trotseeren in
-"de openbare preek".
-
-Pieter de Welle drong met zijne breede schouders door de dichte menigte
-heen tot dicht bij den boerenwagen en Jacob en Mieke volgden lijdzaam
-hun stevigen gids, die hier blijkbaar een goede bekende was, voor wien
-men gewillig plaats maakte. Al voortgaande, ving Jacob een en ander op
-van de gesprekken, die om hem heen werden gevoerd. Men sprak over den
-predikant, die weldra zou optreden, en 't was merkwaardig, dat de titel
-der Roomsche geestelijken steeds bij dien naam werd gevoegd. "Pater
-Herman", "pastoor de Strijker",--zoo klonk het onder het volk.
-
---"Wie zal er seffens preeken?" vroeg hij de Welle.
-
---"De predikant van die van de Gereformeerde religie te Oudenaerde,"
-antwoordde deze. "Hij was vroeger monnik bij de Preekheeren. Herman
-de Strijker heet hij; hij wordt ook wel Modet genoemd."
-
-Er was plotseling een hevige beweging onder het volk rondom den
-wagen. Allen drongen naar den geïmproviseerden kansel heen, en een
-oogenblik later verscheen een man op de kar, die met een breed en
-gebiedend gebaar de menigte wenkte te zwijgen.
-
-Jacob zag een man van betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd, een flinke
-gestalte, met onregelmatige, maar niet onaangename trekken. Zijn
-donkere oogen hadden een gebiedenden blik, de koene rechte neus, de
-vastgesloten mond en de vierkante, massieve kin spraken van kloekheid
-en vastberadenheid. Het was het gelaat van een dweper en drijver, een
-man met één idee, die voor de verwezenlijking van dat ééne denkbeeld
-alles zou over hebben en zich door niets zou laten weerhouden,--niet
-door de vreeze, maar evenmin door de liefde.
-
-Zóó was Herman Modet, een man van zijn tijd en geschikt voor zijn tijd,
-die sinds deze eerste openbare predikatie op de weide bij Gentbrugge
-nog een belangrijke rol zou spelen in de geschiedenis van zijn land
-en zijn Kerk.
-
-Het duurde eenigen tijd, eer de opdringende menschenmassa rustig
-genoeg was, om met de godsdienstoefening aan te vangen. Toen klonk
-de zware stem van den priester-predikant: men zou een psalm zingen,
-een psalm Davids!
-
-Het boekje van Dathenus, zoo juist van pas verschenen om der strijdende
-en lijdende gemeente haar lied te schenken, deed aanstonds goede
-diensten. Waren ook de woorden voor de meesten nog nieuw, de melodieën
-waren het niet! De psalmen van Marot, door de Fransche Hugenoten
-gezongen, waren aan hunne broederen in de aan Frankrijk grenzende
-gewesten niet vreemd. Eerst weifelend, maar weldra luid en krachtig,
-klonk het uit duizenden kelen:
-
-
- Wilt Godt lof en eer geven,
- Groot is sijn vriendlickheyt,
- En sijn goetheyt verheven
- Blijft in der eeuwigheyt:
- Sy die vry zijn gekocht,
- Sullen sijn Naem verclaeren,
- En die Godt heeft gekocht
- Uyt angst en groot beswaren.
-
- So sy bidden den Heere
- In al haer lyden swaer,
- Haer cruys om sijns Naems eere
- Weert Hy hen haest daarnaar.
- Als Hy spreect een woort goet,
- Gesondheyt sij verwerven;
- Daerdoor sijn sy behoet
- Van den doodt en 't verderven.
-
-
-Het psalmgezang zweeg en Herman Modet hief zijn stem op in het
-gebed. Een lang, vurig gebed was het, uitgestort uit een onstuimige
-ziel, die de schreiende nooden van een onstuimigen tijd, de kreet
-van een worstelende gemeente opvoerde tot voor den troon Gods.
-
-Zoo de vorm, de drukke, overladen stijl, de vaak platte beeldspraak
-van den prediker in andere tijden en voor ooren, aan gekuischten smaak
-gewoon, hinderlijk mocht geweest zijn, de toehoorders stootten zich
-daaraan niet, want het waren de vormen, die zij kenden en vereerden,
-en bovenal, door alles heen, sprak het vurig geloof, het vaste
-Godsvertrouwen van den bidder.
-
-Jacob Martens staarde getroffen en verbaasd naar den prediker en naar
-de hoorders. Hoe anders trad hem hier de godsdienst tegen dan in de
-gewelven van de St. Jacobskerk, waar in het schemerlicht, dat door
-de geschilderde glazen nog binnendrong, de priester aan het altaar
-de mis bediende in het blauwe waas der wierookwolkjes, terwijl het
-gezang van het koor zoet en week boven zijn hoofd psalmodieerde en de
-gele vlammetjes der waskaarsen trilden voor de heiligenbeelden. Hoe
-dikwijls had hij daar neergezeten, half gedachteloos, half in een
-droomerige godsdienstige stemming, hoorende, zonder te verstaan,
-knielende zonder veneratie, prevelende zonder te bidden, omdat dàt
-nu eenmaal, naar hij meende, godsdienst was. Hoe anders was het
-hier! Hoe ernstig, hoe op den man af! Hier in het volle zonlicht,
-onder Gods blauwen hemel!
-
-Maar het gebed was afgeloopen, de aangezichten waren in gespannen
-verwachting naar den prediker gekeerd, en deze had zijn bijbel geopend
-en las zijn tekst. Het was 1 Timotheüs 4 : 7: "Maer wechwerpet
-die godtloose ende oudwijfsche fabelen; ende oefen uselven tot
-godtsaligheyt."
-
-Het was geen woord van opbeuring en vertroosting, dat de strijdende
-en lijdende gemeente van Vlaanderen van dezen forschen voorvechter
-der Reformatie ontving. In Modet--een onzer groote auteurs heeft
-het terecht gezegd--was vooral het revolutionaire karakter van de
-Hervorming dier dagen belichaamd. Zijne predikatie was in de eerste
-plaats een geweldige aanval op wat hij de "paepsche afgoderije" en de
-"verdoemelijke oudwijfsche fabelen van het pausdom" schold. Het klonk
-Jacob vreemd in de ooren, toen hij daar alle ceremoniën en kerkelijke
-gebruiken, die hij van zijn vroegste jeugd af had leeren eerbiedigen,
-als onafscheidelijk verbonden met godsdienst en vroomheid, met ruwe
-welsprekendheid hoorde verguizen en bespotten, toen hij het Sacrament
-der Mis, het middelpunt van den Roomschen eeredienst, met felheid
-hoorde aanvallen en ontwijden. Hij voelde zich angstig en beklemd,
-en als hij om zich heen zag, las hij op de gezichten der ademloos
-luisterende toeschouwers hun volle instemming met die vreeselijke
-woorden, zag hij de harde trekken op die verweerde gezichten en de
-vlammende oogen, die gloeiden van fellen haat en verterenden ijver.
-
-Maar de geweldige prediker, de stoute bestrijder van Rome, had toch
-meer te geven, was toch dienaar des Evangelies! Toen hij sprak over de
-"oefeningen der godtsaligheyt", werd zijn toon anders. Wat waarachtige
-godzaligheid was, hoe men die zou oefenen in deze zware tijden, hoe
-men ze zou ontvangen, door de genade van Christus alleen,--het werd de
-ademloos luisterende toehoorders in forsche taal uiteengezet. Het werd
-Jacob wonderlijk te moede. Hij werd medegesleept door den geweldigen
-ernst, de machtige overtuiging van den spreker; hier was een man,
-die wist en innig gevoelde, dat hij stond tegenover zijn God, dat er
-niemand was tusschen zijn God en hem en die zijne hoorders ook van
-die overtuiging zocht te doordringen. Geen middelaar tusschen den
-zondaar en zijn God, dan de eenige Middelaar, Christus Jezus!
-
-Zonder dat hij het wist, had Jacob Martens in die gewichtige stonde
-zijns levens de groote leidende gedachte der Reformatie gevoeld
-en verstaan.
-
-Maar waarom haperde Herman Modet? Waarom zweeg hij, na nog eenige
-volzinnen te hebben uitgesproken? Wat beteekende dat rumoer bij het
-hek, dat toornig gemompel onder de luisterende menigte en het angstig
-opdringen der vrouwen?
-
-Jacob zag om en ontdekte weldra de oorzaak der opschudding. Een
-ruiter trachtte, met den blooten degen in de vuist, door het volk
-heen te dringen, terwijl hij zijn paard liet trappelen en steigeren,
-om ruim baan te maken. Achter hem zag men de speren flikkeren van
-eenige gewapenden.
-
-Het was Cornelis Croese, de schout van Gentbrugge, een ijverig
-aanhanger der regeering en een brutaal, ondernemend man. Zoodra hij
-vernomen had, dat de Sacramentarissen zich onderstonden, om binnen zijn
-rechtsgebied, met volslagen verachting der plakkaten, een openbare
-preek te houden, had hij, zijne beide dienaars en een paar pachters
-der kerk opgeroepen en gewapend en was moedig naar de plaats getogen,
-waar, naar men hem had bericht, de predikatie zou plaats hebben, om de
-vergadering uiteen te drijven en zoo mogelijk den geuzenprediker te
-vatten. De menigte was veel talrijker, dan hij zich had voorgesteld,
-maar aan moed ontbrak het den Schout niet. Hij spoorde zijn paard
-aan, terwijl hij zijne dienaars beval hem te volgen, en met een:
-"Staat ons bij, luijden, zoo gij den Koning trouw zijt!" trachtte
-hij heen te dringen naar den wagen, die Modet tot kansel diende.
-
-Er volgde een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring. De schare
-stond een oogenblik als besluiteloos. De vrouwen gilden en kreten, de
-mannen mompelden dreigementen en verwenschingen, maar bleven werkeloos,
-terwijl zij onrustig rondzagen,--naar een uitweg of een leider. Modet
-was van den wagen afgeklommen en de groep getrouwen, die er om heen
-stonden geschaard, namen den prediker in hun midden en drongen langzaam
-naar het bosch eikenhakhout, waaraan het weiland grensde.
-
-Schout Croese zag het en hij begreep, dat zijn prooi hem ging
-ontsnappen. Hij dreef zijn paard aan en sloeg met de platte kling
-naar de opeengedrongen menschenmassa, die hem den weg versperde.
-
-Zijn drift werd zijn ongeluk. Het wapen trof een jonge vrouw aan het
-hoofd en bracht haar een bloedende wonde toe: de vrouw zonk neer,
-meer door schrik dan door den slag.
-
-En nu won de toorn en de verontwaardiging het van de vreeze!
-
---"Slaat dood den beul! Slaat dood den papenknecht!" klonk het van
-alle kanten.
-
-Het volk was ongewapend, maar de puinweg werd een arsenaal: een steen
-gonsde door de lucht en rukte den Schout den hoed van het hoofd. Het
-voorbeeld vond navolging. Een hagelbui van groote en kleine steenen
-troffen paard en ruiter, terwijl de schoutendienaars, opgedrongen door
-eene woedende menigte, geen gebruik konden maken van hunne wapenen,
-ook al hadden zij gedurfd.
-
---"Slaat dood!" de oude aanvalskreet der strijdbare Vlamingen, klonk
-aan alle kanten. Schout Croese zag, dat het bloedige ernst werd en
-dat hij te veel had gerekend op het ontzag voor de justitie. Bebloed
-en gekneusd door de steenworpen, wierp hij zijn rapier weg en wendde
-den teugel.
-
-Een luide juichkreet, een stormachtig: Slaat dood! Men had zijne
-beweging, gezien en begrepen! De Schout gaf het op! De Schout vluchtte!
-
-Een aantal jonge boeren drongen op, het mes in de vuist, om hem tegen
-te houden.
-
-Maar oudere, bezadigde mannen kwamen tusschenbeide. Met geweld en
-doodslag, met den moord van een grafelijk ambtenaar, werd de zaak der
-jeugdige Kerk niet gediend. Half met geweld, half door overreding,
-maakten zij ruim baan voor den Schout, en Cornelis Croese reed
-spoorslags weg, onder het uitjouwend gejubel der menigte.
-
-Van een hervatten der godsdienstoefening was geen sprake meer. De
-schare verspreidde zich, sommigen opgewonden en vol hoop, anderen
-vreesachtig en terneergeslagen. Ook Jacob Martens ging met de Welle
-naar diens woning, om tegen het vallen van den avond naar Gent terug
-te keeren.
-
-Allerlei aandoeningen vervulden hem en voerden strijd in zijne
-ziel. Hij gevoelde, hoe de kloof, die hem van de zijnen scheidde,
-steeds breeder en dieper werd. Modet's prediking had hem machtig
-aangegrepen en de strijd van zijn volk tegen vreemde dwingelandij en
-geloofsdwang, dien hij reeds sinds lang met belangstelling en sympathie
-had aanschouwd, scheen hem meer en meer een heilige strijd, en mede
-te kampen een heilige plicht. Maar--hij moest zich losscheuren van
-zooveel, waarmee hij was opgegroeid: meeningen, gewoonten, sympathieën,
-ook een zeker onbestemd geloof in dingen, die hem, naar hij dacht,
-altijd onverschillig waren geweest en waarvan hij zich nu toch zoo
-moeilijk kon losmaken, nu het er op aan kwam, om er afscheid van te
-nemen, voorgoed.
-
-En zijne ouders! En Madeleine!
-
-Met een bedrukt hart betrad Jacob Martens in den avond van dien dag
-het ouderlijk huis.
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-
-Ongeveer vier weken na de onstuimige "groene preek" te Gentbrugge
-zat Jacob Martens op een schoonen Julimorgen in den "hof" van het
-ouderlijk huis, bijna aan de voeten van Madeleine de Bette, die hem
-haar sierlijk eikenhouten spinnewiel in de schaduw van een bloeiende
-linde had doen dragen en hem met behaagzieke speelschheid een laag
-bankje had aangewezen, waarop hij zijne schoone gebiedster mocht
-voorlezen uit de Historie van Amadis van Gaulen, of van Palmeryn
-van Olyven, de Hollandsche vertalingen van Spaansche ridderromans,
-waarmee joffer Madeleine dweepte.
-
-Jacob was niet naar Leuven teruggekeerd. De politieke toestand in
-den lande werd steeds moeilijker, de oppositie tegen de invoering
-van de Inquisitie steeds heviger en de partij der Gereformeerden
-trad overal, maar vooral in Vlaanderen en Brabant, steeds stouter
-op. President Martens, die zeer wel bemerkte, dat de sympathieën
-van zijn zoon meer en meer uitgingen naar den kant der "sectarissen
-ende rebellen", zooals hij ze noemde, had het voorzichtiger geacht,
-den jongen enthusiast onder zijn persoonlijk toezicht te houden. Hij
-wist door den Hoog-baljuw, dat Jacob in de laatste weken herhaaldelijk
-was gezien in gezelschap van verdachte personen, van dezulken, die
-onder zware suspicie stonden van te zijn besmet met de kettersche
-gevoelens der Sacramentarissen en tegen wie men wel gaarne krachtig
-zou zijn opgetreden,--als men maar gedurfd had!
-
-Ook Vrouwe Martens, de strenge moeder, die onder haar hard
-uiterlijk toch een schat van liefde verborg voor hare kinderen,
-had met blijdschap vernomen, dat haar zoon niet naar de universiteit
-zou terugkeeren, voor de algemeene opgewondenheid in den lande was
-bedaard. Met klimmende onrust had zij gezien, hoe Jacob meer en meer
-overhelde tot de kettersche gevoelens, hoe hij--naar de overtuiging der
-geloovige, ijverende Roomsche--zijn eeuwig heil dreigde te verbeuren
-door te luisteren naar die gevaarlijke geuzenpredikers, die wervers
-voor het rijk van den Satan! Nog ging hij met haar ter Misse, als zij
-hem verzocht haar te begeleiden, maar zij zag het maar al te wel,
-zijn hart was niet bij de heilige plechtigheid, hij was verstrooid
-en onrustig.
-
-Scherpe en harde woorden had zij reeds gesproken; zij zelve leed er
-onder, maar zij was geen teedere moeder, die het vertrouwen harer
-kinderen wist te winnen. En toch voelde zij thans dubbel die leemte
-en de fiere vrouw ging gebukt onder het leed, dat zij niemand toonde.
-
-O, die Geuzen! die verwaten edelen vooral, rebellen tegen hun Kerk
-en hun Landsheer! Waren zij niet weder samengekomen te St. Truyen,
-in 't Luiksche, om ongehinderd te kunnen samenspannen tegen het
-wettig gezag? Gingen er geen geruchten over de ongehoorde eischen,
-die zij de regeering zouden stellen? Men zou voorwaar het volk geen
-enkele religie voorschrijven, maar een iegelijk vrij laten in zijne
-keuze! Een snood bestaan, om den ketterschen leeraars vrijheid te
-geven, het onwetende volk ter helle te voeren! Er waren er, naar
-men zeide, die tegen den Koning wilden opstaan, om met geweld te
-verkrijgen, wat men in het Smeekschrift had gevraagd. En haar eenige
-zoon zou de zaak dier ketters en rebellen voorstaan!
-
-IJveriger en trouwer dan ooit nam de arme Vrouwe Martens hare
-godsdienstplichten waar, en zoo was zij ook dezen morgen naar de
-St. Jacobskerk gegaan, om er den schutsheilige van haar zoon aan te
-roepen, om er te bidden voor het zieleheil van haar kind.
-
-En Madeleine, blijde, dat het strenge oog der ijverige huismoeder
-haar niet gadesloeg, had zich gehaast, om het huiswerk, dat op haar
-rustte, over te dragen aan de goedhartige Klaartje en had Jacob naar
-den hof geroepen, om er zich te vermaken met de avonturen der dolende
-ridders en met het kwellen van haar trouwen bewonderaar, dien haar
-behaagzieke plaagzucht geen oogenblik met rust liet.
-
-Het scheen, dat de merkwaardige lotgevallen van den dapperen
-Palmeryn Jacob ditmaal niet konden boeien. Hij was verstrooid en
-afgetrokken. Hij haperde nu en dan en versprak zich. De schoone
-Madeleine bemerkte het.
-
---"Als je soms genoeg van mijn gezelschap hebt," zei ze spijtig,
-"laat ik je dan toch vooral niet ophouden!"
-
-Jacob keek verschrikt op.
-
---"Ja, zeker!" vervolgde de vertoornde schoone schamper. "Als je soms
-verlangt naar het gezelschap van je geuzenpredikanten, ik weerhoud
-je niet, hoor!"
-
---"Madeleine!" zei Jacob, en hij wilde haar hand vatten, maar zij
-stiet hem terug.
-
---"Je meent er niets van!" pruilde zij. "Je zit hier voor mij te
-lezen, maar je hart is er niet bij. Wie weet, waar? Misschien bij
-een of andere ketterinne! Je bent er tòch zoo vol van!"
-
-Jacob deed het eenige, wat hij in deze omstandigheden kon doen: hij
-wierp zijn boek weg, vatte het weerstrevende handje en sloeg zijn
-arm om de leest der spijtige joffer. Het draadje brak...
-
-De verzoening was spoedig genoeg tot stand gekomen, maar Jacob begreep,
-dat hij zich toch moest verdedigen.
-
---"Ik kan het niet helpen, Madeleine, dat ik thans geen vermaak heb
-in deze Walsche poëterijen, die u zooveel vreugde en jolijt geven,"
-zei hij ernstig. "Mijn hart is vol van andere dingen!"
-
---"Zie je nu wel!" pruilde het meisje.
-
---"Van u, allerliefste! Ge hebt er de eerste plaats in!" verzekerde
-Jacob haastig. "Maar zeg, begrijp je er niets van, dat men bezig kan
-zijn met ernstiger gedachten in deze dagen, nu het gaat om de vrijheid
-des lands en om wat dienen kan tot onzer zielen zaligheid!"
-
-Een minachtende trek plooide het mondje van Madeleine.
-
---"Ga je mij een sermoen houden, Jacques?" klonk het spottend. "Voor
-onzer zielen zaligheid zorgt de Kerk met hare genademiddelen, zegt
-mijn biechtvader, en zoo bekreune ik mij daar niet om. En 's lands
-vrijheden? De Koning is onze Heer en hij doet, wat den lande oirbaar
-is,--zoo zegt je vader en ik houd dit met hem. 't Is een schoone weg,
-om een ambt te verkrijgen van de regeering, als je eenmaal magister
-zult zijn, wanneer je nu gaat heulen met hen, die snoode rebellie
-drijven tegen hun wettigen Overheer en de Heilige Kerke! En onze
-schoone plannen, Jacques? Gelden die je niets?"
-
-Jacob zag de driftige spreekster aan met teer verwijt.
-
---"Zonder jou is de toekomst, is het heele leven mij niets,
-Madeleine," fluisterde hij, "maar wat, als ik eens niet kon doen,
-wat je wenschte? Als ik geen post van deze regeering mocht aannemen?"
-
---"Geen ambt van de regeering? Maar ik wil in Brussel wonen, heb ik
-je altijd gezegd!" pruilde het bedorven kind.
-
---"Als we elkander liefhebben, Madeleine..."
-
---"Och, wat liefhebben! Je hebt mij niet lief, anders zou je niet zoo
-naar zijn! Alles opgeven ter wille van dat minne volk, van de Geuzen
-en de ketters! Een fraaie zaak!"
-
---"De Pallandts, en de Nassau's, en Brederode zijn toch geen min
-Geuzenvolk, Madeleine!"
-
---"Oproerkraaiers zijn het, die spelen met vuur! Ik heb het den
-president hooren zeggen! Ze verleiden het domme volk, dat wordt
-aangehitst door de kettersche predikanten, en ze storten het volk en
-zichzelf in 't verderf! Als de Koning komt..."
-
---"De Koning is onze rechte Heer, dien God behoede, maar onze rechten
-en vrijheden moet hij ons laten! En--die van St. Truyen hebben
-gelijk--ieder diene God naar de inspraak zijns harten, zonder geweld
-of molest."
-
---"Je hadt geuzenpredikant moeten worden, Jacques!"
-
-Jacob wendde zich driftig om en liep zenuwachtig het tuinpad op en
-af. Toen wendde hij zich weder tot het meisje.
-
---"Je oordeelt over wat je niet kent, Madeleine!" zeide hij met
-kwalijk bedwongen aandoening. "Ik wilde zoo gaarne, dat je met mij
-waart in deze zake! Ga na den noen met mij mede."
-
---"Waarheen? ter preeke?" vraagde zij spottend.
-
---"Wist je dat dan?" vraagde Jacob verrast.
-
-Madeleine barstte uit in een schaterend gelach.
-
---"Zoo heb ik dan waarlijk goed geraden? Domme jongen, dacht je,
-dat ik naar de "groene preek" zou gaan? Wat zou ik mijn biechtvader
-zeggen? En wat aan je moeder?"
-
---"Je zegt, dat ik je heb meegetroond, en dat zal de waarheid zijn. Al
-heeten we niet verloofd, we behooren elkander toch toe en zou ik mijn
-bruid niet mogen heenleiden, waar zij de waarheid kan leeren verstaan,
-zonder een priester te vragen?" riep Jacob heftig.
-
---"Je bruid? Zoover is het lang niet. Ik heb het jawoord niet gegeven,
-dat ik wete! En als je je zoo aanstelt als een rustre en een vileijn,
-zal 't er nimmer van komen ook!"
-
-'t Was koel en bits gezegd en Madeleine nam haar spinrokken weer ter
-hand en begon met veel ijver haar draadje te hechten.
-
---"Madeleine!" riep Jacob.
-
---"Och, ga toch heen! Ga heusch maar naar je kettersche preek! 't
-Spijt me, dat ik je vroeg in den hof te komen!"
-
-Jacob stond een oogenblik besluiteloos. Toen boog hij stijf en
-verwijderde zich langzaam.
-
-Madeleine keek hem met een spottend glimlachje na.
-
---"Hij ziet er goed uit, als hij boos wordt!" prevelde zij. "Hij is
-knapper dan Thierry! Als hij die grillen uit het hoofd wilde zetten,
-dan... Of het waar zou zijn, wat Thierry beweert, dat hij goede
-vooruitzichten heeft op faveur en avancement in den dienst van den
-hertog van Aerschot...?"
-
-Het spinnewiel snorde niet meer. De jonkvrouw keek peinzend voor zich
-uit, en zij glimlachte, want zij zag zich op de feesten aan het hof
-te Brussel--de gevierde koninginne van den dag!
-
-'t Was in minder vroolijke stemming, dat Jacob Martens zich naar
-zijne kamer begaf. Hij had van dat onderhoud zoo veel gehoopt! Hij
-zou Madeleine overtuigen, dat de zaak der vrijheid een heilige zaak
-was, dat de godsdienst iets meer, veel meer was, dan zij tot nu toe
-had gemeend; niet een gedachtelooze sleur van vormendienst, maar een
-aangrijpende werkelijkheid, waarvan hij de macht in zijn eigen hart
-en leven begon te ervaren. En ze zou naar hem luisteren, want zij
-had hem immers lief! En nu,--hij had niet eenmaal durven aandringen:
-haar spottende glimlach, haar koele toon hadden hem de woorden van de
-lippen genomen. Hij had gevoeld, dat alles, wat hij zou kunnen zeggen,
-vergeefsch zou zijn.
-
-Was Madeleine dan voor hem verloren?
-
-Want dat hij niet kon terugkeeren op den weg, dien hij zich gekozen
-had, stond bij hem vast. Hij overschatte de beweging der edelen, als
-duizenden met hem deden. Hij zag in hen de voorvechters der vrijheid,
-van het recht der vrije Nederlanden tegenover de aanmatigingen van
-het gezag. En in zijn geestdrift voor het edele doel zag hij niet de
-lichtzinnigheid en wereldzin, de onedele bijbedoelingen van velen onder
-hen, die zich hadden geschaard aan de zijde van de bestrijders der
-regeering. Maar hijzelf meende het eerlijk. Met al den gloed zijner
-jeugd, met den ingeboren vrijheidszin van den Vlaming had hij het
-schoone ideaal der vrijheid omhelsd; en hij wilde er voor strijden
-en lijden, als het zijn moest.
-
-Daarbij, was het eerst slechts zijn weerzin geweest tegen Inquisitie en
-geloofsdwang, die hem had heengedreven naar de zijde der Hervormden,
-de geloofsmoed der martelaren, de gloed der onstuimige prediking,
-hadden hem verder gebracht dan hijzelf had vermoed. De indruk, dien
-hij te Gentbrugge had ontvangen, dat deze menschen iets hadden, dat
-hij miste, dat zij een overtuiging bezaten, die hun het hoogste was,
-was hem bijgebleven. Hij had hun godsdienst vergeleken bij zijn eigen
-kalm indifferentisme, en hij had zich geschaamd. Als wat de Kerk
-leerde waarheid was, als Jezus Christus was gestorven voor de zonden
-der wereld, als de zonde zulk een verschrikkelijke macht was, dat de
-Zone Gods, om haar te overwinnen, in den dood had moeten gaan,--dan
-hadden de ketters gelijk, die den zondaar rechtstreeks leidden aan
-den voet van het kruis, hem stelden tegenover een barmhartigen,
-machtigen Verlosser, dan had de Kerk ongelijk, die de Moedermaagd en
-de heiligen en den schutspatroon en ten slotte nog den priester had
-geschoven tusschen den zondaar en den Christus.
-
-Zóó had Jacob gepeinsd en gevraagd en gezucht. Het was hem niet
-moeilijk gevallen in deze dagen, nu de regeering bevreesd was voor
-uiterste maatregelen, en hare tegenpartij steeds stouter optrad,
-zich een Liesveldschen bijbel te verschaffen. Hij had dien veilig
-geborgen op zijn kamer en hij las er vlijtig in, des morgens vroeg
-en des avonds, als hij zeker was, niet gestoord te zullen worden. En
-meer en meer begon hij de "nye leere" te verstaan, meer en meer werd
-het licht in zijn ziel, en al stond hij nog van verre, hij begon de
-waarde te beseffen van het heil, dat in Christus is.
-
-Kon hij ook de zijnen, die hem lief waren, leiden op den weg, dien hij
-had gevonden? De president, op het punt van den godsdienst tamelijk
-onverschillig, beschouwde toch elke afwijking van de leer der Kerk als
-eene aanranding van het gezag, dat hij diende; zijne moeder was een
-strenge Roomsche, en de goedaardige Klaartje zou bij het eerste woord,
-dat haar aan "ketterije" deed denken, van schrik en ontsteltenis zijn
-verstijfd. Maar Madeleine? Hij zag het wufte kind in den schoonen
-glans, waarin zijne jonge liefde haar hulde. Haar vurige geest,
-haar kloek verstand zouden het schoone van het ideaal der vrijheid,
-de waarachtigheid van een godsdienst, die zijn macht bewees in het
-leven en sterven zijner belijders, moeten begrijpen en waardeeren,
-meende hij. Hij zou trachten haar belang in te boezemen voor de dingen,
-die hem zoo na aan het hart lagen en zij zou luisteren en volgen,
-eerst uit liefde voor hem, dan uit heilige overtuiging!
-
-Hoe jammerlijk was zijn eerste poging mislukt!
-
-Maar hij zou het er niet bij laten. 't Was natuurlijk, dat een
-jonkvrouw in al de vroolijke rust van haar onbezorgde jeugd, niet
-aanstonds wilde luisteren naar ernstige woorden, naar de groote vragen
-des tijds, die zoo dringend een antwoord eischten. Hij zou wachten,
-hij zou bidden... ja bidden voor Madeleine, want ook dat had hij
-geleerd, sinds weinige weken.
-
-Maar als zijn gebed niet werd verhoord? Als Madeleine hem niet wilde
-volgen; als zij zich hardnekkig afkeerde van de waarheid. Wat dan?
-
-Jacob had het Liesveldsche Nieuwe Testament uit zijn verborgen
-schuilhoek te voorschijn gehaald; eerst bladerde hij er gedachteloos
-in, want zijn hart was vol van bittere teleurstelling. Maar
-weldra boeiden hem de heilige verhalen van het leven des Heeren,
-dubbel aantrekkelijk, omdat ze zoo nieuw voor hem waren. Hij las de
-aangrijpende geschiedenis in het tiende hoofdstuk van Markus, van
-één, die veel goederen had, maar wien het hoogste goed ontbrak. Hij
-begreep den ontzettenden eisch, alles op te geven, om dat hoogste goed
-te gewinnen,--voorwaar, een eisch, die in zijne dagen tot menigeen
-kwam in al zijn vreeselijken ernst. En met diepe ontroering las
-hij: "Voorwaer segge ik ulieden: Daer en is niemant, die verlaten
-heeft huys, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of wijf,
-of kinderen, of ackers, om mijnent wille ende des Evangeliums, of
-hij ontfangt honderdvoud nu in desen tijd huyzen ende broeders ende
-susters ende moeders, ende kinders ende ackers, met de vervolgingen,
-ende in de toekomende eeuwe het eeuwige leven."
-
-Dat waren wèl de woorden, die hij thans noodig had! Met een diepen
-zucht, maar toch met een biddenden blik naar boven en een vastberaden
-trek om den jeugdigen mond stond hij op, legde het boek op zijn plaats,
-en staarde door het kleine venster naar buiten.
-
---"God helpe mij!" fluisterde hij.
-
-Er zijn soms oogenblikken in het leven, zoo gewichtig, "inhaltschwer",
-als de dichter zegt, dat het een geluk voor ons is, dat wij er het
-volle gewicht niet van beseffen, wanneer wij ze doorleven. Jacob
-Martens wist het niet, maar hij nam in deze ure afscheid van zijn
-onbezorgde jeugd, hij stond af zijn liefde, zijn familie, zijn
-toekomst, en hij koos de ballingschap en den schier hopeloozen strijd.
-
-Hij greep zijn baret en maakte zich gereed het huis te verlaten. Het
-was niet voor niet, dat hij juist dezen dag had gekozen om met
-Madeleine te spreken. In den nanoen zou er iets gewichtigs gebeuren. De
-Gereformeerden te Gent waren stoutmoedig geworden, nu de regeering
-weifelde en scheen te willen toegeven aan de eischen der verbonden
-edelen. Predikten de Gereformeerde predikanten buiten Antwerpen niet
-openlijk voor vergaderingen van vijftien en zestien duizend man,
-zonder dat de overheid er iets tegen vermocht? Welnu, te Gent zou
-men dit voorbeeld volgen! Weldra zou men de kerken opeischen voor de
-ware religie, maar ondertusschen zou men onder de muren der stad een
-"groene preek" houden en men tartte den Hoog-baljuw om het hun te
-beletten. In den nanoen van dezen drie-en-twintigsten Juli zou men
-op een groot terrein buiten de Brugsche poort vergaderen en Modet
-zou van Oudenaerde komen, om er te prediken.
-
-Toen Jacob het ouderlijk huis had verlaten en den weg naar de
-Brugsche poort had ingeslagen, bleek het hem weldra, dat de groote
-gebeurtenissen van den dag zich in de bijzondere belangstelling van
-de Gentenaren mocht verheugen. Het was bijzonder druk en levendig
-op straat. Groote troepen nieuwsgierigen trokken in de richting van
-de Brugsche poort en vele eerzame burgers en winkeliers, bevreesd
-voor oproer of openlijke rebellie, hadden voorzichtig hunne luiken
-gesloten. De dienaren van den Hoog-baljuw hielden zich schuil of traden
-zoo bescheiden mogelijk op, blijkbaar niet op hun gemak. Van tijd
-tot tijd trokken kleine troepjes burgers, met ernstig en vastberaden
-gelaat, gewapend met pieken en "goedendags", ja sommigen zelfs met
-vuurroeren, door de woelende menigte heen en het volk maakte ruim baan
-en men wees ze elkander aan en fluisterde, dat dàt nu de ketters,
-de Sacramentarissen waren. Van een poging der overheid, om de preek
-te beletten, bleek niets. Alles ging rustig zijn gang.
-
-Toch bespeurde Jacob, toen hij het terrein naderde, voor de
-godsdienstoefening bestemd, dat de leiders van de beweging hunne
-voorzorgen goed hadden genomen, en dat men, als het noodig mocht zijn,
-geweld met geweld zou keeren. Van de talrijke wagens en karren had men
-op de wijze der ouden een wagenburg gemaakt en bij de toegangen tot
-de zoo omheinde ruimte stonden gewapende wachten. Een groot aantal
-der mannen, die de afgezette ruimte vulden, waren mede gewapend:
-speren, bijlen en vuurroeren flikkerden overal in de stralen der
-Julizon en overal zag men ernstige, vastberaden gezichten. Indien
-de Hoog-baljuw het mocht wagen, de vergadering te storen, waren de
-gevolgen niet te voorzien.
-
-Maar Adolf van Bourgondië, Heer van Wokkene en Hoog-baljuw van Gent,
-was allerminst de man, om op eigen verantwoording tot zoo forsche
-maatregelen over te gaan. Hij wist te wel, hoe gespannen de toestand
-was: een enkele onvoorzichtigheid en geheel West-Vlaanderen kwam in
-opstand! En zoo liet men de Gereformeerden rustig hun gang gaan.
-
-Toen Jacob Martens het afgesloten terrein betrad, wisselde hij een
-groet met Daniël, den boogschutter van Poperingen, die, op zijn
-armborst geleund, mede de wacht hield bij den ingang. De forsche,
-jonge Vlaming wierp hem, grinnekend van pleizier, een blik van
-verstandhouding toe; een vergadering als deze, met de wapens in de
-vuist, waarbij men het gezag openlijk tartte en nog kans had op een
-gevecht bovendien, was juist een kolfje naar zijn hand.
-
-Voor het overige geleek het tooneel, dat de jonge man thans
-aanschouwde, veel op dat van Gentbrugge. Ook hier waren kramers en
-boekverkoopers, thans in grooten getale uit Antwerpen overgekomen,
-druk bezig met het venten van bijbels en andere verboden boeken,
-die gretig werden gekocht en openlijk meegedragen. Er was meer moed
-en zelfvertrouwen onder het volk. Men voelde zich sterk genoeg, om
-de plakkaten des konings openlijk te trotseeren. De Reformatie was
-in Vlaanderen een geduchte macht geworden, waarmee de regeering zou
-hebben te rekenen.
-
-Terwijl hij zich langzaam een weg baande naar de houten stellage,--ook
-ditmaal weder een boerenwagen, met eenige planken gedekt,--die tot
-kansel zou dienen, bemerkte Jacob Pieter de Welle, die in ernstig
-gesprek was gewikkeld met twee mannen, die blijkbaar tot de hoogere
-standen behoorden. De een droeg het gewaad van een edelman, in de
-stemmige kleuren, die nog altijd de Geuzen-edelen van de voorstanders
-der regeering onderscheidden; de baret, met een veder getooid, en
-de lange degen bewezen echter zijn rang. Om den hals droeg hij aan
-een rooden sluier een vreemdsoortig sieraad, dat Jacob niet kende:
-'t was een zilveren medaille, waaraan drie kleine napjes bengelden,
-van 'tzelfde metaal.
-
-De ander was een nog jong man, met een bleek, fijn besneden gelaat
-en donkere oogen, eenvoudig in 't zwart gekleed.
-
-De Welle had blijkbaar zijne beide metgezellen op den jongen Martens
-opmerkzaam gemaakt, want de drie mannen traden op hem toe.
-
---"De jonker van Treslong en de Eerwaarde Junius wenschen kennis met
-u te maken, jonker Jacob," zei de koddebeier op dien eigenaardigen
-toon van eerbiedige gemeenzaamheid, waarmede hij tot den zoon van
-zijn meester sprak.
-
-Jacob zag op met blijde verrassing, want het waren twee beroemde
-namen, die hij hoorde: twee namen van goeden klank onder allen,
-die God wilden dienen naar de inspraak huns harten en die het wèl
-meenden met de vrijheid des lands.
-
-Jan Blois van Treslong, de broeder van den lateren admiraal van
-Zeeland, met de beide Marnixen misschien de eenige "ridders zonder
-vrees of blaam" in die woelige dagen, waarin zooveel zelfzucht,
-zooveel eerzucht, zooveel lichtzinnigheid en wereldzin schuilden onder
-den mantel van vrijheidszin en patriottisme. De edele kampioen der
-ontwakende vrijheid, die welhaast de martelaar zou worden voor zijn
-schoone zaak. En Franciscus Junius, de jonge Fransche edelman, uit
-Genève naar de bedrukte Fransche gemeente te Antwerpen als predikant
-gezonden, die weldra zulk een groot aandeel zou nemen in den heiligen
-strijd tegen geloofsdwang en Inquisitie, de mede-arbeider der edelen
-en de getuige van hun verbond, maar die ook de eenvoudigen dorst
-stichten door Christelijke vertroosting en gebed, terwijl door de
-vensters van de geheime vergaderplaats de vlammen van den mutsaard
-flikkerden, waarop daar beneden op het plein de bloedgetuigen den
-marteldood stierven voor dezelfde goede belijdenis, die hij daar
-verkondigde. De getrouwe herder, die, overal vervolgd en belaagd,
-toch van de kudde niet wijken wilde, en daarbij de ontwikkelde man,
-met den ruimen blik, die verder zag dan de welmeenende, maar vaak
-bekrompen ijveraars, naast wie hij streed, en die zoo vaak door hun
-onberaden ijver zooveel bedierven, maar die zich toch niet afwendde
-van den heiligen strijd, trots verdachtmaking en verkeerd begrijpen;
-de theoloog, die voor de eenvoudige Limburgsche boeren predikte,
-en de aan hare zaligheid wanhopende krankzinnige wist te brengen tot
-Christus, en die eenmaal een sieraad zou zijn der Leidsche hoogeschool.
-
-Jacob Martens wist natuurlijk niets van de beide mannen, dan dat hij
-ze in den laatsten tijd, dikwijls had hooren noemen, door de eene
-partij als steunpilaren der "gesuyverde Gereformeerde religie", door
-de andere als twee sectehoofden der kettersche Sacramentarissen en
-rebellen tegen 's konings gezag. Hij wist echter, dat het mannen van
-beteekenis waren en beantwoordde beleefd hun hoffelijken groet. De
-Welle verwijderde zich op een wenk van Treslong en voegde zich bij
-de gewapende bewakers van het terrein.
-
---"Het verheugt mij te zien, jonker Martens," zeide Treslong, "dat uw
-goede stad Gent voor Antwerpen niet onder wil doen. Wij dachten niet,
-dat de onzen het wagen zouden, ter preek te gaan onder de wallen der
-stad. Vreest gij, dat de overheid wat tegen ons in 't schild voert
-en dat zij trachten zal de vergadering te verstoren?"
-
---"Mij dunkt van niet," zeide Jacob, "de Hoog-baljuw is geen man van
-geweld. Hij zal niets doen, dan op bevel der hooge Regeering. Trouwens,
-hier te Gent was de vervolging in zaken van religie nooit hevig."
-
-Het gesprek werd in het Fransch gevoerd ter wille van Junius, die de
-landstaal nog niet volkomen machtig was.
-
---"Een goede tijding, dat laatste, voor onzen broeder Junius," zeide
-Treslong. "Hij denkt een poos te Gent te vertoeven, om de broeders
-te bemoedigen, vooral hen, die uit Frankrijk zijn overgekomen, en om
-er te werken voor de zaak van ons verbond."
-
---"Ik ben hier in Gent niet meer in gevaar dan elders," zeide
-Junius met een fijnen glimlach. "Ge weet, ze hebben ons predikanten
-uitgesloten van wat ze de "moderatie" noemen, maar men vaart toch
-flauwelijk voort met de vervolging, en ik meen, dat wij eenige rust
-zullen hebben, tot de Heeren Bergen en Montigny, die eerlang met
-een zending naar den Koning zullen vertrekken, teruggekeerd zullen
-zijn van hunne reize. Toch past het den Christen, te waken voor zijne
-veiligheid en God niet te verzoeken en ik zal mij verblijden, als ik
-hier eenigen tijd in rust en veiligheid kan doorbrengen. Ik heb reeds
-met verscheidene broeders kennis gemaakt. Zijn er ook onder de edele
-geslachten van Gent aanhangers der Reformatie, jonker Martens?"
-
---"Onder de gezeten burgers en onder het volk zijn vele
-Gereformeerden," antwoordde Jacob, "maar onder den ouden Gentschen
-adel zijn er slechts weinig. De Imbyze's misschien. Jonker Jan van
-Imbyze..."
-
---"Een vurig ijveraar!" riep Treslong.
-
-Op het bleeke gelaat van Junius speelde een glimlach.
-
---"Er zijn veel zulke ijveraars onder onze edelen!" zei hij droog.
-
---"En gelukkig!" riep Treslong met een vroolijken lach. "Ja, Junius,
-schud het hoofd maar! Als de Koning aan onze beden geen gehoor wil
-geven, als het zwaard moet spreken, dan zult ge zien, wat onze jonge
-adel vermag!"
-
---"Ik hoop het!" zei Junius, maar zijn gezicht betrok.
-
---"En ook in u groeten wij blij een nieuwen bondgenoot, jonker
-Martens," ging de geestdriftige jonge edelman voort. "Maar zeg mij,
-waarom draagt ge ons bondsteeken niet. Laat mij u er mee mogen
-versieren."
-
-Hij nam den rooden sluier met den zilveren penning van den hals
-en hing hem Jacob om. Deze dankte hoffelijk voor het geschenk en
-bekeek den penning nieuwsgierig. Aan de eene zijde vertoonde die
-het borstbeeld van den koning, aan de andere een gesloten pelgrims-
-of bedelaarstasch. Ook de zilveren bekertjes hadden den vorm der
-zoogenaamde bedelaarsnapjes.
-
---"Fidèles au roi jusq'à la besace!" lachte Treslong, terwijl hij naar
-het randschrift wees. "Wij zijn de bedelaars, de Geuzen! Ge weet,
-zoo noemde ons Barlaimont, de oude vrek. We zijn nòg bedelaars! We
-smeeken bij den Koning om ons goed recht, om vrijheid van geloofsdwang,
-om handhaving van de vrijdommen van den adel en de steden. Wij smeeken
-nog, maar als wij vorderen gaan..."
-
---"Komt," zeide Junius, "onze wellieve broeder Modet zal zoo aanstonds
-optreden. Laat ons dichterbij gaan, anders kunnen wij niets verstaan."
-
-Inderdaad verscheen weldra de forsche gestalte van Modet op den kansel
-en zijn zware stem klonk over de opeengepakte volksmenigte. De schare
-der toehoorders was hier veel grooter dan te Gentbrugge. Het terrein
-lag zoo dicht bij de stad, en de overtuiging, dat de overheid toch
-niets tegen de wèlgewapende ketters zou durven ondernemen, had vele
-nieuwsgierigen naar de "groene preek" gelokt, terwijl bovendien op alle
-wegen en paden in den omtrek posten waren geplaatst, die de voetgangers
-uitnoodigden om aan de godsdienstoefening deel te komen nemen.
-
-Voor het overige werd die gehouden op dezelfde wijze als te
-Gentbrugge. Het scheen echter, dat de algemeene opgewondenheid zich van
-den prediker had meester gemaakt. Hij had tot tekst gekozen Exodus 20:
-4 en 5 en heftig viel hij in zijne uiteenzetting van het tweede gebod
-den beeldendienst der Roomsche Kerk aan, "de verdoemelijke afgoderij
-der Papisten ende Baälsdienaren", zooals hij dien noemde. En toen hij,
-medegesleept door zijn eigen woorden, met wilden ijver betoogde, dat
-men ze "zoowel uit het oogh, als uit het hert behoorde te werpen,"
-zag Jacob Martens hoe Treslong met fonkelende oogen als aan de lippen
-van den spreker hing, terwijl Junius verdrietig het hoofd schudde.
-
-Het doopen van een kind, volgens de wijze der Gereformeerden,--'t
-was de eerste maal, dat dit in het openbaar geschiedde--waarmede de
-godsdienstoefening werd besloten, wekte algemeene belangstelling,
-niet het minst onder de aanwezige Roomschen, waaronder er velen waren,
-die meenden, dat de "Sacramentarissen" evenals de Wederdoopers den
-kinderdoop verwierpen.
-
-Daarop werd de wagenburg afgebroken en onder het zingen van de thans
-reeds populair geworden psalmen van Dathenus trokken de Gereformeerden
-in kleine groepjes huiswaarts.
-
---"Ge waart niet voldaan, Eerwaarde Heer?" vraagde Jacob aan Junius,
-die peinzend de zingende groepen nakeek.
-
---"Ik vreeze zeer, dat onze wellieve broeder Modet, door zijn ijver
-voor de zuivere leer vervoerd, de aandacht der schare al te zeer
-vestigt op die uiterlijke vormen, die, zoo ze verkeerd zijn, toch
-het wezen der religie niet raken," zei de Fransche predikant. "'t Is
-gevaarlijk, in deze dagen de hartstochten van het volk te prikkelen!"
-
---"Ei wat!" zei Treslong luchthartig. "Een klein oproer zou niet
-ondienstig zijn voor onze plannen! 't Zou Madame doen inzien, dat
-wij het meenen en dat er niet met ons valt te gekken!"
-
-Een lang man, in het zwart gewaad van den gegoeden burgerstand,
-trad haastig op hen toe.
-
---"Wat zegt ge er van, Eerwaarde?" vraagde hij in gebrekkig Fransch,
-terwijl zijn onrustig flikkerende grijze oogen zich beurtelings op
-Junius en diens metgezellen vestigden. "Een man Gods, nietwaar? Een
-tweede Elia! Daar moet het heen! Of wij al klagen en bidden, het
-helpt niet. Wij moeten de handen aan het werk slaan en den gruwel der
-afgoderij uit ons midden wegdoen! Is het geen schande, dat de ware
-Kerk moet vergaderen onder den blooten hemel, terwijl onze kerken
-tot Baälstempels zijn gemaakt. Wat zegt ge, Eerwaarde? Er zijn genoeg
-rappe gasten onder de gilden, die op een woord van u..."
-
---"Ik heb van niemand den last of de roeping ontvangen om dat woord
-te spreken, Lieven Ongena," antwoordde Junius rustig. "Zie toe,
-dat de vijanden der gezuiverde religie geen oorzake vinden om ons
-van oproer en van verstoring van 's Konings vrede te betichten."
-
---"Maar de afgoderij der Paapschen...." begon Lieven Ongena.
-
---"Ons is het niet gegeven, in zoodanige zaken iets te doen, hetzij
-dan dat wij een wettige roeping hebben, broeder," zeide Junius. "Het is
-de wil des Heeren, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. Wij
-spreken hierover nader."
-
-Met een verlegen groet droop de drukke man af, blijkbaar ontevreden,
-maar toch zonder verdere tegenspraak.
-
---"Zoo ziet ge, dat de woorden van onzen broeder Modet in vruchtbare
-aarde vallen," zeide Junius, die hem hoofdschuddend nazag. "Ik vrees,
-jonker Martens, dat ons bange en droeve tijden te wachten staan."
-
-Hij nam afscheid van Jacob, terwijl hij diens aanbod om hem te
-begeleiden heuschelijk afwees, hetzij omdat hij den jongen man
-te weinig kende, hetzij omdat hij den zoon van den president van
-Vlaanderen in geen moeilijke positie wilde brengen, door hem in kennis
-te stellen van de woning, waar hij zich schuil hield.
-
-Treslong, die het gesprek van zijn vriend met Lieven Ongena met
-blijkbaar ongeduld had aangehoord, fluisterde Jacob bij het scheiden
-in:
-
---"Mocht het aan den dans gaan, jonker, en mocht ge lust hebben
-een slag te wagen voor de gezuiverde leer en tegen de Inquisitie,
-kom dan te Antwerpen en vraag er in de taveerne "de Fonteyne" naar
-hopman van der Aa. Die zal u meer zeggen!"
-
-Toen Jacob dien avond thuis kwam, ontvluchtte hij de donkere blikken
-van zijn vader en moeder en het minachtend glimlachje van Madeleine
-op zijn kamer. Hij haalde den Geuzenpenning te voorschijn, het
-heilig verbondsteeken, gekozen door hen, die de verre strekking van
-hun daad niet begrepen, een scherts, die eerlang zulk een vreeselijk
-angstige beteekenis zou krijgen. Voor Jacob was het aanvaarden van den
-bondspenning heilige ernst. Hij was thans voorgoed aan de heilige zaak
-der vrijheid verbonden,--en hij had afstand gedaan van wat hij zich
-gedroomd had als het hoogste geluk, het offer aan zijn hoog Ideaal.
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-
-Hoe was het begonnen? Wie waren de aanstichters geweest? Wie had het
-bevel gegeven tot de noodlottige daad?
-
-Als een dreigend onweer was het komen opzetten over Vlaanderen en
-Brabant. De spanning was al grooter geworden; een uitbarsting was
-onvermijdelijk en de Regeering stond machteloos om het naderend onheil
-te keeren. De landvoogdes drong bij den Koning aan op een antwoord op
-hare voorstellen, op toegeven aan de dringende eischen der tegenpartij,
-om een burgeroorlog te voorkomen, en Philips draalde.... draalde... en
-draaide en zocht uitvluchten, wel vast besloten om nimmer toe te staan,
-wat hij vooralsnog niet openlijk durfde weigeren.
-
-Nog den 7den Augustus had Margaretha den Koning geschreven en
-aangedrongen op een spoedig antwoord op hare voorstellen omtrent
-de bijeenroeping der Staten. De rust des lands, zoo schreef zij,
-hing van dat antwoord af, ja, voor dat het kon zijn aangekomen,
-zou misschien reeds de burgeroorlog zijn ontbrand.
-
-En de landvoogdes had juist gezien. Den 14den Augustus, den dag vóór
-Maria Hemelvaart, brak het onweer los.
-
-Tusschen de Schelde en de Leye, in de nabijheid van St. Omer, verscheen
-plotseling een hoop volk, voorzien van bijlen, ladders en touwen,
-die het werk begonnen. Het eerst moesten de kapellen en kruisbeelden
-langs de wegen het ontgelden, maar weldra vielen de beeldstormers
-de kerken en kloosters in en om St. Omer aan. Den 13den hadden 500
-Geuzen het klooster en de kerk van den Heiligen Antonius bij Belle
-aangevallen en alles wat er aan den Roomschen eeredienst herinnerde,
-vernield. Als een lawine nam de beweging toe, honderden sloten zich
-bij de beeldstormers aan, zoowel de vurige ijveraars als de boeven
-en landloopers, die te dien dage het platteland onveilig maakten. Op
-Maria Hemelvaart werden de kerken en kloosters te Richebourg, Estères,
-Laventhie, Meenen, Meter, Vrulle, Capelle, Gevinchy, Lorgies en
-die rondom Yperen bestormd en de beelden en de altaren verbrijzeld,
-terwijl die van de stad Yperen zelve den volgenden dag aan de beurt
-waren. In drie dagen tijds waren meer dan vierhonderd kerken en
-kapellen verwoest.
-
-Den 20sten Augustus begon de beeldstorming te Antwerpen, 't Was er
-juist kermis en de stad was vol vreemd volk, terwijl de aanvoerders der
-beweging tevens een schoone gelegenheid hadden, om hunne aanhangers
-ongemerkt binnen de stad te brengen. Het eerst was de schoone
-hoofdkerk aan de beurt: de beelden, de schilderijen, het orgel, alles
-werd er vernield, terwijl de andere kerken en kapellen hetzelfde lot
-ondergingen. De magistraat was machteloos tegen de volkswoede en liet,
-na een vruchtelooze poging om de kathedraal te redden, de beeldstormers
-begaan. Van vijf uur in den avond tot 's morgens waren de verwoesters
-aan het werk en toen waren ongeveer dertig kerken en kapellen vernield.
-
-Van Antwerpen sloeg de beweging over naar Gent.
-
-Nauwelijks waren daar de geruchten van wat er in de groote Scheldestad
-was voorgevallen bekend geworden, of er ontstond een hevige
-beweging onder het volk. Men wist wel, wat er in de laatste dagen
-op het platteland was voorgevallen, maar dat telde niet. Doch nu te
-Antwerpen! Men had dan gedurfd! De ure der bevrijding was gekomen! De
-macht der geestelijkheid, waarvoor men zoolang had gesidderd, was
-nietig gebleken, en de regeering zelve had niets durven ondernemen,
-toen het Gereformeerde volk optrad en de teekenen der paapsche
-afgoderij neerwierp en verbrijzelde en de kerken zuiverde. Waarom
-niet te Gent zoo goed als te Antwerpen?
-
-Zoo had men geredeneerd en gevraagd en het gerucht liep door de stad,
-dat er des anderen daags--het was de 24ste Augustus--op de Vischmarkt
-een groote volksbijeenkomst zou plaats hebben, waar men de zuivering
-der kerken te Gent zou bespreken. Het "Vive le Geus" had den geheelen
-avond luide door de stad geklonken. Groote troepen volks liepen
-zingend rond. Soms klonken op de slepende wijzen van Clement Marot, de
-Datheensche psalmen door de straten, dan waren het weer Geuzenliederen,
-plotseling ontstaan, vervaardigd door onbekende dichters, maar die
-in enkele dagen door het heele land werden verspreid en gezongen.
-
-
- "Alle de Santen sijn gaen duyken,
- "Sy en doen geen miraaklen meer!"
-
-
-Zoo zongen de Gentsche Geuzen en de magistraat, de geestelijkheid en
-dat gedeelte der burgerij, dat de regeering en de oude religie trouw
-was gebleven, ze wachtten vol onrust en bekommering op de dingen,
-die komen zouden.
-
-Jacob Martens was dien avond vroeg naar zijn kamer gegaan. In het
-anders zoo vroolijke huisvertrek was het de laatste dagen weinig
-opwekkend. De president correspondeerde druk met de regeering te
-Brussel, en wanneer hij in den huiselijken kring verscheen, was zijn
-voorhoofd bewolkt en zijn toon kort en barsch. Het gelaat van Vrouwe
-Martens stond strenger dan ooit en hare woorden vielen koud als ijs
-en scherp als staal op haar zoon, den afvallige van zijn Koning en
-zijn Kerk. Madeleine bejegende hem koel en bits; met een smadelijk
-glimlachje zag zij neer op den dommen dweper, die zijn overtuiging
-dorst stellen boven haar, en Klaartje keek hem verschrikt met haar
-groote blauwe oogen aan, als kon zij het vreeselijk feit maar niet
-begrijpen, dat haar broeder een Geus, een ketter was geworden.
-
-De gebeurtenissen der laatste dagen hadden Jacob verontrust en
-ontsteld. Hij kon wat hij zag en hoorde niet overeen brengen met de
-eischen van Gods Woord en van zijn geweten. De ruwe baldadigheid der
-beeldstormers stuitte hem tegen de borst. De domme vernielzucht, die
-alles verwoestte en vertrapte wat schoon en liefelijk was, wat door de
-vrome vereering van vele eeuwen was gewijd, deed hem pijnlijk aan. Hij
-had den geloofsmoed der Hervormden bewonderd, hij had de macht hunner
-overtuiging erkend, hij had de kracht van hun geloof aan zijn eigen
-ziel ervaren,--maar was het noodig, om de zuivere Kerk van Christus
-te stichten, dat men zoo rauwelijk brak met het verleden? Eerde men
-den Christus, als men het kruisbeeld smadelijk vertrapte?
-
-De meesten zijner geloofsgenooten meenden het. Zij juichten de beweging
-met geestdrift toe en zij verwachtten blijkbaar, dat hij doen zou
-als zij. Was het dan misschien tòch een Gode welgevallig werk, dat
-zoo vele ernstige, vrome mannen het verdedigden en prezen? Was het
-laakbare zwakheid, gehechtheid aan de Paapsche afgoderij, zooals
-zijne geestverwanten het noemden, dat hij deze dingen niet zien kon
-zooals zij?
-
-Franciscus Junius alleen scheen er over te denken als hij. In de
-laatste dagen had hij den Franschen predikant, die zich nog altijd te
-Gent ophield, herhaaldelijk ontmoet, en hij had het bleeke, verstandige
-gelaat meer dan eens peinzend en bedrukt gezien. Junius zeide niet
-veel van de beeldstormerij. Hij was blijkbaar van oordeel, dat bij de
-algemeene opgewondenheid een afkeurend of waarschuwend woord niet zou
-worden aangehoord en dat hij, die het te kwader uur sprak, den invloed
-kon verliezen, dien hij in de moeilijke dagen, die aanstaande waren,
-maar àl te zeer zou behoeven. En hetzij terecht of ten onrechte,
-Junius verzette zich niet openlijk tegen den beeldenstorm, althans
-niet, toen die wellicht nog ware te keeren geweest.
-
-Toch keurde hij de beweging niet goed, Jacob wist het zeker. Hij had
-met den predikant over het Couter gewandeld, toen de drukke ijveraar,
-Lieven Ongena, beweeglijk als altijd, op hen was toegeschoten, en hen
-met luidruchtige betuigingen van blijdschap en instemming had verhaald,
-wat er te Antwerpen was voorgevallen. "Weldra," zoo verzekerde de
-man, "zou het volk te Gent het voorbeeld der Antwerpsche broeders
-volgen. Zou het dan, naar het oordeel van den Eerwaarden Junius,
-geraden zijn, zelf mee de hand aan het werk te slaan en als leider
-dier beweging op te treden?"
-
-Junius had den opgewonden man kalm en met een fijnen glimlach
-aangezien.
-
---"Wellieve broeder," had hij gezegd, "wij moeten alleen datgene
-doen, waartoe wij van God geroepen zijn. Gij hebt hiertoe geen
-gewone roeping, want ge zijt geen Magistraat en ge hebt geenerlei
-wettige bevoegdheid of autoriteit. En ge hebt ook tot dit werk geen
-buitengewone roeping, want ge vraagt mij om raad, en dat zoudt ge
-niet doen, als ge wist, dat ge tot dit werk van God geroepen waart."
-
-Lieven Ongena had op zijn neus gekeken, en had zich hoofdschuddend
-verwijderd, blijkbaar uit zijn humeur, omdat zijn ijver zoo weinig
-werd gewaardeerd.
-
-Maar anderen hadden gesproken, zooals hij. De beeldenstorm van
-Antwerpen had onder het volk luide toejuiching gevonden; er was
-gisting en woeling in de stad.
-
-Jacob had het venster van zijn kamer geopend, en, op het kozijn
-geleund, staarde hij naar buiten, in den schoonen zomernacht. Vóór
-hem lag de donkere stad, maar 't was er niet, zooals anders op
-dit uur, rustig en stil. Verwarde geluiden stegen op uit den nacht;
-gejoel en psalmgezang, geschreeuw en getier, dan weer de galm van een
-Geuzenlied. Van tijd tot tijd werden de donkere straten even verlicht
-door een rossen gloed, als er een troep, met harstoorts of pekkrans
-zwaaiend, daarheen trok.
-
-En plotseling stegen er uit die duisternis vreemde geluiden op,
-nu schril en schetterend en schel, als het hoongelach van duivelen,
-dan brommend en loeiend, als een monster in doodsangst. Het galmde en
-schaterde door de nauwe straten, en de Gentsche burgers, die deuren
-en luiken eerst angstig gesloten hielden, vertoonden zich nu met
-ontstelde gezichten aan hunne vensters, om te weten welke helsche
-macht er over hunne stad was losgelaten.
-
-Ook Jacob boog zich, verwonderd en ontsteld, voorover. Het gebriesch,
-het gillend gegalm kwam nader en nader, een tierende hoop kwam
-langs de "dulle Griete" de Vrijdaegsmarkt op, verlicht door
-hunne pekfakkels,--wrongen van zeildoek of werk, in teer gedoopt
-en aangestoken. Het rosse licht viel op de mannen en opgeschoten
-jongens, die voor aan den stoet liepen. Zij waren voorzien van lange,
-blinkende instrumenten, waarin zij bliezen met de volle kracht hunner
-longen, onder het geschater der omstanders. Eén oogenblik stond Jacob
-verbaasd; toen begreep hij wat er gaande was, en hij schaamde zich
-voor zijn angst. Die instrumenten waren de orgelpijpen der Antwerpsche
-kerkorgels, door de beeldstormers naar Gent gebracht, en uitgedeeld
-onder het grauw.
-
-En al gillend en huilend voorspelden ze den ondergang van de
-heiligenbeelden te Gent.
-
-Den volgenden morgen was Jacob al vroeg op straat. Hij vreesde,
-dat zijn vader hem zou verbieden, het ouderlijk huis te verlaten en
-een koortsachtige nieuwsgierigheid dreef hem naar buiten, om te zien
-wat er zou gebeuren. Want dat de beeldenstorm dien dag naar Gent zou
-overslaan, stond vast.
-
-Het was druk op straat. De meeste gildebroeders hadden zich uit eigen
-beweging naar hunne loopplaatsen begeven, en wachtten op de bevelen
-hunner overlieden. Evenals den vorigen avond trokken er troepen volk
-door de stad, soms benden opgeschoten knapen, tierend en schreeuwend,
-blijkbaar in hun element, maar ook wel andere groepen, mannen met
-stroeve gezichten en saamgeknepen lippen, of anderen, met wilde,
-dwepende oogen, die in woeste geestvervoering de Datheensche psalmen
-zongen. Het volk stroomde naar het Raadhuis, waar de overheid, de zes
-en twintig "mannen oprechte", en de overlieden der twee en vijftig
-ambachten en der wevers, waren vergaderd, onder voorzitterschap
-van den Hoog-baljuw. Jacob volgde den stroom en bevond zich weldra
-voor het eerwaardige gebouw. Juist kwam hij er aan, toen hij een
-groep burgers zag, die de trappen van de hooge stoep opklommen. Hij
-herkende terstond eenige der voornaamste Gereformeerden en aan hun
-hoofd, met een grooten, gezegelden brief in de hand, bevond zich de
-roerige Lieven Ongena,--die weinig vermoedde, dat die gang hem binnen
-weinige maanden het hoofd zou kosten.
-
-Na eenigen tijd kwam de deputatie terug, ditmaal vergezeld door een
-wacht van hellebaardiers. Het gezicht van Lieven Ongena glom van
-genoegen, zijne onrustige oogen flikkerden zenuwachtig en met luider
-stem riep hij het volk toe:
-
---"De beelden worden weggenomen op last van Mijnheer den
-Hoog-Baljuw! Naar St. Baef!"
-
---"Naar St. Baef! Naar de kerk!" jubelde het volk. "Weg met de
-Santen! Weg met de afgodsbeelden!"
-
-En juichend, onder het zingen van psalmen en Geuzenliederen, trok
-men naar de hoofdkerk.
-
-Vol verbazing over de zonderlinge toegeeflijkheid van den Hoog-baljuw
-sprak Jacob Martens een van de leden der deputatie aan, dien hij kende.
-
---"Zeg mij toch eens, Meester Geleynsz, hoe heeft Lieven Ongena dàt
-er door gekregen?" vraagde hij nieuwsgierig.
-
-De Gentenaar lachte spottend.
-
---"Ze zijn daarginds met blindheid geslagen of zot!" zei hij. "Lieven
-Ongena trad stout voor den Hoog-baljuw en zeide, dat er last was, om
-de beelden uit de kerken weg te doen. "Van wien is die last?" vraagde
-men. "Van de hoogste Majesteit!" zei Lieven en hij wees op zijn
-verzegeld perkament. En zoudt ge 't gelooven? de ezel liep in den
-strik en zei, dat hij 's Konings bevel moest gehoorzamen. Lieven
-Ongena bedoelde natuurlijk, dat men de beelden moest afwerpen volgens
-den last des Heeren, in het tweede gebod."
-
-Zóó was het. Het ongelooflijke was geschied. Al is 't niet aan te
-nemen, dat de weifelende Adolf van Bourgondië inderdaad meende, dat
-er een bevelschrift der hooge Regeering was, om een daad te plegen,
-die zij moest verfoeien, hij verschool zich achter die bewering, om
-oproer te voorkomen. "De beelden zouden ordelijk worden weggenomen
-en geborgen, en niemand zou eenig geweld plegen."
-
-Maar zoo hij gemeend had, op deze wijze den storm te bezweren, het
-mislukte hem deerlijk. Wat Lieven Ongena wellicht had beloofd, hij
-was er de man niet naar, om een volksbeweging te leiden. Nauwelijks
-waren de kerkdeuren van St. Bavo geopend, of het volk, door eenige
-Antwerpsche beeldstormers geleid, drong de kerk binnen en begon het
-werk der verwoesting.
-
-Waar men zoo spoedig de ladders, de touwen en het overige gereedschap
-vandaan haalde, begreep Jacob niet, maar in een oogenblik stonden de
-hooge leeren tegen de zuilen der kerk en jonge gasten klommen als
-katten naar boven. Om het hoofd der heiligenbeelden werd een strop
-geslagen. "Berg je beneden!" klonk het en een schaar van mannen
-en vrouwen spanden zich juichend aan het afhangend touw. Nog een
-oogenblik en het zware beeld stortte van zijn voetstuk en viel op de
-zerken te pletter.
-
-Van een geregeld wegnemen en opbergen der beelden en schilderijen,
-zooals de leiders misschien hadden bedoeld, kwam niets. Het volk was
-niet te houden. Jacob Martens, die niet ver van het altaar het werk der
-verwoesting aanschouwde, zag met ontzetting de uitbarsting van den wrok
-van het lang geplaagde volk. Het aantal van hen, die eigenlijk het werk
-deden, was niet zoo groot, maar de schare stond er bij, en zag het aan,
-met kennelijk welgevallen, soms met luide toejuiching. Hij zag, hoe
-eenige jonge knapen zich van een langen sliet hadden meester gemaakt
-en er onder luid gelach de schoone schilderijen, de meesterwerken der
-oude Vlaamsche school, die de wanden der kerk versierden, mee stuk
-stieten. Geschilderde glazen en fraai houtsnijwerk, gouden en zilveren
-kelken en gedreven koperwerk, alles werd vernield en vertrapt door
-de fanatieke menigte, die van kunst geen begrip had en in dit alles
-slechts de symbolen zag van een eeredienst, dien zij verfoeide.
-
-Het altaar was tot nog toe gespaard. Het was, alsof een zekere schroom
-de beeldstormers had weerhouden zich te vergrijpen aan wat velen hunner
-in hun jeugd heilig was geweest. Nu vloog echter een schippersknecht
-de trappen op, stiet de gewijde kaarsen omver en rukte het ciborium
-open. Hij nam den monstrans en hield dien een oogenblik in de hoogte,
-terwijl hij spottend den priester nabootste. Toen opende hij de vaas
-en nam er de gewijde ouwels uit.
-
---"Melis! Melis! Jan de Witte!" [1] juichte het volk.
-
---"Wie wil een God?" schreeuwde de schipper. "Wie er aan een niet
-genoeg heeft, kan er twee krijgen."
-
---"Ik! Geef hier!" klonk het van alle kanten.
-
---"Pak aan!" En in een oogenblik waren de ouwels verdeeld onder
-het tierende volk, dat er met baldadigen spot allerlei ruwe grappen
-mede uithaalde.
-
-In minder dan een uur was de trotsche hoofdkerk een ontredderde romp
-en de beeldstormers, die zagen, dat de overheid hen hun gang liet gaan
-en zelfs geen poging waagde om het oproer te onderdrukken, togen naar
-de andere kerken en de kapellen der kloosters, om daar het werk der
-verwoesting voort te zetten.
-
-Jacob raakte met het volk op straat en zag de joelende menigte
-aftrekken. Juist stond hij besluiteloos, of hij de beeldstormers
-zou volgen, of naar huis terugkeeren, toen hij een man den hoek der
-straat zag omslaan, in wien hij tot zijne blijdschap Franciscus Junius
-herkende. Hij snelde den predikant tegemoet.
-
---"Wat een dag, Eerwaarde! Hebt gij 't gezien? Wat zal daarvan worden?"
-
---"Wat daarvan worden zal, is den Heere God bekend!" zeide hij. "Maar
-ik vreeze zeer, dat die van onze religie door deze onberaden daad
-zelf de koorden hebben gedraaid, waarmede men ze ter slachtbank
-zal sleepen!"
-
---"Maar de beelden in de kerken..."
-
---"Zijn stomme afgoden! Hun tijd zou vanzelf wel gekomen zijn! Niet met
-hen behoorde men te beginnen, waar het geldt, de zuivere Kerke Christi
-te stichten. Maar het dwaze volk ziet slechts aan wat voor oogen is!"
-
---"Maar als toch uw vriend Treslong gelijk heeft? Als dit het begin
-van den opstand was...?"
-
-Een pijnlijke glimlach speelde om de lippen van den Franschman.
-
---"Wellieve broeder," zei hij vriendelijk, "ge zijt nog jong en
-moet de menschen nog leeren kennen. Jan Blois van Treslong heeft een
-hart van goud en is dapper als een leeuw, maar hij is allerminst een
-staatsman. In den strijd kunt ge op hem rekenen, maar niet in de ure
-der beproeving!"
-
---"Neen," ging hij voort, terwijl hij peinzend voor zich uit
-staarde. "Deze beweging komt te vroeg, en zij had ook zóó niet moeten
-komen. Dit volk heeft geen leiders. Er moeten nog andere tijden komen,
-eer de mannen zullen opstaan, die het groote werk zullen volbrengen. Op
-Gods tijd zal Hij den Mozes zenden, die Zijn volk verlossen zal uit
-het diensthuis van Egypte!"
-
---"Maar als nu toch de edelen zich eens aan het hoofd zetten der
-beweging?"
-
---"De edelen? Reken niet op hen! O, ik heb ze wel doorzien, daarginds
-te St. Truyen. Wat al lichtzinnigheid, en eerzucht en valsche ijver! Ge
-zult het zien: de Roomsche edelen zullen zich thans terugtrekken
-en de Gereformeerde zullen bevreesd zijn voor de gevolgen van hun
-optreden. Neen, jonker Martens, onder hen schuilt de Mozes niet!"
-
-Al sprekende waren zij op de Vischmarkt aangekomen, waar Junius
-eenige leiders der Gereformeerden hoopte te ontmoeten. Hun aandacht
-werd weldra getrokken door een oploop. Een hoop volk, grootendeels
-bestaande uit vischwijven en straatjongens, had zich verzameld bij
-den ingang der overdekte halle, op de plaats, waar nog dien morgen
-het groote kruisbeeld had gestaan. Toornige kreten en nu en dan een
-daverend gelach stegen uit den hoop op.
-
-Naderbij gekomen, zagen Junius en Jacob Martens, dat een aantal
-opgeschoten kwajongens een ouden monnik plaagden en sarden. Zij hadden
-een kring om den ouden man gevormd en wilden hem niet doorlaten, voor
-hij hun de absolutie had gegeven, die zij met luid misbaar van hem
-eischten. De monnik van zijn kant verkeerde blijkbaar in een toestand
-van dolle opgewondenheid. Het oude gezicht was hoogrood gekleurd,
-hij dreigde de spottende knapen met de gebalde vuist en schold en
-vervloekte hen, beurtelings in het Vlaamsch en in slecht Latijn.
-
---"Apage te, Satanas! Voort, kettersch gespuis, uitbroedsel der
-hel! Maledicat vos Deus omnipotens! Blijf af van den gezalfde des
-Heeren met je vuile drakenpooten!"
-
---"Absolutie, pater, geef ons de absolutie!" schreeuwden de bengels,
-terwijl zij den ouden man aan zijn pij heen en weer trokken. "De
-absolutie! Dan laten we je gaan!"
-
---"Dat moet niet voortgaan!" zei Junius verontwaardigd. "Kom, jonker!"
-
-En door Jacob geholpen, stiet hij de grinnekende vischwijven op zijde
-en bevrijdde den ouden man uit de handen zijner plaaggeesten.
-
---"Meent gij de zaak des Heeren en die der Kerk te dienen door het
-mishandelen van een grijsaard?" voegde hij de verblufte knapen in
-gebroken Vlaamsch toe.
-
-De toon van gezag, waarmede hij hen toesprak, en zijn deftige
-kleeding boezemden den ruwen klanten ontzag in. Toch zouden ze zich
-waarschijnlijk niet lang hebben laten terughouden, zoo een paar hunner
-den predikant niet hadden herkend.
-
---"Ds. Junius! De Waalsche predikant!" werd er gemompeld, en de
-aanvallers traden bedremmeld terug.
-
-Maar de oude monnik, wel verre van den man dankbaar te zijn, die hem
-van zijn kwelgeesten had bevrijd, trad bij het hooren van dien naam
-met een van woede vertrokken gezicht op den predikant toe.
-
---"Zijt gij Junius?" krijschte hij. "De sectaris, de aartsketter,
-de verloopen Hugenoot? Gij zijt de aanstoker van deze plonderfielen,
-de deken van deze rabauwige tempelschenners! Geef mij het zilveren
-zegel terug, dat die dieven uit St. Jan hebben gestolen! Ze hebben
-het u gebracht..."
-
---"Man, wat raaskalt gij? Wat weet ik van uw zegel?" riep Junius.
-
---"Gij zijt de dief, ja, de dief!" gilde de oude. "Geef het terug,
-Judas!"
-
-Met uitgestrekte grijpvingers drong hij op den predikant aan, maar
-de omstanders hielden hem tegen.
-
---"Ziet gij wel, Eerwaarde," riepen zij, "dat de paap bezeten is? Laten
-wij hem in 't kanaal gooien, om te zien, of hij drijft."
-
---"Laat den man gaan!" zei Junius met gezag en in het Fransch vervolgde
-hij tot Jacob: "De schrik heeft den oude zinneloos gemaakt!"
-
-Tierend en scheldend verwijderde zich de oude monnik.
-
-Junius wendde zich tot zijn metgezel.
-
---"Zoo zal het gaan!" zeide hij. "Wij zullen worden beschuldigd,
-dat wij deze zaak hebben gewild. Wat eenige baldadigen en onbedachte
-ijveraars hebben bedreven, zal op allen worden verhaald. En dat
-juist thans! Weinig dingen, die Mevrouw van Parma en haar raadgevers
-zóó van pas konden komen, tot schade van de goede zaak en de Kerke
-Christi. Doch, de Heere God regeert!"
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-
-Bij het uitbreken van het oproer, bij het vernemen van het stoutmoedig
-optreden der beeldstormers was de Landvoogdes eerst radeloos
-geweest. Zij vreesde het ergste; zij had zelfs uit Brussel willen
-vluchten en slechts met moeite, bijna met geweld, hadden Oranje,
-Egmond, Hoorne en Viglius haar kunnen bewegen, van dien stap af te
-zien. Toen had zij, bevreesd voor den omvang der oproerige beweging,
-bewilligd in een verdrag, waarbij de plakkaten werden geschorst en de
-openbare prediking aan die van de Nieuwe Religie werd toegestaan. En
-inderdaad, wat de Regeering op dat oogenblik door geen geweld van
-wapenen had kunnen verkrijgen, het werd door dit besluit als met een
-tooverslag bereikt. De oproerige bewegingen hielden op. De Geuzen
-legden de wapenen neder en de mannen van Vlaanderen en Brabant keerden
-tot hun dagelijkschen arbeid terug. Zij wilden niet opstaan tegen hun
-Landsheer. Zij verlangden slechts vrijheid, om hun God te dienen naar
-de inspraak van hun geweten, zonder voor zichzelf en voor hun dierbaren
-te moeten vreezen voor de gehate Inquisitie, voor kerker en schavot.
-
-Wat ook misschien in die dagen van woeling de politieke bijoogmerken
-mochten zijn van de leiders der beweging, het volk deed niet aan
-politiek. Het vroeg slechts naar datgene, wat het het naast aan
-het hart lag,--waarop het een heilig recht had. En in een lange en
-bange worsteling heeft dat volk bewezen, dat het voor dat recht alles
-veil had!
-
-Maar toen Margaretha van Parma zag, dat de storm voor het oogenblik
-was bezworen, herademde zij, en weldra bleek het, dat zij zou doen,
-wat zij kon, om aan de bepalingen van het haar afgedwongen verdrag te
-ontkomen. De beeldstormers werden overal met de grootste gestrengheid
-vervolgd,--dit was te begrijpen--maar ook de bepalingen omtrent de
-vrije prediking des Woords werden niet nagekomen. Overal, waar men
-er kans toe zag, werd den Hervormden de voet dwars gezet.
-
-En ondertusschen wapende zich de Landvoogdes om een tweeden opstand met
-geweld te kunnen onderdrukken. Zij nam troepen in dienst, die onder
-aanvoering stonden van hare getrouwe aanhangers, en zij schreef aan
-den Koning, dat hij toch spoedig zou komen om den oproerigen geest
-der landzaten voorgoed te fnuiken...
-
-
-
-Met een bedrukt hart zat Vrouwe Martens in haar bidvertrek.
-
-Zij was in zware zorg. Het was haar spoedig genoeg ter oore gekomen,
-dat haar zoon zich had bevonden onder de beeldstormers van St. Bavo. De
-Hoog-baljuw had het den president zelf meegedeeld: zijn spionnen hadden
-Jacob Martens gezien; zij hadden ook gezien, hoe hij, in gezelschap
-van den beruchten ketterschen predikant Junius, de hoofdkerk had
-verlaten. Op de hevige verwijten, die men hem had gedaan, had Jacob
-geantwoord, dat slechts een begrijpelijke nieuwsgierigheid hem naar
-buiten had gedreven, dat hij aan de beeldstormerij geen deel had
-genomen en dat hij die woeste uitspattingen der vernielzucht zeer
-zeker niet goedkeurde. Zijn ouders hadden hem nauwelijks geloofd in
-hun angst en hun opgewondenheid,--en voor dien angst was er reden
-genoeg. Vrouwe Martens wist van haar man, dat de Regeering, een
-oogenblik onthutst, weldra weer moed had gevat, toen zij zag, dat de
-beweging geen verdere gevolgen had, en dat zij zich gereed maakte voor
-een vreeselijke wraakoefening. Zij kon het doen, want het aantal der
-ontevreden edelen, ontnuchterd en verschrikt door de gevolgen van hun
-verzet, hadden de zaak der vrijheid verlaten en zich aan hare zijde
-geschaard. Zelfs Egmond, de stadhouder van Vlaanderen,--een der "drie
-Heeren", die het de Landvoogdes soms zoo bang maakten,--stemde in met
-de plannen voor een geduchte strafoefening en zou eerlang persoonlijk
-zijn gewest bezoeken, om er de vervolging der schuldigen te leiden.
-
-Hoe gemakkelijk kon Jacob in die vervolging worden betrokken! Ja,
-wat meer was, hij was schuldig volgens de plakkaten, door zijn
-omgang met Junius, die zelfs bij de Moderatie buiten de wet was
-gesteld. Welke gevolgen zou dit alles hebben voor Jacob zelf? En ook
-voor zijne ouders?
-
-En meer dan dit alles kwelde de vrome Katholieke de angst om het
-zieleheil van haar kind, haar bittere smart, dat hààr kind, hààr zoon
-was afgedoold van de immers toch alléén zaligmakende Moederkerk,
-dat het besmettelijk euvel der ketterij ook hem had aangetast en
-dat hij voor eeuwig verloren was. Zij had hem lief, op hare wijze,
-een liefde, die zich nimmer toonde in eenig zacht of liefkoozend
-woord, die zij immer zorgvuldig verborg, als een zwakheid, die
-zij zich schaamde, maar toch een echte, sterke liefde, die er niet
-voor zou hebben geschroomd, om haar eigen zaligheid te verbeuren,
-als zij er die van haar zoon mee had kunnen koopen. Vele uren had
-zij doorgebracht op haar bidstoel; tallooze malen gleden de kralen
-van haar rozenkrans door hare vingeren, als zij de Moedermaagd, haar
-bijzondere patronesse, smeekte, om haar zoon terug te voeren van zijn
-doolweg, om hem te redden van de eeuwige pijnen der hel, om hem te
-behoeden ook voor de gevolgen zijner dwaasheid in de naaste toekomst,
-voor het zwaard van den beul misschien!
-
-Ook ditmaal was zij weder verzonken geweest in het gebed, maar het had
-haar geen troost gebracht. Droevig staarde zij naar het Mariabeeld:
-de Moeder Gods moest toch weten, wat in haar omging, zij, die zelve
-van zoovele smarten was doorstoken, aan den voet van het Heilige Kruis.
-
-Zij had haar nood geklaagd aan haar biechtvader, den goeden,
-ouden pastoor der St. Jacobskerk, maar de grijsaard had haar niet
-veel troost kunnen geven, en haar slechts opgewekt tot vurig gebed
-en--berusting. En berusting was wel het moeilijkst voor een natuur
-als die van Vrouwe Martens.
-
-Plotseling staarde zij strak voor zich uit. Een licht rood kleurde
-haar bleeke wangen. Een gedachte was in haar opgerezen, die redding
-kon brengen: dat was eene verhooring van haar gebed, eene ingeving
-van de Heilige Maagd!
-
-Zij zou zich wenden tot den geleerden en vromen prior van het
-Dominicaner klooster. Vader Anselmus, een man, die gezien was bij
-hoog en laag, om zijn edel hart en zijn kloek verstand, en van wien
-slechts de inquisiteur Titelman en zijn aanhangers beweerden dat hij
-te laks was in zijn ijveren tegen de ketters.
-
-Vrouwe Martens kende den prior. De eerwaardige man, die anders zijn
-studeercel zelden verliet, had haar en haar echtgenoot enkele malen
-bezocht, om te spreken over zekere landerijen van het klooster,
-welke grensden aan een stuk land van den president. Zij had toen een
-goeden indruk ontvangen van de kalmte en het beleid, waarmede Vader
-Anselmus de zaken behandelde. Later had hij zijn bezoek herhaald;
-er was toen ook gesproken--kon het wel anders?--over den toestand
-des lands, en hoewel de vurige ziel van Vrouwe Martens geen vrede
-kon hebben met de rustige beschouwingen van den ouden priester, die
-haar halfheid en lafheid toeschenen, een weifelaar slechts waardig als
-Hopperus, toch had zij als goede Roomsche een diepen eerbied voor zijn
-priesterlijk ambt en geestelijke waardigheid. Wellicht gevoelde zij,
-dat hij de afdwalingen van haar zoon zachter zou beoordeelen dan zij
-zelve het vermocht.
-
-Snel stond zij op. Na zich als een goede huisvrouw overtuigd te hebben,
-dat Klaartje en Madeleine, zoowel als hare dienstboden, het haar
-opgedragen huiswerk inderdaad behoorlijk volbrachten, hing zij haar
-huik om en verliet het huis. 't Was stil op straat, een doodsche,
-leege stilte, na de opgewondenheid van weinige dagen geleden. Het
-was of Gent, na de woeste oproerkreten en de uitspattingen van den
-beeldenstorm, verschrikt over eigen roekeloosheid, thans sidderend
-den slag afwachtte, die dreigde, dreigde--en maar al te spoedig en
-te onbarmhartig zou treffen.
-
-Vrouwe Martens had weldra het klooster der Dominicanen of Predikheeren
-bereikt: een statig gebouw, aan den waterkant van de gekanaliseerde
-Leye, die hier langs steenen kaden door de stad stroomde. Zij
-noemde haar naam aan den broeder-portier, en weldra stond zij in de
-kloosterbibliotheek tegenover den prior.
-
-Zij begon haar verhaal, eerst stroef en kort,--maar de meewarige
-blik van den grijsaard, die haar lijden begreep, boezemde haar
-vertrouwen in en maakte haar tong los. Tranen, heete tranen van smart
-en teleurstelling, vloten de fiere vrouw langs de wangen; zij sidderde
-voor het eeuwig heil van haar zoon, maar niet minder haast leed zij,
-onder de krenking van haar trots, wanneer zij dacht aan al wat haar
-eerzucht van Jacobs toekomst had gedroomd,--droomen, die wel nimmer
-verwezenlijkt zouden worden. Wat zou het lot zijn van den ketter,
-den rebel?
-
-De grijze priester had haar zwijgend aangehoord.
-
-Toen zij uitgesproken had, schudde hij droevig het grijze hoofd.
-
---"Het zijn booze tijden, Vrouwe Martens!" zeide hij, "en ik vreeze
-zeer, dat nog boozere in aantocht zijn. De afval is groot--en men
-zal dien nog grooter maken door onverstandige strengheid. Wat men
-had moeten trekken met koorden der liefde, heeft men willen drijven
-met den staf van het geweld,--en nu moet men wel voortgaan op dien
-weg. Wel moeten onze zonden groot zijn voor Gods aangezicht, dat Hij
-zijne Kerke aldus bezoekt."
-
---"Maar de ketters en sectarissen zijn toch vijanden van God en zijn
-Kerk, Vader," zei Vrouwe Martens heftig.
-
---"De ketters zijn de dwalende schapen der Kerk," zeide de prior
-kalm. "De goede herder moet ze terugbrengen tot de kudde, en ze niet
-heendrijven naar de grijpende wolven."
-
---"Maar de Inquisitie, Vader..."
-
---"De Inquisitie is goed bedoeld, maar verkeerd begrepen. Zij moest
-ten zegen en ter redding zijn, en zij is een vloek geworden voor deze
-landen. De Inquisitie moest zijn de arts, die de krankheid naspeurt,
-de wonde peilt om haar te genezen, niet de rechter, die de misdaad
-zoekt om haar te straffen. Ook gij, dochter, met uw echtgenoot,
-hebt dwaas en zondig gehandeld tegenover uw zoon."
-
-Trotsch hief Vrouwe Martens het hoofd op; een scherp antwoord rees
-haar op de lippen, en al de eerbied, dien het ambt en de leeftijd
-van den prior haar inboezemden, was noodig om haar te beletten het
-te uiten. Toch kleurde zij van ergernis.
-
---"Wat natuurlijker," ging Vader Anselmus voort, "voor een
-jong en edelmoedig herte, dan dat het medevoelt met ellendigen en
-verdrukten. En hoe snel komt de onbedachte jeugd er niet toe, om partij
-te trekken voor wat haar verdrukt schijnt, zonder te vragen naar de
-oorzaak van het leed, dat zij wil verzachten. Uw zoon heeft gedwaald,
-maar 't is de dwaling van een edel gemoed. En in plaats van hem met
-liefde te leiden hebt ge hem met harde, bittere woorden bejegend,
-en hem zóó voortgedreven op zijn weg, voort naar de sectarissen,
-tot gij zelve vreest, dat hij betrokken zal worden als medeschuldige
-aan hun heiligschennend werk."
-
-Jacobs moeder boog bedroefd het hoofd.
-
---"Maar wij willen hem redden," ging de prior voort. "Ik geloof
-met u, dat de regeering de rebellen zwaar zal straffen, en dat wie
-in de eerste hitte des toorns worden getroffen, voor velen zullen
-boeten. Maar de "vrijheid" van ons klooster, ons recht van vrijplaats,
-is nog nimmer aangetast. Spreek met den president, en breng ons uw
-zoon, voor eenige weken, voor eenige maanden misschien. Men zal den
-zoon van den president van Vlaanderen, wiens ijver voor de zaak des
-Konings bekend is, niet al te zeer zoeken, meene ik. Men zal ook
-deernis hebben met zijne jonge jaren. Hij zal hier veilig zijn,
-en als hij wil, kan hij de studie der oude Heidensche schrijvers
-weder opvatten, waarbij ik hem gaarne naar mijne zwakke krachten
-zal bijstaan."
-
-Vrouwe Martens slaakte een zucht van verlichting. Dit voorstel
-bracht inderdaad redding. Zelfs al wilde men Jacob vervolgen om zijn
-omgang met Junius, en het deel, dat hij, zij het dan als lijdelijk
-toeschouwer, had genomen aan de beeldstormerij, onder de hoede der
-Dominicanen zou hij veilig zijn. En wie kon er beter geschikt zijn,
-om hem van zijne kettersche afdwalingen te genezen, dan een heilig man,
-als de prior?
-
-Maar haar gelaat betrok weder.
-
---"Ik vreeze, Eerwaarde Vader," zeide zij onrustig, "dat mijn zoon
-zóó is aangetast door het gif der ketterije, dat hij mogelijk niet
-zal inzien, wat tot zijn heil dient en zal weigeren, zich onder uw
-hoede te stellen. Dat ik het van mijn kind getuigen moet! Hij is
-onze gehoorzame zoon in alle dingen, maar in zake van deze rebellie
-en ketterije hebben wij geen invloed meer op hem, zijn vader, noch
-ik. Zouden wij dan... met geweld..."
-
-Vader Anselmus schudde afkeurend het hoofd.
-
---"Geen geweld en geen dwang, dochter, het zou den knaap slechts
-verbitteren, en daarbij,--nog is alles in gisting, nog hebben die van
-de Calvinische secte grooten aanhang in de stad,--het ware wellicht
-niet geraden. Er zijn andere wegen om een jeugdigen dwaas te redden,
-al is het tegen zijn wil. Luister! Kom morgen met uw zoon naar den
-vesperdienst in onze kapel. Na den dienst zal een der broeders u
-tot mij leiden. Ge verlaat het klooster,--en ge laat het mij over
-met den jonker Martens te spreken. Zoo ge hem misleidt, het is voor
-zijn welzijn. Een tijd van stille afzondering zal hem heilzaam zijn
-en met de hulpe van onzen heiligen Patroon geef ik hem u terug als
-een gehoorzamen zoon en een goed Christen."
-
-Blijde stemde Vrouwe Martens in met het voorstel van den prior. Met
-een verlicht hart verliet zij het klooster en zocht, thuisgekomen,
-aanstonds den president op, met wien zij een langdurig onderhoud had.
-
-Op bevel van zijn vader had Jacob sinds den beeldenstorm de ouderlijke
-woning niet verlaten. Hij wilde zich in alles, waar hij het kon en
-mocht, een goeden en gehoorzamen zoon toonen. Het smartte hem, dat hij
-zijne ouders een groot verdriet moest aandoen, maar mocht hij, ja kòn
-hij anders? Hij kon haar niet dooden, die diepgevoelde overtuiging,
-die er leefde in zijn ziel en die het beste was, wat hij bezat. Hij
-kon evenmin huichelen. Wat kon hij dan anders, dan zwijgen, dulden,
-en afwachten?
-
-Inmiddels kropen de dagen traag voorbij. Zijn boeken en zijn
-Liesveldsche Bijbel, dien hij met zijn geuzenpenning zorgvuldig
-verborgen had gehouden, waren zijn eenige troost. Berichten van zijne
-vrienden konden hem niet bereiken, want president Martens had strenge
-bevelen gegeven, dat niemand bij zijn zoon mocht worden toegelaten. Wat
-hij nog vernam, hetzij door de fluisterende gesprekken der dienstboden,
-die hij opving, of uit de weinige woorden, die zijne ouders aan tafel
-wisselden, waren geruchten over de dreigende houding der Regeering,
-over den toorn des Konings en over de ellende, die de oproerige edelen
-en hun aanhang over het land brachten. Zijn vader was kortaf en stroef,
-zijne moeder, als altijd, hard en koud, Madeleine behandelde hem met
-smalende minachting en wees elke poging tot verzoening af. Alleen
-zijn zuster trachtte hem te troosten, maar haar troost baatte
-hem niet veel. De goede Klaartje kon maar niet begrijpen, waarom
-Jacques opeens zoo koppig en dwars was geworden. Wat konden hem toch
-die Geuzen schelen, die oproermakers, waarvoor zij bang was en die
-kettersche predikanten, wier eenige toeleg immers was, de menschen
-in 't verderf te storten. Haar biechtvader had het haar verzekerd
-en haar moeder geloofde het ook. Waarom kon Jacques weer niet zijn
-als vroeger en ter misse en te biecht gaan? Dan zou alles weer goed
-zijn en met Madeleine zou het dan ook wel weer in orde komen, want
-die hield zich maar boos.... En haar mooie, blauwe oogen keken den
-armen Jacques verwijtend aan.
-
-Niet weinig was Jacob verwonderd, toen zijne moeder hem, op zachter
-toon dan gewoonlijk, verzocht haar te vergezellen naar den vesperdienst
-in de kapel van het klooster der Predikheeren. Die kapel was nog
-ongeschonden. Was het toeval? Hadden de hooge kloostermuren haar
-beschermd, of was de gunst, waarin de Predikheeren zich bij het volk
-mochten verheugen, hun in deze woelige dagen te stade gekomen? Hoe het
-zij, de kapel was niet door de beeldstormers bezocht en het klooster
-had geen last geleden. Het kon niemand verwonderen, dat Vrouwe Martens,
-nu haar parochiekerk, de oude St. Jacobus, was vernield en ontwijd,
-den dienst ging bijwonen in de stille kapel.
