diff options
Diffstat (limited to 'old/53476-8.txt')
| -rw-r--r-- | old/53476-8.txt | 5790 |
1 files changed, 0 insertions, 5790 deletions
diff --git a/old/53476-8.txt b/old/53476-8.txt deleted file mode 100644 index 7613902..0000000 --- a/old/53476-8.txt +++ /dev/null @@ -1,5790 +0,0 @@ -The Project Gutenberg EBook of Het Yellowstone-Park, by Hugo De Vries - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most -other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of -the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you'll have -to check the laws of the country where you are located before using this ebook. - -Title: Het Yellowstone-Park - -Author: Hugo De Vries - -Release Date: November 7, 2016 [EBook #53476] - -Language: Dutch - -Character set encoding: ISO-8859-1 - -*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET YELLOWSTONE-PARK *** - - - - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This file was produced from images generously -made available by The Internet Archive/American Libraries.) - - - - - - - - - WERELDBIBLIOTHEEK - - ONDER LEIDING VAN L. SIMONS - Prof. Dr. HUGO DE VRIES - - - - HET YELLOWSTONE-PARK - - (MET VIER ILLUSTRATIES NAAR PHOTO'S VAN - Dr. E. O. HOVEY te New York) - - EXPERIMENTEELE EVOLUTIE - - - - UITGEGEVEN VOOR DE MIJ - VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE - LECTUUR DOOR - G. SCHREUDERS AMSTERDAM - - - - - - - -De Redactie der WERELD-BIBLIOTHEEK heeft haar bizonderen dank uit te -spreken niet alleen aan den schrijver voor het afstaan van zijn in -De Gids en Onze Eeuw verschenen stukken, maar ook aan Dr. E. O. Hovey -te New-York, die zoo vriendelijk is geweest een viertal door hemzelf -genomen photo's van het Yellowstone-Park ter opluistering van het -eerste artikel te zenden. - -Voor de correctie en de enkele noten--ter verklaring van Engelsche -uitdrukkingen--rust, bij verhindering van den schrijver, de -verantwoordelijkheid op de redactie. - - - - - - - -I. - -HET PARK EN DE WARME BRONNEN. - - -Het Yellowstone National Park is wellicht de meest merkwaardige -plek in Amerika. Het is de hoogste plaats in het Rotsgebergte, de -top van de wereld, zooals de Indianen het noemden. Tegelijkertijd is -het de plaats, waar de inwendige warmte der aarde het dichtst bij de -oppervlakte komt en hare werking het meest doet gevoelen. Weliswaar -zijn er thans geen eigenlijke vulkanische uitbarstingen meer, maar in -geologisch kort geleden tijden zijn deze hier veelvuldig geweest, -en hare producten vormen de grondstof waaruit het landschap is -opgebouwd. Thans vertoont zich de macht der centrale hitte in -warme bronnen en geysers en al haar talrijke tusschenvormen en -verscheidenheden. Nagenoeg het geheele park is als bezaaid met zulke -plekken, waar de hitte der diepte een uitweg vindt. Hier en daar zijn -de spleten en gaten en bronnen zóó dicht bij elkander opgehoopt, -dat zij groote groepen vormen, vele honderden van zulke openingen -omvattend. Zij bedekken dan de geheele oppervlakte van een dal, -of de helling van een berg. In het eerste geval spreekt men van -geyser-bassins; tot het tweede behooren de brullende berg of Roaring -mountain, en de travertijn-rotsen van Mammoth Hot Springs. [1] - -Even nobel als de natuur, toont zich hier ook de menschelijke -geest. Het Amerikaansche volk heeft deze geheele landstreek, meer -dan 3000 vierkante mijlen omvattend, gemaakt tot een park, d.w.z. tot -een plaats, waar industrie en landbouw buitengesloten zijn, en waar -de natuur zooveel mogelijk ongeschonden bewaard moet blijven. De -trotsche en zielsverheffende natuurverschijnselen mogen niet aan gewone -doeleinden dienstbaar gemaakt worden, de groote bronnen van mechanische -kracht, die zij in zich sluiten, mogen niet voor het voordeel van -enkelen worden gebruikt. Het park moet ten allen tijde en uitsluitend -bestemd blijven "for the benefit and the enjoyment of the people" [2] -zooals het eerste artikel van de stichtingswet luidt en zooals het in -steenen letters boven de poort aan den ingang bij Gardiner gegrift is. - -Voorloopig dient het park nog meer voor "the enjoyment" dan wel voor -het nut van het volk. Tenminste op den gewonen toer krijgt men niet -den indruk, dat het verhevene der natuurverschijnselen de Amerikanen -bizonder treft, noch dat zij door de beschouwing dier verschijnselen -tot een dieper inzicht in de hoofdlijnen van de geschiedenis dezer -aarde trachten door te dringen. Het leven in de fijne hooge lucht en de -heerlijke omgeving der dennebosschen is hun de hoofdzaak, en daarvan -wordt veelvuldig gebruik gemaakt. De gewone toer, die minstens zes -dagen duurt, wordt jaarlijks door minstens 10.000 personen van elken -leeftijd en van elken rang en stand gemaakt. Daarenboven kampeeren -ongetelde aantallen gedurende den zomer overal in de bosschen en -trekken met eigen wagens rond. Deels om hun daarbij behulpzaam te -zijn en deels met het oog op het brandgevaar, dat zeer groot is, -heeft het landsbestuur overal aan de wegen door wegwijzers en borden -de goede kampeerplaatsen aangewezen, en op andere schijnbaar geschikte -plaatsen verboden tenten op te slaan. - -De geysers en de warme bronnen zijn voor de meesten nog slechts -curiositeiten, die geen verder belang inboezemen en spoedig eentonig -worden; de rotsen treffen hen door hunne steilheid en de grootte -der neergestorte blokken, maar op het verschil in bouw wordt weinig -gelet. Toch heeft de geheele streek zijn merkwaardigheid voor een -groot deel er aan te danken, dat de bergen oude lavastroomen zijn, -die over krijtachtige gesteenten heen vloeiden, en dat met de lava -andere vulkanische gesteenten afgezet werden. Zoowel in de groote -trekken van het landschap als hier en daar in de onbedekte rotsen -kan men dit duidelijk zien. - -Waarom aan deze landstreek de naam van park gegeven is, is niet -duidelijk. Want het is er verre vandaan, dat het op een park zou -gelijken, of zelfs dat men zou willen trachten, het allengs in die -richting te verbeteren. Integendeel, men wenscht juist de woeste -en vrije natuur te bewaren. Zwitserland, met zijn goed verzorgde -bosschen, gelijkt veel meer op een park dan Yellowstone, waar de -afwezigheid van de zorgen der menschen juist het beoogde doel is. Ook -is de naam park juist niet geschikt om een denkbeeld van de grootte -van deze streek te geven. Men reist er zes dagen lang in wagens op -goede wegen rond, en kan dan nog maar een zeer klein gedeelte van de -geheele uitgestrektheid bezoeken. - -Natuurlijk zou een ongerepte toestand het bosch ontoegankelijk maken -en het genot er van beperken tot slechts zeer enkelen. Vandaar dat de -regeering voor een stel van goede rijwegen gezorgd heeft en dat een -vereeniging zich de oprichting en exploitatie van het vereischte aantal -hôtels en van de vervoermiddelen tot taak heeft gesteld. Voortdurend -worden verbeteringen aangebracht en worden hier nieuwe bruggen gebouwd -en ginds de bochten en hellingen der wegen door den aanleg van nieuwe -gedeelten vereffend. - -Huizen mogen in het park overigens niet gebouwd worden en alleen nabij -den heuvel der Mammoth Hot Springs, het hoofdstation van de gewone -toeristenreis, en tevens het eerste station dat men met de rijtuigen -bereikt, is voor militaire doeleinden een dorp aangelegd. De bezetting -bestaat uit twee compagnieën ruiterij, waarvan de manschappen door -het geheele park als politie dienst doen, zorgende, dat met vuur -voorzichtig worde omgegaan, dat geen overblijfselen van gebruikte -maaltijden of van nachtverblijven het park ontsieren en dat aan de -gewrochten der natuur geen balddadige handen of geen verzamelaars van -curiositeiten afbreuk doen. Om dit laatste doel nog beter te bereiken, -zijn in de nabijheid van enkele hôtels kleine winkeltjes opgericht, -waar natuurvoorwerpen kunnen worden gekocht. Het is een zeer bekende -eigenschap der bronnen, om hetzij kalk, hetzij kiezel af te zetten, -en zoo dus kleine voorwerpen daarin worden gelegd, worden zij allengs -met een dun laagje van deze stoffen overtrokken. Takken en naalden -van dennen kan men zoo vinden, maar ook kunstmatige voorwerpen -worden evenzoo omkorst, en onder deze geven de Amerikanen vooral -aan monogrammen de voorkeur. Op deze incrustatie, de wijze waarop -zij plaats vindt en het aandeel dat zij aan het ontstaan der heuvels -rondom de bronnen in den loop der tijden gehad heeft, kom ik trouwens -later uitvoerig terug. - -Het klimaat van het park is, zooals men dit van een zoo hoog gelegen -landstreek mag verwachten. Gedurende drie vierde gedeelten van het -jaar is het diep met sneeuw bedekt en zoo goed als ontoegankelijk, -zelfs vinden de herten en antilopen er dan dikwijls slechts met -groote moeite hun voedsel. Gedurende de overige drie maanden is het -klimaat dat van de hooge alpen, een zuivere frissche lucht en een -heldere hemel, afgewisseld met hevige onweersbuien, die naar mijne -zeer korte ervaring vooral rondom Mammoth Hot Springs zeer talrijk -zijn. Trouwens de bergtop, waar rondom zij zich voornamelijk ontladen, -draagt den naam van Electric Peak. [3] Twee malen ben ik daar omstreeks -24 uren geweest, en in dien tijd heb ik drie zware onweersbuien met -plasregens bijgewoond. - -De koude en de korte duur van den zomer maken de streek voor landbouw -onbruikbaar. Als men er voor de hôtels groenten wil telen, moet -dit in kassen gebeuren. Ook het hout is voor het grootste gedeelte -als timmerhout ongeschikt. De dennebosschen, die alle hellingen en -verreweg het grootste deel der vlakten en valleien bedekken, bestaan -maar uit één soort van den, den Pinus contorta, var: Murrayana, die -hier gewoonlijk black pine genoemd wordt. Deze naam is ontleend aan -de zwarte bosschen die hij vormt. Hij heet ook wel lodge pine of pole -pine, aanduidende dat men van de stammen huizen kan bouwen zonder ze -tot planken te zagen, of dat men de stammen voor telegraafpalen en -andere dergelijke doeleinden kan gebruiken. Maar het verdere gebruik -beperkt zich tot het nut als brandstof. Daarentegen komen er hier en -daar, en vooral in het noordelijk gedeelte, twee soorten van sparren -voor, die voor timmer hout geschikt zijn. Het zijn de douglas-spar en -de balsam-spar (Pseudotsuga Douglasii en Abies alpina); ik zag ze in de -bosschen rondom Mammoth Hot Springs in groot aantal en in prachtige -exemplaren, doch elders meest zeer verspreid en zeldzaam. Maar -misschien zijn de meeste op de voor toeristen toegankelijke plaatsen -reeds weggehaald voor de constructie van de bruggen en de hôtels. - -In vroegere tijden was deze ontoegankelijke landstreek zoo goed als -onbewoond. De Indianen hadden voor "den top der wereld" een diep -ontzag en begaven zich in deze streek, waar de natuurverschijnselen -hun vrees inboezemden, slechts zeldzaam. Wel zijn door de hoofddalen -hun voetpaden gevonden, en volgen de tegenwoordige rijwegen meestal -zulke oude "Indian Trails", maar het is een bekend feit, dat in de -tijden van de eigenlijke ontdekking van het park, nog geen 40 jaar -geleden, het zoo goed als onmogelijk was indiaansche gidsen te vinden, -die werkelijk overal den weg wisten. En het bleek dat deze gidsen -bij het aanschouwen der geysers nog meer verbaasd en ontdaan waren -dan de blanke natuuronderzoekers. Slechts een vreesachtige stam van -de Shoshone-Indianen, de schaap-eters of Tukuarika, trok zich hier -terug, maar ook zij kenden de geysers niet. - -De Indianen gaven aan de geheele streek den naam van de hoofdrivier, -die er doorstroomt, en aan deze een naam, ontleend aan de kleur -der rotsen in de canyons of ravijnen. Deze kleur is dikwijls helder -geel, en uit het gele nu eens in het roode, dan weer in het grijze -spelend. In het Grand-Canyon van de Yellowstone-rivier, waar men -een uur langs de naakte rotswanden wandelt en de rivier, tusschen -de windingen, hier en daar op groote diepte en als zeer in de verte -onder zich ziet, is dit kleurenspel bizonder treffend. De indiaansche -term voor Rock Yellow rivier is Mitsiadazi, in een der Siouxtalen, -en vandaar stammen de tegenwoordige namen van Yellowstone-rivier en -Yellowstone-park af. [4] - -Het park is geen eigenlijk bergland zooals Zwitserland. Ook mist het de -sneeuwbergen. Het is een hoog plateau, doortrokken met lage heuvelen, -die meest geheel met bosch bedekt, doch op steile hellingen en langs de -doorsnijdingen der beken dikwijls rotsachtig en dan zeer schilderachtig -zijn. Slechts hier en daar vindt men enkele hoogere toppen, en onder -deze is de Mount Washburn, een halve dag reizen van het Hôtel der -Mammoth Hot Springs gelegen, de voornaamste. Rondom is het park door -hoogere gebergten omgeven, die ten deele buiten, doch ten deele ook -binnen zijne wettelijke grenzen liggen. Deze omgeving geeft overal, -waar het uitzicht niet door boomen of heuvelen belemmerd is, iets -bizonder aantrekkelijks aan het landschap. Het allerfraaist is dit, -als men op het uitgestrekte meer, dat de Yellowstone-rivier ongeveer -in het midden van het park vormt, met de boot van de zuidelijke naar -de noordwestelijke punt overvaart. Overal achter de groene bergen ziet -men dan de kale toppen uitsteken. In het oosten de lange keten der -Absaroka-mountains; in het zuiden de dubbele top der Teton-bergen -en aan de overige zijden hier en daar lagere gebergten. Het zijn -wel geen sneeuwtoppen, maar in de hoogste dalen en ravijnen lagen -toch omstreeks half Augustus nog talrijke uitgestrekte sneeuwvelden, -langzaam afsmeltend en den oorsprong gevend aan talrijke beken, die -bruischend en schuimend door het park trekken, om zich ten slotte -grootendeels in de Yellowstone-rivier te vereenigen. Het plateau ligt -in het hart van het Rotsgebergte, en wordt als een typisch gedeelte -daarvan beschouwd. Het is een streek waar veel regen en veel sneeuw -vallen, en vormt daardoor een groene en bloemrijke oase te midden van -de dorre wildernissen, de door watergebrek onbebouwbare "semi-arid -regions" [5] van het Westen. Het ligt nagenoeg geheel in den staat -Wyoming, met een paar smalle grensstrooken, die in Montana en in -Idaho vallen. Trouwens het eerste wat de aandacht der toeristen na -het binnenrijden door de ingangspoort treft is, omstreeks een half -uur verder, de grenspaal, die aanwijst waar men uit het gebied van -Montana in dat van Wyoming overgaat. - -De plantengroei van de omgevende woestijnen zet zich voor een deel -op de hellingen van het park voort, waar deze van bosch ontbloot -zijn. Zij vertoonen dan de eigenaardige grijsgrauwe kleur, die in -zoo hooge mate tot het onaantrekkelijk karakter der wildernissen -bijdraagt. Overal groeien de lage heestertjes van de Sage-brush -(Salieplant: Artemisia tridentata e.a. soorten), die uiterst -algemeene, zonderlinge en nuttelooze plant, zooals zij zoo gaarne -genoemd wordt. Elk grijs bundeltje staat afzonderlijk, en uit de -verte gezien heeft een vlakte of een helling daardoor een gevlekt -aanzien. Dit is zóó kenmerkend, dat men zelfs op groote afstanden den -Sage-brush gemakkelijk herkennen kan. Onwillekeurig rijst de vraag -of die Sagebrush en de andere woestijnplanten die met haar samengaan, -oorspronkelijk uit de woestijn naar het park, of uit de bosschen van -het park naar de woestijn gegaan is. Maar op de bespreking van die -vraag, die met tal van punten omtrent de verspreiding der planten en -haar gemeenschappelijke afstamming samenhangt, mag ik hier niet ingaan. - -Op den bezoeker maakt de oase den indruk van een toevluchtsoord voor -planten en dieren. Daar vinden vele, en daaronder de fraaiste en -belangrijkste, wat hun elders ontzegd wordt. Over de planten zal ik -later het een en ander mededeelen, maar het zal vermoedelijk velen -mijner lezers belang inboezemen hier het een en ander omtrent de -grootere dieren te vernemen. Daarbij moet men echter een onderscheid -maken tusschen de opgaven in de gewone gidsboeken voor het park, -en dat, wat de toerist werkelijk te zien krijgt. Onder de groote -soorten verdienen vooral de bisons genoemd te worden, daar zij alleen -hier nog werkelijk in het wild voorkomen. Evenals elders, zijn zij -door hun woeste en weinig slimme natuur tot uitsterven veroordeeld, -en het landsbestuur is op maatregelen bedacht om ze, door middel van -omheiningen, des winters te dwingen op plaatsen te blijven, waar -de sneeuw niet zoo diep ligt, en het gras dus voor hen bereikbaar -is. Ook heeft men op het Dot-island in het Yellowstone-meer een -troepje bisons ingevoerd met het doel om deze later, na genoegzame -harding en vermenigvuldiging, des zomers vrij in de bosschen te laten -zwerven. Behalve dit troepje, dat tijdens mijn bezoek uit een familie -van een zestal exemplaren bestond, ziet de toerist natuurlijk geen -bisons. En hetzelfde is het geval met de "elk" of eland, waarvan ik ook -slechts het half dozijn exemplaren in het park op Dot-island zag. Men -ziet de bisons en de elanden hier juist even goed en even natuurlijk -als in den dierentuin te Amsterdam--afgezien van de omgeving. - -Volgens Chittenden's uitvoerig handboek over het park, dat in de -meeste hôtels te koop aangeboden wordt, zijn bevers overvloedig in -al de stroomen en zijn de door hen uitgevoerde bouwkundige werken -overal te zien. Feitelijk wijst de gids u op den geheelen tocht op -ééne plaats, die dan ook "beaver-lake" [6] heet, twee beverwoningen -en een langen dam, die zigzagsgewijze dwars door den tot een meertje -verbreeden stroom heen gebouwd is. Maar de dam is 16 jaren oud, -en of de woningen nog bewoond zijn, wist niemand ons te vertellen. - -Omstreeks het jaar 1830 zijn de bevers, die vroeger zeer talrijk -waren, in deze en de aangrenzende streken nagenoeg uitgeroeid. Het -was in den tijd van de oprichting en de krachtigste werkzaamheid -der bontmaatschappijen, die in scherpe rivaliteit alle bevers lieten -vangen, die slechts te bemachtigen waren. Moge hierdoor ook al een -der meest belangwekkende trekken van het landschap naar het schijnt -voor goed verloren zijn, zoo moet men aan de andere zijde niet -vergeten, dat de eigenlijke ontdekking van de wonderen der streek -het gevolg is geweest van de onvermoeide en niets-ontziende tochten -der beverjagers. Het was de eerste ontdekking van geysers en warme -bronnen, van Canyons en landschapsschoonheden, die in Amerika bekend -werd. Opgesierd met de verhalen die een rijke verbeelding en een -onnauwkeurig geheugen rondom deze wonderen deden ontstaan, vonden de -mededeelingen geen geloof. Toch waren zij de eerste bron van de kennis -en de prikkel die tot latere, meer op onderzoek gerichte tochten en -ten slotte tot de reserveering van het terrein als park aanleiding gaf. - -Een enkel verhaal moge een denkbeeld van deze overdrijving geven. Het -is de eerste beschrijving van rotsen van vulcanisch glas, en wel -van de rots, die thans Obsidiaan-cliff heet. Dit gesteente glinstert -als glas, maar is gitzwart en ondoorzichtig. Een beverjager bevond -zich in de nabijheid, maar zag de rots van glas niet. Daarentegen -zag hij een hert, en schoot er op. Zeker van zijn schot, was hij ten -hoogste verbaasd dat het hert kalm bleef grazen, en het schot niet -eens scheen gemerkt te hebben. Hij schoot nog een paar malen, doch -met hetzelfde gevolg. Toen wilde hij dichter bij gaan, maar stuitte -tegen een glazen rotswand, waarachter het hert volkomen veilig was -en waarop zijn kogels waren afgestuit. - -Natuurlijk vond dit verhaal geen geloof, ofschoon de Amerikanen anders -lichtgeloovig genoeg zijn. Zoo vond een bewering dat het obsidiaan, -omdat het zoo zwart is als steenkool, ook even goed moet branden, -bij mijne reisgenooten vrij algemeenen bijval en werd ten minste niet -tegengesproken, totdat een ander lid van het gezelschap verklaarde -dat het woord obsidiaan toch een andere klank had dan steenkool en -dus ook wel wat anders beteekenen zou. - -Van groote dieren ziet de toerist alleen de beren en de herten. De -herten trekken in kudden rond, evenals in vele europeesche -bosschen. Menigmaal zag ik ze, nu eens enkele, dan weer meer. De beren -daarentegen worden u op eigenaardige wijze vertoond. Bij elk hôtel, -behalve bij dat van Mammoth Hot Springs, is daartoe een bepaalde -plaats bestemd, nu eens een klein dal, dan weer een open plek in een -bosch. Hier worden al de geledigde blikjes en al de overige afval van -het hôtel gebracht, en de beren komen des avonds zoeken, of daarin -nog eenige lekkernij voor hen te vinden is. Op behoorlijken, maar -vrij kleinen afstand is een ijzerdraad gespannen, en daarachter staan -banken voor de toeristen om te zitten kijken. Schuw en bang komen de -beren, omstreeks zeven of acht uur des avonds, een voor een uit het -bosch te voorschijn, gaan op hun achterpooten staan en kijken overal -rond of alles veilig is. Treft men luidruchtige reisgenooten, dan -krijgt men niet veel te zien, daar de beren weldra omkeeren en naar -het bosch teruggaan. Zochten zij de blikjes door, en vonden zij wat -hun beviel, dan verkondigden zij dit door een luid gebrul; een zag -ik er met een groot stuk in den bek snel den heuvel oploopen en in -het bosch verdwijnen. Een ander klauterde in een boom en genoot daar -klaarblijkelijk nog eens van het gevondene. Een moeder kwam met haar -jong, beide gingen op de achterpooten staan om rond te kijken, en het -was grappig om te zien hoe het jong de moeder in alles nadeed. Wel -driemaal vonden zij het onveilig en gingen naar het bosch terug, -eindelijk verstoutten zij zich en gingen eerst behoedzaam, daarna snel, -den heuvel af naar de blikjes. Een oudere beer, die daar bezig was, -misschien wel de vader, maakte toen voor hen plaats en ging om den hoop -rondwandelen. Zoo kan men, na het middagmaal gebruikt te hebben, de -levenswijze der beren, alhoewel onder zeer eigenaardige omstandigheden, -uitvoerig gadeslaan. Maar hoewel ik een paar wandelingen door de -bosschen gemaakt heb, ben ik er daar natuurlijk geen tegengekomen. - -Een enkele slang heb ik gezien en hier en daar op de rotsen een -woodchuck, ook wel groundhog genoemd, een dier als een wombat, -kruipende in of uit zijn hol. Algemeen zijn eigenlijk alleen -eekhoorntjes, zoowel de bruine soort die op de boomen leeft, als -de grijze, die met vier overlangsche zwarte strepen over kop en rug -versierd is, als gevolg zegt men van de vier vingers van een godheid, -die eenmaal trachtte dit onrustige dier tot rust te brengen. Maar het -is nog altijd even onrustig en snelt over en langs de wegen. Ik zag -ze in groot aantal, op één dag zelfs bijna honderd. Zij zijn door de -wet volkomen beschermd en dus volstrekt niet vreesachtig, en ik kon -ze herhaaldelijk van vlak nabij gadeslaan. Nieuwsgierig zitten zij, -rechtop, aan den weg naar de voorbijgaande rijtuigen te kijken, met -een pakje wortels of vruchten in hun voorpooten. Dikwijls ziet men -ze hun holen in den grond opzoeken en daarin verdwijnen. Dicht naast -mij, in het bosch bij Mammoth Hot Springs, zat een roode eekhoorn -te knagen aan een groenen dennekegel, een vrij grooten van den Pinus -flexilis, zoo groot ongeveer als die van onze zeedennen, maar niet zoo -hard. Soms sprong hij op, met den kegel in zijn handen, ging dan weer -zitten, en het was aardig om te zien hoe hij den kegel ronddraaide -om de zaden te vinden. Eindelijk sprong hij op een tak en verdween, -met groote sprongen van boom tot boom overwippende. - -Over leeuwen en andere verscheurende dieren, die de gidsboeken u -opnoemen, zal ik maar niet spreken; die leven in de ontoegankelijke -gedeelten der hoogere bergen, en men ziet ze natuurlijk nooit. Van -visschen wekken alleen de trouts of forellen groote belangstelling, -daar men ze in het heldere water der stroomen,--en op tafel--bijna -elken dag zien kan. Het visschen is geoorloofd en behoort tot de -voornaamste genoegens van het leven in het park. - -Een punt van belangstelling, dat echter op de kaart beter zichtbaar is -dan in de werkelijkheid, is de "Continental divide". Dit is de lijn -die men trekken kan tusschen de oorsprongsplaatsen van alle beken, -wier water naar den Atlantischen Oceaan vloeit en van al die, welke -naar den Pacific Oceaan uitwateren. De gewone toeristentocht ligt op -het atlantische gedeelte van het gebergte, met uitzondering van een -paar uren, die men aan de andere zijde rijdt. Men ziet dan de bergen -naar het westen afhellen en in de verte het Shoshone-meer, waarvan -het water, door bergstroomen omlaaggevoerd, naar de Columbia-rivier -gaat, om door Oregon en langs Portland in zee te vloeien. Een -paar naamborden wijzen de punten aan, waar men de scheidingslijn -overgaat. Op een dezer beide punten ligt in de pas een groote plas, -vol met gele waterplompen, en omlijnd door biezen en bloembiezen, als -een hollandsch moerasje. Het water van deze plas weet niet, of het door -de Columbia-rivier naar den Pacific-Oceaan, of door de Yellowstone en -de Missouri naar de Atlantische zee zal gaan. Een moeilijke twijfel, -want een kleine windstoot kan het water nu eens naar de eene zijde, -dan weer naar de andere in de beek drijven en zóó de beslissing geven. - -Trouwens, in den loop der eeuwen kunnen ook groote meren in dit -opzicht van meening veranderen. Het Yellowstone-meer, dat voor menig -ander beroemd meer in grootte niet behoeft onder te doen, is daarvan -een voorbeeld. In langvervlogen voorhistorische tijden liet het zijn -water naar de Stille Zuidzee afvloeien. Maar in en na den ijstijd heeft -het zich een uitweg naar het oosten gemaakt, den Grand Canyon als een -diepe en enge sleuf in de rotsen ingravende. Het bereikte daardoor -een nieuwen en tevens een beteren waterweg en kan sedert zooveel -meer water afvoeren, dat zijn waterspiegel verscheiden tientallen van -meters gedaald is. De vroegere "outlet" naar de Snake-rivier aan de -westzijde is thans dus een vrij hooge, hoewel vlakke pas geworden. - -Een juist begrip van de bergen en van de vulkanische werkingen in -het park moet natuurlijk uitgaan van de geologische gesteldheid. [7] -Een zeer eenvoudig overzicht mag hier echter daartoe voldoende geacht -worden. Het kan zich beperken tot den tijd, waarin de voornaamste -uitstortingen van lava over het tegenwoordige park plaats vonden. In -de krijt-periode was het park nog een gedeelte van de zee, die -toen uitgestrekte streken van Amerika bedekte. Het was echter reeds -omgeven door rotsen en gebergten en vormde waarschijnlijk een soort -van golf, of een deel van een archipel van kleine eilanden. Door de -werkzaamheid van koralen en andere diersoorten werden op den bodem dier -zee kalkmassa's afgezet, die in den loop der tijden tot aanzienlijke -lagen aangroeiden. Allengs werd echter, over de lijn die thans de -kam van het Rotsgebergte is, de korst der aarde in verhouding tot -de zee opgeheven, en omstreeks het einde der krijtperiode ging het -park van zee over tot land. Dit leidt men daaruit af, dat na de kalk- -of krijtlagen geen omvangrijke afzettingen meer hebben plaats gevonden. - -Lagen van kleinen omvang, in kleine zeeboezems of in meren gevormd, -zijn gedurende den geheelen tertiairen tijd hier en daar afgezet, -doch zij zijn voor ons tegenwoordig doel van geen beteekenis. Veel -belangrijker is, dat gedurende al dien tijd het park de zetel van -een vrij groot aantal vulkanen geweest is, die allengs het grootste -gedeelte van de landstreek met lava en vulkanische asch bedekt -hebben. Een dier kraters was de Mount Washburn, en deze vertoont -op zijn top nog de ronde holte van den vroegeren kratermond. Thans -echter is hij sinds lang uitgedoofd, evenals alle andere vulkanen -van deze streek, en is de kratermonding met dennenbosschen dicht -begroeid. De lava-stroomen vloeiden van uit die kraters in alle -richtingen over het land; nu eens bleven zij afzonderlijk en vormden -dan eigen bergruggen, dan weer vloeiden zij ineen, zoodat plateau's met -talrijke uitloopers ontstonden. De meeste tegenwoordige heuvels zijn -zulke oude lava-stroomen, terwijl de hoogere toppen waarschijnlijk de -plaatsen der oude kraters aanduiden. De lava en de vulkanische asch, -tot rotsen en gebergten vervormd, bedekt thans nagenoeg de geheele -vlakte, en slechts hier en daar komen de oude lagen voor den dag. - -Over het algemeen is de lava een zacht gesteente, dat bij het verkoelen -sterk gebarsten is en gemakkelijk verweert. Voeren de bergstroomen de -verweerde deelen spoedig weg, zoo blijven de rotsen naakt en vertoonen, -door de talrijke kloven en de dikwijls op ruïnen gelijkende toppen, -bizonder fraaie en afwisselende vormen. Soms niet veel hooger dan -de naburige dennenboomen nemen deze rotsen in andere dalen zeer -indrukwekkende afmetingen aan. Alle overgangen tusschen gewone lava -en glasachtige lava of obsidiaan zijn voorhanden, en hier en daar -vindt men ook basalt-formaties. De basalt, die meest zeer regelmatig -tot zeszijdige zuilen gebarsten is, levert een uitmuntende bouwsteen, -en de poort aan den noordelijken ingang bij Gardiner is dan ook geheel -uit deze steen opgetrokken. - -De lava levert natuurlijk het gesteente, waarvan de groote wegen -worden gemaakt. Vooral de glasachtige soorten zijn daarvoor geschikt, -daar zij harder zijn en minder snel tot stof vergaan. Om de blokken -tot gruis te verwerken moet men hier echter een zeer bizonder middel -gebruiken. De blokken worden in een vuur van dennenhout verhit en dan -plotseling met koud water overgoten. Zij barsten dan juist in gruis -van de gewenschte korrelgrootte uiteen. De zachtheid van de lava -maakt echter, dat de wegen snel slijten en zeer stoffig zijn. Om aan -dit bezwaar tegemoet te komen laat de regeering de wegen, overal waar -voldoende water aanwezig is, regelmatig besproeien. Meest wordt het -water van een hoogere berghelling in een pijp geleid, die eindigt boven -de plaats waar een waterwagen gevuld moet worden. Zulke standpijpen -ziet men in de bergstreken zeer veelvuldig. Is er geen berg dicht -genoeg bij den weg, zoo moet het uit de beken worden opgepompt. De -groote zorg, die hieraan besteed wordt, draagt zeer veel er toe bij -om het rijden in een reeks van rijtuigen aangenamer te maken. - -Hoe de verkoelde lavastroomen op de krijt-lagen liggen, kan men -dikwijls zien, als men de hellingen der grootere heuvels beschouwt. De -hoogere heuvels zijn namelijk wel niet hooger dan de andere, maar -het dal aan hun voet is door den bergstroom dieper uitgegraven. Van -dit uitgraven kan men, op verschillende plaatsen, bijna alle stadiën -zien. Is nu het dal zoo diep uitgegraven, dat de krijtlaag niet alleen -bereikt is, maar dat daarenboven de kloof in deze indringt, en is dan -de rots steil genoeg om niet door verweerden grond bedekt te zijn, -zoo ziet men natuurlijk de lava op het krijt rusten. Sommige dalen -zijn in het krijt zoo diep uitgehold, dat de bergen ter weerszijden -geheel uit grijs-witte krijt-lagen schijnen te bestaan, slechts aan -hun top door de roodbruine lava-massa's gekroond. - -Het is natuurlijk niet gemakkelijk om op zulk een tocht te zien, hoe -de rivieren werken en hoe de dalen ontstaan. In den zomer is alles -rustig en kalm, en zelfs de watervallen schijnen geen verandering -in hun omgeving te brengen. Het eigenlijke werk geschiedt in den -winter en vooral in het voorjaar, als de sneeuw, die het geheele -park bedekt, snel begint te smelten en de beken dus tijdelijk zeer -groote hoeveelheden water afvoeren. Niets is dan tegen hun geweld -bestand, en rots voor rots wordt ondergraven en gebroken en ten val -gebracht. Het eene jaar hier, het andere jaar daar verandert het -landschap. De kleinere trekken verdwijnen, en slechts de hoofdlijnen -blijven dezelfde, tot ook hare beurt zal komen om voor de macht van het -water onder te doen. Maar de reiziger ziet van dit alles niets; hij kan -niet onderscheiden of een naakte rotsvlakte jong of oud is, en of een -rots vroeger hooger was dan nu, of door andere vormen gekroond. Toch -zijn er verschijnselen, waaruit men kan afleiden wat er 's winters -gebeurt. Dit zijn vooral oude wegen, die voor een zeker aantal jaren -door geen nieuwen weg vervangen en sedert niet meer verzorgd zijn. Zulk -een weg is o.a. die in de klove tusschen Livingston en Gardiner, -kort vóór dat men het laatstgenoemde dorp bereikt. Dit Canyon voert -den naam van Yankee Jim, en jaren voordat de spoorweg door dit enge -dal gemaakt werd had James George hier een wagenweg aangelegd, die -nagenoeg de eenige toegang tot het latere park was. Hij had het recht -om op dien weg tol te heffen en genoot daarvan langen tijd een niet -onbelangrijk inkomen. Eenige jaren geleden is echter de spoorweg, die -toen slechts tot Cinnabar liep, door dit Canyon doorgetrokken tot aan -Gardiner, d.w.z. tot aan den ingang van het park zelf. Verder kon hij -niet gaan, daar de bepalingen omtrent de strekking en het onderhoud -van het park den aanleg van spoorwegen daarin verbieden. Vroeger moest -dus ieder, die te Cinnabar uitstapte, langs den weg van Yankee Jim -naar Gardiner rijden; nu spoort men eenvoudig door. De weg is dus -in onbruik geraakt, en het onderhoud niet meer waard. Maar van den -trein uit kan men zien, wat in die enkele jaren gebeuren kon. Op -talrijke plaatsen toch is de weg onder rotsstortingen bedolven, -soms over een lengte van honderden meters. Geweldige aardmassa's en -groote rotsblokken moeten in die weinige winters omlaag gekomen zijn, -nieuwe hellingen vormend, en nieuwe rotswanden onthullend. Soms ligt de -massa huizenhoog op den weg, en strekt zij zich tot in de rivier uit. - -Het neerstorten van zulke rotsmassa's is ten deele het gevolg van het -afknagen van den voet door de bergstroomen. Maar deze alleen zouden -niet zoo spoedig zulke groote hoeveelheden kunnen afbreken. Zij worden -geholpen door het ijs. Overal is het inwendige der rotsen gebarsten, -en in deze barsten dringt het water door, na als regen op het oppervlak -gevallen en korter of langer tijd in de bovenste lagen vastgehouden -geweest te zijn. In het najaar wordt het zoo koud, dat het water in -deze spleten bevriest. Nu echter weet men, dat water bij het bevriezen -met geweldige kracht uitzet. De barst wordt dan daardoor een weinig -verwijd. Is dit juist zooveel, dat de steenmassa aan de vrije zijde -daardoor losraakt, dan valt zij nog niet, want het ijs werkt ook als -plakmiddel. Maar als dan in het voorjaar het ijs ontdooit, houdt het -verband op, en de geheele steenmassa valt omlaag. Het is trouwens -hetzelfde spel, dat zich in alle rotsachtige streken herhaalt, en -waarvan men de verwoestende gevolgen ook in Zwitserland niet zelden -waarnemen kan. - -De Canyons zijn in het algemeen kloven, die door de bergstroomen met -behulp van dit proces in de gesteenten zijn uitgegraven. Het ijs werpt -de rotsblokken omlaag, het water vervoert het gruis, en slijt de te -groote blokken allengs af. Maar grootere en kleinere blokken, zoo groot -als een kamer en meer, ziet men bijna overal in de rivieren liggen, -soms zeer sierlijk met struikgewas begroeid. Langzaam wordt het dal -dieper en breeder. Is het gesteente zacht, zooals in het Grand Canyon, -dan wordt de kloof van boven betrekkelijk sterk verwijd; is het echter -harder, zooals in de oude lava-stroomen en vooral in de basalt, dan -is het dal dikwijls huizenhoog niet veel breeder dan waar de rivier -er in stroomt. In deze twee gevallen ontstaan geheel verschillende -landschappen, maar zoowel het eene als het andere oefenen op den -bezoeker een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. - -De kraters zijn uitgedoofd en de lava-stroomen verkoeld, en -alleen de geysers en warme bronnen getuigen er nog van, dat de -onderaardsche warmte hier dichter bij de oppervlakte komt, dan op -de meeste overige plaatsen dezer wereld. Maar die uitdooving zelve -is reeds van ouden datum. Na haar heeft hier, evenals elders, die -bekende periode van koude geheerscht, waarin de gletschers geheele -landstreken bedekten, en de hoofdrol in de geologische veranderingen -van het aardoppervlak speelden. Voordat ik echter over deze ijsperiode -spreek, is het misschien goed een vraag te vermelden, die de reiziger -zich onwillekeurig stelt, en die vrij rechtstreeks tot een juiste -voorstelling geleidt. - -Het Grand Canyon aan de Yellowstone-rivier, dat ik reeds eenige malen -genoemd heb, is een klove van onovertrefbare schoonheid in vormen en -kleuren, door de rivier in de vulcanische lagen gegraven. Het strekt -zich over een twintigtal mijlen uit, en is op het schoonste gedeelte -omstreeks 400 Meter diep. Het is een kloof in een uitgestrekt plateau, -en een voortreffelijke rijweg voert op dit plateau langs den rand -van den afgrond, terwijl in de diepte, waar de rivier bruist, het dal -meest zoo eng is, dat er zelfs voor geen boom plaats is. Boven op dit -plateau nu ligt, juist bij het meest imposante gedeelte van het Canyon, -een eenzaam rotsblok, verscholen in het dennenbosch, half zoo hoog -als de boomen. Maar het is thans een bekende curiositeit geworden, -en de weg naar Inspiration-point voert er vlak langs. Gaat men even -van den weg af om het nader te beschouwen, dan wordt men terstond -getroffen door twee feiten. Ten eerste ligt het klaarblijkelijk los -op den grond, zonder eenig verband met de onderliggende rotsen. Ten -tweede echter bestaat het uit graniet, en geenszins uit vulkanische -steen, zooals de geheele streek in de rondte. Het heeft een fraaie -en gemakkelijk te herkennen granietstruktuur, die vooral daar goed -te zien is, waar door het afvallen van kleine stukken, een gave -breukvlakte aan den dag is gekomen. - -Van waar komt dit blok? Het ligt honderden meters boven de rivier, en -is ook vele malen te groot en te zwaar om zelfs door den machtigsten -stroom te kunnen worden vervoerd. Van waar komt het? Het moet -natuurlijk eenmaal afgebroken zijn van een naburigen granietberg, en -hierheen gebracht. Maar in den omtrek komen wel enkele hooge bergen -voor, zooals Mount Washburn, maar die zijn uitgedoofde kraters en -bestaan niet uit graniet. - -Uit graniet bestaan echter de Absaroka-gebergten, die ik ook reeds -genoemd heb, en die op de oostelijke grenzen van het park gelegen -zijn. Van uit het park ziet men ze, als het uitzicht vrij is, als een -hooge keten van toppen, hier en daar op de hellingen met sneeuwvelden -bedekt, op grooten afstand. Evenzoo vindt men hier en daar aan de -andere zijden op en over de grenzen van het park granietgebergten. Maar -dichterbij vindt men ze niet. Daaruit volgt dus met volkomen zekerheid -de conclusie, dat dit blok van een der omliggende bergen, en wellicht -juist van de Absaroka's, hierheen is gekomen. - -Zoo dit feit alleen stond, zou het natuurlijk moeilijk te gelooven -zijn. Men zou zich niet goed een voorstelling van zulk een werking -kunnen maken. Maar het staat volstrekt niet alleen. Zoodra men toch -het park bij Gardiner binnen komt, rijdt men door een vallei, die -met grootere en kleinere granietblokken als bezaaid is. Overal waar -de weg in de heuvelhellingen is ingegraven, ziet men links en rechts -dergelijke steenen in den grond. De geheele bodem bestaat hier uit -een laag van granietsteenen, waarvan de tusschenruimten eenvoudig -met verweerd graniet zijn aangevuld. - -Het vervoer van graniet heeft dus op zeer groote schaal plaats -gevonden, en ging gepaard met een zeer aanzienlijke verweering van -dit gesteente. Trouwens bijna in alle dalen van het park vindt men -zulke blokken en zulke lagen, ofschoon natuurlijk geen van alle de -afmetingen van dat beroemde blok bij Inspiration-point ook maar nabij -komt. Er moet dus een werking geweest zijn, die in staat was bergen -te splijten en den afval van alle kanten naar het park en over het -park heen te vervoeren. Dat vervoer geschiedde in de richting waarin -thans de beken en stroomen zich bewegen, en zich ten slotte alle te -zamen vereenigd in Yellowstone-rivier, bij Gardiner uit het park naar -het Noorden begeven. Want ook de vallei van deze rivier, tot voorbij -Livingston, vertoont overal deze zelfde erratische [8] gesteenten. - -Om dit alles te verklaren, en in verband met hetgeen men omtrent de -ijsperiode uit andere streken en landen weet, stelt men zich voor, -dat in een tijd, toen het Grand Canyon nog niet bestond, en het -plateau hier dus nog onafgebroken was, één enkele groote gletscher -het geheele park bedekte. Ontstaande in de kloven en op de hellingen -van alle omliggende bergen, bewoog zich dit ijs als een taaie maar -buigzame massa over het park heen, en drong het door het enge Canyon -van Yankee Jim in de vlakte van Cinnabar en Livingston. Waar het op de -bergen langs de rotsen gleed, brokkelde het deze af, en beladen met de -producten schoof het noordwaarts. Nu eens zullen de blokken bij dien -val vergruizeld zijn, dan weer zal hetzelfde lot hen getroffen hebben, -als zij ten slotte van het ijs afvielen, maar enkele blokken kunnen -natuurlijk aan dit lot ontkomen zijn. Zulk een blok zou dan dat van -"Inspiration-Point" zijn. En thans ligt het daar, om te getuigen van -wat in lang vervlogen tijden, wellicht vóór er menschen in Amerika -woonden, door de grootsche machten der natuur gewrocht is. - -Maar hoe verleidelijk het ook zij, ik mag hier niet over de ijsperiode -uitweiden. Reeds lang genoeg heb ik mij met de geologische gesteldheid -beziggehouden, en wil daarom hier de beschrijving en verklaring -van wat ik gezien heb, eindigen om nog een enkel feit te vermelden, -dat gebrek aan tijd mij belette te gaan aanschouwen. Maar het is te -merkwaardig om het geheel onaangeroerd te laten. - -Op een plaats, genaamd Fossil Forests [9], doch niet aan de gewone -touristen-route gelegen, heeft de rivier Lamar een diepe en enge -spleet in den rotsachtigen grond gegraven. Daardoor zijn de boven -elkander liggende lagen van deze rotsmassa plaatselijk zichtbaar -geworden, en zij zijn het die de fossiele bosschen vertoonen. Stelt -u voor, dat oudtijds een groot dennenbosch hier de vlakte bedekte, -en dat dit plotseling door een lavastroom of door vulkanische asch -bedolven werd. De stammen werden verkoold, doch konden door gebrek -aan lucht niet verbranden. Eenmaal bedekt werden zij langzamerhand -fossiel door het water dat het afgekoelde gesteente eeuwen lang -doorsiepelde, en dat uit de steenmassa kiezelzuur oploste om -dit weer in de stammen af te zetten. Van betrekkelijk zacht hout -gingen zij in een glanzige steenmassa over, zoo hard als het beste -vulcanische glas. Ondertusschen verweerden de bovenste lagen van de -lava en vormden een grond, geschikt voor plantengroei. Een nieuw -bosch ontstond boven op het oude, maar vroeg of laat zou ook dit -weer door lava bedekt en versteend worden. Zoo ziet men hier in den -vertikalen rotswand een aantal bosschen uit verschillende perioden -boven elkander staan, gescheiden door lagen van verharde asch. Hier -en daar zijn de stammen zeer goed bewaard gebleven. De stammen en de -wortels ziet men van verre, van meer nabij onderscheidt men het hout -en de schors; maar ook takken en dennennaalden, ja zelfs de gaten, -die door rupsen in het hout geknaagd waren, kan men herkennen. Men kan -de jaarringen tellen en vindt dan voor de dikste boomen een ouderdom -van somwijlen 500 jaren, bij een diameter van 3 meter en meer. Op -ééne plaats ziet men op den rotswand een grooten stam, die vóór de -algemeene verwoesting omgevallen was, in horizontale richting tusschen -de stompen liggen. Men heeft de opeenvolgende boschformaties geteld, -en de ervaringen aan verschillende gedeelten vereenigend, is men tot -de uitkomst geraakt dat ten minste negen- en waarschijnlijk twaalfmaal -zulke bosschen bedolven en door nieuwe vervangen geworden zijn. - -Keeren wij echter terug tot het thans levende bosch, dat meer dan -drievierde gedeelte van het park bedekt en nagenoeg overal, zoowel op -de hellingen der bergen als op de vlakten, gezien wordt. Wat mij in dit -bosch het meest trof, was de omstandigheid dat de grond overal bezaaid -is met doode stammen en dat ook tusschen de levende boomen de doode nog -staan blijven totdat zij omvallen. Soms ziet men de doode stammen bij -honderden boven de toppen der levende uitsteken. In vergelijking met de -dennenbosschen in Europa en met name in de Zwitsersche Alpen maken deze -tallooze meest sterk gebleekte, soms bijna geheel vermolmde stammen -een eigenaardigen indruk. Zonder twijfel behoort ook de dood tot de -natuur, en is het sterven van boomen een zeer natuurlijk verschijnsel, -een normaal bestanddeel van het wezen van een bosch. Toch is er iets -weemoedigs en iets onvolkomens in al die afgestorven overblijfselen, -iets wat den indruk sterk vermindert, en zoowel aan het liefelijke -als aan het grootsche merkbaren afbreuk doet. - -Het dennenbosch bestaat geheel uit ééne soort van den, den reeds -genoemden Pinus contorta var. Murrayana, die lodge pine, pole pine -of black pine (zwarte den) genoemd wordt. Voor timmerhout zijn de -stammen geheel zonder waarde, voor telegraafpalen en overeenkomstige -doeleinden zijn zij bruikbaar, en natuurlijk ook voor brandhout. Maar -in een onbevolkte streek zooals deze zou zelfs een verlof tot -het wegvoeren der doode stammen in dit opzicht geen verbetering -aanbrengen. Alleen rondom de hôtels zijn zij weggehaald, om voor -brandstof te dienen. Daarbij komt nog een andere reden. In de droge -maanden vormen deze liggende stammen groot gevaar met het oog op -boschbranden, die door dit doode en droge hout sterker voortgeplant -worden dan door de levende boomen. - -De zwarte den is een vreemde boom. Inplaats van de krachtige stammen -en uitgespreide kronen van onze dennen heeft hij een dunnen slanken -en zeer hoog opgroeienden stam, die van onderen tot boven met takken -bezet is. Maar die takken zijn nagenoeg alle even zwaar en even lang, -zoodat een kaarsvormige gedaante ontstaat, herinnerende aan die der -Californische reuzenboomen. De naalden blijven langer aan de takken, -en niet zelden ziet men stamgedeelten van 10 of meer jaren ouderdom -nog met de naalden overdekt. De vruchten zijn talrijke, maar kleine -kegels. Een zeer opvallende eigenschap is, dat vele stammen zich in -twee gelijke, en bijna tegen elkander aan gedrukt omhoog groeiende -takken splijten. Dit kan zich herhalen, zoodat niet zelden een stam, -die van onderen enkelvoudig en betrekkelijk dun is, naar boven in zes -of acht, of zelfs in tien tot twaalf rechtopstrevende armen gesplitst -is. Overal zag ik die splitsingen; soms zoo talrijk, dat minstens -elke vierde boom er een of meer vertoonde. - -Zeer gevoelig is de zwarte den voor vrijen stand. De bosschen zijn -altijd ijl, doorzichtig, nooit een gesloten massa vormende zooals -onze dennenbosschen. Elke boom staat dus op zich zelf. Maar dit is -voor een zwarten den nog lang niet genoeg. Hij wenscht rondom de -ruimte te hebben, en door geen soortgenoot of anderen boom belemmerd -of beschaduwd te worden. Heeft hij zulk een stand van jongs af gehad, -dan wordt de vorm zeer statig. In verhouding tot de hoogte wordt de -stam dan dik, en hij blijft van onderen tot boven rondom met groene -zijtakken omgeven. Het is nog wel niet de trotsche pyramide van onze -sparren, maar nadert er toch zeer toe. Het verschil tusschen zulke -vrijstaande exemplaren en de andere is zoo groot, dat leeken de beide -vormen voor verschillende soorten houden. - -Maar zulk een stand is zeldzaam. Meest staan zij dicht opeen, -en zelfs waar het jonge gras opschiet ziet men ze veel te dicht -staan. Het gevolg is, dat de stammen zeer hoog en dun worden. Zij -kunnen zoo dun worden, dat zij hun eigen kroon niet kunnen dragen, -en slechts door hun buren rechtop gehouden worden. Komen die buren -te vallen, dan buigt zulk een stam zich ter aarde, en ik zag er, -die ongebroken, met de kroon op den grond lagen, terwijl de jonge -toppen van de zijtakken zich weer alle omhoog gebogen hadden. - -Hier en daar is een boschbrand de schuld van het voorkomen van -veel doode stammen, die dan kaal en naakt boven het opstaande -jongere geslacht uitsteken. Maar overal ziet men in het bosch -boomen sterven. Meestal zijn het de oudere, enkele malen ook -jongere. Gewoonlijk sterven de takken van onderen af, door den te -dichten stand, en allengs is alleen de topkroon nog groen. Later -sterft ook die, zonder dat men de reden zien kan. In droge streken -zou men meenen, dat watergebrek hierbij een rol speelt, en dat -talrijke jonge en krachtige exemplaren het water zoo sterk tot zich -kunnen trekken dat er voor de oudere en zwakkere niet genoeg meer -overblijft. Maar hier is geen gebrek aan water. Het droge seizoen -duurt slechts kort, en regens zijn in den zomer zeer talrijk, en -geven, te oordeelen naar de onweersbuien die ik bijwoonde, een zeer -voldoende hoeveelheid water. Ook is de den niet zeer gevoelig voor -verschillen in watergehalte, want hij groeit zoowel op de hellingen -en in de spleten van afgevallen rotsblokken, als aan den oever der -meertjes en in de moerassige velden. - -In verband met het bovenstaande moge hier opgemerkt worden, dat -het bosch geheel zonder menschelijke zorgen is. Het plant zich zelf -voort. Overal ziet men dan ook jonge en oude exemplaren en dennen van -alle leeftijden dooreen, en dit geeft natuurlijk een hoogen graad -van onregelmatigheid en ijlte. De doode boomen vallen zooals zij -kunnen en liggen dan ook dikwijls schuin met den stam in de kroon -van andere. Andere boomsoorten zijn er maar weinig. Langs de randen -en langs de beken en stroomen ziet men nog al eens sparren (Abies -subalpina), met een grijsblauw loof, die daarom hier zilverspar heeten, -maar die niet overeenkomen met hun hollandschen naamgenoot. Enkele -andere soorten van sparren, nl. de Douglas-spar (Pseudotsuga mucronata) -en de Engelmann-spar (Picea Engelmanni) zijn zoo zeldzaam, dat zij -eigenlijk geen invloed op het landschap uitoefenen. - -Dit doen daarentegen een paar loofboomen wel. Het zijn populieren -en wilgen, van elk ééne soort, en te zamen alle loofboomen van het -geheele park uitmakende. De populier (Populus tremuloides) gelijkt -sprekend op onze gewone klaterpopulier, maar heeft wat kleiner blad en -wat slanker gestalte; hij vormt tegen de berghellingen soms geheele -bosschen van een blauw-groene kleur, waartusschen dan de donkere -dennen een scherpe tegenstelling vormen. De wilgen groeien langs de -rivieren en in de moerassen; zij zijn meestal ternauwernood manshoog, -maar bedekken uitgestrekte vlakten van den vochtigen bodem. Aan de -zeer smalle bladeren zijn zij gemakkelijk te herkennen. - -Het bosch heeft, trots zijn doorzichtigheid, zeer weinig -onderhout. Kleine, meest kruipende heestertjes vormen zoden op den -grond, doch veelal is die kaal. De kruipende jeneverbes, hier kruipende -ceder genoemd (Juniperus sibirica), is een zeer fraaie vorm, vooral -als hij over rotsblokken als een gordijn omlaag hangt. Een andere -soort van hetzelfde geslacht, de roode ceder (Juniperus scopulorum), -groeit recht omhoog, en vormt, vooral bij Mammoth Hot Springs, hooge -en zeer gevulde boompjes, vol bessen, die nu nog groen waren. Groene -zoden van een meter en meer, plat op den grond liggend en dikwijls -eveneens vol beladen met bessen, maar met ronde blaadjes, behooren -tot de berenbes, zoo genoemd omdat de bessen, ten minste van sommige -soorten van dit geslacht (Arctostaphylos), behaard zijn, terwijl bijna -alle andere soorten van bessen een onbehaarde schil hebben. De bessen -zijn eetbaar en zeer gezocht en waren den Indianen goed bekend; zij -noemden ze Kinnikinick, en dien naam hebben deze planten ook nu nog -behouden. Van de schors maakten de Indianen een soort van tabak. Andere -lage besdragende heestertjes zijn er in talrijke soorten; ik noem -daarvan een lage soort van Mahonia, wier blauwe bessen in trosjes -uit de naakte rots schijnen te komen, en een zeer kleine boschbes, -klein van struik en blad en klein van bes, maar uiterst algemeen, -evenals onze gewone blauwe boschbes. De besjes zijn echter rood. - -Wilde bloemen zijn er in het eigenlijke bosch niet veel. Deze komen -eerst aan den rand voor den dag, zooals de wilde roode roosjes, -maar vooral op de graslanden, die hier en daar op de vlakte met het -bosch afwisselen. Uitgestrekte weiden leveren een uitstekend voedsel -voor wilde herten en antilopen en ten deele ook voor enkele kudden -vee. Gramma-gras en buffalo-gras vormen er een groot gedeelte van, maar -het bunch-gras is verreweg het belangrijkste en algemeenste. Enkele -europeesche grassoorten spelen een belangrijke rol, zooals Festuca -ovina en Koeleria cristata. Daartusschen ziet men tallooze bloemen in -allerlei kleuren. Vóór allen de blauwe gentiaan, die een van de meest -gewone sieraden dezer weilanden is (Gentiana detonsa). Groote blauwe -bloemen op dunne slanke stelen, elk met vier wijduitstaande slippen -prijkend, en niet zooals de groote gentianen bij ons, met een weinig -geopende kroon. Maar de fraaie goudgele stippels en het donkere blauw -van onze soort missen de amerikaansche, zij gelijken veel meer op -een sterk vergroot beeld van onze kleine duin-gentianen. Afwisselend -met deze zag ik de roode kwastjes der paint-brush, en de gele pluimen -der guldenroeden. Alle drie deze soorten zijn zoo veelvuldig en zoo -in het oog loopend, dat zij in groote bouquetten ter tafelversiering -in de hôtels gebruikt worden. - -Donkere Aconieten en sierlijke akeleien groeien meer in het bosch -(vooral Aconitum columbianum en Aquilegium flavescens), een soort van -edelweiss, zeer gelijkend op onze inlandsche soort (Gnaphalium dioicum) -en enkele immortellen vindt men eveneens overal. Lelieachtige gewassen, -blauwe lupinen, paarsche asters, gele Doronicums, alpen-aardbeziën -en allerlei andere, min of meer van hun europeesche geslachtsgenooten -afwijkende vormen ziet men overal. Sierlijke, groenkronige orchideeën -met gedraaide reeksen van bloemen vond ik soms dicht bij de randen -der kokende Geysers. - -Tegenover deze typische en locale flora, waarvan ik gaarne nog -allerlei andere voorbeelden zou opnoemen, staan enkele klaarblijkelijk -europeesche indringers. Het gewone duizendblad (Achillea Millefolium) -volgt de nieuwe wegen en zelfs de kamille zonder straalbloemen, -die in Europa eerst in de laatste tientallen van jaren zich zoo snel -uitbreidt, is hier tot in het hart van het park doorgedrongen. Ik zag -ze rondom de hôtels, vooral in het Lower-Geyser-bassin. Merkwaardig -is ook dat de wilgeroosjes (Epilobium angustifolium) met hun lange -rechtopstaande trossen van roode bloemen, hier evenals bij ons op de -heiden, zeer algemeen zijn. - -Yellowstone-Park is een hoog plateau. De bergen steken slechts -weinig boven de vlakte uit. Eigenlijke sneeuwtoppen zijn er niet, -maar toch ligt er in de canyons der hoogste bergen in Augustus nog -vrij veel sneeuw. Op groote afstanden ziet men de schitterend witte -velden en strepen. De bergen hebben meest glooiende, hoewel vrij -steile hellingen, en deze zijn tot op de kammen met het dennenbosch -begroeid. Slechts hier en daar ziet men naakte rotsen, of hellingen die -met groote steenblokken bezaaid zijn. Doch daarover heb ik thans niet -te spreken. Het hoogplateau is uit den aard der zaak moerassig. Nu -eens vormt het uitgestrekte vochtige weilanden, met een natuurlijke -draineering, dan weer echte moerassen met stroompjes en plassen en -meren. Hier tiert een moeras-vegetatie in groote weelderigheid. In -de geslachten komt zij met onze waterplanten overeen, en zelfs de -gele waterleliën (Nuphar) ziet men hier veelvuldig en in groote -aantallen. Biezen en bloembiezen, zeggen en grassen en allerlei -gewone waterplanten vormen de hoofdmenigte. In enkele plassen -zag ik de lidsteng of Hippuris in groote hoeveelheid, in andere -vooral veen-vormende mossoorten. Zoutgrassen, overeenkomende met -onze Triglochin's, maar grooter en frisscher, groeiden vooral op de -natste plaatsen. - -Een van de meest aantrekkelijke zijden van het park is de rijkdom -aan fraaie wilde bloemen, die groote overeenkomst vertoonen met de -europeesche alpenplanten. Zij geven de kleuren en de afwisseling aan -de hellingen en de vlakten. Moge het bosch zwart en eentonig zijn, -de bloemen verlevendigen het in zoo hooge mate, dat zij de aandacht -van alle toeristen trekken, en dat bouquetten plukken een der meest -geliefde bezigheden is. Groote donkerblauwe gentianen kleuren de weiden -in strepen en vlekken, of wisselen op de moerassige plaatsen met de -rose-roode en oranje kwasten van de Indian paint brushes (Castilleia) -af. Overal vindt men bloemen. Ternauwernood verdwijnt de sneeuw of -zij verheffen hare hoofden, en in onafgebroken afwisseling blijven -zij een sieraad van veld en boschrand, totdat, drie maanden later, de -sneeuw wederom een einde aan haar leven maakt. Snel volgen de soorten -elkander op, want de tijd is kort. Maar wat aan den duur ontbreekt, -wordt door het aantal vergoed. - -Meest zijn het lage planten, of soorten die haar bloemen even boven -het gras uitsteken. De manshooge bloemplanten, die in Zwitserland in de -bosschen der lagere bergstreken een zoo belangrijke rol spelen, zag ik -hier zoo goed als niet. Meest ook zijn de bloemen niet zeer groot en -niet tot rijkbeladen trossen vereenigd. De grootte van vlasbloemen is -hier wel de meest algemeene, maar het vlas zelf, hoewel zeer veelvuldig -en blauw bloeiend, is een andere soort dan het onze, Linum perenne, -en belangrijk om de vruchten, die openspringen en de zaden uitwerpen, -terwijl het gekweekte vlas juist in het dichtblijven der vruchten een -zoo uitstekend middel heeft, om het verlies van zaad vóór en bij het -oogsten te voorkomen. - -Grootere bloemen vertoont het roode Bitter-Root, Lewisia rediviva, -een voorjaarsplant, en vrij groote schermen van zwavelgele -bloemen vertoonen de Eriogonums, die, in verschillende soorten, de -berghellingen tijdens mijn bezoek bijna overal bedekten. Allerlei -immortellen ziet men, witte, grijs-grauwe en gele, en onder deze is -vooral de Everlasting of the East (Anaphalis) zeer algemeen. Gewone -blauwe klokjes (Campanula rotundifolia), Penstemons, Geraniums, -verschillende soorten van Oenothera's, Monkey-flowers of Mimulus en -tal van andere zouden genoemd kunnen worden. - -De mooiste bloem die ik zag is de Mentzelia. Het zijn helder witte -bloemen zoo groot als Papavers, en door een groot aantal meeldraden -daaraan herinnerend, maar met talrijke smalle bloembladeren, die op -een grijsgroen, sterk vertakt, doornachtig gewas groeien. Bij Mammoth -Hot Springs, en vooral langs den weg die onderlangs dit dorpje voert, -zag ik ze in groot aantal. Zij openden hun bloemen tegen den avond, en -herinnerden dan in sterke mate aan den nachtcactus, met welks bloemen -men ze op een afstand gemakkelijk kon verwarren. Maar zij behooren -tot een geheel andere familie, namelijk tot die hevig brandende, -meest met oranje bloemen versierde planten, die in onze tuinen soms -als Loasa gekweekt worden. De Mentzelia's echter branden niet, maar -treffen u door een rijken en aangenamen reuk, vooral des avonds, als -de bloemen open zijn. De gelijkenis op den genoemden Cactus is oorzaak -dat deze bloem, die ook in de omliggende woestijnen niet zeldzaam is, -met den naam van Night blooming Cactus [10] wordt aangeduid. - -Omtrent het zooeven genoemde Bitter-Root valt nog op te merken, -dat het in ongunstige jaren zeer zeldzaam, doch in betere jaren -soms zeer algemeen is, vooral rondom Mammoth Hot Springs. Het heeft -fraaie stervormige bloemen, die op korte stelen dicht boven den grond -groeien. De Indianen gebruikten de wortels als voedsel, en later is -deze bloem gekozen om de State-flower van Montana te zijn. - -Vergeetmijnietjes zijn vertegenwoordigd door Myosotis alpestris, -Primula veris door een verwante soort, de Clematis gelijkt in -hooge mate op onze heggeranken, ofschoon de soort een andere is -(C. Douglasii). Zoo zou ik voort kunnen gaan, maar liever dan -zulk een algemeen overzicht te geven, wil ik trachten den indruk te -schetsen dien ik op een wandeling in het bosch en langs de boschbeken -gekregen heb. Het was dicht bij het hôtel bij het meer. Rondom -het Yellowstone-meer is het bosch mooier dan in de streek der -geyser-bassins. De boomen zijn voller in hun groen; minder talrijke -doode stammen ontsieren het bosch, en de flora is rijker. Wellicht -staat dit in verband met de minder scherpe tegenstelling van dal en -berg en met de talrijke beekjes, die hier van de bergen afvloeien. Die -beekjes loopen dan niet over rotsblokken springend omlaag, maar vormen -een smal dal, met drassigen bodem. Op dien bodem ziet men dan geen -dennen, maar dicht gras. Deze smalle dalen zijn zoo moerassig, dat -zij dikwijls moeilijk toegankelijk zijn, en de wegen, die er dwars -overheen gaan, zag ik dan ook met dennenstammen hard gemaakt, evenals -bij ons de oude veenwegen, die uit dwarsliggende dennenstammen gemaakt -werden. In die dalen zijn de talrijke omgevallen dennenstammen voor -den plantenzoeker dikwijls het eenige middel om zijn doel te bereiken, -en van stam op stam stappende vond ik allerlei bloemen. Sterk werd -ik herinnerd aan de overeenkomstige dalen in de Alpen en in het -Schwarzwald. - -Ook op de hellingen liggen talrijke doode stammen. Het zijn meest de -dunste en ijlste boomen van het bosch, en deze groote sterfte maakt -dan den indruk van een zelfreiniging, waarbij de zware stammen meer -ruimte voor hun groei krijgen. Merkwaardig is, dat bijna al deze -stammen zonder schors zijn; de schors vergaat hier sneller dan het -hout en de witgrijze tint, die het hout aanneemt, doet de stammen -sterk in het oog vallen. Deze afwezigheid van de schors doet enkele -eigenschappen van het hout gemakkelijk waarnemen. Allereerst den loop -der vezels en der barsten. Deze is slechts in weinig stammen evenwijdig -met de as, maar loopt er gewoonlijk in een schroeflijn om heen. En -wel in talrijke windingen, iets wat natuurlijk voor de duurzaamheid -van planken, die men er uit zou willen maken, zeer nadeelig is; -daarenboven barst en scheurt het hout zeer sterk, en in de barsten -en scheuren rot het spoedig, zoodat men dikwijls stammen vindt, die -men met den voet in dunne plankjes uiteen kan drukken. Die plankjes -loopen dan in de richting der beschreven barsten. - -Een andere bizonderheid van de dennen valt overal op, namelijk de -neiging om heksenbezems en knoesten te maken. Of eigenlijk moet -ik dit een vatbaarheid noemen voor de ziekten die de oorzaak van -den afwijkenden groei zijn. De heksenbezems zijn takken die als -dikke bezembundels vertakt langs den stam omlaag hangen en dikwijls -vruchteloos trachten zich op te richten. Vlak bij den stam is zulk een -tak dan knoestig. Tusschen de gezonde, dwars uitstaande en gelijkmatig -omhoog gebogen takken vallen deze zonderlinge vormen zeer sterk in het -oog. De knoesten ziet men meest aan de stammen, die zij op de vreemdste -wijze doen draaien en opzwellen, en in het rustiek gebouwde Hôtel van -het Upper-Geyser-bassin heeft men van die knoesten aan trapleuningen -en zuilen een eigenaardig gebruik gemaakt, om daardoor het landelijke -van dit bijna geheel uit ongezaagde boomstammen opgetrokken gebouw nog -te verhoogen. Van de brosheid van het hout overtuigt men zich het best -als men stammen ziet die omgevallen en daarbij in hun midden dwars -doorgebroken zijn. Dit omvallen schijnt elken winter te gebeuren, -en hier en daar zag ik de stammen nog schuin over de rijwegen in het -bosch liggen. - -Aan kleine heesters is het bosch niet rijk. Kruisbessen, wier -bessen niet grooter zijn dan erwten; Cotoneasters met even kleine -mispelachtige vruchten; bloeiende roosjes, enkele berken en in de -moerassige dalen vooral wilgen in verschillende soorten. Bizondere -opmerkingen verdient de Elaeagnus of het zilverblad, kenbaar aan -het zilver-overtreksel van de onderzijde der bladeren, dat met de -loupe blijkt uit tallooze fijne stervormige schildjes te bestaan. Ik -vond er hier geen vruchten aan, maar in Noordelijk Californië zag -ik de takken beladen met de roode bessen, sierlijk gebogen onder -dien last. De bessen zijn eetbaar, en zooals ik elders opmerkte, -tracht Burbank ze te veredelen om ze tot een gewone tafelvrucht te -maken. Overal over rotsblokken en omgevallen stammen, zoowel tegen -de hellingen als in de moerassen, ziet men een heestertje dat groeit -als de Azalea's der Alpen, en dat tot een bizonder geslacht, Ledum, -behoort, omdat zijn vijf witte bloemblaadjes los van elkander op den -bloembodem ingehecht zijn. Meest waren zij uitgebloeid, maar hier en -daar zag ik toch nog de ronde, helder witte schermen der bloemen. Zeer -kleine boschbessen, wier vruchten op roode kraaltjes gelijken, ziet -men bijna overal in de menigte, en hier en daar ook eene andere soort, -overeenkomende met de moeras-boschbes. - -Een groot aantal wilde planten herinnert sterk aan onze -alpen-planten. Het zijn meest lage gewassen met groote bloemen -of rijke tuilen of trossen. Langs kabbelende beekjes zag ik een -rondbladerige steenbreek bloeien, gelijk aan onze Meniste-zusjes, -maar met sappig blad. Donkerblauwe aconieten en lichtgele akelei; -groote gele Trollius, talrijke soorten van Potentilla en van -Geum, de hooge witte alpenklaver, allerlei soorten van eereprijs, -bloembiezen, Hedysarum, witte en roode Geraniums, Composieten als -Doronicum en Arnica, alpen-aardbeziën en allerlei andere soorten -kunnen hier genoemd worden. Een veelknoop hield het midden tusschen -onze dubbelgedraaide soort (Polygonum Bistorta) en de kleine verwanten -der alpen (P. vivipara). De Primula's waren vertegenwoordigd door -de fijne langstralige schermen van een witbloeiende Androsace. Van -de Mimulus zag ik niet alleen de gele, maar ook een fraai paarsroode -soort in menigte langs de beekjes. - -Typische geslachten ontbraken natuurlijk niet, deels zulke, als men -bij ons niet ziet, deels die bij ons in botanische tuinen gekweekt -worden. Onder de eerste noem ik de sierlijke roode penseeltoppen -van den Indian paint brush (Castilleia), een andere soort dan aan -de kusten van Californië, slanker en minder behaard, maar met toppen -van roode schutbladen evenals deze. Verder een lichtgele Eriogonum, -een der alleralgemeenste bloemplanten overal waar het bosch maar -eenigszins open is. Onder de laatste groep verdient allereerst een -Phlox genoemd te worden. Het is een laag kruipend plantje met vrij -groote witte bloemen, die alleen staan, doch overigens met die van -onze najaars-seringen overeenkomen. De bladeren zijn naaldvormig. De -bloemen waren nu eens vijf- dan weer vierstralig. Een fijne soort van -Polemonium met blauwe bloemen, en een soort van Phacelia met rozetten -van wortelbladeren en opstijgende stengels, die kluwens van bleek -purperen bloemen droegen, en eindelijk de meest gewone plant dezer -bosschen, de blauwe lupinen, waarvan men overal de vingervormige -bladeren en de blauwe bloemtrossen ziet. Van deze soort vond ik ook -een wit en een rose exemplaar. Trouwens ook van de blauwe gentiaan -en van de gewone blauwe klokjes trof ik in dit bosch een enkele maal -een groepje met zuiver witte bloemen aan. De variabiliteit is hier -dus al juist zooals bij ons. - -Een vrij groot aantal soorten komt met bij ons inheemsche wilde planten -min of meer overeen. Onder deze trof mij vooral de Parnasbloem. Onze -Parnassia heeft vijf groote, breede witte bloembladeren, die elk -een straalvormig vertakt, groen en geel, schubvormig aanhangsel -dragen. Die aanhangsels zien er uit als onechte meeldraden. Hier -bloeide de Parnassia langs de beken met smalle witte bloembladeren, -die ter weerszijden een fraaie witte franje droegen, en hadden zij -elk een kort en onvertakt, groen en geel gekleurd kliertje. Overigens -was de bouw van de bloem en de plant dezelfde als bij onze soort. Van -het wintergroen of Pyrola bloeiden hier twee soorten. Een precies -zoo als de onze, die in onze duinvalleien zoo heerlijk ruikt, maar -hier had de plant vrij donker roode bloemen. De andere kwam meer -met de Pyrola secunda overeen, daar alle bloemen naar eene zijde van -den tros overhingen. Kleinbloemige witte Orchideeën waren talrijk, -en een andere plant, een soort van Pedicularis, geleek sprekend op -een roode Orchidee met smallen tros, b.v. op een Gymnadenia. Het was -de Olifantsbloem, zoo genoemd omdat uit den groenen kelk een kroon -uitsteekt, die precies op een olifantskop gelijkt. Men ziet den kop -met den eerst omlaag, daarna omhoog gebogen, dunner uitloopenden -snuit, en terweerszijden van den kop twee groote olifantsooren, maar -van rose kleur. Enkele andere soorten mogen nog genoemd worden. Een -kruisbloem als onze Sisymbriums viel op, doordat de lange groene -hauwen steeds loodrecht langs den tros naar beneden hingen, inplaats -van rechtop te staan. Verder zag ik Asters in alle kleuren, van zuiver -blauw tot zuiver rood, zeer talrijk, maar steeds als lage planten, -een plantje dat veel op Salomons-zegel geleek, maar niet bloeide -(Smilacina), Gnaphalium's, beek-Veronica's, roodbloemige uien, gele -Sedums, biezen en bloembiezen, wederikken en grassen, te veel om op -te noemen. Langs de beken groeide een fijne smeerwortel met lange -smalle helder blauwe bloemen. - -Mossen en korstmossen, gallen en vergroeningen zag ik hier en daar -in vormen met de onze overeenkomende. Het schildmos of Peltigera, en -het bekermos of Cladonia was van onze soorten niet te onderscheiden, -evenmin het haarmos of Polytrichum. Op doode boomstammen groeide -een fijn vertakt korstmos, als onze grijze Ramalina's, maar geheel -zwavelgeel, en daardoor bizonder fraai. De wilgen droegen ronde gallen -en door 't blad heen gegroeide, evenals er bij ons door bladwespen -op gemaakt worden, en de meest merkwaardige vergroeningen van bloemen -toonden het duizendblad en eenige andere planten. - -In het algemeen was de indruk van de flora in het begin als die -van een geheel vreemde, maar veranderde die indruk bij het nader -bezien der bloemen zeer spoedig. Dezelfde typen en dezelfde vormen, -die wij uit ons eigen land en uit Duitschland en Zwitserland kennen, -vindt men hier, maar bijna altijd met soortgelijke verschillen. Men -herkent ze gemakkelijk en is toch getroffen door hun bizondere, soms -zeer merkwaardige eigenschappen. Meer rijkdom dan bij ons schijnt de -flora hier niet te bieden, terwijl het voorkomen van groote bloemen -of bloemgroepen met treffende kleuren aan de valleien in onze duinen -en op onze Noord-Hollandsche eilanden en verder aan de weilanden op -de Alpen herinneren. - - - -Na deze beschrijving van de landstreek en haar bloementooi ga ik over -tot de bespreking der warme bronnen en geysers, en begin met die, -welke den naam Mammoth Hot Springs voeren. Zij vormen het eerste punt, -dat de reiziger bezoekt, als hij van Gardiner, in het Noorden, het -Yellowstone-park ingaat. Dit punt ligt ruim een uur rijden ten zuiden -van den ingang van het park. Men vindt hier, zooals ik reeds opmerkte, -een hôtel en het militaire station, dat het centrale punt voor den -politie-dienst in het park is. De behoeften, daaruit ontsproten, -hebben allengs rondom deze twee een klein dorp van winkeltjes en -werkplaatsen doen ontstaan. Een post-bureau, een curiosity-shop [11] -een winkel met kunstmatige versieringen uit de bronnen, en de stallen -van de transportatie-maatschappij zijn daaronder voor de bezoekers -de belangrijkste. - -De warme bronnen bevinden zich op de uitloopers van een der omliggende -bergen. Voor het grootste gedeelte liggen zij verscholen in het -bosch, maar schuin tegenover het hôtel is de berg, die ze draagt, -bijna geheel zonder boomen, een krijt-witte, afgeronde massa vormend, -die, van het hôtel uit gezien, onsierlijk is en in de zonnestralen -te sterk schittert, maar die van nabij bezocht als het ware bezaaid -is met de grootste wonderen der natuur. - -Deze bronnen kan men in de eerste plaats verdeelen in werkzame -en uitgedroogde. Slechts een klein deel is feitelijk werkzaam, en -daarvan zijn de meeste op den bedoelden heuvelrug vereenigd. Maar -ook op dezen rug en op de hellingen bedekken zij niet het geheele -oppervlak. Integendeel zou men kunnen zeggen dat de geheele berg uit -opgedroogde bronnen bestaat, hier en daar afgewisseld met enkele -werkzame. Men kan dan ook nagenoeg overal loopen en een aantal -voetpaden doorkruisen de streek. Op die voetpaden moet men bij voorkeur -blijven, want het gesteente is zacht en wordt gemakkelijk tot poeder -vertrapt. Waar niet geloopen wordt, vertoont het daarentegen overal de -gekronkelde lijnen, die eenmaal elk de omtrek waren van een bassintje -met warm water. Zoo is de geheele berg, zoowel in het bosch als op -de onbegroeide gedeelten. - -De bedoelde heuvel, waarop de meeste bronnen zijn, loopt langzaam -op tot omstreeks 100 M. boven de vlakte van het dal, waarin -het dorp gelegen is. Het is een uitlooper van een hoogeren berg, -die er achter gelegen is. Deze berg zelf heeft geen warme bronnen, -behalve in de onmiddellijke nabijheid van zijn voet. Maar er zijn nog -meer zulke bronnen-rijke uitloopers, die, van het hôtel uit gezien, -meer naar achteren liggen, en waarlangs de rijweg de toeristen eerst -den volgenden dag voert. Op die uitloopers echter zijn de bronnen, -met zeer enkele uitzonderingen, sinds eeuwen droog, en ziet men -nog slechts de gesteenten die zij voortgebracht hebben. De hoogste -uitlooper heet Terrace Mountain en is 500 M. hoog. - -Het gedeelte dat gewoonlijk bezocht wordt, wordt eenvoudig "the -terraces" [12] genoemd, omdat de afzettingen rondom de bronnen steeds -den vorm van terrassen aannemen en dit vooral dan duidelijk doen, -als zij zich op een hellend gedeelte van den heuvel bevinden. Het -beste denkbeeld van de uitgestrektheid dezer formatie verkrijgt men -als men weet dat volle twee uren noodig zijn om de gewone wandeling -langs de merkwaardigste punten van "the terraces" te maken, waarbij -men dan Terrace Mountain slechts uit de verte ziet. Want de geheele -formatie strekt zich over een lengte van ruim drie mijlen langs de -Gardiner-rivier uit. - -Vele terras-groepen, en vooral die, welker bronnen op dit oogenblik -werkzaam zijn, hebben afzonderlijke namen ontvangen, en door -naambordjes wordt men hieromtrent ingelicht, als men zonder gids deze -wonderen bezoekt. En dit doet men bij voorkeur, want ze zijn te schoon -en te treffend, en vooral te rijk aan afwisseling om ze door de oogen -van een ander te bekijken, en om daarbij niet wat verder te gaan dan -de gewone routine. - -Een overzicht over de voornaamste bronnen moge eenig denkbeeld geven -van wat de natuur hier biedt. Allereerst ziet men, van het hôtel uit, -vóór den berg en vrij op de vlakte van het dal staande, een hoogst -eigenaardigen kegel, den Liberty-cap [13]. Dit is eigenlijk meer een -zuil met afgeronden top dan een kegel. De zuil is 17 meter hoog en -7 meter in diameter en bestaat als het ware uit een aantal schotel- -of panvormige schalen, die omgekeerd op elkander gestapeld zijn. De -randen zijn door den tand des tijds ruw afgebroken en de bovenste -schalen hebben den vorm, die aanleiding gegeven heeft tot den -naam. Een weinig verder op, en leunend tegen den heuvelrand, staat -een kleine dergelijke zuil met minder afgebroken schalen, en dus nog -bijna geheel door de buitenste laag bedekt. De naam duidt ook hier -eenigszins den vorm aan en luidt "Devil's thumb" [14]. Beide kegels -zijn oude formaties en brokkelen voortdurend af. Het eerste blijkt -uit de talrijke roodbruine korstmossen, waarmede zij begroeid zijn, -en het laatste uit de afgevallen brokken der schalen, die rondom hen -op den grond liggen. - -Gewoonlijk gaat men den heuvel aan de noordelijke zijde op, om langs -de zuidelijke, dat is die waar hij aan de hoogere bergen aansluit, -terug te komen. Men bezoekt dan de beide fraaiste terrassen het eerst, -en krijgt, daar zij zeer verschillend zijn, een voorloopig overzicht -over hun formatie. Het eerst bereikt men, halverwege de hoogte van den -berg, het Minerva-terras, daarna, op het eind van den heuvelrug, het -terras van Jupiter. Dit laatste geeft het beste denkbeeld. Het bestaat, -als men het van een hoogeren bergtop beschouwt, uit twee donkerblauwe -oogen. Het zijn twee groote natuurlijke vijvers, die bijna rond en -met een prachtig doorschijnend donkerblauw water tot aan den rand toe -gevuld zijn. De rand en de bodem, voor zoover men die zien kan, zijn -van het zuiverste wit, en overal golvend. De kleurschakeeringen, die -daardoor ontstaan, zijn onovertreffelijk schoon, en het is een groot -genot in de heldere blauwe diepte te kijken. Telkens als ik kon, heb ik -mijn weg zóó gekozen, dat ik langs dit terras kwam, en steeds boeide -het mij in gelijke mate. Geysers heeft men spoedig afgezien, maar -langs de warme bronnen zou men weken lang elken dag willen wandelen. - -In die twee vijvers kookt het water heftig. Of liever, de vorm is -die van een trechter of trompet, en uit de diepte van de buis stijgen -stoom en kokend water op. In elken vijver is een plaats waar men dit -opborrelen op de oppervlakte reeds van verre ziet. Het opstijgende -water vloeit dan over en door de voorhanden watermassa heen en -houdt deze op een temperatuur, die aan die van kokend water nabij -komt. Het vult de vijvers en doet ze overvloeien, en dit overvloeien -is de eigenlijke bron van de terrasvormingen. Want de beide vijvers -liggen op een vrij vlak plateau, en nemen daarvan het hoogste punt -in. Het water vloeit dus overal over den rand en bedekt de vlakte in -zeer ondiepe stroomen. In deze ontstaan lage dwarswalletjes, die het -water tegenhouden. Deze volgen elkaar, op de weinig hellende vlakte, -regelmatig op, en veranderen zoo het terrein in een stel van zuiver -horizontale terrassen. Op elk terras staat een duimbreed water of -iets meer, komt er nog meer in, dan vloeit dit naar het volgende -terras over. Zoo is de geheele omgeving der beide groote blauwe oogen -met ondiepe bassins bedekt, en slechts op een zeer enkele plaats kon -men droogvoets er zoo dicht bijkomen, dat men in de diepte der oogen -kijken kon. - -Ten slotte vloeit al dit water over den heuvelrand omlaag. Daar heeft -het een vertikalen wand gevormd, waarlangs het met groote snelheid -afglijdt. Dan komt het weer op een hellend gedeelte. Hier is de -helling te steil voor de vorming van grootere bassins of bakken, en -vloeit het water over talrijke, zeer kleine kommetjes gelijkmatig naar -beneden. Ten slotte komt het tegen den rijweg aan en wordt daar door -een greppel opgevangen en zijwaarts geleid. Het is dan nog zeer warm. - -Kabbelend vloeit het water en het vormt den bodem als het ware naar het -beeld zijner beweging. Het natte rotsoppervlak is bedekt met tallooze, -grootere en kleinere golvingen, die in de sierlijkste bochten dwars -op de stroomrichting staan. De kleinere heuvellijnen worden door het -water eenvoudig overstroomd, de grootere houden het een tijd lang tegen -en worden zoodoende tot de randen der bassins. Ook op den vertikalen -wand ziet men die dwarsche plooien, ofschoon hier de richting van -het water meer aanleiding geeft tot het ontstaan van zuilen, die aan -stalactieten of wel aan de naast elkander geplaatste pijpen van een -orgel herinneren. - -Al dit gesteente bestaat uit kalk, die door het water wordt -afgezet. Even als ons duinwater met kalk beladen is, en dit bij koken -of bij lang staan aan de lucht als een dunne witte neerslag afzet, -evenzoo wordt ook hier de opgeloste kalk uit het water in vasten vorm -overgebracht. Maar de hoeveelheden zijn natuurlijk geheel andere, en -de verschijnselen, die in ons land het bekende meertje van Rockanje -vertoont, komen aan de kalkafzettingen uit de heete bronnen van het -Yellowstone-park nog het dichtst bij. - -De afgezette kalk heeft een zeer eigenaardige, poreuze structuur, -geheel anders dan die van gewone kalksteen. Zij draagt den -bizonderen naam van travertijn. De geheele heuvelgroep bestaat uit -dit travertijn. Deze poreuze structuur hangt, zooals wij weldra zien -zullen, ten nauwste met de wijze van ontstaan samen en is de oorzaak -van de snelle en gemakkelijke verweering van het gesteente. - -Het Minerva-terras onderscheidt zich van het Jupiter-terras zeer -sterk. Het ligt op een sterk hellenden heuvelrand en bestaat uit een -aantal vrij groote vijvers die trapsgewijze boven elkander liggen. In -een der bovenste vijvers is de warme bron, en het overvloeiende -water vult de lagere. Vele vijvers liggen een of twee meters boven -hun lagere en evenveel onder hun hoogere buren. Zij zijn dan elk -voorzien van een vertikalen wand met stalactieten en versteende -orgelpijpen. Hierdoor ontstaat een systeem van grootere en kleinere -terrassen, te zamen meer dan honderd in aantal en van onovertrefbare -schoonheid. Natuurlijk vloeit het water niet over al die terrassen, -want de minste breuk in een of anderen rand kan het bij voorkeur -naar één zijde doen stroomen. Sommige terrassen zijn dus actief, -andere droog. Tijdens mijn bezoek waren verreweg de meeste droog en -toegankelijk, en stroomde het water slechts over een breeden band in -het midden. - -Ook hier is het water weer donkerblauw en volkomen helder. Maar het -bassintje waarin het opbruist en kookt, heeft slechts enkele meters -in doorsnede en boeit niet zeer sterk. Het fraaist is de groep als -men hem van ter zijde op korten afstand beschouwt. - -Al die wanden zijn, zooals ik reeds zeide, uit bros travertijn -opgebouwd. Zij brokkelen voortdurend af. Grootere en kleinere brokken -ziet men in de diepte, aan den voet der geheele formatie liggen. De -toer door het park is zóó ingericht, dat men na vijf dagen te Mammoth -Hot Springs terug komt. Ik heb dus het terras beide keeren bezocht, -en daar ik den eersten keer een goed beeld in mij had opgenomen kon -ik, na vijf dagen, zien hoe een halve wand voor aan de terrassen -in dien tijd was afgebroken en uiteengevallen. De stukken lagen -nog ter plaatse en pasten nog aan de versche breukvlakken. Maar -voor mij werd daardoor de inwendige structuur op een zóó duidelijke -wijze zichtbaar, als noch door een beschouwing van het uitwendige, -noch door het onderzoek der oudere, steeds meer of min afgebrokkelde -formatiën, kon worden verkregen. De geheele inwendige massa bestond -als het ware uit een herhaling van het orgelpijpen-systeem, nu eens -met pijpen zoo dik als