summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/53476-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/53476-8.txt')
-rw-r--r--old/53476-8.txt5790
1 files changed, 0 insertions, 5790 deletions
diff --git a/old/53476-8.txt b/old/53476-8.txt
deleted file mode 100644
index 7613902..0000000
--- a/old/53476-8.txt
+++ /dev/null
@@ -1,5790 +0,0 @@
-The Project Gutenberg EBook of Het Yellowstone-Park, by Hugo De Vries
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
-other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
-the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have
-to check the laws of the country where you are located before using this ebook.
-
-Title: Het Yellowstone-Park
-
-Author: Hugo De Vries
-
-Release Date: November 7, 2016 [EBook #53476]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: ISO-8859-1
-
-*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET YELLOWSTONE-PARK ***
-
-
-
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/American Libraries.)
-
-
-
-
-
-
-
-
- WERELDBIBLIOTHEEK
-
- ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
- Prof. Dr. HUGO DE VRIES
-
-
-
- HET YELLOWSTONE-PARK
-
- (MET VIER ILLUSTRATIES NAAR PHOTO'S VAN
- Dr. E. O. HOVEY te New York)
-
- EXPERIMENTEELE EVOLUTIE
-
-
-
- UITGEGEVEN VOOR DE MIJ
- VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE
- LECTUUR DOOR
- G. SCHREUDERS AMSTERDAM
-
-
-
-
-
-
-
-De Redactie der WERELD-BIBLIOTHEEK heeft haar bizonderen dank uit te
-spreken niet alleen aan den schrijver voor het afstaan van zijn in
-De Gids en Onze Eeuw verschenen stukken, maar ook aan Dr. E. O. Hovey
-te New-York, die zoo vriendelijk is geweest een viertal door hemzelf
-genomen photo's van het Yellowstone-Park ter opluistering van het
-eerste artikel te zenden.
-
-Voor de correctie en de enkele noten--ter verklaring van Engelsche
-uitdrukkingen--rust, bij verhindering van den schrijver, de
-verantwoordelijkheid op de redactie.
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-HET PARK EN DE WARME BRONNEN.
-
-
-Het Yellowstone National Park is wellicht de meest merkwaardige
-plek in Amerika. Het is de hoogste plaats in het Rotsgebergte, de
-top van de wereld, zooals de Indianen het noemden. Tegelijkertijd is
-het de plaats, waar de inwendige warmte der aarde het dichtst bij de
-oppervlakte komt en hare werking het meest doet gevoelen. Weliswaar
-zijn er thans geen eigenlijke vulkanische uitbarstingen meer, maar in
-geologisch kort geleden tijden zijn deze hier veelvuldig geweest,
-en hare producten vormen de grondstof waaruit het landschap is
-opgebouwd. Thans vertoont zich de macht der centrale hitte in
-warme bronnen en geysers en al haar talrijke tusschenvormen en
-verscheidenheden. Nagenoeg het geheele park is als bezaaid met zulke
-plekken, waar de hitte der diepte een uitweg vindt. Hier en daar zijn
-de spleten en gaten en bronnen zóó dicht bij elkander opgehoopt,
-dat zij groote groepen vormen, vele honderden van zulke openingen
-omvattend. Zij bedekken dan de geheele oppervlakte van een dal,
-of de helling van een berg. In het eerste geval spreekt men van
-geyser-bassins; tot het tweede behooren de brullende berg of Roaring
-mountain, en de travertijn-rotsen van Mammoth Hot Springs. [1]
-
-Even nobel als de natuur, toont zich hier ook de menschelijke
-geest. Het Amerikaansche volk heeft deze geheele landstreek, meer
-dan 3000 vierkante mijlen omvattend, gemaakt tot een park, d.w.z. tot
-een plaats, waar industrie en landbouw buitengesloten zijn, en waar
-de natuur zooveel mogelijk ongeschonden bewaard moet blijven. De
-trotsche en zielsverheffende natuurverschijnselen mogen niet aan gewone
-doeleinden dienstbaar gemaakt worden, de groote bronnen van mechanische
-kracht, die zij in zich sluiten, mogen niet voor het voordeel van
-enkelen worden gebruikt. Het park moet ten allen tijde en uitsluitend
-bestemd blijven "for the benefit and the enjoyment of the people" [2]
-zooals het eerste artikel van de stichtingswet luidt en zooals het in
-steenen letters boven de poort aan den ingang bij Gardiner gegrift is.
-
-Voorloopig dient het park nog meer voor "the enjoyment" dan wel voor
-het nut van het volk. Tenminste op den gewonen toer krijgt men niet
-den indruk, dat het verhevene der natuurverschijnselen de Amerikanen
-bizonder treft, noch dat zij door de beschouwing dier verschijnselen
-tot een dieper inzicht in de hoofdlijnen van de geschiedenis dezer
-aarde trachten door te dringen. Het leven in de fijne hooge lucht en de
-heerlijke omgeving der dennebosschen is hun de hoofdzaak, en daarvan
-wordt veelvuldig gebruik gemaakt. De gewone toer, die minstens zes
-dagen duurt, wordt jaarlijks door minstens 10.000 personen van elken
-leeftijd en van elken rang en stand gemaakt. Daarenboven kampeeren
-ongetelde aantallen gedurende den zomer overal in de bosschen en
-trekken met eigen wagens rond. Deels om hun daarbij behulpzaam te
-zijn en deels met het oog op het brandgevaar, dat zeer groot is,
-heeft het landsbestuur overal aan de wegen door wegwijzers en borden
-de goede kampeerplaatsen aangewezen, en op andere schijnbaar geschikte
-plaatsen verboden tenten op te slaan.
-
-De geysers en de warme bronnen zijn voor de meesten nog slechts
-curiositeiten, die geen verder belang inboezemen en spoedig eentonig
-worden; de rotsen treffen hen door hunne steilheid en de grootte
-der neergestorte blokken, maar op het verschil in bouw wordt weinig
-gelet. Toch heeft de geheele streek zijn merkwaardigheid voor een
-groot deel er aan te danken, dat de bergen oude lavastroomen zijn,
-die over krijtachtige gesteenten heen vloeiden, en dat met de lava
-andere vulkanische gesteenten afgezet werden. Zoowel in de groote
-trekken van het landschap als hier en daar in de onbedekte rotsen
-kan men dit duidelijk zien.
-
-Waarom aan deze landstreek de naam van park gegeven is, is niet
-duidelijk. Want het is er verre vandaan, dat het op een park zou
-gelijken, of zelfs dat men zou willen trachten, het allengs in die
-richting te verbeteren. Integendeel, men wenscht juist de woeste
-en vrije natuur te bewaren. Zwitserland, met zijn goed verzorgde
-bosschen, gelijkt veel meer op een park dan Yellowstone, waar de
-afwezigheid van de zorgen der menschen juist het beoogde doel is. Ook
-is de naam park juist niet geschikt om een denkbeeld van de grootte
-van deze streek te geven. Men reist er zes dagen lang in wagens op
-goede wegen rond, en kan dan nog maar een zeer klein gedeelte van de
-geheele uitgestrektheid bezoeken.
-
-Natuurlijk zou een ongerepte toestand het bosch ontoegankelijk maken
-en het genot er van beperken tot slechts zeer enkelen. Vandaar dat de
-regeering voor een stel van goede rijwegen gezorgd heeft en dat een
-vereeniging zich de oprichting en exploitatie van het vereischte aantal
-hôtels en van de vervoermiddelen tot taak heeft gesteld. Voortdurend
-worden verbeteringen aangebracht en worden hier nieuwe bruggen gebouwd
-en ginds de bochten en hellingen der wegen door den aanleg van nieuwe
-gedeelten vereffend.
-
-Huizen mogen in het park overigens niet gebouwd worden en alleen nabij
-den heuvel der Mammoth Hot Springs, het hoofdstation van de gewone
-toeristenreis, en tevens het eerste station dat men met de rijtuigen
-bereikt, is voor militaire doeleinden een dorp aangelegd. De bezetting
-bestaat uit twee compagnieën ruiterij, waarvan de manschappen door
-het geheele park als politie dienst doen, zorgende, dat met vuur
-voorzichtig worde omgegaan, dat geen overblijfselen van gebruikte
-maaltijden of van nachtverblijven het park ontsieren en dat aan de
-gewrochten der natuur geen balddadige handen of geen verzamelaars van
-curiositeiten afbreuk doen. Om dit laatste doel nog beter te bereiken,
-zijn in de nabijheid van enkele hôtels kleine winkeltjes opgericht,
-waar natuurvoorwerpen kunnen worden gekocht. Het is een zeer bekende
-eigenschap der bronnen, om hetzij kalk, hetzij kiezel af te zetten,
-en zoo dus kleine voorwerpen daarin worden gelegd, worden zij allengs
-met een dun laagje van deze stoffen overtrokken. Takken en naalden
-van dennen kan men zoo vinden, maar ook kunstmatige voorwerpen
-worden evenzoo omkorst, en onder deze geven de Amerikanen vooral
-aan monogrammen de voorkeur. Op deze incrustatie, de wijze waarop
-zij plaats vindt en het aandeel dat zij aan het ontstaan der heuvels
-rondom de bronnen in den loop der tijden gehad heeft, kom ik trouwens
-later uitvoerig terug.
-
-Het klimaat van het park is, zooals men dit van een zoo hoog gelegen
-landstreek mag verwachten. Gedurende drie vierde gedeelten van het
-jaar is het diep met sneeuw bedekt en zoo goed als ontoegankelijk,
-zelfs vinden de herten en antilopen er dan dikwijls slechts met
-groote moeite hun voedsel. Gedurende de overige drie maanden is het
-klimaat dat van de hooge alpen, een zuivere frissche lucht en een
-heldere hemel, afgewisseld met hevige onweersbuien, die naar mijne
-zeer korte ervaring vooral rondom Mammoth Hot Springs zeer talrijk
-zijn. Trouwens de bergtop, waar rondom zij zich voornamelijk ontladen,
-draagt den naam van Electric Peak. [3] Twee malen ben ik daar omstreeks
-24 uren geweest, en in dien tijd heb ik drie zware onweersbuien met
-plasregens bijgewoond.
-
-De koude en de korte duur van den zomer maken de streek voor landbouw
-onbruikbaar. Als men er voor de hôtels groenten wil telen, moet
-dit in kassen gebeuren. Ook het hout is voor het grootste gedeelte
-als timmerhout ongeschikt. De dennebosschen, die alle hellingen en
-verreweg het grootste deel der vlakten en valleien bedekken, bestaan
-maar uit één soort van den, den Pinus contorta, var: Murrayana, die
-hier gewoonlijk black pine genoemd wordt. Deze naam is ontleend aan
-de zwarte bosschen die hij vormt. Hij heet ook wel lodge pine of pole
-pine, aanduidende dat men van de stammen huizen kan bouwen zonder ze
-tot planken te zagen, of dat men de stammen voor telegraafpalen en
-andere dergelijke doeleinden kan gebruiken. Maar het verdere gebruik
-beperkt zich tot het nut als brandstof. Daarentegen komen er hier en
-daar, en vooral in het noordelijk gedeelte, twee soorten van sparren
-voor, die voor timmer hout geschikt zijn. Het zijn de douglas-spar en
-de balsam-spar (Pseudotsuga Douglasii en Abies alpina); ik zag ze in de
-bosschen rondom Mammoth Hot Springs in groot aantal en in prachtige
-exemplaren, doch elders meest zeer verspreid en zeldzaam. Maar
-misschien zijn de meeste op de voor toeristen toegankelijke plaatsen
-reeds weggehaald voor de constructie van de bruggen en de hôtels.
-
-In vroegere tijden was deze ontoegankelijke landstreek zoo goed als
-onbewoond. De Indianen hadden voor "den top der wereld" een diep
-ontzag en begaven zich in deze streek, waar de natuurverschijnselen
-hun vrees inboezemden, slechts zeldzaam. Wel zijn door de hoofddalen
-hun voetpaden gevonden, en volgen de tegenwoordige rijwegen meestal
-zulke oude "Indian Trails", maar het is een bekend feit, dat in de
-tijden van de eigenlijke ontdekking van het park, nog geen 40 jaar
-geleden, het zoo goed als onmogelijk was indiaansche gidsen te vinden,
-die werkelijk overal den weg wisten. En het bleek dat deze gidsen
-bij het aanschouwen der geysers nog meer verbaasd en ontdaan waren
-dan de blanke natuuronderzoekers. Slechts een vreesachtige stam van
-de Shoshone-Indianen, de schaap-eters of Tukuarika, trok zich hier
-terug, maar ook zij kenden de geysers niet.
-
-De Indianen gaven aan de geheele streek den naam van de hoofdrivier,
-die er doorstroomt, en aan deze een naam, ontleend aan de kleur
-der rotsen in de canyons of ravijnen. Deze kleur is dikwijls helder
-geel, en uit het gele nu eens in het roode, dan weer in het grijze
-spelend. In het Grand-Canyon van de Yellowstone-rivier, waar men
-een uur langs de naakte rotswanden wandelt en de rivier, tusschen
-de windingen, hier en daar op groote diepte en als zeer in de verte
-onder zich ziet, is dit kleurenspel bizonder treffend. De indiaansche
-term voor Rock Yellow rivier is Mitsiadazi, in een der Siouxtalen,
-en vandaar stammen de tegenwoordige namen van Yellowstone-rivier en
-Yellowstone-park af. [4]
-
-Het park is geen eigenlijk bergland zooals Zwitserland. Ook mist het de
-sneeuwbergen. Het is een hoog plateau, doortrokken met lage heuvelen,
-die meest geheel met bosch bedekt, doch op steile hellingen en langs de
-doorsnijdingen der beken dikwijls rotsachtig en dan zeer schilderachtig
-zijn. Slechts hier en daar vindt men enkele hoogere toppen, en onder
-deze is de Mount Washburn, een halve dag reizen van het Hôtel der
-Mammoth Hot Springs gelegen, de voornaamste. Rondom is het park door
-hoogere gebergten omgeven, die ten deele buiten, doch ten deele ook
-binnen zijne wettelijke grenzen liggen. Deze omgeving geeft overal,
-waar het uitzicht niet door boomen of heuvelen belemmerd is, iets
-bizonder aantrekkelijks aan het landschap. Het allerfraaist is dit,
-als men op het uitgestrekte meer, dat de Yellowstone-rivier ongeveer
-in het midden van het park vormt, met de boot van de zuidelijke naar
-de noordwestelijke punt overvaart. Overal achter de groene bergen ziet
-men dan de kale toppen uitsteken. In het oosten de lange keten der
-Absaroka-mountains; in het zuiden de dubbele top der Teton-bergen
-en aan de overige zijden hier en daar lagere gebergten. Het zijn
-wel geen sneeuwtoppen, maar in de hoogste dalen en ravijnen lagen
-toch omstreeks half Augustus nog talrijke uitgestrekte sneeuwvelden,
-langzaam afsmeltend en den oorsprong gevend aan talrijke beken, die
-bruischend en schuimend door het park trekken, om zich ten slotte
-grootendeels in de Yellowstone-rivier te vereenigen. Het plateau ligt
-in het hart van het Rotsgebergte, en wordt als een typisch gedeelte
-daarvan beschouwd. Het is een streek waar veel regen en veel sneeuw
-vallen, en vormt daardoor een groene en bloemrijke oase te midden van
-de dorre wildernissen, de door watergebrek onbebouwbare "semi-arid
-regions" [5] van het Westen. Het ligt nagenoeg geheel in den staat
-Wyoming, met een paar smalle grensstrooken, die in Montana en in
-Idaho vallen. Trouwens het eerste wat de aandacht der toeristen na
-het binnenrijden door de ingangspoort treft is, omstreeks een half
-uur verder, de grenspaal, die aanwijst waar men uit het gebied van
-Montana in dat van Wyoming overgaat.
-
-De plantengroei van de omgevende woestijnen zet zich voor een deel
-op de hellingen van het park voort, waar deze van bosch ontbloot
-zijn. Zij vertoonen dan de eigenaardige grijsgrauwe kleur, die in
-zoo hooge mate tot het onaantrekkelijk karakter der wildernissen
-bijdraagt. Overal groeien de lage heestertjes van de Sage-brush
-(Salieplant: Artemisia tridentata e.a. soorten), die uiterst
-algemeene, zonderlinge en nuttelooze plant, zooals zij zoo gaarne
-genoemd wordt. Elk grijs bundeltje staat afzonderlijk, en uit de
-verte gezien heeft een vlakte of een helling daardoor een gevlekt
-aanzien. Dit is zóó kenmerkend, dat men zelfs op groote afstanden den
-Sage-brush gemakkelijk herkennen kan. Onwillekeurig rijst de vraag
-of die Sagebrush en de andere woestijnplanten die met haar samengaan,
-oorspronkelijk uit de woestijn naar het park, of uit de bosschen van
-het park naar de woestijn gegaan is. Maar op de bespreking van die
-vraag, die met tal van punten omtrent de verspreiding der planten en
-haar gemeenschappelijke afstamming samenhangt, mag ik hier niet ingaan.
-
-Op den bezoeker maakt de oase den indruk van een toevluchtsoord voor
-planten en dieren. Daar vinden vele, en daaronder de fraaiste en
-belangrijkste, wat hun elders ontzegd wordt. Over de planten zal ik
-later het een en ander mededeelen, maar het zal vermoedelijk velen
-mijner lezers belang inboezemen hier het een en ander omtrent de
-grootere dieren te vernemen. Daarbij moet men echter een onderscheid
-maken tusschen de opgaven in de gewone gidsboeken voor het park,
-en dat, wat de toerist werkelijk te zien krijgt. Onder de groote
-soorten verdienen vooral de bisons genoemd te worden, daar zij alleen
-hier nog werkelijk in het wild voorkomen. Evenals elders, zijn zij
-door hun woeste en weinig slimme natuur tot uitsterven veroordeeld,
-en het landsbestuur is op maatregelen bedacht om ze, door middel van
-omheiningen, des winters te dwingen op plaatsen te blijven, waar
-de sneeuw niet zoo diep ligt, en het gras dus voor hen bereikbaar
-is. Ook heeft men op het Dot-island in het Yellowstone-meer een
-troepje bisons ingevoerd met het doel om deze later, na genoegzame
-harding en vermenigvuldiging, des zomers vrij in de bosschen te laten
-zwerven. Behalve dit troepje, dat tijdens mijn bezoek uit een familie
-van een zestal exemplaren bestond, ziet de toerist natuurlijk geen
-bisons. En hetzelfde is het geval met de "elk" of eland, waarvan ik ook
-slechts het half dozijn exemplaren in het park op Dot-island zag. Men
-ziet de bisons en de elanden hier juist even goed en even natuurlijk
-als in den dierentuin te Amsterdam--afgezien van de omgeving.
-
-Volgens Chittenden's uitvoerig handboek over het park, dat in de
-meeste hôtels te koop aangeboden wordt, zijn bevers overvloedig in
-al de stroomen en zijn de door hen uitgevoerde bouwkundige werken
-overal te zien. Feitelijk wijst de gids u op den geheelen tocht op
-ééne plaats, die dan ook "beaver-lake" [6] heet, twee beverwoningen
-en een langen dam, die zigzagsgewijze dwars door den tot een meertje
-verbreeden stroom heen gebouwd is. Maar de dam is 16 jaren oud,
-en of de woningen nog bewoond zijn, wist niemand ons te vertellen.
-
-Omstreeks het jaar 1830 zijn de bevers, die vroeger zeer talrijk
-waren, in deze en de aangrenzende streken nagenoeg uitgeroeid. Het
-was in den tijd van de oprichting en de krachtigste werkzaamheid
-der bontmaatschappijen, die in scherpe rivaliteit alle bevers lieten
-vangen, die slechts te bemachtigen waren. Moge hierdoor ook al een
-der meest belangwekkende trekken van het landschap naar het schijnt
-voor goed verloren zijn, zoo moet men aan de andere zijde niet
-vergeten, dat de eigenlijke ontdekking van de wonderen der streek
-het gevolg is geweest van de onvermoeide en niets-ontziende tochten
-der beverjagers. Het was de eerste ontdekking van geysers en warme
-bronnen, van Canyons en landschapsschoonheden, die in Amerika bekend
-werd. Opgesierd met de verhalen die een rijke verbeelding en een
-onnauwkeurig geheugen rondom deze wonderen deden ontstaan, vonden de
-mededeelingen geen geloof. Toch waren zij de eerste bron van de kennis
-en de prikkel die tot latere, meer op onderzoek gerichte tochten en
-ten slotte tot de reserveering van het terrein als park aanleiding gaf.
-
-Een enkel verhaal moge een denkbeeld van deze overdrijving geven. Het
-is de eerste beschrijving van rotsen van vulcanisch glas, en wel
-van de rots, die thans Obsidiaan-cliff heet. Dit gesteente glinstert
-als glas, maar is gitzwart en ondoorzichtig. Een beverjager bevond
-zich in de nabijheid, maar zag de rots van glas niet. Daarentegen
-zag hij een hert, en schoot er op. Zeker van zijn schot, was hij ten
-hoogste verbaasd dat het hert kalm bleef grazen, en het schot niet
-eens scheen gemerkt te hebben. Hij schoot nog een paar malen, doch
-met hetzelfde gevolg. Toen wilde hij dichter bij gaan, maar stuitte
-tegen een glazen rotswand, waarachter het hert volkomen veilig was
-en waarop zijn kogels waren afgestuit.
-
-Natuurlijk vond dit verhaal geen geloof, ofschoon de Amerikanen anders
-lichtgeloovig genoeg zijn. Zoo vond een bewering dat het obsidiaan,
-omdat het zoo zwart is als steenkool, ook even goed moet branden,
-bij mijne reisgenooten vrij algemeenen bijval en werd ten minste niet
-tegengesproken, totdat een ander lid van het gezelschap verklaarde
-dat het woord obsidiaan toch een andere klank had dan steenkool en
-dus ook wel wat anders beteekenen zou.
-
-Van groote dieren ziet de toerist alleen de beren en de herten. De
-herten trekken in kudden rond, evenals in vele europeesche
-bosschen. Menigmaal zag ik ze, nu eens enkele, dan weer meer. De beren
-daarentegen worden u op eigenaardige wijze vertoond. Bij elk hôtel,
-behalve bij dat van Mammoth Hot Springs, is daartoe een bepaalde
-plaats bestemd, nu eens een klein dal, dan weer een open plek in een
-bosch. Hier worden al de geledigde blikjes en al de overige afval van
-het hôtel gebracht, en de beren komen des avonds zoeken, of daarin
-nog eenige lekkernij voor hen te vinden is. Op behoorlijken, maar
-vrij kleinen afstand is een ijzerdraad gespannen, en daarachter staan
-banken voor de toeristen om te zitten kijken. Schuw en bang komen de
-beren, omstreeks zeven of acht uur des avonds, een voor een uit het
-bosch te voorschijn, gaan op hun achterpooten staan en kijken overal
-rond of alles veilig is. Treft men luidruchtige reisgenooten, dan
-krijgt men niet veel te zien, daar de beren weldra omkeeren en naar
-het bosch teruggaan. Zochten zij de blikjes door, en vonden zij wat
-hun beviel, dan verkondigden zij dit door een luid gebrul; een zag
-ik er met een groot stuk in den bek snel den heuvel oploopen en in
-het bosch verdwijnen. Een ander klauterde in een boom en genoot daar
-klaarblijkelijk nog eens van het gevondene. Een moeder kwam met haar
-jong, beide gingen op de achterpooten staan om rond te kijken, en het
-was grappig om te zien hoe het jong de moeder in alles nadeed. Wel
-driemaal vonden zij het onveilig en gingen naar het bosch terug,
-eindelijk verstoutten zij zich en gingen eerst behoedzaam, daarna snel,
-den heuvel af naar de blikjes. Een oudere beer, die daar bezig was,
-misschien wel de vader, maakte toen voor hen plaats en ging om den hoop
-rondwandelen. Zoo kan men, na het middagmaal gebruikt te hebben, de
-levenswijze der beren, alhoewel onder zeer eigenaardige omstandigheden,
-uitvoerig gadeslaan. Maar hoewel ik een paar wandelingen door de
-bosschen gemaakt heb, ben ik er daar natuurlijk geen tegengekomen.
-
-Een enkele slang heb ik gezien en hier en daar op de rotsen een
-woodchuck, ook wel groundhog genoemd, een dier als een wombat,
-kruipende in of uit zijn hol. Algemeen zijn eigenlijk alleen
-eekhoorntjes, zoowel de bruine soort die op de boomen leeft, als
-de grijze, die met vier overlangsche zwarte strepen over kop en rug
-versierd is, als gevolg zegt men van de vier vingers van een godheid,
-die eenmaal trachtte dit onrustige dier tot rust te brengen. Maar het
-is nog altijd even onrustig en snelt over en langs de wegen. Ik zag
-ze in groot aantal, op één dag zelfs bijna honderd. Zij zijn door de
-wet volkomen beschermd en dus volstrekt niet vreesachtig, en ik kon
-ze herhaaldelijk van vlak nabij gadeslaan. Nieuwsgierig zitten zij,
-rechtop, aan den weg naar de voorbijgaande rijtuigen te kijken, met
-een pakje wortels of vruchten in hun voorpooten. Dikwijls ziet men
-ze hun holen in den grond opzoeken en daarin verdwijnen. Dicht naast
-mij, in het bosch bij Mammoth Hot Springs, zat een roode eekhoorn
-te knagen aan een groenen dennekegel, een vrij grooten van den Pinus
-flexilis, zoo groot ongeveer als die van onze zeedennen, maar niet zoo
-hard. Soms sprong hij op, met den kegel in zijn handen, ging dan weer
-zitten, en het was aardig om te zien hoe hij den kegel ronddraaide
-om de zaden te vinden. Eindelijk sprong hij op een tak en verdween,
-met groote sprongen van boom tot boom overwippende.
-
-Over leeuwen en andere verscheurende dieren, die de gidsboeken u
-opnoemen, zal ik maar niet spreken; die leven in de ontoegankelijke
-gedeelten der hoogere bergen, en men ziet ze natuurlijk nooit. Van
-visschen wekken alleen de trouts of forellen groote belangstelling,
-daar men ze in het heldere water der stroomen,--en op tafel--bijna
-elken dag zien kan. Het visschen is geoorloofd en behoort tot de
-voornaamste genoegens van het leven in het park.
-
-Een punt van belangstelling, dat echter op de kaart beter zichtbaar is
-dan in de werkelijkheid, is de "Continental divide". Dit is de lijn
-die men trekken kan tusschen de oorsprongsplaatsen van alle beken,
-wier water naar den Atlantischen Oceaan vloeit en van al die, welke
-naar den Pacific Oceaan uitwateren. De gewone toeristentocht ligt op
-het atlantische gedeelte van het gebergte, met uitzondering van een
-paar uren, die men aan de andere zijde rijdt. Men ziet dan de bergen
-naar het westen afhellen en in de verte het Shoshone-meer, waarvan
-het water, door bergstroomen omlaaggevoerd, naar de Columbia-rivier
-gaat, om door Oregon en langs Portland in zee te vloeien. Een
-paar naamborden wijzen de punten aan, waar men de scheidingslijn
-overgaat. Op een dezer beide punten ligt in de pas een groote plas,
-vol met gele waterplompen, en omlijnd door biezen en bloembiezen, als
-een hollandsch moerasje. Het water van deze plas weet niet, of het door
-de Columbia-rivier naar den Pacific-Oceaan, of door de Yellowstone en
-de Missouri naar de Atlantische zee zal gaan. Een moeilijke twijfel,
-want een kleine windstoot kan het water nu eens naar de eene zijde,
-dan weer naar de andere in de beek drijven en zóó de beslissing geven.
-
-Trouwens, in den loop der eeuwen kunnen ook groote meren in dit
-opzicht van meening veranderen. Het Yellowstone-meer, dat voor menig
-ander beroemd meer in grootte niet behoeft onder te doen, is daarvan
-een voorbeeld. In langvervlogen voorhistorische tijden liet het zijn
-water naar de Stille Zuidzee afvloeien. Maar in en na den ijstijd heeft
-het zich een uitweg naar het oosten gemaakt, den Grand Canyon als een
-diepe en enge sleuf in de rotsen ingravende. Het bereikte daardoor
-een nieuwen en tevens een beteren waterweg en kan sedert zooveel
-meer water afvoeren, dat zijn waterspiegel verscheiden tientallen van
-meters gedaald is. De vroegere "outlet" naar de Snake-rivier aan de
-westzijde is thans dus een vrij hooge, hoewel vlakke pas geworden.
-
-Een juist begrip van de bergen en van de vulkanische werkingen in
-het park moet natuurlijk uitgaan van de geologische gesteldheid. [7]
-Een zeer eenvoudig overzicht mag hier echter daartoe voldoende geacht
-worden. Het kan zich beperken tot den tijd, waarin de voornaamste
-uitstortingen van lava over het tegenwoordige park plaats vonden. In
-de krijt-periode was het park nog een gedeelte van de zee, die
-toen uitgestrekte streken van Amerika bedekte. Het was echter reeds
-omgeven door rotsen en gebergten en vormde waarschijnlijk een soort
-van golf, of een deel van een archipel van kleine eilanden. Door de
-werkzaamheid van koralen en andere diersoorten werden op den bodem dier
-zee kalkmassa's afgezet, die in den loop der tijden tot aanzienlijke
-lagen aangroeiden. Allengs werd echter, over de lijn die thans de
-kam van het Rotsgebergte is, de korst der aarde in verhouding tot
-de zee opgeheven, en omstreeks het einde der krijtperiode ging het
-park van zee over tot land. Dit leidt men daaruit af, dat na de kalk-
-of krijtlagen geen omvangrijke afzettingen meer hebben plaats gevonden.
-
-Lagen van kleinen omvang, in kleine zeeboezems of in meren gevormd,
-zijn gedurende den geheelen tertiairen tijd hier en daar afgezet,
-doch zij zijn voor ons tegenwoordig doel van geen beteekenis. Veel
-belangrijker is, dat gedurende al dien tijd het park de zetel van
-een vrij groot aantal vulkanen geweest is, die allengs het grootste
-gedeelte van de landstreek met lava en vulkanische asch bedekt
-hebben. Een dier kraters was de Mount Washburn, en deze vertoont
-op zijn top nog de ronde holte van den vroegeren kratermond. Thans
-echter is hij sinds lang uitgedoofd, evenals alle andere vulkanen
-van deze streek, en is de kratermonding met dennenbosschen dicht
-begroeid. De lava-stroomen vloeiden van uit die kraters in alle
-richtingen over het land; nu eens bleven zij afzonderlijk en vormden
-dan eigen bergruggen, dan weer vloeiden zij ineen, zoodat plateau's met
-talrijke uitloopers ontstonden. De meeste tegenwoordige heuvels zijn
-zulke oude lava-stroomen, terwijl de hoogere toppen waarschijnlijk de
-plaatsen der oude kraters aanduiden. De lava en de vulkanische asch,
-tot rotsen en gebergten vervormd, bedekt thans nagenoeg de geheele
-vlakte, en slechts hier en daar komen de oude lagen voor den dag.
-
-Over het algemeen is de lava een zacht gesteente, dat bij het verkoelen
-sterk gebarsten is en gemakkelijk verweert. Voeren de bergstroomen de
-verweerde deelen spoedig weg, zoo blijven de rotsen naakt en vertoonen,
-door de talrijke kloven en de dikwijls op ruïnen gelijkende toppen,
-bizonder fraaie en afwisselende vormen. Soms niet veel hooger dan
-de naburige dennenboomen nemen deze rotsen in andere dalen zeer
-indrukwekkende afmetingen aan. Alle overgangen tusschen gewone lava
-en glasachtige lava of obsidiaan zijn voorhanden, en hier en daar
-vindt men ook basalt-formaties. De basalt, die meest zeer regelmatig
-tot zeszijdige zuilen gebarsten is, levert een uitmuntende bouwsteen,
-en de poort aan den noordelijken ingang bij Gardiner is dan ook geheel
-uit deze steen opgetrokken.
-
-De lava levert natuurlijk het gesteente, waarvan de groote wegen
-worden gemaakt. Vooral de glasachtige soorten zijn daarvoor geschikt,
-daar zij harder zijn en minder snel tot stof vergaan. Om de blokken
-tot gruis te verwerken moet men hier echter een zeer bizonder middel
-gebruiken. De blokken worden in een vuur van dennenhout verhit en dan
-plotseling met koud water overgoten. Zij barsten dan juist in gruis
-van de gewenschte korrelgrootte uiteen. De zachtheid van de lava
-maakt echter, dat de wegen snel slijten en zeer stoffig zijn. Om aan
-dit bezwaar tegemoet te komen laat de regeering de wegen, overal waar
-voldoende water aanwezig is, regelmatig besproeien. Meest wordt het
-water van een hoogere berghelling in een pijp geleid, die eindigt boven
-de plaats waar een waterwagen gevuld moet worden. Zulke standpijpen
-ziet men in de bergstreken zeer veelvuldig. Is er geen berg dicht
-genoeg bij den weg, zoo moet het uit de beken worden opgepompt. De
-groote zorg, die hieraan besteed wordt, draagt zeer veel er toe bij
-om het rijden in een reeks van rijtuigen aangenamer te maken.
-
-Hoe de verkoelde lavastroomen op de krijt-lagen liggen, kan men
-dikwijls zien, als men de hellingen der grootere heuvels beschouwt. De
-hoogere heuvels zijn namelijk wel niet hooger dan de andere, maar
-het dal aan hun voet is door den bergstroom dieper uitgegraven. Van
-dit uitgraven kan men, op verschillende plaatsen, bijna alle stadiën
-zien. Is nu het dal zoo diep uitgegraven, dat de krijtlaag niet alleen
-bereikt is, maar dat daarenboven de kloof in deze indringt, en is dan
-de rots steil genoeg om niet door verweerden grond bedekt te zijn,
-zoo ziet men natuurlijk de lava op het krijt rusten. Sommige dalen
-zijn in het krijt zoo diep uitgehold, dat de bergen ter weerszijden
-geheel uit grijs-witte krijt-lagen schijnen te bestaan, slechts aan
-hun top door de roodbruine lava-massa's gekroond.
-
-Het is natuurlijk niet gemakkelijk om op zulk een tocht te zien, hoe
-de rivieren werken en hoe de dalen ontstaan. In den zomer is alles
-rustig en kalm, en zelfs de watervallen schijnen geen verandering
-in hun omgeving te brengen. Het eigenlijke werk geschiedt in den
-winter en vooral in het voorjaar, als de sneeuw, die het geheele
-park bedekt, snel begint te smelten en de beken dus tijdelijk zeer
-groote hoeveelheden water afvoeren. Niets is dan tegen hun geweld
-bestand, en rots voor rots wordt ondergraven en gebroken en ten val
-gebracht. Het eene jaar hier, het andere jaar daar verandert het
-landschap. De kleinere trekken verdwijnen, en slechts de hoofdlijnen
-blijven dezelfde, tot ook hare beurt zal komen om voor de macht van het
-water onder te doen. Maar de reiziger ziet van dit alles niets; hij kan
-niet onderscheiden of een naakte rotsvlakte jong of oud is, en of een
-rots vroeger hooger was dan nu, of door andere vormen gekroond. Toch
-zijn er verschijnselen, waaruit men kan afleiden wat er 's winters
-gebeurt. Dit zijn vooral oude wegen, die voor een zeker aantal jaren
-door geen nieuwen weg vervangen en sedert niet meer verzorgd zijn. Zulk
-een weg is o.a. die in de klove tusschen Livingston en Gardiner,
-kort vóór dat men het laatstgenoemde dorp bereikt. Dit Canyon voert
-den naam van Yankee Jim, en jaren voordat de spoorweg door dit enge
-dal gemaakt werd had James George hier een wagenweg aangelegd, die
-nagenoeg de eenige toegang tot het latere park was. Hij had het recht
-om op dien weg tol te heffen en genoot daarvan langen tijd een niet
-onbelangrijk inkomen. Eenige jaren geleden is echter de spoorweg, die
-toen slechts tot Cinnabar liep, door dit Canyon doorgetrokken tot aan
-Gardiner, d.w.z. tot aan den ingang van het park zelf. Verder kon hij
-niet gaan, daar de bepalingen omtrent de strekking en het onderhoud
-van het park den aanleg van spoorwegen daarin verbieden. Vroeger moest
-dus ieder, die te Cinnabar uitstapte, langs den weg van Yankee Jim
-naar Gardiner rijden; nu spoort men eenvoudig door. De weg is dus
-in onbruik geraakt, en het onderhoud niet meer waard. Maar van den
-trein uit kan men zien, wat in die enkele jaren gebeuren kon. Op
-talrijke plaatsen toch is de weg onder rotsstortingen bedolven,
-soms over een lengte van honderden meters. Geweldige aardmassa's en
-groote rotsblokken moeten in die weinige winters omlaag gekomen zijn,
-nieuwe hellingen vormend, en nieuwe rotswanden onthullend. Soms ligt de
-massa huizenhoog op den weg, en strekt zij zich tot in de rivier uit.
-
-Het neerstorten van zulke rotsmassa's is ten deele het gevolg van het
-afknagen van den voet door de bergstroomen. Maar deze alleen zouden
-niet zoo spoedig zulke groote hoeveelheden kunnen afbreken. Zij worden
-geholpen door het ijs. Overal is het inwendige der rotsen gebarsten,
-en in deze barsten dringt het water door, na als regen op het oppervlak
-gevallen en korter of langer tijd in de bovenste lagen vastgehouden
-geweest te zijn. In het najaar wordt het zoo koud, dat het water in
-deze spleten bevriest. Nu echter weet men, dat water bij het bevriezen
-met geweldige kracht uitzet. De barst wordt dan daardoor een weinig
-verwijd. Is dit juist zooveel, dat de steenmassa aan de vrije zijde
-daardoor losraakt, dan valt zij nog niet, want het ijs werkt ook als
-plakmiddel. Maar als dan in het voorjaar het ijs ontdooit, houdt het
-verband op, en de geheele steenmassa valt omlaag. Het is trouwens
-hetzelfde spel, dat zich in alle rotsachtige streken herhaalt, en
-waarvan men de verwoestende gevolgen ook in Zwitserland niet zelden
-waarnemen kan.
-
-De Canyons zijn in het algemeen kloven, die door de bergstroomen met
-behulp van dit proces in de gesteenten zijn uitgegraven. Het ijs werpt
-de rotsblokken omlaag, het water vervoert het gruis, en slijt de te
-groote blokken allengs af. Maar grootere en kleinere blokken, zoo groot
-als een kamer en meer, ziet men bijna overal in de rivieren liggen,
-soms zeer sierlijk met struikgewas begroeid. Langzaam wordt het dal
-dieper en breeder. Is het gesteente zacht, zooals in het Grand Canyon,
-dan wordt de kloof van boven betrekkelijk sterk verwijd; is het echter
-harder, zooals in de oude lava-stroomen en vooral in de basalt, dan
-is het dal dikwijls huizenhoog niet veel breeder dan waar de rivier
-er in stroomt. In deze twee gevallen ontstaan geheel verschillende
-landschappen, maar zoowel het eene als het andere oefenen op den
-bezoeker een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit.
-
-De kraters zijn uitgedoofd en de lava-stroomen verkoeld, en
-alleen de geysers en warme bronnen getuigen er nog van, dat de
-onderaardsche warmte hier dichter bij de oppervlakte komt, dan op
-de meeste overige plaatsen dezer wereld. Maar die uitdooving zelve
-is reeds van ouden datum. Na haar heeft hier, evenals elders, die
-bekende periode van koude geheerscht, waarin de gletschers geheele
-landstreken bedekten, en de hoofdrol in de geologische veranderingen
-van het aardoppervlak speelden. Voordat ik echter over deze ijsperiode
-spreek, is het misschien goed een vraag te vermelden, die de reiziger
-zich onwillekeurig stelt, en die vrij rechtstreeks tot een juiste
-voorstelling geleidt.
-
-Het Grand Canyon aan de Yellowstone-rivier, dat ik reeds eenige malen
-genoemd heb, is een klove van onovertrefbare schoonheid in vormen en
-kleuren, door de rivier in de vulcanische lagen gegraven. Het strekt
-zich over een twintigtal mijlen uit, en is op het schoonste gedeelte
-omstreeks 400 Meter diep. Het is een kloof in een uitgestrekt plateau,
-en een voortreffelijke rijweg voert op dit plateau langs den rand
-van den afgrond, terwijl in de diepte, waar de rivier bruist, het dal
-meest zoo eng is, dat er zelfs voor geen boom plaats is. Boven op dit
-plateau nu ligt, juist bij het meest imposante gedeelte van het Canyon,
-een eenzaam rotsblok, verscholen in het dennenbosch, half zoo hoog
-als de boomen. Maar het is thans een bekende curiositeit geworden,
-en de weg naar Inspiration-point voert er vlak langs. Gaat men even
-van den weg af om het nader te beschouwen, dan wordt men terstond
-getroffen door twee feiten. Ten eerste ligt het klaarblijkelijk los
-op den grond, zonder eenig verband met de onderliggende rotsen. Ten
-tweede echter bestaat het uit graniet, en geenszins uit vulkanische
-steen, zooals de geheele streek in de rondte. Het heeft een fraaie
-en gemakkelijk te herkennen granietstruktuur, die vooral daar goed
-te zien is, waar door het afvallen van kleine stukken, een gave
-breukvlakte aan den dag is gekomen.
-
-Van waar komt dit blok? Het ligt honderden meters boven de rivier, en
-is ook vele malen te groot en te zwaar om zelfs door den machtigsten
-stroom te kunnen worden vervoerd. Van waar komt het? Het moet
-natuurlijk eenmaal afgebroken zijn van een naburigen granietberg, en
-hierheen gebracht. Maar in den omtrek komen wel enkele hooge bergen
-voor, zooals Mount Washburn, maar die zijn uitgedoofde kraters en
-bestaan niet uit graniet.
-
-Uit graniet bestaan echter de Absaroka-gebergten, die ik ook reeds
-genoemd heb, en die op de oostelijke grenzen van het park gelegen
-zijn. Van uit het park ziet men ze, als het uitzicht vrij is, als een
-hooge keten van toppen, hier en daar op de hellingen met sneeuwvelden
-bedekt, op grooten afstand. Evenzoo vindt men hier en daar aan de
-andere zijden op en over de grenzen van het park granietgebergten. Maar
-dichterbij vindt men ze niet. Daaruit volgt dus met volkomen zekerheid
-de conclusie, dat dit blok van een der omliggende bergen, en wellicht
-juist van de Absaroka's, hierheen is gekomen.
-
-Zoo dit feit alleen stond, zou het natuurlijk moeilijk te gelooven
-zijn. Men zou zich niet goed een voorstelling van zulk een werking
-kunnen maken. Maar het staat volstrekt niet alleen. Zoodra men toch
-het park bij Gardiner binnen komt, rijdt men door een vallei, die
-met grootere en kleinere granietblokken als bezaaid is. Overal waar
-de weg in de heuvelhellingen is ingegraven, ziet men links en rechts
-dergelijke steenen in den grond. De geheele bodem bestaat hier uit
-een laag van granietsteenen, waarvan de tusschenruimten eenvoudig
-met verweerd graniet zijn aangevuld.
-
-Het vervoer van graniet heeft dus op zeer groote schaal plaats
-gevonden, en ging gepaard met een zeer aanzienlijke verweering van
-dit gesteente. Trouwens bijna in alle dalen van het park vindt men
-zulke blokken en zulke lagen, ofschoon natuurlijk geen van alle de
-afmetingen van dat beroemde blok bij Inspiration-point ook maar nabij
-komt. Er moet dus een werking geweest zijn, die in staat was bergen
-te splijten en den afval van alle kanten naar het park en over het
-park heen te vervoeren. Dat vervoer geschiedde in de richting waarin
-thans de beken en stroomen zich bewegen, en zich ten slotte alle te
-zamen vereenigd in Yellowstone-rivier, bij Gardiner uit het park naar
-het Noorden begeven. Want ook de vallei van deze rivier, tot voorbij
-Livingston, vertoont overal deze zelfde erratische [8] gesteenten.
-
-Om dit alles te verklaren, en in verband met hetgeen men omtrent de
-ijsperiode uit andere streken en landen weet, stelt men zich voor,
-dat in een tijd, toen het Grand Canyon nog niet bestond, en het
-plateau hier dus nog onafgebroken was, één enkele groote gletscher
-het geheele park bedekte. Ontstaande in de kloven en op de hellingen
-van alle omliggende bergen, bewoog zich dit ijs als een taaie maar
-buigzame massa over het park heen, en drong het door het enge Canyon
-van Yankee Jim in de vlakte van Cinnabar en Livingston. Waar het op de
-bergen langs de rotsen gleed, brokkelde het deze af, en beladen met de
-producten schoof het noordwaarts. Nu eens zullen de blokken bij dien
-val vergruizeld zijn, dan weer zal hetzelfde lot hen getroffen hebben,
-als zij ten slotte van het ijs afvielen, maar enkele blokken kunnen
-natuurlijk aan dit lot ontkomen zijn. Zulk een blok zou dan dat van
-"Inspiration-Point" zijn. En thans ligt het daar, om te getuigen van
-wat in lang vervlogen tijden, wellicht vóór er menschen in Amerika
-woonden, door de grootsche machten der natuur gewrocht is.