-
-Jacob was terstond bereid; hij was verheugd over dit bewijs van
-toenadering. Zelfs al meende zijne moeder, dat hij, door haar te
-vergezellen, tegen zijn overtuiging handelde en dat hij reeds begon
-te wankelen, dan mocht hij toch haar wensch niet weerstreven. Hij
-nam zijn bonnet en den korten Spaanschen mantel, die toen reeds door
-aanzienlijke jongelieden werden gedragen, en hij maakte zich gereed
-zijne moeder naar het Dominicanerklooster te vergezellen.
-
-Toen hij zijn kamer verliet, en de breede trap afdaalde naar het
-voorhuis, ontmoette hij de beide meisjes. Madeleine wierp hem een
-vreemden, spottenden blik toe, terwijl zij coquet met een medaille van
-Onze Lieve Vrouwe van Halle speelde, die aan een snoer van gouddraad
-om haar hals hing. Klaartje echter viel haar broeder onstuimig om
-den hals, en kuste hem, met tranen in de oogen.
-
-Juist wilde hij haar vragen, wat toch haar tranen en haar
-hartstochtelijke teederheid beteekenden, toen de gebiedende stem
-zijner moeder in het voorhuis klonk. Met een kus en een schertsend
-woord maakte hij zich los uit de armen zijner zuster, en na een
-hoffelijken groet aan joffer de Bette, snelde hij ijlings naar beneden.
-
-De avond was reeds gevallen, toen moeder en zoon het klooster
-bereikten. De groote poort, die anders des morgens en des avonds open
-stond, om de geloovigen, die dat mochten verlangen, de gelegenheid te
-geven de mis of de vesper in de kloosterkapel bij te wonen, was thans,
-met het oog op de onrustige tijden, gesloten. Ook het kloosterklokje
-klepte niet: de klokken der kerken en kapellen van Gent, die anders
-zoo vroolijk jubelend konden beieren bij mis of vesperdienst, zwegen nu
-over de ontwijde bedehuizen en de kapel der Dominicanen stemde in met
-den algemeenen rouw der Kerk. Mogelijk wenschte men ook wel de aandacht
-van het nog altijd oproerige gemeen niet op het klooster te vestigen.
-
-De ijzeren klopper dreunde op de eikenhouten deuren; het gebaarde
-gelaat van den broeder portier verscheen een oogenblik voor het
-getraliede luikje; toen ging de poort open en Vrouwe Martens trad
-met haar zoon binnen.
-
-Een tweede binnenpoort, eveneens van zwaar eikenhout, met ijzeren
-bouten en klinknagels beslagen, gaf toegang tot het "claustrum",
-het eigenlijk gezegde klooster, afgesloten van de woelige wereld
-daarbuiten. Zij bevonden zich nu in de groote kruisgang, die heenleidde
-naar de verschillende gedeelten van het reusachtig gebouw. De dienst
-zou spoedig beginnen. Van alle kanten verschenen de spookachtige
-gedaanten der monniken, in hunne witte pijen, met de kappen diep over
-de oogen getrokken en de handen gevouwen onder het zwarte scapulier,
-om zich op te stellen in het claustrum voor den gang ter kapel.
-
-Vrouwe Martens en Jacob gingen den zwijgenden stoet voorbij en
-betraden de kloosterkerk. Een jonge monnik, geknield bij de deur,
-bood hun het wijwater aan en met een donkeren blik zag de moeder,
-dat haar zoon de heilige gave met een lichte handbeweging afwees.
-
-In het middenschip der kapel gekomen, in de ruimte, voor de geloovigen
-buiten het klooster bestemd, knielde Vrouwe Martens neder, terwijl
-Jacob bleef staan in de schaduw van een der zware pilaren, waar
-hij den dienst onopgemerkt kon bijwonen. Een oogenblik nog, en de
-witte stoet der monniken, door hun prior voorafgegaan, schuifelde
-de kapel binnen. De monniken en conversen namen hun plaatsen in,
-het hamertje van den prior gaf het teeken, allen stonden op en de
-krachtige mannenstemmen hieven een "Gloria in excelsis!" aan.
-
-Met ongeduld wachtte Jacob in de schaduw van zijn pilaar op het
-einde van den dienst. Als meer jonge menschen, die zich pas een eigen
-overtuiging verworven hebben, was hij geneigd tot eenzijdigheid en
-overdrijving. Hij vergeleek den vormendienst der zingende monniken met
-de eenvoudige verkondiging van het Woord Gods onder den blauwen hemel,
-het Latijnsche kerklied met het goed-ronde Vlaamsch der Datheensche
-psalmen, het versierde altaar met de flikkerende kaarsen bij het
-zonlicht, dartelend door het jonge gebladerte ter "groene preek",--en
-met minachting wendde hij zich af van de oude religie en hare vormen,
-die zijne Gereformeerde vrienden hem hadden leeren minachten als
-"Paepsche mommerijen". Hij had op dat oogenblik geen oog voor de
-schoone mystiek van den Roomschen eeredienst; hij vergat, dat ook die
-vormen eens nieuw waren geweest, dat ook zij eens uitdrukking waren
-geweest van het geloof eener strijdende gemeente en dat die vormen
-op zichzelf niet verwerpelijk waren, als de inhoud maar aanwezig was:
-waarachtig geloof en verootmoediging des harten;--hij zag er slechts
-de symbolen in van een godsdienst, die niet troostte, maar vervolgde,
-die wilde heerschen in stede van te dienen, en dien hij, en duizenden
-met hem, hadden leeren haten en verachten.
-
-De dienst was geëindigd. De witte gedaanten der monniken verdwenen
-door de deur der kapel, maar nog altijd lag Vrouwe Martens, in gebed
-verzonken, naar het scheen, op haar knielbank. Jacob wachtte, tegen
-zijn pilaar geleund, geduldig, tot zijne moeder gereed zou zijn met
-hare devotie. Op dat oogenblik trad een monnik de kapel binnen; hij
-ging op de geknielde vrouw toe en scheen haar iets in te fluisteren.
-
-Vrouwe Martens stond op.
-
---"De Eerwaarde prior wenscht mij te spreken, Jacob," zeide zij,
-weer op zachter toon dan gewoonlijk. "Wacht hier op mij. Uw verblijf
-in het huis Gods zij gezegend!"
-
-Verbeeldde hij het zich, of was het een vreemde, schuwe blik, waarmede
-zijne anders zoo fiere en strenge moeder hem aanzag?
-
-Jacob zette zich neer en wachtte. Droomerig staarde hij naar de gele
-vlammetjes der waskaarsen, naar het matte schijnsel van de eeuwige lamp
-voor het altaar. Het was doodstil in de kapel. De dikke kloostermuren
-lieten geen geluid van buiten doordringen en het klooster zelf scheen
-uitgestorven. Zonder dat hij het wist of wilde, vielen zijn oogen toe.
-
-Hij ontwaakte met een lichten schrik en een gevoel, alsof hij niet
-langer alleen was. Een oogenblik moest hij zich bezinnen, waar hij
-zich bevond. Hij zag om zich heen. De broeder-sacristijn was bezig,
-om, geholpen door twee convers-broeders, de kaarsen te dooven en de
-kapel weder in orde te brengen.
-
-Naast hem stond een lange gestalte, in de witte pij der orde. Het
-gelaat was verborgen in de wijde kap, maar aan het gouden kruis op
-de borst herkende Jacob den prior.
-
---"Is mijne moeder gereed?" vroeg hij verward.
-
---"Uwe vrouw moeder is reeds lang vertrokken," zeide de prior bedaard
-en ernstig. "Wees gerust, een vertrouwd man heeft haar begeleid."
-
---"En ik, die haar moest vergezellen? Zij zal meenen, dat ik zonder
-haar ben heengegaan!" zeide Jacob. "Vergeef mij, Vader," vervolgde
-hij haastig. "Mijne moeder heeft u misschien verzocht met mij te
-spreken. Een andermaal gaarne, maar thans moet ik terstond naar
-huis. Mijne moeder mag niet denken.."
-
---"Uw moeder weet, dat ge hier zijt, jonker," viel hem de prior in
-de rede. "Het is op haar verlangen, dat ik u heb opgezocht. Het is
-haar wensch en ook die van uw vader, dat ge eenigen tijd hier bij
-ons zoudt vertoeven, als onze gast."
-
-Verschrikt staarde Jacob den monnik aan. Hij begon te begrijpen. Het
-was hem een oogenblik of de steenen vloer der kapel onder hem
-wegzonk. Men wilde hem in het klooster gevangen houden.
-
-Hij herstelde zich en wierp een snellen blik naar de deur der kapel.
-
---"Ik kan uw gastvrijheid niet aannemen, Eerwaarde Vader," zei hij
-met een stem, waaraan hij tevergeefs trachtte de noodige vastheid te
-geven. "Ik moet gaan."
-
-Hij deed een stap naar de deur. Was het toeval, dat de beide gespierde
-leekebroeders zich daar thans bevonden? Ze waren ijverig bezig met
-hun arbeid en schenen niet op hem te letten, maar hij kon de deur
-niet bereiken, zonder hen voorbij te gaan.
-
-Vader Anselmus leide hem de hand op den schouder.
-
---"Als onze geëerde gast," herhaalde hij, langzaam en met nadruk. "Ik
-vertrouw, dat het zóó zal zijn, jonker, en niet als een ongehoorzame
-zoon, die zich de tucht ontwassen waant."
-
---"Als een ongehoorzame zoon," mompelde Jacob, terwijl hij den prior
-met een bleek en ontsteld gelaat aanstaarde.
-
---"Uw ouders wenschen u te behoeden voor de gevolgen van uw dwaas en
-onvoorzichtig gedrag in de laatste maanden," zeide Vader Anselmus met
-gedempte stem, terwijl hij den jongen man doordringend aanzag. "Het
-was hun uitdrukkelijke wensch, dat wij u onder onze hoede zouden
-nemen. "Eert uw vader en uwe moeder" is een gebod, dat, naar ik meen,
-ook nog onder de nieuwe religie in eere wordt gehouden."
-
-Jacob boog het hoofd. Een stroom van aandoeningen en verwarde gedachten
-overstelpte hem.
-
---"Onze broeder-gastmeester zal u uw kamer wijzen," zei de prior kalm
-en beslist. Toen ging hij voort, met meer hartelijkheid, dan Jacob
-van den strengen man had verwacht:
-
---"Wees niet zoo bedroefd en ontsteld, mijn zoon. Wij meenen het
-wel met u. Gij kunt bij ons uwe studiën voortzetten. Ik zelf zal
-uw leermeester zijn, en ge kunt hier rustig toeven, tot het onweer,
-dat dit ongelukkige land bedreigt, zal zijn afgedreven."
-
-De prior gaf den broeder-sacristijn een wenk. Deze verwijderde zich
-en kwam weldra terug met een anderen monnik, den broeder-gastmeester,
-wien Vader Anselmus met een kort woord de zorg voor zijn gast opdroeg.
-
-Met een stommen groet volgde Jacob zijn gids, die hem voorging naar
-een der cellen, die voor logeerkamers waren ingericht. Hoffelijk
-doch kloek wees hij het aanbod van den monnik af, die hem aanbood
-zijn avondeten voor ditmaal naar zijne cel te doen brengen.
-
-Zijn gemoed was vol. Hij, Jacob Martens, de zoon van den president
-van Vlaanderen, in een kloostergevangenis! En daar listig heen gelokt
-door zijne moeder! O, nu begreep hij haar afscheidswoord!
-
-Zijne verbittering belette hem, over de handelwijze zijner ouders
-billijk te oordeelen. Hij kon er op dat oogenblik niet aan denken,
-dat er liefde kon schuilen in hunne zorg, om de gevaren, die hij niet
-kende of niet telde, af te wenden van zijn hoofd. Al wat een jong en
-vurig gemoed moet voelen, als het zich ziet gedwongen te buigen voor
-harden dwang, als het zich moet schikken in het onvermijdelijke,
-kookte en bruiste in zijn binnenste en deed zijn hart kloppen en
-zijn oogen branden. Hij trachtte te bidden, maar het was te onstuimig
-daarbinnen. Hij kon zijne gedachten niet verzamelen, zijne ziel niet
-verheffen tot den Heer.
-
-Eindelijk wierp hij zich, bedroefd en afgemat, op het eenvoudige bed,
-maar het duurde lang, eer hij den slaap kon vatten. Eerst tegen den
-morgen viel hij in een onrustige sluimering. Toen hij wakker werd,
-waren zijn bovenkleederen, die hij had afgelegd, verdwenen. In hunne
-plaats vond hij een witte pij van de Dominicaner-orde met het korte
-scapulier der novicen.
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-
-Vader Anselmus was een te verstandig man en een te goed menschenkenner,
-om zijn "gast" aanstonds over zijne "kettersche gevoelens" te
-onderhouden.
-
-Nauwelijks had Jacob zich dien eersten morgen niet zonder weerzin in
-het kloostergewaad gekleed, of een leekebroeder verscheen in zijn cel,
-om hem te zeggen, dat de prior hem wenschte te spreken.
-
-Jacob moest wel gehoorzamen: hij zag zeer tegen dat onderhoud op,
-want hij vreesde, zijn godsdienstige gevoelens te moeten verdedigen
-tegen den statigen kloostergeleerde, voor wien hij, als een natuurlijk
-gevolg van zijp opvoeding en de gewoonte van jaren, een heimelijk
-ontzag had. Doch het onderhoud viel hem bijzonder mede. De prior
-sprak met geen enkel woord over het gevreesde onderwerp, doch deelde
-hem eenvoudig mede, dat hij op zich genomen had de studiën van zijn
-gast te leiden, tot deze weer naar de Leuvensche School zou kunnen
-terugkeeren. Hij wees Jacob de Grieksche en Romeinsche schrijvers aan,
-die hij had te bestudeeren en spoorde hem aan tot vlijtigen arbeid;
-de tijd moest in het klooster niet in ledigheid worden gesleten. De
-vroegdiensten behoefde hij niet bij te wonen, maar de prior rekende
-er op, dat Jacob bij de mis en den vesperdienst niet zou ontbreken.
-
-Het werd gezegd op een kalmen toon van gezag, die geen tegenspraak
-toeliet. Toen Jacob een enkele toespeling waagde op het hem opgedrongen
-kloosterkleed, antwoordde de prior, dat het een eere was, het kleed
-van den Heiligen Dominicus te mogen dragen, en dat het zeker niet te
-veel verlangd was, dat jonker Martens, in ruil voor de gastvrijheid,
-die hij genoot, zich schikte naar de regelen van het huis, dat hem
-een schuilplaats bood. Met een enkele handbeweging werd hij daarop
-ontslagen.
-
-Met zeer gemengde aandoeningen keerde Jacob naar zijn eigen cel terug,
-die uitzag op den ruimen kloosterhof. Hij had zich dat onderhoud
-heel anders gedacht. Hij had gemeend, zich te moeten verdedigen, zijn
-geloof te moeten handhaven tegen den fellen aanval van een geleerden
-priester der Roomsche Kerk, even bekwaam in de godgeleerdheid als in
-de dialectiek, hij had er op gerekend, dat hij zou moeten protesteeren
-tegen gewetensdwang, hij had zich bijna een aanstaanden martelaar
-gewaand,--en niets van dat alles was geschied. Hij had eenvoudig
-een taak gekregen, als een gewoon scholier. Hij had zich in den
-geest gewapend tot een hevigen strijd,--en hij had geen tegenstander
-gevonden. Op zijn overspanning volgde natuurlijk een toestand van
-matheid en moedeloosheid,--en dat was het juist, wat Vader Anselmus
-had verwacht en gewenscht.
-
-Jacob zette zich aan zijn taak en trachtte in de verzen van Virgilius
-de gedachten, die hem kwelden, te vergeten. Hij had er aan gedacht, te
-weigeren om de viering der mis bij te wonen, maar na zijn nederlaag
-zonder strijd--de zwaarste beproeving voor een karakter als het
-zijne--ontbrak hem daar thans de veerkracht toe. Toen de kloosterklok
-het teeken gaf, nam hij zijn plaats in, achter in de rij, die zich
-opstelde in de breede kruisgang en ging hij mee ter kapel. Wel knielde
-hij niet neder, toen de officieerende broeder den monstrans ophief,
-om de hostie ter vereering aan de geloovigen te toonen, maar het
-scheen, dat niemand daar op lette.
-
-De dag kroop voorbij. De prior had zijn maatregelen goed genomen en
-zijne bevelen werden stipt uitgevoerd. Noch in den refter, de eetzaal
-van het klooster, waar de monniken zwijgend aten, terwijl één hunner
-voorlas uit een kerkvader, noch in het recreatie-uur, dat in den
-kloosterhof werd doorgebracht, wijdde iemand eenige bijzondere aandacht
-aan den jongen gast. Men behandelde hem beleefd en vriendelijk,
-maar juist, alsof hij al jaren in het klooster had doorgebracht.
-
-Eindelijk sloeg het uur van den vesper. Moe van den ingespannen
-arbeid, was Jacob thans blijde, dat hij naar de schoone kloosterkapel
-kon gaan. Hij troostte zich met de gedachte, dat de psalmen Davids,
-die straks door de monniken zouden worden aangeheven, toch dezelfde
-liederen waren, als de kloeke psalmen van Datheen, die hij ter "groene
-preek" uit den mond der Vlaamsche landlieden had gehoord. En toen
-de broeders psalm 138 aanhieven, luisterde hij aandachtig en weldra
-stemde hij mede in:
-
-"Si sumpsero pinnas meas diluculo et habitavero in extremis maris,"
-
-"Etenim illuc manus tua deducet me, et tenebit me dextera tua."
-
-"Et dixi: forsitan tenebrae conculbalunt me, et nox illuminatio mea
-in deliciis meis."
-
-"Quia tenebrae non obscurabuntur a te"... [2]
-
-"De duisternis is voor U niet donker," klonk het na in Jacobs ziel. God
-sprak tot hem door Zijn Woord, want het wàs toch Zijn Woord, dat
-hem daar uit het Latijnsch kerkgezang tegenklonk. Hij gevoelde zich
-getroost en bemoedigd: God was ook in het klooster, Zijn rechterhand
-zou hem houden, op Zijn tijd zou het alles goed worden.
-
-De dagen verliepen en werden tot weken en nog altijd was Jacob in
-het Dominicaner klooster.
-
-Hij studeerde er vlijtig onder de leiding van den prior, die zich
-een streng, maar uitstekend leermeester toonde. Bezoeken ontving hij
-niet. Wel kreeg hij brieven: soms een enkel stroef woord van zijn
-moeder, maar daarentegen lange en hartelijke brieven van Klaartje,
-soms in deftig Fransch, soms in wat onbeholpen Vlaamsch. Clara
-schreef hem over zijn vader, die thans dikwijls door de Regeering
-werd geraadpleegd over de zaken des lands, over Madeleine, die een
-uitnoodiging had aangenomen van hare bloedverwanten te Brussel,
-omdat zij zich in Gent niet veilig achtte voor de vileynighe Geuzen,
-zooals zij zeide. Madeleine had met veel opgewondenheid geschreven over
-de feesten, die zij had bijgewoond,--want ook de treurige toestand
-des lands kon den Brusselschen adel niet tot ernst stemmen--en,
-zoo liet het zusje er niet zonder onrust op volgen, zij schreef zoo
-herhaaldelijk over Thierry de St. Foy, die bij meer dan een gelegenheid
-haar cavalier was geweest.
-
-En als Jacob zulk een brief had ontvangen, dan liep hij met een bleek
-gezicht en saamgeknepen lippen zijn cel op en neer en dan kwam er van
-het werken weinig. Hij had Madeleine afgestaan, hij had zichzelf en
-zijn jonge liefde verloochend, zeker, zeker!--en toch was er op den
-bodem van zijn hart nog een heimelijke hoop, dat hij het offer niet
-zou behoeven te brengen, dat ook voor Madeleine nog eens het licht
-der waarheid zou opgaan en dan...
-
-Dan was het weer over de onrust der tijden, dat Klaartje schreef:
-wel wat verward, want het goede kind kon de verschillende partijen
-niet wel uit elkander houden. Zij klaagde maar over de "quellagiën
-ende de errueren", de troebelen en de twisten, die den vrede van haar
-jong leven waren komen verstoren en die haar haar broeder en haar
-vriendin hadden ontroofd. Toch vernam Jacob van haar, dat op last
-van Egmond een aantal van de hoofden der beeldstormers waren gevat,
-en dat zij weldra zouden worden terechtgesteld.
-
-Maar ook op andere wijze drongen de geruchten over den toestand
-des lands binnen de gewijde kloostermuren, want de broeders, de
-Predikheeren of Witheeren, zooals zij onder het volk werden genoemd,
-leidden geen afgetrokken en beschouwend kloosterleven, maar bewogen
-zich, volgens den eisch van den stichter hunner orde, in de wereld
-"tot verdediging des geloofs en ter bestrijding der ketterij". Uit hun
-midden werden zelfs veelal de inquisiteurs gekozen en zoo de Gentsche
-Dominicanen niet als zoodanig optraden, dan was dit slechts, omdat hun
-prior van alle bloedige geloofsvervolging afkeerig was. Maar in het
-"recreatie-uur" werd de geschiedenis van den dag besproken, soms juist,
-soms overdreven voorgesteld, en dikwijls gaven de loopende geruchten
-aanleiding tot een levendigen woordentwist, want onder de monniken
-waren er zonen des lands, die, al waren ze de Kerk getrouw, toch het
-vertrappen van de vrijheden van hun vaderland met leede oogen zagen.
-
-Onder de monniken was er één, die reeds dikwijls Jacobs aandacht had
-getrokken. Broeder Bernardus, zoo heette hij, was een lang en mager
-man, van ongeveer veertig jaren. Hij had een geel-bleek gezicht, met
-scherpe trekken en groote, donkere oogen, die soms dof en peinzend
-voor zich uit staarden en dan weer konden flikkeren van een vreemd
-vuur, wanneer de monnik in het recreatie-uur met groote stappen den
-kloostertuin doorkruiste.
-
---"Broeder Bernardus is weer bezeten!" fluisterden dan de novicen
-en de jongere convers-broeders spottend, en Jacob had opgemerkt, dat
-de oudere monniken den bleeken man dikwijls met onrust of wantrouwen
-nastaarden.
-
-'t Had zijn aandacht getrokken, dat de donkere oogen van broeder
-Bernardus dikwijls lang en strak op hem gericht waren. In den refter of
-de kapittelzaal was die vreemde, starende blik soms hinderlijk. Slechts
-wanneer een der andere broeders dit opmerkte, wendde de monnik de
-oogen schielijk af en keek weder ootmoedig voor zich.
-
-Op zekeren dag, toen zij toevallig in een der lanen van den
-kloostertuin alleen waren, trad broeder Bernardus haastig op
-Jacob toe, en vroeg hem snel en gejaagd, of hij het groote nieuws
-reeds had vernomen. De "Martinisten" waren met de "Calvinischen"
-overeengekomen, den Koning drie millioen gulden te bieden als hij
-vrijheid van godsdienst wilde verleenen. Men geloofde echter niet,
-dat het ernst was met dat aanbod en te Brussel hield men het er voor,
-dat de ingezamelde gelden moesten dienen om krijgsvolk tegen den Koning
-te werven. De Landvoogdes had soldaten in Duitschland geworven, om
-de oproerige beweging te beteugelen. Brederode versterkte Vianen en
-dreigde met openlijk verzet. Elk oogenblik kon de algemeene opstand
-uitbarsten.
-
-Toen de zonderlinge man dit in korte, afgebroken zinnen gezegd had,
-legde hij met een veelbeteekenend gebaar de vingers op de lippen en
-verwijderde zich haastig.
-
-Jacob zag hem verwonderd na. Wat beteekende die mededeeling? Was deze
-broeder Bernardus een vriend of een vijand? Kon het zijn, dat hij,
-de Dominicaner monnik, de zaak der Geuzen was toegedaan? Of wilde men
-hem in een val lokken, door zijn vertrouwen te winnen? Hij besloot
-op zijn hoede te zijn, en, zoo mogelijk, den monnik tot verdere
-mededeelingen uit te lokken, zonder zich bloot te geven.
-
-Het was op zekeren Decembermorgen, een mooien, stillen winterdag. De
-monniken kwamen uit de kapel, in hun gewonen statigen optocht, om in
-de kruisgang te scheiden en aan hun gewonen arbeid te gaan. Ook Jacob
-maakte zich gereed, zijn studeercel en zijn Virgilius weder op te
-zoeken, toen een conversbroeder op hem toetrad, en hem zeide, dat de
-prior hem op den belfroot wenschte te spreken. Verwonderd volgde Jacob,
-den man naar den klokketoren, den "belfroot", zooals de kloosterlingen
-hem noemden. Wat kon Vader Anselmus hem juist daar te zeggen hebben?
-
-De prior leunde tegen de lage borstwering van den omgang van den
-belfroot. Schijnbaar merkte hij de komst van Jacob niet op en staarde,
-in zijn witte pij gewikkeld, over de stad, die met haar grillig
-gevormde daken en gevels zich aan zijne voeten uitbreidde.
-
-Het was prachtig, stil weder. Zelfs op den toren voelde men nauwelijks
-een zuchtje. De hemel was diep blauw en de bleeke Decemberzon scheen
-vroolijk over de oude Vlaamsche hoofdstad.
-
-Als in gedachten verzonken staarde de oude monnik over de huizenzee
-aan zijn voet, en verder, over de wijde velden van Vlaanderen. Zooals
-de regel het voorschreef, wachtte Jacob eerbiedig, tot de prior hem
-zou toespreken.
-
-Plotseling klonk, boven het gegons, dat uit de stad tot hen opsteeg,
-het schel geklep van een klokje, een schril, jammerend geluid,
-dat als een wanklank opsteeg in de fijne, zuivere winterlucht. Jacob
-kende dien klank maar al te wel. Het was hetzelfde klokje, dat hij had
-gehoord op dien lentemorgen, toen hij de arme Doopersche in de gracht
-had zien wegzinken, dat hij, zoo jong als hij was, reeds zoo dikwijls
-had vernomen in die dagen van straffe justitie: het armezondaarsklokje
-van het Minorietenklooster klepte bij den laatsten gang van een ter
-dood veroordeelde.
-
-Nu wendde Vader Anselmus zich om en zag den jongen man doordringend
-aan.
-
---"Hoor, Jacob Martens," zei hij ernstig, "ik heb u hier doen komen om
-te hooren. Daar gaan de onzaligen ter dood, die zich hebben vergrepen
-aan de heiligheid van Gods huis in deze stad. Twaalf beeldbrekers
-zullen heden op de Vrijdaegsmarkt worden onthalsd. Dank het Gods genade
-en de tusschenkomst der Heilige Moedermaagd, dat ook gij, dwaze knaap,
-daar thans niet moet knielen op het zwarte kleed... Laat ons bidden
-voor de ziel van die ongelukkigen, of God hun nog in de ure des doods
-de genade der boetvaardigheid mocht schenken."
-
-De kralen van den rozenkrans gleden door de vingers van den
-monnik. Ook Jacob bad, al liet hij het paternoster rusten, dat aan zijn
-zijde hing. Wie het waren, die daar ter dood gingen,--hij wist het
-niet. Hadden zij de beelden neergeworpen uit verdoolden geloofsijver
-of uit baldadige vernielzucht? Hij wist, dat er onder de leiders der
-beeldbrekers mannen waren van allerlei slag. Waren het martelaars
-of misdadigers, die daarginds zouden sterven? Hij wist het niet,
-neen,--maar het waren zondaren, zondaren als hij zelf, die de genade
-van den Heiland behoefden, ook in deze bittere ure. Jacob bad.
-
-Een dof tromgeroffel klonk uit de verte. De Magistraat had blijkbaar
-voorzorgen genomen en het schavot door gewapenden doen omringen. Het
-roeren van de trom was het teeken, dat de veroordeelden de plaats
-der terechtstelling hadden bereikt. Het klokje zweeg.
-
-Toen klonk er van de Vrijdaegsmarkt een dof rumoer, dat aangroeide
-als het rollen van een verre branding en dat plotseling ophield,
-als met een kermenden zucht.
-
-De executie was afgeloopen.
-
-De prior wenkte den bleeken Jacob hem te volgen. Zij daalden de trappen
-van den belfroot af en bereikten weldra de cel van Vader Anselmus. De
-oude man wenkte zijn jongen metgezel zich neer te zetten op een der
-houten schabellen, terwijl hijzelf plaats nam op den eenvoudigen stoel,
-met hoogen, rechten rug, waarop zijn kloosterrang hem recht gaf. Toen
-zeide hij met goedheid:
-
---"En nu, mijn zoon, wensch ik eindelijk van u te vernemen, wat er
-u toe gebracht heeft, zoo jammerlijk af te dolen van de Kerk, onze
-Heilige Moeder. Wat heeft er u toch toe bewogen, u, den zoon van vrome
-ouders, het gezelschap te zoeken dier jammerlijke dwaalgeesten, die
-zich de luyden van de nieuwe religie noemen, om zóó dwaas uwe hope
-prijs te geven voor dit leven en voor de eeuwigheid?"
-
-Jacob sidderde van inwendige ontroering. Hij had tegen dit onderhoud
-opgezien. Hoe zou hij, de onwetende, onervaren jongeling, den strijd
-aanbinden met den grijzen priester, den godgeleerde, voor wiens
-uitspraken zelfs eerwaardige geestelijken zich bogen? Daarbij, bij een
-karakter als het zijne, was zijne pas verworven geloofsovertuiging
-meer een zaak des harten dan het gevolg van diep nadenken en van
-ernstige studie. Jacob voelde dat onwillekeurig, al had hij het niet
-onder woorden kunnen brengen--maar hij kon den kamp niet ontwijken,
-en met een stil gebed om kracht aanvaardde hij dien.
-
---"Als de Kerk onze moeder is, Eerwaarde Vader," zeide hij vast maar
-bescheiden, "dan is zij toch voor deze arme landen een stiefmoeder. Als
-zij oordeelt, dat die van de nieuwe religie dolen, dan dolen zij
-toch te goeder trouwe, uit liefde tot Gods waarheid en om hunner
-zielen zaligheid. Laat de kerk dezulken van dwaling overtuigen,
-als zij daartoe bij machte is, maar hen niet straffen als misdadigers."
-
-De prior schudde nadenkend het grijze hoofd.
-
---"Ik zou kunnen antwoorden, mijn zoon," zeide hij zachtmoedig,
-"dat de ketters vervolgd en gestraft worden volgens de plakkaten van
-Zijne Keizerlijke Majesteit, vernieuwd en verscherpt door onzen Heere,
-den Koning van Spanje, maar het zou een ijdele uitvlucht zijn. Het is
-waar, er zijn er onder de dienaars der Kerk velen, die meenen, dat
-men het euvel der ketterije moet uitbranden door strenge justitie,
-in plaats van het te heelen met zachtmoedigheid, en gij weet, dat
-ik het niet met hen houde... Maar gij, wellieve zoon, die zegt, dat
-die van de nieuwe leer te goeder trouw dolen, waarom strekt gij uwe
-Christelijke liefde niet uit tot die priesters, die als herders der
-kudde den wolf zien komen, den wolf der ketterije, door Satan gezonden
-om de schapen der kudde te verderven, en die nu, ook ter goeder trouw,
-de met ketterije besmetten overgeven tot verderving des vleesches,
-opdat de geheele kudde niet verloren ga?"
-
---"De priesters onze herders, die met liefde waken voor de kudde!"
-
-Het was er uit, voor Jacob er om dacht. Hij vergat, dat hij sprak
-tot een man, die den eernaam van priester waardig was. Maar hij
-dacht aan de bekende zedeloosheid, aan de onverschilligheid van
-zoovele geestelijken en de woorden van Vader Anselmus schenen hem
-een bespotting.
-
-De grijze monnik fronste het voorhoofd.
-
---"Arglistig is het hart van den mensch en zwak is zijn kracht,"
-antwoordde hij ernstig; "ook priesters zijn zondige menschen en dit
-is een zondige tijd. Maar wie zijt gij, jonge man, die den strijd
-des levens nog moet beginnen, dat gij anderen oordeelt, die dien
-strijd hebben gestreden en gevallen zijn? Hun val, hun zonde neemt
-de wijding niet weg, die zij met het priesterambt ontvingen; God zal
-hen oordeelen, maar dat ontslaat hen niet van hun plicht om te waken
-voor de Kerk, die zij dienen. En kunt gij het niet begrijpen, dat
-de arts naar het mes grijpt of naar het vuur, om het kankergezwel
-weg te snijden of uit te branden, eer het den kranke bezwijken
-doet? Zóó dreigt dit rampzalige land te gronde te gaan, door het gif
-der ketterije en door den oproerigen geest, die rebelleert tegen het
-wettig gezag. Nog eens, ik houde het niet met diegenen mijner broeders,
-die door vervolging en straf het kwaad zoeken te keeren,--maar hen
-begrijpen kan ik wel."
-
---"Het gif der ketterije, waarvan Uw Eerwaarde spreekt," zeide Jacob,
-die nu ook in vuur begon te raken, "het is toch slechts, dat de
-armen God wenschen te dienen naar hun geweten en de uitspraken van
-Zijn Woord; die geest van oproer is slechts de verdediging van hun
-plechtig bezworen rechten. Als de Koning de plakkaten herroept en de
-Inquisitie doet ophouden, zal hij geen gehoorzamer onderdanen hebben
-dan de inwoners van deze landen."
-
---"En de "drie heeren" tot zijne meesters," viel de prior uit,
-"en een hoop losbandige edelen tot zijn wetgevers. En wat kalt gij,
-knaap, dat de ketters God zouden dienen naar Zijn Woord? Heeft Hij
-Zijn Woord niet toebetrouwd aan Zijne Kerk? Is het geen dwaasheid? De
-ongeleerde, de ambachtsman, van weefstoel of schaafbank weggeloopen,
-de eerste de beste spinster en naaister, ze zouden zich met hunne
-uitlegging der Schrift stellen tegenover het gezag der Kerk, tegenover
-haar eeuwenoude tradities, tegen het gezag der vrome kerkvaders? Gij
-zelf, dwaze knaap, wat geldt uw kennis, uw inzicht, uw verklaring
-en uitlegging--zoo noemt ge het immers--van Gods Woord, tegen de
-leer der Kerk, op dat Woord gegrond, tegen de uitspraken van haar,
-die Christus' belofte heeft, onze Moeder en Middelares?"
-
---"Er is slechts één Middelaar tusschen God en den mensch,--de Mensch
-Christus Jezus!"
-
-Vast klonk het Schriftwoord uit den mond van den jongen belijder. Hij
-wist, wat hij waagde. Hij wist, dat hij zich geheel in de macht bevond
-van dien ouden man, en hij wist ook, hoever die macht reikte, maar de
-woorden van den prior hadden weer in hem doen ontwaken de overtuiging,
-die in die dagen krachtig opleefde in de harten van duizenden, die bij
-hem haast in slaap was gewiegd door den sleur van het kloosterleven,
-dat de zondaar moet staan tegenover zijn God, alléén met zijn Verlosser
-en Middelaar, den Heere Jezus Christus, en dat geen mensch, ook niet
-de vroomste en heiligste, het recht heeft zich te dringen tusschen den
-mensch en zijn Schepper. Zooals die beiden, de man en de jongeling,
-daar tegenover elkander stonden, waren ze het beeld van de idee,
-die zij verdedigden. De oude monnik, steunende op zijn geleerdheid,
-op de eeuwenoude tradities zijner Kerk, op al den invloed, die eeuwen
-van onaangevochten heerschappij haar gaven over de geesten, was een
-waardig vertegenwoordiger van het Catholicisme tegenover dien jongen
-man, in alle opzichten zijn mindere, maar die deze ééne gedachte had
-vastgegrepen: geen andere Middelaar, dan Christus alléén. Zoo stond
-Jacob Martens daar, het beeld van de jonge worstelende kerken der
-Reformatie: de dwerg, die den strijd had aangebonden tegen den reus,
-en die onoverwinnelijk was door die ééne Godsgedachte.
-
-De prior begreep, dat hij zich te vroeg met een gemakkelijke
-overwinning had gevleid, en dat hij had misgetast, toen hij meende,
-dat hij slechts te doen had met de grillen van een overspannen knaap,
-die de stilte en de eenzaamheid zouden genezen, terwijl de schok,
-dien hij meende dat de terechtstelling der beeldstormers den jongen
-man noodzakelijk moest geven, de zegepraal zou voltooien. Hij zag
-dat hij zich vergist had, en onwillekeurig liet hij zich vervoeren
-tot een woordenstrijd.
-
---"Christus onze Middelaar!" zeide hij langzaam. "Alsof ook de Kerk een
-anderen kende! Maar wat moet ik denken van uw Christelijken ootmoed,
-wanneer gij meent tot Hem te kunnen gaan, zonder de genademiddelen,
-die Hij u aanbiedt in Zijne Kerk? Gij wilt tot Hem gaan? Maken
-uwe zonden geen scheiding tusschen Hem, den Heilige Gods, en u,
-den schuldigen zondaar? Durft gij Hem naderen, zooals gij zijt,
-zonder het sacrament der biecht, zonder ootmoedig de voorbede in te
-roepen van de Heilige Maagd, de barmhartige Moeder, van de Heiligen,
-die juichen met de Overwinnende Kerk daarboven, maar nog bidden voor
-ons, de Strijdende Kerk daar beneden? Maar gij hebt hunne voorbede niet
-noodig, voorwaar! Gij, jonge dwaas, die u vermeet te oordeelen over de
-hooge dingen des geloofs, waarover de vrome vaderen der Kerk hebben
-gepeinsd en geworsteld in den gebede, Hoogmoed, zondige hoogmoed,
-is uw ketterije, die zich durft beroepen op het Woord van God."
-
-Een hoog rood bedekte Jacobs bleeke wangen.
-
---"Spreek zoo niet, Eerwaarde Vader!" riep hij bijna smeekend. "Tracht
-niet, mij mijn Heiland te ontnemen, dien ik zoo pas heb gevonden. O,
-een zondaar ben ik,--maar Hij heeft gezegd: "Wie tot Mij komt, zal
-Ik geenszins uitwerpen,"--en ik ben tot Hem gegaan en Hij heeft mij
-niet verworpen. Ik voel het, ik weet het. O, de Kerk heeft de Heilige
-Maagd, en de Heiligen, en den priester geschoven tusschen den zondaar
-en zijn Verlosser, en nu was Hij zoo ver, zóó ver, dat wij Hem hadden
-vergeten. Maar Hij is barmhartig geweest, en Hij heeft zich opnieuw
-aan Zijn volk gegeven, in de gesuyverde religie, ons gepredikt door
-de mannen Gods uit Genève."
-
-De prior stond op van zijn zetel. Met gefronste wenkbrauwen wees hij
-gebiedend naar de deur.
-
---"Ga naar uwe cel, verstokte en hoogmoedige knaap," zei hij
-met van bedwongen toorn trillende stem. "Lang hebben wij u met
-zachtmoedigheid gedragen, maar onze goedheid is aan u verspild. Gij
-zijt geen verdoolde, maar een, die moedwillig het harte verhardt. Zoo
-mogen dan de geloofsrechters uitmaken, hoe men met een als gij zijt
-te handelen heeft..."
-
-Het was Vader Anselmus geen ernst met zijne bedreiging en
-in een oogenblik van kalm nadenken zou hij die niet hebben
-uitgesproken. Maar--hij was vertoornd en teleurgesteld. Hij moest
-zichzelven bekennen, dat hij had gedwaald. Dat was niet de taal
-van een, die in jeugdigen overmoed, in opgewondenheid of uit zucht
-tot avonturen zich had aangesloten bij de vijanden der Kerk. Jacob
-had gesproken met al het vuur zijner overtuiging--en de prior had
-hem begrepen. Dàt was de taal der "ketterij", die niet wilde buigen
-voor eenig gezag, ook niet voor dat der Kerke, dat den ouden man het
-hoogste was.
-
-Ondertusschen had hij een groote fout gemaakt. Hij had in Jacob
-gewekt, wat dreigde in te sluimeren,--en juist op dat oogenblik had
-hij dien jongen, vurigen geest tot verzet geprikkeld door zijne
-bedreiging. De jonge man had zich zonder morren geschikt in zijn
-gedwongen verblijf in het klooster: het was de wil en de wensch
-zijner ouders en hij was hun, volgens Gods Woord en volgens de stem
-van zijn geweten, gehoorzaamheid verschuldigd. Maar nu, nu dreigde
-hem zelf de Inquisitie, de gehate geloofsdwang. Nu zou men hem met
-geweld willen dwingen, zijn overtuiging prijs te geven. Nu zou hem de
-keuze worden gelaten, zijn Heer en Heiland te verloochenen, of het
-overige van zijn leven door te brengen in een kloostergevangenis,
-als althans ook hem het zwaard van den beul van Gent niet wachtte,
-daarginds op de Vrijdaegsmarkt. En hij was in het net. Hoe zou hij
-aan de macht van den prior kunnen ontsnappen?
-
-Hij bracht den geheelen dag in de eenzaamheid door. De prior deed hem
-niet ontbieden voor de gewone lessen en toen het klokje luidde voor den
-maaltijd in den refter, verscheen de sub-prior met een conversbroeder,
-die in een houten nap het eenvoudig kloostermaal droeg. De monnik
-deelde hem mede, dat hij, volgens den wensch van den eerwaarden prior,
-den tijd zijner "poenitentie" in de eenzaamheid zou doorbrengen. Alleen
-de gewone diensten in de kapel zou hij bijwonen.
-
-Jacob ging dien avond naar den vesper,--maar hij zat er niet neder als
-gedurende de laatste weken, half gedachteloos, half meegedragen door
-den statigen eeredienst. De zoon der Reformatie was in hem voorgoed
-ontwaakt. O, de vormen waren schoon, zinrijk zelfs in vele opzichten,
-maar het was er mee gegaan als met alle vormen, die niet langer de
-noodzakelijke uitdrukking zijn van een krachtig geestelijk leven:
-ze waren dood en ze gaven den dood. Neen, nimmer zou zijn ziel weer
-in slaap worden gesust door de uiterlijke plechtigheden van Rome!
-
-Na afloop van den dienst keerde hij terug naar zijn cel. Licht
-mochten de kloosterbroeders niet hebben en hij kon dus niet lezen of
-studeeren. Hij was dan ook trouwens den geheelen dag met zijne boeken
-bezig geweest, om zoo mogelijk de pijnigende gedachten te verdrijven,
-die hem geen rust lieten. Thans was hij moede naar lichaam en ziel. Na
-een kort gebed, wierp hij zich op zijn harde matras en trachtte
-te slapen.
-
-Maar hoe moe hij ook was, hij kon den slaap niet vatten. Een vreemde
-onrust maakte zich van hem meester. Hij wentelde zich om en om, maar
-de slaap wilde niet komen. Zijn hoofd gloeide koortsachtig. Alles,
-wat hij in dat voor hem zoo gewichtige jaar had gezien en ondervonden,
-drong zich als een bonte, driftig voortjagende stoet van beelden aan
-zijne verbeelding op.
-
-Het was doodstil in het klooster. Alles was in diepe rust. Buiten
-gierde de Noordwesten wind, want het was ruw en onstuimig weder. In
-de paneelen der zware deur tikte een houtwormpje. Jacob dwong zich, te
-luisteren naar het eentonig geluid, om zoo afleiding te zoeken van de
-gedachten en herinneringen, die hem kwelden, maar het baatte hem niet.
-
-Plotseling schrikte hij op. Hij had duidelijk het slot van de deur
-zijner cel hooren knarsen. Langzaam en voorzichtig werd die geopend.
-
-Jacob vloog overeind. Verwarde gedachten van een nachtelijke
-oplichting, van vreemde kloostergeschiedenissen, die hij vroeger wel
-eens had gehoord, schoten bliksemsnel door zijn brein. Maar slechts
-één enkele witte gedaante sloop de cel binnen.
-
---"Schrik niet!" fluisterde een heesche stem. "Ik ben het: broeder
-Bernardus."
-
-De monnik haalde van onder zijn pij een hoornen lantaarn, waarin een
-smeerkaarsje een dof licht verspreidde, en zette die op een stapel
-boeken. Jacob zag zijn bezoeker ontsteld aan; het was den monniken
-en conversen streng verboden na het luiden van den Angelus elkanders
-cel te betreden. Wat kwam de vreemde man bij hem zoeken?
-
---"Er is geen tijd te verliezen, jonker Martens," zeide de monnik
-haastig. "Ik kom van Pieter de Welle."
-
---"Van Pieter de Welle?" herhaalde Jacob ongeloovig.
-
---"Ja! Ge gelooft mij niet? Goed; hij gaf mij een waarspreuk:
-"Denk aan het dasvarken van Gentbrugge." Ge zoudt het begrijpen,
-zeide hij. En, hier is zijn kruismes."
-
-Jacob nam het mes aan en bekeek het bij het flauwe licht van de
-lantaarn. Hij herkende het wapen. Dikwijls had hij er als jongen mee
-gespeeld en gewenscht het te bezitten. Zou deze monnik inderdaad door
-de Welle zijn gezonden? De koddebeier kon in de handen der justitie
-zijn gevallen en dit kon een strik zijn, dien men hem spande. Maar
-de waarspreuk dan, die niemand dan hij kon begrijpen, juist om zijn
-zonderlingen inhoud.
-
---"En wat zoudt ge mij van Pieter de Welle te zeggen hebben?" vraagde
-hij.
-
-Zijn toon klonk nog steeds ongeloovig. De monnik bemerkte het. De
-man was blijkbaar zenuwachtig en opgewonden, maar hij had een doel,
-dat hij wilde bereiken.
-
---"Zie hier, jonker," zei hij en hield den verbaasden Jacob een paar
-dunne boekjes voor, die hij onder zijn pij te voorschijn haalde. Het
-waren een paar van die streng verboden pamfletten, die in die dagen
-ook te Gent, maar vooral te Antwerpen in menigte werden gedrukt. Het
-bezit van die boekjes was op zich zelf reeds een misdrijf, waarop
-volgens de plakkaten de doodstraf stond. Voor een Dominicaner monnik
-was het zeker een ongehoord waagstuk, zulke verboden boeken in het
-klooster te brengen.
-
---"Hoor, jonker Martens," ging broeder Bernardus voort, gejaagd,
-maar toch met iets vastberadens in stem en houding, "ik waag mijn
-vrijheid en mijn leven, om u te dienen, maar ik heb het de Welle
-beloofd en mijn woord wil ik houden. Geloof mij of geloof mij niet,
-zooals ge wilt. Maar ik zeg u, dat men u nimmer zal laten gaan, om vrij
-en ongehinderd God te dienen volgens uw geweten en te strijden voor
-de vrijheid van dit arme land. Als gij standvastig blijft, zal men u
-in het klooster houden,--en de Welle meent, dat gij liever een slag
-zoudt slaan voor de vrijheid. Er worden groote dingen voorbereid..."
-
---"Maar wat wilt ge dan?" vraagde Jacob verbijsterd.
-
---"Vluchten! Ik vlucht mede. Ik heb genoeg van de pij! Ik had
-het eer moeten doen, maar ik durfde niet. Nu wantrouwen ze mij en
-laten mij niet meer buiten de clausuur. Maar ge moet een besluit
-nemen--terstond! De Welle wacht met een roeiboot aan de waterpoort
-in den hof."
-
-Onthutst zag Jacob zijn vreemden bezoeker aan.
-
-Vluchten uit het klooster? Met dezen man? En waarheen? En dan terstond
-te moeten besluiten? Jacob was geen lafaard, maar toch ging er een
-koude rilling door zijn leden, nu hij zich zag gesteld voor een
-besluit, waarvan zóóveel afhing. Zenuwachtig stond hij op.
-
---"Dat kan immers niet," zei hij gejaagd. "De hofpoort en de waterpoort
-zijn beide gesloten."
-
---"Het kan wel! Zie daar,"--en de monnik haalde een paar zonderling
-gevormde haken van onder zijn pij te voorschijn. "Met deze haken kan ik
-de sloten openmaken. 't Heeft heel wat moeite gekost! Eerst was stelen
-van de kaarsen in de kapel. Toen een afdruk maken van de sleutels,
-die altijd in de cel van den sub-prior hangen. Toen naar dien afdruk
-deze haken smeden in de keuken; ik moest den broeder-keukenmeester
-wijsmaken, dat het kraphaken waren voor het groote crucifix in
-het claustrum, dat dreigde te vallen, en hij geloofde mij, de oude
-suffer. Maar thans is alles gereed!"
-
---"Maar hoe hebt ge de Welle kunnen spreken, als ge het klooster niet
-hebt kunnen verlaten?" vroeg Jacob, nog altijd wantrouwend.
-
---"Hij gaf mij het mes reeds weken geleden. Maar ik durfde u niet
-vertrouwen. Ge hadt mij kunnen verraden, als het den prior gelukt was
-u terug te winnen voor de Kerk. O, het heeft weinig gescheeld! Ik heb
-u gadegeslagen! Maar thans zijt ge gered. Anselmus heeft gespeeld en
-verloren. Kom mede,--het is haast tijd! Anders ga ik alleen en gij
-blijft gevangen, misschien voorgoed."
-
---"Maar hoe weet ge, dat de Welle op ons wacht?"
-
---"Hij gaf mij een teeken. Aan de overzijde van de Leye woont een
-vrouw, die tot de Calvinischen behoort, en uit haar zoldervenster
-waaide heden een witte doek. Dat is het afgesproken sein. Hij zal
-van middernacht tot één uur op ons wachten. Maar nu genoeg van uw
-wantrouwen. Ga of blijf."
-
---"Ik ga met u! Ik wil het wagen!" zei Jacob met gesmoorde stem.
-
---"Goed! Snel dan; er is geen tijd te verliezen! Hier, neem het
-kruismes, als wij ons moeten verdedigen. Want wij moeten slagen,
-voor u en voor mij!"
-
-En zijn lantaarn opnemende, die hij weder onder zijn pij verborg,
-wenkte Bernardus Jacob hem te volgen.
-
---"Doe uw schoenen uit!" fluisterde de monnik.
-
-Jacob gehoorzaamde en zonder gedruisch gleden de twee witte gedaanten
-door de donkere kloostergangen en daalden de steenen trappen
-af. Jacob zou in het duister nimmer den weg gevonden hebben, maar
-broeder Bernardus, die vele jaren in het klooster had doorgebracht,
-aarzelde geen oogenblik.
-
-Thans waren zij beneden, in het achterhuis, waar zich de keuken, de
-bakkerij en de toegangen tot de ruime kelders bevonden. Plotseling
-bleef Bernardus staan: hij had een deur hooren kraken. Haastig duwde
-hij Jacob in den donkeren hoek van een uitbouwsel der verwulfde gang.
-
-Een donkere gedaante schreed langzaam op hen toe. Wie kon het
-zijn? Waren zij niet de eenige vluchtelingen? Of was het een spion? Had
-men iets van Bernardus' plannen vermoed? Jacobs hart bonsde.
-
-De gestalte kwam nader en nader. Hij moest hen zien in hunne witte
-pijen, als hij voorbijsloop.
-
-Broeder Bernardus aarzelde niet. Haastig ontdeed hij zich van het lange
-kloostergewaad, en toen de gedaante vlak bij hen was, wierp hij haar
-met een snelle beweging zijner lange armen de pij over het hoofd. Men
-hoorde een gesmoorden uitroep, het rinkelen van brekend aardewerk,
-maar voor de man zich te weer kon stellen, had de monnik met een
-kracht en behendigheid, die men niet bij hem zou hebben vermoed,
-den nachtelijken zwerver achterover op den grond geworpen. Haastig
-wond hij den gordel van sterk touw, dien hij had gereed gehouden,
-om de pij, die hoofd en hals van zijn slachtoffer bedekte, en knoopte
-het koord stevig vast.
-
---"Uw gordel los! Bind hem de voeten!" beet hij Jacob toe.
-
-Deze gehoorzaamde werktuiglijk. Hij greep de beenen van den
-spartelenden man en bond die aan de enkels stevig vast. De gevangene
-kreunde dof, maar lag nu onbeweeglijk stil.
-
-Bernardus greep zijn lantaarn en lichtte bij. Een gebroken kruik lag
-op den grond en de sterke reuk van bier drong in hun neus.
-
---"Een leekebroeder, die uit zijn cel is geslopen, om bier uit den
-kelder te stelen," mompelde de monnik. "Spoedig vooruit! Als iemand
-het breken van de kruik heeft gehoord, zijn wij verloren!"
-
-Zij snelden naar de achterpoort. Jacob wierp nog een blik achteruit,
-naar den betrapten kloosterdief.
-
---"Zou hij niet stikken, onder die pij?" vroeg hij.
-
---"Geen nood! Hij heeft zijn handen vrij! Als niemand het breken van
-die verwenschte kruik heeft gehoord, kan hij zich wel loswringen. Maar
-voor 't oogenblik is hij onschadelijk. Voort, hij moet ons zien
-noch hooren!"
-
-Zij waren bij de gesloten tuindeur. De grendels en bouten waren spoedig
-weggeschoven. Bernardus haalde een zijner haken voor den dag en het
-bleek, dat hij een handige smid was. Het slot ging zonder moeite open.
-
---"Ik had het goed gesmeerd--met olie uit de heilige lamp van het
-altaar," fluisterde hij. "Naar de waterpoort!"
-
-Zij snelden den kloosterhof door. Het weder, dien morgen zoo schoon
-en stil, was tegen den avond omgeslagen. Er woei een gure wind en
-zwart-grijze wolkgevaarten dreven in ijlende vaart langs den hemel,
-waar van tijd tot tijd de maan even doorbrak. Men kon het klotsen
-van de golven van de Leye duidelijk hooren.
-
-Achter hen bleef alles stil. De gebonden conversbroeder had zich nog
-niet bevrijd, of wellicht dreef de angst voor eigen veiligheid hem,
-om zich stil te houden.
-
-Nu waren zij aan de waterpoort. Broeder Bernardus had zijn lantaarn
-uitgeblazen en weggeworpen, opdat het licht hen niet zou verraden. Hij
-klappertandde van de koude, want de nacht was guur en hij miste zijn
-warme pij. Zenuwachtig haalde hij zijn tweeden haak te voorschijn
-en boog zich over het slot, maar zijn handen beefden en hij kon het
-sleutelgat niet vinden.
-
---"Beproef gij het!" fluisterde hij met heesche stem.
-
-Jacob nam den haak. Juist brak de maan voor een oogenblik door de
-wolken en zonder moeite stak hij het ijzer in de kleine, donkere
-opening. Hij drukte en wrong, maar het slot week niet.
-
---"Het gaat niet!" fluisterde hij. Hij was niet minder zenuwachtig dan
-zijn metgezel. Wat, als zij de poort niet open konden krijgen? Wat,
-als de monnik zich vergist had? Als de boot met de Welle er niet was,
-en zij, al was de deur open, radeloos zouden staan voor de donkere
-golven van de Leye?
-
-Broeder Bernardus veegde zich het angstzweet van het voorhoofd.
-
---"Het moet gaan!" hijgde hij. "Op zijde! Laat mij bij de deur!"
-
-Hij greep den haak met zijn lenige, gespierde vingers en drukte
-voorzichtig. De veer van het slot gaf niet mede. Buiten schuurde
-iets tegen het paalwerk van de breede stoep, die uitgebouwd was in
-de rivier.
-
---"De boot!" steunde Bernardus, angstig omziende. "Het moet! Hier,
-uw scapulier!"
-
-Hij rukte Jacob het korte scapulier van de schouders en wikkelde het
-om het einde van den haak. Voorzichtig stak hij dien nogmaals in het
-sleutelgat en drukte met kracht. Het slot gaf mede.
-
-Met een zucht van verlichting opende de monnik de deur en keek naar
-buiten. Aan de stoep lag een roeiboot. Een man stond er in en hield
-haar met een bootshaak tegen het paalwerk.
-
---"Is de jonker bij u?" vraagde een gesmoorde stem. Jacob herademde:
-het was de stem van Pieter de Welle.
-
---"Ja!" juichte broeder Bernardus, terwijl hij Jacob meetrok.
-
---"Schreeuw zoo niet, gek! Goddank, jonker, dat ik je weerzie!" zei
-de Welle heftig. "Doe die vervloekte witte pij uit! Hier zijn kleeren."
-
-Hij wierp een bundel op de stoep. Jacob ontdeed zich haastig van
-zijn kloostergewaad en broeder Bernardus, opgewonden van blijdschap
-over het aanvankelijk slagen van het plan, wierp het kleed met een
-forschen zwaai over den hoogen kloostermuur, waar het aan een der
-ijzeren punten bleef hangen.
-
---"'t Wordt waar, wat de devote Anna Byns, de Antwerpsche bagijn,
-in haar refereyn heeft gezegd," zei hij uitgelaten:
-
-
- "De monnicken hangen hun cappen opten tune
- "En gaen als ruters den cost bejaghen."
-
-
---"Vooruit, en dan--vive le Geus!"
-
---"Houd u stil en kom in de boot!" zei de Welle, "ge zijt de poort
-nog niet uit."
-
-Jacob had zich intusschen in een grove greinen pij gestoken, zooals de
-boeren en visschers die des winters droegen. De Welle reikte hem een
-wollen muts toe. De beide mannen stapten in de boot en de koddebeier
-begon voorzichtig te roeien, terwijl hij zooveel mogelijk in de
-schaduw van den walkant bleef. Maar zijn voorzichtigheid was noodeloos:
-straatverlichting was er in die dagen nog niet en de nachtwachts van
-den Hoog-baljuw vonden het weder veel te guur, om langs de kade van
-de Leye te dwalen en zaten zeker warm en wel in het wachthuis.
-
-Zij roeiden een eind voort, tot zij bij een kleine scheepstimmerwerf
-kwamen. Hier legde de Welle de boot vast. De drie mannen stapten aan
-wal en klommen zonder moeite het lage houten hek over, dat de werf
-van den openbaren weg scheidde.
-
---"Waarheen nu?" vroeg Bernardus.
-
---"Wij moeten voor poortopenen de stad uit," zei de Welle. "De rakkers
-van den Baljuw zullen morgen met den vroegste de geheele stad afzoeken
-naar den jonker. Wij moeten de poort uit!"
-
---"Kan dat?" vroeg Bernardus.
-
---"We gaan naar 't Pieterseliepoortje," zei de Welle. "Aegt Jansdochter
-wacht ons, jonker. Ze zal ons 't poortje uitlaten, en dan over de
-velden naar Antwerpen."
-
---"Naar Antwerpen?" vraagde Jacob.
-
---"Ja! Dat is nu de stad voor die van de ware religie!" zei de
-Welle. "De Papisten noemen ze 't Vlaamsche Genève. Daar zal de dans
-beginnen, jonker, en we zullen de papisten met de Inquisitie het land
-uitdansen. Maar nu vooruit, we hebben geen tijd te verliezen."
-
---"Laat ons over de Markt gaan," verzocht Jacob.
-
-Pieter de Welle knikte en de mannen liepen vlug door de nauwe, donkere
-straten, tot zij de Vrijdaegsmarkt bereikten. Daar stonden zij even
-stil. Jacob Martens staarde naar zijn ouderlijk huis, waarvan hij
-den gevel flauw kon onderscheiden. Dààr sliepen zijne ouders, zijn
-lieve Klaartje; daar had hij een blijde jeugd doorgebracht; daar was
-hij gelukkig geweest in de liefde van Madeleine--en nu, hij ging dat
-alles achterlaten. Hij nam afscheid--voorgoed. Eén oogenblik kwam
-de gedachte bij hem op, of hij niet te hoog een prijs betaalde voor
-zijne overtuiging. Bliksemsnel trok de verzoeking door zijn geest:
-hij behoefde zijn makkers slechts vaarwel te zeggen en den klopper te
-laten vallen. De zijnen zouden verwonderd en vertoornd zijn, als zij
-hem zoo onverwachts terugzagen, maar als hij zich onderwierp aan den
-wil zijner ouders, ja, al was het maar in schijn, als hij voor het
-uiterlijk maar een goede Roomsche was, dan zou alles wèl zijn. Zijn
-vader had invloed genoeg om het verleden te doen vergeten. En hij
-zou alles terug ontvangen: de liefde der zijnen, zijn eervolle plaats
-in zijn omgeving, als jonker Martens, den zoon van den president van
-Vlaanderen, de minne van de fiere Madeleine de Bette...
-
-De strijd was kort en hevig. Toen, na een laatsten blik, wendde Jacob
-zich af.
-
---"Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig,"
-klonk het in zijn ziel, "ja, Heere God,--maar o het is zoo hard!"
-
-Zwijgend ging het drietal verder, tot zij het Petercelle-poortje
-bereikten. Het portiershuis stond daar, met gesloten luiken. Alles
-scheen in diepe rust, doch toen Pieter de Welle zachtjes driemaal tegen
-het vensterluik tikte, stond Aegt Jansdochter geheel gekleed voor hen.
-
---"Is de jonker er bij?" vraagde zij. "Ja? St. Aegte zij geprezen,
-jonker, dat je uit dat klooster zijt geraakt. Mijn jonker een
-Witheer? Dat nooit, al breek ik mijn eed als portierster en waag ik
-er mijn post en mogelijk mijn hals bij!"
-
---"Maar dat mag ik niet toelaten!" riep Jacob Martens
-ontsteld. "Pieter, we kunnen misschien elders..."
-
---"Ze heeft gezworen op Paapsche reliquieën," zei de Welle norsch,
-"en dien eed kan zij breken. Voort, jonker, onze hals is in gevaar,
-meer dan die van Aegte. Wie zal haar verraden?"
-
-De portierster trok Jacob naar zich toe en drukte hem een moederlijken
-kus op het voorhoofd.
-
---"Dan moeten de president en de Hoog-baljuw maar niet aan mijn
-voedsterkind raken," zei het kloeke wijf hartelijk. "Wees gerust,
-jonker, pater Adriaan, mijn biechtvader, is de kwaadste niet. Voor
-een pond waskaarsen krijg ik absolutie."
-
-Jacob wilde nog iets zeggen, maar Aegte opende snel en voorzichtig
-de poortdeur en Pieter de Welle vatte hem bij den arm en drong hem
-naar buiten. Achter hen werd het poortje voorzichtig gesloten.
-
-Toen de grauwe, kille Decembermorgen aanbrak, waren de drie
-vluchtelingen reeds ver van Gent, op hun weg naar Antwerpen. De grijze
-toren van St. Bavo scheen hen over de velden na te staren.
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-
-Antwerpen, "dat broeinest van ketters", zooals de Landvoogdes aan
-Philips II schreef, "het Noordsche Genève", zooals de Gereformeerden
-het noemden, verdiende die namen in den winter van 1566-67. Bestuurd
-door zijn burgemeester Anthonie van Stralen, onder zijn markgraaf,
-den Prins van Oranje, had het een gewetensvrijheid weten te veroveren,
-die men elders in den lande vergeefs zou zoeken. Openlijk hadden
-de Gereformeerden na den beeldenstorm in de ontwijde Roomsche
-kerken gepredikt, ja doop en avondmaal bediend en zij hadden ze
-eerst teruggegeven, toen men hun op drie plaatsen in de stad vaste
-kerken aanwees, waar elken Zondag door Gereformeerde leeraars,
-zoo Vlamingen als Huguenoten, het Woord Gods werd verkondigd en de
-doop werd bediend. En de Lutherschen, de "Martinisten", zooals ze
-werden genoemd, hadden dat voorbeeld gevolgd en ook zij hadden drie
-bedehuizen weten te veroveren.
-
-Wel had Margaretha van Parma toornig geëischt, dat men die bepalingen
-zou intrekken, dat de openbare prediking niet langer zou worden geduld,
-maar het volk van Antwerpen had dien eisch afgewezen: de kerken der
-Hervorming bleven openstaan en Antwerpens grootsche kathedraal stond
-daar nog altijd, ledig en ontwijd. De woelige Brederode had er een
-poos vertoefd en werd door het volk op de handen gedragen, en wel
-zond de Landvoogdes den Prins van Oranje er heen, om het gezag der
-regeering te doen eerbiedigen, wel scheen de Zwijger geneigd, haar
-te gehoorzamen, wel onderhandelde hij met de mannen van den Breeden
-Raad, met de besturen der gilden en der cameren van Rhetorica--maar de
-toestand bleef, zooals hij was. En de Landvoogdes, die Doornik weldra
-voor haar wil zou doen bukken, die het kleine, oproerige Valenciennes
-deed belegeren door de troepen van Noircarmes, zij durfde de machtige
-handelsstad niet dwingen tot gehoorzaamheid,--nòg niet althans.
-
-En ondertusschen werden dààr groote plannen gesmeed voor de
-toekomst. De koning zou komen, ja, maar hij zou komen met een
-groot leger, en allen, zoo de edelen als het volk, wisten, wat dat
-beteekende. Zou men buigen? Zou men de pas verworven vrijheid des
-gewetens weer prijs geven? Zou men toestaan, dat de Inquisitie, dàn
-gehandhaafd door den sterken arm van het koninklijk gezag, weer de
-verkondiging van het Woord Gods zou trachten te smoren?
-
-Het was woelig in Antwerpen, in de laatste dagen van 1566. Het
-consistorie der Gereformeerde Kerk zat niet ledig en onderhandelde
-steeds met de andere kerken, zoo in de Nederlanden, als in
-Frankrijk. Taffin, Petrus Dathenus en Herman Modet, meer volksmannen
-dan Junius, hielden door hun heftige predikatiën een oproerigen geest
-onder het volk levendig en verkondigden openlijk den aanstaanden val
-van den Antichrist en de verlossing van het volk des Heeren. Jan van
-Thoulouse, de broeder van Philips van Marnix en Jan van Treslong
-wierven er, naar men openlijk vertelde, manschappen aan, om dan
-te zamen met den graaf van Culemborch zich te verzetten tegen het
-gezag des Konings en de Inquisitie uit het land te verdrijven. In
-Duitschland, heette het, werden hulpbenden aangenomen, die, als het
-tijd was, de beweging zouden steunen. De Prins van Condé zou hulp
-hebben beloofd; een leger der Huguenoten stond gereed, de grenzen over
-te trekken, om de broeders in Vlaanderen ter hulp te snellen. Zoo
-sprak men en men verwachtte groote gebeurtenissen en men sprak het
-benarde Valenciennes moed in. Het moest volhouden, het moest niet
-bukken voor de macht der Landvoogdes. Er zou ontzet komen, zeker!
-
-En Oranje? Hij moet geweten hebben wat er broeide; zijn broeder
-Lodewijk en zijn beste vrienden waren in de beweging betrokken. Voor
-het oog was hij de regeering getrouw, maar heeft hij niet gedacht, dat
-de ure der bevrijding toen reeds zou slaan? Heeft hij niet gemeend,
-dat het gewapend verzet van de mannen van Antwerpen de vonk in het
-buskruit zou zijn, die den opstand door het geheele land zou doen
-ontbranden? Wie zal het zeggen? Hij heeft al wat daar geschied is
-in het voorjaar zien aankomen; hij schijnt de beweging te hebben
-begunstigd, hij heeft haar althans niet verhinderd. Maar toen deze
-stoute zet op het politieke schaakbord te vroeg bleek gedaan, heeft hij
-met gevaar van zijn leven Antwerpen behoed voor de wraak der regeering
-en niemand kon hem beschuldigen, dat hij deel had aan de onderneming,
-die zulk een rampzalig einde moest nemen.
-
-De ure der vrijheid had nog niet geslagen!
-
-
-
-De grauwe Decembermorgen brak over Jacob Martens en zijn beide
-metgezellen aan, toen zij door de vlakke velden van het rijke "Land
-van Waes" heentogen naar de groote Scheldestad. Zij hadden onderweg
-niet veel gesproken. Pieter de Welle, die het landschap door en
-door kende, had zorgvuldig de groote wegen vermeden, en hen langs
-binnenpaden en door weilanden voortgeleid. Soms had hij hen met
-een kort woord gewaarschuwd, hem op den voet te volgen, omdat de
-streek moerassig was. Nu hadden zij eindelijk een breede heerbaan
-bereikt. De Welle wierp een onderzoekenden blik naar alle kanten,
-maar hij zag niets, wat hen kon verontrusten. Het winterlandschap lag
-doodsch en eenzaam; slechts de rook, die opsteeg uit de schouwen der
-boerenwoningen, die hier en daar tusschen hoog geboomte verscholen
-lagen, toonde aan, dat hier menschen woonden. De koddebeier knikte
-tevreden. Hij haalde brood en spek uit de linnen tasch, die hij om de
-schouders droeg, en gaf het zijn beide reisgenooten, die gretig hun
-eenvoudig ontbijt nuttigden. Opeens begon broeder Bernardus, die met
-zijn magere gestalte in het huismanspak, dat hem veel te wijd was,
-een zonderlinge vertooning maakte, luide te lachen. Pieter de Welle
-fronste het voorhoofd en zag hem uitvorschend aan.
-
---"Wat lacht ge, Gheleijn de Keijzer?" zei hij stroef. "Wacht liever
-met uw vroolijkheid, tot wij, door Gods goedheid, veilig binnen
-Antwerpen zijn."
-
---"Ik lach om dien dommen convers," zei de beweeglijke man, dien
-Jacob Martens slechts had gekend onder den naam van broeder Bernardus,
-maar die nu weder Gheleijn de Keijzer heette, als vroeger. "'t Was de
-"botte Peer-Tist", zooals wij hem in het klooster noemden. Of hij heeft
-durven schreeuwen? En hoe hij het bij den sub-prior zal goedmaken,
-dat hij des nachts met een gevulde bierkruik uit den kelder kwam? Ik
-wou ondertusschen, dat ik een teuge biers hier had, want mijn keel
-is zoo droog, als een preek van vader Anselmus in de vasten."
-
---"Was dan bij de vleeschpotten van Egypte en uwe Paepsche afgoderijen
-gebleven!" bromde de Welle norsch. "Wat deedt ge het klooster te
-verlaten, man, wanneer ge nog hunkert naar het patersbier, als God
-u pas heeft bevrijd."
-
---"Is dat mijn dank, omdat ik u geholpen heb den jonker uit het
-klooster te krijgen?" zei de zonderlinge man lachend. "Houd het mij
-ten beste, jonker Martens," vervolgde hij tegen Jacob, "zoo ik een
-loshoofd schijn. Ik ben zoo dartel als een jong veulen in de wei,
-nu ik die verwenschte witte pij heb uitgetrokken."
-
---"Waart ge het kloosterleven zoo moede, broeder Bernardus?" vraagde
-Jacob, verwonderd over de verandering van den vroeger zoo schuwen,
-stillen man.
-
---"Noem mij niet meer met dien verbruiden kloosternaam! Ik ben weer
-Gheleijn de Keijzer, meester in de conste van het snijden en drijven
-van koper, die ik vroeger was, vroeger, eer ik mij, gefoold door booze
-gedachten, omdat een deerne mij had bedrogen, in de pij liet steken."
-
---"Of er nog een vroom predikant uit u groeien mocht, als de godzalige
-Dathenus en Modet, of Octiviaan van Bacourt, die dienaar des Woords
-is te Laventhie, en die ook een witheer was," meende Pieter de Welle.
-
---"Een predikant? Zeg liever een goed landsknecht of een ruiter! Ge
-zegt immers, dat het aan den dans gaat met de knechten der
-Landvoogdes?" lachte de andere.
-
---"Maar ge behoort toch tot de onzen? Ge zijt toch mede van de
-gesuyverde religie?" vraagde Jacob bevreemd.
-
---"Van de gesuyverde religie? Zeker wel! Leert gijlieden niet, dat
-men de kloosters moet sluiten, en dat monniken en nonnen moeten
-hijlikken? En dat vasten en penitentie Paapsche bijgeloovigheden
-zijn? Ik behoor tot u, met lichaam en ziel! Reken op Gheleijn de
-Keijzer."
-
-Jacob zweeg. Zijn eenvoudig, vroom gemoed kon de lichtzinnigheid van
-den ander niet begrijpen. Hij had met hart en ziel de zaak des geloofs
-en der vrijheid omhelsd, hij had voor zijn overtuiging alles veilgehad:
-zijn toekomst, zijn liefde, zijn levensgeluk. Hij begreep niet, dat er
-onder de strijders voor de vrijheid óók konden zijn, wier geestdrift
-welde uit troebele bron en die de heilige zaak dienden om vaak zeer
-onedele beweegredenen.
-
-Na een korte rust brak het gezelschap weder op. Het duurde nu niet
-lang meer, of de statige toren van den Dom van Antwerpen trad uit de
-morgennevelen te voorschijn. Het werd drukker op den weg, want tal
-van landlieden gingen stadwaarts, zoo te voet, als met de Vlaamsche
-huifkarren. Nog altijd keek Pieter de Welle met scherpe blikken rond,
-maar er was niets verdachts te bespeuren, en zonder bemoeilijkt te
-worden bereikten de drie mannen de breede Schelde. De winter was tot
-nog toe zacht geweest en er was geen ijs op de rivier. Zonder moeite
-vonden zij plaats op een der veerponten, die het verkeer der machtige
-handelsstad met Vlaanderen onderhielden, en weldra betraden zij de
-drukke straten van het "Vlaamsche Genève". Zij waren er in veiligheid:
-het trotsche Antwerpen had het juk der geloofsvervolging afgeworpen
-en zelfs de invloed van den president van den Raad van Vlaanderen zou
-niet groot genoeg zijn, om de Magistraat te bewegen, zijn zoon uit
-te leveren, wanneer die er eenmaal in geslaagd was zich te stellen
-onder de bescherming van de hoofden der Geuzen, die er een tijd lang
-feitelijk de macht in handen hadden.
-
-Pieter de Welle, die ook in de stad welbekend was, leidde zijne
-beide metgezellen langs den kortsten weg naar de "Meere", het groote
-marktplein der stad, waar zich de taveerne de "Fonteyne" bevond,
-dezelfde herberg, die Jan van Treslong in het voorjaar aan Jacob
-Martens genoemd had, als het hoofdkwartier der Geuzen.
-
-Hoewel het nog vroeg in den morgen was, was het reeds druk in de
-taveerne, en de waard, een stevige kaerel, die brutaalweg op zijn
-muts van otterbont een Geuzenpenning droeg, had het met zijn knecht
-druk om de ongeduldige gasten te bedienen en hun de kroezen heet bier
-te reiken, die zij telkens verlangden. Die gasten vormden een vreemd
-mengelmoes: men zag er den fluweelen of fijn laken mantel, met bont
-omzoomd, van den edelman, zoowel als de grofgreinen pij van den huisman
-en het zwart lakensche wambuis van den deftigen poorter. Er werd
-heftig en druk gesproken, en de gezichten stonden ernstig en strak.
-
-Het binnenkomen van de Welle en zijne beide metgezellen veroorzaakte
-eenige opschudding. Sommigen staakten hun gesprek, anderen keken
-den waard vragend aan, maar deze, die met den koddebeier een
-vriendschappelijken groet had gewisseld, knikte even geruststellend,
-en dat scheen voldoende, want de gesprekken werden weder voortgezet.
-
-De Welle eischte een kroes heet bier voor zich en zijne beide
-makkers. Toen zette hij zich neer op een der lage houten banken en
-monsterde het gezelschap met een opmerkzamen blik. Op de bank in
-de breede schouw--de eereplaats--zaten een paar edellieden en voor
-hen stond een forsch, breed geschouderd man, die sprak met heftige
-gebaren en een toornigen gloed in de oogen. Hij was gekleed als een
-Vlaamsche boer en hield de wollen muts in de hand, maar iets in zijn
-houding en gebaar toonde, dat hij niet de eenvoudige huisman was,
-die hij schijnen wilde.
-
-Pieter de Welle boog zich voorover naar Jacob.
-
---"Ziet ge dien grooten kerel daar, jonker, die met die edellui
-aan het redekavelen is? Dat is Jean Denijs, de vroegere baljuw van
-Roosbrugge. Hij is door den gouverneur afgezet om zijne geuzerije en nu
-is hij een van de felste aanhangers van den Heer van Brederode. Zie,
-hoe driftig hij zich maakt! Zeker willen die twee niet naar hem
-luisteren."
-
-Jacob keek naar den haard en met blijdschap herkende hij in een der
-edellieden jonker Jan Blois van Treslong. Ook de Welle herkende den
-jongen edelman.
-
---"Daar zit zoo waarlijk de jonker van Treslong!" riep hij
-luidruchtig. "Die zal ons voorthelpen," en zonder er zich om te
-bekommeren, dat hij de drie mannen in hun gesprek stoorde, trok hij
-Jacob mede naar de schouw.
-
-Treslong herkende hen terstond en ontving hen hartelijk.
-
---"Zoo, jonker Martens," zei hij vroolijk, "ge hebt dan toch mijn
-uitnoodiging niet vergeten? Zijt ge er in geslaagd, den gestrengen
-President om den tuin te leiden?"
-
---"Maar dat vertelt gij mij later wel eens," ging hij voort, toen
-hij zag, dat zijn vraag Jacob pijnlijk aandeed. "Laat ik u eerst
-voorstellen aan mijn vriend en krijgsmakker, den Heer van Thoulouse."
-
-De andere edelman, een tengere jonge man, met een ernstig, schrander
-gelaat, boog en schudde Jacob vriendelijk de hand. Eerst later dacht
-de jonge man er aan, dat niemand eenige bevreemding had laten blijken,
-dat zij hem zagen in huismanskleeren, maar het duurde niet lang of
-hij bemerkte, dat de gasten in de taveerne de Fonteyne lang niet
-altijd waren, wat ze schenen.
-
-Hij was de Welle zijns ondanks gevolgd en wilde zich nu bescheiden
-terugtrekken, maar Blois van Treslong hield hem tegen.
-
---"Gij zijt van de onzen, jonker Martens," zei hij gul, "en voor de
-Welle hebben wij geen geheimen. Wees gerust, allen, die hier zijn,
-weten, dat er groote dingen op handen zijn, en de spionnen van de
-regeering zullen zich hier niet zoo licht wagen. Wij zijn gereed te
-strijden voor de gezuiverde religie en de vrijheden des lands, maar
-onze vriend Denijs hier wil ons overhalen tot een dwaze onderneming,
-die tot niets goeds kan leiden."
-
---"Ik zeg nog eens," zei de forsche man, met een stem, die trilde van
-bedwongen toorn, "dat wij verraders zijn van de goede zaak, als wij
-de broeders te Valencijn zonder hulp laten. Is het niet onze zaak,
-die zij daarginds verdedigen? Hebben niet de vrome predikanten de Bray
-en Herlin gehandeld in 't geloove en vertrouwende op de hulpe Gods? En
-zou hun geloof door onze flauwhartigheid beschaamd worden? Valencijn
-mag niet verloren gaan! Het is de poort, waardoor onze broeders,
-de Huguenoten, het land zullen binnenrukken..."
-
-Treslong haalde ongeduldig de schouders op. De Heer van Thoulouse
-nam het woord.
-
---"Geloof mij, vriend Denijs," zeide hij ernstig en met waardigheid,
-"het lot van onze broeders gaat ons niet minder ter harte dan u. Maar
-wij mogen niet alles wagen aan een zoo onzekere kans. Ge weet, dat er
-groote dingen te wachten zijn. Ge weet, waartoe wij hier zijn. De heer
-van Brederode versterkte Vianen, in Duitschland zijn vendels geworven,
-hier... maar ge weet dit alles zoo goed als wij. We moeten wachten,
-omdat overijling alles zou doen mislukken."
-
---"En ondertusschen moet Valencijn worden uitgemoord door Noircarmes
-en zijn benden?" zeide Denijs bitter.
-
---"Laat ons hopen, dat het niet zoover komen zal, en het zàl
-zoover niet komen, zoo God wil," zeide Thoulouse. "De broeders te
-Valenciennes zijn vrome mannen, maar geen krijgslieden. Ze hebben
-onberaden gehandeld, zonder eerst te vragen naar den raad van hen,
-van wie zij nu hulp verlangen. Maar de stad is sterk; ze kan het
-weken tegen Noircarmes uithouden. Nog een paar weken,--en alles zal
-gereed zijn tot den grooten slag, dien wij willen slaan. Ge weet,
-wat ik bedoel, Denijs! En gelukt onze onderneming, dan sluiten de
-edelen zich bij ons aan, tal van steden in het Zuiden kiezen onze
-partij. Brederode rukt op uit Vianen, Condé en zijn Huguenots zullen
-ons helpen, de Duitsche vendels rukken aan ter versterking en wij
-zullen Mevrouwe van Parma en den Koning dwingen, ons toe te staan,
-waarom wij tevergeefs hebben gesmeekt: de vrijheid van religie en de
-afschaffing der Inquisitie. Dan wordt Noircarmes vanzelf genoodzaakt
-het beleg van Valenciennes op te breken. Deden wij uw zin, kwamen
-wij thans openlijk in verzet, vóór alles gereed is, dan zouden
-wij de stad misschien kunnen ontzetten voor korten tijd, maar wij
-zouden op den duur stellig de nederlaag lijden tegen de troepen der
-Landvoogdes. Valenciennes moet geduld hebben."
-
---"En terwijl gij plannen beraamt en uw luchtkasteelen bouwt, neemt
-Noircarmes ondertusschen de stad misschien met storm en worden onze
-broeders vermoord," zeide Jean Denijs bitter. "Neen, jonker van Marnix,
-wij kunnen niet wachten. Met u, of zonder u,--wij zullen Valencijn
-verlossen. Wèl zegt de vrome Cornelis, dat het den Heere hetzelfde is,
-verlossing te geven door velen of door weinigen!"
-
---"Cornelis? Is dat niet de wezen hoefsmid, die te Laventhie heeft
-gepredikt?" vraagde Treslong. "Neem u in acht, Denijs, de Eerwaarde
-Junius noemt den man een gevaarlijk geestdrijver."
-
---"Omdat hij spreekt, wat de Geest hem geeft te spreken!" riep de
-vroegere baljuw bijna toornig. "Ik zeg u nog eens: God zal met ons
-strijden, Heeren! Wacht niet tot het uw tijd is! Sla toe op Gods tijd!"
-
---"Wat wilt gij met uw gewapend landvolk tegen de vendels van
-Noircarmes?" zeide Treslong schouderophalend.
-
---"Wij hebben meer! De broeders Wattepatte te Laventhie, die getrouwe
-dienaren van God en zijn kerk, zijn de laatste weken ijverig bezig
-geweest. Zij hebben geld verzameld en soldaten geworven: acht vendels
-Franschen en Walen. Ze zijn in 't geheim gelegerd in de trouwe dorpen
-van den Westhoek,--maar dat kan niet lang duren. De huislieden lijden
-last: 't zijn rauwe gasten, al strijden zij voor een goede zaak. Ook
-daarom moeten wij toeslaan, voor de vendels verloopen. Nog eenmaal,
-trekt gij met ons op?"
-
-Thoulouse en Treslong wisselden een blik van verstandhouding.
-
---"Wij kunnen niet en wij mogen niet!" zeide de eerste, zacht,
-maar beslist. "En wij bidden u, Jean Denijs, zie af van die dwaze
-onderneming."
-
---"Welnu, dan zonder u! Gods vloek over u, gij edellieden zonder hart,
-die het arme volk laat vermoorden!" riep de forsche man toornig,
-en hij wendde zich driftig af, terwijl hij naar hoed en mantel
-greep. Eensklaps echter keerde hij terug.
-
---"Neen, zoo wil ik toch geen afscheid van u nemen, heeren!" zei hij
-hartstochtelijk. "Gij meent het wèl met de kerke Gods, ook al zijt
-ge gevangen in het net der wereldsche politieke redenen. Vaartwel,
-we zullen elkander misschien hier op aarde niet wederzien!"
-
-Hij reikte hun de hand ten afscheid, en wilde heengaan.
-
---"Halt! neem mij mede, als het er op los zal gaan," riep plotseling
-een zenuwachtige stem, en Gheleijn de Keijzer, de gewezen broeder
-Bernardus, die ongemerkt genaderd was en het gesprek had aangehoord,
-versperde den baljuw stoutmoedig den weg.
-
---"Neem mij mede," herhaalde hij, "en geef mij een armborst en
-degen. Ik kon den vogel raken in mijn jeugd; en ik verlang er naar,
-weer eens een bout te doen vliegen!"
-
---"Wie is dat? Wat wil die man?" vroeg Jean Denijs verwonderd.
-
-Pieter de Welle trad op hem toe en fluisterde hem iets in. De baljuw
-keek den gewezen monnik scherp aan.
-
---"Ge hebt geluisterd?" vraagde hij kortaf.
-
---"Met uw verlof, heer hopman of wat ge wezen moogt," zei de
-zonderlinge man, "ik zou wel eens willen weten, hoe ik het had moeten
-aanleggen om niet te luisteren. Ge hebt waarlijk luid genoeg gesproken,
-om op de Meer te worden verstaan. Ik zeg nog eens: Neem mij mede. 't
-Zal niet voor de eerste maal zijn, dat ik een kruisboog of een degen
-heb gehanteerd."
-
---"En wie zegt mij, dat gij geen spion van Noircarmes zijt?" vraagde
-Denijs.
-
---"Deze jonker, dien ik uit het klooster heb helpen ontvluchten, op
-gevaar van mijn hals," antwoordde Gheleijn de Keijzer vrijmoedig. "Als
-die van Gent of mijn vrienden, de Witheeren, mij in hunne handen
-mochten krijgen, dan wacht mij de strop."
-
---"En toch wilt ge uw hals wagen in een onderneming, waar het heet zal
-toegaan en die deze heeren te gewaagd achten?" zeide Denijs spottend.
-
---"Dat is wat anders!" meende Gheleijn; "zoo ik slagen krijg, ik
-zal er ook kunnen uitdeelen, en als ik mijn hals waag, dan doe ik
-het tenminste voor een goede zaak. Dat is heel wat anders, dan op de
-Vrijdaegsmarkt te Gent te staan bibberen, tot de Roode Roê het stokje
-breekt en dan te worden opgehangen, als een varken aan de leer."
-
---"Waarom wacht ge niet liever met den jonker en de Welle op de
-groote onderneming, waarvan de heeren spreken?" vraagde Denijs niet
-zonder bitterheid.
-
---"Ik heb lang genoeg gewacht! Zie, heer, ik ben kunstenaar geweest en
-in een onzalig oogenblik heb ik mij in de pij laten steken. Zes jaren
-van mijn leven heb ik in 't klooster doorgebracht. Ik ben ziek van het
-knielen en gebeden prevelen, ik walg van meditaties en penitenties. Ik
-wil leven, leven zooals vroeger,--al was het dan maar een korte poos."
-
---"Dat laatste kunt ge gedaan krijgen!" zeide Denijs grimmig. "Kom
-mede, man! Vaartwel, heeren!"
-
-Na een haastig afscheid volgde Gheleijn de Keijzer zijn nieuwen
-aanvoerder. Een paar mannen in schippersdracht, die in een hoek van
-het vertrek het gesprek zwijgend hadden aangehoord, ledigden hunne
-"pottekens" en sloten zich bij de twee mannen aan.
-
---"Dat is een dapper man!" zeide Jacob, terwijl hij Jean Denijs
-peinzend nakeek. Het liefst had hij zich bij de moedige strijders
-aangesloten, die in ongelijken kamp hun leven gingen wagen voor
-hunne broeders, maar hij gevoelde zich nog te vreemd in deze nieuwe
-omgeving, en te jong en te onervaren om te durven handelen tegen het
-gevoelen van Treslong en Thoulouse, die zich zoo ernstig tegen het
-plan hadden verzet.
-
---"Een dapper man, maar een dweper!" zei Treslong. "Die van Laventhie
-loopen blindelings in hun verderf. Die predikant Cornelis, en ook Modet
-en Dathenus hebben het volk in het Zuiden letterlijk dol gemaakt. Men
-hoort er van niets dan van St. Gideon, meen ik, die de Sarracenen
-versloeg ..."
-
---"Hei wat, Jan," viel Thoulouse hem in de rede, "de Eerwaarde
-Junius moet u beter uw bijbel leeren. Als mijn broeder Philips
-u hoorde! Gideon was een richter in Israël, die zijn volk van de
-Midianieten verloste,"
-
---"Dat waren Sarracenen!" hield Treslong vol.
-
---"Vraag het aan Junius!" zei de ander glimlachend. "En laat ons niet
-spotten met het geloof van die eenvoudigen."
-
---"Geloof? Geestdrijverij! Wat kunnen zij met hun bijeengeraapte
-vendels uitrichten tegen de veteranen van Noircarmes?" vraagde Treslong
-driftig. "Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken," dat staat óók
-in den bijbel, "Jan van Marnix."
-
---"Het is waar! En ik vrees, dat zij het zullen ervaren, dat daarop
-geen zegen rust!" zei Thoulouse treurig. "Om te doen, wat Gideon
-deed, moet men zich als Gideon geroepen weten. Maar daar is hopman
-van der Aa..."
-
-Een kort, gezet man, met een rood, verhit gezicht, was de taveerne
-binnengetreden. Hij was gekleed in zwart fluweel, met roode sjerp en
-bandelier, waarin een degen hing, die veel te groot scheen voor zijn
-korte gestalte. Hij wierp een onderzoekenden blik door het vertrek
-en trad, zoodra hij de edellieden bemerkte, driftig op hen toe.
-
---"Hebt ge 't gehoord, heeren," riep hij, zonder zijn rood gepluimden
-hoed af te nemen, "Denijs trekt met zijn mannen weg en er hebben zich
-nog meer bij hem aangesloten. Wat moet dat geven, als die domkoppen
-reeds nu zóó beginnen?"
-
---"Wij weten het, helaas, hopman," zei Thoulouse, "en wij betreuren
-het niet minder dan gij. Maar ga zitten; ondertusschen hebben wij
-hier twee nieuwe recruten, die wij aan u willen voorstellen."
-
-Simon van der Aa, de dappere hopman van Brederode en tevens een handig
-werfofficier, zette zich bij het gezelschap aan de tafel, want ook
-de Welle, die, zooals Jacob weldra bleek, hoog bij de aanvoerders
-der Geuzen stond aangeschreven, werd door de beide edellieden
-uitgenoodigd; de bierkroezen werden door den waard gevuld met goed
-Utrechtsch bier, "heet ende gecruyt", en weldra sprak men druk over
-het groote onderwerp: de aanstaande onderneming tegen de Regeering, en
-de plannen des Konings, die, naar men zeker wist, met een groot leger
-naar zijne erflanden zou komen, om aan elk verzet een einde te maken.
-
-Het moge vreemd klinken, dat men in een stad als Antwerpen, op
-klaarlichten dag, in een taveerne, waar ieder toegang had, openlijk een
-samenzwering smeedde en plannen beraamde tegen de bestaande regeering,
-toch was dat werkelijk de toestand. Antwerpen was in den winter van
-1566-1567 feitelijk in de handen der Geuzen. Niet alleen werd er elken
-Zondag in de kerken openlijk gepredikt, maar er werd evenzeer openlijk
-volk geworven voor Brederode en zijne medestanders, en hopman van
-der Aa stak zijn plannen niet onder stoelen en banken. Nog weinige
-weken en het Geuzenlegertje zou met vliegende vaandels en slaande
-trom Antwerpens straten doortrekken en de poort uitrukken, zonder
-dat de Magistraat dit kon of wilde beletten.
-
-Nog dienzelfden dag nam Jacob dienst bij hopman van der Aa, als
-"cadet". Treslong bezorgde hem een kwartier in zijn eigen woning en
-bediende zich van hem als geheimschrijver. Zoo kwam hij op de hoogte
-van den toestand. Hij begon meer en meer te begrijpen wat Oranje,
-Brederode en Nieuwenaar beoogden. Hij wist ook, dat Egmond, op wien
-het volk nog steeds hoopte, ondanks zijn streng optreden tegen de
-beeldstormers, zijn vroegere medestanders den rug had toegekeerd en
-zich schaarde aan de zijde der Regeering. Maar in hoeverre Oranje
-Brederode's plannen goedkeurde, wist hij niet en meer en meer scheen
-het hem toe, dat de bondgenooten het zelf niet wisten.
-
-Voor het overige scheen hij veilig onder de bescherming der
-Geuzenaanvoerders. Wel was het te Gent bekend geworden, waar hij zich
-bevond en had de Hoog-baljuw hem, op verzoek van zijn vader, doen
-opeischen, maar hoezeer de Antwerpsche Magistraat een invloedrijk
-persoon als de president van den Raad van Vlaanderen misschien
-gaarne ter wille was geweest, zij durfde geen geweld gebruiken tegen
-de hoofden der Geuzen. Zij wist te wel, hoe gespannen de toestand
-was. Eén enkele onvoorzichtigheid was genoeg, om een oproer te doen
-uitbarsten, waarbij de beeldenstorm kinderspel zou zijn geweest. Zoo
-zocht de Magistraat uitvluchten en liet Jacob Martens uitnoodigen,
-de stad en haar vrijdom te verlaten, eene uitnoodiging, waaraan deze
-zich niet stoorde.
-
-Op zekeren dag, kort na zijn komst te Antwerpen, begaf hij zich
-met Thoulouse en Treslong naar de Fonteyne, toen hun aandacht werd
-getrokken door een gejuich, dat achter hen opging. Drie edellieden
-kwamen langzaam door de nauwe straat aanrijden onder een luid "Vive
-le Geus!" van het gemeen, waarmee sommige burgers hartelijk instemden,
-terwijl anderen zich haastig verwijderden.
-
---"Let op den middelste!" zeide Treslong haastig. "Dat is Oranje! De
-anderen zijn van Hoogstraten en burgemeester van Stralen."