een potlood, en dan weer met dikkere. - -Vlak achter het Jupiter-terras, dus op een uitgestrekt plateau, -ligt een systeem van kronkellijnen als randen van vroegere, vlakke -bassins. Maar dit alles is geheel droog en ten deele vertrapt en -verweerd. Iets verder ziet men het terras van Cleopatra, uit een -stelsel van vrij groote, maar lage bassins bestaande. Het heeft dit -eigenaardige, dat al het water, dat in vrij groote hoeveelheid uit -de bron in het bovenste bassin omhoog komt, ten slotte, na al de -bassins gevuld te hebben, zich weer verzamelt en met groot geraas in -een diepe spleet in de rotsmassa verdwijnt. - -Het terras van Cleopatra grenst aan het bosch, en de verdere formaties -liggen meest alle in het bosch, zoo zij niet, door het bedekken van den -grond met dikke kalklagen, dit bosch gedood hebben. Zulk een dood en -aan de randen stervend bosch ziet men dicht bij, op de terrasvormige -hellingen van een grooteren heuvel. Het is allermerkwaardigst om -na te gaan hoe het kalkhoudende water zich, bij het voortbrengen -van randen en bassins, aan de aanwezigheid van boomen en planten in -het geheel niet gestoord heeft, maar eenvoudig met de productie der -allerfraaiste, zuiver witte vormen is voortgegaan, alsof deze niet -gemaskeerd en onderbroken werden door de doode, zwarte, bladerlooze -stammen. Honderden van die boomen, op deze wijze gedood, ziet men -hier te midden der terrassen van travertijn. Verderop ziet men overal -op de wandeling hetzelfde, maar de formatiën zijn daar al zoo oud, -dat de doode stammen verdwenen en door levende vervangen zijn, en dat -een prachtig bosch de terrasvormingen overdekt en voor een groot deel -aan het oog onttrekt. Nog werkzame bronnen zijn hier zeldzaam. - -Daarentegen komt hier een andere zijde van het verschijnsel voor -den dag. Het zijn de rotsspleten. Over een lengte van verscheidene -tientallen van meters, en soms veel meer, is de travertijn-rots -opengespleten. De spleet kan nog open zijn, of door het afbrokkelen van -haar randen gedeeltelijk weer gevuld. Zij kan werkzaam of onwerkzaam -zijn. In het eerste geval ziet men een lange reeks van kleine bronnen -uit haar te voorschijn komen; door het invallen van steenbrokken en -door de formatie, die zij zelven afzetten, zijn dan die bronnen van -elkander gescheiden. Soms zijn die bronnen kleine zichtbare vijvertjes -vol water; soms echter ligt hun water in de diepte en kan men het -niet of bijna niet zien; men hoort dan echter het koken en ziet de -ontwijkende stoom. Vroeg of laat wordt zulk een barst, door dezelfde -oorzaak die haar deed ontstaan, wijder of krijgt zij zijbarsten, -en dan verdwijnt het water daardoor weer in de diepte en wordt de -barst onwerkzaam en droog. Op het Angel-terrace, op het zuidelijk -gedeelte van denzelfden heuveluitlooper, zag ik zulk een barst, die -klaarblijkelijk oud was maar eerst onlangs weer opengebarsten. Een -aantal kleine kegeltjes, zoo groot als omgekeerde emmers en grooter, -waren op den barst ontstaan, doordat het overvloeiende water hun randen -snel had doen groeien. Van binnen waren zij hol, en de zuiverheid van -het binnenvlak deed vermoeden, dat zij nog niet lang geleden actief -geweest waren. Maar de nieuwe barst had ze overlangs opengespleten, -aan twee zijden van boven naar beneden, en zoodoende het water doen -wegvloeien. In de kleinere was de spleet een handbreed of minder; -maar in den grootsten kegel was zij zoo breed dat ik er door heen -kon loopen en de inwendige kolk kon bereiken, zonder de randformatie -te beschadigen. - -Veel oudere barsten zijn soms veel wijder. De wijdste die ik zag, -wordt genoemd Devil's Kitchen [15]; men kan hierin door middel van -een ladder tot op een diepte van een tiental meters afdalen. De -diepere ruimte bevat lucht die met koolzuur sterk bezwangerd en dus -doodelijk is, zooals uit de overgebleven gebeenten van allerlei dieren -blijkt. Maar daar is de spleet zoo smal, dat men er niet in kan komen. - -Zulke barsten ziet men dikwijls in den vlakken grond, zoowel die met -werkzame bronnen als met uitgedoofde. Maar ook komt het voor, dat een -smalle heuvelring, die eenmaal uit travertijn werd opgebouwd, over zijn -lengte gespleten en daardoor onwerkzaam geworden is. De Devil's Kitchen -ligt in zulk een rug. Die ruggen zijn maar weinige meters breed en -dikwijls meer hoog dan dik. De White Elephant is een der meest bekende -formatiën van dien aard, en geeft door zijn naam den vorm vrij wel aan, -als men alleen aan den romp van het dier denkt. Andere zulke ruggen -zag ik rondom Angel terrace, en een zeer fraaien bij den pulsating [16] -geyser, die geen geyser, maar een gewone warme bron is. Een uitvoerige -beschrijving van een actieve en nog jonge spleet zal ik later geven, -als ik mijn waarnemingen over den Orange-geyser bespreek. - -Bath Lake [17] is een groote vijver of klein meertje, in een diep -gedeelte van een der dalen tusschen de travertijn-heuvels gelegen, -dat ook voor baden gebruikt wordt. De warme bron bevindt zich aan -een der zijden, maar het meertje is zoo groot, dat het daardoor op -een aangename temperatuur gehouden wordt. Het instroomende water -vloeit ergens weer door een spleet weg. Hier als in de blauwe oogen -van Jupiter overtreft de heerlijke doorschijnendheid van het water -alles wat men zien kan. De kleine wolken aan den hemel worden op de -oppervlakte teruggekaatst en in de diepte ziet men overeenkomstige, -wolkachtige beelden van de zachte en glibberige, in allerlei bochten -en rondingen omhoog dringende en groeiende travertijn-gesteenten. De -fijnste trekken van dezen bron kan men op groote diepte zien, en -allerlei voorwerpen, als takken en bladeren van boomen, ziet men er -liggen, reeds bedekt door een fijne, groeiende kalklaag, maar nog -goed herkenbaar. Hier en daar neemt het levende travertijn bruine en -blauwe, gele en roode tinten aan, in onnoemelijke schakeeringen. Het -kleurenspel is even zacht en boeiend als het onuitputtelijk is. - -Na deze zeer onvolledige beschrijving kom ik tot de bespreking van -de verklaring der behandelde verschijnselen. Allereerst wil ik dan -trachten de levenswerkingen van het travertijn te beschrijven, om -eerst daarna de aandacht te vestigen op de bronnen van het water en -van de kalk, en vooral op de bron van de warmte. - -In kalkhoudend water pleegt de kalk door middel van koolzuur te -zijn opgelost. Verdwijnt dit, zoo slaat de kalk neer. Nu zijn er in -het algemeen twee middelen, die het koolzuur uit water kunnen doen -verdwijnen. Allereerst de gewone verdamping. Zooals iedereen weet -verdampt uit ons duinwater het koolzuur, als dit water eenvoudig open -aan de lucht staat, en wel des te sneller naarmate het warmer is. Uit -het water der heete bronnen kan dus het koolzuur ontwijken, zoodra -het aan de oppervlakte komt. Maar als er een overmaat van dit gas in -het water is opgelost, behoeft de kalk dan nog niet neer te slaan, -zooals zij bij het staan van duinwater aan de lucht doet, of zooals -blijkt uit de ketelsteen, die zich bij het koken van water vormt. - -Het tweede groote middel, om koolzuur aan het water te onttrekken, is -het leven van planten. Het hoofdverschijnsel toch van de voeding -is juist het opnemen van dit gas en de verwerking er van tot -organische stof. De planten zijn hongerig en zouden gaarne veel meer -koolzuur nuttigen dan het water hun aanbiedt. Zij nemen dus ook de -laatste sporen er van op. Dientengevolge doen zij de kalk volledig -neerslaan. Dit neerslaan kan dan in of buiten de plant geschieden. Het -weefsel kan met kalk doortrokken worden, of het geheele gewas wordt -door een korst omgeven, of de kalk slaat in vlokken neer en zinkt op -den bodem. Onze gewone kranswieren doortrekken hun lichaam met de -neergeslagen kalk en worden daardoor witachtig en bros; men kan ze -haast niet drogen zoo bros zijn ze. Allerlei andere wieren verkalken -op deze wijze, zonder dat dit aan hun leven of aan hun groei schaadt, -en aan de kusten van Normandië vindt men zelfs wieren, die er uitzien -als witte en fijn vertakte koralen, en die geheel hard en kalkachtig -schijnen te zijn. Maar het microscoop doet overal de levende cellen -tusschen de afgezette kalkmassa's zien. Aan de kusten van warme zeeën -vindt men zulke wiersoorten, die zooveel kalk bevatten, dat men ze -eenvoudig voor een deel van den rotswand of voor steentjes in het -zand houdt, en het geslacht Lithothamnion of steenwier is een van de -meest bekende en vormenrijkste onder hen. - -Zoo is het ook in de bronnen van Mammoth Hot Springs. Nagenoeg alle -kalk wordt door wieren afgezet, en het microscoop toont in de jonge -groeiende lagen overal de groene, levende cellen. - -De geheele travertijn-rots, eenige mijlen lang en honderden meters -hoog, is het product van de werkzaamheid dier wieren, evenals -koraalriffen en de daaruit ontstane gebergten het resultaat van de -werkzaamheid der koraaldieren zijn. Maar de wieren, die het travertijn -voortbrengen, zijn over het algemeen zeer eenvoudig van structuur en -behooren tot de laagste afdeelingen. Het zijn deels draadbacteriën, -deels gekleurde vormen, die daarmede nauw verwant zijn. - -Een van de meest vreemde verschijnselen is, dat deze wieren bestand -zijn tegen warmtegraden, die andere wieren en hoogere planten niet -verdragen kunnen zonder te sterven. Elk blad en elke bloem sterft -dadelijk, als men ze dompelt in het water der heete bronnen. Slap en -verflenst komen zij er uit. Maar de kalkwieren dezer bronnen kunnen er -tegen. Natuurlijk echter in zeer verschillende mate. Er zijn er enkele, -die zelfs in het warmste, bijna kokende water groeien en tieren, en -andere, die af moeten wachten tot het water afgekoeld is tot juist op -die graden, die voor het gewone leven de uiterste grenzen vormen. Maar -op die grenzen tieren zij dan ook bij voorkeur. In het algemeen kan men -zeggen dat het de kleurlooze, witte of lichtgele draadbacteriën zijn, -die die hoogere temperatuur verdragen, terwijl zoodra een groene -of daarmede verwante kleur de organen voor de voeding doortrekt, -de temperatuur niet hooger mag zijn, dan de hoogste grenzen voor het -gewone plantenleven. - -De wanden der kokende vijvers en het eerste begin der overvloeibeekjes -zijn dus het gebied der draadbacteriën, terwijl in de volgende -bassins en in hun latere overvloeiïngen de groene en roode en bruine -en gele wieren in alle schakeeringen van den regenboog, tot bijna -zuiver zwart toe, welig tieren. Ginds het zuiverste wit, hoogstens -in licht zwavelgeel overgaand, hier een rijkdom van fraaie en meestal -schitterende kleuren, in de grootste wisseling die men zich denken kan. - -Het kookpunt van water ligt, op de hoogte waarop het geheele -Yellowstone-park gelegen is, niet zooals bij ons, bij 100° C. of 212° -Fahrenheit. Het is aanzienlijk lager en bedraagt slechts 92° C. of -198° Fahr. De hoogste temperaturen, waarbij wieren levend gevonden -werden, waren omstreeks 85° C. of 185° Fahr., dus slechts weinige -graden lager dan het kookpunt. Het zijn verschillende soorten van -draadvormige bacteriën, waarvan sommige de witte golvende wanden -van de vijvertjes bekleeden, en andere in lange, buigzame en door de -stroompjes heen en weer bewogen draden van meest bleek gele kleur in -de overvloeibeekjes gezien worden. Onder de laatste speelt vooral -de zwavel-bacterie of Beggiatoa (zoogenoemd naar een Italiaansch -plantkundige) een hoofdrol. Zij ontleedt de zwavelzure zouten, maakt -de zwavel vrij, zet die in korreltjes in haar cellen af en verkrijgt -daardoor haar gele kleur. Zij leeft in water van 150--165°. Hoogere -temperaturen verdragen Leptothrix laminosa (135--185° F. = 58°--85° -C.) en Phormidium (165° F.) - -De gewone levensgrens voor planten ligt omstreeks 50° C. of 120° -Fahr. Zoodra het water een lageren warmtegraad bereikt heeft, -laat het den groei van eigenlijke wieren, met echt bladgroen, -toe. Talrijke soorten, alle met een zeer eenvoudigen cellenbouw, -worden dan aangetroffen. Zij behooren tot verschillende geslachten, -als Chroöcoccus, Gloeocapsa en andere; ja, zelfs enkele met onze -gewone flab verwante soorten van Conferva, zijn in heete bronnen -waargenomen. Het zou mij echter te ver voeren hier op de namen of de -kenmerken dier wieren te willen ingaan. Zij bestaan meest uit kleine -ronde of rondachtige cellen, die onderling tot draden en vliezen -vereenigd zijn. Voor hun beteekenis voor de warme bronnen is vooral -van belang dat zij in soms dikke slijmlagen gehuld zijn, en het is -een zeer merkwaardige ondervinding, als men de allerbuitenste laag -van de travertijn-massa niet alleen gekleurd ziet, maar ook op het -gevoel als een zachte gelei gewaar wordt. Maar men moet zijn vingers -daartoe steken in water dat zoo heet is, dat men zich branden zou -als men er even te lang in bleef. - -Al deze wieren nu maken samen het travertijn. En daar de eene soort -draadvormig en de andere vliezig is, de een in opstaande lijsten en -de ander in vlakke overtreksels groeit, daar er verder in stil water -meer opstaande koraaltjes en in stroomend water meer lange draden -ontstaan, en er allerlei andere kleine verschillen in hun levenswijze -zijn, kan men de eigenaardigheden van randformatie en bassinvorming, -van stalactieten en orgelpijpen en van allerlei andere zeer fraaie -trekken gemakkelijk verklaren. Ik wensch dit echter uit te stellen -tot de beschrijving van enkele der merkwaardigste bronnen. - -Over den oorsprong van het heete water wil ik kort zijn, te meer -omdat ik daarop bij de bespreking der geysers uitvoerig terugkom. Op -de hoogere bergen valt de regen, en het water wordt voor een deel -in den humusachtigen bodem der bosschen teruggehouden. Hier belaadt -het zich met het koolzuur dat in dien humus rijkelijk ontstaat. Een -volgende regenbui doet het in den ondergrond verdwijnen, waar het door -de spleten in de rotsen ver in de diepte kan komen. Bestaat nu dit -rotsgesteente uit kalk, zoo belaadt zich het koolzuurhoudende water -daarmede, terwijl het verder vloeit. Dringt het in lagen die door de -onderaardsche warmte tot 100° C. en hooger verwarmd zijn, zoo kan het -die temperaturen aannemen, en dus, als het later weer te voorschijn -treedt, dit doen in den vorm van heete bronnen. Deze beweging van -het water is, afgezien van de temperatuurverschijnselen, geheel -overeenkomstig met wat elders, vooral in streken van kalkgebergten, -gezien wordt. Iedereen weet dat in de Grotte de Han de rivier aan -de eene zijde den berg instroomt, om door de onderaardsche grotten, -gangen en spleten, aan de andere zijde weer te voorschijn te komen. Op -dezelfde wijze verzamelen zich de wateren van Mammoth Hot Springs -voor een groot deel in onderaardsche spleten, en bij het terras van -Cleopatra kan men ze, zooals ik reeds gezegd heb, rechtstreeks daarin -zien verdwijnen. Al dat water, dat tijdelijk aan de lucht geweest -is, als het ware met het doel om zijn kalk af te zetten, verzamelt -zich tot een onderaardschen stroom, die dwars onder de bergen door, -met een verval van 200 meters en over een afstand van meer dan een -mijl naar de Gardiner-rivier stroomt om zich daar als een waterval -van heet water in dien hoofdstroom uit te storten. Die watervallen -worden aan de toeristen onder den naam van Boiling-river [18] vertoond. - -Een zeer belangrijk punt is de vraag, waar de kalk vandaan komt. En -wel vooral, waar zooveel kalk vandaan komt dat een gebergte van enkele -mijlen gaans en van een hoogte van honderden meters daarvan in den -loop der tijden kan zijn opgebouwd. Natuurlijk moet een ongeveer even -groote rotsmassa daartoe opgelost en weggevoerd geworden zijn. Geheele -gebergten moeten verbruikt zijn, om het materiaal voor de nieuwe -travertijn-bergen te leveren. Dit is, hoe onverwacht misschien -voor sommige lezers, toch een uiterst eenvoudige en volkomen zekere -gevolgtrekking. Maar verder kan men zeggen, dat die oplossing in de -diepte en niet aan de oppervlakte is geschied, daar het water zich -daartoe steeds eerst in de humus-lagen van koolzuur moest voorzien. Er -moeten dus uitgestrekte grotten ontstaan zijn, zooals die trouwens -bijna overal in kalkgebergten worden aangetroffen. Wellicht bestaan -er in den omtrek van Mammoth Hot Springs nog dergelijke grotten, en -wellicht vormen zij, met hun stalactieten en stalagmieten, even groote -wonderen als de Hot Springs zelven. Maar zij zijn nog niet ontdekt, -en daar de zorgen voor het behoud van het park voor diepgaand onderzoek -niet bevorderlijk zijn, zullen zij wellicht nog lang onbekend blijven. - -Zulke uitgestrekte grotten echter, als hier noodig geweest zijn, -zullen wellicht gevolgd zijn door instortingen, die hun wanden -en gewelven in groote steenblokken omlaag wierpen. Men zou dan -een berghelling krijgen, overladen met huisgroote blokken, scherp -gebroken en niet afgerond, uit lagen van kalk bestaande en nu eens -met de lagen schuin, dan weer met de lagen vertikaal neergeworpen, -te groot en te talrijk om op die wijze door een gletscher te zijn -vervoerd. Werkelijk vertoont men u, op den rijweg ten zuiden van -Mammoth Hot Springs, zulk een terrein. Een klein halfuur rijdt men -tusschen die gevallen reuzen door. Het is de streek bekend als -"Silvergate and the Hoodoos." Silvergate [19] om de glinsterend -witte kleur der rotsblokken, die ter weerszijden van den weg op -elkander gestapeld liggen. Hoodoos om de vreemde vormen, die in de -avondschemering op sommigen den indruk van rondzwervende berggeesten -kunnen maken. Over meer dan een halve vierkante mijl liggen deze -blokken op de helling van den berg, als ruïnen van ongeziene trotsche -zalen en gewelven. - -Van de plaatsen die men bezoekt, is alleen Mammoth Hot Springs -op kalkgebergten gelegen; verder gaat de reis over en tusschen de -vulkanische gesteenten, wier hoofdbestanddeel geen kalk maar kiezel -is. Al de geysers en al de warme bronnen van het park, behalve deze -eene groep, hebben dus kiezelhoudend water; zij zetten sinters af en -geen travertijn. - -Daarmede is echter ook de boomgroei en de flora een andere, evenals ook -in Europa de kalkstreken gemakkelijk aan zeer bizonderen, meest zeer -bloemrijken plantengroei te herkennen zijn. De zwarte den, die elders -de bosschen vormt, is hier zeldzaam; de soorten die elders zeldzaam -zijn, vormen hier het eigenlijke bosch. De gewone boomen zijn hier -de witte den, Pinus flexilis, met naalden in bundeltjes van vijf, -met een witte schors en met kegels zoo groot als onze zee-den. Het -is een heel werk voor een eekhoorntje zulk een kegel af te knagen; -ik zag er een daarmede bezig, terwijl ik vlak bij hem bleef staan. De -sparren zijn hier vooral Pseudotsuga mucronata of de Douglas-spar, -met kleinere kegels met zeer fraaie aanhangsels aan de schubben. Als -onderhout vindt men, manshoog en tot heele boomen opgroeiend, den -rooden ceder of Juniperus virginiana, en verder een Elaeagnus met -roode maar bittere bessen, een kruisbes met kleine, sterk zure bessen, -een heesterachtige boschbes, gelijkende op den Vaccinium uliginosum, -den kruipenden ceder of jeneverbes, Juniperus Sibirica, en een groot -aantal kleine bloemplanten, die in Augustus echter grootendeels reeds -uitgebloeid waren. - -Ik geef thans eene beschrijving van mijne eigen waarnemingen -over den groei der wieren, en de wijze hoe zij de terrassen en de -formatiën voortbrengen. Slechts een drietal dagen kon ik de bronnen -bezoeken, en mijn bespreking is uit den aard der zaak onvolledig -en oppervlakkig. Maar ik hoop, dat zij voldoende moge zijn, om aan -mijn lezers een denkbeeld van dit hoogst merkwaardige verschijnsel -te geven, waar de opbouw van rotsen en bergen het resultaat is van -de nog steeds voortgaande werkzaamheid van het plantenleven. - -Verhit door de onderaardsche warmte en bezwangerd met kalk komt dus -het water in de Mammoth Hot Springs te voorschijn. Door talrijke -spleten komt het omhoog om over de oppervlakte weg te vloeien of -vijvers te vormen, die door haar helder, donkerblauw water het oog -boeien. In het midden van zulk een vijver of soms ook aan den rand, -ziet men de heete bron, die opborrelt en kookt en zoodoende het water -van den vijver verhit. Dit verdampt snel en dichte nevelen hangen -over het watervlak of worden door den wind weggedreven. Onaangenaam -warm als men te dicht in hunne nabijheid komt, zijn die nevelen nog -op verren afstand zichtbaar. - -Het water koelt natuurlijk allengs af, snel waar het in een dunne -laag over den grond wegvloeit, langzaam waar het als kokende -beekjes stroomt, of in de vijvers en holten blijft staan. Bij dat -afkoelen zet zich de kalk af, vooral ook omdat zij opgelost is -door middel van koolzuur, dat uit het heete water verdampt. Maar de -eigenaardige structuur van de oppervlakte der heuvels, waaruit deze -bronnen te voorschijn komen, is niet aan die eenvoudige afzetting te -danken. Integendeel, zij is het werk van levende planten, kleine, -maar in geweldige massa voorkomende wiertjes, die de kalk in hun -weefsel vast doen worden en zoo als het ware zichzelve doen versteenen. - -Van die wieren zijn de meeste bruin, andere zijn groen in -verschillende tinten, van licht geel-groen tot helder groen en donker -smaragd-groen. Al die kleuren ziet men op de door het heete water -bevloeide vlakken in de bontste mengeling. Daarenboven komt nog -een kleurloos of hoogstens bleek geelachtig gewas voor, dat geheel -andere eigenschappen heeft en ook een geheel andere rol speelt. Het -groeit in bundels van lange, slappe, in de stroompjes heen en weer -wiegelende draden. - -Deze twee groepen zijn in vele opzichten verschillend. De -eerstgenoemde, die de randen der bassins vormen en die ik dus -randwieren zal noemen, leven bij temperaturen die wel hoog zijn, -maar die toch door vele andere planten, zij het soms ook slechts -tijdelijk, kunnen verdragen worden. Het zijn, zooals ik reeds zeide, -temperaturen van 45-50° C. en lager. Ik zal water van die temperaturen -warm noemen en wat daarboven is heet. Wel is 45-50° zeer warm en -brandt men zijn vingers als men ze er een poosje in houdt, maar het -is een gemakkelijke wijze om een duidelijk verschil te maken. In -wat ik heet water noem sterven nagenoeg alle planten en ook vele -randwieren. Maar daarin kunnen de draadwieren leven en wel tot graden, -die soms vrij dicht bij het kookpunt van water komen. Dit kookpunt -is hier trouwens, zooals ik reeds zeide, veel lager dan bij ons. Het -is dus een zeer bizondere en in het plantenrijk zeldzame eigenschap, -die de draadwieren in staat stelt in dit heete water te leven. - -De randwieren verdienen dien naam om de wijze waarop zij groeien. Deze -groei toch is de oorzaak van de geheele formatie en vooral van het -ontstaan van terrassen. De wieren groeien op den bodem der vijvers -als erwtgroote geleiachtige vlokken, soms iets grooter wordende en -gekleurd al naar gelang van de soort. Hier en daar zag ik die vlokken -aan de oppervlakte drijven, tengevolge van kleine gasbelletjes, die de -zuurstof bevatten, welke zij uit het koolzuur vrij maken. Soms hangen -zij in een dichte laag tegen het watervlak aan. Ik zag dit vooral in -Bathing lake, dat een vrij groot meertje is, waarvan de heete bron -op een plaats aan den rand ligt. Op de meest verwijderde plaatsen is -het water dus vrij koel en gaat de ontwikkeling der wieren langzaam, -zoodat men de verschillende processen goed kan volgen. - -Zet nu zulk een wierkogeltje kalk af, doordat het het oplossingsmiddel -der kalk, het koolzuur verbruikt, dan wordt het allengs zwaarder en -zinkt het op den grond. Zinkt het diep, dan zal het de voorwaarden -van zijn groei moeilijker vinden; is de plaats ondiep, dan zal het -sneller groeien. Dit groeien bestaat dus in dubbele werkzaamheid van -grooter worden en verharden. De meest ondiepe plaatsen zijn natuurlijk -bij den rand, en zoo ontstaat langs den rand een soort van levende -wal, die voortdurend groeit. Men heeft berekend, dat zulk een wal -omstreeks 1 cM. in een maand hooger kan worden. Dit zal ten slotte er -toe leiden, dat de rand boven het water gaat uitsteken. Maar de bron -voert voortdurend meer water aan, en dus zal het water over den rand -heen vloeien. Aanvankelijk is dit voor den groei van den rand gunstig, -maar de rand kan onmogelijk overal even hoog blijven. Zoodra de lijn -ongelijk wordt, vloeit het water bij voorkeur of uitsluitend over de -lagere gedeelten, en zoo worden deze verhoogd. Op die wijze worden -verschillen in de hoogte van den rand steeds door den groei der wieren -zelven vereffend en groeit dus ten slotte de rand gelijkmatig omhoog. - -Tevens groeit de rand sneller dan de wieren op den bodem van -den vijver en dit heeft ten gevolge, dat de vijver allengs dieper -wordt. Feitelijk wordt hij niet dieper, daar zijn bodem steeds hooger -wordt, maar aangezien de rand sterker toeneemt, wordt toch de waterlaag -langzamerhand dikker. - -Dit beginsel van randvorming ziet men op de terrassen van de Hot -Springs overal en in alle graden ontwikkeld. De meest eenvoudige en ook -meest algemeene wijze is de vorming van verheven ribbels. Vloeit het -kalkhoudend water over een zachte helling omlaag, zoodat het nergens -blijft staan, dan bekleedt zich die helling geheel met de beschreven -wieren. Eerst gelijkmatig, maar weldra uit zich de neiging om randen te -maken en groepeeren zich de wieren in kronkelende en ineenslingerende -lijnen, die het oppervlak in kleine mazen verdeden. Deze mazen zijn -dikwijls kleiner dan een gulden, en altijd smal en links en rechts -in punten uitloopend, want de dammetjes staan dwars op de richting -waarin het water vloeit. Dit is juist de grondslag voor het maken van -randen. Men kan gerust zeggen dat de geheele rotsmassa, die eenige -bunders bedekt, met dit fijne netwerk overtrokken is. Men ziet het -overal, waar het water in een dunne laag over de oppervlakte stroomt, -hetzij deze zwak helt of steil omlaag gaat of zelfs een vertikalen wand -vormt. Men ziet het in allerlei kleuren, meestal bruin en roodbruin, -soms in de verschillende tinten van groen. - -Waar thans geen water vloeit, heeft dit vroeger gevloeid en is -de oppervlakte met dezelfde ribbels dicht bedekt. Het is als een -soort van fluweel. Blijft een gedeelte echter lang droog, dan slijt -het oppervlak, deels door regen, deels door plantengroei, deels, -en misschien vooral, door de menschen die er op loopen. Het wordt -dan tot een krijtwitte, poederachtige massa. Maar dit slijten gaat -niet zoo snel, of overal vindt men langs de voetwegen en ook er op, -de sporen van de opstaande randen. - -Het is gemakkelijk te begrijpen, hoe een rand allengs in een terras -verandert. Het doet er niet toe hoe groot de vijver is, maar de meeste -dier vijvertjes zijn slechts enkele vierkante meters groot. Vloeit -nu het water nu eens hier dan weer daar over den rand, dan is de -rand de plaats van den snelsten groei. Het water wordt er als het -ware even opgehouden door de glibberige, geleiachtige wiermassa, -die er de kalk en het koolzuur grootendeels uithalen. Dan vloeit het -water over den rand heen, loodrecht naar omlaag en dus veel sneller; -daarenboven heeft het niet meer zooveel kalk in oplossing. De groei -der wieren over die loodrechte vlakten gaat dus slechts langzaam, -en terwijl de rand jaarlijks zeer merkbaar hooger wordt, groeit de -wand onder hem haast niet aan. Men ziet nu, hoe dientengevolge de -rand vertikaal omhoog groeit, en dit is dan ook een algemeen karakter, -zoowel voor de tallooze handhooge randen, die overal op de hellingen -voorkomen, als voor die eigenaardige terrasvorming, die zoozeer de -aandacht trekt. Horizontale terrassen met vertikale wanden staan -boven elkaar op de oude heuvelhelling, die zij in een reuzentrap, -met treden van een meter en meer veranderen. Maar elk terras is een -vijvertje, dat wel allengs zijn bodem met nieuwe kalkwierlagen bedekt, -maar toch, zoolang alles levend blijft, met water gevuld blijft. - -De vertikale wanden van die terrassen zijn soms uiterst fraai. Meest -wit of zeer licht bruin, omdat de groei der wieren er slechts -langzaam is, en altijd met de tallooze dwarsribbeltjes bezet, die van -nabij beschouwd week en bros, d.w.z. geleiachtig en met kalkkorrels -doortrokken, en niet zelden rose van kleur zijn. Soms is de loodrechte -wand overigens vrij vlak, soms echter ook gevormd als een orgel, met -tallooze pijpen, of liever als een reeks van afhangende stalactieten -op dunne en steile stalagmieten rustende. Want in hun midden vertoonen -deze kolommen dikwijls eigenaardige versmallingen. - -Hier en daar ziet men de levende, nog vochtige terrassen met de warme -bron of groep van bronnen die ze voedt, alles nog in vollen groei en -in krachtige werking. Deze zijn het voornamelijk, die met bizondere -namen worden aangeduid, en waarheen de bezoekers bij voorkeur worden -geleid. Maar er zijn tallooze terrasvormingen die geheel droog en -dood zijn, en waarin de vijvertjes nu eens nog diep, dan weer met -afval en stuivende kalk aangevuld zijn. Ook slijten de wanden en -de randen allengs, en gaat dus het fijne en sierlijke op den duur -verloren. Heeft men eenmaal echter het verband tusschen die droge -en de nog vochtige terrassen goed begrepen, dan vindt men dezelfde -formatie op dezen geheelen berg telkens en telkens weer terug. - -Het warme water komt door spleten in de onderliggende rotsen -omhoog. Elk gesteente is min of meer gespleten, maar het vermogen -van water, om zoo het voldoende koolzuur bevat, een overeenkomstige -hoeveelheid kalk op te lossen, maakt hier de spleten waarin het water -loopt allengs wijder. Het worden geheele kloven en grotten. Trouwens -alle kalk die hier op de oppervlakte wordt afgezet, moet ergens in -de diepte zijn opgenomen. Vloeit het water nu uit zulk een spleet, -hetzij in een vijver, hetzij over een helling, dan ondergaat die spleet -voortdurend verandering. Want het oplossen van kalk verbrokkelt het -gesteente, en doet blokken invallen. Zoo kan men zich voorstellen -dat vroeg of laat een spleet verstopt raakt. Het water moet dan een -anderen uitweg zoeken; de formatiën van de vroegere spleet drogen uit -en groeien niet meer, en elders beginnen nieuwe zich te vormen. Dit -kan natuurlijk gebeuren buiten het tegenwoordige gebied der gewone -werkzaamheid, en dan krijgt men zulke geïsoleerde kraters als bv. den -oranje-geyser, dien ik straks nader beschrijven zal. Of het gebeurt -binnen het oude gebied, en de afgezette lagen worden door nieuwe -barsten geopend. - -Daartoe bestaat trouwens alle gelegenheid. Want de werkzaamheid der -randwieren leidt niet tot de vorming van een compacte rotsmassa, maar -tot het ontstaan van dunne, meest niet meer dan vingerdikke schalen -en lagen. Overal waar de grond afbrokkelt kan men dit zien. Het is -waarschijnlijk een gevolg van de periodische werkzaamheid, die zelf -weer een gevolg is van het feit dat het water over den wierenrand nu -eens hier en dan weer daar overvloeit. - -De beschreven oorzaak moge de meest algemeene zijn voor de kleine -spleten tusschen de schalen, voor de grootere en zeer groote spleten -geeft zij geen voldoende verklaring. Deze moet gezocht worden in de -neiging der randwieren om niet alleen vertikaal omhoog te groeien maar -ook horizontaal over den vijver heen zich uit te breiden. Drijvende -wiertjes aan den rand, die niet gaan zinken als zij zich met kalk -beladen, maar aan den rand aansluiten en met dezen allengs vast -worden, zijn het begin van deze vorming. Zij groeien op de wijze -van die paddestoelen, die men zoo dikwijls uit rottende boomstammen -ziet uitgroeien als platte korsten met een opbouw uit evenwijdige -kringen. Hun rand is dan de laatste en jongste kring. Zoo is het -ook hier. Dezelfde zonen ontstaan, met een witte rand en bruine -binnenkringen in allerlei tinten. Op Minerva-terrace ziet men een bron, -als een helderen blauwen en vrij diepen vijver, door een aantal stellen -van zulke horizontaal groeiende randen omgeven; de meer verwijderde -zijn ontstaan, toen het water nog hooger stond, en die aan het water -grenzen natuurlijk het laatst. - -Deze horizontale groei neemt nu soms zeer aanzienlijke afmetingen -aan. Ik zag daarvan verscheidene bewijzen. Het fraaist was echter een -warme bron, vóór en lager dan het Minerva-terrace. Het water was weder -helder en donker blauw, de vijver had verscheidene meters in omtrek -en in zijn midden borrelde het kokende water omhoog. Maar dat midden -was volgegroeid, er stond een kleine krater met een centrale holte -waaruit stoom en water kwamen. Rondom was die krater ver uitgegroeid -tot een vlies, dat over het water zich uitbreidde. Aan de eene zijde -had dit vlies den rand van den vijver al bereikt. Gelukkig was alles -nog overvloeid en in vollen groei, in witte en bruine en groene -kringen. Want het was een broos oppervlak, dat bij betreden in zou -zakken en plaats maken voor het kokende vocht. Doch het betreden van -al deze natuurwonderen is verboden. - -Aan de andere helft van dezen vijver was het middenvlies over het -water heen tot bijna aan den rand gekomen, een waterlijn van 10-40 -cM. breedte vrij latend. Door deze lijn heen kon men in de diepte -kijken, en ook de groene vlokken van wieren aan de onderzijde van -het vlies zien. - -Het vlies was aan den rand nog papierdun, doch naar het midden toe -veel dikker, het groeide van boven en van onderen gelijkmatig aan, -en het scheen niet lang meer te behoeven te duren, voordat deze vijver -rondom gesloten zou zijn. - -Wordt nu vroeger of later de toevoer tot zulk een bron afgesloten, dan -blijft de spleet. In grootere vijvers kunnen zulke spleten veel langer -worden. Overal in het droge gesteente vindt men die spleten. Hier -en daar zijn ze ingetrapt of door een andere oorzaak geopend zoodat -men ze zien kan. En van zeer kleine tot zeer groote spleten ziet -men alle overgangen. Overal vindt men ze, meest in schuine richting -omlaag gaande. Cupid's Cave is zulk een spleet, die zijdelings in -een loodrechten wand wijd openstaat, en Devil's Kitchen is er een, -die ik reeds genoemd heb en die enkele tientallen meters lang is en -omstreeks 13 meter diep. Van ons gezelschap klommen een aantal personen -langs ladders in deze spleet af, die juist wijd genoeg daarvoor was. In -zulke spleten is onderaan niet zelden een koolzuurrijke lucht aanwezig, -die vogels en andere dieren kan doen verstikken en op bepaalde bronnen -van koolzuur wijst. Trouwens koolzuuruitwasemingen uit den grond gaan -zeer dikwijls met vulcanische werkingen gepaard. - -Hoe dik de kalkafzettingen van deze wieren zijn, vond ik niet -opgegeven. Gewoonlijk meent men, dat de geheele berg zóó ontstaan -is, en overal in den omtrek vindt men sporen van denzelfden bouw uit -dunne lagen en schalen. De afzettingen liggen echter op het uiteinde -van een uitlooper van een heuvelenreeks, en zijn dus waarschijnlijk -op een heuvelkam ontstaan. - -Om op de vliesvorming op de oppervlakte van het water terug te komen, -merk ik op dat dit vlies, zoover het met het heete water in aanraking -is, bijna altijd geheel wit is. Dit wijst er op dat het niet de -randwieren zijn, die het grootste aandeel aan den snellen groei van -dit vlies hebben, maar de draadwieren. Men ziet dan ook dikwijls een -draderige structuur, de draden loopen evenwijdig en naar den rand toe, -zoodat de lengtegroei van elken draad tot de voortzetting van den -rand bijdraagt. Op enkele plaatsen zag ik zoo van één punt uitgaande -een waaier van draden over de oppervlakte uitstralen. Of liever over -wat de oppervlakte geweest was, want de watertoevoer was, tijdens -mijn bezoek, zoo klein, dat het vijvertje droog was. De bodem was -vlak en bezaaid met koraalvormige wiergroepen, wit van de kalkmassa -waarin zij zich gedompeld hadden. Het waaiervormige dradenvlies lag -rustig op die koraaltjes. En dicht er bij waren dergelijke vormingen, -deels jonger en nog bevloeid en groeiend, deels ouder en ten deele -vergaan. Zulke fijne vormingen moeten wel vernietigd worden als zij -door een hagelbui met grove hagelsteenen getroffen worden, zooals -op den avond na mijn bezoek. En eveneens moeten de herhaalde heftige -regens en onweersbuien veel tot het afslijten bijdragen. - -Vele spleten zag ik in de droge gedeelten. Maar een aantal vond -ik ook op de bevloeide plaatsen, en dan daalde het water in een -dikken stroom in de spleet af, om in den ondergrond te verdwijnen, -en waarschijnlijk, met nieuwe kalk beladen, elders weer voor den dag -te komen. Zoo bijvoorbeeld aan Marble-terrace. - -De fraaiste vijvers zijn die van het Jupiter-terrace. Het zijn -twee groote diepe vijvers van prachtig donker blauw water, dat zoo -heet is, dat het de boven beschreven dampen en nevels geeft, en dat -overal in de vijvers, die tientallen van quadraat-meters groot zijn, -de bodem en binnenranden zuiver wit zijn, en dus geen randwieren maar -slechts draadwieren bevatten. Over de randen vloeit het water deels -loodrecht omlaag, aan de andere zijde echter over een uitgebreide -vlakte, waar het groote terrassen met lage randen maakt. Hier koelt -het voldoende af, om den geheelen bodem zich met bruine en groene -wieren te doen bedekken. Vallen in zulke koelere vijvertjes naalden -of geheele takken van dennenboomen en roode ceders, dan worden die -allengs met wieren overgroeid en met een kalklaagje omkleedt evenals -bij ons in het meertje van Rockanje. Kunstmatig ingebrachte voorwerpen -kan men op deze wijze ook laten incrusteeren. Verderop is het water -soms zoover afgekoeld, dat grassen en lage soorten van biezen er aan -groeien kunnen. - -De eigenaardige groeiwijze der randwieren geeft nog tot een ander -merkwaardig verschijnsel aanleiding, als namelijk de randen zeer hoog -worden. Het zijn de kegels en schoorsteenen. Kegels heeten zij als de -holte betrekkelijk klein is, schoorsteenen als die in verhouding tot -den rand groot is. De namen hebben betrekking op de droge toestanden, -maar men vindt dezelfde gevallen ook met een warme bron er in. Een -schoorsteen van omstreeks een meter hoogte wordt den toeristen -vertoond, en kegels ziet men op verschillende plaatsen. - -Als de travertijnrotsen lang droog zijn en verweeren, herneemt de -plantengroei zijn rechten. Eerst komen gras en kleine bloemplanten, -daarna komen heesters en boomen, en geheele bosschen van den -Yellowstone-den (Pinus Murrayana) staan op dezen berg. Maar als zich -dan dicht bij en iets hooger dan het bosch een nieuwe spleet opent, -en haar heete water over den grond van het bosch uitspreidt, kan -zij het geheele bosch dooden. Niet door de warmte van het water, -want dat is op dien afstand van de bron voldoende afgekoeld om -onschadelijk te zijn. Maar omdat de grond met een verhardende korst -van kalk wordt bedekt, die ten slotte den bodem geheel van de lucht -afsluit zoodat daaronder de wortels sterven, en dus ook de boomen te -gronde gaan. Angel's terrace is een droevig voorbeeld van dit geval, -daar hier honderden groote dennenboomen geheel dood en kaal op den -kalkgrond staan. Soms bereikte de kalklaag hunne onderste takken, -maar soms liet zij den voet der wortels aan de stammen onbedekt, -zoodat men gemakkelijk zien kon, dat zelfs een zeer dunne laag -zóó moorddadig kon werken. Aan de randen van deze plaats zag ik de -stervende en half gestorven boomen, die een toenemende uitbreiding -van het euvel aanduidden. Merkwaardig vond ik het voorkomen van onze -gewone europeesche blauwe klokjes (Campanula rotundifolia), die hier, -te midden van die vreemde verschijnselen en die geheel bizondere flora, -weelderig bloeiden en een aangename herinnering aan onze heiden boden. - -In een der boschrijke valleien achter de heuvelengroep, waarop -de voornaamste bronnen der Mammoth Hot Springs gevonden worden, -staat een groote kegel van travertijn, die den naam draagt van -Orange-Geyser. Deze naam zou allicht doen vermoeden, dat men hier te -doen had met een formatie, zooals die in de eigenlijke geyserbassins -gevonden worden, en dat deze bron dus op dit gebied niet thuis -behoorde. Men zou meenen dat zijn wateren kiezelzuur bevatten en dus -sintel afzetten, terwijl de opgeloste stof in werkelijkheid hier -koolzure kalk is, evenals in alle bronnen van deze omgeving. Ook -springt de bron niet hoog op, zooals men het van een echten geyser -verwachten zou. - -De kegel is stomp en van boven min of meer vlak. De kleur is aan de -eene zijde krijtwit, aan de andere bruin en grijs; de eerste zijde is -thans droog, en de kleuren der laatste worden door het overvloeiende -water onderhouden. Op den vlakken top bevindt zich een bekken met -water, in welks midden een bron kookt. Van uit het dal kan men dat -niet zien, maar men hoort het geluid duidelijk en ziet de dampen -opstijgen. Ik ben op een der bergen die het dal omgeven geklommen -om het bekken te zien; het neemt slechts een klein deel van de -topvlakte in. - -Die bron schijnt uit een opening van een onderaardsche spleet te komen, -want aan de eene zijde van den hoogen kegel is een lage afzetting van -travertijn, die den vorm van een vlakken heuvelrug heeft, op zijn kam -een aantal kleine openingen