-
-Maar hoe verleidelijk het ook zij, ik mag hier niet over de ijsperiode
-uitweiden. Reeds lang genoeg heb ik mij met de geologische gesteldheid
-beziggehouden, en wil daarom hier de beschrijving en verklaring
-van wat ik gezien heb, eindigen om nog een enkel feit te vermelden,
-dat gebrek aan tijd mij belette te gaan aanschouwen. Maar het is te
-merkwaardig om het geheel onaangeroerd te laten.
-
-Op een plaats, genaamd Fossil Forests [9], doch niet aan de gewone
-touristen-route gelegen, heeft de rivier Lamar een diepe en enge
-spleet in den rotsachtigen grond gegraven. Daardoor zijn de boven
-elkander liggende lagen van deze rotsmassa plaatselijk zichtbaar
-geworden, en zij zijn het die de fossiele bosschen vertoonen. Stelt
-u voor, dat oudtijds een groot dennenbosch hier de vlakte bedekte,
-en dat dit plotseling door een lavastroom of door vulkanische asch
-bedolven werd. De stammen werden verkoold, doch konden door gebrek
-aan lucht niet verbranden. Eenmaal bedekt werden zij langzamerhand
-fossiel door het water dat het afgekoelde gesteente eeuwen lang
-doorsiepelde, en dat uit de steenmassa kiezelzuur oploste om
-dit weer in de stammen af te zetten. Van betrekkelijk zacht hout
-gingen zij in een glanzige steenmassa over, zoo hard als het beste
-vulcanische glas. Ondertusschen verweerden de bovenste lagen van de
-lava en vormden een grond, geschikt voor plantengroei. Een nieuw
-bosch ontstond boven op het oude, maar vroeg of laat zou ook dit
-weer door lava bedekt en versteend worden. Zoo ziet men hier in den
-vertikalen rotswand een aantal bosschen uit verschillende perioden
-boven elkander staan, gescheiden door lagen van verharde asch. Hier
-en daar zijn de stammen zeer goed bewaard gebleven. De stammen en de
-wortels ziet men van verre, van meer nabij onderscheidt men het hout
-en de schors; maar ook takken en dennennaalden, ja zelfs de gaten,
-die door rupsen in het hout geknaagd waren, kan men herkennen. Men kan
-de jaarringen tellen en vindt dan voor de dikste boomen een ouderdom
-van somwijlen 500 jaren, bij een diameter van 3 meter en meer. Op
-ééne plaats ziet men op den rotswand een grooten stam, die vóór de
-algemeene verwoesting omgevallen was, in horizontale richting tusschen
-de stompen liggen. Men heeft de opeenvolgende boschformaties geteld,
-en de ervaringen aan verschillende gedeelten vereenigend, is men tot
-de uitkomst geraakt dat ten minste negen- en waarschijnlijk twaalfmaal
-zulke bosschen bedolven en door nieuwe vervangen geworden zijn.
-
-Keeren wij echter terug tot het thans levende bosch, dat meer dan
-drievierde gedeelte van het park bedekt en nagenoeg overal, zoowel op
-de hellingen der bergen als op de vlakten, gezien wordt. Wat mij in dit
-bosch het meest trof, was de omstandigheid dat de grond overal bezaaid
-is met doode stammen en dat ook tusschen de levende boomen de doode nog
-staan blijven totdat zij omvallen. Soms ziet men de doode stammen bij
-honderden boven de toppen der levende uitsteken. In vergelijking met de
-dennenbosschen in Europa en met name in de Zwitsersche Alpen maken deze
-tallooze meest sterk gebleekte, soms bijna geheel vermolmde stammen
-een eigenaardigen indruk. Zonder twijfel behoort ook de dood tot de
-natuur, en is het sterven van boomen een zeer natuurlijk verschijnsel,
-een normaal bestanddeel van het wezen van een bosch. Toch is er iets
-weemoedigs en iets onvolkomens in al die afgestorven overblijfselen,
-iets wat den indruk sterk vermindert, en zoowel aan het liefelijke
-als aan het grootsche merkbaren afbreuk doet.
-
-Het dennenbosch bestaat geheel uit ééne soort van den, den reeds
-genoemden Pinus contorta var. Murrayana, die lodge pine, pole pine
-of black pine (zwarte den) genoemd wordt. Voor timmerhout zijn de
-stammen geheel zonder waarde, voor telegraafpalen en overeenkomstige
-doeleinden zijn zij bruikbaar, en natuurlijk ook voor brandhout. Maar
-in een onbevolkte streek zooals deze zou zelfs een verlof tot
-het wegvoeren der doode stammen in dit opzicht geen verbetering
-aanbrengen. Alleen rondom de hôtels zijn zij weggehaald, om voor
-brandstof te dienen. Daarbij komt nog een andere reden. In de droge
-maanden vormen deze liggende stammen groot gevaar met het oog op
-boschbranden, die door dit doode en droge hout sterker voortgeplant
-worden dan door de levende boomen.
-
-De zwarte den is een vreemde boom. Inplaats van de krachtige stammen
-en uitgespreide kronen van onze dennen heeft hij een dunnen slanken
-en zeer hoog opgroeienden stam, die van onderen tot boven met takken
-bezet is. Maar die takken zijn nagenoeg alle even zwaar en even lang,
-zoodat een kaarsvormige gedaante ontstaat, herinnerende aan die der
-Californische reuzenboomen. De naalden blijven langer aan de takken,
-en niet zelden ziet men stamgedeelten van 10 of meer jaren ouderdom
-nog met de naalden overdekt. De vruchten zijn talrijke, maar kleine
-kegels. Een zeer opvallende eigenschap is, dat vele stammen zich in
-twee gelijke, en bijna tegen elkander aan gedrukt omhoog groeiende
-takken splijten. Dit kan zich herhalen, zoodat niet zelden een stam,
-die van onderen enkelvoudig en betrekkelijk dun is, naar boven in zes
-of acht, of zelfs in tien tot twaalf rechtopstrevende armen gesplitst
-is. Overal zag ik die splitsingen; soms zoo talrijk, dat minstens
-elke vierde boom er een of meer vertoonde.
-
-Zeer gevoelig is de zwarte den voor vrijen stand. De bosschen zijn
-altijd ijl, doorzichtig, nooit een gesloten massa vormende zooals
-onze dennenbosschen. Elke boom staat dus op zich zelf. Maar dit is
-voor een zwarten den nog lang niet genoeg. Hij wenscht rondom de
-ruimte te hebben, en door geen soortgenoot of anderen boom belemmerd
-of beschaduwd te worden. Heeft hij zulk een stand van jongs af gehad,
-dan wordt de vorm zeer statig. In verhouding tot de hoogte wordt de
-stam dan dik, en hij blijft van onderen tot boven rondom met groene
-zijtakken omgeven. Het is nog wel niet de trotsche pyramide van onze
-sparren, maar nadert er toch zeer toe. Het verschil tusschen zulke
-vrijstaande exemplaren en de andere is zoo groot, dat leeken de beide
-vormen voor verschillende soorten houden.
-
-Maar zulk een stand is zeldzaam. Meest staan zij dicht opeen,
-en zelfs waar het jonge gras opschiet ziet men ze veel te dicht
-staan. Het gevolg is, dat de stammen zeer hoog en dun worden. Zij
-kunnen zoo dun worden, dat zij hun eigen kroon niet kunnen dragen,
-en slechts door hun buren rechtop gehouden worden. Komen die buren
-te vallen, dan buigt zulk een stam zich ter aarde, en ik zag er,
-die ongebroken, met de kroon op den grond lagen, terwijl de jonge
-toppen van de zijtakken zich weer alle omhoog gebogen hadden.
-
-Hier en daar is een boschbrand de schuld van het voorkomen van
-veel doode stammen, die dan kaal en naakt boven het opstaande
-jongere geslacht uitsteken. Maar overal ziet men in het bosch
-boomen sterven. Meestal zijn het de oudere, enkele malen ook
-jongere. Gewoonlijk sterven de takken van onderen af, door den te
-dichten stand, en allengs is alleen de topkroon nog groen. Later
-sterft ook die, zonder dat men de reden zien kan. In droge streken
-zou men meenen, dat watergebrek hierbij een rol speelt, en dat
-talrijke jonge en krachtige exemplaren het water zoo sterk tot zich
-kunnen trekken dat er voor de oudere en zwakkere niet genoeg meer
-overblijft. Maar hier is geen gebrek aan water. Het droge seizoen
-duurt slechts kort, en regens zijn in den zomer zeer talrijk, en
-geven, te oordeelen naar de onweersbuien die ik bijwoonde, een zeer
-voldoende hoeveelheid water. Ook is de den niet zeer gevoelig voor
-verschillen in watergehalte, want hij groeit zoowel op de hellingen
-en in de spleten van afgevallen rotsblokken, als aan den oever der
-meertjes en in de moerassige velden.
-
-In verband met het bovenstaande moge hier opgemerkt worden, dat
-het bosch geheel zonder menschelijke zorgen is. Het plant zich zelf
-voort. Overal ziet men dan ook jonge en oude exemplaren en dennen van
-alle leeftijden dooreen, en dit geeft natuurlijk een hoogen graad
-van onregelmatigheid en ijlte. De doode boomen vallen zooals zij
-kunnen en liggen dan ook dikwijls schuin met den stam in de kroon
-van andere. Andere boomsoorten zijn er maar weinig. Langs de randen
-en langs de beken en stroomen ziet men nog al eens sparren (Abies
-subalpina), met een grijsblauw loof, die daarom hier zilverspar heeten,
-maar die niet overeenkomen met hun hollandschen naamgenoot. Enkele
-andere soorten van sparren, nl. de Douglas-spar (Pseudotsuga mucronata)
-en de Engelmann-spar (Picea Engelmanni) zijn zoo zeldzaam, dat zij
-eigenlijk geen invloed op het landschap uitoefenen.
-
-Dit doen daarentegen een paar loofboomen wel. Het zijn populieren
-en wilgen, van elk ééne soort, en te zamen alle loofboomen van het
-geheele park uitmakende. De populier (Populus tremuloides) gelijkt
-sprekend op onze gewone klaterpopulier, maar heeft wat kleiner blad en
-wat slanker gestalte; hij vormt tegen de berghellingen soms geheele
-bosschen van een blauw-groene kleur, waartusschen dan de donkere
-dennen een scherpe tegenstelling vormen. De wilgen groeien langs de
-rivieren en in de moerassen; zij zijn meestal ternauwernood manshoog,
-maar bedekken uitgestrekte vlakten van den vochtigen bodem. Aan de
-zeer smalle bladeren zijn zij gemakkelijk te herkennen.
-
-Het bosch heeft, trots zijn doorzichtigheid, zeer weinig
-onderhout. Kleine, meest kruipende heestertjes vormen zoden op den
-grond, doch veelal is die kaal. De kruipende jeneverbes, hier kruipende
-ceder genoemd (Juniperus sibirica), is een zeer fraaie vorm, vooral
-als hij over rotsblokken als een gordijn omlaag hangt. Een andere
-soort van hetzelfde geslacht, de roode ceder (Juniperus scopulorum),
-groeit recht omhoog, en vormt, vooral bij Mammoth Hot Springs, hooge
-en zeer gevulde boompjes, vol bessen, die nu nog groen waren. Groene
-zoden van een meter en meer, plat op den grond liggend en dikwijls
-eveneens vol beladen met bessen, maar met ronde blaadjes, behooren
-tot de berenbes, zoo genoemd omdat de bessen, ten minste van sommige
-soorten van dit geslacht (Arctostaphylos), behaard zijn, terwijl bijna
-alle andere soorten van bessen een onbehaarde schil hebben. De bessen
-zijn eetbaar en zeer gezocht en waren den Indianen goed bekend; zij
-noemden ze Kinnikinick, en dien naam hebben deze planten ook nu nog
-behouden. Van de schors maakten de Indianen een soort van tabak. Andere
-lage besdragende heestertjes zijn er in talrijke soorten; ik noem
-daarvan een lage soort van Mahonia, wier blauwe bessen in trosjes
-uit de naakte rots schijnen te komen, en een zeer kleine boschbes,
-klein van struik en blad en klein van bes, maar uiterst algemeen,
-evenals onze gewone blauwe boschbes. De besjes zijn echter rood.
-
-Wilde bloemen zijn er in het eigenlijke bosch niet veel. Deze komen
-eerst aan den rand voor den dag, zooals de wilde roode roosjes,
-maar vooral op de graslanden, die hier en daar op de vlakte met het
-bosch afwisselen. Uitgestrekte weiden leveren een uitstekend voedsel
-voor wilde herten en antilopen en ten deele ook voor enkele kudden
-vee. Gramma-gras en buffalo-gras vormen er een groot gedeelte van, maar
-het bunch-gras is verreweg het belangrijkste en algemeenste. Enkele
-europeesche grassoorten spelen een belangrijke rol, zooals Festuca
-ovina en Koeleria cristata. Daartusschen ziet men tallooze bloemen in
-allerlei kleuren. Vóór allen de blauwe gentiaan, die een van de meest
-gewone sieraden dezer weilanden is (Gentiana detonsa). Groote blauwe
-bloemen op dunne slanke stelen, elk met vier wijduitstaande slippen
-prijkend, en niet zooals de groote gentianen bij ons, met een weinig
-geopende kroon. Maar de fraaie goudgele stippels en het donkere blauw
-van onze soort missen de amerikaansche, zij gelijken veel meer op
-een sterk vergroot beeld van onze kleine duin-gentianen. Afwisselend
-met deze zag ik de roode kwastjes der paint-brush, en de gele pluimen
-der guldenroeden. Alle drie deze soorten zijn zoo veelvuldig en zoo
-in het oog loopend, dat zij in groote bouquetten ter tafelversiering
-in de hôtels gebruikt worden.
-
-Donkere Aconieten en sierlijke akeleien groeien meer in het bosch
-(vooral Aconitum columbianum en Aquilegium flavescens), een soort van
-edelweiss, zeer gelijkend op onze inlandsche soort (Gnaphalium dioicum)
-en enkele immortellen vindt men eveneens overal. Lelieachtige gewassen,
-blauwe lupinen, paarsche asters, gele Doronicums, alpen-aardbeziën
-en allerlei andere, min of meer van hun europeesche geslachtsgenooten
-afwijkende vormen ziet men overal. Sierlijke, groenkronige orchideeën
-met gedraaide reeksen van bloemen vond ik soms dicht bij de randen
-der kokende Geysers.
-
-Tegenover deze typische en locale flora, waarvan ik gaarne nog
-allerlei andere voorbeelden zou opnoemen, staan enkele klaarblijkelijk
-europeesche indringers. Het gewone duizendblad (Achillea Millefolium)
-volgt de nieuwe wegen en zelfs de kamille zonder straalbloemen,
-die in Europa eerst in de laatste tientallen van jaren zich zoo snel
-uitbreidt, is hier tot in het hart van het park doorgedrongen. Ik zag
-ze rondom de hôtels, vooral in het Lower-Geyser-bassin. Merkwaardig
-is ook dat de wilgeroosjes (Epilobium angustifolium) met hun lange
-rechtopstaande trossen van roode bloemen, hier evenals bij ons op de
-heiden, zeer algemeen zijn.
-
-Yellowstone-Park is een hoog plateau. De bergen steken slechts
-weinig boven de vlakte uit. Eigenlijke sneeuwtoppen zijn er niet,
-maar toch ligt er in de canyons der hoogste bergen in Augustus nog
-vrij veel sneeuw. Op groote afstanden ziet men de schitterend witte
-velden en strepen. De bergen hebben meest glooiende, hoewel vrij
-steile hellingen, en deze zijn tot op de kammen met het dennenbosch
-begroeid. Slechts hier en daar ziet men naakte rotsen, of hellingen die
-met groote steenblokken bezaaid zijn. Doch daarover heb ik thans niet
-te spreken. Het hoogplateau is uit den aard der zaak moerassig. Nu
-eens vormt het uitgestrekte vochtige weilanden, met een natuurlijke
-draineering, dan weer echte moerassen met stroompjes en plassen en
-meren. Hier tiert een moeras-vegetatie in groote weelderigheid. In
-de geslachten komt zij met onze waterplanten overeen, en zelfs de
-gele waterleliën (Nuphar) ziet men hier veelvuldig en in groote
-aantallen. Biezen en bloembiezen, zeggen en grassen en allerlei
-gewone waterplanten vormen de hoofdmenigte. In enkele plassen
-zag ik de lidsteng of Hippuris in groote hoeveelheid, in andere
-vooral veen-vormende mossoorten. Zoutgrassen, overeenkomende met
-onze Triglochin's, maar grooter en frisscher, groeiden vooral op de
-natste plaatsen.
-
-Een van de meest aantrekkelijke zijden van het park is de rijkdom
-aan fraaie wilde bloemen, die groote overeenkomst vertoonen met de
-europeesche alpenplanten. Zij geven de kleuren en de afwisseling aan
-de hellingen en de vlakten. Moge het bosch zwart en eentonig zijn,
-de bloemen verlevendigen het in zoo hooge mate, dat zij de aandacht
-van alle toeristen trekken, en dat bouquetten plukken een der meest
-geliefde bezigheden is. Groote donkerblauwe gentianen kleuren de weiden
-in strepen en vlekken, of wisselen op de moerassige plaatsen met de
-rose-roode en oranje kwasten van de Indian paint brushes (Castilleia)
-af. Overal vindt men bloemen. Ternauwernood verdwijnt de sneeuw of
-zij verheffen hare hoofden, en in onafgebroken afwisseling blijven
-zij een sieraad van veld en boschrand, totdat, drie maanden later, de
-sneeuw wederom een einde aan haar leven maakt. Snel volgen de soorten
-elkander op, want de tijd is kort. Maar wat aan den duur ontbreekt,
-wordt door het aantal vergoed.
-
-Meest zijn het lage planten, of soorten die haar bloemen even boven
-het gras uitsteken. De manshooge bloemplanten, die in Zwitserland in de
-bosschen der lagere bergstreken een zoo belangrijke rol spelen, zag ik
-hier zoo goed als niet. Meest ook zijn de bloemen niet zeer groot en
-niet tot rijkbeladen trossen vereenigd. De grootte van vlasbloemen is
-hier wel de meest algemeene, maar het vlas zelf, hoewel zeer veelvuldig
-en blauw bloeiend, is een andere soort dan het onze, Linum perenne,
-en belangrijk om de vruchten, die openspringen en de zaden uitwerpen,
-terwijl het gekweekte vlas juist in het dichtblijven der vruchten een
-zoo uitstekend middel heeft, om het verlies van zaad vóór en bij het
-oogsten te voorkomen.
-
-Grootere bloemen vertoont het roode Bitter-Root, Lewisia rediviva,
-een voorjaarsplant, en vrij groote schermen van zwavelgele
-bloemen vertoonen de Eriogonums, die, in verschillende soorten, de
-berghellingen tijdens mijn bezoek bijna overal bedekten. Allerlei
-immortellen ziet men, witte, grijs-grauwe en gele, en onder deze is
-vooral de Everlasting of the East (Anaphalis) zeer algemeen. Gewone
-blauwe klokjes (Campanula rotundifolia), Penstemons, Geraniums,
-verschillende soorten van Oenothera's, Monkey-flowers of Mimulus en
-tal van andere zouden genoemd kunnen worden.
-
-De mooiste bloem die ik zag is de Mentzelia. Het zijn helder witte
-bloemen zoo groot als Papavers, en door een groot aantal meeldraden
-daaraan herinnerend, maar met talrijke smalle bloembladeren, die op
-een grijsgroen, sterk vertakt, doornachtig gewas groeien. Bij Mammoth
-Hot Springs, en vooral langs den weg die onderlangs dit dorpje voert,
-zag ik ze in groot aantal. Zij openden hun bloemen tegen den avond, en
-herinnerden dan in sterke mate aan den nachtcactus, met welks bloemen
-men ze op een afstand gemakkelijk kon verwarren. Maar zij behooren
-tot een geheel andere familie, namelijk tot die hevig brandende,
-meest met oranje bloemen versierde planten, die in onze tuinen soms
-als Loasa gekweekt worden. De Mentzelia's echter branden niet, maar
-treffen u door een rijken en aangenamen reuk, vooral des avonds, als
-de bloemen open zijn. De gelijkenis op den genoemden Cactus is oorzaak
-dat deze bloem, die ook in de omliggende woestijnen niet zeldzaam is,
-met den naam van Night blooming Cactus [10] wordt aangeduid.
-
-Omtrent het zooeven genoemde Bitter-Root valt nog op te merken,
-dat het in ongunstige jaren zeer zeldzaam, doch in betere jaren
-soms zeer algemeen is, vooral rondom Mammoth Hot Springs. Het heeft
-fraaie stervormige bloemen, die op korte stelen dicht boven den grond
-groeien. De Indianen gebruikten de wortels als voedsel, en later is
-deze bloem gekozen om de State-flower van Montana te zijn.
-
-Vergeetmijnietjes zijn vertegenwoordigd door Myosotis alpestris,
-Primula veris door een verwante soort, de Clematis gelijkt in
-hooge mate op onze heggeranken, ofschoon de soort een andere is
-(C. Douglasii). Zoo zou ik voort kunnen gaan, maar liever dan
-zulk een algemeen overzicht te geven, wil ik trachten den indruk te
-schetsen dien ik op een wandeling in het bosch en langs de boschbeken
-gekregen heb. Het was dicht bij het hôtel bij het meer. Rondom
-het Yellowstone-meer is het bosch mooier dan in de streek der
-geyser-bassins. De boomen zijn voller in hun groen; minder talrijke
-doode stammen ontsieren het bosch, en de flora is rijker. Wellicht
-staat dit in verband met de minder scherpe tegenstelling van dal en
-berg en met de talrijke beekjes, die hier van de bergen afvloeien. Die
-beekjes loopen dan niet over rotsblokken springend omlaag, maar vormen
-een smal dal, met drassigen bodem. Op dien bodem ziet men dan geen
-dennen, maar dicht gras. Deze smalle dalen zijn zoo moerassig, dat
-zij dikwijls moeilijk toegankelijk zijn, en de wegen, die er dwars
-overheen gaan, zag ik dan ook met dennenstammen hard gemaakt, evenals
-bij ons de oude veenwegen, die uit dwarsliggende dennenstammen gemaakt
-werden. In die dalen zijn de talrijke omgevallen dennenstammen voor
-den plantenzoeker dikwijls het eenige middel om zijn doel te bereiken,
-en van stam op stam stappende vond ik allerlei bloemen. Sterk werd
-ik herinnerd aan de overeenkomstige dalen in de Alpen en in het
-Schwarzwald.
-
-Ook op de hellingen liggen talrijke doode stammen. Het zijn meest de
-dunste en ijlste boomen van het bosch, en deze groote sterfte maakt
-dan den indruk van een zelfreiniging, waarbij de zware stammen meer
-ruimte voor hun groei krijgen. Merkwaardig is, dat bijna al deze
-stammen zonder schors zijn; de schors vergaat hier sneller dan het
-hout en de witgrijze tint, die het hout aanneemt, doet de stammen
-sterk in het oog vallen. Deze afwezigheid van de schors doet enkele
-eigenschappen van het hout gemakkelijk waarnemen. Allereerst den loop
-der vezels en der barsten. Deze is slechts in weinig stammen evenwijdig
-met de as, maar loopt er gewoonlijk in een schroeflijn om heen. En
-wel in talrijke windingen, iets wat natuurlijk voor de duurzaamheid
-van planken, die men er uit zou willen maken, zeer nadeelig is;
-daarenboven barst en scheurt het hout zeer sterk, en in de barsten
-en scheuren rot het spoedig, zoodat men dikwijls stammen vindt, die
-men met den voet in dunne plankjes uiteen kan drukken. Die plankjes
-loopen dan in de richting der beschreven barsten.
-
-Een andere bizonderheid van de dennen valt overal op, namelijk de
-neiging om heksenbezems en knoesten te maken. Of eigenlijk moet
-ik dit een vatbaarheid noemen voor de ziekten die de oorzaak van
-den afwijkenden groei zijn. De heksenbezems zijn takken die als
-dikke bezembundels vertakt langs den stam omlaag hangen en dikwijls
-vruchteloos trachten zich op te richten. Vlak bij den stam is zulk een
-tak dan knoestig. Tusschen de gezonde, dwars uitstaande en gelijkmatig
-omhoog gebogen takken vallen deze zonderlinge vormen zeer sterk in het
-oog. De knoesten ziet men meest aan de stammen, die zij op de vreemdste
-wijze doen draaien en opzwellen, en in het rustiek gebouwde Hôtel van
-het Upper-Geyser-bassin heeft men van die knoesten aan trapleuningen
-en zuilen een eigenaardig gebruik gemaakt, om daardoor het landelijke
-van dit bijna geheel uit ongezaagde boomstammen opgetrokken gebouw nog
-te verhoogen. Van de brosheid van het hout overtuigt men zich het best
-als men stammen ziet die omgevallen en daarbij in hun midden dwars
-doorgebroken zijn. Dit omvallen schijnt elken winter te gebeuren,
-en hier en daar zag ik de stammen nog schuin over de rijwegen in het
-bosch liggen.
-
-Aan kleine heesters is het bosch niet rijk. Kruisbessen, wier
-bessen niet grooter zijn dan erwten; Cotoneasters met even kleine
-mispelachtige vruchten; bloeiende roosjes, enkele berken en in de
-moerassige dalen vooral wilgen in verschillende soorten. Bizondere
-opmerkingen verdient de Elaeagnus of het zilverblad, kenbaar aan
-het zilver-overtreksel van de onderzijde der bladeren, dat met de
-loupe blijkt uit tallooze fijne stervormige schildjes te bestaan. Ik
-vond er hier geen vruchten aan, maar in Noordelijk Californië zag
-ik de takken beladen met de roode bessen, sierlijk gebogen onder
-dien last. De bessen zijn eetbaar, en zooals ik elders opmerkte,
-tracht Burbank ze te veredelen om ze tot een gewone tafelvrucht te
-maken. Overal over rotsblokken en omgevallen stammen, zoowel tegen
-de hellingen als in de moerassen, ziet men een heestertje dat groeit
-als de Azalea's der Alpen, en dat tot een bizonder geslacht, Ledum,
-behoort, omdat zijn vijf witte bloemblaadjes los van elkander op den
-bloembodem ingehecht zijn. Meest waren zij uitgebloeid, maar hier en
-daar zag ik toch nog de ronde, helder witte schermen der bloemen. Zeer
-kleine boschbessen, wier vruchten op roode kraaltjes gelijken, ziet
-men bijna overal in de menigte, en hier en daar ook eene andere soort,
-overeenkomende met de moeras-boschbes.
-
-Een groot aantal wilde planten herinnert sterk aan onze
-alpen-planten. Het zijn meest lage gewassen met groote bloemen
-of rijke tuilen of trossen. Langs kabbelende beekjes zag ik een
-rondbladerige steenbreek bloeien, gelijk aan onze Meniste-zusjes,
-maar met sappig blad. Donkerblauwe aconieten en lichtgele akelei;
-groote gele Trollius, talrijke soorten van Potentilla en van
-Geum, de hooge witte alpenklaver, allerlei soorten van eereprijs,
-bloembiezen, Hedysarum, witte en roode Geraniums, Composieten als
-Doronicum en Arnica, alpen-aardbeziën en allerlei andere soorten
-kunnen hier genoemd worden. Een veelknoop hield het midden tusschen
-onze dubbelgedraaide soort (Polygonum Bistorta) en de kleine verwanten
-der alpen (P. vivipara). De Primula's waren vertegenwoordigd door
-de fijne langstralige schermen van een witbloeiende Androsace. Van
-de Mimulus zag ik niet alleen de gele, maar ook een fraai paarsroode
-soort in menigte langs de beekjes.
-
-Typische geslachten ontbraken natuurlijk niet, deels zulke, als men
-bij ons niet ziet, deels die bij ons in botanische tuinen gekweekt
-worden. Onder de eerste noem ik de sierlijke roode penseeltoppen
-van den Indian paint brush (Castilleia), een andere soort dan aan
-de kusten van Californië, slanker en minder behaard, maar met toppen
-van roode schutbladen evenals deze. Verder een lichtgele Eriogonum,
-een der alleralgemeenste bloemplanten overal waar het bosch maar
-eenigszins open is. Onder de laatste groep verdient allereerst een
-Phlox genoemd te worden. Het is een laag kruipend plantje met vrij
-groote witte bloemen, die alleen staan, doch overigens met die van
-onze najaars-seringen overeenkomen. De bladeren zijn naaldvormig. De
-bloemen waren nu eens vijf- dan weer vierstralig. Een fijne soort van
-Polemonium met blauwe bloemen, en een soort van Phacelia met rozetten
-van wortelbladeren en opstijgende stengels, die kluwens van bleek
-purperen bloemen droegen, en eindelijk de meest gewone plant dezer
-bosschen, de blauwe lupinen, waarvan men overal de vingervormige
-bladeren en de blauwe bloemtrossen ziet. Van deze soort vond ik ook
-een wit en een rose exemplaar. Trouwens ook van de blauwe gentiaan
-en van de gewone blauwe klokjes trof ik in dit bosch een enkele maal
-een groepje met zuiver witte bloemen aan. De variabiliteit is hier
-dus al juist zooals bij ons.
-
-Een vrij groot aantal soorten komt met bij ons inheemsche wilde planten
-min of meer overeen. Onder deze trof mij vooral de Parnasbloem. Onze
-Parnassia heeft vijf groote, breede witte bloembladeren, die elk
-een straalvormig vertakt, groen en geel, schubvormig aanhangsel
-dragen. Die aanhangsels zien er uit als onechte meeldraden. Hier
-bloeide de Parnassia langs de beken met smalle witte bloembladeren,
-die ter weerszijden een fraaie witte franje droegen, en hadden zij
-elk een kort en onvertakt, groen en geel gekleurd kliertje. Overigens
-was de bouw van de bloem en de plant dezelfde als bij onze soort. Van
-het wintergroen of Pyrola bloeiden hier twee soorten. Een precies
-zoo als de onze, die in onze duinvalleien zoo heerlijk ruikt, maar
-hier had de plant vrij donker roode bloemen. De andere kwam meer
-met de Pyrola secunda overeen, daar alle bloemen naar eene zijde van
-den tros overhingen. Kleinbloemige witte Orchideeën waren talrijk,
-en een andere plant, een soort van Pedicularis, geleek sprekend op
-een roode Orchidee met smallen tros, b.v. op een Gymnadenia. Het was
-de Olifantsbloem, zoo genoemd omdat uit den groenen kelk een kroon
-uitsteekt, die precies op een olifantskop gelijkt. Men ziet den kop
-met den eerst omlaag, daarna omhoog gebogen, dunner uitloopenden
-snuit, en terweerszijden van den kop twee groote olifantsooren, maar
-van rose kleur. Enkele andere soorten mogen nog genoemd worden. Een
-kruisbloem als onze Sisymbriums viel op, doordat de lange groene
-hauwen steeds loodrecht langs den tros naar beneden hingen, inplaats
-van rechtop te staan. Verder zag ik Asters in alle kleuren, van zuiver
-blauw tot zuiver rood, zeer talrijk, maar steeds als lage planten,
-een plantje dat veel op Salomons-zegel geleek, maar niet bloeide
-(Smilacina), Gnaphalium's, beek-Veronica's, roodbloemige uien, gele
-Sedums, biezen en bloembiezen, wederikken en grassen, te veel om op
-te noemen. Langs de beken groeide een fijne smeerwortel met lange
-smalle helder blauwe bloemen.
-
-Mossen en korstmossen, gallen en vergroeningen zag ik hier en daar
-in vormen met de onze overeenkomende. Het schildmos of Peltigera, en
-het bekermos of Cladonia was van onze soorten niet te onderscheiden,
-evenmin het haarmos of Polytrichum. Op doode boomstammen groeide
-een fijn vertakt korstmos, als onze grijze Ramalina's, maar geheel
-zwavelgeel, en daardoor bizonder fraai. De wilgen droegen ronde gallen
-en door 't blad heen gegroeide, evenals er bij ons door bladwespen
-op gemaakt worden, en de meest merkwaardige vergroeningen van bloemen
-toonden het duizendblad en eenige andere planten.
-
-In het algemeen was de indruk van de flora in het begin als die
-van een geheel vreemde, maar veranderde die indruk bij het nader
-bezien der bloemen zeer spoedig. Dezelfde typen en dezelfde vormen,
-die wij uit ons eigen land en uit Duitschland en Zwitserland kennen,
-vindt men hier, maar bijna altijd met soortgelijke verschillen. Men
-herkent ze gemakkelijk en is toch getroffen door hun bizondere, soms
-zeer merkwaardige eigenschappen. Meer rijkdom dan bij ons schijnt de
-flora hier niet te bieden, terwijl het voorkomen van groote bloemen
-of bloemgroepen met treffende kleuren aan de valleien in onze duinen
-en op onze Noord-Hollandsche eilanden en verder aan de weilanden op
-de Alpen herinneren.
-
-
-
-Na deze beschrijving van de landstreek en haar bloementooi ga ik over
-tot de bespreking der warme bronnen en geysers, en begin met die,
-welke den naam Mammoth Hot Springs voeren. Zij vormen het eerste punt,
-dat de reiziger bezoekt, als hij van Gardiner, in het Noorden, het
-Yellowstone-park ingaat. Dit punt ligt ruim een uur rijden ten zuiden
-van den ingang van het park. Men vindt hier, zooals ik reeds opmerkte,
-een hôtel en het militaire station, dat het centrale punt voor den
-politie-dienst in het park is. De behoeften, daaruit ontsproten,
-hebben allengs rondom deze twee een klein dorp van winkeltjes en
-werkplaatsen doen ontstaan. Een post-bureau, een curiosity-shop [11]
-een winkel met kunstmatige versieringen uit de bronnen, en de stallen
-van de transportatie-maatschappij zijn daaronder voor de bezoekers
-de belangrijkste.
-
-De warme bronnen bevinden zich op de uitloopers van een der omliggende
-bergen. Voor het grootste gedeelte liggen zij verscholen in het
-bosch, maar schuin tegenover het hôtel is de berg, die ze draagt,
-bijna geheel zonder boomen, een krijt-witte, afgeronde massa vormend,
-die, van het hôtel uit gezien, onsierlijk is en in de zonnestralen
-te sterk schittert, maar die van nabij bezocht als het ware bezaaid
-is met de grootste wonderen der natuur.
-
-Deze bronnen kan men in de eerste plaats verdeelen in werkzame
-en uitgedroogde. Slechts een klein deel is feitelijk werkzaam, en
-daarvan zijn de meeste op den bedoelden heuvelrug vereenigd. Maar
-ook op dezen rug en op de hellingen bedekken zij niet het geheele
-oppervlak. Integendeel zou men kunnen zeggen dat de geheele berg uit
-opgedroogde bronnen bestaat, hier en daar afgewisseld met enkele
-werkzame. Men kan dan ook nagenoeg overal loopen en een aantal
-voetpaden doorkruisen de streek. Op die voetpaden moet men bij voorkeur
-blijven, want het gesteente is zacht en wordt gemakkelijk tot poeder
-vertrapt. Waar niet geloopen wordt, vertoont het daarentegen overal de
-gekronkelde lijnen, die eenmaal elk de omtrek waren van een bassintje
-met warm water. Zoo is de geheele berg, zoowel in het bosch als op
-de onbegroeide gedeelten.
-
-De bedoelde heuvel, waarop de meeste bronnen zijn, loopt langzaam
-op tot omstreeks 100 M. boven de vlakte van het dal, waarin
-het dorp gelegen is. Het is een uitlooper van een hoogeren berg,
-die er achter gelegen is. Deze berg zelf heeft geen warme bronnen,
-behalve in de onmiddellijke nabijheid van zijn voet. Maar er zijn nog
-meer zulke bronnen-rijke uitloopers, die, van het hôtel uit gezien,
-meer naar achteren liggen, en waarlangs de rijweg de toeristen eerst
-den volgenden dag voert. Op die uitloopers echter zijn de bronnen,
-met zeer enkele uitzonderingen, sinds eeuwen droog, en ziet men
-nog slechts de gesteenten die zij voortgebracht hebben. De hoogste
-uitlooper heet Terrace Mountain en is 500 M. hoog.
-
-Het gedeelte dat gewoonlijk bezocht wordt, wordt eenvoudig "the
-terraces" [12] genoemd, omdat de afzettingen rondom de bronnen steeds
-den vorm van terrassen aannemen en dit vooral dan duidelijk doen,
-als zij zich op een hellend gedeelte van den heuvel bevinden. Het
-beste denkbeeld van de uitgestrektheid dezer formatie verkrijgt men
-als men weet dat volle twee uren noodig zijn om de gewone wandeling
-langs de merkwaardigste punten van "the terraces" te maken, waarbij
-men dan Terrace Mountain slechts uit de verte ziet. Want de geheele
-formatie strekt zich over een lengte van ruim drie mijlen langs de
-Gardiner-rivier uit.
-
-Vele terras-groepen, en vooral die, welker bronnen op dit oogenblik
-werkzaam zijn, hebben afzonderlijke namen ontvangen, en door
-naambordjes wordt men hieromtrent ingelicht, als men zonder gids deze
-wonderen bezoekt. En dit doet men bij voorkeur, want ze zijn te schoon
-en te treffend, en vooral te rijk aan afwisseling om ze door de oogen
-van een ander te bekijken, en om daarbij niet wat verder te gaan dan
-de gewone routine.
-
-Een overzicht over de voornaamste bronnen moge eenig denkbeeld geven
-van wat de natuur hier biedt. Allereerst ziet men, van het hôtel uit,
-vóór den berg en vrij op de vlakte van het dal staande, een hoogst
-eigenaardigen kegel, den Liberty-cap [13]. Dit is eigenlijk meer een
-zuil met afgeronden top dan een kegel. De zuil is 17 meter hoog en
-7 meter in diameter en bestaat als het ware uit een aantal schotel-
-of panvormige schalen, die omgekeerd op elkander gestapeld zijn. De
-randen zijn door den tand des tijds ruw afgebroken en de bovenste
-schalen hebben den vorm, die aanleiding gegeven heeft tot den
-naam. Een weinig verder op, en leunend tegen den heuvelrand, staat
-een kleine dergelijke zuil met minder afgebroken schalen, en dus nog
-bijna geheel door de buitenste laag bedekt. De naam duidt ook hier
-eenigszins den vorm aan en luidt "Devil's thumb" [14]. Beide kegels
-zijn oude formaties en brokkelen voortdurend af. Het eerste blijkt
-uit de talrijke roodbruine korstmossen, waarmede zij begroeid zijn,
-en het laatste uit de afgevallen brokken der schalen, die rondom hen
-op den grond liggen.
-
-Gewoonlijk gaat men den heuvel aan de noordelijke zijde op, om langs
-de zuidelijke, dat is die waar hij aan de hoogere bergen aansluit,
-terug te komen. Men bezoekt dan de beide fraaiste terrassen het eerst,
-en krijgt, daar zij zeer verschillend zijn, een voorloopig overzicht
-over hun formatie. Het eerst bereikt men, halverwege de hoogte van den
-berg, het Minerva-terras, daarna, op het eind van den heuvelrug, het
-terras van Jupiter. Dit laatste geeft het beste denkbeeld. Het bestaat,
-als men het van een hoogeren bergtop beschouwt, uit twee donkerblauwe
-oogen. Het zijn twee groote natuurlijke vijvers, die bijna rond en
-met een prachtig doorschijnend donkerblauw water tot aan den rand toe
-gevuld zijn. De rand en de bodem, voor zoover men die zien kan, zijn
-van het zuiverste wit, en overal golvend. De kleurschakeeringen, die
-daardoor ontstaan, zijn onovertreffelijk schoon, en het is een groot
-genot in de heldere blauwe diepte te kijken. Telkens als ik kon, heb ik
-mijn weg zóó gekozen, dat ik langs dit terras kwam, en steeds boeide
-het mij in gelijke mate. Geysers heeft men spoedig afgezien, maar
-langs de warme bronnen zou men weken lang elken dag willen wandelen.
-
-In die twee vijvers kookt het water heftig. Of liever, de vorm is
-die van een trechter of trompet, en uit de diepte van de buis stijgen
-stoom en kokend water op. In elken vijver is een plaats waar men dit
-opborrelen op de oppervlakte reeds van verre ziet. Het opstijgende
-water vloeit dan over en door de voorhanden watermassa heen en
-houdt deze op een temperatuur, die aan die van kokend water nabij
-komt. Het vult de vijvers en doet ze overvloeien, en dit overvloeien
-is de eigenlijke bron van de terrasvormingen. Want de beide vijvers
-liggen op een vrij vlak plateau, en nemen daarvan het hoogste punt
-in. Het water vloeit dus overal over den rand en bedekt de vlakte in
-zeer ondiepe stroomen. In deze ontstaan lage dwarswalletjes, die het
-water tegenhouden. Deze volgen elkaar, op de weinig hellende vlakte,
-regelmatig op, en veranderen zoo het terrein in een stel van zuiver
-horizontale terrassen. Op elk terras staat een duimbreed water of
-iets meer, komt er nog meer in, dan vloeit dit naar het volgende
-terras over. Zoo is de geheele omgeving der beide groote blauwe oogen
-met ondiepe bassins bedekt, en slechts op een zeer enkele plaats kon
-men droogvoets er zoo dicht bijkomen, dat men in de diepte der oogen
-kijken kon.
-
-Ten slotte vloeit al dit water over den heuvelrand omlaag. Daar heeft
-het een vertikalen wand gevormd, waarlangs het met groote snelheid
-afglijdt. Dan komt het weer op een hellend gedeelte. Hier is de
-helling te steil voor de vorming van grootere bassins of bakken, en
-vloeit het water over talrijke, zeer kleine kommetjes gelijkmatig naar
-beneden. Ten slotte komt het tegen den rijweg aan en wordt daar door
-een greppel opgevangen en zijwaarts geleid. Het is dan nog zeer warm.
-
-Kabbelend vloeit het water en het vormt den bodem als het ware naar het
-beeld zijner beweging. Het natte rotsoppervlak is bedekt met tallooze,
-grootere en kleinere golvingen, die in de sierlijkste bochten dwars
-op de stroomrichting staan. De kleinere heuvellijnen worden door het
-water eenvoudig overstroomd, de grootere houden het een tijd lang tegen
-en worden zoodoende tot de randen der bassins. Ook op den vertikalen
-wand ziet men die dwarsche plooien, ofschoon hier de richting van
-het water meer aanleiding geeft tot het ontstaan van zuilen, die aan
-stalactieten of wel aan de naast elkander geplaatste pijpen van een
-orgel herinneren.
-
-Al dit gesteente bestaat uit kalk, die door het water wordt
-afgezet. Even als ons duinwater met kalk beladen is, en dit bij koken
-of bij lang staan aan de lucht als een dunne witte neerslag afzet,
-evenzoo wordt ook hier de opgeloste kalk uit het water in vasten vorm
-overgebracht. Maar de hoeveelheden zijn natuurlijk geheel andere, en
-de verschijnselen, die in ons land het bekende meertje van Rockanje
-vertoont, komen aan de kalkafzettingen uit de heete bronnen van het
-Yellowstone-park nog het dichtst bij.
-
-De afgezette kalk heeft een zeer eigenaardige, poreuze structuur,
-geheel anders dan die van gewone kalksteen. Zij draagt den
-bizonderen naam van travertijn. De geheele heuvelgroep bestaat uit
-dit travertijn. Deze poreuze structuur hangt, zooals wij weldra zien
-zullen, ten nauwste met de wijze van ontstaan samen en is de oorzaak
-van de snelle en gemakkelijke verweering van het gesteente.
-
-Het Minerva-terras onderscheidt zich van het Jupiter-terras zeer
-sterk. Het ligt op een sterk hellenden heuvelrand en bestaat uit een
-aantal vrij groote vijvers die trapsgewijze boven elkander liggen. In
-een der bovenste vijvers is de warme bron, en het overvloeiende
-water vult de lagere. Vele vijvers liggen een of twee meters boven
-hun lagere en evenveel onder hun hoogere buren. Zij zijn dan elk
-voorzien van een vertikalen wand met stalactieten en versteende
-orgelpijpen. Hierdoor ontstaat een systeem van grootere en kleinere
-terrassen, te zamen meer dan honderd in aantal en van onovertrefbare
-schoonheid. Natuurlijk vloeit het water niet over al die terrassen,
-want de minste breuk in een of anderen rand kan het bij voorkeur
-naar één zijde doen stroomen. Sommige terrassen zijn dus actief,
-andere droog. Tijdens mijn bezoek waren verreweg de meeste droog en
-toegankelijk, en stroomde het water slechts over een breeden band in
-het midden.
-
-Ook hier is het water weer donkerblauw en volkomen helder. Maar het
-bassintje waarin het opbruist en kookt, heeft slechts enkele meters
-in doorsnede en boeit niet zeer sterk. Het fraaist is de groep als
-men hem van ter zijde op korten afstand beschouwt.
-
-Al die wanden zijn, zooals ik reeds zeide, uit bros travertijn
-opgebouwd. Zij brokkelen voortdurend af. Grootere en kleinere brokken
-ziet men in de diepte, aan den voet der geheele formatie liggen. De
-toer door het park is zóó ingericht, dat men na vijf dagen te Mammoth
-Hot Springs terug komt. Ik heb dus het terras beide keeren bezocht,
-en daar ik den eersten keer een goed beeld in mij had opgenomen kon
-ik, na vijf dagen, zien hoe een halve wand voor aan de terrassen
-in dien tijd was afgebroken en uiteengevallen. De stukken lagen
-nog ter plaatse en pasten nog aan de versche breukvlakken. Maar
-voor mij werd daardoor de inwendige structuur op een zóó duidelijke
-wijze zichtbaar, als noch door een beschouwing van het uitwendige,
-noch door het onderzoek der oudere, steeds meer of min afgebrokkelde
-formatiën, kon worden verkregen. De geheele inwendige massa bestond
-als het ware uit een herhaling van het orgelpijpen-systeem, nu eens
-met pijpen zoo dik als een potlood, en dan weer met dikkere.