-
-Jacob zag een edelman met een fijn, bleek gezicht en een paar diepe,
-donkere oogen, gedost in een met bont omzoomden mantel en met een
-hoogen fluweelen hoed op het hoofd, die met zijn beide metgezellen
-een ongedwongen gesprek scheen te onderhouden, terwijl hij van tijd
-tot tijd het hem toejuichende volk minzaam groette. Prins Willem van
-Oranje was toen drie en dertig jaar, maar hij scheen ouder dan hij
-was. Het hoofd zijner politieke partij, zoo in den Raad van State als
-daarbuiten, de man, op wien Roomsch en Onroomsch de oogen gevestigd
-hield, had hij de laatste jaren doorgebracht in het gewoel van den
-strijd der staatkundige partijen en de sporen van dien kamp waren
-te zien in de diepe gedachtenrimpels op het hooge voorhoofd. Oranje
-was in die dagen de sfinx, de ondoorgrondelijke, wiens gedachten de
-Spaansche partij tevergeefs trachtte te peilen, wiens verreikende
-plannen zij niet kon omvademen, maar die tegelijk een raadsel was
-voor zijn eigen partij. Men doet der historie geweld aan, als men in
-Willem van Oranje, in de dagen, die den grooten strijd voorafgingen,
-reeds den geloofsheld wil zien van later tijd. Veel moest er ook over
-dat hoofd heengaan, eer hij het leerde buigen voor den "Potentaat
-aller potentaten", met Wien hij eens een vast verbond zou maken. Ook
-hij moest gelouterd worden in de harde school van den tegenspoed,
-ook hij moest zijn Jacobsworsteling nog doormaken, en op het stille
-Dillenburg,--de brieven zijner vrome moeder getuigen het--zou de
-schrandere politicus, het geniale partijhoofd, eerst als een arm,
-verlaten zondaar moeten staan voor zijn Heiland en Verlosser, voor
-hij den Geest zou ontvangen, die zijn streven zou heiligen, die hem
-den moed zou geven tot een schier hopeloozen strijd voor de zaak der
-verdrukten, die hem in waarheid zou maken tot Vader des vaderlands.
-
-Thans reed hij daarheen, te midden der Antwerpsche burgerij, en
-schoon hij den jubelenden groet der menigte vriendelijk beantwoordde,
-fronsten zich zijn wenkbrauwen soms ongeduldig bij het luid schaterend
-"Vive le Geus!", dat hem overal tegenklonk. Hij wenschte te Brussel
-niet te worden aangezien als het hoofd van een opgewonden menigte, en
-hij wist daarbij te goed, hoe wispelturig de volksgunst is. Datzelfde
-volk, dat hem thans huldigde en toejuichte, zou hem over weinige
-weken uitjouwen, en zelfs zijn leven bedreigen, wanneer hij hen en
-hun stad door zijn wijs beleid behoedde voor plundering en moord.
-
-Jacob zag den man na, van wien hij zooveel had gehoord, onder wiens
-vanen hij weldra zou strijden, en dien hij eerst na verscheidene
-jaren en onder geheel andere omstandigheden zou weerzien.
-
-De beide edellieden gingen met hun jongen geheimschrijver naar de
-Fonteyne en hoorden er van Hopman van der Aa, hoe het ging met de
-werving. Toen bezochten ze verschillende hoofden hunner partij, om
-berichten te ontvangen, bevelen of wenken uit te deelen of plannen
-te smeden voor de toekomst. Tegen den avond, na een werkzamen dag,
-begaven zij zich naar de woning van Thoulouse, waar de jonge, bevallige
-Vrouwe hare gasten, de voornaamsten der Geuzenpartij, met vriendelijke
-bevalligheid ontving. Jacob Martens ontmoette er tal van mannen,
-die weldra in de geschiedenis van den opstand een blijde of droevige
-vermaardheid zouden krijgen. Hij zag er den vurigen Joris Sylvanus,
-den moedigen predikant, die weldra als balling de stad en zijn gemeente
-zou verlaten, den dichter van het aandoenlijke afscheidslied, waarin
-de verdrukte Kerke Christi klaagt tot haren God; den verstandigen
-Marco Perea, den rijken koopman, die zijn persoon en zijn fortuin ten
-dienste had gesteld der goede zaak; Mr. Gillis de Clercq, en nog vele
-anderen. Men was er vol hoop op de toekomst. Had men eenmaal maar een
-voldoende krijgsmacht te velde, en een paar sterke steden bezet, dan
-kon men de macht der Landvoogdes trotseeren, dan zouden de steden den
-moed hebben om zich openlijk voor de partij der vrijheid te verklaren,
-dan zouden de edelen zich stellen aan het hoofd des volks, en dan,--ja
-dan zou men den Koning weten te dwingen, de vrijheden des volks te
-eerbiedigen, dan zou de Inquisitie verdwijnen en er zou vrijheid
-zijn van geweten en vrijheid van eeredienst,--want verder dacht men
-niet. Niemand wilde den Koning van Spanje de gehoorzaamheid opzeggen:
-de Heer der Nederlanden zou slechts den gehaten geloofsdwang in zijne
-erflanden opheffen,--en men zou de wapens neerleggen en allen zouden
-weder zijne getrouwe onderdanen zijn.
-
-Met zorg volgden intusschen de leiders de beweging in het Zuiden des
-lands. Zij wisten, dat Jean Denijs zijn plan had volvoerd en met een
-gewapenden hoop volk een paar dorpen had bezet; en zij wisten ook, dat
-de moedige, maar onbezonnen Wattepatte's hunne vendels samentrokken,
-om zoo mogelijk Valenciennes te ontzetten en zij vreesden, dat de
-sluwe Noircarmes, die zijn tegenstanders rustig hun gang liet gaan,
-het gunstig oogenblik afwachtte, om de overmoedige en onervaren
-strijders met één slag te vernietigen.
-
-Op Vrijdag den 26sten December verspreidde zich te Antwerpen het
-gerucht, dat er bij Watrelos gevochten was en dat de Geuzen het hadden
-verloren. Nadere berichten kwamen er niet, maar Zondag, den 28sten
-December, kwam de bevestiging van het treurige bericht.
-
-Men was dien avond naar de "Ronde Kerk" ter preek geweest, en, naar
-de gewoonte dier dagen, had Meester Joris Sylvanus zijne gemeente
-niet alleen getroost en bemoedigd, maar hij had ook niet geschroomd,
-de politiek van den dag op den kansel te brengen, en in vurige taal
-zijne toehoorders opgewekt, nu met hun lijf of hun goed de mannen te
-steunen, die als in de dagen van Josia de Baälpriesters en hun aanhang
-zouden verdelgen van voor het aangezicht des Heeren. En zinspelende
-op het pas gevierde Kerstfeest, had hij gezegd, dat Christus voor
-de Nederlanden eerst recht zou zijn geboren, als zijn Evangelie er
-onbedekt en openlijk voor allen kon worden gepredikt.
-
-Thans waren de hoofden der beweging bijeen ten huize van Thoulouse
-en men besprak er de geruchten der laatste dagen, de berichten, die
-men van Brederode had ontvangen, en de "groote onderneming", waarvan
-men zoo was vervuld, en die toch niet in bijzonderheden werd aangeduid.
-
-Het was reeds vrij laat, althans voor die dagen, toen de klopper
-aan de voordeur met een zacht, voorzichtig tikje neerviel op den
-metalen knop. Na een oogenblik verscheen er een bediende, die met
-een ontsteld gelaat den gastheer iets influisterde. Thoulouse stond
-haastig op, men hoorde in het voorhuis zware schreden, een levendige
-woordenwisseling, en weldra verscheen hij weder, met een man, in een
-langen mantel gewikkeld en den slappen hoed diep in de oogen gedrukt.
-
-Met een wenk liet de Vrouwe van Thoulouse de bedienden vertrekken. De
-man wierp met een zucht van verlichting hoed en mantel ter zijde
-en viel neer op den zetel, dien Blois van Treslong haastig had
-aangeschoven. Het was Jean Denijs. Zijne kleeding was beslijkt en
-bebloed, en een breede hoofdwonde, slechts ruw met eenige lappen
-verbonden, misvormde zijn bleek gelaat.
-
-Met een kreet van ontsteltenis sprongen de aanwezigen op.
-
---"Dus geslagen?" riep Treslong, terwijl Mevrouw van Thoulouse haastig
-de kamer verliet, ten einde het noodige te halen, om den gewonde te
-verbinden, een kunst, waarin zij, als vele vrouwen van dien tijd,
-bedreven was.
-
---"Alles verloren!" kermde Jean Denijs.
-
-Hij ledigde den beker wijn, dien Thoulouse hem aanbood. Een licht
-rood kleurde zijn door vermoeienis en bloedverlies bleek gelaat,
-en hij vervolgde met van aandoening trillende stem:
-
---"Gij hebt gelijk gehad, heeren! Ik was een ezel, te denken, dat wij
-met een ordeloozen hoop iets konden uitrichten tegen Noircarmes. Maar
-het is er mij naar gegaan!"
-
-Hij zweeg een oogenblik en dronk een teug wijn. Toen ging hij voort:
-
---"Wij trokken op met een sterken troep en goed gewapend ook. Wij
-zouden ons bij Watrelos met die van Armentières en Doornik vereenigen,
-om dan samen Valenciennes te ontzetten. Wèl wisten wij, dat de Heer van
-Rottinghem, de stadhouder van Donai en Rijsel, ons wilde tegenhouden,
-maar hij had maar tweehonderd man, en die telden wij niet. Domkop,
-die ik was! Bij, Watrelos viel hij ons aan en hij joeg ons uiteen,
-als een kudde schapen. Waren de Wattepatte's met hunne vendels er
-maar geweest! Maar zij kwamen te laat; die Cornelis, hun predikant,
-had hen opgezet, om vast onderweg de kloosters in brand te steken;
-zij hadden het krijgsvolk niet onder tucht weten te houden en zoo
-waren zij opgehouden. Ik was te paard en ik vluchtte naar het leger,
-en wij rukten voort naar Watrelos om wraak te nemen, en Noircarmes
-te verrassen, maar hij verraste ons vandaag. Wij waren van morgen in
-het bosch van Lannoy, toen hij ons plotseling overviel. Hij had tien
-vendels en zeshonderd ruiters en hij viel ons aan, voor wij wisten, dat
-hij in de nabijheid was. Alles is verloren! De onzen waren dadelijk in
-verwarring en ze werden ingesloten en in de pan gehakt. Onze vaandels
-en de veldstukken, die de Wattepatte's in Frankrijk hadden gekocht,
-alles is weg! Een paar van ons zijn het naar Antwerpen ontkomen, maar
-Pieter en Philip Wattepatte zijn door Noircarmes' ruiters ingehaald
-en gevangen genomen."
-
-Thoulouse en Blois van Treslong wisselden bezorgde blikken.
-
---"Hadden wij uwe vendels en uwe kanonnen gehad, als de tijd daar is,
-dat wij ze zullen kunnen gebruiken," zuchtte Thoulouse. "Wat al geld
-en kostbaar bloed verspild in een nuttelooze onderneming!"
-
-Jean Denijs boog beschaamd het hoofd.
-
---"Ik meende den Heere en Zijne verdrukte Kerk te dienen," zei hij
-ootmoedig. "En wat zal er nu met onze arme broeders te Valencijn
-gebeuren?"
-
---"Houd moed, broeder," zei Treslong trouwhartig. "Ge hebt gehandeld
-naar uw geweten. En zoo ons plan gelukt, wat God geve, dan zal de
-Landvoogdes zoo de handen vol hebben, dat Noircarmes Valencijn wel
-met rust zal moeten laten. Maar zeg mij, heeft men u de poort zien
-binnenkomen?"
-
---"Wij waren met ons vijven. De portier van "de Roode Poort" is
-ons genegen, al durft hij niet ter preeke komen. Hij liet ons tegen
-'t gewone poortgeld binnen en vroeg niets."
-
-Jean Denijs zeide het met een pijnlijk vertrokken gezicht. Zijne
-wonde begon hem hier in het warme vertrek te hinderen.
-
---"Zoo zijt gij hier veilig," zeide Thoulouse. "Mijne vrouw zal u
-verbinden, en dan--gij hebt rust noodig. De wond is niet ernstig en
-gij zult ons nog helpen, uw nederlaag op Noircarmes te wreken. Morgen
-verhaalt ge ons meer!"
-
-Mevrouw van Thoulouse verscheen met linnen en pluksel, met water en
-azijn, en met alle verdere hulpmiddelen, die haar eenvoudige heelkunst
-haar leerde en haar goed hart haar ingaf. De wonde werd gereinigd en
-opnieuw verbonden.
-
-Toen bracht Thoulouse zijn gast naar zijn kamer, maar de forsche
-man was door bloedverlies en afmatting zoo uitgeput, dat Treslong en
-Jacob Martens hem beiden moesten ondersteunen.
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-
-Ja, de moedige, maar onberaden poging om Doornik te helpen
-en Valenciennes te ontzetten, was jammerlijk mislukt. Tal van
-vluchtelingen, die aan de ruiters van Noircarmes ontkomen waren,
-en die den guren winternacht in allerlei schuilhoeken hadden
-doorgebracht, kwamen de volgende dagen ongehinderd Antwerpen binnen,
-en ze bevestigden de tijding, die Jean Denijs had gebracht. 't Was
-een verpletterende nederlaag geweest, dat gevecht bij Lannoy. Een
-verrassing, even sluw beraamd als stout uitgevoerd door den dapperen
-en bekwamen Noircarmes, die van zijn krijgsmanskunst zoo wèl gebruik
-had weten te maken tegen zijn ongeoefende tegenstanders. De overval
-was volkomen geweest: het geheele Geuzenlegertje was vernietigd en
-de troepen der Landvoogdes hadden nagenoeg geen verliezen geleden.
-
-Van Jean Denijs, die zich in het huis van Thoulouse schuil hield,
-om er van zijn hoofdwonde te genezen, vernamen de bondgenooten
-nog nadere bijzonderheden. Zij vernamen van hem ook den dood van
-Gheleijn de Keijzer, die in het gevecht bij Watrelos was gebleven. De
-gewezen monnik had niet lang genoegen gehad van zijn pas verworven
-vrijheid. Jean Denijs verhaalde, hoe hij het vuurroer, waarmee men hem
-had willen uitrusten, minachtend had afgewezen; hoe hij, met een langen
-handboog gewapend, als een echte Vlaamsche schutter met zijne pijlen
-verscheidene van van Rossinghem's volk had neergelegd, en hoe hij
-eindelijk met een "goedendag" als wapen, tegen de opdringende knechten
-had standgehouden, en, vechtende tot het laatste, was gevallen.
-
-Zou de dood dier martelaren worden gewroken? Jacob Martens vroeg het
-met koortsig ongeduld. Hij brandde van verlangen om ten strijde te
-trekken tegen de troepen der Regeering, die het land verdrukte. "Nu
-of nooit!" dacht hij en dat dachten duizenden met hem. Brederode, de
-kloeke, voortvarende Brederode, scheen het hoofd der beweging. Hij
-was de man van het oogenblik, op wien aller oogen waren gevestigd,
-het hoofd der partij van actie, die dreef tot onmiddellijk handelen,
-tot krachtig doortasten.
-
-En Oranje, de zwijgende, bedachtzame schaakspeler, die nimmer een
-haastigen, onberaden zet op het politieke schaakbord deed, wachtte af!
-
-Nu of nooit! Handelen moest men, of alles was verloren! Namen de
-geruchten, dat de Koning met een geducht leger herwaarts zou komen,
-niet steeds vaster vorm aan? Wist men niet met zekerheid, dat die
-troepen zouden worden aangevoerd door Philips' besten veldheer,
-den geweldigen hertog van Alva? Mocht men wachten, tot de Kerk van
-Christus, tot de Nederlandsche vrijheid zou worden vertrapt onder de
-ijzeren zool der Spaansche huurbenden?
-
-Nu of nooit! En het Consistorie der Gereformeerde kerken,
-te Antwerpen vergaderd, benoemde hun held en hun voorvechter
-tot opperbevelhebber. Brederode benoemde Philips van Marnix
-van St. Aldegonde tot penningmeester der beweging. Het geld
-der Gereformeerden vloeide toe, want men verwachtte veel van
-de onderneming. Openlijk werden in Antwerpen troepen geworven op
-Brederode's last. Antony van Bombergen, de vermetele aanvoerder, die
-onder Condé had gediend, maakte zich meester van 's Hertogenbosch en
-trotseerde er de Regeering. Maastricht dreigde afvallig te worden:
-het was reeds wederspannig.
-
-En het was nu geen geheim meer, dat de Geuzen het oog hadden geslagen
-op Zeeland. Dààr wilden zij zich nestelen, om de Spaansche vloot,--want
-men verwachtte de troepen des Konings over zee--den doortocht te
-betwisten. Als Alva kwam, dan zou hij, naar men meende, het geheele
-land onder de wapenen vinden.
-
-Zoo dacht men, en steeds zag men op Oranje. Maar ondanks het
-aandringen der bondgenooten, ondanks het morren van het volk, bleef
-Oranje wachten. Ja, het scheen zelfs, dat hij zich tegen Brederode
-keerde. Hadden de aangeworven troepen, die zich in de dorpen bij
-Antwerpen hadden gelegerd, niet den last gekregen van den Prins,
-als Markgraaf van Antwerpen, om zich aanstonds te verwijderen, onder
-bedreiging van geweld, indien zij niet gehoorzaamden? Aarzelend
-waren zij afgetrokken, de Geuzenbenden, om zich bij Brederode te
-voegen, sommigen te scheep, anderen over Gorcum, en wrokkend zagen de
-Antwerpsche Gereformeerden naar den zwijgenden staatsman, die hunne
-verwachtingen zoo teleurstelde.
-
-Toch,--men wist het wel, er was toch nog krijgsvolk te Antwerpen
-gebleven en er werden er nog steeds geworven. Zou er dan toch nog
-hoop zijn?
-
-Met een gelaat, gloeiend van geestdrift, trad Jan Blois van Treslong
-op een middag in het laatst van Februari de "sale" binnen in het huis
-van Thoulouse, waar de hoofden der Antwerpsche beweging vergaderd
-waren. De heer des huizes, met Jacob Martens als zijn secretaris,
-leidde de bijeenkomst. Men zag er eenige der Antwerpsche predikanten,
-den Heer van Walencourt, een uitgeweken Huguenoot, Mr. Gillis le
-Clercq, Jean Denijs en de Heeren van der Aa, Waroux, Escaubecque en
-Villers, de laatsten allen hoplieden onder Brederode.
-
---"Eindelijk, Thoulouse! eindelijk, heeren!" riep de vurige jonge
-edelman, terwijl hij zijn vriend een gezegeld stuk overreikte. "De bode
-van Mr. Pieter Haeck is zooeven aangekomen. De baljuw wil ons helpen
-en hij heeft veel invloed op Walcheren. Zijn wij eerst meester van het
-eiland, dan lachen wij met Mevrouw van Parma en hare tachtig vendels!"
-
-Thoulouse opende den brief van den gewezen Middelburgschen baljuw
-en las dien voor. Inderdaad bevatte het schrijven het bericht, dat
-Meester Pieter Haeck hun voorstel aannam: De bondgenooten zouden met de
-troepen, die zij nog te hunner beschikking hadden, de Schelde afvaren
-en een aanslag op Walcheren wagen, Haeck, die zich in Zeeland ophield,
-om daar de bevolking te bewerken, zou zich op de rivier bij hen voegen,
-en door zijn invloed en dien zijner familie zou hij de voornaamste
-steden weten te bewegen, zich voor de Geuzen te verklaren. "En"--zoo
-werd er geheimzinnig gefluisterd--"de Prins van Oranje keurde de
-onderneming goed. Was niet een zijner officieren, de Heer van Boxtel,
-naar Zeeland geweest, om te verhinderen, dat de steden eene bezetting
-der regeering zouden innemen? En had de gouverneur van Zeeburg, de
-wakkere Roeland van Ghistelle, niet geweigerd, een vendel voetknechten
-in de sterkte toe te laten, zonder bijzonderen last van Oranje,
-in wiens handen hij den eed had afgelegd?"
-
-Men was vol geestdrift, vol hoop. Met gejuich werd het schrijven
-van Pieter Haeck ontvangen. Nu zou men dan toch eindelijk kunnen
-overgaan tot de groote onderneming, waarvan zoo lang was gesproken,
-die zoo zorgvuldig was voorbereid. Met kracht, zoo besloot men, zou
-men de werving voortzetten. Men had geld, men had geschut en wapens;
-men wist over welke schepen men kon beschikken. Drie groote vaartuigen
-lagen aan het Vlaamsche hoofd gereed.
-
-Den 2den Maart 1567, tegen den noen, stond het Antwerpsche volk
-met nieuwsgierigheid een bende krijgsvolk aan te staren, die op de
-Meere werden gemonsterd. 't Waren drie vendels voetknechten, goed
-gewapend met speren en haakbussen, maar 't waren geen stadssoldaten,
-dat was duidelijk. Van uniformen wist men in die dagen nog niet veel;
-de lederen kolders, de stalen borstharnassen en stormkappen werden
-door de soldaten van alle partijen gedragen, maar de officieren en
-manschappen hadden groene en witte sjerpen en veldteekens, en de
-hoplieden met hunne luitenants, die daar het bevel voerden, waren
-voor de Antwerpenaars goede bekenden: dat waren de Geuzenvendels!
-
-Een oogenblik, en daar roffelden de trommen, daar werden de vaandels
-ontplooid, witte banen met een bloedrood St. Andrieskruis, daar
-klonken de commando's en in goede orde marcheerden de drie vendels
-door de stad en naar het Vlaamsche hoofd, onder het luid gejuich der
-Calvinistische burgerij.
-
-En de Antwerpsche magistraat liet het geschieden, en de stadhouder
-verzette zich niet. Wat zouden zij doen? De toekomst was donker,--en
-twaalf à veertien duizend Calvinisten, door de gebeurtenissen der
-laatste dagen geprikkeld, waren dààr, gereed tot den opstand, zoo
-men de Geuzentroepen bemoeilijkte.
-
-Met de witzijden sjerp--een geschenk der Vrouwe van Thoulouse--over
-het gepolijst stalen borstharnas, den breedgeranden hoed met witte
-pluimen op het hoofd en den degen op zijde, trad Jacob Martens, die
-als cadet in het onmiddellijk gevolg van Thoulouse den tocht zou
-meemaken, met een aantal der jonge Geuzenedelen aan het hoofd van
-den stoet. De borst sloeg hem hoog en fier, bij de gedachte, dat hij
-thans een krijgsman was, dat hij ging strijden voor de schoone zaak
-der vrijheid, die hij diende; dat hij zijn volk en de verdrukte Kerke
-Christi ging bevrijden van het zware juk der Inquisitie. Want dat de
-goede zaak zou zegepralen, nu, oogenblikkelijk,--daaraan twijfelde
-hij geen oogenblik. Hij bewonderde Brederode, maar voor Thoulouse
-had hij een blinde vereering; hij was zeker van den goeden uitslag,
-omdat Jan van Marnix aan het hoofd stond der stoute onderneming. De
-geestdrift der aanvoerders had allen aangestoken: daar gingen zij heen,
-de redders en bevrijders des volks.
-
-En onwillekeurig bekroop hem de gedachte: als Madeleine hem nu eens
-kon zien, niet meer den jongen, baardeloozen scholier van Leuven,
-maar den krijgsman, den vertrouwde van Thoulouse en Treslong! O,
-als de overwinning was behaald, en het dankbare volk ook hem dankte
-als een van zijn bevrijders, dan zou hij zijn jonge lauweren aan haar
-voeten leggen,--en dan zouden ook hààr immers de oogen open gaan, en
-zij zou zien hoe schoon en edel de zaak was, die hij diende; moest
-toch de fiere Vlaamsche jonkvrouw niet meer sympathie hebben voor
-geloofsvrijheid en volksvrijheid, dan voor priesterdwang en tirannie?
-
-En, zijn schoonen droom voortspinnende, stapte Jacob voort onder de
-witte banier met het roode kruis, door de straten van Antwerpen en
-naar het Vlaamsche hoofd, waar de drie kagen lagen, die de kleine
-strijdmacht zouden opnemen en die hen met vroolijk wapperende wimpels
-schenen te begroeten. Nauwelijks was men de poort uit, nauwelijks waren
-de schepen in het gezicht, of een daverend hoezee klonk over de breede
-kade, en het Geuzen-marschlied werd aangeheven, door pastoor Arent
-Dircksz Vos te de Lier met omwerking van een oud drinklied vervaardigd:
-
-
- Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,
- Slaet opten trommele, van dirredomdoes!
- Slaet opten trommele van dirredomdeyne:
- "Vive le Geus!" is nu de loes!
-
- De Spaensche inquisitie, voor God malitie,
- De Spaensche inquisitie, als draeckbloet fel,
- De Spaensche inquisitie gevoelt punitie,
- De Spaensche inquisitie ontvalt haar spel!
-
-
-Het kreupelrijm, in weinige weken zoo populair geworden, en dat
-zijn vervaardiger weldra op het schavot zou brengen, werd juichend
-meegezongen door het volk, dat met de marcheerende vendels medeliep.
-
-
- Vive le Geus! wilt Christelijck leven,
- Vive le Geus, houdt fraeyen moed,
- Vive le Geus, God hoede u voor sneven,
- Vive le Geus, edel Christenbloed!
-
-
-De kagen, die aan de kade lagen vastgemeerd, waren bereikt. Juichend
-wees het volk naar de metalen stukken, die aan de voor- en achtersteven
-waren vastgesjord.
-
-De inscheping had in goede orde plaats. Het eerste schip stond
-onder bevel van Thoulouse zelf. Treslong, Gillis de Clercq en Jacob
-Martens waren bij hem aan boord. Jean Denijs en de Heer de Walencourt
-commandeerden de beide andere vaartuigen.
-
-De touwen werden losgemaakt; het eene schip na het andere stak van
-wal, de zeilen werden geheschen en onder een luid "Vive le Geus!",
-dat aan den wal even geestdriftig werd herhaald, zakten de vaartuigen
-de Schelde af.
-
-Het was een schoon gezicht, de breede rivier voor Antwerpen, met de
-tallooze vaartuigen, groot en klein, die er door elkander kruisten,
-van de kolossale, buikige kraken en galjooten, die uit Spaansche en
-Portugeesche havens de kostbare waren uit het Oosten aanbrachten,
-tot de armelijke pramen van de visschers en strandjutters. Men zag er
-de vlaggen en wimpels van alle natiën, want Antwerpen was de groote
-stapelplaats van den goederenhandel, het hart der rijke Nederlanden.
-
-Tegen den mast geleund, genoot Jacob Martens van het mooie
-riviergezicht, dat door een bleek Maartsch zonnetje werd beschenen. De
-vlakke, lage oevers gleden aan zijn blik voorbij, soms lange streken
-van moeras- en veengrond, waar duizenden watervogels krijschend
-en fladderend rondzwierven, soms de wijde velden van Vlaanderen en
-Brabant, die zich uitstrekten in eindelooze verte. Vroolijk klonken
-de liederen van het bootsvolk en de soldaten, terwijl de laatsten
-op het dek en in het ruim ijverig bezig waren met het nazien en in
-orde brengen hunner wapenen. De jonge edelen liepen op het dek heen
-en weder; voor de meesten was het hun eerste krijgstocht, en zij
-stapten vol gewicht rond in hun blinkende wapenrusting en lieten hun
-degens kletteren, trotsch als zij waren, dat zij deel mochten nemen
-aan een zoo belangrijke onderneming. Treslong was onder hen een van
-de vroolijksten en luidruchtigsten.
-
-Alleen Jan van Thoulouse stond alleen bij den roerganger. Hij tuurde
-naar een grooten, zwarten boeier, met een donkerbruin zeil, die op
-eenigen afstand de kleine vloot volgde. Jacob voegde zich bij hem.
-
---"Ziet gij dien boeier daar?" vraagde de jonge aanvoerder.
-
-Jacob wierp een blik op het zwarte vaartuig en keek zijn ouderen
-vriend aan.
-
---"Dat is een spion van de Brusselaars," zei Thoulouse. "Van Antwerpen
-af heeft hij al in ons zog gevaren. 't Is een snelle zeiler, dat
-kunt ge aan zijn bouw wel zien, en toch komt hij deze logge kagen
-niet vóór. Ge kunt er op aan: Mevrouw van Parma laat ons in het oog
-houden en die boeier zal haar spoedig bericht brengen van het al of
-niet slagen van onze onderneming."
-
---"Waarom boort gij hem niet in den grond?" vraagde Jacob, vol
-strijdlust.
-
---"Hij zou het gemakkelijk ontzeilen. Daarenboven, waartoe zouden wij
-ons ophouden, om jacht te maken op zoo'n ellendige schuit. Die van
-Brussel mogen weten, wat wij in het schild voeren. Want wij kunnen
-niet meer terug, Martens. Het is voor ons overwinnen of sterven. Als
-onze onderneming mislukt, zijn wij verloren, want men zal ons te
-Brussel nooit vergeven."
-
---"O, maar als wij de Zeeuwsche steden bezet hebben, dan beheerschen
-wij den mond van de Schelde," meende Jacob, in de kracht van zijn
-jeugdig zelfvertrouwen, "en als Brederode ons dan van de landzijde
-steunt, zullen wij met Mevrouwe van Parma een gunstig verding kunnen
-maken."
-
---"Zeker, als wij slagen. Als die Meester Pieter Haeck niet te veel
-heeft beloofd. Treslong rekent op hem en vertrouwt hem blindelings
-en--anderen doen dit ook. Hij is zeker een trouw aanhanger der goede
-zaak, en is zijn invloed te Middelburg en te Vlissingen zoo groot,
-dat hij er een ommekeer in den stand van zaken kan teweeg brengen,
-dan heeft onze onderneming een schoone kans, zooals ge zegt. Indien
-niet..."
-
-Hij zweeg een oogenblik en keek peinzend naar de grauw-blauwe golven
-van de Schelde.
-
---"Ik vreeze geen eerlijken krijgsmansdood," zei hij zacht, "maar
-mijn arme vrouw!"
-
---"Kom, Thoulouse," zei Jacob trouwhartig, "wat stemt u zoo somber
-vandaag? Gij, onze aanvoerder en de ziel van onze onderneming! Ge
-hebt alle plannen zoo wèl ontworpen, zoo nauwkeurig overwogen en zoo
-stout uitgevoerd. Laat ge nu den moed zinken, nu we op het punt zijn
-te slagen?"
-
---"Ik zou het niet wagen, het aan iemand anders te bekennen, maar ik
-weet, dat ik u vertrouwen kan. Begrijpt ge niet, dat juist nu, nu de
-teerling is geworpen, nu alles is voorbereid en de strijd zal beginnen,
-dat ik juist nu soms een bange vrees in mij voel opkomen? Wat, als
-ik eens gedwaald had? Als ik al die jonge edelen, mijne vrienden, al
-die dappere mannen in den dood leidde? De Heere God weet, dat ik niet
-mijne eere zoek, dat ik Zijn wil heb trachten te verstaan,--maar wat,
-als ik mij eens bedrogen had?"
-
---"Onmogelijk! Onze zaak is Gods zaak!" riep Jacob vol geestdrift.
-
---"Dat is zij! En ook te vallen voor Gods zaak is eene
-eere!" antwoordde Thoulouse. "Vrees niet, Jacob Martens! Als ik nu
-kleinmoedig ben,--in 't gevecht zult ge mij geen lafaard noemen! Laat
-ons Treslong opzoeken."
-
-Jacob volgde den jongen aanvoerder naar de voorplecht. De ernstige
-woorden van Thoulouse hadden indruk op hem gemaakt. Met al den
-geestdrift en den moed der jeugd had hij zich bij de onderneming
-aangesloten.
-
-"O, de uitslag was zeker! Mr. Pieter Haeck zou wonderen doen in
-Zeeland! En dan Brederode met zijne hulptroepen en de Duitsche benden,
-die door Lodewijk van Nassau heetten geworven! En de steun van Condé
-en zijne Huguenoten!"
-
-Zoo spraken de dappere jonge edelen onder elkander, zoo had ook
-Jacob Martens gesproken. Thans bedacht hij voor het eerst, dat de
-krijg twee kansen heeft. Een somber voorgevoel maakte zich van
-hem meester, als hij luisterde naar de schertsende groep op den
-voorsteven. Hij keek onwillekeurig naar den zwarten boeier, die nog
-steeds op eerbiedigen afstand de kleine vloot volgde: 't was hem,
-of daar een zwarte doodsschaduw aan kwam zweven, die weldra al dien
-zonnigen jeugdigen overmoed zou komen overdekken.
-
-Tegen den avond veranderde de wind. De lucht begon te betrekken en
-het werd guur en koud. De schepen moesten laveeren en men vorderde
-slechts langzaam. De vroolijke luim van het krijgsvolk was reeds
-lang voorbij. Zij, die een plaatsje konden krijgen in het vooronder,
-zochten er een schuilplaats voor den guren Noord-Wester. De anderen
-schoolden op het dek samen en trachtten zich zoo goed mogelijk voor
-den wind te beschutten. De jonge edelen hadden zich naar de kajuit
-begeven en vermaakten er zich met drinkkroes en verkeerbord. Thoulouse
-verliet echter het dek niet en Jacob bleef bij hem; ook Mr. Gillis le
-Clercq, een man met een verstandig uiterlijk, bleef bij den aanvoerder
-en onderhield zich met hem op zacht fluisterenden toon.
-
-Het duister was reeds gevallen. Men was nu dicht onder den Zeeuwschen
-oever en rechts vooruit ontwaarde men een rood licht; waarschijnlijk
-een vuurbaak.
-
-De schipper naderde Thoulouse en deelde hem met zachte stem iets mede,
-terwijl hij op het licht wees. Haastig begaf de aanvoerder zich naar
-de voorplecht, door zijne beide metgezellen gevolgd. De schipper
-gaf zijn bevelen en weldra heerschte er een zekere bedrijvigheid aan
-boord. Een lantaarn werd in den mast geheschen, als sein voor de andere
-schepen en een paar knechten kwamen met een teerton en een vuurpot
-aansjouwen. Weldra vlamde een warm rood licht op de voorplecht op,
-en weerspiegelde in het donkere water der Schelde. Het dek was thans
-vol; allen, officieren en manschappen, drongen naar het rechterboord
-en keken uit naar den donkeren oever.
-
-Een oogenblik nog--en een donkerroode gloed werd zichtbaar boven de
-waterlijn. Het vuursein werd van daarginds beantwoord.
-
---"Ze schijnen daar op ons gewacht te hebben," merkte een
-forschgebouwde rotmeester op, die, op zijn hellebaard geleund, naast
-Jacob Martens stond en opmerkzaam naar het vuursein scheen te turen.
-
---"De Welle!" riep Jacob verrast.
-
-Na zijne kennismaking met Thoulouse en zijne opneming in den
-kring der Geuzenedelen had hij den boschwachter een weinig uit het
-oog verloren. Pieter de Welle had zich van zijn kant bescheiden
-teruggetrokken, toen hij bemerkte, dat zijn "jonker" de omgeving
-had gevonden, waarin hij eigenlijk behoorde. Hij had vrienden onder
-zijne geloofsgenooten te Antwerpen en hij had er rustig den loop der
-gebeurtenissen afgewacht. Zijne dochter had hij reeds lang te voren
-in veiligheid gebracht bij hare moei te Poperingen.
-
-Toen de werving van krijgsvolk voor Brederode begon, had hij gaarne
-het handgeld van hopman van der Aa aangenomen, op voorwaarde,
-dat hij dienst zou doen bij het vendel, waartoe ook jonker Martens
-behoorde. De hopman had den kloeken, vastberaden man aanstonds tot
-rotmeester bevorderd.
-
-Thans keek hij zijn jonker eens van ter zijde aan en maakte een
-beweging als voor een militair saluut, maar Jacob vatte zijn hand en
-drukte die hartelijk.
-
---"Gij ook hier aan boord, de Welle?" zeide hij. "Daar ben ik hartelijk
-blij om!"
-
---"Alsof ik je alleen ten oorlog zou laten trekken, jonker," zei
-de gewezen boschwachter met ruwe hartelijkheid. "Soms bezwaart
-het mij, als ik denk, dat je zonder mij nog veilig en rustig op
-de Vrijdaegsmarkt of op de school te Leuven zoudt zitten. Maar dan
-denk ik weer: 't Is zóó Gods bestel geweest, dat ik den jonker moest
-helpen om de Paepsche dolingen te verlaten en vrede voor zijn ziel
-te vinden. Dat was zóó door den Heere God verordineerd, jonker! En
-nu zullen wij gaan vechten voor de verdrukte ware Kerk van Christus,
-en als wij vallen, zal het in een goede zaak zijn."
-
---"Dat zal het, Pieter!" zeide Jacob. "Maar wij zullen nog niet vallen,
-man! Wij zullen den Koning en de Gouvernante dwingen, om ons vrij
-exercitie van religie toe te staan--en als het eenmaal zoover is,
-dan worden wij weer hunne goede en trouwe onderdanen. En mijn vader
-zal ons vergeven en jij wordt weer boschwachter en ik ga weer naar
-Leuven--als ik tenminste niet vaandrig word bij een van de benden van
-ordonnancie, waartoe ik zonderlinge lust gevoel. Maar, over een week
-of acht zijn wij misschien weer te Gent."
-
---"God geve het!" mompelde de Welle, terwijl hij met een vreemden
-trek op zijn gerimpeld gezicht zijn jeugdigen metgezel aanzag.
-
---"God geve het!" zeide Jacob ernstig.
-
-Ondertusschen was het roode licht op den oever gedoofd en ook de
-brandende teerton plofte sissend in de golven der Schelde. Van den
-Zeeuwschen kant hoorde men het geluid van naderende riemslagen.
-
---"Zou dat die Zeeuwsche boerenverklikker zijn, dien we aan boord
-moeten nemen?" vroeg de Welle, die, als de meeste Vlamingen, niet
-van de Zeeuwen hield.
-
---"Zeker wel! Hij zou voor Zeeburg aan boord komen," meende
-Jacob. "Daar is hij al!"
-
-Een roeiboot schoot uit de duisternis naar voren en werd door den
-schipper aangeroepen.
-
-Na een korte woordenwisseling kwam de boot langszij; de valreep werd
-neergelaten, en een kort, dik mannetje stapte op het dek, gewikkeld
-in een met bont gevoerden en omzoomden mantel. Het ventje beantwoordde
-met een zekere nederbuigende welwillendheid den groet der omstanders en
-vroeg toen met veel deftigheid onmiddellijk naar den Heer van Thoulouse
-te worden geleid. Daar deze hem beleefd aan de valreep had ontvangen,
-was dit niet meer noodig. Met een genadig knikje wendde de ex-baljuw
-zich nu tot Marnix en begon op een beschermenden toon te vragen naar
-zijn plannen, het aantal van zijn manschappen en zijn geschut. De jonge
-edelen, om hun vriend en aanvoerder geschaard, verbeten hun lachen,
-toen zij bemerkten, dat Mr. Pieter Haeck zichzelf blijkbaar beschouwde
-als het hoofd en den leider der gansche onderneming. Het verwaande
-manneke sprak met gewicht over de aanstaande gebeurtenissen, alsof
-die alleen afhingen van zijn beleid; hij keurde goed en af, berispte
-en prees, en maakte het eindelijk zoo bont, dat er onder de groep,
-die hem omringde, reeds hier en daar een lach of een kwinkslag werd
-gehoord, zoodat Thoulouse, die den Middelburger niet wilde ontstemmen,
-hem haastig medenam naar de kajuit.
-
---"Als die Zeeuwsche haan even goed kan vechten als kraaien, dan
-belooft dat wat goeds!" bromde de Welle, "maar ik houd niet van
-dat soort!"
-
-De komst van den baljuw had echter weer wat levendigheid aan boord
-gebracht. Er werd luid gesproken en gelachen en de soldaten hieven,
-na een donderend "Vive le Geus!", dat van de andere schepen luide
-beantwoord werd, een Geuzenlied aan, dat heenschaterde over de donkere
-golven der Schelde en de dorpelingen van Zuid-Beveland angstig deed
-vragen, wat dat ongewoon rumoer te beduiden had.
-
-Tegen middernacht ankerde de kleine vloot niet ver van den oever en
-de aanvoerders maanden de soldaten aan, de noodige rust te nemen. Te
-vijf uur werden de ankers gelicht en toen de grauwe Maartsche morgen
-aanbrak, zag Jacob rechts het breede vaarwater van het Sloe, en recht
-voor zich uit een zwart gevaarte, dat uitstak boven de modderbanken
-van den oever. Het was het sterke fort Zeeburg, bij Rammekens, de
-sleutel van de Schelde.
-
-En nu was het oogenblik gekomen, dat Mr. Pieter Haeck zou toonen,
-wat zijn invloed vermocht. Woei eenmaal de witte banier met het roode
-St. Andrieskruis van het sterke Zeeburg, dan was de zaak der vrijheid
-haast gewonnen.
-
-Hij zelf twijfelde geen oogenblik aan den goeden uitslag van zijne
-tusschenkomst. Toen de kleine vloot de sterkte zoo dicht mogelijk
-genaderd was, stapte hij deftig in de boot, die hem met Mr. Gillis le
-Clercq naar wal zou roeien. Met gespannen aandacht keken de Geuzen,
-zoo officieren als soldaten, naar de hooge wallen. Elk oogenblik
-verwachtten zij het afgesproken sein te zien,--het neerhalen van de
-Koningsvlag--dat hen zou waarschuwen, dat zij konden landen en de
-sterkte binnenrukken, maar het eerste uur verliep--en er was niets te
-zien. Vroolijk wapperde het Bourgondische knoestkruis in den straffen
-Noordwester. Eindelijk, na twee uren, verschenen de beide afgezanten op
-de houten werf, door een wacht van krijgslieden begeleid. Traag roeide
-de boot naar het schip terug. Toen zij naderbij kwam, stond het gelaat
-van Gillis le Clercq ernstig en strak, dat van Mr. Pieter Haeck was
-rood van gramschap en verlegenheid. Blijkbaar was hun zending mislukt.
-
-Het ging niet aan, de zaak voor het krijgsvolk geheim te houden en
-het werd dan ook niet beproefd. In korte woorden gaf Mr. Gillis le
-Clercq aan Thoulouse verslag van den uitslag zijner zending. Kapitein
-Roeland van Ghistelle zou niemand binnen de veste laten, die hem geen
-lastbrief kon toonen van den Prins van Oranje.
-
-Pieter Haeck liep stampvoetend van drift het dek op en neder.
-
---"Hij is omgekocht! De verrader is omgekocht!" schreeuwde hij. "Hij
-had beloofd, ons het kasteel te leveren! Waarom brengt ge uw geschut
-niet aan land? Neem de plaats met geweld!"
-
-Thoulouse en de andere edelen haalden de schouders op. Al waren
-de meesten hunner nog nimmer in werkelijken krijgsdienst geweest,
-zij leefden in een tijd, toen ieder edelman een krijgsman was en zij
-wisten te wel, dat met een zoo kleine macht als de hunne een sterkte
-als Zeeburg aan te vallen een roekelooze dwaasheid zou zijn.
-
-Thoulouse liet de bevelhebbers der beide andere schepen seinen, bij
-hem aan boord te komen, om met hem, le Clercq, Haeck en de voornaamste
-edelen krijgsraad te beleggen in de kajuit.
-
-De zwarte boeier, die hen den ganschen nacht gevolgd was, kruiste in
-het gezicht der vloot op de breede Schelde.
-
-De krijgsraad duurde niet lang. Was de aanslag op Zeeburg mislukt,
-daarom behoefde toch--zoo meende men--het geheele plan niet te worden
-opgegeven. Mr. Pieter Haeck drong er op aan, dat men terstond naar
-Vlissingen zou stevenen. Dààr was hij zeker van zijn zaak. Zijn
-schoonzoon en zijne vrienden uit Middelburg hadden er voor de
-Geuzenpartij gewerkt. De regeering der stad was hem genegen, en zijn
-aanhangers en vrienden zouden hem met open armen ontvangen. En wie
-Vlissingen en zijn haven in handen had, was meester van Walcheren.
-
-Hoewel de tegenslag, dien men bij Rammekens had ondervonden, hun
-vertrouwen in den drukken, verwaanden Middelburger niet weinig
-had geschokt, besloten de aanvoerders der Geuzen toch zijn raad te
-volgen. Wat zou men al anders doen? De geheele tocht was ondernomen om
-Walcheren te bezetten, om dààr een vast steunpunt te krijgen. Mislukte
-dit,--waar moest men dan heen?
-
-Jean Denijs en de Heer van Walencourt keerden naar hunne schepen
-terug, en een luid "Hoezee!" en "Vive le Geus!" begroette het bevel
-om het anker te lichten en koers te zetten naar Vlissingen, waarvan
-men den statigen toren boven de troebele wateren der Westerschelde
-zag uitsteken.
-
-De schepen liepen de haven binnen met de witte kruisvlag hoog in
-top. Men had afgesproken, thans stoutmoedig op te treden en geen tijd
-te verspillen met nuttelooze onderhandeling. De komst van drie groote
-vaartuigen met gewapenden veroorzaakte geen geringe opschudding onder
-de koopvaarders, de krapschuiten en de vliebooten, die in de haven
-lagen. Sommige vaartuigen borgen zich onder de beschutting van de
-kanonnen der stad; een paar van de vreesachtigste schippers kapten de
-ankers en liepen de haven uit, terwijl een aantal visschers van hun
-bommen en buizen nieuwsgierig de beweging der vreemde gasten volgden.
-
-Thoulouse zeilde de haven binnen tot onder de wallen der vesting. Men
-zou er de manschappen en het geschut ontschepen en moedig toegang
-eischen. Het was duidelijk, dat men in de stad hunne nadering had
-bemerkt. De hooge wallen aan de havenzijde waren zwart van de menschen,
-die uitzagen naar de kleine vloot. "'t Waren zijn vrienden!" beweerde
-baljuw Haeck; "ze wisten, dat hij in aantocht was en ze waren daar om
-hem, den teruggekeerden balling, te begroeten." Hij zwaaide met zijn
-hoed en deed alles, om de aandacht der starende burgers te trekken.
-
-Ondertusschen stond Pieter de Welle naast Thoulouse en Jacob Martens
-het gewoel op de wallen gade te slaan. Zijn scherpe jagersoogen
-merkten alles op; het was duidelijk aan hem te zien, dat hij de
-algemeene vreugde en opgewondenheid niet deelde. Plotseling keerde
-hij zich om en keek den druk gesticuleerenden Pieter Haeck aan.
-
---"Met verlof, Heer baljuw," zeide hij, "uw vrienden schijnen ons
-daar warm te willen ontvangen. Ik zie duidelijk, dat ze daar op de
-wallen met het geschut bezig zijn."
-
---"Onmogelijk, man!" zei Mr. Pieter Haeck haastig. "Mijn schoonzoon
-zou nimmer dulden... Of misschien zijn 't saluutschoten, die ze willen
-lossen!" voegde hij er vol hoop bij.
-
-De woorden van den rotmeester waren door Thoulouse, Treslong en
-eenige der andere edelen verstaan. Allen keken met inspanning naar
-het bastion, waar een groep mannen ijverig aan den arbeid scheen. Men
-naderde meer en meer, de omtrekken werden duidelijker--daar flikkerde
-een dofroode vlam in een wolk van witten rook op het bastion, de
-doffe donder van den slag dreunde over de haven en een kanonskogel
-vloog gierend over den kaag heen.
-
---"Wat is dat?" riep Mr. Pieter Haeck verbijsterd.
-
---"Een saluutschot van uw schoonzoon denkelijk," zeide de Welle
-droogjes.
-
-Nog een oogenblik--en een tweede schot daverde over het water. De
-kogel sloeg krakend in den romp van het schip en wondde een paar
-soldaten. Blijkbaar wilde Vlissingen zich verdedigen: de vrienden
-van den ex-baljuw waren op zijn bezoek niet gesteld, of zij hadden
-de burgers niet kunnen belezen, hem en zijne medestanders te ontvangen.
-
-Een oogenblik stond Thoulouse besluiteloos. Met strakken blik
-staarde hij naar de wallen der stad, waarvan hij zoo veel had
-gehoopt. Terugtrekken? Het plan opgeven? Maar dan--dan was alles
-vergeefsch geweest; dan was het gedaan met de zaak der vrijheid. En
-dan was er voor hem en allen die met hem waren geen andere uitkomst
-dan de ballingschap of het schavot.
-
---"Wij moeten wenden, Thoulouse," riep Treslong, toen een derde schot
-het grootzeil doorboorde, "als zij den mast treffen, is het met ons
-gedaan. Zie, de Walencourt vlucht!"
-
-Het was zoo! De kaag, door den Huguenoot gecommandeerd, had den steven
-gewend en de zeilen omgebrast. Alleen het vaartuig van Jean Denijs
-volgde hen onder klein zeil. Op het bastion was men ijverig bezig
-met de kartouwen, blijkbaar om, als het noodig was, de stad bij te
-staan. De schipper trad met een angstig gezicht op den aanvoerder
-toe en het scheepsvolk stond daar met donkere, dreigende blikken al
-mompelend bijeen.
-
-Toen gaf Thoulouse met een zucht bevel het roer te wenden. Met gebogen
-hoofd verliet hij het dek en begaf zich naar de kajuit, terwijl de
-schipper haastig zijn bevelen gaf.
-
-Van de schepen, die in de haven voor anker lagen, ging een luid en
-spottend gejuich op, toen men de Geuzen zag aftrekken en de slangen
-van het bastion bulderden nog eens en zonden hun kogels na, die echter,
-zonder schade aan te richten, over de schepen heen vlogen.
-
-Juist toen de kaag van Thoulouse de Schelde weer opstevende, schoot een
-zwarte boeier haar op een paar scheepslengten voorbij. Jacob Martens,
-die met Treslong bij het roer stond, zag plotseling een jonkman in
-schippersdracht op de verschansing springen en met zijn muts wuiven.
-
---"Adieu, Jacques," klonk het spottend; "hebt ge soms een boodschap
-voor joffer Madeleine?"
-
---"Thierry!" riep Jacob, die de spottende, scherpe, stem herkende.
-
---"'t Is die satansche spion van die van Brussel!" riep Treslong
-geërgerd. "Hei daar! arquebusiers daar voor op den boeg, aan de
-lont! Zend dien schreeuwer daar eens een paar kogels toe!"
-
-Een paar soldaten grepen naar hunne haakbussen en bliezen op de
-lont. Inderdaad werden er een paar schoten op den wegzeilenden boeier
-gelost, maar ze schenen er niemand te treffen. De bemanning schreeuwde
-en jouwde en zwaaide uitdagend met de mutsen, en het vlugge vaartuig
-danste voort over de golven, om aan de regeering te Brussel het welkome
-nieuws te gaan brengen, dat de aanslag der Geuzen was mislukt en dat
-Vlissingen den Koning was trouw gebleven.
-
-Het had niet veel gescheeld, of Mr. Pieter Haeck, wiens verwaandheid
-al zoo'n gevoeligen schok had gekregen, was door de verbitterde
-soldaten eenvoudig buiten boord gezet, om, zooals zij zeiden, naar
-Walcheren te zwemmen, en er, met behulp van zijn schoonzoon, het
-eiland te veroveren. Treslong en een paar der andere edelen wisten
-hen echter tot rede te brengen. Nog heette alles niet verloren. Met
-het opkomen van den vloed zou men het Sloe instevenen en een poging
-wagen, om zich in Arnemuiden te nestelen. Wel was die stad van veel
-minder belang dan Vlissingen, maar als men ten minste maar ergens
-vasten voet had gekregen, dan kon men den loop der gebeurtenissen
-afwachten. Men seinde de beide andere schepen, maar deze zagen de
-seinen niet, of wilden ze niet zien. Men zag ze, langs den oever
-van Zuid-Beveland koersend, de Schelde weder opvaren. De kaag van
-Thoulouse slechts zeilde het Sloe op.
-
-Den volgenden dag liet een groot, sterk bemand kaagschip het anker
-vallen voor het dorpje Austruweel, ongeveer een uur van Antwerpen
-verwijderd. Het was het vaartuig van Thoulouse. Ook voor Arnemuiden
-had men het hoofd gestooten en diep ontmoedigd keerde men terug. Nu de
-onderneming was mislukt, wist men niet waarheen zich te wenden. Waar
-zou men vluchten voor de wraak der Regeering? De edelen zouden wellicht
-een wijkplaats hebben kunnen vinden,--voor een tijd althans--op hunne
-landgoederen, of bij Brederode te Vianen, maar Thoulouse, Treslong
-en al hun metgezellen wilden hunne krijgsmakkers niet in den steek
-laten. Zoo werd dan koers gezet naar Antwerpen. Dààr was nog redding
-mogelijk. Als Antwerpen met zijn acht duizend Calvinisten hun partij
-koos, als Vlaanderen en Brabant te wapen vlogen, dan kon nog alles
-zich ten goede wenden. Een visscher beloofde voor een ruime belooning
-de andere schepen op te zoeken, en hun het bevel van Thoulouse mede
-te deelen, hem zoo spoedig mogelijk te volgen.
-
-De boeren van Austruweel zagen met schrik, hoe de krijgslieden zich
-ontscheepten en het zich in hunne hoeven gemakkelijk maakten. De
-meesten schikten zich zorgeloos in de omstandigheden: wat er van
-dit alles worden moest, wisten zij niet. Daar moesten de heeren voor
-zorgen. En Thoulouse met zijn kleinen staf wachtte angstig op tijding
-uit Antwerpen, waarheen men terstond vertrouwde personen op kondschap
-had uitgezonden.
-
-In den ochtend van den volgenden dag zag Jacob Martens, wiens plicht
-het was, de wachten te inspecteeren, van de zijde van Antwerpen een der
-stadsschepen naderen. De vlag met het wapen der stad wapperde aan den
-mast en bewees, dat er aanzienlijke personen aan boord waren. Het schip
-legde aan, een paar personen gingen in de boot en weldra stapten een
-viertal heeren aan land, vergezeld van een der stadsboden. Het waren
-een edelman uit het huis van Oranje, de Heer van Austruweel, benevens
-twee leden van de vroedschap in hunne met bont gevoerde tabberds,
-die zich aanstonds aan Jacob bekend maakten, als een gezantschap
-van de Antwerpsche Magistraat, en verzochten voor de aanvoerders
-van het hier gelegerde krijgsvolk te worden geleid. Toen zij bij
-Thoulouse waren gebracht, nam de zendbode van Oranje een grooten,
-verzegelden brief van den stadsbode over en overhandigde dien aan den
-aanvoerder, die hem, door zijn vrienden omringd, ontving. Thoulouse
-las het schrijven en verbleekte.
-
---"Zeg aan den Markgraaf en de Magistraat," zeide hij, "dat wij hunne
-bevelen zullen gehoorzamen."
-
-Toen de afgezanten vertrokken waren en allen hem vragend aankeken,
-reikte hij den brief aan Treslong over.
-
---"Oranje laat ons los!" zeide hij met doffe stem. "God helpe ons
-en onze mannen, die wij in den dood hebben gevoerd. Lees den brief
-voor, Jan!"
-
---"Wij Willem, door de genade Gods Prins van Oranje, Graaf van Nassau,
-enz.," zoo las Treslong voor in het Fransch, "en wij Anthonie van
-Lalaing, Graaf van Hoogstraten, en wij, Burgemeesters, Schepenen en
-Raad der Stad Antwerpen, geven te kennen, dat, dewijl ons ter oore
-gekomen is, hoe verscheidene soldaten en oorlogslieden in den omtrek
-dezer stad, in het dorp Austruweel, zijn vergaderd, in strijd met
-de bevelen van wege Zijne Majesteit in deze stad uitgevaardigd, wij
-hebben bevolen en bevelen bij dezen uitdrukkelijk, hun van onzentwege
-te verklaren en te gelasten, dat zij binnen twee of drie uren,
-na kennisgeving dezes, van de plaats moeten vertrekken, waar zij
-zich thans ophouden en zich te wachten van in de omliggende dorpen
-te vergaderen of volk te werven op straffe van 's Konings ongenade;
-en in geval van weigering of tegenkanting, hun te verklaren, dat wij,
-in het belang des Konings en van deze stad, genoodzaakt zullen zijn,
-geweld tegen hen te gebruiken."
-
-Men zag elkander aan. Na dezen brief was er van Antwerpen niets meer
-te hopen.
-
-Er werd haastig krijgsraad belegd en men besloot in schijn aan het
-bevel te gehoorzamen, maar posten achter te laten, om de bemanning
-der beide andere schepen te waarschuwen, die elk oogenblik konden
-verschijnen. Was men weer bijeen, dan zou men nader beraadslagen.
-
-De trommels roffelden en weldra was het kleine legertje
-marschvaardig. Het verliet Austruweel en rukte westwaarts op. Voor de
-nacht echter was gevallen, had men reeds bericht, dat de twee andere
-schepen in 't zicht waren, en men keerde terug naar Austruweel om hen
-af te wachten. De bemanning kwam aan land, en Thoulouse vernam van
-Denijs en de Walencourt, dat men tevergeefs had beproefd bij Baarslag
-op Zuid-Beveland te landen. De bewoners der omliggende dorpen hadden
-zich met de wapens verzet.
-
-Den volgenden dag kwam er weder een boodschapper van den Antwerpschen
-Magistraat, met den last, onmiddellijk te vertrekken, en de Geuzen,
-thans vereenigd, en een klein, maar welgewapend legertje vormende,
-rukten op in de richting van Merxem en Deurne.
-
-Het scheen werkelijk een oogenblik, of de kansen keerden. Het volk
-van Vlaanderen en Brabant, dat met verontwaardiging de slachting bij
-Watrelos en Lannoy had vernomen, dat met spanning den strijd gadesloeg
-van hunne broederen te Valenciennes, werd met blijde hoop vervuld, toen
-een leger in hun midden verscheen, onder aanvoering van edellieden, die
-zij kenden en vereerden. Van alle kanten kwamen recruten aanstroomen,
-die door Thoulouse en Treslong gretig werden ontvangen. Weldra was het
-legertje vijftien- à zestienhonderd man sterk. Velen kwamen gewapend en
-voor de anderen vond men wapenen in de landhuizen en de kasteelen, die
-men plunderde. Op dezelfde wijze voorzag men zich van mondbehoeften.
-
-Zoo het aantal der Geuzen nu was toegenomen, het gehalte was er niet op
-verbeterd. Allen, die zich wilden laten aanwerven, werden aangenomen,
-en daaronder waren er, die zich blijmoedig wilden offeren voor de zaak
-der vrijheid en de Kerke van Christus, maar er waren ook vele boeven en
-avonturiers, die zich bij de legerbenden aansloten, met de bedoeling
-om te rooven en te plunderen en te leven op den boer. Weldra konden
-de aanvoerders de krijgstucht niet meer handhaven onder de woeste
-bende. Overal waar zij doortrokken, werden de kerken geplunderd en de
-beelden verbrijzeld; de geestelijken werden mishandeld. De soldaten
-plunderden hunne huizen en persten hun geld af. De krijgstocht,
-zoo moedig begonnen, leek een rooftocht. Toch hield Thoulouse
-vol. Er kwamen geruchten van hulpbenden uit Duitschland, door graaf
-Lodewijk van Nassau geworven. De Duitsche vorsten, heette het, wilden
-helpen. Weer sloeg men het oog op Antwerpen en op Oranje. En toen
-de aanvoerders hoorden, dat de Landvoogdes troepen tegen hen zou
-zenden, besloten zij terug te keeren naar Austruweel. Dààr konden
-zij een sterke positie vinden. De rivier zou hun den rug dekken, een
-groot moeras beveiligde hun rechtervleugel en men zou ijlings aarden
-versterkingen opwerpen. Zoo zou men den vijand in ontzag houden,
-tot de beloofde Duitsche vendels er waren,--en, als het er op aan
-kwam,--zoo hoopte men heimelijk--zouden de Antwerpsche Gereformeerden
-toch zeker hunne broeders bijspringen.
-
-En zoo was het Geuzenlegertje den 11den Maart weder te Austruweel
-gelegerd, en weldra werkte men ijverig aan de aarden wallen, die
-het kamp tegen een overval van de Regeeringstroepen zouden moeten
-beschermen.
-
-Het was de avond van den 12den Maart, en Jacob Martens, thans tot
-vaandrig bevorderd, en getooid met sluiersjerp en degen, de teekens
-van zijn rang, vergezelde Thoulouse naar de versterkingen. Het kamp
-der Geuzen leverde een eigenaardig schouwspel op: een gedeelte der
-troepen was in het dorp en de nabijgelegen hoeven ingekwartierd,
-maar het grootste gedeelte was gekampeerd om groote vuren, die
-men in de dorpsstraat had aangestoken, en die gevoed werden met
-het hout van afgebroken schuttingen, schuren en stallen. Allerlei
-eigenaardige tooneelen zag men bij den rossen gloed der vlammen. De
-soldaten, in allerlei wapenrusting, zonder uniform, maar allen met het
-wit-en-roode veldteeken der Geuzen om den arm, brachten hunne wapenen
-in orde of zaten in schilderachtige groepen bij elkander. Men kon hier
-goed waarnemen, uit welke verschillende elementen het legertje was
-samengesteld. Hier zag men eenige Gereformeerden uit Antwerpen, echte
-"precisen", zooals men ze in het Noorden noemde, die zich stichtten
-met een psalm van Dathenus; daar waren het een paar avonturiers uit
-het Luiksche, die zich vermaakten met bierkroes en verkeerbord,
-terwijl zij met onverschillige of spottende blikken de zingende
-ketters gadesloegen; wat verder waren een paar verdachte gestalten in
-de donkere schaduw van een muur bezig met het verdeelen van kleederen
-en huisraad, een buit, dien zij waarschijnlijk den een of anderen
-armen boer hadden afhandig gemaakt; elders zag men de strenge, donkere
-koppen van eenige Huguenoten, met aandacht luisterend naar het Woord
-Gods, dat een hunner bij het licht van het vuur hun voorlas. Voor de
-dorpssmidse verdrong zich een bonte menigte: daar smeedde en hardde
-men speerpunten en klonk ze aan lange stokken, om er de pas geworven
-manschappen mede te wapenen. Men zag er tierende en scheldende vrouwen,
-die er twistten met de lachende soldaten, om kippen of spek, die men
-haar ontstolen had. Het was een tooneel vol leven en bedrijvigheid,
-schilderachtig verlicht door de hoog opvlammende houtvuren.
-
-Buiten het dorp gekomen, richtten de beide jonge mannen zich naar de
-aarden verschansingen, waaraan nog ijverig werd gewerkt bij het licht
-van een paar teertonnen en toortsen van oud geteerd touw. Thoulouse
-inspecteerde het werk, terwijl hij hier en daar een bevel of een
-terechtwijzing gaf. Hij keek naar de stelling van de vier ijzeren
-veldstukjes, welke de geheele artillerie van het Geuzenlegertje
-uitmaakten, en hij wees Jacob aan, hoe zij den breeden landweg
-bestreken.
-
---"Gij zult met de helft van uw vendel hier na middernacht de
-wacht betrekken, Jacques," zeide hij; "ik weet, dat ik mij op u kan
-verlaten. Zorg er voor, dat uwe schildwachten waakzaam zijn."
-
---"Ik zal mijn best doen, Thoulouse," antwoordde Jacob, verheugd over
-het bewijs van vertrouwen, hem geschonken; "de dagen beginnen al mooi
-te lengen en het is helder weer. Het zal spoedig dag worden."
-
---"Ja, het zal spoedig dag worden!" zei Thoulouse peinzend. Jacob
-zag hem vragend aan.
-
---"Het zal nu spoedig blijken, wat wij zijn, Jacques," ging de
-jonge aanvoerder voort; "men zal ons redders des volks noemen, of
-oproermakers en rebellen tegen den Koning, al naar dat de uitslag
-is van onzen strijd. Gods wegen zijn niet onze wegen. De aanslag op
-Zeeland mislukte, maar als de vendels uit Duitschland ons intijds
-bereiken,--als wij, vereenigd met die van binnen, Antwerpen kunnen
-bezetten, dan zou het een zegen zijn, dat ons eerste plan mislukte. Dan
-zal heel Vlaanderen en Brabant en het Markgraafschap opstaan en de
-Regeering zal moeten bukken. Maar zal dat het einde zijn?"
-
---"Zie, Jacques," zoo ging hij voort; "het zal nu in elk geval tot een
-treffen komen. Onze vrienden te Brussel melden ons, dat er troepen
-tegen ons worden gezonden en wij zullen hier stand houden. Mocht ik
-vallen in den strijd en mocht gij ontkomen, breng dan, zoo gij kunt,
-dit medaillon aan mijne vrouw te Antwerpen, en zeg haar, dat ik ben
-gestorven als een goed Christen, mijn hope alleen stellende in de
-verdienste van mijn Heer en Heiland, en met mijn liefde voor haar in
-het harte."
-
---"Waarom toch die sombere gedachten, Thoulouse?" vraagde
-Jacob. "Waarom zoudt gij juist vallen? Denk er liever aan, hoe trotsch
-en blijde de Vrouwe van Thoulouse u zal ontvangen, als gij terugkomt
-als de redder des lands en der verdrukte Kerke."
-
---"Zoo God wil, vriend!" zei de aanvoerder. "Ge weet, reeds bij het
-begin van onzen tocht had ik een somber voorgevoel. Misschien hebt
-gij gelijk,--maar neem het medaillon en beloof mij, dat gij doen zult,
-wat ik van u vraag, indien het in uw macht staat."
-
-Jacob nam het medaillon met een stillen handdruk en de beide jonge
-mannen keerden naar het dorp terug. Jacob zocht zijn kwartier op,
-om nog eenige uren te slapen, voor hij de wacht moest betrekken.
-
-Te middernacht werd hij gewekt door Pieter de Welle, die het halve
-vendel piekeniers reeds had doen aantreden, en door de nu stille
-dorpsstraat, langs de smeulende vuren, waarom de soldaten in allerlei
-houdingen lagen te ronken, marcheerde men naar de halfvoltooide
-aardwerken. Na van zijn luitenant, die de wacht had, vernomen
-te hebben, dat er zich niets verdachts had voorgedaan, maakte
-de jonge vaandrig zich tot zijn wacht gereed. Het halve vendel,
-dat hij had afgelost, was spoedig in de duisternis verdwenen. De
-soldaten, grootendeels recruten, waren blijde, dat zij hunne warme
-kwartieren konden opzoeken. Jacob luisterde een oogenblik naar de
-zich verwijderende voetstappen en begon toen zijne schildwachten uit
-te zetten, terwijl zijne andere manschappen zich legerden achter den
-half voltooiden aarden wal. De jonge vaandrig beklom met de Welle het
-ravelijn, waar de vier veldslangen in batterij stonden, en staarde
-naar het stille landschap, dat zich daar zoo vredig uitstrekte in
-het maanlicht. Achter hem lag het dorp en het kamp, hier en daar
-grillig verlicht door den rossen gloed der houtvuren, terwijl de
-duizenderlei geluiden, die er uit opstegen, zich met het bruisen van
-de Schelde vereenigden tot een dof gerucht. Vóór hem was alles schaduw
-en stilte. Slechts het dof gehuil van een werfhond klonk uit de verte
-over de eenzame vlakte, en--van tijd tot tijd--het eentonig geroep
-der schildwachten, die, volgens het consigne, elkander aanspoorden
-tot waakzaamheid. De woorden van Thoulouse hadden een diepen indruk
-op hem gemaakt. Wat zouden de eerste dagen hem brengen? Zou hij
-hier sneuvelen in een onbeduidende schermutseling, een rebel tegen
-het gezag van zijn wettigen landsheer, of zou zijn naam weldra met
-eere genoemd worden onder de bevrijders zijns volks? Hij dacht aan
-de tooneelen van ruw geweld, van brooddronken vernielzucht, die hij
-in de laatste dagen had bijgewoond, en die de Geuzenaanvoerders niet
-hadden kunnen, en soms ook niet hadden willen verhinderen. O, de zaak,
-die hij diende, was de zaak des Heeren, de zaak der vervolgden en
-verdrukten daarginds; onder die ruwe soldaten waren zeker ook mannen
-Gods, eenvoudige burgers en landlieden, die alles hadden verlaten,
-om die heilige zaak te dienen en er voor te sterven, als het zijn
-moest. Maar dat waren zij niet allen. Waarom werd die schoone,
-heilige zaak al aanstonds bevlekt door zooveel, dat onrein en onheilig
-was? Waarom duldden Thoulouse en Treslong die woeste plunderaars,
-dien lichtzinnigen hoop avonturiers, in hunne gelederen? Was het
-niet beter, te strijden met een Gideonsbende van vrome, ernstige
-mannen,--om te overwinnen of onder te gaan, als het Gods wil was,
-dan zóó het schoone, reine ideaal der vrijheid te bezoedelen?
-
-De stem van Pieter de Welle wekte hem uit zijne mijmering.
-
---"Zou het nu eindelijk waar zijn, jonker, dat de Duitsche vendels
-in aantocht zijn?" vraagde de rotmeester. "Ze spreken er over in het
-kamp en ze zeggen, dat het zeker is. De jonker woont als officier den
-krijgsraad bij en heeft allicht meer gehoord, dan wij, arme drommels."
-
-Jacob kon hem niets stelligs mededeelen. Er liepen geruchten, dat
-Lodewijk van Nassau en Nicolaas de Hames met troepen in aantocht waren,
-maar zelfs de officieren wisten niets met zekerheid. De Welle trok
-een bedenkelijk gezicht.
-
---"Ik zou met mijn domme verstand zeggen, dat de adellijke heeren,
-die ons aanvoeren, wel beter hunne plannen hadden mogen maken, vóór
-zij begonnen!" mompelde hij.
-
-Jacob kon hem geen ongelijk geven. Inderdaad getuigde de geheele
-onderneming meer van moed en geestdrift, dan van krijgsbeleid, meer
-van een rekenen op mogelijke kansen, dan van een weloverlegd plan.
-
---"Ik mag lijden, dat de vendels bijtijds komen," ging de Welle voort,
-"want zie, jonker, die kerels daarginds zijn tegen geregelde troepen
-niet veel waard. Als die van Brussel verstandig zijn, en goede
-soldaten tegen ons uitzenden, vóór wij versterking hebben gekregen,
-dan loopt het mis."
-
---"Wij vechten voor Gods zaak en voor Zijn Woord, de Welle!" zeide
-Jacob.
-
---"Voorzeker, jonker! Maar de Heere God beproeft ook Zijn volk,
-als het zijn moet. Hij overwint soms met zwakke middelen,--maar
-dan waren het Zijn middelen. En als er nu niet een Simson opstaat,
-om ons te verlossen van de Filistijnen... Zie, jonker, ik heb bij
-St. Quentin gevochten en ik weet, wat de oorlog is en ik zeg u, dat
-de kerels daarginds bij den eersten aanstorm van een paar vendels
-landsknechten als een kudde schapen uiteen zouden stuiven. En nu,
-jonker, nog een woordje. Ik voel mij soms bezwaard, dat ik u hielp
-vluchten uit het klooster. Ge zoudt er veilig zijn geweest. Ik dacht
-toen, dat onze heeren beter wisten, wat ze eigenlijk wilden, en het
-is mij soms, als zou ik uw dood op mijn geweten hebben, als ge kwaamt
-te vallen. Vergeef mij dat, jonker!"
-
-Er kwam een vreemde trek op het gerimpelde gezicht van den ouden
-boschwachter. Zijne lippen trilden. Jacob vatte zijn hand.
-
---"Ik heb je niets te vergeven, de Welle," zei hij trouwhartig. "Ik
-dank je, voor wat je gedaan hebt. Liever val ik in een eerlijken
-strijd, dan dat ik zien moet, hoe dit arme volk wordt gemarteld en
-verdrukt, terwijl ik een leven van gemak en genot zou leiden. Waarom
-is mijn leven meer waard dan het jouwe, en dat van zoovelen onzer
-makkers, die óók alles verlaten hebben voor de goede zaak? Nog eens,
-ik dank je voor wat je voor mij gedaan hebt, de Welle, en, moet ik
-vallen, breng dan mijne groeten aan mijne ouders, aan mijne lieve
-zuster, en--en aan joffer de Bette, en zeg hun, dat ik gedaan heb
-wat ik moest, maar dat ik ze allen heb liefgehad tot mijn laatste
-oogenblik. En voor het overige,--wij zijn in Gods hand!"
-
---"Amen, jonker," zeide de Welle ernstig, "zóó is het goed. En nu,
-de nacht is nog lang en 't zal morgen een vermoeiende dag zijn. Ik
-ben aan het waken gewoon. Als de jonker nu eens een paar uur ging
-rusten? Als er iets voorvalt, zal ik u terstond roepen."
-
-Jacob liet zich overhalen. Hij vond een beschut plekje achter een
-paar schanskorven, wikkelde zich in zijn mantel en sliep weldra
-rustig in. Hij droomde, dat hij in den hof van het ouderlijk huis
-was. Hij zocht er Madeleine en Klaartje, die zich verstopt hadden;
-hij hoorde het zacht gelach der meisjes, die zich achter de hooge
-palmstruiken verscholen hadden. Hij wilde er heen snellen, maar
-een hand greep hem bij den schouder. Hij zag om, het was Thierry de
-St. Foy, die hem grijnzend vastgreep. Hij worstelde om los te komen,
-maar de ander hield hem vast en schudde hem,--en hij werd wakker.
-
---"Jonker! jonker!" riep de stem van de Welle, die hem wakker
-schudde. "Kom, er is onraad!"
-
-Jacob vloog overeind en volgde den rotmeester op het ravelijn. De
-dag begon aan te breken, maar de dichte morgennevels bedekten het
-lage land. De Welle snoof de frissche lucht krachtig op, terwijl
-zijn scherpe oogen naar het Noord-Oosten tuurden, als wilden zij den
-mist doordringen.
-
---"Ruikt ge niets, jonker?" vraagde hij.
-
-Een vreemde, flauwe lucht, als van geschroeid vet, kwam op het
-scherpe Noordenwindje tot hen. Jacob kende dien reuk. 't Was die van
-smeulende lonten. Het kon niet uit het kamp komen, dat beneden den
-wind lag. Daarginds naderden soldaten. Maar waren het vrienden of
-vijanden? Zie, nu werd ook een der schildwachten, een oud-gediende,
-die bij St. Quentin en Grevelingen had gevochten, opmerkzaam en keek
-vragend naar den vaandrig en den rotmeester op.
-
---"Als ge 't goedvindt, jonker," zeide de Welle, "zal ik een paar
-man nemen, en op verkenning uitgaan."
-
-Jacob stemde toe; de Welle koos een paar mannen uit en verdween met
-hen in den nevel, terwijl een korporaal naar het dorp werd gezonden,
-om Thoulouse te waarschuwen. De jonge vaandrig bleef op de verschansing
-en trachtte den nevel met zijne blikken te doorboren. Weldra vernam
-hij het onbestemd gerucht van de nadering van een groote menschenmassa,
-maar hij kon nog niets onderscheiden.
-
-Na een groot half uur kwamen de verkenners terug. Er naderde inderdaad
-een groote troepenafdeeling, zoo berichtten zij; 't waren verscheidene
-vendels, zoowel landsknechten als arquebusiers en ze hadden ook
-geschut bij zich, maar of het vrienden of vijanden waren konden ze
-niet zeggen. De vendels marcheerden met opgerolde vaandels. Alleen
-een der soldaten, een burger van Antwerpen, die zich het verst vooruit
-had gewaagd, wist te vertellen, dat het Duitsche voetknechten waren,
-en dat hij Heer Nicolaas de Hames, dien hij dikwijls te Antwerpen
-had gezien, duidelijk had herkend.
-
-Er waren inmiddels soldaten uit het dorp komen toeloopen en terstond
-verspreidde zich de tijding door het kamp: "Het waren de Duitsche
-hulptroepen, die daar naderden; men had ze herkend."
-
-En nu bleek het duidelijk, hoe weinig krijgstucht er heerschte
-onder dien bijeengeraapten troep krijgsvolk. Tevergeefs roffelden
-de trommen en gaven de hoplieden hunne bevelen. Slechts de vendels,
-die te Antwerpen waren geworven, schaarden zich om hunne vanen; de
-overigen snelden naar de borstwering, en onder luid gejoel en met een
-luidruchtig "Vive le Geus!" werden de vermeende bondgenooten afgewacht.
-
-Jacob stond naast Thoulouse op het ravelijn. Het aangezicht van den
-aanvoerder gloeide van spanning en blijde hoop. Toch gaf hij bevel aan
-zijne officieren, om hunne soldaten tot hun plicht te roepen. Maar
-het was hem aan te zien, dat hij overtuigd was, dat de Antwerpenaar
-goed had gezien. Dààr kwamen de Duitschers: alles zou nog goed komen!
-
-En nu trokken de morgennevels op en men kon de naderende vendels
-onderscheiden, die daar zwijgend aanrukten met opgerolde vanen. De
-punten der pieken flikkerden in de Maartsche morgenzon. Zij kwamen
-nader en nader, onder het luid gejubel der Geuzen. Ze waren al op
-een musketschots afstand. Voorop marcheerde een vendel piekeniers,
-met stalen stormhoeden en blinkende borstkurassen. "Ha! vive le
-Geus! dàt waren de dappere Duitsche landsknechten!"
-
-Een luid commando klonk, het vendel verdeelde zich, zwenkte links en
-rechts en door de opening in de gelederen kwamen in den looppas andere
-soldaten, met roode wapenrokken en roode pluimen op de breedgerande
-hoeden. Ze waren gewapend met haakbussen, zware lontgeweren, die
-bij het schot op een vork of haak werden gelegd. Op het gezicht van
-die mannen veranderde het gelaat van Thoulouse. Dat was verraad! Dat
-waren de arquebusiers van de lijfwacht der Landvoogdes. Hij wilde een
-bevel geven,--maar reeds hadden de schutters zich in twee gelederen
-geschaard, reeds vielen de lompe vuurwapenen op de ijzeren haken,--één
-oogenblik nog en een daverend salvo klonk en een hagelbui van kogels
-sloeg onder de verschrikte Geuzen.
-
-En tegelijk ontplooiden zich de vaandels en ze vertoonden het Spaansche
-knoestkruis; de arquebusiers weken en in gesloten gelederen rukten de
-piekeniers voorwaarts, onder het veldgeschrei der Regeeringstroepen:
-"Vive le Roy! Slaet dood! Slaet dood!"
-
-Het was Heer Philip de Lannoy, Heer van Beavoir, met zijne troepen,
-door de Landvoogdes gezonden, om den opstand te dempen.
-
-Er heerschte een onbeschrijfelijke verwarring onder de Geuzen. De
-meesten vluchten naar het dorp terug en slechts weinigen schaarden
-zich om Thoulouse, om de verschansingen, zoo mogelijk, nog te
-verdedigen. Dit bleek echter alras ondoenlijk. De vijand had
-thans zijn volle macht kunnen ontwikkelen en tastte nu van drie
-zijden het kamp aan. Het dappere, maar kleine troepje dreigde te
-worden afgesneden. Pieter de Welle, die zijn vaandrig niet had
-willen verlaten, zag het gevaar, waarin de Geuzenaanvoerder met
-zijn getrouwen verkeerde. Weinige schreden van hem af stonden de
-veldstukken, die door de kanonniers verlaten waren, zonder dat er
-een schot was gelost. Een nog smeulende lontstok lag naast de geladen
-kanonnen. De Welle greep de lont op en een oogenblik later donderden
-de vier schoten over de vlakte. De stukken waren niet gericht en
-de losbranding deed den vijand weinig schade, maar de aanvallers
-werden een oogenblik in hun vaart gestuit en Thoulouse slaagde er in,
-met de zijnen het dorp te bereiken. Hij vond er zijn eigen vendel,
-dat zich op een boerenerf zoo goed mogelijk had verschanst, en hij,
-Jacob Martens en een edelman uit het geslacht der van Boetzelaers
-stelden zich aan het hoofd van deze dappere mannen, om zich tot het
-uiterste te verdedigen.
-
-Van een geregelden tegenstand was trouwens geen sprake meer. De
-Geuzen waren wel sterker in getal, dan hun aanvallers, maar zij waren
-overvallen en terstond in verwarring gebracht. Hier en daar hadden zij
-zich verschanst in de woningen en schuren van het dorp en zij boden
-een verwoeden tegenstand, want zij wisten, dat zij vochten voor hun
-leven! De soldaten van Lannoy hadden in last, geen kwartier te geven,
-en zij gehoorzaamden trouw aan dat bevel. De vluchtende Geuzen werden
-zonder genade neergehouwen of doorstoken.
-
-Thoulouse had een aantal busschieters post doen vatten voor de
-vensters der boerenwoning en door hun vuur wisten zij een poos lang
-de piekeniers op een afstand te houden, die dekking moesten zoeken in
-de naburige huizen, maar nu verschenen de Brusselsche arquebusiers, en
-de zware kogels hunner haakbussen sloegen door deuren en vensterluiken
-en doodden of verwondden de schutters der Geuzen. De piekeniers rukten
-voorwaarts met gevelde speren, het vendel van Marnix deed een uitval
-en op het erf voor de hoeve ontstond een moorddadig gevecht.
-
-Van uit het dakvenster der hoeve wierp Thoulouse een wanhopigen blik
-naar Antwerpen, waarvan de torens, ja zelfs de hooge muren nog door
-den rook waren te onderscheiden. Zou er geen ontzet komen opdagen? Men
-moest er het schieten gehoord hebben; men moest er weten, dat hij en
-de zijnen werden vermoord. Zouden de Gereformeerden van Antwerpen
-hunne broeders laten slachten? Hoorde hij niet het roffelen der
-trommen van de dappere Antwerpsche schutterij?
-
-Helaas, de hooge muren daarginds bleven doodsch en stom.
-
-Weinig wist Thoulouse, dat op datzelfde oogenblik een groote menigte
-zich verdrong voor de Roode poort, luide eischende, dat men die
-zou openen, opdat zij hunne strijdende broeders te hulp mochten
-snellen. Dat zijn jonge vrouw, met bleeke wangen en roodbekreten oogen
-de burgers smeekte, om toch haar man niet te laten vermoorden door de
-bloeddorstige soldaten der Regeering, maar dat Oranje en Hoogstraten,
-gehoorzamende aan een harde en pijnlijke noodzakelijkheid, met gevaar
-van hun eigen leven het woedende volk in bedwang hielden, en zóó
-Antwerpen bewaarden voor het lot, dat weldra Valenciennes zou treffen.
-
-Nog had de ure der bevrijding niet geslagen. Hij en de zijnen moesten
-worden opgeofferd: het kon niet anders.
-
-Een verdacht geknetter deed zich hooren en een scherpe rook vulde
-het vertrek. Een musketier had een brandende lont op het droge rieten
-dak geslingerd. Het huis stond in brand.
-
-In het voorhuis vond Thoulouse Jacob Martens, den Heer van Boetzelaer
-en de soldaten, die de hoeve bezet hielden. Zelfs de gewonden hadden
-zich hierheen weten te sleepen.
-
---"Wij moeten er ons doorheen slaan, kameraden!" zei de
-Geuzenaanvoerder met vaste stem. "God zij onze zielen genadig! Vaarwel,
-van Boetzelaer! vaarwel, Jacques! Als gij 't ontkomt, denk aan uw
-belofte!"
-
-Een krachtige handdruk tot afscheid en de versperringen werden
-weggenomen, de deur ging open en met den degen in de vuist wierpen
-zich de Geuzen op de tierende soldaten.
-
-Het was een kort, wanhopig gevecht tegen een verpletterende overmacht,
-maar toch hielden de Geuzen zich dapper tot het laatste. De Heer
-van Boetzelaer viel aanstonds, een speer had hem onder den stalen
-ringkraag in de keel getroffen. Ook Jacob was gewond, maar hij
-voelde het niet. Hij wist niet, wat hij deed, of waar hij zich
-bevond. Werktuiglijk verdedigde hij zich tegen de opdringende
-soldeniers en weerde stooten af en hieuw en stiet naar de vertrokken
-gezichten, die hij voor zich zag,--terwijl er in zijn bewustzijn
-een vreemd gevoel van verwondering was, dat hij het was, hij, Jacob
-Martens, die daar vocht voor zijn leven. Als in een benauwden droom
-zag hij voor een oogenblik het bleeke gelaat van Thoulouse, die,
-zonder helm en met gebroken zwaard tegen een schuur stond geleund. Hij
-hoorde hem roepen, dat hij Jan van Marnix was, dat hij rantsoen bood,
-toen hoonend gelach, woedend geschreeuw,--en hij zag het bleeke gelaat
-niet meer.
-
-De val van Thoulouse had voor een oogenblik de aandacht der soldeniers
-afgeleid, en allen waren naar de schuur gesneld, waar,--zooals een
-tijdgenoot vermeldt--het lichaam van den edelman letterlijk in stukken
-gehouwen werd. Jacob Martens stond een oogenblik, duizelig van het
-bloedverlies, tegen den boom van een kar geleund. Een der aanvallers,
-een luitenant van het voetvolk van Egmond, dien hij in het gevecht
-een lichte wonde had toegebracht, had hem niet uit het oog verloren,
-en drong met zijn "halven piek" op hem in. Jacob weerde den stoot af en
-deed half werktuiglijk een uitval met zijn degen, maar hij gleed uit
-op den van bloed doorweekten grond en viel. In een oogenblik was zijn
-tegenstander op hem toegesprongen. Hij drukte hem neer met zijn plompen
-voet en zette zijn slachtoffer de punt van de korte speer op de keel.
-
---"Bid een Vader ons, jonge Geus!" riep de kerel zegevierend.
-
-Een donkere gedaante drong door den rook van de brandende hoeve. Het
-was Pieter de Welle. Zijn hellebaard had hij bij het begin van het
-gevecht gebroken, maar hij had een ander wapen opgeraapt, een "gepinde
-kodde", een knots, van stalen punten voorzien, een vreeselijk wapen
-in een krachtige hand. Eer de landsknecht den doodelijken stoot kon
-toebrengen, suisde de kodde door de lucht en kwam pletterend neer op
-den ijzeren stormhoed en de man zakte levenloos ineen.
-
---"Kom gauw, jonker," riep de Welle, terwijl hij den half bewusteloozen
-vaandrig op de been hielp; "alles is uit! wij moeten zien, dat wij
-wegkomen!"
-
---"Thoulouse! En onze mannen! Ik kan niet..." stamelde Jacob.
-
---"De Heer van Marnix is dood en onze mannen ook! Wij moeten aan ons
-zelf denken!" drong de Welle. "Kom, jonker!"
-
-Half werktuiglijk volgde Jacob den gewezen boschwachter, die ook nu
-weer toonde, dat hij een uitstekende gids was. Hij had het terrein
-blijkbaar nauwkeurig opgenomen en kende den weg. Tusschen brandende
-huizen en schuren door, over den grond kruipend, waar de dichte
-rook het soms onmogelijk maakte om rechtop te gaan, bracht hij Jacob
-buiten het dorp. Voortsluipend achter een dichte beukenhaag, waarvan
-het verdorde loof hen ook nu in dit seizoen voor de blikken van den
-vijand verborg, bereikten zij den oever van de Schelde en gleden in het
-hooge riet. Daar lag een oude roeiboot, behendig in het riet verborgen.
-
---"Die heb ik gisterenavond een eind stroomopwaarts gevonden," zeide de
-Welle. "Ik heb ze hier in veiligheid gebracht, want de zaken stonden
-mij niet aan en ik wist niet, of zoo'n boot mij niet eens te pas kon
-komen. Ga in de schuit liggen, jonker, en houd u stil! Vooreerst zijn
-wij hier veilig!"
-
-Achter hen ging Austruweel in vlammen op. Daar klonk het gejuich en
-getier der soldaten en het noodgeschrei der Geuzen, die door hunne
-vijanden op de punten der speren in de brandende huizen en schuren
-werden gedreven. Een aantal vluchtelingen bereikten hoogerop de
-rivier en sprongen in het water, om naar de overzijde te zwemmen,
-maar de arquebusiers, die hen vervolgden, laadden hunne haakbussen,
-en, luid schreeuwende dat zij op de eendenjacht gingen, schoten zij
-op de zwemmers. Verscheidenen hunner werden getroffen, anderen werden
-door den sterken stroom meegesleept en verdronken. Slechts een enkele
-bereikte den anderen oever.
-
-De Welle begreep, dat de soldaten, zoodra zij hun bloedig werk in het
-dorp hadden verricht, het riet zouden doorzoeken. Hij had echter een
-wel overlegd plan. De rivier maakte even vóór Austruweel een bocht en
-hij had opgemerkt, dat de stroom met kracht tegen den rechter oever
-liep, waar hij zich thans bevond. Voorzichtig trad hij uit het riet
-te voorschijn en wierp een stuk hout in het water. Het gebeurde,
-zooals hij het had verwacht: het hout werd door den stroom gegrepen
-en meegevoerd naar het midden der rivier.
-
-Hij maakte nu snel de boot los, strekte zich naast Jacob op den bodem
-uit en liet het vaartuig met den stroom afdrijven. De boot volgde
-denzelfden weg als het stuk hout. Wel losten eenige soldaten hunne
-haakbussen en liepen al schreeuwend en dreigend een eind den oever
-langs, maar de Welle wachtte zich wel, overeind te komen, vóór hij
-wist, dat de trefkans van de schoten der lompe vuurwapenen op een
-bewegend doel al zeer gering was. Toen nam hij de riemen op, en, met
-een bezorgden blik op zijn jonker, die, uitgeput door bloedverlies,
-bewusteloos in de boot lag, roeide hij naar den Vlaamschen oever,
-zonder zich te storen aan de matte kogels, die naast en achter de
-boot het water hoog deden opspatten.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-
-Vier weken na dien noodlottigen dag naderden twee mannen, als Vlaamsche
-boeren gekleed, en waarvan de eene veel jonger was dan de andere,
-het dorp Gentbrugge. Behalve hun stevige stokken, aan de punten met
-ijzer beslagen, droegen zij geen zichtbare wapenen.
-
-Het waren Jacob Martens en Pieter de Welle. Na hunne ontsnapping had
-de Welle doorgeroeid tot Callo, nadat hij inderhaast Jacobs wonde
-zoo goed mogelijk had verbonden, om het bloeden te stelpen. Te Callo
-hadden zij onderkomen gevonden bij een visscher, die een geloofsgenoot
-bleek, en die hen gaarne een schuilplaats gaf, toen hij vernam, dat zij
-vluchtelingen van het leger der Geuzen waren. Zij bleven er tot Jacob,
-die door bloedverlies zeer was verzwakt, geheel was hersteld, en in
-dien tijd werkte de Welle voor hen beiden, doordat hij den visscher,
-hun gastheer, hielp bij zijn bedrijf. Van de marktschippers, die
-op Antwerpen voeren, vernamen zij, hoe het met hunne kameraden was
-afgeloopen. Het geheele Geuzenleger was vernield; vele vluchtelingen
-waren in de Schelde of in de moerassen gesmoord en de Heer de Lannoy
-had driehonderd gevangenen aan de boomen in den omtrek laten ophangen.
-
-Ze hoorden er ook het rampzalig lot van Valenciennes. Ze vernamen, hoe
-de ongelukkige stad, na een dapperen tegenweer, zich aan Noircarmes had
-moeten overgeven en hoe deze, ondanks zijn belofte van vergiffenis,
-den bevelhebber Michel Herlin en zijn zoon had laten onthoofden,
-en de predikanten la Grange en Guido de Bray, met nog tweehonderd
-Gereformeerden, had laten ophangen.
-
-Eindelijk hoorden zij, dat de Landvoogdes, moedig geworden door de
-overwinning harer troepen, aan de Regeering van Antwerpen den eisch had
-gezonden, dat de Hervormde predikanten de stad binnen vier en twintig
-uren en het gebied der Nederlanden binnen de drie dagen zouden hebben
-te verlaten op straffe van de galg,--en dat de Regeering het hoofd
-had gebogen, dat de predikanten hadden gehoorzaamd, en dat met hen
-een groot aantal Gereformeerden, bevreesd voor de wraak der Roomsche
-partij, de stad hadden verlaten, om naar Engeland of Duitschland uit
-te wijken. Het scheen gedaan met de zaak der Reformatie.
-
-Nu achtte de Welle het ook niet veilig meer, nog langer in de buurt
-van Antwerpen te vertoeven. Hij sprak met Jacob af, dat zij eerst,
-zoo goed mogelijk vermomd, naar Gentbrugge zouden gaan, waar de
-boschwachter in zijn huisje een kleine som geld veilig verborgen had;
-vervolgens zouden zij te Poperingen naar Mieke gaan zien, om dan over
-Duinkerken met een of ander visschersvaartuig naar Engeland uit te
-wijken en dààr betere tijden af te wachten,--zoo die ooit nog voor
-de rampzalige Nederlanden mochten aanbreken.
-
-Vóór het begin der onderneming was hun hunne soldij uitbetaald,--want
-het ontbrak de aanvoerders niet aan geld. Ze waren dus in staat
-eenvoudige boerenkleeren te koopen, en zoo hadden zij zich op weg
-begeven, de groote wegen vermijdend, waar zij de meeste kans liepen,
-krijgsvolk der Regeering te ontmoeten. Nu hadden zij het doel van hun
-tocht bereikt. Het liep tegen den avond en dat achtte de Welle, die
-zorgvuldig de minst bezochte voetpaden had uitgekozen, den geschikten
-tijd om zijn plan te volvoeren. Dienzelfden nacht zouden zij verder
-gaan, want de buurt was voor hen beiden te gevaarlijk.
-
-Het huisje van den boschwachter lag daar, eenzaam en verlaten. Daar
-stond de oude, holle boom, waarin de Welle vóór zijn vertrek den
-sleutel had verborgen. Toch moesten zij zeker weten, dat er geen
-verraad was, voor zij de woning binnentraden. Voorzichtig en naar
-alle zijden rondziende, traden zij nader. Plotseling greep de Welle
-Jacob bij den arm en deed hem stilstaan. Er was een man van achter
-het huisje te voorschijn gekomen; thans stond hij voor de gesloten
-vensterluiken en trachtte door de reten naar binnen te zien.
-
---"'t Is Daniël Tistz," bromde de Welle. "Wat zoekt de strooper hier?"
-
---"Hij zal ons niet verraden," meende Jacob, die zich den jongen man
-herinnerde; "hij draagt immers ook het Geuzennapje."