en barsten dragend, waaruit heet water te -voorschijn komt. Die lijn is slechts een twintigtal passen lang, en -even groot is de afgezette kalkmassa, die links en rechts van haar den -grond bedekt. Deze formatie is vrij gelijkmatig van oppervlakte, zoodat -zij bijna overal door het afvloeiende water bevochtigd wordt. Het kwam -mij belangrijk voor, deze openingen nader in oogenschouw te nemen en -eenigszins uitvoerig te beschrijven, omdat zij veel kleiner zijn dan -die der meeste andere heete bronnen, en te zamen een typisch beeld -van den bovenrand van een onderaardsche barst geven. - -De opening, die het verste van den hoofdkegel gelegen is, is zoo -groot als een vuist, en aan drie zijden met korsten van bruin en groen -verkalkt wier overgroeid; het water, dat er in vrij groote hoeveelheid -uitstroomt, is zeer heet. Vlak er naast staat een kegeltje met een -opening zoo wijd als een vinger dik is, maar dit is nu droog. Het water -uit de vuist-groote opening kookt met tallooze bellen op en vloeit -dan omlaag in een smal stroompje. Daarin groeien de witte of bleekgele -draadwieren in drie of vier bundels, wiegelend in den kleinen heeten, -snelvlietenden stroom. Men brandt zijn vingers als men de wieren er -uithaalt. Iets verder op vindt men zulke draden, die afgebroken en -dus weggevoerd zijn, maar tegen een scherpen hoek van den rand zijn -blijven hangen. Allengs koelt het water natuurlijk af, en weldra is -het zooveel lager in temperatuur geworden, dat de groene en bruine -wieren er in kunnen leven. Het beekje is dan breeder en minder diep -geworden, en loopt over korsten van levend travertijn in allerlei -kleuren, met een slijmerige, maar allengs verkalkende oppervlakte. - -Volgt men de vermoedelijke barstlijn, dan vindt men, ongeveer een -meter verder en iets hooger op, een vingerdikke opening, waaruit -voortdurend groote damp-blazen komen, die de opening telkens -afsluiten. Er vloeit maar weinig water uit, doch ook daarin groeien -de witte draadwierbundels. Het water verspreidt zich dan en is juist -voldoende om een aanzienlijk deel der oppervlakte vochtig en warm te -houden. Daar groeien de bruine en groene korsten, nog geleiachtig -en bros, brekend bij het aanraken. Enkele voetstappen van vroegere -bezoekers maken er kleine meertjes, waarin het water blijft staan; -in de hoogste en warmste groeien de bleeke draadwieren, in de lagere -de bruine en oranjegekleurde soorten. - -Een halven meter verder, op de overigens gesloten barstlijn, komt -weer een vuistgroote opening, die wat hooger op het heuveltje ligt, -en dus een sneller afvloeiend stroompje geeft. Die stroom is aan den -rand zwart, in 't midden draderig wit, beide door de wieren die er -in groeien. - -Nu stijgt de heuvelrug sneller en over een afstand van een meter -liggen nog een vijftal dergelijke bronnetjes, elk met een wit of -zwart stroompje, omgeven door een bruinen rand. Hooger op de lijn -worden de vingergroote openingen talrijker en moeilijk te tellen, soms -vloeien zij tot groepen inéén. Maar de beekjes en afzettingen zijn -dezelfde. Een 25-tal zulke gaatjes liggen op een paar meter bijeen, -een smalle lijn vormend. Dan volgt een duimdikke bron, die zijn water -een hand hoog opspuit en in een bocht omlaag laat vallen. Rondom -de opening en de plaats waar het water valt, vormen zich korsten, -die aan den warmwaterkant wit, doch aan de andere zijde bruin zijn. - -De groep der actieve bronnetjes wordt thans afgewisseld door een -onwerkzamen kegel, die een hand hoog boven het oppervlak uitsteekt, -en de meeste andere dus in grootte overtreft. Water kon ik in de -holte niet zien, doch ongetwijfeld was dit in de diepte voorhanden. - -Op dezen kegel volgt een spuitbronnetje, dat zoo dik is als een pink -en door een gekorrelden rand omgeven. Het werpt groote druppels water -omhoog, die telkens met bellen kokenden waterdamp afwisselen. De -druppels vallen buiten den rand op de kalkafzetsels, die daar en vlak -langs den rand wit zijn, maar op zeer kleinen afstand eene bruine -kleur aannemen. Want daar helt het oppervlak sterk en vloeit dus het -water snel in een dunne, verkoelde laag weg. - -Nu komen weer, altijd in de richting van den geyserkegel, een -tiental vingerdikke gaten waarin het water kookt; zij vormen een -kleine groep met een gemeenschappelijken rand, die echter aan de -eene zijde van onderen gebarsten is, zoodat het heete water niet -over, maar onder den rand afvloeit. Het is een handbreede spleet, -die een even breed stroompje geeft, dat weer een zwarten bodem heeft -en vol is met slingerende, bleekgele draden. Aan de randen groeien -allengs korsten van bruine en witte wieren over het water heen; zij -groeien van onderen sneller aan, daar zij aan de bovenzijde dikwijls -droog worden, en hechten zich dus meer en meer aan de onderlaag vast, -de bedding van den stroom vernauwend. - -Eindelijk volgt nog een veel grootere opening. Het is een kegel zoo -groot als een hoofd, die van boven en aan de eene zijde open is, -en waaruit een breede stroom van heet water omlaag vloeit. Zwarte -vliezen en witte draden wisselen elkaar in dit water af, terwijl -allerlei fijne koraalvormige gewassen zich aan den voet van den -kegel in het warme water bevinden. Verder op wordt de bodem van dezen -stroom breeder en licht roestbruin van kleur, en bedekt hij zich met -tal van wierlijsten en van lepelvormige uitsteeksels, die het water -plaatselijk en tijdelijk tegenhouden, een ontelbare menigte van kleine -bekkentjes vormend. - -Boven dezen langen en breeden rug verheft zich de eigenlijke -geyser-kegel nog drie meter hooger. Aan de beschreven zijde vloeit -overal een dunne laag heet water over den rand, zwarte en witte en -bruine strepen vormend, al naar gelang der wiersoorten. De bovenrand -is afgerond door het overvloeiende water; daaronder vormen zich -stalactieten, die als ribben vertikaal omhoog loopen. Dan volgt een -gedeelte waar de kegel minder steil is, en hier hebben zich vooral -de randwieren genesteld, tal van terrassen, elk met een vijvertje, -vormend. Sommige dezer terrassen zijn ook reeds volgegroeid en -het water vloeit eenvoudig over den rand van het horizontale vlak -heen. Soms zijn deze terrassen groot, en telt men er slechts een -tiental boven elkaar, soms zijn zij kleiner en vindt men er twintig -en meer bij dezelfde daling. Overal is de geheele oppervlakte met de -kronkelende dwarsribben der bruine wieren dicht bedekt. Het is als -het ware een fijngolvende bodem onder de dunne waterlaag. - -Aan de tegenovergestelde zijde, de noordzijde van den kegel, vloeit, -zooals ik reeds gezegd heb, tegenwoordig geen water meer af; hier -en daar zijn zelfs groote stukken er uit gevallen, zoodat men iets -van de inwendige structuur zien kan. Daarbij blijkt, dat de opbouw -voortdurend ongeveer op dezelfde wijze heeft plaatsgevonden, waarop nu -de afzetting aan de oppervlakte nog voortgaat. Want de massa bestaat -uit vingerdikke schalen, die los en met smalle tusschenruimten over -elkander liggen. Die tusschenruimten correspondeeren met de perioden, -waarop dat gedeelte van het oppervlak droog was, terwijl de schalen -natuurlijk des te dikker zijn, naarmate de plek langer onafgebroken -bevloeid geworden is. Bij het drogen is de donkerbruine kleur der -vochtige en levende massa in een licht geelachtig bruin veranderd. - -Rondom de beschreven formaties is een uitgebreid afvloei-terrein voor -het water. Op dit terrein is alle vegetatie van andere planten dan -wieren gedood, en het is met een travertijnlaag bedekt, die vlak bij -den kegel vrij dik is, maar naar de randen toe dun uitloopt. Vlak -langs den rand groeien echter allerlei planten, zoodat men precies -zien kan, hoever de afzetting gegaan is. Onder die planten, die de -oorspronkelijke flora van het dal vertegenwoordigen, komt vooral -een lage soort van gulden roede vrij veelvuldig voor. Trouwens het -geslacht der Solidago's of gulden roeden is in het geheele park, en -verder over al de prairiën van het westen, aan de oostzijde der Rocky -mountains, een der meest algemeene, zoowel wat rijkdom aan soorten, -als wat de onafzienbare millioenen van individuen betreft. Verder -vindt men langs den rand blauw bloeiende vlassoorten, gele Sedums, -kleine Asters (een geslacht, dat in Amerika even rijk vertegenwoordigd -is als de gulden roeden), immortellen, en aan den boschkant de kleine -moeras-zonnebloemen. - -Zoover de kalkafzetting gaat, zijn ook de boomen gedood. Het zijn -de reeds genoemde "red cedars," een soort van jeneverbessen, die -hier overal veelvuldig groeien. Rondom den voet van den kegel staan -die boomen in groepjes, tot manshoogte en meer opgegroeid en op de -armsdikke stammen rijk vertakt. Maar thans zijn zij zonder loof, -geheel dor en kaal, en ten deele is reeds de schors afgestorven -en afgevallen. Uit den kegel zelf steken de toppen van een zestal -zulke stammen nog omhoog; zij moeten reeds eeuwen geleden, in het -begin der formatie, gedood zijn, en zijn sedert langzamerhand onder -de aangroeiende travertijn-massa bedolven geraakt. Wat daarboven -uitsteekt is kaal en bestaat alleen nog maar uit de dikste takken; -al het overige is vergaan, en ook de schors is sedert lang verdwenen. - -Zijn deze stammen een treurig getuigenis van den strijd tusschen de -kalkwieren en het oorspronkelijke bosch, iets verder op kan men dezen -strijd nog in vollen gang zien. Hier zijn de roode ceders ten deele -nog groen en vol bessen, ten deele dor en droog. Aan sommige is het -gelukt den kalkhoudenden stroom tijdelijk af te wenden; de voorste -stammen zijn in den strijd gevallen maar zij hebben de overige van -het groepje beveiligd. Als een eilandje ligt zulk een plekje in den -versteenenden stroom, en allerlei kleine planten hebben van de geboden -beveiliging gebruik gemaakt, de plek tot een groenende en bloeiende -oase in de kleine woestenij makend. Vooral een soort van distel en -de Smilacina, die later in het najaar uiterst sierlijke trossen van -roode besjes zal dragen, troffen mij hier, tusschen de zooeven reeds -genoemde planten van den rand. - -Behalve de roode ceders, die den kegel omgeven, ziet men aan de nu -droge voorzijde een paar hooge dennenstammen, wier voet ook reeds -door het travertijn overdekt is, en die dus geheel dood zijn. Als kale -pilaren met wijduitgespreide takken reiken zij boven den heuvel omhoog. - -Het is duidelijk, dat deze geheele formatie van de vlakte van het -dal uit is opgewerkt. Er moet zich in het bosch een onderaardsche -spleet gevormd hebben, die in verband stond met de watermassa, -die hier van uit de hooge bergen naar het eigenlijke terrein der -Mammoth Hot Springs vloeit. Uit die spleet is het kalkhoudende water -te voorschijn getreden, rondom kalk afzettend en de oude vegetatie -doodend. De spleet moet ontelbare jaren en wellicht eeuwenlang op -dezelfde plaats werkzaam zijn geweest, met één hoofdopening, die den -grooten kegel gevormd heeft, en met een reeks van kleinere voor het -vlakke heuvelrugje, dat ik beschreven heb. - -Rondom heeft het dal den gewonen vorm, en zijn de hellingen met de -gewone dennensoort dezer streek meest dichtbegroeid. In het dal is de -beschreven spleet echter niet de eenige uitlaat voor het heete water -geweest. Want een honderdtal passen verder op ligt een tweede kegel, -veel lager en veel vlakker en breeder, maar zuiver kegelvormig. De -hoogte bedraagt slechts een meter, maar de straal is verscheidene -meters lang. In het midden, dus op den top van den vlakken kegel, -ligt een uitgedoofde bron. Het is een kommetje vol water, iets kleiner -dan een gewone waschkom. Dit water is lauw, en dus afkomstig van de -onderaardsche spleten; ook ziet men in den bodem van het bekken een -drietal gaten, waaruit dampen en luchtbellen omhoog bobbelen. De bodem -van dit kommetje is met roodbruine wiervlokken bedekt, en dezelfde -wieren, doortrokken met kalk en uitgedroogd, vormen klaarblijkelijk -de geheele massa van den kegel, blijkens de lichtgrijze kleur. - -De geheele, vlakke kegel is kaal, maar toch begint de plantengroei -hier en daar zijne rechten weer te laten gelden, en mossen, grassen, -enkele gulden roeden en wolfsmelken met nog een paar andere soorten -hebben al enkele punten vermeesterd, om van daaruit zich allengs uit -te breiden. Ook een immortelle zag ik er bloeien. Op de oppervlakte -van den kegel ziet men nog duidelijk de sporen van de gekronkelde -wierranden, die eenmaal ook deze formatie terrasvormig gemaakt moeten -hebben. Maar het meeste is toch reeds tot puin en poeder vergaan, -wellicht grootendeels door belangstellende bezoekers vertrapt. - -Ook elders in de vallei zijn nog sporen van bronnen of onderaardsche -spleten wier wanden zijn ingevallen, zoodat men dus in de diepte -zien kan. - -In een naburig dal had ik de gelegenheid nog beter te zien hoe zulk -een travertijn-massa er van binnen uitziet. Daar vond ik een kegel, -juist zooals die van den Orange-Geyser, maar klaarblijkelijk sedert -lange jaren droog en onwerkzaam. Hij is drie meter hoog, van boven niet -merkbaar veranderd, maar zijdelings afbrokkelend. Deze geheele kegel -bestaat uit meest vinger dikke schalen, die van boven bijna horizontaal -liggen maar dan ombuigen en loodrecht omlaag gaan. Zij zijn zoo los -aan elkander verbonden, dat zij afbladeren en afschilferen. Op zijn -buitenvlak vertoont elke schaal een stalactietachtige structuur, en -waar de schalen dwars doorgebroken zijn is de inwendige massa helder -wit en grof-poreus. Sommige schalen zijn zoo dun als bordpapier, -andere dikker, tot vingerdikte toe. Plaatselijk is de buitenvlakte van -den geheelen kegel nog goed bewaard, vooral aan sommige zijden aan -den voet, en hier ziet men haar bedekt door tallooze dwarsloopende -ribbels, die thans grijs en droog zijn, maar die klaarblijkelijk -door de bruine randwieren zijn gemaakt. Hoeveel eeuwen de wieren aan -dezen kegel gebouwd hebben, is moeilijk na te gaan, maar alles pleit -er voor, dat zij van den beginne af tot aan het einde op dezelfde -wijze werkzaam geweest zijn. Uiterst eenvoudige beginselen brachten -ook hier een rijke afwisseling in vorm en structuur teweeg. - - - - - - - -II. - -DE GEYSERS. - - -Verlaten wij thans de warme bronnen van Mammoth Hot Springs met -hunne terrassen van kalksteen, om tot de eigenlijke geysers over te -gaan. Deze liggen in het algemeen in de dalen tusschen de vulkanische -gesteenten, en hunne afzettingen bestaan dan ook niet uit kalk maar in -hoofdzaak uit kiezelzure gesteenten of silicaten. Deze formatie heet -hier geyseriet, in tegenstelling met het travertijn der beschreven -warme bronnen. - -Hoogopspringende bronnen ziet men op het kalkterrein niet. De geysers -zijn echter juist het meest bekend om de enorme hoogten waartoe -sommige van hen het kokende water opwerpen. - -Vanwaar die kracht, die stoom en water zoovele honderden meters omhoog -kan werpen? Vanwaar dat vermogen, om een schijnbaar volkomen rust -plotseling af te breken, om zulke geweldige verschijnselen voort te -brengen, en dan weer, als of niets gebeurd ware, tot de vroegere rust -terug te keeren? Het is de inwendige warmte der aarde, die dit teweeg -brengt. Het zijn eenvoudig verschijnselen van koken, maar onder zeer -bizondere omstandigheden. In een gewonen ketel bruist en borrelt en -spat het water op. Kon op een of andere wijze plotseling het koken -versneld worden, dan zou ook het opspatten van waterdruppels plotseling -toenemen, zij zouden talrijker en hooger opgeworpen worden. Zoo moet -men zich de geysers voorstellen. Enkele komen uit een diepe spleet, -waarin men tijdens de rust het water niet zien kan, maar kort vóór -de uitbarsting komt het toch omhoog. De meesten echter komen uit -een kleinen kom of vijver, die tot aan den rand toe gevuld is met -water. Een volkomen helder, maar donkerblauw water, dat in schoonheid -en aantrekkelijkheid voor dat der andere warme bronnen van het park -niet onderdoet. - -Men kan veilig zeggen, dat tusschen de voortdurend kokende bronnen -en de machtigste geysers in de bassins van het Yellowstone-park alle -overgangen voorkomen. Daarbij geldt de regel, dat gewoon kokend -water betrekkelijk slechts weinig opspat, maar dat het opwerpen -van hooge zuilen samenhangt met periodische rust. Hoe zeldzamer het -opspatten is, des te hooger en des te machtiger kan het worden. De -meest bekende geyser is de Old Faithful, die dien naam draagt, omdat -hij, zoolang als men hem kent, nog nooit aan zijne belofte ontrouw -geworden is. En die belofte, afgeleid uit een lange ervaring, is dat -hij telkens, na ruim een uur, weer zal beginnen te "spelen," zooals -de locale term luidt. Alle andere hoog opspuitende geysers van deze -streek zijn zeldzamer in hun uitingen, zij werken elken dag eens, -of om den anderen dag of om de 4 of 5 dagen. De tusschenpoozen van -rust zijn wel ongeveer gelijk, voor elk van hen, maar toch niet zóó, -dat men juist vooruit kan zeggen, wanneer het spel beginnen zal. Voor -den reiziger, die op elk bassin slechts eenige uren vertoeft, hangt -het dus geheel van het toeval af of hij de verschijnselen zien zal -of niet. Maar de Old Faithful laat hem nooit in den steek. - -Vlak bij dezen geyser, op een afstand van omstreeks 300 Meters, is het -hôtel gebouwd, dat zijn naam in de curieuse combinatie draagt. Het -heet Old Faithful Inn, een naam, dien, buiten verband met de bron, -menige Inn benijden zou. Het spel begint met het opstijgen van heet -water uit de spleet en het overvloeien van groote hoeveelheden daarvan, -terwijl voortdurend aanzienlijke hoeveelheden stoom in groote wolken -in de lucht ontwijken. Heeft dit eenige minuten geduurd, dan begint -het water sterker op te spatten, meters hoog en in verschillende -richtingen schuin opstijgend, totdat ten slotte een zuil van wel -twee voet in doorsnede tot een hoogte van 40-50 M. met geweldige -snelheid omhoog stijgt. Deze zuil is echter, zoover ik zien kon, -geen massieve waterkolom, maar gevormd uit een onnoemelijk aantal -grootere en kleinere druppels. En de hoeveelheid water, die terstond -daarna omlaag valt en den geheelen geyserkegel overdekt, komt met -deze voorstelling goed overeen. Een uitvoerige beschrijving van dezen -geyser en zijn spel zal ik echter eerst later geven. - -Juist op dezelfde wijze werken de talrijke geysers die met -tusschenpoozen van een kleiner of grooter aantal minuten -opspuiten. Hier kan men alles meer van nabij en dus nauwkeuriger -zien. Een, twee of drie meters spat het water op. Zorgt men dat -men ten opzichte van de windrichting ter zijde staat, zoo kan men -soms veilig vlak aan den rand blijven staan. Onder den wind zou men -natuurlijk door de heete stoomdampen omhuld worden, zonder snel genoeg -een uitweg te kunnen vinden. Men ziet ook hier geen eigenlijke zuil -van water. Uit de diepte van den helderen vijver stijgen plotseling -groote stoomblazen in geweldig aantal op. Zij werpen het water dat -boven hen is, en dat zij meevoeren met kracht omhoog, maar doen het -daarbij snel en volkomen uiteenspatten. - -De Ginantess [20] speelt om de 12 uren, de Sawmill [21] 5 of 6 -maal daags, de Giant [22] eens in de week, de Castle [23]-geyser -met tusschenpoozen van omstreeks 30 uren, en zoo zou men voor al de -grootere geysers een lijst van hunne werkzaamheid kunnen geven. De -Giant, die het zeldzaamst werkt, is ook de hoogste, zooals zijn naam -trouwens aanduidt; zijn water wordt tot ruim 80 Meter hoog opgeworpen, -dus bijna de dubbele hoogte van Old Faithful. - -Door dit overzicht van de kracht der uitbarstingen in verband met de -lengte van de perioden van rust, komen wij tot de voorstelling, dat de -machtige geysers gedurende die perioden eenvoudig hun kracht opsparen -en ophoopen, om die dan, in den korten tijd van enkele minuten, op -veel grootschere wijze te kunnen gebruiken. Als van zelf ontstaat -dus de vraag, op welke wijze zij dit ophoopen kunnen tot stand brengen. - -Natuurlijk kan men in het inwendige der aarde niet gaan kijken, hoe -het water daar eigenlijk kookt, noch ook hoe de ketel of ketels er -uit zien, waarin dit gebeurt. Kon men door boringen zoo dicht bij de -bronnen komen, dan zou men toch waarschijnlijk hun regelmatige werking -storen. Men moet dus uit gewone natuurkundige verschijnselen, in -verband met den bekenden bouw der gesteenten, en den gewonen loop van -het water, dat in artesische putten en in overeenkomstige natuurlijke -bronnen omhoog komt, trachten een voorstelling af te leiden. - -Zulk een voorstelling heeft de groote scheikundige Bunsen ontwikkeld -en door laboratorium-proeven gesteund. Zij heeft algemeenen bijval -gevonden, en hoewel door lateren hier en daar in de uitwerking wat -veranderd is, is het beginsel toch steeds hetzelfde gebleven. Zoo groot -is de vereering, die de bewonderaars der geysers voor Bunsen hebben, -dat een der hoogste en fraaiste bergtoppen van het Yellowstone Park -naar hem genoemd is. Het is de Bunsenpeak, de hoekige pyramidale -berg, die vlak achter de Mammoth Hot Springs en tegenover de -Terrace-mountains staat. De groote zijweg gaat tusschen hem en deze -bergen door, en mijlen lang rijdt men rond om zijn voet, met het -volle uitzicht op zijn rotsen en bosschen. - -Om mij echter niet te zeer in theoretische beschouwingen te begeven, -zal ik beginnen met een korte schets van de beweging van het -water in den grond in gewone gevallen. Ik knoop daarbij aan aan den -gedachtengang, dien ik reeds bij de bespreking der travertijn-bronnen -van Mammoth Hot Springs gegeven heb. - -Overal waar een kunstweg in het gesteente van een gebergte is -uitgehouwen kan men zien, dat die steen niet gaaf is. Altijd is -hij door spleten en barsten in verschillende richtingen in stukken -gebroken. Men beweert dat nergens op aarde, noch aan de oppervlakte, -noch in de diepte, een volkomen gaaf rotsblok van kubieken vorm met -zijden van 3 Meters of meer zou te verkrijgen zijn. Die barsten zijn -onafhankelijk van den laagsgewijzen bouw en in het algemeen het gevolg -van plaatselijke opheffingen en verzakkingen. In het lava-gesteente -van het Yellowstone Park komt daarbij het feit dat de lava bij het -verkoelen natuurlijk sterk ingekrompen is. Zij is daarbij min of meer -regelmatig gebarsten, in het geval van de basalt zelfs zeer regelmatig -in de bekende zeszijdige zuilen. - -In die barsten ziet men somwijlen op de rotsen, maar meer nog op de -zooeven bedoelde, bij het aanleggen van wegen kunstmatig gemaakte in- -en doorsnijdingen, de wortels der planten doordringen. Dit is een -studie op zichzelf, vooral omdat het een tastbare verklaring geeft -hoe het komt, dat zoovele planten op schijnbaar naakt gesteente of op -klaarblijkelijk uiterst droge hellingen leven kunnen. Meters ziet men -de wortels omlaag dalen, en waarschijnlijk gaan zij nog veel dieper, -maar de fijne takken en uiteinden zijn allicht beschadigd en gebroken -en dus niet meer waarneembaar. - -Langs denzelfden weg sijpelt natuurlijk het regenwater in het gesteente -omlaag. Het moge in de humuslagen langeren of korteren tijd zijn -opgehouden, alles wat niet verdampt, of niet als beken langs de -oppervlakte afvloeit, zinkt weg in de spleten. Het verzamelt zich -in de diepte. Ging het gesteente met denzelfden bouw onbeperkt door, -allicht zou het water onbeperkt kunnen wegzinken. Maar de lava rust op -krijtlagen, en deze weer op andere formatiën. Storingen in de beweging -van het water moeten dus het gevolg zijn, en zoo de lagen eenigszins -hellen, zullen zij het water in bepaalde richtingen afvoeren. Zoo -ontstaan onderaardsche beken en stroomen en hun aantal en macht is -veel grooter dan men zich gewoonlijk voorstelt. Trouwens ook in ons -eigen land speelt die onderaardsche beweging van het water een groote -rol, een rol, die men thans, bij het aanleggen van waterleidingen -hoe langer hoe meer waardeeren en bestudeeren gaat. - -Loopt nu een laag in een berg zóo, dat zij met haar laagsten rand in -een dal uitkomt, dan zal het water, dat over de laag heen vloeit, in -dit dal te voorschijn komen. Soms ziet men het rechtstreeks uit den -rotswand sijpelen, maar waar deze met een dikke humuslaag bedekt is -ziet men meestal, in het hoogste deel van het dal een klein moerasje, -van waaruit een beek omlaag stroomt. Vloeit geen zichtbare beek in dit -moerasje, dan is het duidelijk dat het door een of meer onzichtbare -stroompjes gevoed wordt; zijn er echter een of meer aanvoerbeekjes, -dan heeft de gewone beschouwer meest geen reden om ook nog aan -onzichtbare te denken. - -Thans komen de artesische putten aan de orde. Hun water komt onder -drukking uit de diepte te voorschijn, het moet dus daar onder -drukking staan. De laag, die door talrijke en wijde spleten het -water gemakkelijk vervoert, moet van boven en van onderen aan minder -gespleten en minder doorlatende lagen grenzen. Evenzoo zijn het bij ons -vooral grint- en zandlagen, die als het ware ingesloten zijn tusschen -klei, die het water voor de opborrelende putten leveren. De put maakt -men in een dal, op grooteren of kleineren afstand van een gebergte- -of heuvelenreeks. Niemand zal verwachten dat in een put, geboord op -den top van een berg, het water tot aan den rand zal opstijgen. Want -terwijl de laag helt, is het het water in de heuvelen dat drukt op -dat in de vlakte, en waar men boort tracht het natuurlijk even hoog -op te stijgen, als het onder den heuvel staat. Het tracht eenvoudig -het evenwicht te herstellen, want de put en de laag vormen een stel -van communiceerende buizen, en eer het tot rust komt, moet het water -dus in beiden even hoog staan. Is dus de monding der put lager dan -de waterstand in den heuvel, dan blijft het water voortdurend vloeien -en de bron is schijnbaar onuitputtelijk. - -In een zand- of grintlaag vloeit het water met een zachte helling -in een regelmatigen stroom. In een gespleten gesteente hangt de weg -geheel van de spleten af, en is dus uiterst onregelmatig. Dit heeft -nu voor den loop over groote afstanden wel niet veel beteekenis, -maar de aard van de uitmonding hangt daarvan natuurlijk geheel af. De -laatste spleet, die waaruit het water te voorschijn komt, kan rechtop -gaan of schuin of misschien bijna horizontaal liggen, en waar op het -gebied der geysers heete stoom uit spleten te voorschijn dringt, -zonder dat rondom de monding een vijvertje ontstaan is, ziet men -de spleten dan ook in alle richtingen hellen. Monden zij in een -vijver uit, dan kan men ze maar zelden zien, en liggen zij diep, -dan werken zij onder water allicht toch als vertikale openingen, ook -al zijn zij zeer schuin. Verder zullen de spleten natuurlijk nooit -overal even wijd zijn, maar hier en daar zullen wijdere gedeelten, -wellicht zelfs geheele grotten, met de nauwere spleten afwisselen. - -Het spreekt van zelf dat het water, dat uren ver door bepaalde lagen -loopt, de temperatuur van die lagen zal aannemen. En komt het snel -genoeg aan de oppervlakte, dan zal het dus daar dien warmtegraad, ten -minste ongeveer, verraden. Nu is het Yellowstone-park in de laatste -geologische tijden voortdurend een terrein van uitgebreide vulkanische -werkzaamheid geweest, en moet men dus aannemen, dat de koude korst, -die hier de inwendige warmte bedekt, dunner is dan wellicht op eenige -andere plaats op aarde. Het water behoeft dus niet zoo heel diep af -te dalen om in lagen te komen, wier temperatuur boven het kookpunt -ligt. En het doorloopen van zulke warme aardlagen is klaarblijkelijk -de eenige bron voor de warmte van het heete water. - -Hier komt nu een zeer belangrijke factor in het spel, namelijk de -afhankelijkheid van het kookpunt van water van de drukking. Iedereen -weet, dat op hooge gebergten het water bij een lagere temperatuur -kookt dan bij ons, al ware het ook slechts uit de ervaring dat het -koken van eieren in zulke streken langeren tijd vordert. Evenzeer -weet iedereen dat in een Papiniaansche pot [24] het water tot ver -boven 100° C. verhit kan worden, zonder tot stoom over te gaan. Het -is de grootere drukking, die dit belet. Passen wij dit nu toe op onze -onderaardsche stroomen, die op de beschreven wijze onder de zeer -aanzienlijke drukking van het grondwater in de omringende heuvelen -staan. Het zal dus bij 100° C. nog niet gaan koken, ja verscheidene -graden hooger verhit kunnen worden, zonder dit te doen. Het kan dus -een tijd lang in oververhitten toestand zich voortbewegen. Eindelijk -echter nadert het de openingen der spleten, en dus de plaats waar -geen overmaat van drukking er meer op rusten zal. Is het dan toch nog -warmer dan 100° C., dan zal het gaan koken, plotseling of langzaam, -al naar gelang van de wijze waarop het toestroomt. Bij den overgang -tot stoom zet het zich geweldig uit, en perst dus al het water dat -er boven staat voor zich uit. - -Zoo ontstaan de kokende bronnen. In oververhitten toestand wordt het -water in een zeer langzamen stroom toegevoerd. Houdt dan de drukking -op, dan gaat het koken, en de stoom verhit het water in den vijver, -tot ook dit het kookpunt nadert, waarna de stoom, in grootere en -kleinere bellen ongehinderd doorgaat, bruisend en barstend aan de -oppervlakte komend. Veel kleine geysers, die heftig koken, voeren -alleen stoom en geen water omhoog, en men ziet hun rand dan ook niet -overvloeien; een van de grootere heeft zelfs, om het typisch zuinige -van dit verschijnsel, den naam van Economy-geyser ontvangen. - -Zijn nu de onderaardsche spleten regelmatig, zoo zal de bron -gelijkelijk door blijven koken. Onregelmatigheden in de spleten kunnen -echter tot plaatselijke ophoopingen van stoom aanleiding geven. Een -gewelfvormige spleet, die alleen van onderen toe- en afvoergangen -heeft, zal zich b.v. allengs met stoom vullen, en deze zal onder de -drukking van de zuil water tusschen het gewelf en de oppervlakte -van den uitmondings-vijver staan. Langzaam neemt de stoom toe, -tot hij eindelijk de geheele holte vult. Ontstaat er nu nog meer, -dan moet deze ontwijken, en drukt dus de zuil water boven zich -weg. Men ziet den kraterrand overvloeien, meest schoksgewijze. Maar -stoom weegt minder dan water, en het wegpersen van de waterkolom -ontheft den stoom in het onderaardsche gewelf van den druk, die -hem daar samenperste. Plotseling zet hij zich geweldig uit, en -slingert nu alles wat nog in het te doorloopen kanaal gebleven was, -en misschien zelfs al het water van den vijver, met groote kracht voor -zich uit. In plaats van af te nemen, neemt de kracht op den weg toe, -daar de drukking vermindert. Zoo worden in weinige minuten nagenoeg -al de stoom en al het water hoog in de lucht opgeworpen. - -Dan echter is de kracht gebroken. Wat in den vijver neerviel vloeit -thans kalm in de buis terug, en de onderaardsche aanvoer vult het -gewelf en de gangen met water. Langzaam begint de stoom zich weer -op te hoopen, tot hij eindelijk weer ontsnapt, onder dezelfde hevige -verschijnselen. - -Uit deze door Bunsen gegeven voorstelling volgt nu als vanzelf, -dat spleten zonder zulke gewelven een regelmatig kokenden geyser -zullen geven, en dat de aanwezigheid van gewelven daarentegen de -periodische werking kan teweeg brengen. Hoe grooter de gewelven, des -te langer zal het duren voordat zij voldoende met stoom gevuld zijn, -en des te langer zullen dus de perioden van rust zijn. Maar des te -heviger zal ook de uitbarsting worden. - -Men moet zich dus de toevoerbuis van elken geyser als een -onregelmatigen, langzaam schuin omhoog stijgenden barst voorstellen, -waarvan de onregelmatigheden nu eens zonder beteekenis, dan weer, -door de vorming van van boven gesloten gewelven, geheel beslissend -voor het verschijnsel worden. - -In de verschillende spleten loopt het water meest onafhankelijk van de -overige, soms zelfs van zeer naburige bronnen. Dit blijkt allereerst -daaruit dat de vijvers op de hellingen van een heuvel op zeer ongelijke -hoogten plegen te liggen. Waren er communiceerende buizen, zoo zouden -de hoogere natuurlijk leegloopen en de lagere overvuld worden. Verder -blijkt het uit het feit dat de uitbarstingen van naburige geysers -van elkander geheel onafhankelijk zijn, de meest woeste uiting van -den een kan de volkomen rust van zijn buurman volstrekt niet storen. - -Laat ons thans de heftige maar voorbijgaande werkingen verlaten, -om ons met de kalmere en schijnbaar onaanzienlijke, maar de eeuwen -trotseerende afzettingen rondom de geysers bezig te houden. - -De geysers, en in dien naam zal ik thans gemakshalve de overeenkomstige -kokende bronnen mede begrijpen, liggen overal in de dalen van het -Yellowstone-park. Soms liggen zij eenzaam, meest zijn zij tot groepen, -enkele malen tot groote groepen vereenigd. In het laatste geval noemt -men het geheele dal een geyser-bassin, en het Norris-bassin, de Lower-, -Midway- en Upper- [25]bassins zijn daaronder de meest bekende. Maar -ook elders, zelfs aan de oevers van het Yellowstone-meer, vindt men -zulke bassins. - -De term bassin is in zekere mate misleidend. Allereerst om de reeds -besproken onderlinge onafhankelijkheid der geysers en om het feit -dat er bijna nooit twee uit denzelfden vijver omhoog springen. Elke -geyser heeft als het ware zijn eigen monding gemaakt, het zij die -vol water is of niet. Er is dus geen gemeenschappelijk bassin, noch -onder den grond, noch er boven. Het is alleen een waterrijk dal, -dat vele bronnen omsluit. Verder is de naam van bassin misleidend, -omdat de geysers zich altijd op een soort van heuvel bevinden. Midden -in het dal ligt zulk een heuvel, van eigenaardige vorm en formatie, -en de vijvers, spleten, heete bronnen en geysers liggen bovenop -of op de hellingen van dien heuvel. De heuvel is laag en breed, de -hellingen zacht glooiend. Soms vult hij plaatselijk het dal over de -geheele breedte en sluit dan aan de aangrenzende bergen aan, maar -altijd met een lageren rand, waarlangs het geyserwater kan wegvloeien. - -Deze vlakke heuvels zijn het product der geysers; zij bestaan -uit een bizonder gesteente, dat den naam van geyseriet draagt. In -tegenstelling met het travertijn der Mammoth Hot Springs, dat een -kalkgesteente is, is het geyseriet een kiezelgesteente. Zooals ik -reeds meermalen opgemerkt heb, liggen de geysers in de dalen tusschen -heuvels en bergen die voornamelijk uit lava bestaan, en is de lava -zelf weer in hoofdzaak uit kiezelmassa's gevormd. Het water, dat van -die bergen naar de geysers stroomt, vindt dus in de spleten op zijn -weg geen kalk maar kiezelzuur om op te lossen. Dit is echter op verre -na niet zoo gemakkelijk oplosbaar als kalk, en het water neemt er dus, -ook bij een langen loop, maar weinig van op. - -Dit opgeloste kiezelzuur nu wordt bij het uitstorten van het water -en dus rondom de heete bronnen afgezet. Het vormt het geyseriet, en -het heeft dus, in den loop der eeuwen, de geheele geyserietheuvels -in de dalen tot stand gebracht. Moge men ook uren lang op die -"bassins" rondwandelen, toch moet men bedenken, dat deze geheele -steenmassa eenmaal vloeibaar was. Niet alles tegelijkertijd, maar -achtereenvolgens, eeuw na eeuw en laag na laag. - -De vastlegging van dit kiezelzuur nu geschiedt uitsluitend door -wieren. Noch de verkoeling van het water, noch de betrekkelijk geringe -verdamping kunnen het kiezelzuur doen neerslaan; zonder de wieren -zou het even rijk daaraan afvloeien als het omhoog gekomen was. - -De afzetting van kiezelzuur door levende planten is geenszins een -verschijnsel dat tot de geyserietvormingen beperkt is. Integendeel, -het is in het plantenrijk zeer algemeen, veel algemeener dan -de afzetting van kalk. Sommige planten zijn er zeer rijk aan en -hebben er een bizondere hardheid en ruwheid aan te danken, zooals -b.v. onze schuurbiezen, wier schurend vermogen juist aan deze stof -te wijten is. Opgelost kiezelzuur, of liever oplosbaar kiezelzuur -heet in den handel waterglas, de oplossing ziet er uit als water, -maar gaat bij volledige verdamping in een glasachtige massa over, -die dan niet weer door water kan worden opgenomen. In de planten -wordt het opgenomen kiezelzuur eerst als een gelei-achtige massa in -de celwanden gebonden, zoodat het die geheel doortrekt, voornamelijk -in de buitenste weefsellagen. Grassen en granen zijn er zeer rijk -aan. Allengs wordt het harder, maar blijft met de celwanden zoo -vereenigd dat men het daarin niet zien kan. Maar toch kan men het -gemakkelijk vinden daar het onbrandbaar is en dus als een skelet -achterblijft als men de weefsels voorzichtig verbrandt. - -Onder de wieren is er een groep, die om dit kiezelgehalte zeer -bekend is. Het zijn de kristalwieren of Diatomeeën, beide namen die -op hun vorm en niet op hun inwendigen bouw betrekking hebben. Zulke -kristalwieren groeien ook bij ons overal in allerlei wateren, waar -zij dikwijls een dicht, vlokkig of geleiachtig bekleedsel rondom de -stengels der waterplanten vormen, voor zooverre deze onder het water -groeien. Zulke Diatomeeën spelen nu bij de vorming van het geyseriet -een belangrijke rol, maar zij verdragen de groote hitte van het -opbruisende water niet en zijn dus beperkt tot de bassins, die rondom -de eigenlijke kraters door het overvloeien ontstaan. Aanzienlijke -lagen van Diatomeeën vindt men b.v. rondom "Black Sand Pool" en -voornamelijk op den bodem van het Specimen lake, dat daaraan zijn -water ontleent. Soorten van de bekende geslachten Navicula, Epithemia, -Cocconema en andere nemen aan die formatie deel. Zij zouden even goed -voor polijstaarde kunnen worden gebruikt als sommige Diatomeeën-lagen -in Europa. - -Toch zijn deze kristalwieren slechts van locale beteekenis. Zij -vormen de hoofdmassa's van het geyseriet niet. Dit doen wiersoorten -van een veel eenvoudigeren lichaamsbouw. In het algemeen zijn het -dezelfde geslachten en ten deele ook dezelfde soorten als in de -travertijn-formatiën. In verband daarmede ziet men hier dan ook -overeenkomstige kleurschakeeringen en kleuren. De wanden der kokende -vijvers zijn ook hier wit of zeer licht geel, en de bruine of roode, -groene of blauwe, lichte en donkere, soms geheel zwarte overtrekselen -ziet men slechts in de omringende bassins, waar het water reeds meer of -min afgekoeld is. De wieren groeien snel, maar het kiezelzuurgehalte -van het water is gering, zoodat op veel organische stof weinig -sintelmassa komt. Voor een deel ten gevolge daarvan is het geyseriet -later, als het dood en droog is, een veel lichter gesteente dan het -travertijn, terwijl toch anders de kiezelgesteenten juist niet tot de -lichtste behooren. Ook verweert het zeer gemakkelijk, en ziet men op de -oppervlakte der geyserietheuvels de overblijfselen der oorspronkelijke -structuur niet zoo veelvuldig en zoo fraai als op de travertijnrotsen. - -Onder de lagere wieren, die hier een rol spelen, mogen er hier enkele -genoemd worden. Ten deele zijn zij dezelfde, die ik bij de beschrijving -der Mammoth Hot Springs reeds heb aangevoerd. De voornaamste geslachten -zijn Leptothrix, Phormidium, Calothrix, Gloeocapsa en andere. De -eerste zijn bleek en verdragen hooge temperaturen, de Gloeocapsa is -blauwgroen en vormt soms aan de buitenzijde der geyserkegels zwarte -geleiachtig-vliezige en soms vingerdikke overtreksels. De kleur -schijnt overigens zeer veranderlijk te zijn, want als men van een -bruin of zwart overtreksel in een warm stroompje of bassintje deelen -los maakt, ziet men de onderzijde dikwijls groen of blauwgroen. - -De wijze waarop deze wieren de formatie tot stand brengen hoop ik -weldra, naar aanleiding van mijn bezoek aan het Upper Geyser-bassin, -uitvoerig te schilderen. - -Vooraf moge echter het een en ander omtrent de voornaamste bassins -gezegd worden. Zij liggen dicht bijeen, op een bijna recht van het -zuiden naar het noorden loopende lijn. De toerist bezoekt ze in -zoodanige volgorde, dat hij met de minst belangrijke begint, om met -de groep der krachtigste geysers te eindigen. - -Het meest noordelijke of Norris bassin omvat een aantal geysers, -bronnen en stoomspleten, deels in het dal, deels op de hellingen -der heuvels gelegen. Onder hen speelt de Constant om de minuut, zijn -waterdroppels eenige meters omhoog werpende. De Congress is gewoonlijk -een groote, blauwe, kokende vijver, maar geeft op onverwachte tijden -geweldige uitbarstingen. - -Overal in den grond ziet men spleten en gaten, waaruit stoom komt en -waaronder men het rommelen hooren kan. Soms zijn die gaten met een -dunne korst van geyseriet bedekt en onzichtbaar; op zulke plekken moet -men bij het loopen zeer voorzichtig zijn, daar de korst te dun is, om -het gewicht van een mensch te dragen. Men doet beter op de planken te -blijven, die hier de voetpaden vormen. Een zeer breede, ternauwernood -vingerdiepe stroom voert het warme water uit al deze bronnen weg, -vloeiend over een laag van kleurig en levend, voortdurend aangroeiend -geyseriet. Hooger op den berg liggen geweldige stoomspleten, die een -oorverdoovend geraas maken, en nog iets hooger de Black Growler, [26] -waarvan de kegelvormige opening geheel leeg, maar tot aan den bovenrand -met zwarte koraalvormige wiergroeiïngen bedekt was. Ik wachtte een -poosje en zag langzaam het