-
-Vlak achter het Jupiter-terras, dus op een uitgestrekt plateau,
-ligt een systeem van kronkellijnen als randen van vroegere, vlakke
-bassins. Maar dit alles is geheel droog en ten deele vertrapt en
-verweerd. Iets verder ziet men het terras van Cleopatra, uit een
-stelsel van vrij groote, maar lage bassins bestaande. Het heeft dit
-eigenaardige, dat al het water, dat in vrij groote hoeveelheid uit
-de bron in het bovenste bassin omhoog komt, ten slotte, na al de
-bassins gevuld te hebben, zich weer verzamelt en met groot geraas in
-een diepe spleet in de rotsmassa verdwijnt.
-
-Het terras van Cleopatra grenst aan het bosch, en de verdere formaties
-liggen meest alle in het bosch, zoo zij niet, door het bedekken van den
-grond met dikke kalklagen, dit bosch gedood hebben. Zulk een dood en
-aan de randen stervend bosch ziet men dicht bij, op de terrasvormige
-hellingen van een grooteren heuvel. Het is allermerkwaardigst om
-na te gaan hoe het kalkhoudende water zich, bij het voortbrengen
-van randen en bassins, aan de aanwezigheid van boomen en planten in
-het geheel niet gestoord heeft, maar eenvoudig met de productie der
-allerfraaiste, zuiver witte vormen is voortgegaan, alsof deze niet
-gemaskeerd en onderbroken werden door de doode, zwarte, bladerlooze
-stammen. Honderden van die boomen, op deze wijze gedood, ziet men
-hier te midden der terrassen van travertijn. Verderop ziet men overal
-op de wandeling hetzelfde, maar de formatiën zijn daar al zoo oud,
-dat de doode stammen verdwenen en door levende vervangen zijn, en dat
-een prachtig bosch de terrasvormingen overdekt en voor een groot deel
-aan het oog onttrekt. Nog werkzame bronnen zijn hier zeldzaam.
-
-Daarentegen komt hier een andere zijde van het verschijnsel voor
-den dag. Het zijn de rotsspleten. Over een lengte van verscheidene
-tientallen van meters, en soms veel meer, is de travertijn-rots
-opengespleten. De spleet kan nog open zijn, of door het afbrokkelen van
-haar randen gedeeltelijk weer gevuld. Zij kan werkzaam of onwerkzaam
-zijn. In het eerste geval ziet men een lange reeks van kleine bronnen
-uit haar te voorschijn komen; door het invallen van steenbrokken en
-door de formatie, die zij zelven afzetten, zijn dan die bronnen van
-elkander gescheiden. Soms zijn die bronnen kleine zichtbare vijvertjes
-vol water; soms echter ligt hun water in de diepte en kan men het
-niet of bijna niet zien; men hoort dan echter het koken en ziet de
-ontwijkende stoom. Vroeg of laat wordt zulk een barst, door dezelfde
-oorzaak die haar deed ontstaan, wijder of krijgt zij zijbarsten,
-en dan verdwijnt het water daardoor weer in de diepte en wordt de
-barst onwerkzaam en droog. Op het Angel-terrace, op het zuidelijk
-gedeelte van denzelfden heuveluitlooper, zag ik zulk een barst, die
-klaarblijkelijk oud was maar eerst onlangs weer opengebarsten. Een
-aantal kleine kegeltjes, zoo groot als omgekeerde emmers en grooter,
-waren op den barst ontstaan, doordat het overvloeiende water hun randen
-snel had doen groeien. Van binnen waren zij hol, en de zuiverheid van
-het binnenvlak deed vermoeden, dat zij nog niet lang geleden actief
-geweest waren. Maar de nieuwe barst had ze overlangs opengespleten,
-aan twee zijden van boven naar beneden, en zoodoende het water doen
-wegvloeien. In de kleinere was de spleet een handbreed of minder;
-maar in den grootsten kegel was zij zoo breed dat ik er door heen
-kon loopen en de inwendige kolk kon bereiken, zonder de randformatie
-te beschadigen.
-
-Veel oudere barsten zijn soms veel wijder. De wijdste die ik zag,
-wordt genoemd Devil's Kitchen [15]; men kan hierin door middel van
-een ladder tot op een diepte van een tiental meters afdalen. De
-diepere ruimte bevat lucht die met koolzuur sterk bezwangerd en dus
-doodelijk is, zooals uit de overgebleven gebeenten van allerlei dieren
-blijkt. Maar daar is de spleet zoo smal, dat men er niet in kan komen.
-
-Zulke barsten ziet men dikwijls in den vlakken grond, zoowel die met
-werkzame bronnen als met uitgedoofde. Maar ook komt het voor, dat een
-smalle heuvelring, die eenmaal uit travertijn werd opgebouwd, over zijn
-lengte gespleten en daardoor onwerkzaam geworden is. De Devil's Kitchen
-ligt in zulk een rug. Die ruggen zijn maar weinige meters breed en
-dikwijls meer hoog dan dik. De White Elephant is een der meest bekende
-formatiën van dien aard, en geeft door zijn naam den vorm vrij wel aan,
-als men alleen aan den romp van het dier denkt. Andere zulke ruggen
-zag ik rondom Angel terrace, en een zeer fraaien bij den pulsating [16]
-geyser, die geen geyser, maar een gewone warme bron is. Een uitvoerige
-beschrijving van een actieve en nog jonge spleet zal ik later geven,
-als ik mijn waarnemingen over den Orange-geyser bespreek.
-
-Bath Lake [17] is een groote vijver of klein meertje, in een diep
-gedeelte van een der dalen tusschen de travertijn-heuvels gelegen,
-dat ook voor baden gebruikt wordt. De warme bron bevindt zich aan
-een der zijden, maar het meertje is zoo groot, dat het daardoor op
-een aangename temperatuur gehouden wordt. Het instroomende water
-vloeit ergens weer door een spleet weg. Hier als in de blauwe oogen
-van Jupiter overtreft de heerlijke doorschijnendheid van het water
-alles wat men zien kan. De kleine wolken aan den hemel worden op de
-oppervlakte teruggekaatst en in de diepte ziet men overeenkomstige,
-wolkachtige beelden van de zachte en glibberige, in allerlei bochten
-en rondingen omhoog dringende en groeiende travertijn-gesteenten. De
-fijnste trekken van dezen bron kan men op groote diepte zien, en
-allerlei voorwerpen, als takken en bladeren van boomen, ziet men er
-liggen, reeds bedekt door een fijne, groeiende kalklaag, maar nog
-goed herkenbaar. Hier en daar neemt het levende travertijn bruine en
-blauwe, gele en roode tinten aan, in onnoemelijke schakeeringen. Het
-kleurenspel is even zacht en boeiend als het onuitputtelijk is.
-
-Na deze zeer onvolledige beschrijving kom ik tot de bespreking van
-de verklaring der behandelde verschijnselen. Allereerst wil ik dan
-trachten de levenswerkingen van het travertijn te beschrijven, om
-eerst daarna de aandacht te vestigen op de bronnen van het water en
-van de kalk, en vooral op de bron van de warmte.
-
-In kalkhoudend water pleegt de kalk door middel van koolzuur te
-zijn opgelost. Verdwijnt dit, zoo slaat de kalk neer. Nu zijn er in
-het algemeen twee middelen, die het koolzuur uit water kunnen doen
-verdwijnen. Allereerst de gewone verdamping. Zooals iedereen weet
-verdampt uit ons duinwater het koolzuur, als dit water eenvoudig open
-aan de lucht staat, en wel des te sneller naarmate het warmer is. Uit
-het water der heete bronnen kan dus het koolzuur ontwijken, zoodra
-het aan de oppervlakte komt. Maar als er een overmaat van dit gas in
-het water is opgelost, behoeft de kalk dan nog niet neer te slaan,
-zooals zij bij het staan van duinwater aan de lucht doet, of zooals
-blijkt uit de ketelsteen, die zich bij het koken van water vormt.
-
-Het tweede groote middel, om koolzuur aan het water te onttrekken, is
-het leven van planten. Het hoofdverschijnsel toch van de voeding
-is juist het opnemen van dit gas en de verwerking er van tot
-organische stof. De planten zijn hongerig en zouden gaarne veel meer
-koolzuur nuttigen dan het water hun aanbiedt. Zij nemen dus ook de
-laatste sporen er van op. Dientengevolge doen zij de kalk volledig
-neerslaan. Dit neerslaan kan dan in of buiten de plant geschieden. Het
-weefsel kan met kalk doortrokken worden, of het geheele gewas wordt
-door een korst omgeven, of de kalk slaat in vlokken neer en zinkt op
-den bodem. Onze gewone kranswieren doortrekken hun lichaam met de
-neergeslagen kalk en worden daardoor witachtig en bros; men kan ze
-haast niet drogen zoo bros zijn ze. Allerlei andere wieren verkalken
-op deze wijze, zonder dat dit aan hun leven of aan hun groei schaadt,
-en aan de kusten van Normandië vindt men zelfs wieren, die er uitzien
-als witte en fijn vertakte koralen, en die geheel hard en kalkachtig
-schijnen te zijn. Maar het microscoop doet overal de levende cellen
-tusschen de afgezette kalkmassa's zien. Aan de kusten van warme zeeën
-vindt men zulke wiersoorten, die zooveel kalk bevatten, dat men ze
-eenvoudig voor een deel van den rotswand of voor steentjes in het
-zand houdt, en het geslacht Lithothamnion of steenwier is een van de
-meest bekende en vormenrijkste onder hen.
-
-Zoo is het ook in de bronnen van Mammoth Hot Springs. Nagenoeg alle
-kalk wordt door wieren afgezet, en het microscoop toont in de jonge
-groeiende lagen overal de groene, levende cellen.
-
-De geheele travertijn-rots, eenige mijlen lang en honderden meters
-hoog, is het product van de werkzaamheid dier wieren, evenals
-koraalriffen en de daaruit ontstane gebergten het resultaat van de
-werkzaamheid der koraaldieren zijn. Maar de wieren, die het travertijn
-voortbrengen, zijn over het algemeen zeer eenvoudig van structuur en
-behooren tot de laagste afdeelingen. Het zijn deels draadbacteriën,
-deels gekleurde vormen, die daarmede nauw verwant zijn.
-
-Een van de meest vreemde verschijnselen is, dat deze wieren bestand
-zijn tegen warmtegraden, die andere wieren en hoogere planten niet
-verdragen kunnen zonder te sterven. Elk blad en elke bloem sterft
-dadelijk, als men ze dompelt in het water der heete bronnen. Slap en
-verflenst komen zij er uit. Maar de kalkwieren dezer bronnen kunnen er
-tegen. Natuurlijk echter in zeer verschillende mate. Er zijn er enkele,
-die zelfs in het warmste, bijna kokende water groeien en tieren, en
-andere, die af moeten wachten tot het water afgekoeld is tot juist op
-die graden, die voor het gewone leven de uiterste grenzen vormen. Maar
-op die grenzen tieren zij dan ook bij voorkeur. In het algemeen kan men
-zeggen dat het de kleurlooze, witte of lichtgele draadbacteriën zijn,
-die die hoogere temperatuur verdragen, terwijl zoodra een groene
-of daarmede verwante kleur de organen voor de voeding doortrekt,
-de temperatuur niet hooger mag zijn, dan de hoogste grenzen voor het
-gewone plantenleven.
-
-De wanden der kokende vijvers en het eerste begin der overvloeibeekjes
-zijn dus het gebied der draadbacteriën, terwijl in de volgende
-bassins en in hun latere overvloeiïngen de groene en roode en bruine
-en gele wieren in alle schakeeringen van den regenboog, tot bijna
-zuiver zwart toe, welig tieren. Ginds het zuiverste wit, hoogstens
-in licht zwavelgeel overgaand, hier een rijkdom van fraaie en meestal
-schitterende kleuren, in de grootste wisseling die men zich denken kan.
-
-Het kookpunt van water ligt, op de hoogte waarop het geheele
-Yellowstone-park gelegen is, niet zooals bij ons, bij 100° C. of 212°
-Fahrenheit. Het is aanzienlijk lager en bedraagt slechts 92° C. of
-198° Fahr. De hoogste temperaturen, waarbij wieren levend gevonden
-werden, waren omstreeks 85° C. of 185° Fahr., dus slechts weinige
-graden lager dan het kookpunt. Het zijn verschillende soorten van
-draadvormige bacteriën, waarvan sommige de witte golvende wanden
-van de vijvertjes bekleeden, en andere in lange, buigzame en door de
-stroompjes heen en weer bewogen draden van meest bleek gele kleur in
-de overvloeibeekjes gezien worden. Onder de laatste speelt vooral
-de zwavel-bacterie of Beggiatoa (zoogenoemd naar een Italiaansch
-plantkundige) een hoofdrol. Zij ontleedt de zwavelzure zouten, maakt
-de zwavel vrij, zet die in korreltjes in haar cellen af en verkrijgt
-daardoor haar gele kleur. Zij leeft in water van 150--165°. Hoogere
-temperaturen verdragen Leptothrix laminosa (135--185° F. = 58°--85°
-C.) en Phormidium (165° F.)
-
-De gewone levensgrens voor planten ligt omstreeks 50° C. of 120°
-Fahr. Zoodra het water een lageren warmtegraad bereikt heeft,
-laat het den groei van eigenlijke wieren, met echt bladgroen,
-toe. Talrijke soorten, alle met een zeer eenvoudigen cellenbouw,
-worden dan aangetroffen. Zij behooren tot verschillende geslachten,
-als Chroöcoccus, Gloeocapsa en andere; ja, zelfs enkele met onze
-gewone flab verwante soorten van Conferva, zijn in heete bronnen
-waargenomen. Het zou mij echter te ver voeren hier op de namen of de
-kenmerken dier wieren te willen ingaan. Zij bestaan meest uit kleine
-ronde of rondachtige cellen, die onderling tot draden en vliezen
-vereenigd zijn. Voor hun beteekenis voor de warme bronnen is vooral
-van belang dat zij in soms dikke slijmlagen gehuld zijn, en het is
-een zeer merkwaardige ondervinding, als men de allerbuitenste laag
-van de travertijn-massa niet alleen gekleurd ziet, maar ook op het
-gevoel als een zachte gelei gewaar wordt. Maar men moet zijn vingers
-daartoe steken in water dat zoo heet is, dat men zich branden zou
-als men er even te lang in bleef.
-
-Al deze wieren nu maken samen het travertijn. En daar de eene soort
-draadvormig en de andere vliezig is, de een in opstaande lijsten en
-de ander in vlakke overtreksels groeit, daar er verder in stil water
-meer opstaande koraaltjes en in stroomend water meer lange draden
-ontstaan, en er allerlei andere kleine verschillen in hun levenswijze
-zijn, kan men de eigenaardigheden van randformatie en bassinvorming,
-van stalactieten en orgelpijpen en van allerlei andere zeer fraaie
-trekken gemakkelijk verklaren. Ik wensch dit echter uit te stellen
-tot de beschrijving van enkele der merkwaardigste bronnen.
-
-Over den oorsprong van het heete water wil ik kort zijn, te meer
-omdat ik daarop bij de bespreking der geysers uitvoerig terugkom. Op
-de hoogere bergen valt de regen, en het water wordt voor een deel
-in den humusachtigen bodem der bosschen teruggehouden. Hier belaadt
-het zich met het koolzuur dat in dien humus rijkelijk ontstaat. Een
-volgende regenbui doet het in den ondergrond verdwijnen, waar het door
-de spleten in de rotsen ver in de diepte kan komen. Bestaat nu dit
-rotsgesteente uit kalk, zoo belaadt zich het koolzuurhoudende water
-daarmede, terwijl het verder vloeit. Dringt het in lagen die door de
-onderaardsche warmte tot 100° C. en hooger verwarmd zijn, zoo kan het
-die temperaturen aannemen, en dus, als het later weer te voorschijn
-treedt, dit doen in den vorm van heete bronnen. Deze beweging van
-het water is, afgezien van de temperatuurverschijnselen, geheel
-overeenkomstig met wat elders, vooral in streken van kalkgebergten,
-gezien wordt. Iedereen weet dat in de Grotte de Han de rivier aan
-de eene zijde den berg instroomt, om door de onderaardsche grotten,
-gangen en spleten, aan de andere zijde weer te voorschijn te komen. Op
-dezelfde wijze verzamelen zich de wateren van Mammoth Hot Springs
-voor een groot deel in onderaardsche spleten, en bij het terras van
-Cleopatra kan men ze, zooals ik reeds gezegd heb, rechtstreeks daarin
-zien verdwijnen. Al dat water, dat tijdelijk aan de lucht geweest
-is, als het ware met het doel om zijn kalk af te zetten, verzamelt
-zich tot een onderaardschen stroom, die dwars onder de bergen door,
-met een verval van 200 meters en over een afstand van meer dan een
-mijl naar de Gardiner-rivier stroomt om zich daar als een waterval
-van heet water in dien hoofdstroom uit te storten. Die watervallen
-worden aan de toeristen onder den naam van Boiling-river [18] vertoond.
-
-Een zeer belangrijk punt is de vraag, waar de kalk vandaan komt. En
-wel vooral, waar zooveel kalk vandaan komt dat een gebergte van enkele
-mijlen gaans en van een hoogte van honderden meters daarvan in den
-loop der tijden kan zijn opgebouwd. Natuurlijk moet een ongeveer even
-groote rotsmassa daartoe opgelost en weggevoerd geworden zijn. Geheele
-gebergten moeten verbruikt zijn, om het materiaal voor de nieuwe
-travertijn-bergen te leveren. Dit is, hoe onverwacht misschien
-voor sommige lezers, toch een uiterst eenvoudige en volkomen zekere
-gevolgtrekking. Maar verder kan men zeggen, dat die oplossing in de
-diepte en niet aan de oppervlakte is geschied, daar het water zich
-daartoe steeds eerst in de humus-lagen van koolzuur moest voorzien. Er
-moeten dus uitgestrekte grotten ontstaan zijn, zooals die trouwens
-bijna overal in kalkgebergten worden aangetroffen. Wellicht bestaan
-er in den omtrek van Mammoth Hot Springs nog dergelijke grotten, en
-wellicht vormen zij, met hun stalactieten en stalagmieten, even groote
-wonderen als de Hot Springs zelven. Maar zij zijn nog niet ontdekt,
-en daar de zorgen voor het behoud van het park voor diepgaand onderzoek
-niet bevorderlijk zijn, zullen zij wellicht nog lang onbekend blijven.
-
-Zulke uitgestrekte grotten echter, als hier noodig geweest zijn,
-zullen wellicht gevolgd zijn door instortingen, die hun wanden
-en gewelven in groote steenblokken omlaag wierpen. Men zou dan
-een berghelling krijgen, overladen met huisgroote blokken, scherp
-gebroken en niet afgerond, uit lagen van kalk bestaande en nu eens
-met de lagen schuin, dan weer met de lagen vertikaal neergeworpen,
-te groot en te talrijk om op die wijze door een gletscher te zijn
-vervoerd. Werkelijk vertoont men u, op den rijweg ten zuiden van
-Mammoth Hot Springs, zulk een terrein. Een klein halfuur rijdt men
-tusschen die gevallen reuzen door. Het is de streek bekend als
-"Silvergate and the Hoodoos." Silvergate [19] om de glinsterend
-witte kleur der rotsblokken, die ter weerszijden van den weg op
-elkander gestapeld liggen. Hoodoos om de vreemde vormen, die in de
-avondschemering op sommigen den indruk van rondzwervende berggeesten
-kunnen maken. Over meer dan een halve vierkante mijl liggen deze
-blokken op de helling van den berg, als ruïnen van ongeziene trotsche
-zalen en gewelven.
-
-Van de plaatsen die men bezoekt, is alleen Mammoth Hot Springs
-op kalkgebergten gelegen; verder gaat de reis over en tusschen de
-vulkanische gesteenten, wier hoofdbestanddeel geen kalk maar kiezel
-is. Al de geysers en al de warme bronnen van het park, behalve deze
-eene groep, hebben dus kiezelhoudend water; zij zetten sinters af en
-geen travertijn.
-
-Daarmede is echter ook de boomgroei en de flora een andere, evenals ook
-in Europa de kalkstreken gemakkelijk aan zeer bizonderen, meest zeer
-bloemrijken plantengroei te herkennen zijn. De zwarte den, die elders
-de bosschen vormt, is hier zeldzaam; de soorten die elders zeldzaam
-zijn, vormen hier het eigenlijke bosch. De gewone boomen zijn hier
-de witte den, Pinus flexilis, met naalden in bundeltjes van vijf,
-met een witte schors en met kegels zoo groot als onze zee-den. Het
-is een heel werk voor een eekhoorntje zulk een kegel af te knagen;
-ik zag er een daarmede bezig, terwijl ik vlak bij hem bleef staan. De
-sparren zijn hier vooral Pseudotsuga mucronata of de Douglas-spar,
-met kleinere kegels met zeer fraaie aanhangsels aan de schubben. Als
-onderhout vindt men, manshoog en tot heele boomen opgroeiend, den
-rooden ceder of Juniperus virginiana, en verder een Elaeagnus met
-roode maar bittere bessen, een kruisbes met kleine, sterk zure bessen,
-een heesterachtige boschbes, gelijkende op den Vaccinium uliginosum,
-den kruipenden ceder of jeneverbes, Juniperus Sibirica, en een groot
-aantal kleine bloemplanten, die in Augustus echter grootendeels reeds
-uitgebloeid waren.
-
-Ik geef thans eene beschrijving van mijne eigen waarnemingen
-over den groei der wieren, en de wijze hoe zij de terrassen en de
-formatiën voortbrengen. Slechts een drietal dagen kon ik de bronnen
-bezoeken, en mijn bespreking is uit den aard der zaak onvolledig
-en oppervlakkig. Maar ik hoop, dat zij voldoende moge zijn, om aan
-mijn lezers een denkbeeld van dit hoogst merkwaardige verschijnsel
-te geven, waar de opbouw van rotsen en bergen het resultaat is van
-de nog steeds voortgaande werkzaamheid van het plantenleven.
-
-Verhit door de onderaardsche warmte en bezwangerd met kalk komt dus
-het water in de Mammoth Hot Springs te voorschijn. Door talrijke
-spleten komt het omhoog om over de oppervlakte weg te vloeien of
-vijvers te vormen, die door haar helder, donkerblauw water het oog
-boeien. In het midden van zulk een vijver of soms ook aan den rand,
-ziet men de heete bron, die opborrelt en kookt en zoodoende het water
-van den vijver verhit. Dit verdampt snel en dichte nevelen hangen
-over het watervlak of worden door den wind weggedreven. Onaangenaam
-warm als men te dicht in hunne nabijheid komt, zijn die nevelen nog
-op verren afstand zichtbaar.
-
-Het water koelt natuurlijk allengs af, snel waar het in een dunne
-laag over den grond wegvloeit, langzaam waar het als kokende
-beekjes stroomt, of in de vijvers en holten blijft staan. Bij dat
-afkoelen zet zich de kalk af, vooral ook omdat zij opgelost is
-door middel van koolzuur, dat uit het heete water verdampt. Maar de
-eigenaardige structuur van de oppervlakte der heuvels, waaruit deze
-bronnen te voorschijn komen, is niet aan die eenvoudige afzetting te
-danken. Integendeel, zij is het werk van levende planten, kleine,
-maar in geweldige massa voorkomende wiertjes, die de kalk in hun
-weefsel vast doen worden en zoo als het ware zichzelve doen versteenen.
-
-Van die wieren zijn de meeste bruin, andere zijn groen in
-verschillende tinten, van licht geel-groen tot helder groen en donker
-smaragd-groen. Al die kleuren ziet men op de door het heete water
-bevloeide vlakken in de bontste mengeling. Daarenboven komt nog
-een kleurloos of hoogstens bleek geelachtig gewas voor, dat geheel
-andere eigenschappen heeft en ook een geheel andere rol speelt. Het
-groeit in bundels van lange, slappe, in de stroompjes heen en weer
-wiegelende draden.
-
-Deze twee groepen zijn in vele opzichten verschillend. De
-eerstgenoemde, die de randen der bassins vormen en die ik dus
-randwieren zal noemen, leven bij temperaturen die wel hoog zijn,
-maar die toch door vele andere planten, zij het soms ook slechts
-tijdelijk, kunnen verdragen worden. Het zijn, zooals ik reeds zeide,
-temperaturen van 45-50° C. en lager. Ik zal water van die temperaturen
-warm noemen en wat daarboven is heet. Wel is 45-50° zeer warm en
-brandt men zijn vingers als men ze er een poosje in houdt, maar het
-is een gemakkelijke wijze om een duidelijk verschil te maken. In
-wat ik heet water noem sterven nagenoeg alle planten en ook vele
-randwieren. Maar daarin kunnen de draadwieren leven en wel tot graden,
-die soms vrij dicht bij het kookpunt van water komen. Dit kookpunt
-is hier trouwens, zooals ik reeds zeide, veel lager dan bij ons. Het
-is dus een zeer bizondere en in het plantenrijk zeldzame eigenschap,
-die de draadwieren in staat stelt in dit heete water te leven.
-
-De randwieren verdienen dien naam om de wijze waarop zij groeien. Deze
-groei toch is de oorzaak van de geheele formatie en vooral van het
-ontstaan van terrassen. De wieren groeien op den bodem der vijvers
-als erwtgroote geleiachtige vlokken, soms iets grooter wordende en
-gekleurd al naar gelang van de soort. Hier en daar zag ik die vlokken
-aan de oppervlakte drijven, tengevolge van kleine gasbelletjes, die de
-zuurstof bevatten, welke zij uit het koolzuur vrij maken. Soms hangen
-zij in een dichte laag tegen het watervlak aan. Ik zag dit vooral in
-Bathing lake, dat een vrij groot meertje is, waarvan de heete bron
-op een plaats aan den rand ligt. Op de meest verwijderde plaatsen is
-het water dus vrij koel en gaat de ontwikkeling der wieren langzaam,
-zoodat men de verschillende processen goed kan volgen.
-
-Zet nu zulk een wierkogeltje kalk af, doordat het het oplossingsmiddel
-der kalk, het koolzuur verbruikt, dan wordt het allengs zwaarder en
-zinkt het op den grond. Zinkt het diep, dan zal het de voorwaarden
-van zijn groei moeilijker vinden; is de plaats ondiep, dan zal het
-sneller groeien. Dit groeien bestaat dus in dubbele werkzaamheid van
-grooter worden en verharden. De meest ondiepe plaatsen zijn natuurlijk
-bij den rand, en zoo ontstaat langs den rand een soort van levende
-wal, die voortdurend groeit. Men heeft berekend, dat zulk een wal
-omstreeks 1 cM. in een maand hooger kan worden. Dit zal ten slotte er
-toe leiden, dat de rand boven het water gaat uitsteken. Maar de bron
-voert voortdurend meer water aan, en dus zal het water over den rand
-heen vloeien. Aanvankelijk is dit voor den groei van den rand gunstig,
-maar de rand kan onmogelijk overal even hoog blijven. Zoodra de lijn
-ongelijk wordt, vloeit het water bij voorkeur of uitsluitend over de
-lagere gedeelten, en zoo worden deze verhoogd. Op die wijze worden
-verschillen in de hoogte van den rand steeds door den groei der wieren
-zelven vereffend en groeit dus ten slotte de rand gelijkmatig omhoog.
-
-Tevens groeit de rand sneller dan de wieren op den bodem van
-den vijver en dit heeft ten gevolge, dat de vijver allengs dieper
-wordt. Feitelijk wordt hij niet dieper, daar zijn bodem steeds hooger
-wordt, maar aangezien de rand sterker toeneemt, wordt toch de waterlaag
-langzamerhand dikker.
-
-Dit beginsel van randvorming ziet men op de terrassen van de Hot
-Springs overal en in alle graden ontwikkeld. De meest eenvoudige en ook
-meest algemeene wijze is de vorming van verheven ribbels. Vloeit het
-kalkhoudend water over een zachte helling omlaag, zoodat het nergens
-blijft staan, dan bekleedt zich die helling geheel met de beschreven
-wieren. Eerst gelijkmatig, maar weldra uit zich de neiging om randen te
-maken en groepeeren zich de wieren in kronkelende en ineenslingerende
-lijnen, die het oppervlak in kleine mazen verdeden. Deze mazen zijn
-dikwijls kleiner dan een gulden, en altijd smal en links en rechts
-in punten uitloopend, want de dammetjes staan dwars op de richting
-waarin het water vloeit. Dit is juist de grondslag voor het maken van
-randen. Men kan gerust zeggen dat de geheele rotsmassa, die eenige
-bunders bedekt, met dit fijne netwerk overtrokken is. Men ziet het
-overal, waar het water in een dunne laag over de oppervlakte stroomt,
-hetzij deze zwak helt of steil omlaag gaat of zelfs een vertikalen wand
-vormt. Men ziet het in allerlei kleuren, meestal bruin en roodbruin,
-soms in de verschillende tinten van groen.
-
-Waar thans geen water vloeit, heeft dit vroeger gevloeid en is
-de oppervlakte met dezelfde ribbels dicht bedekt. Het is als een
-soort van fluweel. Blijft een gedeelte echter lang droog, dan slijt
-het oppervlak, deels door regen, deels door plantengroei, deels,
-en misschien vooral, door de menschen die er op loopen. Het wordt
-dan tot een krijtwitte, poederachtige massa. Maar dit slijten gaat
-niet zoo snel, of overal vindt men langs de voetwegen en ook er op,
-de sporen van de opstaande randen.
-
-Het is gemakkelijk te begrijpen, hoe een rand allengs in een terras
-verandert. Het doet er niet toe hoe groot de vijver is, maar de meeste
-dier vijvertjes zijn slechts enkele vierkante meters groot. Vloeit
-nu het water nu eens hier dan weer daar over den rand, dan is de
-rand de plaats van den snelsten groei. Het water wordt er als het
-ware even opgehouden door de glibberige, geleiachtige wiermassa,
-die er de kalk en het koolzuur grootendeels uithalen. Dan vloeit het
-water over den rand heen, loodrecht naar omlaag en dus veel sneller;
-daarenboven heeft het niet meer zooveel kalk in oplossing. De groei
-der wieren over die loodrechte vlakten gaat dus slechts langzaam,
-en terwijl de rand jaarlijks zeer merkbaar hooger wordt, groeit de
-wand onder hem haast niet aan. Men ziet nu, hoe dientengevolge de
-rand vertikaal omhoog groeit, en dit is dan ook een algemeen karakter,
-zoowel voor de tallooze handhooge randen, die overal op de hellingen
-voorkomen, als voor die eigenaardige terrasvorming, die zoozeer de
-aandacht trekt. Horizontale terrassen met vertikale wanden staan
-boven elkaar op de oude heuvelhelling, die zij in een reuzentrap,
-met treden van een meter en meer veranderen. Maar elk terras is een
-vijvertje, dat wel allengs zijn bodem met nieuwe kalkwierlagen bedekt,
-maar toch, zoolang alles levend blijft, met water gevuld blijft.
-
-De vertikale wanden van die terrassen zijn soms uiterst fraai. Meest
-wit of zeer licht bruin, omdat de groei der wieren er slechts
-langzaam is, en altijd met de tallooze dwarsribbeltjes bezet, die van
-nabij beschouwd week en bros, d.w.z. geleiachtig en met kalkkorrels
-doortrokken, en niet zelden rose van kleur zijn. Soms is de loodrechte
-wand overigens vrij vlak, soms echter ook gevormd als een orgel, met
-tallooze pijpen, of liever als een reeks van afhangende stalactieten
-op dunne en steile stalagmieten rustende. Want in hun midden vertoonen
-deze kolommen dikwijls eigenaardige versmallingen.
-
-Hier en daar ziet men de levende, nog vochtige terrassen met de warme
-bron of groep van bronnen die ze voedt, alles nog in vollen groei en
-in krachtige werking. Deze zijn het voornamelijk, die met bizondere
-namen worden aangeduid, en waarheen de bezoekers bij voorkeur worden
-geleid. Maar er zijn tallooze terrasvormingen die geheel droog en
-dood zijn, en waarin de vijvertjes nu eens nog diep, dan weer met
-afval en stuivende kalk aangevuld zijn. Ook slijten de wanden en
-de randen allengs, en gaat dus het fijne en sierlijke op den duur
-verloren. Heeft men eenmaal echter het verband tusschen die droge
-en de nog vochtige terrassen goed begrepen, dan vindt men dezelfde
-formatie op dezen geheelen berg telkens en telkens weer terug.
-
-Het warme water komt door spleten in de onderliggende rotsen
-omhoog. Elk gesteente is min of meer gespleten, maar het vermogen
-van water, om zoo het voldoende koolzuur bevat, een overeenkomstige
-hoeveelheid kalk op te lossen, maakt hier de spleten waarin het water
-loopt allengs wijder. Het worden geheele kloven en grotten. Trouwens
-alle kalk die hier op de oppervlakte wordt afgezet, moet ergens in
-de diepte zijn opgenomen. Vloeit het water nu uit zulk een spleet,
-hetzij in een vijver, hetzij over een helling, dan ondergaat die spleet
-voortdurend verandering. Want het oplossen van kalk verbrokkelt het
-gesteente, en doet blokken invallen. Zoo kan men zich voorstellen
-dat vroeg of laat een spleet verstopt raakt. Het water moet dan een
-anderen uitweg zoeken; de formatiën van de vroegere spleet drogen uit
-en groeien niet meer, en elders beginnen nieuwe zich te vormen. Dit
-kan natuurlijk gebeuren buiten het tegenwoordige gebied der gewone
-werkzaamheid, en dan krijgt men zulke geïsoleerde kraters als bv. den
-oranje-geyser, dien ik straks nader beschrijven zal. Of het gebeurt
-binnen het oude gebied, en de afgezette lagen worden door nieuwe
-barsten geopend.
-
-Daartoe bestaat trouwens alle gelegenheid. Want de werkzaamheid der
-randwieren leidt niet tot de vorming van een compacte rotsmassa, maar
-tot het ontstaan van dunne, meest niet meer dan vingerdikke schalen
-en lagen. Overal waar de grond afbrokkelt kan men dit zien. Het is
-waarschijnlijk een gevolg van de periodische werkzaamheid, die zelf
-weer een gevolg is van het feit dat het water over den wierenrand nu
-eens hier en dan weer daar overvloeit.
-
-De beschreven oorzaak moge de meest algemeene zijn voor de kleine
-spleten tusschen de schalen, voor de grootere en zeer groote spleten
-geeft zij geen voldoende verklaring. Deze moet gezocht worden in de
-neiging der randwieren om niet alleen vertikaal omhoog te groeien maar
-ook horizontaal over den vijver heen zich uit te breiden. Drijvende
-wiertjes aan den rand, die niet gaan zinken als zij zich met kalk
-beladen, maar aan den rand aansluiten en met dezen allengs vast
-worden, zijn het begin van deze vorming. Zij groeien op de wijze
-van die paddestoelen, die men zoo dikwijls uit rottende boomstammen
-ziet uitgroeien als platte korsten met een opbouw uit evenwijdige
-kringen. Hun rand is dan de laatste en jongste kring. Zoo is het
-ook hier. Dezelfde zonen ontstaan, met een witte rand en bruine
-binnenkringen in allerlei tinten. Op Minerva-terrace ziet men een bron,
-als een helderen blauwen en vrij diepen vijver, door een aantal stellen
-van zulke horizontaal groeiende randen omgeven; de meer verwijderde
-zijn ontstaan, toen het water nog hooger stond, en die aan het water
-grenzen natuurlijk het laatst.
-
-Deze horizontale groei neemt nu soms zeer aanzienlijke afmetingen
-aan. Ik zag daarvan verscheidene bewijzen. Het fraaist was echter een
-warme bron, vóór en lager dan het Minerva-terrace. Het water was weder
-helder en donker blauw, de vijver had verscheidene meters in omtrek
-en in zijn midden borrelde het kokende water omhoog. Maar dat midden
-was volgegroeid, er stond een kleine krater met een centrale holte
-waaruit stoom en water kwamen. Rondom was die krater ver uitgegroeid
-tot een vlies, dat over het water zich uitbreidde. Aan de eene zijde
-had dit vlies den rand van den vijver al bereikt. Gelukkig was alles
-nog overvloeid en in vollen groei, in witte en bruine en groene
-kringen. Want het was een broos oppervlak, dat bij betreden in zou
-zakken en plaats maken voor het kokende vocht. Doch het betreden van
-al deze natuurwonderen is verboden.
-
-Aan de andere helft van dezen vijver was het middenvlies over het
-water heen tot bijna aan den rand gekomen, een waterlijn van 10-40
-cM. breedte vrij latend. Door deze lijn heen kon men in de diepte
-kijken, en ook de groene vlokken van wieren aan de onderzijde van
-het vlies zien.
-
-Het vlies was aan den rand nog papierdun, doch naar het midden toe
-veel dikker, het groeide van boven en van onderen gelijkmatig aan,
-en het scheen niet lang meer te behoeven te duren, voordat deze vijver
-rondom gesloten zou zijn.
-
-Wordt nu vroeger of later de toevoer tot zulk een bron afgesloten, dan
-blijft de spleet. In grootere vijvers kunnen zulke spleten veel langer
-worden. Overal in het droge gesteente vindt men die spleten. Hier
-en daar zijn ze ingetrapt of door een andere oorzaak geopend zoodat
-men ze zien kan. En van zeer kleine tot zeer groote spleten ziet
-men alle overgangen. Overal vindt men ze, meest in schuine richting
-omlaag gaande. Cupid's Cave is zulk een spleet, die zijdelings in
-een loodrechten wand wijd openstaat, en Devil's Kitchen is er een,
-die ik reeds genoemd heb en die enkele tientallen meters lang is en
-omstreeks 13 meter diep. Van ons gezelschap klommen een aantal personen
-langs ladders in deze spleet af, die juist wijd genoeg daarvoor was. In
-zulke spleten is onderaan niet zelden een koolzuurrijke lucht aanwezig,
-die vogels en andere dieren kan doen verstikken en op bepaalde bronnen
-van koolzuur wijst. Trouwens koolzuuruitwasemingen uit den grond gaan
-zeer dikwijls met vulcanische werkingen gepaard.
-
-Hoe dik de kalkafzettingen van deze wieren zijn, vond ik niet
-opgegeven. Gewoonlijk meent men, dat de geheele berg zóó ontstaan
-is, en overal in den omtrek vindt men sporen van denzelfden bouw uit
-dunne lagen en schalen. De afzettingen liggen echter op het uiteinde
-van een uitlooper van een heuvelenreeks, en zijn dus waarschijnlijk
-op een heuvelkam ontstaan.
-
-Om op de vliesvorming op de oppervlakte van het water terug te komen,
-merk ik op dat dit vlies, zoover het met het heete water in aanraking
-is, bijna altijd geheel wit is. Dit wijst er op dat het niet de
-randwieren zijn, die het grootste aandeel aan den snellen groei van
-dit vlies hebben, maar de draadwieren. Men ziet dan ook dikwijls een
-draderige structuur, de draden loopen evenwijdig en naar den rand toe,
-zoodat de lengtegroei van elken draad tot de voortzetting van den
-rand bijdraagt. Op enkele plaatsen zag ik zoo van één punt uitgaande
-een waaier van draden over de oppervlakte uitstralen. Of liever over
-wat de oppervlakte geweest was, want de watertoevoer was, tijdens
-mijn bezoek, zoo klein, dat het vijvertje droog was. De bodem was
-vlak en bezaaid met koraalvormige wiergroepen, wit van de kalkmassa
-waarin zij zich gedompeld hadden. Het waaiervormige dradenvlies lag
-rustig op die koraaltjes. En dicht er bij waren dergelijke vormingen,
-deels jonger en nog bevloeid en groeiend, deels ouder en ten deele
-vergaan. Zulke fijne vormingen moeten wel vernietigd worden als zij
-door een hagelbui met grove hagelsteenen getroffen worden, zooals
-op den avond na mijn bezoek. En eveneens moeten de herhaalde heftige
-regens en onweersbuien veel tot het afslijten bijdragen.
-
-Vele spleten zag ik in de droge gedeelten. Maar een aantal vond
-ik ook op de bevloeide plaatsen, en dan daalde het water in een
-dikken stroom in de spleet af, om in den ondergrond te verdwijnen,
-en waarschijnlijk, met nieuwe kalk beladen, elders weer voor den dag
-te komen. Zoo bijvoorbeeld aan Marble-terrace.
-
-De fraaiste vijvers zijn die van het Jupiter-terrace. Het zijn
-twee groote diepe vijvers van prachtig donker blauw water, dat zoo
-heet is, dat het de boven beschreven dampen en nevels geeft, en dat
-overal in de vijvers, die tientallen van quadraat-meters groot zijn,
-de bodem en binnenranden zuiver wit zijn, en dus geen randwieren maar
-slechts draadwieren bevatten. Over de randen vloeit het water deels
-loodrecht omlaag, aan de andere zijde echter over een uitgebreide
-vlakte, waar het groote terrassen met lage randen maakt. Hier koelt
-het voldoende af, om den geheelen bodem zich met bruine en groene
-wieren te doen bedekken. Vallen in zulke koelere vijvertjes naalden
-of geheele takken van dennenboomen en roode ceders, dan worden die
-allengs met wieren overgroeid en met een kalklaagje omkleedt evenals
-bij ons in het meertje van Rockanje. Kunstmatig ingebrachte voorwerpen
-kan men op deze wijze ook laten incrusteeren. Verderop is het water
-soms zoover afgekoeld, dat grassen en lage soorten van biezen er aan
-groeien kunnen.
-
-De eigenaardige groeiwijze der randwieren geeft nog tot een ander
-merkwaardig verschijnsel aanleiding, als namelijk de randen zeer hoog
-worden. Het zijn de kegels en schoorsteenen. Kegels heeten zij als de
-holte betrekkelijk klein is, schoorsteenen als die in verhouding tot
-den rand groot is. De namen hebben betrekking op de droge toestanden,
-maar men vindt dezelfde gevallen ook met een warme bron er in. Een
-schoorsteen van omstreeks een meter hoogte wordt den toeristen
-vertoond, en kegels ziet men op verschillende plaatsen.
-
-Als de travertijnrotsen lang droog zijn en verweeren, herneemt de
-plantengroei zijn rechten. Eerst komen gras en kleine bloemplanten,
-daarna komen heesters en boomen, en geheele bosschen van den
-Yellowstone-den (Pinus Murrayana) staan op dezen berg. Maar als zich
-dan dicht bij en iets hooger dan het bosch een nieuwe spleet opent,
-en haar heete water over den grond van het bosch uitspreidt, kan
-zij het geheele bosch dooden. Niet door de warmte van het water,
-want dat is op dien afstand van de bron voldoende afgekoeld om
-onschadelijk te zijn. Maar omdat de grond met een verhardende korst
-van kalk wordt bedekt, die ten slotte den bodem geheel van de lucht
-afsluit zoodat daaronder de wortels sterven, en dus ook de boomen te
-gronde gaan. Angel's terrace is een droevig voorbeeld van dit geval,
-daar hier honderden groote dennenboomen geheel dood en kaal op den
-kalkgrond staan. Soms bereikte de kalklaag hunne onderste takken,
-maar soms liet zij den voet der wortels aan de stammen onbedekt,
-zoodat men gemakkelijk zien kon, dat zelfs een zeer dunne laag
-zóó moorddadig kon werken. Aan de randen van deze plaats zag ik de
-stervende en half gestorven boomen, die een toenemende uitbreiding
-van het euvel aanduidden. Merkwaardig vond ik het voorkomen van onze
-gewone europeesche blauwe klokjes (Campanula rotundifolia), die hier,
-te midden van die vreemde verschijnselen en die geheel bizondere flora,
-weelderig bloeiden en een aangename herinnering aan onze heiden boden.
-
-In een der boschrijke valleien achter de heuvelengroep, waarop
-de voornaamste bronnen der Mammoth Hot Springs gevonden worden,
-staat een groote kegel van travertijn, die den naam draagt van
-Orange-Geyser. Deze naam zou allicht doen vermoeden, dat men hier te
-doen had met een formatie, zooals die in de eigenlijke geyserbassins
-gevonden worden, en dat deze bron dus op dit gebied niet thuis
-behoorde. Men zou meenen dat zijn wateren kiezelzuur bevatten en dus
-sintel afzetten, terwijl de opgeloste stof in werkelijkheid hier
-koolzure kalk is, evenals in alle bronnen van deze omgeving. Ook
-springt de bron niet hoog op, zooals men het van een echten geyser
-verwachten zou.
-
-De kegel is stomp en van boven min of meer vlak. De kleur is aan de
-eene zijde krijtwit, aan de andere bruin en grijs; de eerste zijde is
-thans droog, en de kleuren der laatste worden door het overvloeiende
-water onderhouden. Op den vlakken top bevindt zich een bekken met
-water, in welks midden een bron kookt. Van uit het dal kan men dat
-niet zien, maar men hoort het geluid duidelijk en ziet de dampen
-opstijgen. Ik ben op een der bergen die het dal omgeven geklommen
-om het bekken te zien; het neemt slechts een klein deel van de
-topvlakte in.