-
---"Men kan anders zoo'n lossen kwant niet vertrouwen," bromde de
-Welle. "Maar voor een verrader zie ik hem toch niet aan. In elk geval,
-we kunnen hier niet blijven staan, jonker. Vooruit dan maar!"
-
-Op dit oogenblik keerde de strooper zich om en zag hen. Met een luiden
-uitroep snelde hij op beide mannen toe. Jacob zag, dat de jonge man
-er bleek en ontdaan uitzag.
-
---"Goddank, dat ik je zie, de Welle!" riep hij heesch. "Daar heb ik
-God om gebeden, zooals ik nog nooit gebeden heb. Man, houd je goed,
-want je dochter... je Mieke..."
-
---"Mieke!"
-
-De Welle werd wit als een doek. Hij greep Daniël in de borst en
-schudde den sterken jongen boer woest heen en weder.
-
---"Mieke?" siste hij. "Wat is er gebeurd? Heb jij, roffiaan, haar..."
-
-Maar Daniël rukte zich los.
-
---"Laat los, de Welle!" riep hij met een wilden lach. "Denk je, dat
-ik hier zou zijn, als ik je dochter een haar had gekrenkt? Weet je
-niet, dat ik wel voor haar had willen sterven, als 'k haar zóó had
-kunnen redden? Mieke zit gevangen op 't slot te Poperingen! Ze is in
-de handen van Titelman!"
-
---"Van Titelman?"
-
-Naar adem hijgend, met strakke, starende oogen, zag de Welle den
-boogschutter aan, en ook Jacob stond verslagen. De arme Mieke in de
-handen van de Inquisitie, van Titelman! Heel Vlaanderen kende hem, den
-verschrikkelijken deken van Rousselaere, den fanatieken priester, voor
-wien zelfs de Landvoogdes bevreesd was. In handen van Titelman,--dat
-was erger dan de dood!
-
-De Welle vermande zich.
-
---"Zeg op!" zei hij met schorre stem. "Wat is er gebeurd? Ze was
-veilig bij haar moei te Poperingen."
-
---"Een stadsklerk heeft haar verraden!" zei Daniël, sidderend van
-ingehouden drift. "Als ik den laffen Judas in handen krijg, breek ik
-hem den nek. Hij wou naar Mieke vrijen, maar zij wou niets van hem
-weten. Toen is hij uit wraak naar den geloofsrechter geloopen. Hij had
-haar eens met haar bijbel en haar psalmboek verrast, het arme kind."
-
---"En toen...?"
-
---"Toen zijn de dienaars van den baljuw gekomen, en hebben haar uit
-het huis gehaald. Ik was er niet. Ik zou de kerels met mijn handen
-hebben geworgd, eer ze haar lief lijf aanraakten. Ze hebben haar op den
-toren van 't slot gebracht, en ze zou, naar ze te Poperingen kallen,
-met nog vier, die gevangen zijn om de religie, naar Rousselaere
-worden gebracht."
-
-Pieter de Welle stond daar met gebogen hoofd. Bij de laatste woorden
-van den boogschutter schrikte hij op en wrong de handen met een
-kermenden zucht. De beide jonge mannen zagen hem medelijdend aan. Zij
-wisten, welke geruchten, ze mochten dan gegrond zijn of niet, omtrent
-den pastoor van Rousselaere in omloop waren.
-
---"En geen redding! Och, Heere God! geen redding!" steunde de arme
-vader.
-
-Daniël Tistz keek hem met flikkerende oogen aan.
-
---"Misschien! Als je durft, de Welle!" zei hij driftig.
-
---"Durven? Denk je dan, dat mijn leven nog iets waard zou zijn,
-als dàt met Mieke gebeuren moest? Zeg op, man, wat bedoel je?"
-
---"Kom mee naar Poperingen! Ik zal je bij wakkere kerels brengen. 't
-Zijn Geuzen, die 't bij Waterloo ontkomen zijn en die zich nu
-schuilhouden. Ze durven, als 't er op aan komt. Als Mieke naar
-Rousselaere wordt gebracht, zullen wij 't weten, en dan, als wij
-'t goed aanleggen, is er kans, dat wij ze verlossen."
-
-Gretig luisterde de Welle naar het plan, dat de wildstrooper nu nader
-uiteenzette. De weg van Poperingen naar Rousselaere liep, zooals de
-boschwachter ook zeer wel wist, gedeeltelijk door een bosch. Daar
-zouden, op een geschikt punt, de Geuzen zich in hinderlaag leggen,
-de dienaars van den inquisiteur dooden of onschadelijk maken en
-de gevangenen bevrijden. De zaak was uitvoerbaar en de Welle en
-Jacob waren bereid, haar te beproeven. Men zou zich terstond op
-weg begeven. De aangeboren voorzichtigheid van den Vlaamschen
-boer zegevierde nu echter over de smart en de angst van den ouden
-boschwachter. Hij trad zijn woning binnen, terwijl hij zijn beide
-metgezellen wenkte, hem te wachten. Toen hij, na een poos, weer buiten
-kwam, hing er een zware lederen tasch aan zijn riem: de Welle had
-zijn spaarpenningen opgegraven en nam ze mede.
-
-Zij liepen verscheidene uren, ook nu weer de hoofdwegen vermijdende,
-langs landwegen en boschpaden, die de Welle en Daniël beiden kenden.
-
-'t Was een schoon land, West-Vlaanderen in zijn frisschen lentetooi,
-maar ze hadden geen oog voor het schoone, dat hen omringde. Met
-krampachtig gesloten vuisten, soms onverstaanbare woorden mompelend,
-dan weer den blik ten hemel slaande, als in stil gebed, schreed
-de Welle voort, terwijl zijn beide metgezellen hem van tijd tot
-tijd medelijdend aanzagen. Onder het gaan vertelde de strooper
-aan Jacob, dat de vervolgingen wegens ketterij in de laatste weken
-weder begonnen waren. Sinds den beeldenstorm hadden de inquisiteurs
-zich rustig gehouden, maar de overwinningen, door de troepen der
-Regeering behaald, hadden hun nieuwen moed gegeven en na den val van
-Valenciennes was Titelman aanstonds begonnen, zijn bloedhonden uit
-te zenden. Verscheidene personen waren, als verdacht van ketterij,
-gevangen genomen en voor de geestelijke rechters gebracht. De
-doodvonnissen zouden niet lang op zich laten wachten.
-
-Men bereikte een groot bosch van eiken en beuken. De laatsten prijkten
-reeds met frisch, jong groen, de eersten hadden nog hun winterloof. Het
-terrein begon heuvelachtig te worden en de weg, die door het bosch
-heenslingerde, was hier en daar door hooge, met zware stammen bezette
-wallen omzoomd.
-
---"Hier zou het moeten zijn!" zeide de strooper eensklaps, terwijl
-hij staan bleef.
-
-De weg maakte hier een scherpe bocht en liep dan naar beneden. De
-bodem was doorweekt door het regenwater, dat er zich had verzameld,
-en de diepe karresporen, die in en uit den modderpoel leidden,
-stonden vol water. Er groeide dicht struikgewas in de laagte en het
-geboomte was zwaar genoeg om een geheele bende te verbergen. 't Was
-een uitgezochte plaats voor een hinderlaag.
-
-De Welle bleef even staan, nam het terrein met een vorschenden blik
-op en knikte even goedkeurend. Toen vervolgde hij echter weer zijn
-weg, zwijgend en haastig, en de beide jonge mannen, die begrepen,
-wat er in hem omging, stoorden hem niet.
-
-Zij kwamen door het dorp Langem en hier wist Daniël den bedroefden
-vader te bewegen, in de taveerne wat uit te rusten en er een potteke
-bier te drinken. De Welle had liever den tocht voortgezet, maar de
-strooper beet hem toe, dat de jonker niet verder kon. Inderdaad was
-Jacob, die niet zooals de beide anderen aan lange dagmarschen gewoon
-was en die daarbij pas van zijn wonde was hersteld, doodmoede.
-
-Zij traden de dorpstaveerne binnen en vonden er niemand, dan een
-Dominicaner monnik, die in een hoek van de gelagkamer rustig zijn
-potteke dronk, terwijl hij ijverig in zijn brevier las. Daniël nam
-den Witheer met booze blikken op, maar deze lette niet op hem. Na een
-poos dronk hij zijn potteke leeg en borg het gebedenboek in de tasch
-of beurs, die aan zijn gordel hing; tegelijk haalde hij daaruit een
-papier te voorschijn, waaraan een groot, rood zegel hing. Hij bezag
-het eenige oogenblikken opmerkzaam en stak het toen weder weg. De
-strooper zag het en zijne oogen fonkelden.
-
-Toen de monnik vertrokken was, niet zonder een scherpen blik te hebben
-geworpen op de drie mannen, wenkte Daniël zijne beide metgezellen.
-
---"Dat is een van de bloedhonden van Titelman," fluisterde hij. "Ik
-ken hem wel. Als hij naar Poperingen gaat, dan kunt ge er op aan,
-dat hij tijding brengt van den deken. Wij moeten hem in 't oog houden."
-
-Zij betaalden hunne vertering en volgden den monnik van verre. De
-Dominicaner slofte langzaam voort, tot hij de laatste huizen van
-het dorp achter den rug had. Toen sloeg hij den breeden karreweg in,
-die naar het Zuiden leidde.
-
---"Dat gaat naar Poperingen," zei Daniël. "Die brief is van Titelman."
-
---"Wij moeten hem hebben," zei de Welle gejaagd.
-
---"Juist, kom gauw!"
-
-Wegduikend achter een hoogen wal van eikenhakhout, kwamen zij
-ongemerkt den monnik vooruit. De Welle zoowel als Daniël Tistz
-kenden het landschap nauwkeurig. Zij wisten de veldwegen en bijpaden
-en zoo, snel en zwijgend voortstappend, bereikten zij den grooten
-karreweg weder op een uur afstands van Langem, voor nog de langzaam
-voortstappende monnik in het gezicht was.
-
-Het was een eenzame plaats. De weg liep hier door een stuk broekheide,
-die zich aan weerszijden mijlen ver uitstrekte. Naar het Westen zag
-men de donkere massa van een bosch.
-
---"Wat nu?" vraagde de strooper.
-
---"Wij moeten dien brief hebben!" zei de Welle, met de tanden op
-elkaar geklemd.
-
---"Wil je dan, dat ik...?" Met een veelbeteekenend gebaar trok Daniël
-zijn kruismes.
-
---"Je wil toch geen moord, de Welle?" vraagde Jacob.
-
---"Alsof er aan 't leven van zoo'n paap iets gelegen was," zei de
-strooper ruw. "Zullen ze Mieke niet vermoorden en haar martelen
-bovendien, als zij kunnen? Je moet niet zoo weekhartig zijn, jonker."
-
---"De Heere heeft gezegd: Mij is de wrake! Ik zal het vergelden!" zeide
-Jacob ernstig.
-
---"Zóó heb ik den bijbel niet gelezen!" lachte de ander grimmig. "Wat
-zeg jij, de Welle!"
-
---"Laat hem leven, als 't kan," gebood de koddebeier.
-
---"Mij is 't wel!" zei Daniël schouderophalend. "Hoewel je er hem
-misschien geen dienst mee doet, jonker. Want we kunnen hem niet laten
-loopen, en als hij in de handen valt van onze gezellen daarginds..."
-
-Hij wees met een veelbeteekenden blik naar de bosschen in de verte.
-
---"Wat wil je dan doen?" vraagde de Welle.
-
---"Laat mij maar begaan," lachte Daniël. "Ik heb wel eens meer een
-boschwachter onschadelijk gemaakt. En was 't niet om Mieke geweest,
-de Welle... Nu, kijk maar zoo leelijk niet: ik zal niets meer
-zeggen. Maar, jonker, heb je wel eens van den Duinkerkschen kneep
-gehoord? Niet? Let dan eens op, dan zul je wat wonders zien. Maar
-jelui beiden moet je verschuilen, want onze vriend zal nu wel zoo
-dadelijk komen."
-
---"Achter den wal dan!" gebood de Welle, en de drie mannen verscholen
-zich achter het nog dorre eikenhakhout en wachtten.
-
-De weg was eenzaam en verlaten. Bouwlanden, waar anders nu de boeren
-werkten, waren er niet in de nabijheid en de broekheide, waar 's
-nachts de grauwe nevel uit opdampte en de dwaallichten flikkerden,
-werd door niemand bezocht, die er niet noodig had. Heel uit de verte
-klonk van tijd tot tijd het "Alahoe!" van een koewachter, die zijn
-beesten langs de wegen liet grazen.
-
-Weldra zagen zij den Witheer aankomen. De monnik stapte bedaard en
-rustig voort, onbewust van het gevaar, dat hem dreigde.
-
---"Let op!" mompelde de strooper.
-
-Snel sloop hij langs den houtwal, om een eind verder weer te voorschijn
-te komen. Rustig, met de handen in de zakken en al fluitende, liep hij
-den monnik tegemoet. In zijn onmiddellijke nabijheid gekomen, week hij
-ter zijde, zoodat de Dominicaan hem rakelings voorbij moest, terwijl
-hij, schijnbaar groetend, de hand aan zijn kaproen bracht. Werktuiglijk
-hief de monnik de hand zegenend op, om den groet te beantwoorden.
-
-Plotseling, met een bliksemsnelle beweging, schoot de arm van den
-jongen Vlaming uit en omknelde den hals van zijn slachtoffer. Tegelijk
-zette hij den rechtervoet vooruit, achter de beenen van den monnik,
-en met een forschen ruk wierp hij den man achterover op den grond,
-waar hij met een geweldigen smak neerkwam en verdoofd bleef liggen. De
-Welle en Jacob, die alles gezien hadden, braken door het kreupelhout
-en met hun drieën sleepten zij het bewustelooze lichaam achter den
-houtwal. Driftig viel Daniël op de tasch aan en haalde er het papier
-uit, dat zij den monnik hadden zien lezen. Hij reikte het de Welle
-over. Deze bezag het, doch gaf het hoofdschuddend over aan Jacob.
-
---"Ik kan er niets van maken!" zeide hij. "Wat is het, jonker?"
-
-Jacob doorliep het papier vluchtig.
-
-De monnik, die als een zoutzak aan hun voeten lag, opende de oogen. Hij
-keek verschrikt rond en scheen te willen opstaan.
-
---"Houd je gemak, pater!" zei Daniël, terwijl hij zijn gevangene
-den voet op de borst zette en zijn kodde dreigend ophief. "Als je
-een vin verroert of een kik geeft, zal ik je met dezen wijkwast
-zegenen--voorgoed, hoor je? Lees op, jonker!"
-
---"Petrus Titelman," vertaalde Jacob, "onwaardig dienaar Gods, priester
-en deken te Rousselaere, inquisiteur van Vlaanderen, Douai en Rijssel,
-aan Mr. Willem van Bodeghem, schout van Poperingen, groetenis.
-
-"Krachtens de macht, ons verleend, door den Eerwaarden Ruardus
-Tapper, groot-inquisiteur der Nederlanden, en bij decreet van Zijne
-Koninklijke Majesteit, Philips II, Koning van Spanje, van den 28sten
-November 1555, zenden wij u door de hand van onzen beminden broeder
-Clemens, van de orde van den H. Dominicus, last en bevel, om de door
-u gevangen gehouden ketters, zoo mannen als vrouwen, den 16den April
-naar Rousselaere te zenden onder veilige bewaring van uwe gewapende
-dienaars, en dat tegen het vallen van den avond en zonder aan de
-zaak ruchtbaarheid te geven, ten einde opschudding onder de bevolking
-te voorkomen.
-
-"Gegeven onder ons zegel, te Rousselaere, den 14den April, Anno
-Domini 1566."
-
-De drie mannen keken elkander ontsteld aan.
-
---"Den 16den April,--dat is morgen!" zei Pieter de Welle met gesmoorde
-stem.
-
---"Maar de baljuw zal niets kunnen doen, nu wij Titelman's postduif
-hebben opgevangen," meende Daniël.
-
---"Dat baat niet," zeide de Welle. "Als de gevangenen niet aankomen,
-en als zijn bode niet terugkeert, dan zendt Titelman een ander,
-en dan is hij meteen gewaarschuwd. Als wij alles hadden geweten,
-dan hadden wij dien monnik stil moeten laten gaan. Als Daniël ten
-minste zijn woord kan houden..."
-
---"Dat kan ik!" zei de strooper. "Maar hoe krijgen wij dien brief
-naar Poperingen? Wij kunnen er dien eerwaarden pater moeilijk mede
-belasten."
-
-De drie mannen zagen elkander verslagen aan. De monnik loerde naar
-hen met schichtige blikken, als een wild dier, dat in de val zit. Hij
-had nog geen woord gesproken.
-
-Plotseling spanden zich zijn trekken. Hij had in de verte een zacht
-getingel gehoord, zoo zacht, dat het de drie mannen, die van geheel
-andere gedachten waren vervuld, was ontgaan. Het herhaalde zich: dat
-waren de bellen aan het haam van een huifkar, die daar naderde. Dààr
-was redding!
-
-Loerend tusschen zijn wimpers door keek de gevangene, zonder een lid
-te verroeren, naar zijne vijanden, die fluisterend en met bezorgde
-gezichten met elkander spraken. De bellen kwamen al nader en nader,
-weldra zou de voerman een hulpschreeuw kunnen hooren. De monnik
-steunde reeds de ellebogen tegen den grond, gereed om met een schok
-zich op te richten en zijn noodgeschrei aan te heffen.
-
-Daar klonken op eens de bellen luider en sneller: het voortsjokkende
-paard had blijkbaar hevig den kop bewogen. Verrast keken de Welle en
-zijne metgezellen op: met een enkelen blik had Daniël den toestand
-overzien en het gevaar begrepen.
-
-Met een sprong was hij bij den monnik.
-
---"Ha, wou je dat, schobbejak!" siste hij, terwijl hij den man bij
-de keel greep en zijn hoofd neerdrukte in de vochtige heide.
-
---"Houd op! Je worgt hem!" fluisterde Jacob.
-
---"Laat mij maar begaan!" zei de strooper norsch.
-
-Hij rukte zich den halsdoek af, draaide dien tot een bal ineen en
-wrong hem als een prop in den mond van den gevangene, die tevergeefs
-tegenspartelde. Toen, terwijl hij met de eene hand den monnik in
-bedwang hield, haalde hij een dun, maar sterk touw uit den zak en
-met behulp van de Welle bond hij hem de handen op den rug.
-
-"Ziezoo, pater!" zei hij grijnzend. "Nu kunt ge ons de misse lezen! Het
-belleken klinkt reeds."
-
-De kar was nu nabijgekomen. Neergehurkt achter het hakhout bij hun
-gevangene, zagen de drie Geuzen haar voorbijgaan. Een paar boeren
-liepen er naast, pratend en lachend, weinig vermoedend, wat daar
-achter den houtwal voorviel.
-
---"Wij kunnen hier niet blijven," zei de Welle, toen het gerinkel der
-bellen in de verte was weggestorven. "Wij moeten dien pater eerst in
-veiligheid brengen."
-
---"Hij zou het veiligst zijn op den bodem van een veenplas," gromde
-Daniël, terwijl hij met een schuinschen blik naar Jacob zag.
-
---"Laat hem!" gebood de Welle. "De jonker heeft gelijk. 't Is een
-bloedhond, maar een moord in koelen bloede wil ik niet. We kunnen
-hem meenemen naar dien schuilhoek, waarvan je hebt gesproken."
-
-Nu kwam Jacob met een plan voor den dag. Hij zou de pij van den
-Dominicaner monnik aandoen, en in die vermomming naar Poperingen gaan,
-om het bevelschrift aan den baljuw te overhandigen, en, zoo mogelijk,
-de inlichtingen in te winnen, die zij noodig hadden voor het slagen
-van hun plan. Zijn langdurig verblijf in het Dominicaner klooster
-maakte, dat hij zonder moeite zijn rol zou kunnen spelen.
-
-Daniël nam gretig den voorslag aan en maakte zich gereed, den Witheer
-van zijn scapulier en opperkleed te ontdoen. De Welle bleef met
-gefronst voorhoofd naar den grond staren.
-
---"'t Is een gewaagd stuk, jonker!" zei hij eindelijk met gesmoorde
-stem. "Als 't niet om Mieke was, dan zou ik... Maar er is toch één
-bezwaar."
-
-Hij wenkte de beide anderen ter zijde en ging fluisterend voort.
-
---"Hoe weet ge, of die broeder Clemens niet bij den schout bekend
-is? In dat geval zou de jonker terstond gevangen genomen worden en
-de schout zou dadelijk begrijpen, dat er onraad was."
-
---"We zullen het hem seffens vragen!" zei Daniël. "Hé, paap, zeg op:
-hoe ziet de schout van Poperingen er uit?"
-
-Hij knielde bij den monnik neder en nam de prop uit zijn mond. De
-Witheer haalde diep adem, maar gaf geen antwoord. Hij sloot de lippen
-vast op elkander en zag den strooper aan met een blik, waaruit haat
-en verachting sprak.
-
---"Je zult spreken, vermaledijde paap!" siste Daniël woedend. "Jonker,
-ga op den weg en houd er de wacht, dat wij niet overvallen worden."
-
-Jacob bleef een oogenblik weifelend staan. Hij begreep, dat de beide
-mannen den monnik tot spreken wilden dwingen. Het stuitte hem tegen
-de borst een weerlooze te martelen,--maar Mieke, het onschuldige kind
-dan? En hij zag aan de woeste blikken van Daniël, aan de vastberaden
-houding van de Welle, dat de beide mannen zich door zijn tegenwerpingen
-niet zouden laten weerhouden.
-
---"Spreek dan toch, man!" zei hij, dreigend, bijna smeekend.
-
-De monnik vestigde zijn gloeiende blikken op den jongen man, maar
-hij bleef zwijgen.
-
---"Ga nu toch, jonker!" riep Daniël Tistz ongeduldig.
-
-Jacob brak door den houtwal heen en ging een eind den weg op,
-tot hij een punt had bereikt, waar hij dien in beide richtingen kon
-overzien. Het was een mooie, stille lentemorgen, zacht, met een beloken
-lucht. Vredig en kalm strekte zich het landschap rondom hem uit; ook
-de landweg was weder eenzaam en verlaten. Slechts een paar kieviten,
-wier nest vermoedelijk in de nabijheid was, vlogen, luid krijschend,
-in breede kringen rondom den indringer. De bremstruiken aan de zijden
-van den weg maakten frissche groene scheuten, en over de heide brak
-door het bruine winterkleed de zachtgroene tint van de duizenden
-uitbottende heideplantjes.
-
-Jacob liet zijne oogen over het vreedzame landschap dwalen. Wat
-was Gods schepping schoon, en ach, hoe bedierven de menschen al het
-schoone en goede, hun door Gods liefde geschonken, door hunne zonden
-en hartstochten! Wie, die het vredige landschap, ontluikend in de
-jonge lente, aanschouwde, zou hebben vermoed, dat thans in dat schoone
-Vlaanderen duizenden harten klopten van bange vreeze of gloeiden van
-woeste wraakzucht!
-
-Onwillekeurig herdacht Jacob de gebeurtenissen der laatste weken. Wat
-al blijde hope was daar in weinige dagen vernietigd--voorgoed naar
-het scheen. Wat waren zij moedig uitgetrokken, de jonge Geuzenedelen,
-om hun land te ontrukken aan het geweld van een Regeering, die een
-vrij volk in boeien wilde slaan, het wilde dwingen naar den wil van
-een Spaanschen koning, die niet over dat vrije volk wilde regeeren,
-maar slechts wilde heerschen over een troep slaven, die nederig voor
-hem kropen, die zelfs hun God slechts zóó wilden dienen en belijden,
-als hij, de vorst, het hun voorschreef.
-
-Helaas, wat was er geworden van al die schoone verwachtingen? Thoulouse
-was dood! Het Geuzenleger was vernietigd! De edelen waren in
-ballingschap, de strijders voor de vrijheid, die niet waren gevallen,
-hielden zich schuil in bosschen en moerassen, uit vrees voor de
-galg. De Inquisitie loerde overal naar haar prooi. En uit de verte,
-uit Spanje, dreigde het onweer: de Koning zou komen, hij zou komen
-met een groot leger, om de oproerigen te straffen en de vrijheden
-des lands voorgoed te vernietigen.
-
-Een schorre schreeuw, die van achter het hakhout kwam,
-deed hem opschrikken uit zijn gepeins. Dat was blijkbaar de
-monnik! Onwillekeurig deed Jacob een paar stappen in de richting
-van het geluid. Weder klonk de schreeuw, feller en pijnlijker
-dan zooeven. Toen volgde er een dof gemompel van stemmen. Jacob
-huiverde. Men martelde den man, dat was duidelijk, en het stuitte
-hem tegen de borst, daarvan getuige te moeten zijn. Een oogenblik
-stond hij besluiteloos: zou hij tusschenbeide komen? En zou zijn
-tusschenkomst iets baten?
-
-Daar dook de lange gestalte van de Welle uit het hakhout op. De kleine,
-helblauwe oogen van den koddebeier fonkelden.
-
---"Kom, jonker!" riep hij, "'t is er uit! De paap heeft gebiecht! Wij
-weten, wat we noodig hebben!"
-
-Jacob volgde hem naar de plaats, waar de monnik lag. Daniël Tistz
-lag bij den gevangene geknield. Een dun koord met knoopen was om de
-slapen en het voorhoofd van den Dominicaan gebonden en daartusschen
-had hij het heft van zijn kruismes gewrongen, zóó, dat hij het touw kon
-toesnoeren, dat bij elken slag dichter om het hoofd van den gepijnigde
-knelde, terwijl de harde knoopen door de huid drongen. Daniël maakte nu
-het foltertuig los; een roode striem liep over het bleeke, bebloede
-gelaat van den monnik en zijn donkere oogen puilden uit van pijn
-en doodsangst.
-
---"Ik heb den paap eens laten proeven, hoe de stroppelkoord smaakt,
-waar zijn patroon Titelman zoo gul mee is!" zei de strooper woest. "Hij
-heeft alles bekend, jonker. Men kent hem niet te Poperingen. Hij is
-hier pas aangekomen uit het Maastrichtsche, om den deken te helpen. Nu
-de Geuzen verslagen zijn, kreeg de Inquisitie dubbel werk, zoo zei hij,
-de bloedhond."
-
-Hij gaf den monnik een verachtelijken schop. Jacob zag de donkere
-oogen in het bebloede gezicht zich op hem vestigen met een blik van
-angst en haat. Huiverend wendde hij zich af.
-
---"Kom, jonker," zei de Welle, "'t is nu geen tijd om weekhartig te
-zijn. Denk aan Mieke en wat er met haar gebeuren zal, als zij eens
-te Rousselaere, in de klauwen van Titelman is. Blijft ge bij uw plan,
-om naar Poperingen te gaan?"
-
-Jacob knikte toestemmend. De beide mannen maakten de touwen los,
-waarmede de Dominicaan gebonden was en ontdeden hem van zijn pij,
-zijn gordel en zijn tasch. Jacob verwisselde zijne boerenkleeren met
-het kloostergewaad. Hij droeg in den laatsten tijd het haar kort,
-als een krijgsman paste en Daniël, die in de tasch van den monnik
-een schaar had gevonden, maakte hem met groote handigheid een tonsuur.
-
---"Ziezoo, jonker," zei hij, "nu zie je er uit als een echte paap. Je
-bent in 't klooster geweest, zegt de Welle. Dat treft goed. Breng
-dien brief aan den schout en zie te weten te komen, hoeveel knechten
-hij zal meegeven, en laat dan de rest maar aan ons over."
-
---"Ge waagt uw hals, om ons te helpen, jonker," zei de Welle, "en nog
-eens, als 't niet om Mieke was... Dien monnik nemen we als gijzelaar
-mede, en mocht u iets overkomen, wat God verhoede, zeg dan aan zijne
-gezellen, dat wij met hem zullen doen, zooals zij met u doen."
-
-Nadat men nog had afgesproken, dat de Welle en Daniël Tistz in den
-laten namiddag Jacob wachten zouden bij een gebroken steenen kruis,
-dat aan den weg stond en gedurende den beeldenstorm was vernield,
-namen de beide mannen afscheid van hun bode. Zij zouden met hun
-gevangene dwars over de broekheide naar de bosschen trekken, waar
-zich de schuilhoek der gevluchte Geuzen bevond, waarvan de strooper
-had gesproken. Eerst als zij uit het gezicht waren, zou hij zijn
-tocht aanvaarden. Daniël maakte het touw los, waarmede de enkels
-van den monnik waren gebonden en hielp hem overeind. Eerst wilde de
-Dominicaan niet loopen, maar toen de strooper hem de punt van zijn
-kruismes liet voelen, schikte hij zich in zijn lot en volgde gedwee
-zijne beide bewakers, die dwars door de drassige heide aanhielden op
-den donkeren boschrand aan den horizon.
-
-Toen zij ver genoeg verwijderd waren, en er geen gevaar meer was,
-dat een onverwachte voorbijganger of een dwalend eierenzoeker zou
-bemerken, dat zij in elkanders gezelschap waren geweest, sloeg Jacob
-den weg in naar Poperingen. Hij was in een alles behalve aangename
-stemming. Het tooneel, dat hij zooeven had bijgewoond, had hem pijnlijk
-aangedaan. Hij was een kind van zijn tijd en die tijd was ruw en
-wreed. Dat men een misdadiger door pijn tot bekentenis dwong, scheen
-Jacob Martens volkomen geoorloofd. En in zijn oogen en in die van
-zijne medestanders was deze monnik, het werktuig van den inquisiteur,
-niets anders dan een boosdoener. Toch scheen het martelen van een
-weerlooze hem een laagheid. Ook de taak, die hij op zich had genomen,
-was hem weinig naar den zin. Dat 't een gewaagde onderneming was, dat
-een enkele onhandigheid of onvoorzichtigheid hem in den kerker en op
-'t schavot zou brengen, was nog zoo erg niet. Maar in een vermomming
-spionnenwerk te moeten verrichten, te moeten veinzen en bedriegen,
-het strookte weinig met zijn aard. Maar hij dacht aan de arme Mieke
-en aan het lot, dat haar te wachten stond, hij dacht aan de Welle,
-die hem het leven had gered, en hij nam zich voor, de zaak, die hij
-op zich genomen had, ten einde toe te volbrengen.
-
-Het stuk broekland hield weldra op, om plaats te maken voor weiden,
-toen voor bouwlanden, braakliggend of met winterkoren bezaaid,
-en eindelijk begonnen de hoptuinen, waarom Poperingen zoo beroemd
-was. Reeds lang had Jacob de torens der drie kerken, de Sint Bertinus,
-de Mariakerk, en die van den Heiligen Johannes den Dooper, over het
-lage land in het oog gekregen. Thans kon hij ook de trotsche gebouwen
-van de beroemde abdij van Sint Bertinus in de verte zien oprijzen,
-waaraan Poperingen zijn ontstaan te danken had. Want de stad was
-een leen der abdij, en nog altijd werd het stadsbestuur, bestaande
-uit den schout, den "amman", twee burgemeesters en twaalf schepenen,
-door den abt van St. Bertinus gekozen en aangesteld.
-
-Hij bereikte de poort, waar hij door den portier eerbiedig werd
-gegroet. Het geestelijk gewaad was in eere te Poperingen. Op zijne
-vragen wees men hem het huis van den schout, Mr. Willem van Bodeghem.
-
-Deze, een stoere Vlaming, met een steenrood, breed en goedmoedig
-gezicht, ontving den gewaanden bode van den deken van Rousselaere
-met een zekere stugge beleefdheid. Het hinderde den eerzamen schout,
-dat hij van een andere geestelijke overheid, dan van zijn Heer, den
-abt van St. Bertinus, bevelen moest afwachten, en daarbij, ook de
-Roomsche magistraatspersonen waren over het algemeen--tot hun eere
-zij het gezegd--afkeerig van de bloedige kettervervolging en vijanden
-der Inquisitie en Philips II klaagde bitter over hunne lauwheid in
-een zaak, die hem zoo zeer ter harte ging.
-
-Zoo had Mr. Willem van Bodeghem niet kunnen nalaten, om op aanwijzing
-van den inquisiteur de ketters in hechtenis te nemen, die deze hem
-aanwees. De plakkaten verplichtten hem er toe. Maar hij had het
-ongaarne gedaan en met kwalijk verholen tegenzin ontving hij den
-gewaanden monnik.
-
---"Veel te jong voor een speurhond van de Inquisitie!" bromde de
-eerlijke Vlaming in zijn baard.
-
-Inderdaad was Jacobs leeftijd bij deze onderneming een gevaar op
-zichzelf; de gebeurtenissen der laatste maanden echter en de gevolgen
-van zijn wonde deden hem ouder schijnen dan hij was.
-
---"Gij zijt dus broeder Clemens, van wien hier gesproken wordt," zeide
-de schout, die, als leerling der kloosterschool van Sint Bertinus,
-genoeg Latijn verstond, om het geschrift te lezen. "En gij zult zelf
-het antwoord aan den Eerwaarden Deken overbrengen. Als ge te avond
-mijn gast wilt zijn, zal mijn schrijver morgen het antwoord voor u
-gereed hebben. Of misschien vernacht gij liever in de abdij?"
-
---"Ik zou gaarne vandaag nog terugkeeren," zeide Jacob. "Mijn boodschap
-heeft haast!"
-
---"Ja, maar mijn schrijver is er nu niet!" zei de schout verdrietig,
-terwijl hij zijn korte, stompe vingers bekeek, die er niet uitzagen,
-of zij gewoon waren, de pen te voeren.
-
---"Het bevelschrift was niet verzegeld en de inhoud is mij bekend,"
-zeide Jacob, blij, dat tot nog toe alles zoo voorspoedig ging. "Ik
-kan ook een mondeling antwoord medebrengen."
-
---"'t Is waar," zei Mr. Willem van Bodeghem, zichtbaar verlicht,
-"welnu, broeder, zeg den Eerwaarden deken, dat men er scherp op zal
-letten. De gevangen ketters zullen ter bestemder tijd naar Rousselaere
-worden gezonden en voor zoover het burgers van onze stad zijn, verzoek
-ik den deken, hen met zachtmoedigheid te behandelen. Ik zal mijn
-substituut, die hen begeleiden zal, een geschrift over hen medegeven."
-
---"Het gerucht wil, dat er kwaad volk in de bosschen omtrent Poperingen
-huist," zeide Jacob, terwijl hij zijn best deed, een onverschillig
-gezicht te zetten, "de deken wist niet, of de bedekking van uw dienaars
-voldoende zou zijn, om..."
-
-Het gezicht van den Schout werd nog rooder; de blauwe toornaderen
-zwollen op zijn voorhoofd en dreunend kwam zijn vuist neer op de
-massieve eikenhouten tafel.
-
---"Ik ken mijn plicht!" bulderde hij, "en ik behoef dien van geen
-inquisiteur ter wereld te leeren! Laat de deken zich met zijn
-eigen zaken bemoeien! Ik zal doen, wat 's konings plakkaten mij
-voorschrijven, maar verder ben ik niemand rekenschap verschuldigd
-dan mijnen heere den Eerwaarden abt van St. Bertinus!"
-
-Jacob nam haastig afscheid. Eigenlijk had hij den wakkeren schout het
-liefst de hand willen drukken. Hij had zijn rol tamelijk onhandig
-gespeeld en een magistraat met scherper blik dan de eerzame Willem
-van Bodeghem had al licht argwaan kunnen opvatten. Toch was zijn doel
-aanvankelijk bereikt. Het bevelschrift van Titelman was in handen van
-den schout en hij was er zeker van, dat het ten uitvoer zou worden
-gelegd. Ook verder zou het geluk hem dienen.
-
-Hij was moe van zijn langen tocht en hongerig en dorstig daarbij. Hij
-had het gebroken kruis aan den weg gezien, waar de Welle en Daniël
-Tistz hem zouden wachten, en hij berekende, dat hij nog tijd genoeg
-had, om uit te rusten en wat te eten en te drinken. Het gevaar voor
-ontdekking was nu zeer gering; ja, het zou zelfs argwaan kunnen wekken,
-wanneer hij het stadje te haastig verliet. Hij trad dus de stadsherberg
-binnen en eischte brood en bier.
-
-Terwijl hij in een hoek van de lage, donkere gelagkamer zijn eenvoudig
-maal gebruikte, trad er een man de taveerne binnen, die naar zijn
-kleeding te oordeelen tot de beambten der stad moest behooren. Hij
-droeg een wambuis, half geel, half blauw, op de borst waarvan het
-stadswapen was gewerkt en een kaproen van dezelfde kleuren. Aan zijn
-breeden riem hing een kort rapier.
-
-De schoutendienaar--want het was inderdaad een van de dienaars der
-Poperingsche justitie--verlangde van den waard een potteke biers en
-begaf zich met hem in ijverig gesprek. Weldra begonnen de beide mannen
-veelbeteekenende blikken te werpen op den gewaanden Dominicaner. Jacob
-Martens voelde, dat hij bleek werd. Zou de schout toch verdenking
-tegen hem hebben opgevat? Als men hem herkende, als het bleek dat hij
-een van de vluchtelingen van Austruweel was, dan wachtte hem de galg!
-
-Het baatte hem echter niet, of hij zich thans verwijderde. Het beste
-was, rustig te blijven zitten en schijnbaar geen notitie van de beide
-mannen te nemen.
-
-Nadat het fluisterend gesprek der beide mannen eenige oogenblikken
-had geduurd, trad de schoutendienaar op Jacob Martens toe. Deze voelde
-een oogenblik zijn hart stilstaan: hij meende, dat hij verloren was.
-
-De man nam echter beleefd zijn kaproen af, en verzocht verlof zich
-bij den eerwaarden broeder neder te zetten en aan zijn tafel zijn
-potteke te drinken en weldra bleek het Jacob, dat de eerzame dienaar
-allerminst argwaan tegen hem koesterde, maar een gezellige praatvaer
-was, die alleen door nieuwsgierigheid gedrongen zich bij hem had
-gevoegd. De komst van den "inquisiteur" had opschudding verwekt in
-het stille stadje. Ieder wist natuurlijk van de gevangenneming der
-ketters en men sprak over hun lot met medelijden, met leedvermaak of
-met een stille verwensching, al naar de partij, waartoe men behoorde.
-
---"De Schout ziet niet gaarne, dat de ketters worden vervolgd of aan
-den lijve gestraft," zeide de schoutendienaar fluisterend en met
-een gewichtig gezicht; "maar ik zeg: de plakkaten van den Koning
-moeten worden gehandhaafd, anders is er geen denken aan een goede
-justitie. Waarom onderwerpen de Sacramentarissen zich niet en gaan
-als goede christenen naar de Mis? Dan zou niemand hen deren."
-
---"Ge zijt een trouw zoon der Kerk!" zeide Jacob, terwijl hij den
-ander niet zonder minachting in het dikke, onbeduidende gezicht keek.
-
---"Dat ben ik! Zeg dat aan den deken, eerwaarde broeder. Jurriaan
-Jaspersz, de eerste schoutendienaar van Poperingen, heeft een afkeer
-van alle kettersche dolingen en hij haat alle ketters, beeldbrekers
-en Geuzen. En wanneer, zooals de luiden kallen, de Koning komt met
-een leger, om aan alle oproer en de vileynige boosheid der Geuzen een
-einde te maken, dan zal de heilige Inquisitie eerst recht de handen vol
-krijgen. Zeg aan den vromen pastoor Titelman, eerwaarde broeder, als
-hij als hoofd van zijn dienaars een kloeken, frisschen kerel verlangt,
-die niet weekhartig en laf is, dan is Jurriaan Jaspersz zijn man."
-
---"Ik zal u niet vergeten, Jurriaan Jaspersz," zeide Jacob, die
-hartelijk meende wat hij zeide. Toch wilde hij het gesprek niet
-afbreken. Hij begreep, dat hij van den praatzieken dienaar wel zou
-kunnen vernemen, wat hij verlangde te weten.
-
---"Er zijn zes gevangenen, nietwaar?" zeide hij.
-
---"Ja, zes, vier mannen en twee vrouwen," zeide Jurriaan Jaspersz. "De
-een is een oude klappei, maar de andere... een malsch boutje! Een
-paterstuk voor den deken!"
-
-Jurriaan Jaspersz had de laatste woorden gezegd met een
-veelbeteekenenden blik en een grijnslach om den breeden mond, maar hij
-schrikte terug bij den vlammenden blik, vol toorn en verontwaardiging,
-waarmee de gewaande monnik hem aankeek.
-
---"Zeker een jonge heilige kluizenaar, pas uit het klooster," dacht
-de man. "De paters zullen hem wel gauw anders leeren. Maar ik heb
-mij daar leelijk versproken."
-
-Jacob bedwong den weerzin, dien hij voor den ruwen kerel gevoelde.
-
---"Gij zult zeker de gevangenen begeleiden?" zeide hij. "Is er wel
-voldoende bewaking? Men zegt, dat er kwaad volk in de nabijheid is."
-
---"O, dat heeft geen nood," zei de praatgrage schoutendienaar. "Wij
-gaan met zes dienaars mede, en dan heeft de schout nog om de
-zes hellebaardiers van den abt van Sint Bertinus verzocht. Dat is
-bedekking genoeg! En daarbij, niemand dan wij en die van het heilig
-Officie weten, dat de ketters zullen worden overgebracht."
-
---"En gij zult het zeker niet verklappen, nietwaar?" zeide Jacob,
-die nu wist, wat hij weten wilde en opstond. Hij betaalde zijn bier
-en zijn brood en maakte zich gereed te vertrekken.
-
---"Pas goed op uwe gevangenen, Jurriaan Jaspersz," zeide hij, met
-lichte spotternij den schoutendienaar groetend.
-
---"Uw zegen, eerwaarde pater!" vroeg de man.
-
---"Als gij mededoogen hebt met ongelukkigen en uw ziel rein houdt
-van onreine gedachten, zal Gods zegen op u rusten,--eer niet!" was
-het koele antwoord.
-
-De schoutendienaar staarde den vermeenden Dominicaan verbluft na.
-
---"Dat is een strenge pater, die Witheer," mompelde hij. "Dien zou
-ik niet graag voor biechtvader hebben. Dan is onze pastoor een heel
-ander man."
-
-Intusschen haastte Jacob zich, om Poperingen te verlaten. Hij had
-er nog een oogenblik aan gedacht, om te trachten, toegang tot de
-gevangenen te verkrijgen, en dit zou hem waarschijnlijk zonder moeite
-zijn gelukt. Hij vreesde echter, dat de arme Mieke hem zou herkennen,
-en, eer hij haar kon waarschuwen, door een onvoorzichtigen uitroep
-alles zou verraden. Hij zag dus liever van zijn voornemen af en haastte
-zich, de afgesproken plaats te bereiken, waar de Welle en Daniël hem
-zouden wachten.
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-
-Toen Jacob het gebroken steenen kruis bereikte, was het reeds laat in
-den middag. Het was den geheelen dag een egaal beloken lucht geweest,
-een zacht grijze lentedag, en de schemering viel spoedig in. Jacob
-had zich gehaast en hij maakte zich reeds ongerust, toen hij niemand
-zag. Plotseling echter rezen uit een droge sloot twee donkere gedaanten
-op, in wie hij de Welle en Daniël Tistz herkende.
-
---"Goed, dat ge er zijt, jonker," zei de laatste, terwijl hij hem
-met ruwe hartelijkheid op den schouder klopte. "De Welle begon reeds
-ongerust te worden en wilde u met alle geweld gaan zoeken. Ik zei
-hem, dat hij zijn hoofd in den strop stak, want hij is te Poperingen
-bekend als de bonte hond, maar als het lang had geduurd, was hij niet
-te houden geweest."
-
---"Zijt ge geslaagd, jonker? Vertel op!" zei de Welle, wiens gezicht
-bleek en vertrokken was van angst.
-
-Jacob gaf haastig maar nauwkeurig verslag van zijn ervaringen.
-
---"Dus de schout heeft den brief van Titelman," zei de strooper
-zegevierend, "en niemand weet, dat wij zijn bode hebben geknipt! En
-er gaan maar twaalf dienaars mede! Dat is kinderspel! Moed, de Welle,
-wij zullen Mieke verlossen!"
-
---"Maar die mannen zijn welgewapend!" meende Jacob.
-
---"Ik geef niet om hun hellebaarden en houwers," spotte Daniël. "Die
-Jurriaan Jaspersz! Ik zie zijn domme tronie al voor mij, als wij
-den wagen aanhouden. Met hem heb ik ook nog een oude rekening te
-vereffenen. Wacht maar!"
-
-En Daniël liet zijn zwaren eiken stok door de lucht suizen en neerkomen
-op een denkbeeldigen rug en dat was de rug van Jurriaan Jaspersz,
-den eersten schoutendienaar van Poperingen.
-
---"Daar in dien greppel hebben wij uw kleederen, jonker," zeide de
-Welle; "trek nu spoedig die verwenschte pij uit. Wij houden de wacht."
-
-Jacob verwisselde van kleederen en Daniël nam de pij en den gordel
-van den monnik over den arm. Bij een diepe kolk gekomen, een weinig
-ter zijde van den weg, nam de strooper een paar zware keien op, die
-hij blijkbaar met opzet klaar had gelegd, wikkelde die in de pij met
-het brevier en den rozenkrans van den Dominicaan, maakte alles stevig
-met den gordel vast, en liet toen, na zorgvuldig naar alle kanten om
-zich heen te hebben gezien, het pak in het donkere water zinken.
-
---"Wat doet ge?" vraagde Jacob verwonderd. "De kleederen zijn immers
-het eigendom van den monnik?"
-
---"Hij zal ze wel niet meer van noode hebben," zeide de strooper met
-een woesten lach, terwijl hij naar de grooter wordende waterkringen
-keek.
-
-Jacob hoorde het, maar hij durfde thans niet vragen naar het lot van
-den Dominicaan.
-
-Zij verlieten nu den weg en liepen langs smalle landwegen, eerst
-door de hoptuinen, toen door de bouwlanden, en bereikten eindelijk de
-strook broekheide, die zich langs den boschrand uitstrekte. De Welle
-en Daniël, die beiden het landschap kenden, aarzelden geen oogenblik,
-welk pad zij hadden te kiezen.
-
-Bij het drassige broekveld gekomen, dat hier en daar door breede
-slooten en geulen werd doorsneden, haalde Daniël uit het hooge
-heidekruid drie lange polsstokken te voorschijn, die daar zorgvuldig
-waren verborgen. De stokken waren aan het boveneind van een stalen
-punt voorzien, en vormden zoo een halve piek, een geducht wapen,
-dat later in den vrijheidsoorlog beroemd zou worden.
-
---"Vooruit nu!" gebood de Welle. "Jonker, loop achter mij en pas
-op! 't Is hier gevaarlijke grond. Daniël, gij sluit de rij en kijk
-goed uit uw oogen."
-
-Snel ging het over den drassigen grond voorwaarts. Het water borrelde
-soms op uit den veenachtigen bodem, en er waren plekken, waar men,
-blijkbaar met opzet, van graszoden en takkenbossen "stappen" had
-gemaakt, die een rustpunt boden aan den voet. Een vreemdeling, die
-het oord niet kende, zou nimmer door het verraderlijke moeras den weg
-hebben gevonden. Breede en diepe slooten moesten worden overgesprongen,
-maar de donkere boschrand kwam al nader.
-
-Eindelijk was het bosch bereikt. Langs slingerpaden en door
-kreupelhout leidde Daniël Tistz, die hier in zijn element was,
-zijn beide metgezellen tot diep in het hout. Eensklaps hoorde Jacob
-verwonderd op. Een gedempt gezang trof zijn oor, psalmgezang.
-
---"Ja, jonker," zeide Daniël, die zijne verwondering bemerkte. "We
-zijn hier bij een van onze schuilhoeken, waar ik een troepje Geuskens
-verborgen houd, die 't te Waterloo en te Oosterweel zijn ontkomen. 't
-Is een veilig plekje, en als de Welle nog boschwachter was, zou ik
-'t hem nooit hebben verklapt."
-
-Nog een wending van het pad en men stond voor een breed water. Slechts
-een geoefend springer kon er met een pols over komen. Het psalmgezang
-klonk duidelijker en ros licht schemerde hier en daar tusschen het
-jonge lentegroen door.
-
-Daniël liet een zacht en eigenaardig gefluit hooren.
-
---"Zijt gij daar, Daniël?" vroeg een schorre stem.
-
---"Ja," zei de strooper. "Ik breng goed volk! Laat den boom zakken."
-
-Het ritselde in de blaren en een lange boomstam, die aan een touw
-kon worden op en neer gehaald, viel over de sloot heen. Daniël liep
-behendig en snel over de smalle brug, die van boven slechts een weinig
-was afgeplat. Jacob volgde hem en hoewel de boom zwiepte onder zijn
-voet, bereikte hij toch veilig den overkant, waar ook de Welle zich
-weldra bij hem voegde.
-
---"Zijt gij dat, Peerke?" zei Daniël.
-
---"Ja," klonk de schorre stem uit het duister. "Maar wie is de
-derde man?"
-
---"Goed volk, als ik u zei, een officier uit het leger van Oosterweel,"
-antwoordde de strooper ongeduldig. "Kom voor den dag en licht ons bij,
-want 't is hier zoo donker als de hel."
-
-Een rosse lichtgloed viel op het pad en een donkere gedaante, die
-een stallantaarn met een smeerkaars droeg, kwam nader.
-
---"Hier is de ingang van het pad," zei de schorre stem. "Ik zal
-jelui voorgaan."
-
-Ze gingen een smal pad in, dat als een tunnel in het hooge struikgewas
-scheen uitgehouwen. Spookachtig viel het roode licht van de lantaarn
-op het jonge lentegroen, dat hen aan alle kanten omringde. Het gedempte
-psalmgezang klonk duidelijker.
-
---"Is er van avond preeke?" vraagde Daniël.
-
---"Ja, Jan Machielsz, de manke predikant, heeft de broeders en zusters
-voor van avond samengeroepen. Wat je hoort, is het voorgezang. De
-preeke zal wel zoo aanstonds beginnen."
-
-Een donker gevaarte doemde voor hen op uit de duisternis. Een schuur,
-naar het scheen. Een mat licht drong door een paar kleine ramen,
-met verweerde ruitjes.
-
-Ze traden zachtjes de schuur binnen.
-
-'t Was een eigenaardig tafereel, dat ze daar aanschouwden, bij het
-licht van een paar lantaarns en baklampen, die hier en daar waren
-opgehangen.
-
-Een dertigtal mannen en vrouwen zaten of stonden in dat gedeelte van
-de wijde ruimte, dat het best was verlicht. Voor hen, in een soort
-spreekgestoelte, niet zonder vernuft getimmerd van een groote ton,
-stond een kleine, in het zwart gekleede man. Hij hield een opgeslagen
-bijbel in de hand, en las den tekst voor, op het oogenblik, dat de
-drie mannen binnentraden. Het was Deuteronomium 7 : 5.
-
---"Maar also sult ghi hun doen:"--zoo klonk het somber door de half
-verlichte ruimte--"hare altaers sult ghi afwerpen ende hare opgerichte
-beelden verbreecken ende hare bosschen sult ghi afhouwen ende hare
-gesnedene beelden met vyer verbranden."
-
-Toen volde de preek: een wilde, hartstochtelijke toespraak. 't Was
-geen verkondiging van het Evangelie, ook geen woord van vertroosting
-tot deze ballingen, vermoeiden en bitter bedroefden van ziele. 't
-Was een woord van toorn en van wrake. De verstrooide Geuzen werden
-vergeleken bij Israël, het volk Gods, dolende in de woestijn, de
-Roomschen bij de Kanaänieten, vijanden van God en zijn volk, die het
-plicht was te bestrijden, te verdelgen als het kon.
-
-En Jacob zag, hoe de forsche gezichten van de ademloos luisterende
-mannen zich vertrokken tot een wreeden grijns, hoe zij de vuisten
-balden of krampachtig den greep van hun lang kruismes omklemden,
-als zij den spreker in zijn schilderingen van hun nood en hun lijden
-volgden of luisterden naar zijn aanhitsend, wraakademend woord.
-
-'t Was een vreemde, wilde groep, die daar stond geschaard om den ruwen
-kansel, in het spookachtige, rosse licht der walmende olielampen. Zoo
-moest eens, in den tijd der Richteren, het volk van Israël zich bij
-het roode licht der toortsen hebben verdrongen om een of anderen wilden
-woestijnprofeet, die hen aanporde tot opstand tegen hunne verdrukkers.
-
-De stem van den prediker zweeg. Hij had een psalm opgegeven, den
-79sten psalm, het 2de vers. Sommige der aanwezigen drongen naar de
-lampen met hunne boeken, maar de meesten kenden het lied van buiten:
-een der klaagliederen der verstrooide Gereformeerden dier dagen:
-
-
- Ach, hoe lang sult Gij noch, o Heer geprezen,
- Op ons also vergramt en verstoort wezen?
- Hoe lang zal noch Uwen toorn sijn ontsteecken
- Als een vyer, 't welck men met kracht siet uitbreecken?
- Stort Uwen toorne swaer
- Over 't volck, dat voorwaer
- U niet wil kennen, Heere!
- De koninckrijcken 't saem,
- Sla Heer, die uwen Naem
- Niet aenroepen met eere.
-
-
-Onder het psalmgezang bemerkte Jacob, dat, niet ver van den prediker,
-aan een van de ruw behouwen stijlen, die het dak schraagden, een
-menschelijke gestalte was vastgebonden. Naderbij gekomen, zag hij, dat
-het de monnik was, dien de Welle en Daniël dien morgen hadden gevangen
-genomen. Hij stond daar, met gesloten oogen, het hoofd leunend tegen
-den paal. Blijkbaar was hij daar vastgebonden, om hem te dwingen,
-in dien toestand de godsdienstoefening bij te wonen.
-
-Het psalmgezang hield op en de prediker nam weer het woord. Thans
-was het een bittere aanklacht van de Inquisitie en haar aanhangers,
-wien hij een bloedig einde en een vreeselijk oordeel voorspelde. Soms
-scheen het, of hij zich opzettelijk tot de gebonden gestalte van den
-monnik richtte, en dan volgden aller oogen zijn blik en richtten zich
-vol haat en bloeddorst op het bleeke gezicht van den gevangene. Het
-was Jacob, of er een spottende glimlach zweefde op de dunne lippen
-van den Dominicaan, maar bij het onzekere, flikkerende licht kon hij
-zich gemakkelijk vergissen.
-
-De godsdienstoefening was eindelijk afgeloopen. Zoo hunne binnenkomst
-die niet had doen staken, zij waren toch niet onopgemerkt gebleven. De
-oudsten der aanwezigen traden met den predikant op hen toe, en
-vraagden naar hun wedervaren. Weldra was het gesprek levendig en
-algemeen. Dat men zou trachten de gevangenen te bevrijden stond vast;
-'t was maar de vraag, hoe dit zou geschieden. Er waren er, die aan
-Jacob het bevel over de onderneming wilden opdragen, omdat hij een
-officiersrang had bekleed in het leger van Thoulouse, maar deze was
-zoo wijs, voor de eer te bedanken. Een onderneming als deze moest aan
-een man van meer ervaring worden opgedragen. Eindelijk werd besloten,
-dat Pieter de Welle de aanvoerder zou zijn.
-
-Terwijl eenige vrouwen werden uitgezonden om voor de nieuwaangekomenen
-brood, spek en bier te halen, trad de predikant op Jacob Martens toe.
-
---"Ik geloof, dat ik u nog eenmaal heb ontmoet, jonker," zeide hij,
-Jacob scherp aanziende.
-
-Inderdaad had Jacob reeds geruimen tijd den indruk, dat hij het bleeke
-gelaat van den kreupele en zijn donkere dweperoogen meer had gezien.
-
---"Ik weet het!" riep hij plotseling. "Gij, waart er bij, toen verleden
-jaar de Doopersche werd verdronken."
-
-Jan Machielsz knikte.
-
---"'t Is nu een jaar geleden, dat de arme Aegte Jansdochter den
-martelaarsdood stierf om hare goede belijdenis. Wèl was zij, evenals
-ik in die dagen, bevangen in Doopersche dolingen, doch ik geloove
-vastelijk, dat de Heer hare ziele in genade zal hebben aangenomen."
-
---"Ja," ging de kreupele voort op Jacobs vragenden blik, "ik was
-toen nog onkundig van de waarachtige, gezuiverde religie, van de
-zuivere leer, zooals die ons uit Genève is verkondigd door den
-godzaligen Calvinus en zijn leerling Beza. Ik was als een Apollos,
-de Schrift kennende, maar die niet verstaande, maar de Eerwaarde
-Dathenus was voor mij als Aquila en Priscilla en hij leide mij den
-weg Gods bescheidenlijker uit. Sinds werd ik door het Consistorie
-toegelaten als leeraar der Kerke in de verstrooiing en ik trek rond
-van schuilhoek tot schuilhoek, om de schaapkens Christi het Woord Gods
-te brengen en ook, als het zijn moet, met hen het zwaard te trekken
-en hen te leiden in den strijd tegen de onbesnedenen van harte,
-de Papisten en hun aanhang."
-
-Jacob keek naar het bleeke, strakke gelaat en de donkere oogen, die
-gloeiden van somber vuur, en hij begreep, hoe deze prediker in de
-woestijn, door het lijden en de vervolging verbitterd, er toe kwam om,
-liever dan de troost des Evangelies, de wrake Gods te prediken.
-
-Ondertusschen hadden de vrouwen op een paar op vaatjes gelegde planken
-een eenvoudig avondmaal gereed gezet. Jacob maakte zich gereed om
-met den predikant, de Welle en de oudsten der kleine kolonie aan te
-zitten, toen zijn oog op den monnik viel, die met zijn blikken de
-spijzen verslond.
-
---"De man heeft honger! Heeft hij niets te eten gehad sinds van
-morgen?" vraagde hij.
-
---"Wij hebben 't hier zelf niet te breed! Wij hebben geen brood en
-bier voor zulk ongedierte!" zei een der Geuzen norsch.
-
---"De Papist is het vasten gewoon!" spotte een ander.
-
---"Hij zal gauw geen honger of dorst meer hebben. Ik denk, dat Daniël
-hem heeft bewaard voor het nagerecht!" meende een ander.
-
---"Daniël zal geen weerlooze moorden!" zeide Jacob. "Geef den monnik
-te eten, mannen! Uit barmhartigheid!"
-
---"Een weerlooze moorden? Barmhartigheid met dien Philistijn?"
-
-Het was de kreupele predikant, die gesproken had. Zijn kleine, tengere
-gestalte scheen te groeien, nu hij opstond en met fonkelende oogen
-de hand uitstrekte naar den Dominicaan.
-
---"Barmhartigheid met een bloedhond van de Inquisitie? Met een dienaar
-van Titelman?" ging hij voort met snijdende stem. "Weet gij, wat gij
-zegt, jonker?"
-
-"Is niet de schoolmeester Geleijn de Muler, van Oudenaarde, geworgd
-en verbrand, omdat hij den bijbel las?"
-
-"Is niet Thomas Calberg, van Doornik, levend verbrand, omdat hij uit
-een verboden boek een paar godvruchtige liedekens had overgeschreven?"
-
-"Is niet Wouter Kapel, van Dixmuyden, een godvreezend man en weldoener
-der armen, wegens ketterije verbrand?"
-
-"En is niet Robert Ogier met zijn vrouw en zijne twee zonen te Rijssel
-verbrand, omdat zij niet ter misse gingen, maar in hun huis den Heere
-God baden en zijn Woord lazen?"
-
-"Dat hebben de bloedige Titelman en de zijnen gedaan! En gij spreekt
-van mededoogen en barmhartigheid met dezen vijand van Gods volk? Zie
-toe, dat het u niet ga als Saul, den zoon van Kis, die Agag,
-den Amalekiet, spaarde, toen hij hem moest verbannen van voor het
-aangezicht des Heeren!"
-
---"Ook onze Heere Christus bad voor zijn moordenaren!" zeide Jacob
-onverschrokken.
-
-Hij begreep den haat en de verbittering dier mannen; soms voelde hij
-die zelf smeulen in zijn borst. Hij wist, dat Jan Machielsz de waarheid
-had gesproken. Maar hij wilde strijden tegen die onheilige wraakzucht
-en doen als zijn bijbel hem leerde. Zonder verlof te vragen nam hij
-een kroes bier en bracht dien aan de lippen van den monnik. De man
-dronk gretig.
-
-Er ging een gemompel van afkeuring op onder de Geuzen en men hoorde
-hier en daar de opmerking maken, "dat Daniël er nu maar een eind aan
-moest maken."
-
---"Daniël!" riep Jacob, "wat wilt gij met hem doen?"
-
---"Hem houden, jonker, tot wij weten, hoe 't met Mieke gaat. Kunnen
-wij haar verlossen, dan--zullen wij zien. Maar valt zij in Titelman's
-klauwen,--wat zij haar doen, dat zal ik met dezen paap doen, zoo
-waarachtig helpe mij God!"
-
---"En zoo doe mij God en zoo doe Hij daartoe, als wij allen u niet
-daarin bijstaan!" zei Jan Machielsz.
-
---"Goed! Het mag zijn!" zei Jacob, "maar maak den monnik nu los
-en geef hem eten en drinken. Wij behoeven van de Inquisitie geen
-wreedheid te leeren."
-
-Een oogenblik aarzelde de strooper.
-
---"Je zult je zin hebben, jonker," zei hij eindelijk. "Je hebt vandaag
-veel voor Mieke gewaagd en dat vergeet ik niet. Maar wat je om dien
-vermaledijden paap geeft, begrijp ik niet."
-
-Door Daniël geholpen, maakte Jacob thans den monnik los van den paal
-en liet hem op een der ruwe banken nederzitten. Het duurde eenigen
-tijd, voor de gevangene het gebruik van zijn armen terugkreeg. Toen
-viel hij aan op het brood en het bier, dat men hem voorzette en at en
-dronk gulzig, maar zonder een woord van dank. Zoodra hij verzadigd
-was, leunde hij het hoofd in de handen, en scheen in te slapen. Op
-de enkele vragen, die men hem deed, gaf hij geen antwoord.
-
-Daniël haalde gemelijk de schouders op. Zijne makkers hadden onder
-een afkeurend gemompel aangezien, dat de gevangene werd losgemaakt en
-klaarblijkelijk gaf hij hun in zijn hart gelijk. Om er zich althans van
-te verzekeren, dat zijn prooi hem niet zou ontsnappen, bond hij hem de
-voeten weder en bevestigde het touw aan een ijzeren ring in den wand.
-
-Toen alles voor den volgenden dag was bepaald, scheidde men. Het bleek
-Jacob, dat er, behalve de schuur, waarin zij zich bevonden, nog eenige
-hutten op het eiland waren, dat de vluchtelingen tot schuilplaats
-diende. Voor hem en zijne metgezellen werden bossen stroo gebracht,
-waarvan spoedig een goed nachtleger werd gespreid. Voor men zich
-ter ruste legde, zag Jacob hoe de Dominicaan weder stevig werd
-gebonden. Men gaf ook hem echter wat stroo, om op te slapen.
-
-Den volgenden morgen was alles in de kolonie der vluchtelingen druk
-in de weer.
-
-Na een korte morgengodsdienstoefening gingen allen aan den
-arbeid. Eenige mannen en vrouwen verlieten het eiland en gingen in
-verschillende richtingen het bosch in of langs de smalle paden, die
-door het veen liepen. Zij moesten de vluchtelingen van levensmiddelen
-voorzien. Jan Machielsz verklaarde Jacob, dat dit op verschillende
-wijzen geschiedde. Sommigen gingen wild stroopen in het bosch, anderen
-kregen bij geloofsgenooten giften van veldvruchten, eieren en vleesch,
-terwijl er ook waren, die zich niet ontzagen, de hoeven der kloosters
-te plunderen en het vee te rooven.
-
-Een ander deel der mannen hield zich bezig met het in orde brengen
-van hunne wapenen, die nog dienzelfden avond dienst zouden moeten
-doen. Sommigen, die vluchtelingen waren van Watrelos en Austruweel,
-hadden de hunne medegebracht. Men zag tenminste in het kamp
-eenige korte handbussen en een paar pieken. Er waren leden van de
-schuttersgilden, die hunne handbogen en armborsten nazagen of pijlen
-en bouten maakten. De meeste Geuzen waren echter gewapend met recht
-op den stok gesmede zeisen, een verschrikkelijk wapen in krachtige
-handen, dat zij thans ijverig slepen en wetten.
-
-Er was zelfs blijkbaar een klein arsenaal aanwezig, want men bood
-terstond aan, Jacob van wapenen te voorzien. Hij kreeg een zeer goeden
-degen en een paar pistolen: zware, lompe vuurwapenen met lontsloten,
-die, als zij eenmaal waren afgeschoten, niet zoo spoedig weer te laden
-waren, maar die toch in een gevecht van man tegen man nuttig konden
-zijn. De Welle weigerde elk ander wapen, dan een zware "gepinde kodde",
-de met stalen punten bezette knots, waaraan hij gewoon was.
-
-Tegen den middag werd er een korte krijgsraad belegd, waaraan alle
-weerbare mannen deelnamen. De holle weg in het bosch bij Langem,
-dezelfde plaats, die door Daniël was aangewezen als geschikt voor een
-hinderlaag, werd gekozen om het plan ten uitvoer te brengen. Men kon
-die plek, dwars door de bosschen heen, onopgemerkt bereiken, en als
-men de gevangenen eenmaal bevrijd had, kon men met alle pogingen tot
-vervolging spotten, want op de donkere boschpaden, die de Geuzen zoo
-uitstekend kenden, zou men hen nimmer durven volgen.
-
-Het zou donker zijn, als de huifkar op de bepaalde plaats aankwam
-en men moest zeker zijn van zijn slag. Daarom zond de Welle een paar
-jonge lieden met eenige bossen stroo vooruit. Zij moesten droge takken
-sprokkelen en daarvan, tegen het vallen van den avond aan den kant
-van den weg een mutsaard maken om en over het stroo. Zóó zou men, op
-het gewenschte oogenblik, een helder brandend vuur kunnen ontsteken,
-dat voldoende licht zou verspreiden.
-
-Te vijf uren begaf men zich op weg. Jan Machielsz had allen, die aan
-den tocht deelnamen, in de schuur, die het middelpunt was der kleine
-kolonie, verzameld en Gods zegen op de onderneming afgesmeekt. Een
-traan biggelde langs de gerimpelde wangen van Pieter de Welle, toen
-de predikant zijn Mieke aan God opdroeg, bij Wien veel verlossing
-was, en Hem smeekte, de onschuldigen te rukken uit de klauwen van
-den wreeden Titelman. Ook Daniël had ontroerd het hoofd gebogen.
-
-Niemand lette op den monnik, die nog altijd gebonden in de schuur
-lag en wiens armen slechts werden losgemaakt, als men hem eten en
-drinken bracht. Niemand zag, hoe hij met half gesloten oogen loerde
-naar den biddenden predikant en de forsche, gewapende mannen, die
-ontroerd naar zijne woorden luisterden.
-
-Na het gebed begaven zich allen op weg, ook Jan Machielsz, die niet in
-het kamp had willen blijven. De plaats, waar men zich in hinderlaag zou
-leggen, was ongeveer twee uren van de kolonie verwijderd. Alle weerbare
-mannen gingen mede, want voor een aanval op het kamp behoefde men niet
-te vreezen: er waren geen soldaten in de buurt gelegerd en de afgelegen
-plek was slechts aan weinigen bekend, en die weinigen--eenvoudige
-lieden, die in het bosch of het veen woonden--waren vrienden van de
-vluchtelingen, en zouden hen niet verraden.
-
-De bewaking van het kamp was opgedragen aan Peerke, een stevigen
-kerel uit Diest, die te Watrelos een kogelwond in het been had
-gekregen, welke nog niet geheel genezen was. Voor lange tochten was
-hij ongeschikt en hij moest zich dus met den post van portier tevreden
-stellen, dien hij al grommende waarnam.
-
-Nu was Peerke een trouw makker, op wien men in alle opzichten kon
-rekenen, zoolang hij niet in de buurt van een kanne biers was. Jan
-Machielsz en Daniël wisten dat zeer goed; maar daar er op dat oogenblik
-op het eiland niets was dan een ton dun bier, die men van een brouwer
-te Diest had gekregen, meenden zij van dien kant veilig te zijn: aan
-dat dunne, scherpe vocht zou Peerke zich zeker niet bedrinken. Wat de
-aanvoerders echter niet wisten, was, dat Peerke van een van de Geuzen,
-die geholpen had bij de plundering van een klooster, een vaatje zoete
-malvesye had gekocht, dat hij zorgvuldig in den grond had begraven, met
-de bedoeling er zich te gelegener tijd eens rustig aan te goed te doen.
-
-Die gelegen tijd scheen Peerke thans gekomen. Het zou uren duren,
-eer de bende haar schuilhoek weder kon bereiken, en hij had dus den
-tijd aan zich. De vrouwen waren met haar kinderen in de hutten en
-hij was met den gevangen monnik alleen in de schuur.
-
-Nu was Peerke op zijn manier een man van geweten en hij wou zich
-niet bedrinken, vóór hij wist, dat alles veilig was. Toen het geluid
-van de voetstappen zijner makkers was weggestorven, begon hij den
-monnik stevig de handen op den rug te binden. Daarop nam hij zijn
-hellebaard en strompelde het eiland om, om zich te overtuigen, dat
-er inderdaad geen gevaar dreigde. Toen had hij, naar hij meende,
-zijn plicht volbracht; hij groef het kostbaar vaatje op en torste
-het naar de schuur, sloeg de stop uit het spongat en terwijl hij met
-welgevallen den geur van den wijn opsnoof, verzekerde hij den monnik,
-dat dit nu een patersvaatje was, dat hij, Peerke, op de gezondheid
-van den paus en van alle papen zou gaan leegdrinken.
-
-Toen nam hij zijn tinnen kroes, zette zich in een gemakkelijke houding
-bij de ruw opgemetselde schouw en begon met lange teugen te drinken,
-terwijl hij van tijd tot tijd ophield, om zijn gevangene mede te
-deelen, dat het kostelijk smaakte en dat de paters wel wisten, wat
-goed was.
-
-De monnik zat roerloos, met gesloten oogen, tegen den paal geleund,
-waar Peerke hem had neergekwakt. Hij gaf geen enkel teeken, dat hij
-de spotternijen van den Geus verstond.
-
-Maar de krachtige wijn bleek te sterk voor het hoofd van Peerke,
-die slechts aan het zware, Vlaamsche bier gewend was. Weldra werd hij
-bijzonder vroolijk; hij begon te zingen: een zonderling mengelmoes van
-psalmen en luchtige liedjes en hij werd eindelijk zoo welgemutst, dat
-hij een kroes van den wijn nam en daarmee op den monnik toewaggelde.
-
---"Ik breng 't je, paap," zei hij met dubbelslaande tong. "Jij kunt
-het ook niet helpen, dat je een papist bent."
-
-De monnik had even het hoofd omgewend, maar hij bedacht zich en dronk
-met gretige teugen.
-
---"Dat smaakt anders dan slootwater, hè?" zei Peerke. "Weet je
-wat?" ging hij voort, op goedigen dronkemanstoon, "je moet niet
-teruggaan naar dat vermaledijde klooster. Als je tegen de jongens
-zegt, dat je geen papist meer wilt zijn, dan zullen ze je losmaken
-en dan kon je bij ons een goed leven hebben. Dan zal ik een sneege
-deern voor je opschommelen, en Jan Machielsz zal jelui trouwen. Dat
-is beter voor een flinken borst."
-
-De Dominicaan antwoordde niet.
-
---"Je bent een stuursche compaan," zei Peerke boos, "en je laat mij
-maar alleen kallen. Ik krijg weer dorst, maar jij krijgt niets meer,
-als je niet praten wilt."
-
-Hij waggelde weer naar zijn vaatje en vulde zijn kroes. Hij werd
-steeds luidruchtiger en zijn goede luim van zooeven was weldra geheel
-voorbij. Hij werd twistziek en eischte, dat de monnik met hem mee
-zou zingen.
-
---"Komaan, paap," schreeuwde hij; "dat 's je voor en als ze je niet
-meezingt, sla ik je de ribben kapot. Komaan!"
-
-
- "Wie wil hooren een nieu liet!
- "Luystert toe, ik salt u singen,
- "Wat daer t' Antwerpen is gesciet."
-
-
---"Je, je z... zingt niet mee, verdoemde paap? Wacht, ik z... zal je
-l... leeren!"
-
-Hij stond op, maar struikelde over het vaatje en viel met een slag op
-den grond. Een paar malen beproefde hij op te staan, maar tevergeefs;
-zijn schelden werd een onverstaanbaar gemompel en weldra bewees een
-zwaar gesnork, dat de dronkaard zijn roes uitsliep.
-
-Nu kwam er beweging in de roerlooze gestalte van den monnik. Zijn
-felle zwarte oogen keken schichtig rond en vlogen toen van den slaper
-naar het vuur.
-
-Loopen kon hij niet, want zijne voeten waren stijf bijeengebonden,
-maar hij liet zich op zijne zijde vallen, wentelde zich om en om en
-rolde zoo naar het vuur. Hij koos een plek uit, waar een groote turf
-geheel was doorgebrand, toen draaide hij zich nogmaals om, met den
-rug naar den vuurhaard, en, achteruitschuivende, hield hij zonder
-aarzelen zijn gebonden handen tegen het brandende stuk veen. De reuk
-van het brandende touw, gepaard met een afschuwelijken stank van het
-geschroeide vel en vleesch vervulde de schuur. De monnik was vaalbleek;
-het angstzweet parelde op zijn voorhoofd en hij liet een dof gekreun
-hooren, maar hij liet niet af, al klemde hij de dunne lippen tusschen
-de tanden, om het niet uit te brullen van de pijn.
-
-Nog een oogenblik en met inspanning van alle krachten rukte de monnik
-het half doorgebrande touw los en wikkelde haastig de smeulende einden
-van zijn polsen. Kreunend bleef hij liggen, terwijl hij de armen
-langzaam heen en weer bewoog, om den bloedsomloop te herstellen. De
-rest was gemakkelijk. Het zakmes van Peerke stak in de lederen scheede
-uit den zak van den wijden broek en was binnen het bereik van de
-hand van den monnik. In een oogenblik had hij het touw doorgesneden,
-waarmede zijne voeten waren geboeid. Zijn eerste werk was nu naar de
-deur der schuur te strompelen, en die te sluiten met den zwaren boom,
-zoodat hij niet kon worden overvallen. Toen liep hij langzaam heen
-en weder, tot ook zijn beenen weer hun vroegere kracht en lenigheid
-hadden terug gekregen en ondertusschen verslond hij gretig het brood
-en het spek, dat voor het avondeten van zijn bewaker was bestemd,
-en dronk nog eenige teugen van den krachtigen wijn. Hij doopte een
-paar lappen in een pot met melk, dien hij vond, en wikkelde die om
-zijn verschroeide polsen. Toen was hij gereed om te vluchten.
-
-Hij ging naar Peerke en nam het mes, dat hij had laten liggen. Een
-oogenblik stond hij besluiteloos bij den snorkenden dronkaard. Het
-mes trilde in zijne hand en een wreede, woeste trek kwam op het
-bleeke gezicht. Daar viel zijn oog op den kroes, dien de slaper hem
-goedhartig had toegereikt en het strakke gezicht werd zachter.
-
---"Libera nos a malo!" [3] prevelde de monnik, terwijl hij het mes
-wegstak.
-
-Hij ging naar de deur, nam den boom weg en tuurde even voorzichtig
-naar buiten. Toen liep hij vastbesloten het smalle pad af, dat van de
-schuur naar de gracht voerde. Een paar kinderen, die hij tegenkwam,
-gingen schreeuwend op de vlucht.
-
-De monnik snelde voort. Achter zich hoorde hij de schelle stemmen der
-vrouwen en hij begreep, dat hij zich moest haasten. De knuisten dier
-kloeke Vlaamsche wijven waren niet te verachten en zij waren zeer wel
-in staat, hem tegen te houden. Hij kwam aan de breede gracht. Zonder
-te aarzelen sprong hij in het water en met een paar slagen had hij
-den overkant bereikt. Toen, zonder zich om de scheldwoorden der
-hem vervolgende vrouwen te bekommeren, sloeg hij den weg in, die de
-uitgetrokken bende had genomen, wier breed spoor gemakkelijk te volgen
-was. Zoo kwam hij veilig door het moeras. Hij was doornat en rilde van
-de koude in de vochtige voorjaarslucht, doch hij draafde verder, steeds
-het spoor der Geuzen volgende, tot hij in de verte de hooge boomen
-zag, die langs den karreweg naar Poperingen stonden. Toen sloeg hij
-rechtsaf en springend en soms wadend door de plassen van den broekigen
-grond bereikte hij den weg. Eenige oogenblikken rustte hij uit, om
-op adem te komen en zijn doornatte kleederen zoo goed mogelijk uit
-te wringen. Toen stapte hij ijlings voort in de richting van de stad.
-
-Intusschen was de bende, onder aanvoering van de Welle en Daniël Tistz
-op de plaats aangekomen, waar men, volgens afspraak, de gevangenen
-met hun geleide zou opwachten. De jongens, die vooruitgezonden waren,
-hadden niets verdachts bespeurd. Zij hadden zich ijverig geweerd:
-aan beide kanten van den hollen weg hadden zij een mutsaard gemaakt
-van stroo en droge takken, die in een oogenblik kon worden aangestoken.
-
-De Welle en Daniël begonnen nu hunne mannen hun posten aan te
-wijzen. Twee handbusschutters werden met smeulende lonten bij de mijten
-geplaatst, met den last om die, op een bepaald sein, aan te steken. De
-andere Geuzen, die met bussen, handbogen en armborsten gewapend waren,
-werden op de hellingen ter weerszijden van den hollen weg verdekt
-opgesteld, om de hellebaardiers van het escorte in bedwang te houden,
-terwijl de met pieken en zeisen gewapenden zich in twee partijen
-verdeelden, en post vatten in de laagte, waar zij zich in greppels en
-achter boomen verscholen. De bedoeling was om den wagen aan te houden
-in het laagste gedeelte van den hollen weg, waar de paarden moeite
-zouden hebben, de zware huifkar door de modder te trekken. Bij het
-licht der ontstoken houtvuren zou men de bewakers achteruitdringen en
-ontwapenen. Wie zich verzette, zou worden neergestooten. Dan zou men
-de gevangenen bevrijden en met hen, langs de welbekende sluipwegen,
-vluchten naar den schuilhoek der Geuzen, aan den boschrand, waar men
-voorloopig in veiligheid zou zijn. Dan wilde de Welle met zijn dochter
-uitwijken naar Engeland en Jacob had besloten, hem te vergezellen.
-
-Een oogenblik was het rumoerig geweest in het bosch, toen de Geuzen
-hunne posten bezetten, maar weldra was alles stil, want de leiders
-hadden hun mannen de grootste omzichtigheid aanbevolen. Schildwachten
-waren uitgezet aan beide zijden van het pad, hoewel men geen verraad
-te duchten had, en een paar kloeke jongens waren een eind den weg op
-gezonden, om de nadering van den wagen te berichten.
-
-Jacob stond met de Welle en Daniël Tistz dicht bij een der
-mutsaarden. Het was reeds zeer donker, want de lucht was nog steeds
-betrokken. Men zag maan noch sterren heenschemeren door het jonge
-lentegroen der boomen. 't Was stil in het bosch. Men hoorde niets dan
-dat eigenaardig murmelen van den wind in de boomtoppen, de eigen stem
-der wouden, die de stilte nog schijnt te vermeerderen. Het naargeestig
-krassen van een boschuil klonk uit de takken boven hun hoofd.
-
-Daniël huiverde.
-
---"Een kwaad voorteeken," mompelde hij; "als ik nog een papist was,
-zou ik een kruis slaan."
-
---"Wees stil, ongeluksprofeet!" beet hem de Welle toe, die
-zenuwachtiger werd, naarmate het oogenblik naderde, waarop men den
-wagen kon verwachten, en die ongeduldig heen en weer liep. Ook Jacob
-had moeite rustig te blijven; telkens meende hij eenig gerucht te
-hooren op den weg, het kraken der raderen of het klappen van de zweep
-en dan betastte hij zenuwachtig de kolf van zijn pistolen. De angst
-van de Welle en de gedachte aan het lot, dat de arme Mieke te wachten
-stond, als het opzet mislukte, misten ook op hem hunne uitwerking niet.
-
-Het was nu zeer donker. Hier en daar zag men een vurig punt: de
-smeulende lont van een busschieter. Jacob kon de gestalte van Daniël,
-die toch vlak naast hem stond, nauwelijks onderscheiden.
-
-Plotseling boog de strooper zich voorover en luisterde aandachtig. Zijn
-geoefend oor had iets vernomen, dat Jacob was ontgaan. Een oogenblik
-later hoorde men haastige voetstappen.
-
---"Hier!" riep de Welle.
-
-Een gedaante dook uit de duisternis op; 't was een van de jongens,
-die als spionnen waren uitgezonden. Hijgend vertelde de knaap, dat
-de wagen er aankwam.
-
---"Zijn er soldaten bij, jongen?" vraagde de Welle.
-
---"Veel!" verzekerde de knaap, "wel vijftig!"
-
---"Onmogelijk!" zei Daniël ongeloovig. "Je hebt ze niet kunnen tellen,
-Tist. 't Is te donker!"
-
-Neen, geteld had de knaap ze niet. Maar hij was den wagen tegemoet
-geloopen tot buiten het dorp, waar geen boomen stonden en daar was
-het zoo donker niet. Hij was zeker, dat er een groot aantal soldaten,
-vijftig of zestig wel, bij de kar waren.
-
---"De jongen is gek," meende de strooper. "Waar zou de schout van
-Poperingen opeens zooveel soldaten vandaan halen?"
-
---"Je hebt je toch niet vergist, jonker?" vraagde de Welle met een
-licht trillende stem.
-
---"Zeker niet," antwoordde Jacob. "Die schoutendienaar sprak van een
-twaalftal hellebaardiers. Meer waren er niet!"
-
---"Ik begrijp het niet," zei de oude boschwachter heesch. "Als die
-jongen gelijk heeft..."
-
-Hij voltooide zijn zin niet en ook de beide anderen zeiden niets. Zij
-wisten, wat hij bedoelde: hun geheele bende was slechts een twintigtal
-mannen sterk.
-
-Maar nu hoorde men flauw in de verte de klets van de zweep van den
-voerman. Een zacht fluiten, dat hier en daar herhaald werd, gaf aan
-de in hinderlaag liggende Geuzen het teeken, om zich gereed te houden.
-
-Het kraken van de wielen van de huifkar, het klotsen van zware
-voetstappen, het kletteren van wapenen, eerst flauw, dan duidelijker
-en duidelijker aankomend door het donkere bosch. Op den weg een
-flikkerend licht, op en neer dansend, zwaaiend en schokkend: de
-lantaarn van de kar, die aan den disselboom opgehangen, den weg voor
-het tweespan verlichtte.
-
-Het beslissend oogenblik was daar.
-
-In ademlooze spanning zag Jacob het zwaaiende licht nader en nader
-komen, en, terwijl hij staarde, meende hij op de hellingen boven zich
-een onverklaarbaar gedruisch te hooren, het kraken van takken, het
-ritselen van dorre blaren. Een paar nachtvogels vlogen krijschend op.
-
-Hij had geen tijd, om zich rekenschap te geven van die geheimzinnige
-geluiden, want de wagen had nu het laagste punt van den weg bereikt en
-de pooten der paarden klotsten in het modderige water. De Welle bracht
-den koehoorn, die aan een koord om zijn hals hing, aan den mond en het
-holle geluid klonk door het bosch. Een rood vlammetje verscheen aan
-den kant, waar de mutsaard stond. Het droge stroo vatte vuur; roode
-en gele vlammen lekten naar boven en een rossige gloed verlichtte de
-donkere stammen en wierp zijn schijnsel op den wagen en de mannen,
-die hem begeleidden.
-
---"Vive le Geus!" klonk het uit twintig schorre kelen en een troep
-mannen, met pieken en omgesmede zeisen gewapend, sprong van achter
-de boomen te voorschijn en versperde den weg.
-
-Maar wat was dat?
-
-Een zware losbranding op de helling boven hen, donderend voortrollend
-door de boschlanen, nog een--en nog een! Roode vuurtongen,
-uitschietende uit de duisternis--en een paar van de schutters der
-Geuzen, die, door den gloed der opvlammende houtmijten beschenen,
-een voortreffelijk mikpunt aanboden, zonken ineen. Op den weg klonk
-een luid commando en de verbijsterde aanvoerders zagen een half
-vendel soldaten, die zich in goede orde met gevelde pieken om den
-wagen schaarden.
-
---"Vive le Roy! Slaet dood de Geuzen!" klonk het uitdagend.
-
-Het toeval was den monnik gunstig geweest. Hij had niet alleen den
-wagen met zijn escorte kunnen ophouden, maar hij had ook een half
-vendel van het voetvolk van Egmond ontmoet, dat zich van Rijssel naar
-zijne kwartieren in Zeeuwsch-Vlaanderen begaf. Toen de jonge luitenant,
-die den troep commandeerde, hoorde wat er gaande was, had hij niet
-alleen terstond aangeboden, den wagen met de gevangenen veilig naar
-Rousselaere te geleiden, maar hij had zelfs een plan gemaakt, om de
-Geuzen in hun eigen strik te vangen, en hun een geduchten slag toe
-te brengen.
-
-De monnik had goed geluisterd. Hij kende het plan, want men had het
-in zijn bijzijn besproken, en niemand had er aan gedacht, zich in
-acht te nemen voor den hulpeloozen gevangene. De schoutendienaars
-uit Poperingen kenden de plek, door den Dominicaner beschreven, en de
-luitenant had de zes arquebusiers, die zich bij zijn troep bevonden,
-de helling doen beklimmen, zoodat zij op het beslissende oogenblik
-met hun vuurroeren de aanvallers in den rug konden bestoken.
-
-Eén oogenblik stond de Welle het tooneel beneden hem met verwilderden
-blik aan te staren. Hij werd door het volle licht van een der
-mutsaards beschenen en een kogel snorde hem langs het hoofd, uit een
-der Spaansche vuurroeren. Maar de gevangenen in den wagen konden hem
-daar ook zien en herkennen. Een schreeuw klonk van de kar, de huik
-van een der ineengedoken gestalten viel af en Mieke stond rechtop,
-met uitgestrekte armen, naast den voerman.
-
---"Vader!" gilde zij; "vader! hulp!"...
-
-Het meisje maakte een beweging, als wilde zij van de kar springen,
-maar een donkere gedaante kwam achter uit den wagen te voorschijn,
-een lange, magere arm werd om haar heen geslagen, en dwong haar terug
-op haar bank. Een bleek, vertrokken gezicht keek hoonlachend op naar
-de Geuzen.
-
---"Hel en verdoemenis! De monnik!" siste Daniël. "Wacht, Judas!"
-
-Met een ruk had hij den armborst aan den schouder, de pees klonk, en
-met een bout in de keel tuimelde de monnik achterover. Niemand dan de
-schutterkoning van Poperingen had, bij dit onzekere licht, het schot
-kunnen wagen, zonder gevaar te loopen het jonge meisje te treffen.
-
-Maar de hulpschreeuw van zijn dochter had de Welle gewekt uit zijn
-verbijstering, die hem een oogenblik had doen weifelen, toen hij zich
-zoo onverwachts geplaatst zag tegenover een zoo geduchte overmacht.
-
---"Vive le Geus! Slaet dood!" schreeuwde hij, en door Jacob en Daniël
-gevolgd, sprong hij in den hollen weg, om zich aan het hoofd der
-zijnen te stellen.
-
-En nu volgde er een verwoed gevecht. De soldaten namen den wagen in
-hun midden en maakten met gevelde speren front tegen de aanvallers,
-terwijl de Geuzen hen van twee kanten bestookten, en door verwoede
-aanvallen trachtten door hunne gelederen heen te breken.
-
-Het woeste geschreeuw der vechtende mannen, het wapengekletter,
-soms overstemd door den doffen knal van een pistool of een bus, het
-gegil en geschrei der gevangen vrouwen en het kermen der gekwetsten,
-vervulden het bosch met een woest rumoer.
-
-Zonder orde, maar met woeste dapperheid, drongen de Geuzen telkens
-weder op en trachtten den wagen te bereiken, maar telkens werden zij
-teruggeslagen, terwijl de musketiers, op de hellingen geposteerd,
-hunne vuurwapenen weder hadden geladen en door eene onverwachte
-losbranding een paar der aanvallers buiten gevecht stelden.
-
-De strijd in den hollen weg was kort maar hevig, en de uitslag kon
-niet twijfelachtig zijn. De Geuzen werden teruggedrongen; een achttal
-hunner was dood of gewond.
-
-Daar zonk de Welle, die in de voorste rij met den moed der wanhoop had
-gevochten en met zijn gepinde kodde reeds drie soldaten had neergeveld,
-door een kogel getroffen, neer. Op het gezicht van den val van hun
-aanvoerder, ontzonk den Geuzen de moed. Zij deinsden achteruit.
-
---"De gewonden, mannen! Neemt de gewonden mee!" riep Jacob Martens,
-die begreep, dat de aanslag mislukt was.
-
-Een paar zeisdragers volgden hem, en, met hunne wapens zwaaiende,
-maakten zij een oogenblik ruim baan. De Welle en nog twee anderen
-werden haastig opgenomen en weggedragen. Toen vluchtten de Geuzen en
-waren weldra buiten het schijnsel der vlammen en in het donkere bosch,
-waar zij alle paden kenden en waar de soldaten hen niet durfden volgen.
-
-Allen waren gevlucht, behalve Daniël. Even buiten den lichtkring, half
-verborgen achter een beukenstam, stond de strooper en staarde naar de
-huifkar, waar een paar der stadshellebaardiers zich thans bezig hielden
-met het lijk van den monnik, die tusschen de verschrikte gevangenen was
-neergezegen. Op de voorste bank zat Mieke. Toen zij de Welle had zien
-vallen, had zij een gil gegeven. Thans keek zij met strakke, wanhopige
-blikken naar het donkere geboomte, waarin zij hem had zien wegdragen.
-
-Een siddering ging door het lichaam van den strooper.
-
-Wild keek hij om zich heen. Achter zich hoorde hij de stemmen der
-aftrekkende Geuzen, die hem toeriepen te vluchten. Vóór zich zag hij
-de huifkar, waar thans de soldaten zich om verdrongen, die zoo goed
-mogelijk hun gewonde makkers verzorgden, en het doodsbleeke meisje,
-dat hij en zijn makkers aan haar lot moesten overlaten--Mieke in de
-handen van Titelman!
-
-Vaster omklemde Daniël zijn gespannen armborst, er kwam een woeste
-blik in zijn starende oogen en hij klemde de lippen op elkander.
-
---"Nooit!" steunde hij. "Dan liever..."
-
-Hij bracht den kruisboog aan den schouder.
-
---"Mieke!" schreeuwde hij. Het meisje zag om.
-
-Het staal van den armborst klonk. Met een flauwen kreet, dwars door
-het hoofd geschoten, zonk Mieke achterover.
-
-Een paar soldaten, die den schreeuw hadden gehoord, drongen het
-bosch in, maar zij hoorden slechts een akeligen lach uit het donkere
-geboomte opklinken.
-
-De wildstrooper was verdwenen.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-
-West-Vlaanderen sluimert rustig in den stillen zomernacht.
-
-De eindelooze korenvelden golven en ruischen zacht in den nachtwind,
-de boomgaarden van Dixmuiden wiegen hunne met jong fruit beladen
-takken, de hopvelden van Poperingen geuren en zwaaien als groetend
-met hunne lange slingers. De dorpen slapen in het starrelicht, een
-donkere boomgroep, midden tusschen de velden, wijst de ligging aan van
-een eenzame hofstede en ver in het Westen, breed langs den duinrand,
-liggen de zwarte schaduwen der bosschen.
-
-Een kalm, welvarend landschap in ruste! Alleen het geblaf van een
-werfhond verstoort nu en dan de groote stilte.
-
-Dan wordt de donkere nachthemel in het Westen eensklaps verlicht door
-een vreemden rossen gloed, dat rosse wordt vlammend rood en vuurtongen
-lekken door de duisternis. Tegelijk klinkt een schel, dun klokgelui
-met kort, haastig geklep over de velden, nog eenige oogenblikken
-en twee, drie kerktorens antwoorden met jammerend noodgelui en van
-Hondecoeter naar Killem en Oostcappel, van Winnezeele en Oudezeele naar
-Reynighelst, Lokeren en Kemmele, tot Dracoultre in het Fransche toe
-kleppen en beieren de klokken en waarschuwen de Roomsche landlieden,
-maar vooral de geestelijken en kloosterlingen, die niet geborgen
-zijn binnen de veilige wallen der steden, lijf en goed te bergen in
-haastige vlucht.
-
-De Wilde Geuzen komen!
-
-In de bosschen en moerassen van West-Vlaanderen hebben zij een veilige
-schuilplaats gevonden, de vluchtelingen van Austruweel en Watrelos,
-de Gereformeerden uit Valenciennes en Doornik, die de beulen van
-Noircarmes ontkomen zijn, allen, die vreezen voor hun vrijheid of hun
-leven, nu de Regeering heeft gezegevierd en bittere wraak neemt op
-de overwonnen Geuzen voor de doorgestane angsten. Ze leven er in de
-open lucht of in inderhaast opgeslagen schuren en loodsen van hetgeen
-hunne geestverwanten in geheel Vlaanderen en Brabant hun heimelijk
-doen toekomen, of wat zij de Roomsche bevolking afpersen door vrees
-of door geweld. Zij hebben hun predikanten en onderhouden zoo goed
-mogelijk het godsdienstig leven, waaraan zij gehecht zijn. Maar door
-het ongeregelde, avontuurlijke leven, dat zij leiden, verwilderen
-zij maar al te ras. Van vervolgden worden zij bloedige vervolgers,
-de schrik en de vloek van de streek, waar zij huizen.