water in den trechter opstijgen. Het -bereikte een zekere hoogte en zonk toen weer weg. Daarna stijgt het -gewoonlijk weer, nu eens hooger, dan weer lager, nu eens alle wieren -bevochtigend en overvloeiend over den rand, dan weer onvermogend om ook -maar de helft van het koraal-oppervlak te bedekken. De naam Growler -duidt op het geruisch, dat hij bij al die bewegingen maakt. New -Crater, Gibbon-Geyser en vele andere zou ik kunnen noemen; ik wil -echter alleen de grijze-verfpotten vermelden, die vol met een grauw -troebel water zijn, dat over de geheele oppervlakte kookt. - -In het Lower Geyser-bassin vindt men heldere bronnen, rond en blauw als -een oog en omgeven met een bruinen rand, die met blauwe Convolvulussen -vergeleken worden en daarom, met den engelschen naam dier bloemen, -Morning glories worden genoemd. Verder grijze-verfpotten, stoomspleten -en geysers, en allerlei andere vormen van stoom-uitlaten. Great -Fountain is hier een der meest bekende geysers. - -Het Midway Geyser-bassin vertoont het uitgestrekte meer van den -Excelsior Geyser en verder den Turquoise Spring en het Prismatic lake. - -Het Upper Geyser-bassin is het belangrijkste. Het ligt zoo, dat -men het van uit het hôtel nagenoeg geheel kan overzien. Rechts ligt -Old Faithful, springend om het uur. Midden door het bassin loopt de -Firehole-rivier, zijn bedding ingravend in het geyseriet en de heete -wateren der bronnen overal opnemend. Soms ziet men ze vlak aan den rand -der rivier opkoken, soms stroomt het warme water langs de helling over -afstanden van honderden meters omlaag. De rivier is rijk aan forellen, -en vandaar het verhaal dat men hier, zonder zijn plaats te veranderen, -een forel vangen kan en hem dan aan den hengel in de heete bron kan -houden om hem te koken. - -Aan de overzijde der rivier liggen tal van kleine, voortdurend, maar -betrekkelijk zwak werkende geysers, als Beehive [27], Sponge [28], -Beach [29], Surprise [30] en andere. Aan de zijde van den rijweg liggen -vooral Castle en Giant, over wier werkingen ik reeds gesproken heb, -en verder een groot aantal kleinere. Ook vindt men hier lange reeksen -van uitgedoofde kraters, die meest geheel droog zijn. - -Aan beide zijden is het dal ingesloten tusschen heuvelreeksen die met -uitgestrekte dennebosschen begroeid zijn, en bijna van alle plaatsen -kan men Old Faithful zien, als hij aan het einde van elk uur zijn -water en zijn stoommassa hoog in de lucht werpt. - -Maar ik zou kans loopen, eenvoudig een uittreksel uit mijn gids-boekjes -te geven, als ik deze beschrijving wilde vervolgen. Het medegedeelde -echter meen ik, dat noodig is voor een juist begrip van de bespreking, -die ik thans op grond van mijn eigen bezoek wensch te geven. - -Ik begin daartoe met de voornaamste groep van geysers die den naam van -Upper-Geyser-bassin voert. En onder hen is de belangrijkste geyser -die van de Old Faithful, die vlak bij het hôtel is dat daarnaar -den reeds genoemden naam van Old Faithful Inn draagt. Hij springt, -of speelt zooals men het daar noemt, om het uur, en de reizigers die -slechts een halven dag in dit bassin vertoeven, kunnen dus alleen op -hem met zekerheid rekenen om de werking van een machtigen geyser te -zien. Hij is zoo trouw in zijn uitbarstingen, dat men telkens vooraf -kan berekenen, wanneer er weer een komen zal. En zijne periode van een -uur heeft hij onveranderlijk behouden gedurende al de--weinige--jaren, -dat men hem kent. - -Nauwkeuriger gezegd duren de perioden gemiddeld 65 minuten, waarbij dan -de tijd van rust en de tijd van werkzaamheid telkens als één periode -samen gerekend zijn. Ik begaf mij dus op het juiste oogenblik uit -het hôtel naar den geyser, beschouwde hem eerst in den rusttoestand, -zag daarna in de diepte van de krateropening het heete water omhoog -komen en ging toen op een bank zitten om het verdere verloop te -aanschouwen. Het ging langzaam genoeg om de volgende aanteekeningen -te maken. - -De krater is een zeer vlakke kegel met een zeer fraaie -terrassen-formatie met tal van zijbekkens, waarin het water blijft -staan. Die bekkens zijn omgeven door armsdikke gekronkelde randen. De -hoogere, waarin het heete water rechtstreeks valt, hebben krijtwitte -randen, de lagere, waarin het water na gedeeltelijke afkoeling vloeit, -hebben meest lichtbruine randen, vooral waar zij nog nat zijn. In de -eerste bekkens ziet men witte en lichtgele afzettingen, die den bodem -met een eigenaardig gevariëerde vegetatie van sintelwieren bedekken; -hier zijn de randen hoog opgegroeid en de bekkens dus vrij diep. De -koelere bekkens zijn vlakker, minder diep en vol bruine afzettingen in -allerlei tinten. Nog verder af, waar de helling veel geringer wordt, -zijn vlakke terrassen zonder opstaande randen, trapgewijze afdalend; -het water vloeit hier eenvoudig langzaam in een dunne laag over de -geheele sintelmassa heen. - -Soms is die vlakte te droog; dat hangt er grootendeels van af of -de wind de geyserkolom naar de eene zijde of naar de andere zijde -waait en dichterbij of verder af doet neervallen. Want de uitbarsting -moet elk uur het noodige water voor het overvloeien in het volgend -uur leveren. Op dit breede terrassenvlak komen groote vlokken van -zwarte geleiachtige wiermassa's voor, die het terrein hier en daar -zoo glibberig maken, dat het gevaarlijk is er op te loopen. - -Old Faithful staat niet alleen; rondom hem ziet men nog ruim een -half dozijn kraters van ongeveer gelijken bouw en ontwikkeling. Zij -staan allen op denzelfden breeden heuvelrug, vlak langs de rivier, -waarheen dan ook het geyserwater afvloeit. Maar al die buren zijn -sinds lang uitgedoofd en onwerkzaam geworden. - -De krater is een diep gat op den top van den vlakken heuvel. Rondom de -eigenlijke opening is een dikke wal opgegroeid, sierlijk geteekend met -randen en lijsten als aanduiding van de werkzaamheid der wieren. In -het gat ziet men in de rustperiode geen water, doch voortdurend -komen er heete dampen uit te voorschijn. Aan de noordzijde is de rand -hoog en onregelmatig, omstreeks een halven meter hoog. Hij bestaat -uit een grijswitte steenmassa met ronde vormen, en overal ziet men -de fijne ribbelingen van den wiergroei. Naast den krater en hier -en daar over den heuvel verspreid zijn een aantal kleinere gaten, -waarin water kookt of waaruit stoom komt. Voortdurend hoort men de -onderaardsche opborrelingen. - -Langzaam wordt nu de stoommassa in den hoofdkrater dichter en van -tijd tot tijd stijgt zij wat hooger op, terwijl de wind de nevels -zuidwaarts drijft. Voor enkele minuten zag ik den krater nog leeg, -nu spuit hij herhaaldelijk groote druppels heet water omhoog, en rust -dan schijnbaar weer eenigen tijd. Maar het onderaardsche geluid hoort -men nu voortdurend, het wordt langzaam sterker. - -Plotseling wordt een watermassa tot een hoogte van een meter in -druppels opgeworpen, en weer volgt schijnbare rust. Dan volgt weer -zulk een kleine, voorloopige uitbarsting. Allengs worden deze talrijker -en krachtiger, doch de pauzen duren soms nog eenige minuten. Nog eens -wordt de dampzuil hooger en voller, dan weer lager en zwakker, en van -tijd tot tijd worden weer gulpen waterdruppels omhoog geworpen. Dit -voorspel duurt ruim een kwartier, dan volgt weer schijnbare rust, -ofschoon de stoom en het geluid voortduren. - -Plotseling volgt nu de uitbarsting. Huizen hoog wordt het water in -een dikken straal van druppels omhoog gezonden, schok volgt op schok, -en de fijne nevel, die alles omgeeft, wordt door den wind voldoende -op zijde geschoven, om het geheele spel te laten zien. Geen straal of -zuil van water komt er omhoog, alles is stof-fijn verdeeld in grootere -en kleinere druppels, in onnoemelijk aantal. De druppels verplaatst de -zachte wind maar weinig; zij vallen rondom neer, en over den geheelen -geyserheuvel vloeit nu voor een korte pooze het heete water. Na een -paar minuten wordt de zuil van druppels iets lager, maar dan duurt -het nog geruimen tijd vóór zij sterk vermindert. Telkens komen er -nog schokken, die de druppels weer wat hooger opwerpen. Eerst na -ongeveer vijf minuten houdt het spel op. Ik ging er terstond heen, -maar de krater was leeg, zoover ik in zijne diepte kon zien, en alleen -met dwarrelende stoom gevuld. - -Toen volgde weer ruim een half uur van rust en daarna begon allengs -het voorspel. Dit duurt, met de uitbarsting zelve, bijna een half -uur. Zoo gaat het jaar uit jaar in, met de groote regelmatigheid, -die er den naam van Old Faithful aan heeft doen geven. - -Ik had op dien namiddag nog verscheidene malen het voorrecht de -uitbarsting te zien, maar telkens bevond ik mij op een anderen afstand -en min of meer aan een andere zijde. Telkens ook woei de wind anders, -en werd de wolkenzuil, die de druppelmassa omgaf, of ter plaatse -gehouden of in andere richting en op andere wijze weggedreven. Eenmaal -kon ik, op aanzienlijken afstand staande, de hoogte van de rookzuil -goed vergelijken met de hoogte der boomen in het bosch er achter; -de rook dreef in horizontale richting weg, ver boven de toppen -der dennen. Over het algemeen ziet men de trotsche trekken van het -verschijnsel pas op eenigen afstand goed; eerst hier is het werkelijk -indrukwekkend. De bizonderheden treden op den achtergrond en vooral het -voorspel, dat betrekkelijk zoo lang duurt, ziet men niet. Plotseling -en zonder voorbereiding ziet men de geweldige zuil van damp en water -omhoog stijgen in al de schittering van het zonlicht, en kort daarop -verdwijnt zij even plotseling en keert de volle rust van het landschap -weer terug. - -Na de uitbarsting van Old Faithful gadegeslagen te hebben volgde -ik den stroom van zijn water naar de Firehole [31]-rivier en ging -over een brug naar de andere zijde, waar op een uitgestrekt, een -weinig golvend terrein een groot aantal der kleinere geysers bijeen -liggen. Hier had ik een gunstige gelegenheid om vele bizonderheden -te leeren kennen, zoowel omtrent het koken van het water als vooral -omtrent de werkzaamheid der sintelwieren, die de randen en de -kraterkegels opbouwen. - -Tea Kettle [32] is een ronde ketel van 2-3 meter doorsnede, met een -lagen opstaanden rand, die zich niet meer dan een paar decimeters -boven den ketel verheft. De rand is dik en van boven naar binnen toe -omgebogen. Het water vult den ketel met een heldere, doorschijnende, -donkerblauwe massa, en ergens in den bodem, op eenigen afstand van -het midden, is een gat, waaruit het voortdurend heftig opkookt. De -ketelrand heeft een overlaat en een lek. Het lek ligt iets lager en -daaruit vloeit voortdurend water. Het is een horizontale spleet in -den overigens gaven wand. Het is de oorsprong van een beekje, met -witte wierafzetsels in 't midden doch met zwarte, glibberige, levende -randen. Verder op, waar 't water minder heet is, worden de witte -wieren door oranjeroode soorten vervangen. De overlaat is bizonder -fraai gebouwd, daar de geheele meer dan handbreede oppervlakte er van -met kleine koraalvormingen dicht bezet is. Aan de buitenzijde is een -klein vijvertje, dat somtijds een afvloeibeekje heeft, maar dit was -tijdens mijn bezoek droog. Die koraalvormingen in den overlaat zijn -een begin van herstel der opening en leeren dus hoe de geheele wand is -opgebouwd. Let men hier op, dan ziet men aan die zijde van den ketel, -waar de winden van tijd tot tijd het water over den rand kunnen waaien, -juist dezelfde koraalvormingen, maar kleiner, dikker en meer tot een -dichte massa aaneensluitend. Zij staan in groepjes, die de richting -van het overvloeiende water volgen en dus dwars over den ketelwand -gaan; op de buitenvlakte zijn de koralen langer en met zuiverder, -meer levende toppen dan op den bovenkant. Elders op den rand is de -droge oppervlakte klaarblijkelijk afgesleten, maar vertoont toch nog -dezelfde structuur. Ook zijn de openingen tusschen de wierkoralen -hier door nieuwere formaties grootendeels toegegroeid. Hier en daar -is door deze vormingen de wand fijn getand of gegolfd of gekarteld, -maar zelfs in die tanden en kartelingen is de massa zoo hard als -steen. De witte wiermassa is dus hier niet eerst een dikke gelei, -maar verkiezelt nagenoeg in gelijke mate als zij groeit. - -Topaas-pool is een jonger voorbeeld van dezelfde ketelvorming. Zij -is van boven nog wijder open en zoo breed, dat zij aan haar rand -voldoende afgekoeld is voor den groei der bruine wieren. Dit heeft -haar klaarblijkelijk haar naam doen geven. Het opborrelende water -stroomt in een breede beek snel weg, terwijl het over verscheidene -meters van den weg in zijn midden nog te heet is om den groei der -bruine wieren toe te laten. - -Vlak er naast is een breed gat, zoo breed dat men er bijna in -zou kunnen afdalen. Heel in de diepte ziet en hoort men het water -koken. Zulke gaten, kleine heete bronnen, kleine kokende vijvertjes en -kleine geysers zijn hier talloos over den geheelen geyserietheuvel -verspreid, veel te talrijk om ze afzonderlijk op te noemen. Zij -vertoonen alle een zekere periodiciteit, de een meer, de ander -minder. In intervallen van enkele minuten pleegt het water nu eens -harder en dan weer zachter te koken en soms bijna geheel zonder -beweging te zijn. - -De vormen der vijvertjes zijn zeer verschillend, maar naderen meestal -tot het cirkelronde of wijken daarvan alleen om plaatselijke redenen -af. Eén, twee of drie meters middellijn is de gewone grootte. - -Beach is de naam van een diepen ketel, omgeven door een breeden -vlakken rand. Op dezen rand staat het water maar een vingerdikte -hoog, en een kleine lijst beveiligt het tegen wegvloeien. Die lijst -is echter zeer onregelmatig, zoodat het water bij de minste golvende -beweging overvloeien kan. Tusschen den diepen ketel en den vlakken -vijver er rondom is ook een sintelrand, die boven het water uitsteekt, -maar waarover het toch telkens bij het koken wordt heen geworpen. De -bodem van den vlakken vijver is met brosse, korrelige wiermassa's -dicht begroeid; zij zijn lichtgeel van kleur. In den diepen ketel is -het water helder blauw en in de diepte ziet men de vooruit groeiende -gedeelten van den levenden wand als ronde witte rotsblokken. - -Juist had ik deze beschrijving gemaakt, toen het water in den ketel, -dat zoolang rustig geweest was, heftig begon op te koken. Dit -duurde echter slechts kort, daarna kwam weer rust, ofschoon nu -en dan afgebroken door het opstijgen van groote stoomblazen. Nu -begint het weer heftiger te koken en talrijke groote stoombellen -komen uit de diepte te voorschijn. Ook schijnt de watermassa toe te -nemen. Allengs worden de stoombellen zoo talrijk en zoo krachtig, -dat zij waterdruppels meenemen en in de lucht slingeren. In golven -stroomt het water over den rand van den ketel in den omringenden -vlakken vijver, maar toch is slechts een zeer geringe overvloei van -dien vijver er het gevolg van, en allengs komt de kokende massa weer -tot rust. De onderaardsche spleet werpt dus hier veel stoom maar -slechts weinig water omhoog. - -Kleinere poeltjes zijn in het algemeen duidelijker van bouw dan de -grootere. Men ziet dat de geheele wand, tot zoo diep het oog reiken -kan, met groeiende steenmassa's bekleed is. De wieren daarin groeien -niet in vlakke lagen, maar maken overal vooruitstekende hoorntjes, -die zich soms tot groote halve bollen vereenigen, soms kartelranden -maken en in het algemeen een zeer groote verscheidenheid van vormen -voortbrengen. Dikwijls groeien zij in verdiepingen van lijsten, de -bovenste aan de oppervlakte van het water, de overige trapsgewijze -lager. - -Dichtbij was een trechtervormige put, die geheel met een geelbruin -wier bekleed was. Alleen de randen waren grijs, en de kleurverdeeling -was dus juist andersom dan in de meeste overige gevallen. Toch was -ook hier het water kokend heet. Vlak er naast zag ik een diepe, -met heet water gevulde kloof met zuiver witte, koraalachtige wanden. - -Lion, Lioness en Cubs [33] zijn namen van dergelijke grijswandige -formaties, die reeds een hoogeren ketelrand om zich heen gevormd -hebben. Hun water kookt hevig, zij staan dicht bijeen op een heuveltop -met vrij steile wanden. Bee-hive, een der meest bekende kleine geysers, -heeft rondom zijn krater een wand gemaakt die sterk op een bijenkorf -gelijkt, maar van boven open is. De korf is ongeveer een meter hoog. - -Na deze groep van kleine geysers en vijvertjes beschouwd en nog -een laatsten blik over het periodisch opspuiten van het water -geworpen te hebben, begaf ik mij weer naar de andere zijde van de -Firehole-rivier. Hier verheft zich de Castle als een kasteel boven -op een grooten, vlakken geyseriet-heuvel. - -De Castle is een der grootste geysers, werpt zijn waterdruppelzuil -vele malen hooger en in veel dikkere massa op dan Old Faithful, maar -wisselt dan ook zijn werkzaamheid met perioden van rust af, die langer -dan een dag duren. Ik had niet het voorrecht een uitbarsting te zien, -maar daarentegen wel de gelegenheid om de formatie zeer nauwkeurig -te bestudeeren. Deze biedt hier meer afwisseling dan bij de meeste -andere geysers. Op den geyseriet-heuvel, dicht bij den Castle-geyser -bevindt zich een vrij groot, ondiep meertje "Crest" [34] of "pool" -[35] geheeten, en verder ziet men er een aantal andere poeltjes en -spleten met kokend water of met stoom. - -Het kasteel is een bijna zuilvormige kraterwand, ongeveer manshoog -en even breed; het wierp tijdens mijn bezoek voortdurend stoom en -ongeveer om de minuut een smalle maar hooge zuil van waterdruppels -uit. Aan de westzijde is de wand steil en de voet rond, aan de -oostzijde echter bestaat de voet, onder de zuil, uit een trapsgewijs -gebouw van terrassen, waarop het water, dat het kasteel uitwerpt, -neervalt. De geheele heuvel is grijs, en van terras naar terras -stroomen breede beekjes vol heet water. De randen der terrassen golven -sterk en zijn geheel met koraalvormingen bedekt, en dus van nabij -gezien uiterst fraai. Op een afstand maakt dit alles zeer sterk den -indruk eener oude ruïne. En deze indruk wordt nog versterkt door de -vele gaten en holten, openingen die door uitgroeiingen der wierranden -overwelfd zijn, en die aan dezen krater een zeer eigenaardig karakter -geven. Aan den steileren kant vloeit het water sneller af, en hier -zijn de koraalvormingen dus veel minder ontwikkeld. Ook brokkelt en -schaalt die massa hier voortdurend af, waarschijnlijk omdat zij te -dikwijls droog is. Rondom den voet, waar het overvloeiende water al -afgekoeld is, is de grond evenzeer van een schaalachtigen bouw, met -een geribbelde oppervlakte maar zonder de eigenlijke koraalvormingen. - -Kon men van den eigenlijken kraterwand een stuk zoo groot als -een hoofd afnemen en afzonderlijk vertoonen, zoo zou het zeer -gemakkelijk met een echt koraal verward kunnen worden, zoo groot -is de gelijkenis. Ik bedoel met die soorten van koralen, die als -bollen van een dichte vertakte massa opgroeien, zoodat de oppervlakte -voortdurend met tallooze kleine opstaande takjes bedekt is, terwijl -de massa daaronder aaneengegroeid en steenhard geworden is. Dezelfde -eigenaardige verdeeling in vakken en groepen vindt men ook hier. - -Op den breeden voet, waarop dit kasteel rust, liggen de schalen -tamelijk los op elkander. Sommige schalen zijn zoo dik als papier, -andere zoo dik als een vinger; overal vertoonen zij de ribbelingen -der randwieren, dikwijls in zeer fraaie teekeningen. - -De overvloeiende watermassa stroomt in talrijke groote en kleine -beekjes langzaam naar beneden en vereenigt zich hier en daar -met het water der andere heete bronnen van dezen heuvel. Op eene -plaats vormen zij een breeden poel, die geheel met de oranje-roode -wiersoort volgegroeid is, afgezien van smalle gekronkelde lijnen, -waarin het water in dezen poel omlaag stroomt. Het water is zoo heet, -dat torren, libellen en andere insecten er in sterven als zij er bij -ongeluk in vliegen; toch tieren de roodbruine wieren hier welig. Langs -de stroompjes ziet men ze in lange, fijne, sterk vertakte draden, -boomvormig als de stroom ze vrij laat, en als natte penseelen overal, -waar de stroom ze heen en weer wiegelt. Op den bodem vormen zij een -zeer sierlijke teekening, een bekleeding die fluweelachtig naar een -zelfde richting heenvloeit. In de diepte helderbruin, zijn zij dichter -bij het oppervlak donkerder van kleur en tevens meer geleiachtig. Waar -het water, tusschen de stroompjes, stilstaat, groeien zij omhoog, -zoodat zij er een sierlijk netwerk van walletjes van een vrij -vaste gelei vormen. Die walletjes houden het water tegen en doen het -stilstaan, trots de zwakke helling van den bodem aan den poel. Nu eens -omsluiten die walletjes kleinere, en dan weer grootere watervakken. - -Is het water door den groei dier walletjes dieper geworden, dan groeien -de oranje bruine wieren als dunne boompjes omhoog, om zich eerst -aan de oppervlakte uit te breiden. Zij zien er dan uit als tallooze -kleine paddestoelen, wier koppen op dunne stelen rusten en allengs -tegen elkander aan gaan sluiten, zoodat zij een dicht vlies over het -water vormen. Zinkt nu de oppervlakte van het water, hetzij doordat -de toevoer vermindert, hetzij doordat tijdelijk een betere afvoer tot -stand komt, dan wordt deze oranje massa allengs geheel wit, maar blijft -nog staan als een harde geleikorst. Verdroogt zij dan ten slotte, zoo -wordt de grond weer begaanbaar, en maken de kiezelwieren het geheel -bros en korrelig, zoodat het weldra in een zanderige massa verandert. - -Het beschreven poeltje is klaarblijkelijk van jonge vorming en grenst -aan de eene zijde aan een ouder gedeelte, dat met grassen, asters, -gulden roeden en andere kleine, meest bloeiende planten begroeid -is. Enkele vooruitspringende grasplanten zag ik door het heete -water gedood. - -Langzamerhand ontstaat in dit poeltje een laag van een zeer poreuze -structuur, die in verhouding tot het kiezelzuur, dat uit het water -wordt afgezet, rijk is aan organische stof maar ook rijk aan die -zouten, die voor het leven en den groei der wieren noodig zijn. Deze -stoffen zijn dezelfde, die ook het voedsel voor de bloemplanten -vormen, en daaruit volgt, dat als eenmaal dit poeltje opgedroogd -zal zijn, de grond voor allerlei plantengroei bizonder geschikt -moet worden. Dit verklaart ons op een zeer eenvoudige wijze waarom -de heuvels van geyseriet over het algemeen zoo spoedig met gras en -andere planten begroeid worden. Er is daartoe niet veel anders noodig -dan dat de heete waterstroom tijdelijk naar een andere zijde wordt -afgeleid. Het verklaart ons tevens, hoe de dennen bijna even gaarne -op deze gesteenten van jongen vulcanischen oorsprong groeien als op de -lava's, die overal rondom deze vallei de boschbedekte bergen vormen. Op -deze is het verweerend gesteente rijk aan minerale voedingsstoffen, -terwijl de geyserietheuvels niet alleen uit kiezelzuur bestaan, -maar ook uit die andere bestanddeelen, die hier niet door verweering -ontstaan, maar rechtstreeks door den groei der wieren vastgelegd zijn. - -De verandering der levende wieren in dit vruchtbare gesteente -verdient nog een nadere beschouwing. Zij vormen een vlies, dat aan -de onderzijde langzamerhand verkiezelt; zij plegen daar meest vast -met den onderliggenden bodem te zijn verbonden, daar zij slechts -een voortzetting van den groei en de transformatie van dien bodem -zijn. Doch soms laat de bovenste korst in kleine stukjes min of meer -gemakkelijk los; en dan blijken die stukjes op de breukvlakte groen -te zijn. En dit zoowel als de bovenkant donkerbruin is, als wanneer -zij zoo bleek is, dat men er geen wierleven in vermoeden zou. Het -groen is blauwachtig in allerlei tinten, zoodat men daaruit mag -afleiden dat hier soorten uit de groep der Blauwwieren de hoofdrol -spelen. De losgelaten stukjes bevatten vrij veel kiezelzuur maar -zijn nog bros en het was gemakkelijk ze tot een fijn poeder te -wrijven. In de onmiddellijke nabijheid der geyserbekkens en der -heete bronnen droogt deze korst veelal langzaam op, en ik vond haar -op verschillende plaatsen afschilferend. Dan was de droge bovenkant -der schilfers hard en grijs, maar de onderkant was nog geleiachtig en -groen. Daar ging dus het leven nog voort, en kon het telkens, als de -bron er water overheen werpt, opnieuw werkzaam worden en kiezelzuur -vastleggen. De kale, harde, schijnbaar rotsachtige grond is dus hier -overal levend en groeiend. Hoe diep deze gelei nog vochtig genoeg -blijft om te leven, en hoe dik dus de laag is die nog groeien kan, -is moeilijk na te gaan. De geheel losgeraakte schilfers, waarmede -de geyserietheuvels overal bedekt zijn, zijn natuurlijk ook aan de -onderzijde grijs, al bevatten zij misschien hier en daar nog levende -overblijfselen van wieren. - -Evenals de bruine wieren vond ik ook de zwarte gelei op den bodem der -koelere beekjes van onderen groen en hard. Aan de randen der heete -bronnen drogen de wiervliezen niet zelden op, zonder nog versteend te -zijn, en worden zij dus min of meer leerachtig. Ook deze vond ik, als -ze nog vochtig waren, aan de onderzijde groen, terwijl de bovenkant -bruin of zwart was. Hier en daar zag ik ook, hoe de diepere beekjes -soms gleuven in den grond maken, en waar de wanden schuin overhellen -en dus een onderkant hebben, is deze dan duidelijk groen. En dit ook -daar, waar het water nog zeer heet was. - -Een zeer eigenaardig geval van den groei der kiezelwieren zag ik aan -den rijweg dicht bij den Castle-geyser. Een deel van het water uit deze -bron wordt in een kunstmatige greppel verzameld en van deze uit door -een houten goot naar een grooten houten bak naast den weg geleid. In -de goot is het water nog zeer heet, in den bak nog warm. De bodem van -die goot is bekleed met de bruine wieren, die er deels in vlokken en -deels in draden groeien, en die, als men ze wegveegt, van onderen -weer blijken groen te zijn. Zij zetten nog laatste overblijfselen -van het opgeloste kiezelzuur uit het water af en vormen dus allengs -een verhardende korst tegen de binnenzijde van den wand der goot. - -Tusschen al deze lage en breede geyserietheuvels, met hun -tallooze bekken en spleten, stroomt de Firehole-rivier in sierlijke -kronkelingen. Soms hellen de heuvels zoo sterk, dat zij het water nog -heet in de rivier brengen; soms zijn zij zoo vlak en wordt het water -zoo breed uitgespreid, dat het afkoelt en een soort van moeras vormt, -waarin gras en biezen en talrijke bloemen welig tieren. Vlak langs de -rivier vindt men somwijlen ook heete bronnen, soms ook kegelvormige -kraters rondom kokende poeltjes. Meest zijn zij grijswit, soms met -bruine wieren zoo sterk overgroeid, dat de toeristen ze met den naam -van chocolade-potten bestempelen. Enkele kraters liggen niet hooger -dan de rivier zelf; kokend en in een breeden stroom zag ik hier het -water in de rivier vloeien zoodat plaatselijk alle groei van hoogere -planten belet werd. Zelfs hoog opspringende geysers vindt men aan -den rand van den stroom, bijna in de rivier zelve. - -Rondom zijn de bergen met het donkere dennebosch bedekt, of ziet -men op de hellingen de tallooze kleine gewassen, die ze met een -dicht en overal bloeiend gazon bekleeden. In de moerasachtige -gedeelten langs de rivier, tusschen het hooge gras, schitteren de -blauwe sterbloemen der Sisyrrhynchium's, de gele Mimulus, paarsche -asters, lange witte bloemtrossen van Orchideeën en tal van andere -fraai bloeiende planten. Overal heerscht leven en prijken bonte -kleuren. Maar de grond waarop zij groeien is grootendeels zelf een -product van het leven, zij het dan ook van allerlaagst georganiseerde -wezens en van een groei onder de meest vreemde omstandigheden. Onder -en boven den grond wedijveren de wieren en de bloemplanten. Maar -terwijl de laatste telken jaren verdwijnen, hoopen de kleine wieren -in den loop der eeuwen hunnen arbeid op, en stichten zij de kraters en -geyserietheuvels. Zoodoende herinneren zij ons levendig aan Harting's -woord: De macht van het kleine. - -Reeds meermalen heb ik opgemerkt, dat volstrekt niet alle geysers hun -water tot aanzienlijke hoogte opwerpen. Integendeel, verreweg de meeste -zijn slechts warme bronnen, waarin het water wel kookt en opbruist, -maar slechts tot een geringe hoogte opspat. Ik kom daarom thans tot een -beschouwing van de warme bronnen en de stoomspleten. Wat de geysers -ook vóór mogen hebben door hun geweldige werkingen, de warme bronnen -winnen het verre van hen in schoonheid. De namen Gem [36], Jewel [37], -Emerald [38] pool, Morning glory--de engelsche naam voor den blauwen -Convolvulus,--en talrijke andere bewijzen dit ten duidelijkste. De -stoomspleten vinden weinig aandacht, zij zijn uitermate talrijk en -meest kleine, soms zeer kleine gaten in den gewonen beganen grond. Soms -spuiten zij stoom uit, soms hoort men er een borrelend geluid in en -soms ziet men in de diepte wat kokend water. Maar eigenlijke open -vijvertjes vormen zij niet; dit is het type der warme bronnen. - -De vijvertjes zijn meest alle nagenoeg even groot, en eenige weinige -meters in diameter; soms echter zijn twee of meer naburige vijvertjes -ineengevloeid en toonen zij biscuitvormige gedaanten. Het oppervlak is -meestal cirkelrond of daartoe naderend. De bodem is soms panvormig, -soms trechtervormig en soms meer trompetvormig. In het eerste geval -ziet men in de diepte een aantal plaatsen, waar de stoomblazen in het -water opstijgen; terwijl in de trechter- en trompetvormige bronnen -de stoom bijna uitsluitend of tenminste in hoofdzaak uit de diepte -van het midden te voorschijn komt. - -Het water is zeer helder en de wanden zijn meestal wit, terwijl in het -diepste gedeelte de bodem niet gezien kan worden. De kleur van het -water is blauw, het diepste gedeelte bijna zwart. Deze kleur is zoo -zuiver, dat zij alleen voldoende zou zijn om de bronnen tot juweelen en -edelgesteenten te stempelen, maar zeer dikwijls zijn deze nog gevat in -een ring van goud of van zilver. Dit is dan het geval, wanneer de rand -zich zeer vlak uitspreidt, wat vooral bij de trompetvormige voorkomt; -dan groeien daarin oranjebruine of zilverwitte wieren, die een -gelijkmatig overtreksel over den vlakken bodem van den ondiepen rand -vormen, wat dan den indruk van een ring rondom een edelen steen maakt. - -Uit de duistere en raadselachtige diepte stijgt de stoom in blazen -op. Nu eens in enkele groote, dan weer in talrijke kleine. Valt -het licht gunstig in, dan schitteren deze blazen in de diepte als -zilver of als goud, en worden dan soms, om hun beweeglijkheid, met -vlammen vergeleken. Omhoog stijgende doen zij het water opborrelen -en koken. Met den stoom wordt ook heet water opgevoerd, doch in -zeer wisselende hoeveelheden. Men leidt dit af uit het feit, dat de -vijvertjes voortdurend overvloeien; het overtollige water loopt dan -over den rand weg. Want elk vijvertje neemt in den regel het hoogste -punt van den vlakken heuvel in, waarop het voorkomt. Sommige nu -vloeien sterk over, andere weinig, nog andere in het geheel niet. - -Tot de helderheid van het water en de overweldigend schoone kleuren -draagt de bouw van den trechterwand zeer veel bij. Deze wand toch is -meestal zeer zuiver wit. Zelden is hij vlak, of volgt hij nauwkeurig -de bochten van den trechter, trompet of pan. Meestal ziet men hier -en daar grootere en kleinere vooruitstekende bochten, die aanleiding -geven, dat op de betrekkelijk eenvoudige thema's, zooals ik ze aangaf, -tallooze varianten voorkomen. Bedenkt men daarbij dat de donkere diepte -soms rond, soms ovaal en soms spleetvormig is, en dat de bovenste -en buitenste rand in hooge mate van de omgeving afhankelijk is, dan -kan men zich gemakkelijk voorstellen dat geen twee van die bronnen -precies aan elkaar gelijk zijn. - -Trots de groote hitte is de geheele wand levend. Hij bestaat uit -microscopisch kleine wieren, die zich voeden met de opgeloste -bestanddeelen van het water en die het kiezelzuur er uit vast -leggen. Deze wiertjes zijn geleiachtig en slaan het kiezel ook -als gelei neer, maar zij worden spoedig zoo hard, dat men de -weeke oppervlakte ternauwernood voelen of zien kan: deze vormt -slechts een dun overtreksel van de steenharde, maar toch levende -massa. De temperatuur van het water komt, tot aan den rand, nabij het -kookpunt. Ik nam in eenige bronnen 86-90° C. waar, terwijl ik den bol -van mijn thermometer tegen de levende wieren aandrukte. Het kookpunt -van water is op deze hoogte slechts 92° C.; het hangt, zooals men -weet, van de drukking der lucht, of van den barometerstand, zooals men -het noemt, af. Men kan dus veilig zeggen, dat de geheele warme bron -nagenoeg kokend water bevat, en dat de wieren dus aan deze temperatuur -blootgesteld zijn. Wat ze niet belet om krachtig te groeien. - -Al naar gelang van de soorten der wieren en van de bizondere -omstandigheden, groeien zij bij voorkeur als randen of als koralen. In -het eerste geval vormen zij talrijke ribbels, wier richting dwars -op de richting staat, waarin het water over hen heenvloeit. In het -laatste geval vormen zij korte, opstaande zuiltjes, zoo dik als een -pink of dunner, en die zich veelal naar boven toe vertakken. Maar -veel hooger dan een centimeter worden die zuiltjes niet, omdat zij -zich van onderen snel verbreeden en daar dus tot een samenhangende -massa inéén groeien. Overeenkomstige groeiwijzen vindt men trouwens -ook bij de stoomspleten en rondom de geysers. Zeer fraaie, gitzwarte -koraalvormingen bekleeden den geheelen binnenwand van den Black -Growler, die daaraan dan ook zijn naam ontleent. Het is een groote, -wijde spleet waarin het water nu eens tot onzichtbare diepte wegzakt, -en dan weer opbruist, totdat het den smallen trechter geheel of -ten deele vult. Vult het hem geheel, dan bevochtigt het het geheele -zwarte koraalvlak en vloeit over, maar talrijker zijn de perioden -dat het minder hoog opborrelt en dus den bovensten rand alleen met -stoom bevochtigt. - -Het overvloeiende water vormt de geyseriet-heuvels evenals bij de -geysers. Overal, waar de grond vochtig is, groeien de kiezelwieren, -en leggen zij het kiezelzuur en de minerale bestanddeelen uit -het water vast, zoodoende den grond met een nieuwe steenschaal -bekleedende. Vloeit het water dan weer eens aan een andere zijde over -den rand, dan wordt de eerste vlakte droog en verbrokkelt zijn nieuwe -schaal, zoodat bijna overal de geyserietvlakten met zulke verbrokkelde -gesteenten bedekt zijn. - -Waar dit heete water over een helling vloeit die met planten begroeid -is, doodt het ze. Niet alleen door de hitte, maar vooral door de -vorming van een harde en ondoordringbare kiezellaag, die de lucht van -de wortels afsluit en deze daardoor doet sterven. Telkens en telkens -ziet men boomen die zóó gedood zijn, en zoowel in het Norris-bassin als -op andere plaatsen zijn soms geheele bosschen op deze wijze te gronde -gericht. De kale, gebleekte stammen getuigen dan nog jaren lang van -de ramp. Soms vallen die boomen in een bron of over den rand, en dan -worden zij geheel met een kiezellaag overtrokken. Ook kleinere takken -en losse naalden worden zoo verkiezeld, en naast een bron vond ik, -toen ik een stukje steen opnam en omkeerde, aan de onderzijde een -paar dennenaalden op deze wijze uiterst fraai versteend. - -Zeer kenmerkend voor de warme bronnen is de neiging van de korstwieren -van den rand om in een dunne laag over het water heen, en dus naar het -midden der bron toe te groeien. Bij den ingang van het Elk-Park zag ik -een vrij groote, langwerpige bron die over de eene helft met zulk een -laag bedekt was, de andere was nog open en liet het diepe en helder -blauwe water zien. Soms brokkelen deze randen af en dan kan men hun -inwendigen bouw uit schalen duidelijk waarnemen. Meestal nemen zij -allengs in dikte toe en vernauwen den vijver. Zoo zijn wellicht de -kleinere waterhoudende gaten door het gedeeltelijk dichtgroeien van -vroegere vijvertjes ontstaan. - -In zeer enkele heete bronnen is het water troebel en modderachtig. Zoo -b.v. in de paint-potten, die op grijze verfpotten gelijken, en over -de geheele oppervlakte koken. Trouwens, allerlei afwijkingen van het -gegeven beeld komen voor. Van deze wensch ik hier alleen te wijzen op -den Excelsior-geyser, die een kuil van vele meters diepte in de oude -geyseriet-lagen gemaakt heeft en daarin een meertje vormt, zoo groot, -dat men door de heete nevelen heen de overzijde niet zien kan. En -eindelijk het Prismatic-lake, daar dicht bij, waar de geheele bodem, -zoover ik zien kon, uit groote schuin geplaatste schotsen van een licht -groene kleur en een geleiachtig draderige structuur bestond. Bizondere -soorten van wieren geven aan zulke meren en plassen een zeer bizonderen -kleur en vorm, zoodat zij dan ook telkens en telkens op den bezoeker -een anderen indruk maken. - - -Chicago, Aug. 1904. - - - - - - - -EXPERIMENTEELE EVOLUTIE - - -De volgende bladzijden bevatten de feestrede, door mij uitgesproken bij -de opening van het laboratorium voor experimenteele evolutie van het -Carnegie-Institution, eenigszins gewijzigd en op verschillende punten -ten behoeve eener nadere toelichting der voorgedragen denkbeelden -uitgebreid. Het is misschien niet van belang ontbloot, daaraan -enkele mededeelingen omtrent de stichting van dit laboratorium te -laten voorafgaan. - -Voor een aantal jaren werd door den heer Carnegie een instituut -gesticht met het doel, zooveel mogelijk de studie der natuur te -bevorderen. Dit Carnegie-Institution is gevestigd te Washington -en beschikt over zeer rijke hulpmiddelen, waardoor het nu eens -bestaande wetenschappelijke ondernemingen steunen en dan weer -andere zelf op touw kan zetten. Het sticht dan afdeelingen of -zoogenoemde departementen. Enkele daarvan, zooals het departement -voor sterrenkunde, blijven te Washington en hebben daar hunne -observatoriën en laboratoriën. Andere onderzoekingen zijn aan -bepaalde plaatsen gebonden en worden dus daar uitgevoerd, waar de -omstandigheden voor hen het gunstigst zijn. Zoo werd voor een paar -jaren het woestijn-laboratorium te Tuscon (spr. Toesonne) in Arizona -gesticht, welk laboratorium ik in den loop der maand Juni het voorrecht -had te bezoeken. Het heeft ten doel, het planten- en dierenleven te -bestudeeren onder de eigendommelijke omstandigheden, die de woestijn -met zich brengt. Het is wel geen eigenlijke woestijn, in den zin van -een dorre en van plantengroei nagenoeg ontbloote vlakte, zooals ik ze -in het zuiden van Californië zag. Het is een streek, waar de regenval -geringer is dan de verdamping, en waar dus altijd gebrek aan water -bestaat. Dit gebrek aan water beperkt den plantengroei tot drie groepen -van gewassen. Ten eerste de kleine, kortlevende eenjarige soorten, -die in 't eind van den winter, als er wat regen valt, ontkiemen, -en die haar zaad rijpen vóór dat het korte natte seizoen voorbij -is en de droogte intreedt. In de tweede plaats vindt men hier de -cactussoorten, wier geribd lichaam bij den minsten regen zich vol zuigt -met water en de plooien tusschen de ribben bijna uitwischt, zoodat -het volume sterk toeneemt, en die dan bij aanhoudende droogte allengs -inkrimpen, zoodat eindelijk hun takken slap langs den stam hangen, -en het geheel er uitziet als afgestorven. Tal van boomachtige cacti, -[39] tot weinige soorten en geslachten behoorend, zag ik in dezen -toestand. Naast deze beide groepen staan de kleine, half-manshooge tot -manshooge heesters, met zeer kleine bladeren of ook wel zonder blad -en met groene stammen en takken, die hun leven behouden, dank zij de -zeer geringe verdamping en de bijna ongelooflijke lengte der wortels, -waardoor zij uit de onderste, soms meer dan 10 meter diepe lagen, -nog in de droogste jaargetijden het noodige water kunnen opzuigen. - -Verdamping en wortelgroei zijn voor dit laboratorium dus een -hoofdonderwerp voor studie; daarnaast komt de vraag, welke soorten -in de woestijn kunnen leven en waarom zij alleen dit kunnen, en -tevens de verdere vraag naar den invloed, dien in de woestijn de -bizondere samenstelling van den grond op verschillende plaatsen op -den plantengroei oefent. Het spreekt van zelf, dat deze zaken alleen -ter plaatse bestudeerd kunnen worden. - -Zoo is het ook met de experimenteele evolutie gesteld. Niet in of -nabij een groote stad vindt men in den regel de omstandigheden, -die voor de studie daarvan het meest geschikt zijn. Vandaar dat -het Carnegie-Institution eerst een uitvoerig onderzoek heeft doen -instellen naar de meest geschikt gelegen plaats. - -De keuze is daarbij gevallen op Long-Island, het lange, smalle eiland, -dat zich ten Oosten van New-York uitstrekt en op welks meest westelijke -punt de voorstad Brooklyn gelegen is. Voorbij Brooklyn vertoont -het de talrijke kleinere en grootere villa's en buitenplaatsen van -velen onder New-York's rijke handelslieden, de plaatsen waar dezen -des Zondags de rust en de kalmte komen genieten, die nu eenmaal in -het al te dicht bevolkte handelsgedeelte van New-York niet te vinden -zijn. Nog verderop liggen een aantal kleine steden en dorpen, en onder -deze munt Cold Spring door