-
-Die bron schijnt uit een opening van een onderaardsche spleet te komen,
-want aan de eene zijde van den hoogen kegel is een lage afzetting van
-travertijn, die den vorm van een vlakken heuvelrug heeft, op zijn kam
-een aantal kleine openingen en barsten dragend, waaruit heet water te
-voorschijn komt. Die lijn is slechts een twintigtal passen lang, en
-even groot is de afgezette kalkmassa, die links en rechts van haar den
-grond bedekt. Deze formatie is vrij gelijkmatig van oppervlakte, zoodat
-zij bijna overal door het afvloeiende water bevochtigd wordt. Het kwam
-mij belangrijk voor, deze openingen nader in oogenschouw te nemen en
-eenigszins uitvoerig te beschrijven, omdat zij veel kleiner zijn dan
-die der meeste andere heete bronnen, en te zamen een typisch beeld
-van den bovenrand van een onderaardsche barst geven.
-
-De opening, die het verste van den hoofdkegel gelegen is, is zoo
-groot als een vuist, en aan drie zijden met korsten van bruin en groen
-verkalkt wier overgroeid; het water, dat er in vrij groote hoeveelheid
-uitstroomt, is zeer heet. Vlak er naast staat een kegeltje met een
-opening zoo wijd als een vinger dik is, maar dit is nu droog. Het water
-uit de vuist-groote opening kookt met tallooze bellen op en vloeit
-dan omlaag in een smal stroompje. Daarin groeien de witte of bleekgele
-draadwieren in drie of vier bundels, wiegelend in den kleinen heeten,
-snelvlietenden stroom. Men brandt zijn vingers als men de wieren er
-uithaalt. Iets verder op vindt men zulke draden, die afgebroken en
-dus weggevoerd zijn, maar tegen een scherpen hoek van den rand zijn
-blijven hangen. Allengs koelt het water natuurlijk af, en weldra is
-het zooveel lager in temperatuur geworden, dat de groene en bruine
-wieren er in kunnen leven. Het beekje is dan breeder en minder diep
-geworden, en loopt over korsten van levend travertijn in allerlei
-kleuren, met een slijmerige, maar allengs verkalkende oppervlakte.
-
-Volgt men de vermoedelijke barstlijn, dan vindt men, ongeveer een
-meter verder en iets hooger op, een vingerdikke opening, waaruit
-voortdurend groote damp-blazen komen, die de opening telkens
-afsluiten. Er vloeit maar weinig water uit, doch ook daarin groeien
-de witte draadwierbundels. Het water verspreidt zich dan en is juist
-voldoende om een aanzienlijk deel der oppervlakte vochtig en warm te
-houden. Daar groeien de bruine en groene korsten, nog geleiachtig
-en bros, brekend bij het aanraken. Enkele voetstappen van vroegere
-bezoekers maken er kleine meertjes, waarin het water blijft staan;
-in de hoogste en warmste groeien de bleeke draadwieren, in de lagere
-de bruine en oranjegekleurde soorten.
-
-Een halven meter verder, op de overigens gesloten barstlijn, komt
-weer een vuistgroote opening, die wat hooger op het heuveltje ligt,
-en dus een sneller afvloeiend stroompje geeft. Die stroom is aan den
-rand zwart, in 't midden draderig wit, beide door de wieren die er
-in groeien.
-
-Nu stijgt de heuvelrug sneller en over een afstand van een meter
-liggen nog een vijftal dergelijke bronnetjes, elk met een wit of
-zwart stroompje, omgeven door een bruinen rand. Hooger op de lijn
-worden de vingergroote openingen talrijker en moeilijk te tellen, soms
-vloeien zij tot groepen inéén. Maar de beekjes en afzettingen zijn
-dezelfde. Een 25-tal zulke gaatjes liggen op een paar meter bijeen,
-een smalle lijn vormend. Dan volgt een duimdikke bron, die zijn water
-een hand hoog opspuit en in een bocht omlaag laat vallen. Rondom
-de opening en de plaats waar het water valt, vormen zich korsten,
-die aan den warmwaterkant wit, doch aan de andere zijde bruin zijn.
-
-De groep der actieve bronnetjes wordt thans afgewisseld door een
-onwerkzamen kegel, die een hand hoog boven het oppervlak uitsteekt,
-en de meeste andere dus in grootte overtreft. Water kon ik in de
-holte niet zien, doch ongetwijfeld was dit in de diepte voorhanden.
-
-Op dezen kegel volgt een spuitbronnetje, dat zoo dik is als een pink
-en door een gekorrelden rand omgeven. Het werpt groote druppels water
-omhoog, die telkens met bellen kokenden waterdamp afwisselen. De
-druppels vallen buiten den rand op de kalkafzetsels, die daar en vlak
-langs den rand wit zijn, maar op zeer kleinen afstand eene bruine
-kleur aannemen. Want daar helt het oppervlak sterk en vloeit dus het
-water snel in een dunne, verkoelde laag weg.
-
-Nu komen weer, altijd in de richting van den geyserkegel, een
-tiental vingerdikke gaten waarin het water kookt; zij vormen een
-kleine groep met een gemeenschappelijken rand, die echter aan de
-eene zijde van onderen gebarsten is, zoodat het heete water niet
-over, maar onder den rand afvloeit. Het is een handbreede spleet,
-die een even breed stroompje geeft, dat weer een zwarten bodem heeft
-en vol is met slingerende, bleekgele draden. Aan de randen groeien
-allengs korsten van bruine en witte wieren over het water heen; zij
-groeien van onderen sneller aan, daar zij aan de bovenzijde dikwijls
-droog worden, en hechten zich dus meer en meer aan de onderlaag vast,
-de bedding van den stroom vernauwend.
-
-Eindelijk volgt nog een veel grootere opening. Het is een kegel zoo
-groot als een hoofd, die van boven en aan de eene zijde open is,
-en waaruit een breede stroom van heet water omlaag vloeit. Zwarte
-vliezen en witte draden wisselen elkaar in dit water af, terwijl
-allerlei fijne koraalvormige gewassen zich aan den voet van den
-kegel in het warme water bevinden. Verder op wordt de bodem van dezen
-stroom breeder en licht roestbruin van kleur, en bedekt hij zich met
-tal van wierlijsten en van lepelvormige uitsteeksels, die het water
-plaatselijk en tijdelijk tegenhouden, een ontelbare menigte van kleine
-bekkentjes vormend.
-
-Boven dezen langen en breeden rug verheft zich de eigenlijke
-geyser-kegel nog drie meter hooger. Aan de beschreven zijde vloeit
-overal een dunne laag heet water over den rand, zwarte en witte en
-bruine strepen vormend, al naar gelang der wiersoorten. De bovenrand
-is afgerond door het overvloeiende water; daaronder vormen zich
-stalactieten, die als ribben vertikaal omhoog loopen. Dan volgt een
-gedeelte waar de kegel minder steil is, en hier hebben zich vooral
-de randwieren genesteld, tal van terrassen, elk met een vijvertje,
-vormend. Sommige dezer terrassen zijn ook reeds volgegroeid en
-het water vloeit eenvoudig over den rand van het horizontale vlak
-heen. Soms zijn deze terrassen groot, en telt men er slechts een
-tiental boven elkaar, soms zijn zij kleiner en vindt men er twintig
-en meer bij dezelfde daling. Overal is de geheele oppervlakte met de
-kronkelende dwarsribben der bruine wieren dicht bedekt. Het is als
-het ware een fijngolvende bodem onder de dunne waterlaag.
-
-Aan de tegenovergestelde zijde, de noordzijde van den kegel, vloeit,
-zooals ik reeds gezegd heb, tegenwoordig geen water meer af; hier
-en daar zijn zelfs groote stukken er uit gevallen, zoodat men iets
-van de inwendige structuur zien kan. Daarbij blijkt, dat de opbouw
-voortdurend ongeveer op dezelfde wijze heeft plaatsgevonden, waarop nu
-de afzetting aan de oppervlakte nog voortgaat. Want de massa bestaat
-uit vingerdikke schalen, die los en met smalle tusschenruimten over
-elkander liggen. Die tusschenruimten correspondeeren met de perioden,
-waarop dat gedeelte van het oppervlak droog was, terwijl de schalen
-natuurlijk des te dikker zijn, naarmate de plek langer onafgebroken
-bevloeid geworden is. Bij het drogen is de donkerbruine kleur der
-vochtige en levende massa in een licht geelachtig bruin veranderd.
-
-Rondom de beschreven formaties is een uitgebreid afvloei-terrein voor
-het water. Op dit terrein is alle vegetatie van andere planten dan
-wieren gedood, en het is met een travertijnlaag bedekt, die vlak bij
-den kegel vrij dik is, maar naar de randen toe dun uitloopt. Vlak
-langs den rand groeien echter allerlei planten, zoodat men precies
-zien kan, hoever de afzetting gegaan is. Onder die planten, die de
-oorspronkelijke flora van het dal vertegenwoordigen, komt vooral
-een lage soort van gulden roede vrij veelvuldig voor. Trouwens het
-geslacht der Solidago's of gulden roeden is in het geheele park, en
-verder over al de prairiën van het westen, aan de oostzijde der Rocky
-mountains, een der meest algemeene, zoowel wat rijkdom aan soorten,
-als wat de onafzienbare millioenen van individuen betreft. Verder
-vindt men langs den rand blauw bloeiende vlassoorten, gele Sedums,
-kleine Asters (een geslacht, dat in Amerika even rijk vertegenwoordigd
-is als de gulden roeden), immortellen, en aan den boschkant de kleine
-moeras-zonnebloemen.
-
-Zoover de kalkafzetting gaat, zijn ook de boomen gedood. Het zijn
-de reeds genoemde "red cedars," een soort van jeneverbessen, die
-hier overal veelvuldig groeien. Rondom den voet van den kegel staan
-die boomen in groepjes, tot manshoogte en meer opgegroeid en op de
-armsdikke stammen rijk vertakt. Maar thans zijn zij zonder loof,
-geheel dor en kaal, en ten deele is reeds de schors afgestorven
-en afgevallen. Uit den kegel zelf steken de toppen van een zestal
-zulke stammen nog omhoog; zij moeten reeds eeuwen geleden, in het
-begin der formatie, gedood zijn, en zijn sedert langzamerhand onder
-de aangroeiende travertijn-massa bedolven geraakt. Wat daarboven
-uitsteekt is kaal en bestaat alleen nog maar uit de dikste takken;
-al het overige is vergaan, en ook de schors is sedert lang verdwenen.
-
-Zijn deze stammen een treurig getuigenis van den strijd tusschen de
-kalkwieren en het oorspronkelijke bosch, iets verder op kan men dezen
-strijd nog in vollen gang zien. Hier zijn de roode ceders ten deele
-nog groen en vol bessen, ten deele dor en droog. Aan sommige is het
-gelukt den kalkhoudenden stroom tijdelijk af te wenden; de voorste
-stammen zijn in den strijd gevallen maar zij hebben de overige van
-het groepje beveiligd. Als een eilandje ligt zulk een plekje in den
-versteenenden stroom, en allerlei kleine planten hebben van de geboden
-beveiliging gebruik gemaakt, de plek tot een groenende en bloeiende
-oase in de kleine woestenij makend. Vooral een soort van distel en
-de Smilacina, die later in het najaar uiterst sierlijke trossen van
-roode besjes zal dragen, troffen mij hier, tusschen de zooeven reeds
-genoemde planten van den rand.
-
-Behalve de roode ceders, die den kegel omgeven, ziet men aan de nu
-droge voorzijde een paar hooge dennenstammen, wier voet ook reeds
-door het travertijn overdekt is, en die dus geheel dood zijn. Als kale
-pilaren met wijduitgespreide takken reiken zij boven den heuvel omhoog.
-
-Het is duidelijk, dat deze geheele formatie van de vlakte van het
-dal uit is opgewerkt. Er moet zich in het bosch een onderaardsche
-spleet gevormd hebben, die in verband stond met de watermassa,
-die hier van uit de hooge bergen naar het eigenlijke terrein der
-Mammoth Hot Springs vloeit. Uit die spleet is het kalkhoudende water
-te voorschijn getreden, rondom kalk afzettend en de oude vegetatie
-doodend. De spleet moet ontelbare jaren en wellicht eeuwenlang op
-dezelfde plaats werkzaam zijn geweest, met één hoofdopening, die den
-grooten kegel gevormd heeft, en met een reeks van kleinere voor het
-vlakke heuvelrugje, dat ik beschreven heb.
-
-Rondom heeft het dal den gewonen vorm, en zijn de hellingen met de
-gewone dennensoort dezer streek meest dichtbegroeid. In het dal is de
-beschreven spleet echter niet de eenige uitlaat voor het heete water
-geweest. Want een honderdtal passen verder op ligt een tweede kegel,
-veel lager en veel vlakker en breeder, maar zuiver kegelvormig. De
-hoogte bedraagt slechts een meter, maar de straal is verscheidene
-meters lang. In het midden, dus op den top van den vlakken kegel,
-ligt een uitgedoofde bron. Het is een kommetje vol water, iets kleiner
-dan een gewone waschkom. Dit water is lauw, en dus afkomstig van de
-onderaardsche spleten; ook ziet men in den bodem van het bekken een
-drietal gaten, waaruit dampen en luchtbellen omhoog bobbelen. De bodem
-van dit kommetje is met roodbruine wiervlokken bedekt, en dezelfde
-wieren, doortrokken met kalk en uitgedroogd, vormen klaarblijkelijk
-de geheele massa van den kegel, blijkens de lichtgrijze kleur.
-
-De geheele, vlakke kegel is kaal, maar toch begint de plantengroei
-hier en daar zijne rechten weer te laten gelden, en mossen, grassen,
-enkele gulden roeden en wolfsmelken met nog een paar andere soorten
-hebben al enkele punten vermeesterd, om van daaruit zich allengs uit
-te breiden. Ook een immortelle zag ik er bloeien. Op de oppervlakte
-van den kegel ziet men nog duidelijk de sporen van de gekronkelde
-wierranden, die eenmaal ook deze formatie terrasvormig gemaakt moeten
-hebben. Maar het meeste is toch reeds tot puin en poeder vergaan,
-wellicht grootendeels door belangstellende bezoekers vertrapt.
-
-Ook elders in de vallei zijn nog sporen van bronnen of onderaardsche
-spleten wier wanden zijn ingevallen, zoodat men dus in de diepte
-zien kan.
-
-In een naburig dal had ik de gelegenheid nog beter te zien hoe zulk
-een travertijn-massa er van binnen uitziet. Daar vond ik een kegel,
-juist zooals die van den Orange-Geyser, maar klaarblijkelijk sedert
-lange jaren droog en onwerkzaam. Hij is drie meter hoog, van boven niet
-merkbaar veranderd, maar zijdelings afbrokkelend. Deze geheele kegel
-bestaat uit meest vinger dikke schalen, die van boven bijna horizontaal
-liggen maar dan ombuigen en loodrecht omlaag gaan. Zij zijn zoo los
-aan elkander verbonden, dat zij afbladeren en afschilferen. Op zijn
-buitenvlak vertoont elke schaal een stalactietachtige structuur, en
-waar de schalen dwars doorgebroken zijn is de inwendige massa helder
-wit en grof-poreus. Sommige schalen zijn zoo dun als bordpapier,
-andere dikker, tot vingerdikte toe. Plaatselijk is de buitenvlakte van
-den geheelen kegel nog goed bewaard, vooral aan sommige zijden aan
-den voet, en hier ziet men haar bedekt door tallooze dwarsloopende
-ribbels, die thans grijs en droog zijn, maar die klaarblijkelijk
-door de bruine randwieren zijn gemaakt. Hoeveel eeuwen de wieren aan
-dezen kegel gebouwd hebben, is moeilijk na te gaan, maar alles pleit
-er voor, dat zij van den beginne af tot aan het einde op dezelfde
-wijze werkzaam geweest zijn. Uiterst eenvoudige beginselen brachten
-ook hier een rijke afwisseling in vorm en structuur teweeg.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DE GEYSERS.
-
-
-Verlaten wij thans de warme bronnen van Mammoth Hot Springs met
-hunne terrassen van kalksteen, om tot de eigenlijke geysers over te
-gaan. Deze liggen in het algemeen in de dalen tusschen de vulkanische
-gesteenten, en hunne afzettingen bestaan dan ook niet uit kalk maar in
-hoofdzaak uit kiezelzure gesteenten of silicaten. Deze formatie heet
-hier geyseriet, in tegenstelling met het travertijn der beschreven
-warme bronnen.
-
-Hoogopspringende bronnen ziet men op het kalkterrein niet. De geysers
-zijn echter juist het meest bekend om de enorme hoogten waartoe
-sommige van hen het kokende water opwerpen.
-
-Vanwaar die kracht, die stoom en water zoovele honderden meters omhoog
-kan werpen? Vanwaar dat vermogen, om een schijnbaar volkomen rust
-plotseling af te breken, om zulke geweldige verschijnselen voort te
-brengen, en dan weer, als of niets gebeurd ware, tot de vroegere rust
-terug te keeren? Het is de inwendige warmte der aarde, die dit teweeg
-brengt. Het zijn eenvoudig verschijnselen van koken, maar onder zeer
-bizondere omstandigheden. In een gewonen ketel bruist en borrelt en
-spat het water op. Kon op een of andere wijze plotseling het koken
-versneld worden, dan zou ook het opspatten van waterdruppels plotseling
-toenemen, zij zouden talrijker en hooger opgeworpen worden. Zoo moet
-men zich de geysers voorstellen. Enkele komen uit een diepe spleet,
-waarin men tijdens de rust het water niet zien kan, maar kort vóór
-de uitbarsting komt het toch omhoog. De meesten echter komen uit
-een kleinen kom of vijver, die tot aan den rand toe gevuld is met
-water. Een volkomen helder, maar donkerblauw water, dat in schoonheid
-en aantrekkelijkheid voor dat der andere warme bronnen van het park
-niet onderdoet.
-
-Men kan veilig zeggen, dat tusschen de voortdurend kokende bronnen
-en de machtigste geysers in de bassins van het Yellowstone-park alle
-overgangen voorkomen. Daarbij geldt de regel, dat gewoon kokend
-water betrekkelijk slechts weinig opspat, maar dat het opwerpen
-van hooge zuilen samenhangt met periodische rust. Hoe zeldzamer het
-opspatten is, des te hooger en des te machtiger kan het worden. De
-meest bekende geyser is de Old Faithful, die dien naam draagt, omdat
-hij, zoolang als men hem kent, nog nooit aan zijne belofte ontrouw
-geworden is. En die belofte, afgeleid uit een lange ervaring, is dat
-hij telkens, na ruim een uur, weer zal beginnen te "spelen," zooals
-de locale term luidt. Alle andere hoog opspuitende geysers van deze
-streek zijn zeldzamer in hun uitingen, zij werken elken dag eens,
-of om den anderen dag of om de 4 of 5 dagen. De tusschenpoozen van
-rust zijn wel ongeveer gelijk, voor elk van hen, maar toch niet zóó,
-dat men juist vooruit kan zeggen, wanneer het spel beginnen zal. Voor
-den reiziger, die op elk bassin slechts eenige uren vertoeft, hangt
-het dus geheel van het toeval af of hij de verschijnselen zien zal
-of niet. Maar de Old Faithful laat hem nooit in den steek.
-
-Vlak bij dezen geyser, op een afstand van omstreeks 300 Meters, is het
-hôtel gebouwd, dat zijn naam in de curieuse combinatie draagt. Het
-heet Old Faithful Inn, een naam, dien, buiten verband met de bron,
-menige Inn benijden zou. Het spel begint met het opstijgen van heet
-water uit de spleet en het overvloeien van groote hoeveelheden daarvan,
-terwijl voortdurend aanzienlijke hoeveelheden stoom in groote wolken
-in de lucht ontwijken. Heeft dit eenige minuten geduurd, dan begint
-het water sterker op te spatten, meters hoog en in verschillende
-richtingen schuin opstijgend, totdat ten slotte een zuil van wel
-twee voet in doorsnede tot een hoogte van 40-50 M. met geweldige
-snelheid omhoog stijgt. Deze zuil is echter, zoover ik zien kon,
-geen massieve waterkolom, maar gevormd uit een onnoemelijk aantal
-grootere en kleinere druppels. En de hoeveelheid water, die terstond
-daarna omlaag valt en den geheelen geyserkegel overdekt, komt met
-deze voorstelling goed overeen. Een uitvoerige beschrijving van dezen
-geyser en zijn spel zal ik echter eerst later geven.
-
-Juist op dezelfde wijze werken de talrijke geysers die met
-tusschenpoozen van een kleiner of grooter aantal minuten
-opspuiten. Hier kan men alles meer van nabij en dus nauwkeuriger
-zien. Een, twee of drie meters spat het water op. Zorgt men dat
-men ten opzichte van de windrichting ter zijde staat, zoo kan men
-soms veilig vlak aan den rand blijven staan. Onder den wind zou men
-natuurlijk door de heete stoomdampen omhuld worden, zonder snel genoeg
-een uitweg te kunnen vinden. Men ziet ook hier geen eigenlijke zuil
-van water. Uit de diepte van den helderen vijver stijgen plotseling
-groote stoomblazen in geweldig aantal op. Zij werpen het water dat
-boven hen is, en dat zij meevoeren met kracht omhoog, maar doen het
-daarbij snel en volkomen uiteenspatten.
-
-De Ginantess [20] speelt om de 12 uren, de Sawmill [21] 5 of 6
-maal daags, de Giant [22] eens in de week, de Castle [23]-geyser
-met tusschenpoozen van omstreeks 30 uren, en zoo zou men voor al de
-grootere geysers een lijst van hunne werkzaamheid kunnen geven. De
-Giant, die het zeldzaamst werkt, is ook de hoogste, zooals zijn naam
-trouwens aanduidt; zijn water wordt tot ruim 80 Meter hoog opgeworpen,
-dus bijna de dubbele hoogte van Old Faithful.
-
-Door dit overzicht van de kracht der uitbarstingen in verband met de
-lengte van de perioden van rust, komen wij tot de voorstelling, dat de
-machtige geysers gedurende die perioden eenvoudig hun kracht opsparen
-en ophoopen, om die dan, in den korten tijd van enkele minuten, op
-veel grootschere wijze te kunnen gebruiken. Als van zelf ontstaat
-dus de vraag, op welke wijze zij dit ophoopen kunnen tot stand brengen.
-
-Natuurlijk kan men in het inwendige der aarde niet gaan kijken, hoe
-het water daar eigenlijk kookt, noch ook hoe de ketel of ketels er
-uit zien, waarin dit gebeurt. Kon men door boringen zoo dicht bij de
-bronnen komen, dan zou men toch waarschijnlijk hun regelmatige werking
-storen. Men moet dus uit gewone natuurkundige verschijnselen, in
-verband met den bekenden bouw der gesteenten, en den gewonen loop van
-het water, dat in artesische putten en in overeenkomstige natuurlijke
-bronnen omhoog komt, trachten een voorstelling af te leiden.
-
-Zulk een voorstelling heeft de groote scheikundige Bunsen ontwikkeld
-en door laboratorium-proeven gesteund. Zij heeft algemeenen bijval
-gevonden, en hoewel door lateren hier en daar in de uitwerking wat
-veranderd is, is het beginsel toch steeds hetzelfde gebleven. Zoo groot
-is de vereering, die de bewonderaars der geysers voor Bunsen hebben,
-dat een der hoogste en fraaiste bergtoppen van het Yellowstone Park
-naar hem genoemd is. Het is de Bunsenpeak, de hoekige pyramidale
-berg, die vlak achter de Mammoth Hot Springs en tegenover de
-Terrace-mountains staat. De groote zijweg gaat tusschen hem en deze
-bergen door, en mijlen lang rijdt men rond om zijn voet, met het
-volle uitzicht op zijn rotsen en bosschen.
-
-Om mij echter niet te zeer in theoretische beschouwingen te begeven,
-zal ik beginnen met een korte schets van de beweging van het
-water in den grond in gewone gevallen. Ik knoop daarbij aan aan den
-gedachtengang, dien ik reeds bij de bespreking der travertijn-bronnen
-van Mammoth Hot Springs gegeven heb.
-
-Overal waar een kunstweg in het gesteente van een gebergte is
-uitgehouwen kan men zien, dat die steen niet gaaf is. Altijd is
-hij door spleten en barsten in verschillende richtingen in stukken
-gebroken. Men beweert dat nergens op aarde, noch aan de oppervlakte,
-noch in de diepte, een volkomen gaaf rotsblok van kubieken vorm met
-zijden van 3 Meters of meer zou te verkrijgen zijn. Die barsten zijn
-onafhankelijk van den laagsgewijzen bouw en in het algemeen het gevolg
-van plaatselijke opheffingen en verzakkingen. In het lava-gesteente
-van het Yellowstone Park komt daarbij het feit dat de lava bij het
-verkoelen natuurlijk sterk ingekrompen is. Zij is daarbij min of meer
-regelmatig gebarsten, in het geval van de basalt zelfs zeer regelmatig
-in de bekende zeszijdige zuilen.
-
-In die barsten ziet men somwijlen op de rotsen, maar meer nog op de
-zooeven bedoelde, bij het aanleggen van wegen kunstmatig gemaakte in-
-en doorsnijdingen, de wortels der planten doordringen. Dit is een
-studie op zichzelf, vooral omdat het een tastbare verklaring geeft
-hoe het komt, dat zoovele planten op schijnbaar naakt gesteente of op
-klaarblijkelijk uiterst droge hellingen leven kunnen. Meters ziet men
-de wortels omlaag dalen, en waarschijnlijk gaan zij nog veel dieper,
-maar de fijne takken en uiteinden zijn allicht beschadigd en gebroken
-en dus niet meer waarneembaar.
-
-Langs denzelfden weg sijpelt natuurlijk het regenwater in het gesteente
-omlaag. Het moge in de humuslagen langeren of korteren tijd zijn
-opgehouden, alles wat niet verdampt, of niet als beken langs de
-oppervlakte afvloeit, zinkt weg in de spleten. Het verzamelt zich
-in de diepte. Ging het gesteente met denzelfden bouw onbeperkt door,
-allicht zou het water onbeperkt kunnen wegzinken. Maar de lava rust op
-krijtlagen, en deze weer op andere formatiën. Storingen in de beweging
-van het water moeten dus het gevolg zijn, en zoo de lagen eenigszins
-hellen, zullen zij het water in bepaalde richtingen afvoeren. Zoo
-ontstaan onderaardsche beken en stroomen en hun aantal en macht is
-veel grooter dan men zich gewoonlijk voorstelt. Trouwens ook in ons
-eigen land speelt die onderaardsche beweging van het water een groote
-rol, een rol, die men thans, bij het aanleggen van waterleidingen
-hoe langer hoe meer waardeeren en bestudeeren gaat.
-
-Loopt nu een laag in een berg zóo, dat zij met haar laagsten rand in
-een dal uitkomt, dan zal het water, dat over de laag heen vloeit, in
-dit dal te voorschijn komen. Soms ziet men het rechtstreeks uit den
-rotswand sijpelen, maar waar deze met een dikke humuslaag bedekt is
-ziet men meestal, in het hoogste deel van het dal een klein moerasje,
-van waaruit een beek omlaag stroomt. Vloeit geen zichtbare beek in dit
-moerasje, dan is het duidelijk dat het door een of meer onzichtbare
-stroompjes gevoed wordt; zijn er echter een of meer aanvoerbeekjes,
-dan heeft de gewone beschouwer meest geen reden om ook nog aan
-onzichtbare te denken.
-
-Thans komen de artesische putten aan de orde. Hun water komt onder
-drukking uit de diepte te voorschijn, het moet dus daar onder
-drukking staan. De laag, die door talrijke en wijde spleten het
-water gemakkelijk vervoert, moet van boven en van onderen aan minder
-gespleten en minder doorlatende lagen grenzen. Evenzoo zijn het bij ons
-vooral grint- en zandlagen, die als het ware ingesloten zijn tusschen
-klei, die het water voor de opborrelende putten leveren. De put maakt
-men in een dal, op grooteren of kleineren afstand van een gebergte-
-of heuvelenreeks. Niemand zal verwachten dat in een put, geboord op
-den top van een berg, het water tot aan den rand zal opstijgen. Want
-terwijl de laag helt, is het het water in de heuvelen dat drukt op
-dat in de vlakte, en waar men boort tracht het natuurlijk even hoog
-op te stijgen, als het onder den heuvel staat. Het tracht eenvoudig
-het evenwicht te herstellen, want de put en de laag vormen een stel
-van communiceerende buizen, en eer het tot rust komt, moet het water
-dus in beiden even hoog staan. Is dus de monding der put lager dan
-de waterstand in den heuvel, dan blijft het water voortdurend vloeien
-en de bron is schijnbaar onuitputtelijk.
-
-In een zand- of grintlaag vloeit het water met een zachte helling
-in een regelmatigen stroom. In een gespleten gesteente hangt de weg
-geheel van de spleten af, en is dus uiterst onregelmatig. Dit heeft
-nu voor den loop over groote afstanden wel niet veel beteekenis,
-maar de aard van de uitmonding hangt daarvan natuurlijk geheel af. De
-laatste spleet, die waaruit het water te voorschijn komt, kan rechtop
-gaan of schuin of misschien bijna horizontaal liggen, en waar op het
-gebied der geysers heete stoom uit spleten te voorschijn dringt,
-zonder dat rondom de monding een vijvertje ontstaan is, ziet men
-de spleten dan ook in alle richtingen hellen. Monden zij in een
-vijver uit, dan kan men ze maar zelden zien, en liggen zij diep,
-dan werken zij onder water allicht toch als vertikale openingen, ook
-al zijn zij zeer schuin. Verder zullen de spleten natuurlijk nooit
-overal even wijd zijn, maar hier en daar zullen wijdere gedeelten,
-wellicht zelfs geheele grotten, met de nauwere spleten afwisselen.
-
-Het spreekt van zelf dat het water, dat uren ver door bepaalde lagen
-loopt, de temperatuur van die lagen zal aannemen. En komt het snel
-genoeg aan de oppervlakte, dan zal het dus daar dien warmtegraad, ten
-minste ongeveer, verraden. Nu is het Yellowstone-park in de laatste
-geologische tijden voortdurend een terrein van uitgebreide vulkanische
-werkzaamheid geweest, en moet men dus aannemen, dat de koude korst,
-die hier de inwendige warmte bedekt, dunner is dan wellicht op eenige
-andere plaats op aarde. Het water behoeft dus niet zoo heel diep af
-te dalen om in lagen te komen, wier temperatuur boven het kookpunt
-ligt. En het doorloopen van zulke warme aardlagen is klaarblijkelijk
-de eenige bron voor de warmte van het heete water.
-
-Hier komt nu een zeer belangrijke factor in het spel, namelijk de
-afhankelijkheid van het kookpunt van water van de drukking. Iedereen
-weet, dat op hooge gebergten het water bij een lagere temperatuur
-kookt dan bij ons, al ware het ook slechts uit de ervaring dat het
-koken van eieren in zulke streken langeren tijd vordert. Evenzeer
-weet iedereen dat in een Papiniaansche pot [24] het water tot ver
-boven 100° C. verhit kan worden, zonder tot stoom over te gaan. Het
-is de grootere drukking, die dit belet. Passen wij dit nu toe op onze
-onderaardsche stroomen, die op de beschreven wijze onder de zeer
-aanzienlijke drukking van het grondwater in de omringende heuvelen
-staan. Het zal dus bij 100° C. nog niet gaan koken, ja verscheidene
-graden hooger verhit kunnen worden, zonder dit te doen. Het kan dus
-een tijd lang in oververhitten toestand zich voortbewegen. Eindelijk
-echter nadert het de openingen der spleten, en dus de plaats waar
-geen overmaat van drukking er meer op rusten zal. Is het dan toch nog
-warmer dan 100° C., dan zal het gaan koken, plotseling of langzaam,
-al naar gelang van de wijze waarop het toestroomt. Bij den overgang
-tot stoom zet het zich geweldig uit, en perst dus al het water dat
-er boven staat voor zich uit.
-
-Zoo ontstaan de kokende bronnen. In oververhitten toestand wordt het
-water in een zeer langzamen stroom toegevoerd. Houdt dan de drukking
-op, dan gaat het koken, en de stoom verhit het water in den vijver,
-tot ook dit het kookpunt nadert, waarna de stoom, in grootere en
-kleinere bellen ongehinderd doorgaat, bruisend en barstend aan de
-oppervlakte komend. Veel kleine geysers, die heftig koken, voeren
-alleen stoom en geen water omhoog, en men ziet hun rand dan ook niet
-overvloeien; een van de grootere heeft zelfs, om het typisch zuinige
-van dit verschijnsel, den naam van Economy-geyser ontvangen.
-
-Zijn nu de onderaardsche spleten regelmatig, zoo zal de bron
-gelijkelijk door blijven koken. Onregelmatigheden in de spleten kunnen
-echter tot plaatselijke ophoopingen van stoom aanleiding geven. Een
-gewelfvormige spleet, die alleen van onderen toe- en afvoergangen
-heeft, zal zich b.v. allengs met stoom vullen, en deze zal onder de
-drukking van de zuil water tusschen het gewelf en de oppervlakte
-van den uitmondings-vijver staan. Langzaam neemt de stoom toe,
-tot hij eindelijk de geheele holte vult. Ontstaat er nu nog meer,
-dan moet deze ontwijken, en drukt dus de zuil water boven zich
-weg. Men ziet den kraterrand overvloeien, meest schoksgewijze. Maar
-stoom weegt minder dan water, en het wegpersen van de waterkolom
-ontheft den stoom in het onderaardsche gewelf van den druk, die
-hem daar samenperste. Plotseling zet hij zich geweldig uit, en
-slingert nu alles wat nog in het te doorloopen kanaal gebleven was,
-en misschien zelfs al het water van den vijver, met groote kracht voor
-zich uit. In plaats van af te nemen, neemt de kracht op den weg toe,
-daar de drukking vermindert. Zoo worden in weinige minuten nagenoeg
-al de stoom en al het water hoog in de lucht opgeworpen.
-
-Dan echter is de kracht gebroken. Wat in den vijver neerviel vloeit
-thans kalm in de buis terug, en de onderaardsche aanvoer vult het
-gewelf en de gangen met water. Langzaam begint de stoom zich weer
-op te hoopen, tot hij eindelijk weer ontsnapt, onder dezelfde hevige
-verschijnselen.
-
-Uit deze door Bunsen gegeven voorstelling volgt nu als vanzelf,
-dat spleten zonder zulke gewelven een regelmatig kokenden geyser
-zullen geven, en dat de aanwezigheid van gewelven daarentegen de
-periodische werking kan teweeg brengen. Hoe grooter de gewelven, des
-te langer zal het duren voordat zij voldoende met stoom gevuld zijn,
-en des te langer zullen dus de perioden van rust zijn. Maar des te
-heviger zal ook de uitbarsting worden.
-
-Men moet zich dus de toevoerbuis van elken geyser als een
-onregelmatigen, langzaam schuin omhoog stijgenden barst voorstellen,
-waarvan de onregelmatigheden nu eens zonder beteekenis, dan weer,
-door de vorming van van boven gesloten gewelven, geheel beslissend
-voor het verschijnsel worden.
-
-In de verschillende spleten loopt het water meest onafhankelijk van de
-overige, soms zelfs van zeer naburige bronnen. Dit blijkt allereerst
-daaruit dat de vijvers op de hellingen van een heuvel op zeer ongelijke
-hoogten plegen te liggen. Waren er communiceerende buizen, zoo zouden
-de hoogere natuurlijk leegloopen en de lagere overvuld worden. Verder
-blijkt het uit het feit dat de uitbarstingen van naburige geysers
-van elkander geheel onafhankelijk zijn, de meest woeste uiting van
-den een kan de volkomen rust van zijn buurman volstrekt niet storen.
-
-Laat ons thans de heftige maar voorbijgaande werkingen verlaten,
-om ons met de kalmere en schijnbaar onaanzienlijke, maar de eeuwen
-trotseerende afzettingen rondom de geysers bezig te houden.
-
-De geysers, en in dien naam zal ik thans gemakshalve de overeenkomstige
-kokende bronnen mede begrijpen, liggen overal in de dalen van het
-Yellowstone-park. Soms liggen zij eenzaam, meest zijn zij tot groepen,
-enkele malen tot groote groepen vereenigd. In het laatste geval noemt
-men het geheele dal een geyser-bassin, en het Norris-bassin, de Lower-,
-Midway- en Upper- [25]bassins zijn daaronder de meest bekende. Maar
-ook elders, zelfs aan de oevers van het Yellowstone-meer, vindt men
-zulke bassins.
-
-De term bassin is in zekere mate misleidend. Allereerst om de reeds
-besproken onderlinge onafhankelijkheid der geysers en om het feit
-dat er bijna nooit twee uit denzelfden vijver omhoog springen. Elke
-geyser heeft als het ware zijn eigen monding gemaakt, het zij die
-vol water is of niet. Er is dus geen gemeenschappelijk bassin, noch
-onder den grond, noch er boven. Het is alleen een waterrijk dal,
-dat vele bronnen omsluit. Verder is de naam van bassin misleidend,
-omdat de geysers zich altijd op een soort van heuvel bevinden. Midden
-in het dal ligt zulk een heuvel, van eigenaardige vorm en formatie,
-en de vijvers, spleten, heete bronnen en geysers liggen bovenop
-of op de hellingen van dien heuvel. De heuvel is laag en breed, de
-hellingen zacht glooiend. Soms vult hij plaatselijk het dal over de
-geheele breedte en sluit dan aan de aangrenzende bergen aan, maar
-altijd met een lageren rand, waarlangs het geyserwater kan wegvloeien.
-
-Deze vlakke heuvels zijn het product der geysers; zij bestaan
-uit een bizonder gesteente, dat den naam van geyseriet draagt. In
-tegenstelling met het travertijn der Mammoth Hot Springs, dat een
-kalkgesteente is, is het geyseriet een kiezelgesteente. Zooals ik
-reeds meermalen opgemerkt heb, liggen de geysers in de dalen tusschen
-heuvels en bergen die voornamelijk uit lava bestaan, en is de lava
-zelf weer in hoofdzaak uit kiezelmassa's gevormd. Het water, dat van
-die bergen naar de geysers stroomt, vindt dus in de spleten op zijn
-weg geen kalk maar kiezelzuur om op te lossen. Dit is echter op verre
-na niet zoo gemakkelijk oplosbaar als kalk, en het water neemt er dus,
-ook bij een langen loop, maar weinig van op.
-
-Dit opgeloste kiezelzuur nu wordt bij het uitstorten van het water
-en dus rondom de heete bronnen afgezet. Het vormt het geyseriet, en
-het heeft dus, in den loop der eeuwen, de geheele geyserietheuvels
-in de dalen tot stand gebracht. Moge men ook uren lang op die
-"bassins" rondwandelen, toch moet men bedenken, dat deze geheele
-steenmassa eenmaal vloeibaar was. Niet alles tegelijkertijd, maar
-achtereenvolgens, eeuw na eeuw en laag na laag.
-
-De vastlegging van dit kiezelzuur nu geschiedt uitsluitend door
-wieren. Noch de verkoeling van het water, noch de betrekkelijk geringe
-verdamping kunnen het kiezelzuur doen neerslaan; zonder de wieren
-zou het even rijk daaraan afvloeien als het omhoog gekomen was.
-
-De afzetting van kiezelzuur door levende planten is geenszins een
-verschijnsel dat tot de geyserietvormingen beperkt is. Integendeel,
-het is in het plantenrijk zeer algemeen, veel algemeener dan
-de afzetting van kalk. Sommige planten zijn er zeer rijk aan en
-hebben er een bizondere hardheid en ruwheid aan te danken, zooals
-b.v. onze schuurbiezen, wier schurend vermogen juist aan deze stof
-te wijten is. Opgelost kiezelzuur, of liever oplosbaar kiezelzuur
-heet in den handel waterglas, de oplossing ziet er uit als water,
-maar gaat bij volledige verdamping in een glasachtige massa over,
-die dan niet weer door water kan worden opgenomen. In de planten
-wordt het opgenomen kiezelzuur eerst als een gelei-achtige massa in
-de celwanden gebonden, zoodat het die geheel doortrekt, voornamelijk
-in de buitenste weefsellagen. Grassen en granen zijn er zeer rijk
-aan. Allengs wordt het harder, maar blijft met de celwanden zoo
-vereenigd dat men het daarin niet zien kan. Maar toch kan men het
-gemakkelijk vinden daar het onbrandbaar is en dus als een skelet
-achterblijft als men de weefsels voorzichtig verbrandt.
-
-Onder de wieren is er een groep, die om dit kiezelgehalte zeer
-bekend is. Het zijn de kristalwieren of Diatomeeën, beide namen die
-op hun vorm en niet op hun inwendigen bouw betrekking hebben. Zulke
-kristalwieren groeien ook bij ons overal in allerlei wateren, waar
-zij dikwijls een dicht, vlokkig of geleiachtig bekleedsel rondom de
-stengels der waterplanten vormen, voor zooverre deze onder het water
-groeien. Zulke Diatomeeën spelen nu bij de vorming van het geyseriet
-een belangrijke rol, maar zij verdragen de groote hitte van het
-opbruisende water niet en zijn dus beperkt tot de bassins, die rondom
-de eigenlijke kraters door het overvloeien ontstaan. Aanzienlijke
-lagen van Diatomeeën vindt men b.v. rondom "Black Sand Pool" en
-voornamelijk op den bodem van het Specimen lake, dat daaraan zijn
-water ontleent. Soorten van de bekende geslachten Navicula, Epithemia,
-Cocconema en andere nemen aan die formatie deel. Zij zouden even goed
-voor polijstaarde kunnen worden gebruikt als sommige Diatomeeën-lagen
-in Europa.
-
-Toch zijn deze kristalwieren slechts van locale beteekenis. Zij
-vormen de hoofdmassa's van het geyseriet niet. Dit doen wiersoorten
-van een veel eenvoudigeren lichaamsbouw. In het algemeen zijn het
-dezelfde geslachten en ten deele ook dezelfde soorten als in de
-travertijn-formatiën. In verband daarmede ziet men hier dan ook
-overeenkomstige kleurschakeeringen en kleuren. De wanden der kokende
-vijvers zijn ook hier wit of zeer licht geel, en de bruine of roode,
-groene of blauwe, lichte en donkere, soms geheel zwarte overtrekselen
-ziet men slechts in de omringende bassins, waar het water reeds meer of
-min afgekoeld is. De wieren groeien snel, maar het kiezelzuurgehalte
-van het water is gering, zoodat op veel organische stof weinig
-sintelmassa komt. Voor een deel ten gevolge daarvan is het geyseriet
-later, als het dood en droog is, een veel lichter gesteente dan het
-travertijn, terwijl toch anders de kiezelgesteenten juist niet tot de
-lichtste behooren. Ook verweert het zeer gemakkelijk, en ziet men op de
-oppervlakte der geyserietheuvels de overblijfselen der oorspronkelijke
-structuur niet zoo veelvuldig en zoo fraai als op de travertijnrotsen.
-
-Onder de lagere wieren, die hier een rol spelen, mogen er hier enkele
-genoemd worden. Ten deele zijn zij dezelfde, die ik bij de beschrijving
-der Mammoth Hot Springs reeds heb aangevoerd. De voornaamste geslachten
-zijn Leptothrix, Phormidium, Calothrix, Gloeocapsa en andere. De
-eerste zijn bleek en verdragen hooge temperaturen, de Gloeocapsa is
-blauwgroen en vormt soms aan de buitenzijde der geyserkegels zwarte
-geleiachtig-vliezige en soms vingerdikke overtreksels. De kleur
-schijnt overigens zeer veranderlijk te zijn, want als men van een
-bruin of zwart overtreksel in een warm stroompje of bassintje deelen
-los maakt, ziet men de onderzijde dikwijls groen of blauwgroen.
-
-De wijze waarop deze wieren de formatie tot stand brengen hoop ik
-weldra, naar aanleiding van mijn bezoek aan het Upper Geyser-bassin,
-uitvoerig te schilderen.
-
-Vooraf moge echter het een en ander omtrent de voornaamste bassins
-gezegd worden. Zij liggen dicht bijeen, op een bijna recht van het
-zuiden naar het noorden loopende lijn. De toerist bezoekt ze in
-zoodanige volgorde, dat hij met de minst belangrijke begint, om met
-de groep der krachtigste geysers te eindigen.
-
-Het meest noordelijke of Norris bassin omvat een aantal geysers,
-bronnen en stoomspleten, deels in het dal, deels op de hellingen
-der heuvels gelegen. Onder hen speelt de Constant om de minuut, zijn
-waterdroppels eenige meters omhoog werpende. De Congress is gewoonlijk
-een groote, blauwe, kokende vijver, maar geeft op onverwachte tijden
-geweldige uitbarstingen.