-
-En het zijn niet alleen vluchtelingen en vervolgden, die zich ophouden
-in hunne geheime en moeilijk toegankelijke schuilhoeken. Zooals elke
-groote beweging, heeft ook deze haar zelfkant. Tal van landloopers
-en vaganten, waaraan de 16e eeuw zoo rijk is, hebben zich onder
-allerlei voorwendsels bij hen aangesloten en men heeft de vreemde
-elementen niet altijd kunnen weren. En al spoedig wilde men het niet
-meer. Naarmate de strooptochten stouter werden, de daden bloediger,
-werd ook de tegenstand heviger. Er werden door Egmond en Bakkerzeele
-soldaten gezonden, om de woeste benden, als 't mogelijk was, uit te
-roeien en weldra was elk stoutmoedig man, die de wapenen kon voeren,
-hun welkom, zonder dat men naar zijn verleden of belijdenis vraagde.
-
-De Wilde Geuzen komen!
-
-'t Is een stroop- en plundertocht, zooals ze dien telkens ondernemen,
-want hun aantal groeit steeds aan, geregelden arbeid hebben zij niet
-en hetgeen hunne vrienden hun doen toekomen, of wat zij de Roomsche
-bevolking in de nabijheid hunner schuilplaatsen weten af te dwingen,
-is dikwijls ontoereikend. Dan moeten de verder gelegen dorpen, vooral
-de kloosters en geestelijke gestichten, het ontgelden. Ze worden
-zonder genade geplunderd en in brand gestoken en dikwijls worden de
-kloosterlingen mishandeld en vermoord. Want een woeste haat tegen de
-Roomsche geestelijkheid vooral bezielt hen en menig onschuldige moet
-boeten voor Noircarmes' wreedheid te Valenciennes.
-
-En daarom klinkt het noodgeklep der dorpsklokken over de velden,
-waarschuwend al wie hun wrake te vreezen heeft.
-
-De Wilde Geuzen komen!
-
-Ze zijn hun tocht begonnen met het overvallen van de hoeve van een
-rijken, Roomschen boer, die meende hen te kunnen trotseeren. Ze hebben
-het huis geplunderd en in brand gestoken, het vee door de vrouwen
-en jongens laten wegdrijven naar hunne schuilhoeken en den huisman
-en zijn van angst sidderend gezin, onder woeste spotternij het veld
-in gejaagd, "om hulp te gaan zoeken bij zijne Santen", zooals zij hem
-najouwen. Thans gaat het verder, dieper landwaarts in. Reeds hebben ze,
-weinige weken te voren, de dorpen Herzeele en Houtkerke overvallen en
-er de kerken verwoest en in brand gestoken. Thans geldt het Oostcappel.
-
-De Wilde Geuzen komen!
-
-Snel rukken zij voort bij het licht van enkele toortsen en pekkransen,
-want in hun onverwachten overval, hun snelle bewegingen schuilt hun
-kracht. Een gedeelte, de kern van den troep, bewaart een soort ruwe,
-militaire marschorde. Zij hebben aanvoerders, die zij erkennen en
-gehoorzamen en zijn onderworpen aan een zekere krijgstucht. Dat
-zijn de vluchtelingen uit het Geuzenleger en de Gereformeerden,
-uitgewekenen uit de door de troepen der Regeering verwoeste steden.
-
-Maar met hen mede, in den tros van den troep, trekken een aantal
-havelooze en verwilderde gestalten, die doen wat goed is in hun
-oogen en wier bandeloosheid de beter gezinden niet kunnen bedwingen
-of misschien maar al te gemakkelijk verontschuldigen. Allen zijn
-gewapend, maar ieder heeft zich van een wapen voorzien, zoo goed
-hij kon. De vluchtelingen uit het Geuzenleger hebben hunne hand-
-en haakbussen, hunne pieken en rapieren, de jagers en boschwachters
-hunne armborsten en kodden, maar anderen dragen rechtgesmede zeisen,
-hooi- en mestvorken, zware knuppels met ijzeren pinnen, bijlen en
-messen, dorschvlegels--het vreedzaam gerei van den landbouw wordt
-tot moordwapen in de handen der wanhopende, verwilderde benden.
-
-Achter hen volgt een wagen, met een paar kloeke Vlaamsche paarden
-bespannen. Die zal straks dienen om den buit mee te voeren, den
-mondvoorraad, waaraan de ballingen behoefte hebben, ook de gewonden,
-indien er tegenstand mocht worden geboden. Thans dient hij tot vervoer
-van een, dien niets kon weerhouden om aan den strooptocht deel te
-nemen, maar wiens zwak lichaam den snellen marsch der Geuzen niet
-kon volgen.
-
-'t Is Jan Machielsz, de kreupele predikant.
-
-Sinds hij predikte in 't Spaansche Dal bij Poperingen is er veel met
-hem gebeurd. Van Bakkerzeele, Egmont's stadhouder, had gedaan wat
-hij kon, om de deelnemers aan den stouten aanslag in den hollen weg
-naar Poperingen in handen te krijgen, en de Geuzen, die zich in hun
-schuilhoek niet veilig achtten, hadden zich naar alle richtingen
-verstrooid. Verscheidenen waren uitgeweken naar Engeland en hun
-broeders in de visschersdorpen langs de kust hadden hen gaarne
-de behulpzame hand geboden om te vluchten. Ook Jan Machielsz was
-door een Duinkerker visscher in Engeland aan wal gezet. Hij had er
-kennis gemaakt met andere ballingen, die veilig waren in het vreemde
-land en er hun God konden dienen naar hun geweten, maar die toch
-terug hunkerden naar het schoone, bloeiende Vlaanderen, naar hunne
-vrienden en magen, die zij er hadden moeten achterlaten. En er waren
-geestdrijvers onder, die gaarne luisterden naar de gloeiende woorden
-van den kreupelen prediker, voor hen de taal van een vast en krachtig
-geloof. "Zou de arm des Heeren verkort zijn?" "Was het niet in de
-hand van den Heer der heirscharen, verlossing te geven door de hand
-van velen of weinigen?" "Had niet Gideon met een handvol volks het
-leger der Midianieten verslagen?" Zoo sprak Jan Machielsz, en zijne
-hoorders, mannen met bleeke, vastberaden gezichten, stemden er mee
-in. Zoo God vóór hen was, wie zou tegen hen zijn? En zij hadden zich
-heimelijk gewapend, een vijftigtal slechts en in twee visschersbooten
-waren zij de zee overgestoken en, in West-Vlaanderen geland, waren
-zij moedig voortgetrokken, zonder bepaald plan, met de vage bedoeling,
-Gods volk te verlossen uit de hand der Philistijnen en de ware Kerke
-te stichten op de puinhoopen der valsche, in de stellige verwachting,
-dat de Heere met hen zou strijden en hen door een wonder van Zijn
-machtige hand de zege zou doen behalen.
-
-Zij hadden een paar kerken en kloosters verwoest en in de asch gelegd,
-toen zij door een vendel van Egmont's krijgsvolk werden overvallen
-en verstrooid. Zij, die den dood door het staal of den strop waren
-ontkomen, waren Jan Machielsz gevolgd naar de ontoegankelijke
-schuilhoeken in het Zuid-Westen, waar de Wilde Geuzen huisden. De
-kreupele prediker was er met blijdschap ontvangen, want zijne prediking
-was naar het hart der wilde gezellen en de man, die eens de martelares
-een woord van troost en bemoediging had toegeroepen, werd meer en meer
-de starre dweper, die niet meer wist van het Evangelie der liefde,
-maar wiens hartstochtelijke predikaties, meestal aan woorden uit
-het Oude Testament ontleend, aanhitsten tot wraak en verdelging, tot
-wreede vervolging van priesters en kloosterlingen en tot verwoesting
-van alle kerken en kloosters in den omtrek.
-
-De besten onder de Boschgeuzen beschouwden hun strijd als de laatste,
-wanhopige worsteling tegen de zegevierende Regeering, van wie zij geen
-genade hadden te hopen. Maar de groote meerderheid, weldra aan het
-avontuurlijke leven gewend, had smaak gekregen in den guerilla-oorlog,
-dien zij tot nog toe vrijwel straffeloos hadden kunnen voeren en
-dachten niet aan de toekomst.
-
-Aan het hoofd van de geregeld voortmarcheerende kern van den troep
-schreed Pieter de Welle met Jacob Martens. Zij waren gedwongen
-geweest een toevlucht bij de Wilde Geuzen te zoeken, wachtende op
-den volksopstand, waarop sommigen in die dagen nog hoopten. Spoedig
-waren zij als aanvoerders bekend, voor zoover de tuchtelooze bende
-geneigd was, aan eenig gezag te gehoorzamen. De oude boschwachter
-trok gaarne op aan het hoofd van zijn woeste gezellen. Sinds den
-dood van zijn dochter behoorde hij tot de ijverige aanhangers van Jan
-Machielsz. Hij haatte de "papen", en het "verbannen der Amalekieten",
-waartoe de kreupele predikant aanspoorde, scheen den verbitterden man
-een godgevallig werk. En zoo de door de ballingen gepleegde wreedheden
-Jacob al tegen de borst stuitten, het ruwe krijgsleven der laatste
-maanden, de doorgestane ellende en de geheele toon en denkwijze van
-de omgeving, waarin hij leefde, maakten, dat hij zich spoedig aan de
-onvermijdelijke gruwelen van den guerilla-krijg begon te gewennen. Dat
-hij streed voor en met de Geuzen, bij wie hij een schuilplaats had
-gezocht en gevonden, sprak, naar hij meende, vanzelf. En dikwijls
-genoeg hadden de ballingen zich te verweren tegen de troepen van den
-stadhouder, die hun den terugtocht naar hunne schuilplaatsen zochten
-af te snijden en hun den behaalden buit afhandig wilden maken.
-
-Aan de spits van den troep, dicht achter de Welle en Jacob Martens,
-liep een der Geuzen, met een stalen armborst en een lang kruismes
-gewapend, zacht in zichzelf mompelend, alleen. Zijne metgezellen
-weken bijna allen schuw ter zijde, wanneer zij in zijne nabijheid
-kwamen. Niemand zou in de magere, gebogen gestalte, met het bleek
-gelaat, de ingevallen wangen en de groote, strak voor zich uit starende
-oogen, den vroolijken, luchthartigen Daniël, den koenen wildstrooper,
-hebben herkend. Na den noodlottigen nacht, toen hij Mieke de Welle
-had doorschoten, om haar niet levend in de macht van den inquisiteur
-te laten vallen, was de jonge man geheel veranderd. Uren lang zat hij
-voor zich uit te staren, steeds voor zich heen woorden prevelend, die
-niemand verstond. Hij bemoeide zich met niemand en gaf geen antwoord,
-als men hem iets vroeg. Het eenige, wat hij deed, was het maken van
-bouten voor zijn kruisboog en het slijpen van zijn lang mes. De overige
-ballingen hielden hem voor krankzinnig of bezeten door een boozen geest
-en ontweken hem schuw. Slechts als een strooptocht werd ondernomen,
-ontwaakte Daniël uit zijn droomtoestand. Dan was hij in de voorste
-gelederen te vinden en hij vocht met woede en verbittering. Aan de
-plundering van de hoeven der Roomschgezinden of der geestelijke
-gestichten nam hij nimmer deel, al had men hem dikwijls met een
-woesten trek op het gelaat zien staren in de vlammen der brandende
-gebouwen. Maar wee den priester, wee den monnik vooral, die zich bij
-het naderen der Geuzen niet had weten te bergen, wanneer hij onder
-schot van Daniëls kruisboog kwam. Dan werd de stalen kruisboog naar
-den schouder gebracht, het strakke oog zocht het doel en de nimmer
-falende bout doorboorde het hoofd van het slachtoffer, altijd op
-dezelfde plaats, daar, waar hij Mieke had getroffen.
-
-De bende marcheerde snel voorwaarts. De hoeve, die zij in brand hadden
-gestoken, behoorde aan dien Roomschen boer, die, omdat er geruchten
-liepen, dat de Regeering aan de buitensporigheden der Boschgeuzen
-voorgoed een einde zou maken, het had durven wagen, de hem opgelegde
-schatting van levensmiddelen niet te betalen. Maar het doel van den
-tocht ligt verder.
-
-En van alle zijden klinkt over de slapende velden het angstig jagend
-kleppen van de stormklok, waarmede de dorpen elkander waarschuwen.
-
-De Wilde Geuzen komen!
-
-De bewoners der verspreide hoeven en der dorpen, in de nabijheid van
-de schuilplaatsen der vermetele gasten, zien hen voorbij trekken
-met verbeten woede of met een glimlach van geheime voldoening, al
-naar dat ze goed Roomsch zijn, of, zij 't ook in 't geheim, tot de
-vele Gereformeerden behooren. Zij hebben niets te vreezen. Hetzij
-vrijwillig, hetzij gedwongen, allen betalen op de een of andere wijze
-schatting aan hunne gevaarlijke buren, en zoo "zitten zij op veylighe
-waernis" en ze behoeven niet bevreesd te zijn voor plundering of
-overlast, want de Geuzen weten, dat zij van die schatting moeten leven
-en komen de gesloten overeenkomst getrouw na. En de West-Vlaamsche
-boeren koopen zich veiligheid voor leven, hof en have door dien
-onderstand, in 't geheim gegeven, uit vrees voor de Regeering.
-
-Daar klinkt van den wagen een schelle stem. 't Is die van Jan
-Machielsz. De predikant-aanvoerder wekt zijne mannen op, een lied
-te zingen, een der psalmen Davids. En allen kennen ze de psalmen van
-Petrus Dathenus, misschien de vloekpsalmen nog het best, maar ook de
-strijdzangen, ook de smeekbeden, de liederen van hope en vertrouwen.
-
-Maar thans is 't een der lievelingspsalmen van den kreupelen prediker
-in de woestijn, die worden aangeheven. 't Zijn verzen van psalm
-109: Gods toorn wordt afgebeden over den vijand, den verdrukker van
-Gods volk.
-
-
- "Hij heeft den vloeck gewenscht alommen,"
-
-
-klinkt het rauw over de velden,
-
-
- "Laet dien nu, Heer, over hem kommen;
- "Hij begeerde nooit gheenen zegen,
- "Dies geef hem dien in gheenen wegen.
- "Laet hem met ongeluck en leet
- "Als met eenen rock sijn gekleet.
-
- "Gelijck men 't water pleegt te drincken,
- "Wil hem also den vloeck toeschinken;
- "So d' olie de beenen doordringet,
- "Laet hem oock so wezen omringet,
- "En als met een rieme seer snel,
- "Omgegort zijn met vloecken fel.
-
- "Dit sij 't loon in allen landen
- "Mijner moedwillige vijanden;
- "Laet sulcks de kwade tong beërven,
- "Die met list soecken mijn verderven.
- "Maar Gij, o Heer, in desen noot,
- "Help mij om Uws Naams wille groot."
-
-
-Het psalmgezang der Geuzen klinkt als dreigend antwoord op het
-waarschuwend geroep der kerkklokken. Dan verstomt het, want in de
-schemering van den zomernacht doemen de eerste hoeven van Oostcappel
-op: het doel van den tocht. De oude toren steekt als een donkere
-massa af tegen de starre lucht. 't Is of de kerkklok haastiger,
-dringender roept en jammert, naarmate de bende het dorp nadert. Maar
-als de Geuzen de eerste huizen hebben bereikt, zwijgt het noodgelui:
-de koster, die het touw trok, is met de andere dorpelingen gevlucht.
-
-Naarmate de bende Oostcappel naderde en de bewoners begrepen, dat het
-onwelkome bezoek hen gold, was het levendig geworden in het stille
-dorp. Rondom de donkere hoeven bewogen zich dwalende lichten; bij het
-schijnsel der stallantaarns werd het vee uit de weiden gedreven, om het
-zoo gauw mogelijk in veiligheid te brengen, en het geloei der runderen
-vermengde zich met het woedend geblaf der werfhonden, het geroep der
-drijvers en het angstgeschreeuw van vrouwen en kinderen. De meesten,
-die wat te verliezen hadden, verlieten huis en have en vluchtten
-langs de donkere landwegen, noordwaarts op.
-
-Heer Henricus Turck, de oude pastoor van Oostcappel, was uit zijn
-slaap opgeschrikt door zijn koster, die hem verlof kwam vragen, de
-noodklok te luiden. De man zelf was door de ontstelde boeren gewekt;
-hij had in de verte het stormgelui gehoord en begrepen, dat het zaak
-was, het waarschuwingssein verder door te geven.
-
-Pastoor Turck had de gewenschte vergunning verleend. Toen had hij zich
-haastig aangekleed en was naar buiten gegaan, om zijn verschrikte
-parochianen gerust te stellen, terwijl boven hunne hoofden de klok
-in den ouden, verweerden toren haastig en zenuwachtig klepte. Men
-moest zich niet noodeloos ongerust maken, men wist niet welk gevaar er
-dreigde, noch wien het gold. Men moest liever vlijtig zijn rozenkrans
-bidden en den bijstand inroepen van Sint Servaes, den patroon van
-het dorp, den heiligen martelaar, wiens beeltenis op het altaarstuk
-prijkte.
-
-En inmiddels zond hij een rappen boerenknaap naar den torentrans,
-om te zien, van waar het onheil dreigde.
-
-De verkenner kwam weldra terug met verontrustende berichten. Hij
-had den brand in de verte gezien en ook de toortsen der benden,
-die voortrukten in de richting van het dorp. Weldra, eerst flauw
-nog, maar allengs duidelijker, hoorde men het psalmgezang van den
-naderenden troep. Nu was er geen twijfel meer mogelijk! Zij waren
-het, de vermaledijde ketters, de Wilde Geuzen,--en het gold hun dorp,
-het gold Oostcappel.
-
-En onder luide verwenschingen, gejammer en geweeklaag werd het
-kostbaarste inderhaast bijeengepakt en op de haastig ingespannen kar
-geladen, de knapen dreven het vee uit de naastbij liggende weiden den
-weg op en de verschrikte bevolking vluchtte, om veiligheid te zoeken
-binnen de sterke wallen van Yperen.
-
-Toen de Geuzen de eerste boerenerven van het dorp bereikten, vonden
-zij die ledig en verlaten. Zulk eene Vlaamsche hoeve, alleen staande
-in het wijde land te midden van haar hoog geboomte, was anders een
-niet te minachten versterking en zeer wel in staat, den aanval
-van een stroopende bende landloopers te weerstaan. Het steenen
-woonhuis vormde met de schuren en stallen één geheel, dat de ruime
-binnenplaats omgaf en dikwijls nog door een gracht of breede sloot
-was omgeven. Was de brug over die sloot opgehaald, dan was het niet
-gemakkelijk zich toegang tot de boerderij te verschaffen, vooral als
-die toegang betwist werd door den boer en zijn stevige knechts. Maar
-thans dacht niemand aan verzet. In korten tijd hadden de Boschgeuzen
-zich een geduchten naam weten te verwerven. Het landvolk sidderde
-voor de woeste, vermetele avonturiers en alleen de geregelde troepen
-der Regeering, die soms tegen hen werden uitgezonden, waren in staat,
-hen naar hunne ontoegankelijke schuilhoeken terug te jagen.
-
-Tot eere der Boschgeuzen zij het gezegd, dat zij zich nergens
-als gewone roovers gedroegen. Zij waren geen brandstichters en
-plunderaars, en de buitensporigheden, waaraan de mindere elementen
-onder hen zich vaak schuldig maakten, werden door de betergezinden
-zooveel mogelijk belet.
-
-Maar zij waren wanhopigen, vogelvrij verklaarden in hun eigen
-vaderland. De laatste strijders voor een verloren zaak. Sedert de
-zegepraal der Regeering durfden hun eigen geestverwanten hen slechts
-tersluiks eenige hulp verschaffen. En zij moesten leven, de ballingen,
-die door hun eigen land waren uitgeworpen. En daarom drongen zij de
-grootste hoeven binnen, om zich meester te maken van de levensmiddelen,
-die zij er vonden. De ovens werden geplunderd en de zware brooden
-werden, met zakken meel, kazen, hammen en zijden spek en wat er verder
-eetbaars gevonden werd, op de kar geladen. De kippen, eenden en ganzen,
-die men in hunne hokken aantrof, moesten het mede ontgelden. En toen
-de wagen volgeladen was, zetten de paarden aan, sterke vuisten hielpen
-de raderen in beweging brengen, en door het grootste gedeelte der bende
-begeleid, verdween de kar in het halfduister van den zomernacht, onder
-het gejoel der Geuzen, die juichten om den goed gelukten strooptocht.
-
-Maar een ander deel was achtergebleven. Dat waren de dwepers, wien
-het niet te doen was om den buit, de verbitterden, die eigen leed
-en dat van de vermoorde broederen te Valenciennes en elders, wilden
-wreken op de Roomsche geestelijkheid, op de kerken en kloosters. En
-zij gaven er weinig om, of hun wraak ook de onschuldigen trof.
-
-Nu drongen zij, weer luide hun vloekpsalmen aanheffend, door de
-verlaten dorpsstraat, naar de oude dorpskerk. Daar moesten de beelden
-neergerukt en vertrapt, daar moest de "broodgod", zooals zij schimpend
-de hostie noemden, bevuild en besmeurd gestrooid op de trappen van
-het gehavende altaar. En de roode haan moest kraaien op het dak!
-
-Wat heeft Heer Henricus Turck, die met zijn parochianen was gevlucht,
-bewogen om terug te keeren? Voelde de oude man zich een onwaardig
-herder, een onwaardig priester, omdat hij het heiligdom, dat aan
-zijne zorgen was toevertrouwd, zonder weerstand aan de ruwe gasten
-overliet? Wilde hij het Allerheiligste, de hostie, voor hem het lichaam
-zijns Heeren, redden en bewaren voor ontwijding? Dit laatste is wel
-het waarschijnlijkste. Pastoor Turck was althans teruggekeerd, door de
-groote deur onder den toren, die de koster bij zijn vlucht verzuimd
-had te sluiten, was hij de kerk binnengetreden, en toen de Geuzen er
-binnen drongen, zagen zij bij het flauwe licht der altaarkaarsen den
-grijsaard, die juist den monstrans uit den tabernakel had genomen.
-
-Een wild geroep van "slaat dood den paap! slaat dood den
-baälspriester!" ging uit de bende op.
-
-Bij het roode licht der fakkels ziet pastoor Turck wilde gestalten
-naar het altaar dringen, hij hoort bedreigingen en scheldwoorden,
-wapens flikkeren in het licht der gewijde kaarsen.
-
-Begreep de oude man, dat hij in doodsgevaar verkeerde? Meende hij
-de woeste bende te kunnen bedwingen, door hen voor te houden wat
-voor hem het Allerheiligste was? Hoe het zij, hij bleef staan op de
-bovenste trap van het altaar en hield de aanstormende Geuzen den met
-beide handen hoog opgeheven monstrans voor.
-
-Dat was zijn doodvonnis. Een gehuil van woede ging op uit de dweepzieke
-bende. "Slaat dood den paap!" klonk het opnieuw. Een der Geuzen,
-die met een vuurroer gewapend was, vloog de trappen van het altaar
-op en sloeg met de kolf van het zware wapen den grijsaard neder,
-zoodat hij naar beneden tuimelde. Hij slaakte een kreet van pijn
-en ontzetting. Hij had de patena laten vallen, en de hostiën rolden
-over den grond en werden met voeten getreden, terwijl de grijsaard
-jammerend ineenkromp, onder de slagen en stooten, die hem meedoogenloos
-werden toegebracht.
-
-Jacob Martens was met de Geuzen mede geloopen naar de kerk, omdat hij
-zich niet van de Welle wilde scheiden. Hij was er echter niet binnen
-gegaan. Hij wist, wat de mannen er gingen doen, en hij wist ook,
-dat hij het niet verhinderen kon, al zeide zijn beter gevoel hem, dat
-die daden van geweld, die brandstichting en vernieling van beelden,
-af te keuren waren en de goede zaak niet dienden.
-
-Daar hoorde hij den noodkreet van den ouden priester. Wat was dat? Weer
-mishandeling? Weer moorden misschien. Jacob Martens snelde de kerk
-binnen, den degen in de vuist. De mishandeling van weerloozen zou
-hij beletten!
-
-Aan den voet van het altaar zag hij bij het onzekere licht der
-walmende toortsen een verwarde menschenmassa. Hij zag wapens blinken
-in opgeheven vuisten. Door het woest gelach en geschreeuw der Geuzen
-klonk een oogenblik nog een luid gejammer, dat weldra overging in
-een kermend steunen.
-
-Hij wilde op de groep toeijlen, maar een ijzeren hand greep hem bij
-den arm en hield hem tegen.
-
---"Halt, jonker! Ge kunt dat niet keeren!" gromde de Welle, die,
-op zijn kodde geleund, het tooneel had gadegeslagen en die nu uit de
-schaduw van het kerkportaal naar voren trad.
-
---"Wat moet dat, de Welle?" hijgde Jacob.
-
---"Ze geven den paap de rest. Wat deed hij ook in de kerk?" antwoordde
-de ander onverschillig.
-
---"Weer een moord op een onnoozele! Laat mij los, de Welle!" En Jacob
-wilde zich losrukken, maar de oude boschwachter hield hem stevig vast.
-
---"'t Is te laat, jonker! De paap is al stil! Mieke was ook onnoozel
-en de godzalige Guido de Bray en zoovele broeders in Valencijn waren
-ook geen roffianen of kwaaddoeners. Kom mede, naar buiten, jonker. Ze
-steken de kerk aan."
-
-Zoo was het. Het altaardoek brandde reeds, en aan den voet der
-altaartrappen lag, wonderlijk klein in het roode licht, het lijk
-van Heer Henricus Turck, in zijn zwarten toog. Eenige van de Geuzen
-stapelden de houten banken op tot een reuzenmutsaard, terwijl anderen
-met bossen stroo en rijshout kwamen aanzeulen, die zij in de naburige
-boerderijen hadden gevonden. De toortsen van oud geteerd touw werden
-in het stroo geworpen en weldra sloegen de vlammen uit de ramen. [4]
-
-En terwijl de verschrikte dorpelingen uit de verte den brand hunner
-kerk stonden aan te zien, klonk over de stille velden het psalmgezang
-der aftrekkende Geuzen:
-
-
- Dit sij de loon in allen landen
- Mijner moedwillige vianden;
- Laet sulcks de kwade tong beërven,
- Die met list soecken mijn verderven.
- Maar Gij, o Heer, in desen noot,
- Help mij om Uws naems wille groot.
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-
-Op een van de hoogste toppen aan de landzijde van het breede en
-woeste duin tusschen Nieuwpoort en Duinkerken stond op een fraaien
-Septembermorgen Jacob Martens, op zijn vuurroer geleund, en liet
-zijn oogen weiden over het schoone landschap van West-Vlaanderen,
-dat hij van zijn hooge standplaats uren in de rondte kon overzien.
-
-Hij stond daar als schildwacht. In een duinpan, aan den voet van
-den top, waar hij post had gevat, zat een kleine troep gewapenden
-om de glimmende kolen van het houtvuur, waarbij zij den nacht
-hadden doorgebracht. 't Was een wachtpost der Wilde Geuzen,
-die hier was geplaatst om de wegen in 't oog te houden, die van
-Yperen en Rousselaere naar het duin en dan langs de zandsporen naar
-Nieuwpoort en Duinkerken voerden. Sinds eenigen tijd hield de groote
-bende der Boschgeuzen zich op in de woeste duinstreek, waar zij een
-toevluchtsoord hadden moeten zoeken, toen zij door de troepen der
-Regeering uit hunne schuilhoeken in de bosschen en moerassen bij Yperen
-verdreven waren. De naderende komst van Alva had de bevelhebbers van
-de vendels der Landvoogdes tot nieuwe werkzaamheid geprikkeld. De
-geduchte en gestrenge aanvoerder zou zeker rekenschap vorderen van
-hen, die niet hadden gedaan wat zij konden, om het land van de pest
-der plunderende Geuzenbenden te verlossen. Troepen waren aangerukt
-uit Yperen en Gent en hadden de vluchtelingen in hunne schuilhoeken
-opgezocht. Verbitterd hadden de ballingen gevochten, maar de overmacht
-was te groot. Zij hadden moeten wijken. Sommigen waren naar Frankrijk
-gevlucht, maar de meesten hadden zich verborgen in het woeste duin,
-waar zij veilig waren. Velen van hen waren uit die streken; zij kenden
-de verborgen paden, de diepe valleien, de verborgen duinpannen. Er zou
-een betrekkelijk groote macht noodig zijn geweest, om hen daar op te
-zoeken en uiteen te jagen, en werd die op hen afgezonden, dan konden
-zij gemakkelijk vluchten voor een vijand, die het terrein niet kende.
-
-Ondertusschen wisten de hoofden der Boschgeuzen maar al te wel, dat
-zij streden voor een verloren zaak, en dat zij zich niet lang meer
-in hun laatste schuilhoeken veilig konden achten.
-
-Zij ontvingen geregeld berichten door hunne broeders en
-geloofsgenooten, van wat er omging in den lande. Zij wisten, dat de
-meeste edelen, die nog voor korten tijd zoo stout tegen Granvelle en de
-Regeering waren opgetreden, de zaak der vrijheid ontrouw waren geworden
-en zich met den Koning hadden trachten te verzoenen. Zij wisten, dat
-de Prins van Oranje naar Duitschland was uitgeweken en dat vele mannen
-van naam dat voorbeeld hadden gevolgd. Zij hadden vernomen, dat Alva
-aan het hoofd van zijn klein, maar uitstekend leger de Nederlanden
-was binnen gerukt, dat hij te Brussel was aangekomen--en nu, weinige
-dagen geleden, was heel Vlaanderen opgeschrikt door de tijding, dat de
-graven van Egmond en Hoorne te Brussel waren gevangen genomen. Vooral
-dat dit lot Egmond had getroffen, wekte overal ontsteltenis, ook
-bij de Hervormden. Wel was Egmond na den beeldenstorm meedoogenloos
-opgetreden tegen hen, die in zijn stadhouderschap aan die beweging
-hadden deelgenomen, maar hij was en bleef voor den kleinen man de
-held van St. Quentin en Grevelingen, de dappere krijgsman, tot wien
-men opzag, van wien men hulp verwachtte.
-
-En nu had de nieuwe landvoogd het gewaagd, de hand te slaan aan de
-grooten des lands, aan de Vliesridders, die men onschendbaar had
-gewaand! Wel moest de man, die dat dorst bestaan, zeker zijn van
-zijn overmacht!
-
-En de denkende hoofden onder de Geuzen lieten zich niet door de
-hartstochtelijke predikaties van Jan Machielsz en andere predikers
-in de woestijn misleiden. Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau,
-de Hames, Culemborg, ze waren allen gevloden. Zij, die de wapens tegen
-de Regeering hadden opgevat, hadden geen genade te hopen. Weldra zou
-Alva zijn vendels zenden, om hen op te zoeken en te verdelgen. Zij
-moesten vechten tot het bittere einde of trachten te ontkomen naar
-Engeland. En de weg over zee was niet gemakkelijk. Men moest in een der
-kustplaatsen een visscher vinden, die het wagen dorst, de ballingen
-te helpen, die hen over zou willen zetten naar een der Engelsche
-havens. Wie dat deed, waagde zijn leven, want als hij ontdekt werd,
-wachtte hem de strop. Dat deed niemand, zonder de hoop op een goede
-belooning en de ballingen waren arm.
-
-Zoo hadden zij zich verscholen in de duinen en hunne wachtposten
-uitgezet, om het ten minste bijtijds te vernemen, als de vijand
-naderde.
-
-Van den top van den berg, waar hij post had gevat, kon Jacob
-Martens over den boschrand heenzien, die zich langs het breede duin
-voortkronkelde. De herfstnevels trokken langzamerhand op voor de
-stralen der morgenzon en de statige torens van Poperingen en van Yperen
-kwamen te voorschijn met de vele torentjes der oude dorpskerken, die
-boven het geboomte uitstaken. 't Werd een mooie, heldere Septemberdag
-en het schoone land lag daar vredig onder den fijn blauwen herfstnevel,
-alsof het nooit in zijn rust gestoord was door de zonde en het leed
-der menschen.
-
-Vele gedachten rezen op in den jongen man, terwijl hij droomerig voor
-zich uit staarde. Wat was er in die weinige maanden, die daar sinds
-zijn vlucht uit het Dominicaner-klooster verloopen waren, veel met hem
-gebeurd. Was hij het wel, hij, Jacob Martens, de zoon van den president
-van den Raad van Vlaanderen, nog voor korten tijd een vroolijke,
-onbezorgde jonge man, geëerd en ontzien door de bevolking van de goede
-stad Gent, de verloofde van Madeleine de Bette,--was hij het wel, de
-arme balling, de Geus, op wiens hoofd een prijs was gesteld, die geen
-andere toekomst had, dan te sneuvelen in een roemlooze schermutseling
-of den dood op het schavot, door het zwaard van den beul.
-
-Hoe zou het thans met Madeleine gaan? En met zijn ouders en met
-Klaartje? Zou Madeleine hem trouw blijven? Zeker zou men haar tegen
-hem hebben opgezet. Men zou hem een ketter hebben gescholden en een
-rebel en misschien zou zij thans met afschuw aan hem denken. Waarom
-had hij niet meer, niet ernstiger met haar gesproken over de nieuwe
-dingen, die zijn hart vervulden, over zijn Verlosser en Zaligmaker,
-tot wien hij kon gaan, zonder een priester van noode te hebben,
-over zijn Bijbel, die hem zoo lief was geworden? En dan, over den
-nood van zijn land, over het lijden van zijn geloofsgenooten? Maar
-Madeleine was nog zoo jong en zoo onbezorgd en vroolijk en naar een
-ernstig woord had zij nimmer willen luisteren. Hoe zou zij nu over
-hem denken? En zijn strenge moeder? Zij zou hem voor een afvallige,
-een verlorene houden. Hoe zou zij haar verdriet onder een nog strenger
-en harder uiterlijk verbergen!
-
-Dat het hun allen wel ging, wist hij door de ballingen uit Gent, die
-zich bij de Boschgeuzen hadden gevoegd, maar hij had hun geen tijding
-durven zenden. Hij kon vermoeden, hoe de zijnen over hem denken zouden,
-en daarbij--het was gevaarlijk om in eenige betrekking te staan tot
-een vluchteling van Austruweel. De Gentsche Magistraat en de Baljuw
-waren strenger dan ooit. Hij wist hoe het te Gent was toegegaan. Was
-de eenvoudige kerk der Hervormden, toch met verlof van den Graaf van
-Egmond buiten de stadsmuren gebouwd, niet den 29sten Maart op bevel
-der overheid gesloten? En was dat gebouw niet kort daarop afgebroken
-en vernield?
-
-Neen, er was een kloof tusschen hem en allen, die hij liefhad. Hij kon
-niet tot hen terug keeren, en nu de zaak der vrijheid hopeloos stond,
-nu de Spanjool weldra heer en meester zou zijn in de vrije Nederlanden
-en de Inquisitie de gezuiverde leer overal zou komen vervolgen en
-verstikken, nu was er wel geen kans, dat hij hen ooit zou weerzien.
-
-En onwillekeurig rees in het hart van den jongen man de pijnlijke
-vraag, de vraag, die zoo dikwijls heeft gezweefd op de lippen van hen,
-die streefden naar een ideaal, maar die dat ideaal zagen ontwijd door
-de zonden en zwakheden van hunne medestanders, van wie zij zich toch
-niet los konden maken: was dat, waarvoor hij gestreden had, den prijs
-wel waard? Den hoogen prijs, dien hij betaald had?
-
-Wat gingen hem ten slotte de vrijheden des lands aan? Had hij God niet
-kunnen liefhebben en dienen, al bleef hij voor de wereld de Roomsche
-kerk getrouw? Hij kon zijn Bijbel lezen in 't geheim en Titelman
-zou zich wel hebben gewacht, zich te vergrijpen aan den zoon van den
-President van het Hof van Vlaanderen.
-
-En wat waren ten slotte die mannen, in wier gelederen hij streed, die
-Boschgeuzen, waartoe hij gerekend werd? Waren zij, de kerkschenners
-en plunderaars, de roffianen, die weerlooze priesters mishandelden,
-de strijders voor de gezuiverde religie? Dat waren geen mannen als
-Jan van Thoulouse en jonker Blois van Treslong...
-
-Zóó mijmerde Jacob Martens. En er waren oogenblikken, dat hij had
-kunnen wenschen, dat alles, wat hij in de laatste maanden doorleefd
-had, een booze droom zou blijken, een droom, waaruit hij straks
-zou ontwaken in de deftige heerenhuizinge te Gent, in zijn rustige,
-veilige kamer...
-
-In de verte klepte het klokje van een dorpskerk. Het was acht uren
-zeker. Het dunne, schrille geluid kwam met den morgenwind over de
-velden aangezweefd, nu eens duidelijk, dan weer nauwelijks hoorbaar.
-
-Jacob Martens schrikte op uit zijn mijmering. Zijn gezicht
-veranderde. Het schrille klokje riep iets wakker in zijn geest, het
-tooneel, dat hij had gezien op een morgen, nu bijna twee jaren geleden,
-daarginds bij de stadskraan te Gent. Hij zag weer het bleeke gelaat
-der veroordeelde Doopersche, hij zag den blik, waarmede zij haar kind
-aanzag; hij hoorde weer de plechtige woorden: "Sijt getrouwe tot in
-den doet, ende ick zal u geven die crone des levens."
-
-Getrouw tot in den dood,--zoo was die arme, eenvoudige vrouw gestorven
-voor het geloof, dat zij niet wilde verzaken.
-
-Krachtig richtte de jonge man zich op. Ja, het was het waard! Het
-onvervalschte Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid, de vrije
-verkondiging van dat Evangelie, zonder geloofsdwang, ze waren de offers
-waard, die hij en zoo velen met hem hadden gebracht. En de vrijheid
-des lands was het waard! Moest hij zijn makkers, de onwetenden, de
-wanhopigen, zoo hard vallen om hun wilde wraakzucht, die woedde tegen
-hen, die, naar hun meening, heulden met hunne onderdrukkers? Als
-men die woestelingen in de gelegenheid stelde, in een eerlijken
-strijd te kampen voor de goede zaak, dan zou het blijken, dat het
-geen wraakzucht alleen was, die hen bezielde, dan zouden zij moedig
-strijden en sterven als het wezen moest, voor vrijheid van geweten,
-voor de vrijheid van hun volk.
-
-De goede zaak? Was het dan geen verloren zaak? Zou Jan Machielsz
-gelijk hebben, als hij in zijn wilde, vurige predikaties sprak van
-den God der wrake, die zou opstaan tegen de Heidenen, die Zijn volk
-verdrukten, die uitkomst zou geven, als de nood 't hoogst was?
-
-En zeker, Hij, de Almachtige, kòn uitkomst geven!
-
-Vaster omklemde Jacob den loop van zijn handbus, terwijl hij, uit
-zijne mijmering ontwaakt, den omtrek afspiedde, dien hij, als een
-goed schildwacht, in het oog moest houden.
-
-Hij had reeds eenige oogenblikken op het smalle zandspoor, dat uit de
-richting van Poperingen duinwaarts leidde, iets ongewoons bespeurd,
-maar hij was zoo in zijne gedachten verdiept geweest, dat hij er geen
-aandacht aan had geschonken.
-
-Boos op zichzelf, om zijn gebrek aan waakzaamheid, keek hij thans
-scherper. Weldra onderscheidde hij de witte huif van een kar, zooals
-die overal in Vlaanderen werden gebruikt. Het voertuig kwam nader. 't
-Was een gewone boerenkar op twee wielen, door een enkel paard langzaam
-en met moeite door het mulle zand getrokken. De voerman liep er naast.
-
-Er was geen gevaar! Maar wat voerde die kar hierheen, naar de woeste
-duinen, die zoo zorgvuldig gemeden werden door de Roomsche bewoners
-der streek, sinds men wist, dat de Geuzen er huisden?
-
-Jacob blies op het metalen fluitje, dat naast zijn Geuzenpenning
-aan een koord om zijn hals hing, en maakte met den linkerarm een
-afgesproken teeken. 't Was geen alarmsein, maar het moest de mannen
-in de duinpan waarschuwen, dat hun schildwacht iets bijzonders had
-opgemerkt. Weldra stond de Welle naast Jacob. Een paar der Geuzen lagen
-voorover op den grond en allen tuurden met aandacht naar de naderende
-kar. Het forsche paard stapte rustig, met zwaren, zekeren tred
-voorwaarts. Reeds hoorde men het rinkelen der bellen aan de haam en
-de kreten van den voerman, die het dier tot meerderen spoed aanzette.
-
-Op de voorbank van de kar zat een man, schijnbaar verdiept in een
-boek, dat op zijne knieën lag. Voor zoover de Geuzen zien konden,
-was hij alleen.
-
-De Welle wisselde een paar woorden met de andere mannen.
-
-Dat men de kar zou aanhouden, stond vast, al was het alleen maar
-om berichten in te winnen, om, als 't kon, nieuws te hooren uit
-Brussel. Maar wie kon de man zijn, die zich daar zoo rustig in
-hunne handen kwam leveren? Een spion van de Spanjolen en de
-Inquisitie? Maar wie zou zóó met zijn leven spelen? Toch was
-voorzichtigheid noodzakelijk.
-
-De mannen verdwenen van den heuveltop. Daar, waar het spoor het duin
-bereikte, waren de hellingen begroeid met laag hout. Daar kon men
-zich in hinderlaag leggen.
-
-Toen de kar zich in den hollen weg tusschen de eerste duinen bevond,
-zag de voerman tot zijn schrik wilde gedaanten uit het kreupelhout
-oprijzen. Een barsche stem beval hem, stil te houden. Forsche handen
-grepen het paard bij den teugel en de kar was in een oogenblik door
-gewapende mannen omringd.
-
-De man in de kar was opgesprongen. Hij was nog jong, slechts een
-vijftal jaren ouder, naar 't scheen, dan Jacob Martens, en hij droeg
-de kleeding van een deftig burger. Zijn bleek gelaat teekende schrik
-en verwarring. Toen viel zijn oog op de Geuzenpenningen en de napjes,
-die zijn aanranders om den hals droegen. Hij slaakte een zucht van
-verlichting.
-
---"Geuzen?" zei hij, terwijl hij zich het zweet van het voorhoofd
-wischte. "Goddank! Ik dacht, dat jelui soldaten van Noircarmes
-waart. Vivent les Gueux!"
-
-Haastig greep hij naar zijn fluweelen bonnet, die naast hem op de
-bank lag, en haalde uit de voering een fraaien zilveren geuzenpenning
-aan een smal zwart lint te voorschijn, dien hij triomfantelijk aan
-de om hem heen staande mannen toonde. Dezen wisselden blikken van
-verstandhouding.
-
---"Dat is nu alles mooi en wel," zei Pieter de Welle wantrouwend, "maar
-een Geuzenpenning kan ieder dragen, en dat bewijst nog niets. Jonker,
-spreek eens met dien gast! 't Is er een van je eigen stiek. Vraag
-hem eens, wie hij is en wat hij hier in het duin te zoeken heeft."
-
-Jacob Martens kwam naderbij en keek den vreemdeling onderzoekend
-aan. 't Was hem, of hij dat fijn besneden gezicht met de van vernuft
-tintelende donkere oogen en den ietwat zwakken, zinnelijken mond meer
-gezien had. Het was... ja, het was te Antwerpen geweest. Nu herkende
-hij den man!
-
---"Jonker Jan van der Noot!" zei hij, beleefd groetend. "Wat voert
-u hier? Ik dacht u veilig en wel te Antwerpen."
-
-De Antwerpenaar keek verrast op.
-
---"Ge kent mij?" zei hij verbaasd. "Maar--ik heb u ook meer gezien. Ik
-heb u gezien bij een vendel van Thoulouse."
-
-Jacob noemde zijn naam. De Brabander knikte levendig.
-
---"Ik ben er trotsch op, een van de helden van Austruweel de hand
-te mogen drukken," zei hij een weinig theatraal. "Die arme Jan van
-Thoulouse!"
-
---"Als die van Antwerpen mee hadden gevochten voor de goede zaak,
-zou de Heer van Thoulouse misschien nog leven!" riep Pieter de Welle
-grimmig.
-
---"Wij hebben het gewild!" verzekerde de Antwerpenaar gejaagd. "Wij
-hebben de Roode Poort open willen breken. Wij, Gereformeerden, waren op
-de Meere en wij hebben de Vroedschap willen dwingen. Maar de Prince van
-Orange heeft het ons belet. Hij was bang voor de troepen van Lannoy..."
-
---"Al genoeg!" zei de Welle wrevelig. "Wat gebeurd is, is gebeurd en
-misschien had de Prins geen ongelijk. Je kent hem dus, jonker. Maar
-wat doet hij hier?"
-
---"Jonker van der Noot was in de Vroedschap van Antwerpen," zei Jacob,
-"en hij is van de Gereformeerde religie, maar hoe komt ge nu eigenlijk
-hier, Mijnheer van der Noot?"
-
-De Antwerpenaar wierp een schuwen blik om zich heen.
-
---"Ik ben gevlucht!" zei hij met gesmoorde stem. "Hebt ge gehoord,
-hoe de Duc d'Albe gedaan heeft met de graven van Egmond en Hoorne?"
-
-Jacob Martens knikte toestemmend.
-
---"Als Judas Iskarioth. Hij heeft ze bij zich genoodigd en na het maal
-heeft hij zijne gasten laten vangen. En van Stralen, en Bakkerzeele--en
-nog zooveel anderen. Allen van de religie, en allen, die 't Compromis
-hebben geteekend of ter preeke zijn geweest--wij zullen allen als
-hoogverraders worden vervolgd. Ik ben 't nog ontkomen. Ik wil naar
-Engeland oversteken..."
-
-Hij wierp een onrustigen blik op den weg, dien hij zooeven had
-afgelegd, als vreesde hij, de vervolgers te zien opdagen.
-
---"Naar Engeland? Dat is niet zoo gemakkelijk in deze dagen,"
-zei Jacob.
-
---"'t Doet er niet toe! Ik wil 't beproeven. Een visscher zal wel te
-vinden zijn, die 't voor goed loon wagen wil. Ik heb geld..."
-
-Hij keek schuw om zich heen. Blijkbaar had hij zich versproken. De
-wilde gestalten, die hem omringden, boezemden hem weinig vertrouwen in.
-
---"Je kunt gerust rammelen met je Filipsdaalders," zei de Welle, die
-zijn aarzeling opmerkte, norsch. "Wij zijn geen boeven of roovers en
-wij zullen een van de religie niet bestelen. De jonker staat voor
-je in, dat is ons genoeg! Maar wat moet er nu met die kar en den
-voerman gebeuren?"
-
-De laatste stond bij zijn groot paard en staarde met open mond en
-oogen het tooneel aan. Blijkbaar was hij weinig op zijn gemak. Hij
-keek met verschrikte blikken naar de gewapende mannen, de Wilde Geuzen,
-van wie men in den lande zooveel vreeselijks vertelde.
-
---"Kan hij mij niet naar de kust brengen?" vraagde de Antwerpenaar.
-
-De Geuzen morden en mompelden onder elkander.
-
---"Wij willen geen spionnen in 't duin!" zei er één barsch.
-
---"Wat weten wij van den kerel?" vraagde een ander. "Hij kan ons best
-aan de soldaten verraden. 't Veiligst zou zijn..."
-
-Hij maakte een veelbeteekenende beweging en keek tegelijk naar den
-laagsten tak van een naburigen eik.
-
-Eén oogenblik zag het er voor den armen voerman hachelijk uit, maar
-Jonker van der Noot kwam tusschenbeide. Hij verzekerde de Geuzen,
-dat de man goed Gereformeerd was, al was 't in het verborgen. Het
-Consistorie te Antwerpen had hem brieven medegegeven voor de broeders
-in Poperingen, die hem hadden voortgeholpen. Deze man had zijn eigen
-hals in gevaar gebracht, om hem, een balling, te helpen vluchten. Hij
-had dan ook te voet de stad verlaten en had op een eenzame plaats de
-huifkar gevonden, die hem volgens afspraak daar wachtte.
-
-Nog waren sommige Geuzen niet gerust gesteld. Een verward gemompel
-ging er op uit den hoop.
-
---"We zullen het spoedig weten," zei Pieter de Welle opeens. "Waar
-is Gheleijn de Rosse?"
-
-Een reusachtige West-Vlaming, met ros haar en een sproeterig gezicht,
-trad uit den hoop naar voren.
-
---"Jij bent uit Poperingen," zei de Welle. "Als die kerel tot de
-religie behoort, moet hij de broeders kennen. Vraag hem, wie in het
-Consistorie zitten."
-
-De Geuzen begonnen te grinniken.
-
---"Juist iets voor den Rosse!" spotte één van de mannen.
-
---"Vraag hem liever, hoeveel taveernen er in Poperingen zijn! Dat
-weet hij beter!" beweerde een ander.
-
-Maar Gheleijn liet zich niet in de war brengen. Hij was een trouw
-bezoeker van de taveernen geweest, maar in den tijd, nog zoo kort
-geleden, dat hij een rustig burger van Poperingen was, was hij mee
-ter preek gegaan in den nu afgebroken "tempel" der Gereformeerden
-en er had een straal van licht geschenen in zijn donker gemoed. En
-wat hij daar ontvangen had, was genoeg geweest om hem de zijde der
-vervolgden te doen kiezen, zoodat hij thans een balling was.
-
-Hij stoorde zich niet aan het lachen zijner makkers, maar hij stelde
-den voerman eenige vragen, die deze, hoewel sidderend van angst,
-toch vrij nauwkeurig beantwoordde. Gheleijn de Rosse verklaarde zich
-voldaan en de man kreeg verlof, om terug te keeren, want men wilde
-hem niet toestaan, zijn reis voort te zetten. De Geuzen zouden zelf
-den Antwerpschen jonker langs de hun bekende duinpaden naar de kust
-geleiden.
-
-Nadat de voerman van jonker van der Noot een ruime belooning had
-ontvangen, liet hij het groote paard keeren en de huifkar keerde
-langzaam terug langs den zandweg.
-
-Gheleijn de Rosse liep een eindweegs mede. Hij was blij, weer iets
-van Poperingen te hooren.
-
-De Boschgeuzen namen hun gast mede naar de duinpan, waar zich hun
-kamp bevond, en gaven hem het voedsel, dat zij hem konden voorzetten:
-grof tarwebrood, spek en bier. Toen hij zijn maaltijd geëindigd had,
-verzocht Jacob Martens den Antwerpenaar, hun iets mede te deelen over
-den toestand te Brussel. De anderen schikten zich haastig om hem heen,
-om te luisteren.
-
-'t Was een eigenaardig gezicht, de Brabantsche edelman te midden
-der woeste gezellen, die, op hun wapens om hem en hun aanvoerders
-heen stonden, om te luisteren naar wat hij zou mededeelen over den
-Spaanschen hertog, den vijand van Gods volk, die daarginds te Brussel
-zich opmaakte om de vrijheid en de religie te onderdrukken, voorgoed.
-
-Op den top van 't hooge duin waakte alleen de schildwacht, die Jacob
-Martens had afgelost.
-
-En de Brabantsche edelman begon te vertellen, eerst stootend en
-zenuwachtig, blijkbaar onder den indruk van zijn omgeving en nog
-altijd min of meer bevreesd voor zijn ruwe gastheeren, maar weldra,
-toen hij hunne belangstelling bemerkte, druk, levendig en boeiend. Hij
-verhaalde van Alva's intocht in Brussel, van de uitrusting en de
-krijgstucht zijner Spaansche en Italiaansche vendels, van de lange,
-Spaansche musketten, wijder geboord en verder dragend dan de handbussen
-en haaksen der Walen en Duitschers, geduchte wapens, die men in deze
-landen nog nimmer had gezien.
-
-Hij sprak over het verraad te Brussel, over de gevangenneming van
-Egmond en Hoorne, van Bakkerzeele en van Stralen en van zooveel
-Nederlandsche edelen, die zich door den sluwen hertog in de val hadden
-laten lokken. Hij vertelde van de nieuwe rechtbank, die Alva had
-ingesteld, en die, met verkrachting van alle rechten en privilegiën, de
-zaken zou berechten van hen, die in de laatste jaren hadden gehandeld
-tegen de plakkaten of deelgenomen hadden aan het verzet tegen Granvelle
-en de Regeering, en dat met voorbijgaan van de Hoven der Gewesten en
-de schepenbanken der steden. De hertog zelf zou voorzitter zijn van
-die rechtbank, die nu weldra met haar bloedig werk zou beginnen. Twee
-Spanjaarden, Vargas en del Rio, zouden de voornaamste bijzitters zijn,
-en verscheidene Nederlandsche rechtsgeleerden, leden van de Hoven der
-verschillende gewesten, waren geroepen, om mede zitting te nemen in
-dien Raad van Beroerten, zooals Alva zijn nieuwe schepping had gedoopt.
-
-Het trof Jacob Martens, dat de Antwerpenaar, terwijl hij dit alles
-verhaalde, hem meer dan eens aanzag met een vreemden, onderzoekenden
-blik. Eens viel hij zich zelf in de rede met de vraag, of dit alles
-jonker Martens inderdaad onbekend was.
-
-Dichter drongen de Geuzen om den spreker, met ernstige, sombere
-gezichten. Zij gevoelden allen wel, wat dat beteekende. 't Scheen
-gedaan met hunne zaak en met die der vrijheid.
-
-En van der Noot verhaalde, hoe ieder, die te Antwerpen ter preek was
-geweest, of een Geuzenpenning had gedragen of deel had genomen aan
-de oproerige beweging tegen de Magistraat, onder allerlei vermomming
-de stad trachtte te verlaten, om te vluchten naar Duitschland of
-Engeland. Er liepen allerlei geruchten. Men zei, dat de Prins van
-Oranje en zijne broeders troepen aanwierven om de Spanjolen te
-verdrijven.
-
-En dan koesterde men groote verwachtingen van de hulp der Huguenoten
-in Frankrijk. Wat de ballingen reeds bij geruchte hadden vernomen,
-kon hun gast thans bevestigen. Condé en de Coligny, de trouweloosheid
-van de Koningin-Moeder, Catharina de Medicis, moede, zonnen op een
-stouten aanslag. Zij verzamelden hunne aanhangers. Weldra zou men van
-hen hooren! Maar,--hun, die thans in Alva's handen vielen, zou dit
-alles niet veel baten. Wie kon, moest vluchten, om in den vreemde te
-werken voor de vrijheid en de gezuiverde religie.
-
-Zoo sprak jonker van der Noot, en het scheen wel, alsof hij zijn
-vlucht bij de Geuzen wilde verontschuldigen.
-
-Zwijgend hadden de mannen zijn verhaal aangehoord. Toen hij zweeg,
-voegden de meesten zich bij elkander en begonnen op gedempten toon
-een gesprek. De Antwerpenaar maakte van de gelegenheid gebruik en
-wenkte Jacob ter zijde.
-
---"Hebt ge in den laatsten tijd niets van uwe familie vernomen,
-jonker Martens?" vraagde hij, op schijnbaar onverschilligen toon,
-maar met denzelfden onderzoekenden blik van straks.
-
---"Al sinds maanden niet!" antwoordde Jacob. "Gent is ver en maar
-zelden waagt het iemand, op kondschap uit te gaan."
-
---"Naar Gent? Maar weet ge dan niet, dat ze te Brussel zijn?" vraagde
-de ander verrast. "En dat uw vader..."
-
---"Mijn vader, zegt ge? Wat is er met hem?"
-
---"Lid is van die rechtbank van Alva? Van zijn Raad van Beroerten?"
-
---"Trek het u zoo niet aan, man!" vervolgde de Antwerpenaar, toen
-hij zag, dat Jacob ontstelde en onwillekeurig verbleekte. "'t Is
-alles het werk van Viglius. Hij zelf is buiten schot gebleven, de
-sluwe vos! Hij verontschuldigde zich op grond van zijn leeftijd en
-zijn nieuwbakken geestelijke waardigheid. Maar hij heeft aangeraden,
-Nederlandsche rechters in den Raad te nemen, om de inbreuk op de
-rechten en privilegiën zooveel mogelijk te verbergen. Ook de president
-van Artois heeft zitting moeten nemen..."
-
-Somber staarde Jacob voor zich uit. Zijn vader lid van Alva's raad,
-in dienst van den Spaanschen dwingeland; hij, de zoon, een Geus, een
-balling, wiens hoofd op 't schavot zou vallen, indien 't den Spanjaard
-of de knechten van Noircarmes immer mocht gelukken hem te grijpen..."
-
---"'t Spijt me verbazend, jonker Martens, dat ge dit booze nieuws
-juist uit mijn mond moest hooren," zei van der Noot hartelijk. "Maar,
-nietwaar, lang was 't u niet verborgen gebleven. En hoe kon ik ook
-weten, dat ge zóó weinig van uwe familie hadt vernomen? Ge weet dan
-ook niet, dat uw zuster en de vorstelijk schoone joffer Madeleine
-twee nieuwe starren zijn aan den hemel van 't Hof te Brussel? O de
-zoete maagdekens! Ik ben goed Geus, jonker Martens, maar bijlo,
-om die fiere godinnen zou het mij kunnen smarten, dat ik balling
-'s lands moet worden, zij het dan om den wille van de religie. Vóór
-ik heenging, schreef ik voor de goddelijke Madeleine een liedeke,
-naar den nieuwen trant, dien wij geleerd hebben van de excellente
-Latijnsche poëten en van "le divin Ronsard." Ha, ge kent haar, jonker;
-ge moet het hooren, vóór ik u verlaat."
-
-En de beweeglijke Brabander haalde uit de leeren tasch, die aan zijn
-gordel hing, een schrijfboekje in perkamenten omslag te voorschijn,
-opende het haastig en begon te declameeren:
-
-
- Ghelijck den dagheraet
- Hem lustich openbaert
- Des morgens in den oosten,
- En compt vrij onvervaert
- Die 't snachts waren beswaert,
- Deur sijn clarighheyt troosten.
-
- Alsoo word mijnen geest
- Oock verfraijt aldermeest
- Deur u reijn minlijck wezen:
- En u bruijn oochskens claer
- En u schoon gitswart haer
- Cunnen mijn pijn ghenesen.
-
- Ghelijck den suijden wint
- Die Flora seer bemint
- Int suetste van den Meye,
- De bloemkens groeyen doet,
- Die men siet overvloet,
- In bosch, berch en valleye.
-
- Alsoo can uwen sanck
- En u schoon aanschijn blanck
- Mijn swarichheyt verdrijven,
- En doen mij met ioleyt
- In desen sueten tijt
- U gratien beschrijven.
-
-
-De dichter zag zijn metgezel vragend aan, als verwachtte hij de
-toejuiching, waarop hij recht meende te hebben. Jacob boog hoffelijk en
-sprak een paar woorden van beleefde waardeering, al kon hij een gevoel
-van jaloezie niet onderdrukken. Maar 't was immers zijne Madeleine,
-die hier werd gehuldigd, zijne Madeleine, die hem zeker trouw zou
-blijven, ook in dezen boozen tijd, die om hem treurde misschien...
-
-En mijmerend over zijn jonge liefde, dacht hij er niet aan, hoe weinig
-het liedeke eigenlijk paste in deze omgeving en op dit oogenblik. Een
-"zoete tijd": 't Was een tijd vol jammer, die ging aanbreken, die
-reeds aangebroken was...
-
-De stem van jonker van der Noot schrikte hem op uit zijn gepeins.
-
---"Als 't geen indiscretie was, jonker Martens," snapte hij voort,
-"zou ik durven zeggen, dat 't mij verwondert, dat la divine Madeleine u
-niet heeft kunnen boeien. Daarbij--une riche héritière,--nietwaar? Al
-de Spaansche officieren maken haar het hof. Maar men zegt, dat zij
-verloofd is aan een Waalsch edelman, den jonker de St. Foy..."
-
---"Thierry de St. Foy?" vraagde Jacob. Zijn stem beefde en slechts
-met moeite bedwong hij zijn aandoening, maar de ander bemerkte het
-niet. Hij was te zeer verdiept in de herinnering aan die hofkringen,
-waarvan hij zoo noode had moeten scheiden.
-
---"Kent gij hem?" vraagde hij eenigszins verrast. "'t Is een arme
-bloedverwant van de Croys. Hij was page van den hertog van Aerschot,
-maar is nu vaandrig bij de troepen van Noircarmes. Hij zal wel spoedig
-een luitenantsplaats krijgen, en dan een compagnie, want hij heeft
-machtige beschermers. En, zooals ik zeide, hij is onafscheidelijk van
-de schoone Madeleine. Men meent, dat de president en uwe moeder hem
-wèl genegen zijn en zijne werving begunstigen. 't Is inderdaad jammer,
-dat... Maar ik wil niet indiscreet zijn," voegde hij er eenigszins
-verlegen bij, toen hij het strakke gezicht van zijn metgezel eindelijk
-opmerkte en begon te begrijpen, dat zijn gesnap weinig op zijn
-plaats was.
-
---"Weet ge wat ge doen moest, jonker?" ging hij met ongeveinsde
-hartelijkheid voort. "Ga met mij naar Engeland. De Koningin is die
-van de religie genegen. Ge vindt licht een plaats bij de lijfwacht
-als cadet. Ik help u met uw uitrusting, als ge mij de eere wilt doen
-het noodige van mij te leenen. Of als 't waar is, dat de Prins van
-Oranje en zijne broeders een aanslag willen wagen,--te Londen vindt
-ge licht gelegenheid om naar Embden te komen, en ge kunt u bij hen
-aansluiten. Een officier, die bij Austruweel gevochten heeft, zal hun
-welkom zijn. Hier--en hij keek voorzichtig rond, of geen der Geuzen
-hem beluisterde--hier bij deze boeven en briganten is uw plaats toch
-niet. En als de vendels van den hertog hen komen opzoeken, zal het
-spoedig met hen gedaan zijn."
-
-Jacob betuigde hoffelijk zijn dank voor het heusche aanbod, maar
-hij weigerde vastberaden, zijn makkers, met wie hij lief en leed
-gedeeld had en die op hem vertrouwden als een van hunne aanvoerders,
-te verlaten. Alleen verzocht hij jonker van der Noot, hem te zeggen,
-waar zijn ouders te Brussel woonden, als hij dat wist.
-
-Daartoe was de Antwerpenaar gaarne bereid. De President had met
-zijne familie de huizinge betrokken van een der gevluchte edelen,
-niet ver van het paleis van den hertog van Aremberg. De goederen van
-de ballingen waren verbeurd verklaard en de hertog gebruikte hunne
-huizen voor den dienst des Konings. Maar jonker Martens zou toch zoo
-dwaas niet zijn, zelf zijn hoofd aan den beul te gaan leveren? En
-nogmaals drong hij er op aan, dat Jacob hem zou vergezellen, indien
-hij er in slaagde te vluchten en hij zweeg eerst, toen zijn aanbod
-kort en beslist werd geweigerd.
-
-Tegen den middag kwamen twee Geuzen terug, die op kondschap waren
-uitgezonden. Zij brachten goede tijding. Ze hadden een visscher
-gevonden, die voor een groote belooning het wilde wagen, den
-vluchteling naar Engeland te brengen. Tegen den avond zou hij op een
-eenzaam gedeelte van de kust den Antwerpenaar in zijn boot opnemen. Een
-paar van de Boschgeuzen, die het zwervend leven moede waren, wilden
-van de gelegenheid, hun thans geboden, gebruik maken. Zij wisten,
-dat zij daarginds werk en brood zouden vinden.
-
-In den laten namiddag nam jonker Jan van der Noot afscheid van
-zijne ruwe gastheeren en van Jacob, wien hij als een gedachtenis
-het in perkament gebonden schrijfboekje met het kostbare minnedicht
-vereerde. Hij begon zijn avontuurlijke zwerftochten, die zouden
-eindigen met zijn terugkeer tot de Moederkerk en zijn aannemen van de
-amnestie der Regeering. Voor een martelaar was de dichter-magistraat
-niet in de wieg gelegd!
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-
---"En ge zijt dus vast besloten, jonker, uw hoofd in den strik te
-steken? Want dat is het en anders niet! Als iemand u herkent, dan
-ligt het zwaard van Meester Harmen, den beul van Brussel, voor u
-klaar! En er zijn valsche vrienden en verraders genoeg, die gaarne
-bij den Spanjool een plasdank zouden verdienen, al was 't maar om
-hun eigen lei schoon te vegen."
-
---"Ik weet het wel, de Welle. Ik weet, dat ik mijn leven waag. Maar
-dat is de eerste keer niet! En ik moèt naar Brussel!"
-
---"En de jonker wil mij niet zeggen, waaròm? Zeker heeft die Brabander
-het een of ander verteld, dat den jonker drijft. Ik wilde, dat de
-wereldsche sadduceeër met zijn fijnen tabbaard in de Schelde was
-gebleven! Nu naar Brussel, nu die Ducdalf, als ze hem noemen, zijn
-handen slaat aan Gods volk en alles vlucht, wat vluchten mag! Beraad
-u er op, jonker, en toef nog een poos!"
-
-'t Gesprek werd gevoerd in een woeste duinvallei, ver van de
-legerplaats der Boschgeuzen. Den dag na het vertrek van jonker van
-der Noot had Jacob Martens zijn ouden makker verbaasd en ontsteld
-door de mededeeling, dat hij belangrijke tijding had ontvangen, dat
-zijne ouders te Brussel waren en dat hij hen zien moest. Te vergeefs
-had Pieter de Welle op een nadere verklaring aangedrongen. Het strakke
-gelaat van zijn welbeminden jonker zeide hem niets: alleen was er een
-harde trek om den mond, die getuigde van een koppige vastberadenheid
-en stroever dan anders had Jacob Martens zijn vroegeren onderhoorige
-te verstaan gegeven, dat hij zich door niemand zou laten weerhouden,
-zijn plan ten uitvoer te brengen.
-
-Dat plan in de legerplaats te bespreken, in de tegenwoordigheid hunner
-makkers, zou dwaasheid geweest zijn. Als het uitvoerbaar was, dan
-moest het in het diepste geheim geschieden. De Wilde Geuzen stonden
-nog in betrekking met hunne geloofsgenooten in West-Vlaanderen, en een
-gerucht, dat een van de aanvoerders der bende een gevaarvollen tocht
-ging ondernemen, zou snel genoeg verspreid zijn, om in die dagen van
-angst en vreeze zulk een tocht tot een roekeloos waagstuk te maken. Het
-was, zooals de Welle had gezegd: vele valsche broeders, velen zelfs,
-die aan den beeldenstorm hadden deelgenomen, poogden in die dagen hun
-verleden te doen vergeten en zich met de Regeering te verzoenen door
-het verraad van hunne vroegere geloofsgenooten en medestanders.
-
-En daarom had de Welle Jacob Martens bezworen, zijn besluit nog eens
-te overwegen, en hem medegenomen naar de eenzame duinpan, om de zaak
-nog eens ernstig met hem te bespreken.
-
-Het bleek den ouden koddebeier echter weldra, dat hij die moeite had
-kunnen sparen. Jacob Martens was vast besloten, het kostte wat het
-wilde, de reis naar Brussel te ondernemen. Dat dit plan in verband
-stond met het bezoek van jonker Jan van der Noot, begreep de Welle
-zeer goed, al wist hij het rechte niet. Hij verwenschte den luchtigen
-Brabander in den grond van zijn hart en in termen, die zijne meer
-"precise" geloofsgenooten zeker niet weinig zouden hebben geërgerd.
-
---"Wanneer het den jonker alleen te doen is om betrouwbare kondschap
-van zijn familie of om een boodschap van belang, kon hij mij
-zenden!" vischte hij.
-
---"Alsof het voor jou niet even gevaarlijk was als voor mij!" zeide
-Jacob. "Men kent je te goed, de Welle, en er zijn er genoeg, die je
-gaarne in pijn en banden zagen. Men zou je de tortuur niet sparen,
-om je van onze schuilplaatsen te laten klappen."
-
---"O ho, wat dat betreft, mij vangen ze zoo spoedig niet!" zei de
-Welle. "En 't is den Spanjool ook niet om klein wild te doen. Hij
-wil de groote heeren treffen en niet de kleine luyden. Laat mij gaan,
-jonker; binnen een week breng ik u bescheid."
-
-Jacob schudde het hoofd.
-
---"Ik moet er zelf heen, de Welle," zei hij kort. "Houd mij niet op."
-
---"Dan ga ik met u, jonker. Alleen laat ik u niet in den strik
-loopen. Ik zie, dat ge er uw hart op gesteld hebt. Welnu, twee zien
-meer dan één en men kan geen oud hoofd op jonge schouders verwachten."
-
---"Ik moet gaan, de Welle. Maar jij, waarom zou je je in gevaar
-begeven? Je waagt je leven en de tortuur..."
-
---"Mijn leven is in Gods hand en voor de tortuur ben ik niet
-bang. Meent ge dan, jonker, dat het leven voor den ouden man nog
-zooveel waarde heeft, sinds dien avond, toen Mieke..."
-
-De Welle wendde zich af en staarde voor zich uit.
-
---"Kijk, jonker," ging hij na eenige oogenblikken met heesche stem
-voort, "de jonker is 't eenige, wat mij nog aan het leven hecht. Als
-ik den jonker nog eens als hopman of luitenant aan het hoofd van
-zijn vendel tegen de Spanjolen mag zien vechten,--hoe eer dan een
-Spaansche piek... En God zij mijn ziel dan genadig!"
-
-Jacob keek den ouden man in het gerimpelde gelaat.
-
---"Laat het dan zoo zijn, de Welle," zei hij aangedaan. "Wij zullen
-'t samen bestaan, en als 't moet zullen wij samen vallen. Vivent
-les Gueux!"
-
---"Maar," ging hij bedaarder voort, "wanneer je met mij naar Brussel
-wilt, dan heb je ook het recht te weten, wat mij er heen voert. Zie, de
-Welle, toen ik vluchtte uit Gent, liet ik er veel achter, mijn ouders,
-mijn zuster, en dan.... je hebt bij ons de joffer de Bette gezien?"
-
-De Welle knikte toestemmend. Zijn staalblauwe oogen keken den jongen
-man onderzoekend aan. Jacob Martens' door weer en wind gebruind
-gelaat kleurde.
-
---"Ik had de joffer de Bette lief, de Welle," zei hij eenvoudig,
-"en--ik rekende op haar trouw. Ik hoopte,--ik wist zelf niet, wat
-ik hoopte. Maar als de onzen overwonnen hadden, als ons goede land
-van Vlaanderen vrij was, dan kon ik toch hopen... Maar dat is alles
-nu voorbij!"
-
---"Ik had met dien Antwerpenaar naar Engeland kunnen vluchten," ging
-hij voort. "Hij bood het mij aan. En als 't waar is, dat de Prins van
-Oranje en zijn broeders troepen werven, om den Spanjool uit 't land
-te jagen, dan had ik wel een kans gevonden om naar Duitschland over
-te steken en ik had wel een brevet als luitenant gekregen en ook een
-plaats voor jou, als je mij hadt willen vergezellen. Maar de jonker
-van der Noot vertelde mij nog meer. Hij zei mij, dat Madeleine,--dat
-de joffer de Bette verloofd was met Thierry de St. Foy..."
-
---"Met dien Paapschen Waal, die ons volgde naar Middelburg? Dien
-vroegeren vriend van den jonker?" vraagde de Welle.
-
---"Ja, en als dat waar is, dan heeft men haar gedwongen!" riep Jacob
-onstuimig. "En daarom kon ik niet naar Engeland! Daarom moet ik naar
-Brussel, om haar te spreken en uit haar eigen mond te hooren, of zij
-mij vergeten heeft. Want zij is te Brussel, omdat--je moet nu alles
-weten, de Welle--omdat mijn vader een rechter is in die rechtbank
-van Alva, waar de lieden met zooveel angst van spreken!"
-
-De oude koddebeier schudde meewarig het hoofd.
-
---"God beproeft Zijn volk, jonker, en geeft het over in de hand zijner
-vijanden. Zie toe, dat ge uzelf en uw vrienden niet in 't verderf
-stort, omdat uw hart hangt aan die Paapsche joffer. Maar ik zie wel,
-dat woorden niet baten! Jong bloed is heet! We zullen 't dan wagen,
-maar ik wacht van dien tocht weinig goeds."
-
-Nu moest aanstonds het plan voor de gevaarlijke reis beraamd. De naaste
-weg leidde over Poperingen en Rousse, maar de naaste weg was in dit
-geval tevens de onveiligste. In Yperen en Oudenaarden lag bezetting
-en Noircarmes' soldaten patrouilleerden het land af, om allen, die
-verdacht konden worden in verstandhouding te staan met de Boschgeuzen,
-aan te houden. Te Rousse woedde de inquisiteur Titelman feller dan ooit
-tegen de Gereformeerden, nu de vroedschappen en de baljuws, bevreesd
-voor de Regeering te Brussel, zijne eischen niet durfden weerstaan,
-terwijl hij, als 't noodig was, ook over de soldaten der bezetting
-kon beschikken. 't Was zoo goed als onmogelijk, door Oost-Vlaanderen
-of Henegouwen heen Brussel te bereiken.
-
-De Welle sloeg een anderen weg voor. Zij zouden den duinkant houden,
-door Veurner Ambacht en over het smalle riviertje de Yser,--toen nog
-niet gekanaliseerd--tot in de buurt van Nieuwpoort en van daar langs
-Gent naar Aalst. In de eerstgenoemde stad durfden geen van beiden
-zich vertoonen, doch de Welle kende de streek nauwkeurig. Hij wist
-alle wegen en zijpaden en hij nam aan, Jacob veilig tot Brussel te
-brengen. Dan zou het gevaarlijkste deel van den tocht komen.
-
-Hoe zij de stad zouden binnenkomen en haar vrij en ongehinderd weder
-zouden verlaten, wisten zij zelf nog niet. Maar dat was van later zorg.
-
-Dan was er een tweede punt, dat overweging vereischte. Er was weinig
-discipline onder de ballingen. Ieder deed wat goed was in zijn
-oogen en er hadden zich te veel vreemde elementen bij hen gevoegd,
-om een strenge krijgstucht te kunnen handhaven. Maar er was toch een
-zekere band, die hen verbond, en de besten onder hen, de strijders
-bij Austruweel en de vluchtelingen uit Valenciennes en Doornik,
-erkenden Jacob Martens en de Welle als aanvoerders van hunne bende,
-een van de vele, die zich in de bosschen van West-Vlaanderen en
-Henegouwen hadden genesteld. Zij konden hunne makkers niet aan hun
-lot overlaten. Openlijk voor hun plan uitkomen, konden zij evenmin:
-het moest geheim blijven ter wille van hunne veiligheid.
-
-Zoo besloten zij dan den predikant, Jan Machielsz, in het geheim te
-nemen en hem, gedurende hunne afwezigheid, de zorg voor het kamp op
-te dragen. De man was een dweper en in zijn wilde buien van haat en
-wraakzucht was hij in staat tot onmenschelijke daden, maar hij was
-volkomen betrouwbaar. Hij zou hen niet verraden. Zij moesten hem
-slechts doen beloven, niets te ondernemen in hunne afwezigheid, en
-indien zij binnen een bepaalden tijd niet terugkeerden, dan moest de
-bende zich verstrooien. De gewapende mannen konden zich gemakkelijk
-aansluiten bij een anderen troep Boschgeuzen, want de ballingen waren
-talrijk genoeg.
-
-Zij vonden den predikant in de eenvoudige duinhut, die de Geuzen
-uit eerbied voor zijn ambt en met het oog op zijn tenger lichaam en
-zijn zwakke gezondheid, voor hem hadden gebouwd. Toen de beide mannen
-binnentraden, keek hij op van den bijbel, die voor hem lag op een ton,
-die hem tot tafel diende.
-
---"Wat brengt gij, mannen broeders?" vraagde hij. "Zullen wij weder
-optrekken tegen Amalek? Alzoo zegt de Heere: Gaat nu henen ende slaat
-Amalek, ende verbant alles, wat hij heeft ende verschoont hem niet..."
-
---"Neen, Jan Machielsz, neen," zeide de Welle. "'t Geldt ditmaal geen
-strooptocht. Wij hebben u wat te zeggen."
-
---"Wee u, zoo gij als Saul Agag wilt sparen, dien de Heere, de God
-Israëls, heeft gevloekt!"--De zwarte oogen in het magere, bleeke
-gelaat begonnen te fonkelen en de kreupele prediker hief de hand
-dreigend op. Toen wees hij op zijn bijbel.
-
---"Ik heb een openbaring ontvangen," fluisterde hij heesch. "Ik was
-biddende voor het aangezicht des Heeren en zeer weeklagende over
-de breuke van Gods volk. En ik hoorde een stem, die tot mij zeide:
-Neem het Boek en lees het woord, dat ik u zeggen zal! En ik nam het
-Boek en ik las..."
-
-Hij wees naar zijn bijbel en legde den vinger op de bladzijde.
-
---"Hoort het gezicht van Obadja," ging hij voort, "waarin de Heere
-Heere tot mij gesproken heeft: Alzoo zegt de Heere Heere van Edom:
-Wij hebben een gerucht gehoord van den Heere en hun is een gezant
-gezonden onder de Heidenen. Staat op en laat ons opstaan tegen hen
-ten strijde..."
-
---"Zoo las ik en mijn oogen werden verlicht," ging de dweper voort. "Is
-niet de gezant, die gezonden is tot Edom, onder de Heidenen, deze
-trotsche Spaansche hertog, dien zij Duc d'Alve noemen? Is deze
-profetie niet in onze ooren vervuld? En zullen wij niet opstaan,
-tegen hen ten strijde? Al zegt Edom in zijn harte: Wie zou mij ter
-aarde nederstooten?--alzoo spreekt de Heere: Al verhieft gij u gelijk
-de arend ende al steldet gij uw nest tusschen de sterren--zoo zal ik
-u van daar nederstooten..."
-
---"Er zal nog genoeg te strijden vallen tegen Edom, Jan Machielsz,"
-zeide Jacob somber. "Maar nu niet! Ge moet wachten tot wij
-terugkomen. Wij moeten een reize ondernemen, en..."
-
-Met fonkelende oogen staarde de predikant hem aan.
-
---"Gij wilt een reize ondernemen?" riep hij wild. "Gij wilt Gods volk
-verlaten, als zij omkomen in de woestijn? Israël zal optrekken ten
-strijde en gij zult rusten aan de beken van Ruben? Maar de Heere zal
-bezoeking doen over hen, die vlieden ten dage des strijds en over hen,
-die daar roepen: Vrede, vrede! en ziet, daar is geen vrede!"
-
---"Wij willen u en onze mannen niet in den steek laten," zei Jacob
-wrevelig. "Ik zeg u, dat wij een reis moeten ondernemen, om redenen,
-die ons alleen aangaan, en wij willen u verzoeken, om, zoolang als
-wij weg zijn, het bevel op u te nemen en den vrede onder de mannen
-te bewaren."
-
-Jan Machielsz zag hem aan met een vreemden blik.
-
---"Gij wilt van hier gaan--om redenen, die u alleen raken," zeide hij
-langzaam. "Hoor toe, jonker, want mijn hart kleeft u aan, omdat gij
-alles verlaten hebt om smaadheid te lijden met Gods volk. Hoor toe,
-en ik zal u te kennen geven, wat de Heere dezen nacht tot mij heeft
-gesproken."
-
---"Uw hart hangt nog aan de Midianietische, aan de Paapsche jonkvrouw,
-die u te Gent heeft omstrikt. Ik zegge u, laat af van haar, want
-zij zal u worden ten verderve.--Gij kleurt en gij ziet mij toornig
-aan? Toch zal ik u Gods woord doen hooren."
-
---"Ik was dezen nacht biddende en ik dacht aan de breuke des volks,
-want de slaap was van mij geweken. Toen zag ik een gezicht, en ik zag
-u, jonker Martens, en gij stondt op een tweesprong. En ge waart niet
-alleen, maar naast u stond een vrouw, en zij droeg de versierselen
-van de dochteren der Filistijnen. En ik zag u op den tweesprong,
-waar de weg zich splitste en de eene weg voerde naar het Oosten,
-waar de zon doorbrak en de andere leidde in nacht en nevelen. En uw
-aangezicht was gekeerd naar het Oosten, maar de vreemde legde haar
-hand op uw hand, en zij legde haar arm om uw schouders en strengelde
-hare lokken om uw hals en ik wist, dat zij u wilde medelokken op
-den weg, die voerde in de duisternis. En ik hoorde eene stem, die
-sprak: Zeg tot den jongeling, die uw ziel liefheeft: Waak en bid,
-opdat gij niet in verzoeking komt! Want daar is een zware beproeving
-voor hem aanstaande, en de Heere God zal zijne ziele ziften, als
-de dorscher de tarwe zift!--En de stem zweeg en het gezicht werd
-van mij weggenomen. En ik zeg u, jonker, hoed u, want op den weg,
-dien gij gaan wilt, wacht u zware beproeving en zondige bekoring,
-en zoo uw ziel bezwijkt, uw deel zal zijn met de afvalligen en gij
-zult een verworpene zijn voor het aangezicht des Heeren!"
-
-Niet zonder ontroering hadden Jacob en de Welle naar de woorden van
-den bleeken man geluisterd. Jan Machielsz was, terwijl hij sprak,
-opgestaan van zijn zitbank; zijn onaanzienlijke gestalte scheen te
-wassen en met opgeheven hand en vlammende oogen slingerde hij als
-'t ware Jacob zijne bedreiging in 't aangezicht. Daar kwam nog bij,
-dat de Geuzen, mannen van een licht bewogen ras, veel waarde hechtten
-aan de visioenen en de profetische woorden van hun prediker in de
-woestijn, van wien allen wisten, dat hij veel had geleden om des
-Evangelies wil, en zij beiden maakten daarop geen uitzondering. De
-drie mannen zwegen eenige oogenblikken.
-
---"Als het gezicht, dat gij gezien hebt, van God is, Jan Machielsz,"
-zeide Jacob eindelijk, "dan mag het mij een waarschuwing zijn op
-mijn weg! Maar gij hebt niet gezien, dat ik mij liet afleiden en
-verlokken, en gij moogt mij niet van ontrouw en verraad beschuldigen
-zonder reden. Ik moet thans gaan, waar mijn hart mij roept, en de
-Welle wil meegaan, omdat hij mijn vriend is. Als wij kunnen, zullen
-wij binnen tien dagen tot u en onze mannen terugkeeren, ofschoon God
-weet, wat het einde van dit alles moet zijn. Misschien keeren wij
-niet terug. Dan zijn wij gevangen genomen of gevallen. Maar ontrouw
-worden aan de goede zaak zullen wij niet."
-
-De predikant staarde hem strak aan. Toen ontspanden zijn harde trekken
-zich, en zijn stem klonk zachter.
-
---"Ik geloof u, jonker Martens," zei hij langzaam. "Ge zijt als
-Nathanaël, een Israëliet zonder bedrog. Zoo ga dan, als gij meent,
-dat de Heere u den weg zal banen. Gij zult komen in groot gevaar naar
-het vleesch en in groote bekoring,--maar ik zal voor u bidden, dat
-de Heere met u zij en uwe ziel beware! En nu, spreekt, gij beiden,
-mannen broeders, wat wilt gij van mij?"
-
-Het onderhoud duurde thans maar kort. Wanneer Jan Machielsz niet
-door een van zijn vlagen van sombere dweperij was aangetast, dan
-toonde hij zich een man van een helder verstand en een kloek leider
-en aanvoerder. Hij zou gedurende de afwezigheid van Jacob en de Welle
-de leiding van de ballingen op zich nemen en hen, zoo mogelijk, terug
-houden van gewaagde strooptochten. Hij zou goed wacht laten houden en,
-werden de Geuzen door de troepen van Noircarmes aangevallen, dan zouden
-zij terugtrekken en zich verspreiden in het woeste en uitgestrekte
-duin. En van hun plannen zou hij tegen niemand een woord reppen.
-
-Toen deed hij een kort gebed en met een handdruk namen de mannen
-afscheid van elkander.
-
-Voor het aanbreken van den dag begaven Jacob Martens en de Welle zich
-op weg. Zij waren gekleed als gewone Vlaamsche boeren, in wijde linnen
-kielen, met kappen, die bij ongunstig weer tot hoofddeksel dienen
-moesten. Om geen argwaan te wekken, droegen zij geen zichtbare wapenen,
-dan stevige stokken, met ijzeren punten, zooals de veedrijvers ze
-wel gebruikten. Onder hun kiel droegen beiden echter een lang, scherp
-mes in lederen scheede, een zoogenaamden "opsteker": een gevaarlijk
-wapen in de hand van een krachtig en moedig man, en daarbij nog een
-geladen pistool.
-
-Zij verlieten het kamp, zonder door iemand te worden opgemerkt,
-langs de hun welbekende duinpaden, en richtten zich dadelijk
-noordwaarts. Zoolang zij in de streek bleven, die door de Boschgeuzen
-onveilig werd gemaakt, hadden zij geen gevaar te vreezen. Kwamen zij
-echter noordelijker, dan konden zij, licht op een patrouille krijgsvolk
-stuiten, want zij wisten, dat de stadhouders der verschillende gewesten
-begonnen waren kleine afdeelingen soldaten uit te zenden, om jacht
-te maken op de rondzwervende Geuzen, vluchtelingen van Austruweel
-en Watrelos. Zij zouden zich in een dergelijk geval uitgeven voor
-veekoopers, die op weg waren naar de veemarkt te Antwerpen. Maar
-als men hen niet geloofde, als men hen aanhield en hen naar Gent of
-Antwerpen voerde, dan zouden zij spoedig herkend worden en hun lot
-zou weldra beslist zijn: voor Jacob Martens het zwaard; voor zijn
-metgezel de strop.
-
-Zij hielden daarom zooveel mogelijk den boschrijken duinrand, waar
-zoo vroeg in den ochtend slechts een enkele strooper rondzwierf en
-waar men, in geval van nood, spoedig een schuilplaats kon zoeken. 't
-Was een mooie herfstmorgen; de grijsblauwe nevels hingen over de
-bosschen en duinweiden en over de akkers in de verte. Merels en
-lijsters scharrelden in het kreupelhout en soms vloog een Vlaamsche
-gaai krijschend op, even met azuurblauwen wiekslag heenwippend over
-de donkere eikestruiken. Maar de koning van het landschap was de
-vink. Van alle kanten klonk de forsche slag van den vroolijken vogel,
-en toen de zon opging, zag men overal zijn fraai rood borstschild als
-warme tint tusschen het gelend beukeblad. Groote zwermen trekvinken
-trokken luid roepend over hen heen. Vlugge konijntjes wipten over
-het pad. De geheele duinstreek was vol leven en beweging.
-
-Ondanks de omstandigheden, waarin hij verkeerde, en de gevaren, die
-hem bedreigden, genoot Jacob Martens van den schoonen morgen en hij
-kon zelfs soms voor een oogenblik alle bezwaren vergeten. Anders was
-het met de Welle. Zijne kleine, blauwe oogen spiedden overal rond,
-en peilden elk boschje, dat zij langs trokken. Van tijd tot tijd
-beklom hij een duintop en spiedde naar alle kanten. Nadat hij dit
-een paar malen herhaald had, keerde hij met een verdrietig gezicht
-naar Jacob terug.
-
---"Wij worden gevolgd, jonker!" zei hij. "Wij zijn niet alleen in
-'t duin!"
-
---"Gevolgd? Wie zou ons volgen?" vraagde Jacob. "Niemand wist immers
-van onze plannen dan Jan Machielsz. En die is trouw!"
-
---"Ik hoop het. Maar wij worden gevolgd, door vriend of vijand. Ik
-heb het al lang gedacht. En zoo meteen zal ik het u bewijzen."
-
-Het pad slingerde langs een begroeide duinhelling naar boven en leidde
-over een heuvelkling, van waar men een gedeelte van den afgelegden
-weg kon overzien. De Welle liep rustig door, tot hij en zijn metgezel
-achter het duin verdwenen waren. Toen bleef hij staan.
-
---"Kruip nu naar dien berkestruik, jonker," zei hij, "en kijk langs
-den stronk. Hij moet niet vermoeden, dat wij hem in de gaten hebben,
-anders blijft hij staan."
-
-Jacob deed, wat hem gezegd werd, maar hij zag niets. Rustig en kalm
-lag het duinlandschap in de stralen der morgenzon.
-
---"Kijk nu naar dat boschje eikenhakhout," zei de Welle. "Ziet ge wel,
-hoe die vogels telkens opvliegen en weer neerstrijken?"
-
---"De trekvinken vliegen overal!" zei Jacob ongeloovig.
-
---"Ja, maar deze vluchten vliegen naar 't noorden, evenals de vogels,
-die wij zelf opschrikken, kijk hier!"
-
-Een groote vogel was opgevlogen, en streek laag bij den grond, met
-een glijdende, geruischlooze vlucht over hen heen.
-
---"Een uil!" zei de Welle. "Als hij niet was opgejaagd, zou hij in
-zijn boomtronk zijn blijven zitten. Ik zeg u, wij worden gevolgd,
-jonker, en 't is de vraag door wien. Is 't een vriend, dan moeten
-wij hem duidelijk maken, dat wij zijn gezelschap ditmaal niet van
-doen hebben. Is 't een vijand,--dan kunnen wij de kans niet loopen,
-ons leven op 't schavot te verliezen voor een papistischen spion."
-
-En met een harden trek om den mond tastte de koddebeier naar het heft
-van zijn opsteker onder zijn kiel.
-
-Met vorschende blikken nam hij het landschap op.
-
---"Een kwartier verder komen wij aan een breede duinpan," zei
-hij. "Ik had er eerst om heen willen trekken, want wij behoeven niet
-meer gezien te worden dan noodig is. Maar wij moeten weten, wie die
-compaan is. Niet omzien, jonker! Wij moeten den indruk maken van twee
-onbezorgde reizigers. Dan volgt hij ons misschien en dan kunnen wij
-hem zien."
-
-De witte zandvlakte was weldra bereikt en overgestoken. Rustig
-beklommen zij de tegenover liggende duinhelling en verdwenen achter
-den rand. Toen wierpen de beide mannen zich voorover en, loerend door
-de dichte helm, wachtten zij op de dingen, die komen zouden.
-
-Zij behoefden niet lang te wachten. Op den duinrand tegenover hen
-verscheen een donker voorwerp, een hoofd, dat rondspiedde en de geheele
-omgeving nauwkeurig opnam. Na eenige oogenblikken verdween het weder
-en een man verscheen op het duin. Hij keek nog even onderzoekend rond
-en daalde toen langzaam de helling af. De stalen boog van een armborst,
-dien hij op den schouder droeg, flikkerde in de morgenzon.
-
---"'t Is Daniël!" riep Jacob verrast. "Wat wil hij van ons?"
-
-Hij sprong op en wenkte den man vriendschappelijk toe, want hij
-dacht niet anders, of Jan Machielsz had hem om dringende redenen hun
-achterna gezonden. Maar de strooper beantwoordde zijn groet niet. Hij
-bleef staan, aarzelde nog een oogenblik, keerde zich toen haastig om
-en verdween achter het duin.
-
---"Dat hadt ge niet moeten doen, jonker," zei de Welle. "De jongen
-is in den laatsten tijd al schuwer en vreemder geworden. Wie weet,
-wat er in zijn kranke hersens omgaat en waarom hij ons volgt. Als wij
-hem hier hadden afgewacht, hadden wij met hem kunnen spreken en hem
-misschien kunnen bewegen, rustig naar 't kamp terug te keeren. Nu
-is hij gewaarschuwd en wij zullen hem niet terugvinden. En wie zal
-zeggen, wat hij in 't schild voert?"
-
-En inderdaad had de oude boschwachter goed gezien. Hoewel zij terstond
-op hunne schreden terugkeerden en zelfs een hoogen duintop beklommen,
-was er van den strooper niets meer te ontdekken.
-
---"We kunnen ons niet langer ophouden," zeide de Welle. "Misschien
-keert hij uit zichzelf wel terug. Wij zijn nog lang niet aan Sint
-Marie ter Duin, en dan duurt 't nog wel een paar uur, voor wij
-aan dien landweg naar Gentbrugge zijn, waarover ik met den jonker
-gesproken heb."
-
-Sint Marie ter Duin was de naam van een duindorp, dat in de geheele
-streek een zekere vermaardheid genoot. Te midden der waterlooze
-zandwoestijn van de Nieuwpoortsche duinen, was daar een zeer diepe,
-gemetselde put, die ook in de heetste zomers niet opdroogde, maar
-altijd in zijn donkere diepte heerlijk koel water bevatte. De put
-lag in een eikenboschje, aan den voet van 't hooge duin. Vlak er bij
-bevond zich, geklemd tusschen twee oude boomen, een steenen nis, en
-daarin stond een oud verweerd beeld, dat volgens de bewoners van de
-duinstreek, de maagd Maria voorstelde. Wel had eens,--naar 't gerucht
-vermeldde--een verwaand retrosijn, die de streek bezocht, beweerd, dat
-het beeld uit overoude tijden dagteekende, toen niemand in Vlaanderen
-nog van de maagd Maria en Jezus Christus, haren Zoon, had gehoord,
-dat daar aan den duinvoet een Romeinsche villa had gelegen, en dat
-het verweerde beeld het afbeeldsel was van een heidensche duivelinne,
-een bronnimf of najade, maar aan zulke kettersche beweringen stoorde
-zich niemand. Was men niet, sinds menschenheugenis, tweemaal 's jaars,
-in de lente en in den herfst, in plechtige processie naar 't oude
-kapelleke getogen, om de Heilige Maagd te bidden, het schoone, koele
-water, een zegen voor de streek, niet weg te nemen, maar altijd even
-rijkelijk te laten vloeien? Wat ongodisterij en verwaande betweterij
-was het dan, om te beweren, dat het oude beeld in het verweerde,
-steenen kapelleke van heidenschen oorsprong zou zijn.