zijn allerheerlijkste ligging te midden -van boschbegroeide heuvelen uit. Het ligt aan de noordzijde van het -eiland, ongeveer op een uur afstand van de kust, die hier een inham -of natuurlijke haven vormt. Deze plaats heet Cold Spring Harbor. [40] -Aan den oever van de kleine golf zijn de heuvelen bedekt met bosschen -en buitenplaatsen, onder welke laatste die van President Roosevelt -hier verdient vermeld te worden. Deze golf was sinds jaren bekend -als bizonder geschikt voor de studie van het leven van allerlei -zeedieren. Men vindt ze ten deele aan de houten havenwerken, ten -deele op de lagere plaatsen van een breede zandbank, die zich van den -westelijken oever tot dicht bij den oostelijken, dwars door de baai -uitstrekt. Hier leeft de reusachtige eenstaartskreeft, waarvan ik -honderden van exemplaren in het ondiepe water vlak bij mij kon zien, -velen van hen bezig met eieren leggen. Hier leeft de bijna onzichtbare -kleine springstaart, en soort van het geslacht Columbula. Om ze te zien -moet men een stuk wit papier op het strand leggen. Dadelijk is dit -bedekt met een groot aantal heele kleine zwarte puntjes, die lustig -op en neer en heen en weer springen. Allerlei andere diersoorten kan -men hier bestudeeren, waaronder een heel gewone kleine zee-anemoon, -behoorende tot het geslacht Sagartia. - -Sinds jaren was dan ook aan deze kust een Marine Laboratory -gesticht, dat echter, bij gebrek aan fondsen, eigenlijk alleen des -zomers in gebruik was. Van deze bizondere omstandigheden en deze -uitmuntende gelegenheid heeft nu het Carnegie-Institution gebruik -gemaakt voor de stichting van zijn nieuw laboratorium. Het heeft de -beschikking verworven over de voorhanden gebouwen, bestaande in de -directeurswoning, den Library-Hall [41] en het eigenlijke laboratorium, -die, op korten afstand van elkander, aan den westelijken oever, -dicht bij het zuidelijke uiteinde van de baai gelegen zijn. Het heeft -tevens den directeur van het Marine Biological Laboratory tot directeur -van de nieuwe stichting benoemd, hem daarbij opdragende, niet alleen -enkele weken des zomers, gedurende de vacantie, te Cold Spring Harbor -te vertoeven, maar zich daar voor goed met der woon te vestigen. - -De heer Davenport, algemeen bekend om zijn statistische onderzoekingen -over de veranderlijkheid van dieren in verband met de plaatsen waar zij -leven en met de waarschijnlijke wijze van hun ontstaan, was sinds vele -jaren hoogleeraar in de dierkunde aan de Universiteit van Chicago, -en tevens belast met het bestuur van het zee-laboratorium. Zijne -echtgenoote stond hem in dit laatste krachtig ter zijde, en heeft -een aantal onderzoekingen over de dieren van den Cold Spring Harbor -het licht doen zien, onder andere een zeer belangwekkende studie over -den invloed van de vermenigvuldiging door deeling op het aantal armen -van de bovengenoemde zee-anemonen. - -Het oude laboratorium voldeed echter niet aan de eischen der nieuwe -stichting. Het was slechts voor enkele weken of maanden des jaars -ingericht, en daarenboven alleen voor zoölogische studiën. De evolutie -der levende wezens moet echter zoowel aan planten als aan dieren -bestudeerd worden, en bij den tegenwoordigen stand der wetenschap biedt -het onderzoek van planten de grootste kansen op spoedige en belangrijke -resultaten. Er werden daarom plannen gemaakt voor een nieuw gebouw, -voldoende aan alle eischen van den tegenwoordigen tijd en voor een -uitgebreiden proeftuin in de onmiddellijke nabijheid. Tijdens mijn -bezoek, in Juni van dit jaar, was men met den bouw gevorderd tot aan -de eerste verdieping, en was de proeftuin afgepaald en met voorloopige -culturen bezet, wier doel echter vooralsnog in hoofdzaak was, om door -voortdurende bewerking den grond te zuiveren van de wortelstokken -en zaden van de wilde soorten, die daar vroeger gegroeid hadden. De -eigenlijke proeven zouden eerst later begonnen worden, maar de zaden -daartoe waren reeds grootendeels bijeengebracht. - -In de maand Mei bracht de nieuwe directeur zijne huishouding van -Chicago naar Cold Spring Harbor over, en begon de verandering van de -oude in de nieuwe stichting. Toen deze naar wensch gevorderd was en -alles zoover was geregeld, dat aan bezoekers een voldoend denkbeeld -kon gegeven worden van de plannen en methoden van werken, werd het -tijdstip gunstig geoordeeld om het nieuwe laboratorium plechtig te -openen. Het ontving den naam van Laboratory for experimental evolution -[42] en den rang van een departement van het Carnegie-Institution -te Washington. Behalve den directeur zijn daaraan verbonden -twee assistenten en een secretaris. Als assistent belast met het -plantkundige gedeelte treedt op de heer Dr. G. Shull, die te Chicago -onder leiding van Davenport studeerde, terwijl de heer Luts met het -zoölogisch gedeelte belast is. Secretaris of "stenographer" zooals -het in Amerika heet, is Miss Luts, wier naam slechts bij toeval en -niet door verwantschap met dien van den laatstgenoemden assistent -overeenkomt. - -De plechtige opening was bepaald op Zaterdag 11 Juni. Uitgenoodigd -waren allen, die te New-York en elders in ontwikkelingsgeschiedenis -belangstellen, en een tachtigtal van hen, meest onderzoekers van naam -of professoren of instructoren aan bekende inrichtingen van onderwijs, -hadden aan de uitnoodiging gevolg gegeven. Enkelen waren daartoe zelfs -uit Washington en andere meer verwijderde plaatsen overgekomen. Zij -allen werden verzocht hunne namen te plaatsen in een album, dat als -gedenkboek van de stichting daartoe gecalligrapheerd was. Behalve -deze geleerden waren de bewoners der omliggende buitenplaatsen en -villa's talrijk opgekomen, deels uit belangstelling in de nieuwe -stichting, deels omdat zij reeds te voren van die belangstelling de -meest ondubbelzinnige bewijzen hadden gegeven. Terwijl namelijk de -gelden voor de stichting door het Carnegie-Institution werden gegeven, -was het terrein voor het nieuwe gebouw en de proeftuin en de noodige -grond voor eventueele latere uitbreidingen door een aantal der rijke -naburen aan de stichting aangeboden. - -Omstreeks twaalf uur kwam de eerste groep van genoodigden aan het -station te Cold Spring aan, van waar men in een langen stoet van -rijtuigen door het heerlijke bosch en ten deele langs de beek, die -in de baai uitstroomt naar het laboratorium reed. Voor hun vervoer -waren door de Long-Island Spoorwegmaatschappij de noodige bizondere -wagens kosteloos ter beschikking gesteld. Een dezer wagens kwam -van New-York, de andere van Brooklyn, beide vereenigden zich aan -het station Jamaica. De gasten werden in de woning van den directeur -Davenport ontvangen en gebruikten aldaar, deels in de versierde kamers, -deels op het ruime balkon, het luncheon. Daarna begaf men zich naar -den Library Hall, het grootste der beschikbare localen, dat voor deze -gelegenheid ten deele ontruimd en van een spreekplaats voorzien was. - -De plechtigheid werd geopend door den heer Davenport, die er op wees, -dat studiën over evolutie en vooral proefondervindelijke studiën niet -van dien aard zijn, dat zij spoedige uitkomsten beloven, en dat de -stichters en belangstellenden dus geduldig moeten afwachten wat men -eenmaal bereiken zou. Het nieuwe laboratorium is wel eenig in zijn -opvatting en in het doel van zijn streven, toch zal het zich zooveel -mogelijk in verbinding stellen met andere inrichtingen, die hetzij -in Amerika, hetzij elders, de studie der ontwikkelingsgeschiedenis -beoogen. Ten slotte bracht de directeur zijn dank aan de directeuren -van het Brooklyn-Institute of Arts and Sciences, [43] de vroegere -stichters van het Marine Biological Laboratory, die dit geheele -laboratorium met al zijn inrichtingen aan de Carnegie-Institution -ten geschenke aangeboden hadden, aan de gevers van het voor de -vergrooting benoodigde land, en aan de locale Wawepex-Society, -die de stichting door een echt Amerikaansche bijdrage in de kosten -grootelijks bevorderd had. - -Daarna hield de voorzitter der Wawepex-Society een toespraak, aan -het einde van welke hij de eigendomsbewijzen aan den heer Billings -als vertegenwoordiger der Carnegie-Institution ter hand stelde. Hij -schetste de geschiedkundige ontwikkeling van het dorpje Cold Spring -Harbor. Vroeger was dit een haven voor walvischvangers en zeer -welvarend, later was dit echter, ten deele door het verzanden van -de haven, ten deele door het gebruik van grootere schepen en door -andere oorzaken allengs afgenomen, en thans hebben de walvischvangers -andere havens opgezocht en is het dorp in verval geraakt. Het bestaat -nu voornamelijk door de aanwezigheid van zoo talrijke New-Yorkers in -den omtrek. - -Dr. Billings nam de bedoelde papieren met een kort antwoord -aan, waarin hij er op wees hoe grooten invloed de studie der -ontwikkelingsgeschiedenis op de philosophie en op de theologie -gehad hebben, en hoe groote resultaten men daarvan ook op sociaal -gebied verwachten mag. Hij sprak ten slotte eenige woorden tot den -directeur en verklaarde zich ten volle bewust van den langzamen gang, -dien het onderzoek noodzakelijk moest gaan. Laat ons hopen, zeide hij, -dat bij de viering van den vijftigsten verjaardag van deze stichting -de bewijzen ruimschoots zullen voorhanden zijn, dat de stap dien wij -thans doen, wijs en gerechtvaardigd was. - -Na hem werd nog een woord van welkom namens de buren van het nieuwe -laboratorium gesproken door den heer F. W. Hooper, die kortelijks -aan de verdiensten van de heeren Deane en Conn, de beide voorgangers -van den tegenwoordigen directeur, herinnerde. Daarna werd het woord -gegeven aan schrijver dezes, voor het houden van de volgende feestrede. - - - -De evolutie der organische wezens was tot nu toe eensdeels een voorwerp -van diepe bewondering, en anderdeels van vergelijkende studie. Uit de -algemeene verschijnselen die de verwantschap van planten en dieren ons -overal in de natuur doet zien, meende men den gang der ontwikkeling -zelve te kunnen afleiden. - -Thans is dit anders geworden. Men is niet meer tevreden met de kennis -van de groote lijnen van het proces, men wil tot in de fijnste -bizonderheden daarvan doordringen. Men wil nieuwe soorten zien -ontstaan, en onderzoeken door welke wetten haar ontstaan beheerscht -wordt, en van welke invloeden het afhankelijk is. Men wil trachten deze -kennis zóó uit te breiden, dat het eenmaal mogelijk zal zijn, zelf in -de verandering der soorten in te grijpen. Het is niet voldoende, ons -deel te hebben in de vruchten van het werk der natuur; wij willen ook -ons deel in het werk zelf hebben. Ja, wij willen trachten het werk te -beheerschen en te leiden, ten einde nog betere vruchten te verkrijgen. - -Ongetwijfeld is dit een hoog en verheven doel. Maar door den bouw -van dit laboratorium zijn de voorbereidingen getroffen, die noodig -zijn om het te bereiken. De grondslagen voor een onderzoek zijn op -breede schaal gelegd, met het vaste voornemen aan de natuur geheimen -te ontwringen, die tot nu toe onschendbaar schenen. - -De ontwikkelingsgeschiedenis van het planten- en dierenrijk moet een -proefondervindelijke wetenschap worden. Eerst moet zij grondig worden -bestudeerd en zooveel mogelijk gecontroleerd, daarna moet zij in haar -tegenwoordigen voortgang worden geleid, om eindelijk op verschillende -punten ten nutte der menschheid te worden veranderd. - -Deze denkbeelden zijn reeds voor een bepaalde richting uitgesproken -en uitgewerkt door den heer Davenport, die thans tot directeur -van dit laboratorium is benoemd. Zijn werk draagt den titel -"Experimenteele Morphologie", een combinatie van begrippen, die -aanvankelijk zeer gewaagd scheen, maar die sedert allengs burgerrecht -verkregen heeft. Proefondervindelijke vormleer is echter nog geen -experimenteele evolutie. De eerste bepaalt zich tot de studie -der oorzaken, die het verschijnen van de reeds gegeven vormen der -soort in de bepaalde gevallen beheerschen, de tweede vraagt naar de -oorzaken van het ontstaan van nieuwe eigenschappen. De aardappelplant -maakt uit het onderste gedeelte van haar stam uitloopers, die onder -gewone omstandigheden aan hun top elk een aardappel voortbrengen, -maar die in andere gevallen boven den grond groeien en tot groene, -bebladerde stengels worden kunnen. De experimenteele morphologie vraagt -waarom nu eens aardappelen en dan weer stengels ontstaan, van welke -omstandigheden en oorzaken dit afhangt, en hoe men het verschijnsel -naar willekeur kan regelen. De experimenteele evolutie daarentegen -vraagt hoe het komt, dat onder de talrijke soorten van het geslacht -Solaum er één is die aardappelen voortbrengt, welke oorzaken en wetten, -en welke bizondere omstandigheden het allereerste ontstaan van dit -vermogen beheerschen, en hoe men, misschien, bij andere soorten van -hetzelfde geslacht, of wellicht zelfs in andere geslachten, eveneens -een vermogen om aardappelen te maken zou kunnen te voorschijn roepen. - -Om zulke vragen te beantwoorden, wordt natuurlijk veel tijd en -veel studie vereischt. Maar het nieuwe laboratorium is voorzien van -de noodige inrichtingen, van uitgebreide cultuurvelden en van het -vereischte personeel, om dit onderzoek aan te vangen. Langzaam en -geleidelijk moet het beginnen, en de moeilijkheden zullen in den -aanvang uiterst talrijk zijn. Maar alles wijst er op, dat de hoop -gegrond is, dat het ten slotte gelukken zal ze te overwinnen, en -wetten te ontdekken, wier toepassing in wetenschap en praktijk voor -het menschdom een zegen zal worden. - -Op het gebied der evolutie gaat het onderzoek in Amerika en in -Europa thans hand in hand. Moge jaren geleden het zwaartepunt in -de oude wereld gelegen zijn, in de laatste tijden is een snelle -verandering duidelijk te bespeuren. Talrijker en talrijker worden -de bijdragen uit de nieuwe wereld, en meer en meer raken zij de -dieper gelegen, ja de moeielijkste vraagstukken. In Amerika hebben -de leer der bevruchting, de rol van het mannelijk element daarbij, -ja zelfs de uiterst moeielijke vraag naar de oorzaken, die het -geslacht van het nieuwe individu bepalen, door de ontdekking van zeer -belangrijke feiten een geheel onverwachten steun gekregen en is ook -de rol der cel-kernen en haar aandeel aan de bepaling der erfelijke -eigenschappen onlangs uit het speculatieve stadium van onderzoek -tot dat van rechtstreeksche microscopische waarneming overgegaan. Op -talrijke andere punten is een toenemende vooruitgang te bespeuren, -en daarom heb ik er bizonderen prijs op gesteld, dat bij de opening -van dezen nieuwen weg van onderzoek het houden der feestrede aan mij -is opgedragen. Dit toch getuigt van een streven naar samenwerking, -dat dezerzijds natuurlijk hoogelijk gewaardeerd wordt. - -De taak, die ik op mij heb genomen, sluit in zich, een denkbeeld te -geven van wat ik mij voorstel, dat op het gebied der experimenteele -evolutie, zoowel in de eerste als in de latere jaren, te onderzoeken -zal zijn, welke methoden daarbij kunnen worden gevolgd, en welke -uitkomsten, wellicht, mogen worden verwacht. - -Uit den aard der zaak is deze taak deels een zeer reëele, deels een -uitermate bespiegelende, bijna gelijk aan een droom. Wat voor de -eerste jaren het werk en de verwachtingen zijn, laat zich op vaste -grondslagen en tot in vrij fijne bizonderheden uitwerken. Maar wat de -verre toekomst eens brengen zal, kunnen wij thans nog ternauwernood -vermoeden. Slechts wat wij hopen en gaarne verwezenlijkt zouden zien, -laat zich schetsen, en zelfs dit nog in zeer grove trekken. Toch is -dit het oogenblik, waarop het bespreken van dergelijke verwachtingen -geoorloofd en noodig is, en waarop misschien uit een zeer vage hoop en -een droomerig denkbeeld een middel kan ontstaan, dat, aan de ervaring -getoetst, den weg wijst tot geheel nieuwe middelen van onderzoek en -tot te voren onverwachte uitkomsten. - -Vergunt mij het onzekere aan het zekere te doen voorafgaan, en eerst -de verdere toekomst te beschouwen, om daarna tot het werkplan voor -de eerstvolgende jaren over te gaan. Vergunt mij tevens daarbij een -beeld te gebruiken, ten einde mijne bedoelingen op gemakkelijker -wijze duidelijk te maken. - -De wetenschap is een veld van licht, te midden van bijna -ondoordringbare duisternis. Helder schijnt het licht op de menschheid, -verlossing brengende van onkunde en onmacht, van twijfel en vrees. Door -gestadigen en harden arbeid en door de toewijding van velen wordt -het licht onderhouden en zijn gebied allengs vergroot, en dringen de -zegeningen van ervaring en macht over de natuur allengs in grooter -kringen door. Amerika is rijk aan stichtingen, die de middelen geven -tot onderzoek en onderwijs, tot verdieping en verspreiding van kennis, -en iedereen weet, hoe naijverig Europa op de mogelijkheid van zulke -schenkingen, en op den edelen, vaderlandslievenden en het menschdom -bevoordeelenden geest is, die daaraan ten grondslag ligt. - -In ons beeld kan de vermeerdering van kennis op tweeërlei wijzen -plaats vinden. Ten eerste door gestadig en zorgvuldig werk in het -lichtveld zelf. De grond moet worden beploegd en de grenzen moeten -worden uitgebreid, en honderden en duizenden van onderzoekers zijn -onvermoeid bezig alle leemten aan te vullen en aan alle kanten op de -eenmaal vaststaande grondslagen voort te werken. - -Daarnaast staat het tweede middel van vooruitgang. Van uit het groote -veld worden lichtpunten uitgeworpen in de omringende duisternis. Hun -kansen om uitgedoofd te worden, en zonder gevolgen voorbij te gaan zijn -natuurlijk voor de hand liggend, en tallooze pogingen leiden dan ook -niet tot de gewenschte uitkomst. Maar van tijd tot tijd verwerven zij -vasten voet en staan zij als bakens, ver in de donkere omgeving. Dan -wijzen zij den weg voor een veel snelleren vooruitgang. Rondom de -bakens kan het licht zich uitbreiden, en tusschen hen en het groote -lichtveld wordt de duisternis van twee kanten bestreden, zoodat het -vroeg of laat gelukken moet, de bakens met het lichtveld te verbinden, -en al het terrein tusschen hen beiden te veroveren en toegankelijk -te maken. Zoo worden de uitgeworpen lichtpunten de middelen tot een -snelleren vooruitgang in bepaalde richtingen. - -Vandaar dat zulke lichtpunten de groote feiten geworden zijn, die de -geschiedenis van het natuurkundig onderzoek ons bewaart. Zij maken -den naam van de mannen, die ze uitwerpen onsterfelijk, zij zijn als -het ware de keerpunten der historie. Baco en Newton, Lyell en Darwin -staan onder allen vooraan, en in den tegenwoordigen tijd wijden Edison -en Marconi, Röntgen en Curie den arbeid van hun genie aan de belangen -der menschheid. - -Met deze opvatting van de beide hoofdbeginselen van vooruitgang -op het gebied van kennis en wetenschap vereenigt zich het -Carnegie-Institution ten volle. Te Washington heeft het zijn zetel; -hier werkt het regelmatig en gestadig voor de bevordering der algemeene -wetenschappelijke belangen. Daarnaast heeft het een eerste lichtpunt -uitgeworpen ver in de dorre woestijn, om een baken te worden van -onderzoek in de talrijke vragen van theoretisch en practisch belang, -die de woestijn ons aanbiedt. De oorsprong van de flora en de fauna van -die waterarme streken moet worden nagegaan. Hoe zijn sommige planten en -dieren er toe gekomen, bij voorkeur daar te leven? Waardoor zijn zij in -staat gesteld, in millioenen van exemplaren zich te vermenigvuldigen, -waar andere soorten noodzakelijk zouden te gronde gaan? Hebben zij bij -dien overgang hun natuur veranderd, of zijn zij slechts uitgezocht -uit vele anderen, en zijn alleen zij toegelaten, die reeds van den -aanvang af geschikt werden bevonden? Hoe kan de mensch in dit proces -ingrijpen? Is hij beperkt tot de werken van irrigatie en tot de keus -van elders bekende, maar toevallig voor de nieuw te ontginnen landen -passende soorten van land en tuinbouwgewassen? - -Deze en tallooze andere vragen moeten worden beantwoord. Om daartoe bij -te dragen heeft het Carnegie-Institution een laboratorium ingericht, -midden in de woestijn. Het is gebouwd op de heuvelenreeks nabij -Tucson in Arizona, een der oudste Spaansche stichtingen in die -bijna onbewoonbare landstreek, en thans een bloeiende en zich snel -ontwikkelende stad, met groote industrieën en een levendigen handel -op Mexico, en met toenemenden landbouw, gegrondvest op kunstmatige -irrigatie. - -Het woestijn-laboratorium staat onder het toezicht van de plantkundigen -Coville te Washington en MacDougal te New-York, terwijl Dr. Cannon, -met den titel van "resident-investigator" [44] de werkzaamheden -leidt. De hoop op een wetenschappelijke en praktische verovering -der woestijn is de grondslag van het werk, en alles wijst er op, -dat deze hoop ten volle gewettigd is. - -Heden wordt een tweede lichtpunt door het Carnegie-Institution in -de omringende duisternis uitgeworpen. Het is het laboratorium, dat -wij thans inwijden. Het moet een baken worden in een veel dichter -duisternis; het moet veel moeilijker vraagstukken aanvatten, en kan -daarbij slechts op een veel zwakkeren grondslag van voorafgaande -kennis steunen. Het heeft een veel hooger doel, en streeft naar -vruchten van meer algemeen belang. Het moet een leidster worden op -een gebied van geheel onverwachte feiten en ontdekkingen en een bron -voor geheel nieuwe methoden van verbetering van onze huisdieren en -landbouwplanten. Het heeft een veel zwaarderen arbeid voor zich en -zal eerst na jaren van voorbereidende studie de groote praktische -problemen rechtstreeks kunnen aanvatten. - -Maar hoelang deze periode van stillen arbeid ook moge duren, er kan -geen twijfel zijn, of het doel zal eenmaal worden bereikt. De geheele -inrichting, de rijke middelen, maar vooral de persoon van den directeur -en de keuze van zijn staf beloven een glansrijke toekomst. Welke -die toekomst zal zijn, laat zich natuurlijk niet in bizonderheden -omschrijven. Toch is het wenschelijk, de verwachtingen eenigszins -nader uit te werken, welke de tot nu toe genomen maatregelen met -recht kunnen doen ontstaan. - -Zulke verwachtingen binden niet, want 's werelds loop laat zich niet -voorspellen. Maar ik zie geen bezwaar in een schets, daar ik ten volle -overtuigd ben, dat de uitkomst toch eenmaal de meest schitterende -verwachtingen overtreffen zal. - -Meer in bizonderheden gaande, kunnen wij ook hier ons beeld van het -lichtveld der wetenschap toepassen. Ook dit laboratorium moet zulk een -veld worden, dat door vlijtigen arbeid zich steeds vergroot, maar van -waaruit tevens losse lichtpunten in de omringende duisternis worden -uitgeworpen. Hoe het werk op het veld moet geschieden, laat zich -ten minste in groote trekken berekenen; wat de bakens zullen kunnen -bereiken laat zich ternauwernood gissen. Het is als een droom. Maar -het is een zeer verleidelijke droom, en ik vind geen reden, om aan die -verleiding weerstand te bieden. Daarom zal ik trachten te schetsen, -wat ik in dien droom heb meenen te zien, en welke hoop het denkbeeld -van experimenteele evolutie, in verband met de groote ontdekkingen -van onzen tijd op verwant gebied, in mij opwekt. - -Mijn droom is uitgegaan van de oude vraag, wat er in een ei is, -dat dit in staat stelt al de eigenschappen van een vogel allengs te -ontwikkelen. Waarom wordt uit het eene ei een kip, en uit het andere -een fazant geboren? Welke eigenschappen hebben de ouders daarin -gelegd, die met klaarblijkelijke noodzakelijkheid de ontwikkeling -in een bepaalde richting leiden? Natuurlijk moet er in het eigenlijk -levende deel van het ei, het zoogenaamde kiemvlekje iets anders zijn, -zoo er een kip, en iets anders zoo er een fazant uit ontstaan zal. De -dooier en het eiwit zijn slechts voedsel, en daarin kan de oorzaak van -het verschil dus moeilijk liggen. Nog grooter verschillen moeten er -zijn tusschen het ei van een vogel en van een slang, en veel grooter -natuurlijk tusschen die en de eieren van zeesterren en zeeappels, die -bekende soorten, die zoo dikwijls door de zee op ons strand worden -geworpen, en wier eieren en larven een zoo zeer gezocht materiaal -voor de studie der ontwikkelings-verschijnselen geworden zijn. - -Nu zouden wij kunnen trachten, ons een voorstelling te maken van -den aard dezer onzichtbare verschillen. Wij zouden kunnen vragen, -wat wellicht het microscoop ons openbaren zal, wanneer het zijn -gebied nog verder zal uitgebreid hebben en deeltjes, die thans nog -onzichtbaar zijn, zoo zal kunnen vergrooten, dat wij ze rechtstreeks -kunnen waarnemen. Maar op deze vraag wil ik thans niet ingaan. Liever -wil ik vragen, of het mogelijk zou kunnen zijn, in de samenstelling van -die kiemen willekeurig veranderingen te weeg te brengen, zóó, dat het -dier dat uit het ei ontstond, andere eigenschappen zou vertoonen dan -zijne ouders. Natuurlijk bedoel ik niet, dat men zou kunnen trachten -uit een zeesterren-ei een slang, of uit een schildpadden-ei een vogel -te maken. Die verschillen zijn veel te groot. Aanvankelijk zal men -wel met de allerkleinste veranderingen tevreden moeten zijn. Laat ons -daarom een voorbeeld kiezen van zulk een zeer kleine en schijnbaar -onbeteekenende wijziging. - -De gewone pauw heeft een witte variëteit, die de schitterende kleuren -van de gewone soort mist. Uit de eieren dezer variëteit komen steeds -weer witte pauwen. Er moet dus tusschen het ei van een gewone en -dat van een witte pauw een verschil zijn dat het verschil in kleur -bewerkt. Dit verschil echter kan eenvoudig zoo beschouwd worden, dat -men zegt, dat de kleuren in het eene geval vrij tot ontwikkeling komen, -terwijl zij in het andere daarin door een of andere oorzaak worden -belemmerd. Wat is nu deze oorzaak, en hoe zou men die kunstmatig -kunnen nabootsen? Met andere woorden, zou het mogelijk zijn, een -middel te ontdekken dat in het ei van een gewone pauw, de kleuren -kan beletten tijdens den lateren groei te voorschijn te treden? - -Wij moeten natuurlijk aannemen, dat in het ei voor elke eigenschap -en dus ook voor de kleuren, bepaalde deeltjes voorhanden zijn, die -die eigenschap als het ware vertegenwoordigen, en die door zich te -vermenigvuldigen, tijdens de ontwikkeling van het jonge dier ten -slotte de kleuren doen ontstaan. Kon men die deeltjes nu dooden, -of ook slechts zóó verzwakken, dat zij, in vergelijking met andere -achterlijk bleven, dan zou misschien uit een gewoon pauwenei, in eens -en kunstmatig, de witte variëteit kunnen verkregen worden. - -Overlegt men de zaak op deze wijze, dan schijnt het dat men met -heele kleine veranderingen in een ei, zeer groote wijzigingen in een -organisme zou kunnen teweeg brengen. Een witte variëteit van de pauw -zou slechts een herhaling zijn van iets dat reeds bestond. Maar het -is duidelijk, dat dezelfde redeneering van toepassing zou zijn op -vogels en andere dieren, waarvan zulk een variëteit nog niet bestaat, -zoodat men werkelijk iets nieuws zou krijgen. Ja men zou het beginsel -misschien ook op bloemen kunnen toepassen. Witte afwijkingen van -soorten met blauwe of roode bloemen komen zoo algemeen voor, dat -het slechts natuurlijk schijnt om aan te nemen, dat elke rood- of -blauwbloemige plant er eene zou kunnen hebben. Toch is dit nog niet -het geval, en zijn er tuinplanten, waarvan een witte vorm nog steeds -te vergeefs gezocht is en zeker, zoo zij gevonden of voortgebracht kon -worden, door kruising met andere, tot een belangrijke vermeerdering -der vormen zou kunnen bijdragen. Ik noem slechts de bloeiende canna's, -wier kleur rood is, doch met geel vermengd. Verlies van het rood zou -ze zuiver geel doen worden, verlies van het geel zuiver karmijnrood, -terwijl een verlies van beide kleuren noodig zou zijn, om de zoo zeer -gewenschte witte variëteit te doen ontstaan. Maar men heeft haar nog -niet gevonden, en kan haar voorshands ook nog niet maken. - -Is het mij gelukt duidelijk te maken, wat men in zulk een bepaald geval -door vernietiging of verzwakking der vertegenwoordigende deeltjes -in een ei van een dier of in een zaadknop van een plant wellicht -eenmaal zou kunnen bereiken, dan mogen wij dit denkbeeld natuurlijk -uitbreiden. De kleuren dienden ons slechts als voorbeeld. Juist -dezelfde beschouwing zou men ook op allerlei andere eigenschappen -kunnen toepassen. Doornlooze en onbehaarde variëteiten worden -dikwijls als verdere voorbeelden aangehaald. Verlies van het meel in -het zaad onderscheidt de suikererwten en de suikermais van de gewone -soorten. Er zijn aardbeziën die geen uitloopers en Acacia's die geen -gevinde bladeren maken. Dit zijn natuurlijk slechts onbelangrijke -wijzigingen, maar het is duidelijk dat als men die kunstmatig kon -maken, men allengs tot meer belangrijke zou kunnen overgaan. Groote -verbeteringen onzer nuttige dieren, of van land- en tuinbouwplanten -zouden ten slotte mogen worden verwacht. - -Gaarne geef ik toe, dat wij van het bereiken van dit doel nog ver af -zijn. Maar bij de stichting van een nieuw laboratorium met een nieuwe -richting van onderzoek komt het mij toch wenschelijk voor zulk een -blik in de toekomst te slaan. Natuurlijk kan men niet voorspellen -wat later eenmaal zal worden ontdekt. Maar het is van groot belang, -een heldere voorstelling van de mogelijkheden op dit gebied te hebben, -teneinde van elke toevallige vondst terstond de waarde en de beteekenis -te kunnen beoordeelen. Zonder die voorzorg zou allicht een kleine -ontdekking kunnen verloren gaan, die toch het punt van uitgang had -kunnen worden, van waaruit ten slotte de oplossing van het raadsel -had kunnen bereikt worden. - -Daarom wensch ik thans na te gaan, welke kansen er zijn, om in eieren -zulke veranderingen teweeg te brengen. Ik stel daarbij voorop, dat -alles, wat men tot nu toe omtrent de physiologie van de eieren der -meest verschillende soorten van dieren onderzocht heeft, en alle -veranderingen, die men daarbij feitelijk in de kiemen teweeg heeft -gebracht, grof is in vergelijking met het verschijnsel dat ons thans -voor den geest zweeft. Een kleurverandering in de veeren van een pauw -zou natuurlijk volkomen onzichtbaar blijven, zoolang het kuiken in het -ei ligt, en zelfs nog geruimen tijd daarna. En zoo zou het met allerlei -andere eigenschappen zijn. Zichtbare veranderingen in de kiem en het -kuiken komen ons, van dit standpunt, voor als grove monstrositeiten, -die wel belangrijk, maar niet het doel van ons streven zijn. Wat -men thans moet zoeken zijn onzichtbare, en zich eerst veel later -verradende wijzigingen. - -Het dooden van enkele vertegenwoordigende deeltjes in een ei is -misschien het beste voorbeeld, ofschoon het allicht in de praktijk nog -te grof zal blijken. Men zou kunnen trachten het te bereiken met een -methode, die door Engelmann voor andere doeleinden gebruikt is. Ligt -een levende cel onder het microscoop, zoo kan men het licht dat haar -beschijnt, door een lens laten gaan, en die lens zoo kiezen en zoo -plaatsen, dat haar brandpunt juist in het veld van het microscoop -valt. Is de lens aan een eigen, beweeglijk statief bevestigd, -dan zou men dit brandpunt zich onder het microscoop kunnen doen -verplaatsen. Men zou dan in een vrij donker veld een helder lichtend -punt als het ware kunnen laten wandelen. Is het klein genoeg om een -enkele bladgroenkorrel, of een celkern, of zelfs een deel van een -kern te treffen, zoo zou men alleen dat punt kunnen verlichten. Op -deze wijze heeft Engelmann rechtstreeks aangetoond dat het licht in de -groene deelen der cellen zijn koolzuur-ontledende werking uitoefent, -en niet in de kleurlooze gedeelten van het levend protoplasma. - -Nu concentreert een lens natuurlijk niet alleen de licht- maar ook -de warmtestralen. Iedereen weet, dat voorwerpen, in het brandpunt -geplaatst, verhit worden; vandaar trouwens de naam. Past men dit onder -het microscoop toe, dan zou men dus een klein deel van een cel sterk -kunnen verwarmen, zonder de overige deelen te beschadigen. Spoedig -zou daarbij de warmte zoo groot worden, dat het getroffen deel -afstierf. Zoo kan men enkele bladgroenkorrels dooden, terwijl de -overige deelen der cel levend blijven. Als men nu voorzichtig een -celkern, of een deel daarvan tot dicht bij de temperatuurgrens van -het leven verwarmde, zou men mogen verwachten, dat die grens niet -voor alle deeltjes dezelfde is. Enkele zouden eerder sterven, andere -later. In een gunstig geval zou men dus de meest gevoelige kunnen -dooden, maar de overige sparen. - -Gesteld nu, dat men er enkele trof, die voor de ontwikkeling niet -volstrekt noodzakelijk waren, dan zou men misschien, langs dezen -weg, een variëteit kunnen tot stand brengen. Natuurlijk zou er nog -heel wat te bestudeeren en te beproeven zijn, vóórdat men zoover kon -komen. Doch dit is thans niet de zaak die ons bezighoudt. Het kwam -er slechts opaan, aan te toonen, dat er een weg is, die de kans op -zulk een ingrijpen opent. - -Waarschijnlijk zal het volstrekt niet noodig zijn, bepaalde deeltjes -in een ei te dooden, om zichtbare veranderingen in het daaruit groeiend -organisme teweeg te brengen. Veel natuurlijker schijnt het ze eenvoudig -in meerdere of mindere mate te verzwakken, hetzij tijdelijk, hetzij -op den duur. Door een tijdelijke verzwakking zou men kunnen hopen -ze achterlijk te maken in vergelijking met de overige factoren van -het ontwikkelingsproces en daardoor misschien de fijnst mogelijke -wijziging te erlangen. - -Een eerste middel dat zich daarbij aanbiedt is het bedwelmen. Aether -en chloroform werken op dierlijke en plantaardige cellen op -overeenkomstige wijze als op het menschelijk organisme, en wellicht -zou men daarvan gebruik kunnen maken, om geringe storingen in -de allereerste ontwikkeling te doen optreden. Reeds zijn een -aantal feiten bekend, die de uitgesproken hoop wettigen, of ten -minste steunen. Wat eieren betreft, gebruikt men bij voorkeur die -van zee-egels en zee-appels, die deels om hun doorschijnendheid, -deels om hun taaiheid, deels om allerlei andere redenen voor -onderzoekingen bizonder geschikt zijn. Wilson heeft nu vóór, tijdens, -en na de bevruchting aether op zulke eieren laten inwerken. Zichtbare -afwijkingen van het normale proces waren daarvan het gevolg. Zoo kan -de mannelijke kern belet worden met de vrouwelijke te copuleeren, -doch daarbij op eigen gelegenheid voortgaan met groeien. Ook kunnen de -stralen-sphaeren, die gewoonlijk van de kernen uitgaan, en waarlangs -zij vermoedelijk haren invloed op de cel oefenen, door de werking van -aether tijdelijk worden uitgewischt, of ten minste onzichtbaar gemaakt, -zonder dat daardoor de levensverschijnselen en met name de deelingen -in de kernen merkbaar worden gestoord. Dan kunnen de kernen zich -vermenigvuldigen, zonder dat dit door de overeenkomstige celdeelingen -wordt gevolgd en er ontstaan veelkernige cellen. Wilson kon soms 64 -kernen in een enkele cel tellen, terwijl het normale aantal niet meer -dan één bedraagt. Eindelijk kunnen de celdeelingen zoo onregelmatig -worden, dat zij, inplaats van tusschen de kernen door te gaan, langs -deze den nieuwen wand maken, zoodat de eene helft geen en de andere -beide of alle jonge kernen krijgt. Zulke kernlooze cellen vertoonen -dan natuurlijk allerlei afwijkende verschijnselen. - -De meeste van de beschreven afwijkingen zijn van voorbijgaanden aard, -zoo de bedwelming slechts kort genoeg duurt. Is het nog mogelijk, dan -keert daarna de kiem tot het normale ontwikkelingsproces terug. Maar -misschien blijft er toch nog iets over, dat, aanvankelijk onzichtbaar, -en dus tot nu toe niet opgemerkt, in het latere leven zich zou -verraden, en dan juist wijzigingen geven, zooals wij die zouden -wenschen te zien ontstaan. Een ruim veld van waarneming en onderzoek -ligt hier voor ons open. - -Dat bedwelming werkelijk veel fijnere wijzigingen in den groei en de -ontwikkeling kan te weeg brengen is, ten minste voor planten, door -de merkwaardige studiën van Johannsen bewezen. Aan dezen gelukte -het, door een voorbijgaande bedwelming, slapende knoppen wakker te -maken. Het resultaat was geheel onverwacht, en toch kan iedereen zich -gemakkelijk van de juistheid overtuigen. Onze boomen en heesters, -onze bloembollen en knolgewassen hebben 's winters een periode -van rust, die niet eenvoudig het gevolg van de koude is. Dit blijkt -terstond wanneer men bedenkt, dat de term winterrust het verschijnsel -eigenlijk zeer onvolkomen uitdrukt. Want hyacinten en tulpen en tal van -andere bolgewassen rusten eigenlijk des zomers. Als in het voorjaar -hun bloemen uitgebloeid zijn, kunnen zij nog zaad maken, en moeten -zij, b.v. een maand lang, door middel hunner bladeren het voedsel -maken dat voor het verdere leven van den bol, tijdens de periode -van rust, noodig is. Maar juist als de ware zomermaanden intreden, -beginnen zij deze periode, en daaruit volgt, dat gebrek aan warmte -daarvan klaarblijkelijk niet de oorzaak is. Zoo is het met tal van -voorjaarsplanten, waarvan men de bladeren nog eenigen tijd in den -zomer ziet, maar die vroeg of laat ter ruste gaan, lang vóór het -einde van den herfst. - -Er moeten dus inwendige, van het jaargetijde onafhankelijke oorzaken -zijn, die deze rust bewerken. Daarnaast kan 's winters de koude de -ontwikkeling vertragen, en iedereen weet dat enkele te vroege en te -warme voorjaarsdagen de knoppen er toe brengen kunnen vóór hun tijd -uit te loopen. Maar dit kan wel in het voorjaar, doch niet in den -eigenlijken winter, vooral niet in 't begin daarvan geschieden. Men -kan dit bewijzen door takken van allerlei boomen en heesters af te -snijden en, in wat water, in een warme kamer te plaatsen. Doet men dit -in Februari of Maart, dan ziet men weldra de meeste knoppen zwellen, -en een aantal er van open barsten en hun bladeren en bloemknoppen -ontplooien. Doet men het in October of November, zoo blijven de -takken echter werkeloos. Toch is alles of ten minste nagenoeg alles -in hen voor het hernieuwde leven gereed. Dit blijkt juist uit de -aether-proeven van Johannsen. Want wat men door eenvoudig verwarmen -niet kan bereiken, kan men daardoor wel verkrijgen na een voorbijgaand -bedwelmen. Men zet de takken, na ze afgesneden te hebben, en liefst -zonder water, in een groote metalen kist met goed sluitend deksel, -of ook onder een glazen stolp of in een flesch met wijden hals, -en voegt daaraan een afgemeten hoeveelheid aether toe. Men laat ze -er twee dagen in, en herhaalt daarna zoo noodig de bewerking nog -eens. Zet men ze nu in wat water op een verwarmde plaats dan ziet -men ze spoedig uitloopen, ten minste verscheidene soorten, want de -vereischte hoeveelheid aether is niet voor alle dezelfde. Dit proces, -dat in het klein zeer verrassende uitkomsten geeft, heeft in de laatste -jaren in het groot in de praktijk ingang gevonden voor het forceeren -van seringen. Want het is daardoor mogelijk geworden, den bloei -dezer struiken in Januari en December eenige weken te vervroegen, en -zoodoende omstreeks Kerstmis en Nieuwjaar daarvan groote hoeveelheden -bloemtrossen in den handel te brengen. En merkwaardiger wijze groeien -de trossen na het aetheriseeren zooveel sneller dan bij het gewone -forceeren, dat de meerdere kosten van de installatie en toepassing van -dit proces geheel opgewogen worden door de besparing aan brandstof, -die het kortere forceeren in de kassen natuurlijk met zich voert. - -Zoo hebben wij in aether--en hetzelfde geldt van chloroform--een zeer -merkwaardig middel om allerlei wijzigingen in het ontwikkelingsproces -te voorschijn te roepen, en het spreekt van zelf, dat na zulke -onverwachte en uiteenloopende feiten, als die van Wilson en van -Johannsen, nog een lange reeks van ontdekkingen op dit gebied mag -worden verwacht. - -Van geheel anderen aard zijn de studiën van Loeb in Californië -en van Delage in Parijs omtrent den invloed van opgeloste stoffen -en van gassen op de ontwikkeling van eieren. Ook zij gebruiken bij -voorkeur eieren van zee-sterren en zee-egels. Als zulke eieren bevrucht -worden, gebeurt er tweeërlei. Eensdeels brengt het mannelijk element -de eigenschappen van den vader op de kiem over, en bewerkt zoo de -gelijkenis der kinderen op hem, wat bij ons menschen zeer bekend is, -en bij bastaarden een zeer belangrijke rol speelt, maar wat natuurlijk -overal bij planten en dieren het meest wezenlijke deel der bevruchting -is. Maar dit is volstrekt niet het eenige, wat de mannelijke cel -bewerkt. Het ei bevindt zich in rustenden toestand, en moet daaruit -worden opgewekt, om zich verder te gaan ontwikkelen. Dit gebeurt nu -niet door die overbrenging der erfelijke eigenschappen, maar door -een afzonderlijke werking. Bij sommige planten en met name bij vele -orchideeën vindt zulk een werking zelfs reeds vóór de bevruchting -plaats, en gaat er van de stuifmeelkorrels en haar buizen iets uit, -wat den groei der zaadknoppen bevordert. Zonder dien prikkel worden -zij in die gevallen nooit normaal en voor de bevruchting geschikt. - -Men kan nu, dank zij de onderzoekingen der genoemde geleerden, die -twee belangrijke werkingen van elkander scheiden. Want men kan den -groeiprikkel, als ik het zoo eens noemen mag, die