-
-Overal in den grond ziet men spleten en gaten, waaruit stoom komt en
-waaronder men het rommelen hooren kan. Soms zijn die gaten met een
-dunne korst van geyseriet bedekt en onzichtbaar; op zulke plekken moet
-men bij het loopen zeer voorzichtig zijn, daar de korst te dun is, om
-het gewicht van een mensch te dragen. Men doet beter op de planken te
-blijven, die hier de voetpaden vormen. Een zeer breede, ternauwernood
-vingerdiepe stroom voert het warme water uit al deze bronnen weg,
-vloeiend over een laag van kleurig en levend, voortdurend aangroeiend
-geyseriet. Hooger op den berg liggen geweldige stoomspleten, die een
-oorverdoovend geraas maken, en nog iets hooger de Black Growler, [26]
-waarvan de kegelvormige opening geheel leeg, maar tot aan den bovenrand
-met zwarte koraalvormige wiergroeiïngen bedekt was. Ik wachtte een
-poosje en zag langzaam het water in den trechter opstijgen. Het
-bereikte een zekere hoogte en zonk toen weer weg. Daarna stijgt het
-gewoonlijk weer, nu eens hooger, dan weer lager, nu eens alle wieren
-bevochtigend en overvloeiend over den rand, dan weer onvermogend om ook
-maar de helft van het koraal-oppervlak te bedekken. De naam Growler
-duidt op het geruisch, dat hij bij al die bewegingen maakt. New
-Crater, Gibbon-Geyser en vele andere zou ik kunnen noemen; ik wil
-echter alleen de grijze-verfpotten vermelden, die vol met een grauw
-troebel water zijn, dat over de geheele oppervlakte kookt.
-
-In het Lower Geyser-bassin vindt men heldere bronnen, rond en blauw als
-een oog en omgeven met een bruinen rand, die met blauwe Convolvulussen
-vergeleken worden en daarom, met den engelschen naam dier bloemen,
-Morning glories worden genoemd. Verder grijze-verfpotten, stoomspleten
-en geysers, en allerlei andere vormen van stoom-uitlaten. Great
-Fountain is hier een der meest bekende geysers.
-
-Het Midway Geyser-bassin vertoont het uitgestrekte meer van den
-Excelsior Geyser en verder den Turquoise Spring en het Prismatic lake.
-
-Het Upper Geyser-bassin is het belangrijkste. Het ligt zoo, dat
-men het van uit het hôtel nagenoeg geheel kan overzien. Rechts ligt
-Old Faithful, springend om het uur. Midden door het bassin loopt de
-Firehole-rivier, zijn bedding ingravend in het geyseriet en de heete
-wateren der bronnen overal opnemend. Soms ziet men ze vlak aan den rand
-der rivier opkoken, soms stroomt het warme water langs de helling over
-afstanden van honderden meters omlaag. De rivier is rijk aan forellen,
-en vandaar het verhaal dat men hier, zonder zijn plaats te veranderen,
-een forel vangen kan en hem dan aan den hengel in de heete bron kan
-houden om hem te koken.
-
-Aan de overzijde der rivier liggen tal van kleine, voortdurend, maar
-betrekkelijk zwak werkende geysers, als Beehive [27], Sponge [28],
-Beach [29], Surprise [30] en andere. Aan de zijde van den rijweg liggen
-vooral Castle en Giant, over wier werkingen ik reeds gesproken heb,
-en verder een groot aantal kleinere. Ook vindt men hier lange reeksen
-van uitgedoofde kraters, die meest geheel droog zijn.
-
-Aan beide zijden is het dal ingesloten tusschen heuvelreeksen die met
-uitgestrekte dennebosschen begroeid zijn, en bijna van alle plaatsen
-kan men Old Faithful zien, als hij aan het einde van elk uur zijn
-water en zijn stoommassa hoog in de lucht werpt.
-
-Maar ik zou kans loopen, eenvoudig een uittreksel uit mijn gids-boekjes
-te geven, als ik deze beschrijving wilde vervolgen. Het medegedeelde
-echter meen ik, dat noodig is voor een juist begrip van de bespreking,
-die ik thans op grond van mijn eigen bezoek wensch te geven.
-
-Ik begin daartoe met de voornaamste groep van geysers die den naam van
-Upper-Geyser-bassin voert. En onder hen is de belangrijkste geyser
-die van de Old Faithful, die vlak bij het hôtel is dat daarnaar
-den reeds genoemden naam van Old Faithful Inn draagt. Hij springt,
-of speelt zooals men het daar noemt, om het uur, en de reizigers die
-slechts een halven dag in dit bassin vertoeven, kunnen dus alleen op
-hem met zekerheid rekenen om de werking van een machtigen geyser te
-zien. Hij is zoo trouw in zijn uitbarstingen, dat men telkens vooraf
-kan berekenen, wanneer er weer een komen zal. En zijne periode van een
-uur heeft hij onveranderlijk behouden gedurende al de--weinige--jaren,
-dat men hem kent.
-
-Nauwkeuriger gezegd duren de perioden gemiddeld 65 minuten, waarbij dan
-de tijd van rust en de tijd van werkzaamheid telkens als één periode
-samen gerekend zijn. Ik begaf mij dus op het juiste oogenblik uit
-het hôtel naar den geyser, beschouwde hem eerst in den rusttoestand,
-zag daarna in de diepte van de krateropening het heete water omhoog
-komen en ging toen op een bank zitten om het verdere verloop te
-aanschouwen. Het ging langzaam genoeg om de volgende aanteekeningen
-te maken.
-
-De krater is een zeer vlakke kegel met een zeer fraaie
-terrassen-formatie met tal van zijbekkens, waarin het water blijft
-staan. Die bekkens zijn omgeven door armsdikke gekronkelde randen. De
-hoogere, waarin het heete water rechtstreeks valt, hebben krijtwitte
-randen, de lagere, waarin het water na gedeeltelijke afkoeling vloeit,
-hebben meest lichtbruine randen, vooral waar zij nog nat zijn. In de
-eerste bekkens ziet men witte en lichtgele afzettingen, die den bodem
-met een eigenaardig gevariëerde vegetatie van sintelwieren bedekken;
-hier zijn de randen hoog opgegroeid en de bekkens dus vrij diep. De
-koelere bekkens zijn vlakker, minder diep en vol bruine afzettingen in
-allerlei tinten. Nog verder af, waar de helling veel geringer wordt,
-zijn vlakke terrassen zonder opstaande randen, trapgewijze afdalend;
-het water vloeit hier eenvoudig langzaam in een dunne laag over de
-geheele sintelmassa heen.
-
-Soms is die vlakte te droog; dat hangt er grootendeels van af of
-de wind de geyserkolom naar de eene zijde of naar de andere zijde
-waait en dichterbij of verder af doet neervallen. Want de uitbarsting
-moet elk uur het noodige water voor het overvloeien in het volgend
-uur leveren. Op dit breede terrassenvlak komen groote vlokken van
-zwarte geleiachtige wiermassa's voor, die het terrein hier en daar
-zoo glibberig maken, dat het gevaarlijk is er op te loopen.
-
-Old Faithful staat niet alleen; rondom hem ziet men nog ruim een
-half dozijn kraters van ongeveer gelijken bouw en ontwikkeling. Zij
-staan allen op denzelfden breeden heuvelrug, vlak langs de rivier,
-waarheen dan ook het geyserwater afvloeit. Maar al die buren zijn
-sinds lang uitgedoofd en onwerkzaam geworden.
-
-De krater is een diep gat op den top van den vlakken heuvel. Rondom de
-eigenlijke opening is een dikke wal opgegroeid, sierlijk geteekend met
-randen en lijsten als aanduiding van de werkzaamheid der wieren. In
-het gat ziet men in de rustperiode geen water, doch voortdurend
-komen er heete dampen uit te voorschijn. Aan de noordzijde is de rand
-hoog en onregelmatig, omstreeks een halven meter hoog. Hij bestaat
-uit een grijswitte steenmassa met ronde vormen, en overal ziet men
-de fijne ribbelingen van den wiergroei. Naast den krater en hier
-en daar over den heuvel verspreid zijn een aantal kleinere gaten,
-waarin water kookt of waaruit stoom komt. Voortdurend hoort men de
-onderaardsche opborrelingen.
-
-Langzaam wordt nu de stoommassa in den hoofdkrater dichter en van
-tijd tot tijd stijgt zij wat hooger op, terwijl de wind de nevels
-zuidwaarts drijft. Voor enkele minuten zag ik den krater nog leeg,
-nu spuit hij herhaaldelijk groote druppels heet water omhoog, en rust
-dan schijnbaar weer eenigen tijd. Maar het onderaardsche geluid hoort
-men nu voortdurend, het wordt langzaam sterker.
-
-Plotseling wordt een watermassa tot een hoogte van een meter in
-druppels opgeworpen, en weer volgt schijnbare rust. Dan volgt weer
-zulk een kleine, voorloopige uitbarsting. Allengs worden deze talrijker
-en krachtiger, doch de pauzen duren soms nog eenige minuten. Nog eens
-wordt de dampzuil hooger en voller, dan weer lager en zwakker, en van
-tijd tot tijd worden weer gulpen waterdruppels omhoog geworpen. Dit
-voorspel duurt ruim een kwartier, dan volgt weer schijnbare rust,
-ofschoon de stoom en het geluid voortduren.
-
-Plotseling volgt nu de uitbarsting. Huizen hoog wordt het water in
-een dikken straal van druppels omhoog gezonden, schok volgt op schok,
-en de fijne nevel, die alles omgeeft, wordt door den wind voldoende
-op zijde geschoven, om het geheele spel te laten zien. Geen straal of
-zuil van water komt er omhoog, alles is stof-fijn verdeeld in grootere
-en kleinere druppels, in onnoemelijk aantal. De druppels verplaatst de
-zachte wind maar weinig; zij vallen rondom neer, en over den geheelen
-geyserheuvel vloeit nu voor een korte pooze het heete water. Na een
-paar minuten wordt de zuil van druppels iets lager, maar dan duurt
-het nog geruimen tijd vóór zij sterk vermindert. Telkens komen er
-nog schokken, die de druppels weer wat hooger opwerpen. Eerst na
-ongeveer vijf minuten houdt het spel op. Ik ging er terstond heen,
-maar de krater was leeg, zoover ik in zijne diepte kon zien, en alleen
-met dwarrelende stoom gevuld.
-
-Toen volgde weer ruim een half uur van rust en daarna begon allengs
-het voorspel. Dit duurt, met de uitbarsting zelve, bijna een half
-uur. Zoo gaat het jaar uit jaar in, met de groote regelmatigheid,
-die er den naam van Old Faithful aan heeft doen geven.
-
-Ik had op dien namiddag nog verscheidene malen het voorrecht de
-uitbarsting te zien, maar telkens bevond ik mij op een anderen afstand
-en min of meer aan een andere zijde. Telkens ook woei de wind anders,
-en werd de wolkenzuil, die de druppelmassa omgaf, of ter plaatse
-gehouden of in andere richting en op andere wijze weggedreven. Eenmaal
-kon ik, op aanzienlijken afstand staande, de hoogte van de rookzuil
-goed vergelijken met de hoogte der boomen in het bosch er achter;
-de rook dreef in horizontale richting weg, ver boven de toppen
-der dennen. Over het algemeen ziet men de trotsche trekken van het
-verschijnsel pas op eenigen afstand goed; eerst hier is het werkelijk
-indrukwekkend. De bizonderheden treden op den achtergrond en vooral het
-voorspel, dat betrekkelijk zoo lang duurt, ziet men niet. Plotseling
-en zonder voorbereiding ziet men de geweldige zuil van damp en water
-omhoog stijgen in al de schittering van het zonlicht, en kort daarop
-verdwijnt zij even plotseling en keert de volle rust van het landschap
-weer terug.
-
-Na de uitbarsting van Old Faithful gadegeslagen te hebben volgde
-ik den stroom van zijn water naar de Firehole [31]-rivier en ging
-over een brug naar de andere zijde, waar op een uitgestrekt, een
-weinig golvend terrein een groot aantal der kleinere geysers bijeen
-liggen. Hier had ik een gunstige gelegenheid om vele bizonderheden
-te leeren kennen, zoowel omtrent het koken van het water als vooral
-omtrent de werkzaamheid der sintelwieren, die de randen en de
-kraterkegels opbouwen.
-
-Tea Kettle [32] is een ronde ketel van 2-3 meter doorsnede, met een
-lagen opstaanden rand, die zich niet meer dan een paar decimeters
-boven den ketel verheft. De rand is dik en van boven naar binnen toe
-omgebogen. Het water vult den ketel met een heldere, doorschijnende,
-donkerblauwe massa, en ergens in den bodem, op eenigen afstand van
-het midden, is een gat, waaruit het voortdurend heftig opkookt. De
-ketelrand heeft een overlaat en een lek. Het lek ligt iets lager en
-daaruit vloeit voortdurend water. Het is een horizontale spleet in
-den overigens gaven wand. Het is de oorsprong van een beekje, met
-witte wierafzetsels in 't midden doch met zwarte, glibberige, levende
-randen. Verder op, waar 't water minder heet is, worden de witte
-wieren door oranjeroode soorten vervangen. De overlaat is bizonder
-fraai gebouwd, daar de geheele meer dan handbreede oppervlakte er van
-met kleine koraalvormingen dicht bezet is. Aan de buitenzijde is een
-klein vijvertje, dat somtijds een afvloeibeekje heeft, maar dit was
-tijdens mijn bezoek droog. Die koraalvormingen in den overlaat zijn
-een begin van herstel der opening en leeren dus hoe de geheele wand is
-opgebouwd. Let men hier op, dan ziet men aan die zijde van den ketel,
-waar de winden van tijd tot tijd het water over den rand kunnen waaien,
-juist dezelfde koraalvormingen, maar kleiner, dikker en meer tot een
-dichte massa aaneensluitend. Zij staan in groepjes, die de richting
-van het overvloeiende water volgen en dus dwars over den ketelwand
-gaan; op de buitenvlakte zijn de koralen langer en met zuiverder,
-meer levende toppen dan op den bovenkant. Elders op den rand is de
-droge oppervlakte klaarblijkelijk afgesleten, maar vertoont toch nog
-dezelfde structuur. Ook zijn de openingen tusschen de wierkoralen
-hier door nieuwere formaties grootendeels toegegroeid. Hier en daar
-is door deze vormingen de wand fijn getand of gegolfd of gekarteld,
-maar zelfs in die tanden en kartelingen is de massa zoo hard als
-steen. De witte wiermassa is dus hier niet eerst een dikke gelei,
-maar verkiezelt nagenoeg in gelijke mate als zij groeit.
-
-Topaas-pool is een jonger voorbeeld van dezelfde ketelvorming. Zij
-is van boven nog wijder open en zoo breed, dat zij aan haar rand
-voldoende afgekoeld is voor den groei der bruine wieren. Dit heeft
-haar klaarblijkelijk haar naam doen geven. Het opborrelende water
-stroomt in een breede beek snel weg, terwijl het over verscheidene
-meters van den weg in zijn midden nog te heet is om den groei der
-bruine wieren toe te laten.
-
-Vlak er naast is een breed gat, zoo breed dat men er bijna in
-zou kunnen afdalen. Heel in de diepte ziet en hoort men het water
-koken. Zulke gaten, kleine heete bronnen, kleine kokende vijvertjes en
-kleine geysers zijn hier talloos over den geheelen geyserietheuvel
-verspreid, veel te talrijk om ze afzonderlijk op te noemen. Zij
-vertoonen alle een zekere periodiciteit, de een meer, de ander
-minder. In intervallen van enkele minuten pleegt het water nu eens
-harder en dan weer zachter te koken en soms bijna geheel zonder
-beweging te zijn.
-
-De vormen der vijvertjes zijn zeer verschillend, maar naderen meestal
-tot het cirkelronde of wijken daarvan alleen om plaatselijke redenen
-af. Eén, twee of drie meters middellijn is de gewone grootte.
-
-Beach is de naam van een diepen ketel, omgeven door een breeden
-vlakken rand. Op dezen rand staat het water maar een vingerdikte
-hoog, en een kleine lijst beveiligt het tegen wegvloeien. Die lijst
-is echter zeer onregelmatig, zoodat het water bij de minste golvende
-beweging overvloeien kan. Tusschen den diepen ketel en den vlakken
-vijver er rondom is ook een sintelrand, die boven het water uitsteekt,
-maar waarover het toch telkens bij het koken wordt heen geworpen. De
-bodem van den vlakken vijver is met brosse, korrelige wiermassa's
-dicht begroeid; zij zijn lichtgeel van kleur. In den diepen ketel is
-het water helder blauw en in de diepte ziet men de vooruit groeiende
-gedeelten van den levenden wand als ronde witte rotsblokken.
-
-Juist had ik deze beschrijving gemaakt, toen het water in den ketel,
-dat zoolang rustig geweest was, heftig begon op te koken. Dit
-duurde echter slechts kort, daarna kwam weer rust, ofschoon nu
-en dan afgebroken door het opstijgen van groote stoomblazen. Nu
-begint het weer heftiger te koken en talrijke groote stoombellen
-komen uit de diepte te voorschijn. Ook schijnt de watermassa toe te
-nemen. Allengs worden de stoombellen zoo talrijk en zoo krachtig,
-dat zij waterdruppels meenemen en in de lucht slingeren. In golven
-stroomt het water over den rand van den ketel in den omringenden
-vlakken vijver, maar toch is slechts een zeer geringe overvloei van
-dien vijver er het gevolg van, en allengs komt de kokende massa weer
-tot rust. De onderaardsche spleet werpt dus hier veel stoom maar
-slechts weinig water omhoog.
-
-Kleinere poeltjes zijn in het algemeen duidelijker van bouw dan de
-grootere. Men ziet dat de geheele wand, tot zoo diep het oog reiken
-kan, met groeiende steenmassa's bekleed is. De wieren daarin groeien
-niet in vlakke lagen, maar maken overal vooruitstekende hoorntjes,
-die zich soms tot groote halve bollen vereenigen, soms kartelranden
-maken en in het algemeen een zeer groote verscheidenheid van vormen
-voortbrengen. Dikwijls groeien zij in verdiepingen van lijsten, de
-bovenste aan de oppervlakte van het water, de overige trapsgewijze
-lager.
-
-Dichtbij was een trechtervormige put, die geheel met een geelbruin
-wier bekleed was. Alleen de randen waren grijs, en de kleurverdeeling
-was dus juist andersom dan in de meeste overige gevallen. Toch was
-ook hier het water kokend heet. Vlak er naast zag ik een diepe,
-met heet water gevulde kloof met zuiver witte, koraalachtige wanden.
-
-Lion, Lioness en Cubs [33] zijn namen van dergelijke grijswandige
-formaties, die reeds een hoogeren ketelrand om zich heen gevormd
-hebben. Hun water kookt hevig, zij staan dicht bijeen op een heuveltop
-met vrij steile wanden. Bee-hive, een der meest bekende kleine geysers,
-heeft rondom zijn krater een wand gemaakt die sterk op een bijenkorf
-gelijkt, maar van boven open is. De korf is ongeveer een meter hoog.
-
-Na deze groep van kleine geysers en vijvertjes beschouwd en nog
-een laatsten blik over het periodisch opspuiten van het water
-geworpen te hebben, begaf ik mij weer naar de andere zijde van de
-Firehole-rivier. Hier verheft zich de Castle als een kasteel boven
-op een grooten, vlakken geyseriet-heuvel.
-
-De Castle is een der grootste geysers, werpt zijn waterdruppelzuil
-vele malen hooger en in veel dikkere massa op dan Old Faithful, maar
-wisselt dan ook zijn werkzaamheid met perioden van rust af, die langer
-dan een dag duren. Ik had niet het voorrecht een uitbarsting te zien,
-maar daarentegen wel de gelegenheid om de formatie zeer nauwkeurig
-te bestudeeren. Deze biedt hier meer afwisseling dan bij de meeste
-andere geysers. Op den geyseriet-heuvel, dicht bij den Castle-geyser
-bevindt zich een vrij groot, ondiep meertje "Crest" [34] of "pool"
-[35] geheeten, en verder ziet men er een aantal andere poeltjes en
-spleten met kokend water of met stoom.
-
-Het kasteel is een bijna zuilvormige kraterwand, ongeveer manshoog
-en even breed; het wierp tijdens mijn bezoek voortdurend stoom en
-ongeveer om de minuut een smalle maar hooge zuil van waterdruppels
-uit. Aan de westzijde is de wand steil en de voet rond, aan de
-oostzijde echter bestaat de voet, onder de zuil, uit een trapsgewijs
-gebouw van terrassen, waarop het water, dat het kasteel uitwerpt,
-neervalt. De geheele heuvel is grijs, en van terras naar terras
-stroomen breede beekjes vol heet water. De randen der terrassen golven
-sterk en zijn geheel met koraalvormingen bedekt, en dus van nabij
-gezien uiterst fraai. Op een afstand maakt dit alles zeer sterk den
-indruk eener oude ruïne. En deze indruk wordt nog versterkt door de
-vele gaten en holten, openingen die door uitgroeiingen der wierranden
-overwelfd zijn, en die aan dezen krater een zeer eigenaardig karakter
-geven. Aan den steileren kant vloeit het water sneller af, en hier
-zijn de koraalvormingen dus veel minder ontwikkeld. Ook brokkelt en
-schaalt die massa hier voortdurend af, waarschijnlijk omdat zij te
-dikwijls droog is. Rondom den voet, waar het overvloeiende water al
-afgekoeld is, is de grond evenzeer van een schaalachtigen bouw, met
-een geribbelde oppervlakte maar zonder de eigenlijke koraalvormingen.
-
-Kon men van den eigenlijken kraterwand een stuk zoo groot als
-een hoofd afnemen en afzonderlijk vertoonen, zoo zou het zeer
-gemakkelijk met een echt koraal verward kunnen worden, zoo groot
-is de gelijkenis. Ik bedoel met die soorten van koralen, die als
-bollen van een dichte vertakte massa opgroeien, zoodat de oppervlakte
-voortdurend met tallooze kleine opstaande takjes bedekt is, terwijl
-de massa daaronder aaneengegroeid en steenhard geworden is. Dezelfde
-eigenaardige verdeeling in vakken en groepen vindt men ook hier.
-
-Op den breeden voet, waarop dit kasteel rust, liggen de schalen
-tamelijk los op elkander. Sommige schalen zijn zoo dik als papier,
-andere zoo dik als een vinger; overal vertoonen zij de ribbelingen
-der randwieren, dikwijls in zeer fraaie teekeningen.
-
-De overvloeiende watermassa stroomt in talrijke groote en kleine
-beekjes langzaam naar beneden en vereenigt zich hier en daar
-met het water der andere heete bronnen van dezen heuvel. Op eene
-plaats vormen zij een breeden poel, die geheel met de oranje-roode
-wiersoort volgegroeid is, afgezien van smalle gekronkelde lijnen,
-waarin het water in dezen poel omlaag stroomt. Het water is zoo heet,
-dat torren, libellen en andere insecten er in sterven als zij er bij
-ongeluk in vliegen; toch tieren de roodbruine wieren hier welig. Langs
-de stroompjes ziet men ze in lange, fijne, sterk vertakte draden,
-boomvormig als de stroom ze vrij laat, en als natte penseelen overal,
-waar de stroom ze heen en weer wiegelt. Op den bodem vormen zij een
-zeer sierlijke teekening, een bekleeding die fluweelachtig naar een
-zelfde richting heenvloeit. In de diepte helderbruin, zijn zij dichter
-bij het oppervlak donkerder van kleur en tevens meer geleiachtig. Waar
-het water, tusschen de stroompjes, stilstaat, groeien zij omhoog,
-zoodat zij er een sierlijk netwerk van walletjes van een vrij
-vaste gelei vormen. Die walletjes houden het water tegen en doen het
-stilstaan, trots de zwakke helling van den bodem aan den poel. Nu eens
-omsluiten die walletjes kleinere, en dan weer grootere watervakken.
-
-Is het water door den groei dier walletjes dieper geworden, dan groeien
-de oranje bruine wieren als dunne boompjes omhoog, om zich eerst
-aan de oppervlakte uit te breiden. Zij zien er dan uit als tallooze
-kleine paddestoelen, wier koppen op dunne stelen rusten en allengs
-tegen elkander aan gaan sluiten, zoodat zij een dicht vlies over het
-water vormen. Zinkt nu de oppervlakte van het water, hetzij doordat
-de toevoer vermindert, hetzij doordat tijdelijk een betere afvoer tot
-stand komt, dan wordt deze oranje massa allengs geheel wit, maar blijft
-nog staan als een harde geleikorst. Verdroogt zij dan ten slotte, zoo
-wordt de grond weer begaanbaar, en maken de kiezelwieren het geheel
-bros en korrelig, zoodat het weldra in een zanderige massa verandert.
-
-Het beschreven poeltje is klaarblijkelijk van jonge vorming en grenst
-aan de eene zijde aan een ouder gedeelte, dat met grassen, asters,
-gulden roeden en andere kleine, meest bloeiende planten begroeid
-is. Enkele vooruitspringende grasplanten zag ik door het heete
-water gedood.
-
-Langzamerhand ontstaat in dit poeltje een laag van een zeer poreuze
-structuur, die in verhouding tot het kiezelzuur, dat uit het water
-wordt afgezet, rijk is aan organische stof maar ook rijk aan die
-zouten, die voor het leven en den groei der wieren noodig zijn. Deze
-stoffen zijn dezelfde, die ook het voedsel voor de bloemplanten
-vormen, en daaruit volgt, dat als eenmaal dit poeltje opgedroogd
-zal zijn, de grond voor allerlei plantengroei bizonder geschikt
-moet worden. Dit verklaart ons op een zeer eenvoudige wijze waarom
-de heuvels van geyseriet over het algemeen zoo spoedig met gras en
-andere planten begroeid worden. Er is daartoe niet veel anders noodig
-dan dat de heete waterstroom tijdelijk naar een andere zijde wordt
-afgeleid. Het verklaart ons tevens, hoe de dennen bijna even gaarne
-op deze gesteenten van jongen vulcanischen oorsprong groeien als op de
-lava's, die overal rondom deze vallei de boschbedekte bergen vormen. Op
-deze is het verweerend gesteente rijk aan minerale voedingsstoffen,
-terwijl de geyserietheuvels niet alleen uit kiezelzuur bestaan,
-maar ook uit die andere bestanddeelen, die hier niet door verweering
-ontstaan, maar rechtstreeks door den groei der wieren vastgelegd zijn.
-
-De verandering der levende wieren in dit vruchtbare gesteente
-verdient nog een nadere beschouwing. Zij vormen een vlies, dat aan
-de onderzijde langzamerhand verkiezelt; zij plegen daar meest vast
-met den onderliggenden bodem te zijn verbonden, daar zij slechts
-een voortzetting van den groei en de transformatie van dien bodem
-zijn. Doch soms laat de bovenste korst in kleine stukjes min of meer
-gemakkelijk los; en dan blijken die stukjes op de breukvlakte groen
-te zijn. En dit zoowel als de bovenkant donkerbruin is, als wanneer
-zij zoo bleek is, dat men er geen wierleven in vermoeden zou. Het
-groen is blauwachtig in allerlei tinten, zoodat men daaruit mag
-afleiden dat hier soorten uit de groep der Blauwwieren de hoofdrol
-spelen. De losgelaten stukjes bevatten vrij veel kiezelzuur maar
-zijn nog bros en het was gemakkelijk ze tot een fijn poeder te
-wrijven. In de onmiddellijke nabijheid der geyserbekkens en der
-heete bronnen droogt deze korst veelal langzaam op, en ik vond haar
-op verschillende plaatsen afschilferend. Dan was de droge bovenkant
-der schilfers hard en grijs, maar de onderkant was nog geleiachtig en
-groen. Daar ging dus het leven nog voort, en kon het telkens, als de
-bron er water overheen werpt, opnieuw werkzaam worden en kiezelzuur
-vastleggen. De kale, harde, schijnbaar rotsachtige grond is dus hier
-overal levend en groeiend. Hoe diep deze gelei nog vochtig genoeg
-blijft om te leven, en hoe dik dus de laag is die nog groeien kan,
-is moeilijk na te gaan. De geheel losgeraakte schilfers, waarmede
-de geyserietheuvels overal bedekt zijn, zijn natuurlijk ook aan de
-onderzijde grijs, al bevatten zij misschien hier en daar nog levende
-overblijfselen van wieren.
-
-Evenals de bruine wieren vond ik ook de zwarte gelei op den bodem der
-koelere beekjes van onderen groen en hard. Aan de randen der heete
-bronnen drogen de wiervliezen niet zelden op, zonder nog versteend te
-zijn, en worden zij dus min of meer leerachtig. Ook deze vond ik, als
-ze nog vochtig waren, aan de onderzijde groen, terwijl de bovenkant
-bruin of zwart was. Hier en daar zag ik ook, hoe de diepere beekjes
-soms gleuven in den grond maken, en waar de wanden schuin overhellen
-en dus een onderkant hebben, is deze dan duidelijk groen. En dit ook
-daar, waar het water nog zeer heet was.
-
-Een zeer eigenaardig geval van den groei der kiezelwieren zag ik aan
-den rijweg dicht bij den Castle-geyser. Een deel van het water uit deze
-bron wordt in een kunstmatige greppel verzameld en van deze uit door
-een houten goot naar een grooten houten bak naast den weg geleid. In
-de goot is het water nog zeer heet, in den bak nog warm. De bodem van
-die goot is bekleed met de bruine wieren, die er deels in vlokken en
-deels in draden groeien, en die, als men ze wegveegt, van onderen
-weer blijken groen te zijn. Zij zetten nog laatste overblijfselen
-van het opgeloste kiezelzuur uit het water af en vormen dus allengs
-een verhardende korst tegen de binnenzijde van den wand der goot.
-
-Tusschen al deze lage en breede geyserietheuvels, met hun
-tallooze bekken en spleten, stroomt de Firehole-rivier in sierlijke
-kronkelingen. Soms hellen de heuvels zoo sterk, dat zij het water nog
-heet in de rivier brengen; soms zijn zij zoo vlak en wordt het water
-zoo breed uitgespreid, dat het afkoelt en een soort van moeras vormt,
-waarin gras en biezen en talrijke bloemen welig tieren. Vlak langs de
-rivier vindt men somwijlen ook heete bronnen, soms ook kegelvormige
-kraters rondom kokende poeltjes. Meest zijn zij grijswit, soms met
-bruine wieren zoo sterk overgroeid, dat de toeristen ze met den naam
-van chocolade-potten bestempelen. Enkele kraters liggen niet hooger
-dan de rivier zelf; kokend en in een breeden stroom zag ik hier het
-water in de rivier vloeien zoodat plaatselijk alle groei van hoogere
-planten belet werd. Zelfs hoog opspringende geysers vindt men aan
-den rand van den stroom, bijna in de rivier zelve.
-
-Rondom zijn de bergen met het donkere dennebosch bedekt, of ziet
-men op de hellingen de tallooze kleine gewassen, die ze met een
-dicht en overal bloeiend gazon bekleeden. In de moerasachtige
-gedeelten langs de rivier, tusschen het hooge gras, schitteren de
-blauwe sterbloemen der Sisyrrhynchium's, de gele Mimulus, paarsche
-asters, lange witte bloemtrossen van Orchideeën en tal van andere
-fraai bloeiende planten. Overal heerscht leven en prijken bonte
-kleuren. Maar de grond waarop zij groeien is grootendeels zelf een
-product van het leven, zij het dan ook van allerlaagst georganiseerde
-wezens en van een groei onder de meest vreemde omstandigheden. Onder
-en boven den grond wedijveren de wieren en de bloemplanten. Maar
-terwijl de laatste telken jaren verdwijnen, hoopen de kleine wieren
-in den loop der eeuwen hunnen arbeid op, en stichten zij de kraters en
-geyserietheuvels. Zoodoende herinneren zij ons levendig aan Harting's
-woord: De macht van het kleine.
-
-Reeds meermalen heb ik opgemerkt, dat volstrekt niet alle geysers hun
-water tot aanzienlijke hoogte opwerpen. Integendeel, verreweg de meeste
-zijn slechts warme bronnen, waarin het water wel kookt en opbruist,
-maar slechts tot een geringe hoogte opspat. Ik kom daarom thans tot een
-beschouwing van de warme bronnen en de stoomspleten. Wat de geysers
-ook vóór mogen hebben door hun geweldige werkingen, de warme bronnen
-winnen het verre van hen in schoonheid. De namen Gem [36], Jewel [37],
-Emerald [38] pool, Morning glory--de engelsche naam voor den blauwen
-Convolvulus,--en talrijke andere bewijzen dit ten duidelijkste. De
-stoomspleten vinden weinig aandacht, zij zijn uitermate talrijk en
-meest kleine, soms zeer kleine gaten in den gewonen beganen grond. Soms
-spuiten zij stoom uit, soms hoort men er een borrelend geluid in en
-soms ziet men in de diepte wat kokend water. Maar eigenlijke open
-vijvertjes vormen zij niet; dit is het type der warme bronnen.
-
-De vijvertjes zijn meest alle nagenoeg even groot, en eenige weinige
-meters in diameter; soms echter zijn twee of meer naburige vijvertjes
-ineengevloeid en toonen zij biscuitvormige gedaanten. Het oppervlak is
-meestal cirkelrond of daartoe naderend. De bodem is soms panvormig,
-soms trechtervormig en soms meer trompetvormig. In het eerste geval
-ziet men in de diepte een aantal plaatsen, waar de stoomblazen in het
-water opstijgen; terwijl in de trechter- en trompetvormige bronnen
-de stoom bijna uitsluitend of tenminste in hoofdzaak uit de diepte
-van het midden te voorschijn komt.
-
-Het water is zeer helder en de wanden zijn meestal wit, terwijl in het
-diepste gedeelte de bodem niet gezien kan worden. De kleur van het
-water is blauw, het diepste gedeelte bijna zwart. Deze kleur is zoo
-zuiver, dat zij alleen voldoende zou zijn om de bronnen tot juweelen en
-edelgesteenten te stempelen, maar zeer dikwijls zijn deze nog gevat in
-een ring van goud of van zilver. Dit is dan het geval, wanneer de rand
-zich zeer vlak uitspreidt, wat vooral bij de trompetvormige voorkomt;
-dan groeien daarin oranjebruine of zilverwitte wieren, die een
-gelijkmatig overtreksel over den vlakken bodem van den ondiepen rand
-vormen, wat dan den indruk van een ring rondom een edelen steen maakt.
-
-Uit de duistere en raadselachtige diepte stijgt de stoom in blazen
-op. Nu eens in enkele groote, dan weer in talrijke kleine. Valt
-het licht gunstig in, dan schitteren deze blazen in de diepte als
-zilver of als goud, en worden dan soms, om hun beweeglijkheid, met
-vlammen vergeleken. Omhoog stijgende doen zij het water opborrelen
-en koken. Met den stoom wordt ook heet water opgevoerd, doch in
-zeer wisselende hoeveelheden. Men leidt dit af uit het feit, dat de
-vijvertjes voortdurend overvloeien; het overtollige water loopt dan
-over den rand weg. Want elk vijvertje neemt in den regel het hoogste
-punt van den vlakken heuvel in, waarop het voorkomt. Sommige nu
-vloeien sterk over, andere weinig, nog andere in het geheel niet.
-
-Tot de helderheid van het water en de overweldigend schoone kleuren
-draagt de bouw van den trechterwand zeer veel bij. Deze wand toch is
-meestal zeer zuiver wit. Zelden is hij vlak, of volgt hij nauwkeurig
-de bochten van den trechter, trompet of pan. Meestal ziet men hier
-en daar grootere en kleinere vooruitstekende bochten, die aanleiding
-geven, dat op de betrekkelijk eenvoudige thema's, zooals ik ze aangaf,
-tallooze varianten voorkomen. Bedenkt men daarbij dat de donkere diepte
-soms rond, soms ovaal en soms spleetvormig is, en dat de bovenste
-en buitenste rand in hooge mate van de omgeving afhankelijk is, dan
-kan men zich gemakkelijk voorstellen dat geen twee van die bronnen
-precies aan elkaar gelijk zijn.
-
-Trots de groote hitte is de geheele wand levend. Hij bestaat uit
-microscopisch kleine wieren, die zich voeden met de opgeloste
-bestanddeelen van het water en die het kiezelzuur er uit vast
-leggen. Deze wiertjes zijn geleiachtig en slaan het kiezel ook
-als gelei neer, maar zij worden spoedig zoo hard, dat men de
-weeke oppervlakte ternauwernood voelen of zien kan: deze vormt
-slechts een dun overtreksel van de steenharde, maar toch levende
-massa. De temperatuur van het water komt, tot aan den rand, nabij het
-kookpunt. Ik nam in eenige bronnen 86-90° C. waar, terwijl ik den bol
-van mijn thermometer tegen de levende wieren aandrukte. Het kookpunt
-van water is op deze hoogte slechts 92° C.; het hangt, zooals men
-weet, van de drukking der lucht, of van den barometerstand, zooals men
-het noemt, af. Men kan dus veilig zeggen, dat de geheele warme bron
-nagenoeg kokend water bevat, en dat de wieren dus aan deze temperatuur
-blootgesteld zijn. Wat ze niet belet om krachtig te groeien.
-
-Al naar gelang van de soorten der wieren en van de bizondere
-omstandigheden, groeien zij bij voorkeur als randen of als koralen. In
-het eerste geval vormen zij talrijke ribbels, wier richting dwars
-op de richting staat, waarin het water over hen heenvloeit. In het
-laatste geval vormen zij korte, opstaande zuiltjes, zoo dik als een
-pink of dunner, en die zich veelal naar boven toe vertakken. Maar
-veel hooger dan een centimeter worden die zuiltjes niet, omdat zij
-zich van onderen snel verbreeden en daar dus tot een samenhangende
-massa inéén groeien. Overeenkomstige groeiwijzen vindt men trouwens
-ook bij de stoomspleten en rondom de geysers. Zeer fraaie, gitzwarte
-koraalvormingen bekleeden den geheelen binnenwand van den Black
-Growler, die daaraan dan ook zijn naam ontleent. Het is een groote,
-wijde spleet waarin het water nu eens tot onzichtbare diepte wegzakt,
-en dan weer opbruist, totdat het den smallen trechter geheel of
-ten deele vult. Vult het hem geheel, dan bevochtigt het het geheele
-zwarte koraalvlak en vloeit over, maar talrijker zijn de perioden
-dat het minder hoog opborrelt en dus den bovensten rand alleen met
-stoom bevochtigt.
-
-Het overvloeiende water vormt de geyseriet-heuvels evenals bij de
-geysers. Overal, waar de grond vochtig is, groeien de kiezelwieren,
-en leggen zij het kiezelzuur en de minerale bestanddeelen uit
-het water vast, zoodoende den grond met een nieuwe steenschaal
-bekleedende. Vloeit het water dan weer eens aan een andere zijde over
-den rand, dan wordt de eerste vlakte droog en verbrokkelt zijn nieuwe
-schaal, zoodat bijna overal de geyserietvlakten met zulke verbrokkelde
-gesteenten bedekt zijn.
-
-Waar dit heete water over een helling vloeit die met planten begroeid
-is, doodt het ze. Niet alleen door de hitte, maar vooral door de
-vorming van een harde en ondoordringbare kiezellaag, die de lucht van
-de wortels afsluit en deze daardoor doet sterven. Telkens en telkens
-ziet men boomen die zóó gedood zijn, en zoowel in het Norris-bassin als
-op andere plaatsen zijn soms geheele bosschen op deze wijze te gronde
-gericht. De kale, gebleekte stammen getuigen dan nog jaren lang van
-de ramp. Soms vallen die boomen in een bron of over den rand, en dan
-worden zij geheel met een kiezellaag overtrokken. Ook kleinere takken
-en losse naalden worden zoo verkiezeld, en naast een bron vond ik,
-toen ik een stukje steen opnam en omkeerde, aan de onderzijde een
-paar dennenaalden op deze wijze uiterst fraai versteend.
-
-Zeer kenmerkend voor de warme bronnen is de neiging van de korstwieren
-van den rand om in een dunne laag over het water heen, en dus naar het
-midden der bron toe te groeien. Bij den ingang van het Elk-Park zag ik
-een vrij groote, langwerpige bron die over de eene helft met zulk een
-laag bedekt was, de andere was nog open en liet het diepe en helder
-blauwe water zien. Soms brokkelen deze randen af en dan kan men hun
-inwendigen bouw uit schalen duidelijk waarnemen. Meestal nemen zij
-allengs in dikte toe en vernauwen den vijver. Zoo zijn wellicht de
-kleinere waterhoudende gaten door het gedeeltelijk dichtgroeien van
-vroegere vijvertjes ontstaan.
-
-In zeer enkele heete bronnen is het water troebel en modderachtig. Zoo
-b.v. in de paint-potten, die op grijze verfpotten gelijken, en over
-de geheele oppervlakte koken. Trouwens, allerlei afwijkingen van het
-gegeven beeld komen voor. Van deze wensch ik hier alleen te wijzen op
-den Excelsior-geyser, die een kuil van vele meters diepte in de oude
-geyseriet-lagen gemaakt heeft en daarin een meertje vormt, zoo groot,
-dat men door de heete nevelen heen de overzijde niet zien kan. En
-eindelijk het Prismatic-lake, daar dicht bij, waar de geheele bodem,
-zoover ik zien kon, uit groote schuin geplaatste schotsen van een licht
-groene kleur en een geleiachtig draderige structuur bestond. Bizondere
-soorten van wieren geven aan zulke meren en plassen een zeer bizonderen
-kleur en vorm, zoodat zij dan ook telkens en telkens op den bezoeker
-een anderen indruk maken.
-
-
-Chicago, Aug. 1904.
-
-
-
-
-
-
-
-EXPERIMENTEELE EVOLUTIE
-
-
-De volgende bladzijden bevatten de feestrede, door mij uitgesproken bij
-de opening van het laboratorium voor experimenteele evolutie van het
-Carnegie-Institution, eenigszins gewijzigd en op verschillende punten
-ten behoeve eener nadere toelichting der voorgedragen denkbeelden
-uitgebreid. Het is misschien niet van belang ontbloot, daaraan
-enkele mededeelingen omtrent de stichting van dit laboratorium te
-laten voorafgaan.
-
-Voor een aantal jaren werd door den heer Carnegie een instituut
-gesticht met het doel, zooveel mogelijk de studie der natuur te
-bevorderen. Dit Carnegie-Institution is gevestigd te Washington
-en beschikt over zeer rijke hulpmiddelen, waardoor het nu eens
-bestaande wetenschappelijke ondernemingen steunen en dan weer
-andere zelf op touw kan zetten. Het sticht dan afdeelingen of
-zoogenoemde departementen. Enkele daarvan, zooals het departement
-voor sterrenkunde, blijven te Washington en hebben daar hunne
-observatoriën en laboratoriën. Andere onderzoekingen zijn aan
-bepaalde plaatsen gebonden en worden dus daar uitgevoerd, waar de
-omstandigheden voor hen het gunstigst zijn. Zoo werd voor een paar
-jaren het woestijn-laboratorium te Tuscon (spr. Toesonne) in Arizona
-gesticht, welk laboratorium ik in den loop der maand Juni het voorrecht
-had te bezoeken. Het heeft ten doel, het planten- en dierenleven te
-bestudeeren onder de eigendommelijke omstandigheden, die de woestijn
-met zich brengt. Het is wel geen eigenlijke woestijn, in den zin van
-een dorre en van plantengroei nagenoeg ontbloote vlakte, zooals ik ze
-in het zuiden van Californië zag. Het is een streek, waar de regenval
-geringer is dan de verdamping, en waar dus altijd gebrek aan water
-bestaat. Dit gebrek aan water beperkt den plantengroei tot drie groepen
-van gewassen. Ten eerste de kleine, kortlevende eenjarige soorten,
-die in 't eind van den winter, als er wat regen valt, ontkiemen,
-en die haar zaad rijpen vóór dat het korte natte seizoen voorbij
-is en de droogte intreedt. In de tweede plaats vindt men hier de
-cactussoorten, wier geribd lichaam bij den minsten regen zich vol zuigt
-met water en de plooien tusschen de ribben bijna uitwischt, zoodat
-het volume sterk toeneemt, en die dan bij aanhoudende droogte allengs
-inkrimpen, zoodat eindelijk hun takken slap langs den stam hangen,
-en het geheel er uitziet als afgestorven. Tal van boomachtige cacti,
-[39] tot weinige soorten en geslachten behoorend, zag ik in dezen
-toestand. Naast deze beide groepen staan de kleine, half-manshooge tot
-manshooge heesters, met zeer kleine bladeren of ook wel zonder blad
-en met groene stammen en takken, die hun leven behouden, dank zij de
-zeer geringe verdamping en de bijna ongelooflijke lengte der wortels,
-waardoor zij uit de onderste, soms meer dan 10 meter diepe lagen,
-nog in de droogste jaargetijden het noodige water kunnen opzuigen.
-
-Verdamping en wortelgroei zijn voor dit laboratorium dus een
-hoofdonderwerp voor studie; daarnaast komt de vraag, welke soorten
-in de woestijn kunnen leven en waarom zij alleen dit kunnen, en
-tevens de verdere vraag naar den invloed, dien in de woestijn de
-bizondere samenstelling van den grond op verschillende plaatsen op
-den plantengroei oefent. Het spreekt van zelf, dat deze zaken alleen
-ter plaatse bestudeerd kunnen worden.
-
-Zoo is het ook met de experimenteele evolutie gesteld. Niet in of
-nabij een groote stad vindt men in den regel de omstandigheden,
-die voor de studie daarvan het meest geschikt zijn. Vandaar dat
-het Carnegie-Institution eerst een uitvoerig onderzoek heeft doen
-instellen naar de meest geschikt gelegen plaats.