-
-Toch, een duister besef, dat 't oude beeld in het boschje bij
-den welput een andere Moeder Gods was, dan de talrijke beelden,
-die men in de kerken en kapellen in den omtrek vereerde, leefde
-er wel in het volk. Terwijl men over 't algemeen vertrouwelijk
-omging met het heilige en zich in de bont versierde dorpskerken
-en kapellen thuis gevoelde, had men voor de eenzame duinkapel een
-zekere bijgeloovige vrees. Niemand, die des avonds laat gaarne het
-eikenboschje zou bezoeken. Onze Lieve Vrouw in 't duin hield van de
-eenzaamheid. En zonderling, de beeldstorm had het oude beeld gespaard
-en de Boschgeuzen, die geen Roomsch heiligdom ontzagen, hadden het
-tot nog toe evenzeer met rust gelaten.
-
-Het duinpad, dat Jacob Martens en de Welle volgden, voerde langs het
-eikenboschje bij den welput. Zij wilden er rusten en zich verfrisschen
-met het koele water, voor zij hun tocht voortzetten. De putboom met
-den ijzeren ketting en den emmer hing er, voor ieder, die putten wilde.
-
-Reeds zagen zij bij een wending van het pad het donkere loof van de
-lage knoestige eiken vlak voor zich, toen hun oor werd getroffen door
-het geluid van schrille, zingende kinderstemmen. Van den kant van het
-duindorp, waarvan men den toren in de verte boven het geboomte uit
-zag steken, naderde een bonte stoet. Voorop ging een vaandeldrager,
-die een hoog gekleurde banier statig voor zich uit droeg, zeker
-het vendel van het schuttersgild, waarvan de leden, met handboog en
-pijlkoker, hem op den voet volgden. Dan kwam een priester in misgewaad,
-vergezeld van twee koorknapen met rookende wierookvaten. Vier andere
-koorknapen droegen onder een baldakijn een houten beeld, een Moeder
-Gods met het kind Jezus in de armen. Daarachter volgden een aantal
-zingende kinderen en jonge meisjes, die met schelle, hooge stemmen
-een loflied aanhieven ter eere van de Heilige Maagd, en de stoet
-werd besloten door vier ruiters, krijgslieden in volle wapenrusting,
-wier stormkappen en kurassen flikkerden in de stralen der ochtendzon.
-
-'t Was de jaarlijksche processie. Het Mariabeeld uit de dorpskerk
-bracht Sinte Marie ter Duin een bezoek. Zoo beschouwde het 't naïeve
-volksgeloof en men hield het eeuwenoude gebruik in eere.
-
-Met grimmige blikken zagen de beide Geuzen den stoet naderen. Voor
-hen was wat zij daar zagen, verfoeilijke afgoderij!
-
---"Die ruiters zijn knechten van Noircarmes, die meerijden om de
-processie te beschermen," zeide Jacob.
-
---"Of 't is hun om een potteke Leuvensch bier te doen, dat de paap
-na afloop wel ten beste zal geven," bromde de Welle. "Maar wat is dat?"
-
-Op 't gele zandpad, dat naar den put leidde, een vijftigtal passen vóór
-den stoet, was plotseling een man verschenen, die de processie den weg
-scheen te willen versperren. Hij had een stalen kruisboog in de hand.
-
---"Daniël!" riep Jacob met gesmoorde stem. "Wat wil hij hier?"
-
-'t Zou spoedig blijken. Met een ruk bracht de waanzinnige den
-armborst aan den schouder. De stalen boog klonk en dwars door het
-voorhoofd geschoten, zonk de priester in het duinzand neer. Met een
-woesten schreeuw zijn wapen zwaaiend, rende de Geus het pad op naar
-de kapel. Er volgde een tooneel van wilde verwarring. De verschrikte
-kinderen vluchtten gillend naar het dorp. De ruiters zetten hun paarden
-aan en reden, door de dapperste schutters gevolgd en voorafgegaan,
-den moordenaar achterna, terwijl anderen, met de koorknapen, zich
-met den stervenden priester bezig hielden.
-
---"'t Duin in, jonker!" siste de Welle. "Zij komen dezen kant niet uit
-en zij zoeken Daniël. Wij kunnen hem niet helpen. Maar die knechten
-zullen den geheelen omtrek afzoeken, 't zij ze hem vangen of niet."
-
-Zij verlieten het pad en trokken snel het duin dieper in, terwijl
-zij zorgvuldig vermeden zich op een top of kam te vertoonen. Achter
-hen klonk het geschreeuw van de vervolgers van Daniël, dat echter
-flauwer en flauwer werd en zich weldra in het duin verloor.
-
---"Zou hij 't ontkomen?" vroeg Jacob.
-
---"Als hij goed bij zijn verstand was, misschien! Maar hij is gek
-en hij zal willen vechten! Dan hebben zij hem gauw omsingeld. Hoe
-'t zij, helpen kunnen wij hem niet."
-
-Ruim een uur trokken zij door 't woeste duin, voor zij zich in
-veiligheid achtten. Toen beklommen zij een hoogen top en tuurden en
-luisterden naar alle kanten. 't Was toch mogelijk, dat de soldaten
-en gewapende boeren het duin zouden doorzoeken. Over den moord
-op den priester spraken zij niet. Jacob Martens had, sinds hij
-zich bij de Boschgeuzen bevond, veel moeten aanzien, wat hij niet
-kon verhinderen, al verfoeide hij het als laffe wreedheid. Den
-moord en de mishandeling van weerlooze geestelijken had hij nimmer
-goedgekeurd. Maar hij wist, dat 't vruchteloos was, daar met de Welle
-over te praten. Deze beschouwde, met Jan Machielsz en al hun makkers,
-de Roomsche geestelijken als Baälpriesters, die uitgeroeid moesten
-worden, waar men ze vond en zij waren onverzettelijk in hun starren
-geloofsijver. Hij wist zeer wel, dat de Welle Daniëls daad niet
-afkeurde en alleen de roekeloosheid betreurde, die hem waarschijnlijk
-in de handen van zijn vijanden had doen vallen.
-
-
-
-Tegen het vallen van den nacht slopen de beide Geuzen naar het boschje,
-waarin de oude put en het kapelletje van St. Marie ter Duin verborgen
-lagen. Ze hadden den geheelen dag in de duinen doorgebracht. Zonder
-moeite zouden zij hun tocht met een omweg hebben kunnen voortzetten,
-maar zij wilden de plaats niet verlaten, zonder te onderzoeken,
-wat er van hun krijgsmakker geworden was. De vervolging was ras
-geëindigd en dat deed hun vermoeden, dat Daniël al spoedig in de
-handen zijner vijanden was gevallen. Was hij ontkomen, dan zouden
-zeker gewapende benden het duin hebben doorkruist, om den vermetelen
-heiligschenner en moordenaar te zoeken, maar zij hadden niets verdachts
-bespeurd. Waarschijnlijk was Daniël dus dood of gevangen.
-
-Zij hadden den top van den hoogen zandheuvel bereikt, aan den voet
-waarvan het eikenboschje lag en luisterden in de vallende duisternis,
-of eenig gerucht de aanwezigheid van hun vijanden verried. Het weer
-was tegen den avond veranderd. De lucht was betrokken en er woei een
-gure Noordwestenwind. Van tijd tot tijd brak de maan door de zware
-regenwolken, maar in de zwarte massa aan den voet van 't duin was
-niets te onderscheiden.
-
-De uren kropen om. Niet voor de nacht geheel was gevallen, dorsten
-de Welle en Jacob Martens het duin afdalen. Zij wilden eerst het
-boschje onderzoeken en dan naar het dorp sluipen. Natuurlijk wist
-ieder der bewoners, wat er dien dag gebeurd en wat er van Daniël
-geworden was. Zij zouden desnoods onder een of ander voorwendsel aan
-een der meer afgelegen woningen aankloppen en de bewoners uithooren.
-
-Het was rustig en stil in het dorp en in de omgeving. Van tijd tot
-tijd hoorde men het blaffen van een werfhond in de verte, in de
-struiken op de duinhelling ratelde een "geitenmelker", maar verder
-hoorden zij niets dan het gieren van den wind over het eenzame duin.
-
-Eindelijk was het donker genoeg. Als de maan schuil ging, kon men
-de eiken daar beneden niet onderscheiden. De twee mannen daalden
-voorzichtig het duin af. Bij het boschje gekomen, luisterden zij
-nogmaals, maar zij hoorden niets, dan de wind in het eikenloof en
-het knarsend piepen van den putboom.
-
-Zij overtuigden zich, dat hunne kruismessen los en gemakkelijk in de
-scheede staken en drongen toen voorzichtig het boschje binnen. 't
-Was er stikdonker, maar als straks de maan even doorbrak, zou men
-op de open plek bij den put en het kapelletje althans iets kunnen
-onderscheiden en als het boschje, zooals zij hoopten, niet bewaakt
-werd, zouden zij althans hun brandenden dorst kunnen lesschen.
-
-Voorzichtig slopen zij door het hout, zich telkens bukkende, om de
-laag neerhangende takken te ontwijken, met de handen tastende in de
-dichte duisternis. Plotseling uitte Jacob een gesmoorden kreet. Hij
-had de open plek bereikt en tastte naar den putrand, want hij hoorde
-het knarsen van den putboom in zijn onmiddellijke nabijheid, maar zijn
-uitgestoken handen ontmoetten iets zachts, iets, dat voor hem week,
-dat meegaf...
-
---"De Welle, wat is dat?" fluisterde hij heesch.
-
-In een oogenblik was de oude boschwachter bij hem.
-
---"Wat, wat is er, jonker?" zei hij haastig.
-
-Op dit oogenblik verscheen de maan even tusschen de jagende wolken
-en de Geuzen zagen nu spoedig genoeg, wat het geheimzinnige voorwerp
-was. Aan den putboom bengelde het lijk van den ongelukkigen Daniël. De
-knechten van Noircarmes hadden kort recht gedaan en de putboom,
-door een houten wig in het spil omhoog gehouden, had als galg gediend.
-
-Bij het knarsend piepen van het hout zwaaide het lichaam in den
-nachtwind heen en weer.
-
---"Uit den weg, jonker!" zei de Welle kortaf. Hij rukte de wig uit
-de opening van het spil en het lijk plofte op den grond.
-
-Zij sneden den gehangene af. Toen, nadat zij haastig gedronken hadden
-van het koele putwater, keerden zij terug. Jacob nam zijn halsdoek
-en bedekte het blauwe, vertrokken gezicht van het slachtoffer.
-
-Eenige oogenblikken stonden de beide mannen besluiteloos. Toen,
-alsof zij elkander zonder woorden begrepen, namen zij het lijk op
-en droegen het een eind verder, naar den voet van het duin, waar zij
-het met het mulle zand bedekten. Zij hadden noch den tijd, noch het
-noodige gereedschap om hun krijgsmakker te begraven.
-
---"Hij heeft Mieke op de papen gewroken," mompelde de Welle. "Hij
-was een losbol en na Mieke's dood was zijn verstand gekrenkt. Toch,
-wie weet... misschien zal God zijn ziel genadig zijn!"
-
---"Amen!" zei Jacob. Hij dacht aan dien nacht op den weg naar
-Poperingen; hij zag het bleeke, angstige gezicht van Mieke, in
-het roode schijnsel van den brandenden houtstapel en de verwrongen
-trekken van Daniël, toen hij den armborst aanlegde--en hij vergaf den
-armen verdwaasde zijn woeste wreedheid, zijn woede tegen onschuldige
-geestelijken, bij de gedachte aan dat vreeselijke oogenblik.
-
-Toen trokken de beide mannen Noordwaarts, want de streek was voor hen
-onveilig en de morgen moest hen ver vinden van die noodlottige plek,
-het kapelleke van Sinte Marie ter Duin.
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-
-Op een neveligen herfstmorgen, acht dagen later, gingen de deuren
-van de oude Halpoort te Brussel knarsend open.
-
-Een aantal karren had al op het openen der poort staan wachten,
-met talrijke voetgangers, boeren en boerinnen uit den omtrek, met
-pakken en manden beladen, want het was Dinsdagmarkt heden en zoo de
-komst van Alva en zijne troepen ook schrik en ontzetting bracht in
-de erflanden van Philips, te Brussel bracht zij nering en vertier,
-want er was veel noodig voor den hertog en zijn gevolg, voor het
-sterke garnizoen van Brussel en voor de edelen, die de partij van den
-Koning waren trouw gebleven of die, na de zegepraal der Regeering,
-nog bijtijds hunne onderwerping hadden aangeboden en die nu naar de
-hofstad waren getogen, om er de feesten bij te wonen, die Alva gaf
-om den adel om zich te vereenigen en nauwer aan zich te binden.
-
-En de boeren uit den omtrek voeren er wel bij, want de waren, die
-zij ter markt brachten, werden gretig gekocht en goed betaald en de
-marktdagen te Brussel waren levendig en druk.
-
-Toen nu, in de grauwe ochtendschemering, de zware poortdeuren langzaam
-opengingen, klonken de luide stemmen der voerlieden, die hunne zware,
-sterke paarden aanzetten, met het geklets hunner lange zweepen, en de
-rij witgehuifde karren verdween langzaam in de donkere poortopening,
-met de voetgangers, die naast en tusschen de wagens doordrongen, om
-het eerst ter markt te zijn en een goede plaats te verkrijgen. Achter
-de karren kwamen kudden runderen en schapen, die door hun geleiders
-langzaam werden voortgedreven. Met onverschillige blikken stonden
-de beide Spaansche soldaten, die de wacht hadden aan de poort, het
-schouwspel aan te zien, dat zich elke week herhaalde, en niemand
-lette op twee mannen, een ouderen en een jonkman, die, onder de
-andere veedrijvers gemengd, ijverig hun zweepsnoer lieten knallen om
-de loome koebeesten door de poortengte te drijven.
-
-Na weinige minuten hadden Jacob en de Welle het doel van hun tocht
-bereikt. Zij waren in Brussel!
-
-Na het noodlottig avontuur te St. Marie ter Duin was hun tocht tot
-nog toe zonder bijzondere lotgevallen verloopen. Ze hadden Gentbrugge
-bereikt en hadden een veilig verblijf gevonden bij een van de vele
-Gereformeerden, die zich, vooral op het platteland, schuil hielden en
-minder de aandacht trokken, dan hunne geloofsbroeders in de Vlaamsche
-en Brabantsche steden. Ze hadden er de bijzonderheden gehoord van de
-verwoesting der pas gestichte kerk te Gent, die den 9en April van dat
-benauwde jaar 1567 door een compagnie Roomsche burgers, onder bevel van
-kapitein Bousse, was vernield en afgebroken, van Artus Bousse, die zelf
-aan den beeldenstorm had deelgenomen, en die nu tegen zijn vroegere
-geloofsgenooten woedde, om zijn euveldaden te doen vergeten. [5]
-
-Zij hadden gehoord, hoe geheel Vlaanderen verslagen was over de
-gevangenneming van Egmond en Bakkerzeele, op wie men, niettegenstaande
-hunne gestrengheid tegen de beeldstormers, toch nog min of meer had
-gerekend; hoe alle verzet tegen de Regeering voorgoed gebroken scheen
-door den ijzeren Spaanschen hertog, en hoe men slechts fluisterend
-elkander moed insprak, als men elkander de geruchten vertelde, dat de
-Prins van Oranje troepen wierf om de verdrukte landen te verlossen,
-dat de predikanten in 't geheim gelden inzamelden, om hem te steunen,
-en dat men hoopte op hulp van de Huguenoten, de broeders in Frankrijk.
-
-Zoo hoopte men op hulp van buiten. Maar binnen de grenzen waren 't
-alleen de gewapende benden in 't Zuiden, de Boschgeuzen, die zich
-nog tegen den overweldiger verzetten.
-
-Zij waren niet lang te Gentbrugge gebleven. Zij mochten hunne
-geloofsgenooten niet blootstellen aan het gevaar, dat hun boven het
-hoofd hing, als men ontdekte, dat zij twee ballingen herbergden.
-
-Zij waren de stad omgetrokken, want te Gent durfden zij zich niet
-vertoonen. Toen begaven zij zich, langs weinig bezochte landwegen,
-die de Welle koos, langs Aalst naar Brussel. In de bosschen aan de
-Zuidzijde der stad hadden zij zich eenige dagen schuil gehouden in een
-verlaten en vervallen hut in het hout, om het terrein te verkennen
-en een plan te maken. 't Was Jacob, die den voorslag deed, zich op
-een marktdag als veedrijvers aan een boer te verhuren en met het
-andere marktvolk de stad binnen te trekken. Eene vermomming hadden
-zij niet noodig. Hunne kleeding was die der Vlaamsche en Brabantsche
-boeren. Waren zij eenmaal binnen de stad, dan moesten zij op hun
-geluk vertrouwen en hopen, dat zij niet herkend werden door een der
-spionnen der Regeering. En de kans daarop was niet gering. Zij hadden
-beiden een rol gespeeld in de gebeurtenissen van 1566 en duizenden
-hadden hen bij het Geuzenleger gezien. Werden zij ontdekt, dan zou
-niets hen kunnen redden. Tevergeefs trachtte Jacob Martens de Welle
-te bewegen, hem thans te verlaten en naar de legerplaats der Geuzen
-terug te keeren. De oude boschwachter weigerde halsstarrig, zich van
-zijn jonker te scheiden.
-
-Te Brussel hoopten zij hulp te vinden bij een der geloofsgenooten,
-wier namen en woonplaatsen hun door de broeders te Gentbrugge waren
-toevertrouwd. Want ook te Brussel, Alva's hoofdkwartier, hielden zich
-nog Geuzen verborgen. Ging niet onder de Gereformeerden in Vlaanderen
-en Brabant het verhaal, dat de eerwaarde Franciscus Junius het Woord
-Gods had gepredikt op de markt, terwijl door de vensters der kamer,
-waar de geloovigen bijeen waren, de vlammen van den mutsaard te zien
-waren, waarop een hunner broeders den marteldood stierf?
-
-Toen het plan eenmaal was ontworpen, was het zaak, het zoo spoedig
-mogelijk ten uitvoer te brengen. Elken Dinsdag werden kudden runderen
-en schapen naar de stad gedreven en het kostte de beide mannen niet
-veel moeite, een veekooper te bewegen, hen voor een paar stuivers
-als drijvers aan te nemen. Ze kozen een handelaar uit Artois, die
-er licht niet zoo spoedig toe komen zou, onbescheiden vragen te doen
-als een Vlaming of een Brabander.
-
-Nu waren ze in de nauwe straten en, om argwaan te voorkomen, moesten ze
-het vee van den man, die hen gehuurd had, naar de markt helpen drijven
-en met hem afrekenen. Toen zij hun loon ontvangen hadden, slenterden
-zij schijnbaar onverschillig door het drukke marktgewoel, terwijl
-zij zich, waar over een koop werd onderhandeld, als belangstellende
-toeschouwers onder de menigte mengden. Koop en verkoop, en al het
-gewone marktgedoe gingen hun gang. Toch was er op de groote Markt
-een gedrukte stemming onder het volk. De gebeurtenissen der laatste
-weken hadden een diepen indruk gemaakt en men vraagde zich angstig
-af wat er verder gebeuren zou.
-
-Men had de beide Geuzen gewaarschuwd voor de spionnen der Regeering,
-de "sevenstuyverlieden" of verklikkers, die zich overal bevonden,
-waar veel menschen bijeen waren, en de gesprekken afluisterden, om
-hen, die uiting gaven aan oproerige gevoelens of hun ontevredenheid
-te kennen gaven over het Spaansche bewind, aan te klagen. Maar zij
-bespeurden niets verdachts. Niemand lette op hen en langzamerhand
-onttrokken zij zich aan de marktdrukte, om in een kleine herberg een
-kroes Leuvensch bier te drinken en het brood en het spek te eten,
-dat de kloeke bazinne hun voorzette. Zij moesten wachten tot den noen,
-vóór zij met de uitvoering van hun plannen konden beginnen.
-
-Tegen het middaguur daalden zij de steile straten af, die naar de
-bovenstad voerden, om zich naar de benedenstad te begeven, waar de man
-woonde, dien zij zochten, en voor wien de Eerwaarde Carpentier, een
-der predikanten van de Gereformeerden te Gent, die zich te Gentbrugge
-schuil hield, hun een brief had meegegeven.
-
-Vreemd zag de eerzame brouwersknecht Tiest Stoffelsz op, toen hij
-bij zijn noenmaal van krachtige biersoep, plotseling werd gestoord
-door twee mannen, die zijn woning binnentraden en hem verlangden te
-spreken. Niet weinig verschrikt was hij, toen de vreemde bezoekers
-hem hun geuzenpenningen toonden, hem aanspraken als een broeder in
-den geloove en zeer wel bleken te weten, dat hij meer dan eens "ter
-groene preeke" geweest was.
-
-Nu was Tiest Stoffelsz in zijn hart de "nye leere" oprecht toegedaan en
-hij had ter preeke woorden gehoord, die hij nimmer zou vergeten, maar
-hij had weinig aanleg voor het martelaarschap. Hij en zijn huisvrouw
-hadden het beeldeke der Heilige Maagd met het kindeke Jezus niet uit
-hun huisje verwijderd. 't Was immers zoo'n schoon beeldeke en het deed
-niemand kwaad! En sinds men zeide, dat de Geuzen moesten onderleggen,
-waren zij al eens ter misse gegaan, om hunnen pastoor almee te vriend
-te houden.
-
-En nu--dit bezoek! De goede Baptist en zijne Katelijne keken elkaar met
-bleeke gezichten en verschrikte oogen aan. Ze kenden de plakkaten. Was
-het niet op lijfstraf verboden, de ballingen te huisvesten en te
-herbergen? Tiest zag in zijn verbeelding al den nieuwen galgeput buiten
-de poort en zichzelf als hoofdpersoon, in een sombere processie, met
-Meester Jacob Spelle, de Roode roe, voorop, en met Meester Harmen, den
-beul van Brussel, en zijn knechts als geleide, op zijn laatsten tocht.
-
-Maar die mannen brachten een brief van den Eerwaarden Carpentier
-en Tiest Stoffelsz dacht terug aan wat er gebeurd was, nu twee
-jaren geleden. Toen was hij zwaar ziek geweest, zoo ziek, dat de
-barbier-heelmeester hem al had opgegeven en de buurwijven er bij
-Katelijne op aandrongen om toch den pastoor te laten halen en haar man
-niet zonder biecht en heilig sacrament de eeuwigheid in te laten gaan.
-
-Maar wat Tiest daarbuiten in "de groene preek" had gehoord, werkte
-na in zijn ziel, en al was het nog heel duister en verward, hij wist
-toch wel, dat hij wat anders noodig had, dan biecht en sacrament, en
-hij was onrustig en gejaagd. Toen was, in de stilte van den nacht, de
-jonge leeraar tot hem gekomen, die zich te Brussel verborgen hield,
-en hij had met Tiest gebeden en met hem gesproken en het was den
-zieke toen, voor het eerst, heel duidelijk geworden: "Het bloed van
-Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden!"
-
-Tiest Stoffelsz was weer beter geworden, en--ach, er was sinds zooveel
-gebeurd, dat hem het hoofd deed duizelen. Wat hij dien nacht vernomen,
-en ja, ook geloofd had, klonk nog na in zijn ziel, soms wel heel
-flauw, maar hij had het toch niet vergeten. Maar hij had al meer dan
-een van zijn stoutmoedige geloofsgenooten de noodlottige ladder zien
-beklimmen, hij had, na de komst van den hertog, op de Paardenmarkt
-twee Geuzenpredikanten zien sterven, "geëxecuteerd metten viere",
-één met "de groote vlam", één, die tot den beeldenstorm had aangezet,
-"met klein vuur"--en dat was een vreeselijk schouwspel geweest!
-
-"So wie volherden sal totten eynde, die sal salig worden!" had een
-eenvoudig werkman, een wever, de omstanders toegeroepen, toen hij
-ter strafplaats ging. Maar het geloof en de moed van Tiest waren niet
-groot genoeg, om hem te doen "volherden totten eynde", en hij wilde
-zich liever stil houden en zich doen vergeten.
-
-Toch, al had de voorzichtige Katelijne de beide Geuzen gaarne terstond
-de deur gewezen, Tiest kon niet weigeren te luisteren naar den brief
-van den predikant, die hem in zijne doodsbenauwdheid had bijgestaan,
-en welken de jongste der beide mannen hem voorlas,--want hij kon
-niet lezen.
-
-En toen herademde Tiest. Wat die twee mannen van hem verlangden, was
-zoo gevaarlijk niet. Hij behoefde geen ballingen te herbergen. De
-Gentsche predikant, die Brussel goed kende, had gelijk. De kelders
-van de brouwerij, waar hij werkte, kwamen uit in de Wolkammerstraat,
-een stille achterstraat. Jawel, daar was een luikdeur, die toegang gaf
-tot de kelders, waar de groote vaten bier lagen opgestapeld. Zeker,
-die kelderdeur werd weinig gebruikt. Al wat van hem verlangd werd,
-was, dien avond den boom weg te nemen, waarmee de luiken aan den
-binnenkant werden gesloten. De beide Geuzen hadden geen kwaad in
-den zin, dat verzekerden zij plechtig. Noch zijn meester, noch
-het gilde zou schade lijden. Zij moesten slechts iemand spreken,
-in het belang der goede zaak en hadden een schuilplaats noodig in
-de Wolkammerstraat. En al werden zij ontdekt, wie kon aantoonen, dat
-Baptist Stoffelsz er de hand in had gehad, om hen daar te verbergen?
-
---"En als zij eens werden gevat en ter paleie geleid?" vraagde de
-bezorgde Katelijne. De tortuur zou hen wel doen klappen en dan zouden
-zij en haar man voor hunne hulp duur moeten boeten.
-
-Toen was er een harde trek gekomen op het gezicht van den jongsten
-Geus.
-
---"Levend zullen zij ons niet vatten!" had hij gezegd en de oudere
-had goedkeurend geknikt.
-
-En met angst in het hart had de arme Tiest beloofd, dat dien avond
-de boom van het kelderluik zou zijn. Waren zij eenmaal binnen, dan
-moesten zij het luik sluiten en vooral geen gerucht maken. Vóór de
-volgende week zou er geen bier worden vervoerd. En met die belofte
-nam hij afscheid van zijn ongenoode gasten, die daarop bedaard en
-zonder iemands aandacht te trekken, zijn huisje verlieten, nadat zij
-hem beloofd hadden, den Eerwaarden Carpentier van hem te groeten en
-den predikant te zeggen, dat Tiest Stoffelsz, al was dan misschien
-de schijn tegen hem, een trouw en goed man was.
-
-En den volgenden morgen, nog voor het aanbreken van den dag, liepen
-twee mannen rustig door de eenzame Wolkammerstraat. Ze droegen
-de kleeding van den kleinen burgerstand dier dagen. Het konden
-werkgasten zijn, die zich reeds vroeg aan den arbeid begaven. Den
-vorigen avond hadden Jacob Martens en Pieter de Welle het terrein
-verkend. De Wolkammerstraat was een stille en weinig bezochte
-weg. Aan de eene zijde vond men de hooge achtergevels van pakhuizen,
-brouwerijen en wolkammerijen, langs den anderen kant liep de hooge
-muur, die den prachtigen en uitgestrekten tuin naast het paleis
-van den graaf van Aremberg van den verkeersweg afsloot. In dien
-muur was een achterpoortje, dat blijkbaar weinig gebruikt werd en
-slechts met een grendel was gesloten. Dat was de Welle gebleken,
-toen hij er als bij toeval een oogenblik tegen had geleund. Niet ver
-van die achterdeur was de kelder met het groote luik, die de beide
-avonturiers tot schuilplaats zou moeten dienen. Het kwam er nu maar
-op aan, of Tiest Stoffelsz woord had gehouden. De mogelijkheid bleef,
-dat de man het stuk niet had durven bestaan, of, erger nog, hen aan
-de Roode Roe en zijne rakkers had verraden.
-
-Bij het achterpoortje gekomen, haalde de Welle een korte ijzeren staaf
-voor den dag, waarvan hij zich den vorigen avond in een smidswinkel
-had voorzien. Voorzichtig zagen de beide Geuzen om zich heen. De
-straat was eenzaam en verlaten. De vensterluiken der omliggende
-gebouwen waren gesloten.
-
-Toen zette de Welle den als een breekijzer afgeslepen staaf tusschen
-de reet van de deur en den muur, op de plaats waar de grendel in de in
-den steen uitgeholde opening schoof en duwde met kracht. De grendel
-boog en bezweek bij een tweeden duw. De deur kon gemakkelijk worden
-geopend. Zij stond nu alleen op de klink.
-
-Toen traden beide mannen naar het kelderluik en beproefden het op
-te lichten. Het was los. Tiest had woord gehouden! Een steenen trap
-voerde naar beneden. Zij doken in de donkere opening en schoven den
-gereed staanden boom voor het luik. Zij waren voor het oogenblik in
-veiligheid. Door de met ijzeren tralies voorziene gaten, die in het
-hout waren aangebracht, viel een flauw licht. Zij konden hier rustig
-wachten, tot het oogenblik was gekomen, waarop Jacob Martens het
-gevaarlijk avontuur, waarop hij zijne zinnen had gezet, zou ondernemen.
-
-'t Werd een mooie Septembermorgen en 't beloofde een zomersche dag te
-worden. Madeleine de Bette was na het ontbijt den hof in gewandeld om
-van den schoonen nazomer te genieten en te werken aan hare tapisserie,
-een prachtig altaarkleed, bestemd voor Sinte Gudula, de patronesse van
-Brussel, want sedert Alva's komst wedijverden de vrouwen en dochters
-der adellijke geslachten, die den Koning trouw waren gebleven, in het
-maken van wijgeschenken voor de kerken der hofstad. En daarbij kwam,
-dat Madeleine wel gaarne alleen wilde zijn, want zij had veel om
-over te denken. In die paar jaren was zij nog mooier geworden. Het
-tengere meisje, dat Jacob Martens had liefgehad, was een fiere,
-statige schoonheid geworden en sedert president Martens door zijn
-waardigheid als lid van den Raad van Beroerten verplicht was, te
-Brussel te vertoeven, behoorde Madeleine de Bette, de rijke erfdochter
-uit een der edele Vlaamsche geslachten, tot de meest gevierden van
-het hof van den landvoogd. Op elk feest was zij omgeven door een
-zwerm van jonge Spaansche en Nederlandsche edellieden, die haar om
-strijd het hof maakten en heel Brussel wachtte in spanning op het
-oogenblik, dat het zou blijken, wie de gelukkige was, die den door
-allen begeerden prijs zou veroveren.
-
-Madeleine begaf zich naar een bank onder de neerhangende takken van
-een oude linde, waar zij van uit het huis niet kon worden gezien. Zij
-begon aan haar naaldwerk en werkte een poos vlijtig door. Weldra echter
-liet zij de naald rusten en staarde droomerig naar de zonnevlekjes
-op het groen bemoste tuinpad.
-
-Waar zij aan dacht? 't Waren blijkbaar geen ernstige of droevige
-overpeinzingen, waar zij zich mede bezig hield, want soms speelde een
-vroolijke glimlach om haar mond. Wat ging het ijdele en behaagzieke
-meisje de ellende van haar land aan? De komst der Spaansche troepen en
-van den ijzeren hertog hadden haar slechts voordeel aangebracht. Uit de
-deftige, maar eenvoudige huizing van haar pleegouders was zij immers
-overgeplaatst naar het vroolijke Brussel, waar zij kon genieten van
-de bewondering en de hulde, die zij zoozeer waardeerde. En al die
-troebelen in den lande, zij brak er zich het hoofd niet mede. Was
-niet haar geheele omgeving er ten volle van overtuigd, dat de
-oproerige Geuzen, die zich tegen den Koning hadden durven verzetten,
-spoedig genoeg zouden worden onderworpen? Daarvoor was immers de
-hertog overgekomen met zijne beproefde troepen, die nog nimmer waren
-geslagen. Strengheid tegen de ketters, de beeldstormers, de Geuzen
-was noodig, natuurlijk, maar spoedig zou de rust zijn hersteld en
-dan zou het alles weer worden zooals vroeger.
-
---Alles? Toch wel niet!--En Madeleine dacht aan velen, die haar het
-hof maakten en haar tot hun vrouw wenschten te maken. Het vroolijke,
-onbezorgde leven kon niet altijd duren. Ze zou wel een keuze moeten
-doen, en dan een goede keuze, die haar een schitterende positie
-waarborgde, want zij wilde blijven schitteren in die vroolijke kringen,
-die haar zoo aantrokken. Aan geen onbeduidend man zou zij haar hand
-schenken. 't Moest iemand zijn, die een toekomst had, een groote
-toekomst, die zij met hem kon deelen.
-
-Thierry de St. Foy maakte haar ijverig het hof. Hij was nu luitenant
-bij de Walen van Noircarmes. Hij was niet rijk, maar hij werd
-beschermd door de Croy's en de hertog van Aerschot was thans een man
-van beteekenis, die veel invloed had. Ieder meende, dat Thierry het
-vèr zou brengen en hij was een schoon en bevallig cavalier, met wien
-men voor den dag kon komen.
-
---Jacob Martens? Ach, dat was kinderspel geweest. Jacques was immers
-nu een balling, een verworpene, een oproerling tegen zijn wettigen
-landsheer, en daarbij een snoode ketter, wiens naam, volgens den
-wil zijner moeder, de strenge Vrouwe Martens, in haar huis niet meer
-mocht worden genoemd.
-
-En toch was 't jammer! Jacques was toch wel een goede, edele jongen
-en hij had haar wel innig liefgehad! Het waren toch wel goede en
-mooie uren geweest, daarginds, in den hof van het oude huis te Gent.
-
---Maar als hij haar werkelijk lief had gehad, dan zou hij haar niet
-hebben opgegeven voor zijn kettersche dolingen en zijn oproerige
-vrienden. Waarom had hij zich zelf door zijn dwaasheid in het
-ongeluk gestort voor tijd en eeuwigheid? Haar biechtvader had het
-haar verzekerd. Hem wachtte het schavot, als hij ooit gegrepen
-werd, en dan de pijnen der hel, en wanneer zij nog met liefde en
-gehechtheid aan den ellendigen ketter dacht, dan verkeerde zij in
-staat van doodzonde. En zij kon dan toch niet de verloofde zijn van
-een zwervenden balling. Misschien leefde hij niet eens meer....
-
-Het ritselde in de heesters achter de oude linde. Madeleine merkte
-het niet op.
-
---Zou zij een van de Spaansche officieren nemen? Don Juan di Garcia
-was zeker een bevallig caballero, veel aardiger in den omgang dan de
-statige don Rodrigo d'Avila, die zeker al veertig jaar was. Maar don
-Rodrigo bekleedde reeds een hoogen post en hij was van ouden adel
-en verwant aan de beste Spaansche geslachten. Als zijn vrouw zou
-zij dadelijk de positie innemen, waarnaar haar hart verlangde. En
-de eerbiedige hoffelijkheid, waarmede haar Spaansche vereerders haar
-naderden, streelde haar. Maar dan later naar Spanje te moeten gaan? Er
-werd onder den Nederlandschen adel aan het Brusselsche hof zooveel
-gesproken over de stijve, Spaansche zeden, over den dwang, waaronder
-de Spaansche vrouwen leefden. Neen, dat was geen toekomst voor haar...
-
---En lief had zij hen niet! Geen van allen! Thierry beviel haar nog
-het best, maar toch--wat zij voor Jacques gevoeld had, was toch heel
-wat anders! Maar ach, dat was misschien maar kinderachtige dwaasheid,
-een droom van haar meisjesjaren...
-
---Als iemand haar toch een raad kon geven! Zij wist zelve niet,
-wat zij wilde!
-
-Weer ritselde het in de heesters. Er viel een schaduw op het
-pad. Verrast, half verschrikt, keek Madeleine om. Een man stond achter
-haar en twee fonkelende oogen staarden haar aan.
-
-'t Ontbrak Madeleine de Bette niet aan moed. Zij wierp een snellen blik
-in de richting van het huis. Te ver! De indringer zou haar terstond
-inhalen, als zij vluchtte. Als hij kwade bedoelingen had, moest zij hem
-in bedwang houden, tot er mogelijk hulp kwam. Zij stond op van de bank.
-
---"Wie zijt ge en wat doet ge hier?" vroeg zij hoog.
-
---"Madeleine!" fluisterde de man, met heesche stem.
-
-Met een flauwen gil trad het meisje een pas terug. Wat was dat?
-
---"Madeleine, kent ge mij niet meer?"
-
-De stem trilde van ontroering, maar Madeleine herkende ze. Zij zag
-den vrager met verbaasde, verschrikte oogen aan.
-
---"Jacques? Hier?" fluisterde zij. "Hoe komt ge..."
-
-Zij wist zelve niet of zij meer verheugd was dan ontsteld. Met wijd
-geopende oogen staarde zij den onverwachten bezoeker aan. Ja, 't was
-Jacob wel. Maar hoe veranderd! Wat leek de flinke, krachtige man, die
-daar voor haar stond, weinig op den jongen Jacob Martens, dien zij voor
-'t laatst te Gent had gezien. Wat stonden hem de knevel en de korte
-baard goed, bij het door wind en weer gebruinde gelaat. En het breede
-litteeken op het voorhoofd ontsierde hem niet. Onwillekeurig legde zij
-haar beide handen in die van Jacob, toen hij ze naar haar uitstrekte.
-
---"Ik moest u zien, u spreken, Madeleine!"--Jacobs stem trilde van
-ingehouden hartstocht. "Ik heb er mijn leven voor gewaagd. Er werd
-gezegd, dat ge verloofd waart,--met een ander, met Thierry! Zeg,
-dat het niet waar is, Madeleine!"
-
-Hij wilde haar naar zich toe trekken, zijn arm om haar leest slaan,
-maar Madeleine had zich hersteld van haar eersten schrik. Zij maakte
-hare handen uit die van Jacob los.
-
---"Dat is niet waar," zei ze koel, "maar als het eens waar was? Een
-fraai bewijs van uw liefde, dat ge mij gegeven hebt! Weggevlucht zijt
-ge van mij, van uw ouders en van uw vrienden, om u aan te sluiten
-bij de ketters, bij de rebellen! Denkt ge, dat ik de verloofde zijn
-wil van een ketter, een Geus?"
-
-Ze deed een stap achteruit en een smadelijk lachje speelde om haar
-lippen. Ze was thans niet bang meer.
-
---"Madeleine, het is niet waar! Die ketters willen alleen God dienen
-naar de inspraak van hun hart en geweten en de rebellen zouden trouwe
-onderdanen zijn van den Koning, als hij hen wilde laten leven als vrije
-mannen. O, dat ik u de oogen kon openen! Ik moest, Madeleine! Ik zou
-een lafaard zijn, als ik het arme, onderdrukte volk niet hielp! Maar
-ik heb u nog altijd lief..."
-
-Maar Madeleine de Bette luisterde niet. Ze was zichzelf thans volkomen
-meester. Het streelde haar ijdelheid, dat die forsche, sterke man,
-een van de gevreesde Geuzen nog wel, daar als smeekeling voor haar
-stond. En hij had zijn leven gewaagd, om tot haar door te dringen. Als
-hij gevat werd, wachtte hem de dood op het schavot...
-
-Allerlei gedachten vlogen door haar koel, berekenend brein. Zij de
-bruid van een balling, van een Geus,--onmogelijk!
-
-Maar--als 't haar gelukte, hem terug te winnen voor de partij van
-den Koning? Als hij zich onderwierp en zijn ketterij afzwoer? 't Was
-waar, de Raad van Beroerte was streng voor de ballingen, die aan
-den opstand hadden deelgenomen, maar Jacques was nog jong en zijn
-vader had veel invloed en machtige vrienden. Er waren er meer, die
-'t eerst met Oranje en Brederode hadden gehouden, maar die de partij
-van de Geuzen hadden verlaten en nu trouwe dienaars waren van de
-Regeering. Welk een triomf, als 't haar gelukte!
-
-Met afgewend gelaat had zij naar de hartstochtelijke woorden van
-den jongen man geluisterd. Thans zag ze hem weer aan en er lag een
-verleidelijke, lokkende uitdrukking in haar donkere oogen.
-
---"Is dat waar?" fluisterde zij.
-
---"Madeleine!"
-
-Maar ze hield hem terug.
-
---"Toon het dan! Keer terug tot mij, tot uw ouders, tot de Heilige
-Kerk. Wat bindt u aan de Geuzen, die boeven en rabauwen? Uw vader heeft
-invloed bij den hertog. Hij zal een pardon voor u verkrijgen. Alles
-kan nog goed worden."
-
-Zij trad op Jacob toe, legde hem de handen op de schouders en zag
-hem vleiend aan.
-
---"Wij kunnen nog zoo gelukkig zijn, Jacques," fluisterde zij.
-
-Bleek en sidderend van inwendige ontroering staarde Jacob het schoone
-meisje aan. 't Was waar, wat zij zeide: hij, de balling, de vogelvrij
-verklaarde, hij kòn terug, als hij wilde. Een leven van eer en aanzien,
-van geluk en liefde kon hem nog wachten,--als hij de zaak van zijn
-volk, van zijn land verried, als hij zijn Heer ontrouw werd. Het waren
-immers zijn eigen gedachten, die Madeleine daar uitsprak, gedachten,
-die in hem waren opgerezen daar ginds in het woeste duin, die hem
-gekweld hadden in menigen slapeloozen nacht, als de bloedige daden van
-zijn woeste makkers hem er aan deden twijfelen, of hij streed voor
-een rechtvaardige zaak. Hij kon nòg terug,--en dan, Jacob Martens,
-de zoon van den president van den Raad van Vlaanderen, de echtgenoot
-van Madeleine de Bette, zou hij nog niet veel voor zijn volk kunnen
-doen? Meer dan de arme balling, die meevocht in den hopeloozen strijd
-tegen de overmacht, wachtende op de hulp, die maar niet kwam opdagen...
-
-Wat was die stem in zijn binnenste, die daar sprak van "getrouw te
-zijn tot den dood"?
-
-Madeleine zag zijn ontroering. Nu was het oogenblik daar, waarin zij
-alles op het spel moest zetten, om over de laatste aarzeling van den
-jongen man te triomfeeren, om hem terug te winnen voor zichzelve,
-Jacques, van wien zij toch wel hield, voor zoover haar ijdel en
-lichtvaardig gemoed daartoe in staat was.
-
-Zij sloeg een arm om zijn hals en boog het hoofd aan zijn borst.
-
---"Om mijnentwil, Jacques," fluisterde zij week. "Laat mij spreken met
-uw vader... Laten wij u redden! De Geuzen zullen worden uitgeroeid. De
-hertog zendt troepen, om ze te verslaan. Ik weet het zeker! Thierry
-sprak er van!"
-
---"Ik kan niet, ik mag niet, Madeleine!"
-
-Het oogenblik van zwakheid was voorbij. Madeleine had, zonder dat
-zij het wist of wilde, een beroep gedaan op het eergevoel van den
-krijgsman. Hoe? Zijne makkers zouden worden aangevallen door de
-troepen der Regeering en hij zou ze als een lafaard in den steek
-laten in den hoogsten nood? Eerloos!...
-
-En nu de verzoeking was weerstaan, vlogen hem bliksemsnel de gedachten
-weder door het hoofd, die hem gesterkt hadden in donkere uren, om
-te volharden tot het einde. Zoovelen, die gevallen waren voor de
-goede zaak, de zaak der vrijheid, die eenvoudigen, de martelaars,
-die geleden hadden aan de galg en op den mutsaard voor het gezuiverde
-Evangelie! En weer zag hij het bleeke gelaat der martelaresse te Gent
-en hoorde hij het "Wees getrouw tot in den dood". Dat was het! Trouw
-zijn, trouw tot in den dood!
-
---"Ik mag niet!" herhaalde hij dof. "Maar o, ik heb u lief,
-Madeleine! Blijf mij trouw! Er zullen betere dagen komen! Oranje en
-de Coligny zullen ons helpen..."
-
-Maar bij zijne eerste woorden had Madeleine hem losgelaten.
-
---"Een bewijs van uw liefde, zeker!" Met een smadelijk lachje wendde
-zij zich af.
-
---"Ge kiest dan uw Geuzen en rebellen boven mij! Ga heen, Jacques
-Martens, ik heb u niets meer te zeggen. Ga terug naar uw Geuzen,
-vóór de Roode Roe en zijn rakkers u ontdekken en grijpen!"
-
-Een lichte kreet achter hen deed beiden omzien. Het bemoste voetpad
-van den ouden tuin had de voetstappen gedoofd van de twee, die
-plotseling verschenen waren aan de kromming bij de oude linde en
-thans verrast bleven staan: de statige Vrouwe Martens in haar zwart,
-bijna kloosterachtig gewaad en witte huive, en Thierry de St. Foy, in
-zwart fluweelen hofkleeding, aan de mouwen met geel satijn doorbroken,
-den hoogen fluweelen hoed met een koord van gouddraad versierd en
-opgetoomd. Vrouwe Martens was zeer bleek geworden, toen zij haar
-zoon herkende; Thierry stond besluiteloos en draaide verlegen aan
-zijn fijn zwart kneveltje.
-
---"Moeder!" Jacob wilde op haar toeijlen. De mondhoeken der trotsche
-vrouw hadden even zenuwachtig getrild; toen werd haar blik koud en
-hard. Met een gebiedend gebaar wees zij hem terug.
-
---"Een oproerling en een ketter is mijn zoon niet!" klonk het
-hoog. "Wat doet gij hier!"
-
---"Een Geus en een vijand van den Koning!" Thierry had zijn
-tegenwoordigheid van geest teruggekregen.
-
---"Geef u over, Jacob Martens!"--Hij trok den fijnen staatsiedegen
-en trad op Jacob toe.
-
-Een oogenblik had Jacob Martens roerloos zijn moeder aangestaard. Het
-flikkerende staal in de hand van zijn mededinger en het besef van het
-dreigend gevaar, waarin hij verkeerde, bracht hem tot zichzelf. Snel
-trok hij den langen opsteker, dien hij onder zijn wambuis droeg, en
-pareerde den stoot, dien Thierry hem wilde toebrengen. Met forsche
-hand greep hij den pols van zijn tegenstander en ontwrong hem het
-wapen, dat hij wegslingerde tusschen de heesters. Toen haalde hij
-uit met het breede kruismes.
-
-Madeleine gaf een gil en klemde zich aan Vrouwe Martens vast.
-
-Een oogenblik aarzelde Jacob. Als daar zijn moeder niet stond...
-
-Hij liet Thierry los en stiet hem van zich af.
-
---"Ga heen!" zei hij met heesche, trillende stem.
-
-Thierry de St. Foy liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij snelde het
-pad op, dat naar de huizinge voerde, terwijl hij op een fluitje blies,
-dat aan zijn halsketen hing.
-
-Jacob stond een oogenblik besluiteloos.
-
---"Jonker! jonker!" klonk het dringend achter hem. Een donkere gedaante
-stond tusschen de heesters, hem wenkend, zich te haasten.
-
-Jacob wierp een blik op de beide vrouwen, die elkander nog altijd
-vol ontzetting hielden omklemd, een laatsten blik. Toen snelde hij
-met de Welle naar het achterpoortje in den hoogen tuinmuur. Achter
-hen klonken stemmen in den tuin.
-
-Thierry de St. Foy kwam terug met versterking. Een snellen blik
-wierpen zij in de eenzame straat. Er was niemand te zien! De Welle
-greep Jacob de muts van het hoofd en wierp die de straat in. Toen
-doken beiden door het luik in den donkeren kelder en met een zucht
-van verlichting schoven zij den zwaren boom er voor.
-
-Voor het oogenblik waren zij in veiligheid, maar toch bonsde hun
-hart, terwijl zij luisterden naar de voetstappen en de stemmen in
-de straat. Als iemand hen had zien wegduiken in hun schuilplaats,
-waren zij verloren. Hun vervolgers konden spoedig genoeg den ingang
-van de groote brouwerij bereiken, waarbij de kelder behoorde, die
-hun schuilplaats was, en werden zij ontdekt en gegrepen, dan was hun
-lot beslist.
-
---"Ha, zie die muts! Dezen kant op, mannen!"
-
-'t Was de stem van Thierry. De krijgslist van de Welle was gelukt. De
-stemmen en de haastige voetstappen verwijderden zich in de richting
-van de stad. De vervolgers vermoedden niet, dat de Geuzen, die zij
-zochten, zich in hun onmiddellijke nabijheid hadden bevonden.
-
-En nu begon het wachten, het lange, pijnlijke wachten, dat tot den
-avond moest duren, want eerst met het vallen van den nacht zouden de
-beide Geuzen het durven wagen, hun schuilplaats te verlaten.
-
-Zij zaten op de steenen trap van den donkeren kelder, slechts flauw
-verlicht door de kleine openingen in het luik en luisterden naar
-de geluiden, die van buiten tot hen doordrongen. Zij hoorden de
-voetstappen der terugkeerende vervolgers, hun verwoede en opgewonden
-uitroepen, terwijl ieder zijn meening wilde uiten, en raad wilde
-geven. Toen werd het voor een poos stil in de straat, maar weldra
-klonken er weer voetstappen en stemmen. Blijkbaar had het gerucht
-van het gebeurde zich in de stad verspreid en er vormde zich een
-kleine oploop van nieuwsgierigen voor de achterpoort in den muur. Zij
-konden zelfs van tijd tot tijd de gesprekken der verschrikte burgers
-verstaan, althans enkele woorden opvangen. Blijkbaar was de levendige
-volksverbeelding reeds aan het werk: de Geuzen hadden een aanslag op
-Brussel in den zin. Wilde Geuzen hadden een aanval gedaan op het paleis
-van den graaf van Aremberg. Ze hadden de vrouwen willen ontvoeren. Hoe
-sterk waren de aanvallers geweest? Tien! Neen, zeker twintig! Een
-officier van Noircarmes had ze aan het hoofd van de wacht verdreven...
-
-Maar na een poos werd het stil in de straat. De nieuwsgierigen
-trokken af.
-
-Tegen den vochtigen muur geleund, zaten de beide mannen zwijgend
-tegenover elkander. Jacob Martens staarde somber voor zich uit,
-vol van het gebeurde van dien morgen. Thans eerst was hij voorgoed,
-was hij onherroepelijk van de zijnen gescheiden! Zijn moeder had
-hem verstooten, Madeleine was voor hem verloren, zijn vader had
-zitting in Alva's bloedigen raad. Hij zelf, hij was een balling, een
-uitgestootene! Er waren oogenblikken, dat hij haast wenschte, dat men
-hun schuilplaats ontdekte. Dan zou 't spoedig voorbij zijn! Een kort,
-heet gevecht, een stoot met een piek of een dagge--en zijn strijd
-was volstreden, voorgoed.
-
-Maar zulk een oogenblik ging spoedig voorbij. Hij mocht niet in
-moedeloosheid het hoofd verliezen. Hij moest leven, als 't zijn kon,
-en strijden voor de goede zaak. En thans moest hij waken en zoeken
-naar redding, ook ter wille van de Welle, die zich om zijnentwil en
-met gevaar van zijn leven in Brussel had gewaagd.
-
-Straks, als de avond was gevallen, zouden zij trachten te
-ontsnappen. Natuurlijk zou de wacht aan de poorten der stad zijn
-gewaarschuwd en er zou scherp worden gelet op allen, die Brussel
-verlieten. En naar hun herberg terug keeren konden zij niet. Maar
-zij hadden op de mogelijkheid van ontdekking gerekend, en hun plan
-was gemaakt. Zij hadden den vorigen dag voorzichtig de omgeving
-verkend. Zij moesten over den stadsmuur pogen te ontkomen.
-
-Pieter de Welle stoorde zijne overpeinzingen niet. Hij begreep wel,
-wat er in het hart van den jonker omging. Het gevaar, waarin hij
-verkeerde, deerde hem niet en hij dacht er niet aan, Jacob Martens
-iets te verwijten. De onderneming was dwaas en roekeloos geweest. Dat
-had hij steeds geweten en toch was hij zijn jongen aanvoerder gevolgd,
-den eenige, om wien hij nog aan het leven hechtte. Als hij straks aan
-zijne zijde moest vallen, dan zou het goed zijn. God mocht zijn ziel
-genadig wezen, en--eerst zou hij toch nog wel een paar Spanjolen of
-Spanjolenvrienden neerleggen.
-
-Van onder zijn kiel haalde hij een paar lange pistolen te voorschijn,
-met een kruithoorn. Bij het flauwe licht, dat door de getraliede
-openingen in het luik viel, schudde hij droog kruit op de pan en
-liet het lontslot spelen. Straks, als zij den kelder verlieten,
-zou hij de lonten aansteken.
-
-En ondertusschen luisterde hij scherp naar wat er buiten voorviel.
-
-Zoo verliepen de trage uren, terwijl de beide mannen nauwelijks een
-woord wisselden. Eindelijk begon de avond te vallen. De Angelus-klok
-van de Sinte Gudula werd geluid, weldra gevolgd door de klokken van
-alle kerken en kloosters der stad. Weldra zou 't donker genoeg zijn,
-om hun plan te volvoeren.
-
-Plotseling schrikten de beide Geuzen op. Er klonken zware voetstappen
-door de straat, marcheerende op de maat. Daar was wapengekletter en
-een kort commando. Daar naderden soldaten! Zou men door eenig toeval
-hun schuilplaats hebben ontdekt?
-
-De voetstappen hielden stil. Weer een kort bevel en de troep
-verwijderde zich, maar er klonken nog altijd zware schreden, langzaam
-op en neer, blijkbaar van twee soldaten, die heen en weer liepen en
-van tijd tot tijd hoorde men hen hun pieken neerzetten op de keien.
-
---"Een wacht!" fluisterde Jacob en de Welle knikte toestemmend.
-
-Blijkbaar werd de achterpoort door gewapenden bewaakt.
-
-De twee mannen verkeerden in een hachelijken toestand. Zij konden
-den kelder niet verlaten, zonder door de schildwachten te worden
-bemerkt. Toch restte hun nog één kans. Zij hadden met Tiest Stoffelsz
-afgesproken, dat deze in den laten avond onder eenig voorwendsel naar
-de brouwerij zou terug keeren, en, ter wille van zijn eigen veiligheid,
-den boom weer voor het luik zou leggen, wanneer zij den kelder hadden
-verlaten. Nu moesten zij op hem wachten. Hij moest hen door de donkere
-kelders leiden en hen op straat brengen.
-
-Het werd nacht. De soldaten daar buiten waren reeds eenmaal
-afgelost. Eindelijk hoorde men zachte, schuifelende voetstappen en
-in de verte blonk het flauwe schijnsel van een lantaarn.
-
-Jacob begreep, dat een lichtstraal door de luchtgaten van het luik
-hen zou kunnen verraden. Haastig tornde hij met zijn mes de voering
-van zijn wambuis los en scheurde er een paar lappen af, waarmede de
-openingen werden dicht gestopt.
-
-Tiest Stoffelsz was niet weinig verrast en ontsteld, toen hij de
-beide Geuzen nog in den kelder vond. De arme man beefde over al
-zijn leden, wanneer hij weer dacht aan het gevaar, dat hem dreigde,
-als zijn gevaarlijke gasten zouden worden ontdekt en het zou blijken,
-dat hij hen geholpen had. Sidderend luisterde hij naar de voetstappen
-der soldaten, die daar buiten de wacht hielden.
-
-Jacob Martens slaagde er echter in, hem den toestand te doen begrijpen,
-en hem duidelijk te maken, wat men van hem wenschte. Ja, zeker, hij
-kon hen door de kelders leiden naar de brouwerij en hen zoo op straat
-brengen. En de stadsmuren--ja, die waren dan wel spoedig te bereiken.
-
-Een schichtige blik naar het gesloten luik en Tiest ging hen voor,
-door den doolhof der diepe bierkelders, terwijl het flauwe licht
-van zijn lantaarn de groote okshoofden verlichtte, waarin het bier
-werd geklaard, voor het werd afgeleverd. Zij bereikten de brouwerij
-en de open binnenplaats, waar groote stapels tonnen lagen en ledige
-wagens op hun vracht stonden te wachten. Van een dier wagens nam de
-Welle een lang, niet dik, maar sterk touw mede, dat gebruikt werd om
-de tonnen vast te sjorren. Toen opende Tiest voorzichtig een kleine
-deur in de poort en de vluchtelingen bevonden zich op straat.
-
-Tiest Stoffelsz wees hun de richting, die zij te volgen hadden, en toen
-namen zij met een woord van hartelijken dank afscheid van den braven
-brouwersknecht, terwijl zij hem nogmaals verzekerden, hem nimmer te
-zullen verraden. Tiest zag hen in de duisternis verdwijnen. 't Was
-hem, of hij gedroomd had. Die beiden, met hun zinkroeren en lange
-opstekers, dat waren nu twee van die Wilde Geuzen, waarvan men zooveel
-schrikkelijks vertelde; dat waren de mannen, die men in de gansche
-stad zocht en op wie men lette aan alle poorten.
-
-En hij, hij had hen geholpen en verborgen! Daar stond de paleie op,
-en de galg! Huiverend spoedde hij zich huiswaarts.
-
-Ondertusschen slopen Jacob Martens en de Welle vlug en geruischloos
-voort door de eenzame, donkere straat in de schaduw der hooge huizen,
-brouwerijen, pakhuizen en dergelijke, die zich in dit deel der stad
-bevonden. Tiest Stoffelsz had hen nauwkeurig den weg gewezen, dien
-zij moesten volgen om den stadsmuur te bereiken. 't Was een donkere,
-buiïge herfstnacht, juist een nacht, die hun vlucht mogelijk moest
-maken. Zij zaten in Brussel opgesloten als in een val. Er zou naar
-de stoutmoedige ballingen, die zich gewaagd hadden tot in de stad,
-waar de hertog en zijne regeering verblijf hielden, overal gezocht
-worden. Men kende hen thans bij name: vogelvrij verklaarde Geuzen, die
-meegevochten hadden tegen de troepen van den Koning bij Austruweel,
-hoofden van de benden, die het Zuid-Westen des lands onveilig
-maakten. De poorten zouden worden bewaakt en zonder twijfel zou de
-bevelhebber van het garnizoen patrouilles zenden, om de stad mede te
-bewaken, met de gewone nachtwachten. Als zij gewapenden ontmoetten
-en zij werden ontdekt, dan zou geen van beiden den ander in den steek
-laten, maar zij zouden vechten tot zij vielen en werd een van beiden
-gewond, dan zou de ander hem den laatsten dienst bewijzen door het
-toebrengen van een genadestoot. Want zij wisten maar al te wel, wat het
-voor hen zou beteekenen, levend in de handen der Spanjaarden te vallen.
-
-Bij het omslaan van den hoek eener zijstraat, die naar hun doel moest
-leiden, hoorden zij inderdaad zware voetstappen en het gerammel van
-wapenen. Een lantaarn aan een stok wierp een rood, onzeker licht in de
-straat. Het oogenblik was daar. Zij konden wel is waar teruggaan in de
-richting, van welke zij waren gekomen, maar dat zou hun weinig baten,
-want die weg voerde naar de aanzienlijke wijken der stad, waar in
-deze dagen zelfs in den laten avond nog menschen op de been waren. De
-Welle drukte Jacob een zijner beide zinkroeren in de hand. Hij had de
-lonten aangestoken aan de lantaarn van Tiest Stoffelsz, maar droeg
-de wapens onder zijn langen kiel, zoodat de glimmende vonken hen
-niet konden verraden. Toen liepen zij de straat weder in tot aan een
-groote inrijpoort, waar zij in de donkerte van het poortgewelf post
-vatten. De twee mannen drukten elkander zwijgend de hand. Sloeg de
-patrouille den weg rechts in, dan moesten zij worden ontdekt. Dan zou
-het een kort gevecht worden tegen de overmacht en zij zouden vallen
-in een ongelijken strijd, want zij zouden zich niet overgeven.
-
-De spanning duurde eenige minuten. Toen sloeg de patrouille links
-den hoek der straat om. Het gevaar was voor het oogenblik voorbij.
-
-Met een zucht van verlichting luisterden de Geuzen naar de zich
-verwijderende voetstappen. Als zij nu spoedig den muur konden bereiken,
-hadden zij een goede kans, want het zou nu zeker eenigen tijd duren
-voor er een volgende patrouille voorbij kwam.
-
-Snel en geruischloos liepen zij voort en zie, daar teekende de hooge
-stadsmuur zich donker af tegen de lucht. Zij hadden opgemerkt, dat
-er hier en daar smalle steenen trappen voerden naar het banket, dat
-langs de borstwering op de kruin van den muur liep. Een dier trappen
-moesten zij vinden en dit gelukte hun vrij spoedig.
-
-Nu stonden zij op den muur. De Welle ontrolde het touw, dat hij uit
-de brouwerij had meegenomen en om zijn middel had gewikkeld. Het zou
-zeker lang genoeg zijn.
-
-De vluchtelingen begonnen zoo snel mogelijk knoopen in het dunne
-touw te leggen, ongeveer vier voet van elkander. Zoo kregen zij een
-stevige touwladder. De Welle haalde de aangescherpte ijzeren staaf
-voor den dag, die hem als breekijzer had gediend bij het openen der
-tuinpoort. Een groote veldkei had hij in de straat opgeraapt. Nu zocht
-hij met tastende vingers naar een voeg tusschen de zware baksteenen,
-waarvan de muur was opgemetseld en dreef met een paar forsche slagen
-het ijzer er in. Luid klonken de slagen door den nacht. Angstig tuurden
-de vluchtelingen naar den kant der stad. Neen, er was geen onraad; nog
-niet! Nu werd het touw aan de staaf bevestigd en er ontstond een korte
-strijd over de vraag, wie er het eerst gebruik van zou maken. Jacob
-weigerde aanvankelijk zich vóór de Welle te redden, omdat deze zich om
-zijnentwil in dit gevaar had begeven, maar de Welle beduidde hem, dat
-het beter was voor hen beiden. Jacob was jong en slank en veel lichter
-dan zijn metgezel. Hij zou gemakkelijk langs het loshangende touw
-kunnen afdalen en het dan beneden vasthouden, om zijn makker te helpen.
-
-'t Was ondertusschen wat helderder geworden. Hier en daar flonkerden
-de sterren aan den bewolkten hemel. De nachtwind floot over de kruin
-van den muur.
-
---"Haast u, jonker!" fluisterde de Welle.
-
-Jacob greep het touw en liet zich zakken. 't Was een moeilijke en
-gevaarvolle afdaling, maar hij bereikte gelukkig den grond.
-
-Hij stond nu aan den rand van de gracht.
-
-Het geluk diende hem. Vlak bij hem was een paal, die zeker moest
-dienen om er een boot aan vast te leggen. Hij sloeg er het touw om
-en gaf het afgesproken teeken. De Welle daalde langs het nu strak
-gespannen touw vrij gemakkelijk naar beneden.
-
-Nu moest de gracht nog worden overgezwommen. Gelukkig stond het
-water hoog en de beide Geuzen waren sterk en vlug. Zij konden zich
-tegen den hoogen kant optrekken en waren nu voor het oogenblik in
-veiligheid. Wel bevonden zij zich nog tusschen de buitenste bolwerken,
-maar die waren thans niet bezet.
-
-En nu moesten zij trachten zoo spoedig mogelijk het bosch van Soigny
-te bereiken, dat ten Zuiden van de stad moest liggen. De sterren
-wezen hun den weg, terwijl zij langs veldwegen en door weiden en
-akkerlanden hun vlucht voortzetten, steeds zooveel mogelijk de hoeven
-rondom de stad vermijdende, om niet door het aanslaan der werfhonden
-te worden verraden.
-
-Na een vermoeienden tocht van ruim een uur zagen zij eindelijk de
-omtrekken van het zwaar geboomte tegen den bestarnden hemel afsteken
-en weldra hadden zij het bosch bereikt. Zij drongen door den breeden
-opslag van bleeke berken aan den boschrand, die spookachtig wuifden in
-den nachtwind, tot zij het hooge geboomte hadden bereikt. Daar lieten
-zij zich nedervallen op den dik bemosten grond. Beide mannen waren
-uitgeput en zij hadden eenige uren rust noodig, voor zij hun tocht
-konden voortzetten. Voor vervolging behoefden zij niet te vreezen,
-althans niet voor het aanbreken van den dag. Dan was het mogelijk,
-dat er patrouilles zouden worden uitgezonden, om den omtrek af te
-zoeken naar de ontsnapte Geuzen, maar dan zouden zij reeds ver van
-Brussel zijn.
-
-Weldra hoorde Jacob Martens de diepe ademhaling van de Welle,
-die rustig sliep op het zachte mosbed. Hijzelf kon eerst den slaap
-niet vatten. Nog eenmaal doorleefde hij in gedachten den dag van
-gisteren. Zoo lag dan nu zijn verleden onherroepelijk achter hem. Hij
-had tot nu toe altijd nog gehoopt op een verre toekomst, wanneer--hoe,
-wist hij niet en hij kon het zich ook niet indenken--alle ellende, alle
-strijd tot het verledene zou behooren, en hij weer met de zijnen, met
-Madeleine zou zijn vereenigd. Ja, hij was blijven hopen op Madeleine's
-liefde, op haar trouw--door alles heen. En nu was de droom voorbij,
-voor altijd! Hij was een balling, een vogelvrij verklaarde. Zijn vader
-was lid van den Bloedraad, zijn moeder had hem verstooten, Madeleine
-was de zijne niet meer, zijn vroegere vriend had hem willen overleveren
-aan den beul. Hij was hun vijand,--hij, de verachte, de gehate Geus!
-
-En bij dat alles klonk daar toch in zijn binnenste het woord,
-leefde daar toch de gedachte, die hem staande hield: Getrouw zijn,
-getrouw tot in den dood! Want zijn zaak was de zaak van zijn volk,
-was de zaak Gods...
-
-'t Was al diep in den nacht, toen hij insluimerde, maar trots
-zijn vermoeienis was zijn slaap onrustig. Telkens schrikte hij
-wakker. Zoodra de morgen begon aan te breken, wekte hij zijn metgezel,
-en de beide mannen zetten hun vlucht voort door het uitgestrekte
-bosch van Soigny, naar Vlaanderen, om dan langs de hun welbekende
-wegen hunne wilde makkers, de Boschgeuzen, weer te bereiken.
-
-Nieuwsgierig keken de woeste gezellen naar hun twee aanvoerders,
-die, dat wisten zij wel, zich diep in het door de Spanjolen bezette
-land hadden gewaagd. De stoutmoedigsten trachtten de Welle uit te
-hooren. Deze vertelde hun bereidwillig genoeg al het nieuws, dat
-hij vernomen had over den toestand des lands, de vervolgingen en
-de terechtstelling van allen, die op eenige wijze aan den opstand
-hadden deelgenomen.
-
-Maar over het doel van zijn tocht met den jonker liet hij zich niet
-uit. De mannen zagen, dat jonker Martens ernstiger en stiller was
-dan ooit. De jonge aanvoerder trachtte zijn ruwe, ongeregelde bende
-aan een zekere krijgstucht te wennen. Hij wilde, dat de mannen zich
-oefenen zouden in het gebruik van hunne wapens, maar hij vond niet
-veel medewerking bij de ballingen, nu reeds te lang aan een ongeregeld
-leven, aan roof en plundering gewoon. Allen wisten het nu wel: Alva
-maakte troepen gereed, om de Boschgeuzen, de laatste opstandelingen
-immers, aan te grijpen en uit te roeien. Maar tot nog toe waren zij
-veilig geweest in hun natuurlijke vestingen. En waren er onder hunne
-predikanten geen mannen, die alle voorzorgsmaatregelen van jonker
-Martens en andere leiders voor ongeloof uitkreten, en die spraken
-van een Gideonsbende, waaraan de Heer der heirscharen de overwinning
-kon schenken op de overmacht der Midianieten, de vijanden van God en
-Zijn volk?
-
-En zoo wachtten de ongeregelde benden der Wilde Geuzen, de laatst
-overgeblevenen van den met zooveel hoop en stouten moed begonnen
-veldtocht der Gereformeerden in het Zuiden, de wèlgeoefende en
-strijdbare vendels van Alva af.
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-
-Op een vroegen Octobermorgen lag een roeiboot aan het eenzame strand
-tusschen Nieuwpoort en Duinkerken, niet ver van een "slag" in het
-duin, een laag punt tusschen de zandheuvels, waar een karrespoor het
-pad aanwees, dat de bevolking van het schamele duindorp, dat achter
-de hooge toppen verscholen lag, volgde, om de kust te bereiken. Het
-was vloed en het vaartuig lag in de eerste strandgolven. Blijkbaar
-behoorde het bij een krapschuit, die aan gene zijde van de witte
-lijn der branding voor anker lag. In de verte kon men de masten en
-de witte zeilen van een grooter schip onderscheiden.
-
-Op het strand stonden twee mannen, gekleed in het grove grein der
-Hollandsche schippers. Dat zij echter geen vreedzame visschers waren,
-die daar de wacht hielden bij hun boot, bewees hunne uitrusting. Beiden
-waren zij voorzien van korte vuurroeren en aan hun gordel hing
-een houwer naast het matrozenmes in lederen scheede. Zij staarden
-met onrustige blikken naar den duinkant, naar de plaats, waar het
-zandspoor zich tusschen de zandheuvels verloor en wisselden van tijd
-tot tijd een ongeduldig woord.
-
-Uit de verte, meer naar het Zuiden, klonk nu en dan boven het geluid
-van de branding een doffe knal. Er werd naar het scheen gevochten in
-het duin. De schoten kwamen nader. De beide mannen wisselden een blik
-en er kwam een onrustige trek op hunne verweerde gezichten.
-
---"Zou dat tegen de onzen zijn?" zeide de jongste.
-
---"'t Is te ver!" meende de ander. "Er wordt daarginds gevochten. Wat
-'t zijn kan, weet ik niet. Wie is er zeker van zijn leven in 't land,
-nu de vermaledijde Spanjool er huist? Maar ik wou met dat al, dat
-ze terugkwamen. Tamme Abels weet toch wel, dat wij den vloed niet
-mogen verspelen!"
-
---"Misschien heeft hij onverwachts buit gevonden!"
-
---"Buit? In dat visschersnest in de duinen? 't Zal mooi zijn, als
-hij wat victualie meebrengt. En dat moet toch, want aan boord is
-'t geen vetpot. En de François geeft niets af."
-
---"Die zal 't zelf ook niet breed hebben. Heb maar geduld, oude
-brompot. Als we weer een Antwerpschen koopvaarder aanhouden, dan..."
-
---"Als! als!" viel de oudere zeeman in. "Als Tamme niet gauw komt, zal
-hij geen koopvaarders meer aanhouden, maar door een hennepen venster
-moeten kijken in plaats van naar schepen in den mastkorf. Die schoten
-komen al dichter. Straks zullen we nog moeten vechten om de boot."
-
---"Maar de "Vrouw Geertruyd"?"
-
---"De "Vrouw Geertruyd" moet afhouden als de eb begint. Maar hoor,
-ze komen er aan."
-
-Er klonk een verward geschreeuw van den kant van den slag, en een
-oogenblik later verscheen een troep gewapende mannen in de opening
-tusschen de duinen. Een paar van hen droegen een vat aan een draagboom,
-anderen waren beladen met bossen gedroogde visch en ronde brooden. Een
-jonge kerel, die de aanvoerder scheen te zijn, gaf een kort bevel en
-liep toen vooruit naar de boot.
-
---"Een goede vangst, Tamme?" vroeg de oudste van de beide wachters.
-
-De aangesprokene haalde de schouders op. 't Was een nog jonge man,
-met een echten Frieschen kop. Een lang, bleek gezicht, met forsche,
-vierkante onderkaak, een harden mond met dunne lippen, waarboven de
-knevel nauwelijks te voorschijn kwam. De helle blauwe oogen hadden
-een koude, dreigende uitdrukking. Op het stugge, blonde haar droeg
-hij een muts van robbevel.
-
---"Niets dan drinkwater en brood en visch!" zei hij stug. "'t Is een
-arm, Paapsch nest!"
-
---"De mannen zijn op zee!"
-
---"Ja, de booten zijn uit. Als ze morgen terug komen, zullen ze
-'t nest leeg vinden."
-
---"Den brand er in gestoken?"
-
-Tamme Abels haalde onverschillig de schouders op en wees naar het
-duin. Een rookwolk verhief zich boven de gele toppen en men rook de
-scherpe lucht van brandend stroo.
-
---"Werd er op jelui geschoten?" vroeg de ander.
-
---"Neen, er wordt gevochten in 't duin. Spanjolen denkelijk met een
-troep Geuzen. Dat zei ten minste een oud wijf in 't dorp. 't Komt
-dichterbij!"
-
---"Kunnen we niet een handje helpen?"
-
---"Wat gaat 't ons aan? Er is niets bij te verdienen."
-
-Ondertusschen waren de levensmiddelen en het watervat in de boot
-geborgen. Een paar rolhouten werden onder de sloep gelegd en de mannen
-begonnen haar vlot te maken.
-
-Over het water klonk een doffe dreun en een witte rookwolk hing een
-oogenblik over het groote razeil in de verte.
-
---"De François wordt ongeduldig," zei Tamme Abels. "Vooruit, mannen!"
-
-Dichtbij, in het duin achter hen, klonken de doffe slagen van
-busschoten, wegrommelend tusschen de hooge zandheuvels.
-
-Een paar Geuzen grepen naar hunne vuurroeren.
-
---"Laat staan!" gebood de jonge schipper barsch. "Maakt de boot
-vlot. Wij moeten op de "Vrouw Geertruyd" zijn, voor die kerels aan
-'t strand komen."
-
-De mannen schoven de boot vooruit, tot in de eerste strandgolven,
-en sprongen binnen boord, zoodra zij vlot was.
-
---"Aan de riemen!" zei Tamme Abels, terwijl hij onrustig naar het
-strand keek.
-
-In de opening tusschen het duin verschenen twee gestalten. Ze liepen
-ijlings in de richting van de boot en wenkten. Een flauw geroep drong
-tot de bemanning door.
-
---"Wacht een oogenblik, Tamme," zei de oudere man, die de wacht had
-gehouden bij de boot en die de eenige scheen te zijn, die den jongen
-schipper durfde tegenspreken, "'t zijn misschien Geuzen; er moeten
-er veel huizen, hier aan de kust."
-
-De bleek-blauwe oogen van den aanvoerder flikkerden onheilspellend,
-maar de mannen in de boot schenen hun makker gelijk te geven. Zij
-hingen op de riemen en het vaartuig danste op en neer in de eerste
-strandgolven.
-
-De beide vluchtelingen hadden het strand bereikt. Ze liepen het
-water in en waadden naar de boot. Tegelijk verschenen op de duinen
-hier en daar gedaanten en men zag de ijzeren stormhoeden en kurassen
-flikkeren in het zonlicht. Een troep gewapenden drong door den slag
-en marcheerde snel naar het strand.
-
---"'t Zijn Spanjolen!" riep de stuurman.
-
-Een paar der Geuzen namen hunne handbussen op en bliezen op de lont.
-
---"Laat dat!" gromde Tamme. "We kunnen de boot niet laten
-afsnijden. Aan de riemen, mannen!"
-
-Maar de vluchtelingen hadden de boot bereikt en werden haastig binnen
-boord geholpen. De Geuzen vielen aan de riemen en het vaartuig stoof
-door het water. Achter hen klonk luid geschreeuw en een bevelende
-stem riep hun iets toe, maar de woorden waren door het geraas der
-branding onverstaanbaar.
-
-Een doffe knal dreunde achter hen. Een paar musketkogels snorden over
-hunne hoofden. Een paar van de jongeren bukten het hoofd, maar de
-twee vluchtelingen, die amechtig op een roerbank waren neergezonken,
-keken op en tuurden scherp naar de kust.
-
---"Jelui hebt kruit geroken!" zei Tamme Abels goedkeurend.
-
-De Fries sprak het Strand-Hollandsch, de gewone taal der zeevarenden,
-met een eigenaardig accent. Toch konden de twee geredden hem verstaan.
-
---"Wij zijn Geuzen van 't leger van Brederode," zei de jongste van
-de beiden. "De troepen van Alva hebben onze laatste benden in 't duin
-overvallen. Zonder jelui waren we in hun handen gevallen."
-
-Weer klonken geweerschoten van het strand, maar de boot, die thans
-danste in de branding, bood een te onzeker mikpunt voor de lompe
-vuurwapens. Toch sloeg een kogel in den achtersteven.
-
---"Dat moeten die nieuwe musketten zijn, die Ducdalf uit Italië hier
-heeft ingevoerd," zei de oude stuurman. "Onze handbussen dragen zoo
-ver niet."
-
-Een aantal Spaansche soldaten stond thans aan 't strand en keek naar
-de boot en de beide schepen. Een paar van hen waren met hunne wapenen
-bezig en Tamme Abels, die hen met zijn scherpe zeemansoogen monsterde,
-zeide dat het busschieters waren, die hunne musketten laadden.
-
---"Ze houden ons voor koopvaarders," zei hij grimmig. "Wacht, tot we
-op de "Vrouw Geertruyd" zijn!"
-
-De boot schoot door de geul en roeide op de krapschuit toe. Weldra
-was de lading binnen boord en de boot op het dek vastgesjord. De
-krapschuit was een van die handelsvaartuigen, die gebruikt werden
-voor de kustvaart en op de Hollandsche en Zeeuwsche stroomen. Zij
-voerde twee masten, een grooten en een kleinen, en had een hoogen
-achtersteven, hoewel zij verder tamelijk laag op het water lag.
-
-Thans was het vreedzame koopvaardijscheepje echter voor den oorlog
-uitgerust en het zag er grimmig genoeg uit. Op de voorplecht
-stond een lang stuk geschut, een culverijn, op een affuit van zware
-balken. Een kist, gevuld met kogels, ijzeren maar ook steenen, stond
-er naast, en de achterzijde bood ruimte voor een zestal baskamers,
-want het stuk werd van achteren geladen, door de baskamer, die de
-lading bevatte, in de daartoe bestemde opening te laten zakken en
-die dan met ijzeren wiggen en zware beugels te bevestigen. Langs
-de verschansing waren rekken aangebracht, waarin korte pieken,
-enterbijlen en houwers hingen. In een rek bij den mast stonden een
-twaalftal knevelspeten--knotsen of lange knuppels, voorzien van een
-vinnige stalen punt [6]--en in een tweede een rij handbussen. Door
-middel van boevennetten,--sterke netten van taai touw--die thans langs
-de verschansing lagen geschoren, maar in tijd van nood daarboven konden
-worden uitgespannen, kon men in het gevecht eene entering voorkomen,
-maar de grimmige bemanning, bestaande uit een dertigtal gewapende
-zeelieden, was zeker meer den aanval dan de verdediging gewoon! 't Was
-wonder, dat het kleine schip zooveel mannen kon bergen. Verscheidenen
-waren verminkt of hadden litteekens, enkelen droegen reeds de zilveren
-halve maan op de muts, met het veelzeggende opschrift: "Liever Turksch
-dan Paapsch!"
-
-Zoodra de boot was vastgesjord, keek Tamme Abels naar het strand, waar
-de Spaansche soldaten nog steeds joelend en dreigend bijeenstonden.
-
---"Klaar bij het stuk!" commandeerde hij.
-
-Een paar zijner makkers plaatsten zich met handspaken bij het stuk,
-en richtten het volgens de aanwijzingen van den schipper, die zelf
-van den stuurman een brandende lont aan den korten ijzeren lontstok
-had overgenomen.
-
---"Lager! nog lager!" beval hij. "Zóó is het goed!"
-
-Een witte rookwolk, een daverende knal, een schok, die het scheepje
-deed steigeren, en de zware kogel snorde over de hoofden der
-Spanjaarden, die naar alle kanten uiteen stoven en haastig naar de
-duinen weken.
-
-Een luid "hoezee" klonk op het Geuzenschip.
-
---"Toch nog te hoog!" gromde Tamme Abels spijtig. "Aan het spil,
-mannen!"
-
-Het anker werd gelicht en het roer gewend. De Geuzen hielden zich
-bezig met het zetten van de zeilen en de "Vrouw Geertruyd" voer
-lustig over de schuimende golven van de Noordzee, in de richting,
-aangegeven door het groote razeil, dat mede zeil had gemaakt.
-
---"Wat is dat voor een schip?" vraagde Jacob den stuurman.
-
---"Onze maat, de "bonne Fortune", een Fransche kaper uit Rotseel,"
-zeide de oude man. "Wij hebben "admiraliteit gemaakt", om langs de
-Zeeuwsche kust op koopvaarders jacht te maken."
-
---"En jelui?"
-
---"Wij zijn Friesche kapers en Geuzen. Ook ballingen, als de jonker
-en zijn vriend. We haten Ducdalf, zijn Spanjolen en de Inquisitie. We
-zijn uit ons land verdreven en nu leven we van den roof. Er zijn meer
-schepen van ons slag in de vaart."
-
---"En die Franschman? Frankrijk is toch niet in oorlog met Spanje."
-
-De stuurman lachte grimmig.
-
---"Alsof de Fransche Huguenoten zich daarom bekommerden!" zei hij. "Die
-van Rotseel rusten schepen uit en randen den Spanjaard aan, waar zij
-kunnen. De Spanjolen en de papen zijn vijanden van allen, die van de
-religie zijn."
-
---"En jelui zijn van de Gereformeerde religie?"
-
---"Laat de jonker maar eens naar den mastkorf kijken!" lachte Tamme
-Abels, die naderbij was gekomen.
-
-Jacob keek naar boven en zag, hoog aan den grooten mast, een
-vreemdsoortig voorwerp bevestigd, dat hij met eenige moeite als een
-hostiekast herkende, blijkbaar van het altaar van een geplunderde
-Roomsche kerk afkomstig.
-
---"Als wij papen vangen," zei de schipper, "laten we hen hier op
-het dek de mis lezen, vóór we ze de voeten spoelen. Ik zeg maar:
-als zij hun god Melis hoog vereeren, Tamme Abels vereert hem nog veel
-hooger! Hij hangt hem in den mast!"
-
-De Geuzen, die in de nabijheid waren, lachten luide en ook de Welle
-knikte goedkeurend. Ruwe bespotting van wat den tegenstander heilig
-was, was voor hen allen een zeer gewone zaak. Wanneer een edelman en
-een geleerde als Marnix in zijn "Bieenkorf" de Roomsche leeringen en
-ceremoniën door het slijk sleurde, wat kon men dan van het onbeschaafde
-volk verwachten?
-
-'t Was een avontuurlijk leven, dat de stoute gasten, de bemanning
-van de kleine krapschuit, voerden. 't Waren eigenlijk niet anders
-dan zeeroovers, die rondzwervende Geuzen, en dat wisten zij zelve
-zeer goed. Maar zij schaamden er zich volstrekt niet voor. 't Was
-een beroep als een ander. Van den ouden stuurman, die gaarne praatte,
-als hij er tijd en gelegenheid voor had, vernam Jacob, dat langs de
-kusten van de Noordzee, zoowel in Engeland en Schotland als in de
-Duitsche landen, Denemarken en Noorwegen, zee- en strandroof bij de
-kustbewoners als volkomen geoorloofd gold, en, tusschen het visschers-
-en zeevaardersbedrijf door, algemeen werd uitgeoefend. De denkbeelden
-uit den ouden Heidentijd waren nog lang niet uitgeroeid. De bewoners
-van de kust en van de eilanden leefden van de zee. Wat die hun bracht,
-was hun buit. Op zee gold geen wet en geen recht, dan het recht van den
-sterkste. Een Terschellinger vertelde, hoe hij en zijne dorpsgenooten
-de koopvaarders in donkere, stormachtige nachten deden stranden,
-doordat ze een koe, met den kop aan de voorpooten gebonden en een
-lantaarn tusschen de hoorns, over het duin joegen, zoodat de zeelieden,
-die het dansende schijnsel zagen, meenden, dat het het toplicht
-van een schip was, dat daar een veilige ligplaats, had gevonden. 't
-Verhaal werd luid toegejuicht. Strooptochten te land, tegen kerken
-en kloosters, als er gelegenheid toe was, maar ook tegen weerlooze
-visschersdorpen langs de Hollandsche kusten, die werden geplunderd en
-gebrandschat, waren voor deze zeewolven een gewoon bedrijf. Hun hand
-was tegen allen en de hand van allen was tegen hen, en hun aanvoerder,
-de jonge Tamme Abels, met zijn hoekigen Frieschen kop en zijn koude,
-staalblauwe oogen, ging hun in woestheid en wreedheid voor.
-
-'t Scheen, dat de schipper begreep, dat zijne gasten van een ander
-slag waren, dan hij en zijne makkers. De vreemdelingen waren
-gastvrij ontvangen en hadden hun deel gekregen van den soberen
-scheepskost,--hard brood, gedroogde visch en bier, maar in den loop
-van den dag trad Tamme Abels Jacob op zij en stelde hem voor, hem naar
-den Franschen kaper te laten brengen, waar hij zeker goed ontvangen zou
-worden. De krapschuit was toch al overbemand; plaats in de slaapkribben
-was er niet. Op het groote razeil zou dat alles beter gaan.
-
-Jacob en de Welle stemden toe en de krapschuit hield op den Franschman
-en heesch een sein, dat van het razeil beantwoord werd. Het groote
-schip loefde op, tot de beide vaartuigen elkander tot op betrekkelijk
-korten afstand genaderd waren. De boot werd gestreken en bemand,
-en weldra stonden de beide Vlamingen met Tamme Abels, die hen had
-willen vergezellen, op het achterdek van den Franschen kaper.
-
-Ze werden er ontvangen door den kapitein, die zich een oogenblik
-verwonderd toonde, toen Jacob Martens hem in beschaafd Fransch
-aansprak, maar zich onmiddellijk herstelde en zich hoffelijk bekend
-maakte als de sieur d'Esprenay, commandant van het goede schip "la
-bonne Fortune" van La Rochelle, en verklaarde, dat zijne beide gasten
-hem welkom waren. Toen verontschuldigde hij zich, omdat hij nog iets
-met Abels te bespreken had. De beide bevelhebbers bedienden zich
-van het Strand-Friesch, hetzelfde dialect, dat de Friesche Geuzen
-met de Vlamingen spraken en dat veel overeenkomst vertoonde met het
-Strand-Engelsch, en, als de algemeene zeemanstaal op de Noordzee en
-hare kusten, door alle zeelieden verstaan werd. Weldra was het gesprek
-geëindigd en keerden de Friesche Geuzen naar de krapschuit terug.
-
-De sieur d'Esprenay verzocht zijne beide gasten hem naar zijne kajuit
-te volgen. Hij bleek een Huguenoot, die, zooals velen van zijn tijd- en
-geloofsgenooten, aan een oprechte liefde voor de Gereformeerde religie,
-een bitteren haat tegen de Roomschen en vooral tegen de Spanjaarden
-paarde. Hij was de jongere zoon van een verarmd, adellijk geslacht
-en had een kaper uitgerust, om zijn fortuin op zee te beproeven. Een
-zeeroover was hij niet: de Engelsche koopvaarders, de schepen der
-oude Duitsche Hanzesteden liet hij ongemoeid. Maar Spanje was in
-die dagen de eerste zeemogendheid en de Nederlandsche erflanden van
-Koning Philips waren rijk. De Spaansche en Nederlandsche koopvaarders
-werden door de kapers van la Rochelle genomen en gerantsoeneerd, al
-was Spanje niet met Frankrijk in oorlog. De Huguenoten hielden Philips
-met zijne Spaansche Inquisitie voor hun doodsvijand en lachten om de
-protesten en bedreigingen van de Regeering te Parijs.
-
-Dit alles vertelde de sieur d'Esprenay aan zijn beide gasten, nadat hij
-met hoffelijke belangstelling naar het verhaal hunner lotgevallen had
-geluisterd. Hij was een vurig bewonderaar van den admiraal de Coligny
-en hij troostte Jacob Martens met de hoop op een bondgenootschap
-van den Prins van Oranje en de hoofden der Huguenoten, dat in die
-dagen algemeen werd verwacht. Hij beschouwde den zee-oorlog, dien
-hij voerde, als een eerlijken krijg tegen den gemeenschappelijken
-vijand der religie. Tamme Abels en zijne Friesche Geuzen waren in
-zijne oogen vilains en zeeroovers, maar hij had "admiraliteit met hen
-gemaakt", omdat zij de Zeeuwsche en Vlaamsche wateren en kusten goed
-kenden en hij verwachtte Spaansche en Nederlandsche koopvaarders, die,
-vóór de winterstormen begonnen, de haven van Antwerpen zouden willen
-bereiken. Nadat hij vernomen had, dat Jacob Martens bij Austruweel
-als officier in het leger van Brederode had meegevochten, bood hij
-hem terstond een plaats als cadet op de "bonne Fortune" aan. De Welle
-zou als contre-maître deel uitmaken van de bemanning. De zeevaart en
-den oorlog ter zee zouden mannen van ervaring als zij spoedig leeren,
-verzekerde de hoffelijke Franschman met een glimlach.
-
-De beide mannen sloegen toe. Waarheen zouden zij anders gaan,
-ballingen als zij waren? En het zou immers gaan tegen den Spanjool,
-den onderdrukker van hun land en den vijand der religie?
-
-En nu verontschuldigde zich de sieur d'Esprenay. Hij had zijn plichten
-als bevelhebber en schipper. Hij noodigde Jacob Martens voor het
-avondmaal aan zijn tafel. Tot zoolang konden zijne gasten het schip
-bezichtigen. Den volgenden dag zouden zij hun dienst aanvangen. Met
-een beleefde buiging nam hij afscheid van hen.
-
-Van de ontvangen vergunning maakten de beide mannen gaarne gebruik. Ze
-hadden in de haven van Antwerpen de groote handelsschepen zien liggen:
-Spaansche en Portugeesche kraken en galjassen; Duitsche hulken en
-korveelen, maar zij hadden zich nimmer op zulk een groot vaartuig
-bevonden.
-
-De "bonne Fortune" was, als de meeste oorlogsschepen van die dagen,
-een koopvaarder, uitgerust tot den krijg ter zee. 't Schip had
-een grooten mast, met machtige raas en stengen en een veel lageren
-bezaans- en fokkemast. De achtersteven was zeer hoog uitgebouwd. In
-het achterschip bevonden zich de versterkte kajuit van den kapitein,
-de kruitkamer, het wapenmagazijn en het logies voor de officieren.
-
-Midscheeps lag de "bonne Fortune" vrij laag op het water. De voorplecht
-was weer iets hooger en op het voordek bevond zich eveneens een stevig
-getimmerte van eiken balken en planken, van schietgaten voorzien en
-bestemd voor het logies van de onderofficieren en voor de verdediging
-van het schip.
-
-De "bonne Fortune" voerde achttien stukken, volgens de gewoonte van den
-tijd van uiteenloopend kaliber. 't Waren grootendeels korte ijzeren
-kartouwen en halve kartouwen. Op den voor- en achtersteven bevonden
-zich een paar koperen draaibassen van kleiner kaliber, Spaansche
-pattararo's, vermoedelijk afkomstig van een buitgemaakten, gewapenden
-koopvaarder. De marsen van den grooten mast waren versterkt en voorzien
-van zware bussen. Van hieruit kon men, bij een scheepsgevecht, het
-dek van den vijand met musketvuur en handgranaten bestoken. Langs
-de verschansing lagen, opgerold en weggestouwd, "de boevenetten",
-die werden opgehaald en gespannen, om een entering te voorkomen of
-af te slaan. In rekken, bij den grooten mast, stonden bussen, van
-verschillend kaliber en van allerlei soort: van de eenvoudige arquebuse
-of handbus tot de lange, zware Spaansche haakbus, die toen in gebruik
-begon te komen, en in het wapenmagazijn bevonden zich korte pieken,
-enterbijlen en houwers, voor de enteraars.
-
-Uit alles bleek, dat de sieur d'Esprenay een commandant was, die
-orde en tucht op zijn schip wist te handhaven. De wapenen waren goed
-onderhouden en blank gepoetst.
-
-De bemanning maakte een flinken indruk, al was zij uit zeer
-verschillende bestanddeelen samengesteld. Bedaarde, ernstige
-Normandiërs werkten er naast forsche Bretons en kleine, levendige
-Picardiërs. 't Waren weer heel andere mannen, dan de Hollanders en
-Friezen, die hij voor korten tijd verlaten had, en zij waren beter
-aan krijgstucht gewend, dan de woeste zeeroovers van Tamme Abels.
-
-Toen de avond begon te vallen, en de lantaarns werden uitgehangen,
-kwam een hofmeester jonker Martens waarschuwen, dat de kapitein
-hem wachtte. Een matroos bracht de Welle naar het verblijf der
-onderofficieren.
-
-De sieur d'Esprenay stelde Jacob aan zijn luitenant voor, die de
-maaltijden in de kajuit gebruikte. 't Was een lange, zwijgende
-Huguenoot, uit La Rochelle, een man met een barsch uiterlijk,
-maar, zooals de kapitein hem later verzekerde, een dapper man en
-een uitstekend zeeman. Aan het benedeneind der tafel stond een nog
-jong man, in 't zwart, met een platte, vierkant gesneden kraag van
-wit linnen, dien de commandant met een handbeweging voorstelde als
-M. le ministre. 't Was de predikant van het schip, want, evenals de
-latere Watergeuzen, hadden deze Fransche kapers steeds een geestelijke
-aan boord.
-
-Men ging aan tafel, nadat de predikant een kort gebed had
-uitgesproken. De sieur d'Esprenay wilde blijkbaar gaarne meer van
-zijn gast weten en hij lokte door handige vragen Jacob uit, hem zijne
-geschiedenis te verhalen. De Franschman was goed op de hoogte omtrent
-wat er in de laatste jaren in de Nederlanden was voorgevallen. De
-aanslag op de Zeeuwsche steden zou volgens hem een goed plan zijn
-geweest, als er een algemeene opstand op had kunnen volgen. Maar de
-onderneming was niet goed voorbereid. De slag bij Austruweel,--bah! une
-bêtise! Jammer, bloed te vergieten en de beste krachten op te offeren
-voor een onderneming, die geen kans had van slagen. Brederode? Een
-dapper man, maar geen veldheer en nog minder staatsman. De opstand van
-Valenciennes? Al even ondoordacht en onvoorbereid! Werk van dwepende
-predikanten en hun aanhang. Toch achtte hij de zaak der Vlaamsche,
-Brabantsche en Hollandsche Gereformeerden nog niet verloren, zelfs
-niet sinds de komst van Alva, maar zij moesten zich aansluiten bij de
-Coligny, bij de Fransche Huguenots, tot een machtige protestantsche
-partij, die zoowel de Guises als Philips ontzag zou inboezemen en
-die steun zou ontvangen van Engeland.