van het mannelijk -element uitgaat, vervangen door iets anders. Dan zal het ei zich -ontwikkelen, zonder in den eigenlijken zin van het woord bevrucht te -zijn, en daarom pleegt men dit proces parthenogenesis, en wel in dit -bizondere geval, kunstmatige parthenogenesis te noemen. - -Loeb ontdekte dit door het gebruik van opgeloste zouten, en met -name van chloormagnesium, dat in het zeewater wel aanwezig is, -maar natuurlijk niet in voldoende hoeveelheid om die onnatuurlijke -ontwikkeling te bewerken. Voegt men er echter wat grootere hoeveelheden -van aan het zeewater toe, waarin de eieren van zee-sterren, zee-egels -en zee-appels liggen, dan ziet men deze tot jonge larven worden, ook -zonder bevruchting. Eenige andere zouten zijn eveneens in staat, dit -gevolg te bewerken. Het maakt den indruk alsof het ei rustend gehouden -werd door een of andere onbekende maar op den groei belemmerend -werkende oorzaak. Het mannelijk element en de genoemde zouten heffen -die oorzaak op, lossen haar misschien eenvoudig op, zoo zij een -bepaalde stof is, en veroorloven zoo den voortgang der ontwikkeling. - -Delage heeft nu aangetoond, dat behalve zouten ook gassen, en met -name koolzuur, zulk eene werking hebben. Gasvormige lichamen hebben -bij zulke proeven allerlei voordeden boven opgeloste zouten. Men -behoeft slechts een stroom van koolzuur uit een ontwikkelingsflesch, -of uit een gewonen syphon van koolzuurhoudend mineraalwater te leiden, -om de eieren, die er in liggen, tot ontwikkeling te doen komen zonder -bevruchting. Zouten werken altijd op een aantal eieren schadelijk, -maar koolzuur kan ze bij honderden doen groeien, zonder dat er een -enkel verloren gaat of ook slechts achterlijk blijft. Daardoor geeft -het koolzuur een middel aan de hand, om de onbevruchte eieren in -hun verderen levensloop te bestudeeren, iets wat op dit oogenblik -nog zeer moeilijk is, daar men met de vereischten van het leven van -jonge zee-appels, ook na bevruchting der eieren, in een aquarium -nog zeer onvoldoende bekend is. In een aquarium moet men het water -voortdurend in beweging houden, en daarenboven moet men zorgen, -dat voedsel in overvloed voorhanden zij. Dit voedsel nu bestaat in -allerkleinste organismen, bijna onzichtbaar klein, die in het zeewater -in onnoemelijk aantal voorkomen, en die door de larven der zeesterren -worden gegeten. Deze plantaardige en dierlijke, microscopisch kleine -wezens vormen een deel van de in de bovenste lagen der zee drijvende -of liever zwevende wereld, die men tegenwoordig gewoon is het plankton -te noemen. Dit plankton, waarop ik trouwens later nog terug zal moeten -komen, is de groote bron van het voedsel voor alles wat in zee leeft, -tenminste wat het dierenrijk betreft, en grootere planten zijn in de -zee zooals men weet betrekkelijk zeldzaam, en eigenlijk beperkt tot de -kusten en tot de enkele, drijvende sargasso-zeeën. Dit microscopische -voedsel moet men vermengen met het zeewater, waarin de larven leven, -en dit heeft, bij hun vraatzucht, groote moeielijkheden, doch het is -hier de plaats niet, daarop nader in te gaan. - -Genoeg zij het, er op gewezen te hebben, dat eieren zonder bevruchting -tot larven kunnen worden. En kunnen zij dit, zoo zouden zij het -wellicht ook met een gedeeltelijke bevruchting kunnen, en misschien -met een gemis van slechts enkele der vertegenwoordigende deeltjes -van de erfelijke eigenschappen van den vader. - -Evenals van chloormagnesium, zou men ook de werking van zwakke -vergiften op den aanvang van het ontwikkelingsproces kunnen -bestudeeren. Davenport heeft aangetoond, dat er een zeer groote -mate van overeenkomst bestaat tusschen de werking van vergiften -op het menschelijk lichaam en op verschillende soorten van lagere -dieren. Met name kunnen in vele gevallen dieren aan bepaalde vergiften -gewend worden, door de dosis langzaam te doen toenemen. Er ontstaat -dan een soort van immuniteit, en deze treedt, al naar gelang der -onderzochte voorwerpen, nu eens vroeger, dan weer later in. Zoo men -nu aan mag nemen, dat bij een fijner uitwerken van dit beginsel, -ook de vertegenwoordigende deeltjes der erfelijke eigenschappen in -een ei in verschillende mate gevoelig zullen blijken te zijn voor -zulke vergiften, dan ontstaat de kans dat men daardoor sommige kan -elimineeren, zonder de overige al te zeer te schaden. Zoodoende zou -men allicht, in de ontwikkeling van de kiem en van het jonge dier -uit het ei, enkele bepaalde eigenschappen kunnen onderdrukken. - -Allerlei andere invloeden zouden kunnen worden bestudeerd, en onder -deze bieden wellicht de stralen van Röntgen, en de radio-activiteit -van het nieuwe element radium, bizondere kansen van slagen aan. Van -beide zijn reeds uiterst belangrijke werkingen op het levend organisme -bekend, die deels als genezing, deels als schadelijke veranderingen -van beteekenis zijn. Ook is in sommige gevallen hun invloed op -de ontwikkeling van jonge dieren uit het ei nagegaan. Zoo kan de -groei der organen van de donderpadden, die uit de kikvorsch-eieren -ontstaan, op belangrijke punten gewijzigd worden door de stralen -die van radium-bromide en andere radium-zouten uitgaat. In normale -gevallen verandert b.v. de vorm van den kop na omstreeks acht dagen, -de hals wordt onduidelijk en de uitwendige ademhalingsorganen -worden door inwendige vervangen. Maar de radium-stralen belemmeren -deze processen, en inplaats van te verdwijnen, wordt de hals door -het ontstaan van huidplooien duidelijker. In jonge zee-appels, -die zich uit eieren ontwikkelen, kan het radium den geheelen bouw -der ingewandsholte wijzigen. Wijzigt men nu de intensiteit van de -inwerking van het radium, zoo verandert ook de uitwerking, en voor -zoover de waarnemingen thans reeds een inzicht veroorloven, kan men -zeggen dat zwakke werkingen dikwijls de levensfunctiën bevorderen, -terwijl sterkere ze vertragen of belemmeren. Zeer sterk behoeft de -werking dan ook niet te worden, om plaatselijk enkele organen of cellen -geheel te dooden. Ook in dit opzicht gedragen zich verschillende cellen -verschillend, en onlangs heeft Soddy voorgesteld om de radio-activiteit -van het thorium, die zooveel zwakker is dan die van het radium zelf, -te gebruiken om de microben der longtering binnen in het lichaam te -dooden. De longen zouden daarbij zoo goed als onbeschadigd blijven. Hoe -dit ook zij, de hoofdzaak is voor ons dat ook hier, evenals in de -vorige gevallen, krachten aanwezig zijn, die bepaalde deeltjes meer en -andere veel minder in hun levensfunctie en ontwikkeling tegenwerken, -en evenals wij dit reeds herhaaldelijk gedaan hebben, kunnen wij -ons ook hier voorstellen dat een fijnere uitwerking van het beginsel -eenmaal tot een scheiding onder de vertegenwoordigende deeltjes der -erfelijke eigenschappen in het ei zal kunnen leiden. - -Maar ik heb wellicht reeds te veel feiten en verschijnselen uit te -zeer uiteenloopende deelen der natuurwetenschap aangehaald. Bij de -volkomen onzekerheid die hier uit den aard der zaak nog heerscht, -zou een verdere beschouwing van dit punt allicht al te vermoeiend -worden. Mijn doel was dan ook slechts aan te toonen, dat de -zuster-wetenschappen, vooral in haar nieuwste ontdekkingen, een schat -van feiten aanbieden, die als uitgangspunten voor onderzoekingen op -het gebied der experimenteele evolutie kunnen dienst doen. - -Daarom is een der eerste vereischten voor den goeden gang van de -werkzaamheden op dit nieuwe laboratorium, dat men zooveel mogelijk op -de hoogte blijve van het nieuwste wat in alle andere wetenschappen -ontdekt wordt. Natuurlijk kan niet alles van toepassing zijn. Maar -men weet vooruit niet, op welken weg een ontdekking zal te vinden -zijn. De eene poging kan mislukken, terwijl de andere gelukt. Het -komt er slechts op aan, de gunstige gelegenheden niet voorbij te laten -gaan. En om daarvoor te zorgen moet men op alles voorbereid zijn. Zeer -dikwijls hangt een belangrijke ontdekking af van een toevallige -kennismaking met een of ander nieuw feit, of een of andere nieuwe -gedachte, die plotseling blijkt van toepassing te kunnen worden op -het werk waarmede men juist bezig is. Is dan dit werk in vollen gang, -en beschikt het over alle methoden en hulpmiddelen die noodig zijn om -het nieuwe gezichtspunt terstond aan de ervaring te toetsen, dan is -wellicht de ontdekking ineens gedaan en misschien tevens al halverwege -voltooid. Is men echter òf niet voldoende voorbereid in eigen werk, -òf niet voortdurend op den uitkijk naar wat het toeval soms brengt, -dan gaat de gelegenheid ongemerkt voorbij, en jaren kunnen verloopen, -eer zich een tweede voordoet. Naast grondigen arbeid acht ik daarom -een voortdurende algemeene oriënteering een eerste vereischte voor -welslagen. - -De experimenteele evolutie kan echter nog van geheel andere -gezichtspunten uitgaan dan de tot nu toe ontwikkelde, en daarbij -geheel andere wegen van onderzoek inslaan. Zulk een weg is die, welke -men vroeger algemeen de studie der generatio spontanea noemde. Maar -toen had men, omtrent wat men mocht verwachten, nog slechts uiterst -vage en grootendeels onjuiste voorstellingen. Pasteur's ontdekking -der bacteriën heeft hier veel verkeerde denkbeelden opgeruimd. Want -mogen de bacteriën ook nog zoo klein zijn, en voor het gewapend -oog een ook nog zoo eenvoudigen bouw vertoonen, toch leeren ons hun -zoo uiterst verscheidene, scheikundige en physiologische werkingen, -dat hun binnenst maaksel volstrekt niet zoo primitief zijn kan. Men -is dan ook reeds lang van het vermoeden terug gekomen, onder hen -de meest oorspronkelijke wezens te zoeken. Vooral heeft daartoe de -overweging bijgedragen, dat zij alle òf van de weefsels van hoogere -planten en dieren, òf tenminste van hunne afvalproducten leven. Zij -zijn dus in hun geheele bestaan van deze afhankelijk en men kan zich -dus moeilijk voorstellen, dat zij, in het begin van den biologischen -tijd, aan deze zouden zijn voorafgegaan. - -Hierdoor komen wij als van zelve tot de vraag, waar men zich dan -voorstellen moet, dat het eerste leven ontstaan is. Dit nu is uit -den aard der zaak een quaestie die thuis behoort op het gebied -van het verre verleden, en dus in de palaeontologie. De leer der -voorwereldlijke planten en dieren antwoordt op onze kwestie echter -met een groot bezwaar. In fossielen toestand kan men natuurlijk -niet verwachten, dat van de bedoelde verschijnselen iets zal zijn -overgebleven. Integendeel, er is in het algemeen al een vrij hooge -graad van organisatie noodig, zal een plant of dier kans hebben om zijn -overblijfselen of indrukken in de gesteenten achter te laten. En die -hoogere bouw, gepaard gaande met een grootte, die de eerste levende -wezens zeer zeker niet bereikt kunnen hebben, sluit de studie van -het bedoelde verschijnsel op palaeontologisch gebied geheel van de -ervaring uit. - -Wij komen dus hier op een gebied van reine fantasie. Maar niet van een -vrije fantasie. Want zij is gebonden aan de bekende feiten, die haar -binnen vrij enge grenzen beperken. En met deze beperking kan zij ons -van groot nut zijn om ons een nieuwen weg te wijzen, waarlangs wellicht -de studie der experimenteele evolutie zou kunnen worden aangevat. - -Ik wil thans trachten duidelijk te maken, welke gezichtspunten ons -door zulke beschouwingen worden geopend. Daartoe wensch ik een kort -beeld te ontwerpen van de theorie van Brooks omtrent het leven op -aarde gedurende de oudste tijden, waarvan geen fossielen tot ons -zijn gekomen. Deze beschouwing komt mij voor zoo eenvoudig en zoo -gemakkelijk te begrijpen te zijn, dat ik geen bezwaar zie haar hier -eenigszins in bizonderheden te volgen. Zij gaat natuurlijk uit van -hetgeen feitelijk bekend is omtrent de alleroudste fossiele fauna, -die van de cambrische lagen. - -Allereerst een enkel woord omtrent den tijd. Men stelt zich thans -algemeen voor, dat het leven op aards geenszins onbegrensd lange -tijden geduurd heeft. De ontwikkeling op de hoofdlijnen van den -stamboom van het dieren- en plantenrijk behoeft niet zoo onmerkbaar -langzaam geweest te zijn, als men voor een tiental jaren nog algemeen -geloofde. Hubrecht heeft ons geleerd de tallooze vertakkingen van -den stamboom beter te beoordeelen en veel, wat men vroeger meende dat -een plaats op de hoofdlijnen moest hebben, wordt thans beschouwd als -te behooren tot de zijtakken. Daardoor wordt, in onze voorstelling, -het geheele proces der evolutie aanzienlijk verkort. Wat men vroeger -meende, dat na elkander moest gebeuren, ziet men thans in, dat voor -een groot deel naast elkander geschied kan zijn. Daarnaast komt de -overtuiging, dat een ontstaan van soorten zoo langzaam, dat eeuwen -noodig zouden zijn om merkbare verschillen teweeg te brengen, allengs -moet wijken voor de meening dat de vooruitgang stapsgewijze geschiedt, -en dat nu eens talrijke stappen elkander snel hebben opgevolgd, -terwijl in andere gevallen, zooals bij de zoetwatermosselen, lange -geologische tijden zijn voorbijgegaan, zonder dat eenige merkbare -vooruitgang, ja zelfs zonder dat eenige belangrijke wijziging in de -organisatie tot stand kwam. Men meent thans dat eenige millioenen van -jaren geheel voldoende kunnen worden geacht voor de verklaring van -het geheele evolutie-proces. Hoeveel millioenen doet er natuurlijk -niet veel toe, daar ons voorstellingsvermogen toch niet in staat is -op zulk een ontzaggelijke uitgebreidheid verschillen duidelijk te -waardeeren. Meestal schat men den duur van het leven op tusschen -de 20 en 40 millioen jaren, of, bij enger beperking, doch nog met -een voldoenden graad van waarschijnlijkheid, tusschen de 20 en 30 -millioen jaren. - -In dien tijd zouden dus tevens nagenoeg alle geologische lagen zijn -afgezet. De dikte van deze, voor de verschillende perioden van de -ontwikkelings-geschiedenis der aarde, geeft een in 't groot goed -vertrouwbaren maatstaf voor de verdeeling van den zooeven aangenomen -tijd over die verschillende perioden. De oudste lagen zijn verreweg -de dikste, de perioden duurden dus in den aanvang het langste en -dit wil zeggen, dat toen de veranderingen in de aardschors, in -de verdeeling van land en zee, en in de organisatie der levende -wezens uiterst langzaam geschiedde in vergelijking met de latere -tijden. Groote eentonigheid en groote gelijkvormigheid moet er -in den beginne overal op aarde geheerscht hebben. En, naar alle -waarschijnlijkheid heeft het ongeveer de helft van den geologischen -tijd geduurd, voordat hierin eenige merkbare verandering kwam. Sedert -zijn de veranderingen sneller en sneller, en de perioden dus korter -en talrijker geworden. Daaruit volgt echter nog niet dat de totale -vooruitgang ook in die tweede helft de grootste is geweest. Doch eer -ik hierop in ga moet ik eerst de palaeontologische feiten vermelden, -waarop de theorie van Brooks steunt. - -De periode in de ontwikkeling der aardschors die het keerpunt in -de geheele ontwikkelings-geschiedenis schijnt te zijn, draagt den -naam van den cambrischen tijd. Deze komt ongeveer met het midden van -alle geologische lagen, en dus met het midden van den geheelen duur -van het leven op aarde overeen. Vóór het cambrium moeten dus 10 à -20 millioen jaren zijn verloopen, sedert de eerste levende wezens -ontstonden, en daarna ongeveer evenveel. De cambrische periode -echter is de oudste, waaruit fossielen bekend zijn geworden, en wij -mogen dus zeggen dat wij van de eerste helft van de ontwikkeling -van het leven op aarde feitelijk niets weten. Daartegenover staat, -dat na het cambrium het voorkomen van fossielen in de gesteenten -regelmatig is toegenomen. Leemten zijn er in onze kennis natuurlijk -nog zeer talrijke, doch zij betreffen meer de fijnere trekken der -ontwikkelingsgeschiedenis. Omtrent de hoofdlijnen mogen wij zeggen -dat de ervaring ons voldoende uitsluitsel geeft. - -Geheel juist is het echter niet, zooals ik zooeven zeide, dat wij -omtrent de eerste helft van den biologischen tijd niets weten. Mogen -de feiten ook ontbreken, toch is het duidelijk dat de fauna van den -cambrischen tijd als het product der voorafgegane evolutie mag worden -beschouwd, en dat deze dus zoodanig moet geweest zijn, als met dat -product overeenkomt. - -Daarom willen wij thans die cambrische fauna nader in oogenschouw -nemen. Ik doe dit aan de hand van Brooks, die in zijn boek over de -"Foundations of Zoology" een uiterst aantrekkelijke beschrijving van -het leven in de zee, in dien tijd en in den tegenwoordigen tijd, -geeft. Zooals iedereen weet, is de zee veel rijker aan fraaie en -vreemde vormen, aan de meest treffende en boeiende kleur-schakeeringen, -dan eenige vegetatie op het land. Zelfs de tropische bosschen kunnen -met het leven op den bodem der zee op verre na niet wedijveren. - -De fauna van de onderste lagen van de cambrische periode, die dus de -alleroudste is, waaromtrent de fossielen ons iets leeren, was rijk -en verscheiden, en de meeste tegenwoordige typen van het dierlijk -leven hadden hun vertegenwoordigers reeds in dien tijd, terwijl er -daarnaast toen geen eenigszins belangrijke typen gevonden werden, die -thans geen levende nakomelingen meer zouden hebben. Gewervelde dieren -en bloemplanten waren er toen nog niet, maar van de lagere dieren, -en zoover men na kan gaan van de wieren, waren de hoofdtypen toen -reeds allen aanwezig. Men kent omstreeks 150 soorten van dieren uit -die onderste cambrische lagen, maar deze zijn zeer gelijkelijk verdeeld -over de orden en familiën, die thans nog op den bodem der zee leven. - -Die 150 soorten maken daarenboven niet den indruk van allerprimitiefste -voorvaderen te zijn van de tegenwoordige typen. Integendeel, de -specialisatie en organisatie mogen toen in bizonderheden anders -geweest zijn dan nu, zij stonden volstrekt niet merkbaar lager dan -thans. In geologischen zin de alleroudste waren zij volgens zoölogische -opvatting even modern als de tegenwoordig levende wereld. Binnen in -elke groep is het aantal soorten en vormen in de sedert vervlogen -tijden uitermate toegenomen, en is er een verscheidenheid ontwikkeld -zooals die toen, naar alle waarschijnlijkheid, op verre na niet -bestond. Maar deze differentiëering geldt eigenlijk slechts bijzaken, -terwijl de hoofdzaken nagenoeg onveranderd zijn gebleven. Allerlei -levensomstandigheden, deels voortspringende uit de ongelijkheden van -den bodem der zee en de verschillende diepten, voornamelijk echter -te wijten aan de overal afwijkende eischen van den strijd met andere -wezens en van den grooten wedstrijd om voedsel, hebben talrijke -speciale adaptatiën doen ontstaan, en een enormen rijkdom van vormen -teweeggebracht, waarvan de gewone mensch zich geen voorstelling kan -maken. Maar de hoofdtrekken van de organisatie waren toen dezelfde -als thans, de kenmerken van de hoofdgroepen van het dierenrijk zijn -al die millioenen van jaren vrij wel onveranderd gebleven. - -Deze moeten dus in de vóór-cambrische tijden ontstaan zijn, terwijl -de tallooze bizondere aanpassingen van lateren datum zijn. - -Wil men nu trachten zich een voorstelling te maken van het leven -gedurende die vóór-cambrische tijden en van de veranderingen, die zoo -plotseling het ontstaan van fossielen mogelijk maakten, dan moet men -natuurlijk geheel van zoölogische, in plaats van palaeontologische -gegevens uitgaan. Het wordt dan een vergelijkende studie, waartoe de -tegenwoordig levende wereld het materiaal moet leveren. - -Er zijn in de levensgeschiedenis der aarde klaarblijkelijk perioden van -langzame en tijden van snellere verandering geweest. Voor de fossiele -kruipende dieren was de tijd van den Ichthyosaurus zulk een tijdperk -van snelle ontwikkeling. De allerlaatste tijden toonen een toenemend -overwicht van intellectueelen vooruitgang, en onder de landdieren -geldt thans vrij algemeen list meer dan kracht. De fossielen leeren -ons, dat de gemiddelde grootte van de meeste typen van landdieren -sinds het midden van de tertiaire periode is afgenomen, maar dat de -verhouding van den inhoud van de hersenpan tot de lichaamsgrootte -aanzienlijk is toegenomen. Naar een globale schatting is het gewicht -der hersenen in vergelijking met dat van het lichaam in die latere -geologische tijden meer dan verdubbeld. - -Brooks neemt nu aan, dat het begin der cambrische periode ook zulk -een tijd van snellen vooruitgang in een bepaalde richting was, en -wel in de richting van die vaste kalkachtige lichaamsdeelen, die in -fossielen staat zijn overgebleven. De reden, waarom uit oudere tijden -geen fossielen bekend zijn, zou dan eenvoudig deze zijn, dat alle -lichaamsdeelen nog week en voor fossilisatie ongeschikt waren. En de -oorzaak van die verandering zoekt hij in den overgang van het leven -uit de hoogere lagen der zee naar den bodem. - -Om de bedoeling van deze voorstelling duidelijk te maken, moeten -wij dus trachten een denkbeeld te geven van die twee, zoo uiterst -verschillende fauna's. - -Bestudeert men de ontwikkelingsgeschiedenis van tegenwoordig levende -dieren uit de meest verschillende afdeelingen van het dierenrijk, -dan komt men tot de overtuiging dat zij moeten afstammen van kleine -en eenvoudig gebouwde voorvaderen, die echter reeds het kenmerkende -type der afdeeling in zich droegen. De gemeenschappelijke afstamming -van die groepen moet dus plaats gevonden hebben in een zeer ver -verwijderden tijd, toen alle dieren nog zeer klein en eenvoudig van -bouw waren. Zulke zeer kleine en eenvoudig gebouwde diertjes leven -tegenwoordig talloos in zee, maar niet op den bodem, doch drijvende -of zwemmende in de golven. De bovenste lagen van het water onzer -zeeën moet men zich bevolkt denken met een onnoemelijk aantal uiterst -kleine levende wezens, waarvan velen zelfs microscopisch klein en -voor het ongewapend oog onzichtbaar zijn, terwijl de anderen niet -veel grooter zijn, dan zoo, dat zij juist nog even gezien kunnen -worden. Deze zwevende wereld, die tot een diepte van verscheidene -meters onder de oppervlakte gaat, zoover als het licht en de zuurstof -en het koolzuur der lucht nog ruimschoots kunnen binnendringen, is -het plankton, waarvan ik bij een vorige gelegenheid als van voedsel -voor grootere zeedieren, reeds met een enkel woord heb melding gemaakt. - -Dit plankton nu bestaat deels uit plantjes, deels uit diertjes, -maar allen van een zeer eenvoudigen bouw. De planten behooren tot -verschillende groepen van lagere wieren, de dieren daarentegen omvatten -vertegenwoordigers van nagenoeg alle afdeelingen van het dierenrijk, -zoover zij zeedieren omvatten, en met uitzondering natuurlijk van -de gewervelde dieren. De verschillen, die reeds in het plankton de -groote afdeelingen van het dierenrijk van elkander onderscheiden, -worden algemeen als veel diepergaande en als van veel grooter -systematische beteekenis geacht dan alle de tallooze verschillen binnen -die afdeelingen zelven. In het plankton vormen de microscopische -wiertjes niet alleen het voedsel voor alle dieren daarin, maar -tevens voor nagenoeg het geheele leven in zee, met uitzondering van -de kust. Natuurlijk niet rechtstreeks, maar middellijk. De wieren -behooren maar tot een klein aantal typen en soorten, maar deze -komen dan ook in ontelbare millioenen van individuen voor. De meeste -gewone vormen behooren tot de Protococcen of oudste celvormen; het -zijn microscopisch kleine, kogelronde groen eencellige wezens. Zij -vermenigvuldigen zich door deeling, maar zoodra een cel op deze wijze -er twee gevormd heeft, laten deze elkander los, om afzonderlijk te -gaan leven. Zij voeden zich in hoofdzaak met het opgeloste koolzuur, -dat zij ontleden en waaruit zij de organische stof maken. Hoe fijner -zij in het water verdeeld zijn, des te gemakkelijker kunnen zij -dit koolzuur natuurlijk opnemen, daarmede hangt hun microscopische -kleinheid, hun eencellige bouw en hun gemis van bizondere organen -samen. Dit alles toch zou in de eentonige en gelijkmatige omgeving -van het zeewater slechts last en omslag zijn. Alles is ingericht voor -een snelle en rijkelijke vermenigvuldiging, maar ook nagenoeg alleen -daarvoor. Behalve groene protococcen komen ook diatomeeën en enkele -andere vormen van eencellige wieren in ontelbare hoeveelheden in het -plankton voor, maar over deze behoef ik hier niet uit te wijden. - -Opgegeten worden is in zee de levensregel, en voor dat de protococcen -tot een geschikt voedsel voor haaien en andere groote visschen -geworden zijn, moeten zij, als ik het zoo eens zeggen mag, tallooze -malen opgegeten zijn. Ik bedoel natuurlijk dat zij door zeer kleine -diertjes worden gegeten, deze weer door grootere, die op hun beurt -aan nog grootere tot voedsel strekken, en zoo vervolgens. De eersten -in deze reeks zijn de globigerinen en radiolarien of straaldiertjes, -fijne, slijmerige wezens met naalden van kiezel of andere harde -deeltjes van uiterst fraaie structuur in hun overigens schijnbaar -structuurloos lichaam. Bijna even talrijk als de protococcen, maar -zonder het vermogen om zich met koolzuur te voeden, leven zij van -deze, om zelven weer aan tal van andere, grootendeels wat hooger -georganiseerde maar toch nog uiterst kleine wezens ten prooi te -vallen. Zoo klimt de organische stof, die de zee-planten oorspronkelijk -maken, langzamerhand in het dierenrijk op. - -Ofschoon nu opgegeten worden de regel is, spreekt het wel van zelf, dat -daaraan ten slotte een grens komt. Kleinere en grootere aantallen van -diertjes sterven af, zonder aan anderen tot voedsel te strekken. Deze -zullen allengs gaan zinken. En moge hun aantal ook slechts een klein -deel vormen van wat er in de bovenste lagen der zee blijft leven, toch -zal het ten slotte zijn als een regen van voedsel, die uit deze lagen -langzaam omlaag daalt. Wanneer dit begonnen is, en welke graad van -organisatie vereischt was, om dit verschijnsel van eenige beteekenis -te doen worden, is moeilijk na te gaan. Maar het is een feit, dat -tegenwoordig die onderzeesche regen van organisch voedsel de groote -en nagenoeg de eenige bron van het leven op den bodem der zee is. - -Het licht wordt door het zeewater geabsorbeerd. Het dringt tientallen -van meters in, maar wordt voortdurend verzwakt. Overal waar de zee niet -al te ondiep is, heerscht op den bodem volkomen duisternis. Planten -kunnen daar niet groeien, want die leven niet zonder licht. Organisch -voedsel wordt er dus niet gemaakt; alles wat er noodig is, moet -uit de hoogere lagen neerdalen. Toch pleegt die bodem met een rijke -vegetatie van koralen en van allerlei andere dieren bedekt te zijn. De -een leeft van den ander, en ook hier moet dezelfde organische stof -achtereenvolgens in tal van lichamen dienst doen. Maar het spreekt -van zelf dat er een bron moet zijn, waarmee dit alles begint. Het -is geen kringloop. Het is een langzaam en zuinig gebruik van wat er -voorhanden is, maar al die dieren ademen toch en verbruiken daartoe -een deel van het opgenomen voedsel. Een bron moet er dus zijn, en -wel een rijke en altijd vloeiende bron. - -Die bron is de zooeven bedoelde regen van voedsel uit de bovenste -lagen, de lijken der diertjes die daar geleefd hebben, en die zich, -rechtstreeks of indirect, met de daar levende groene wieren hebben -gevoed. - -Op den bodem der zee is nu het leven natuurlijk geheel anders dan boven -in de golven. Daar ontstaan vastzittende en zwemmende vormen. Daar -is kleinheid en eencelligheid geen voordeel meer. Allereerst komt -het beginsel van kolonie-vorming en van uitbreiding over de vlakte, -want dit vergroot natuurlijk de kans, om het neerdalende voedsel te -bemachtigen. Dan komt het belang van over anderen heen te groeien, en -het voedsel als het ware te onderscheppen. Zoo ontstaan de stamvormende -en vertakte koralen. Eindelijk is het klaarblijkelijk een voordeel -om liever niet rechtstreeks op den voedselregen te teren, maar de -dieren te verslinden, die zich zoo gevoed hebben. Dit is de bron -van de plaatsbeweging, van kruipen en zwemmen, ten einde de prooi te -bereiken. Zoo kan men gemakkelijk verder gaan, en opklimmen tot hoogere -en hoogere organisatie, ja tot die lichtende zeedieren, die zich zelven -in hun strooptochten in de duisternis kunnen bijlichten. In één woord, -het leven op den bodem is de bron van differentiëering en aanpassing -aan tallooze verschillende behoeften van het leven. Het is een strijd -om het voedsel, en strijd is de grondslag van den vooruitgang. In de -bovenste lagen der zee daarentegen is het voedsel in overvloed aanwezig -en zijn de levensomstandigheden zoo eenvoudig als men zich maar denken -kan. Daar mogen wij dus niet die aanpassing en die ontwikkeling van -tallooze nuttige en doelmatige inrichtingen verwachten, daar blijft -eenvoudigheid de hoofdleus. - -Het plankton, of het zwevend leven, is nu niet alleen de eenige groote -bron van het organisch voedsel in zee, het is uit den aard der zaak -ook de oorspronkelijke bron, en dus de meest oorspronkelijke vorm van -het leven. Daarmede komen wij terug, van den tegenwoordigen toestand, -zooals ik dien nu geschetst heb, tot Brook's voorstelling van het -leven in de vóór-cambrische tijden. - -Het leven op den bodem en de ontwikkeling van grootere organismen -is geheel afhankelijk van het plankton. Het spreekt dus van zelf -dat het niet zonder dit bestaan kan en dus jonger moet zijn dan -dit. De fossiele overblijfselen in de cambrische lagen, waarvan ik -reeds gesproken heb, vertoonen ons koralen en allerlei diertypen, -zooals zij tegenwoordig op den bodem der zee leven. Natuurlijk niet -dezelfde soorten, maar toch zoo nauw verwant, dat men ze gemakkelijk -herkennen en beoordeelen kan. In oudere lagen vindt men zulke -overblijfselen niet. Toch is er in den bouw der gesteenten niets -wat zou doen vermoeden dat zij hier wel geweest, maar sedert door -latere veranderingen weer verdwenen zouden zijn. Zulke veranderingen -hebben de alleroudste lagen zonder twijfel ondergaan, maar het komt -hier natuurlijk alleen aan op die, welke in de laatste periode vóór -de cambrische afgezet zijn. Daaruit nu moet men besluiten dat er -in die periode nog geen leven op den bodem der zee was. Is deze -conclusie juist, dan is het cambrische tijdperk het begin van alle -hoogere organisatie, van alle vastzittende planten en dieren, en -van de tallooze soorten die rond waren om zich ten koste van deze -te voeden. Dan is de cambrische periode tevens het begin van het -ontstaan van grootere diervormen met vaste skeletachtige deelen, -die in fossielen toestand bewaard kunnen blijven. Dan is ten -slotte de cambrische periode het slot van eenvoud en kleinheid en -gelijkvormigheid, terwijl in alle vóór-cambrische tijden deze drie -hoofdbeginselen altijd het geheele leven op aarde beheerscht hebben. - -Ik kom nu terug op de bovengegeven tijdsbeschouwing. Deze leerde ons, -dat het cambrium omstreeks het midden van den biologischen tijd -ligt. De helft van den beschikbaren tijd, meer dan tien millioen -jaren, moet het leven in dien eenvoudigen zwevenden toestand bestaan -hebben. Al de groote rijkdom van vormen, dien wij thans overal rondom -ons bewonderen, moet het product zijn van de tweede helft. - -Maar nutteloos voor den vooruitgang is de eerste helft volstrekt -niet geweest. Juist integendeel moet men aannemen, dat toen de breede -grondslag gelegd is, waarop de trotsche bouw van het dierenrijk in het -cambrium kon worden opgetrokken, of waarop ten minste met dien bouw een -omvangrijk en in vele opzichten beslissend begin kon worden gemaakt. - -Wat in den voortijd geschied is weten wij niet, maar wij moeten -het afleiden uit wat van de onderste cambrische lagen tot ons is -gekomen. Ik heb reeds gezegd dat het een 150-tal soorten zijn, maar dat -deze, met uitzondering van de bloemplanten en de gewervelde dieren, -alle hoofdgroepen van het latere leven omvatten. De eigenschappen -van die hoofdgroepen waren dus toen al voorhanden. De thema's waren -gegeven, waarop tallooze nuanceeringen konden worden gegrond. In die -lange plankton-periode moeten dus deze fundamenteele eigenschappen, -deze grondverschillen tusschen schelpdieren en gelede dieren, tusschen -kwallen en zeesterren en al die andere groote typen, reeds tot stand -gebracht zijn. De organismen bleven klein, hun omgeving stelde aan hen -geen uiteenloopende eischen, maar daarentegen hadden eigenschappen, -die geen aanpassing, maar de grondslag van principieele verschillen -in den bouw zijn, al den tijd om zich te ontwikkelen. - -Het is zeer moeilijk zich daarvan een nauwkeurige voorstelling te -maken, en zelfs de vraag of men die ontwikkeling als snel of als -langzaam moet beschouwen in vergelijking van wat er sedert gebeurd -is, is onbeteekenend tegenover de millioenen van jaren die voor dit -proces beschikbaar waren. - -Een rijk drijvend leven van uiterst kleine wezens, maar een kale -zeebodem en kale kusten, en hier en daar wat land dat eveneens zonder -leven was, ziedaar ons beeld van de alleroudste tijden. De totale -massa der levende stof was misschien niet noemenswaard kleiner, dan zij -thans is, nu wij er zooveel meer van zien. Maar er was toen niets dat -fossiel kon worden; geen overblijfselen er van zijn tot ons gekomen. - -Laat ons thans op den ingeslagen weg nog een stap verder gaan. Als -het oudste leven dat van het plankton was, dan volgt daaruit dat -het leven ook in dien vorm aanvankelijk moet zijn ontstaan. Niet op -het vaste land, noch aan de kusten, noch op den bodem der zee is het -begin van het leven te zoeken. Drijvend in de golven moet het ontstaan -zijn. Verder is het gemakkelijk in te zien, dat de eerste levende -wezens niet ten koste van andere geleefd kunnen hebben. Zij kunnen -dus geen dieren geweest zijn, want deze leven òf van andere dieren -òf van planten. Alleen de eencellige wieren van het plankton zijn -in hun bestaan van andere levende wezens geheel onafhankelijk, daar -zij zich met het opgeloste koolzuur en met opgeloste zouten voeden, -en dan, behalve water en licht, ook niets anders noodig hebben. En -onder de eencellige wieren hebben nu de protococcen verreweg den -eenvoudigsten bouw. Kogelvormig en met niet meer dan de strikt -noodzakelijke bestanddeelen van een cel, bestaan zij eigenlijk alleen -uit het levend protoplasma, de kern, den celwand, en het groene orgaan -hunner voeding. Het is duidelijk dat er tijden geweest kunnen zijn, -dat zij alleen het geheele plankton vormden, maar ook dat dit van -geen der andere soorten, en met name van geen der dieren beweerd -kan worden. Eerst nadat de zee over uitgestrekte streken dicht met -groene protococcen bevolkt was, konden andere vormen van planten en -dieren optreden. - -Hieruit leiden wij af, dat de protococcen de oudste bekende levende -wezens zijn. Deze stelling kan, trots het gebrek aan fossiele -overblijfselen, aan geen twijfel onderhevig zijn. Mogen wij daaruit -ook afleiden dat zij de oudste van alle levende wezens geweest -zijn? Hiertegen vormt hun wel is waar eenvoudige, maar toch nog voor -ontleding vatbare bouw een bezwaar. Alle analogie pleit er voor, -dat het eerste tevens het allereenvoudigste geweest moet zijn. Een -cel zou kunnen leven zonder celwand en zonder celkern, en zelfs de -differentiëering in groene en kleurlooze deelen sluit het denkbeeld -van hoogsten eenvoud uit. Wij zouden ons een levende gelei willen -voorstellen, die het vermogen van groei had, maar ook niets meer. Een -vermogen dus om koolzuur om te zetten in dezelfde stof, waaruit de -gelei reeds bestaat, zoodat voortdurende vergrooting plaats vond, -maar ook niets meer. Eerst daaruit zouden dan later, in den loop van -lange tijden, door geleidelijke differentiëering de groene eencellige -wiertjes ontstaan zijn. - -Zou zulk een gelei nog ergens bestaan? Zou zij misschien nog -voortdurend ontstaan, maar thans spoedig aan allerlei dieren ten prooi -vallen, en dus nog slechts een zeer ondergeschikte rol spelen? Wij -weten het natuurlijk niet. Maar aan de andere zijde is het niet erg -waarschijnlijk, dat de omstandigheden op zee voor twintig of dertig -millioen jaren zoo geheel anders geweest zouden zijn, dan zij sedert -waren en nu nog zijn. Het is slechts een gissing, maar het komt -mij volstrekt niet onmogelijk voor, dat diezelfde gelei ook thans -nog hier en daar ontstaan zou. Haar ontstaan zoude het eenvoudigst -denkbare geval van generatio spontanea, van een geboorte zonder ouders -zijn. En het is duidelijk, dat het in de hoogste mate de moeite waard -moet geacht worden, naar dit verschijnsel te zoeken. - -Is deze voorstelling juist, en gelukt het die oorspronkelijke -levensgelei te vinden, dan zou men natuurlijk een van de merkwaardigste -uitgangspunten voor een experimenteele studie der evolutie in handen -hebben. Dan zou allereerst de vraag onder het oog moeten worden gezien -hoe zulk een gelei ontstaan kan, welke stoffen en welke krachten -daartoe samen moeten werken. Men zou natuurlijk de hoop koesteren, -het proces kunstmatig na te leeren bootsen, en zoodoende eindelijk -het zoo dikwijls besproken denkbeeld van een experimenteele generatio -spontanea te kunnen verwezenlijken. Maar men zou ook willen weten, -hoe in die gelei de differentiëeringen tot stand gekomen zijn, die -tot het eerste optreden van cellen geleid hebben. En als men ook hier -de experimenteele methoden wilde toepassen, zou men ten minste niet -zoo in den blinde behoeven rond te tasten, als thans het geval is. In -één woord, het historische uitgangspunt van het leven zou tevens het -wetenschappelijke uitgangspunt voor een geheel nieuwe richting van -bestudeering van het leven kunnen worden. - - - -Maar ik ben reeds veel te ver verdwaald op het gebied van vermoedens -en van verwachtingen, wier vervulling, zoo zij al mogelijk zal zijn, -toch niet voor de naaste tijden is weggelegd. Het is thans noodig -terug te keeren tot vasteren bodem, en tot die uitgangspunten voor -onderzoek, die rechtstreeks door de bekende feiten worden aangeboden. - -Daarmede springen wij in eens over tot het andere uiterste van de -geschiedenis van het leven op aarde. Hadden de gegeven beschouwingen -ten doel, te trachten een slip op te lichten van den sluier, die het -begin bedekt, thans richten wij onzen blik naar het einde. Maar een -eigenlijk einde is het niet. Geen reden bestaat er om aan te nemen, dat -de evolutie der levende wezens vóór of in onzen tijd reeds opgehouden -zou hebben. Misschien gaat zij langzamer vooruit dan vroeger, maar -misschien ligt het ook slechts aan onze kortzichtigheid, dat wij haar -niet meer bemerken. - -Land- en tuinbouw en evenzoo de tegenwoordige historie onzer -huisdieren wijzen er echter duidelijk op, dat de levende vormen -geenszins onveranderlijk zijn. Overal is er afwisseling, telkens -ontstaat iets nieuws en de praktijk heeft daaruit slechts te kiezen -wat voor haar van nut kan zijn. Het ligt voor de hand om aan te -nemen, dat wat de huisdieren en cultuurplanten ons vertoonen, ook in -de vrije natuur moet gebeuren. Ginds wordt het gezien en opgemerkt, -omdat groote belangen er rechtstreeks mede gemoeid zijn, in het wild -gaat het voorbij, zonder dat men er zich om bekommert. - -Gelukkig is hierin in den laatsten tijd verandering gekomen. Men -begint in te zien, dat de verschijnselen, aan land- en tuinbouwplanten -waargenomen, dikwerf slechts zeer onvolledig bespied zijn, en dat -zij daarenboven, door invoer van andere rassen uit andere streken, of -door kruisingen der bastaardeeringen dikwijls zoo samengesteld zijn, -dat een juiste beoordeeling niet meer mogelijk is. Daarbij komt dat -de overtuiging veld wint, dat vele der zoogenaamd nieuwe variëteiten -en soorten van land- en tuinbouwgewassen eigenlijk niet in de cultuur -ontstaan zijn. Vele belangrijke rassen schijnen overoud te zijn, maar -eerst sedert omstreeks het midden der vorige eeuw is men begonnen ze op -te merken en te isoleeren. Vele tuinbouwgewassen, die zich voordoen als -variëteiten van bekende soorten, zijn niet op kweekerijen ontstaan, -maar toevallig ergens in 't wild aangetroffen. Met name geldt dit -voor heesters en boomen, die door hun langer leven meer kans hebben -om ten slotte te worden opgemerkt dan variëteiten van kruiden en met -name van een- of tweejarige gewassen. - -Sedert Darwin het voorbeeld gegeven heeft, al dergelijke gevallen uit -de praktijk zorgvuldig bijeen te verzamelen, om uit het geheel der -verschijnselen die kennis af te leiden, die de gebrekkige waarneming -der afzonderlijke gevallen niet zou kunnen opleveren, is deze arbeid -door verschillende schrijvers voortgezet. Voor enkele jaren heeft met -name Korshinsky, een helaas te vroeg overleden russisch plantkundige, -een volledig historisch overzicht van de eerste vondsten van tal van -tuinbouwplanten gegeven. En al deze feiten wijzen te zamen op een -zeer bepaalde wijze van het ontstaan van soorten en variëteiten. De -algemeene voorstelling, die men uit hen moet afleiden, is een -zoo scherpe, dat zij als van zelf tot de conclusie leidt, dat een -experimenteele behandeling der evolutie ten minste op dit gebied -reeds thans mogelijk moet zijn. - -Variabiliteit is een uiterst