-
-De keuze is daarbij gevallen op Long-Island, het lange, smalle eiland,
-dat zich ten Oosten van New-York uitstrekt en op welks meest westelijke
-punt de voorstad Brooklyn gelegen is. Voorbij Brooklyn vertoont
-het de talrijke kleinere en grootere villa's en buitenplaatsen van
-velen onder New-York's rijke handelslieden, de plaatsen waar dezen
-des Zondags de rust en de kalmte komen genieten, die nu eenmaal in
-het al te dicht bevolkte handelsgedeelte van New-York niet te vinden
-zijn. Nog verderop liggen een aantal kleine steden en dorpen, en onder
-deze munt Cold Spring door zijn allerheerlijkste ligging te midden
-van boschbegroeide heuvelen uit. Het ligt aan de noordzijde van het
-eiland, ongeveer op een uur afstand van de kust, die hier een inham
-of natuurlijke haven vormt. Deze plaats heet Cold Spring Harbor. [40]
-Aan den oever van de kleine golf zijn de heuvelen bedekt met bosschen
-en buitenplaatsen, onder welke laatste die van President Roosevelt
-hier verdient vermeld te worden. Deze golf was sinds jaren bekend
-als bizonder geschikt voor de studie van het leven van allerlei
-zeedieren. Men vindt ze ten deele aan de houten havenwerken, ten
-deele op de lagere plaatsen van een breede zandbank, die zich van den
-westelijken oever tot dicht bij den oostelijken, dwars door de baai
-uitstrekt. Hier leeft de reusachtige eenstaartskreeft, waarvan ik
-honderden van exemplaren in het ondiepe water vlak bij mij kon zien,
-velen van hen bezig met eieren leggen. Hier leeft de bijna onzichtbare
-kleine springstaart, en soort van het geslacht Columbula. Om ze te zien
-moet men een stuk wit papier op het strand leggen. Dadelijk is dit
-bedekt met een groot aantal heele kleine zwarte puntjes, die lustig
-op en neer en heen en weer springen. Allerlei andere diersoorten kan
-men hier bestudeeren, waaronder een heel gewone kleine zee-anemoon,
-behoorende tot het geslacht Sagartia.
-
-Sinds jaren was dan ook aan deze kust een Marine Laboratory
-gesticht, dat echter, bij gebrek aan fondsen, eigenlijk alleen des
-zomers in gebruik was. Van deze bizondere omstandigheden en deze
-uitmuntende gelegenheid heeft nu het Carnegie-Institution gebruik
-gemaakt voor de stichting van zijn nieuw laboratorium. Het heeft de
-beschikking verworven over de voorhanden gebouwen, bestaande in de
-directeurswoning, den Library-Hall [41] en het eigenlijke laboratorium,
-die, op korten afstand van elkander, aan den westelijken oever,
-dicht bij het zuidelijke uiteinde van de baai gelegen zijn. Het heeft
-tevens den directeur van het Marine Biological Laboratory tot directeur
-van de nieuwe stichting benoemd, hem daarbij opdragende, niet alleen
-enkele weken des zomers, gedurende de vacantie, te Cold Spring Harbor
-te vertoeven, maar zich daar voor goed met der woon te vestigen.
-
-De heer Davenport, algemeen bekend om zijn statistische onderzoekingen
-over de veranderlijkheid van dieren in verband met de plaatsen waar zij
-leven en met de waarschijnlijke wijze van hun ontstaan, was sinds vele
-jaren hoogleeraar in de dierkunde aan de Universiteit van Chicago,
-en tevens belast met het bestuur van het zee-laboratorium. Zijne
-echtgenoote stond hem in dit laatste krachtig ter zijde, en heeft
-een aantal onderzoekingen over de dieren van den Cold Spring Harbor
-het licht doen zien, onder andere een zeer belangwekkende studie over
-den invloed van de vermenigvuldiging door deeling op het aantal armen
-van de bovengenoemde zee-anemonen.
-
-Het oude laboratorium voldeed echter niet aan de eischen der nieuwe
-stichting. Het was slechts voor enkele weken of maanden des jaars
-ingericht, en daarenboven alleen voor zoölogische studiën. De evolutie
-der levende wezens moet echter zoowel aan planten als aan dieren
-bestudeerd worden, en bij den tegenwoordigen stand der wetenschap biedt
-het onderzoek van planten de grootste kansen op spoedige en belangrijke
-resultaten. Er werden daarom plannen gemaakt voor een nieuw gebouw,
-voldoende aan alle eischen van den tegenwoordigen tijd en voor een
-uitgebreiden proeftuin in de onmiddellijke nabijheid. Tijdens mijn
-bezoek, in Juni van dit jaar, was men met den bouw gevorderd tot aan
-de eerste verdieping, en was de proeftuin afgepaald en met voorloopige
-culturen bezet, wier doel echter vooralsnog in hoofdzaak was, om door
-voortdurende bewerking den grond te zuiveren van de wortelstokken
-en zaden van de wilde soorten, die daar vroeger gegroeid hadden. De
-eigenlijke proeven zouden eerst later begonnen worden, maar de zaden
-daartoe waren reeds grootendeels bijeengebracht.
-
-In de maand Mei bracht de nieuwe directeur zijne huishouding van
-Chicago naar Cold Spring Harbor over, en begon de verandering van de
-oude in de nieuwe stichting. Toen deze naar wensch gevorderd was en
-alles zoover was geregeld, dat aan bezoekers een voldoend denkbeeld
-kon gegeven worden van de plannen en methoden van werken, werd het
-tijdstip gunstig geoordeeld om het nieuwe laboratorium plechtig te
-openen. Het ontving den naam van Laboratory for experimental evolution
-[42] en den rang van een departement van het Carnegie-Institution
-te Washington. Behalve den directeur zijn daaraan verbonden
-twee assistenten en een secretaris. Als assistent belast met het
-plantkundige gedeelte treedt op de heer Dr. G. Shull, die te Chicago
-onder leiding van Davenport studeerde, terwijl de heer Luts met het
-zoölogisch gedeelte belast is. Secretaris of "stenographer" zooals
-het in Amerika heet, is Miss Luts, wier naam slechts bij toeval en
-niet door verwantschap met dien van den laatstgenoemden assistent
-overeenkomt.
-
-De plechtige opening was bepaald op Zaterdag 11 Juni. Uitgenoodigd
-waren allen, die te New-York en elders in ontwikkelingsgeschiedenis
-belangstellen, en een tachtigtal van hen, meest onderzoekers van naam
-of professoren of instructoren aan bekende inrichtingen van onderwijs,
-hadden aan de uitnoodiging gevolg gegeven. Enkelen waren daartoe zelfs
-uit Washington en andere meer verwijderde plaatsen overgekomen. Zij
-allen werden verzocht hunne namen te plaatsen in een album, dat als
-gedenkboek van de stichting daartoe gecalligrapheerd was. Behalve
-deze geleerden waren de bewoners der omliggende buitenplaatsen en
-villa's talrijk opgekomen, deels uit belangstelling in de nieuwe
-stichting, deels omdat zij reeds te voren van die belangstelling de
-meest ondubbelzinnige bewijzen hadden gegeven. Terwijl namelijk de
-gelden voor de stichting door het Carnegie-Institution werden gegeven,
-was het terrein voor het nieuwe gebouw en de proeftuin en de noodige
-grond voor eventueele latere uitbreidingen door een aantal der rijke
-naburen aan de stichting aangeboden.
-
-Omstreeks twaalf uur kwam de eerste groep van genoodigden aan het
-station te Cold Spring aan, van waar men in een langen stoet van
-rijtuigen door het heerlijke bosch en ten deele langs de beek, die
-in de baai uitstroomt naar het laboratorium reed. Voor hun vervoer
-waren door de Long-Island Spoorwegmaatschappij de noodige bizondere
-wagens kosteloos ter beschikking gesteld. Een dezer wagens kwam
-van New-York, de andere van Brooklyn, beide vereenigden zich aan
-het station Jamaica. De gasten werden in de woning van den directeur
-Davenport ontvangen en gebruikten aldaar, deels in de versierde kamers,
-deels op het ruime balkon, het luncheon. Daarna begaf men zich naar
-den Library Hall, het grootste der beschikbare localen, dat voor deze
-gelegenheid ten deele ontruimd en van een spreekplaats voorzien was.
-
-De plechtigheid werd geopend door den heer Davenport, die er op wees,
-dat studiën over evolutie en vooral proefondervindelijke studiën niet
-van dien aard zijn, dat zij spoedige uitkomsten beloven, en dat de
-stichters en belangstellenden dus geduldig moeten afwachten wat men
-eenmaal bereiken zou. Het nieuwe laboratorium is wel eenig in zijn
-opvatting en in het doel van zijn streven, toch zal het zich zooveel
-mogelijk in verbinding stellen met andere inrichtingen, die hetzij
-in Amerika, hetzij elders, de studie der ontwikkelingsgeschiedenis
-beoogen. Ten slotte bracht de directeur zijn dank aan de directeuren
-van het Brooklyn-Institute of Arts and Sciences, [43] de vroegere
-stichters van het Marine Biological Laboratory, die dit geheele
-laboratorium met al zijn inrichtingen aan de Carnegie-Institution
-ten geschenke aangeboden hadden, aan de gevers van het voor de
-vergrooting benoodigde land, en aan de locale Wawepex-Society,
-die de stichting door een echt Amerikaansche bijdrage in de kosten
-grootelijks bevorderd had.
-
-Daarna hield de voorzitter der Wawepex-Society een toespraak, aan
-het einde van welke hij de eigendomsbewijzen aan den heer Billings
-als vertegenwoordiger der Carnegie-Institution ter hand stelde. Hij
-schetste de geschiedkundige ontwikkeling van het dorpje Cold Spring
-Harbor. Vroeger was dit een haven voor walvischvangers en zeer
-welvarend, later was dit echter, ten deele door het verzanden van
-de haven, ten deele door het gebruik van grootere schepen en door
-andere oorzaken allengs afgenomen, en thans hebben de walvischvangers
-andere havens opgezocht en is het dorp in verval geraakt. Het bestaat
-nu voornamelijk door de aanwezigheid van zoo talrijke New-Yorkers in
-den omtrek.
-
-Dr. Billings nam de bedoelde papieren met een kort antwoord
-aan, waarin hij er op wees hoe grooten invloed de studie der
-ontwikkelingsgeschiedenis op de philosophie en op de theologie
-gehad hebben, en hoe groote resultaten men daarvan ook op sociaal
-gebied verwachten mag. Hij sprak ten slotte eenige woorden tot den
-directeur en verklaarde zich ten volle bewust van den langzamen gang,
-dien het onderzoek noodzakelijk moest gaan. Laat ons hopen, zeide hij,
-dat bij de viering van den vijftigsten verjaardag van deze stichting
-de bewijzen ruimschoots zullen voorhanden zijn, dat de stap dien wij
-thans doen, wijs en gerechtvaardigd was.
-
-Na hem werd nog een woord van welkom namens de buren van het nieuwe
-laboratorium gesproken door den heer F. W. Hooper, die kortelijks
-aan de verdiensten van de heeren Deane en Conn, de beide voorgangers
-van den tegenwoordigen directeur, herinnerde. Daarna werd het woord
-gegeven aan schrijver dezes, voor het houden van de volgende feestrede.
-
-
-
-De evolutie der organische wezens was tot nu toe eensdeels een voorwerp
-van diepe bewondering, en anderdeels van vergelijkende studie. Uit de
-algemeene verschijnselen die de verwantschap van planten en dieren ons
-overal in de natuur doet zien, meende men den gang der ontwikkeling
-zelve te kunnen afleiden.
-
-Thans is dit anders geworden. Men is niet meer tevreden met de kennis
-van de groote lijnen van het proces, men wil tot in de fijnste
-bizonderheden daarvan doordringen. Men wil nieuwe soorten zien
-ontstaan, en onderzoeken door welke wetten haar ontstaan beheerscht
-wordt, en van welke invloeden het afhankelijk is. Men wil trachten deze
-kennis zóó uit te breiden, dat het eenmaal mogelijk zal zijn, zelf in
-de verandering der soorten in te grijpen. Het is niet voldoende, ons
-deel te hebben in de vruchten van het werk der natuur; wij willen ook
-ons deel in het werk zelf hebben. Ja, wij willen trachten het werk te
-beheerschen en te leiden, ten einde nog betere vruchten te verkrijgen.
-
-Ongetwijfeld is dit een hoog en verheven doel. Maar door den bouw
-van dit laboratorium zijn de voorbereidingen getroffen, die noodig
-zijn om het te bereiken. De grondslagen voor een onderzoek zijn op
-breede schaal gelegd, met het vaste voornemen aan de natuur geheimen
-te ontwringen, die tot nu toe onschendbaar schenen.
-
-De ontwikkelingsgeschiedenis van het planten- en dierenrijk moet een
-proefondervindelijke wetenschap worden. Eerst moet zij grondig worden
-bestudeerd en zooveel mogelijk gecontroleerd, daarna moet zij in haar
-tegenwoordigen voortgang worden geleid, om eindelijk op verschillende
-punten ten nutte der menschheid te worden veranderd.
-
-Deze denkbeelden zijn reeds voor een bepaalde richting uitgesproken
-en uitgewerkt door den heer Davenport, die thans tot directeur
-van dit laboratorium is benoemd. Zijn werk draagt den titel
-"Experimenteele Morphologie", een combinatie van begrippen, die
-aanvankelijk zeer gewaagd scheen, maar die sedert allengs burgerrecht
-verkregen heeft. Proefondervindelijke vormleer is echter nog geen
-experimenteele evolutie. De eerste bepaalt zich tot de studie
-der oorzaken, die het verschijnen van de reeds gegeven vormen der
-soort in de bepaalde gevallen beheerschen, de tweede vraagt naar de
-oorzaken van het ontstaan van nieuwe eigenschappen. De aardappelplant
-maakt uit het onderste gedeelte van haar stam uitloopers, die onder
-gewone omstandigheden aan hun top elk een aardappel voortbrengen,
-maar die in andere gevallen boven den grond groeien en tot groene,
-bebladerde stengels worden kunnen. De experimenteele morphologie vraagt
-waarom nu eens aardappelen en dan weer stengels ontstaan, van welke
-omstandigheden en oorzaken dit afhangt, en hoe men het verschijnsel
-naar willekeur kan regelen. De experimenteele evolutie daarentegen
-vraagt hoe het komt, dat onder de talrijke soorten van het geslacht
-Solaum er één is die aardappelen voortbrengt, welke oorzaken en wetten,
-en welke bizondere omstandigheden het allereerste ontstaan van dit
-vermogen beheerschen, en hoe men, misschien, bij andere soorten van
-hetzelfde geslacht, of wellicht zelfs in andere geslachten, eveneens
-een vermogen om aardappelen te maken zou kunnen te voorschijn roepen.
-
-Om zulke vragen te beantwoorden, wordt natuurlijk veel tijd en
-veel studie vereischt. Maar het nieuwe laboratorium is voorzien van
-de noodige inrichtingen, van uitgebreide cultuurvelden en van het
-vereischte personeel, om dit onderzoek aan te vangen. Langzaam en
-geleidelijk moet het beginnen, en de moeilijkheden zullen in den
-aanvang uiterst talrijk zijn. Maar alles wijst er op, dat de hoop
-gegrond is, dat het ten slotte gelukken zal ze te overwinnen, en
-wetten te ontdekken, wier toepassing in wetenschap en praktijk voor
-het menschdom een zegen zal worden.
-
-Op het gebied der evolutie gaat het onderzoek in Amerika en in
-Europa thans hand in hand. Moge jaren geleden het zwaartepunt in
-de oude wereld gelegen zijn, in de laatste tijden is een snelle
-verandering duidelijk te bespeuren. Talrijker en talrijker worden
-de bijdragen uit de nieuwe wereld, en meer en meer raken zij de
-dieper gelegen, ja de moeielijkste vraagstukken. In Amerika hebben
-de leer der bevruchting, de rol van het mannelijk element daarbij,
-ja zelfs de uiterst moeielijke vraag naar de oorzaken, die het
-geslacht van het nieuwe individu bepalen, door de ontdekking van zeer
-belangrijke feiten een geheel onverwachten steun gekregen en is ook
-de rol der cel-kernen en haar aandeel aan de bepaling der erfelijke
-eigenschappen onlangs uit het speculatieve stadium van onderzoek
-tot dat van rechtstreeksche microscopische waarneming overgegaan. Op
-talrijke andere punten is een toenemende vooruitgang te bespeuren,
-en daarom heb ik er bizonderen prijs op gesteld, dat bij de opening
-van dezen nieuwen weg van onderzoek het houden der feestrede aan mij
-is opgedragen. Dit toch getuigt van een streven naar samenwerking,
-dat dezerzijds natuurlijk hoogelijk gewaardeerd wordt.
-
-De taak, die ik op mij heb genomen, sluit in zich, een denkbeeld te
-geven van wat ik mij voorstel, dat op het gebied der experimenteele
-evolutie, zoowel in de eerste als in de latere jaren, te onderzoeken
-zal zijn, welke methoden daarbij kunnen worden gevolgd, en welke
-uitkomsten, wellicht, mogen worden verwacht.
-
-Uit den aard der zaak is deze taak deels een zeer reëele, deels een
-uitermate bespiegelende, bijna gelijk aan een droom. Wat voor de
-eerste jaren het werk en de verwachtingen zijn, laat zich op vaste
-grondslagen en tot in vrij fijne bizonderheden uitwerken. Maar wat de
-verre toekomst eens brengen zal, kunnen wij thans nog ternauwernood
-vermoeden. Slechts wat wij hopen en gaarne verwezenlijkt zouden zien,
-laat zich schetsen, en zelfs dit nog in zeer grove trekken. Toch is
-dit het oogenblik, waarop het bespreken van dergelijke verwachtingen
-geoorloofd en noodig is, en waarop misschien uit een zeer vage hoop en
-een droomerig denkbeeld een middel kan ontstaan, dat, aan de ervaring
-getoetst, den weg wijst tot geheel nieuwe middelen van onderzoek en
-tot te voren onverwachte uitkomsten.
-
-Vergunt mij het onzekere aan het zekere te doen voorafgaan, en eerst
-de verdere toekomst te beschouwen, om daarna tot het werkplan voor
-de eerstvolgende jaren over te gaan. Vergunt mij tevens daarbij een
-beeld te gebruiken, ten einde mijne bedoelingen op gemakkelijker
-wijze duidelijk te maken.
-
-De wetenschap is een veld van licht, te midden van bijna
-ondoordringbare duisternis. Helder schijnt het licht op de menschheid,
-verlossing brengende van onkunde en onmacht, van twijfel en vrees. Door
-gestadigen en harden arbeid en door de toewijding van velen wordt
-het licht onderhouden en zijn gebied allengs vergroot, en dringen de
-zegeningen van ervaring en macht over de natuur allengs in grooter
-kringen door. Amerika is rijk aan stichtingen, die de middelen geven
-tot onderzoek en onderwijs, tot verdieping en verspreiding van kennis,
-en iedereen weet, hoe naijverig Europa op de mogelijkheid van zulke
-schenkingen, en op den edelen, vaderlandslievenden en het menschdom
-bevoordeelenden geest is, die daaraan ten grondslag ligt.
-
-In ons beeld kan de vermeerdering van kennis op tweeërlei wijzen
-plaats vinden. Ten eerste door gestadig en zorgvuldig werk in het
-lichtveld zelf. De grond moet worden beploegd en de grenzen moeten
-worden uitgebreid, en honderden en duizenden van onderzoekers zijn
-onvermoeid bezig alle leemten aan te vullen en aan alle kanten op de
-eenmaal vaststaande grondslagen voort te werken.
-
-Daarnaast staat het tweede middel van vooruitgang. Van uit het groote
-veld worden lichtpunten uitgeworpen in de omringende duisternis. Hun
-kansen om uitgedoofd te worden, en zonder gevolgen voorbij te gaan zijn
-natuurlijk voor de hand liggend, en tallooze pogingen leiden dan ook
-niet tot de gewenschte uitkomst. Maar van tijd tot tijd verwerven zij
-vasten voet en staan zij als bakens, ver in de donkere omgeving. Dan
-wijzen zij den weg voor een veel snelleren vooruitgang. Rondom de
-bakens kan het licht zich uitbreiden, en tusschen hen en het groote
-lichtveld wordt de duisternis van twee kanten bestreden, zoodat het
-vroeg of laat gelukken moet, de bakens met het lichtveld te verbinden,
-en al het terrein tusschen hen beiden te veroveren en toegankelijk
-te maken. Zoo worden de uitgeworpen lichtpunten de middelen tot een
-snelleren vooruitgang in bepaalde richtingen.
-
-Vandaar dat zulke lichtpunten de groote feiten geworden zijn, die de
-geschiedenis van het natuurkundig onderzoek ons bewaart. Zij maken
-den naam van de mannen, die ze uitwerpen onsterfelijk, zij zijn als
-het ware de keerpunten der historie. Baco en Newton, Lyell en Darwin
-staan onder allen vooraan, en in den tegenwoordigen tijd wijden Edison
-en Marconi, Röntgen en Curie den arbeid van hun genie aan de belangen
-der menschheid.
-
-Met deze opvatting van de beide hoofdbeginselen van vooruitgang
-op het gebied van kennis en wetenschap vereenigt zich het
-Carnegie-Institution ten volle. Te Washington heeft het zijn zetel;
-hier werkt het regelmatig en gestadig voor de bevordering der algemeene
-wetenschappelijke belangen. Daarnaast heeft het een eerste lichtpunt
-uitgeworpen ver in de dorre woestijn, om een baken te worden van
-onderzoek in de talrijke vragen van theoretisch en practisch belang,
-die de woestijn ons aanbiedt. De oorsprong van de flora en de fauna van
-die waterarme streken moet worden nagegaan. Hoe zijn sommige planten en
-dieren er toe gekomen, bij voorkeur daar te leven? Waardoor zijn zij in
-staat gesteld, in millioenen van exemplaren zich te vermenigvuldigen,
-waar andere soorten noodzakelijk zouden te gronde gaan? Hebben zij bij
-dien overgang hun natuur veranderd, of zijn zij slechts uitgezocht
-uit vele anderen, en zijn alleen zij toegelaten, die reeds van den
-aanvang af geschikt werden bevonden? Hoe kan de mensch in dit proces
-ingrijpen? Is hij beperkt tot de werken van irrigatie en tot de keus
-van elders bekende, maar toevallig voor de nieuw te ontginnen landen
-passende soorten van land en tuinbouwgewassen?
-
-Deze en tallooze andere vragen moeten worden beantwoord. Om daartoe bij
-te dragen heeft het Carnegie-Institution een laboratorium ingericht,
-midden in de woestijn. Het is gebouwd op de heuvelenreeks nabij
-Tucson in Arizona, een der oudste Spaansche stichtingen in die
-bijna onbewoonbare landstreek, en thans een bloeiende en zich snel
-ontwikkelende stad, met groote industrieën en een levendigen handel
-op Mexico, en met toenemenden landbouw, gegrondvest op kunstmatige
-irrigatie.
-
-Het woestijn-laboratorium staat onder het toezicht van de plantkundigen
-Coville te Washington en MacDougal te New-York, terwijl Dr. Cannon,
-met den titel van "resident-investigator" [44] de werkzaamheden
-leidt. De hoop op een wetenschappelijke en praktische verovering
-der woestijn is de grondslag van het werk, en alles wijst er op,
-dat deze hoop ten volle gewettigd is.
-
-Heden wordt een tweede lichtpunt door het Carnegie-Institution in
-de omringende duisternis uitgeworpen. Het is het laboratorium, dat
-wij thans inwijden. Het moet een baken worden in een veel dichter
-duisternis; het moet veel moeilijker vraagstukken aanvatten, en kan
-daarbij slechts op een veel zwakkeren grondslag van voorafgaande
-kennis steunen. Het heeft een veel hooger doel, en streeft naar
-vruchten van meer algemeen belang. Het moet een leidster worden op
-een gebied van geheel onverwachte feiten en ontdekkingen en een bron
-voor geheel nieuwe methoden van verbetering van onze huisdieren en
-landbouwplanten. Het heeft een veel zwaarderen arbeid voor zich en
-zal eerst na jaren van voorbereidende studie de groote praktische
-problemen rechtstreeks kunnen aanvatten.
-
-Maar hoelang deze periode van stillen arbeid ook moge duren, er kan
-geen twijfel zijn, of het doel zal eenmaal worden bereikt. De geheele
-inrichting, de rijke middelen, maar vooral de persoon van den directeur
-en de keuze van zijn staf beloven een glansrijke toekomst. Welke
-die toekomst zal zijn, laat zich natuurlijk niet in bizonderheden
-omschrijven. Toch is het wenschelijk, de verwachtingen eenigszins
-nader uit te werken, welke de tot nu toe genomen maatregelen met
-recht kunnen doen ontstaan.
-
-Zulke verwachtingen binden niet, want 's werelds loop laat zich niet
-voorspellen. Maar ik zie geen bezwaar in een schets, daar ik ten volle
-overtuigd ben, dat de uitkomst toch eenmaal de meest schitterende
-verwachtingen overtreffen zal.
-
-Meer in bizonderheden gaande, kunnen wij ook hier ons beeld van het
-lichtveld der wetenschap toepassen. Ook dit laboratorium moet zulk een
-veld worden, dat door vlijtigen arbeid zich steeds vergroot, maar van
-waaruit tevens losse lichtpunten in de omringende duisternis worden
-uitgeworpen. Hoe het werk op het veld moet geschieden, laat zich
-ten minste in groote trekken berekenen; wat de bakens zullen kunnen
-bereiken laat zich ternauwernood gissen. Het is als een droom. Maar
-het is een zeer verleidelijke droom, en ik vind geen reden, om aan die
-verleiding weerstand te bieden. Daarom zal ik trachten te schetsen,
-wat ik in dien droom heb meenen te zien, en welke hoop het denkbeeld
-van experimenteele evolutie, in verband met de groote ontdekkingen
-van onzen tijd op verwant gebied, in mij opwekt.
-
-Mijn droom is uitgegaan van de oude vraag, wat er in een ei is,
-dat dit in staat stelt al de eigenschappen van een vogel allengs te
-ontwikkelen. Waarom wordt uit het eene ei een kip, en uit het andere
-een fazant geboren? Welke eigenschappen hebben de ouders daarin
-gelegd, die met klaarblijkelijke noodzakelijkheid de ontwikkeling
-in een bepaalde richting leiden? Natuurlijk moet er in het eigenlijk
-levende deel van het ei, het zoogenaamde kiemvlekje iets anders zijn,
-zoo er een kip, en iets anders zoo er een fazant uit ontstaan zal. De
-dooier en het eiwit zijn slechts voedsel, en daarin kan de oorzaak van
-het verschil dus moeilijk liggen. Nog grooter verschillen moeten er
-zijn tusschen het ei van een vogel en van een slang, en veel grooter
-natuurlijk tusschen die en de eieren van zeesterren en zeeappels, die
-bekende soorten, die zoo dikwijls door de zee op ons strand worden
-geworpen, en wier eieren en larven een zoo zeer gezocht materiaal
-voor de studie der ontwikkelings-verschijnselen geworden zijn.
-
-Nu zouden wij kunnen trachten, ons een voorstelling te maken van
-den aard dezer onzichtbare verschillen. Wij zouden kunnen vragen,
-wat wellicht het microscoop ons openbaren zal, wanneer het zijn
-gebied nog verder zal uitgebreid hebben en deeltjes, die thans nog
-onzichtbaar zijn, zoo zal kunnen vergrooten, dat wij ze rechtstreeks
-kunnen waarnemen. Maar op deze vraag wil ik thans niet ingaan. Liever
-wil ik vragen, of het mogelijk zou kunnen zijn, in de samenstelling van
-die kiemen willekeurig veranderingen te weeg te brengen, zóó, dat het
-dier dat uit het ei ontstond, andere eigenschappen zou vertoonen dan
-zijne ouders. Natuurlijk bedoel ik niet, dat men zou kunnen trachten
-uit een zeesterren-ei een slang, of uit een schildpadden-ei een vogel
-te maken. Die verschillen zijn veel te groot. Aanvankelijk zal men
-wel met de allerkleinste veranderingen tevreden moeten zijn. Laat ons
-daarom een voorbeeld kiezen van zulk een zeer kleine en schijnbaar
-onbeteekenende wijziging.
-
-De gewone pauw heeft een witte variëteit, die de schitterende kleuren
-van de gewone soort mist. Uit de eieren dezer variëteit komen steeds
-weer witte pauwen. Er moet dus tusschen het ei van een gewone en
-dat van een witte pauw een verschil zijn dat het verschil in kleur
-bewerkt. Dit verschil echter kan eenvoudig zoo beschouwd worden, dat
-men zegt, dat de kleuren in het eene geval vrij tot ontwikkeling komen,
-terwijl zij in het andere daarin door een of andere oorzaak worden
-belemmerd. Wat is nu deze oorzaak, en hoe zou men die kunstmatig
-kunnen nabootsen? Met andere woorden, zou het mogelijk zijn, een
-middel te ontdekken dat in het ei van een gewone pauw, de kleuren
-kan beletten tijdens den lateren groei te voorschijn te treden?
-
-Wij moeten natuurlijk aannemen, dat in het ei voor elke eigenschap
-en dus ook voor de kleuren, bepaalde deeltjes voorhanden zijn, die
-die eigenschap als het ware vertegenwoordigen, en die door zich te
-vermenigvuldigen, tijdens de ontwikkeling van het jonge dier ten
-slotte de kleuren doen ontstaan. Kon men die deeltjes nu dooden,
-of ook slechts zóó verzwakken, dat zij, in vergelijking met andere
-achterlijk bleven, dan zou misschien uit een gewoon pauwenei, in eens
-en kunstmatig, de witte variëteit kunnen verkregen worden.
-
-Overlegt men de zaak op deze wijze, dan schijnt het dat men met
-heele kleine veranderingen in een ei, zeer groote wijzigingen in een
-organisme zou kunnen teweeg brengen. Een witte variëteit van de pauw
-zou slechts een herhaling zijn van iets dat reeds bestond. Maar het
-is duidelijk, dat dezelfde redeneering van toepassing zou zijn op
-vogels en andere dieren, waarvan zulk een variëteit nog niet bestaat,
-zoodat men werkelijk iets nieuws zou krijgen. Ja men zou het beginsel
-misschien ook op bloemen kunnen toepassen. Witte afwijkingen van
-soorten met blauwe of roode bloemen komen zoo algemeen voor, dat
-het slechts natuurlijk schijnt om aan te nemen, dat elke rood- of
-blauwbloemige plant er eene zou kunnen hebben. Toch is dit nog niet
-het geval, en zijn er tuinplanten, waarvan een witte vorm nog steeds
-te vergeefs gezocht is en zeker, zoo zij gevonden of voortgebracht kon
-worden, door kruising met andere, tot een belangrijke vermeerdering
-der vormen zou kunnen bijdragen. Ik noem slechts de bloeiende canna's,
-wier kleur rood is, doch met geel vermengd. Verlies van het rood zou
-ze zuiver geel doen worden, verlies van het geel zuiver karmijnrood,
-terwijl een verlies van beide kleuren noodig zou zijn, om de zoo zeer
-gewenschte witte variëteit te doen ontstaan. Maar men heeft haar nog
-niet gevonden, en kan haar voorshands ook nog niet maken.
-
-Is het mij gelukt duidelijk te maken, wat men in zulk een bepaald geval
-door vernietiging of verzwakking der vertegenwoordigende deeltjes
-in een ei van een dier of in een zaadknop van een plant wellicht
-eenmaal zou kunnen bereiken, dan mogen wij dit denkbeeld natuurlijk
-uitbreiden. De kleuren dienden ons slechts als voorbeeld. Juist
-dezelfde beschouwing zou men ook op allerlei andere eigenschappen
-kunnen toepassen. Doornlooze en onbehaarde variëteiten worden
-dikwijls als verdere voorbeelden aangehaald. Verlies van het meel in
-het zaad onderscheidt de suikererwten en de suikermais van de gewone
-soorten. Er zijn aardbeziën die geen uitloopers en Acacia's die geen
-gevinde bladeren maken. Dit zijn natuurlijk slechts onbelangrijke
-wijzigingen, maar het is duidelijk dat als men die kunstmatig kon
-maken, men allengs tot meer belangrijke zou kunnen overgaan. Groote
-verbeteringen onzer nuttige dieren, of van land- en tuinbouwplanten
-zouden ten slotte mogen worden verwacht.
-
-Gaarne geef ik toe, dat wij van het bereiken van dit doel nog ver af
-zijn. Maar bij de stichting van een nieuw laboratorium met een nieuwe
-richting van onderzoek komt het mij toch wenschelijk voor zulk een
-blik in de toekomst te slaan. Natuurlijk kan men niet voorspellen
-wat later eenmaal zal worden ontdekt. Maar het is van groot belang,
-een heldere voorstelling van de mogelijkheden op dit gebied te hebben,
-teneinde van elke toevallige vondst terstond de waarde en de beteekenis
-te kunnen beoordeelen. Zonder die voorzorg zou allicht een kleine
-ontdekking kunnen verloren gaan, die toch het punt van uitgang had
-kunnen worden, van waaruit ten slotte de oplossing van het raadsel
-had kunnen bereikt worden.
-
-Daarom wensch ik thans na te gaan, welke kansen er zijn, om in eieren
-zulke veranderingen teweeg te brengen. Ik stel daarbij voorop, dat
-alles, wat men tot nu toe omtrent de physiologie van de eieren der
-meest verschillende soorten van dieren onderzocht heeft, en alle
-veranderingen, die men daarbij feitelijk in de kiemen teweeg heeft
-gebracht, grof is in vergelijking met het verschijnsel dat ons thans
-voor den geest zweeft. Een kleurverandering in de veeren van een pauw
-zou natuurlijk volkomen onzichtbaar blijven, zoolang het kuiken in het
-ei ligt, en zelfs nog geruimen tijd daarna. En zoo zou het met allerlei
-andere eigenschappen zijn. Zichtbare veranderingen in de kiem en het
-kuiken komen ons, van dit standpunt, voor als grove monstrositeiten,
-die wel belangrijk, maar niet het doel van ons streven zijn. Wat
-men thans moet zoeken zijn onzichtbare, en zich eerst veel later
-verradende wijzigingen.
-
-Het dooden van enkele vertegenwoordigende deeltjes in een ei is
-misschien het beste voorbeeld, ofschoon het allicht in de praktijk nog
-te grof zal blijken. Men zou kunnen trachten het te bereiken met een
-methode, die door Engelmann voor andere doeleinden gebruikt is. Ligt
-een levende cel onder het microscoop, zoo kan men het licht dat haar
-beschijnt, door een lens laten gaan, en die lens zoo kiezen en zoo
-plaatsen, dat haar brandpunt juist in het veld van het microscoop
-valt. Is de lens aan een eigen, beweeglijk statief bevestigd,
-dan zou men dit brandpunt zich onder het microscoop kunnen doen
-verplaatsen. Men zou dan in een vrij donker veld een helder lichtend
-punt als het ware kunnen laten wandelen. Is het klein genoeg om een
-enkele bladgroenkorrel, of een celkern, of zelfs een deel van een
-kern te treffen, zoo zou men alleen dat punt kunnen verlichten. Op
-deze wijze heeft Engelmann rechtstreeks aangetoond dat het licht in de
-groene deelen der cellen zijn koolzuur-ontledende werking uitoefent,
-en niet in de kleurlooze gedeelten van het levend protoplasma.
-
-Nu concentreert een lens natuurlijk niet alleen de licht- maar ook
-de warmtestralen. Iedereen weet, dat voorwerpen, in het brandpunt
-geplaatst, verhit worden; vandaar trouwens de naam. Past men dit onder
-het microscoop toe, dan zou men dus een klein deel van een cel sterk
-kunnen verwarmen, zonder de overige deelen te beschadigen. Spoedig
-zou daarbij de warmte zoo groot worden, dat het getroffen deel
-afstierf. Zoo kan men enkele bladgroenkorrels dooden, terwijl de
-overige deelen der cel levend blijven. Als men nu voorzichtig een
-celkern, of een deel daarvan tot dicht bij de temperatuurgrens van
-het leven verwarmde, zou men mogen verwachten, dat die grens niet
-voor alle deeltjes dezelfde is. Enkele zouden eerder sterven, andere
-later. In een gunstig geval zou men dus de meest gevoelige kunnen
-dooden, maar de overige sparen.
-
-Gesteld nu, dat men er enkele trof, die voor de ontwikkeling niet
-volstrekt noodzakelijk waren, dan zou men misschien, langs dezen
-weg, een variëteit kunnen tot stand brengen. Natuurlijk zou er nog
-heel wat te bestudeeren en te beproeven zijn, vóórdat men zoover kon
-komen. Doch dit is thans niet de zaak die ons bezighoudt. Het kwam
-er slechts opaan, aan te toonen, dat er een weg is, die de kans op
-zulk een ingrijpen opent.
-
-Waarschijnlijk zal het volstrekt niet noodig zijn, bepaalde deeltjes
-in een ei te dooden, om zichtbare veranderingen in het daaruit groeiend
-organisme teweeg te brengen. Veel natuurlijker schijnt het ze eenvoudig
-in meerdere of mindere mate te verzwakken, hetzij tijdelijk, hetzij
-op den duur. Door een tijdelijke verzwakking zou men kunnen hopen
-ze achterlijk te maken in vergelijking met de overige factoren van
-het ontwikkelingsproces en daardoor misschien de fijnst mogelijke
-wijziging te erlangen.
-
-Een eerste middel dat zich daarbij aanbiedt is het bedwelmen. Aether
-en chloroform werken op dierlijke en plantaardige cellen op
-overeenkomstige wijze als op het menschelijk organisme, en wellicht
-zou men daarvan gebruik kunnen maken, om geringe storingen in
-de allereerste ontwikkeling te doen optreden. Reeds zijn een
-aantal feiten bekend, die de uitgesproken hoop wettigen, of ten
-minste steunen. Wat eieren betreft, gebruikt men bij voorkeur die
-van zee-egels en zee-appels, die deels om hun doorschijnendheid,
-deels om hun taaiheid, deels om allerlei andere redenen voor
-onderzoekingen bizonder geschikt zijn. Wilson heeft nu vóór, tijdens,
-en na de bevruchting aether op zulke eieren laten inwerken. Zichtbare
-afwijkingen van het normale proces waren daarvan het gevolg. Zoo kan
-de mannelijke kern belet worden met de vrouwelijke te copuleeren,
-doch daarbij op eigen gelegenheid voortgaan met groeien. Ook kunnen de
-stralen-sphaeren, die gewoonlijk van de kernen uitgaan, en waarlangs
-zij vermoedelijk haren invloed op de cel oefenen, door de werking van
-aether tijdelijk worden uitgewischt, of ten minste onzichtbaar gemaakt,
-zonder dat daardoor de levensverschijnselen en met name de deelingen
-in de kernen merkbaar worden gestoord. Dan kunnen de kernen zich
-vermenigvuldigen, zonder dat dit door de overeenkomstige celdeelingen
-wordt gevolgd en er ontstaan veelkernige cellen. Wilson kon soms 64
-kernen in een enkele cel tellen, terwijl het normale aantal niet meer
-dan één bedraagt. Eindelijk kunnen de celdeelingen zoo onregelmatig
-worden, dat zij, inplaats van tusschen de kernen door te gaan, langs
-deze den nieuwen wand maken, zoodat de eene helft geen en de andere
-beide of alle jonge kernen krijgt. Zulke kernlooze cellen vertoonen
-dan natuurlijk allerlei afwijkende verschijnselen.
-
-De meeste van de beschreven afwijkingen zijn van voorbijgaanden aard,
-zoo de bedwelming slechts kort genoeg duurt. Is het nog mogelijk, dan
-keert daarna de kiem tot het normale ontwikkelingsproces terug. Maar
-misschien blijft er toch nog iets over, dat, aanvankelijk onzichtbaar,
-en dus tot nu toe niet opgemerkt, in het latere leven zich zou
-verraden, en dan juist wijzigingen geven, zooals wij die zouden
-wenschen te zien ontstaan. Een ruim veld van waarneming en onderzoek
-ligt hier voor ons open.
-
-Dat bedwelming werkelijk veel fijnere wijzigingen in den groei en de
-ontwikkeling kan te weeg brengen is, ten minste voor planten, door
-de merkwaardige studiën van Johannsen bewezen. Aan dezen gelukte
-het, door een voorbijgaande bedwelming, slapende knoppen wakker te
-maken. Het resultaat was geheel onverwacht, en toch kan iedereen zich
-gemakkelijk van de juistheid overtuigen. Onze boomen en heesters,
-onze bloembollen en knolgewassen hebben 's winters een periode
-van rust, die niet eenvoudig het gevolg van de koude is. Dit blijkt
-terstond wanneer men bedenkt, dat de term winterrust het verschijnsel
-eigenlijk zeer onvolkomen uitdrukt. Want hyacinten en tulpen en tal van
-andere bolgewassen rusten eigenlijk des zomers. Als in het voorjaar
-hun bloemen uitgebloeid zijn, kunnen zij nog zaad maken, en moeten
-zij, b.v. een maand lang, door middel hunner bladeren het voedsel
-maken dat voor het verdere leven van den bol, tijdens de periode
-van rust, noodig is. Maar juist als de ware zomermaanden intreden,
-beginnen zij deze periode, en daaruit volgt, dat gebrek aan warmte
-daarvan klaarblijkelijk niet de oorzaak is. Zoo is het met tal van
-voorjaarsplanten, waarvan men de bladeren nog eenigen tijd in den
-zomer ziet, maar die vroeg of laat ter ruste gaan, lang vóór het
-einde van den herfst.
-
-Er moeten dus inwendige, van het jaargetijde onafhankelijke oorzaken
-zijn, die deze rust bewerken. Daarnaast kan 's winters de koude de
-ontwikkeling vertragen, en iedereen weet dat enkele te vroege en te
-warme voorjaarsdagen de knoppen er toe brengen kunnen vóór hun tijd
-uit te loopen. Maar dit kan wel in het voorjaar, doch niet in den
-eigenlijken winter, vooral niet in 't begin daarvan geschieden. Men
-kan dit bewijzen door takken van allerlei boomen en heesters af te
-snijden en, in wat water, in een warme kamer te plaatsen. Doet men dit
-in Februari of Maart, dan ziet men weldra de meeste knoppen zwellen,
-en een aantal er van open barsten en hun bladeren en bloemknoppen
-ontplooien. Doet men het in October of November, zoo blijven de
-takken echter werkeloos. Toch is alles of ten minste nagenoeg alles
-in hen voor het hernieuwde leven gereed. Dit blijkt juist uit de
-aether-proeven van Johannsen. Want wat men door eenvoudig verwarmen
-niet kan bereiken, kan men daardoor wel verkrijgen na een voorbijgaand
-bedwelmen. Men zet de takken, na ze afgesneden te hebben, en liefst
-zonder water, in een groote metalen kist met goed sluitend deksel,
-of ook onder een glazen stolp of in een flesch met wijden hals,
-en voegt daaraan een afgemeten hoeveelheid aether toe. Men laat ze
-er twee dagen in, en herhaalt daarna zoo noodig de bewerking nog
-eens. Zet men ze nu in wat water op een verwarmde plaats dan ziet
-men ze spoedig uitloopen, ten minste verscheidene soorten, want de
-vereischte hoeveelheid aether is niet voor alle dezelfde. Dit proces,
-dat in het klein zeer verrassende uitkomsten geeft, heeft in de laatste
-jaren in het groot in de praktijk ingang gevonden voor het forceeren
-van seringen. Want het is daardoor mogelijk geworden, den bloei
-dezer struiken in Januari en December eenige weken te vervroegen, en
-zoodoende omstreeks Kerstmis en Nieuwjaar daarvan groote hoeveelheden
-bloemtrossen in den handel te brengen. En merkwaardiger wijze groeien
-de trossen na het aetheriseeren zooveel sneller dan bij het gewone
-forceeren, dat de meerdere kosten van de installatie en toepassing van
-dit proces geheel opgewogen worden door de besparing aan brandstof,
-die het kortere forceeren in de kassen natuurlijk met zich voert.
-
-Zoo hebben wij in aether--en hetzelfde geldt van chloroform--een zeer
-merkwaardig middel om allerlei wijzigingen in het ontwikkelingsproces
-te voorschijn te roepen, en het spreekt van zelf, dat na zulke
-onverwachte en uiteenloopende feiten, als die van Wilson en van
-Johannsen, nog een lange reeks van ontdekkingen op dit gebied mag
-worden verwacht.
-
-Van geheel anderen aard zijn de studiën van Loeb in Californië
-en van Delage in Parijs omtrent den invloed van opgeloste stoffen
-en van gassen op de ontwikkeling van eieren. Ook zij gebruiken bij
-voorkeur eieren van zee-sterren en zee-egels. Als zulke eieren bevrucht
-worden, gebeurt er tweeërlei. Eensdeels brengt het mannelijk element
-de eigenschappen van den vader op de kiem over, en bewerkt zoo de
-gelijkenis der kinderen op hem, wat bij ons menschen zeer bekend is,
-en bij bastaarden een zeer belangrijke rol speelt, maar wat natuurlijk
-overal bij planten en dieren het meest wezenlijke deel der bevruchting
-is. Maar dit is volstrekt niet het eenige, wat de mannelijke cel
-bewerkt. Het ei bevindt zich in rustenden toestand, en moet daaruit
-worden opgewekt, om zich verder te gaan ontwikkelen. Dit gebeurt nu
-niet door die overbrenging der erfelijke eigenschappen, maar door
-een afzonderlijke werking. Bij sommige planten en met name bij vele
-orchideeën vindt zulk een werking zelfs reeds vóór de bevruchting
-plaats, en gaat er van de stuifmeelkorrels en haar buizen iets uit,
-wat den groei der zaadknoppen bevordert. Zonder dien prikkel worden
-zij in die gevallen nooit normaal en voor de bevruchting geschikt.