-
-Dat was blijkbaar ook de meening van Oranje, want hij onderhandelde
-met de hoofden der Huguenots.
-
-En Jacob luisterde, en stemde toe en verwachtte, als al zijn
-tijdgenooten, véél van zulk een verbond. En geen van de beide mannen
-kon toen gissen, welk lot binnen weinige jaren de Coligny en de
-zijnen zou wachten, en dat de zaak der vrijheid en der Reformatie ten
-slotte geen andere voorvechters zou hebben dan de zonen der zwakke
-Nederlandsche gewesten zelve, en dat die gewesten geen anderen
-bondgenoot zouden hebben, dan dien van Willem van Oranje,--den
-Potentaat der Potentaten.
-
-Den volgenden dag aanvaardde Jacob Martens zijn dienst als officier
-op de "bonne Fortune" en hij zou weldra gelegenheid hebben, kennis
-te maken met den bloedigen zeeoorlog der Fransche en Nederlandsche
-kapers tegen Spanje.
-
-Het weder bleef fraai en de zee was kalm en vlak. Met een lichten bries
-uit het Noorden stevende het groote razeil, statig voortglijdende
-over het water, langzaam in de richting van het Kanaal. Men kon den
-geheelen nacht het toplicht van de krapschuit duidelijk waarnemen, die
-dichter onder de kust kruiste. Jacob Martens deelde de wacht van den
-kapitein: hij moest nog aan den dienst op een schip van oorlog wennen.
-
-Toen de dag aanbrak werd een uitkijk geplaatst in het "kraaiennest",
-een ton in den top van den grooten mast, om uit te zien naar de
-koopvaarders, die de kapers verwachtten. Tegen tien uur in den morgen
-klonk de lang verbeide waarschuwingskreet: een zeil vooruit!
-
-De lange luitenant--de man heette Thierry, maar de matrozen noemden
-hem "le Goëland", de Meeuw, om zijn scherp gezicht,--enterde langzaam
-naar boven, en bleef een poos bij den matroos in den mastkorf. Toen
-klom hij even bedaard naar beneden, begaf zich naar de campagne
-en rapporteerde den sieur d'Esprenay, dat vooruit een groot schip
-tegen den wind laveerde, een kraak, naar haar tuigage te oordeelen,
-waarschijnlijk een Spanjool.
-
-Met een tevreden grimlach beval de kapitein de krapschuit te seinen en
-alles klaar te maken voor het gevecht; want de Spaansche koopvaarders
-waren gewoonlijk gewapend en aan moed ontbrak het hun bemanning niet.
-
-Een luid gejuich ging op onder de matrozen, die bij het achterdek
-opeengedrongen stonden, om op de bevelen van den commandant te wachten
-en allen togen aan het werk. Onder toezicht van den luitenant en Jacob
-Martens werden de stukken losgesjord en geladen, de baskamers werden
-evenzeer geladen en bij de kanonnen geplaatst, een aantal schutters
-met handbussen en armborsten begaven zich naar het voorkasteel,
-anderen bemanden de marsen, terwijl de korte pieken, enterbijlen en
-houwers werden rondgedeeld. En inmiddels doorkliefde de "bonne Fortune"
-statig de golven en naderde meer en meer haar prooi.
-
-Langzaam dook de romp van het schip uit de golven op. Er was geen
-twijfel aan: een Spaansche kraak!
-
-Een kort bevel klonk van de campagne van de "bonne Fortune". Een
-kanonschot donderde over de golven. Tegelijk liet de sieur d'Esprenay
-de koningsvlag met de lelies van Frankrijk waaien, terwijl aan den
-fokkemast de vlag van den kapitein werd geheschen: drie gulden baren
-op lazuren veld.
-
-Een oogenblik van spanning: toen een schorre juichkreet van de
-bemanning van de "bonne Fortune". Aan den grooten mast van de kraak
-woei het St. Andrieskruis van Spanje. Maar inmiddels had de Spanjool
-begrepen, welke gevaarlijke vijand daar naderde. Er was leven en
-beweging op het dek en in de tuigage.
-
---"Hij wendt! Hij wil ons ontloopen!" zei de sieur d'Esprenay tot
-Jacob Martens.
-
-En inderdaad scheen de kraak een poging tot ontvluchting te willen
-wagen. Hij had den steven gewend en zeil bij zeil bedekte de breede
-raas. Ook de "bonne Fortune" zette alle zeilen bij, die de masten
-dragen konden.
-
---"Hij wil trachten de haven van Duinkerken binnen te loopen," meende
-de kaperkapitein. "Maar 't zal hem niet gelukken!"
-
-Ondertusschen scheen het, alsof de omstandigheden het Spaansche
-schip gunstig waren. De bries, die de "bonne Fortune" zoo statig over
-het water deed glijden, verflauwde meer en meer. Er was bijna geen
-wind. De zeilen hingen slap tegen de masten.
-
-De beweeglijke Franschman liep driftig op zijn campagne heen en
-weer. De Spanjool was nog niet onder het bereik zijner kanonnen.
-
-De mannen stonden met de brandende lont in de hand bij de stukken en
-keken vragend naar den luitenant. Deze schudde het hoofd.
-
---"Te ver!" zei hij kortaf. "Wij moeten fluiten om den wind!"
-
-Eensklaps hield hij de hand boven de oogen.
-
---"Bravo, les Frisons!" riep hij uit.
-
-De kapitein van de kraak had, in zijn ijver, om den kaper te
-ontkomen, niet gelet op de kleine krapschuit, die schijnbaar argeloos
-voortzeilde, dicht onder de kust, zooals een visscher zou doen, die,
-met zijn vangst aan boord, huiswaarts keerde. Tamme Abels had zijn
-culverijn met een zeil bedekt en de grootste helft zijner Geuzen last
-gegeven, zich in het vooronder schuil te houden. Het lichte en vlugge
-vaartuig was de kraak ongemerkt al meer en meer genaderd. Nu de wind
-ging liggen, zag men, dat de zeilen werden ingenomen; over het lage
-gangboord plonsten twee korte riemen aan de loefzijde in het water. De
-krapschuit veranderde van koers en hield op den Spanjool aan. Tamme
-Abels wierp het masker af. Zijn mannen waren op de voorplecht bezig
-met het lange kanon, en de schuit, nu in een galei veranderd, naderde,
-trots de windstilte, de kraak al meer en meer.
-
-Dit had "le Goëland" gezien en vandaar zijn uitroep.
-
-De geheele bemanning van de "bonne Fortune" was aan de lijzijde van
-het schip samen gedrongen om naar de bewegingen van het stoutmoedige,
-kleine vaartuig te zien. Weldra was de kraak binnen het bereik van
-het lange stuk. Een witte rookwolk--en eenige oogenblikken daarna
-dreunde een doffe knal over de golven.
-
---"Te laag!" mompelde de luitenant, die alles scheen te zien.
-
-Men zag een rookwolk aan de lijzij van de kraak opgaan en weer klonken
-er een paar flauwe slagen.
-
---"De Don wil vechten, mon capitaine!" zei luitenant Thierry. "Hij
-voert lichte caronnades. Maar ze worden slecht bediend!"
-
---"'t Zal hem niet veel baten!" meende de sieur d'Esprenay. "Ha,
-een goed schot!"
-
-Weer schoot een witte rookwolk van de voorplecht der krapschuit omhoog
-en nog vóór men den knal van het zware stuk hoorde, zag men den grooten
-mast van de kraak waggelen, nog een oogenblik en het gevaarte sloeg met
-zijn wolk van witte zeilen over boord. Het groote schip lag reddeloos.
-
-Een luide juichkreet ging op aan boord van den kaper. De buit kon
-hun niet meer ontgaan.
-
---"Wind! Geef wind, Seigneur Dieu!" riep de sieur d'Esprenay
-stampvoetend. "De Friezen gaan anders met de eer en den buit strijken."
-
-En inderdaad scheen zijne vrees niet ongegrond. Nog éénmaal klonk
-de doffe donder van den culverijn over de zee en toen schoot de
-krapschuit weg in de schaduw van het groote schip, en men hoorde
-flauw in de verte de slagen der handbussen en het gejoel van den
-strijd. Tamme Abels en de zijnen hadden de kraak geënterd.
-
---"Heeft hij gestreken?" vraagde de kapitein.
-
-Luitenant Thierry schudde ontkennend het hoofd en wees naar de
-kraak. Aan den bezaansmast woei weer de Spaansche koningsvlag. De
-Spanjaarden wisten, wat hun wachtte en zij zouden zich tot het
-uiterste verdedigen.
-
---"Ha, eindelijk wind!" riep de sieur d'Esprenay.
-
-De hemel was niet zoo strak blauw meer. Er vertoonden zich witte koppen
-aan den horizon. Een donkere streep kroop uit het Noord-Westen over het
-water en daarachter vertoonden zich witte koppen. De "bonne Fortune"
-helde licht over onder den druk van de bries.
-
-Het fluitje van den bootsman gilde. De matrozen klommen in het want,
-om de raas naar den wind te brassen en de "bonne Fortune" schoot als
-een roofvogel op haar prooi af.
-
-Van de stukken kon geen gebruik worden gemaakt, want op het dek woedde
-een hevig gevecht en men kon geen vrienden van vijanden onderscheiden,
-maar de marsen waren bemand en de matrozen van den kaper stonden
-gereed, om den vijand te enteren.
-
-Toen men naderde, kon men den stand van het gevecht
-onderscheiden. Hoewel zij verre in de minderheid waren, drongen
-de Geuzen onversaagd, met bijlen, knevelspeten en messen op de
-Spanjaarden in, die zich op de achterplecht om hun kapitein hadden
-geschaard en zich dapper verdedigden. Weldra begonnen nu echter de
-busschieters uit de marsen van de "bonne Fortune" aan den strijd deel
-te nemen. "Le Goëland" had een van de patteraro's op den achtersteven
-met schroot en gekapt lood doen laden. Hij zelf bediende het stuk en
-toen de kaper de kraak langs zij schoot, richtte hij het lichte kanon
-op de donkere groep der Spaansche zeelieden en brandde los. Op zoo
-korten afstand deed het schroot een verschrikkelijke uitwerking. Vele
-Spanjaarden vielen en de overigen geraakten in verwarring en zochten
-hun heil in de achterkajuit. Luid juichend drongen de Friezen vooruit
-en toen een oogenblik daarna de enterdreggen van de "bonne Fortune"
-vasthaakten in het want van de kraak en de Fransche kapers als katten
-over de verschansing klauterden, was de strijd spoedig beslist. De
-meeste Spanjaarden waren gevallen, de overigen werden ontwapend
-en gaven zich over. Onder een luid gejuich werd de Spaansche vlag
-gestreken en de overwinnaars drongen in de kajuiten en in het ruim,
-om den buit op te nemen.
-
-Na eenigen tijd voegden zich luitenant Thierry, Tamme Abels en Jacob
-Martens bij den sieur d'Esprenay op het achterdek van de "bonne
-Fortune" en er werd een soort van officierenraad belegd. De buit
-was aanzienlijk, want de kraak was geladen met huiden en Spaanschen
-wijn en men had daarenboven een groote som baar geld gevonden,
-die bestemd was voor een der handelshuizen te Antwerpen. Indien men
-het schip naar een Engelsche haven had kunnen opbrengen, zou men de
-lading tot hoogen prijs hebben kunnen verkoopen. De kaperkapitein
-en Tamme Abels achtten het avontuur echter te gevaarlijk. Men was te
-dicht bij Duinkerken en uit die haven konden elk oogenblik gewapende
-schepen komen opdagen, om de stoute zeeschuimers hun prooi afhandig
-te maken. Er werd dus besloten, het geld en de gevonden kostbaarheden
-terstond te verdeelen, de lading zooveel mogelijk te bergen en dan
-de kraak in brand te steken.
-
-Over de verdeeling van den buit was men het spoedig eens.
-
-Aan de Geuzen van Tamme Abels kwam de eer toe, het vijandelijke
-schip het eerst te hebben geënterd en de Fransche kapitein was te
-edelmoedig hun die te betwisten. De zaak was spoedig tot algemeen
-goedvinden geregeld.
-
-En ondertusschen had er op het dek van de kraak een droevig tooneel
-plaats. De gevangen genomen Spaansche matrozen stonden bleek en
-zwijgend op het achterdek bijeen, bewaakt door gewapende kapers
-en Geuzen, die de overwonnen vijanden met ruwen spot hoonden. De
-gevangenen wisten trouwens wat hun te wachten stond. 't Was een ruwe
-tijd en volgens het oorlogsrecht op zee was er geen genade voor den
-overwonnen vijand, wanneer hij niet door een rantsoen zijn leven
-kon koopen. Eerst werden de gewonde Spanjaarden onder luid gelach en
-verwenschingen over boord geworpen en toen begon het laatste bedrijf
-van het bloedig drama. Een lange plank werd aangesleept en over de
-verschansing gestoken, zoodat het langste eind buiten boord stak,
-en de gevangenen werden één voor één genoodzaakt die noodlottige
-brug te betreden. Nog voor het einde was bereikt, wipte de plank
-en het slachtoffer stortte in het water, onder luid gejuich van
-zijn beulen. Sommige Spanjaarden gingen kalm en moedig den dood
-tegemoet, anderen smeekten om genade en moesten met de punt van de
-enterpieken en bootshaken de plank opgedreven worden. Sommigen hadden
-hun rozenkrans voor den dag gehaald en wachtten biddend tot de beurt
-aan hen zou komen, en dezen werden door de Geuzen hoonend naar de
-hostiekast in den mast van de krapschuit gewezen, waar immers hun
-God woonde. Weldra waren de Spanjaarden in de golven verdwenen. Men
-had hun "de voeten gespoeld".
-
-Een paar ongelukkigen, die zwemmen konden, hielden zich boven water
-en trachtten zelfs tegen het lage boord van de "bonne Fortune"
-op te klauteren, maar met pieken en handspaken werden zij terug
-gestooten en zonder medelijden zag men hen worstelen met den dood,
-tot zij uitgeput wegzonken in het woelige water.
-
-Een jong Spaansch matroos, bijna nog een knaap, rukte zich los, toen
-de beurt aan hem kwam. Met een sprong was hij op de verschansing van
-de kraak en van daar in het want van de "bonne Fortune". Vóór de hem
-vervolgende kapers hem konden grijpen, had hij het achterdek bereikt
-en liet zich neervallen voor de voeten van den Franschen edelman,
-wiens voeten hij omklemde.
-
---"Misericordia! Per l'amor de Dios!" gilde hij in doodsangst.
-
-Maar een paar der Fransche matrozen, met Pieter de Welle aan het hoofd,
-waren hem nagerend en sleurden hem overeind.
-
-De kaperkapitein haalde de schouders op. Jacob Martens deed een stap
-vooruit en sloeg onwillekeurig de hand aan den degen.
-
---"De Welle!" riep hij dreigend. "Laat den jongen, of..."
-
---"Mieke was ook nog jong!" beet de oude Geus hem onbarmhartig
-toe. "Voort met den Spanjool!"
-
-De luitenant greep Jacob bij den arm.
-
---"Laat dat, jonker!" zei hij met gedempte stem. "De mannen zijn in
-hun recht en zouden u niet gehoorzamen."
-
-En onder luid gejuich werd het gillende en worstelende slachtoffer
-voortgesleurd naar de noodlottige plank.
-
-Bleek en vol afschuw wendde Jacob zich af. Hij had mede de kraak
-geënterd en in het gevecht had hij zich dapper geweerd, maar deze
-koelbloedige moord, gepleegd op weerlooze gevangenen en gewonden,
-deed hem huiveren. De sieur d'Esprenay merkte het op.
-
---"Geen prettig gezicht, jonker Martens," zei hij luchtig. "Maar
-wat wilt gij? 't Is zóó het gebruik en het recht van de zee! En
-dan,--heden zij, morgen wij! Als wij in de handen van de Spanjolen
-waren gevallen, zouden ze ons ook niet hebben gespaard! Den strop of
-het water! Of in het gunstigste geval, roeien op de Spaansche galeien,
-met de zweep van den opzichter op onze bloote ruggen! Dat is erger
-dan de dood! Maar dat is het leven van den zeeman! Wij en zij, wij
-weten wat ons te wachten staat, als wij de zwaksten zijn. 't Is een
-ruw leven,--maar ge zult er wel aan wennen."
-
-Luitenant Thierry en Tamme Abels kwamen rapporteeren, dat het schip
-was geplunderd en de buit verdeeld en zoo goed mogelijk geborgen. De
-kaperkapitein knikte goedkeurend. De Friezen en een paar matrozen van
-de "bonne Fortune" gingen met brandende lonten en oud geteerd touwwerk
-aan boord van de kraak. Weldra steeg uit het ruim een dunne rookzuil
-op. Ondertusschen had de bemanning van den kaper de enterdreggen
-losgemaakt. Toen allen weer aan boord waren, werd terstond afgehouden
-en zeil gemaakt. De beide schepen zetten koers naar het Zuid-Westen,
-om een der naastbij liggende Engelsche havens te bereiken, waar zij
-hun buit van de hand konden doen. Weldra sloegen de vlammen uit het
-ontredderde Spaansche schip. Als een reusachtige vuurbaak dreef het,
-bij het vallen van den vroegen herfstavond, op de woelige zee en
-de koningsschepen uit Duinkerken konden, als zij lust hadden, komen
-zien naar het werk der koene kapers, die bij tientallen de Noordzee
-en hare kusten onveilig maakten en die weldra den gevreesden naam
-van de Watergeuzen zouden dragen.
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-
-De Zeeuwsche of Vlaamsche visschers of kustvaarders, die in den
-morgen van den 30sten Maart 1572--Palmzondag--op de Noordzee,
-ter hoogte van Duinkerken, rondzwalkten, zouden in 't Zuiden zeil
-op zeil aan den horizon hebben zien opdoemen, een talrijke vloot,
-die door den krachtigen Zuid-Westenwind voortgedreven, met volle
-zeilen uit het Kanaal kwam stevenen. En wanneer hij aan masten en
-stengen de kleuren had kunnen onderscheiden, het Oranje-blanje-bleu in
-drie, zes of zelfs negen banen, dan zou hij haastig het roer hebben
-gewend, om de beschermende nabijheid der zandbanken aan de kust op
-te zoeken. Want die kleuren--weldra het symbool der vrijheid en der
-verlossing uit vreemde dwingelandij--waren thans voor hem nog een
-bedreiging; immers zij, die ze voerden, ontzagen ook de schepen en de
-have van den landgenoot niet, dien zij als bewoner van de erflanden
-van den Spaanschen koning als vijand beschouwden. En terwijl hij alle
-zeilen bijzette, om uit het vaarwater der snel naderende schepen te
-komen, zou hij wellicht met een verwensching de vuist hebben gebald
-en een naam hebben gemompeld, die de zeevarenden en de bewoners der
-Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche kusten sedert eenige jaren met
-vreeze vervulde: de Watergeuzen!
-
-De Watergeuzen! De ballingen, die, uit het land hunner geboorte
-verdreven, op zee een toevluchtsoord hadden gezocht en in den
-zeeroof een middel van bestaan, waren verbazend snel in aantal
-toegenomen. Eerst eenzame zwervers, hadden zij zich weldra tot
-kleine eskaders vereenigd, sterk genoeg om de vloten van gewapende
-koopvaarders aan te vallen, om roof- en plundertochten te land te
-ondernemen. Zoo waren zij de schrik der zeeën geworden, een gevaar
-voor den handel en de scheepvaart, en de weinige Placaetschepen,
-waarover Boschhuyzen, Alva's admiraal, kon beschikken, waren niet
-voldoende om de vlugge, stoutmoedige kapers te bedwingen, die
-in Embden en La Rochelle, in Duins en in Dover vrijhavens vonden,
-waar zij hun buit te gelde konden maken, en zich van mondvoorraad en
-munitie konden voorzien.
-
-Toen was de Prins op het denkbeeld gekomen, om deze woeste, maar
-dappere mannen te organiseeren en hun roofzucht dienstbaar te maken
-aan de zaak der vrijheid. In 1568 had Lodewijk van Nassau de eerste
-"bestellingen ter zee" uitgereikt aan Diederik van Sonoy, kaperbrieven,
-die de tuchtelooze piraten tot oorlogvoerenden maakten, in den dienst
-van den Prins van Oranje, een onafhankelijk Vorst des Rijks, tegen
-Alva en diens aanhangers, ook tegen de Spanjaarden, al werd koning
-Philips II in naam nog erkend als de wettige vorst dezer landen. De
-Watergeuzen zouden zich aan een zekere tucht onderwerpen. Adriaan van
-Bergues, Heer van Dolhain, werd door den Prins benoemd tot admiraal
-der nieuw geschapen zeemacht en er werd een buitregeling ingevoerd:
-één derde zou bestemd worden voor de krijgskas van den Prins, één
-derde voor de bevelhebbers, één derde voor de bemanning der schepen.
-
-De aanvoerders der Watergeuzen waren spoedig gewonnen voor het
-plan, waardoor hun oorlogsdaden werden gewettigd en hun aantal werd
-versterkt, en de besten hunner zagen zeker ook in hoe belangrijk de
-genomen maatregel kon zijn voor de zaak der vrijheid. De kaperbrieven
-werden uitgereikt en gretig ontvangen, maar toch werd het plan nimmer
-geheel uitgevoerd, ook niet toen de onbekwame Dolhain in Augustus 1570
-door Guislain de Fiennes, Heer van Lumbres, werd vervangen. Aan de
-schatmeesters van den Prins werd nimmer een penning van de opbrengst
-van den buit afgedragen en de Watergeuzen onderwierpen zich evenmin
-aan het gezag van den hun onbekenden admiraal. Toen de stoute kapers
-in Maart 1571 kun kans schoon zagen, om 31 koopvaarders, terugkeerende
-uit de Oostzee, te nemen, lieten zij die niet glippen, al waren er ook
-acht schepen bij, die zich veilig waanden in het bezit van brieven
-van vrijgeleide, hun door Lodewijk van Nassau gegeven. Groot zijn
-de verdiensten der Watergeuzen geweest voor de zaak der vrijheid,
-maar door hun optreden werd de handel der Hollandsche steden, werd
-de algemeene welvaart zoo benadeeld, dat een van de eerste verzoeken
-der Staten-Generaal, door den Prins op 15 Juli 1572 te Dordrecht
-bijeengeroepen, was, de kaperbrieven, de "bestellingen ter zee",
-in te trekken, een verzoek, waaraan door Willem van Oranje wijselijk
-werd voldaan.
-
-Toch had de poging tot organisatie der ongeregelde scheepsmacht
-belangrijke gevolgen. Een aantal mannen van onbesproken naam kwamen
-de vloot der Watergeuzen met hunne gewapende schepen versterken. Er
-werd een algemeen reglement van krijgstucht ingevoerd, en zoo goed
-mogelijk werd de hand gehouden aan de bepaling, dat zich op elk schip
-een predikant moest bevinden, die de godsdienstoefeningen moest leiden
-en moest voorgaan in het gebed,--al is het waarschijnlijk, dat er
-onder die "bedienaren des Woords" wonderlijke figuren zijn geweest.
-
-In Maart 1572 lagen er op de reede van Duins en Dover een
-vierentwintigtal Geuzenschepen voor anker, om zich uit te rusten
-voor nieuwe rooftochten, toen zij van de Engelsche Regeering, die
-hun tot nog toe wèlgezind was geweest, plotseling bevel kregen,
-onverwijld de Engelsche havens te verlaten. Koningin Elisabeth, die
-niet ongaarne zag, dat hare ruwe en rumoerige gasten den Spaanschen
-handel afbreuk deden, durfde toch niet openlijk met Spanje breken. En
-zoo had zij ditmaal toegegeven aan Alva's dringende vertoogen, en den
-Watergeuzen het verblijf in hare havens verboden. Zóó onverwacht was
-het bevel om te vertrekken gekomen, dat de meeste schepen zelfs den
-tijd niet hadden, proviand in te nemen. En nu deden de kapers, wat
-zij dikwijls deden, wanneer zij zich vereenigden om een of andere
-onderneming te wagen. Zij besloten "admiraliteyt te maken". Een
-der stoutste aanvoerders werd dan tijdelijk tot admiraal verheven
-en gehoorzaamd door de andere kapiteins, tot de krijgstocht was
-afgeloopen en de behaalde buit verdeeld, om dan weer uiteen te gaan
-en op eigen gelegenheid hun zwervend leven voort te zetten. Ditmaal
-was de keus gevallen op Graaf Willem van der Marck, Heer van Lumey,
-den dapperen, maar woesten vijand der Spanjaarden en priesters, den
-man, die de Nazireeërsgelofte had afgelegd, dat hem haren noch baard
-zouden worden geschoren, vóór hij den dood van de graven van Egmond
-en Hoorne gewroken had. Zijn hooge rang, zijn woeste dapperheid en
-zijn krijgsmansgeluk maakten hem voor 't oogenblik den aangewezen
-aanvoerder, al waren er onder de Geuzenkapiteins nobele en meer
-bezadigde naturen, die den Luikschen edelman, wiens wilde wreedheid
-zij afkeurden, ongaarne volgden.
-
-Maar thans, van hunne vrijhavens in Engeland verstoken, wisten allen
-wel, dat zij een stouten slag moesten wagen of anders van honger en
-ellende omkomen. Er was thans een sterke vloot bijeen, men zou 's
-konings "placaetschepen" in het Vlie gaan opzoeken en zoo mogelijk
-nemen of vernielen, om dan de koopvaarders, uit de Oostzee komende,
-buit te maken. Ja, er waren zelfs vage plannen, om een aanslag te
-wagen op Enkhuizen, om zoo een steunpunt voor de vloot te verwerven
-in het Vaderland, en kapitein Ellert Vliechop, de Enkhuizer burger,
-had daarop in den scheepsraad krachtig aangedrongen, al commandeerde
-hij maar een gewapende visschersschuit. Hij wilde van zijn vaderstad
-"een jong Rotseel", een nieuw la Rochelle maken. "Wij zullen Enkhuizen
-hebben," had hij verklaard, "al zou ik er voor op een rad moeten
-zitten. Zij zullen daar niet veel weers doen: wij weten, dat er
-veel volks daarbinnen is, ons gunstig gezind." Nu, de onderneming
-was misschien niet onmogelijk,--maar eerst moest gedacht worden aan
-den buit. Er moest krijgsvoorraad, er moest leeftocht zijn--en de
-Oostvaarders zouden het gelag betalen.
-
-'t Was een wonderlijk mengelmoes, die vloot van vier en twintig zeilen,
-die daar noordwaarts het Kanaal uitstevende, alle koopvaarders of
-visschersvaartuigen, ten oorlog toegerust. Groote razeilen van tachtig
-last, met zestien stukken gewapend, wisselden af met lage boeiers
-of kromstevens, zonder voor- en achterkasteel, met ranke buizen met
-gaffelzeilen, met gewapende visschersbooten en krapschuiten en de
-vlugge vliebooten van twintig tot zestig last.
-
-En behalve de Prinsevlag, die op alle bodems wapperde, voerde elk
-vaartuig een scheepsvlag, die, indien de kapitein een edelman was, de
-kleuren van zijn geslacht vertoonde. Was 't een burger, die den bodem
-commandeerde, dan liet hij zijn stadsvlag waaien. En de blazoenen
-der edelen en de stemmiger kleuren van de wapens der Hollandsche
-steden wapperden door elkander; een symbool van de éénheid van het
-Nederlandsche volk, dat weldra schouder aan schouder zou optrekken
-tegen vreemde tirannie en misbruikt vorstelijk gezag.
-
-Van den mast van een vlieboot van twintig last, zeilende in den
-voortocht, wapperden de roode rozen van het geslacht Martens en
-op het achterdek stond Jacob, thans "schipper naast God van zijn
-schip" en commandant van zijn eigen oorlogsbodem. Hij had eenige
-jaren op de "bonne Fortune" gevaren; hij had den zeeoorlog leeren
-kennen, den kaperoorlog op de Noordzee, "sans trêve ni merci", waar
-het de bemanning der Spaansche koopvaarders betrof. Hij had er de
-eenvoudige stuurmanskunst dier dagen beoefend, en toen een gewapende
-vlieboot uit Vlissingen werd buitgemaakt en naar Dover opgebracht,
-had de Chevalier d'Esprenay zijn gast edelmoedig het veroverde
-vaartuig aangeboden als zijn aandeel in den buit. Er waren in de
-Engelsche havens Hollandsche ballingen genoeg, die zich gaarne lieten
-aanmonsteren voor een kruistocht, en de naam van den jongen kapitein,
-die immers bij Austruweel had gevochten en die een van de aanvoerders
-was geweest der Geuzen in West-Vlaanderen, was goed bekend onder zijne
-landgenooten. En sedert voer hij ter kaapvaart voor eigen rekening,
-met den lastbrief van den Prins, veelal in eskader varend met zijn
-vriend, jonker Frederik van Dorp, den vromen Christen-krijgsman en
-met Blois van Treslong en Nicolaes Ruyckhaver. Hij behoorde met hen
-tot die aanvoerders der Watergeuzen, die vermaard en bij den vijand
-gevreesd waren om hun vermetelen moed, die krijg voerden volgens
-de zeden van hun tijd, doch die hun naam nimmer bevlekt hebben door
-daden van woeste wreedheid, als zoovelen hunner makkers.
-
-Van de campagne van zijn goede schip "de Blauvoet" liet kapitein Jacob
-Martens den blik wijden over de grauwe golven der Noordzee, thans aan
-alle kanten verlevendigd door de bruine en witte zeilen en de kleurige
-vlaggen der Geuzenvloot. Vóór hem stevende een groot razeil, getooid
-met de kleuren van Barthold Entesz van Mentheda, den stoutmoedigen
-Frieschen Geus, die den voortocht commandeerde. De schepen van jonker
-Frederik van Dorp en van Nicolaes Ruyckhaver waren met een aantal
-kleine vaartuigen in zijn onmiddellijke nabijheid. Overal zag men de
-masten en de tuigage van de andere schepen aan den horizon opduiken,
-in het midden het zware razeil met het admiraalsvaantje aan de steng,
-het schip van Lumey.
-
-De wind was gunstig, de zeilen stonden strak en de roerganger kende
-zijn taak. Achter hem knarste de zware roerpen met den "luiwagen"
-over het dek en de "Blauvoet" luisterde prachtig naar den druk van
-het roer en stoof voort over de witgetopte golven. De bemanning, voor
-'t grootste gedeelte forsche, stoere kerels, waren onder het bevel
-van den stuurman bezig met de zeilen en het want of maakten hunne
-wapenen schoon. Pieter de Welle, die op de "Blauvoet" als constabel
-diende, zag de "bassen" na, de twaalf "gotelingen" of scheepskanonnen,
-waarmee het schip was gewapend.
-
-'t Ging ditmaal "vóór den wind" inderdaad! Jacob Martens leunde tegen
-den mast en de gebeurtenissen van de laatste paar jaren, sinds hij de
-"bonne Fortune" betrad, gingen voor zijn geestesoog voorbij. De poging
-tot bevrijding van de verdrukte landen, die zoo moedig was ondernomen
-en die zoo jammerlijk had gefaald: Heiligerlee en Jemmingen en toen
-de inval van Oranje, door het veldheerstalent van Alva zonder strijd
-tot mislukking gedoemd. De dood van Egmond en Hoorne, van Anthonie
-van Stralen en van Bakkerzeele, en van zoovelen, edelen en eenvoudige
-burgers, de slachtoffers, door wier dood de ijzeren hertog den geest
-des opstands in de erflanden van zijn meester wilde breken. Toen
-de invoering der nieuwe belastingen, van dien beruchten "tienden
-penning", zoo kwellend voor een handeldrijvend volk, nog ongewoon,
-om zich door zijn landsheer drukkende lasten te zien opgelegd. En
-dan altijd weer de ijdele hoop op hulp uit Frankrijk, telkens weder
-teleurgesteld. Wèl lag land en volk gekluisterd aan de voeten van
-den geduchten landvoogd. Alleen op zee waren de Nederlanders vrij,
-op hun Geuzenvloot! Maar wat zou 't worden, als het tot dusverre
-bevriende Engeland zijne havens voor de schepen der Geuzen sloot?
-
-En wat hemzelf betrof, hij was thans geheel aan de zaak der vrijheid
-verknocht. Zijn vader was niet lang lid geweest van den Raad van
-Beroerten. Alva had daar andere mannen noodig, als Vargas en Hessels,
-willige werktuigen in zijn hand. En President Martens was zijn
-Kerk en zijn landsheer trouw, maar hij was er de man niet naar,
-om het recht te buigen, teneinde de staatkundige plannen van den
-hertog te dienen. Sedert lang bekleedde hij weder zijn ouden post als
-voorzitter van het Hof van Vlaanderen. Jacobs moeder was gestorven;
-onverzoend met haar zoon, in haar oogen een ketter en oproermaker,
-was zij heengegaan. Madeleine was gehuwd met Thierry de St. Foy, die
-thans hopman was van een Waalsch vendel van Noircarmes en wien zeker
-een schitterende toekomst wachtte, als beschermeling van de Croys en
-echtgenoot van de rijke erfdochter der de Bettes. Ook zijn zuster was
-getrouwd met een Vlaamsch edelman en woonde op diens landgoed bij
-Gent. Jacob wist dit alles, want trots Alva en zijn schrikbewind,
-waren er nog Hervormden genoeg in Vlaanderen en Brabant, die zich
-schuil hielden, maar die toch wel in 't geheim berichten durfden zenden
-aan de ballingen, die steeds waren gericht aan vaste en betrouwbare
-adressen in de Engelsche havens of te la Rochelle of Emden. Allen
-leefden, naar 't scheen, tevreden en gelukkig in hun vaderland,
-waar 't gezag des konings was hersteld. Hij was de uitgedrevene,
-de verachte Geus, de strijder voor een verloren zaak.
-
-Er kwam plotseling beweging onder de mannen op het dek. Van het schip
-van Entesz dreunde een kanonschot. Er werden vlaggen geheschen en de
-groote vlieboot veranderde van koers. Zonder een bevel af te wachten,
-sprongen de matrozen van de "Blauvoet" in het want en haalde de
-roerganger de roerpen over naar bakboord. Ook de andere schepen
-wendden den steven en zetten koers naar het Noord-Oosten.
-
-Kapitein Martens tuurde in de richting, die de vlaggeseinen
-aanduidden. Aan den grauwen horizon doken de topzeilen van twee groote
-schepen uit de golven op. Koopvaarders!
-
-Rustig gaf hij zijne bevelen. De masten van de "Blauvoet" bogen onder
-den druk der zeilen, de stukken werden geladen en men maakte zich
-gereed voor het gevecht, want het was mogelijk, dat de nagejaagde
-schepen tegenstand zouden bieden.
-
-Inmiddels hadden de bedreigde koopvaarders de gevreesde Watergeuzen
-herkend en ze zetten alle zeilen bij, om hun vervolgers te
-ontkomen. Maar de zwaar geladen vaartuigen konden de vlugge vliebooten
-niet ontwijken. Ze waren thans duidelijk zichtbaar: "een Biscayer
-en een Nederlandsch schip," beweerden de bevaren zeelieden onder
-de Geuzen.
-
-Van het schip van Entesz viel weer een kanonschot: een teeken voor
-de vervolgden om bij te draaien. Het scheen, dat de Biscayer zich
-te weer wilde stellen. De Spaansche zeelieden wisten wel, welk lot
-hun wachtte, wanneer hun schip genomen werd. Toen het bleek, dat zij
-hun vervolgers niet konden ontzeilen, minderden zij zeil en maakten
-zich klaar voor het gevecht. De Geuzen zagen, dat de boevenetten
-waren opgehaald en toen het schip bij den wind oploefde, zag men de
-dreigende monden der kanonnen.
-
-Maar 't was een ijdel vertoon; de overmacht was te sterk. Eéns brandden
-de Spaansche stukken los; toen gaf Barthold Entesz het Spaansche schip
-de volle laag, en de "Blauvoet" en het "Zeepaard", de vlieboot van
-van Dorp, waren nu ook dicht genoeg genaderd, om hunne kanonnen te
-kunnen gebruiken. Reeds maakten de Geuzen zich gereed, den Biscayer
-te enteren, toen deze de vlag streek. Het Hollandsche schip, dat aan
-den strijd geen deel had genomen, volgde dat voorbeeld.
-
-Juichend sprongen de Geuzen aan boord van de beide prijsgemaakte
-schepen. 't Waren inderdaad koopvaarders, die van Cadiz kwamen en
-koers zetten naar Antwerpen, met een rijke lading aan boord. Het lot
-van de gevangen Spanjaarden was spoedig beslist. Voor hen hadden de
-Geuzen maar één wet en recht: "de voeten spoelen"! De bemanning van
-'t Antwerpsche schip en de schipper, Claes Vaer van Brouwershaven,
-werden gerantsoeneerd, hoewel er onder de Vlaamsche en Zeeuwsche
-varensgasten waren, die zich liever bij de Watergeuzen aansloten en
-dienst bij hen namen, dan dat ze gevangen bleven, tot er een losprijs
-voor hen was betaald.
-
-De prijsgemaakte vaartuigen waren goed gewapend en de Geuzenschepen
-telden alle een sterke bemanning. Er werd besloten, ze niet te
-verbranden of te doen zinken. Ze zouden een aanwinst zijn voor
-de vloot. Het Spaansche schip kreeg tot kapitein Martinus Brand,
-den onderbevelhebber van Entesz, een gewezen poldergast, doch die
-zich door zijn ruwe dapperheid tot zijn tegenwoordige positie had
-opgewerkt. Een luitenant van Blois van Treslong kreeg het bevel
-over het andere vaartuig, en, welvoldaan over den behaalden buit,
-zette de vloot der Watergeuzen, thans 26 schepen sterk, weer koers
-naar het Noorden.
-
-Op Maandag den 31sten Maart bevond zich de Geuzenvloot op de hoogte
-van Egmond, maar zij voer niet meer met volle zeilen, voor den wind
-de koningsschepen en den begeerden buit tegemoet. Dien nacht was de
-wind meer en meer gaan krimpen. 't Was buiïg, heiïg weer geworden. Een
-felle Noordwester blies door het want, en moeizaam oploevend, kampend
-tegen wind en stroom, kwamen de schepen maar traag vooruit. En die
-tegenspoed kwam de Geuzen zeer ongelegen. De schepen waren onvoldoende
-geproviandeerd voor een langen kruistocht. Er diende een besluit te
-worden genomen.
-
-Een kanonschot van het admiraalsschip dreunde over de golven, en
-de seinvlaggen aan den mast riepen de kapiteins tot den scheepsraad
-bijeen.
-
-'t Was een wonderlijke vergadering, die daar in de kajuit van Lumey's
-schip bijeen was. Naast Blois van Treslong, Frederik van Dorp,
-Adam van Haren, Frederik van Inthiema, en andere vertegenwoordigers
-van den Noord-en Zuid-Nederlandschen adel, zag men er Jan Abels,
-den Frieschen zeerob, den vader van Tamme Abels, die nog altijd in
-zijn krapschuit de zee onveilig maakte, en mannen uit het volk, als
-Ellert Vliechop en Marinus Brand. Er waren fiere krijgsmansfiguren,
-als Nicolaes Ruychaver en jonker Jacob Cabelliau, maar ook zag men
-er het afzichtelijk gelaat van Gautier Herlijn, den zoon van den
-vermoorden predikant van Valenciennes, wien de Walen van Noircarmes
-neus en ooren hadden afgesneden en die den dood zou hebben gevonden op
-den brandstapel, wanneer hij niet als door een wonder aan zijn vijanden
-was ontkomen. Alle standen waren in dien scheepsraad vertegenwoordigd
-en bijna alle Nederlandsche gewesten hadden die stoute en kloeke mannen
-geleverd, die de ellende der ballingschap hadden gekozen, liever dan
-het hoofd te buigen voor geloofsdwang en vorstelijke willekeur.
-
-Het ging er rumoerig toe in dien scheepsraad, want er was aanvankelijk
-maar weinig eenstemmigheid en er was, als 't er op aankwam, niemand,
-die hier zijn gezag kon laten gelden. Al de Geuzenkapiteins waren
-heer en meester op hun eigen schip. Vrijwillig erkenden zij Lumey als
-admiraal, als aanvoerder bij de thans op touw gezette onderneming, maar
-alleen zoo lang het hun goed docht. Er waren er, die wind en stroom
-wilden trotseeren en al laveerend koers wilden zetten naar het Vlie;
-er waren er, die naar de Engelsche havens terug wilden keeren. Weer
-anderen stelden voor, een landing te beproeven op de Hollandsche kust.
-
-En toen nam kapitein Blois van Treslong het woord, en hij wist de
-woelige schaar te doen luisteren. Wind en stroom waren hen tegen,
-zoo sprak hij, en vroede mannen trachtten niet het onmogelijke te
-doen. Wat kon een landing baten in het woeste en eenzame duin van
-Egmond en Schoorl? Waarom het dan niet liever beproefd met een der
-zeegaten, meer in het Zuiden des lands? Met de monding van de Maas bij
-voorbeeld? Daar waren ook koopvaarders uit Dordrecht en Rotterdam te
-kapen, die door het Brielsche diep naar zee stevenden. En daar lag aan
-den breeden Maasmond den Briel, thans van Spaansche bezetting ontbloot,
-nu alle troepen te Utrecht waren saamgetrokken, den Briel, de vrije
-koopstad, die hij zoo goed kende. Was zijn vader niet tot vóór twee
-jaren baljuw van de stad en van den lande van Voorne geweest? Waarom
-zou den Briel niet het la Rochelle der Geuzen kunnen worden? Als
-havenstad lag het gunstig genoeg!
-
-Zoo sprak Blois van Treslong en zijn woorden maakten indruk,
-want de rustige en ervaren krijgsman had door zijn naam en zijn
-krijgsbedrijven een invloed op de vloot, die door Lumey eigenlijk met
-leede oogen werd gezien. Er werd besloten, dat men den gegeven raad
-zou volgen. De sloepen en jollen brachten de Geuzenkapiteins weder
-naar hunne schepen en weldra klonken de luide bevelen der schippers
-en stuurlieden en het gejoel der matrozen, terwijl zij in het want
-klommen, om de zeilen om te brassen. De vloot wendde den steven en
-gedreven door den krachtigen Noordwester, die hen zooeven nog had
-tegengehouden, zetten de Geuzenschepen koers naar den mond van de Maas.
-
-En zoo geschiedde het, dat op Dinsdag den 1sten April de schippers
-van eenige koopvaarders, die, geankerd in het Brielsche Diep, op eene
-gunstige gelegenheid wachtten om uit te loopen, twee vreemde razeilen
-ontwaarden, die onder klein zeil langzaam den Maasmond instevenden. 't
-Waren de schepen van Brandt en van Haren. En achter hen doken nog meer
-masten en topzeilen uit de golven op. En het Oranje-blanje-bleu, dat
-wapperde aan masten en stengen, was voor deze Nederlanders nog niet
-het symbool van bevrijding, maar een dreigend teeken van naderend
-onheil. De Watergeuzen! De vermetele kapers! En de verschrikte
-schippers kapten de ankers en wendden den boeg, en onder zooveel
-zeil als zij durfden bijzetten, voeren zij de Maas weder op, naar
-Rotterdam en naar Dordrecht, om daar de tijding te brengen van de
-komst der gevreesde Piraten.
-
-Van de campagne van het goede schip "de Blauvoet" zag kapitein
-Martens de grauw-gele rietbosschen langs de beide Maasoevers en den
-breeden Heyndijk voorbij glijden, terwijl de zware toren van de Sint
-Catharijne, Brielle's hoofdkerk, en de kleinere van Sint Pieter in
-Maarland, reeds boven de dijkkruin uitstaken. Zijn hart klopte hoog
-bij de gedachte aan wat de eerstvolgende uren konden brengen. Dit
-was een krijgsdaad, wat men nu ging ondernemen! Dit was wat anders,
-dan het nemen van koopvaarders, dan het brandschatten van kloosters
-en rantsoeneeren van gevangenen! Zou het nu waarheid worden, wat de
-besten onder zijn makkers, wat Lancelot van Brederode, Frederik van
-Dorp en Blois van Treslong reeds lang hadden gewild? Zou men zich
-meester maken van een vast punt, van een Hollandsche haven, die voor
-de verstrooide ballingen het middelpunt zou worden, van waaruit zij
-den strijd konden voortzetten tegen Alva's tirannie?
-
-Terwijl hij de oogen over het dek liet gaan, waar de bemanning vroolijk
-en opgewonden zich gereed maakte voor het gevecht, dat mogelijk
-aanstaande was, viel zijn oog op zijn onderstuurman, door zijn makkers
-"Jan Smeert de Borst" genoemd, die, tegen de verschansing geleund,
-met strakke blikken staarde naar de opdoemende torens van den Briel.
-
-Jacob Martens kende den man als een ruwen zeebonk, onversaagd in
-'t gevecht en altijd gereed zijn leven te wagen, wanneer het een
-gevaarlijke onderneming gold. Zooals zijn bijnaam aanduidde, was
-hij een liefhebber van den bierkroes en onder zijn makkers bekend om
-zijn ruwe scherts en snaaksche grappen. Toch had hij soms vlagen van
-somberheid en zwaarmoedigheid en op zulke tijden was het beter, hem
-aan zijn lot over te laten, want dan was hij lichtgeraakt en twistziek.
-
-Plotseling herinnerde kapitein Martens zich, dat Jan Smeert de Borst
-een balling uit Brielle was. Dat verklaarde dan ook, dat de man
-geen deel nam aan de bezige drukte aan boord, maar staarde naar zijn
-vroegere woonplaats, die hij thans na jaren zwervens zou terugzien.
-
-Misschien zou hij kostbare inlichtingen kunnen geven omtrent de
-stad en haar vestingwerken. Hij kon ook als loods dienen, wanneer
-'t noodig was. Jacob Martens besloot, den man te raadplegen.
-
---"Stuurman Smeert de Borst!" riep hij.
-
-De zeeman schrikte op; hij zag, dat zijn kapitein hem wenkte en met
-zware schreden begaf hij zich naar het achterdek.
-
---"Je bent uit den Briel, stuurman," begon Jacob Martens. "Maar wat
-deert je, man?" vervolgde hij; want Jan Smeert de Borst was blijkbaar
-hevig aangedaan. Zijn verweerd gelaat was bleek, zijn lippen trilden
-en hij wrong de vuisten krampachtig samen. Hij staarde Jacob Martens
-eenige oogenblikken strak aan. Hij trachtte te spreken, maar de
-woorden stokten hem in de keel.
-
---"Wat is er, stuurman?" herhaalde kapitein Martens deelnemend.
-
---"Ze hebben haar gedolven, kapitein, levend gedolven in de modder,
-dààr, buiten de Noordpoort!" barstte hij eindelijk los, terwijl hij
-de vuist dreigend opstak naar de stad.
-
---"Gedolven? Wie dan toch?" vraagde Jacob.
-
---"Mijn vrouw, mijn Agniete!" hijgde Jan Smeert de Borst. "O, dat ik
-ze hier had, de vileinige rabauwen!"
-
-Kapitein Martens wierp een snellen blik op masten en tuigage. Langzaam
-en statig, gedreven door een sterken bries, maar tegen den stroom in,
-naderde "de Blauvoet", onder klein zeil, met de andere schepen de
-bedreigde stad. Hij kon den man eenige oogenblikken geven.
-
---"Zeg op, stuurman, en stort je hart uit! 't Zal je goed doen, man,"
-zei hij hartelijk.
-
---"'t Was in het jaar van de beeldbrekerije, kapitein," zeide Jan
-Smeert de Borst met schorre stem. "Er waren al lang veel van de nye
-leere in den Briel. Dat kwam door kapelaan Andries Cornelisz. Hij
-preekte in het huis van de oude joffer Rentmeesters, bij 't kerkhof, en
-niemand durfde hem moeien, want er waren er van de Wet, die goed Geus
-waren. De Burgemeester Cornelis Hendriksz had zelf een geuzenpredikant,
-die rondreisde door het land en geld inzamelde voor den Prins, in
-zijn huis gehad, dagen lang. En ik kwam er ook graag, kapitein. Ik was
-maar een onverschillige kerel, kapitein, maar wat kapelaan Cornelisz
-preekte, zeide mij veel en ik hoorde hem graag. En daar zag ik ook
-Agniete, kapitein. Ze was non in 't klooster van Sinte Catrijne,
-maar ze kwam toch ter preeke bij joffer Rentmeesters. En eens, toen
-een paar rauwe gasten 't haar op straat lastig maakten, omdat zij,
-een geprofeste zuster, ter preek liep, heb ik haar ontzet. En omdat de
-priores haar wilde opsluiten, is zij uit het klooster weggeloopen en
-woonde toen in bij joffer Rentmeesters. En ik sprak haar dikwijls, en
-zoo kwam het, kapitein, dat ik haar ten hijlik vroeg. En eerst durfde
-zij niet, omdat zij toch een gewijde nonne geweest was, maar kapelaan
-Cornelisz zeide, dat dat Paapsche bijgeloovigheden waren en dat Sint
-Paulus gezegd had, dat het hijlik eerbaar was onder allen. En zoo
-trouwde hij ons in 't geheim, kapitein. En toen kwam de beeldbrekerije
-ook in den Briel en ik hielp wakker mee en Schout Ewout Cornelisz en de
-apotheker Willem Thomasz waren de aanvoerders. En kapelaan Cornelisz
-preekte in de Sinte Catrijnekerk en het heette toen een poos, dat de
-Geuzen baas zouden worden over 't heele land. Maar toen kwam Ducdalf,
-en de Baljuw en de Schout en de schoolmeester Dirck Cock en koster
-Jacob Jacobsz en allen, die ter preeke waren gegaan en mede hadden
-gedaan aan de beeldbrekerije, vluchtten uit de stad, want de Baljuw
-had laten weten, dat er bezetting zou komen, met de inquisiteurs uit
-Dordt om de beeldbrekers en die van de nieuwe religie te vervolgen. En
-ik vluchtte ook, en Agniete liet ik achter ..."
-
-En de ruwe zeeman rukte wambuis en hemd open en hijgde naar lucht.
-
---"En waarom moest je haar achterlaten?" vraagde Jacob.
-
---"Ze was ziek," zei Jan Smeert de Borst met doffe stem. "Ze was ziek
-en 't was een koud najaar. En wij moesten vluchten in open schuiten
-en des nachts. De meester zei, dat het haar dood zou zijn. Ik wilde
-blijven, maar Agniete bezwoer mij te vluchten. Ik was wel bekend in
-den Briel en was al onder de voorsten geweest bij de beeldbrekerij en
-het was bekend in de stad, dat ik een geprofeste nonne tot huisvrouw
-had genomen. Ik zou zeker worden gevat en gehangen, misschien nog
-erger,--want ik had immers een nonne gehijlikt, die het klooster was
-ontloopen. Zij zou zich schuil houden en zich niet op straat laten
-zien. De Heeren van den Gerechte zouden denken, dat zij met mij
-was gevlucht en later zou ik haar komen afhalen. En de meester zei,
-dat ik haar wille zou doen en kapelaan Cornelisz en de oude joffer
-Rentmeesters zeiden hetzelfde. En ik liet mij bepraten, kapitein, en
-wij ontkwamen het, des nachts, met pramen en roeibooten over de Maas.
-
-"En toen zijn de soldaten gekomen, kapitein, en ze brachten twee
-inquisiteurs mee, twee Predikheeren uit Dordt, en Baljuw van Sandwyck
-was gevlucht en er kwam een ander, Heer Johan van Duvenvoirde. En die
-van de nieuwe religie en allen, die ter preek waren geloopen en mee
-hadden gedaan aan de beeldbrekerije, werd scherp vervolgd. En een
-Judas heeft den inquisiteurs van Agniete verteld en toen hebben de
-rakkers van den nieuwen Schout haar gevat en toen..."
-
-Hij kon niet voortgaan. Twee groote tranen biggelden over zijn
-verweerde wangen.
-
---"Gedolven! Levend begraven, daar buiten de Noordpoort!" barstte
-hij eindelijk los, terwijl hij stampvoette van woede en smart.
-
---"De Schepenen wilden eerst niet," ging hij na eenige oogenblikken
-kalmer voort. "En ook de overste van het Sinte Catrijneklooster bad
-voor haar. Zij wilde haar voor haar leven in een klooster opsluiten
-om boete te doen. Maar de inquisiteurs dreigden die van de Wet met
-Ducdalf, als zij de plakkaten niet wilden toepassen en ze kregen hun
-zin. Een Briellenaar, een man, die met mij gevaren had, en die 't ook
-gewaagd had te blijven, heeft 't mij verteld. Een van de schepenen had
-Agniete in stilte aangeraden te zeggen, dat zij zwanger was. Dan zou
-haar leven voor 't oogenblik gespaard worden, en als de inquisiteurs
-weg waren, zou 't misschien mogelijk zijn haar te redden. Maar Agniete
-was goed en vroom en zij wou haar leven niet koopen met een leugen. En
-toen zij de poort werd uitgeleid, zag zij er uit als een heilige en
-zij bad luid, dat God haar ziel in genade mocht aannemen en voor mij,
-och arme, haar man, die haar nooit terug zou zien..."
-
-En de ruwe zeebonk wendde zich af en staarde weer strak in de richting
-van de stad, welker muren nu duidelijk zichtbaar waren, met de zware
-steenklomp van de Noordpoort, waar, dicht bij het havenhoofd, het
-gruwzaam vonnis aan Agniete was voltrokken.
-
-Jacob Martens had het droevig verhaal meewarig aangehoord. 't Was
-maar één van de vele lijdensgeschiedenissen dier droeve dagen. Niet
-tevergeefs had Arent Dircksz, de kettersche pastoor van de Lier,
-gezongen:
-
-
- 't Onschuldig bloed, dat gij hebt vergoten,
- 't Onschuldig bloed roept over u wraak!
-
-
---"Wees een man, stuurman!" zei hij hartelijk. "Je huisvrouw heeft
-geleden en is gestorven als martelaresse voor de waarheid,--en straks,
-in Brielle, vindt je wellicht haar moordenaars."
-
-Jan Smeert de Borst knikte zwijgend. Er lichtte een wilde gloed in
-zijn kleine, donkere oogen, terwijl hij het achterschip verliet, om
-zich naar het tusschendek te begeven, waar hij met Pieter de Welle
-zich bezig hield met het laden van de losse kamers der bassen.
-
-"Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vervloeken en bidt voor
-degenen, die u geweld doen en die u vervolgen."
-
-Maar het Evangelie der liefde vond geen weerklank in het verbitterde
-hart der Watergeuzen, ook niet in dat van de besten onder hen.
-
-En middelerwijl waren op de voorste Geuzenschepen aller oogen gericht
-op een roeiboot, met één enkelen roeier, die met rustige riemslagen de
-"schepen van oorlogh" der gevreesde Piraten tegemoet voer.
-
-Jan Pietersz Koppelstok, schipper en haringkooper, "een stout
-en kregel kerel", als de tijdgenoot hem noemt, die ook het veer
-op Maaslandsluis [7] bediende, en die reeds lang in 't geheim "de
-Geuzerije" was toegedaan, had kort na zijn noenmaal de veerbel aan de
-overzijde hooren luiden en was naar dien anderen oever overgestoken,
-om een paar kooplieden af te halen, die zich naar den Briel wenschten
-te begeven. Hij had al lang de vreemde schepen in 't oog, die daar
-naderden van uit het Westen en er speelde een glimlach om zijn anders
-zoo stroeven mond, toen hij die vlaggen en wimpels zag.
-
-Maar ook zijn passagiers kregen die vaartuigen in 't oog, terwijl
-de veerboot worstelde met den stroom, om straks aan 't havenhoofd
-te kunnen aanleggen,--een zoo talrijke vloot koopvaarders, en dat in
-dezen tijd? En natuurlijk was de vraag:
-
---"Wat zijn dat voor schepen?"
-
---"'t Zijn Watergeuzen!" antwoordde Jan Pietersz.
-
-Watergeuzen? En dat voor den Briel, waar zij handel
-hoopten te drijven? De veerman moest hen aan wal zetten, te
-Maaslandsluis. Oogenblikkelijk!
-
-En Jan Pietersz Koppelstok voldeed aan hun verlangen en roeide toen
-bedaard de Geuzenschepen te gemoet.
-
-Nog altijd waren de schepen van Martinus Brandt en Adam van Haren in
-den voortocht, maar Koppelstok vraagde naar 't schip van Jonker Blois
-van Treslong, die zich immers, als elk Brielenaar, die zijn brood
-verdiende aan den havenkant, wel wist, op de Geuzenvloot bevond en die
-zeker bij eene onderneming als deze niet zou ontbreken. En zijn gissing
-bleek juist! Dat groote razeil daarginds, waarvan de zestien gotelingen
-dreigend uit de geschutpoorten keken. En Koppelstok roeide er heen.
-
-De neef van den uitgeweken Heer van Sandijck, de zoon van Baljuw Jasper
-Blois van Treslong, kende zijn bezoeker wel: een stouten, ondernemenden
-kerel, voor geen klein gerucht vervaard. En hij bracht hem naar
-het admiraalsschip, om hem aan den graaf van Lumey voor te stellen,
-als een man, "bequaem om hem te employeeren tot haer voornemen".
-
-En zoo geschiedde het, dat, terwijl de Geuzenschepen voor Brielle
-ankerden, Jan Pietersz Koppelstok als bode van Lumey de havenvliet
-binnenroeide en zich langs den Hoofddijk naar de Noordpoort
-begaf. Treslong's zegelring, met het in Brielle zoo welbekende wapen,
-had hij mede gekregen als geloofsbrief.
-
-In de stad had men ook reeds vernomen, wie de onverwachte bezoekers
-waren en de ontsteltenis was er algemeen. De poorten werden gesloten,
-de stormklok luidde van den hoogen toren van Sinte Catarijne, de
-trommels roffelden in de straten en de schutters begaven zich met hunne
-pieken en vuurroeren eerst naar hunne loopplaats en toen naar de muren,
-en Baljuw Johan van Duvenvoirde was met de geheele Vroedschap van den
-Ouden en Nieuwen Gerechte, de twee Burgemeesters, de negen Schepenen en
-de twee Raden van het loopende en van het vorige jaar op het Raadhuis
-bijeen, om te overleggen wat er kon worden gedaan tot afwending van
-het groote gevaar, dat den Briel bedreigde. En de gedrukte stemming
-werd er niet beter op, toen Koppelstok in de Raadzaal verscheen en de
-Vroedschap den eisch van Lumey mededeelde: overgave der stad, om die
-te bewaren voor den Prince van Orangiën, als stadhouder des Konings,
-en te beschermen tegen den hertog van Alva en den tienden penning. Er
-werden aan den Magistraat twee uren van beraad toegestaan.
-
-De achtbare Vroedschap zat deerlijk in de klem. Wat moest zij doen? De
-stad verdedigen? Hoe zou zij het kunnen, met de schutters en de
-gewapende burgers alleen tegen een bestorming door de krijgshaftige
-Geuzen. De poorten openen? Maar hoe zou men zich verantwoorden
-tegenover den stadhouder des Konings, den gevreesden hertog van Alva,
-die pas in November van het vorige jaar op uitdrukkelijk verzoek
-van den Magistraat, de Spaansche bezetting uit de stad had doen
-wegtrekken? Zou hij de leden van de Vroedschap niet verdenken van
-boos opzet, van te heulen met de Geuzen?
-
-Hoe sterk was de vijand? De oudste Burgemeester, Jan Pietersz Nicker,
-vraagde het, en Koppelstock, die het ook niet wist, antwoordde losweg:
-"Wel vijf duizend!"
-
-Vijf duizend Geuzen! Dan is tegenstand onmogelijk! En niemand valt
-het in, aan de mogelijkheid van overdrijving te denken of zich af
-te vragen, hoe de veerman dat zoo nauwkeurig weet. De vrees is een
-slechte raadgeefster. [8]
-
-Er diende echter wat te worden gedaan. En de twee oudste burgemeesters,
-de tinnegieter Jan Pietersz Nicker en de koekebakker Claes Jansz,
-besloten, als goede magistraten, naar den admiraal der Geuzenvloot
-te gaan, om zoo mogelijk met hem te onderhandelen.
-
-Onder geleide van veerman Koppelstock gingen zij de Noordpoort uit
-en langs den Hoofddijk naar het havenhoofd, waar zij Lumey vonden
-ingekwartierd in een van de aan het hoofd gebouwde huizen.
-
-Indien de Brielsche burgers nog gehoopt hadden eenige gunstige
-voorwaarden te kunnen bedingen, zagen zij zich weldra bedrogen. Lumey
-eischte de stad op, "uiten naem van den Prince van Orangiën, als
-Stadhouder des Conincks over Holland." En weer was het: twee uren
-beraad!
-
-Maar al was de Magistraat nog steeds ten Raadhuize vergaderd,
-tot eene beslissing kwam het niet zoo spoedig. De stad overgeven
-durfde men niet, haar verdedigen kon men niet. Eindelijk, na lang
-dralen, werd besloten tot de overgave. Maar er was niemand, die het
-besluit van den Magistraat aan den admiraal der Watergeuzen ging
-overbrengen. De verwarring in de stad was groot. Zoo de burgers
-vreesden voor hunne bezittingen, voor plundering en brandschatting,
-de bewoners der talrijke conventen en kloosters, de Clarissen, de
-Birgittijnen en Birgittijnessen, de Cellebroers en Cellezusters,
-vreesden het ergste. Wat hadden zij van den beruchten Lumey, van de
-woeste Geuzen te wachten, dan mishandeling en marteling en dood?
-
-En zoo stroomden de kloosters ledig en de burgers zochten hunne
-kostbaarste bezittingen bij elkaar en iedereen vluchtte voor het
-dreigend gevaar. Waren de Piraten aan het havenhoofd ontscheept en
-bedreigden zij de Noordpoort, de weg door de Zuidpoort was nog vrij
-en wie het niet in zijn hart met de Geuzen hield, haastte zich een
-goed heenkomen te zoeken naar Geervliet of Hellevoetsluis.
-
-En op de schepen was het bevel gegeven, een deel der bemanning
-aan land te zetten en met roeren en halve pieken, met houwers en
-knijven gewapend, vielen de Geuzen in de sloepen en roeiden naar
-den oever. Ook de kapiteins gingen aan wal en de eerste boot, die
-"de Blauvoet" verliet, werd gestuurd door Jan Smeert de Borst.
-
-Met een paar andere Brielsche ballingen spoedde hij zich naar de
-huizen op het havenhoofd en hij vond er nog den vischafslager,
-Pieter Jansz Stemboort, die niet had kunnen of willen vluchten. Zij
-eischten van den man, dat hij hun de plek zou wijzen, waar Agniete
-haar vonnis had ondergaan en bevend gehoorzaamde de afslager, die de
-gruwelijke daad als medelijdend toeschouwer had bijgewoond. Toen zij
-de plaats bereikt hadden, wenkte Jan Smeert de Borst zijn makkers te
-blijven staan en alleen begaf hij zich naar het verlaten graf aan den
-dijkrand, de sombere plek, die door allen werd gemeden, sedert de
-weggeloopen non, die haar gelofte had verbroken om de huisvrouw te
-worden van een ketter, daar den dood had gevonden. Wat hij er deed,
-zagen zijn makkers niet. De ruwe gasten eerbiedigden zijn smart. Zij
-lieten hem alleen en zorgden er voor, dat hij niet gestoord werd. Maar
-toen hij zich weder bij hen voegde en zij zijn verwrongen trekken
-zagen, omklemden zij vaster hunne wapenen en zij spraken geen woord,
-maar zij keken met een woeste en dreigende uitdrukking in hun oogen
-naar de veste van den Briel.
-
-Wee den Roomschen geestelijke, hij mocht schuldig zijn aan de
-vervolging der ketters of niet, die thans den Brielschen Geuzen in
-handen viel!
-
-Ondertusschen ging de middag voorbij. De twee uren van beraad,
-die den Magistraat waren toegestaan, waren reeds lang verstreken
-en nog altijd kwam het verwachte antwoord niet, al werden er op de
-stadsmuren geen toebereidselen tot verdediging gemaakt. De booten
-van de ten anker liggende schepen zetten steeds meer krijgsvolk aan
-wal, en eindelijk stonden er een driehonderd gewapende Geuzen op den
-Hoofddijk en op het Havenhoofd geschaard, gereed om, hetzij goedschiks,
-hetzij met geweld, de stad binnen te rukken, en er waren er zelfs, die
-zich waagden tot voor de poort, en de enkele burgers, die ondernamen,
-zich op den muur te vertoonen, toeriepen: "of men ze zoude inlaten,
-dan of zij haer zelven in helpen zouden moeten."
-
-'t Scheen wel het laatste te zullen zijn, want de avond begon reeds
-te vallen en nog altijd was het antwoord er niet.
-
-Toen was het geduld van Lumey en zijn kapiteins uitgeput. De gelande
-Geuzen werden in twee afdeelingen gesplitst. De een, onder aanvoering
-van Cornelis Geerlofsz Roobol, een Delftschen balling, rukte aan op
-de Noordpoort, terwijl de ander, onder Blois van Treslong, de stad
-omtrok, om de Zuidpoort te bereiken. Wellicht giste deze, dat er
-groote kans was, dat men die niet gesloten zou vinden.
-
-Maar de zware deuren van de Noorderpoort gingen niet open en
-Pietertje Baefsdochter, de portierster, was reeds lang gevlucht. Dan,
-de Geuzen wisten daar raad op. Van het beddestroo en het houtwerk
-der huizen buiten de poort, van oude, geteerde zeilen en touwwerk,
-ijlings van de schepen aangevoerd, was er spoedig een hooge mutsaard
-opgestapeld tegen de poortdeuren, de brand werd er in gestoken en
-spoedig kronkelden zware rookwolken van onder het poortgewelf naar
-boven en knaagden de rosse vlammen aan de oude, met ijzeren nagels
-en bouten beslagen deuren.
-
-Maar, was het plan ook goed, het ging de ongeduldige Geuzen niet
-spoedig genoeg. Een aantal varensgasten kwam van de haven aangezeuld
-met een ontscheepten mast, een geïmproviseerden stormram. Forsche
-vuisten hielpen den zwaren balk tillen, een korte aanloop en de poort
-daverde van den schok. Nog eens,--en nog eens: een der zware deuren
-barstte open en met een luid "Vive le Geus!" drongen de corsaren de
-stad binnen.
-
-Treslong had ondertusschen met zijn afdeeling de Zuidpoort
-bereikt, en die inderdaad open gevonden, want nog altijd waren er
-vluchtelingen, die de stad, met wat zij van het hunne konden meevoeren,
-ontvluchtten. Onder hen behoorde de Baljuw, Johan van Duvenvoirde,
-die zes duizend gulden baar geld, de kas van het Land van Voorne,
-wilde trachten te redden. Maar hij werd herkend en aangehouden en terug
-moest hij, mede naar den Briel als gevangene, en het geld, dat hij
-had willen redden, werd door de overwinnaars als goede prijs beschouwd.
-
-Tot in den nacht duurde het gejoel en rumoer der triomfeerende
-Geuzen. Er werd hier en daar geplunderd, maar zoo Jan Smeert de Borst
-en zijne gezellen gemeend hadden, het geleden leed te wreken op de
-bewoners en bewoonsters der Brielsche kloosters, dan zagen zij zich
-teleurgesteld. De monniken en nonnen waren bijtijds gevlucht. Alleen
-de pastoor van Sinte Catarijne was op zijn post gebleven, maar,
-hetzij uit vreeze voor zijn leven, hetzij omdat hij inderdaad in het
-geheim reeds een aanhanger was der "nieuwe religie", hij toonde zich
-aanstonds bereid, de "papistische dolingen" af te zweren en hij werd
-de eerste predikant van den Briel. Eenige heethoofden hadden in de
-verwarring brand gesticht in een paar houten huizen, maar het vuur
-werd door de Geuzen zelve spoedig gebluscht: men begreep, dat men de
-huizen der stad beter kon gebruiken. Velen der ballingen sliepen dien
-nacht weder voor het eerst sedert jaren op den vaderlandschen grond.
-
-Maar den volgenden dag begon het verwoestingswerk in de kerken en
-kloosters. De beeldenstorm van vóór zes jaren werd herhaald, maar
-nu werd er voorgoed opruiming gehouden van alles wat naar "paepsche
-superstitie" zweemde. En weldra stonden daar de beide kerken en
-de kloosterkapellen van alles, wat aan den Roomschen eeredienst
-herinnerde, beroofd, terwijl de Geuzen hun buit, "kerkelijke en
-Geestelijke goeden, Cappen, Coorkleederen, Cassuiffelen ende misgewaet"
-in veiligheid brachten, naar de schepen.
-
-En nu scheen het voor een poos, alsof men het behaalde voordeel
-terstond weder prijs zou gaan geven, alsof de kloeke daad, die het
-begin zou blijken van de bevrijding des lands, zou uitloopen op een
-gewoon kapersavontuur. Lumey wilde zich weer inschepen; hij wilde "de
-Stadt en 't Land daaromtrent plonderen ende beroven, ende daermede
-wederom vertrecken, want hij en achtte de plaetse niet houbaer te
-zijn tegen de Spangiaerden."
-
-Op zichzelf was er wel iets voor deze meening van den admiraal
-te zeggen. De inneming van den Briel was niet het gevolg van een
-goed overlegden krijgstocht, ondernomen door een wèl uitgeruste
-vloot, en als een onderdeel van een zorgvuldig beraamd plan. 't
-Was een coup-de-main, een verrassing, een gevolg van onvoorziene
-omstandigheden, door een aantal kapers, die uit hunne vluchthavens
-waren verjaagd en die feitelijk aan alles gebrek hadden en op geen
-steun van buiten konden rekenen. 't Was daarenboven feitelijk een inval
-in vijandelijk land, waar niemand de gehate en gevreesde zeeroovers
-gunstig gezind was.
-
-Hadden de gebeurtenissen in Holland en Zeeland zich niet zoo verbazend
-snel ontwikkeld in dat merkwaardige jaar 1572, dan hadden de Geuzen,
-door Bossu bedreigd in het Noorden, door Alva's troepen uit het Zuiden,
-zich onmogelijk kunnen staande houden.
-
-Maar het warme hart krijgt soms gelijk tegenover het koel redeneerend
-verstand, wanneer het gehoorzaamt aan een machtiger aandrang en
-als bij intuïtie den rechten weg vindt. En het was Gods wil, dat
-de onoverlegde, bijna toevallige inneming van de kleine stad aan
-den Maasmond, het begin zou zijn van de zegevierende worsteling ter
-bevrijding van de Nederlanden.
-
-Het plan van Lumey vond aanstonds hevigen tegenstand bij zijne
-kapiteins en hij was genoodzaakt krijgsraad te beleggen. In dien
-krijgsraad werd het voornemen, om den Briel op te geven, krachtig
-bestreden, niet alleen door Blois van Treslong, Jacob Martens, Frederik
-van Dorp en Ruychaver, de warme vaderlanders, wien het kaperbedrijf
-eigenlijk tegen de borst stuitte en die er vurig naar verlangden, in
-eerlijken strijd de zaak der vrijheid te dienen, maar ook mannen als
-Barthold Entesz van Mentheda en Dirk Duyvel sloten zich bij hen aan.
-
-"Wat moed konden de verlangende landzaaten, welker hoop op de beloofde
-en telkens gemiste verlossing ten eynde was, overhouden,"--zoo pleitte
-de laatste--"indien men dus een sleutel des lands willends uyt de
-hand worp?"
-
-"Ick voor mij,"--zoo verklaarde kapitein Jacob Simonsz de Rijck,--"heb
-Godt menigmael om een graf op het strandt mijns vaderlandts
-gebeden. Thands zal er mij wel een binnen de wallen gebeuren!"
-
-En zoo werd besloten, den Briel te versterken en de stad tegen de
-Spanjaarden te verdedigen. Terstond begonnen de Geuzen de wallen
-te versterken en er geschut op te planten, dat ijlings ontscheept
-werd. Een bode werd naar den Prins gezonden, om dien van het gebeurde
-te verwittigen en de Rijck vertrok naar Engeland, om dààr de tijding
-te brengen en de ballingen, die er vertoefden, op te wekken, om de
-zee over te steken, en deel te nemen aan het bevrijdingswerk.
-
-Want de kamp om de Nederlandsche vrijheid was thans in waarheid
-begonnen!
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-
-'t Was inderdaad een merkwaardig jaar, dat jaar 1572!
-
-Na den mislukten aanval van Bossu op den Briel, mislukt door
-den dapperen tegenstand der Geuzen en de kloeke daad van den
-stadstimmerman, Rochus Bartelmeeuwsen Conincx, die de schutsluis van
-het Brielsche Nieuwland openhakte en zoo het Maaswater de Voornsche
-polders in deed stroomen, tot verderf der Spaansche soldaten, wier
-dapperheid tegen dien vijand niets vermocht, hadden de gebeurtenissen
-elkander verbazend snel opgevolgd. Op den eersten Paaschdag was
-Vlissingen voor de zaak der vrijheid gewonnen en Vere had dat voorbeeld
-gevolgd, terwijl Arnemuiden gemakkelijk door de Geuzen veroverd
-werd. Wel had Treslong, die met krachtige versterkingen de Vlissingers
-te hulp was gesneld, een vergeefschen aanval op Middelburg gedaan en
-werd zelfs Arnemuiden door de Spanjaarden heroverd, maar Vlissingen en
-Vere bleven behouden en daarmede het grootste gedeelte van Walcheren.
-
-Van uit Vlissingen verbreidde zich de opstand over het geheele
-land. Enkhuizen koos de zijde van den Prins en drie dagen later werd
-het sterke Bergen, in Henegouwen, door Lodewijk van Nassau, aan het
-hoofd van een afdeeling Huguenoten, bij verrassing genomen. En nu
-stelde de Prins van Oranje zich aan het hoofd van den opstand en zond
-jonkheer Dirk van Sonoy als zijn luitenant naar Enkhuizen.
-
-Oranje was eerst maar weinig ingenomen geweest met de inneming van den
-Briel. Een dergelijk krijgshaftig avontuur strookte weinig met zijn
-voorzichtigen, bedachtzamen aard. Meer staatsman dan legeraanvoerder,
-handelde hij ook in zaken van oorlog gaarne naar een wel beraamd plan
-en hij was ook met zijn plannen nog niet gereed. Die waren dezelfde
-als in 1568. Hij wilde òf Frankrijk òf Engeland voor de zaak der
-Nederlanden winnen, ook al zouden deze landen voor de buitenlandsche
-hulp, waarop hij rekende, zich zware offers moeten getroosten. Dan
-wilde hij met het leger, dat hij bezig was bijeen te brengen, een
-inval doen in de Zuidelijke Nederlanden. Een Fransch leger zou van het
-Zuiden oprukken en een algemeene opstand zou het werk bekronen. Zóó
-zou een einde worden gemaakt aan Alva's tirannie.
-
-De onverwachte en onvoorbereide opstand kwam den Prins dus weinig
-gelegen, en hoewel hij een te ervaren staatsman was om zich niet aan te
-passen aan de omstandigheden en de leiding der beweging te aanvaarden,
-nu hij die niet meer kon verhinderen, deed hij dat toch aanvankelijk
-met groote vreeze voor den goeden uitslag. Maar Gods wegen zijn de onze
-niet! Oranje's plannen zouden falen en de bondgenooten, op wier hulp
-hij had gehoopt, zouden hem ontvallen. God wilde Nederland verlossen,
-maar het zou geschieden door een Gideonsbende.
-
-De bewoners van een paar geringe gewesten aan de kust der Noordzee:
-visschers, matrozen, kooplieden en handwerkers,--zij zouden het
-zijn, die het machtige Spanje zouden vernederen en de vrijheid,
-bovenal de vrijheid om God te dienen naar de inspraak hunner harten,
-zouden bevechten.
-
-Thans, nu de Prins de beweging had erkend, nu de West-Friesche steden
-zijne partij hadden gekozen, volgde heel Holland dat voorbeeld. Het
-eerst ging Oudewater over. Den 19en Juni verscheen de Heer van Swieten,
-aan het hoofd van een gewapende bende, voor de poorten der stad en
-eischte haar op in den naam van den Prins. Hij werd zonder verzet
-binnen gelaten. Twee dagen later werd Gouda zonder strijd bezet en het
-kasteel, waarin zich de charterkamer van Holland bevond, gaf zich na
-korten tegenstand over. Den 23sten Juni opende Leiden de poorten voor
-een afdeeling ballingen en geuzen uit Gouda. De positie der Spaansche
-troepen in Holland werd hachelijk. Hunne verbinding met Utrecht was
-bijna afgesneden. Nog was de weg over Schoonhoven en Gorcum open, maar
-in die steden lag geen Spaansche bezetting en de burgerij was zeker
-niet te vertrouwen. De stedelijke regeering mocht uit voorzichtigheid
-de Regeering getrouw blijven, het volk wachtte slechts op eene gunstige
-gelegenheid, om zich voor de zaak der vrijheid te verklaren.
-
-Ondertusschen bleef Lumey in den Briel vrijwel werkeloos. Aan den
-strijd in Zeeland nam hij persoonlijk geen deel, en de Hollandsche
-steden wilden niets van den woesten en wreeden Luikerwaal weten.
-
-Kort na de inneming van den Briel had Marinus Brand Schiedam en
-Delftshaven bezet, maar hij werd door Bossu van uit Rotterdam spoedig
-verdreven. Lumey hield zich ondertusschen bezig met een onbarmhartige
-priestervervolging. Inderdaad had hij aan zijne kapiteins last gegeven
-"om alle papen met hunne complicen te vanghen ende deselve alhier
-in den Briel te brenghen". En velen hunner kwamen dien last maar al
-te goed na, Treslong zelfs niet uitgezonderd. In een brief aan de
-regeering van Brouwershaven verklaarde deze, dat de Geuzen niemand
-aan lijf en goed schade wilden doen, met uitzondering "van de papen,
-monnijcken ende andere papistische schelmen".
-
-Lumey's eerste slachtoffer was Hendrik Boogaard, pastoor van Helvort,
-die eerst was gevlucht, maar later teruggekeerd. Op den eersten
-Paaschdag werd hij door de Geuzen gevangen genomen en naar den Briel
-gevoerd. Toen Lumey hem niet door bedreigingen tot afval kon bewegen,
-liet hij hem hangen.
-
-Zóó was de geest onder de Watergeuzen: een geest van wraakzucht en
-vervolgingslust. En de weinige edele figuren onder de aanvoerders
-waren niet in staat dien geest der overgroote meerderheid te
-bedwingen. Geloofsvervolging en verdrukking, jaren lang mokkend
-verdragen en eindelijk openlijk weerstaan, droegen wrange vruchten,
-en de bloedige wraak, die de Geuzen namen, trof veelal onschuldigen.
-
-Nu ten gevolge van de gebeurtenissen in Holland de Maas geheel open
-lag, werden de Watergeuzen in den Briel weer roeriger. Men wist,
-dat er te Dordrecht veel aanhangers van den Prins waren en dat een
-aanslag op die belangrijke stad veel kans van slagen zou hebben. Een
-kleine vloot werd uitgerust en zeilde den 23sten Juni, onder bevel
-van Barthold Entesz van Mentheda de Maas op, om, zoo 't kon, Dordt
-voor den Prins te winnen.
-
-De "Blauvoet" nam geen deel aan deze expeditie, maar kapitein Martens,
-wien, als zoovelen zijner krijgsmakkers, het doelloos toeven in den
-Briel verdroot en die geen deel wenschte te nemen aan de strooptochten
-in den omtrek, waar vele Geuzenbenden zich nog aan schuldig maakten,
-had zich als vrijwilliger bij de onderneming aangesloten. Dit was
-althans een eerlijke krijgstocht in het belang der goede zaak, en
-te dienen onder Barthold Entesz, den woesten maar dapperen Frieschen
-edelman en ervaren aanvoerder, was zeker geen schande.
-
-Zoo bevond Jacob Martens zich op het schip van Entesz, met Pieter
-de Welle, die verzocht had, hem te mogen vergezellen. De verhouding
-tusschen beiden was in den loop der jaren wel eenigszins veranderd. De
-omstandigheid, dat Jacob Martens thans zijn eigen schip commandeerde,
-had daarop weinig invloed, maar naarmate de Welle ouder werd, werd
-hij somberder en meer in zich zelf gekeerd. Hij haatte de Roomsche
-priesters, "de afgodische papen," zooals hij en zijne geestverwanten
-ze noemden, met een bitteren en doodelijken haat. Aan roof- en
-plundertochten nam de vroegere boschwachter van president Martens
-geen deel, maar als er kans was, een klooster te bestormen en te
-verbranden of een priester op te lichten, dan behoorde de Welle
-tot de eersten. Hij las zijn bijbel, maar sinds lang waren het de
-verhalen van strijd en wrake van het Oude Testament, de donkere
-vloekpsalmen en de toornende profetieën tegen de Heidenen, waar hij
-zich het liefst in verdiepte en hij beschuldigde in zijn hart zijn
-jonker van lauwheid in het werk des Heeren, wanneer Jacob Martens,
-waar hij kon, de uitspattingen van baldadigheid en wreedheid tegen
-weerlooze geestelijken trachtte te verhinderen.
-
-Gedreven door een frisschen Westenwind zeilde de flottille statig
-de breede rivier op, angstig nageoogd door de Hollandsche boeren,
-die de Geuzenschepen thans kenden en vreesden,--om maar al te
-goede redenen. De tijd, dat het Oranje-blanje-bleu vendel door alle
-landzaten als het symbool der bevrijding zou worden beschouwd, was
-aanstaande,--maar hij was er nog niet!
-
-Men voer thans Rotterdam voorbij en men behoefde niet te vreezen,
-dat de schepen van Bossu de haven zouden uitloopen, om den Geuzen den
-doortocht te betwisten. Alva's stadhouder had thans de handen vol en
-hij kon geen manschappen missen.
-
-Barthold Entesz staarde naar de stad, wier statige St. Laurenskerk
-zich boven de lage huizen verhief.
-
---"Die van Rotterdam hebben ook ondervonden, wat de Spaansche trouw
-beteekent," zei hij bitter tegen Jacob Martens, die naast hem stond.
-
---"Bossu heeft schandelijk zijn woord gebroken en de arme burgers
-hebben het moeten ontgelden," stemde Jacob toe. "'t Is bitter, dat er
-zooveel onschuldigen het slachtoffer worden van den oorlog. Als men
-maar vocht op goede krijgsmansmanier! Die twee Spaansche hoplieden
-en de zestien musketiers, die op bevel van den admiraal aan den molen
-van Brielle werden gehangen, waren ook krijgsgevangen gemaakt in een
-eerlijk gevecht en hun eenige misdaad was, dat zij trouw bleven aan
-hun vaandel."
-
---"Op een harden knoest past een scherpe bijl," zei de Fries
-onverschillig. "Waren de onzen in hunne handen gevallen, het was hun
-niet beter gegaan. Maar ge zijt te weekhartig, jonker Martens. Dapper
-genoeg in 't gevecht, kameraad," voegde hij er met ruwe hartelijkheid
-bij, "maar gij zijt te week voor die vervloekte papisten! Hebt gij
-en van Dorp u er ook niet tegen willen verzetten, toen Lumey dien
-paap van Helvort liet hangen? Opruiming moeten wij houden onder het
-goddeloos afgodisch gespuis!"
-
---"Soude ik niet haten, Heere, wie u haten? Ik haet ze met eenen
-volkomen haet! Tot vijanden zijn ze mij, zegt de Schrift," zeide de
-Welle, die achter hen stond en het gesprek had aangehoord.
-
-Barthold Entesz knikte den ouden Geus goedkeurend toe. 't Kwam niet in
-hem op, den man te berispen, omdat hij zich ongeroepen in het gesprek
-van zijn meerderen mengde. De geheele organisatie der Watergeuzen,
-met hun eigenaardige vermenging van alle rangen en standen, onder wie
-een gewezen dijkwerker als Marinus Brand een gewichtig commandement
-was toevertrouwd, terwijl jonge mannen van goeden huize dienst deden
-als gewone matrozen, maakte een strenge toepassing van de krijgstucht
-onmogelijk. In het gevecht gehoorzaamden allen hun aanvoerders--en
-dat was de hoofdzaak.
-
---"Laten wij de Spanjolen bevechten als vijanden van God en van
-Zijn Kerk," antwoordde Jacob. "Wij willen God den Heere tot onzen
-opperkapitein nemen, dien wij hopen en niet en twijfelen, dat Zijn
-volk niet verlaten zal, maar verlossen uit de tirannie en groote
-benauwingen van den Duc d'Alve. Maar wij moeten geen weerlooze
-priesters, geen monniken en nonnen vangen en martelen, die ons geen
-leed gedaan hebben."
-
---"Geen leed gedaan? Zij heulen met den Spanjool! 't Zijn de bloedige
-adhaerenten van Alva en zijn bloedraad," viel Entesz heftig uit. "Zij
-hebben mede Gods kinderen vervolgd en getempteerd en zij bedriegen het
-volk met hunne paapsche supersticiën. Laat ze hunne dolingen afzweren,
-dan worden zij gespaard!"
-
---"Jonker, jonker," waarschuwde de Welle, "laat uw deel niet zijn met
-Saul, die verworpen werd, omdat hij Agag spaarde, toen de Heere hem
-had geboden Amalek te verbannen. Lezen wij niet van David, den man
-naar Gods hart, dat hij de vijanden Israëls sloeg met de scherpte
-des zwaards en niemand verschoonde, want het waren de vijanden van
-God en van Zijn volk."
-
---"David was een man Gods!" riep Jacob ijverig, "maar hij leefde onder
-'t Oude Verbond en wij hebben het gezuiverde Evangelie. Als wij de
-paapsche Inquisitie bestrijden, die eenvoudige en simpele menschen
-worgt en brandt om de goede belijdenis, moeten wij niet doen als
-zij. Als Christen, kapitein Entesz..."
-
---"Ik noeme mij geen Christen," viel Entesz norsch in, terwijl zijn
-voorhoofd in dreigende rimpels trok. De beide anderen keken hem
-zwijgend aan. Op de Geuzenvloot kenden allen de woeste uitbarstingen
-van drift van den Frieschen edelman. Maar Entesz bedwong zich.
-
---"Ben ik geen Christen," zoo ging hij bedaarder voort, "of houde ik
-mij niet gelijk een Christen betaamt, zoo wil ik nochtans Christus'
-zaak voorstaan en mijn vaderland dienen met mijn lijf en bloed. En ik
-wil naarstig het mijne doen, tot afbreck, vernielinghe ende anulacie
-van den Ducq de Alba met zijne bloedige adhaerenten, om weder in
-te voeren het waarachtige Woord Gods, ende dat voor allen te doen
-prediken, ende alzoo te mogen genieten onzer vaderen landen ende
-vrijheden, daar wij thans ballingen af zijn!"
-
---"Zoo dient ge dan toch de zaak der vrijheid dezer landen als de
-zaak Gods?" riep Jacob levendig.
-
-Entesz haalde de schouders op.
-
---"Daar zijn in een kruidtuin," zei hij rustig, "verschillende
-kruiden en planten, doch niet alle zijn even gunstig en dienstig tot
-medicijnen. Ben ik geen dier kruiden, dan echter ben ik de haagdoorn
-en maak de hegge mede uit, die zoodanigen kruidtuin bewaart; alzoo
-behoor ik derhalve noodwendig tot den kruidtuin."
-
---"God geve, dat gij nog eens, anders dan als de doornheg, tot den
-kruidtuin moogt behooren," zeide Jacob trouwhartig.
-
---"Daar zeg ik Amen toe," zeide de ander ernstig. "Maar wij zullen
-ondertusschen niet twisten, kapitein Martens. Tegenover den Spanjool
-staan wij schouder aan schouder en dan wensch ik mij geen beter
-krijgsmakker. Maar wanneer 't aankomt op het uithalen van een
-papennest, zal ik dat u niet opdragen. In trouwe, daar heb ik wel
-andere hulp voor;"--en hij wees op het schip, dat achter hen aan
-voer. "Marinus Brand zal dat werk gaarne van u overnemen en nog meenen,
-Gode een dienst te doen!"
-
-En nu begonnen de torens van Dordrecht op te duiken boven den dijk. Het
-vaarwater werd breeder en na een paar uren lag de oude koopstad, met
-haar haven, die van masten wemelde, voor de Watergeuzen open. Een paar
-schepen, die op stroom hadden gelegen, slipten de ankers, heschen de
-bruine zeilen en trokken zich haastig terug.
-
---"De Dordtsche wachtschepen," zeide Barthold tot Jacob Martens. "Die
-van de stad zullen nu wel weten, wie zij voor hebben."
-
-Vóór de haven lieten de schepen der Watergeuzen het anker vallen. De
-geschutpoorten waren geopend en de monden der bassen waren dreigend op
-de stad en de koopvaarders aan de kaden gericht. Handbussen en pieken,
-enterbijlen en houwers werden aan de bemanning uitgedeeld, voor het
-geval, dat het noodig mocht blijken, geweld te gebruiken, maar eerst
-moest de stad worden opgeëischt, en die eervolle, maar gevaarlijke
-taak werd door Entesz van Mentheda aan Jacob Martens opgedragen.
-
-Met de jol van het admiraalsschip liet deze zich naar den wal roeien,
-en er waren er onder de op de kade saamgestroomde menigte genoeg, die
-den Geus als gids wilden dienen naar het Raadhuis, waar de Vroedschap
-vergaderd was.
-
-De Magistraat zat deerlijk in verlegenheid. 't Was geen groote macht,
-die de goede stad Dordt bedreigde, maar de aanvallers telden vele
-geestverwanten onder het volk, ja onder de gezeten burgerij. Op
-den steun der gilden noch der schutters kon men rekenen, en de
-stadhouder Bossu was te Utrecht, te ver om tijdig hulp te kunnen
-bieden. Kapitein Martens toonde zich een geschikt en edelmoedig
-onderhandelaar en hij boezemde de erentfeste leden van de Vroedschap
-vertrouwen in. Met twee hunner keerde hij terug naar het admiraalsschip
-en het bleek, dat Entesz van Mentheda, trots zijn dweepzieken haat
-tegen de Roomsche geestelijkheid, een te ervaren aanvoerder was,
-om niet zijn driften en zijn wraakzucht te kunnen bedwingen, nu het
-gold, de machtigste koopstad van Holland zonder slag of stoot te
-winnen voor zijn partij. Dordrecht gaf zich over, maar het verkreeg
-gunstige voorwaarden: alle regenten, beambten en geestelijken zouden
-ongestoord hunne bediening blijven waarnemen, een van de kerken zou
-worden afgestaan aan de Gereformeerden, maar verder zouden alle kerken,
-kloosters en geestelijke gestichten gespaard blijven, de privilegiën
-der stad bleven gehandhaafd, en over het algemeen zou de bestaande
-orde van zaken worden bestendigd. Barthold Entesz van Mentheda deed
-zijn volk landen en bleef de stad met driehonderd man bezetten en het
-schijnt, dat de Friesche edelman de voorwaarden, door hem bewilligd,
-getrouw is nagekomen. Hij zond kapitein Martens met een der kleinere
-schepen naar den Briel, om aan Lumey de blijde tijding van den overgang
-van Dordt te brengen.
-
-Maar ondertusschen zon hij op nieuwe plannen. Gorcum lag niet ver
-van Dordrecht, en het was zaak zich van die stad meester te maken,
-vóór Bossu er bezetting in legde. Niet zonder bedoeling had hij
-onder de mannen, met wie hij zijn krijgstocht ondernam, een aantal
-Gorcumsche ballingen opgenomen, die, omdat zij in 1566 de hagepreeken
-hadden bijgewoond, oproerige requesten geteekend en "vive le Geus"
-geroepen, op lijfstraf uit de stad waren gebannen en wier bezittingen
-waren verbeurd verklaard.
-
-Onder hen was een kleine, donkere kerel, Wenzel Borchmans, onder
-de Geuzen bekend als "'t Swartje van Gorcum", een der roerigsten en
-meest ondernemenden. Deze man had bekenden onder de bevolking van zijn
-geboortestad en hij was er zeker van, dat de burgerij geen tegenstand
-zou bieden. En wanneer hij zijn woeste krijgsmakkers het droevig lot
-van de martelaars Barend de Naeyre en Hans van Maeseyck vertelde,
-die vier jaren geleden op het schavot te Gorcum waren geworgd en
-daarna verbrand, omdat zij kettersche predikaties hadden aangehoord
-en kettersche predikanten hadden geherbergd, dan brandden de wilde
-gezellen van begeerte, om met hen, die die daad hadden gepleegd,
-af te rekenen. En zoo kon Barthold Entesz op vrijwilligers genoeg
-rekenen. Den 24sten Juni was Dordrecht overgegaan en reeds den 26sten
-verscheen Marinus Brand met 14 kleine vaartuigen en 150 man voor
-Gorcum. Meer had Entesz er niet te missen!
-
-Maar het was genoeg! Wel had de drost, Caspar Turc, zijn zoon naar
-Utrecht gezonden, om Bossu om hulp te vragen, maar de Geuzen waren
-hem te vlug. Te halfacht was Brand met zijn flottille voor de stad
-gekomen en te drie uren opende de burgerij de poort voor de Geuzen. De
-drost had geweigerd, zich over te geven. Met veertig gewapenden--de
-geheele bezetting--trok hij zich terug in het sterke kasteel en de
-aanzienlijkste Roomschen met de beide pastoors en de monniken uit
-het klooster der Franciscanen vonden daar een schuilplaats.
-
-'t Was een waagstuk, die verdediging van het kasteel. Kon de drost
-zich staande houden, tot de vendels van Bossu tot ontzet kwamen
-opdagen, dan zouden de Geuzen moeten aftrekken. Maar de wallen en de
-buitenwerken waren te uitgestrekt, om ze met een zoo kleine bezetting
-te verdedigen. Toen de aanval begon, moest men zich terugtrekken in
-het hoofdgebouw, een sterken toren. Maar ook daar bleek de tegenstand
-vruchteloos. Waarschijnlijk vreesden de verdedigers voor hun leven,
-wanneer de sterkte stormenderhand zou worden veroverd en vóór de
-troepen, door Bossu gezonden, de stad hadden bereikt, gaf het kasteel
-zich over.