vaag en veel omvattend begrip. Het -omvat zoowel rijkdom aan voorhanden verschillen, als het ontstaan van -deze verschillen zelf. In het eerste geval is het gelijkluidend met -veelvormigheid of polymorphie, in het laatste met verandering. En op -beiderlei gebied zijn er dan weer twee hoofdtypen te onderscheiden. Op -het gebied der veelvormigheid heeft men eensdeels de tallooze vormen, -ondersoorten en variëteiten, die een zelfde soort ons aanbiedt, maar -die feitelijk van elkander onafhankelijk zijn, en naast elkander -een volkomen eigen leven leiden. Zoo hebben de tuin-papavers, de -latherussen en andere bloemplanten tientallen van variëteiten, die -uit zaad geheel constant zijn en nooit in elkander overgaan, maar die -te zamen den zoo zeer aantrekkelijken rijkdom van vormen in die soort -bepalen. Zoo bestaan tarwe, mais, bieten en allerlei cultuurplanten uit -tal van constante en van elkander scherp gescheiden rassen. Daarnaast -staan de vormverschillen die binnen elk ras, en dikwerf ook tusschen de -deelen van eenzelfde individu te zien zijn. Op een paardenkastanje-boom -hebben de bloemen volstrekt niet allen denzelfden bouw. Afgezien van -het feit dat sommige kastanjes kunnen maken en andere niet, is ook het -aantal meeldraden aan voortdurende wisselingen onderhevig. Meestal -is het 7; nu eens wordt het 8 of 9, dan weer 6 of 5, en in enkele -gevallen worden zelfs deze grenzen overschreden. Heen en weer slingert -het aantal, nu eens meer dan weer minder, soms in enkele trossen zeer -sterk, dan weer een verschil tusschen de afzonderlijke trossen teweeg -brengend. Van daar de naam fluctueerende variabiliteit die aan dit -verschijnsel wordt gegeven. Het zijn veranderingen, die schijnbaar -voortdurend ontstaan, maar die toch altijd weer op dezelfde wijze -terugkeeren. Het zijn voortdurende schommelingen om een gemiddelde, -dat in hoofdzaak steeds hetzelfde blijft. - -Uit deze beschouwingen volgt, dat de studie der variabiliteit op dit -laboratorium twee hoofdrichtingen te volgen heeft. En daar zoowel -de heen en weer schommelende als de toevallige en schoksgewijze -variabiliteit zich èn bij dieren, èn bij planten voordoen, kunnen -hieruit vier hoofdafdeelingen voor den te ondernemen arbeid worden -afgeleid. Nu zou het natuurlijk te veel tijd kosten elk dezer vier -richtingen in bizonderheden na te gaan, en den weg te schetsen, -waarlangs de onderzoekingen voornamelijk zullen moeten gaan, om tot -de gewenschte uitkomsten te geraken. Beter komt het mij voor, onder -die allen er een uit te kiezen, en daarvan te schetsen wat gedaan -behoort te worden, en wat met recht mag worden verwacht. Uit den -aard der zaak kies ik daartoe het plotseling ontstaan van soorten en -variëteiten in het plantenrijk. - -Mac Dougal heeft, door een reeks van culturen, de aandacht der -Amerikaansche biologen op de veranderlijkheid van de grootbloemige -Teunisbloemen of Oenothera Lamarckiana gevestigd. Naast de -soort zelve heeft hij enkelen der daaruit in Europa ontstane -nieuwe vormen gekweekt, en aan het oordeel zijner vakgenooten -onderworpen. Voornamelijk de Oenothera rubrinervis en de dwergvorm -of O. nanella werden door hem in een aantal exemplaren gekweekt, -en gedurende al haar ontwikkelingstoestanden onderling en met de -moedersoort vergeleken. Zij werden onderworpen aan het oordeel van -stelselkundigen, die de waarde der kenmerken en de scherpe scheiding -van de moedersoort erkenden, en aan de nieuwe vormen dezelfde -rechten als aan andere zelfstandige typen toekenden. Door een aantal -afbeeldingen werd verder het goed recht der nieuwe soorten gestaafd. - -Het spreekt echter van zelf, dat het vermogen, om jaarlijks een zeker -aantal nieuwe soorten voort te brengen, noch tot de Oenothera's, -noch tot de planten der oude wereld kan beperkt zijn. Het ligt voor -de hand aan te nemen, dat tegenwoordig ook andere soorten in dien -zelfden toestand van veranderlijkheid verkeeren. Misschien zijn het -er vele, misschien slechts enkele. In elk geval ontsnappen zij tot -nu toe om een of andere reden aan de waarneming. Het komt er dus op -aan, middelen te vinden ze op te sporen. Want de mogelijkheid bestaat -natuurlijk, dat de Oenothera's nog slechts een zeer eenzijdig beeld -van die soortenvormende veranderlijkheid geven, en dat andere planten -ons verschijnselen en wetten zullen doen kennen, die de studie der -Teunisbloemen ons niet ontsluieren kan. En wanneer het doel is, ten -slotte de wetten dezer veranderlijkheid voor alle levende wezens te -leeren kennen, dan is het natuurlijk noodzakelijk, de verschijnselen -van zoo verschillend mogelijke kanten aan te vatten. - -De eerste taak is dus om te zoeken naar nieuwe muteerende -soorten. Het beste doet men, dit zoeken te beperken tot de wilde -soorten der naaste omgeving of van landen met een overeenkomstig -klimaat. Gekweekte planten bieden voorloopig weinig kans. Ten deele -is hare veranderlijkheid al zoo lang op de proef gesteld, dat men die -vrij wel als uitgeput kan beschouwen. Anderdeels zijn zeer talrijke -cultuurplanten niet meer van zuiveren oorsprong, maar zijn zij nu eens -meer, dan weer minder, door kruisingen verontreinigd. Nu heeft men -in den laatsten tijd in de kennis van de gevolgen der kruisingen wel -groote vorderingen gemaakt, maar deze zijn juist groot genoeg om ons te -waarschuwen, dat bastaardrassen nog allerlei verschijnselen vertoonen -en vertoonen kunnen, die men thans nog niet begrijpt. Hoe licht zou men -niet de zoogenaamde bastaard-splitsingen met het ontstaan van nieuwe -soorten kunnen verwarren, als men een ras onderzoekt, waarvan men -niet weet of het zuiver is, dan wel aan bastaardeering zijn oorsprong -dankt. Wilde soorten kruisen nu in 't algemeen zeer zelden, vooral -als men de enkele, aan bastaarden rijke en overbekende geslachten, -zooals wilgen, anjelieren, vingerhoedskruid en eenige andere uitsluit. - -Tot de planten van het eigen klimaat moet men zich beperken, omdat de -zaaisels in het groot moeten geschieden. Duizenden en tienduizenden -van zaailingen moeten van elke soort vergeleken worden. Dit kan -bezwaarlijk in kassen geschieden, vooral omdat de kenmerken der te -verwachten nieuwe soorten misschien eerst op lateren leeftijd zichtbaar -zullen worden, en de culturen dus veel ruimte zullen vereischen. Vele -soorten zullen opgekweekt moeten worden tot zij gaan bloeien, en van -soorten met zaadarme vruchten of met weinig vruchten op elke plant -zal men slechts door vrij omvangrijke culturen het noodige zaad voor -de uitzaaisels kunnen winnen. - -Men kan de culturen beginnen met planten of met zaad. Het zal in -den regel niet noodig zijn, die in het wild in groote hoeveelheid -te verzamelen. Voldoende is het ze aanvankelijk in den tuin zooveel -mogelijk te vermenigvuldigen. - -Een belangrijke vraag is natuurlijk met hoeveel soorten men beginnen -moet. Dit hangt natuurlijk van de kansen af die men meent te -hebben. Hier nu tast men voorloopig nog in den blinde. De Oenothera -Lamarckiana werd gevonden door een honderdtal wilde planten in -cultuur te nemen. Daarvan werd de eene op grootere, en de andere -natuurlijk op kleinere schaal gekweekt. Bij voorkeur werden zaden -van afwijkende exemplaren genomen, maar het verzamelen van zaad in -het wild is een werk dat slechts zelden meevalt, en dat daardoor de -keus zeer sterk beperkt. Verder zijn boomen en heesters uitgesloten, -en zal men bij voorkeur ook niet die overblijvende soorten kiezen, -die telkens eenige jaren gekweekt moeten worden, voordat zij gaan -bloeien. Zoodoende wordt allengs de keus zoo klein, dat men tevreden -mag zijn, als men van een honderdtal bruikbare soorten zaden bijeen -heeft gebracht. Heeft men dan ook van sommige soorten slechts enkele -zaadkorrels, dan kan dit nog voldoende zijn, om de cultuur te beginnen. - -Opmerking verdient vooral, dat de schoksgewijze veranderlijkheid -niet een eigenschap is, die vermoedelijk aan bepaalde soorten kleeft, -maar dat men aannemen mag, dat zij van geheel locaal voorkomen is. Een -soort, die op de eene groeiplaats onveranderlijk is, kan op een andere -misschien volop bezig zijn, nieuwe soorten voort te brengen. Daaruit -volgt, dat men bijna evenveel kans heeft, als men zaden van twee -of meer, onderling voldoend verwijderde groeiplaatsen van ééne -soort bestudeert, als wanneer men een gelijk aantal verschillende -soorten kweekt. Daaruit volgt tevens, dat men vooral niet de zaden -van verschillende groeiplaatsen vermengen mag, maar dat elke cultuur -zuiver van een enkele vondst moet uitgaan. - -Het voornemen bestaat, dit zoeken op zoo groot mogelijke schaal -aan te vangen. Hiertoe zijn reeds van een honderdtal wilde planten -zaden verzameld en uitgezaaid. De meeste soorten zijn natuurlijk -uit New York en de aangrenzende streken der Unie genomen, maar ook -uit Europa werden zaden gezonden. In Nederland zijn zaden van een -tiental soorten speciaal voor dit doel in het wild verzameld; zij -kunnen dus reeds dezen zomer in den proeftuin van het laboratorium -met de Amerikaansche concurreeren. - -Welke kansen heeft men, om bij dit zoeken te vinden wat men wenscht? Om -dit na te gaan moet men trachten zich een denkbeeld te maken van -wat er in de vrije natuur gebeurt. En dan treffen wij allereerst den -strijd voor het leven aan. Deze strijd, die in onze theorieën een zoo -belangrijke rol speelt als het groote orgaan van den vooruitgang, heeft -echter onder gewone omstandigheden, in onze onmiddellijke omgeving, -slechts een zeer conservatieve taak. Want ten slotte komt het geheele -begrip neer op den vroegtijdigen dood van alle individuen, die in een -of ander opzicht zeer merkbaar van het gemiddelde type afwijken. De -meeste planten toch hebben zich hun tegenwoordige groeiplaatsen zoo -uitgekozen, dat de gemiddelde eigenschappen der soort, of anders -van het locale ras, daarvoor het best passen. Afwijkingen kunnen -natuurlijk onschadelijk, ja soms misschien voordeelig zijn, maar -als regel volgt uit het zooeven vooropgestelde dat zij als nadeelig -moeten worden beschouwd. Zij zullen dus in den strijd voor het leven -te gronde gaan. En deze gevolgtrekking geldt natuurlijk even goed -voor de afwijkingen, die telken jare door de gewone of fluctueerende -variabiliteit ontstaan, als voor de zeldzamere schoksgewijze gevallen -van het ontstaan van nieuwe soorten en variëteiten. - -Tallooze afwijkingen kunnen dus ontstaan en in de eerste jeugd -te gronde gaan, zonder dat men er ooit iets van bemerkt. Treft de -schadelijke verandering de kiemplanten, of de bladeren, of den groei -der stengels, zoo is de kans dat zij zichtbaar worden zoo goed als -nul; treffen zij de bloemen of de vruchten, zoo worden zij licht met -monstrositeiten verward en dan veelal niet nader bestudeerd. Zelfs -wanneer een zelfde afwijking in een aantal van exemplaren en jaren -achtereen op nieuw ontstaat, is haar kans om ontdekt te worden nog -maar klein. Daarbij komt, dat onze gewoonten in de studie van wilde -planten allengs zeer bepaalde zijn geworden. De invloed van Linné laat -zich hier nog steeds sterk gevoelen. Voor de verschillen tusschen -systematische soorten zijn wij zeer gevoelig, en elke nieuwe soort -trekt terstond onze aandacht. Voor geringere verschillen echter zijn -wij veel minder gevoelig, ja in zekere mate onverschillig geworden, -en deze worden dus allicht over het hoofd gezien. - -Daaruit nu volgen twee regels voor het zoeken naar muteerende -planten. Allereerst moet de strijd voor het leven worden uitgesloten, -en dan moet men zich oefenen om ook zeer kleine en schijnbaar -onbeteekenende verschillen op te merken. - -Het uitsluiten van den strijd voor het bestaan omvat zelf weer twee -punten. Het eene spreekt van zelf. De zaden moeten zoo ruim gezaaid -worden, dat allen de volle gelegenheid wordt gegeven om te groeien -en hun kenmerken te ontplooien. Dit eischt natuurlijk, bij duizende -zaden, voor elke soort veel ruimte. Echter komt in vele gevallen -de natuur zelve aan dit bezwaar voor een groot deel tegemoet. Als -de verschilpunten in de kiemplanten of in de bladeren gelegen zijn, -kan men dit na een paar maanden dikwijls reeds voldoende beoordeelen, -zoodat men door het regelmatig uitrooien der onveranderde voortdurend -plaats voor de nakiemers kan maken, en zoodoende op een zelfde bed -achtereenvolgens groote aantallen van individuen kan vergelijken. - -Het tweede punt ligt minder voor de hand. Het vindt zijn oorsprong in -de vraag, of alle zaden van een plant, ten opzichte der variabiliteit, -gelijkwaardig zijn. Tijdens den volsten bloei plegen de bloemen -grooter en fraaier te zijn, dan in het najaar. Eveneens brengen de -zwakkere takken op vele planten kleiner en minder diep gekleurde -bloemen voort. Soms wijken ook de eerste bloemen af. De onderste -bloemen van trossen, en de buitenste bloemen van hoofdjes en schermen -zijn dikwijls anders dan de daarop volgende, en het is een zeer gewoon -verschijnsel dat de top of het centrum een geheel afwijkenden vorm van -bloem voortbrengt. Op menige plant is b.v. de eindbloem viertallig -als de zijbloemen vijftallig zijn. Hebben nu de zaden van al zulke -bloemen gelijke kansen om toevallig iets nieuws voort te brengen? Men -weet het natuurlijk nog niet, en zoolang men het niet weet, zou -het zeer onvoorzichtig zijn alleen het beste zaad tot ontwikkeling -te laten komen, te verzamelen en te zaaien, en het zwakkere te -verwaarloozen. Want misschien zijn juist de zwakke kiemen gevoeliger -voor de nog onbekende invloeden, die deze veranderingen bewerken. - -In de vrije natuur worden die zwakke zaden grootendeels onderdrukt. Of -wel de takken ontstaan niet, of zij dragen geen bloem, of het zaad -wordt niet rijp, of eindelijk worden de kiemplanten verdrongen zoodra -zij zich ontplooien. Daarom kan men in het wild slechts het zaad -verzamelen dat voor het begin der cultuur noodig is, maar moet men -in den proeftuin, bij wijden stand en rijke vertakking, elke plant -zooveel mogelijk zaden laten maken. Daarom ook bieden soorten, die -door het klimaat in haar groei vertraagd worden, over het algemeen -minder kans van slagen. - -Zijn deze voorzorgen genomen, dan komt de oefening in het waardeeren -van kleine verschillen. Deze eisch heeft ten gevolge, dat men niet -verwachten mag in een eersten zomer te kunnen beslissen of een ras -muteert of niet. Aanvankelijk is de kans om de nieuwigheden over het -hoofd te zien, zeer groot. Slechts allengs leert men zijne planten -zoo kennen, dat men een open oog voor haar onderlinge afwijkingen -krijgt. Daarbij komt, dat de producten van de fluctueerende -variabiliteit en van de mutatie niet gemakkelijk van elkander -te onderscheiden zijn, ja dikwijls zóó ineen loopen, dat eerst -in een volgende generatie een werkelijke beslissing kan worden -genomen. Verder ontstaan er door parasieten, door allerlei insecten, -door toevallige verwondingen en verschillende andere oorzaken soms -belangrijke afwijkingen, die niets met de eigenlijke variabiliteit -te maken hebben, en dan ook volstrekt niet erfelijk, ja zelfs in het -individu niet eens blijvend zijn. - -Min of meer op goed geluk af moet men dus alle individuen die eenige -duidelijke afwijking vertoonen, beschouwen als de dragers van de -kansen van slagen. Al de overige kan men allengs uitrooien, maar -deze moet men met zorg behandelen. Dit eischt allereerst, dat zij -van het gedrang, waarin zij natuurlijk staan, worden bevrijd, hetzij -door rondom hen ruimte te maken, hetzij door ze te verplanten. Dit -laatste heeft het voordeel, dat de hoofdcultuur er niet onder lijdt, -en dat de planten zelven goed bemest en onder alle vereischte zorgen -opgekweekt kunnen worden, zoodat een snelle en volledige ontplooiing -van hun afwijkende kenmerken zoo goed mogelijk wordt verzekerd. Bij -honderden zoekt men zulke exemplaren uit, want velen onder hen zullen -natuurlijk later blijken, niet aan de verwachting te voldoen. Dit -echter ziet men dan dikwijls eerst tijdens den bloei, en soms zelfs -pas in de volgende generatie. - -Het is duidelijk, dat dit zoeken naar mutatiën veel werk -vereischt. Maar daarnaast blijkt, dat het, meer dan iets anders, -een zaak is van oefening. Daarom moet het jaren lang worden -voortgezet. Telken jare moeten de culturen der reeds gekweekte -soorten worden uitgebreid, en telken jare moeten nieuwe soorten in -het wild worden verzameld. Zoo neemt allengs de kans toe, en zal -men ten slotte ook tot een voorstelling kunnen komen van den omvang, -dien het verschijnsel in de omgevende natuur feitelijk heeft. - -Het werk zou in hooge mate vereenvoudigd kunnen worden, zoo men een -leiddraad had, om uit de waarnemingen in de vrije natuur eenigszins -af te leiden, welke soorten meer, en welke minder kans van slagen -hebben. Het toeval, gesteund door oefening, kan natuurlijk zulke -aanwijzingen aan de hand doen, en de Oenothera Lamarckiana vertoont, -op haar oorspronkelijke vindplaats bij Hilversum, nagenoeg telken -jare enkele afwijkende individuen, die aan den ingewijde terstond -haar toestand van mutabiliteit zouden kunnen verraden. Dit schijnt -hier, en eveneens in enkele andere gevallen, samen te hangen met de -gelegenheid tot snelle uitbreiding, waardoor hier en daar zwakke zaden -en zwakke kiemplanten aan den strijd voor het leven worden onttrokken, -zoodat vormen zich ontplooien kunnen, die anders vroegtijdig te gronde -zouden gaan. - -Dergelijke waarnemingen zijn enkele malen meer gedaan. Zoo -beschrijft Darwin een geval, dat hij bij een wilde kleinbloemige -soort van Geranium (G. pyrenaicum) heeft gezien. Deze was ergens in -Staffordshire van uit een tuin ontsnapt en had zich in den loop van -eenige jaren verbazend sterk vermenigvuldigd, waarbij natuurlijk -telken jare een groot aantal zaden moesten voortgebracht worden en -ontkiemen. Daarbij was de soort sterk gaan varieeren, in bijna alle -organen en eigenschappen en in de meest verschillende richtingen. Een -zoo sterke variabiliteit was vroeger bij deze soort nooit waargenomen, -en het is dus zeer waarschijnlijk, dat zij, hoewel aanwezig, toch -door het voortdurend mislukken van het overgroote aantal van zaden -en kiemen eenvoudig was verborgen gebleven. Over de grens van de -veranderlijkheid mag men dus bij geen plant een oordeel vellen, -voordat zij onder een dergelijke snelle vermenigvuldiging van het -aantal individuen is beoordeeld geworden. - -Daar tegenover staat, dat snelle vermenigvuldiging volstrekt niet -altijd met het vertoonen van zulk een hoogen graad van variabiliteit -gepaard gaat. Zij is het middel, om haar te toonen als zij er is, -maar niet de oorzaak die haar doet ontstaan. Dit ziet men bij ons te -lande, als na het droog leggen van een polder bepaalde soorten snel den -nieuwen grond overwoekeren, en hem soms met een dichten plantengroei -bedekken, voordat de verschillende stukken in cultuur kunnen worden -genomen. De Zilte of Aster Tripolium, verschillende soorten van melde -en andere bekende gewassen zouden hier kunnen genoemd worden. Onder -millioenen van exemplaren zoekt men tevergeefs naar afwijkingen. Een -variëteit van de gewone kamille, gekenmerkt door het gemis van de -witte lintbloemen, breidt zich sedert enkele tientallen van jaren -op sommige plaatsen van Europa en Noord-Amerika geweldig snel uit, -zonder dat daarbij iets van bizondere veranderlijkheid gebleken is. De -Erigeron canadense, die in Europa uit Canada is ingevoerd, treedt -soms op zandige gronden plotseling in millioenen van exemplaren op, -de Diplotaxis teuifolia, een kruisbloem met fraaie groote gele bloemen, -verspreidt zich talloos langs sommige wegen, en zoo zouden een aantal -andere voorbeelden kunnen worden aangehaald. Zij blijven even trouw aan -hun type, als of zij slechts oude en kleine groeiplaatsen bewoonden. - -Een belangrijk punt omtrent het zaaien van wilde planten verdient -nog besproken te worden. Als men erwten zaait, verwacht men dat -elke afzonderlijke erwt zal opkomen; als men zaad van tuinbloemen -zaait, rekent men er op dat tenminste verreweg het grootste deel -planten zal leveren. Bij wilde soorten is deze kans nu veel minder -gunstig. Dikwijls kiemen op honderden zaden slechts eenige weinige. De -overigen zijn dan niet dood, maar vinden niet de vereischten voor -hun groei. Laat men ze in den grond, dan wachten zij een jaar, en in -'t volgend voorjaar komt weer een deel op. Anderen wachten langer, -en soms kan men na 5 tot 6 jaren de oude zaden nog zien kiemen. Hoe -meer zorg men aan het uitzaaien besteed, des te meer zaden kiemen -er van elke honderd, en er bestaat natuurlijk een kans dat juist de -achterblijvenden de afwijkende vormen zullen voortbrengen. Daarom is -het dikwijls beter, niet in den tuin te zaaien, maar in zaaischotels -in goede tuinaarde in een goed verlichte kas. Men moet dan echter -daarna de planten uitplanten, en dit vereischt veel werk, tenzij -reeds in de schotels een keus gedaan kan worden. - -Nemen wij thans aan, dat het door al deze zorgen gelukt is een of meer -soorten te ontdekken, die hetzelfde verschijnsel van veranderlijkheid -vertoonen als de Oenothera Lamarckiana. Wat moet er dan met die -planten gedaan worden? - -Allereerst moet worden nagegaan, welke nieuwe soorten zij voortbrengen, -en welke eigenschappen deze vertoonen. Die eigenschappen hebben deels -betrekking op den vorm, en deels op de erfelijkheid. De vormen van -twee soorten kan men echter niet volledig vergelijken zoolang men van -een van beiden slechts een of slechts weinige exemplaren bezit. Dit -kan natuurlijk wel, als er zeer groote verschillen in het spel zijn, -zooals bij het onderscheiden en omschrijven van soorten die uit vroeger -niet onderzochte landen en zeeën worden medegebracht. In ons geval -echter hebben wij uit den aard van de zaak steeds met zeer kleine -verschillen te doen, verschillen die dikwerf niet duidelijk buiten het -gebied der gewone of fluctueerende variabiliteit vallen. Men moet dus -van de afwijkende exemplaren zaad winnen en dit uitzaaien, teneinde -een juist beeld en een volledige beschrijving van het gemiddelde -type te kunnen geven. Daar men nu voor de studie der erfelijkheid -toch ook zaaien moet, zoo is het noodig thans eenigen tijd bij deze -werkzaamheden stil te staan. - -Het is om de waardeering van kleine verschillen te doen. Daaruit -volgt, dat twee exemplaren, die schijnbaar aan elkander gelijk zijn, -toch in werkelijkheid nog kunnen verschillen, terwijl omgekeerd -de fluctueerende variabiliteit verschillen kan doen waarnemen bij -individuen, die eigenlijk tot eenzelfde type behooren. Deze overweging -leidt tot de conclusie dat men de zaden van elk exemplaar afzonderlijk -moet oogsten en afzonderlijk moet zaaien. Want alleen zóó kan men -zeker zijn, zuivere rassen te verkrijgen. Elke variatie in een groep -van kinderen van ouders, wier zaad gemengd werd uitgezaaid, kan het -gevolg van die menging zijn. Zijn de kinderen eenvormig, dan is het -bewijs natuurlijk van die voorzorgen onafhankelijk, maar bij het minste -verschil zou de vertrouwbaarheid der uitkomsten kunnen wegvallen. Een -varieerend bed zou een mengsel kunnen zijn van twee verschillende -constante rassen, of van een varieerend en een constant ras. Waren -beide deelen variabel, dan zou nog die variabiliteit verschillend -kunnen zijn, zoodat enkele der vormen van de eene, en andere van de -andere moeder afstamden. Al zulke onzekerheden kunnen alleen door -een individueele zaadoogst voorkomen worden, en deze moet dan ook bij -wetenschappelijke studiën over erfelijkheid en variabiliteit als een -eerste beginsel worden voorop gesteld. - -Het moge in den aanvang een al te zware eisch schijnen, elk afwijkend -individu op deze wijze op zijne erfelijkheid te onderzoeken. Heeft een -proef eenmaal een gunstig gevolg, dan komen licht een 50 tot 60, soms -misschien een honderdtal zulke planten voor. De ondervinding met de -Teunisbloemen leert echter, dat het zeer goed uitvoerbaar is, op zulke -groepen het beginsel toe te passen, en vooral leert zij, dat alle werk -zonder dit beginsel zeer groote kans heeft verloren te zijn en tot geen -betrouwbare uitkomst te leiden. Wanneer de planten eerst tijdens den -bloei te onderscheiden zijn, drukken deze bezwaren natuurlijk met hun -volle gewicht. Maar wanneer de verschillen reeds in de jeugd, b.v. 2 -of 3 maanden na het zaaien zich vertoonen, dan kan men de planten in -de zaaischotels of in de speenbakjes laten, tot deze toestand bereikt -is, en zoodoende het werk zeer aanzienlijk verminderen. Bij volkomen -erfelijkheid is het dan dikwijls voldoende op deze wijze in eenige -honderden van zaailingen het nieuwe kenmerk waar te nemen, terwijl -daarvan dan slechts zoovele behoeven te worden uitgeplant, als toch -noodig zijn, om een voldoende zaadoogst te verkrijgen. Zoo bestudeert -men hun latere eigenschappen en zorgt er tevens voor, dat de contrôle -nog een of meer generatiën kan worden voortgezet. Bij onvolkomen -erfelijkheid kan men in de zaaischotels en speenbakken met groote -nauwkeurigheid de getalsverhouding der afzonderlijke typen bepalen, -terwijl men dan weer van elk type slechts een betrekkelijk klein aantal -exemplaren als zaaddragers uitplant. Door middel van hun zaad kan men -dan verder zien of deze typen op den duur even veranderlijk blijven, -of dat sommigen onder hen weer standvastig worden. - -Heeft men op deze wijze het verschijnsel der schoksgewijze -veranderlijkheid zoo volledig mogelijk leeren kennen, dan treedt -daarnaast de vraag naar de oorzaken op den voorgrond. Als regel zal -men waarschijnlijk vinden, dat van een veranderlijke plant slechts -enkele zaden nieuwe soorten geven, terwijl verreweg de meerderheid -aan het ouderlijke type getrouw blijven. De vraag ontstaat dus, -welke zaden afwijken, en waarom juist zij dit doen en niet de anderen. - -De oorzaak daarvan kan deels gelegen zijn in de plaats van de zaden -op de plant, deels in de uitwendige omstandigheden waaronder het -zaad ontstond en bevrucht werd en waaronder de kiem in het zaad zich -vormde. Die oorzaken moeten dus worden nagegaan, en daarbij moet -natuurlijk niet alleen met de zaden, maar ook met het bevruchtende -stuifmeel rekening worden gehouden. Om dit te doen is het in -het algemeen wenschelijk, elke bloem met haar eigen stuifmeel te -bevruchten. Daartoe worden de trossen of bloemgroepen omhuld met -zakken van geprepareerd papier, die onder den tros rondom den tak -worden dichtgebonden. Insekten kunnen dan de bloemen niet bezoeken, en -dus geen stuifmeel van ongecontroleerde herkomst aanbrengen. Menige -plant drukt zelf haar meeldraden tegen haar stempel, en zoo dit -bevruchting geeft, behoeft zij natuurlijk verder geen hulp. Anders -moeten de zakken van tijd tot tijd geopend worden, ten behoeve eener -kunstmatige bestuiving. Sommige soorten geven alleen dan zaad, als -twee individuen onderling worden bevrucht, en in dit geval krijgt -men natuurlijk meer samengestelde bewerkingen. - -Onder deze voorzorgen zal men nu allereerst de verschillende -vruchten op een plant onderling moeten vergelijken. De zijtakken van -verschillenden rang, de hoogere en lagere vruchten van een tros, kunnen -misschien in verschillenden graad neiging tot muteeren hebben. Kon -men hieromtrent een regel vinden, dan zou de geheele studie op dit -gebied zeer vereenvoudigd kunnen worden, daar men dan voortaan bij -het zoeken naar veranderlijke soorten, zich tot de keuze van bepaalde -takken en bepaalde groepen van vruchten zou kunnen beperken. - -In de tweede plaats zal men de levensomstandigheden vóór, tijdens, -en na de bevruchting kunstmatig moeten wijzigen. Hebben krachtige -individuen een grooter of wel een kleiner aantal afwijkende -nakomelingen dan zwakke? Heeft de vruchtbaarheid van den bodem op dit -verschijnsel een bevorderenden dan wel een belemmerenden invloed? Hoe -gedragen zich de mest en hare afzonderlijke bestanddeelen? Is goede -verlichting gunstig of ongunstig? Kan men door snoeien het voedsel zoo -in bepaalde richtingen leiden, dat zichtbare gevolgen ontstaan? Deze -en al dergelijke vragen wijzen den weg, dien het onderzoek heeft in -te slaan. Zij leeren tevens, dat de ontdekking van een of meer nieuwe -veranderlijke soorten slechts als het uitgangspunt te beschouwen is, -en dat zeer omvangrijke studiën vereischt zullen zijn, om van die -uitgangspunten uit tot belangrijke ontdekkingen te geraken. - -Maar langs dezen weg zal men toch ten slotte een macht over de planten -verkrijgen, die allereerst ons in staat zal stellen, het aantal -muteerende zaden belangrijk te vergrooten, en die het daarna mogelijk -zal maken ook den omvang der mutabiliteit te verwijden. Nieuwe en -onverwachte soorten zullen dan verschijnen, en wat men thans weet, -zal blijken slechts een eerste begin te zijn van een wetenschap, -die zoowel voor de theorie als voor de praktijk geheel nieuwe -gezichtspunten zal openen. - -Een alzijdige en zoo volledig mogelijke kennis van het geheele -verschijnsel van het ontstaan van soorten en variëteiten is het -doel, dat in de eerste jaren behoort te worden nagestreefd. De keus -der onderzoekers, die met dit werk belast zijn, de inrichtingen en -de middelen waarover het nieuwe laboratorium beschikt, wettigen de -verwachting, dat ook hier de leer zal gelden: onvermoeide arbeid komt -alles te boven. De methoden zijn duidelijk, en zoodra dus een bruikbaar -materiaal gevonden zal zijn, moeten de wetten, die de verschijnselen -beheerschen, aan het licht komen. - -Om tot zulk een volledig inzicht te komen is echter nog een ander -beginsel noodig. Dit is het boekhouden. Mutatiën komen onverwacht, -en wat men dan van haar weten wil, betreft minder haar zelven dan -wel hare ouders en voorouders. Deze moet men elk afzonderlijk kennen, -en een geheele stamboom moet ontworpen kunnen worden, zoodra zulk een -nieuwe soort optreedt. Van de voorouders moet steeds een volledige -beschrijving voorhanden zijn, al hunne kenmerken moeten met die van -den nieuwen vorm nauwkeurig kunnen worden vergeleken. Maar dit is nog -geenszins de hoofdzaak. Bovenal moet men ingelicht zijn, of zich kunnen -inlichten omtrent hun erfelijkheidsverschijnselen. Zijn zij in elk jaar -zuiver bevrucht, en zoo het stuifmeel van een andere plant herkomstig -was, welke was deze, en welke was hare afstamming? Hebben onder de -kinderen dier voorouders reeds vroeger mutatiën plaats gevonden, -en zoo ja, hoe dikwijls en in welke richting? - -Al deze zaken moeten nauwkeurig opgeteekend zijn, en daarenboven moet -van iedere individueele plant zooveel zaad bewaard zijn, dat men den -graad van zuiverheid van hare nakomelingschap zoo noodig nog door -nieuwe proeven kan controleeren. Hiertoe moet iedere plant natuurlijk -een nummer hebben, aangevende het jaar en het ras, het zaaisel en het -individu, en haar zaad moet onder dit nummer worden bewaard. Goed -droog bewaarde zaden blijven vele jaren kiembaar, en kunnen dus na -langen tijd nog voor het onderzoek dienen, maar het bewaren van het -zaad eischt natuurlijk bizondere inrichtingen en voorzorgen. - -Op deze wijze moet nagenoeg de geheele familie van een muteerende -plant bekend zijn, want eerst dan heeft men de gegevens in handen, -om de verandering volledig te beoordeelen. Wenschelijk is het ook, -dat de cultuurvoorwaarden, de invloeden van klimaat en weder, zooveel -mogelijk zijn opgeteekend, omdat uit de kennis daarvan allicht -vermoedens omtrent de oorzaak der mutatie kunnen worden afgeleid. - -Elke proef moet eens een begin hebben. Men kan aanvangen met een plant -of met een groepje planten, of met eenig zaad, dat men in 't wild -verzameld heeft. Omtrent de daaraan voorafgaande geschiedenis van -zulk een ras weet men in den regel niets. De kennis der wilde flora -geeft in het algemeen enkele aanwijzingen omtrent standvastigheid -of variabiliteit; eveneens kan men nagaan of men soms een bizondere -elementaire soort als uitgangspunt heeft gekozen. Maar men zou ook -toevallig een bastaardras in handen hebben kunnen krijgen, en zoo -dit voldoende constant is, is er tegenwoordig nog geen middel om -hieromtrent zekerheid te verwerven. Heeft men een vermoeden omtrent -bepaalde ouders dan zou men de kruising kunnen herhalen; heeft men -echter zulk een gissing niet, dan is het bezwaarlijk om de vraag -te beantwoorden. - -En daar men niet weet, waar en wanneer een mutatie zal ontstaan, is -men wel gedwongen, om dit boekhouden op al zijn culturen en al zijn -planten toe te passen, en voor allen al datgene op te teekenen, wat men -in de enkele gunstig afloopende gevallen wenscht te weten. Hierdoor -wordt het werk wel zeer omvangrijk en moeilijk, maar toch is het de -eenige weg om met voldoende zekerheid vooruit te komen. - -Met al deze studiën zal dan toch volstrekt nog niet alles bereikt -zijn. Want wat men ten slotte wenscht te weten is niet hoe de soorten -ontstaan, en van welke oorzaken dit afhangt, maar hoe men kunstmatig -en willekeurig nieuwe soorten kan doen ontstaan. Zoolang men dit niet -weet, staat men tegenover alle soorten, die thans niet in een periode -van onveranderlijkheid verkeeren, natuurlijk machteloos. Alles wijst -er op, dat de groote meerderheid der soorten thans standvastig is, -en dat slechts enkele veranderen. Die enkele veranderlijke kunnen -ons wel als voorbeeld en als materiaal van studie dienen, maar daarom -is het ten slotte toch niet te doen. Men moet trachten soorten, die -thans reeds door bepaalde eigenschappen nuttig zijn, op andere punten -zoo veranderlijk te maken, dat zij schadelijke trekken verliezen, of -andere gunstige afwijkingen er bij krijgen. Eerst dan zal de wetenschap -der mutabiliteit ten volle aan de belangen der menschheid dienstbaar -gemaakt worden; eerst dan zal het doel van dit laboratorium in dit -opzicht worden bereikt. - -Wat er vereischt zal worden, om in die richting vooruit te komen, -laat zich thans nog niet voorspellen. De bizondere gevallen, die men -vinden zal, moeten het uitmaken. In zekeren zin zal het werk moeten -samenvloeien met hetgeen ik zooeven geschetst heb, en misschien geeft -de voltooiing van het een van zelf de oplossing van het andere. - -Veel, ja zeer veel is er nog te doen, en het arbeidsveld is bijna -onafzienbaar. Maar van tijd tot tijd komt een gelukkige vondst of een -invallende gedachte den weg bekorten, en daarom is er geen reden om -aan een volledig slagen in niet al te langen tijd te wanhopen. - -Hoofdzaak is, dat het werk worde aangevangen, dat men voor zichzelf het -te bereiken doel nauwkeurig en zoo zorgvuldig mogelijk vaststelle, -en dat alle middelen ten dienste staan, die voor die bereiking -noodig zijn. - -Daarom acht ik de stichting van dit laboratorium van het allerhoogste -belang. Gedurende een halve eeuw heeft de afstammingsleer aller -aandacht tot zich getrokken, en op het gebied van stelselleer, -vergelijkende morphologie en vergelijkende ontleedkunde, vooral ook in -de studie der ontwikkelingsgeschiedenis der afzonderlijke organismen, -een krachtigen stoot tot snellen vooruitgang gegeven. De experimenteele -wetenschap is daarbij achtergebleven. Nog steeds zoekt de physioloog -zijn materiaal in de ervaringen van land- en tuinbouw. Thans is de -tijd gekomen, dat die rijke, maar steeds min of meer vage en door -twijfel omhulde bron door een andere worde vervangen. Het zuiver -proefondervindelijke onderzoek, met een volledige kennis van alles -wat voor een juiste beoordeeling der feiten noodig is, moet op den -voorgrond treden. Zoo enkelvoudig mogelijk moeten de verschijnselen -worden uitgekozen en zóó geleid, dat alle vragen kunnen worden -beantwoord. Eerst dan zal de leer der erfelijkheid een wetenschap -worden, die, ontdaan van al de poëtische beschouwingen waarin zij -thans bevangen is, den waren aard van het leven in zuivere trekken -aan ons openbaart. Eerst dan zal zij de grondslag worden voor die -echte poëzie en die verhevene levensopvatting, die nu eenmaal alleen -door een grondige studie der natuur kunnen worden bereikt. - - - -Het Carnegie-Institution te Washington heeft heden een stoot gegeven -in een richting, die niet nalaten kan spoedig in hare volle waarde -erkend te worden. Dan zal zijn voorbeeld worden gevolgd, en zullen -talrijke andere gelijksoortige inrichtingen worden gesticht. Het is -het voorrecht van Amerika op deze wijze te kunnen voorgaan en bakens te -plaatsen op een gebied, waarop nog geen ander zich durft te wagen. Moge -de uitkomst bewijzen, dat hier een weg is ingeslagen, die eenmaal een -roem voor het land, en een zegen voor de geheele menschheid zal worden. - - - EINDE - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Reuzen Warme Bronnen. - -[2] "Voor het nut en genot van het volk". - -[3] Electrische top. - -[4] Gele-steen-rivier en -park. - -[5] Half-droge streken. - -[6] Bever-meer. - -[7] Behalve de gidsen, door de Northern Pacific- en de Union -Pacific-Spoorwegmaatschappijen in den vorm van hunne time-tables of -folders uitgegeven, wordt door de toeristen gewoonlijk Haynes Guide to -the Yellowstone-park gebruikt. Dit is een boekje in zak-formaat. Voor -een grondiger studie van wat men op de reis zien kan wordt vooral -gebruikt Chittenden, The Yellowstone National Park, historical and -descriptive 1903. Voor een meer wetenschappelijke studie worden de -verhandelingen van Weed, Davis (Science, July 1897), Tilden (Botan, -Gazette, Sept. 1897), Harshberger (Am. J. A. Pharmacy, Dec. 1897), -Setchell (over de wieren in de warme bronnen) e. a. aanbevolen. - -[8] Verdwaalde. - -[9] Bosch-der-Versteeningen. - -[10] Nachtelijk bloeiende cactus. - -[11] Verkoopgelegenheid voor curiositeiten. - -[12] Terrassen. - -[13] Vrijheids-Kegel. - -[14] Duivelsduim. - -[15] Duivelskeuken. - -[16] Borrelende. - -[17] Het Badmeer. - -[18] Kokende Rivier. - -[19] Zilverpoort. - -[20] De Reuzin. - -[21] De Zaagmolen. - -[22] De Reus. - -[23] De Kasteel-geyser. - -[24] Papiniaansche pot.--Aldus genoemd naar dr. Papin, een Fransch -natuurkundige, die onder leiding van onzen Christiaan Huyghens werkte, -en in 1680 voor den dag kwam met zijn ontdekking van stoom onder druk -in een hermetisch gesloten pot. - -[25] Lager-, Midden- en Boven-bassins. - -[26] Zwarte Rommelaar. - -[27] Bijenkorf. - -[28] Spons. - -[29] Kust. - -[30] Verrassing. - -[31] Vuurhol. - -[32] Thee-ketel. - -[33] Leeuw, Leeuwin en Welpen. - -[34] Kruin. - -[35] Spreek uit Poel. - -[36] Edelsteen. - -[37] Juweel. - -[38] Smaragd. - -[39] Cacti. Meervoud van cactus. - -[40] Koude-Bron-Haven. - -[41] Bibliotheek-zaal. - -[42] Onderzoek-inrichting voor de proefondervindelijke -ontwikkelingsgeschiedenis. - -[43] Instituut voor Kunsten en Wetenschappen te Brooklijn. - -[44] Inwonend onderzoeker. - - - - - - -End of the Project Gutenberg EBook of Het Yellowstone-Park, by Hugo De Vries - -*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET YELLOWSTONE-PARK *** - -***** This file should be named 53476-8.txt or 53476-8.zip ***** -This and all associated files of various formats will be found in: - http://www.gutenberg.org/5/3/4/7/53476/ - -Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed -Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project -Gutenberg (This file was produced from images generously -made available by The Internet Archive/American Libraries.) - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for the eBooks, unless you receive -specific permission. If you do not charge anything for copies of this -eBook, complying with the rules is very easy. You may use this eBook -for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, -performances and research. They may be modified and printed and given -away--you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks -not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the -trademark license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country outside the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you'll have to check the laws of the country where you - are located before using this ebook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm web site -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and The -Project Gutenberg Trademark LLC, the owner of the Project Gutenberg-tm -trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - - - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's principal office is in Fairbanks, Alaska, with the -mailing address: PO Box 750175, Fairbanks, AK 99775, but its -volunteers and employees are scattered throughout numerous -locations. Its business office is located at 809 North 1500 West, Salt -Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to -date contact information can be found at the Foundation's web site and -official page at www.gutenberg.org/contact - -For additional contact information: - - Dr. Gregory B. Newby - Chief Executive and Director - gbnewby@pglaf.org - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide -spread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works. - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our Web site which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. - |