-
-Men kan nu, dank zij de onderzoekingen der genoemde geleerden, die
-twee belangrijke werkingen van elkander scheiden. Want men kan den
-groeiprikkel, als ik het zoo eens noemen mag, die van het mannelijk
-element uitgaat, vervangen door iets anders. Dan zal het ei zich
-ontwikkelen, zonder in den eigenlijken zin van het woord bevrucht te
-zijn, en daarom pleegt men dit proces parthenogenesis, en wel in dit
-bizondere geval, kunstmatige parthenogenesis te noemen.
-
-Loeb ontdekte dit door het gebruik van opgeloste zouten, en met
-name van chloormagnesium, dat in het zeewater wel aanwezig is,
-maar natuurlijk niet in voldoende hoeveelheid om die onnatuurlijke
-ontwikkeling te bewerken. Voegt men er echter wat grootere hoeveelheden
-van aan het zeewater toe, waarin de eieren van zee-sterren, zee-egels
-en zee-appels liggen, dan ziet men deze tot jonge larven worden, ook
-zonder bevruchting. Eenige andere zouten zijn eveneens in staat, dit
-gevolg te bewerken. Het maakt den indruk alsof het ei rustend gehouden
-werd door een of andere onbekende maar op den groei belemmerend
-werkende oorzaak. Het mannelijk element en de genoemde zouten heffen
-die oorzaak op, lossen haar misschien eenvoudig op, zoo zij een
-bepaalde stof is, en veroorloven zoo den voortgang der ontwikkeling.
-
-Delage heeft nu aangetoond, dat behalve zouten ook gassen, en met
-name koolzuur, zulk eene werking hebben. Gasvormige lichamen hebben
-bij zulke proeven allerlei voordeden boven opgeloste zouten. Men
-behoeft slechts een stroom van koolzuur uit een ontwikkelingsflesch,
-of uit een gewonen syphon van koolzuurhoudend mineraalwater te leiden,
-om de eieren, die er in liggen, tot ontwikkeling te doen komen zonder
-bevruchting. Zouten werken altijd op een aantal eieren schadelijk,
-maar koolzuur kan ze bij honderden doen groeien, zonder dat er een
-enkel verloren gaat of ook slechts achterlijk blijft. Daardoor geeft
-het koolzuur een middel aan de hand, om de onbevruchte eieren in
-hun verderen levensloop te bestudeeren, iets wat op dit oogenblik
-nog zeer moeilijk is, daar men met de vereischten van het leven van
-jonge zee-appels, ook na bevruchting der eieren, in een aquarium
-nog zeer onvoldoende bekend is. In een aquarium moet men het water
-voortdurend in beweging houden, en daarenboven moet men zorgen,
-dat voedsel in overvloed voorhanden zij. Dit voedsel nu bestaat in
-allerkleinste organismen, bijna onzichtbaar klein, die in het zeewater
-in onnoemelijk aantal voorkomen, en die door de larven der zeesterren
-worden gegeten. Deze plantaardige en dierlijke, microscopisch kleine
-wezens vormen een deel van de in de bovenste lagen der zee drijvende
-of liever zwevende wereld, die men tegenwoordig gewoon is het plankton
-te noemen. Dit plankton, waarop ik trouwens later nog terug zal moeten
-komen, is de groote bron van het voedsel voor alles wat in zee leeft,
-tenminste wat het dierenrijk betreft, en grootere planten zijn in de
-zee zooals men weet betrekkelijk zeldzaam, en eigenlijk beperkt tot de
-kusten en tot de enkele, drijvende sargasso-zeeën. Dit microscopische
-voedsel moet men vermengen met het zeewater, waarin de larven leven,
-en dit heeft, bij hun vraatzucht, groote moeielijkheden, doch het is
-hier de plaats niet, daarop nader in te gaan.
-
-Genoeg zij het, er op gewezen te hebben, dat eieren zonder bevruchting
-tot larven kunnen worden. En kunnen zij dit, zoo zouden zij het
-wellicht ook met een gedeeltelijke bevruchting kunnen, en misschien
-met een gemis van slechts enkele der vertegenwoordigende deeltjes
-van de erfelijke eigenschappen van den vader.
-
-Evenals van chloormagnesium, zou men ook de werking van zwakke
-vergiften op den aanvang van het ontwikkelingsproces kunnen
-bestudeeren. Davenport heeft aangetoond, dat er een zeer groote
-mate van overeenkomst bestaat tusschen de werking van vergiften
-op het menschelijk lichaam en op verschillende soorten van lagere
-dieren. Met name kunnen in vele gevallen dieren aan bepaalde vergiften
-gewend worden, door de dosis langzaam te doen toenemen. Er ontstaat
-dan een soort van immuniteit, en deze treedt, al naar gelang der
-onderzochte voorwerpen, nu eens vroeger, dan weer later in. Zoo men
-nu aan mag nemen, dat bij een fijner uitwerken van dit beginsel,
-ook de vertegenwoordigende deeltjes der erfelijke eigenschappen in
-een ei in verschillende mate gevoelig zullen blijken te zijn voor
-zulke vergiften, dan ontstaat de kans dat men daardoor sommige kan
-elimineeren, zonder de overige al te zeer te schaden. Zoodoende zou
-men allicht, in de ontwikkeling van de kiem en van het jonge dier
-uit het ei, enkele bepaalde eigenschappen kunnen onderdrukken.
-
-Allerlei andere invloeden zouden kunnen worden bestudeerd, en onder
-deze bieden wellicht de stralen van Röntgen, en de radio-activiteit
-van het nieuwe element radium, bizondere kansen van slagen aan. Van
-beide zijn reeds uiterst belangrijke werkingen op het levend organisme
-bekend, die deels als genezing, deels als schadelijke veranderingen
-van beteekenis zijn. Ook is in sommige gevallen hun invloed op
-de ontwikkeling van jonge dieren uit het ei nagegaan. Zoo kan de
-groei der organen van de donderpadden, die uit de kikvorsch-eieren
-ontstaan, op belangrijke punten gewijzigd worden door de stralen
-die van radium-bromide en andere radium-zouten uitgaat. In normale
-gevallen verandert b.v. de vorm van den kop na omstreeks acht dagen,
-de hals wordt onduidelijk en de uitwendige ademhalingsorganen
-worden door inwendige vervangen. Maar de radium-stralen belemmeren
-deze processen, en inplaats van te verdwijnen, wordt de hals door
-het ontstaan van huidplooien duidelijker. In jonge zee-appels,
-die zich uit eieren ontwikkelen, kan het radium den geheelen bouw
-der ingewandsholte wijzigen. Wijzigt men nu de intensiteit van de
-inwerking van het radium, zoo verandert ook de uitwerking, en voor
-zoover de waarnemingen thans reeds een inzicht veroorloven, kan men
-zeggen dat zwakke werkingen dikwijls de levensfunctiën bevorderen,
-terwijl sterkere ze vertragen of belemmeren. Zeer sterk behoeft de
-werking dan ook niet te worden, om plaatselijk enkele organen of cellen
-geheel te dooden. Ook in dit opzicht gedragen zich verschillende cellen
-verschillend, en onlangs heeft Soddy voorgesteld om de radio-activiteit
-van het thorium, die zooveel zwakker is dan die van het radium zelf,
-te gebruiken om de microben der longtering binnen in het lichaam te
-dooden. De longen zouden daarbij zoo goed als onbeschadigd blijven. Hoe
-dit ook zij, de hoofdzaak is voor ons dat ook hier, evenals in de
-vorige gevallen, krachten aanwezig zijn, die bepaalde deeltjes meer en
-andere veel minder in hun levensfunctie en ontwikkeling tegenwerken,
-en evenals wij dit reeds herhaaldelijk gedaan hebben, kunnen wij
-ons ook hier voorstellen dat een fijnere uitwerking van het beginsel
-eenmaal tot een scheiding onder de vertegenwoordigende deeltjes der
-erfelijke eigenschappen in het ei zal kunnen leiden.
-
-Maar ik heb wellicht reeds te veel feiten en verschijnselen uit te
-zeer uiteenloopende deelen der natuurwetenschap aangehaald. Bij de
-volkomen onzekerheid die hier uit den aard der zaak nog heerscht,
-zou een verdere beschouwing van dit punt allicht al te vermoeiend
-worden. Mijn doel was dan ook slechts aan te toonen, dat de
-zuster-wetenschappen, vooral in haar nieuwste ontdekkingen, een schat
-van feiten aanbieden, die als uitgangspunten voor onderzoekingen op
-het gebied der experimenteele evolutie kunnen dienst doen.
-
-Daarom is een der eerste vereischten voor den goeden gang van de
-werkzaamheden op dit nieuwe laboratorium, dat men zooveel mogelijk op
-de hoogte blijve van het nieuwste wat in alle andere wetenschappen
-ontdekt wordt. Natuurlijk kan niet alles van toepassing zijn. Maar
-men weet vooruit niet, op welken weg een ontdekking zal te vinden
-zijn. De eene poging kan mislukken, terwijl de andere gelukt. Het
-komt er slechts op aan, de gunstige gelegenheden niet voorbij te laten
-gaan. En om daarvoor te zorgen moet men op alles voorbereid zijn. Zeer
-dikwijls hangt een belangrijke ontdekking af van een toevallige
-kennismaking met een of ander nieuw feit, of een of andere nieuwe
-gedachte, die plotseling blijkt van toepassing te kunnen worden op
-het werk waarmede men juist bezig is. Is dan dit werk in vollen gang,
-en beschikt het over alle methoden en hulpmiddelen die noodig zijn om
-het nieuwe gezichtspunt terstond aan de ervaring te toetsen, dan is
-wellicht de ontdekking ineens gedaan en misschien tevens al halverwege
-voltooid. Is men echter òf niet voldoende voorbereid in eigen werk,
-òf niet voortdurend op den uitkijk naar wat het toeval soms brengt,
-dan gaat de gelegenheid ongemerkt voorbij, en jaren kunnen verloopen,
-eer zich een tweede voordoet. Naast grondigen arbeid acht ik daarom
-een voortdurende algemeene oriënteering een eerste vereischte voor
-welslagen.
-
-De experimenteele evolutie kan echter nog van geheel andere
-gezichtspunten uitgaan dan de tot nu toe ontwikkelde, en daarbij
-geheel andere wegen van onderzoek inslaan. Zulk een weg is die, welke
-men vroeger algemeen de studie der generatio spontanea noemde. Maar
-toen had men, omtrent wat men mocht verwachten, nog slechts uiterst
-vage en grootendeels onjuiste voorstellingen. Pasteur's ontdekking
-der bacteriën heeft hier veel verkeerde denkbeelden opgeruimd. Want
-mogen de bacteriën ook nog zoo klein zijn, en voor het gewapend
-oog een ook nog zoo eenvoudigen bouw vertoonen, toch leeren ons hun
-zoo uiterst verscheidene, scheikundige en physiologische werkingen,
-dat hun binnenst maaksel volstrekt niet zoo primitief zijn kan. Men
-is dan ook reeds lang van het vermoeden terug gekomen, onder hen
-de meest oorspronkelijke wezens te zoeken. Vooral heeft daartoe de
-overweging bijgedragen, dat zij alle òf van de weefsels van hoogere
-planten en dieren, òf tenminste van hunne afvalproducten leven. Zij
-zijn dus in hun geheele bestaan van deze afhankelijk en men kan zich
-dus moeilijk voorstellen, dat zij, in het begin van den biologischen
-tijd, aan deze zouden zijn voorafgegaan.
-
-Hierdoor komen wij als van zelve tot de vraag, waar men zich dan
-voorstellen moet, dat het eerste leven ontstaan is. Dit nu is uit
-den aard der zaak een quaestie die thuis behoort op het gebied
-van het verre verleden, en dus in de palaeontologie. De leer der
-voorwereldlijke planten en dieren antwoordt op onze kwestie echter
-met een groot bezwaar. In fossielen toestand kan men natuurlijk
-niet verwachten, dat van de bedoelde verschijnselen iets zal zijn
-overgebleven. Integendeel, er is in het algemeen al een vrij hooge
-graad van organisatie noodig, zal een plant of dier kans hebben om zijn
-overblijfselen of indrukken in de gesteenten achter te laten. En die
-hoogere bouw, gepaard gaande met een grootte, die de eerste levende
-wezens zeer zeker niet bereikt kunnen hebben, sluit de studie van
-het bedoelde verschijnsel op palaeontologisch gebied geheel van de
-ervaring uit.
-
-Wij komen dus hier op een gebied van reine fantasie. Maar niet van een
-vrije fantasie. Want zij is gebonden aan de bekende feiten, die haar
-binnen vrij enge grenzen beperken. En met deze beperking kan zij ons
-van groot nut zijn om ons een nieuwen weg te wijzen, waarlangs wellicht
-de studie der experimenteele evolutie zou kunnen worden aangevat.
-
-Ik wil thans trachten duidelijk te maken, welke gezichtspunten ons
-door zulke beschouwingen worden geopend. Daartoe wensch ik een kort
-beeld te ontwerpen van de theorie van Brooks omtrent het leven op
-aarde gedurende de oudste tijden, waarvan geen fossielen tot ons
-zijn gekomen. Deze beschouwing komt mij voor zoo eenvoudig en zoo
-gemakkelijk te begrijpen te zijn, dat ik geen bezwaar zie haar hier
-eenigszins in bizonderheden te volgen. Zij gaat natuurlijk uit van
-hetgeen feitelijk bekend is omtrent de alleroudste fossiele fauna,
-die van de cambrische lagen.
-
-Allereerst een enkel woord omtrent den tijd. Men stelt zich thans
-algemeen voor, dat het leven op aards geenszins onbegrensd lange
-tijden geduurd heeft. De ontwikkeling op de hoofdlijnen van den
-stamboom van het dieren- en plantenrijk behoeft niet zoo onmerkbaar
-langzaam geweest te zijn, als men voor een tiental jaren nog algemeen
-geloofde. Hubrecht heeft ons geleerd de tallooze vertakkingen van
-den stamboom beter te beoordeelen en veel, wat men vroeger meende dat
-een plaats op de hoofdlijnen moest hebben, wordt thans beschouwd als
-te behooren tot de zijtakken. Daardoor wordt, in onze voorstelling,
-het geheele proces der evolutie aanzienlijk verkort. Wat men vroeger
-meende, dat na elkander moest gebeuren, ziet men thans in, dat voor
-een groot deel naast elkander geschied kan zijn. Daarnaast komt de
-overtuiging, dat een ontstaan van soorten zoo langzaam, dat eeuwen
-noodig zouden zijn om merkbare verschillen teweeg te brengen, allengs
-moet wijken voor de meening dat de vooruitgang stapsgewijze geschiedt,
-en dat nu eens talrijke stappen elkander snel hebben opgevolgd,
-terwijl in andere gevallen, zooals bij de zoetwatermosselen, lange
-geologische tijden zijn voorbijgegaan, zonder dat eenige merkbare
-vooruitgang, ja zelfs zonder dat eenige belangrijke wijziging in de
-organisatie tot stand kwam. Men meent thans dat eenige millioenen van
-jaren geheel voldoende kunnen worden geacht voor de verklaring van
-het geheele evolutie-proces. Hoeveel millioenen doet er natuurlijk
-niet veel toe, daar ons voorstellingsvermogen toch niet in staat is
-op zulk een ontzaggelijke uitgebreidheid verschillen duidelijk te
-waardeeren. Meestal schat men den duur van het leven op tusschen
-de 20 en 40 millioen jaren, of, bij enger beperking, doch nog met
-een voldoenden graad van waarschijnlijkheid, tusschen de 20 en 30
-millioen jaren.
-
-In dien tijd zouden dus tevens nagenoeg alle geologische lagen zijn
-afgezet. De dikte van deze, voor de verschillende perioden van de
-ontwikkelings-geschiedenis der aarde, geeft een in 't groot goed
-vertrouwbaren maatstaf voor de verdeeling van den zooeven aangenomen
-tijd over die verschillende perioden. De oudste lagen zijn verreweg
-de dikste, de perioden duurden dus in den aanvang het langste en
-dit wil zeggen, dat toen de veranderingen in de aardschors, in
-de verdeeling van land en zee, en in de organisatie der levende
-wezens uiterst langzaam geschiedde in vergelijking met de latere
-tijden. Groote eentonigheid en groote gelijkvormigheid moet er
-in den beginne overal op aarde geheerscht hebben. En, naar alle
-waarschijnlijkheid heeft het ongeveer de helft van den geologischen
-tijd geduurd, voordat hierin eenige merkbare verandering kwam. Sedert
-zijn de veranderingen sneller en sneller, en de perioden dus korter
-en talrijker geworden. Daaruit volgt echter nog niet dat de totale
-vooruitgang ook in die tweede helft de grootste is geweest. Doch eer
-ik hierop in ga moet ik eerst de palaeontologische feiten vermelden,
-waarop de theorie van Brooks steunt.
-
-De periode in de ontwikkeling der aardschors die het keerpunt in
-de geheele ontwikkelings-geschiedenis schijnt te zijn, draagt den
-naam van den cambrischen tijd. Deze komt ongeveer met het midden van
-alle geologische lagen, en dus met het midden van den geheelen duur
-van het leven op aarde overeen. Vóór het cambrium moeten dus 10 à
-20 millioen jaren zijn verloopen, sedert de eerste levende wezens
-ontstonden, en daarna ongeveer evenveel. De cambrische periode
-echter is de oudste, waaruit fossielen bekend zijn geworden, en wij
-mogen dus zeggen dat wij van de eerste helft van de ontwikkeling
-van het leven op aarde feitelijk niets weten. Daartegenover staat,
-dat na het cambrium het voorkomen van fossielen in de gesteenten
-regelmatig is toegenomen. Leemten zijn er in onze kennis natuurlijk
-nog zeer talrijke, doch zij betreffen meer de fijnere trekken der
-ontwikkelingsgeschiedenis. Omtrent de hoofdlijnen mogen wij zeggen
-dat de ervaring ons voldoende uitsluitsel geeft.
-
-Geheel juist is het echter niet, zooals ik zooeven zeide, dat wij
-omtrent de eerste helft van den biologischen tijd niets weten. Mogen
-de feiten ook ontbreken, toch is het duidelijk dat de fauna van den
-cambrischen tijd als het product der voorafgegane evolutie mag worden
-beschouwd, en dat deze dus zoodanig moet geweest zijn, als met dat
-product overeenkomt.
-
-Daarom willen wij thans die cambrische fauna nader in oogenschouw
-nemen. Ik doe dit aan de hand van Brooks, die in zijn boek over de
-"Foundations of Zoology" een uiterst aantrekkelijke beschrijving van
-het leven in de zee, in dien tijd en in den tegenwoordigen tijd,
-geeft. Zooals iedereen weet, is de zee veel rijker aan fraaie en
-vreemde vormen, aan de meest treffende en boeiende kleur-schakeeringen,
-dan eenige vegetatie op het land. Zelfs de tropische bosschen kunnen
-met het leven op den bodem der zee op verre na niet wedijveren.
-
-De fauna van de onderste lagen van de cambrische periode, die dus de
-alleroudste is, waaromtrent de fossielen ons iets leeren, was rijk
-en verscheiden, en de meeste tegenwoordige typen van het dierlijk
-leven hadden hun vertegenwoordigers reeds in dien tijd, terwijl er
-daarnaast toen geen eenigszins belangrijke typen gevonden werden, die
-thans geen levende nakomelingen meer zouden hebben. Gewervelde dieren
-en bloemplanten waren er toen nog niet, maar van de lagere dieren,
-en zoover men na kan gaan van de wieren, waren de hoofdtypen toen
-reeds allen aanwezig. Men kent omstreeks 150 soorten van dieren uit
-die onderste cambrische lagen, maar deze zijn zeer gelijkelijk verdeeld
-over de orden en familiën, die thans nog op den bodem der zee leven.
-
-Die 150 soorten maken daarenboven niet den indruk van allerprimitiefste
-voorvaderen te zijn van de tegenwoordige typen. Integendeel, de
-specialisatie en organisatie mogen toen in bizonderheden anders
-geweest zijn dan nu, zij stonden volstrekt niet merkbaar lager dan
-thans. In geologischen zin de alleroudste waren zij volgens zoölogische
-opvatting even modern als de tegenwoordig levende wereld. Binnen in
-elke groep is het aantal soorten en vormen in de sedert vervlogen
-tijden uitermate toegenomen, en is er een verscheidenheid ontwikkeld
-zooals die toen, naar alle waarschijnlijkheid, op verre na niet
-bestond. Maar deze differentiëering geldt eigenlijk slechts bijzaken,
-terwijl de hoofdzaken nagenoeg onveranderd zijn gebleven. Allerlei
-levensomstandigheden, deels voortspringende uit de ongelijkheden van
-den bodem der zee en de verschillende diepten, voornamelijk echter
-te wijten aan de overal afwijkende eischen van den strijd met andere
-wezens en van den grooten wedstrijd om voedsel, hebben talrijke
-speciale adaptatiën doen ontstaan, en een enormen rijkdom van vormen
-teweeggebracht, waarvan de gewone mensch zich geen voorstelling kan
-maken. Maar de hoofdtrekken van de organisatie waren toen dezelfde
-als thans, de kenmerken van de hoofdgroepen van het dierenrijk zijn
-al die millioenen van jaren vrij wel onveranderd gebleven.
-
-Deze moeten dus in de vóór-cambrische tijden ontstaan zijn, terwijl
-de tallooze bizondere aanpassingen van lateren datum zijn.
-
-Wil men nu trachten zich een voorstelling te maken van het leven
-gedurende die vóór-cambrische tijden en van de veranderingen, die zoo
-plotseling het ontstaan van fossielen mogelijk maakten, dan moet men
-natuurlijk geheel van zoölogische, in plaats van palaeontologische
-gegevens uitgaan. Het wordt dan een vergelijkende studie, waartoe de
-tegenwoordig levende wereld het materiaal moet leveren.
-
-Er zijn in de levensgeschiedenis der aarde klaarblijkelijk perioden van
-langzame en tijden van snellere verandering geweest. Voor de fossiele
-kruipende dieren was de tijd van den Ichthyosaurus zulk een tijdperk
-van snelle ontwikkeling. De allerlaatste tijden toonen een toenemend
-overwicht van intellectueelen vooruitgang, en onder de landdieren
-geldt thans vrij algemeen list meer dan kracht. De fossielen leeren
-ons, dat de gemiddelde grootte van de meeste typen van landdieren
-sinds het midden van de tertiaire periode is afgenomen, maar dat de
-verhouding van den inhoud van de hersenpan tot de lichaamsgrootte
-aanzienlijk is toegenomen. Naar een globale schatting is het gewicht
-der hersenen in vergelijking met dat van het lichaam in die latere
-geologische tijden meer dan verdubbeld.
-
-Brooks neemt nu aan, dat het begin der cambrische periode ook zulk
-een tijd van snellen vooruitgang in een bepaalde richting was, en
-wel in de richting van die vaste kalkachtige lichaamsdeelen, die in
-fossielen staat zijn overgebleven. De reden, waarom uit oudere tijden
-geen fossielen bekend zijn, zou dan eenvoudig deze zijn, dat alle
-lichaamsdeelen nog week en voor fossilisatie ongeschikt waren. En de
-oorzaak van die verandering zoekt hij in den overgang van het leven
-uit de hoogere lagen der zee naar den bodem.
-
-Om de bedoeling van deze voorstelling duidelijk te maken, moeten
-wij dus trachten een denkbeeld te geven van die twee, zoo uiterst
-verschillende fauna's.
-
-Bestudeert men de ontwikkelingsgeschiedenis van tegenwoordig levende
-dieren uit de meest verschillende afdeelingen van het dierenrijk,
-dan komt men tot de overtuiging dat zij moeten afstammen van kleine
-en eenvoudig gebouwde voorvaderen, die echter reeds het kenmerkende
-type der afdeeling in zich droegen. De gemeenschappelijke afstamming
-van die groepen moet dus plaats gevonden hebben in een zeer ver
-verwijderden tijd, toen alle dieren nog zeer klein en eenvoudig van
-bouw waren. Zulke zeer kleine en eenvoudig gebouwde diertjes leven
-tegenwoordig talloos in zee, maar niet op den bodem, doch drijvende
-of zwemmende in de golven. De bovenste lagen van het water onzer
-zeeën moet men zich bevolkt denken met een onnoemelijk aantal uiterst
-kleine levende wezens, waarvan velen zelfs microscopisch klein en
-voor het ongewapend oog onzichtbaar zijn, terwijl de anderen niet
-veel grooter zijn, dan zoo, dat zij juist nog even gezien kunnen
-worden. Deze zwevende wereld, die tot een diepte van verscheidene
-meters onder de oppervlakte gaat, zoover als het licht en de zuurstof
-en het koolzuur der lucht nog ruimschoots kunnen binnendringen, is
-het plankton, waarvan ik bij een vorige gelegenheid als van voedsel
-voor grootere zeedieren, reeds met een enkel woord heb melding gemaakt.
-
-Dit plankton nu bestaat deels uit plantjes, deels uit diertjes,
-maar allen van een zeer eenvoudigen bouw. De planten behooren tot
-verschillende groepen van lagere wieren, de dieren daarentegen omvatten
-vertegenwoordigers van nagenoeg alle afdeelingen van het dierenrijk,
-zoover zij zeedieren omvatten, en met uitzondering natuurlijk van
-de gewervelde dieren. De verschillen, die reeds in het plankton de
-groote afdeelingen van het dierenrijk van elkander onderscheiden,
-worden algemeen als veel diepergaande en als van veel grooter
-systematische beteekenis geacht dan alle de tallooze verschillen binnen
-die afdeelingen zelven. In het plankton vormen de microscopische
-wiertjes niet alleen het voedsel voor alle dieren daarin, maar
-tevens voor nagenoeg het geheele leven in zee, met uitzondering van
-de kust. Natuurlijk niet rechtstreeks, maar middellijk. De wieren
-behooren maar tot een klein aantal typen en soorten, maar deze
-komen dan ook in ontelbare millioenen van individuen voor. De meeste
-gewone vormen behooren tot de Protococcen of oudste celvormen; het
-zijn microscopisch kleine, kogelronde groen eencellige wezens. Zij
-vermenigvuldigen zich door deeling, maar zoodra een cel op deze wijze
-er twee gevormd heeft, laten deze elkander los, om afzonderlijk te
-gaan leven. Zij voeden zich in hoofdzaak met het opgeloste koolzuur,
-dat zij ontleden en waaruit zij de organische stof maken. Hoe fijner
-zij in het water verdeeld zijn, des te gemakkelijker kunnen zij
-dit koolzuur natuurlijk opnemen, daarmede hangt hun microscopische
-kleinheid, hun eencellige bouw en hun gemis van bizondere organen
-samen. Dit alles toch zou in de eentonige en gelijkmatige omgeving
-van het zeewater slechts last en omslag zijn. Alles is ingericht voor
-een snelle en rijkelijke vermenigvuldiging, maar ook nagenoeg alleen
-daarvoor. Behalve groene protococcen komen ook diatomeeën en enkele
-andere vormen van eencellige wieren in ontelbare hoeveelheden in het
-plankton voor, maar over deze behoef ik hier niet uit te wijden.
-
-Opgegeten worden is in zee de levensregel, en voor dat de protococcen
-tot een geschikt voedsel voor haaien en andere groote visschen
-geworden zijn, moeten zij, als ik het zoo eens zeggen mag, tallooze
-malen opgegeten zijn. Ik bedoel natuurlijk dat zij door zeer kleine
-diertjes worden gegeten, deze weer door grootere, die op hun beurt
-aan nog grootere tot voedsel strekken, en zoo vervolgens. De eersten
-in deze reeks zijn de globigerinen en radiolarien of straaldiertjes,
-fijne, slijmerige wezens met naalden van kiezel of andere harde
-deeltjes van uiterst fraaie structuur in hun overigens schijnbaar
-structuurloos lichaam. Bijna even talrijk als de protococcen, maar
-zonder het vermogen om zich met koolzuur te voeden, leven zij van
-deze, om zelven weer aan tal van andere, grootendeels wat hooger
-georganiseerde maar toch nog uiterst kleine wezens ten prooi te
-vallen. Zoo klimt de organische stof, die de zee-planten oorspronkelijk
-maken, langzamerhand in het dierenrijk op.
-
-Ofschoon nu opgegeten worden de regel is, spreekt het wel van zelf, dat
-daaraan ten slotte een grens komt. Kleinere en grootere aantallen van
-diertjes sterven af, zonder aan anderen tot voedsel te strekken. Deze
-zullen allengs gaan zinken. En moge hun aantal ook slechts een klein
-deel vormen van wat er in de bovenste lagen der zee blijft leven, toch
-zal het ten slotte zijn als een regen van voedsel, die uit deze lagen
-langzaam omlaag daalt. Wanneer dit begonnen is, en welke graad van
-organisatie vereischt was, om dit verschijnsel van eenige beteekenis
-te doen worden, is moeilijk na te gaan. Maar het is een feit, dat
-tegenwoordig die onderzeesche regen van organisch voedsel de groote
-en nagenoeg de eenige bron van het leven op den bodem der zee is.
-
-Het licht wordt door het zeewater geabsorbeerd. Het dringt tientallen
-van meters in, maar wordt voortdurend verzwakt. Overal waar de zee niet
-al te ondiep is, heerscht op den bodem volkomen duisternis. Planten
-kunnen daar niet groeien, want die leven niet zonder licht. Organisch
-voedsel wordt er dus niet gemaakt; alles wat er noodig is, moet
-uit de hoogere lagen neerdalen. Toch pleegt die bodem met een rijke
-vegetatie van koralen en van allerlei andere dieren bedekt te zijn. De
-een leeft van den ander, en ook hier moet dezelfde organische stof
-achtereenvolgens in tal van lichamen dienst doen. Maar het spreekt
-van zelf dat er een bron moet zijn, waarmee dit alles begint. Het
-is geen kringloop. Het is een langzaam en zuinig gebruik van wat er
-voorhanden is, maar al die dieren ademen toch en verbruiken daartoe
-een deel van het opgenomen voedsel. Een bron moet er dus zijn, en
-wel een rijke en altijd vloeiende bron.
-
-Die bron is de zooeven bedoelde regen van voedsel uit de bovenste
-lagen, de lijken der diertjes die daar geleefd hebben, en die zich,
-rechtstreeks of indirect, met de daar levende groene wieren hebben
-gevoed.
-
-Op den bodem der zee is nu het leven natuurlijk geheel anders dan boven
-in de golven. Daar ontstaan vastzittende en zwemmende vormen. Daar
-is kleinheid en eencelligheid geen voordeel meer. Allereerst komt
-het beginsel van kolonie-vorming en van uitbreiding over de vlakte,
-want dit vergroot natuurlijk de kans, om het neerdalende voedsel te
-bemachtigen. Dan komt het belang van over anderen heen te groeien, en
-het voedsel als het ware te onderscheppen. Zoo ontstaan de stamvormende
-en vertakte koralen. Eindelijk is het klaarblijkelijk een voordeel
-om liever niet rechtstreeks op den voedselregen te teren, maar de
-dieren te verslinden, die zich zoo gevoed hebben. Dit is de bron
-van de plaatsbeweging, van kruipen en zwemmen, ten einde de prooi te
-bereiken. Zoo kan men gemakkelijk verder gaan, en opklimmen tot hoogere
-en hoogere organisatie, ja tot die lichtende zeedieren, die zich zelven
-in hun strooptochten in de duisternis kunnen bijlichten. In één woord,
-het leven op den bodem is de bron van differentiëering en aanpassing
-aan tallooze verschillende behoeften van het leven. Het is een strijd
-om het voedsel, en strijd is de grondslag van den vooruitgang. In de
-bovenste lagen der zee daarentegen is het voedsel in overvloed aanwezig
-en zijn de levensomstandigheden zoo eenvoudig als men zich maar denken
-kan. Daar mogen wij dus niet die aanpassing en die ontwikkeling van
-tallooze nuttige en doelmatige inrichtingen verwachten, daar blijft
-eenvoudigheid de hoofdleus.
-
-Het plankton, of het zwevend leven, is nu niet alleen de eenige groote
-bron van het organisch voedsel in zee, het is uit den aard der zaak
-ook de oorspronkelijke bron, en dus de meest oorspronkelijke vorm van
-het leven. Daarmede komen wij terug, van den tegenwoordigen toestand,
-zooals ik dien nu geschetst heb, tot Brook's voorstelling van het
-leven in de vóór-cambrische tijden.
-
-Het leven op den bodem en de ontwikkeling van grootere organismen
-is geheel afhankelijk van het plankton. Het spreekt dus van zelf
-dat het niet zonder dit bestaan kan en dus jonger moet zijn dan
-dit. De fossiele overblijfselen in de cambrische lagen, waarvan ik
-reeds gesproken heb, vertoonen ons koralen en allerlei diertypen,
-zooals zij tegenwoordig op den bodem der zee leven. Natuurlijk niet
-dezelfde soorten, maar toch zoo nauw verwant, dat men ze gemakkelijk
-herkennen en beoordeelen kan. In oudere lagen vindt men zulke
-overblijfselen niet. Toch is er in den bouw der gesteenten niets
-wat zou doen vermoeden dat zij hier wel geweest, maar sedert door
-latere veranderingen weer verdwenen zouden zijn. Zulke veranderingen
-hebben de alleroudste lagen zonder twijfel ondergaan, maar het komt
-hier natuurlijk alleen aan op die, welke in de laatste periode vóór
-de cambrische afgezet zijn. Daaruit nu moet men besluiten dat er
-in die periode nog geen leven op den bodem der zee was. Is deze
-conclusie juist, dan is het cambrische tijdperk het begin van alle
-hoogere organisatie, van alle vastzittende planten en dieren, en
-van de tallooze soorten die rond waren om zich ten koste van deze
-te voeden. Dan is de cambrische periode tevens het begin van het
-ontstaan van grootere diervormen met vaste skeletachtige deelen,
-die in fossielen toestand bewaard kunnen blijven. Dan is ten
-slotte de cambrische periode het slot van eenvoud en kleinheid en
-gelijkvormigheid, terwijl in alle vóór-cambrische tijden deze drie
-hoofdbeginselen altijd het geheele leven op aarde beheerscht hebben.
-
-Ik kom nu terug op de bovengegeven tijdsbeschouwing. Deze leerde ons,
-dat het cambrium omstreeks het midden van den biologischen tijd
-ligt. De helft van den beschikbaren tijd, meer dan tien millioen
-jaren, moet het leven in dien eenvoudigen zwevenden toestand bestaan
-hebben. Al de groote rijkdom van vormen, dien wij thans overal rondom
-ons bewonderen, moet het product zijn van de tweede helft.
-
-Maar nutteloos voor den vooruitgang is de eerste helft volstrekt
-niet geweest. Juist integendeel moet men aannemen, dat toen de breede
-grondslag gelegd is, waarop de trotsche bouw van het dierenrijk in het
-cambrium kon worden opgetrokken, of waarop ten minste met dien bouw een
-omvangrijk en in vele opzichten beslissend begin kon worden gemaakt.
-
-Wat in den voortijd geschied is weten wij niet, maar wij moeten
-het afleiden uit wat van de onderste cambrische lagen tot ons is
-gekomen. Ik heb reeds gezegd dat het een 150-tal soorten zijn, maar dat
-deze, met uitzondering van de bloemplanten en de gewervelde dieren,
-alle hoofdgroepen van het latere leven omvatten. De eigenschappen
-van die hoofdgroepen waren dus toen al voorhanden. De thema's waren
-gegeven, waarop tallooze nuanceeringen konden worden gegrond. In die
-lange plankton-periode moeten dus deze fundamenteele eigenschappen,
-deze grondverschillen tusschen schelpdieren en gelede dieren, tusschen
-kwallen en zeesterren en al die andere groote typen, reeds tot stand
-gebracht zijn. De organismen bleven klein, hun omgeving stelde aan hen
-geen uiteenloopende eischen, maar daarentegen hadden eigenschappen,
-die geen aanpassing, maar de grondslag van principieele verschillen
-in den bouw zijn, al den tijd om zich te ontwikkelen.
-
-Het is zeer moeilijk zich daarvan een nauwkeurige voorstelling te
-maken, en zelfs de vraag of men die ontwikkeling als snel of als
-langzaam moet beschouwen in vergelijking van wat er sedert gebeurd
-is, is onbeteekenend tegenover de millioenen van jaren die voor dit
-proces beschikbaar waren.
-
-Een rijk drijvend leven van uiterst kleine wezens, maar een kale
-zeebodem en kale kusten, en hier en daar wat land dat eveneens zonder
-leven was, ziedaar ons beeld van de alleroudste tijden. De totale
-massa der levende stof was misschien niet noemenswaard kleiner, dan zij
-thans is, nu wij er zooveel meer van zien. Maar er was toen niets dat
-fossiel kon worden; geen overblijfselen er van zijn tot ons gekomen.
-
-Laat ons thans op den ingeslagen weg nog een stap verder gaan. Als
-het oudste leven dat van het plankton was, dan volgt daaruit dat
-het leven ook in dien vorm aanvankelijk moet zijn ontstaan. Niet op
-het vaste land, noch aan de kusten, noch op den bodem der zee is het
-begin van het leven te zoeken. Drijvend in de golven moet het ontstaan
-zijn. Verder is het gemakkelijk in te zien, dat de eerste levende
-wezens niet ten koste van andere geleefd kunnen hebben. Zij kunnen
-dus geen dieren geweest zijn, want deze leven òf van andere dieren
-òf van planten. Alleen de eencellige wieren van het plankton zijn
-in hun bestaan van andere levende wezens geheel onafhankelijk, daar
-zij zich met het opgeloste koolzuur en met opgeloste zouten voeden,
-en dan, behalve water en licht, ook niets anders noodig hebben. En
-onder de eencellige wieren hebben nu de protococcen verreweg den
-eenvoudigsten bouw. Kogelvormig en met niet meer dan de strikt
-noodzakelijke bestanddeelen van een cel, bestaan zij eigenlijk alleen
-uit het levend protoplasma, de kern, den celwand, en het groene orgaan
-hunner voeding. Het is duidelijk dat er tijden geweest kunnen zijn,
-dat zij alleen het geheele plankton vormden, maar ook dat dit van
-geen der andere soorten, en met name van geen der dieren beweerd
-kan worden. Eerst nadat de zee over uitgestrekte streken dicht met
-groene protococcen bevolkt was, konden andere vormen van planten en
-dieren optreden.
-
-Hieruit leiden wij af, dat de protococcen de oudste bekende levende
-wezens zijn. Deze stelling kan, trots het gebrek aan fossiele
-overblijfselen, aan geen twijfel onderhevig zijn. Mogen wij daaruit
-ook afleiden dat zij de oudste van alle levende wezens geweest
-zijn? Hiertegen vormt hun wel is waar eenvoudige, maar toch nog voor
-ontleding vatbare bouw een bezwaar. Alle analogie pleit er voor,
-dat het eerste tevens het allereenvoudigste geweest moet zijn. Een
-cel zou kunnen leven zonder celwand en zonder celkern, en zelfs de
-differentiëering in groene en kleurlooze deelen sluit het denkbeeld
-van hoogsten eenvoud uit. Wij zouden ons een levende gelei willen
-voorstellen, die het vermogen van groei had, maar ook niets meer. Een
-vermogen dus om koolzuur om te zetten in dezelfde stof, waaruit de
-gelei reeds bestaat, zoodat voortdurende vergrooting plaats vond,
-maar ook niets meer. Eerst daaruit zouden dan later, in den loop van
-lange tijden, door geleidelijke differentiëering de groene eencellige
-wiertjes ontstaan zijn.
-
-Zou zulk een gelei nog ergens bestaan? Zou zij misschien nog
-voortdurend ontstaan, maar thans spoedig aan allerlei dieren ten prooi
-vallen, en dus nog slechts een zeer ondergeschikte rol spelen? Wij
-weten het natuurlijk niet. Maar aan de andere zijde is het niet erg
-waarschijnlijk, dat de omstandigheden op zee voor twintig of dertig
-millioen jaren zoo geheel anders geweest zouden zijn, dan zij sedert
-waren en nu nog zijn. Het is slechts een gissing, maar het komt
-mij volstrekt niet onmogelijk voor, dat diezelfde gelei ook thans
-nog hier en daar ontstaan zou. Haar ontstaan zoude het eenvoudigst
-denkbare geval van generatio spontanea, van een geboorte zonder ouders
-zijn. En het is duidelijk, dat het in de hoogste mate de moeite waard
-moet geacht worden, naar dit verschijnsel te zoeken.
-
-Is deze voorstelling juist, en gelukt het die oorspronkelijke
-levensgelei te vinden, dan zou men natuurlijk een van de merkwaardigste
-uitgangspunten voor een experimenteele studie der evolutie in handen
-hebben. Dan zou allereerst de vraag onder het oog moeten worden gezien
-hoe zulk een gelei ontstaan kan, welke stoffen en welke krachten
-daartoe samen moeten werken. Men zou natuurlijk de hoop koesteren,
-het proces kunstmatig na te leeren bootsen, en zoodoende eindelijk
-het zoo dikwijls besproken denkbeeld van een experimenteele generatio
-spontanea te kunnen verwezenlijken. Maar men zou ook willen weten,
-hoe in die gelei de differentiëeringen tot stand gekomen zijn, die
-tot het eerste optreden van cellen geleid hebben. En als men ook hier
-de experimenteele methoden wilde toepassen, zou men ten minste niet
-zoo in den blinde behoeven rond te tasten, als thans het geval is. In
-één woord, het historische uitgangspunt van het leven zou tevens het
-wetenschappelijke uitgangspunt voor een geheel nieuwe richting van
-bestudeering van het leven kunnen worden.
-
-
-
-Maar ik ben reeds veel te ver verdwaald op het gebied van vermoedens
-en van verwachtingen, wier vervulling, zoo zij al mogelijk zal zijn,
-toch niet voor de naaste tijden is weggelegd. Het is thans noodig
-terug te keeren tot vasteren bodem, en tot die uitgangspunten voor
-onderzoek, die rechtstreeks door de bekende feiten worden aangeboden.
-
-Daarmede springen wij in eens over tot het andere uiterste van de
-geschiedenis van het leven op aarde. Hadden de gegeven beschouwingen
-ten doel, te trachten een slip op te lichten van den sluier, die het
-begin bedekt, thans richten wij onzen blik naar het einde. Maar een
-eigenlijk einde is het niet. Geen reden bestaat er om aan te nemen, dat
-de evolutie der levende wezens vóór of in onzen tijd reeds opgehouden
-zou hebben. Misschien gaat zij langzamer vooruit dan vroeger, maar
-misschien ligt het ook slechts aan onze kortzichtigheid, dat wij haar
-niet meer bemerken.
-
-Land- en tuinbouw en evenzoo de tegenwoordige historie onzer
-huisdieren wijzen er echter duidelijk op, dat de levende vormen
-geenszins onveranderlijk zijn. Overal is er afwisseling, telkens
-ontstaat iets nieuws en de praktijk heeft daaruit slechts te kiezen
-wat voor haar van nut kan zijn. Het ligt voor de hand om aan te
-nemen, dat wat de huisdieren en cultuurplanten ons vertoonen, ook in
-de vrije natuur moet gebeuren. Ginds wordt het gezien en opgemerkt,
-omdat groote belangen er rechtstreeks mede gemoeid zijn, in het wild
-gaat het voorbij, zonder dat men er zich om bekommert.
-
-Gelukkig is hierin in den laatsten tijd verandering gekomen. Men
-begint in te zien, dat de verschijnselen, aan land- en tuinbouwplanten
-waargenomen, dikwerf slechts zeer onvolledig bespied zijn, en dat
-zij daarenboven, door invoer van andere rassen uit andere streken, of
-door kruisingen der bastaardeeringen dikwijls zoo samengesteld zijn,
-dat een juiste beoordeeling niet meer mogelijk is. Daarbij komt dat
-de overtuiging veld wint, dat vele der zoogenaamd nieuwe variëteiten
-en soorten van land- en tuinbouwgewassen eigenlijk niet in de cultuur
-ontstaan zijn. Vele belangrijke rassen schijnen overoud te zijn, maar
-eerst sedert omstreeks het midden der vorige eeuw is men begonnen ze op
-te merken en te isoleeren. Vele tuinbouwgewassen, die zich voordoen als
-variëteiten van bekende soorten, zijn niet op kweekerijen ontstaan,
-maar toevallig ergens in 't wild aangetroffen. Met name geldt dit
-voor heesters en boomen, die door hun langer leven meer kans hebben
-om ten slotte te worden opgemerkt dan variëteiten van kruiden en met
-name van een- of tweejarige gewassen.