-
-Had men voorwaarden kunnen stellen? De Roomsche schrijver, die de
-inneming van stad en kasteel uitvoerig heeft beschreven, verzekert,
-dat Marinus Brand allen, die zich in de sterkte bevonden, lijfsbehoud
-en vrijen aftocht had toegezegd, doch met achterlating van al hunne
-bezittingen, en het is zeer waarschijnlijk, dat deze voorstelling
-de ware is. De Geuzen wisten zeer goed, dat de Spaansche vendels
-met geforceerde marschen naderden en er moest hun alles aan gelegen
-zijn, om zich van het sterke kasteel meester te maken en zich daar te
-verschansen, vóór hunne komst. En dat bleek zeker juist gezien, want
-de Spanjaarden moesten onverrichter zake aftrekken. Maar wanneer een
-dergelijke overeenkomst is gesloten, dan is zij zeker niet nagekomen.
-
-Kapitein Brand was eigenlijk geen slecht mensch. Van geringe
-afkomst, had hij zijn positie te danken aan zijn onverschrokken
-dapperheid. Maar hij was een man van een zwak karakter, zooals uit zijn
-latere geschiedenis blijkt. De wilde Watergeus, de onderbevelhebber
-van Entesz van Mentheda, zou weinige jaren later terugkeeren tot de
-Roomsche kerk en de wapenen voeren tegen zijn vaderland, om in het
-duin bij Schagen een roemloozen dood te vinden. Thans schijnt hij niet
-bij machte te zijn geweest zich door zijne woeste ondergeschikten
-te doen gehoorzamen. Toen de Geuzen meester waren van het kasteel,
-werden de mondeling toegestane voorwaarden niet nagekomen. De bezetting
-kon ongedeerd vertrekken, evenals de meeste leeken, nadat zij alles
-van waarde hadden moeten afgeven, terwijl sommigen nog een losgeld
-moesten betalen. Maar de drost en drie aanzienlijke burgers, Bommer
-en zijn zoon en De Koninck, die de burgerij hadden aangezet, om hunne
-stad tegen de Geuzen te verdedigen, werden gevangen gehouden, evenals
-de beide pastoors, de rector van het nonnenklooster en de twintig
-Franciscaner monniken met hun gardiaan, den eerwaarden Leonard Pieck.
-
-En nu hadden godsdiensthaat en wraakzucht vrij spel. "'t Swartje van
-Gorcum", met zijn vrienden en geestverwanten, dreven hun baldadigen
-moedwil met de gevangen geestelijken. Dien geheelen dag,--'t was
-een Vrijdag--hadden de gevangenen geen eten of drinken gehad. Thans,
-tegen den avond, zette men hun vleesch voor, om hen te dwingen, den
-vastendag te schenden. De uitgeputte mannen bleven het gebod hunner
-kerk getrouw en weigerden het hun aangeboden voedsel. Slechts één
-hunner, Pontus Heuterus, een geleerd man, die later als Latijnsch
-dichter en historieschrijver naam zou maken, maar die blijkbaar weinig
-voelde voor het martelaarschap, at hetgeen hem werd voorgezet, terwijl
-hij beweerde, dat in zulke buitengewone omstandigheden de kerkelijke
-voorschriften niet golden.
-
-'t Zou dien nacht nog erger worden. Waarschijnlijk opgewonden door
-het zware Gorcumer bier, drongen een aantal Geuzen andermaal de
-gevangenis der geestelijken binnen en eischten geld. De oudste pastoor
-en de rector van het vrouwenklooster, die terstond alles afgaven,
-wat zij bij zich hadden, kwamen er genadig af. Maar de jongste
-pastoor, Nicolaas van Poppel, die bij de Gorcumsche ballingen, te
-recht of ten onrechte, als een ijverig ketterjager bekend stond,
-en die niets bezat om de hebzucht zijner belagers te bevredigen,
-werd wreed mishandeld. Men sloeg hem een strop om den hals, die over
-de openstaande deur werd geslagen; zoo trok men hem telkens omhoog
-en liet hem weer neerploffen, tot hij halfdood bleef liggen.
-
-Ook de gardiaan der Franciscanen werd op dezelfde wijze gemarteld. De
-Geuzen eischten, dat hij hun den verborgen kloosterschat zou wijzen,
-en zij wilden hem door hun folteringen daartoe dwingen, zonder op
-zijn verzekeringen, dat die schat niet bestond, acht te slaan. Ook
-hem heschen zij herhaalde malen tegen de deur op en lieten hem ten
-laatste zoo lang hangen tot het koord brak en het lichaam van den
-gemartelde op den steenen vloer viel. Zij lieten hem voor dood liggen,
-maar toen zijn beulen vertrokken waren, kwam hij weder bij.
-
-En Marinus Brand deed niets om den moedwil van zijn manschappen te
-beteugelen. Hij zond bericht naar Dordt en naar den Briel en vraagde om
-nadere orders. Toch verhinderde hij niet, dat de Gorcumsche Magistraat
-een bode naar den Prins van Oranje zond, die te Aldenkerken, in 't
-land van Gelder, vertoefde, om aan te dringen op de nakoming van het
-verdrag en de loslating der gevangenen. Zijn geheele houding teekende
-besluiteloosheid.
-
-Zijne onderhoorigen bleven de gevangen geestelijken kwellen en
-zelfs mishandelen, al kwam het niet zoo ver als op dien beruchten
-Vrijdagavond. Des Maandags daarop werden de Koninck en de oude Bommer
-op de markt terecht gesteld en de zoon van den laatste zou het lot
-van zijn vader hebben gedeeld, wanneer niet een jong meisje hem aan
-den voet van het schavot had "verbeden", d. i. hem openlijk tot haar
-man had begeerd. Dit was een oud recht, en hetzij omdat de Geuzen
-de aloude privilegiën wilden handhaven, hetzij omdat een opgewonden
-menigte gemakkelijk van het eene uiterste in het andere vervalt,
-het werd door de overwinnaars geëerbiedigd en de jonge man werd in
-vrijheid gesteld. Brand stond zelfs toe--iets wat Lumey nimmer zou
-hebben veroorloofd--dat de oudste pastoor zijn gevangenis verliet, om
-zijn veroordeelde geloofsgenooten in hun uiterste bij te staan. Toen
-het vonnis was voltrokken liet men hem vrij.
-
-De terechtstelling van deze beide mannen, wier eenige misdaad was, dat
-zij zich tegen de Geuzen hadden willen verzetten, was zeker tegen de
-bedongen voorwaarden en een daad van volkomen noodelooze wreedheid,
-die kapitein Brand had behooren te verhinderen. Met de gevangen
-geestelijken zou het echter wellicht nog goed zijn afgeloopen, zonder
-de onvoorzichtigheid van Leonard Vechel en de tusschenkomst van Lumey.
-
-Twee dagen na den dood van de Koninck en Bommer was het feest
-der Annunciatie en het is weer teekenend voor Brand's houding,
-dat hij pastoor Vechel toestond, in de groote kerk van Gorcum,
-op dien Katholieken feestdag voor zijne gemeente te prediken. Nu
-meende deze, dat alle gevaar voor hem voorbij was. Zijne zuster was
-uit den Bosch te Gorcum aangekomen, om de tijding te brengen, dat
-hun oude moeder ernstig ziek was en zij had van den Geuzenkapitein
-een paspoort gekregen of wellicht gekocht. Nog dienzelfden middag
-zou pastoor Vechel met zijn zuster de stad verlaten en in veiligheid
-zijn. De boot, die hem naar Woudrichem zou overzetten, lag gereed en
-daar stond het tweespan klaar, dat hem verder zou brengen.
-
-En nu is 't zeker verklaarbaar, maar het was toch eene
-onvoorzichtigheid, dat pastoor Vechel er zich niet toe bepaalde, zijn
-parochianen te troosten en te bemoedigen, maar dat hij ook scherpe
-woorden richtte aan het adres zijner tegenpartij,--al had die dit
-dan ook ruimschoots verdiend.
-
-Dit had reeds bij de Geuzen en bij hunne aanhangers onder de burgerij
-verbittering gewekt. En toen het nu in den namiddag in de stad
-ruchtbaar werd, dat de pastoor naar Woudrichem was overgestoken,
-werd die verbittering woede. Pastoor Vechel was in vrijheid gesteld,
-op zijne belofte, dat hij de stad niet zou verlaten. De schutters waren
-borg voor hem gebleven. Dat hij van Brand een paspoort had gekregen,
-wist men niet. Waarschijnlijk had deze daar geen ruchtbaarheid aan
-durven geven. Men verdacht den pastoor van woordbreuk en verraad. De
-verbitterde Geuzen vielen in de booten, staken de rivier over en
-maakten zich van den geestelijke meester, vóór hij Woudrichem had
-kunnen verlaten. Het paspoort, waarop hij zich wilde beroepen, werd
-ongelezen in stukken gescheurd en hij werd als gevangene naar zijn
-lotgenooten op het kasteel gebracht.
-
-De verbittering der Geuzen had nieuw voedsel gekregen en Brand, wiens
-verklaring hem nog had kunnen redden, miste den moed, om tusschenbeide
-te komen.
-
-En inmiddels was er den vorigen dag een sinistere persoonlijkheid
-komen opdagen: Jan van Omal, een Luikerwaal, evenals Lumey, en diens
-handlanger, een gewezen kanunnik, maar die de tucht der Roomsche
-kerk slechts had verlaten, om zich over te geven aan de gemeenste
-uitspattingen, waaraan hij zich ook in den Briel schuldig maakte,
-een van die lage naturen, die een schande en een vloek zijn voor elke
-partij, bij wie zij zich aansluiten.
-
-En deze man was door Lumey naar Gorcum gezonden, met den last, de
-gevangen geestelijken terstond naar den Briel te brengen. Zonder het
-onvoorzichtig gedrag van Leonard Vechel was het waarschijnlijk wel
-mogelijk geweest, dat vertrek uit te stellen, om te wachten op het
-antwoord van den Prins, dat elken dag kon komen, en dat de gevangenen
-zou hebben gered.
-
-Ondertusschen ging Omal niet terstond over tot het uitvoeren van
-den last, die hem was opgedragen. Het gemakkelijk succes van Brand
-prikkelde hem tot jaloerschheid. Had deze met een geringe macht Gorcum
-veroverd, hij, Omal, wilde op zijne beurt beproeven Zalt-Bommel in
-te nemen, waar de Geuzen ook aanhangers hadden onder de burgerij. Met
-een kleine vloot waagde hij de onderneming, maar de aanslag mislukte:
-de Geuzen werden teruggeslagen en Omal keerde te Gorcum terug, op den
-dag, dat pastoor Vechel weer bij zijne lotgenooten was gevangen gezet.
-
-En nu was het lot der gevangenen beslist. Omal wilde hen volgens het
-bevel van Lumey naar den Briel vervoeren en de Gorcumsche vroedschap
-durfde zich niet verzetten. In den nacht van Zaterdag op Zondag
-werden de geestelijken in een open schuit ingescheept, nadat zij
-door de hebzucht en de baldadigheid hunner bewakers voor een groot
-deel van hunne bovenkleederen waren beroofd. 't Was zomer, ja, maar
-'t was kil op de rivier en verscheidene van de slachtoffers waren
-hoogbejaard. Te Dordt, waar hun vaartuig een paar uren stil lag,
-liet men de gevangen priesters als wilde dieren aan de nieuwsgierigen
-voor geld zien. Eindelijk, des Maandagsmorgens, nog voor het openen
-der poorten, kwam de schuit aan het havenhoofd van den Briel aan.
-
-Jacob Martens lag nog te bed, in een van de door de bewoners
-verlaten huizen der stad, waarin hij zijn kwartier had gevestigd,
-toen Frederik van Dorp zich bij hem liet aandienen. Hij werd terstond
-toegelaten. Het open en edel gelaat van den jongen krijgsman toonde
-onrust en bezorgdheid.
-
---"Een kwade tijding, vriend Martens," zei hij somber. "Jan van Omal
-is met een geheele schuit papen zooeven aangekomen, en de admiraal is
-hun dadelijk tegemoet gereden, met allen, die hem wilden volgen. Ik
-vreeze zeer, dat dit weer een droevige zaak van mishandeling en moord
-zal worden, van menschen, die dolen en gevangen zijn in hun paapsche
-supersticie, maar die men toch niet als wilde dieren mag uitroeien."
-
---"Als die Luikerwaal, die Omal, de hand in de zaak heeft, zal 't
-wel zoo zijn," antwoordde Jacob driftig. "Die terechtstelling van den
-kanunnik Berwout Jansz was een gruwel. De man werd vermoord op last
-van Omal, omdat de herbergierster Marijke Fasols zijn huis begeerde
-en haar dochter Omal's lief was. Het was een schande, dat de admiraal
-het toestond."
-
---"Als Treslong, de Rijk en Ruychaver dachten als wij, konden zij
-misschien iets doen," zeide van Dorp, "maar zij achten het leven
-van een priester weinig, al minachten zij Omal. Ik sprak er over met
-Ruychaver. Hij zei, dat de dronken verloopen kanunnik hem niet raakte,
-maar dat Lumey hem steunde en dat wij in dezen tijd geen twist konden
-zoeken met hem en met zijn Luikerwalen. De eendracht onder de mannen
-was meer waard dan het leven van tien papen. En 't is misschien te
-begrijpen, dat de oudere kapiteins er zoo over denken, nu alles op
-'t spel staat. Maar ga mee naar de haven! Wij dienen toch te weten,
-wat er met de gevangenen gedaan wordt."
-
-Jacob Martens had zich ondertusschen haastig gekleed. Hij gespte
-den degen om en de beide jonge mannen stapten de poort uit en naar
-het havenhoofd, waar de gevangen geestelijken werden ontscheept. 't
-Was een droevig tooneel! Op bevel van Lumey, die te paard gezeten
-de ontscheping bijwoonde, werden de gevangenen twee aan twee in een
-rij geschaard en onder het gegrinnik en de schimpscheuten van de
-toegestroomde Geuzen en van het Brielsche grauw zette de treurige
-stoet zich in beweging. Lumey eischte, dat zij een kerklied zouden
-zingen, en de moedige mannen, die den dood voor oogen hadden, hieven,
-zij het dan ook met van koude en uitputting sidderende stemmen, een
-"Te Deum Laudamus" aan.
-
-Zoo ging het voort over de hobbelige keien van de havenkade, eerst naar
-een galg, die buiten de poort was opgericht. De gevangenen openden
-den stoet, bewaakt door Omal en hun gewapend geleide, Lumey en zijn
-staf volgden te paard, en om hem verdrong zich de joelende menigte,
-zich vermeiend in het lijden en de vernedering der gehate papen.
-
-Voorzeker, het zaad van tirannie en geloofshaat, jaren lang met zoo
-kwistige hand gezaaid, droeg in die dagen wrange vruchten!
-
-Toen de gevangenen de galg zagen, die het eerste doel was van den
-bangen tocht, meenden zij reeds, dat hun laatste uur was geslagen, maar
-dat lag niet in de bedoeling van Lumey: hij wilde zijn slachtoffers
-voor het oogenblik slechts vernederen en schrik aanjagen. Toen men
-de galg was voorbij getrokken, ging het weder naar de stad, door de
-Noordpoort naar de markt, waar een tweede galg was opgericht. Ook
-daarlangs moesten de geestelijken zingend defileeren. Toen werden zij
-allen te zamen opgesloten in een van de kelders der gevangenis. Zij
-vonden er de pastoors van Heinenoord en Maasdam, die reeds vroeger
-door de Geuzen waren gevangen genomen en eenige uren later kwamen
-daar nog twee praemonstratenser monniken uit Middelburg bij, die den
-dienst in de kerk van het dorp Monster hadden waargenomen, maar door
-een stroopende bende waren opgelicht.
-
-Met verontwaardiging en ingehouden toorn hadden Jacob Martens
-en Frederik van Dorp het droevig tooneel aanschouwd. Zij konden,
-de mishandeling der weerlooze geestelijken niet verhinderen. De
-overgroote meerderheid der Geuzen was op de hand van Lumey en Omal,
-velen, zooals Pieter de Welle en Jan Smeert de Borst uit verbittering
-en wilden haat, anderen uit baldadige wreedheid. Zelfs onder de besten
-van dien tijd waren er maar weinigen, die Oranje's verdraagzaamheid
-konden begrijpen en waardeeren. Hadden zij zich tegen de wreede
-behandeling der afgetobde monniken met geweld willen verzetten,
-dan zouden hun eigen mannen hen niet hebben gevolgd.
-
-Toch had hun houding op het havenhoofd en wellicht ook de uitdrukking
-van hun gelaat, de aandacht getrokken van twee mannen, in de dracht
-van gegoede burgers, die op eenigen afstand de ontscheping der
-gevangenen hadden gadegeslagen. Het waren de beide broeders van den
-gardiaan Leonard Pieck. Zoodra het in Gorcum bekend was geworden, dat
-de gevangenen naar den Briel waren gevoerd, hadden zij begrepen, dat
-zij alleen daar iets tot redding van hun broeder konden beproeven. Zij
-hadden een snel zeiljacht gehuurd, en goed van geld voorzien waren zij
-eenige uren vóór de schuit van Omal aan het havenhoofd aangekomen. Zij
-waagden veel, maar Gorcum had nu immers de zijde van den Prins gekozen
-en als Gorcumsche burgers achtten zij zich veilig.
-
-Zij hadden zeer wel opgemerkt, dat de beide jonge officieren geen
-teekenen van voldoening en instemming hadden gegeven bij de ontscheping
-van den gardiaan en zijn lotgenooten en bij de door Lumey bevolen
-beschimping der gevangenen, die door de andere Geuzen met luid gejuich
-en gelach was begroet. Dit gaf hun moed, hen aan te spreken en hen
-voorzichtig te vragen wat wel het lot der priesters zou zijn en of
-men ook toegang zou kunnen krijgen tot den graaf van der Mark.
-
-Natuurlijk werden zij met eenig wantrouwen aangehoord. Toen zegevierde
-echter hun liefde voor hun broeder over hunne voorzichtigheid. Zij
-maakten zich bekend als de broeders van den gardiaan. Hun broeder,
-de Eerwaarde Leonard Pieck, had er geen schuld aan, dat de baljuw
-Caspar Turc het kasteel tegen de Geuzen had verdedigd,--en misschien
-zou de graaf van der Mark een rantsoen van hem willen aannemen,
-een groot rantsoen! Ook voor de andere gevangenen wilden zij wel een
-losprijs betalen of waarborgen, als de graaf zijne eischen niet te
-hoog stelde...
-
-Inderdaad was er bij Lumey met geld veel te bereiken, en de beide
-Gorcumers schenen vermogende lieden, die er veel voor over hadden
-om hun bloedverwant te redden. Zoo kon wellicht worden verhoed, dat
-de zaak een treurig einde nam. De beide Geuzenkapiteins beloofden
-de broeders, dat zij hun zoo mogelijk een gehoor bij den graaf van
-der Mark zouden verschaffen. Wanneer zij vrijgevig waren in hun
-aanbiedingen en er voor zorgden, de ijdelheid van den admiraal niet
-te kwetsen, was er kans op een goeden uitslag.
-
-Dienzelfden middag werden de gevangen geestelijken--het waren er nu
-meer dan twintig--naar het raadhuis gebracht, waar Lumey, omringd
-door zijne officieren, hun een verhoor afnam. Hun eenige misdaad was
-hun godsdienst en hun geestelijke stand. Alleen den beiden pastoors
-kon wellicht nog ten laste gelegd worden, dat zij de burgers hunner
-stad hadden aangezet om aan de Geuzen weerstand te bieden.
-
-In de groote zaal, waar anders de schepenen en de baljuw vergaderden,
-om recht te spreken, zat de admiraal en monsterde met zijn stekende
-zwarte oogen de ongelukkige priesters, wier lot hij in handen had,
-en die nu bleek en bevend, na een bangen, slapeloozen nacht in hun
-vunzigen kerker, voor hem stonden. Zijn vertrouweling, Jan van Omal,
-die het best van alle aanwezigen met de gevangenen bekend was, stond
-naast hem. Het zware, zwarte haar golfde neer op zijn schouders en
-hij woelde met de hand in den langen baard; deze vreemde Nazireër had
-immers gezworen, dat hij haren noch baard zou scheren, vóór hij den
-dood van Egmond en Hoorne had gewroken. Toen hij zich een poos had
-vermeid in de ontsteltenis, die zijn aanblik de weerloozen blijkbaar
-inboezemde, begon hij hen met barsche stem te beschuldigen van snoode
-afgoderij en het aanhangen van verdoemelijke paapsche supersticiën,
-waarmee zij het volk op een doolweg brachten. Wilden zij zich bekeeren
-tot de gezuiverde Gereformeerde religie en hunne paapsche dolingen
-op staanden voet afzweren, dan konden zij op genade hopen.
-
---"Hij is zeker een fraai voorbeeld van een aanhanger der gezuiverde
-Christelijke religie," fluisterde van Dorp Jacob Martens in. De
-losbandigheid van hun Waalschen aanvoerder was reeds lang velen der
-Hollandsche Geuzenkapiteins een ergernis.
-
-Man voor man werd nu den gevangenen afgevraagd, of zij bereid
-waren, aan den eisch van hun rechter te voldoen. Bijna allen bleven
-standvastig. Een eenvoudige leekebroeder wekte de lachlust der
-Geuzenkapiteins, toen hij bij wijze van geloofsbelijdenis verklaarde,
-dat hij "alles geloofde, wat zijn gardiaan geloofde". Alleen Pontus
-Heuterus, de geleerde monnik, die reeds vroeger had getoond, dat hij
-weinig lust had in het martelaarschap, de pastoor van Maasdam en een
-leekebroeder, gaven een dubbelzinnig antwoord. Zij werden van hun
-lotgenooten gescheiden.
-
-Met de anderen zou het misschien toen reeds slecht zijn afgeloopen,
-wanneer Jacob Martens en Frederik van Dorp niet tusschenbeide gekomen
-waren. Zij drongen naar voren en verlangden den admiraal te spreken
-over een zaak van gewicht. Wrevelig stemde Lumey toe, maar zijn gezicht
-helderde op, toen de beide kapiteins hem de aankomst van de broeders
-Pieck mededeelden, die den gardiaan wilden redden en die blijkbaar wel
-genegen waren, een goed rantsoen te betalen. Het verzoek streelde zijn
-ijdelheid en wekte tevens zijn hebzucht. Twee aanzienlijke Gorcumsche
-burgers, die genade kwamen vragen voor hun broeder, en die voor die
-gunst grof wilden betalen! Hij liet voor 't oogenblik de gevangenen
-terug brengen naar hun kerker en hij deed de Gorcumers ontbieden,
-die in de Stadsherberg den uitslag hunner pogingen afwachtten.
-
-Het scheen een oogenblik, of zij zouden slagen. Lumey scheen op hunne
-voorstellen in te gaan. Toch lieten zijn trots en zijn fanatieke
-haat tegen de Roomsche geestelijkheid niet toe, dat een paap aan
-zijne handen zou ontkomen, zonder voor hem te bukken. Hij zon op
-een uitweg. Den volgenden dag zou de gardiaan en zes der voornaamste
-geestelijken opnieuw worden verhoord. Twee Gereformeerde predikanten
-zouden met hen redetwisten,--vooral over de oppermacht van den
-paus. Wanneer de gevangenen zich op dat punt rekkelijk toonden, dan...
-
-De broeders van Leonard Pieck waren vol hoop. Zij zouden tot den
-gardiaan worden toegelaten en zij zouden trachten hem te overreden,
-in schijn op sommige minder belangrijke punten toe te geven. Wat
-deerde het, of hij den onwetenden Geus misleidde?
-
-Het twistgesprek had plaats, maar de gardiaan bleek
-onverzettelijk. Zijne tegenstanders waren trouwens weinig geschikt, om
-hem en de zijnen van dwaling te overtuigen. 't Waren de gewezen pastoor
-van den Briel, thans predikant der stad, en een zijner ambtsbroeders,
-een gewezen schipper uit Gorcum, misschien een vroom, ijverig man,
-maar zeker geen godgeleerde.
-
-Nog gaven de broeders Pieck het niet op en het blijkt wel, dat Lumey op
-dat oogenblik bereid was, hen zoo ver mogelijk tegemoet te komen. Hij
-stond hun toe, den gardiaan mede te nemen naar de Stadsherberg, om
-hem daar te verplegen en hem de gelegenheid te geven, zich van de
-geleden ontberingen te herstellen. Daar zouden zij nogmaals trachten,
-hem te bewegen, zich in schijn te onderwerpen.
-
-De beter gezinden onder de Geuzen konden dus hopen op een goeden
-afloop. 't Is waar, dat er maar weinigen onder hen waren, die zich
-het lot der gevangen priesters bijzonder aantrokken. 't Was een harde
-tijd en de bloedige handhaving der plakkaten tegen de ketterij,
-door een groot deel der Roomsche geestelijkheid toegejuicht, lag
-allen nog te versch in het geheugen. Maar zij achtten de vervolging
-en mishandeling der priesters een nuttelooze en noodelooze wreedheid,
-krijgslieden onwaardig. De admiraal kon zich met betere dingen bezig
-houden, dan met plundering en priestermoord. Dat Dordrecht en Gorcum
-genomen waren was goed, maar er was meer te doen tot bevrijding des
-lands en de vloot lag werkeloos voor den Briel voor anker.
-
-De pogingen om de gevangenen te redden zouden echter falen. Wat hun
-redding had moeten brengen, werd hun verderf.
-
-Den 7den Juli, denzelfden dag, waarop de geestelijken te Brielle
-waren aangekomen, had de Gorcumsche Magistraat het antwoord van den
-Prins ontvangen. Het luidde zooals men hoopte en kon verwachten, want
-nimmer heeft Oranje geloofsvervolging goedgekeurd, al heeft hij die
-niet altijd kunnen beletten. De Prins gelastte in zijn brief alle
-overheden en krijgsbevelhebbers, dat zij geen geestelijke om zijn
-stand of om zijn geloof zouden lastig vallen, maar dat allen, die
-tot den geestelijken stand behoorden, evenals de overige ingezetenen,
-behoorden te worden beschermd en volle vrijheid zouden genieten.
-
-De brief werd aan kapitein Brand ter hand gesteld, die er niet
-weinig verlegen mee was. Zijn gedrag en dat van zijn onderhoorigen
-was zeker niet geweest volgens die voorschriften. Hij liet van den
-brief een afschrift maken en zond een Gorcumsch advocaat, die zeer
-voor de belangen der gevangenen had geijverd, met dat afschrift en
-een vrijgeleide naar den Briel. De Gorcumsche vroedschap voegde er
-brieven van aanbeveling bij.
-
-Alles scheen dus in orde,--maar men had buiten Lumey gerekend.
-
-In den namiddag van den 8sten Juli, kort na het tweede verhoor, kwam
-de bode te Brielle aan en werd terstond tot den admiraal der Geuzen
-toegelaten. Lumey verkeerde in een zeer slechte stemming. Hij voegde
-den bode op barschen toon toe, dat hij sedert lang allen papen, die
-hem in handen vielen, den dood had gezworen, om wraak te nemen wegens
-den moord op Egmond en Hoorne en tal van edelen, door de papisten
-gepleegd. De Prins van Oranje had zich met de handelingen van den
-Graaf van der Mark niet te bemoeien. Om zijne bevelen bekommerde hij
-zich niet.
-
-Dien avond wond hij zich meer en meer op. Hij dronk veel en dat maakte
-zijne stemming niet beter. Door den brief van den Prins was zijne
-ijdelheid gekwetst en zijn toorn werd nog heviger, toen hij bemerkte,
-dat men hem niet den origineelen brief, maar slechts een afschrift
-had gezonden. Nu Oranje zich met de zaak had bemoeid, zouden die
-Gorcumers ook wel niet meer bereid zijn, een hoog rantsoen voor de
-papen te betalen. Maar hier in den Briel was hij heer en meester en
-hij behoefde van niemand bevelen af te wachten.
-
-Laat in den avond liet hij nog den provoost-geweldige ontbieden, den
-voltrekker van de crimineele vonnissen in het leger en op de vloot,
-en gaf hem bevel, de gevangen priesters terstond uit de gevangenis
-te halen en ze buiten de stad op te hangen. Jan van Omal, met een
-wacht gewapende Geuzen, zou toezien, dat alles volgens zijn bevelen
-geschiedde.
-
-Het bevel werd opgevolgd. De gevangenen werden uit den kerker gehaald,
-Leonard Pieck werd, tot ontzetting zijner broeders, die hem reeds gered
-waanden, van zijn bed in de stadsherberg gelicht, en bij het licht van
-een paar toortsen en handlantaarns trok de stoet der veroordeelden,
-een en twintig in getal, door de straten van den Briel, tot buiten
-de poort.
-
-En daar werd de laffe, zwakke daad volbracht.
-
-Er was geen galg, groot genoeg voor de een en twintig veroordeelden,
-maar Omal wist raad. Buiten de poort lagen de bouwvallen van het
-klooster Rugge, dat door de Geuzen was verwoest. Daar stond een
-groote turfloods ledig. Daarheen werden de ongelukkigen gevoerd,
-en de balken van de schuur dienden tot galg. Twee van hen redden
-hun leven, door hun geloof te verloochenen; één van hen was Pontus
-Heuterus. De anderen werden in koelen bloede opgehangen. Volgens den
-tijdgenoot, die deze dingen beschreven heeft, stierven zij moedig, met
-een gebed op de lippen,--martelaars, stervende voor hunne overtuiging,
-als zoovele ketters vóór hen in den dood waren gegaan.
-
-Maar hun dood zou een vlek werpen op den strijd der Nederlanders vóór
-de vrijheid en tegen vorstelijke tirannie en geloofsdwang.
-
-En Lumey's daad draagt bittere vruchten,--tot op dezen dag!
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-
-Eerwaarde Vader in Gode, lieve ende veelbeminde.
-
-Wij hebben jegenwoordelijcken ontvangen sekere brieffen van onzen
-Hre den Coninck, bij dewelke Z. Mt ons overscrijft, dat, gemerckt die
-alteratien daer-jnne zijne landen van herwaerts over gevallen zijn,
-die redene wel vereyscht, dat boven alle mogelijcke remedie ende order,
-die Z Mt in meyningen is daerinne te stellen zonder yet te sparen,
-men toevlucht neme aen onzen lieven Heere God ende sijne hulpe ende
-assistentie aenroepe. Lastende daeromme, dat wij secretelijcken souden
-doen bidden in alle kercken, cloisters ende anderssins, ten einde
-dat ons Heere God door Sijne goedertierenheyt ende bermhertichheyt
-die sake zulcx dirigeeren ende voirderen wille, dat die rebelle,
-ketters ende heretijcke gestrafft, ende die goetwillige in peyse ende
-ruste gestelt mogen worden, ende het heylich catholycsche geloove
-der Roemscher kerken geconserveert, zoe 't zelve tot nu toe is
-geweest ende Z Mt sulcx boven alle zaken ter werelt begerende is,
-daervan wij u wel hebben verwittigen bij desen, u versueckende,
-in naem ende van wegen sijner Vorst. Mt wel ernstlycken, dat ghy,
-volgende sijne goede begeerte ende intentie, alle behoorlijcke
-order stellen willet, dat jn alle cloisteren, godtshuyzen, conventen
-ende kercken van uwen bisdomme secretelijcken oft openbaerlijcken,
-zoe ghij voor 't beste aenzien zult, alomme demoedige bedingen,
-abstinencie, aelmoezenen, suffragien ende andere duechdelijcke ende
-verdienstelijcke werken, onzen Heere God aengenaem wesende, gedaen
-worden, ende oick processiën doen gaen mitten heyl. hooghweerdigen
-sacramenten, tzij in den bijvanck van huere cloisteren, godshuysen,
-conventen ende kercken, secretelijcken of oepenbaerlijcken alsvoiren,
-mit alle behoorlijcke innicheit, devotie ende solempniteit, opdat
-Sijne Godlicheit gelieve ons te bewaren tegens die macht, aenslagen
-ende invasien van de voirs. rebelle, ketters ende heretijcke, ende
-door sijne godlijcke gratie der Co. Mt ende sijn crijchsvolck goede
-prosperiteit, voirspoet ende victorie tegens deselve te verleenen,
-alles tot Sijner godlijcker eeren ende tot conservatie van onzen
-heyl. cath. geloeve der Roemscher kercken ende gantze confusie van
-de voors. rebelle ketters ende heretijcke.
-
-Zoo schreef Alva den 11den Augustus 1572, namens zijn koninklijken
-meester, aan den aartsbisschop van Utrecht en de bisschoppen van
-Middelburg, Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer en Roermond
-en het moet den ijzeren hertog, den geduchten legeraanvoerder wel
-hard gevallen zijn, te erkennen, dat de "rebellen, ketters ende
-herelycken" in die weinige maanden zulk een macht ontwikkeld hadden,
-dat het gezag van den Koning van Spanje in zijne erflanden wankelde,
-dat de opstand op het punt was te slagen.
-
-Het scheen, dat de plannen van Oranje ditmaal zouden gelukken. Met
-een leger van 13000 voetknechten en 3000 ruiters was hij bij Duisburg
-in de eerste dagen van Juli den Rijn overgetrokken en had hij zich
-gelegerd in de oude voogdij van Gelder. Venlo en Roermond werden na
-korten tegenstand genomen en ondanks een dreigbrief van den Keizer,
-die hem en de zijnen beval, de wapens neer te leggen, rukte hij
-voort naar Bergen, waar zijn broeder Lodewijk door de troepen van
-Alva belegerd werd. Zonder ergens tegenstand te ontmoeten, drong hij
-in Brabant door. Herenthals, Tienen en Diest openden onmiddellijk
-vrijwillig hunne poorten en Mechelen werd bezet. In het Noorden hadden
-de Spanjaarden geheel Holland moeten ontruimen en alleen Amsterdam
-was den Koning getrouw gebleven en uit de Vlaamsche steden, zelfs uit
-Brussel, bereikten Alva verontrustende berichten. En nu zou ook de
-zoo lang verwachte hulp uit Frankrijk komen, waar de Huguenoten aan
-invloed schenen te winnen. De admiraal de Coligny zou aan het hoofd
-van tien à twaalf duizend haakschutters zijne geloofsgenooten te hulp
-komen en Bergen helpen ontzetten. Het Noorden in volslagen opstand,
-het Zuiden bedreigd door de troepen van Oranje en Coligny,--de zaak
-der Spaansche tirannie stond hachelijk.
-
-Sedert de laatste dagen van Juli diende Jacob Martens in het leger
-van den Prins, dat hij door Brabant heen gemakkelijk had kunnen
-bereiken. Den 19en Juli waren de Staten van Holland te Dordrecht
-bijeengekomen, Marnix van St. Aldegonde was er verschenen als
-vertegenwoordiger van Oranje en de Staten hadden den Prins als
-stadhouder des Konings erkend en beloofd, hem tegen Alva en de
-Spaansche troepen te ondersteunen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt,
-hadden zij echter aangedrongen op het intrekken van de commissiën ter
-zee, omdat de handel des lands te veel schade leed door de rooverijen
-der Watergeuzen. Marnix voldeed, namens den Prins, aan dit verzoek,
-en sedert hielden de kapers op, een wettige krijgsmacht te zijn. Vele
-ballingen keerden naar hunne haardsteden terug, anderen gingen met
-hunne schepen naar Zeeland, om de Zeeuwen bij te staan in hun strijd
-tegen de Spanjaarden en zij hielpen mede die eerste Nederlandsche
-marine vormen, die zich tot het jaar 1576 zoo duchtig in de Zeeuwsche
-wateren heeft geweerd. Weer anderen namen dienst bij de vendels die
-hunne aanvoerders, thans als hoplieden van den Prins, aanwierven om
-den strijd te land voort te zetten. De Watergeuzen verdwenen van de
-wateren der Noordzee. Zij zouden eerlang hunne opvolgers vinden in
-de Duinkerker kapers.
-
-Den 22sten Juli was Lumey in de vergadering verschenen en had een
-commissie overgelegd van den Prins, waarbij hij werd aangesteld
-als gouverneur van Holland. Hij verklaarde zich bereid die post te
-aanvaarden en zich naar de daarbij gevoegde instructies te zullen
-gedragen. Waarschijnlijk was Marnix van beide stukken de overbrenger
-geweest. Lumey werd daarop door de Staten als de vertegenwoordiger
-van den Prins, als 's Konings stadhouder erkend en voerde een korte
-poos het bewind in het Zuiden van Holland, ook als bevelhebber der
-aanwezige troepen, gelijk Sonoy in het Noorden. [9]
-
-Jacob Martens wenschte echter niet onder Lumey te dienen. Met een
-aanbevelingsbrief van Aldegonde vertrok hij naar het leger van den
-Prins en werd aangesteld als cadet bij diens lijfwacht. Hij deelde
-in de algemeene verwachting, dat de bevrijding van de Nederlanden
-aanstaande was en hij hoopte Vlaanderen en zijn geboortestad Gent, die
-hij als vluchteling en balling had moeten verlaten, met het zegevierend
-leger van Oranje en Coligny binnen te trekken, om ze van het juk
-der Spanjaarden te verlossen. Mochten de heftigste Gereformeerden,
-mocht zelfs Aldegonde Oranje lauwheid verwijten op het stuk van den
-godsdienst, hij begreep, wat de Prins bedoelde. Vrijheid van geweten,
-het recht, om God te dienen naar de inspraak van zijn hart, die zouden
-ieder gewaarborgd zijn, als Oranje triomfeerde. Dan zou de Kerk van
-Christus in Vlaanderen, waar de geloovigen zich nu in vreeze voor
-hun leven schuilhielden, krachtig opbloeien en het Woord Gods zou
-vrij uit mogen worden verkondigd.
-
-Maar, om met het Wilhelmus te spreken,
-
-
- Maar de Heer van hierboven,
- Die alle ding regeert,
- Die men altijd moet loven,
- En heeft het niet begeerd!
-
-
-Het was in Gods ondoorgrondelijken raad besloten, dat het Zuiden voor
-de Reformatie verloren zou gaan en dat het Noorden niet door vreemde
-hulp en niet nu, maar eerst na bange worsteling vrij zou worden van
-tirannie en geloofsdwang.
-
-Reeds was Mechelen door het leger van den Prins bezet, toen hem de
-tijding bereikte van wat er in den nacht van den 24sten Augustus,
-den beruchten Bartholomeusnacht, te Parijs was voorgevallen: de
-moord, gepleegd op Coligny en de argelooze Huguenoten, gevolgd door de
-bloedige vervolging der Protestanten in alle Fransche steden. Catharina
-de Medici en de Guises hadden gezegevierd, de Fransche politiek was
-plotseling veranderd van koers en hulp van die zijde was niet meer
-te verwachten.
-
-En op die hulp van Coligny en zijne vendels, op de medewerking der
-Fransche Regeering in den strijd tegen Spanje, was het plan van
-den Prins gebouwd. De veldtocht van 1572 kan als mislukt worden
-beschouwd, evenals die van 1568. De verrassing van Oudenaerden,
-den 7den September, was het laatste succes. De Duitsche hulptroepen
-eischten hunne soldij en de hulpmiddelen van Oranje waren bijna
-uitgeput. Hij waagde nog een laatste poging om Bergen te ontzetten,
-maar in het gevecht bij Jemappes werden zijne troepen door de beroemde
-Spaansche musketiers verslagen en twee dagen later ontkwam hijzelf
-ternauwernood aan een koenen nachtelijken overval door Romero, aan
-het hoofd van 600 Spanjaarden.
-
-Geld en levensmiddelen ontbraken, het leger was gedemoraliseerd, de
-onderneming moest worden opgegeven. De Prins trok af naar Mechelen en
-van daar naar den Rijn, dien hij bij Orsoy overstak. Hij dankte er
-de Duitsche huurtroepen af en behield voorloopig slechts 6 Waalsche
-vendels en 1200 ruiters in zijn dienst. Met die kleine legermacht trok
-hij door de Graafschap naar Zutfen, waar hij de Walen in bezetting
-liet en toen naar Kampen, om van daar naar Enkhuizen over te steken. In
-Holland en Zeeland, zoo schreef hij aan zijn broeder, Jan van Nassau,
-wilde hij den verderen kans en Gods beschikking met hem verbeiden,
-en zich tot het laatste handhaven, vast besloten er anders zijn graf
-te vinden.
-
-Een week na den aftocht van den Prins gaf Lodewijk van Nassau Bergen
-aan de Spanjaarden over. Alva, die zijne troepen noodig had om zijn
-veldtocht tegen het Noorden te ondernemen en de oproerige gewesten
-tot onderwerping te dwingen, stond Lodewijk eervolle en voordeelige
-voorwaarden toe, die inderdaad, wat Lodewijk en zijne troepen betreft,
-stipt werden nagekomen. Aan de bezetting werd vrije aftocht met
-krijgseer toegestaan en den jongen graaf van Nassau, die ziek was en
-in een draagstoel de stad verliet, werd door den hertog en zijn zoon
-met Spaansche hoffelijkheid uitgeleide gedaan.
-
-En thans had Alva de handen ruim. Hij beschikte over een krachtig en
-wel geoefend leger, waarvan de kern werd gevormd door de Spaansche
-vendels, die hij had medegebracht, maar dat versterkt was door Waalsche
-en Duitsche huurtroepen. Van Frankrijk was niets meer te vreezen. De
-Prins kon geen legermacht van eenige beteekenis meer tegen hem in 't
-veld brengen. 't Gold nu enkel, de afvallige steden, met hun geringe
-bezetting tot onderwerping te brengen en dan zou de opstand bedwongen
-zijn. Alva kende den invloed maar al te wel, van wat men in later tijd,
-ook in onze dagen de "terreur" zou noemen. Door schrik en ontzetting,
-door enkele steden zwaar te straffen, rekende hij er op, het verzet
-der andere zonder strijd te breken.
-
-Mechelen was het eerst aan de beurt. Het zou tot een voorbeeld
-worden gesteld. Drie dagen lang werd de stad door de Spanjaarden
-uitgemoord en geplunderd, ondanks de tusschenkomst van den bisschop
-van Atrecht. "Oorlogsnoodzakelijkheid" zou Alva in onze dagen hebben
-gezegd. Het middel was afdoende, want alle steden in de Zuidelijke
-Nederlanden haastten zich hunne onderwerping aan te bieden en ze
-werden in genade aangenomen.
-
-Toen rukte het leger, onder aanvoering van Alva en den hertog
-van Medina Coeli--die eigenlijk als zijn opvolger was gezonden,
-maar die nimmer eenig gezag heeft uitgeoefend--over Maastricht en
-Emmerik op naar Nijmegen, waar voorloopig het hoofdkwartier werd
-gevestigd. Aan Alva's zoon, Don Fadrique de Toledo, werd nu het
-opperbevel toevertrouwd, om het Noorden te bedwingen.
-
-Hij begon met Zutfen, waar de door den Prins achtergelaten bezetting
-een korten tijd tegenstand bood en dat daardoor het lot van Mechelen
-deelde. Ook ditmaal werd het doel aanvankelijk bereikt. De steden in
-Gelderland, Overijsel en Utrecht onderwierpen zich en werden gespaard.
-
-En nu rukte de voorhoede van het Spaansche leger onder Romero Holland
-binnen. Naarden, de kleine, zwakke vesting, had zijne poorten geopend
-voor de gevluchte bezettingen van Kampen en Amersfoort.
-
-Nog den 22sten November was Bossu met honderd man voor het
-stadje verschenen, maar de burgerij had geweigerd hem binnen te
-laten. Misschien rekende men er op hulp van Sonoy.
-
-Thans, bij de nadering der Spanjaarden, zag men te laat in, aan welk
-gevaar men zich had blootgesteld en men trachtte den storm nog te
-bezweren. Twee afgevaardigden uit de vroedschap begaven zich naar het
-hoofdkwartier van don Fadrique te Amersfoort, om er de onderwerping
-der stad aan te bieden, maar ze werden niet tot den bevelhebber
-toegelaten. Den volgenden morgen zouden ze te Bussum het antwoord
-vernemen. Dit bericht bracht schepen Gerrit Pieter Aertz de bedrukte
-burgerij. Burgemeester Marten Laurensz, zijn metgezel, die maar al te
-goed begreep, wat die ontvangst beteekende, keerde niet naar Naarden
-terug, maar redde zich door de vlucht.
-
-Den volgenden dag verschenen zeven afgevaardigden der stad voor Romero,
-die tot Bussum was voortgerukt. Zij moesten den Spaanschen aanvoerder
-tot voor de poort volgen, om er diens antwoord te vernemen. Men bood er
-hem de sleutels van de stad aan en hij beloofde op handslag den rector
-Lambertus Hortensius en een van diens mede-afgezanten een genadige
-behandeling en behoud van lijf en goed. De onnoozele burgerij meende,
-dat die belofte ook haar gold en zag zich jammerlijk bedrogen. 't
-Is onnoodig, hier nogmaals te verhalen, wat er dien dag gebeurde. De
-moord te Naarden is een maar al te bekend feit in onze geschiedenis.
-
-Weer hadden de Spanjaarden een schrikkelijk voorbeeld gesteld, om de
-andere Hollandsche steden te toonen, wat hun wachtte, indien zij het
-waagden zich te verzetten.
-
-Van Naarden rukte don Fadrique op naar Amsterdam, de eenige stad in
-Holland, die Spaanschgezind was gebleven, en van daar naar Haarlem. De
-Geuzen trachtten op den smallen dijk naar Sparendam, waar zij een
-schans hadden opgeworpen, de voorhoede van het Spaansche leger tegen
-te houden, maar na een gevecht van drie dagen werd die schans veroverd
-en nu lag de weg naar Haarlem open.
-
-Haarlem werd als de zwakste der Hollandsche steden beschouwd en don
-Fadrique had er op gerekend, dat hij zich gemakkelijk van de vesting
-zou meester maken. Het beleg, dat in het begin van December begon, zou
-echter acht maanden duren en Haarlems verdediging zou een roemrijke
-bladzijde vullen in de geschiedenis van den vrijheidsoorlog. Zelfs
-de ridderlijke Spanjaard de Mendoça, die zoowel krijgsman als
-geschiedschrijver was, brengt hulde aan den moed der burgerij. "Die
-moed," zoo zegt hij, "kwam niet slechts bij de verdediging hunner
-wallen uit; hij toonde zich evenzeer met de grootste kracht en
-stoutheid bij al de uitvallen, die zij gedurende heel den tijd van
-'t beleg deden. Hij openbaarde zich ook onder alle inwoners, die met
-hardnekkigen trots de wapens voerden; terwijl Haarlems broederschappen
-of zoogenaamde gilden, van de muren der stad de grootste schade aan ons
-volk toebrachten. Het moge als een les strekken voor ieder veldoverste
-en krijgsman, zijn vijand om welke reden dan ook niet te minachten,
-voor men hem bestreden heeft."
-
-Jacob Martens had den Prins op zijn tocht van Gelderland naar Holland
-vergezeld. Van Enkhuizen was de Prins naar Haarlem getrokken, waar hij
-de Staten van Holland bijeenriep. Er waren daar veel bedrukte harten,
-want,--het was half November--men had reeds de tijding vernomen van de
-nadering der Spanjaarden en men wist niet, welke maatregelen Oranje
-dacht te nemen voor de beveiliging en verdediging des lands. De
-Prins trachtte de bedrukten moed in te spreken en hij wees hun op
-zijn onderhandelingen met Koningin Elisabeth van Engeland. Verder
-wekte hij de Staten op, gelden te verzamelen voor het aanwerven van
-troepen, terwijl hij hun beloofde, het zijne te doen om het bedreigde
-Noorden te helpen. En dit was geen ijdele belofte. Over een veldleger
-van voldoende sterkte om de Spanjaarden te bestrijden, kon hij niet
-meer beschikken, maar nog had hij in Holland troepen, die in zijne
-soldij stonden. De overste Lazarus Muller lag te Leiden met zes vendels
-Duitsche knechten en ook Lumey beschikte over een kleine macht Walen en
-Duitschers, terwijl Sonoy de steden aan de Zuiderzee en Waterland bezet
-hield. Kon men de bedreigde Hollandsche steden van sterke garnizoenen
-en een voldoenden voorraad levensmiddelen voorzien, dan konden zij
-het nog lang tegen den vijand uithouden, en als de onderhandelingen
-slaagden, kon er binnen weinig weken hulp uit Engeland komen.
-
-Van Haarlem begaf zich de Prins over Leiden naar Delft, waar hij zich
-voorloopig zou vestigen. Hij nam er onmiddellijk maatregelen om het
-bedreigde Haarlem te helpen, terwijl ondertusschen hopman Wigbolt
-Ripperda met zijne Duitschers de stad bezette. Hij vond er de vier
-vendels, die Lazarus Muller er als bezetting had gelaten.
-
-Jacob Martens ontving een commissie als vaandrig bij een van de
-vier cornetten Waalsche ruiters, die tot de troepenmacht behoorden,
-waarover Lumey beschikte en hij vertrok naar Gouda, waar die mannen
-in bezetting lagen. Hij vond er Pieter de Welle terug als sergeant
-bij de batterij van zes veldstukken, waaruit Lumey's artillerie
-bestond. Hij bracht zijn vroegeren admiraal de orders van den Prins
-over voor den voorgenomen veldtocht. De voorbereidselen moesten spoedig
-en doortastend worden gemaakt, want men moest Haarlem trachten te
-bereiken, voor de vijand de stad geheel insloot. Toch moest alles
-zooveel mogelijk in het geheim geschieden, opdat het plan door de
-"glippers" niet aan de Spanjaarden zou worden verraden.
-
-En zoo rukte in den namiddag van den 12den December 1572 een kleine
-legermacht van 15 vendels Duitsche landsknechten met zes stukken
-veldgeschut en 100 wagens proviand en munitie van Delft op naar
-het Noorden om het bedreigde Haarlem te helpen. Te Leiden zou de
-overste Lazarus Muller zich met zes vendels Duitschers bij den troep
-aansluiten: Lumey zelf zou het kleine leger aanvoeren. Hij bleef
-echter met de vier kornetten ruiters, die deel zouden nemen aan den
-tocht, nog te Delft. Hij kon met zijn cavallerie het voetvolk, dat
-met den langen wagentrein slechts langzaam vooruit kwam, gemakkelijk
-inhalen. Te Leiden zou hij zich aan het hoofd stellen van de vereenigde
-krijgsmacht.
-
-Lumey verkeerde in een slechte luim. Zijn wreveligheid,
-lichtgeraaktheid en koppige eigenzinnigheid waren in de laatste maanden
-nog toegenomen, sedert hij meer en meer gevoelde, dat zijn aanzien
-bij den Prins, de Staten en het volk was gedaald. De inneming van den
-Briel en de gebeurtenissen, die daar onmiddellijk op waren gevolgd,
-hadden den Luikschen avonturier een kortstondige glorie geschonken en
-hem een plaats doen innemen, die hem eigenlijk niet toekwam. Hij had in
-den nazomer van datzelfde jaar een mislukte poging gedaan om Amsterdam
-te nemen, en die mislukking zijner plannen werd aan zijn gebrek aan
-krijgsbeleid geweten. Wegens zijn woeste wreedheid, ook wegens den
-moord op de Gorcumsche geestelijken, was er een aanklacht tegen hem
-ingediend bij het Hof van Holland en hij was genoodzaakt geweest zich
-zoo goed mogelijk te verdedigen, terwijl ook zijn losbandig gedrag
-te Brielle een smet op zijn karakter had geworpen. Thans liet hij de
-regeling van den langen trein over aan de officieren van zijn staf,
-waaronder zich ook Jacob Martens bevond, en dezen sloofden zich af,
-om zooveel mogelijk orde te scheppen in den chaos.
-
-De troepen vorderden langzaam, want de wegen waren slecht. De koude
-was dat jaar vroeg ingevallen en een felle vorst had de Zuiderzee
-en de Haarlemmermeer binnen weinige dagen in groote ijsvlakten
-herschapen,--gelijk de Geuzenschepen, aan de monding van het Y in
-het ijs beklemd, bijna tot hun schade hadden ondervonden. Daarop
-was een sterke dooi gevolgd, die de Hollandsche kleiwegen bijna
-onbegaanbaar had gemaakt, terwijl men voor de expeditie op harde
-wegen had gerekend. De wielen der kanonnen en die der wagens zonken
-weg in het slijk en met moeite trokken de sterke paarden, door de
-zweepslagen hunner scheldende en vloekende voerlieden aangedreven,
-den zwaren last voort.
-
-Het was guur en nevelig winterweder. Een ijskoude wind gierde over de
-Hollandsche weiden en de donkere wolken met vuilgele randen dreigden
-met sneeuw.
-
-In zijn mantel gewikkeld reed Jacob Martens langs de veldstukken, die
-de rij der proviandkarren vooraf gingen. Hij herkende de Welle, die
-de teugels van het vierspan van het voorste stuk van den onbekwamen
-voerman had overgenomen en zijn best deed, het kanon vooruit te
-krijgen, en hij reed stapvoets naast hem voort.
-
---"'t Doet mijn hart goed, dat wij eindelijk weer eens samen tegen
-de Spanjolen oprukken, jonker," zeide de oude boschwachter, toen
-hij de rukkende, steigerende dieren tot kalmte had gebracht en zij
-weder geregeld voortstapten. "Maar,"--liet hij er op gedempten toon
-op volgen,--"ik verwacht niet veel goeds van dezen tocht. Ik vrees,
-dat wij met bebloede koppen thuiskomen, jonker!"
-
---"Houd op met je voorspellingen, man," zei Jacob knorrig. "'t Weer
-en die vermaledijde papperige wegen zijn al genoeg, om iemand somber
-te stemmen. Wij hebben een flinke legermacht: een en twintig vendels,
-met die van overste Muller er bij. En de Spanjolen verwachten ons
-niet. Wij moeten Haarlem bereiken en binnen trekken, vóór zij 't ons
-kunnen verhinderen."
-
---"Dat is het juist, jonker," vervolgde de Welle hoofdschuddend, "de
-"Bremers"--zoo noemden de Hollanders de Duitsche landsknechten--de
-Bremers zijn niet te vertrouwen."
-
---"Hopman van Trier en hopman Kellenaar zijn geen lafaards of
-verraders," viel Jacob driftig uit.
-
---"Battist van Trier en Hans Kellenaar zijn brave en dappere
-officieren," antwoordde de Welle schouderophalend, "maar zij kunnen
-niet instaan voor hun volk. De Bremers zijn slecht betaald in den
-laatsten tijd, jonker, en zij morren en monkelen onder elkander, dat
-het slecht vechten is voor een verloren zaak, als 't hun soldheeren
-nog aan geld ontbreekt bovendien. En dan dit ellendige weer! Een
-Duitscher, jonker, vecht het best, wanneer hij vol is en hoopt op een
-goede plundering na het gevecht. En zij weten, dat er vóór Haarlem
-geen andere buit te behalen is, dan harde klappen! Wij hooren soms
-meer in onze kwartieren, jonker, dan de officieren. Hoe het mogelijk
-is, weet ik niet, maar de Bremers hebben kondschap uit het leger van
-Ducdalf en zij weten, dat de Spanjolen al voor de stad liggen. Ze
-volgen nog hun hoplieden en hun vendel uit gewoonte, maar bij den
-eersten tegenslag gaan zij aan 't muiten."
-
-De Welle zweeg een oogenblik en wijdde schijnbaar al zijn aandacht
-aan zijn vierspan. Toen vervolgde hij op zachter toon:
-
---"Dit is mijn laatste tocht, jonker!"
-
---"Kom, de Welle, wat een sombere gedachten!"
-
---"Ik weet het, jonker Jacob, en het is goed zoo! Ik weet het, alsof
-ik het in de Schrift had gelezen. Ik zal vallen op dezen tocht. Mieke
-en hare moeder roepen mij..."
-
-De oude boschwachter zweeg een oogenblik. Toen ging hij voort:
-
---"Ik ben een groot zondaar! God Almachtig moge zich erbarmen over
-mijn arme ziel. Zoo ik niet voor eeuwig van Zijn aangezicht verstooten
-word, dan zal het door Zijne genade zijn en om Christus' wille! Dat ik
-tegen de Spanjolen en de glippers gevochten heb, bezwaart mijn geweten
-niet. Maar ik heb bloedschuld op mijn ziel tegenover de papen. Ik
-weet, dat de Prins het heeft verboden, hun molest aan te doen en dat
-gij, jonker en Mijn Heer van Dorp het altijd hebt afgekeurd, als wij
-hen vingen en naar den Briel brachten, zooals de admiraal bevolen
-had. Maar wie weet, wat ge zoudt gedaan hebben, als het uw dochter,
-uw Mieke was geweest, die daar was gevallen in den hollen weg bij
-Poperingen. En ik geloofde Jan Machielsz als hij leerde, dat de papen
-als Amalek waren en dat men ze moest slaan met de scherpte des zwaards,
-en dat hij die ze spaarde een lauwe was en ongehoorzaam als Saul. En
-dat staat toch in de Schrift en de papen zijn zeker de vijanden der
-religie en van het ware Israël Gods. Maar er staat óók in de Schrift:
-"Mij is de wrake! Ik zal het vergelden, zegt de Heere." Ik ben maar
-een arm, onwetend man. God moge mij al mijn zonden vergeven!"
-
-"Vaarwel, jonker Jacob, want ik weet, dat dit de laatste keer is,
-dat ik zóó met u spreken zal. De jonker weet het, ik heb het mij wel
-eens verweten, dat ik u toen heb meegenomen ter groene preeke. Dat was
-'t begin van alles, wat de jonker geleden heeft en hij heeft er door
-verloren wat hem lief was. Maar de jonker heeft er de waarheid in
-Christus door gevonden. Dat weet ik! En als ik buiten mijn wil tegen
-den jonker iets heb misdreven, laat hij het mij dan vergeven! En als
-hij ongedeerd uit dezen strijd komt, laat hij dan nog eens denken aan
-den ouden de Welle, die hem heeft leeren visschen en met den armborst
-schieten en paardrijden en die hem nooit heeft verlaten in 't gevecht."
-
-Jacob boog zich over den hals van zijn paard en reikte den ouden Geus
-de hand.
-
---"Ik heb je niets te vergeven, de Welle," zei hij geroerd. "Het is
-zooals je zegt: Door jou toedoen heb ik de waarheid in Christus leeren
-kennen en daar dank ik je voor. Ik zou niets ongedaan willen maken,
-al kon ik het. 't Zal zeker een heet gevecht worden voor Haarlem
-en wij zijn beiden in Gods hand. Wij zullen elkander terug vinden,
-oude vriend, in de stad--of als het zijn mag in den hemel."
-
-De Welle vatte teugels en zweep in zijn linker en drukte krachtig de
-hem geboden hand van zijn jonker.
-
-'t Was een vrij goed gedeelte van den weg geweest, een met puin
-hard gemaakt pad, dat langs een heerenhuizinge liep, en zoo hadden
-zij hun gesprek zonder stoornis ten einde kunnen brengen. Thans
-hield de harde weg op en een lage kleiweg lag vóór hen, zoodat de
-Welle alle aandacht noodig had voor zijn paarden. Ook Jacob Martens
-reed weder terug langs de lange colonne marcheerende voetknechten
-en de zwaar beladen karren. Hij moest zorgen, dat de juiste afstand
-tusschen de verschillende afdeelingen bewaard bleef op den moeilijken
-tocht. Hij dacht na over hetgeen de Welle hem had gezegd omtrent de
-slechte stemming der Duitsche vendels en hij besloot er met de oudere
-officieren van Lumey over te spreken. Wellicht waren de vendels van
-Lazarus Muller beter te vertrouwen, want de krijgstucht werd onder
-diens mannen streng gehandhaafd.
-
-In den avond bereikte men Leiden. De troepen en het convooi trokken
-de stad niet binnen, maar vonden hun kwartieren in de omliggende
-dorpen. Lumey had met zijne Walen de stad bereikt en er zijn intrek
-genomen bij een der regenten. Men had na een korte rust voort moeten
-marcheeren, om Haarlem tegen den vroegen morgen te bereiken en de
-Spanjaarden te verrassen, maar Lumey wilde zijn goed kwartier in
-Leiden niet prijs geven en hij had er daarenboven iets te verrichten,
-dat geheel strookte met zijn aard.
-
-Om te verhinderen, dat het plan aan den vijand verraden werd, liet
-hij alle wegen en paden, die van Leiden naar het Noorden voerden,
-bezetten door piketten van zijne Waalsche ruiters, die hij indertijd
-zelf had aangeworven en die hem trouw waren. Het Haarlemmermeer was
-een wijde ijsvlakte, vol wakken en gaten, waar geen glipper zich op
-zou durven wagen.
-
-In den vroegen morgen voegde hij zich te Lisse bij het leger, tegelijk
-met de vendels van Muller, en al spoedig verspreidde zich onder de
-officieren en de troepen het gerucht, dat er te Leiden weder een
-priester was geëxecuteerd. Lumey had den eerwaarden Cornelis Musius,
-den biechtvader van het St. Aagtenklooster te Delft, een zeventigjarig
-grijsaard, doen oplichten en naar Leiden brengen, onder de valsche
-beschuldiging, dat hij heulde met den vijand. Na een schijnverhoor
-was de vrome en geleerde priester er gemarteld en opgehangen [10],
-vóór het bevel van Oranje, om hem onmiddellijk in vrijheid te stellen,
-was aangekomen.
-
-Terwijl Lumey op het kerkhof te Lisse, bij het licht van eenige
-pekkransen en lantaarns zijn officieren raadpleegde, ontstond er
-plotseling eenig rumoer. Een jonge boer drong door de soldaten,
-die hem wilden tegenhouden en wierp zich voor den bevelhebber op de
-knieën, terwijl hij luidkeels zich beklaagde en om recht schreeuwde.
-
-Driftig over de onverwachte stoornis wendde Lumey zich om en vestigde
-zijn felle zwarte oogen op den jammerenden dorpeling, in de hoop,
-dat deze hem de een of andere tijding bracht, die hem van nut kon
-zijn. Hij kon echter den tongval van den boer niet verstaan en wenkte
-een van de Hollandsche officieren, om diens woorden te vertolken.
-
-En nu kwam Harm Harmsen, visscher en landbouwer, en stoutmoediger dan
-zijn dorpsgenooten, die den moedwil van het krijgsvolk stilzwijgend
-en onderworpen hadden verdragen, met een stroom van klachten. De
-soldeniers hadden zijn huisgerijf stuk geslagen, de twee koeien en
-zijn hoenders geroofd en geslacht en hem en zijne vrouw mishandeld. Hij
-wilde recht, schadeloosstelling en bestraffing der roovers.
-
-Zoodra Lumey begrepen had, wat de boer wilde, keerde hij zich met
-een ongeduldig schouderophalen af. Voor zulke klachten was hij
-doof! Toen de boer aanhield, fronste hij de wenkbrauwen en greep
-in zijn langen baard en de officieren stieten den man ruw terug en
-wenkten de soldaten, dat zij hem van het kerkhof moesten drijven. Er
-lag een zeker medelijden en ruwe goedhartigheid aan deze schijnbare
-hardheid ten grondslag, want zij kenden Lumey: was de boer nog een
-oogenblik langer gebleven, dan had hij hem zeker laten ophangen.
-
-Buiten den kring van het rosse toortslicht stond Harm Harmsen en kookte
-van machtelooze woede. Daar stonden zij, de vreemde soldeniers, die
-hem hadden beroofd en mishandeld en die harige, zwarte duivel, die hem
-geen recht had willen verschaffen, was hun opperhoofd. Wat raakte hem,
-Harm Harmsen, de strijd om de vrijheid, de zaak van den Koning en van
-den Prins. Hij wilde rustig leven op zijn kleine boerderij en visschen
-in zijn schuit op de Meer en hij wilde niet bestolen worden. Hij had
-om recht gevraagd en zij hadden hem weggestooten en hem met slagen
-en schoppen weggedreven. Hij had de oranje-sjerpen en de veldteekens
-om de armen der soldeniers wel herkend. Het waren de knechten van
-de Geuzen. En zij waren sterk en zij hadden hunne wapens en hij was
-alleen, zonder ander wapen dan zijn visschersmes. Hij was er vlug
-genoeg mee, als 't op bekkesnijen met zijns gelijken aankwam,--maar op
-hen kon hij zich niet wreken. En toen flitste hem een gedachte door
-het brein. Kòn hij zich niet wreken? Die daar gingen naar Haarlem,
-dat door den Spanjool werd belegerd, om de stad te ontzetten. Zooveel
-had hij wel uit de woorden der soldeniers begrepen. Harm Harmsen hield
-niet van den Spanjool. Hij haatte de soldaten van beide partijen. Maar
-deze hier hadden hem bestolen en geslagen en die daarginds zouden
-hem misschien met goede Philipsdaalders zijn verlies vergoeden,
-als hij hen waarschuwde, dat de Geuzen hen op 't lijf kwamen vallen...
-
-Harm Harmsen verliet het kerkplein en begaf zich naar zijn huis,
-dat niet ver van den oever lag. Hij kwam er uit met zijn schaatsen
-en een langen polsstok. Alle wegen, die van Lisse naar Sassenheim en
-verder leidden, waren door de ruiters bezet, dat wist hij wel.
-
-Maar de Meer...?
-
-Hij wist, dat het ijs door den sterken dooi hoogst gevaarlijk was,
-vol wakken en zwakke plaatsen. 't Was levensgevaarlijk er zich op te
-wagen en hij zou den grooten plas ook nooit durven oversteken naar
-Haarlem. Maar hij kon dicht langs den oever rijden, waar hij het
-ijs kende en hij nam zijn polsstok mede. Zakte hij door het ijs of
-reed hij in een wak, dan zou die zijn redding zijn. En hij behoefde
-slechts door te rijden naar Bennebroek. Dan kon hij over de slooten
-en de weilanden het Spaansche kamp bereiken, dat onder Overveen lag.
-
-Het pad door de dichte rietbosschen, dat hij blindelings kon vinden,
-was spoedig bereikt. Daar lag de Meer voor hem, althans hij wist,
-dat die daar moest zijn, want hij had zijn schuit gevonden, die hij
-voor weinige dagen op den oever had getrokken. Vlak voor hem zag hij
-even het natte ijs, grauw wit in het flauwe schemerlicht. Er begonnen
-enkele sneeuwvlokken te vallen. De tocht over het wrakke ijs was
-gevaarlijk, levensgevaarlijk! Harm Harmsen wierp een blik achter
-zich. Hij zag het licht der pektoortsen in het dorp over het riet
-heen, hij hoorde het gerucht van stemmen, het knarsen van de wielen,
-het kletteren van wapenen. Wraakzucht en begeerigheid wonnen het:
-hij bond zich de schaatsen aan.
-
-En Lumey en de zijnen vermoedden niet, dat daarginds door de dichte
-morgennevels de verachte boer zich heenspoedde naar het Spaansche kamp,
-om hunne plannen aan den vijand te verraden.
-
-De troepen trokken van Lisse op Sassenheim en van daar op Hillegom
-aan, thans in marschorde en gereed voor den strijd. Eerst kwamen
-de vier kornetten Waalsche ruiters, gewapend met speer en langen
-houwdegen. In hun midden reed Jacob Martens, op zijn post als vaandrig,
-het Oranje-blanje-bleu vaandel, met de wapenspreuk "Pro Rege, Lege
-et Grege", in de rechterhand. De stok van den standaard rustte in een
-lederen koker, die aan de rechterzijde van den zadel was bevestigd en
-het dragen vergemakkelijkte. Hij droeg de breede sluiersjerp als teeken
-van zijn rang over den rechterschouder. Achter de ruiters kwamen de zes
-veldstukken met hun twee ammunitiewagens en de bedienende manschappen
-op de wagens en de affuiten of te voet. Daarop volgden twintig vendels
-Duitsche knechten, onder hunne hoplieden, gewapend met hun lange
-pieken en met rapieren, met twaalf busschieters met hunne vuurroeren
-op elk vendel. Dan kwam de eindelooze rij der honderd karren, beladen
-met mond- en krijgsbehoeften, en een laatste vendel sloot den trein.
-
-Het was guur en mistig weder. De sneeuw, die den vorigen dag had
-gedreigd, begon in groote vlokken te vallen en maakte het voortgaan
-op den drassigen weg nog moeilijker.
-
-De trage wintermorgen begon aan te breken, maar de mist bleef hangen,
-een koude, verkleumende mist, die door de mantels en de gevoerde
-wambuizen drong en de krijgslieden deed huiveren. Stom en zonder
-geestdrift, hier en daar vloekend en grommend, trokken de vendels
-voort.
-
-Voorbij Hillegom boog de weg zich links en het landschap werd
-houtrijker. De weg liep langs den duinrand. De binnenduinen waren
-met dicht houtgewas, eiken en beuken, begroeid, en ook langs de
-rechterzijde van den weg strekte zich een bosch uit van beuken en
-lage berken.
-
-Een hooge en steile duinwand,--de Welige Berg heette hij in den
-volksmond, om zijn dicht houtgewas--strekte zich nu uit links van den
-weg. De boomen waren natuurlijk bladerloos en slechts met eenig dor
-loof bedekt, maar ze stonden zoo dicht op elkander, dat ze, vooral
-op een neveligen winterdag, een goede dekking aanboden, aan wie er
-zich zou willen verschuilen.
-
-Een kleine afdeeling ruiters, die als verkenners een paar honderd ellen
-vooruit reden, had niets verdachts bemerkt. Het eenzame winterlandschap
-scheen uitgestorven. De nevel en de sneeuw maakten, dat men alleen
-de naastbij zijnde voorwerpen kon onderscheiden.
-
-En plotseling, toen de ruiterij en het geschut langs den hoogen
-duinwand trokken, flikkerde het rood door den mist tusschen het
-geboomte van het duin en den boschrand. Zware schoten dreunden door
-de stille winterlucht en een hagelbui van kogels viel neer op de
-voorhoede van het kleine leger. Paarden en ruiters stortten neder en
-de spits van den troep was in een oogenblik in verwarring.
-
-Want Harm Harmsen had zijn doel maar al te goed bereikt. Het broze ijs
-had hem gedragen en hij was met een zucht van verlichting te Bennebroek
-aan wal gestapt en had zich de schaatsen afgebonden. Hij had nu een
-grooten voorsprong op het Geuzenlegertje gekregen, maar hij gunde
-zich geen rust en trok, met zijn polsstok gewapend, over half bevroren
-slooten en weilanden tot hij het Spaansche kamp bereikte. Ten Zuiden
-van Haarlem lag Noircarmes met zijne Walen. Toen men hem berichtte, dat
-er een boer gevangen was genomen, die tijding scheen te willen brengen,
-liet hij Harm voor zich komen en door een tolk ondervragen. Daarop
-reed hij spoorslags naar don Fadrique, om hem het bericht te brengen
-van den voorgenomen aanval, dien men inderdaad niet vermoedde.
-
-Maar don Fadrique de Toledo en Noircarmes waren beter krijgsoversten
-dan Lumey, die zoo vast op het gelukken zijner verrassing had gerekend,
-dat hij geen veldontdekkers vooruit had gezonden om het terrein en
-den weg te verkennen.
-
-Don Fadrique had terstond zevenhonderd van de beroemde Spaansche
-haakschutters met hunne nieuwerwetsche, zware musketten gezonden,
-om zich op een geschikte plaats in hinderlaag te leggen en de Geuzen
-op te houden. Noircarmes rukte hen terstond achterna met een sterke
-afdeeling voetvolk en eenige ruiters.
-
-De Spaansche officier, die de haakschutters aanvoerde, had zijne
-maatregelen goed genomen. Hij had zijne manschappen zoo opgesteld, dat
-zij den weg bestreken, die Lumey's vendels moesten volgen, terwijl zij,
-verscholen tusschen het hout, voor de Geuzen onzichtbaar waren. 't
-Laden van een musket was niet het werk van een oogenblik, maar de
-Spaansche veteranen wisten toch een geregeld vuur te onderhouden,
-dat de aangevallenen in verwarring bracht.
-
-Lumey bevond zich te Hillegom in een boerenhoeve, waar hij zich warmde
-bij een groot vuur op de haardplaat, toen hij het vuren aan de spits
-hoorde. Hij liet zich dadelijk het harnas aangespen, dat hij had
-afgelegd, en rende met de ruiters, die tot zijn lijfwacht behoorden,
-naar het tooneel van den strijd, terwijl hij de hoplieden der Duitsche
-vendels, die hij voorbij snelde, toeschreeuwde, met hun mannen de
-Spaansche scherpschutters uit hunne schuilhoeken te verjagen. Maar
-zijne bevelen kwamen te laat. De verraste ruiters, waarvan er reeds
-een aantal gevallen waren, weken terug voor het Spaansche musketvuur,
-reden de artilleristen overhoop, die vergeefs hunne stukken in
-batterij trachtten te brengen en brachten verwarring in het eerste
-vendel der Duitsche voetknechten. En toen gebeurde wat de Welle had
-voorzien. De "Bremers" wierpen de pieken weg en sloegen op de vlucht,
-zonder op de bevelen hunner officieren te letten. De voerlieden, die
-de wagens begeleidden, sneden de strengen der paarden door, sprongen
-er op en vluchtten er mede, voor zoover hun die niet door de soldaten
-afhandig werden gemaakt. Weldra ontstond er een wilde paniek en het
-was de officieren onmogelijk, de vluchtenden te doen stand houden.
-
-Aan het hoofd van zijn lijfwacht en van de weinige ruiters, die hem
-volgden, vocht Lumey als een razende tegen de Spanjaarden, die nu
-uit hun dekking te voorschijn kwamen. Twee paarden waren reeds onder
-hem doodgeschoten. Een zijner lijfwachts gaf hem het zijne. Toen,
-vreezende, dat hij van de zijnen zou worden gescheiden en gevangen
-genomen, wendde hij den teugel en vluchtte met de ruiters, die waren
-overgebleven.
-
-En in de verwarring merkten de vluchtenden niet op, dat de vaandrig,
-die dapper had stand gehouden, niet bij hen was.
-
-De plaats van den vaandrig was bij de lijfwacht van den bevelhebber,
-en die stond bij de boerderij geschaard, waar de staf te kwader uur
-zich had opgehouden. Met het Oranje-blanje-bleu-vendel in de vuist
-had Jacob Martens zich met Lumey aan het hoofd van den troep gesteld
-en was met hem naar de spits der colonne gerend, om de aanvallende
-Spanjaarden het hoofd te bieden. Hij vond er een onbeschrijflijke
-wanorde. De mannen, die het geschut bedienden en die hadden getracht
-de veldstukken op het terrein naast den weg in batterij te brengen,
-werden door de terugwijkende ruiters vertrapt of door de kogels der
-Spanjaarden gedood. Jacob zag het lijk van de Welle, hangend over
-een der kanonnen, dat in een greppel was gestort. Het voorgevoel van
-den ouden Geus had hem niet bedrogen. Hij was door een Spaanschen
-kogel getroffen, toen hij trachtte het stuk te redden, waarvan de
-bespanning schichtig was geworden. De paarden lagen thans dood voor
-het onbruikbaar kanon.
-
-Jacob wierp een blik van deernis op zijn trouwen metgezel, maar het
-was thans de tijd niet om aan de gevallenen te denken. Naast Lumey,
-die zijn ruiters toeschreeuwde, stand te houden, hield hij het vaandel
-hoog, onder het moordend vuur der Spaansche haakschutters. En even
-vóór dat de aanvoerder der Geuzen vluchtte, was zijn paard door een
-kogel getroffen en was het doodelijk gewonde dier neergestort.
-
-Dit gebeurde op een open plek tusschen het hout, ter zijde van den
-weg, want daar had Lumey getracht het bosch binnen te dringen, om de
-haakschutters uit hun verdekte stelling te verjagen. Zoo kwam het,
-dat geen der vijanden hem had zien vallen. Zij hadden zich anders
-gehaast, zich meester te maken van het vaandel.
-
-Hij was met het hoofd op een boomwortel terecht gekomen en een poos
-lang lag hij bewusteloos. Toen hij weer bijkwam, was het gevecht
-bij den Weligen Berg geëindigd. De Spaansche haakschutters waren uit
-het bosch en van het hooge duin te voorschijn gekomen en vervolgden
-de vluchtende Duitschers, die hier en daar nog tegenstand boden. In
-de verte vernam hij het gejoel van den strijd en van tijd tot tijd
-klonk nog een enkel schot. Op den weg hoorde hij den galop van een
-afdeeling ruiterij. De ruiters kwamen van den kant van Bennebroek en
-Jacob begreep, dat het vijanden waren, die zich haastten om aan de
-vervolging deel te nemen en het convooi te plunderen.
-
-Zijn linkerbeen lag beklemd onder het doode paard. Met moeite
-slaagde hij er in zich te bevrijden. Toen hij wilde opstaan, voelde
-hij, dat zijn been gekneusd was en dat hij slechts met moeite kon
-voortstrompelen.
-
-Hij wist, dat het einde nabij was. Nog weinige oogenblikken en de
-Spanjolen zouden het bosch doorzoeken om de gevallenen te plunderen en
-de gewonden af te maken. Hij zou zich niet overgeven. De krijgsmanseer
-verbood het. Het was de plicht van den vaandrig vóór alle dingen het
-vaandel te redden. Kon hij het niet, dan gaf hij het niet over dan
-met zijn leven.
-
-Hij keek rond naar een plaats, die hem eenige beschutting kon bieden,
-want zijn been deed hem pijn. De sneeuw viel nu minder dicht, en
-tegen den middag was de mist opgetrokken. Dicht bij den weg zag hij
-den bouwval van een kleine kapel, waarschijnlijk in den tijd van
-den beeldenstorm verwoest, want door de sneeuw glansden de bladeren
-van donkergroene klimop, waarmee de half ingestorte muren waren
-begroeid. Eén stuk muur stond nog overeind. Een goede plaats voor
-den laatsten strijd.
-
-Jacob Martens raapte het vaandel op en op de schacht geleund,
-strompelde hij naar den bouwval. Hij leunde tegen den muur en liet
-het gekwetste been op een stuk hardsteen rusten, een brok van den
-vroegeren drempel van het gebouwtje. Toen sneed hij met zijn ponjaard
-het vaandel van de schacht en sloeg zich het doek om de schouders. Wie
-het wilde veroveren, kon het komen nemen, met zijn leven: zoo gebood
-het de eer van den vaandrig.
-
-'t Zou niet lang meer duren. Er klonken ruwe stemmen in het bosch. De
-voorhoede van het voetvolk van den Spanjool was nu ook aangekomen en
-drong langs den weg en door het hout vooruit.
-
-'t Was een vreemd gevoel, daar alleen te wachten op den dood, die
-komen ging. Jacob voelde geen vrees, alleen een zeker vreemd gevoel
-van nieuwsgierigheid, hoe het laatste oogenblik zou zijn. Men zegt,
-dat een drenkeling, in de laatste oogenblikken vóór den dood, zijn
-geheele leven aan zijn herinnering voorbij ziet gaan. Zoo ging het ook
-hem in die weinige minuten. Een reeks bonte tooneelen ging aan zijn
-geestesoog voorbij. Hij zag zich weer bij de Geuzen, op het Fransche
-kaperschip, bij de Boschgeuzen. Hij doorleefde weer het afscheid van
-Madeleine en de lange uren in den donkeren kelder. Hij was weer in
-het ouderlijk huis en hij zag zijn vader en moeder, zijn zuster en
-Madeleine, die hij allen liefhad en nu... Waar was dat alles heen? En
-wat scheen het lang geleden! Toen, plotseling, zag hij zich weer aan
-de havenkade te Gent, en hij zag er de roode kar van den beul en het
-bleek gelaat der martelaresse met haar stille, lijdende oogen en hij
-hoorde weer de zware, vermanende stem opklinken uit de omstanders: Syt
-getrouwe tot in den doet, ende ick sal u geven die crone des levens!
-
-Zoo was het, ja! Getrouw tot in den dood!
-
-Getrouw aan de zaak der vrijheid des lands, getrouw aan de zaak van
-het Evangelie, gezuiverd van menschenvonden, getrouw aan de goede
-zaak, door de edelsten en besten gediend, door onverstand geschaad,
-door dweepzucht en wreedheid bezoedeld,--maar toch de zaak Gods. Die
-zaak had hij gediend en daarvoor stierf hij. Getrouw tot in den dood!
-
-Nu zou het oogenblik spoedig daar zijn. Bidden? Ja, nog bidden voor
-hen, die hij liefhad en die wel niet eens zouden weten, hoe en waar
-hij gevallen was. Een kort gebed: God kende toch zijn hart! En dan
-een laatste bede voor zich zelf. Jacob Martens beval zijn ziel aan God.
-
-En nu was het gekomen. Ruwe stemmen, luide vloeken in het Spaansch
-en het Fransch. Twee mannen, met den rooden veldstrik van Spanje om
-den arm, kwamen op den bouwval toeloopen: een reeds bejaard sergeant
-van de Spaansche musketiers en een Waalsche voetknecht, gewapend met
-zijn pertuisane.
-
-Jacob trok den degen en wachtte den aanval af.
-
-De beide mannen bleven een oogenblik als verbijsterd staan. Die
-bleeke jonge man, met het vaandel over de schouders en de breede
-oranje sluiersjerp over de borst--wat deed hij in dien ouden bouwval?
-
-Toen slaakten zij een kreet van blijdschap en triomf. Het
-Geuzenvaandel! Zij zouden het buit maken. En de eer en de belooning
-zouden voor hen zijn.
-
-De sergeant was de voorste. Hij zwaaide zijn korten hellebaard, het
-teeken van zijn rang als onderofficier, en riep den Geuzenvaandrig
-in goed Spaansch toe, dat hij zich zou overgeven. Jacob verstond
-hem. Hij schudde het hoofd en met den degen in de rechter- en den
-ponjaard in de linkervuist, wachtte hij den vijand af.
-
-De Spanjool drong op hem in, maar het was of hij geen gebruik wilde
-maken van het voordeel, dat zijn wapen hem schonk. Hij zag wel, dat
-zijn tegenstander gewond was en zich moeilijk bewoog en hij spaarde
-hem. Misschien voelde de veteraan eenig medelijden met zijn jeugdigen
-tegenstander, misschien wilde hij de eer hebben, een officier der
-Geuzen levend gevangen te nemen. Hoe dit zij, hij vergenoegde zich met
-de stooten van Jacob te pareeren, en wachtte op een goede gelegenheid
-om hem te ontwapenen.
-
-De Waalsche soldenier begreep niets van die edelmoedigheid. Waarom
-sloeg de Spanjool niet toe? De buit was immers voor het grijpen? Daar
-naderden reeds andere knechten en ten slotte zou men nog de belooning
-moeten deelen. Als de Spanjool aarzelde, dan...
-
-Hij velde de lange pertuisane en op het oogenblik, dat Jacob een stoot
-van den hellebaard met zijn ponjaard pareerde, stiet hij hem de lange,
-stalen punt onder den linkerarm in het lijf.
-
-Jacob Martens zonk achterover tegen den muur; de degen ontviel aan
-zijn hand. Het lange ijzer van de piek had hem het hart doorboord. Hij
-was onmiddellijk dood.
-
-Met een vloek wierp zich de sergeant op den gevallene om zich van
-het vaandel meester te maken, maar de piekenier trachtte het hem te
-ontrukken. Andere Waalsche knechten waren naderbij gekomen, en kozen
-de partij van hun landgenoot tegen den Spaanschen onderofficier en
-de twist dreigde in een bloedige vechtpartij over te slaan.
-
-Er klonken hoefslagen op den weg. Een officier van Noircarmes, met
-de roode sjerp over het blinkend kuras, reed nader met een afdeeling
-ruiterij. Zij waren gekomen, om de veroverde veldstukken in veiligheid
-te brengen.
-
-De luide stemmen der twistenden trokken de aandacht van den officier
-en hij reed nader. Het was Thierry de St. Foy.
-
-Met een paar woorden besliste hij het geschil. De twee mannen, die
-het vaandel hadden veroverd, zouden het samen aan den Spaanschen
-bevelhebber brengen en de belooning deelen. Toen wierp hij een
-onverschilligen blik op den doode en een oogenblik was er een spoor van
-ontroering op zijn bleek, koud gelaat. Hij had Jacob Martens herkend.
-
-Thierry hield nog een oogenblik zijn paard in en staarde op den
-vriend van zijn jeugd, den dwazen, edelmoedigen Jacob, die alles had
-opgegeven, om de zaak der verdrukten te dienen, en die nu gevallen
-was, zonder roem, in een onbeteekenende schermutseling, strijdende
-voor een verloren zaak. Terwijl hij, Thierry de St. Foy...
-
---"Hij moet begraven worden!" beval hij kortaf zijn soldeniers.
-
-Toen reed hij langzaam heen.
-
-De Walen hadden er niet veel lust in, een graf te delven in den harden
-grond, waarvan alleen de bovenste laag ontdooid was. Toch durfden
-zij het bevel niet ongehoorzaam zijn. Zij maakten zich meester van
-de wapenrusting van den doode en van alles, wat eenige waarde voor
-hen had. Toen stieten zij met hunne pieken het wrakke muurwerk omver
-en bedolven het lijk onder het puin.
-
-'t Was al mooi genoeg voor den Geus, vonden zij.
-
-En Jacob Martens bleef achter in zijn naamloos graf, de Nederlander,
-die alles had prijsgegeven voor de vrijheid van zijn land en voor
-de goede zaak: zijn ouders, zijn toekomst, zijn bruid en nu ook
-zijn leven.
-
-En Thierry de St. Foy reed met de veroverde kanonnen naar het Spaansche
-kamp en hij kwam er terug als overwinnaar, hij, de Nederlander,
-die zich aan den vreemdeling had verkocht voor eer en goud, hij,
-de benijde echtgenoot van de schoone en rijke Madeleine de Bette,
-van wier schoonheid en... coquetterie heel Brussel sprak, hij, die
-de wapenen voerde tegen zijn verdrukte landgenooten.
-
-Wie van beiden was de gelukkigste?
-
-De vroege winteravond begon te vallen en de Spanjolen en Walen keerden
-juichend met hun buit en hun gevangenen naar het kamp terug.
-
-Toen zij weggetrokken waren, slopen de arme boeren uit de omliggende
-dorpen naderbij, om zich meester te maken van wat er nog van het
-vernielde convooi was overgebleven. Er waren er, die het hooge duin
-beklommen, om de aftrekkende troepen na te oogen. Zij konden in de
-verte de donkere massa onderscheiden van het ten ondergang gedoemde
-Haarlem, waarop de oude St. Bavo somber en ernstig neerzag, en de
-vuren der belegeraars te Overveen.
-
-Tegen den avond was het weder helder geworden en het laatste licht
-van den zonsondergang verlichtte nog even de hooge toppen,--als een
-belofte van een betere toekomst aan de arme, door den vreemdeling
-vertreden Nederlanden.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De spotnamen, die het Gereformeerde volk aan de hostie gaf.
-
-[2] In onze Bijbelvertaling psalm 139: 9-13.
-
-"Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der
-zee, ook dáár zou Uwe hand mij geleiden en Uwe rechterhand zou mij
-houden. Indien ik zeide: de duisternis zal mij immers bedekken, dan
-is de nacht een licht om mij. (Roomsche vertaling: zoo zal toch ook
-de nacht mij tot een licht zijn in mijne geneugten). Ook verduistert
-de duisternis voor u niet.... (Roomsche vertaling). "Want voor u is
-de duisternis niet donker."
-
-[3] "Verlos ons van den booze!"
-
-[4] In de jaren 1567 en 1568 werden door de Boschgeuzen in
-West-Vlaanderen de kerken verwoest te Herzeele, Houtkerken,
-Hondschoten, Killem, Oost-cappel, Winnezeele, Oudezeelen, Reynighelst,
-Lokeren, Kemmele en Dracoultre.
-
-De namen der door hen in die jaren vermoorde dorpsgeestelijken zijn:
-Henricus Turck, pastoor van Oostcappel, Martinus Necrosius, pastoor
-van Hondschoten, Franciscus de la Fosse, pastoor van Rexspoede,
-Antonius van den Clyte, pastoor van Ruebrouck, Petrus Famelast,
-pastoor van Richebourg (Wynckius, Histoire des Gueux-des-Bois).
-
-[5] 't Heeft den man weinig gebaat. Hij is in 1569 te Gent onthoofd.
-
-[6] En geen tweehands zwaarden, zooals Hofdijk ten onrechte schrijft.
-
-[7] Thans Maassluis.
-
-[8] "Wij en warren geen drij honderd," zegt Jonkheer Frederik van Dorp
-in zijn dagboek. Vermoedelijk ziet dat op de bemanning der schepen,
-die op dat oogenblik voor Brielle waren geankerd. Voor de bemanning
-der geheele Geuzenvloot--immers 26 schepen--is dat getal te gering.
-
-[9] Men heeft er den Prins een verwijt van gemaakt, dat hij Lumey,
-den moordenaar der Gorcumsche priesters, tot zijn vertegenwoordiger
-benoemde. Evenwel ten onrechte. De aanstelling is niet gedateerd,
-maar de daarbij gevoegde instructie is van 20 Juni. Toen was Gorcum
-zelfs nog niet in de handen der Geuzen. 't Is niet waarschijnlijk,
-dat Oranje reeds den 22sten Juli bericht had ontvangen, van hetgeen
-er in den Briel was gebeurd, maar al ware dit wel het geval geweest,
-dan zou het zeer moeilijk zijn geweest, de aanstelling ongedaan te
-maken. Lumey stond aan 't hoofd van een aanzienlijke krijgsmacht;
-de steden aan de Maas waren in de handen van zijn Watergeuzen. Bij
-het heftigste en roerigste deel van zijn volgelingen stond hij in
-hoog aanzien en zeker zou hij zich niet zonder meer van zijn post
-hebben laten ontzetten. Ernstige verdeeldheid onder de aanhangers
-van Oranje zou op dat oogenblik noodlottig zijn geweest voor de
-zaak der vrijheid. In Januari 1573 werd Lumey, na nieuwe daden van
-wreedheid en verzet, gevangen genomen en van zijne waardigheden
-vervallen verklaard. Hij bleef in hechtenis, eerst op 't kasteel
-van Gouda, toen op het slot Honingen bij Rotterdam, eindelijk op
-het fort Rammekens in Zeeland. Toen vertrok hij naar Aken. Zijne
-houding was na 1573 zeer dubbelzinnig. Waarschijnlijk heulde hij met
-de Spanjaarden. Hij stierf aan de gevolgen van een slecht verzorgde
-wond, volgens sommigen aan den beet van een dollen hond.
-
-[10] Cornelis Musius is eigenlijk den 10den December te Leiden ter
-dood gebracht, doch zeer zeker op bevel van Lumey.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Jacob Martens, by G. C. Hoogewerff
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JACOB MARTENS ***
-
-***** This file should be named 53926-8.txt or 53926-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/3/9/2/53926/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg.
-
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions
-will be renamed.
-
-Creating the works from public domain print editions means that no
-one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
-(and you!) can copy and distribute it in the United States without
-permission and without paying copyright royalties. Special rules,
-set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
-copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
-protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
-Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
-charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
-do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
-rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
-such as creation of derivative works, reports, performances and
-research. They may be modified and printed and given away--you may do
-practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
-subject to the trademark license, especially commercial
-redistribution.
-
-
-
-*** START: FULL LICENSE ***
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
-Gutenberg-tm License (available with this file or online at
-http://gutenberg.org/license).
-
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
-electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
-all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
-If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
-Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
-terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
-entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
-and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
-works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
-or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
-Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
-collection are in the public domain in the United States. If an
-individual work is in the public domain in the United States and you are
-located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
-copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
-works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
-are removed. Of course, we hope that you will support the Project
-Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
-freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
-this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
-the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
-keeping this work in the same format with its attached full Project
-Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
-a constant state of change. If you are outside the United States, check
-the laws of your country in addition to the terms of this agreement
-before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
-creating derivative works based on this work or any other Project
-Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
-the copyright status of any work in any country outside the United
-States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
-access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
-whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
-phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
-Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
-copied or distributed:
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
-almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
-re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
-with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
-from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
-posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
-and distributed to anyone in the United States without paying any fees
-or charges. If you are redistributing or providing access to a work
-with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
-work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
-through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
-Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
-1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
-terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
-to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
-permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
-word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
-distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
-"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
-posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
-you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
-copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
-request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
-form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
-License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
-that
-
-- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
- owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
- has agreed to donate royalties under this paragraph to the
- Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
- must be paid within 60 days following each date on which you
- prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
- returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
- sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
- address specified in Section 4, "Information about donations to
- the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
-
-- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or
- destroy all copies of the works possessed in a physical medium
- and discontinue all use of and all access to other copies of
- Project Gutenberg-tm works.
-
-- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
- money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days
- of receipt of the work.
-
-- You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
-electronic work or group of works on different terms than are set
-forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
-both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
-Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
-Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
-collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
-works, and the medium on which they may be stored, may contain
-"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
-corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
-property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
-computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
-your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium with
-your written explanation. The person or entity that provided you with
-the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
-refund. If you received the work electronically, the person or entity
-providing it to you may choose to give you a second opportunity to
-receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
-is also defective, you may demand a refund in writing without further
-opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
-WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
-WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
-If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
-law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
-interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
-the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
-provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
-with this agreement, and any volunteers associated with the production,
-promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
-harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
-that arise directly or indirectly from any of the following which you do
-or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
-work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
-Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
-
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of computers
-including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
-because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
-people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
-To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
-and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
-Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
-http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
-permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
-Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
-throughout numerous locations. Its business office is located at
-809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
-business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
-information can be found at the Foundation's web site and official
-page at http://pglaf.org
-
-For additional contact information:
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To
-SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
-particular state visit http://pglaf.org
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations.
-To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
-
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
-works.
-
-Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
-concept of a library of electronic works that could be freely shared
-with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
-Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
-
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
-unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
-keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
-
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
-
- http://www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.