-
-Sedert Darwin het voorbeeld gegeven heeft, al dergelijke gevallen uit
-de praktijk zorgvuldig bijeen te verzamelen, om uit het geheel der
-verschijnselen die kennis af te leiden, die de gebrekkige waarneming
-der afzonderlijke gevallen niet zou kunnen opleveren, is deze arbeid
-door verschillende schrijvers voortgezet. Voor enkele jaren heeft met
-name Korshinsky, een helaas te vroeg overleden russisch plantkundige,
-een volledig historisch overzicht van de eerste vondsten van tal van
-tuinbouwplanten gegeven. En al deze feiten wijzen te zamen op een
-zeer bepaalde wijze van het ontstaan van soorten en variëteiten. De
-algemeene voorstelling, die men uit hen moet afleiden, is een
-zoo scherpe, dat zij als van zelf tot de conclusie leidt, dat een
-experimenteele behandeling der evolutie ten minste op dit gebied
-reeds thans mogelijk moet zijn.
-
-Variabiliteit is een uiterst vaag en veel omvattend begrip. Het
-omvat zoowel rijkdom aan voorhanden verschillen, als het ontstaan van
-deze verschillen zelf. In het eerste geval is het gelijkluidend met
-veelvormigheid of polymorphie, in het laatste met verandering. En op
-beiderlei gebied zijn er dan weer twee hoofdtypen te onderscheiden. Op
-het gebied der veelvormigheid heeft men eensdeels de tallooze vormen,
-ondersoorten en variëteiten, die een zelfde soort ons aanbiedt, maar
-die feitelijk van elkander onafhankelijk zijn, en naast elkander
-een volkomen eigen leven leiden. Zoo hebben de tuin-papavers, de
-latherussen en andere bloemplanten tientallen van variëteiten, die
-uit zaad geheel constant zijn en nooit in elkander overgaan, maar die
-te zamen den zoo zeer aantrekkelijken rijkdom van vormen in die soort
-bepalen. Zoo bestaan tarwe, mais, bieten en allerlei cultuurplanten uit
-tal van constante en van elkander scherp gescheiden rassen. Daarnaast
-staan de vormverschillen die binnen elk ras, en dikwerf ook tusschen de
-deelen van eenzelfde individu te zien zijn. Op een paardenkastanje-boom
-hebben de bloemen volstrekt niet allen denzelfden bouw. Afgezien van
-het feit dat sommige kastanjes kunnen maken en andere niet, is ook het
-aantal meeldraden aan voortdurende wisselingen onderhevig. Meestal
-is het 7; nu eens wordt het 8 of 9, dan weer 6 of 5, en in enkele
-gevallen worden zelfs deze grenzen overschreden. Heen en weer slingert
-het aantal, nu eens meer dan weer minder, soms in enkele trossen zeer
-sterk, dan weer een verschil tusschen de afzonderlijke trossen teweeg
-brengend. Van daar de naam fluctueerende variabiliteit die aan dit
-verschijnsel wordt gegeven. Het zijn veranderingen, die schijnbaar
-voortdurend ontstaan, maar die toch altijd weer op dezelfde wijze
-terugkeeren. Het zijn voortdurende schommelingen om een gemiddelde,
-dat in hoofdzaak steeds hetzelfde blijft.
-
-Uit deze beschouwingen volgt, dat de studie der variabiliteit op dit
-laboratorium twee hoofdrichtingen te volgen heeft. En daar zoowel
-de heen en weer schommelende als de toevallige en schoksgewijze
-variabiliteit zich èn bij dieren, èn bij planten voordoen, kunnen
-hieruit vier hoofdafdeelingen voor den te ondernemen arbeid worden
-afgeleid. Nu zou het natuurlijk te veel tijd kosten elk dezer vier
-richtingen in bizonderheden na te gaan, en den weg te schetsen,
-waarlangs de onderzoekingen voornamelijk zullen moeten gaan, om tot
-de gewenschte uitkomsten te geraken. Beter komt het mij voor, onder
-die allen er een uit te kiezen, en daarvan te schetsen wat gedaan
-behoort te worden, en wat met recht mag worden verwacht. Uit den
-aard der zaak kies ik daartoe het plotseling ontstaan van soorten en
-variëteiten in het plantenrijk.
-
-Mac Dougal heeft, door een reeks van culturen, de aandacht der
-Amerikaansche biologen op de veranderlijkheid van de grootbloemige
-Teunisbloemen of Oenothera Lamarckiana gevestigd. Naast de
-soort zelve heeft hij enkelen der daaruit in Europa ontstane
-nieuwe vormen gekweekt, en aan het oordeel zijner vakgenooten
-onderworpen. Voornamelijk de Oenothera rubrinervis en de dwergvorm
-of O. nanella werden door hem in een aantal exemplaren gekweekt,
-en gedurende al haar ontwikkelingstoestanden onderling en met de
-moedersoort vergeleken. Zij werden onderworpen aan het oordeel van
-stelselkundigen, die de waarde der kenmerken en de scherpe scheiding
-van de moedersoort erkenden, en aan de nieuwe vormen dezelfde
-rechten als aan andere zelfstandige typen toekenden. Door een aantal
-afbeeldingen werd verder het goed recht der nieuwe soorten gestaafd.
-
-Het spreekt echter van zelf, dat het vermogen, om jaarlijks een zeker
-aantal nieuwe soorten voort te brengen, noch tot de Oenothera's,
-noch tot de planten der oude wereld kan beperkt zijn. Het ligt voor
-de hand aan te nemen, dat tegenwoordig ook andere soorten in dien
-zelfden toestand van veranderlijkheid verkeeren. Misschien zijn het
-er vele, misschien slechts enkele. In elk geval ontsnappen zij tot
-nu toe om een of andere reden aan de waarneming. Het komt er dus op
-aan, middelen te vinden ze op te sporen. Want de mogelijkheid bestaat
-natuurlijk, dat de Oenothera's nog slechts een zeer eenzijdig beeld
-van die soortenvormende veranderlijkheid geven, en dat andere planten
-ons verschijnselen en wetten zullen doen kennen, die de studie der
-Teunisbloemen ons niet ontsluieren kan. En wanneer het doel is, ten
-slotte de wetten dezer veranderlijkheid voor alle levende wezens te
-leeren kennen, dan is het natuurlijk noodzakelijk, de verschijnselen
-van zoo verschillend mogelijke kanten aan te vatten.
-
-De eerste taak is dus om te zoeken naar nieuwe muteerende
-soorten. Het beste doet men, dit zoeken te beperken tot de wilde
-soorten der naaste omgeving of van landen met een overeenkomstig
-klimaat. Gekweekte planten bieden voorloopig weinig kans. Ten deele
-is hare veranderlijkheid al zoo lang op de proef gesteld, dat men die
-vrij wel als uitgeput kan beschouwen. Anderdeels zijn zeer talrijke
-cultuurplanten niet meer van zuiveren oorsprong, maar zijn zij nu eens
-meer, dan weer minder, door kruisingen verontreinigd. Nu heeft men
-in den laatsten tijd in de kennis van de gevolgen der kruisingen wel
-groote vorderingen gemaakt, maar deze zijn juist groot genoeg om ons te
-waarschuwen, dat bastaardrassen nog allerlei verschijnselen vertoonen
-en vertoonen kunnen, die men thans nog niet begrijpt. Hoe licht zou men
-niet de zoogenaamde bastaard-splitsingen met het ontstaan van nieuwe
-soorten kunnen verwarren, als men een ras onderzoekt, waarvan men
-niet weet of het zuiver is, dan wel aan bastaardeering zijn oorsprong
-dankt. Wilde soorten kruisen nu in 't algemeen zeer zelden, vooral
-als men de enkele, aan bastaarden rijke en overbekende geslachten,
-zooals wilgen, anjelieren, vingerhoedskruid en eenige andere uitsluit.
-
-Tot de planten van het eigen klimaat moet men zich beperken, omdat de
-zaaisels in het groot moeten geschieden. Duizenden en tienduizenden
-van zaailingen moeten van elke soort vergeleken worden. Dit kan
-bezwaarlijk in kassen geschieden, vooral omdat de kenmerken der te
-verwachten nieuwe soorten misschien eerst op lateren leeftijd zichtbaar
-zullen worden, en de culturen dus veel ruimte zullen vereischen. Vele
-soorten zullen opgekweekt moeten worden tot zij gaan bloeien, en van
-soorten met zaadarme vruchten of met weinig vruchten op elke plant
-zal men slechts door vrij omvangrijke culturen het noodige zaad voor
-de uitzaaisels kunnen winnen.
-
-Men kan de culturen beginnen met planten of met zaad. Het zal in
-den regel niet noodig zijn, die in het wild in groote hoeveelheid
-te verzamelen. Voldoende is het ze aanvankelijk in den tuin zooveel
-mogelijk te vermenigvuldigen.
-
-Een belangrijke vraag is natuurlijk met hoeveel soorten men beginnen
-moet. Dit hangt natuurlijk van de kansen af die men meent te
-hebben. Hier nu tast men voorloopig nog in den blinde. De Oenothera
-Lamarckiana werd gevonden door een honderdtal wilde planten in
-cultuur te nemen. Daarvan werd de eene op grootere, en de andere
-natuurlijk op kleinere schaal gekweekt. Bij voorkeur werden zaden
-van afwijkende exemplaren genomen, maar het verzamelen van zaad in
-het wild is een werk dat slechts zelden meevalt, en dat daardoor de
-keus zeer sterk beperkt. Verder zijn boomen en heesters uitgesloten,
-en zal men bij voorkeur ook niet die overblijvende soorten kiezen,
-die telkens eenige jaren gekweekt moeten worden, voordat zij gaan
-bloeien. Zoodoende wordt allengs de keus zoo klein, dat men tevreden
-mag zijn, als men van een honderdtal bruikbare soorten zaden bijeen
-heeft gebracht. Heeft men dan ook van sommige soorten slechts enkele
-zaadkorrels, dan kan dit nog voldoende zijn, om de cultuur te beginnen.
-
-Opmerking verdient vooral, dat de schoksgewijze veranderlijkheid
-niet een eigenschap is, die vermoedelijk aan bepaalde soorten kleeft,
-maar dat men aannemen mag, dat zij van geheel locaal voorkomen is. Een
-soort, die op de eene groeiplaats onveranderlijk is, kan op een andere
-misschien volop bezig zijn, nieuwe soorten voort te brengen. Daaruit
-volgt, dat men bijna evenveel kans heeft, als men zaden van twee
-of meer, onderling voldoend verwijderde groeiplaatsen van ééne
-soort bestudeert, als wanneer men een gelijk aantal verschillende
-soorten kweekt. Daaruit volgt tevens, dat men vooral niet de zaden
-van verschillende groeiplaatsen vermengen mag, maar dat elke cultuur
-zuiver van een enkele vondst moet uitgaan.
-
-Het voornemen bestaat, dit zoeken op zoo groot mogelijke schaal
-aan te vangen. Hiertoe zijn reeds van een honderdtal wilde planten
-zaden verzameld en uitgezaaid. De meeste soorten zijn natuurlijk
-uit New York en de aangrenzende streken der Unie genomen, maar ook
-uit Europa werden zaden gezonden. In Nederland zijn zaden van een
-tiental soorten speciaal voor dit doel in het wild verzameld; zij
-kunnen dus reeds dezen zomer in den proeftuin van het laboratorium
-met de Amerikaansche concurreeren.
-
-Welke kansen heeft men, om bij dit zoeken te vinden wat men wenscht? Om
-dit na te gaan moet men trachten zich een denkbeeld te maken van
-wat er in de vrije natuur gebeurt. En dan treffen wij allereerst den
-strijd voor het leven aan. Deze strijd, die in onze theorieën een zoo
-belangrijke rol speelt als het groote orgaan van den vooruitgang, heeft
-echter onder gewone omstandigheden, in onze onmiddellijke omgeving,
-slechts een zeer conservatieve taak. Want ten slotte komt het geheele
-begrip neer op den vroegtijdigen dood van alle individuen, die in een
-of ander opzicht zeer merkbaar van het gemiddelde type afwijken. De
-meeste planten toch hebben zich hun tegenwoordige groeiplaatsen zoo
-uitgekozen, dat de gemiddelde eigenschappen der soort, of anders
-van het locale ras, daarvoor het best passen. Afwijkingen kunnen
-natuurlijk onschadelijk, ja soms misschien voordeelig zijn, maar
-als regel volgt uit het zooeven vooropgestelde dat zij als nadeelig
-moeten worden beschouwd. Zij zullen dus in den strijd voor het leven
-te gronde gaan. En deze gevolgtrekking geldt natuurlijk even goed
-voor de afwijkingen, die telken jare door de gewone of fluctueerende
-variabiliteit ontstaan, als voor de zeldzamere schoksgewijze gevallen
-van het ontstaan van nieuwe soorten en variëteiten.
-
-Tallooze afwijkingen kunnen dus ontstaan en in de eerste jeugd
-te gronde gaan, zonder dat men er ooit iets van bemerkt. Treft de
-schadelijke verandering de kiemplanten, of de bladeren, of den groei
-der stengels, zoo is de kans dat zij zichtbaar worden zoo goed als
-nul; treffen zij de bloemen of de vruchten, zoo worden zij licht met
-monstrositeiten verward en dan veelal niet nader bestudeerd. Zelfs
-wanneer een zelfde afwijking in een aantal van exemplaren en jaren
-achtereen op nieuw ontstaat, is haar kans om ontdekt te worden nog
-maar klein. Daarbij komt, dat onze gewoonten in de studie van wilde
-planten allengs zeer bepaalde zijn geworden. De invloed van Linné laat
-zich hier nog steeds sterk gevoelen. Voor de verschillen tusschen
-systematische soorten zijn wij zeer gevoelig, en elke nieuwe soort
-trekt terstond onze aandacht. Voor geringere verschillen echter zijn
-wij veel minder gevoelig, ja in zekere mate onverschillig geworden,
-en deze worden dus allicht over het hoofd gezien.
-
-Daaruit nu volgen twee regels voor het zoeken naar muteerende
-planten. Allereerst moet de strijd voor het leven worden uitgesloten,
-en dan moet men zich oefenen om ook zeer kleine en schijnbaar
-onbeteekenende verschillen op te merken.
-
-Het uitsluiten van den strijd voor het bestaan omvat zelf weer twee
-punten. Het eene spreekt van zelf. De zaden moeten zoo ruim gezaaid
-worden, dat allen de volle gelegenheid wordt gegeven om te groeien
-en hun kenmerken te ontplooien. Dit eischt natuurlijk, bij duizende
-zaden, voor elke soort veel ruimte. Echter komt in vele gevallen
-de natuur zelve aan dit bezwaar voor een groot deel tegemoet. Als
-de verschilpunten in de kiemplanten of in de bladeren gelegen zijn,
-kan men dit na een paar maanden dikwijls reeds voldoende beoordeelen,
-zoodat men door het regelmatig uitrooien der onveranderde voortdurend
-plaats voor de nakiemers kan maken, en zoodoende op een zelfde bed
-achtereenvolgens groote aantallen van individuen kan vergelijken.
-
-Het tweede punt ligt minder voor de hand. Het vindt zijn oorsprong in
-de vraag, of alle zaden van een plant, ten opzichte der variabiliteit,
-gelijkwaardig zijn. Tijdens den volsten bloei plegen de bloemen
-grooter en fraaier te zijn, dan in het najaar. Eveneens brengen de
-zwakkere takken op vele planten kleiner en minder diep gekleurde
-bloemen voort. Soms wijken ook de eerste bloemen af. De onderste
-bloemen van trossen, en de buitenste bloemen van hoofdjes en schermen
-zijn dikwijls anders dan de daarop volgende, en het is een zeer gewoon
-verschijnsel dat de top of het centrum een geheel afwijkenden vorm van
-bloem voortbrengt. Op menige plant is b.v. de eindbloem viertallig
-als de zijbloemen vijftallig zijn. Hebben nu de zaden van al zulke
-bloemen gelijke kansen om toevallig iets nieuws voort te brengen? Men
-weet het natuurlijk nog niet, en zoolang men het niet weet, zou
-het zeer onvoorzichtig zijn alleen het beste zaad tot ontwikkeling
-te laten komen, te verzamelen en te zaaien, en het zwakkere te
-verwaarloozen. Want misschien zijn juist de zwakke kiemen gevoeliger
-voor de nog onbekende invloeden, die deze veranderingen bewerken.
-
-In de vrije natuur worden die zwakke zaden grootendeels onderdrukt. Of
-wel de takken ontstaan niet, of zij dragen geen bloem, of het zaad
-wordt niet rijp, of eindelijk worden de kiemplanten verdrongen zoodra
-zij zich ontplooien. Daarom kan men in het wild slechts het zaad
-verzamelen dat voor het begin der cultuur noodig is, maar moet men
-in den proeftuin, bij wijden stand en rijke vertakking, elke plant
-zooveel mogelijk zaden laten maken. Daarom ook bieden soorten, die
-door het klimaat in haar groei vertraagd worden, over het algemeen
-minder kans van slagen.
-
-Zijn deze voorzorgen genomen, dan komt de oefening in het waardeeren
-van kleine verschillen. Deze eisch heeft ten gevolge, dat men niet
-verwachten mag in een eersten zomer te kunnen beslissen of een ras
-muteert of niet. Aanvankelijk is de kans om de nieuwigheden over het
-hoofd te zien, zeer groot. Slechts allengs leert men zijne planten
-zoo kennen, dat men een open oog voor haar onderlinge afwijkingen
-krijgt. Daarbij komt, dat de producten van de fluctueerende
-variabiliteit en van de mutatie niet gemakkelijk van elkander
-te onderscheiden zijn, ja dikwijls zóó ineen loopen, dat eerst
-in een volgende generatie een werkelijke beslissing kan worden
-genomen. Verder ontstaan er door parasieten, door allerlei insecten,
-door toevallige verwondingen en verschillende andere oorzaken soms
-belangrijke afwijkingen, die niets met de eigenlijke variabiliteit
-te maken hebben, en dan ook volstrekt niet erfelijk, ja zelfs in het
-individu niet eens blijvend zijn.
-
-Min of meer op goed geluk af moet men dus alle individuen die eenige
-duidelijke afwijking vertoonen, beschouwen als de dragers van de
-kansen van slagen. Al de overige kan men allengs uitrooien, maar
-deze moet men met zorg behandelen. Dit eischt allereerst, dat zij
-van het gedrang, waarin zij natuurlijk staan, worden bevrijd, hetzij
-door rondom hen ruimte te maken, hetzij door ze te verplanten. Dit
-laatste heeft het voordeel, dat de hoofdcultuur er niet onder lijdt,
-en dat de planten zelven goed bemest en onder alle vereischte zorgen
-opgekweekt kunnen worden, zoodat een snelle en volledige ontplooiing
-van hun afwijkende kenmerken zoo goed mogelijk wordt verzekerd. Bij
-honderden zoekt men zulke exemplaren uit, want velen onder hen zullen
-natuurlijk later blijken, niet aan de verwachting te voldoen. Dit
-echter ziet men dan dikwijls eerst tijdens den bloei, en soms zelfs
-pas in de volgende generatie.
-
-Het is duidelijk, dat dit zoeken naar mutatiën veel werk
-vereischt. Maar daarnaast blijkt, dat het, meer dan iets anders,
-een zaak is van oefening. Daarom moet het jaren lang worden
-voortgezet. Telken jare moeten de culturen der reeds gekweekte
-soorten worden uitgebreid, en telken jare moeten nieuwe soorten in
-het wild worden verzameld. Zoo neemt allengs de kans toe, en zal
-men ten slotte ook tot een voorstelling kunnen komen van den omvang,
-dien het verschijnsel in de omgevende natuur feitelijk heeft.
-
-Het werk zou in hooge mate vereenvoudigd kunnen worden, zoo men een
-leiddraad had, om uit de waarnemingen in de vrije natuur eenigszins
-af te leiden, welke soorten meer, en welke minder kans van slagen
-hebben. Het toeval, gesteund door oefening, kan natuurlijk zulke
-aanwijzingen aan de hand doen, en de Oenothera Lamarckiana vertoont,
-op haar oorspronkelijke vindplaats bij Hilversum, nagenoeg telken
-jare enkele afwijkende individuen, die aan den ingewijde terstond
-haar toestand van mutabiliteit zouden kunnen verraden. Dit schijnt
-hier, en eveneens in enkele andere gevallen, samen te hangen met de
-gelegenheid tot snelle uitbreiding, waardoor hier en daar zwakke zaden
-en zwakke kiemplanten aan den strijd voor het leven worden onttrokken,
-zoodat vormen zich ontplooien kunnen, die anders vroegtijdig te gronde
-zouden gaan.
-
-Dergelijke waarnemingen zijn enkele malen meer gedaan. Zoo
-beschrijft Darwin een geval, dat hij bij een wilde kleinbloemige
-soort van Geranium (G. pyrenaicum) heeft gezien. Deze was ergens in
-Staffordshire van uit een tuin ontsnapt en had zich in den loop van
-eenige jaren verbazend sterk vermenigvuldigd, waarbij natuurlijk
-telken jare een groot aantal zaden moesten voortgebracht worden en
-ontkiemen. Daarbij was de soort sterk gaan varieeren, in bijna alle
-organen en eigenschappen en in de meest verschillende richtingen. Een
-zoo sterke variabiliteit was vroeger bij deze soort nooit waargenomen,
-en het is dus zeer waarschijnlijk, dat zij, hoewel aanwezig, toch
-door het voortdurend mislukken van het overgroote aantal van zaden
-en kiemen eenvoudig was verborgen gebleven. Over de grens van de
-veranderlijkheid mag men dus bij geen plant een oordeel vellen,
-voordat zij onder een dergelijke snelle vermenigvuldiging van het
-aantal individuen is beoordeeld geworden.
-
-Daar tegenover staat, dat snelle vermenigvuldiging volstrekt niet
-altijd met het vertoonen van zulk een hoogen graad van variabiliteit
-gepaard gaat. Zij is het middel, om haar te toonen als zij er is,
-maar niet de oorzaak die haar doet ontstaan. Dit ziet men bij ons te
-lande, als na het droog leggen van een polder bepaalde soorten snel den
-nieuwen grond overwoekeren, en hem soms met een dichten plantengroei
-bedekken, voordat de verschillende stukken in cultuur kunnen worden
-genomen. De Zilte of Aster Tripolium, verschillende soorten van melde
-en andere bekende gewassen zouden hier kunnen genoemd worden. Onder
-millioenen van exemplaren zoekt men tevergeefs naar afwijkingen. Een
-variëteit van de gewone kamille, gekenmerkt door het gemis van de
-witte lintbloemen, breidt zich sedert enkele tientallen van jaren
-op sommige plaatsen van Europa en Noord-Amerika geweldig snel uit,
-zonder dat daarbij iets van bizondere veranderlijkheid gebleken is. De
-Erigeron canadense, die in Europa uit Canada is ingevoerd, treedt
-soms op zandige gronden plotseling in millioenen van exemplaren op,
-de Diplotaxis teuifolia, een kruisbloem met fraaie groote gele bloemen,
-verspreidt zich talloos langs sommige wegen, en zoo zouden een aantal
-andere voorbeelden kunnen worden aangehaald. Zij blijven even trouw aan
-hun type, als of zij slechts oude en kleine groeiplaatsen bewoonden.
-
-Een belangrijk punt omtrent het zaaien van wilde planten verdient
-nog besproken te worden. Als men erwten zaait, verwacht men dat
-elke afzonderlijke erwt zal opkomen; als men zaad van tuinbloemen
-zaait, rekent men er op dat tenminste verreweg het grootste deel
-planten zal leveren. Bij wilde soorten is deze kans nu veel minder
-gunstig. Dikwijls kiemen op honderden zaden slechts eenige weinige. De
-overigen zijn dan niet dood, maar vinden niet de vereischten voor
-hun groei. Laat men ze in den grond, dan wachten zij een jaar, en in
-'t volgend voorjaar komt weer een deel op. Anderen wachten langer,
-en soms kan men na 5 tot 6 jaren de oude zaden nog zien kiemen. Hoe
-meer zorg men aan het uitzaaien besteed, des te meer zaden kiemen
-er van elke honderd, en er bestaat natuurlijk een kans dat juist de
-achterblijvenden de afwijkende vormen zullen voortbrengen. Daarom is
-het dikwijls beter, niet in den tuin te zaaien, maar in zaaischotels
-in goede tuinaarde in een goed verlichte kas. Men moet dan echter
-daarna de planten uitplanten, en dit vereischt veel werk, tenzij
-reeds in de schotels een keus gedaan kan worden.
-
-Nemen wij thans aan, dat het door al deze zorgen gelukt is een of meer
-soorten te ontdekken, die hetzelfde verschijnsel van veranderlijkheid
-vertoonen als de Oenothera Lamarckiana. Wat moet er dan met die
-planten gedaan worden?
-
-Allereerst moet worden nagegaan, welke nieuwe soorten zij voortbrengen,
-en welke eigenschappen deze vertoonen. Die eigenschappen hebben deels
-betrekking op den vorm, en deels op de erfelijkheid. De vormen van
-twee soorten kan men echter niet volledig vergelijken zoolang men van
-een van beiden slechts een of slechts weinige exemplaren bezit. Dit
-kan natuurlijk wel, als er zeer groote verschillen in het spel zijn,
-zooals bij het onderscheiden en omschrijven van soorten die uit vroeger
-niet onderzochte landen en zeeën worden medegebracht. In ons geval
-echter hebben wij uit den aard van de zaak steeds met zeer kleine
-verschillen te doen, verschillen die dikwerf niet duidelijk buiten het
-gebied der gewone of fluctueerende variabiliteit vallen. Men moet dus
-van de afwijkende exemplaren zaad winnen en dit uitzaaien, teneinde
-een juist beeld en een volledige beschrijving van het gemiddelde
-type te kunnen geven. Daar men nu voor de studie der erfelijkheid
-toch ook zaaien moet, zoo is het noodig thans eenigen tijd bij deze
-werkzaamheden stil te staan.
-
-Het is om de waardeering van kleine verschillen te doen. Daaruit
-volgt, dat twee exemplaren, die schijnbaar aan elkander gelijk zijn,
-toch in werkelijkheid nog kunnen verschillen, terwijl omgekeerd
-de fluctueerende variabiliteit verschillen kan doen waarnemen bij
-individuen, die eigenlijk tot eenzelfde type behooren. Deze overweging
-leidt tot de conclusie dat men de zaden van elk exemplaar afzonderlijk
-moet oogsten en afzonderlijk moet zaaien. Want alleen zóó kan men
-zeker zijn, zuivere rassen te verkrijgen. Elke variatie in een groep
-van kinderen van ouders, wier zaad gemengd werd uitgezaaid, kan het
-gevolg van die menging zijn. Zijn de kinderen eenvormig, dan is het
-bewijs natuurlijk van die voorzorgen onafhankelijk, maar bij het minste
-verschil zou de vertrouwbaarheid der uitkomsten kunnen wegvallen. Een
-varieerend bed zou een mengsel kunnen zijn van twee verschillende
-constante rassen, of van een varieerend en een constant ras. Waren
-beide deelen variabel, dan zou nog die variabiliteit verschillend
-kunnen zijn, zoodat enkele der vormen van de eene, en andere van de
-andere moeder afstamden. Al zulke onzekerheden kunnen alleen door
-een individueele zaadoogst voorkomen worden, en deze moet dan ook bij
-wetenschappelijke studiën over erfelijkheid en variabiliteit als een
-eerste beginsel worden voorop gesteld.
-
-Het moge in den aanvang een al te zware eisch schijnen, elk afwijkend
-individu op deze wijze op zijne erfelijkheid te onderzoeken. Heeft een
-proef eenmaal een gunstig gevolg, dan komen licht een 50 tot 60, soms
-misschien een honderdtal zulke planten voor. De ondervinding met de
-Teunisbloemen leert echter, dat het zeer goed uitvoerbaar is, op zulke
-groepen het beginsel toe te passen, en vooral leert zij, dat alle werk
-zonder dit beginsel zeer groote kans heeft verloren te zijn en tot geen
-betrouwbare uitkomst te leiden. Wanneer de planten eerst tijdens den
-bloei te onderscheiden zijn, drukken deze bezwaren natuurlijk met hun
-volle gewicht. Maar wanneer de verschillen reeds in de jeugd, b.v. 2
-of 3 maanden na het zaaien zich vertoonen, dan kan men de planten in
-de zaaischotels of in de speenbakjes laten, tot deze toestand bereikt
-is, en zoodoende het werk zeer aanzienlijk verminderen. Bij volkomen
-erfelijkheid is het dan dikwijls voldoende op deze wijze in eenige
-honderden van zaailingen het nieuwe kenmerk waar te nemen, terwijl
-daarvan dan slechts zoovele behoeven te worden uitgeplant, als toch
-noodig zijn, om een voldoende zaadoogst te verkrijgen. Zoo bestudeert
-men hun latere eigenschappen en zorgt er tevens voor, dat de contrôle
-nog een of meer generatiën kan worden voortgezet. Bij onvolkomen
-erfelijkheid kan men in de zaaischotels en speenbakken met groote
-nauwkeurigheid de getalsverhouding der afzonderlijke typen bepalen,
-terwijl men dan weer van elk type slechts een betrekkelijk klein aantal
-exemplaren als zaaddragers uitplant. Door middel van hun zaad kan men
-dan verder zien of deze typen op den duur even veranderlijk blijven,
-of dat sommigen onder hen weer standvastig worden.
-
-Heeft men op deze wijze het verschijnsel der schoksgewijze
-veranderlijkheid zoo volledig mogelijk leeren kennen, dan treedt
-daarnaast de vraag naar de oorzaken op den voorgrond. Als regel zal
-men waarschijnlijk vinden, dat van een veranderlijke plant slechts
-enkele zaden nieuwe soorten geven, terwijl verreweg de meerderheid
-aan het ouderlijke type getrouw blijven. De vraag ontstaat dus,
-welke zaden afwijken, en waarom juist zij dit doen en niet de anderen.
-
-De oorzaak daarvan kan deels gelegen zijn in de plaats van de zaden
-op de plant, deels in de uitwendige omstandigheden waaronder het
-zaad ontstond en bevrucht werd en waaronder de kiem in het zaad zich
-vormde. Die oorzaken moeten dus worden nagegaan, en daarbij moet
-natuurlijk niet alleen met de zaden, maar ook met het bevruchtende
-stuifmeel rekening worden gehouden. Om dit te doen is het in
-het algemeen wenschelijk, elke bloem met haar eigen stuifmeel te
-bevruchten. Daartoe worden de trossen of bloemgroepen omhuld met
-zakken van geprepareerd papier, die onder den tros rondom den tak
-worden dichtgebonden. Insekten kunnen dan de bloemen niet bezoeken, en
-dus geen stuifmeel van ongecontroleerde herkomst aanbrengen. Menige
-plant drukt zelf haar meeldraden tegen haar stempel, en zoo dit
-bevruchting geeft, behoeft zij natuurlijk verder geen hulp. Anders
-moeten de zakken van tijd tot tijd geopend worden, ten behoeve eener
-kunstmatige bestuiving. Sommige soorten geven alleen dan zaad, als
-twee individuen onderling worden bevrucht, en in dit geval krijgt
-men natuurlijk meer samengestelde bewerkingen.
-
-Onder deze voorzorgen zal men nu allereerst de verschillende
-vruchten op een plant onderling moeten vergelijken. De zijtakken van
-verschillenden rang, de hoogere en lagere vruchten van een tros, kunnen
-misschien in verschillenden graad neiging tot muteeren hebben. Kon
-men hieromtrent een regel vinden, dan zou de geheele studie op dit
-gebied zeer vereenvoudigd kunnen worden, daar men dan voortaan bij
-het zoeken naar veranderlijke soorten, zich tot de keuze van bepaalde
-takken en bepaalde groepen van vruchten zou kunnen beperken.
-
-In de tweede plaats zal men de levensomstandigheden vóór, tijdens,
-en na de bevruchting kunstmatig moeten wijzigen. Hebben krachtige
-individuen een grooter of wel een kleiner aantal afwijkende
-nakomelingen dan zwakke? Heeft de vruchtbaarheid van den bodem op dit
-verschijnsel een bevorderenden dan wel een belemmerenden invloed? Hoe
-gedragen zich de mest en hare afzonderlijke bestanddeelen? Is goede
-verlichting gunstig of ongunstig? Kan men door snoeien het voedsel zoo
-in bepaalde richtingen leiden, dat zichtbare gevolgen ontstaan? Deze
-en al dergelijke vragen wijzen den weg, dien het onderzoek heeft in
-te slaan. Zij leeren tevens, dat de ontdekking van een of meer nieuwe
-veranderlijke soorten slechts als het uitgangspunt te beschouwen is,
-en dat zeer omvangrijke studiën vereischt zullen zijn, om van die
-uitgangspunten uit tot belangrijke ontdekkingen te geraken.
-
-Maar langs dezen weg zal men toch ten slotte een macht over de planten
-verkrijgen, die allereerst ons in staat zal stellen, het aantal
-muteerende zaden belangrijk te vergrooten, en die het daarna mogelijk
-zal maken ook den omvang der mutabiliteit te verwijden. Nieuwe en
-onverwachte soorten zullen dan verschijnen, en wat men thans weet,
-zal blijken slechts een eerste begin te zijn van een wetenschap,
-die zoowel voor de theorie als voor de praktijk geheel nieuwe
-gezichtspunten zal openen.
-
-Een alzijdige en zoo volledig mogelijke kennis van het geheele
-verschijnsel van het ontstaan van soorten en variëteiten is het
-doel, dat in de eerste jaren behoort te worden nagestreefd. De keus
-der onderzoekers, die met dit werk belast zijn, de inrichtingen en
-de middelen waarover het nieuwe laboratorium beschikt, wettigen de
-verwachting, dat ook hier de leer zal gelden: onvermoeide arbeid komt
-alles te boven. De methoden zijn duidelijk, en zoodra dus een bruikbaar
-materiaal gevonden zal zijn, moeten de wetten, die de verschijnselen
-beheerschen, aan het licht komen.
-
-Om tot zulk een volledig inzicht te komen is echter nog een ander
-beginsel noodig. Dit is het boekhouden. Mutatiën komen onverwacht,
-en wat men dan van haar weten wil, betreft minder haar zelven dan
-wel hare ouders en voorouders. Deze moet men elk afzonderlijk kennen,
-en een geheele stamboom moet ontworpen kunnen worden, zoodra zulk een
-nieuwe soort optreedt. Van de voorouders moet steeds een volledige
-beschrijving voorhanden zijn, al hunne kenmerken moeten met die van
-den nieuwen vorm nauwkeurig kunnen worden vergeleken. Maar dit is nog
-geenszins de hoofdzaak. Bovenal moet men ingelicht zijn, of zich kunnen
-inlichten omtrent hun erfelijkheidsverschijnselen. Zijn zij in elk jaar
-zuiver bevrucht, en zoo het stuifmeel van een andere plant herkomstig
-was, welke was deze, en welke was hare afstamming? Hebben onder de
-kinderen dier voorouders reeds vroeger mutatiën plaats gevonden,
-en zoo ja, hoe dikwijls en in welke richting?
-
-Al deze zaken moeten nauwkeurig opgeteekend zijn, en daarenboven moet
-van iedere individueele plant zooveel zaad bewaard zijn, dat men den
-graad van zuiverheid van hare nakomelingschap zoo noodig nog door
-nieuwe proeven kan controleeren. Hiertoe moet iedere plant natuurlijk
-een nummer hebben, aangevende het jaar en het ras, het zaaisel en het
-individu, en haar zaad moet onder dit nummer worden bewaard. Goed
-droog bewaarde zaden blijven vele jaren kiembaar, en kunnen dus na
-langen tijd nog voor het onderzoek dienen, maar het bewaren van het
-zaad eischt natuurlijk bizondere inrichtingen en voorzorgen.
-
-Op deze wijze moet nagenoeg de geheele familie van een muteerende
-plant bekend zijn, want eerst dan heeft men de gegevens in handen,
-om de verandering volledig te beoordeelen. Wenschelijk is het ook,
-dat de cultuurvoorwaarden, de invloeden van klimaat en weder, zooveel
-mogelijk zijn opgeteekend, omdat uit de kennis daarvan allicht
-vermoedens omtrent de oorzaak der mutatie kunnen worden afgeleid.
-
-Elke proef moet eens een begin hebben. Men kan aanvangen met een plant
-of met een groepje planten, of met eenig zaad, dat men in 't wild
-verzameld heeft. Omtrent de daaraan voorafgaande geschiedenis van
-zulk een ras weet men in den regel niets. De kennis der wilde flora
-geeft in het algemeen enkele aanwijzingen omtrent standvastigheid
-of variabiliteit; eveneens kan men nagaan of men soms een bizondere
-elementaire soort als uitgangspunt heeft gekozen. Maar men zou ook
-toevallig een bastaardras in handen hebben kunnen krijgen, en zoo
-dit voldoende constant is, is er tegenwoordig nog geen middel om
-hieromtrent zekerheid te verwerven. Heeft men een vermoeden omtrent
-bepaalde ouders dan zou men de kruising kunnen herhalen; heeft men
-echter zulk een gissing niet, dan is het bezwaarlijk om de vraag
-te beantwoorden.
-
-En daar men niet weet, waar en wanneer een mutatie zal ontstaan, is
-men wel gedwongen, om dit boekhouden op al zijn culturen en al zijn
-planten toe te passen, en voor allen al datgene op te teekenen, wat men
-in de enkele gunstig afloopende gevallen wenscht te weten. Hierdoor
-wordt het werk wel zeer omvangrijk en moeilijk, maar toch is het de
-eenige weg om met voldoende zekerheid vooruit te komen.
-
-Met al deze studiën zal dan toch volstrekt nog niet alles bereikt
-zijn. Want wat men ten slotte wenscht te weten is niet hoe de soorten
-ontstaan, en van welke oorzaken dit afhangt, maar hoe men kunstmatig
-en willekeurig nieuwe soorten kan doen ontstaan. Zoolang men dit niet
-weet, staat men tegenover alle soorten, die thans niet in een periode
-van onveranderlijkheid verkeeren, natuurlijk machteloos. Alles wijst
-er op, dat de groote meerderheid der soorten thans standvastig is,
-en dat slechts enkele veranderen. Die enkele veranderlijke kunnen
-ons wel als voorbeeld en als materiaal van studie dienen, maar daarom
-is het ten slotte toch niet te doen. Men moet trachten soorten, die
-thans reeds door bepaalde eigenschappen nuttig zijn, op andere punten
-zoo veranderlijk te maken, dat zij schadelijke trekken verliezen, of
-andere gunstige afwijkingen er bij krijgen. Eerst dan zal de wetenschap
-der mutabiliteit ten volle aan de belangen der menschheid dienstbaar
-gemaakt worden; eerst dan zal het doel van dit laboratorium in dit
-opzicht worden bereikt.
-
-Wat er vereischt zal worden, om in die richting vooruit te komen,
-laat zich thans nog niet voorspellen. De bizondere gevallen, die men
-vinden zal, moeten het uitmaken. In zekeren zin zal het werk moeten
-samenvloeien met hetgeen ik zooeven geschetst heb, en misschien geeft
-de voltooiing van het een van zelf de oplossing van het andere.
-
-Veel, ja zeer veel is er nog te doen, en het arbeidsveld is bijna
-onafzienbaar. Maar van tijd tot tijd komt een gelukkige vondst of een
-invallende gedachte den weg bekorten, en daarom is er geen reden om
-aan een volledig slagen in niet al te langen tijd te wanhopen.
-
-Hoofdzaak is, dat het werk worde aangevangen, dat men voor zichzelf het
-te bereiken doel nauwkeurig en zoo zorgvuldig mogelijk vaststelle,
-en dat alle middelen ten dienste staan, die voor die bereiking
-noodig zijn.
-
-Daarom acht ik de stichting van dit laboratorium van het allerhoogste
-belang. Gedurende een halve eeuw heeft de afstammingsleer aller
-aandacht tot zich getrokken, en op het gebied van stelselleer,
-vergelijkende morphologie en vergelijkende ontleedkunde, vooral ook in
-de studie der ontwikkelingsgeschiedenis der afzonderlijke organismen,
-een krachtigen stoot tot snellen vooruitgang gegeven. De experimenteele
-wetenschap is daarbij achtergebleven. Nog steeds zoekt de physioloog
-zijn materiaal in de ervaringen van land- en tuinbouw. Thans is de
-tijd gekomen, dat die rijke, maar steeds min of meer vage en door
-twijfel omhulde bron door een andere worde vervangen. Het zuiver
-proefondervindelijke onderzoek, met een volledige kennis van alles
-wat voor een juiste beoordeeling der feiten noodig is, moet op den
-voorgrond treden. Zoo enkelvoudig mogelijk moeten de verschijnselen
-worden uitgekozen en zóó geleid, dat alle vragen kunnen worden
-beantwoord. Eerst dan zal de leer der erfelijkheid een wetenschap
-worden, die, ontdaan van al de poëtische beschouwingen waarin zij
-thans bevangen is, den waren aard van het leven in zuivere trekken
-aan ons openbaart. Eerst dan zal zij de grondslag worden voor die
-echte poëzie en die verhevene levensopvatting, die nu eenmaal alleen
-door een grondige studie der natuur kunnen worden bereikt.
-
-
-
-Het Carnegie-Institution te Washington heeft heden een stoot gegeven
-in een richting, die niet nalaten kan spoedig in hare volle waarde
-erkend te worden. Dan zal zijn voorbeeld worden gevolgd, en zullen
-talrijke andere gelijksoortige inrichtingen worden gesticht. Het is
-het voorrecht van Amerika op deze wijze te kunnen voorgaan en bakens te
-plaatsen op een gebied, waarop nog geen ander zich durft te wagen. Moge
-de uitkomst bewijzen, dat hier een weg is ingeslagen, die eenmaal een
-roem voor het land, en een zegen voor de geheele menschheid zal worden.
-
-
- EINDE
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Reuzen Warme Bronnen.
-
-[2] "Voor het nut en genot van het volk".
-
-[3] Electrische top.
-
-[4] Gele-steen-rivier en -park.
-
-[5] Half-droge streken.
-
-[6] Bever-meer.
-
-[7] Behalve de gidsen, door de Northern Pacific- en de Union
-Pacific-Spoorwegmaatschappijen in den vorm van hunne time-tables of
-folders uitgegeven, wordt door de toeristen gewoonlijk Haynes Guide to
-the Yellowstone-park gebruikt. Dit is een boekje in zak-formaat. Voor
-een grondiger studie van wat men op de reis zien kan wordt vooral
-gebruikt Chittenden, The Yellowstone National Park, historical and
-descriptive 1903. Voor een meer wetenschappelijke studie worden de
-verhandelingen van Weed, Davis (Science, July 1897), Tilden (Botan,
-Gazette, Sept. 1897), Harshberger (Am. J. A. Pharmacy, Dec. 1897),
-Setchell (over de wieren in de warme bronnen) e. a. aanbevolen.
-
-[8] Verdwaalde.
-
-[9] Bosch-der-Versteeningen.
-
-[10] Nachtelijk bloeiende cactus.
-
-[11] Verkoopgelegenheid voor curiositeiten.
-
-[12] Terrassen.
-
-[13] Vrijheids-Kegel.
-
-[14] Duivelsduim.
-
-[15] Duivelskeuken.
-
-[16] Borrelende.
-
-[17] Het Badmeer.
-
-[18] Kokende Rivier.
-
-[19] Zilverpoort.
-
-[20] De Reuzin.
-
-[21] De Zaagmolen.
-
-[22] De Reus.
-
-[23] De Kasteel-geyser.
-
-[24] Papiniaansche pot.--Aldus genoemd naar dr. Papin, een Fransch
-natuurkundige, die onder leiding van onzen Christiaan Huyghens werkte,
-en in 1680 voor den dag kwam met zijn ontdekking van stoom onder druk
-in een hermetisch gesloten pot.
-
-[25] Lager-, Midden- en Boven-bassins.
-
-[26] Zwarte Rommelaar.
-
-[27] Bijenkorf.
-
-[28] Spons.
-
-[29] Kust.
-
-[30] Verrassing.
-
-[31] Vuurhol.
-
-[32] Thee-ketel.
-
-[33] Leeuw, Leeuwin en Welpen.
-
-[34] Kruin.
-
-[35] Spreek uit Poel.
-
-[36] Edelsteen.
-
-[37] Juweel.
-
-[38] Smaragd.
-
-[39] Cacti. Meervoud van cactus.
-
-[40] Koude-Bron-Haven.
-
-[41] Bibliotheek-zaal.
-
-[42] Onderzoek-inrichting voor de proefondervindelijke
-ontwikkelingsgeschiedenis.
-
-[43] Instituut voor Kunsten en Wetenschappen te Brooklijn.
-
-[44] Inwonend onderzoeker.
-
-
-
-
-
-
-End of the Project Gutenberg EBook of Het Yellowstone-Park, by Hugo De Vries
-
-*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET YELLOWSTONE-PARK ***
-
-***** This file should be named 53476-8.txt or 53476-8.zip *****
-This and all associated files of various formats will be found in:
- http://www.gutenberg.org/5/3/4/7/53476/
-
-Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
-Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
-Gutenberg (This file was produced from images generously
-made available by The Internet Archive/American Libraries.)
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive
-specific permission. If you do not charge anything for copies of this
-eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook
-for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports,
-performances and research. They may be modified and printed and given
-away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks
-not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the
-trademark license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country outside the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you'll have to check the laws of the country where you
- are located before using this ebook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm web site
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The
-Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm
-trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the
-mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its
-volunteers and employees are scattered throughout numerous
-locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt
-Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to
-date contact information can be found at the Foundation's web site and
-official page at www.gutenberg.org/contact
-
-For additional contact information:
-
- Dr. Gregory B. Newby
- Chief Executive and Director
- gbnewby@pglaf.org
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
-spread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works.
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our Web site which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-